6 Rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV

Rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV

Aan de orde is de voortzetting van het debat over de rapporten "Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel" van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" van de Inspectie JenV.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aangekomen bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet in het debat over de rapporten van de beide inspecties van VWS en JenV. Ik kijk even wie van de beide bewindspersonen ik daarvoor het eerst het woord geef. Dat treft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Wellicht kunt u ons meenemen in de structuur van de wijze waarop u de Kamer zal beantwoorden. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, voorzitter. Ik zal u zo meteen meenemen in de structuur. Ieder debat heeft structuur nodig om van a tot en met z te komen en om antwoord te kunnen geven op de vragen die zijn gesteld. Alleen, gezien de aard van dit debat, wil ik ook eerst even wat persoonlijke visies delen. We hebben het over kinderen en hun ouders. We hebben het over kinderen die onder gezag worden geplaatst door maatregelen vanuit de overheid, en die vervolgens toch geconfronteerd worden met situaties die soms niet veilig zijn, die beschadigend kunnen zijn. Daar zijn dikke rapporten over geschreven. Nu zijn er weer inspectierapporten. Dat is niet voor het eerst. Dat gaat mij aan het hart. Dat gaat ook u allen aan het hart; dat bleek wel uit alle inbrengen die ik heb gehoord. Ik wil iedereen gewoon danken voor de betrokkenheid die hier wordt getoond. Daar begint het mee: betrokken zijn bij een onderwerp en écht tot verbetering willen komen, ook als dat ingewikkeld is.

Voorzitter. Ik begin met een algemene inleiding. Ik zal dan overgaan tot antwoorden op de vragen die gesteld zijn over stelselverantwoordelijkheid. Dat is een geweldige kapstok, dus daar zit al heel wat onder. Dan duik ik de wereld van de casuïstiek in, want er zijn natuurlijk ook over specifieke casussen vragen gesteld, zo ook over de William Schrikker Stichting. Er zijn vragen gesteld over het toekomstscenario voor de jeugdbescherming. Uiteraard, zoals altijd, is er ook nog een mapje overig, waarbij onder andere ook de rechtsbescherming zal worden meegepakt. Dan blijft er nog steeds het een en ander over, maar dat gaat mijn collega Tielen straks beantwoorden. Zij heeft haar eigen mapjes en eigen indeling. Dat weet ik niet. Dat is de verrassing, de cliffhanger voor dit debat.

De voorzitter:

Dat gaan we meemaken. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter. Laat ik beginnen met de Kamer te bedanken voor alle vragen bij dit belangrijke debat. Ik ben blij met die betrokkenheid; ik zei het net al. Dat blijkt ook uit de grote opkomst. We hebben weleens debatten met minder woordvoerders. Het is heel goed dat dit onderwerp breeduit in de Tweede Kamer belangrijk wordt gevonden en dat daarover wordt gedebatteerd.

Vandaag gaat het over de bevindingen van de inspecties na toezicht op gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en op pleegzorgaanbieders. De inspecties geven aan dat kinderen risico's lopen door tekortkomingen in zowel de pleegzorg als de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. Uit de rapporten blijkt dat de problemen in de jeugdbescherming en jeugdhulp hardnekkig zijn. Het zijn — dan zeg ik het misschien wat te klein, maar toch — pittige rapporten met conclusies die we helaas herkennen en aanbevelingen die we ter harte nemen.

Ondanks alle inzet van betrokken professionals en organisaties, ondanks maatregelen die we al genomen hebben, bijvoorbeeld het hogere landelijke tarief voor jeugdbescherming sinds eind 2023, en grote verbetertrajecten waar we met de sector al een poos op inzetten — denk aan het toezichtscenario en de hervormingsagenda; we zullen daar ook nader op ingaan — slagen we er nog steeds onvoldoende in om in het hier en nu snel tot verbeteringen te komen. Dat neemt niet weg dat ik geloof in de maatregelen die we aan het nemen zijn, maar het frustreert me dat die tijd kosten en ouders en kinderen op dit moment nog onvoldoende helpen.

In de rapporten wordt gevraagd om stevig leiderschap van het Rijk maar ook van gemeenten en de instellingen. Stevig leiderschap betekent ook dat we niet berusten in het feit dat we de bescherming van kinderen nog niet altijd voldoende op orde hebben. Op voortouw van het Rijk als stelselverantwoordelijke zijn we als Rijk, gemeenten en GI's bij elkaar gekomen om te bekijken welke maatregelen noodzakelijk zijn. In de brief die ik u gestuurd heb, hebben we op een rijtje gezet welke maatregelen er worden genomen, wat daar de stand van zaken van is en wat we aanvullend willen doen om tot een versnelling te komen. We werken met gemeenten, GI's, ketenpartners en andere betrokkenen aan concrete maatregelen om de instroom bij de GI's omlaag te brengen, onder andere in een ketensessie die op korte termijn, in januari, plaatsvindt. Rijk, gemeenten, GI's en jeugdhulporganisaties voeren met elkaar het gesprek over de verwijzing naar en de toegang tot specialistische jeugdhulp. We verlengen de zijinstroomregeling die GI's helpt om goede jeugdbeschermers te werven met een jaar, en dat doen we tot en met 2026. De GI's ontwikkelen verbetervoorstellen op basis van best practices. Die gaan over het tegengaan van wachtlijsten en over werkwijzen voor betekenisvolle contacten, waar velen al vragen over hebben gesteld. We versterken ook de rechtsbescherming van ouders en kinderen in de jeugdbescherming; zie het nog in te dienen wetsvoorstel Verbetering rechtsbescherming met veel concrete verbeteringen. Daar zijn vragen over gesteld en daar kom ik straks nader op terug.

Als stelselverantwoordelijke heeft het Rijk ook de brede verantwoordelijkheid voor een goede werking van het stelsel. Dat betekent dat we actoren in het jeugdveld, GI's en gemeenten aanspreken als ze hun wettelijke taak onvoldoende uitvoeren, maar ook dat we aan de slag gaan als het stelsel als geheel onvoldoende functioneert. Samen met gemeenten en het veld werken we aan structurele verbeteringen in de jeugdzorg via de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.

Stevig leiderschap is ook bewaken — dat wil ik hier specifiek nog even melden — dat professionals ruimte hebben voor de uitoefening van hun vak. Zij zijn de deskundigen en wij moeten hen daarbij steunen. Ik vind het belangrijk om dat te benadrukken, want meer regels staat niet altijd gelijk aan betere kwaliteit van de zorg. Het kan zelfs een contraproductief effect hebben. We moeten voorkomen dat we met nog meer regels en nog meer kaders en verplichtingen het werk van professionals nog moeilijker en onaantrekkelijker maken. We willen deze professionals ook vasthouden. Ik wil hen steunen in hun eigen professionaliteit. Ik wil dat de professionals ook ruimte hebben om te kunnen acteren op het gevoel of iets pluis of niet pluis is, om naar voren te stappen als ze het vermoeden hebben "dit klopt niet" en een stapje terug te doen als ze de ruimte willen geven om mensen hun eigen leven te kunnen laten leiden. Dat laat zich niet of nauwelijks in extra regels en verplichtingen vangen. Zo pakken we uiteindelijk allemaal vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid de handschoen op om het beter te doen in de jeugdzorg en de jeugdbescherming. Ik realiseer me dat een gezin dat nu wacht op hulp, niet zo veel heeft aan deze mooie woorden. Toch denk ik dat we koers moeten houden om op termijn het verschil te kunnen maken.

Ik zou één voorbeeld willen delen. Ik was nog maar net staatssecretaris toen er een 24 uurssessie was over het toekomstscenario. Dat klinkt heel ambtelijk, maar toch. Daar zaten alle betrokkenen bij elkaar. Staatssecretaris Tielen en ik mochten aftrappen. Het punt dat we daar hebben gemaakt en dat ook is overgenomen, is: we kunnen wel eeuwig blijven praten over een schitterende structuur, over schitterend nieuwe stelsels en over hoe het allemaal beter zou kunnen, maar het allerbelangrijkste is dat we vanaf nu iedere dag zorgen dat het beter gaat. Het allerbelangrijkste is dat we de gezinnen en kinderen centraal stellen en dat we daaromheen de juiste hulp bieden. Dat moeten we zo snel mogelijk organiseren. Als we werkenderwijs dingen tegenkomen die fundamenteel anders moeten, dan pakken we dat aan, maar we gaan niet nog jaren doorpraten over een nieuw stelsel en in de tussentijd toekijken hoe dingen onvoldoende goed gaan. Daartussenin moeten we een weg zien te vinden. Daarvoor neem ik ook mijn verantwoordelijkheid.

Dat gezegd hebbende ga ik meteen door met de stelselverantwoordelijkheid, met het risico dat ik af en toe een beetje dubbel. Mocht ik tot de conclusie komen dat de dubbeling te groot is, dan ga ik er wat sneller doorheen. Als ik iets vergeet, dan twijfel ik er niet aan dat iemand de interruptiemicrofoon weet te vinden.

Velen van u vragen om stevig leiderschap. Ik heb dat gehoord van mevrouw Synhaeve, mevrouw Wendel, mevrouw Westerveld en mevrouw Straatman. Kunnen wij daarop reflecteren en hoe zien wij onze eigen rol? Ik heb daar net al wat over gezegd, maar ik ga er nu wat gedetailleerder op in. Het inspectierapport vraagt niet alleen om stevig leiderschap van het Rijk, maar ook van gemeenten en van instellingen. Hoe ongemakkelijk het ook is, we hebben hier te maken met een gedeelde verantwoordelijkheid. Daar komen we ook niet van weg, simpelweg omdat je vanuit het Rijk niet in individuele situaties kunt kijken. Dat zal toch echt dichter bij het kind moeten worden georganiseerd. Mevrouw Van der Plas had het over noaberschap, over dat je naar elkaar omziet en op basis daarvan dingen weet. Dat is een vorm van dichtbij staan die je niet vanuit het Rijk kunt vormgeven en vice versa. Daar moeten we steeds een balans in zien te vinden. Tegelijkertijd betekent stevig leiderschap ook dat we niet berusten in het feit dat we de bescherming van kinderen nog onvoldoende op orde hebben en dat we de regie nemen om samen met de gemeenten en de GI's tot actie te komen. Eenieder moet vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid stappen zetten om op een goede wijze uitvoering te geven aan zijn wettelijke opdracht.

Op voortouw van het Rijk, als stelselverantwoordelijke, zijn het Rijk, de gemeenten en de GI's bij elkaar gekomen om te bekijken welke maatregelen noodzakelijk zijn. De GI's zijn verantwoordelijk voor een goede uitvoering om op basis van good practices — die zijn er — tot gezamenlijke verbeteringen te komen, bijvoorbeeld om de wachtlijsten aan te pakken en om daar transparant over te zijn. Denk ook aan het veel scherper vastleggen van hoe betekenisvol contact invulling krijgt en aan het continu inzetten op het werven en opleiden van nieuwe jeugdbeschermers. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inkoop van goede jeugdbescherming en voor voldoende jeugdhulp die in het kader van jeugdbescherming noodzakelijk is. De gemeenten hebben samen met het Rijk de werkdruk verlaagd met hogere tarieven. Daarnaast maken de gemeenten afspraken met de GI's om de jeugdbescherming en de toeleiding naar noodzakelijke jeugdhulp te verbeteren. Het Rijk verbetert de uitvoering van de jeugdbescherming. Eerder hebben we samen met de gemeenten de tarieven voor de jeugdbescherming verhoogd. Daarvoor hebben we structureel 60 miljoen euro vrijgemaakt. Er is een subsidieregeling om de inzet van zijinstromers door GI's te stimuleren. Dat zei ik net al. Die verlengen we met een jaar. We willen ook de rechtsbescherming verbeteren. Begin volgend jaar willen we hiertoe een wetsvoorstel indienen.

Als stelselverantwoordelijke heeft het Rijk ook de bredere verantwoordelijkheid voor een goede werking van het stelsel. Dat betekent dat we actoren in het jeugdveld, GI's en gemeenten aanspreken als zij hun wettelijke taak onvoldoende uitvoeren. Maar dat betekent ook dat we aan de slag moeten gaan als het stelsel als geheel onvoldoende functioneert. Zie de hervormingsagenda en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waarmee we het stelsel fundamenteel anders gaan inrichten. Dat is helaas niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar we gaan er wel vasthoudend mee door omdat het echt nodig is.

Mevrouw Van der Plas vroeg hoe we gaan garanderen dat elk kind met een maatregel een vaste jeugdzorgmedewerker krijgt en niet op een zogeheten monitoringslijst belandt. We werken met gemeenten, GI's, ketenpartners en andere betrokkenen aan concrete maatregelen om de instroom in de jeugdbescherming en de GI's omlaag te krijgen. De GI's gaan op basis van de werkwijze van een paar GI's waar geen wachtlijsten zijn — die zijn er gelukkig — een bestpracticewerkwijze opstellen. Die gaan we ook invoeren bij de andere GI's. De subsidieregeling voor de zijinstromers noemde ik al. We moeten ook maatregelen nemen omdat de arbeidsmarkt helaas moeilijk blijft. Dan is het wel fijn om te kunnen leren van de best practices. Ik kan niet garanderen dat dat in elke regio volledig opgelost wordt. Daar moet ik ook eerlijk over zijn, maar ik denk wel dat er nog veel te leren en te verbeteren valt.

Er zijn breed vragen gesteld over het zogenaamde "betekenisvolle contact". Daarover zijn vragen gesteld door mevrouw Synhaeve, mevrouw Van der Plas, mevrouw Wendel, mevrouw Coenradie en ook de heer El Abassi. In de rapporten lezen we terug dat dat betekenisvolle contact belangrijk is. Hoe gaan we er nou voor zorgen dat wij daar meer op sturen? Hoe gaan we invulling geven aan de aanbevelingen die de inspecties hebben gedaan? Moet er misschien niet ook een verplichting komen in de wet? Dat zijn de vragen die daarover zijn gesteld. Betekenisvolle contacten met het kind zijn cruciaal om je werk als jeugdbeschermer goed uit te voeren. We hebben met GI's afgesproken dat zij een landelijke richtlijn opstellen, voor alle GI's gezamenlijk, hoe hier op een goede wijze invulling aan te geven is. Dat vind ik een goede ontwikkeling. Die moeten de GI's ook zelf opstellen. Zij zijn de professionals; zij moeten daarmee aan de slag. Inspecties kunnen dat vervolgens wel weer meenemen in het toezicht, zodat er op die wijze daadwerkelijk invulling aan wordt gegeven.

Mevrouw Van der Plas en mevrouw Coenradie vragen of je dat dan niet wettelijk zou moeten verplichten. Dat is het eigenlijk al. In de wet staat hier al het nodige over. Dat maakt onderdeel uit van het toetsingskader van de inspecties. Zonder de kinderen te zien en met hen het goede gesprek te voeren, kan er immers geen sprake zijn van een verantwoorde uitvoering van de jeugdbescherming. Zie onder andere artikel 4.1.1. van de Jeugdwet.

We moeten ook niet denken dat dit een toverformule is voor alles. Ook met betekenisvol contact kan het ingewikkeld zijn om goed in contact te komen en te blijven met kinderen. Soms hebben we te maken met mensen in de omgeving die misschien wel beter contact hebben en beter signalen kunnen oppakken dan de jeugdbeschermer, ondanks alle pogingen daartoe. Het is wel van belang dat het contact plaatsvindt en dat men voor de rest openstaat voor de signalen van anderen, bijvoorbeeld vanuit het onderwijs.

Ik zie een interruptie komen.

De voorzitter:

Ja, maar ik zou willen voorstellen om steeds het einde van een kopje af te wachten.

Staatssecretaris Rutte:

Dit is wel een heel lang kopje.

De voorzitter:

Dat realiseer ik me, maar we hebben tot 16.15 uur de tijd, want dan staat er een volgend debat gepland. Ik zou dus toch enigszins gestructureerd met elkaar het debat willen voeren.

Staatssecretaris Rutte:

Dat is aan u, meneer de voorzitter. Mevrouw Westerveld vraagt wat volgens mij de reden is dat de inspectie zes jaar later nog steeds hetzelfde opschrijft. Dat is frustrerend; dat kan ik mij voorstellen. Ik ben daar in mijn inleidende tekst al op ingegaan: het is taai en niet van de een op de andere dag te veranderen. Het is ook niet zo dat we helemaal op hetzelfde punt staan als zes jaar geleden, maar we gaan wat mij betreft wel te langzaam voorwaarts. De inspecties constateren dat er in deze periode al het nodige gedaan is om de uitvoering van de jeugdbescherming te verbeteren, zoals de significante verlaging van de werkdruk van de jeugdbeschermers. Maar we moeten ook constateren dat het complexe en taaie problemen zijn, die een structurele aanpak vergen. Dat doen we met de hervormingsagenda en het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Daarin staan goede plannen die het stelsel aanpakken, maar die helaas wel tijd en veel doorzettingsvermogen vragen. We gaan niet bij de pakken neerzitten, ook als het nu nog onvoldoende is gelukt.

De heer Stoffer vroeg — ik heb ook anderen dat horen vragen — wat wij nou gaan doen aan die arbeidsvoorwaarden. Zou het niet helpen om daar een groot initiatief voor te starten? Daar moet ik eerlijk over zijn: medewerkers vallen onder de cao Jeugdzorg, en het ministerie is daar geen directe partij in. Maar wellicht kunnen we wat doen om het werk aantrekkelijker te maken. De heer Ceder vroeg daarnaar, maar die vraag heb ik volgens mij breder gehoord. Kun je prikkels op de arbeidsmarkt zo inzetten dat de beste mensen ook juist in dit belangrijke stelsel aan het werk willen gaan? Met onder andere die zijinstroomregeling en het verlagen van de workload — we hebben echt met meer geld ervoor gezorgd dat jeugdbeschermers een lagere caseload krijgen — denk ik dat we echt stappen hebben gezet om het werk aantrekkelijker te maken. We zien ook het personeelsverloop omlaaggaan, maar de arbeidsmarkt blijft krap. Je kunt je ook voorstellen dat als je de workload verlaagt, terwijl er al een voorraad ligt, in eerste instantie de voorraad daar niet kleiner van wordt. Toch zetten we die stap omdat we het belangrijk vinden dat professionals voldoende ruimte ervaren in de praktijk om dit belangrijke werk te kunnen doen. Ook verleng ik de succesvolle subsidieregeling voor zijinstromers.

De heer Van Houwelingen stelde kritische vragen over iets wat we zelf ook allemaal ingewikkeld vinden, namelijk het handelingsperspectief. Dat klinkt allemaal heel cryptisch, maar dat gaat gewoon over de vraag: wat heb ik te doen als er tijdelijk onvoldoende capaciteit is? Daar hebben we het over. Ik vind het werken met een handelingsperspectief niet ideaal. Kinderen moeten binnen vijf dagen een jeugdbeschermer kunnen krijgen. Anderzijds kan het voorkomen dat er sprake is van capaciteitsproblemen omdat er te weinig jeugdbeschermers zijn, bijvoorbeeld door personeelsverloop of ziekteverzuim; dat kan ook gebeuren. Ik vind het goed dat de GI's met elkaar afspraken hebben gemaakt over wat ze minimaal doen in dergelijke situaties: dat ze de veiligheid van de kinderen in de gaten houden en dat ze, waar nodig, direct handelen en hulp inzetten. GI's maken ook afspraken met lokale teams over wat ze dan doen in de tussentijd. In de praktijk zien we dat GI's meer doen dan deze minimumnorm of deze basisrichtlijn, of dat ze deze niet meer hoeven in te zetten omdat er geen wachtlijst meer is of omdat er een hele kleine wachtlijst is. De GI's gaan gezamenlijk werken aan meer transparantie over de wachtlijsten en de gevolgen daarvan voor kind en ouders. Daarover hebben we afspraken gemaakt. Misschien was daar nog een interruptie mogelijk. Ik ben in ieder geval geen voorstander van een opnamestop, want dan is helemaal onduidelijk wie er nog waakt over de veiligheid van het kind. We gaan in januari wel een ketensessie beleggen om maatregelen te ontwikkelen om te voorkomen dat kinderen in de jeugdbescherming terechtkomen en om ervoor te zorgen dat kinderen en hun ouders in het lokale veld geholpen worden. Dat moet ook bijdragen aan het feit dat die wachtlijsten er niet of in ieder geval veel minder zijn.

Een vraag van de heer Ceder. Wanneer wordt de staatscommissie ingesteld? Worden daar ervaringsdeskundigen bij betrokken? Onze bedoeling is om in het eerste kwartaal van 2026 te beginnen. We zijn druk bezig met alle voorbereidende handelingen. Bij de voorbereiding worden ook de ervaringsdeskundigen betrokken. Onderdeel van de opdracht aan de staatscommissie is om uit te werken op welke wijze de ervaringsdeskundigen een rol krijgen bij het werk van die commissie, dus daar zijn we vol aan boord.

Mevrouw Coenradie vroeg: uit het inspectierapport blijkt dat de inschatting van de veiligheid veelal indirect gebeurt; hoe kan dat nou en kan de staatssecretaris toezeggen dat dit per direct wel direct, op basis van contact met het kind zelf, gebeurt? De inspecties geven aan dat voor veel jeugdigen en gezinnen veiligheidsbeoordelingen zijn gemaakt en dat dit systematisch gebeurt. De inspecties geven echter ook aan dat dit onvoldoende gebeurt op basis van direct contact met de jeugdige en het gezin; dat is precies waar mevrouw Coenradie naar verwijst. In plaats daarvan gebeurt het inschatten van de veiligheid vaak indirect, op basis van schriftelijke informatie, op basis van informatie van betrokken hulpverleners of bijvoorbeeld op basis van informatie van de school. Dat zijn belangrijke bronnen om een beeld te krijgen van de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige, maar de inspecties zien dat vooral als een aanvulling op het beeld dat de jeugdzorgwerker zelf zou moeten vormen met jeugdige en ouders. De inspecties geven aan dat dit vaak gebeurt in situaties waarin er geen sprake is van een vaste jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer is verantwoordelijk voor de veiligheid. De jeugdbeschermer dient dan ook zelf een beeld te vormen van de veiligheid. Dat is en blijft het uitgangspunt. Met de aanpak van de wachtlijsten en de aanpak van de betekenisvolle contacten gaan we dit verbeteren.

Mevrouw Coenradie heeft ook gevraagd naar de regionale verschillen. Zijn er verschillen en, zo ja, waar en hoe moet je deze dan zien? De William Schrikker Stichting is een landelijk werkende instelling. Die heeft meerdere regio's. De inspectie heeft onderzoek gedaan bij de regio's Zuid, Rotterdam Rijnmond en Utrecht/Flevoland. Er zijn inderdaad regionale verschillen, maar die zijn niet vermeld in het rapport van de inspecties, dus als u ze wilt opsporen, dan staan ze daar inderdaad niet in.

Mevrouw Coenradie vroeg verder naar onvoldoende inspraak bij beslissingen. Uit het rapport blijkt dat 43% van de respondenten geen inspraak ervaart bij een plan van aanpak. Hoe kan dat dan? Ik ben het met mevrouw Coenradie eens dat het kind met zijn of haar behoefte altijd centraal moet staan en dat het daarom van belang is om het kind altijd apart te spreken. De verbetering van die betekenisvolle contacten wordt meegenomen in de aanpak. Daarnaast is het goed om te benoemen dat het in de jeugdbescherming ook zo kan zijn dat omwille van de veiligheid van het kind niet altijd gevolg kan worden gegeven aan wat het kind inbrengt. Dan kan het geval zijn dat er besluiten worden genomen waar het kind het niet mee eens is, maar het moet wel gehoord zijn. Op grond van de enquête die de inspectie heeft afgenomen is het lastig te beoordelen of er geen inspraak is geweest of dat er wel inspraak is geweest, maar dat er om goede redenen geen gevolg aan de zienswijze van het kind is gegeven.

De heer Stoffer vroeg naar het Keurmerkinstituut. Hoe kan het nou dat dit wel een certificaat uitreikt op het moment dat het werk volgens de inspectie structureel niet voldoet aan de wettelijke normen voor het toezicht? Het Keurmerkinstituut en de inspectie hebben ieder hun eigen rol in het toezicht. Het Keurmerkinstituut toetst middels certificering van het systeem of de organisatie voldoet aan het normenkader voor de jeugdbescherming en jeugdreclassering, en aan de ISO-normen en of het daarmee beschikt over een werkend kwaliteitsmanagementsysteem dat verantwoorde uitvoering van de jeugdbescherming of de jeugdreclassering waarborgt. De inspectie beoordeelt of jeugdigen daadwerkelijk veilige, verantwoorde en rechtmatige hulp krijgen, conform wetgeving, normen, goede zorg en veiligheid. De inspectie toetst volgens de IGJ-toetsingskaders, richtlijnen en de Jeugdwet. Het kan dus zo zijn dat het kwaliteitsmanagementsysteem voldoet aan de normen en dat de GI tegelijkertijd niet voldoet aan de toetsingseisen van de inspectie. Beide hebben een eigen rol in het handhaven hierop. Uiteindelijk moeten ze natuurlijk aan beide voldoen; dat lijkt me duidelijk.

De heer Stoffer stelde nog een vraag over die certificering: welke rol heeft de kritiek van inspecties in de doorontwikkeling van het normenkader en de certificering? In het kader van het toekomstscenario moet het hele certificeringsstelsel sowieso worden herzien, want als we het stelsel van de jeugdbescherming opnieuw inrichten, dan vraagt dat ook een aanpassing van de manier waarop het toezicht is ingericht. Hierbij wordt uiteraard het rapport van de inspecties over het Keurmerkinstituut alsmede de input van de commissie van belanghebbenden betrokken. We gaan dit herzien. Daar wordt u dan t.z.t. over geïnformeerd en ook bij betrokken.

Mevrouw Coenradie vroeg: uit de rapporten blijkt keer op keer dat misstanden vooral komen door arbeidsmarktproblemen, maar hoe zit het dan met de vaardigheid van de zittende medewerkers, de managers en de bestuurders? Kunnen die wel luisteren en durven ze elkaar feedback te geven? De inspecties concluderen in hun rapport dat ze overwegend positief zijn over de manier waarop de meeste bestuurders van de GI's intern de zaken op orde hebben. Ook specifiek op het punt van tegenspraak organiseren en feedback geven zijn inspecties overwegend positief over hoe het bestuur van de meeste GI's tegenspraak stimuleren.

Mevrouw Van der Plas had hetzelfde punt. Ze had het over het doorbreken van een indekcultuur en het afdwingen van tegenspraak in teams. Op basis van het rapport is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake zou zijn van een gebrek aan tegenspraak of dat er een indekcultuur is bij de GI's. Sterker nog, ik lees dat de IGJ juist een positief oordeel heeft over het bestuur van een aantal GI's dat tegenspraak gestimuleerd heeft. Het is uiteraard belangrijk dat jeugdbeschermers tegenspraak moeten kunnen bieden bij ingrijpende beslissingen. Het is niet aan mij, in deze positie, om dat af te dwingen, maar aan de organisatie om ervoor te zorgen dat de jeugdbeschermers voldoende ruimte voelen om dit te kunnen bieden.

Mevrouw Straatman gaf aan dat risicosignalen onvoldoende worden gedeeld en dat de uitvoering dagelijks tegen problemen van informatiedeling aanloopt. Ze vroeg: hoe borgt de staatssecretaris dat die signalen tussen politie, Veilig Thuis, OM en gemeenten structureel en tijdig worden gedeeld? Dit is inderdaad een aangelegen punt. Het is belangrijk dat professionals informatie over signalen van onveiligheid beter, structureler en makkelijker kunnen delen. Op dit moment is het samenwerken en het uitwisselen van informatie tussen organisaties gebaseerd op diverse convenanten. Die hebben allemaal wel weer een wettelijke basis, maar het zijn allemaal verschillende convenanten en systemen. Zo is er een soort estafettemodel ontstaan: A informeert B, B informeert C, C informeert D. Dat gaat niet heel vlot en je krijgt niet elke keer alle informatie die je nodig hebt in één keer.

Sinds 2023 werken verschillende organisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming aan een netwerkmodel, waardoor professionals eenvoudig toegang krijgen tot elkaars informatie — uiteraard wel met goede privacywaarborgen. Stap voor stap wordt gezorgd voor steeds meer functionaliteiten daarin, waar steeds meer organisaties gebruik van kunnen maken. Ik verwacht dat hier echt winst mee kan worden behaald. Zo kan elke Veilig Thuis vanaf 2026 digitaal zijn licht opsteken om erachter te komen of een of meer netwerkpartners, zoals de GI's, de Raad voor de Kinderbescherming, de Zorg- en Veiligheidshuizen en later ook de politie, bekend zijn met een bepaalde persoon. Met één keer checken is dan alle relevante informatie beschikbaar.

Daarmee rond ik dit blokje af, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik ruimte voor interrupties. Graag kort, dan hoef ik ze ook niet te maximeren.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik had een vraag over de stelselverantwoordelijkheid. Hoe zien de bewindspersonen die? Daar wijzen de inspecties namelijk uitdrukkelijk op.

Staatssecretaris Rutte:

Ik dacht dat ik daar uitgebreid op in was gegaan, maar het antwoord is dus niet helemaal geland bij mevrouw Westerveld. Dan moet ik een nieuwe poging wagen. Het antwoord zal ja zijn. Ja, daar ben ik toe bereid. Ik vind dat wij als bewindspersonen — wij vormen hier het Rijk — er vanuit de stelselverantwoordelijkheid op moeten toezien dat alle actoren doen wat ze moeten doen en dat dat leidt tot een gewenst resultaat. Elk moment dat wij daar invloed op kunnen en moeten uitoefenen, doen we dat ook. We blijven in gesprek en we geven ook de richting aan in dingen die we belangrijk vinden. Daar waar wij zelf stappen kunnen zetten, bijvoorbeeld door het vrijmaken van budget, hebben we dat de afgelopen jaren ook een aantal keer gedaan, bijvoorbeeld door met budget de werklast van de jeugdbeschermers te verlagen. Dat zijn betekenisvolle stappen die we hebben gezet. Maar daarmee houdt het niet op. Daarnaast zijn we medepartner in de grotere plannen, de stelselwijzigingen die moeten gaan plaatsvinden, zoals het toekomstscenario. Daarin hebben we de rol om te blijven duwen om te zorgen dat het vooruitgaat, maar ook om de hele tijd open te staan. Als in dat traject mensen vastlopen en zeggen dat het niet goed gaat, dan acteren we ook direct. Daarin voel ik namelijk mijn stelselverantwoordelijkheid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Over het voorbeeld van het verlagen van de workload: dat klopt. Dat was wel onder zware druk van de Kamer, kan ik de staatssecretaris vertellen. Het was ook omdat de jeugdbeschermers zelf aan het staken waren. Maar daar is inderdaad destijds op ingegrepen. Mijn punt is eigenlijk iets fundamenteler.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik maakte dit punt ook in het debat over Vlaardingen. Het probleem is als volgt. Een kind wordt uit huis geplaatst onder toezicht van de Staat. Die besteedt het weer uit aan een organisatie. Die besteedt het ook weer uit. Zo schuift iedereen het maar door. Uiteindelijk is niemand meer verantwoordelijk. Op papier zijn de verantwoordelijkheden goed belegd, maar in de praktijk kan iedereen naar elkaar wijzen. Destijds had ik daarover een discussie met staatssecretaris Struycken. Hij zag het probleem ook. Hij wees toen naar het toekomstscenario. Eigenlijk zijn we nu nog verder van huis, zou je kunnen zeggen.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag is dus de volgende. Als een kind bijvoorbeeld uit huis wordt geplaatst en het misgaat, wie is er dan verantwoordelijk? Ziet de staatssecretaris dit ook als stelselverantwoordelijkheid?

Staatssecretaris Rutte:

De stelselverantwoordelijkheid ziet op het volgende. Idealiter hebben wij een stelsel waarin de situatie die mevrouw Westerveld schetst, zich niet voordoet. Dat is het ideale stelsel. In alle eerlijkheid weten we ook dat dat niet bestaat. Maar het zou heel vreemd zijn als we elke keer dat het misgaat, moeten kijken naar het Rijk, naar de bewindspersoon die hier staat. Ik ben daar namelijk niet ter plekke verantwoordelijk geweest. Dat helpt dus ook niks. We zouden het kunnen doen. Dan zeg je: stelselverantwoordelijkheid betekent dat de bewindspersoon weg moet als het misgaat. Nou, dat is ook niet wat mevrouw Westerveld vraagt. Daar zit het 'm dus niet in. De directe verantwoordelijkheid ligt dus bij de betrokkenen die dicht op die casus zaten en die niet hebben gedaan wat zij conform de wet, de afspraken en dergelijke zouden moeten doen. Daar ligt de eerste verantwoordelijkheid. Als dat een patroon begint te vormen, dus als het vaker gebeurt omdat er dingen in het stelsel niet goed zijn ingeregeld, dan raakt dat ook mij als bewindspersoon. Daar zitten we precies in. Ik denk dat de huidige situatie ons ertoe dwingt om met meer kracht te gaan werken aan het doorzetten van bijvoorbeeld dat toekomstscenario. We kunnen daar niet te lang mee wachten.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Het punt is natuurlijk dat het een patroon is. De onderzoeken van Samson en De Winter tonen aan dat het vanaf 1945 tot nu misgaat. Dat toont de inspectie dan weer aan. Het is dus een patroon. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris als volgt. Hij zegt dat we niet langer kunnen wachten. Dat hoorde ik ook zijn voorganger en de voorganger van zijn voorganger zeggen. Wat gaat hij vandaag of morgen nog doen om te laten zien dat we niet langer kunnen wachten?

Staatssecretaris Rutte:

Mevrouw Westerveld raakt er terecht aan dat de problemen die we ervaren in de jeugdbescherming, bijna stelselresistent lijken te zijn. Dat is een treurige constatering. Ik wil me daar niet bij neerleggen. De vorige rapporten laten ook zien dat als we alleen maar operationeel, van de buitenkant, aan knoppen draaien en zeggen dat we nu een nieuw stelsel hebben en dat het nu goed gaat, het daarmee nog lang niet goed is. Je hebt de juiste mensen nodig op de juiste plek, die de juiste verantwoordelijkheid voelen et cetera et cetera. Het is om die reden dat ik in ieder geval ten aanzien van het toekomstscenario de volgende richting heb laten inslaan. Die richting wordt ook wordt gedeeld door de partners in het toekomstscenario. Daar waar er pilots zijn die ontzettend goed draaien en waarin al aan de voorkant, zo snel mogelijk rondom het gezin, actie wordt ondernomen, zeggen we: dat is de werkwijze die als het aan mij ligt, op iedere plek waar dat kan zo snel mogelijk wordt overgenomen. Dat kan betekenen dat je vervolgens in het grotere geheel van hoe wij dingen hebben georganiseerd, bijvoorbeeld met GI's, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis, tegen grenzen aanloopt. Als dat blijkt, moeten we op dat moment zo snel mogelijk de juiste stappen zetten. Maar ik wil het werkenderwijs gaan doen. Ik wil niet wachten tot we een heel nieuw stelsel hebben ontwikkeld. Wat morgen kan, moeten we ook morgen doen. Wat meer tijd nodig heeft, moeten we netjes waarborgen op basis van ervaringen in de praktijk.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Op basis van de antwoorden die ik net heb gehoord, zou ik de staatssecretaris graag een tweetal vragen willen stellen. De ene zit 'm in de arbeidsproblematiek. Je kunt heel veel doen aan de instroom en het behouden van mensen, maar dan nog heb je te maken met een groot tekort. Daar ligt dus iets fundamenteels. Mijn vraag is dus heel concreet: wat gaat de staatssecretaris doen aan deze arbeidsmarktproblematiek? We weten namelijk allemaal dat niemand hier blikken personeel heeft.

De voorzitter:

De staatssecretaris. Of wilt u het met twee tegelijk doen, mevrouw Coenradie?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Die vraag gaat over de netwerksamenwerking tussen Veilig Thuis, de politie en allerlei instanties. Dan wordt er — dat is een bijzin — nadrukkelijk naar gekeken of er rekening wordt gehouden met alle privacyregels. Het gegeven dat al deze instanties vaak noemen, is dat juist de privacy onderling in de weg zit. Ik ben even benieuwd hoe de staatssecretaris naar dat signaal kijkt en hoe hij daarop reflecteert.

Staatssecretaris Rutte:

Ik ga heel efficiënt twee vragen in een keer doen, maar ik zal ze apart beantwoorden. Ik neem aan dat daar de ruimte voor is.

De voorzitter:

Ja, tuurlijk.

Staatssecretaris Rutte:

Het eerste is natuurlijk de arbeidsmarkt. Mevrouw Coenradie geeft heel terecht aan: die hebben we niet aan een touwtje, maar we kunnen wel dingen doen. Dat hebben we ook al voor een deel gedaan. We hebben de caseload van jeugdbeschermers fors verlaagd door het tarief te verhogen en ervoor te zorgen dat ze minder overstelpt raken met te veel zaken per persoon. Dat helpt om het vak aantrekkelijker te maken. Dat is belangrijk; het vak moet op z'n minst aantrekkelijk zijn. Het helpt ook dat sommigen van u respect uitspreken voor de mensen die dit belangrijke en moeilijke werk doen; volgens mij heb ik dat zelf ook gedaan. Want het is niet eenvoudig. Dat helpt dus gewoon. We gaan door met het verlagen van die caseload. Voor de rest zijn we bezig om komend jaar zo veel mogelijk zijinstromers naar binnen te halen in de jeugdbescherming met de subsidieregeling. Daarmee halen we zo veel mogelijk druk van de ketel.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Werving is wat mij betreft een deel van hoe je omgaat met strategisch personeelsmanagement. Alleen, er bestaat ook nog zoiets als het binden en boeien van de medewerkers, het verlagen van verzuim en ervoor zorgen dat mensen aan de achterkant niet weglopen. Dat zijn allemaal sleutels waar je aan kunt draaien. Ik ben even benieuwd naar wat de staatssecretaris daarover kan zeggen, los van het feit dat je op het moment dat je dat allemaal op orde hebt, nog steeds te maken hebt met een tekort. Onderaan de streep blijft daar een min staan. Ik ben dus toch benieuwd hoe de staatssecretaris daartegen aankijkt.

Staatssecretaris Rutte:

Het eerste punt gaat over het voorkomen van verzuim en ervoor zorgen dat het vak interessant blijft. Voor dat vak zelf is de caseloadverlaging uiteindelijk wel echt de grootste stap. We gaan van zestien naar ongeveer twaalf cliënten per jeugdbeschermer. Dat is echt een enorme stap vooruit. Ten aanzien van ziekteverzuim en ook verloop doen jeugdbeschermingsorganisaties het in vergelijking met jeugdzorgorganisaties helemaal niet zo slecht. Daar moet je altijd aandacht voor blijven hebben. Het is altijd goed om te blijven monitoren of de boel daar op orde is. Daarover zijn er geen hele schrikbarende signalen gegeven.

Wat we tot slot denk ik nog kunnen en ook moeten doen — daar zijn we over in gesprek — is er echt voor zorgen dat we de instroom bij de GI's omlaag krijgen. Ik doel op het aantal zaken dat in dat gedwongen kader terechtkomt. Dat is een puzzel an sich. Ik denk dat mevrouw Coenradie daar ook meer van afweet. Dat is lastig zat. Maar daar zijn we wel mee bezig; we laten niet los. Het zetten van de stap meer naar voren, die ook in het toekomstscenario zit, helpt echt om te zorgen dat we op de arbeidsmarkt geen extra beroep hoeven te doen. Die houdt in dat we meer in het vrijwillig kader krijgen en het daar zo laagdrempelig mogelijk proberen op te lossen opdat de instroom omlaaggaat.

De voorzitter:

Meneer Van Houwelingen.

Staatssecretaris Rutte:

Wacht even, ik heb van mevrouw Coenradie een dubbele vraag gekregen. Die ging over privacy. Die moet ik nog even pakken. Dat blijft ingewikkeld. Je zou zeggen: "Waarom delen we geen informatie? We hebben hier een kind. Het kind is in nood. Het kind moet geholpen worden. Gooi alle informatie van alle bronnen bij elkaar." Privacy gaat niet alleen maar over de privacy van het kind, maar ook over de andere betrokkenen. Dit kind staat niet alleen. Het kind leeft in een gezin met andere betrokkenen en andere hulpverleners et cetera. Privacy blijft dus wel degelijk een aangelegen punt. Wat we nu doen, is het volgende. We zorgen ervoor dat we een netwerkstructuur hebben waardoor degene die de informatie nodig heeft in één keer de relevante informatie kan vinden zonder dat die van A naar B naar C naar D naar E naar F moet. Dat moeten we wel op een fatsoenlijke manier doen, want anders ligt er misschien informatie op straat. Het is allemaal heel gevoelig; dit gaat niet over mensen die voor hun plezier in een jeugdbeschermingssituatie terechtkomen. Voor die gevoeligheid moeten we ook oog hebben.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ja, tot slot. Ik krijg toch veel signalen uit het werkveld dat dit vooral zo ontzettend belemmerend werkt en dat men ervaart te weinig tools te hebben om daadwerkelijk snel door te pakken. Alles wat vertragend werkt, lijkt mij gewoon onnodig, zeker als we het hebben over tekorten. Ik ben toch benieuwd wat de staatssecretaris kan doen met deze signalen. Het zou mij bevreemden als wij verschillende signalen krijgen.

Staatssecretaris Rutte:

Die signalen zijn volstrekt terecht. Dat is ook zo. Ik gaf een voorbeeld van een van de dingen waarbij we echt al tot oplossingen komen, maar we laten niet los. Er wordt structureel gewerkt aan de verbetering van datadeling. Dat is een van de meest cruciale dingen die we moeten oplossen. Dat heeft niet alleen te maken met het verbinden van informatiebronnen. Via die verbindingen en de manier waarop we het ontsluiten, moeten we ervoor zorgen dat de privacy van andere betrokken gewaarborgd is. Als we dat niet doen, hebben we hier straks weer een heel ander debat. Dat is ook niet oké. Het heeft dus alle aandacht. Dat is ook nodig. Het vertraagt inderdaad, maar we kunnen het maar één keer goed doen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

De staatssecretaris merkte zojuist op dat we de instroom natuurlijk omlaag willen krijgen. In dat kader had ik ook een vraag gesteld: is het dan niet een idee om het wettelijk kader op basis waarvan de kinderrechter een jeugdbeschermingsmaatregel kan opleggen aan te scherpen, zodat je inderdaad alleen de allerergste gevallen van bijvoorbeeld kindermishandeling nog oppakt, puur omdat het stelsel overbelast is? Is dat een idee?

Staatssecretaris Rutte:

Mevrouw Synhaeve vroeg in een klein interruptiedebatje met de heer Van Houwelingen net ook al: hoeveel kleiner wil je het hebben? We hebben het over direct gevaar voor het kind of voor de ontwikkeling van het kind. Daar wordt best wel kritisch naar gekeken. Ik zie niet echt meteen mogelijkheden om aan die wettelijke basis te gaan morrelen. Dan lopen we namelijk ook het risico dat kinderen daadwerkelijk in gevaar komen. Die grens zou ik niet over willen gaan.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het is natuurlijk een kwestie van risico's afwegen. Dat zal de staatssecretaris wel met me eens zijn, denk ik. Het risico is natuurlijk ook dat kinderen in een stelsel komen dat niet optimaal is. Ik heb begrepen dat het ook kan worden opgelegd als de situatie in het gezin eigenlijk niet optimaal is. Ik heb het voorbeeld genoemd van een moeder die mentaal niet heel sterk was, maar waar geen sprake was van een acute noodsituatie. Maar oké, ik leg dit maar even neer.

Mijn tweede vraag ging over dat handelingsperspectief. In de rapporten van de inspecties zelf staat dat dat er dus toe kan leiden dat een kind niet de goede behandeling krijgt, dat dat per saldo schade oplevert en dat het toezicht onvoldoende is, met alle risico's van dien. Dat zegt de staatssecretaris ook.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Is het dan niet beter om daarmee te stoppen? Tijdens de technische briefing deze week werd dat ook verteld. Dan krijg je inderdaad een opnamestop. Dan hebben wij als Kamer, en u als uitvoerende macht, ook zicht op de problemen, want die blijven nu ook verdoezeld door dat handelingsperspectief.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, ik zou niet willen pleiten voor een opnamestop. Bij een opnamestop is er helemaal geen hulp, gewoon niks. Bij het handelingsperspectief, waarvan duidelijk moge zijn dat dat overduidelijk een noodverband is, wordt nog wel degelijk gekeken naar de echte risico's en wordt op basis van die risico's de afweging gemaakt wie met voorrang wel hulp krijgt en wie niet. Ik zou daar geen afscheid van willen nemen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Tot slot. Politiek is natuurlijk keuzes maken en afwegen. Wij maken echt wel een andere afweging. Ik snap dat je kan zeggen dat een opnamestop leidt tot helemaal geen behandeling, maar als een behandeling ertoe kan leiden dat er per saldo hulpverleningsschade optreedt — dat staat in de rapporten zelf — dan kun je natuurlijk beter niks doen. Dan is ook dat kind beter af bij een opnamestop. Ook wij als Kamer zijn beter af, omdat we dan beter zicht hebben op de problematiek. Is die afweging wel correct? Dat is tot slot mijn vraag aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Wij hebben de dure plicht om ervoor te zorgen dat die behandelschade niet ontstaat. Laat ik daarmee beginnen. Los daarvan denk ik niet dat de heer Van Houwelingen van tevoren de afweging kan maken in welke gevallen het beter is om op je handen te blijven zitten, want het gaat dan wel over gevallen waar wel degelijk sprake is van gevaar voor het kind. Daar kun je een kind niet laten zitten. Dat is gewoon een situatie die … Daar kun je als overheid ook geen verantwoordelijkheid voor nemen. Zouden we dat wel doen, ook dan zou de heer Van Houwelingen met zijn collega's hier staan om te vragen hoe dat toch heeft kunnen gebeuren. Dus dat is me net wat te makkelijk.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik wil even terug naar hoe het kabinet invulling geeft aan zijn rol als stelselverantwoordelijke. Daarin beluister ik dat het kabinet zegt: wij pakken die rol als stelselverantwoordelijke, we voeren veel gesprekken en we sturen op de Hervormingsagenda Jeugd en het toekomstscenario. Het inspectierapport "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" zegt op pagina 24 het volgende. Ik citeer even letterlijk: "De inspecties hebben er geen vertrouwen in dat dit" — met "dit" verwijzen ze naar het toekomstscenario — "het antwoord is op de huidige situatie voor jeugdigen en gezinnen die te maken hebben met jeugdbescherming en jeugdreclassering."

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Zij zeggen heel duidelijk: er moet meer gebeuren. Hoe reflecteert u daarop?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is an sich een zorgelijke constatering van de inspecties. Ik zou liever horen dat ze zeggen: "Er ligt een plan. Voorwaarts naar de toekomst, hartstikke goed. Loopt u dat pad af, dan zijn alle problemen opgelost." Ik hecht er wel aan om vast te houden aan dat toekomstscenario, al was het maar omdat dat zich nog niet overal heeft kunnen bewijzen. Er zijn plekken waar het in pilots wel gebeurt en waar het heel goed gaat. Zorgen over die plekken zijn er wel heel erg. Gaat iedereen wel mee? Doen alle gemeenten wel mee? De andere actoren, zoals de GI's en de Raad voor de Kinderbescherming, die nu nog een beetje … Hoe moet ik het zeggen? Ze zijn wel aan boord, maar ze stribbelen mee; laat ik het zo zeggen. Als die situatie zo blijft bestaan, dan komen we er niet. We zullen wel met elkaar voorwaarts moeten. Ik ben niet heel erg van die blauwdrukaanpak, van zeggen: "Dit is het toekomstscenario. We hebben een heel mooie blauwdruk getekend; zo gaan we het doen." Ik vind het het allerbelangrijkste dat we het uitgangspunt van het toekomstscenario vastpakken en dat we de hulp rondom gezinnen en kinderen veel meer aan de voorkant goed organiseren om de kring daaromheen, de actoren daaromheen die nodig zijn, goed te kunnen faciliteren en elke keer opnieuw te bezien wat daarvoor de beste stap is. Op dat punt zou de inspectie dus zomaar eens gelijk kunnen hebben, maar bij gebrek aan een beter plan op dit moment ga ik liever voorwaarts via deze route.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Maar het is niet genoeg. Er zijn hoogstwaarschijnlijk kinderen die nu in een onveilige situatie zitten en er zijn kinderen die jarenlang in een onveilige situatie gezeten hebben. Het antwoord "dit is nu het beste plan dat ik heb en daar ga ik dus mee verder" is dus gewoon te weinig. Er moet meer bovenop. Wat kan daar dan bovenop?

Staatssecretaris Rutte:

Het belangrijkste is niet dat we nog veel mooiere plannen gaan maken, maar dat we de eerstvolgende stap echt zo snel mogelijk gaan zetten en dat we zorgen dat die betekenisvolle teams rondom die gezinnen niet pas over een jaar of over twee jaar maar bij voorkeur al volgende maand kunnen beginnen. Op een x-aantal plekken in het land, zeker op meer dan tien plekken, is dat al het geval. Ik vind het van belang dat we vanuit wat in de praktijk al gedaan wordt, zo snel mogelijk gaan opschalen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Maar de conclusie van de inspectie is dat ook versnelling te weinig is. Er is meer nodig. Dat is waar ik om vroeg.

Staatssecretaris Rutte:

Ik hoor de zorg. Als er hele concrete plannen bestaan om dingen anders en beter te gaan doen, zou dat ook voor een volgend kabinet een belangrijke opdracht zijn. Ik ga tot die tijd in ieder geval niet op mijn handen zitten. Ik doe het met de middelen die ik heb. Ik vind dat we daar meters mee moeten maken. Ik vrees een beetje dat we anders kunnen sterven in te veel mooie plannen en ideeën. Ik vind actie toch ook wel heel belangrijk.

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn vraag gaat ook over het handelingsperspectief, want als ik de staatssecretaris goed begrijp, zegt hij dat dat niet ideaal is, maar nog altijd beter is dan een opnamestop. Ik deel die analyse, maar tegelijkertijd vraag ik me af of we in feite niet al een juridische opnamestop hebben. In de uitspraak in maart van dit jaar oordeelt de rechtbank Noord-Nederland immers dat het opleggen of verlengen van de maatregel ondertoezichtstelling inhoudsloos en doelloos is als er geen vaste jeugdbeschermer is en dat die maatregel niet wordt opgelegd, hoofdzakelijk vanwege het ontbreken van die jeugdzorgwerker. Dat is geen incident. Er zijn de laatste tijd meer gerechtelijke uitspraken die precies om die reden geen maatregel opleggen. Mijn vraag is hoe de staatssecretaris daarop reflecteert: hebben we niet al een juridische opnamestop en wat gebeurt er precies met de kinderen waarvan wel wordt vastgesteld dat er een ernstige bedreiging in de ontwikkeling is, maar dat er niets kan worden gedaan?

Staatssecretaris Rutte:

De uitspraak waar mevrouw Straatman naar verwees, vond plaats in Noord-Nederland. Daar waren ook echt grote problemen, zoals we weten, onder andere bij Jeugdbescherming Noord. Gelukkig zijn daar ook grote stappen vooruit gezet. Er is daar verbetering. Daardoor is er op dit moment geen sprake meer van een wachtlijst, voor zover ik weet. Dit soort signalen is natuurlijk niet wat ik zou willen, dat uiteindelijk een rechter moet zeggen: er is geen hulp beschikbaar, dus ik vel maar een ander oordeel. Het zijn heel indringende signalen, die ook direct tot verbetering en actie moeten leiden. Dat is hier gelukkig ook gebeurd.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat begrijp ik, maar heel concreet: wat gebeurt er met deze kinderen? Blijven zij in beeld bij de overheid?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een hele goede vraag. Ik ken deze casus onvoldoende. Ik weet wel dat men in deze regio zegt: "We hanteren geen wachtlijsten meer. Dit soort signalen is te erg, dus we moeten zorgen dat we wél openstaan voor deze kinderen." De werkwijze daar is aangepast om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt. Dat zou ook het geval moeten zijn. Als de ene GI niet kan handelen, dan zal de volgende het moeten doen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Straatman (CDA):

Tot slot. Het gebeurt vaak dat kinderen gedurende het opleggen van de maatregel nog op de wachtlijst staan, dat er dan een verlengingsverzoek aangevraagd moet worden en dat de rechter dan zegt: er is in die hele periode niets gebeurd. Zou de staatssecretaris kunnen toezeggen dat er onderzocht wordt of er mogelijkheden zijn om op dat moment een signaal te laten afgaan in het systeem, zodat die kinderen voorrang kunnen krijgen en zodat in ieder geval de kinderen waarover de rechter zegt "ze worden wel ernstig bedreigd in hun ontwikkeling, maar ik kan niet anders dan het verzoek afwijzen" wel bij de overheid in beeld blijven en dat de overheid daar wel zicht op houdt?

Staatssecretaris Rutte:

Ik sta er sympathiek tegenover, maar geef me even de tijd om te bezien of het überhaupt mogelijk is om dit soort informatie boven water te krijgen, want anders zeg ik een onderzoek toe dat ik niet kan leveren. In de tweede termijn kom ik hier graag op terug.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik denk dat we tijdens dit debat hebben geconstateerd dat er al jarenlang rapport na rapport na rapport verschijnt over wat er misgaat, dat er in die rapporten aanbevelingen staan, dat die aanbevelingen niet of deels worden opgevolgd en dat die problemen dus blijven voortbestaan, we nu in de situatie zitten waarin we zitten, kinderen in de knel komen en de problemen niet worden opgelost.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Mijn vraag is de volgende. Ik hoorde net het interruptiedebatje met mevrouw Synhaeve. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen: op dit punt zou de inspectie weleens gelijk kunnen hebben. Vervolgens wordt dan een heel concrete conclusie uit het rapport naar voren gehaald en zegt de staatssecretaris: we gaan niet dat doen maar iets anders. Voor mij is het nu dus onduidelijk. Gaat deze staatssecretaris de aanbevelingen uit deze rapporten nou overnemen of niet?

Staatssecretaris Rutte:

De inspectie zegt op dit punt — het is niet een precieze quote — niet voldoende vertrouwen te hebben in het toekomstscenario als oplossing voor alles. Dan zou je allemaal nieuwe plannen moeten gaan maken. Ik constateer dat het waar zou kunnen zijn, maar ik constateer ook dat het toekomstscenario niet in beton is gegoten. Ik wil vooral dat we niet bezig gaan met weer helemaal nieuwe plannen maken. Ik wil dat we aan de slag gaan met stappen waarvan we zeker weten dat ze een bijdrage leveren en de situatie verbeteren. Ik kan me voorstellen dat we werkenderwijs tot de conclusie komen dat de organisaties die erbij betrokken zijn, nog andere dingen nodig hebben om het beter te kunnen doen. In de periode dat ik hier zit als zeer demissionaire staatssecretaris wil ik vol gas vooruit met dingen waarvan we zeker weten dat het de goede zijn. Mochten er nieuwe inzichten komen op basis waarvan men zegt "het kan echt nog anders, slimmer en beter", dan ben ik niet degene die zegt dat we dat niet moeten doen. Maar het ligt niet in mijn mogelijkheden en bevoegdheden om te zeggen: ik pak het morgen op.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dit klinkt natuurlijk als een heel redelijk antwoord, maar het is gewoon ook supervaag. Volgens mij moeten we nu ook concreet worden en kunnen kinderen daar niet op wachten. De inspecties hebben rapporten geschreven. Daarin staan aanbevelingen. Mijn vraag is heel simpel: gaat u die overnemen of niet? Kunnen we daarvan uitgaan?

Staatssecretaris Rutte:

Volgens mij heb ik al gezegd dat we de aanbevelingen overnemen. Zeker.

Mevrouw Dobbe (SP):

Oké, maar dan zou ik heel concreet willen zien hoe u dat dan gaat doen, zodat we per aanbeveling precies weten wat er gaat gebeuren. Want het antwoord van net is, zoals ik al zei, toch een beetje vaag. Dat is voor mij echt onvoldoende.

Staatssecretaris Rutte:

Daar neem ik kennis van. Ik heb samen met mevrouw Tielen ook al een uitgebreide brief geschreven naar aanleiding van deze rapporten. Daarin staat heel duidelijk hoe we dit bezien en wat we doen. Ik heb hier een heel uitgebreid verhaal verteld over de dingen die we doen. Ik denk dat we het daar voor nu even mee moeten doen.

De voorzitter:

U vervolgt uw beantwoording met de casuïstiek.

Staatssecretaris Rutte:

Ja. De casuïstiek gaat onder andere ook over de William Schrikker Stichting. Maar ik zie eerst nog een interruptie. Ik weet niet wat de voorzitter wil.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik dacht dat er nog een apart blokje over het toekomstscenario zou komen.

De voorzitter:

Dat komt na de casuïstiek.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dat komt nog.

Ik heb een vraag van mevrouw Coenradie. Uit het inspectierapport blijkt dat de William Schrikker Stichting geen input heeft geleverd. Hoe kan dat nou? En als de William Schrikker Stichting in twaalf jaar tijd al drie keer onder verscherpt toezicht heeft gestaan, dan kunnen we stellen dat er te weinig verbetering is gekomen. Ze vraagt of ik het daarmee eens ben en wat ik eraan ga doen. Allereerst: ik heb begrepen dat de William Schrikker Stichting haar verbeterplan wel degelijk bij de inspectie heeft aangeleverd. Daarnaast ben ik blij dat de inspectie er is en dat die ingrijpt als dat nodig is. Het is de rol van de inspectie om als onafhankelijk toezichthouder de kwaliteit en veiligheid te beoordelen. Het is aan hen om te beoordelen of organisaties die onder toezicht staan zich voldoende hebben verbeterd. De inspecties concludeerden in juni van dit jaar dat handhaving bij de William Schrikker Stichting geen effectief middel zou zijn, omdat de oorzaken en tekortkomingen grotendeels buiten de invloedsfeer van de William Schrikker Stichting liggen. Bovendien hebben de inspecties vertrouwen in de verbeterkracht van de William Schrikker Stichting, daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedssfeer liggen, en zijn ze positief over het bestuur van de William Schrikker Stichting. Daarom zijn de inspecties daarna overgegaan op regulier toezicht.

Op dat punt waren er nog meer vragen van JA21, maar ook van de VVD: wat heeft het verscherpte toezicht bij de William Schrikker Stichting nou voor verschil gemaakt en welke concrete verbeteringen zijn er gekomen? De William Schrikker Stichting heeft naar aanleiding van het toezicht een verbeterplan moeten maken, dat de onafhankelijke inspecties vervolgens beoordelen. De inspectie concludeerde in juni van dit jaar dat handhaving bij de William Schrikker Stichting geen effectief middel meer zou zijn, zoals ik net al heb verteld. Bovendien hebben de inspecties ook vertrouwen in de verbeterkracht van de William Schrikker Stichting, daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. De afgelopen jaren hebben we gewerkt aan de verlaging van de werkdruk en hebben we het werk aantrekkelijker gemaakt. Voor 2026 verleng ik daarom ook de zijinstroomregeling, maar dat heb ik al gezegd. De inspecties hebben er gewoon vertrouwen in dat de William Schrikker Stichting de juiste stappen heeft gezet.

Mevrouw Wendel vraagt of ik er zicht op heb of er nog meer kinderen in dit soort onveilige situaties zitten. Zij leest in de brief van afgelopen dinsdag dat het toezicht op de William Schrikker Stichting juist versoepeld is in plaats van aangescherpt. Zoals ik net heb aangegeven, klopt dat ook. Waar is dat vertrouwen dan op gebaseerd? Dat is wat lastig, want het is uiteindelijk aan de inspecties om te beoordelen of organisaties die onder toezicht staan zich voldoende hebben verbeterd. Dat kan ik vanuit mijn positie niet doen. De inspecties concludeerden recentelijk dat handhaving bij de William Schrikker Stichting geen effectief middel meer zou zijn. Zij hebben wel degelijk ook vertrouwen in de verbeterkracht van de William Schrikker Stichting.

Mevrouw Straatman vraagt: blijf ik in het licht van de recente misstanden bij de William Schrikker Stichting bij de conclusie dat deze buiten de macht van de organisatie liggen, of is er aanvullend onderzoek nodig? De inspecties concludeerden in juni dat handhaving niet meer effectief zou zijn, omdat de oorzaken van de tekortkomingen buiten de William Schrikker Stichting liggen, bijvoorbeeld een tekort aan personeel in de jeugdhulp. De inspecties hebben bovendien vertrouwen in de verbeterkracht van de William Schrikker Stichting. Ten aanzien van de situatie en de casus in Noord-Nederland, die meerdere mensen hebben genoemd, kan ik heel weinig zeggen, want daar doen de inspecties op dit moment nog onderzoek naar. Dat is misschien een wat onbevredigend antwoord, maar ik kan er gewoon niet op vooruitlopen. Het is even wat het is. Maar de inspectie kijkt op dit moment dus ook weer nadrukkelijk naar de rol van de William Schrikker Stichting in die casus.

Mevrouw Coenradie vraagt: hoe kritisch zijn de bestuurders zelf op hun eigen handelen? Onze voorgangers hebben naar aanleiding van de mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen indringende gesprekken gevoerd met bestuurders. Ook de inspecties hebben dat gedaan. Ik heb zelf recent ook met de bestuurder van de William Schrikker Stichting gesproken naar aanleiding van de zaak bij het gezinshuis in Noord-Nederland. Ik heb ook een werkbezoek afgelegd bij een andere organisatie voor jeugdhulp in Groningen. Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over het handelen van bestuurders. In die positie ben ik niet. De inspecties hebben geconcludeerd dat het bestuur van de William Schrikker Stichting grotendeels voldoende is. De inspecties stellen dat er een passende missie en visie is, waarin de jeugdige centraal staat, dat het bestuur verantwoording aflegt, dat het belangen afweegt en dat het kennis heeft van de dagelijkse praktijk. Ook hebben de inspecties vertrouwen in de mate waarin het bestuur zich open en toetsbaar opstelt en een lerende cultuur creëert.

We hadden net al een klein interruptiedebatje over verzuimcijfers, uitstroomcijfers en dergelijke bij de William Schrikker Stichting. Ik heb dat opgevraagd. Het ziekteverzuimcijfer is 7%, met een peildatum op jaarbasis. Het personeelsverloop is 15,4% op jaarbasis. Het instroompercentage van jeugdbeschermers en ondersteuners bij de William Schrikker Stichting is 26,5%. Dat betekent dat er in één jaar tijd 26,5% nieuwe jeugdbeschermers zijn ingestroomd in vergelijking met het aantal jeugdbeschermers op 1 oktober 2024. In vergelijking met het gemiddelde van de GI's doet de William Schrikker Stichting het eigenlijk relatief goed. Ze hebben iets minder verloop en verzuim dan gemiddeld, en ze hebben iets meer nieuw personeel aangenomen.

Dan een vraag van mevrouw Coenradie: als we alleen excessen zien omdat ze zo ernstig zijn dat ze voor het voetlicht moeten komen, wat speelt er dan nog meer? Naar aanleiding van de gebeurtenis in Vlaardingen heeft Jeugdzorg Nederland in januari 2025 een uitvraag uitgezet onder pleegzorgaanbieders en GI's, om nog concreter te kunnen toelichten hoe de kwaliteit en veiligheid binnen deze organisaties wordt getoetst en versterkt. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat zij vanaf 2025 ieder kwartaal een toets doen op de actualiteit van de kind-alleengesprekken, de recente veiligheidsbeoordelingen en de multidisciplinaire casuïstiekbesprekingen. Maar sluit dit alle risico's dan uit? Het antwoord is nee. Dit blijft mensenwerk. Kindermishandeling is helaas niet altijd zichtbaar en kinderen praten er ook niet altijd over.

Mevrouw Wendel vraagt naar een herbeoordeling van de William Schrikker Stichting. "Bij zaken waar onvoldoende zicht op de veiligheid van de kinderen was, is opnieuw een veiligheidsbeoordeling uitgevoerd. Hoe kan het dan dat de kinderen in Noord-Nederland na zo'n toetsing toch in gevaar zijn gekomen?" Ik denk dat dit een vraag is die heel veel mensen bezighoudt. De William Schrikker Stichting heeft naar aanleiding van de casus Vlaardingen inderdaad herbeoordelingen uitgevoerd, waarbij is getoetst op risicofactoren. De situatie in dit gezinshuis is toen opnieuw multidisciplinair besproken. Men heeft er opnieuw naar gekeken. Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid waren. Zodra bleek dat die signalen er wel waren, zijn de kinderen onmiddellijk door de William Schrikker Stichting overgeplaatst. De inspecties voeren nu onderzoeken uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het handelen van betrokken organisaties. Dat moet ik helaas afwachten. Ik kan daar ook niet over speculeren.

Een vraag van mevrouw Coenradie: de William Schrikker Stichting staat bij conflicten tussen ouders en pleegouders niet boven de partijen, waardoor slopende rechtszaken ontstaan; kan de staatssecretaris daar niet wat aan doen? Het is aan de rechter om, op basis van alle relevante, actuele informatie die bekend is over een gezin en het kind, een beslissing te nemen over een kinderbeschermingsmaatregel. Informatie van de betrokken organisaties, zoals de GI, wordt daar uiteraard bij betrokken. Als de rechter een uitspraak heeft gedaan, dan is het aan de GI om die op te volgen.

Vanuit de PVV kreeg ik een vraag en een oproep. Er moet erkenning komen en er moeten consequenties worden getrokken: geen zachte maatregelen, maar een harde aanpak. Er werd gevraagd of ik erken dat het geen incidenten zijn, maar een structureel patroon, en dat toezicht, sanctionering en handhaving tot nu toe onvoldoende effect hebben gehad. De gebeurtenis in Vlaardingen krijgt serieuze opvolging door de organisatie zelf, door de branches, maar ook door het Rijk. De Kamer is diverse malen geïnformeerd over wat we daarin doen. De inspecties doen momenteel onderzoek naar de situatie in het gezinshuis in Noord-Nederland. Daar heb ik al een paar keer naar verwezen. Dat onderzoek moeten we afwachten. Verbetering van de jeugdzorg en de jeugdbescherming heeft de volle aandacht van mijn collega van JPS en van mij. Zo werken we onder andere aan de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en aan verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming.

Mevrouw Van Meetelen vraagt ook of ik de mening deel dat de William Schrikker Stichting, Enver en andere betrokkenen strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Dat oordeel is niet aan mij, maar aan het Openbaar Ministerie.

De heer Struijs vraagt zich af of we voldoende zijn geïnformeerd. "Is er een bestuurlijke rapportage opgemaakt en, zo niet, kan die dan alsnog worden opgemaakt, omdat politiemensen met heel veel restinformatie rondlopen en deze informatie van belang kan zijn voor de Tweede Kamer?" Ik hoop dat ik de vraag zo goed heb begrepen. Ik kan daar het volgende over zeggen. Openbare informatie gaat naar de Kamer; die kan iedereen zien. De informatie waar de heer Struijs op doelt, is waarschijnlijk niet openbaar. Het is aan de politie om die informatie wel of niet te delen. Ik denk dat dat geen informatie is die ik zou kunnen delen vanuit mijn verantwoordelijkheid. Dat is geen onwil, maar ik denk niet dat die ruimte en mogelijkheid er zijn.

De voorzitter:

Als u het goedvindt, doen we interrupties even aan het einde van dit blokje, meneer Struijs.

Staatssecretaris Rutte:

Het zou een vraag ter verduidelijking kunnen zijn, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, uh …

Staatssecretaris Rutte:

Oké. Ik leg me neer bij uw oordeel.

De voorzitter:

Fijn dat u helpt, maar ik wil …

Staatssecretaris Rutte:

Weet u wat het goede nieuws is? Ik was aan het eind van mijn blokje. Het is ongelofelijk!

De voorzitter:

O, meneer Struijs, u mag weer terugkomen! Dat had de staatssecretaris ook even kunnen zeggen.

Staatssecretaris Rutte:

Ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf stuitte op het lege mapje. En bewegen is gezond, dus wat dat betreft is het ook goed.

De voorzitter:

Meneer Struijs, de vloer is voor u.

De heer Struijs (50PLUS):

Mijn timing gaat erop vooruit, merk ik. De bestuurlijke rapportage bevat nooit publieke informatie. Dit is publieke informatie. Heel kort: als er drie keer een dodelijk ongeval op een weg plaatsvindt, dan gaat de politie op basis van die informatie adviseren dat er misschien een rotonde moet komen. Ik weet dat er in deze casus veel publieke informatie is waar nimmer een bestuurlijke rapportage op gemaakt is, terwijl die politiemensen die wel willen delen. Ik ben er dus naar op zoek dat de Kamer geïnformeerd wordt over de restinformatie die zeer relevant is voor ons om de goede dingen in de toekomst te doen. Wilt u dus bevorderen dat relevante publieke informatie, als die er is — laat ik het dan voorzichtig zeggen — toch richting de Kamer komt?

Staatssecretaris Rutte:

Jazeker, publieke informatie kan altijd gedeeld worden. Ik wil navragen of er inderdaad informatie is die relevant kan zijn en die op dit moment nog niet gedeeld is. Daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen. Ik weet niet precies wie die informatie kan vinden en hoe dat dan gaat; daar zullen we in moeten duiken. Daar kom ik graag op terug.

De heer Struijs (50PLUS):

Daar help ik graag bij. Dank u.

Mevrouw Wendel (VVD):

De staatssecretaris reflecteerde op de herbeoordeling die heeft plaatsgevonden door de William Schrikker Stichting naar aanleiding van het verschrikkelijke incident met het pleegmeisje in Vlaardingen. U reflecteert er ook op dat de kinderen in Niekerk daar niet uit naar voren zijn gekomen. Dat betekent dat zelfs bij een grondige herbeoordeling dit soort verschrikkelijke situaties niet naar voren komt, en dat er dus zo slecht zicht is op de veiligheid van de meest kwetsbare kinderen in ons land. Hoe reflecteert de staatssecretaris daarop?

Staatssecretaris Rutte:

Die constatering is helaas waar. Die is ook niet zomaar oplosbaar. Kennelijk is het zo, ook als je uit je dossier kunt halen dat je wel degelijk meerdere keren betekenisvol contact hebt gehad en er geen signalen waren dat er heel rare dingen aan de hand waren. Het kan dan toch zo zijn dat de situatie anders is dan je ziet of beoordeelt. We hebben hier ook te maken met opvoed- en opgroeisituaties. Anders dan sommigen in dit huis denken, is het ook niet altijd zo heel eenvoudig om meteen te zien wat er aan de hand is, om dat aan te voelen, te merken en daarover te oordelen. Het is daarom belangrijk dat er, naast datgene wat formeel geregeld moet zijn, een heel netwerk betrokken is bij de opvoeding en begeleiding van kinderen, dat ook alert is op signalen. Als mensen in een dorp rare dingen zien, moeten ze zich bijvoorbeeld vrij voelen om met Veilig Thuis te bellen. In dit geval constateerde een leraar iets. Die zou zich vrij moeten voelen om een melding te doen, zodat er alsnog kan worden gereageerd. Dat is dan ook wel degelijk gebeurd. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen — ik weet dat niet eens zeker — dat je, als het anders zou moeten, een aantal contactmomenten zou kunnen formaliseren. Daar kijken de GI's nu naar. Wellicht krijg je dan meer signalen, maar ik kan dat niet garanderen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

De staatssecretaris geeft aan dat de William Schrikker Stichting al drie keer onder verscherpt toezicht is gesteld en dat dat nu weer wordt afgeschaald. Is het nu wachten op de vierde keer of hebben we het lek nu boven?

Staatssecretaris Rutte:

Situaties waarin gedwongen jeugdzorg plaatsvindt, zijn nooit eenvoudig. Die zijn ook niet dusdanig dat daarin nooit iets verkeerd kan gaan. De William Schrikker Stichting is met afstand de grootste GI van Nederland. De kans dat het juist deze organisatie treft als er iets misgaat, is groter dan bij andere GI's. Alles bij elkaar opgeteld kan ik hier geen garantie voor afgeven dat het nooit meer fout zal gaan. Ik denk wel dat het relevant is dat er geleerd wordt van fouten uit het verleden en dat de inspectie daar toezicht op houdt — dat doet de inspectie ook — en dat op basis daarvan telkens wordt gekeken of dit zo door kan of niet. We wachten nog op een inspectierapport over de huidige situatie waarnaar gekeken wordt, in Noord-Nederland. Daar moeten we dus ook niet op vooruitlopen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dan ben ik toch wel benieuwd wat er wel voor nodig is om hier duidelijk een antwoord op te kunnen geven. Wat is er volgens de staatssecretaris voor nodig om duidelijk het antwoord te kunnen geven dat alle pleegkinderen op de juiste, maar vooral ook op de veilige, plek zitten?

Staatssecretaris Rutte:

Dat raakt weer aan mijn stelselverantwoordelijkheid. Ik denk dat alle puzzelstukjes in dat complexe stelsel ieder an sich het juiste moeten doen. We hebben qua wet- en regelgeving de opdracht om te zorgen dat dit goed past. De inspectie heeft er een rol in om goed toe te zien op al die spelers. Ieder heeft daarin zijn eigen rol: de partijen die de hulp geven, de rechter die daar een stap in neemt en ook degene die verantwoordelijk is voor de jeugdbescherming. Op het moment dat wij in staat zijn ervoor te zorgen dat zij daar als professionals voldoende ruimte en middelen voor hebben en de structuren ook kloppen, dan zullen de risico's fors afnemen. Dan kan het nog steeds een keer misgaan, maar dan worden de risico's steeds lager. Dat zou ook onze ambitie moeten zijn.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Tot slot. De staatssecretaris gaf eerder in de beantwoording aan dat het aan rechters is om uitspraken te doen en vervolgens aan de instellingen om die op te volgen. Dat vind ik terecht, maar ik hoor ook heel veel van pleegouders en biologische ouders dat hun input niet wordt meegenomen in rechtszaken. Met name de William Schrikker Stichting is een voorbeeld van een instelling die dat niet altijd doet. Herkent de staatssecretaris deze signalen en wat kan hij hieraan doen?

Staatssecretaris Rutte:

We komen begin volgend jaar met een wetsvoorstel om de rechtsbescherming van betrokkenen in dit soort trajecten te verbeteren. Het is echt nodig. Ik deel dat met mevrouw Coenradie.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik heb twee verschillende vragen, maar ik ga eerst even terug naar iets wat de staatssecretaris eerder heeft gezegd. Hij zei dat de William Schrikker Stichting nu meer personeel heeft en het beter gaat doen omdat de lonen omhoog zijn gegaan. Sorry, maar je kan mij niet vertellen dat we dit soort misstanden kunnen gaan tegenhouden met alleen maar het verhogen van het loon. Het gaat er namelijk om dat we de mensen bij wie die kinderen terechtkomen, beter gaan screenen. In vervolg daarop zei u ook: kindermishandeling kan voorkomen, maar kinderen praten er niet altijd over. Deze kinderen hebben dat wél gedaan, keer op keer, en er is gewoon niet geluisterd! Er zijn heel veel signalen afgegeven, verschillende keren. Ze zijn weggegaan en teruggekomen, dus daar is structureel iets fout gegaan. Ik vraag dus toch: hoe gaan we dit dan toch oplossen? Het is namelijk niet zoals u nu zegt. Kinderen geven het wél aan, maar ze zijn er niet weggehaald, dus hoe gaat de staatssecretaris daarmee om?

Staatssecretaris Rutte:

Het is altijd ongemakkelijk om te kijken naar casuïstiek, maar ik denk dat mevrouw Van Meetelen het heeft over de casus in Vlaardingen. Daarvan weten we dat er wel signalen zijn gegeven, maar dat die niet zijn opgevolgd. Dat is ook absoluut niet zoals het moet. Dat is niet goed gegaan. Het is natuurlijk niet voor niks dat daar toezicht is gekomen en maatregelen zijn getroffen. Vanuit dat toezicht is de William Schrikker Stichting haar werkwijze gaan aanpassen. De inspectie constateert ook dat ze het nu anders doen, en dat is maar goed ook. Los daarvan heb je ook te maken met een zaak die zelfs heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging van de plegers en een veroordeling. Het is een vreselijke zaak. Maar daarin moesten dingen echt anders. Als het goed is, is het nu ook al anders in de praktijk.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Oké, het klopt wat u zegt. Tegelijkertijd is er nog een zaak, in Noord-Holland, óók van de William Schrikker Stichting. Ik vraag of u onze mening deelt dat de William Schrikker Stichting en andere betrokkenen eventueel strafrechtelijk moeten worden onderzocht en vervolgd. Vervolgens zegt u: dat is niet aan mij. Maar we hebben het even nagekeken en het kan dus wel. De staatssecretaris en de minister van JenV hebben namelijk gewoon een aanwijzingsbevoegdheid. Ze kunnen het OM in individuele zaken een aanwijzing geven voor opsporing en vervolging. De vraag van de PVV aan de staatssecretaris is nogmaals: wilt u dat eventueel gaan doen?

Staatssecretaris Rutte:

De tweede zaak is niet in Noord-Holland, maar in Noord-Nederland. Ik geloof dat het in Groningen is, maar dat maakt niet uit. Bij "Noord" denkt men vaak aan Holland, maar soms raakt het mijn geliefde provincie Groningen, hoewel dit niet de redenen zijn waarom je genoemd zou willen worden. Er is onlangs een heel debat geweest over de aanwijzingsbevoegdheid. Een meerderheid van de Kamer heeft gezegd: die moet maar weg bij de minister en de staatssecretaris. Op dit moment hebben we die nog wel, maar de ervaring leert dat we die eigenlijk niet inzetten, omdat het OM een zelfstandige staatsmacht is. Het OM mag en hoort een eigen afweging te kunnen maken in welke zaken wel en niet vervolgd wordt op basis van de hoeveelheid bewijs die er ligt en de prioritering ervan. Er zijn nog meer punten in dat hele afwegingskader. Ik denk dat het belangrijk is om dat bij het Openbaar Ministerie te laten, ook omdat ik vanaf mijn stoel hier niet kan beoordelen of dat wel of geen juiste beslissing is. Als iemand vindt dat er toch moet worden vervolgd, is er altijd nog de weg via het gerechtshof, via de artikel 12-strafvorderingsprocedure.

De voorzitter:

Afrondend. Was het afdoende? Ja. Dan nodig ik de staatssecretaris uit om zijn beantwoording te continueren met het blokje toekomstscenario.

Staatssecretaris Rutte:

Ik kom op een vraag van de heer Ceder. Dit is het blokje toekomstscenario. Ik kijk even naar mevrouw Westerveld, want die verheugde zich daar al op, maar de heer Ceder ongetwijfeld ook. Ik heb hier een vraag: "Ik hoor graag een reflectie van de staatssecretaris op het structureel falen van het stelsel van jeugdbescherming en jeugdzorg. Wat betekent dat voor het recht dat de Staat heeft om kinderen uit huis te plaatsen of onder toezicht te stellen, hoe garanderen we gerechtvaardigd ingrijpen van de Staat zolang het stelsel tekortschiet en hoe krijgen we het stelsel zo snel mogelijk weer op orde?" Die vraag gaat over alles, dus hopelijk heb ik in een deel van mijn antwoorden ook al het antwoord kunnen geven. Op deze vraag zou ik als volgt willen antwoorden. Ondanks alle inzet van betrokken professionals en organisaties en de maatregelen die we al nemen, zoals in het toekomstscenario en de hervormingsagenda, slagen we er in het hier en nu nog onvoldoende in, en onvoldoende snel, om tot verbeteringen te komen. Ik ondersteun de maatregelen die we aan het nemen zijn. Ik geloof daar ook in. Tegelijkertijd frustreert het dat die maatregelen tijd kosten en ouders en kinderen op dit moment nog onvoldoende helpen. Dan is het logisch dat het vraagstuk van de legitimiteit van overheidsoptreden op tafel komt. Dankzij de motie van de heer Ceder gaat de staatscommissie daar op korte termijn mee aan de slag. Volgens mij heb ik net al aangegeven dat de staatscommissie in het eerste kwartaal van volgend jaar aan de slag gaat.

Dan een vraag van mevrouw Coenradie: "De inspectie geeft aan dat een stelselverandering nodig is. We weten dat het toekomstscenario hier ook aan ten grondslag ligt. Ik hoor dat dit gestopt is. Klopt dat?" Nee, dat klopt dus niet. We zijn wel degelijk weer aan de slag. Er waren wat strubbelingen, maar alle partijen zijn weer aan boord en wij gaan wel degelijk vooruit. Op korte termijn gaan we ook verder met de veranderstrategie die daarvoor nodig is.

Mevrouw Wendel zegt: "Met het toekomstscenario zijn er plannen, maar de GI's zijn afgehaakt. Hoe gaat de staatssecretaris iedereen weer om de tafel krijgen?" Dat is een beetje hetzelfde. Er is inderdaad een hiccup geweest, maar inmiddels is iedereen weer aan tafel, sinds twee maanden. Ik kijk even naar mijn buurvrouw: twee maanden ongeveer, en dat is maar goed ook. Ik ben verheugd dat we nu echt gezamenlijk de veranderstrategie en het duurzamesamenwerkingsmodel ontwikkelen. Ik moet ook zeggen dat daar veel positieve energie in zit. Het gekrakeel dat er wel degelijk is geweest, is op dit moment achter de rug. Volgende week spreken we met bestuurders over de voortgang. Ik verwacht uw Kamer in de volgende voortgangsbrief daar meer over te kunnen vertellen.

Mevrouw Westerveld vraagt: "Hoe is de Kamer jarenlang voorgehouden dat het toekomstscenario een oplossing is voor veel problemen, maar zijn er in de Voorjaarsnota geen financiën gereserveerd voor het uitvoeren van het toekomstscenario?" Ze had het er ook al over met mevrouw Van der Plas. Zoals gezegd ben ik ervan overtuigd dat de maatregelen van het toekomstscenario een goede oplossing zijn voor de problemen in de jeugdbescherming. We houden ons vast aan die richting, waarbij we de onderliggende oorzaken van onveiligheid aanpakken. Dit betekent in de meeste gevallen dat we helpen in samenspraak met het gezin in plaats van dat we gedwongen ingrijpen. Het huidige kabinet heeft inderdaad geen middelen voor een stelselwijziging gevonden, maar we stoppen niet met het werken aan de verbeteringen in het kader van het toekomstscenario. We maken nu met alle partners afspraken over een veranderstrategie binnen de huidige financiële kaders en in het voorjaar geven we daar een klap op. We gaan dus wel degelijk voorwaarts en kijken wat we kunnen doen binnen de huidige kaders.

Ik ben bijna klaar. Ik heb er nog eentje en dan heb ik alle tijd en ruimte voor de interrupties, voor zover de voorzitter mij dat toestaat natuurlijk. Ik ga daar niet over.

Tot slot een vraag van de heer Stoffer: "Zou het gezien de ernst en urgentie geen tijd zijn om een ministeriële commissie in te richten in de context …" Die context laat ik maar; dat weet de heer Stoffer zelf ook wel. Het idee is dat er nu sprake zou zijn van berusting en dat we echt een ministeriële commissie moeten inroepen. Er is wat mij betreft geen enkele sprake van berusting. Er zijn in het kader van het toekomstscenario al veel stappen gezet. In proeftuinen is een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Volgend jaar ronden we het handelingskader af voor professionals. Er wordt onderzocht welke andere interventies mogelijk en noodzakelijk zijn. Ik geloof erg in de maatregelen die we aan het nemen zijn. Ik vind het juist zo belangrijk dat we een veranderstrategie ontwikkelen waar alle partijen achter staan. We hebben de hele sector nodig om stappen te zetten. We zitten nu allemaal aan tafel om die strategie uit te werken. Een ministeriële commissie gaat daar geen versnelling in brengen, en snelheid is wel nodig. Dat over het toekomstscenario.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden, maar het is me eigenlijk nog volkomen niet duidelijk wat er nu precies gaat gebeuren met het toekomstscenario. Ik ga proberen om dat een klein beetje op een begrijpelijke manier uit te leggen. Ik begin maar met de makkelijkste vraag. De inspecties zijn in hun rapport van september buitengewoon kritisch op de ontwikkelingen met betrekking tot het toekomstscenario. Zij geven ook eigenlijk aan: als daar geen financiering voor komt, dan kan het niet uitgevoerd worden en is de toekomst ongewis. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris die bevindingen van de inspectie dan ziet of heeft gelezen.

Staatssecretaris Rutte:

Op dit moment zijn we met partijen echt bezig om binnen de huidige financiële kaders wel degelijk invulling te geven aan het toekomstscenario. Het kan best zijn dat we dan tegen beperkingen aanlopen en die zullen we dan moeten bezien. Dat kan. Ik vind het ook weleens ingewikkeld dat iedere discussie altijd eerst begint met geld en dat dan pas doen komt. In dit geval ben ik heel blij dat partijen gewoon aan boord zijn en zeggen "we gaan eerst doen, we gaan het vormgeven", ook omdat er al doende ernstige vermoedens zijn dat her en der juist weer besparingen kunnen optreden. Op dit moment zijn die niet in beeld. Die zijn weleens gekwalificeerd ook, maar vervolgens zeiden partijen: "We weten het niet zeker. Daar kunnen we niet mee werken. Doe maar eerst geld en dan zien we het later wel." Nu hebben we met elkaar het vertrouwen opgebouwd en hebben we gezegd: we gaan aan de slag, we geloven hierin, we gaan het doen en als we tegen belemmeringen aanlopen — dat kunnen juridische beperkingen zijn, maar wellicht ook financiële — dan moeten we het op dat moment bezien, maar we wachten het niet af. Zo, in dat kader, bezie ik dat. Ik kan me best voorstellen dat je als je er van buitenaf tegen aankijkt, zegt: er was toch geld nodig en u begint gewoon, dat gaat geheid mis. Dat oordeel snap ik, maar ik denk dat we iets meer vertrouwen mogen hebben dat er meer mogelijk is binnen bestaande financiële kaders.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voor de duidelijkheid: we hebben een buitengewoon niet-efficiënt stelsel en daarom is het zo duur. Dat is een van de redenen. Ik ben er helemaal niet voor dat er alleen maar voortdurend meer geld gaat naar jeugdzorg en jeugdbescherming. Ik ben er juist voor dat het stelsel verbetert en dat er minder geld gaat zitten in met name bureaucratie enzovoorts, maar het was de voorganger van deze staatssecretaris die begon over het geld. In het debat over Vlaardingen, waar voortdurend het toekomstscenario werd genoemd en wij als Kamer zeiden "nou, ga er dan mee aan de slag", zei de voorganger van deze staatssecretaris: ja, maar dan heb ik geld nodig en dat moet komen in de Voorjaarsnota. Vervolgens lazen we de Voorjaarsnota, stond daar nul euro in en werd het traject stopgezet.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Waarom kan het nu wel zonder geld, terwijl destijds, toen de Kamer hier ook stond en tot urgentie maande, de staatssecretaris die er toen zat, zei: er is geld nodig?

Staatssecretaris Rutte:

De vorige staatssecretaris had geen ongelijk. Als je het complete plan overziet, moet een x-aantal organisaties, een behoorlijk aantal organisaties, compleet hervormd worden. Die gaan misschien wel deels in elkaar op. De precieze contouren kennen we nog niet. Als je organisaties alleen al juridisch-organisatorisch moet hervormen, heb je over het algemeen transitiemiddelen nodig om van A naar B te kunnen komen. Dat kan een reorganisatie betekenen of wat dan ook. Dat is zelden gratis. Het is dus echt niet zo'n raar idee om te zeggen "ik heb eenmalig geld nodig om van A naar Z te kunnen veranderen", daar waar het echt die organisaties raakt. Als het echt gaat om de zorg, de aanpak van de manier waarop wij zorg leveren in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader, dichter bij het gezin, kost partijen beter laten samenwerken niet per definitie structureel geld. Daar kunnen we ook nu al mee aan de slag. Ik ga gewoon door met het investeren in sterke lokale teams. Dat kan echt met de huidige kaders en dat is ook de belangrijkste stap die we moeten zetten. Ik zeg echter ook dat het best zo kan zijn dat je op een bepaald moment constateert dat die andere grote transitie wel degelijk moet plaatsvinden en dat daar grote veranderingen achter wegkomen waar geld voor nodig is. Ik sluit het niet uit. In alle eerlijkheid sluit ik ook niet uit dat we dat ook nog wel slimmer kunnen oplossen, maar ik vind wel dat dat werkende weg moet worden verkend.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dit is wel een ander verhaal dan in het debat dat specifiek ging over de situatie in Vlaardingen. Daar hoorden we echt een ander verhaal van het kabinet. Maar goed, dan is mijn laatste vraag over dit onderwerp aan de staatssecretaris: wát gaat er dan precies de komende tijd gebeuren? Ik heb de brief van zeventien pagina's gelezen waarin ook dertien keer het woord "toekomstscenario" staat en dan lees ik over — wat was het? — veranderstrategieën en implementaties en zie ik allemaal woorden die te maken hebben met plannen en trajecten. Mij is nog onduidelijk wát er dan heel concreet gaat gebeuren.

Staatssecretaris Rutte:

Je kunt het toekomstscenario zien als een groot overkoepelend plan waarin alles wordt herschikt. We gaan alles beter doen, van datgene wat rondom het gezin gebeurt tot hoe organisaties, van de Raad voor de Kinderbescherming tot en met de GI's en ook nog Veilig Thuis, zich tot elkaar verhouden. De plaatjes die je daarvan ziet, zijn best grote schetsen, grote plannen. Het allerbelangrijkste is dat we de primaire stap zetten, namelijk die betekenisvolle teams rondom gezin en kinderen organiseren. Dat gebeurt ook in intensieve samenwerking met gemeenten, tussen het vrijwillige kader en het gedwongen kader. In pilots op ongeveer tien plekken zien we nu ook dat dat heel goed werkt. Díé stap moeten we waar mogelijk zo snel mogelijk gaan zetten. Dat is eigenlijk op dit moment de belangrijkste stap die we willen zetten. Door dat vervolgens te doen, kan men in de praktijk ervaren: hé, we komen tot zover, dit kunnen we allemaal doen, maar hier loop ik tegen een beperking aan. In je veranderstrategie leg je dan vast hoe je daarmee omgaat: ga ik eerst zorgen dat het hele umfeld perfect gereorganiseerd is voordat ik iets ga doen? Ik chargeer een beetje, maar dat was aanvankelijk de manier van veranderen. Van een soort blauwdrukaanpak gaan we nu meer naar een aanpak waarin we zo snel mogelijk de grootste en betekenisvolle veranderingen willen creëren en gaandeweg elke belemmering die we tegenkomen gaan oplossen.

Mevrouw Wendel (VVD):

Ik vind het goed om te horen dat de GI's weer aan tafel zitten, zodat we verder kunnen met het toekomstscenario, want er is snel progressie nodig.

Staatssecretaris Rutte:

Eens.

Mevrouw Wendel (VVD):

De vraag hoe we ervoor gaan zorgen dat iedereen deze keer om tafel blijft zitten en we dus voortgang blijven boeken, is niet beantwoord. Daarop volgt de vraag: dit is toekomstmuziek, hele belangrijke toekomstmuziek, maar hoe gaan we ook op de korte termijn de samenwerking tussen eenieder verbeteren? En hoe zorgen we op de korte termijn voor duidelijke afspraken, taken en verantwoordelijkheden?

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk dat ik net een deel van het antwoord heb gegeven in mijn interruptiedebatje met mevrouw Westerveld. Het vertrouwen is weer ontstaan doordat we van dat hele grote blauwdrukverhaal wat meer zijn overgegaan op een stapsgewijze aanpak, waarin we zeggen: de allereerste stap zetten we door op een andere manier naar zo'n gezin te kijken en op een andere manier gezamenlijke ondersteuning te bieden rond een gezin. Daar zijn we het eigenlijk allemaal over eens. Die stap gaan we gewoon zetten. Daarvoor zijn alle partijen aan boord. Dan nog zul je moeten kijken hoe je dat zo slim en goed mogelijk kunt doen, maar over die stappen zijn we het gewoon eens.

Als we vervolgens stappen ontdekken die tot grotere veranderingen en nieuwe vraagstukken leiden, dan zullen we die elke keer opnieuw met elkaar moeten oppakken. Nu is er vertrouwen tussen partijen dat we daaruit gaan komen en dat we gezamenlijk niet alleen de plannen kunnen maken maar ook de veranderstrategie om er te komen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik zou graag willen inzoomen op de jeugdreclassering. Daar is het nog wat minder over gegaan. Laat ik dan toch een heel, heel klein lichtpuntje uit het rapport pakken. Daarin staat dat het ook bij de jeugdreclassering niet goed gaat, maar iets minder slecht dan bij de andere vormen van jeugdbescherming. Tot mijn verbazing zie ik dat het programma Jeugdreclassering in Verbinding, dat goed helpt, toch is stopgezet. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren? Hoe voorkomen we dat we die zeer beperkte positieve signalen in de jeugdreclassering verliezen en dat we hier over een paar maanden weer staan omdat het dan ook bij de jeugdreclassering weer slechter gaat?

Staatssecretaris Rutte:

Ik moet niet gaan speculeren, maar ik dacht niet dat dat programma was gestopt, maar dat het wat kleiner is geworden omdat jeugdreclassering er zelf wat mee worstelt om het helemaal vorm te kunnen geven. Voor zover ik weet, met een klein slagje om de arm, gaan we daar wel degelijk mee door. Ik deel ook wel dat we daar positief naar kunnen kijken. Jeugdreclassering zelf heeft wat meer onderzoekstijd nodig om zeker te weten of het er vol mee door kan.

Mevrouw Straatman (CDA):

Er blijken in ieder geval veel minder financiële middelen voor vrijgemaakt te zijn. Kunt u toezeggen dat in het toekomstscenario ook gekeken wordt naar het aspect van Jeugdreclassering in Verbinding, en dat het feit dat het goed werkt meegenomen wordt in die veranderstrategie?

Staatssecretaris Rutte:

Ja, als blijkt dat dat een goede plek kan krijgen, dan neem ik dat graag mee.

De heer Stoffer (SGP):

Nog even naar aanleiding van de vraag die ik daarstraks had gesteld over een ministeriële commissie. Voor mij is het maar een idee om een doorbraak te creëren.

Staatssecretaris Rutte:

Dank daarvoor.

De heer Stoffer (SGP):

Kijk, fijn dat mijn idee wordt gewaardeerd. U gaf toen gelijk terug: dat doen we niet. Dat hoeft ook niet per se, maar de aanleiding daarvoor was wat de staatssecretaris zei: van berusting en dergelijke is geen sprake. Maar als ik dat rapport van september 2025 van de inspecties lees, dan staat op de laatste pagina wel echt dat het de inspecties "zorgen baart dat belangrijke partijen die verantwoordelijk zijn voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van de jeugdbescherming en voor de uitvoering daarvan, lijken te berusten in de huidige situatie." Daarna wordt er een stevige oproep gedaan aan de staatssecretarissen die hier zitten: pak dat op. Is het nu zo dat die berusting wat weg is en dat deze staatssecretarissen, die nog niet zo heel lang in het vak zitten … Is er tussen september en nu wat veranderd? Is die berusting weg en loopt het nu wat anders? Is het daardoor niet nodig om nog een extra stap te zetten?

Staatssecretaris Rutte:

Het klinkt wel heel ijdel als ik "ja" zou zeggen, maar ik denk wel dat het waar is. Er is wel degelijk wat veranderd. Soms doen zich ook kansen voor. Dat heeft vooral te maken met de 24 uurssessie over het toekomstscenario die heeft plaatsgevonden, waar echt alle betrokken partijen aan tafel zaten. Daar is echt een nieuwe start gemaakt. Daar is gevraagd: hé, vertrouwen we elkaar nog? Ja, we vertrouwen elkaar nu wel weer. Daarvoor was een kink in de kabel gekomen. We hebben daar anders naar de veranderstrategie gekeken en daarmee opnieuw vertrouwen gevonden en gezegd: ja, maar als we het op deze manier doen, dan kunnen we wel degelijk stappen vooruitzetten. Er is wel degelijk wat veranderd. Ik weet niet of het aan ons ligt; dat denk ik niet. Soms doen kansen zich ook gewoon voor en kom je met elkaar tot een betere stap. Dat was vlak na uitkomst van dit rapport, dus ik denk wel dat we op een beter pad zijn dan op het moment dat dit rapport werd geschreven.

De heer Stoffer (SGP):

Dat is goed om te horen. Wat mij betreft hoeft er ook nooit enorme bescheidenheid te zijn als er echt iets anders lijkt te lopen; dan moet je dat ook gewoon melden, dus dank daarvoor aan de staatssecretaris. Ik heb nog wel een vervolgvraag. Er komt natuurlijk op een gegeven moment een nieuw kabinet. Voor de kerst zal het, denk ik, niet lukken, maar je weet maar nooit; de Voorzitter heeft daar zelf wellicht meer zicht op dan dat ik dat heb. Dat zal ergens tussen nu en volgend jaar zomer ongetwijfeld het geval zijn; ik geef maar wat ruimte. De staatssecretarissen worden vervangen. Hebben zij er dan vertrouwen in dat als er andere mensen op die posities zouden komen — het hoeft niet, maar het kan — die berusting niet opnieuw plaats gaat vinden?

Staatssecretaris Rutte:

Het is een terechte vraag. Ik heb dat vertrouwen. Sterker nog, ook als ik kijk naar het gevoelen hier in de Kamer, denk ik zelfs dat er nog eerder meer middelen komen en meer druk komt op de agenda die er ligt dan wij al kunnen aanbrengen. Daar maak ik mij dus geen zorgen over. Het is wel belangrijk dat we elkaar als betrokken partijen iedere keer opnieuw in de ogen kijken en zeggen: we zetten een stap vooruit; wat is daarvoor nodig? We moeten geen stap terug meer zetten of op het punt komen, zoals de heer Stoffer al voorlas, waarop er sprake zou kunnen zijn van berusting. Daarvoor is dit veel te belangrijk.

De heer El Abassi (DENK):

Ik had de staatssecretaris gevraagd naar de motie op stuk nr. 294 (31015). Die ging over het invoeren van onafhankelijke controlebezoeken. Mijn vraag was of die al ingevoerd zijn. Hebben er onafhankelijke controlebezoeken plaatsgevonden? Zijn pleegkinderen hiervoor face to face benaderd?

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk dat ik naar mijn buurvrouw moet kijken als het gaat om pleegzorg. Het komt nog aan de orde. Mocht het nou echt niet zo zijn, dan hebben wij in de tweede termijn iets te doen.

De voorzitter:

Ik wilde de staatssecretaris eigenlijk vragen of hij zijn laatste blokje wil beantwoorden, want we hebben nog een uur en een kwartier voor de beantwoording van de staatssecretaris van VWS, de tweede termijn van de Kamer en de appreciatie van ingediende moties en beantwoording van gestelde vragen. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Oké. Een vraag van de heer Stoffer. Hoe beantwoordt het kabinet de principiële vraag of maatregelen van kinderbescherming nog wenselijk zijn als het tijdelijk handelingsperspectief volstrekt ontoereikend is? Ik heb daar net ook al een aantal dingen over gezegd. Ik herken het signaal dat kinderrechters regelmatig geen kinderbeschermingsmaatregel opleggen of verlengen als niet tijdig een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Als een maatregel zoals uithuisplaatsing niet goed kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld als er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, dan dient de kinderrechter altijd kritisch te kijken of de maatregel het doel dient en er voldoende grond is voor overheidsingrijpen. Het is echt aan de rechter om die afweging te maken, maar het is aan ons om met elkaar te organiseren dat de rechter niet op basis van die gronden die afweging hoeft te maken, zoals mevrouw Straatman net ook al terecht aangaf.

Betekent het uniform informeren door instellingen ook dat rechters altijd een eerlijk en glashelder beeld krijgen van het aanbod dat de instelling daadwerkelijk kan bieden, vraagt de heer Stoffer. De inspecties geven aan dat de GI's transparanter moeten zijn over wachtlijsten en de gevolgen voor gezinnen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer. De GI's hebben mede daarom aangegeven gezamenlijke afspraken te maken om ketenpartners, waaronder rechtbanken en de Raad voor de Kinderbescherming, evenals gemeenten en gezinnen, zo veel mogelijk uniform te informeren. Met deze afspraken kunnen rechters de afweging maken of en, zo ja, aan welke GI ze de maatregel toewijzen, zodat deze ook daadwerkelijk tijdig kan worden uitgevoerd door de jeugdbescherming. Los daarvan maken GI's op dit moment afspraken en zeggen: hé, als jij een best practice hebt, kan ik die dan ook niet overnemen om de wachtlijsten omlaag te krijgen?

Dan de heer Ceder. Die vroeg of ik de mening van hem deel dat er meer reden is om terughoudendheid te betrachten bij uithuisplaatsing als kinderen er niet per se beter van worden. In de basis steun ik deze mening. Als een maatregel zoals een uithuisplaatsing niet goed kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld als de vaste jeugdbeschermer niet beschikbaar is, dan dient de kinderrechter altijd kritisch te kijken of de maatregel het doel dient en of er voldoende grond is voor overheidsingrijpen. Het is dan aan de rechter om die afweging te maken, zoals ik net ook al zei tegen de heer Stoffer. De GI's hebben afspraken gemaakt om te kijken of die wachtlijsten niet beter kunnen worden teruggedrongen en ze geven daarover meer uniform inzicht.

Ook van de heer Ceder is de vraag: wanneer gaan we dat wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming eens een keer zien in dit huis? Ik snap het ongeduld, want het is een belangrijk wetsvoorstel. Tegelijkertijd staat zorgvuldigheid voorop. Het gaat over rechtsbescherming in heel kwetsbare situaties en dat vereist helaas de nodige tijd. Ik streef ernaar om het wetsvoorstel begin volgend jaar ter advisering voor te leggen aan de Raad van State. Ik heb er van de week nog naar gekeken en we staan echt op het punt om dat te kunnen gaan doen. Dat betekent dat de Tweede Kamer het wetsvoorstel na de zomer van 2026 kan verwachten.

Een belangrijk punt van mevrouw Westerveld: waarom worden broertjes en zusjes nog steeds niet altijd samen geplaatst na een uithuisplaatsing, terwijl daar al een jaar geleden een motie over is aangenomen, en hoe vaak gaat het nog mis? In 2022 heeft het WODC onderzoek gedaan naar gescheiden plaatsing van broertjes en zusjes na uithuisplaatsing. Tussen 2015 en 2020 werd 28% van de broertjes en zusjes gescheiden geplaatst. In de gevallen waar de reden van de gescheiden plaatsing werd vermeld, bleek het ongeveer even vaak te gaan om praktische belemmeringen als om contra-indicaties. Het uitgangspunt van het samen plaatsen van broertjes en zusjes wordt wettelijk verankerd in het wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Dit voorstel regelt dat broertjes en zusjes zowel in het gedwongen als in het vrijwillige kader samen geplaatst moeten worden, tenzij dit niet in het belang van het kind is. Daarmee wordt expliciet vastgelegd dat praktische belemmeringen in principe geen obstakel mogen vormen voor de verwezenlijking van het recht op samenplaatsing. Het uitgangspunt geldt nu ook al, maar we gaan dat wel wettelijk steviger verankeren.

Dan vroeg mevrouw Dobbe: bent u bereid ervoor te zorgen dat er meer ervaringsdeskundigen worden ingezet in de jeugdbescherming? De gecertificeerde instellingen maken al gebruik van ervaringsdeskundigen als onderdeel van het beleid, de begeleiding of de patiëntenparticipatie. Alle gecertificeerde instellingen hebben bovendien een cliëntenraad; dat is een wettelijke verplichting. In het toekomstscenario werken we standaard met ervaringsdeskundigen, zowel met volwassenen als met jongeren. Bij diverse trajecten binnen het toekomstscenario worden ervaringsdeskundigen betrokken, waaronder in de proeftuinen.

Dan kom ik bijna tot een afronding. De heer Stoffer had de vraag: uit onderzoek blijkt … Ik moet even kijken wat de vraag precies is. Die vraag kan ik niet helemaal ontwarren, dus daar ga ik niet mee aan de slag.

Dan heb ik een andere vraag van de heer Stoffer. Ik hoop dat die andere zo meteen alsnog boven water komt. "Uit onderzoek blijkt dat volgens professionals van een omgangsgeschil tussen ouders nu te vaak een jeugdbeschermingszaak wordt gemaakt. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze constatering?" Ik zie ook dat omgangsconflicten nu soms onnodig in de jeugdbescherming belanden. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het op een goede manier uit elkaar gaan en het maken van afspraken over het invullen van de omgang. Als dat niet lukt, is gerichte hulp en ondersteuning nodig. De afgelopen periode heb ik daarom samen met de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport bijgedragen aan de ontwikkeling van een wetenschappelijk onderbouwde werkwijze en scheidingsexpertise. Hierover heb ik uw Kamer begin oktober van dit jaar geïnformeerd. We moedigen professionals, organisaties en alle gemeenten aan om hiermee aan de slag te gaan en de opgedane kennis, tools en perspectieven op maat te verwerken in de eigen lokale aanpak. Ik wil daar wel bij zeggen dat het in situaties waarin er sprake is van intiem geweld niet leidt tot veiligheid om ouders vrolijk door één deur te laten lopen, om het maar even heel gechargeerd te zeggen. Ik zag vandaag ook weer een indringend stuk hierover in de Volkskrant staan. Laten we daar wel scherp op blijven. Maar in alle andere gevallen ligt er een heldere richtlijn over hoe we ervoor kunnen zorgen dat deze conflicten zo veel mogelijk voorkomen worden.

Daarmee kom ik tot een afronding. Wellicht is er nu ruimte voor mijn buurvrouw — of nog niet.

De voorzitter:

Ik zie nog twee leden die een interruptie hebben. Ik wil interrupties toestaan in tweeën.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Er was nog een openstaande vraag, namelijk waarom er nog steeds een bezuiniging staat in de begroting van JenV die ook raakt aan de jeugdbescherming.

De voorzitter:

Die tellen we niet als interruptie.

Staatssecretaris Rutte:

Even kijken. Die had ik … Daar had ik wel wat informatie over.

De voorzitter:

Het mag ook in tweede termijn.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, het kan nu wel. De taakstelling voor de subsidiebudgetten, zoals opgenomen in het coalitieakkoord van het demissionaire kabinet, is destijds in de JenV-begroting verwerkt. Zoals in de voortgangsbrief jeugdbescherming van 16 juni van dit jaar aan uw Kamer is gemeld, is er geen noodzaak om subsidieontvangers en uitvoeringsorganisaties op het terrein van jeugdbescherming te korten op lopende subsidies. Wel kan de taakstelling tot gevolg hebben dat er in de toekomst minder budget beschikbaar is voor incidentele subsidies op het terrein van de jeugdbescherming.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik ben niet van plan om hier een woordspel van te maken, maar we hebben ook schriftelijke vragen gesteld over de daling van de budgetten. De beantwoording van het ministerie was dat het niet wordt veroorzaakt door een subsidietaakstelling, maar door het wegvallen van het budget. Volgens mij hebben we het dan over hetzelfde, namelijk dat er gewoon minder budget is voor taken die we allemaal belangrijk vinden. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om daar nog eens heel goed naar te kijken. Of het nou een bezuiniging of een vermindering van subsidies wordt, er is gewoon minder geld beschikbaar in de toekomst. Gelet op alle uitdagingen waar deze staatssecretaris mee te maken heeft, lijkt me dat niet slim.

Staatssecretaris Rutte:

Ik neem daar kennis van. We gaan elkaar daarover bij het WGO Jeugd ongetwijfeld in de haren vliegen. Zo hoort het ook.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik heb een vraag over ervaringsdeskundigheid. Ik denk dat hier sprake is van een verschil tussen theorie en praktijk. Op papier is het allemaal goed geregeld en in de rapportage staat het allemaal goed, maar in de praktijk wordt het wat minder goed beleefd, om het maar zo zeggen. Bij jeugdzorginstellingen en bij specialistische jeugdzorg wordt ervaringsdeskundigheid best wel breed ingezet. Dat wordt ook heel positief beoordeeld.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Van de jeugdbeschermingsinstellingen en jeugdbeschermers horen we dat echter heel anders terug. Mijn vraag is of u zich ervoor wilt inzetten om te zorgen dat het wél gebeurt, staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Als op papier staat dat het moet, dan hebben we ook de taak om te zorgen dat het in de praktijk gebeurt. Ik kan me voorstellen dat de verhouding tussen de medewerkers van een jeugdbeschermingsorganisatie en ervaringsdeskundigen soms wat moeizamer is. Soms is die relatie wat minder vrolijk. Een jeugdbeschermer wordt toch gezien als iemand die kan hebben ingegrepen in een gezin, dus daar schuurt het wat meer. Maar juist daarom is het zo belangrijk om wel degelijk met ervaringsdeskundigen te werken: voor ervaringsopbouw en om te zorgen dat we de goeie dingen doen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Het is dan inderdaad des te belangrijker, denk ik. Het zou fijn zijn om dat concreet te krijgen. Als we toch interrupties in tweeën doen, dan zou ik het tweede deel willen gebruiken voor de personeelstekorten. Ik heb de discussie over de personeelstekorten namelijk gehoord. Ook de inspecties constateren dat veel van de problemen daar óók vandaan komen. Nog los van wat je vindt van het stelsel: je hebt mensen nodig. Ik hoor de staatssecretaris zeggen het te willen oplossen door de instroom van jeugd te verminderen en door het ziekteverzuim aan te pakken. Ik hoor hem niets zeggen over de instroom van zorgverleners. Gaat hij ook werven? Gaat hij zorgen dat er fatsoenlijke salarissen worden betaald? Dat soort factoren helpen om ervoor te zorgen dat mensen in de sector komen werken.

Staatssecretaris Rutte:

Over de cao, waarin de salarissen worden bepaald, heb ik geen zeggenschap. Daar kan ik geen uitspraken over doen. We zijn er wel degelijk intensief mee bezig. Het belangrijkste is dat het werk aantrekkelijk wordt. Daarom hebben we de werklast van jeugdbeschermers het afgelopen jaar ook fors verlaagd. We hebben er ook financieel in geïnvesteerd. Daar hadden we namelijk wél invloed op. Daarmee is het werk ook daadwerkelijk aantrekkelijker geworden. Dat was ook nodig, want anders houden we het met elkaar niet vol. Daarnaast is het ook belangrijk, zoals ik heb gezegd, dat we ook hier blijven uitstralen dat het belangrijk en goed werk is. Het werven en selecteren is niet aan mij, maar aan de GI's. Ik heb geen reden om aan te nemen dat ze dat niet volop doen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik heb het idee dat de staatssecretaris het laatste gedeelte van mijn inbreng helemaal is vergeten.

Staatssecretaris Rutte:

Dat is niet goed.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee, dat is niet goed, denk ik. Ik heb een vraag naar aanleiding van het nieuws van RTL Nieuws en Investico dat er jaarlijks honderden zaken van huiselijk geweld niet worden vervolgd ondanks dat er voldoende bewijs is en dat wel zou moeten. Het zou in het belang van het kind zijn. Volgens de PVV heeft het een onmiddellijke correlatie met de gang van zaken dat kinderen uit huis worden geplaatst. Daarom had ik ook vragen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het belang van het kind nooit een geldige reden mag zijn om juridisch haalbare zaken van huiselijk geweld te seponeren? Graag een reactie. Is de staatssecretaris bereid het OM via de wet bindend te instrueren om zaken van huiselijk geweld met voldoende bewijs standaard te vervolgen? Ik had ook een laatste vraag. Is de staatssecretaris bereid om strafvorderingsrichtlijnen voor huiselijk geweld en kindermishandeling aan te scherpen, zodat de strafeis ook beter gaat aansluiten bij de wettelijke maximale straf en de maatschappelijke ernst die het met zich meebrengt? Die vragen waren nog niet beantwoord.

Staatssecretaris Rutte:

Daar kan ik kort op ingaan. Huiselijk geweld is een zeer aangelegen punt. Het bestrijden van femicide is een van de kernpunten in mijn portefeuille. Daar besteed ik veel aandacht aan, en terecht. Femicide is een eindpunt, maar er gaan helaas ook veel stappen aan vooraf, waaronder vaak geweld, dus geweld in afhankelijkheidsrelaties en huiselijk geweld. Ik deel met mevrouw Van Meetelen dat het zorgelijk is dat in huiselijkgeweldzaken vaak moeizaam tot vervolging van daders wordt gekomen. Dat heeft aandacht nodig. Ik zal het ook opnemen met mijn collega, de minister van Justitie, die daar gesprekken over heeft met het Openbaar Ministerie. Het is niet aan mij om te zeggen wanneer wel en niet vervolgd kan en moet worden. Daar heb ik net ook al een klein debatje over gehad met mevrouw Van Meetelen. Maar we kunnen wel kijken wat er nodig is om te zorgen dat de bewijspositie in gevallen van huiselijk geweld in ieder geval in orde is en dat we dit de juiste aandacht geven.

De voorzitter:

Echt heel kort, mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

We zullen in ieder geval met een motie komen hierover. Stel dat er sprake is van aantoonbaar huiselijk geweld en dat er niet wordt vervolgd omdat dat in het belang van het kind zou zijn, terwijl alle onderzoeken al aangeven dat dat juist wel schadelijk is. Ik denk dat dat niet meer mag gebeuren en dat het zeer belangrijk is dat er altijd vervolgd moet worden. Ik denk dat dat een verbetering zal zijn voor kinderen die uit huis geplaatst worden. Dan kunnen we die misschien wel thuislaten.

Staatssecretaris Rutte:

Ik ga de motie bezien.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik zal het kort houden, voorzitter. De CDA-fractie heeft wel grote zorgen over de conclusie in het inspectierapport over het volgende feit. Bij uithuisplaatsingen met perspectief voor terugplaatsing is er eigenlijk te weinig capaciteit om ervoor te zorgen dat ouders en uithuisgeplaatste kinderen contact kunnen houden. Ik weet dat er een wetsvoorstel in de maak is dat een wettelijke omgangsregeling regelt. De conclusie van deze inspectierapporten is ook dat we verschillende wettelijke termijnen afspreken, maar dat die in de praktijk niet nageleefd kunnen worden.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Straatman (CDA):

De vraag van de CDA-fractie is: hoe kunnen we voorkomen dat we geen nieuwe papieren werkelijkheid creëren, maar dat de omgang tussen ouder en kind altijd prioriteit blijft houden, ook in de praktijk?

Staatssecretaris Rutte:

Daar heb ik helaas geen toverformule voor. Ik deel wel die zorg. Als het ons niet lukt om dit stelsel op orde te krijgen, dan zal ook dit onderdeel van het contact onder druk kunnen komen te staan. Ik deel met mevrouw Straatman dat dit een wezenlijk onderdeel is van de hele jeugdbescherming en de jeugdzorg.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Sorry voorzitter, maar ik heb nog een onbeantwoorde vraag.

Staatssecretaris Rutte:

En ik heb zo mijn best gedaan. Maar dat is goed.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Die gaat over het opvolgen van de eerdere adviezen van de commissie-Samson en commissie-De Winter. Het ene rapport, van De Winter, ligt hier. Ik heb de indruk dat die rapporten hier in de Kamer met veel bombarie worden besproken, en terecht, maar dat het na een paar jaar weer verwatert. Mijn vraag was: zijn volgens het kabinet al die adviezen opgevolgd?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is wellicht een mooi bruggetje. Het staat mij bij dat mijn collega daar een setje antwoorden over heeft. Mocht dat niet zo zijn, dan kom ik er in de tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Dank u wel, staatssecretaris. We gaan luisteren naar uw collega, de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor haar beantwoording in de eerste termijn van de zijde van het kabinet.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken zijn we opnieuw geconfronteerd met heftige berichten over kinderen die in onveilige situaties terecht zijn gekomen terwijl zij mochten verwachten dat ze veilig waren. Na de mishandeling van het meisje in een pleeggezin in Vlaardingen is recent ook het bericht naar buiten gekomen over de mishandeling van twee kinderen in een gezinshuis in Noord-Nederland. Kamerleden refereerden er al aan. Deze gebeurtenissen raken ons allemaal, en mij ook. Het maakt ons verdrietig, boos en onmachtig. Maar laat me allereerst zeggen dat mijn gedachten uitgaan naar de betrokken kinderen, hun ouders en alle andere directe betrokkenen.

Vandaag heeft de Kamer veel vragen gesteld over de stappen die wij nemen om kinderen in kwetsbare situaties te beschermen. Dat is, denk ik, heel terecht. Kinderen moeten veilig zijn en geen gevaar lopen in een omgeving die juist bedoeld is ter bescherming van hun veiligheid. Daarvoor zijn wij als overheid medeverantwoordelijk. Maar helaas kan ook de overheid de kans op incidenten en heftige gebeurtenissen niet terugbrengen naar nul. Ik zie het wel als mijn taak, samen met de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, om het maximale te doen om dit soort gebeurtenissen te voorkomen en de kans erop zo klein mogelijk te maken. Dat is een verantwoordelijkheid die ik zeer serieus neem. Ik hoop te laten zien dat we als kabinet de oproep tot stevig leiderschap — daar is een paar keer naar verwezen — ook in daden serieus kunnen tonen, niet alleen als kabinet, maar ook samen met gemeentes, aanbieders enzovoort.

Deze gebeurtenissen laten ook zien dat er nog grote stappen te zetten zijn en dat we nog wat te doen hebben op dit gebied. De inspectierapporten die verschenen zijn, beschrijven dat uitgebreid. We hebben de afgelopen maanden niet stilgezeten. We zijn specifiek voor pleegzorg onder andere bezig geweest met bijvoorbeeld het verbeteren van de screening van pleegouders, het verbeteren van de samenwerking tussen gecertificeerde instellingen en pleegzorgaanbieders, omdat zij samen de pleegouders en de ouders rond het kind bij moeten staan, en het steviger verankeren van een-op-eengesprekken met pleegkinderen. Ook voor de gezinshuiszorg wil ik weten wat nodig is om verdere verbeterstappen te zetten.

Daarnaast werken we aan de Hervormingsagenda Jeugd, aan het verbeteren van de beschikbaarheid van passende hulp. Met de Hervormingsagenda Jeugd richten we ons allereerst op proberen te regelen dat er minder behoefte is aan jeugdzorg, dat minder kinderen jeugdzorg nodig hebben, onder andere door kinderen weerbaar en veilig te laten opgroeien en door de meest kwetsbare kinderen te helpen met tijdig passende hulp in een stelsel dat houdbaar is voor de toekomst, ook financieel. Hiervoor zijn we in ieder geval al bezig geweest met het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, dat inmiddels door beide Kamers is aangenomen en per 1 januari in zal gaan, zijn we bezig met het convenant Stevige lokale teams, zodat dicht bij het gezin hulp geboden kan worden in het brede domein, en zijn we bezig met het wetsvoorstel Reikwijdte, waarvan ik hoop dat we begin '26 in consultatie kunnen gaan en waarbij we constant werken aan betere kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp.

Er is veel te doen, maar voordat ik overga tot de blokjes, wil ik nog een paar dingen zeggen. Allereerst zijn er heel veel professionals, waaronder ook duizenden pleegouders en gezinshuisouders, die zich dagelijks met liefde, warmte en veiligheid inzetten om kinderen een plek te bieden om veilig en gehecht op te groeien in een relatief redelijk normaal gezinsverband. Daar is door een paar van uw leden ook aan gerefereerd. Ik zou het heel erg vinden als we het alleen over de incidenten hebben en niet over al die mensen die het met hart en ziel doen. Ik wil dan ook bij dezen mijn dank en waardering uitspreken ten aanzien van al die mensen die zich daar elke dag voor inzetten.

Ook wil ik de nieuwe leden in de Kamer complimenteren en feliciteren met hun bijdragen aan dit debat, dat op zichzelf niet het vreugdevolste debat is maar tot nu toe wel een goed debat. Ik heb vanuit verschillende perspectieven mooie bijdragen gehoord die ons daadwerkelijk ook handvatten geven om het debat goed te voeren.

En er zijn veel vragen gesteld. Ik zal dan ook proberen daar goed antwoord op te geven. Ik heb drie mapjes, waarvan één dik mapje. Mijn eerste mapje heet "stelsel"; dat is het dikke mapje. Dan heb ik er eentje met vragen en antwoorden over pleegzorg en gezinshuizen specifiek. En dan zijn er nog wat resterende overige vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik deel mee dat we wat extra tijd nemen voor dit debat. Het stond aanvankelijk gepland tot 16.15 uur, maar we gaan nu door tot 17.00 uur. Dat zegt niets over de oproep om nog steeds kort en bondig te blijven, maar we hebben iets meer tijd en ruimte om ook de staatssecretaris goed te kunnen bevragen na ieder blokje. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

U kent mij, voorzitter. Ik zal proberen het compact en doelgericht te doen. Er is een aantal vragen gesteld over het stelsel, allereerst eentje over hoe wij onze stelselverantwoordelijkheid eigenlijk zien. Ik denk dat staatssecretaris Rutte van Justitie en Veiligheid daar op zich al een mooi antwoord op heeft gegeven: wij zijn er om ervoor te zorgen dat de wetten, de regels en de structuur kloppen, controleerbaar zijn en daadwerkelijk bijdragen aan wat nodig is voor al die kinderen, namelijk gezond, veilig en gehecht opgroeien. Ik voel net als de inspectie ook wel de stevige urgentie om het stelsel dat er ligt te verbeteren, zodat jeugdigen en hun ouders tijdig geholpen kunnen worden. Daarom zijn we dus bezig met de hervormingsagenda en het toekomstscenario — ik heb daar net al wat dingen over gezegd — waarbij we met name ook proberen om integrale ondersteuning van gezinnen te creëren, met een centrale rol voor stevige lokale teams in de gemeentes, waarbij vanuit verschillende invalshoeken dicht op het gezin hulp geboden kan worden als dat nodig is.

In het voorjaar zullen we terugkomen op het toekomstscenario. Vóór het wetgevingsoverleg Jeugd zal ik in een uitgebreide contourenbrief of routekaart — ik weet niet hoe we het moeten noemen — nog even uitgebreid en concreet op een rijtje zetten hoe we al die elementen aanpakken die ik heb genoemd van de aanscherpingen van de Hervormingsagenda Jeugd en wanneer de Kamer wat kan verwachten.

Mevrouw Dobbe vroeg hoe het kan dat die hervormingen die wel mooi allemaal opgeschreven staan in de hervormingsagenda eigenlijk nauwelijks van de grond komen. Ik weet niet of dat zo is, alhoewel ik ook voel dat het beter, steviger en wellicht ook sneller zou moeten kunnen. We werken er hard aan, onder andere naar aanleiding van het advies van de deskundigencommissie onder leiding van mevrouw Van Ark over hoe we die hervormingsagenda kunnen versterken. Er worden belangrijke stappen gezet. Zoals ik al zei, is de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg per het volgende kalenderjaar in werking en verwacht ik u ook op het gebied van de stevige lokale teams en de Wet reikwijdte begin volgend jaar te kunnen informeren. Het kost wel tijd, misschien meer tijd dan we willen, maar ik denk dat het belangrijk is om binnen het stelsel waarvoor wij als Rijk stelselverantwoordelijk zijn maar waarin ook sprake is van een belangrijke rol en verantwoordelijkheid voor onder andere de gemeentes, goed overleg te kunnen hebben om die samenwerking constructief en met een goede verantwoordelijkheidsverdeling af te spreken. Ik kan u zeggen dat dat af en toe tot stevige overleggen leidt, maar uiteindelijk hopelijk wel met een gezamenlijke rol en verantwoordelijkheid.

Mevrouw Van der Plas vroeg waarom we niet meer inzetten op preventie en ook daadwerkelijk zorgen dat problemen vroeg gesignaleerd worden, zodat de escalatie richting jeugdbescherming misschien niet eens nodig zou hoeven zijn. Ik erken dat en ik denk dat het ook een belangrijk doelen van de Hervormingsagenda Jeugd is om echt te zorgen dat er minder behoefte aan jeugdzorg is, omdat het thuis gewoon op alle vlakken beter gaat en kinderen zich veilig en gehecht weten in hun opgroeiomgeving. Dat proberen we onder andere met het convenant Stevige lokale teams. Met het wetsvoorstel Reikwijdte proberen we ook om met gemeentes samen te zorgen voor stevige afspraken rondom de pedagogische basis, zoals dat in jargon mooi heet, en ervoor te zorgen dat daar ook in gemeentes voldoende aandacht voor is, bijvoorbeeld om alledaagse opvoedvragen al eerder te kunnen signaleren en daar hulp in te kunnen bieden als ouders hulp nodig hebben, ook als het gaat om de school, kinderopvang enzovoort. Ook de jeugdgezondheidszorg heeft een belangrijke rol in vroegsignalering en preventie. Om al die dingen met elkaar ook goed te borgen maken we daar afspraken met de gemeentes over.

Meneer Van Houwelingen vroeg hoe het komt dat zo veel kinderen jeugdzorg krijgen of nodig hebben. Hij noemde daarbij overigens het getal een op de tien, maar we zitten helaas zelfs nog hoger. Het doel zou zijn om die trend, die al langer gaande is, te keren. Dat heeft met heel veel dingen te maken, niet alleen met de jeugdzorg zelf maar ook met heel veel maatschappelijke ontwikkelingen rondom opvoeden en opgroeien; daar zijn ook rapporten over geschreven. Daarom vinden we het zo belangrijk om die integrale gezinsgerichte benadering van hulpvragen goed te kunnen borgen, onder andere met stevige lokale teams, en om ervoor te zorgen dat ouders opvoedhulp, om het maar even met een brede term te duiden, dichtbij kunnen krijgen, zodat ze het ook aankunnen en daadwerkelijk de opgroei-omgeving kunnen bieden die nodig is. Dat heeft met van alles en nog wat te maken: met inkomensproblemen en armoede, met relatieproblematiek, waarnaar meneer Stoffer al verwees, en met ... U kunt het zo gek niet bedenken, maar al dat soort dingen heeft in een gezin met kinderen invloed op hoe de veiligheid thuis is. Daar willen we vroeg bij kunnen zijn. Dat is een belangrijk onderwerp in de Hervormingsagenda Jeugd.

Meneer Van Houwelingen vroeg ook, en daar heeft de staatssecretaris ook al naar verwezen: als je niet zeker weet dat het veiliger is, moet je dan wel ingrijpen? Ik denk dat dat dilemma heel scherp voorligt en dat het ook daadwerkelijk, elke dag in het leven van heel veel jeugdbeschermers en jeugdzorgmedewerkers speelt. Iedereen wil het liefst dat een kind gewoon thuis kan opgroeien, veilig en gehecht, zeg ik nogmaals. Daarom is voor heel veel jeugdzorgmedewerkers en andere betrokkenen — denk aan docenten, kinderopvang et cetera — ook de vraag: moet ik iets? Gelukkig hebben we experts die daarover kunnen meedenken. Ook is er een meldcode, waarbij de eerste stap niet is om direct te escaleren naar maatregelen, meldingen of wat dan ook, maar om mensen te helpen om die afweging te maken. Onder andere Veilig Thuis kan daar ook goed advies bij geven. Is het pluis, is het niet pluis? Staatssecretaris Rutte gaf daar al een mooie beschrijving van. Wat heb je nodig? Met wie kun je erover sparren? En wat moeten we doen om ouders te helpen het pluisgevoel weer terug te brengen? En wat kan ik doen als dat niet lukt? Die meldcode zit goed in elkaar; die is samengesteld door experts.

Meerderen van u vroegen hoe het zit met de besparingsopgave. Een aantal keren heb ik gehoord: een half miljard. Ik vind de geldkwestie wel ingewikkeld. In de eerste plaats omdat geld niet het belangrijkste zou moeten zijn. Tegelijkertijd weten we dat geld nodig is om dingen goed te kunnen doen. Het is misschien goed om dan toch nog eventjes te benadrukken dat in dit kalenderjaar het kabinet fors extra — oké: incidentele — middelen heeft uitgetrokken voor jeugdzorg en gemeentes, namelijk 3,7 miljard euro. Dat is dit jaar uitgetrokken om ervoor te zorgen dat gemeentes hun jeugdzorg aankunnen, maar ook kunnen meewerken aan de transitie. Die afspraak is ook met gemeentes gemaakt om de transitie, die ook is beschreven in de hervormingsagenda, vooruit te zetten. Ik kan allerlei plussen en minnen op gaan lepelen, maar ik denk niet dat dat heel erg helpt. Maar laten we zeggen dat we de komende jaren gaan zorgen dat die transitie plaatsvindt en ook, zoals meerdere leden al hebben gezegd, dat minder kinderen jeugdzorg nodig hebben.

Mevrouw Wendel vroeg naar de routekaart. Ik zei al: ik kom voor het wetgevingsoverleg dat in februari gepland staat met een brief of routekaart. In ieder geval staat daarin hoe wij al die stappen die horen bij de Hervormingsagenda Jeugd invulling geven. Dan gaat het dus onder andere over het convenant Stevige lokale teams, de wet over de reikwijdte van de jeugdzorg en de systematiek voor de langetermijnfinanciering waar we aan werken. Het is niet dat ze dan al klaar zijn, maar wel wordt aangegeven op welke termijn de Kamer er wat over kan verwachten.

Mevrouw Straatman vroeg naar de administratieve lasten. Dat is, denk ik, een heel terecht punt. Misschien hebben we daar nog wel iets te weinig aandacht aan besteed in dit debat. Alle tijd die professionals moeten besteden aan administratie, kan niet besteed worden aan onder andere betekenisvol contact, om het maar zo te zeggen. In de Hervormingsagenda Jeugd hebben we afgesproken om meer standaardisatie toe te passen. Dan gaat het over zogenoemde producten en registratie-eisen, waarbij jeugdzorgaanbieders en professionals meer volgens standaardnormen kunnen registreren. Dat zou een hoop tijd moeten schelen. Daarnaast zijn we met gemeenten in overleg om de verschillen in uitgaven van gemeenten te verminderen. Dat gebeurt onder andere door het uniformeren van de manier waarop kostprijzen worden berekend en het uniformeren van het begrip "wachttijd". Dat klinkt allemaal een beetje bureaucratisch en dat is het ook, maar het doel is inderdaad om gewoon minder verschillen te hebben, en daardoor minder tijd kwijt te zijn aan administratie.

Voorzitter. Dan de vraag over de eigen bijdrage. Ik had die verwacht. Er is een motie aangenomen door de Tweede Kamer over het stoppen met de voorbereiding van een wetsvoorstel om een eigen bijdrage in te voeren voor de jeugdzorg. Ik heb die motie destijds ontraden. Uw Kamer heeft toch besloten om die motie te steunen. Dat is ingewikkeld. De eigen bijdrage is een kabinetsbesluit dat is genomen, dat per 2028 in de boeken staat, ook met een financiële besparing voor de jeugdzorg van 260 miljoen euro. Als moties met financiële consequenties worden ingediend, helpt het ook als daar een deugdelijke dekking bij zit. Die is er niet; die heb ik niet gevonden en die was ook niet meegeleverd met de motie. Dat levert dus een vraagstuk op waarop we beide nog geen antwoord hebben, de Kamer niet en ook het kabinet niet. Ik ben dus heel voorzichtig aan het berekenen wat wel en niet kan, maar als de Kamer echt wil voorkomen dat we die eigen bijdrage invoeren, dan zal de Kamer ook met me mee moeten denken over hoe we dat dan betalen.

Dan de vraag van enkele van uw leden over het terugbrengen van de regie op de zwaardere jeugdzorg bij het Rijk. De vraag is of dat oplossingen gaat bieden. Mijn afdronk daarvan is: niet. Punt één. Specialistische jeugdzorg heeft nooit onder finale regie van het Rijk gelegen. Dat zou dus betekenen dat we echt op een heel nieuwe manier dat deel van het stelsel moeten indelen. Het gaat ook leiden tot een schot tussen de zorg die onder regie van gemeentes wordt geleverd en de zorg die onder de regie van het Rijk wordt geleverd. Ik kwam er in mijn eerste zinnen al op: heel veel problemen in gezinnen en met de jeugdzorg hebben juist te maken met feiten die niet rondom het kind hangen maar eigenlijk breder zijn. We noemden het al: schulden, bestaanszekerheid, relatieproblematiek van ouders enzovoort. Door dat uit elkaar te trekken, ga je het probleem in mijn stellige overtuiging dus niet oplossen. Ook de deskundigencommissie van Van Ark heeft aangegeven dat de jeugdzorg binnen het decentrale stelsel beter kan worden georganiseerd zonder de regie naar het Rijk te trekken. We zijn dan ook met de aanbeveling van de commissie-Van Ark bezig om te bekijken hoe we dat goed kunnen doen. Zoals ik al zei, proberen we daarbij echt samen met de gemeentes op te trekken, en vervolgens ook samen met de specialistische jeugdhulp. Zo zorgen we er echt voor dat er geen schotten ontstaan maar dat het in elkaar steekt, en kunnen we ook de brede jeugdproblematiek aanvliegen.

Er waren enkele vragen over tijdige en passende jeugdhulp. Enkelen van u zeiden: sommige gemeentes zeggen "leuk hoor, dat een gecertificeerde instelling jeugdzorg aanbeveelt", maar wij blokkeren dat. Als dat gebeurt, is dat uiteraard niet wenselijk. Het is niet voor niks dat jeugdzorg wordt aangewezen. In de Jeugdwet hebben we bepaald dat een gecertificeerde instelling bepaalt welke hulp nodig is, dat die overlegt met gemeentes en dat de gemeente vervolgens ervoor verantwoordelijk is om die hulp ook in te zetten. Wij verwachten dat we met die stevige lokale teams samenwerkingsafspraken tussen gemeentes en verwijzers, in dit geval gecertificeerde instellingen, goed kunnen vastleggen. Ze hebben immers ook aan beide kanten een belang om ervoor te zorgen dat de kinderen die het het hardst nodig hebben en die het meest gebaat zijn bij passende jeugdhulp die ook tijdig kunnen krijgen. De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, die per januari ingaat, maakt ook dat gemeentes verplichte regiovisies maken, onder andere over de afstemming over schaarse jeugdhulp. Omdat ik het vanzelfsprekend vind, neem ik aan — ik zal dat nog even dubbelchecken — dat gecertificeerde instellingen ook betrokken zijn bij de regiovisies die gemaakt worden door gemeentes in een bepaalde regio. Daarnaast voeren wij met gemeentes, gecertificeerde instellingen en de aanbieders het gesprek over hoe we omgaan met verwijzingen, over de verwachtingen over en weer, en over wat we daarover kunnen vastleggen. Dat was een lang antwoord, maar het was ook een hele goede vraag van meerdere van uw leden, denk ik.

Dan ga ik door met een vraag over de sturing door gemeentes, die onder andere werd gesteld door de CDA-fractie. Er werd gevraagd welke oplossingen we zien voor het feit dat gemeentes niet kunnen sturen op kwaliteit, capaciteit en continuïteit. De specialistische jeugdhulp en het daarbij horende contractmanagement zorgen ervoor dat gemeentes een belangrijk instrument hebben voor de kwaliteit, capaciteit en continuïteit, zowel bij het inkopen zelf als bij het betalen van de facturen die ze toegestuurd krijgen, zo mag ik verwachten. Gemeentes hebben dus behoorlijk wat instrumenten in handen. Met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg hebben ze dat per januari ook op regionaal niveau voor de specialistische jeugdzorg. In de wet hebben we overigens ook afgesproken dat gemeenteraden meekijken met de regiovisie als het gaat over specialistische jeugdhulpvormen, met de aanbeveling dat ze kijken naar wachttijden en afstemming. Gemeentes hebben daarmee eenduidige kaders die hen helpen bij regionale inkoop en daarmee dus ook structureel betere grip geven op kwaliteit, capaciteit en continuïteit.

Mevrouw Van der Plas vroeg of het een idee is om kinderrechters de bevoegdheid te geven om therapieën en behandelingen dwingend voor te schrijven. Het korte antwoord zou "nee" zijn, maar ik geef iets meer duiding. Rechters hebben al allerlei bevoegdheden en bepalen of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is. Vervolgens zijn de gecertificeerde instellingen aan zet om die maatregelen uit te voeren en door te verwijzen naar jeugdhulp. Zoals ik net al zei over de afstemming tussen gemeentes en de gecertificeerde instellingen: in de samenwerkingsafspraken moet vastgelegd worden hoe ze omgaan met die verwijzingen, om te voorkomen dat er om oneigenlijke redenen wordt afgezien van de aanbeveling van de gecertificeerde instellingen, die de opdracht van de rechters hebben gekregen.

Mevrouw Straatman vroeg naar de complexe casuïstiek. Ze vroeg of er misschien één regiepunt moet komen voor complexe situaties, met een soort doorzettingsmacht. Op zichzelf is dat er al en ligt dat bij gemeentes. Sommige gemeentes hebben dat ook wel goed ingericht. In mijn gemeente, de gemeente Utrecht, is er bijvoorbeeld een OMO-functionaris waarbij complexe situaties multidisciplinair worden bekeken. Vervolgens wordt gekeken op welke manier doorzettingsmacht plaats moet vinden. Dat is er dus al; dat kan al. De aanbeveling zou zijn om iets dergelijks in alle gemeentes handen en voeten te geven. Als gemeentes, ouders, jeugdigen of zorgverleners daarbij vastlopen, kunnen zij altijd terecht bij een regionaal expertteam per jeugdregio. Daar zijn consultatie, advies en procesregie beschikbaar wanneer complexe zorgvragen helemaal vastgelopen zijn. Daarnaast is er nog een bovenregionaal expertisenetwerk, voor het geval dat de RET's er niet uitkomen. Op zichzelf is dat dus structureel ingeregeld.

Mevrouw Straatman vroeg ook naar de continuïteit van hulp en zei dat die onder druk staat. Ze vroeg of er een vorm van overbruggingszorg nodig is. Overbruggingszorg kan een goede oplossing zijn bij wachttijden. Dat hangt natuurlijk heel erg af van de situatie en de context. Er is een handreiking opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut: Afwegingen bij de inzet van schaarse jeugdhulp. Deze kan helpen bij overbruggingszorg.

Mevrouw Dobbe vroeg ook naar de verwijzing van GI's naar jeugdhulp en wat gemeentes daar vervolgens mee doen. Zoals ik net al heb gezegd, is het in principe niet wenselijk, maar met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg leggen we in ieder geval een bedding voor betere samenwerkingsafspraken tussen gemeentes en GI's, ook om te voorkomen dat om onwenselijke redenen wordt afgezien van jeugdhulp.

Mevrouw Dobbe vroeg ook naar budgetplafonds. Het punt is dat we gemeentes met de Jeugdwet de opdracht hebben gegeven om zelf te bepalen wat ze inkopen als het gaat over jeugdhulp. Het is dus aan gemeentes zelf om als contractpartij financiële afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders. Er zijn gemeentes, weet ik, die met budgetplafonds werken. Overigens zijn die volgens mij nooit absoluut. Als blijkt dat aanbieders gedurende het jaar geen budget meer hebben, dan zijn ze daar over het algemeen over in gesprek met de gemeente en de jeugdregio. In elk geval — daar zijn we het volgens mij allemaal over eens — mogen budgetplafonds er niet toe leiden dat kwetsbare jongeren niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. Gemeentes blijven verantwoordelijk voor een toereikend aanbod. Dat is dus onderdeel van de gesprekken die we met gemeentes hebben, onder andere naar aanleiding van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg en ook in de aanloop naar de wet over de reikwijdte.

Dan waren er nog een aantal vragen over de arbeidsmarkttekorten. Ik denk dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daar al een aantal antwoorden op heeft gegeven. We kunnen het nog een beetje breder stellen, aangezien we in de hele zorg natuurlijk behoefte hebben aan goeie arbeidskrachten en we daar overal personeelskrapte tegenkomen. Collega minister Bruijn heeft de hoofdverantwoordelijkheid voor de personeelstekorten, of ten minste voor het keren daarvan in de hele zorg. Hij heeft een aanpak langs drie lijnen uitgezet, waarbij het verminderen van de tijd die zorgverleners besteden aan administratieve lasten een belangrijke is. De andere twee zijn de juiste inzet van de medewerkers op de juiste plek en het investeren in meer en beter opleiden van professionals. Met die administratieve lasten zijn we dus specifiek voor jeugdzorg ook bezig. We proberen ook met een aantal loopbaaninstrumenten mensen te enthousiasmeren voor het werk in de zorg, ook in de jeugdzorg.

Voorzitter. Zo heb ik geprobeerd enigszins compact door de vragen over het stelsel te lopen.

De voorzitter:

Dat deed u met gezwinde spoed. Dank u wel. Een interruptie in tweeën, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Die gaat over de eigen bijdrage. Ik ben het in alle eerlijkheid een beetje zat dat we voortdurend in cirkeltjes draaien als het gaat over de eigen bijdrage in de jeugdzorg. Ik vind het dekkingsargument nogal een gelegenheidsargument van de staatssecretaris. Jarenlang heeft er een bezuiniging van zo'n 511 miljoen boven de markt gehangen. Het was geen enkel probleem om die in te vullen. Toen het kabinet vóór dit kabinet viel, zei demissionair staatssecretaris Maarten van Ooijen: ik vind het onverantwoord om te bezuinigen op de jeugdzorg. Ook in het kader van de eigen bijdrage werd er gesproken over "onverantwoord". Nu wil dit kabinet daarmee 260 miljoen gaan ophalen. Er wordt nergens gesteld hoe het kabinet aan de invulling van die 260 miljoen denkt te komen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Er ligt een duidelijke opdracht vanuit de Kamer om te stoppen met dit wetsvoorstel, en dat wil de staatssecretaris niet uitvoeren. Zij is demissionair. Waarom legt zij de uitspraak van de Kamer naast zich neer?

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb die uitspraak van de Kamer nog niet formeel naast me neergelegd, want dan had u daar een brief over gekregen. Ik geef u aan waarin de worsteling zit. Ik kan niet zomaar zeggen: ik ga het niet doen, want de Kamer heeft het gezegd. De Kamer heeft mij namelijk ook niet die 260 miljoen erbij gegeven. Ik begrijp de frustratie van mevrouw Westerveld heel goed. Ik voel goed met haar mee. Tegelijkertijd zou het van bestuurlijke zwakte getuigen om te zeggen: dan doen we het maar zo.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Die 260 miljoen is nattevingerwerk. We hebben een paar keer gevraagd: wat moet die 260 miljoen dan opleveren? Dat weet het kabinet niet. Uitvoeringsorganisaties zeggen: voer dit niet in. Het kost een hele hoop werk, ook om dat wetsvoorstel überhaupt voor te bereiden. Nogmaals mijn oproep aan de staatssecretaris: stop hier gewoon mee. Dat wil de Kamer en dat willen uitvoeringsorganisaties. Doe het, alstublieft.

Staatssecretaris Tielen:

Precies om de vraag die mevrouw Westerveld stelt, namelijk hoe je die 260 miljoen überhaupt kan boekstaven of berekenen, ga ik er nog even op door. Wat is dan realistisch en wat niet? Ik heb echt tijd nodig om dat op een rijtje te zetten. We hebben hier eerder kort een debat over gehad, volgens mij in september of oktober. Toen heb ik gezegd: het is voorbarig om te zeggen dat ik het wel of niet doe, omdat ik bezig ben om op een rijtje te zetten wat wel en niet kan. Daar ga ik dus gewoon mee door.

Mevrouw Dobbe (SP):

De tijd om dat te regelen is er natuurlijk, want dit hoeft niet morgen. Het gaat nog niet in. Die tijd heeft de staatssecretaris. We gaan er dus ook gewoon van uit dat deze motie wordt uitgevoerd, om heel eerlijk te zijn. Ik kwam ook naar voren omdat de staatssecretaris zegt dat het een beetje ongemakkelijk is om te praten over geld. Het klopt dat geld alleen niet de oplossing is voor de problemen waar we nu tegenaan lopen. Maar ja, het helpt wel als er genoeg geld is om de problemen te kunnen oplossen.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Toen zei de staatssecretaris dat er 3,7 miljard extra bij is gekomen. Ja, die wordt minder bezuinigd. Dus volgend jaar, over vier weken, moet er in plaats van 1 miljard euro een half miljard euro af. Daar is nog geen plan voor, want die hervormingen zijn nog niet ingevoerd. Waar gaat dat vandaan komen?

Staatssecretaris Tielen:

Dat is precies dat hele rekensommetje met "erbij, eraf" enzovoort, waar ik eigenlijk uit wilde blijven. Nogmaals, er is 3,7 miljard bij gekomen boven op de meer dan 7 miljard euro die er nu jaarlijks al naar jeugdzorg gaat. Ook is er een afspraak met de gemeentes om met elkaar te werken aan hoe we die Hervormingsagenda Jeugd nu echt kracht gaan bijzetten. Het gaat om kwaliteit, beschikbaarheid en zorgen dat de hulp dichter bij gezinnen is, zodat er ook echt minder behoefte is aan hulp bij jongeren en hun gezinnen. Laten we daar nou gewoon even mee aan de bak gaan. Het is belangrijk genoeg om die urgentie in te zetten. Nogmaals, 3,7 miljard boven op 7 miljard is gewoon echt veel geld.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Maar laten we niet net doen alsof die bezuiniging er niet aan komt. Als we gaan plussen en minnen, blijft er gewoon voor 2026 een half miljard euro aan bezuinigingen op de jeugdzorg over. Iemand moet dat betalen. De commissie-Van Ark heeft daar een uitspraak over gedaan. Die zei: doe dat nou niet voordat die besparingen op basis waarvan die bezuiniging is ingeboekt, zijn gehaald; neem dat op in een begroting als een p.m.-post. Dat was haar advies. Óf stel het uit; dat zou ook nog kunnen. Wat mij betreft kan dit geschrapt worden, maar stel het dan in ieder geval uit als je nog niet zeker weet dat die hervorming daadwerkelijk die besparingen gaat opleveren. Anders komen kinderen en jeugdzorgmedewerkers in de problemen. Erkent de staatssecretaris dat, en is zij bereid dat te gaan doen en de commissie-Van Ark daarbij te volgen?

Staatssecretaris Tielen:

We hebben al een heel groot deel van de aanbevelingen van de commissie-Van Ark in gang gezet. Daar zijn we druk mee bezig. Nogmaals, ergens voor het wetgevingsoverleg krijgt u een uitgebreide brief over de routekaart daarvan met precies wat, wie, wanneer enzovoort. Er is dit jaar 3,7 miljard euro toegezegd boven op een al groot bedrag. Als ik kijk naar een aantal onderdelen van de jeugdzorg, zie ik ook positieve ontwikkelingen. Het aantal kinderen in gesloten jeugdzorg gaat fors achteruit. Het aantal kinderen in residentiële jeugdzorg gaat ook achteruit. Het is niet dat we vandaag ineens met nieuwe plannen bezig zijn; we zijn echt al druk bezig om te zorgen dat de jeugdzorg beter wordt in kwaliteit en beschikbaarheid en dat er uiteindelijk minder kinderen zijn die jeugdhulp nodig hebben.

De voorzitter:

U vervolgt uw beantwoording met pleegzorg en gezinshuizen.

Staatssecretaris Tielen:

Zeker. Dan begin ik met een vraag van de heer Van Houwelingen. Hij wil weten hoe het zit met het formele toezicht op gezinshuizen, pleeggezinnen en zorgboerderijen. Zoals ook in enkele interruptiedebatjes al is gedeeld, houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd risicogestuurd toezicht op individuele aanbieders in zowel gezinshuiszorg als zorgboerderijen. Voor pleegzorg geldt dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd toezicht houdt op de pleegzorgaanbieder, waarbij pleegzorgwerkers en jeugdbeschermers de taak hebben om zich te richten op hulp en veiligheid in de pleeggezinnen. Er zijn kwaliteitscriteria voor gezinshuizen, kwaliteitsstandaarden voor pleegzorg en een kwaliteitskader voor wat we de "zorglandbouw" noemen. Dat laatste zijn dan de zorgboerderijen. De verantwoordelijkheid om te voldoen aan die kaders ligt bij de zorgaanbieder zelf. Het is aan gemeenten om eventueel bij de inkoop, als ze dat willen, aanvullende eisen te stellen.

Meneer Van Houwelingen suggereerde om alle pleeggezinnen ten minste één keer per jaar te bezoeken, liefst onaangekondigd. Ook daar is in enkele interruptiedebatjes al aandacht aan besteed. Ik denk dat dit capaciteitstechnisch echt niet te doen is. Daarnaast is ook de vraag of dat zou moeten. De manier waarop de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd het risicogestuurde toezicht heeft ingeregeld, werkt gewoon echt wel goed. Het is de bedoeling dat kinderen een warme en gehechte opgroeiomgeving hebben en in het overgrote deel van de pleeggezinnen werkt dat ook goed. Ik weet niet of we die moeten belasten door boven de markt te laten hangen dat iemand zomaar een keertje binnen kan komen ergens in het jaar om te kijken of er blauwe plekken zijn, zoals volgens mij meneer Van Houwelingen zei, en om te controleren waar die dan vandaan komen. Ik weet niet of dat nou echt bijdraagt aan een net-als-thuisomgeving.

Meneer Ceder vroeg naar de gezinshuizen en screening. Pleegzorg en gezinshuiszorg hebben hetzelfde doel, maar zijn wel anders georganiseerd. Pleegouders zijn over het algemeen vrijwilligers die net als ouders proberen een warm en gehecht gezin te creëren voor kinderen die dat nodig hebben en in gezinshuizen zijn er professionals met een professionele opleiding. Ze zijn ook anders ingericht. Voor gezinshuizen zijn er kwaliteitscriteria. We zijn nu bezig om die kwaliteitscriteria aan te scherpen. U zult begrijpen dat daar door de recente berichtgeving wel een wat scherpere blik op zal zijn. Ik verwacht dat ik in het voorjaar een update daarover kan sturen naar de Kamer. Het Platform Gezinshuizen, het Nederlands Jeugdinstituut, gemeenten, aanbieders en professionals betrekken we daar uiteraard bij. Screening is een expliciet onderdeel daarvan. Daarnaast denk ik dat het een goed idee is om de vergewisplicht wettelijk te verankeren in de Jeugdwet als een extra slot op de deur. "Vergewisplicht" is een ingewikkeld woord dat betekent dat zorgaanbieders zelf ook een check moeten doen op het arbeidsverleden van hulpverleners en moeten controleren of de juiste diploma's beschikbaar zijn. Dat zijn we nu aan het verkennen en ik kom daar ook op terug in het voorjaar.

Mevrouw Coenradie vroeg of een vergunningsplicht een goed idee zou kunnen zijn. Op dit moment geldt voor geen enkele jeugdzorgaanbieder een vergunningsplicht. Dat zijn we wel aan het uitzoeken. Ook daarover wil ik begin komend jaar opschrijven wat we ervan vinden. We zijn daar nu over in gesprek met betrokken instanties om te kijken op welke manier we dat kunnen doen en of dat daadwerkelijk bijdraagt aan het doel dat we willen bereiken, namelijk betere kwaliteit en betere garanties op veiligheid. Daar kom ik dus op terug.

Mevrouw Wendel vroeg of het misschien een goed idee is om als ergens een misstand is geconstateerd, geen verbetertraject aan te bieden aan pleeg- of gezinsouders. Ik vind het lastig om er hier achter deze katheder zomaar ja of nee op te zeggen, omdat er natuurlijk heel verschillende constateringen kunnen zijn. Als er sprake is van onveiligheid in een pleeggezin, dan is het wat mij betreft in eerste instantie aan professionals die er verstand van hebben om te kijken of dat wel of niet passend is. Als de inschatting is dat een verbetertraject geen zin heeft, dan zou ik het ook niet willen onderschrijven. Maar in sommige gevallen kan het dat wel zijn, dus ik zou dat graag aan de expertise van de professionals willen laten.

Mevrouw Westerveld vroeg wat er gedaan is met de beloftes die zijn gedaan om pleegouders beter te ondersteunen, ook naar aanleiding van eerdere debatten. Ik geloof dat meneer El Abassi een soortgelijke vraag stelde. Dat is altijd weer een mooie gelegenheid om nog maar eens te benadrukken hoe belangrijk het is dat we in Nederland pleegouders hebben die zich met ziel en zaligheid inzetten om kinderen tijdelijk zo gewoon mogelijk te laten opgroeien in een gezin dat niet hun eigen gezin is. Dat waardeer ik echt enorm. Deze ouders moeten wel ergens terechtkunnen met hun vragen en klachten; dat hebben we al eerder geconstateerd. Daarvoor is er een subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en aan Jeugdstem. Beide organisaties kunnen pleegouders ondersteunen. Daarnaast hebben we een aantal dingen gedaan, bijvoorbeeld het financieel mogelijk maken van kinderopvang bij pleeggezinnen en bijzondere kostenvergoedingen.

We zijn ook bezig met te kijken naar de methodiek voor informele en laagdrempelige steun tussen pleeggezinnen — u noemde Mockingbird — en hoe we daarmee moeten omgaan. Jeugdzorg Nederland heeft een handreiking samenwerkingsafspraken gemaakt om de samenwerking tussen jeugdbeschermings- en pleegzorgwerkers te versterken, waarbij veiligheid en de stem van het kind centraal staan en uiteraard richtlijnen worden nageleefd. Daarnaast zijn er via Jeugdstem ook nog een aantal andere dingen beschikbaar gesteld, onder andere het boekje Ken je rechten, waarmee pleegkinderen inzicht en overzicht hebben van wat hun rechten zijn en waar ze terechtkunnen. Er is ook een communicatiecampagne met een podcast met pleegkinderen om daar meer aandacht aan te besteden op een laagdrempelige en ook best leuke manier. Sinds 1 januari 2023 hebben ouders ook recht op kosteloze rechtsbijstand in procedures bij een eerste uithuisplaatsing en beëindiging van gezag. Dat is een reeks aan maatregelen die we hebben om pleegouders te ondersteunen.

Mevrouw Coenradie zei dat pleegouders met de beste intenties toch ervaren dat het systeem gesloten is en er weinig ruimte is voor vragen en klachten. Ik hoop dat een aantal van de dingen die ik heb gezegd daar een antwoord op zijn. Alle pleegzorgaanbieders die door de inspectie zijn bezocht, blijken een klachtenregeling te hebben die voldoet aan de eisen die wij met elkaar in de Jeugdwet hebben vastgelegd. Het blijkt wel dat een aantal van de pleegzorgaanbieders — maar goed, dat heeft u kunnen lezen in de rapporten — pleegouders en kinderen onvoldoende informeren over het bestaan van die klachtenregeling en dat moet natuurlijk wel gebeuren. We zijn in gesprek met de sector daarover om te zorgen dat de klachtenregelingen er niet alleen zijn, maar dat ze ook bekend zijn bij de betrokken pleegouders.

Mevrouw Van der Plas vroeg — net als een paar anderen, geloof ik — naar de vertrouwenspersonen, of we niet wettelijk moeten vastleggen dat ieder kind daar recht op heeft. Nou, dat staat in de Jeugdwet. In de Jeugdwet hebben we opgenomen dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Er is een wettelijke verplichting voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om kinderen ook tijdig te informeren over de ondersteuningsmogelijkheden van die vertrouwenspersoon. Wettelijk hebben we het dus eigenlijk allemaal al vastgelegd. Onder andere met de folder waar ik net naar verwees, van Jeugdstem, is daar op een laagdrempelige manier informatie over gedeeld.

Mevrouw Van der Plas vroeg ook naar de JIM, Jouw Ingebrachte Mentor, wat soms ook gewoon een goede vriend of een familielid kan zijn. Eerder hebben we daar onderzoek naar gedaan. Daaruit bleek dat een wettelijke regeling of een standaardverplichting dan weer niet helemaal tegemoetkomt aan de behoeften die jeugdigen, ouders en steunfiguren zelf hebben. Die hebben we dus niet als aparte categorie daarin opgenomen. Maar nogmaals, de vertrouwenspersoon is wel wettelijk vastgelegd.

Mevrouw Westerveld vroeg naar het budget voor Jeugdstem, de organisatie waar ik net al naar verwees. Jeugdstem ontvangt komend kalenderjaar ruim 12,5 miljoen euro subsidie voor de uitvoering van het vertrouwenswerk en daar vallen ook de gezinshuizen onder. We gaan met Jeugdstem in gesprek over hoe gezinshuizen ook een plek kunnen krijgen in hun dagelijkse werk, om het maar zo te zeggen. Mevrouw Westerveld vroeg of ik toe kan zeggen dat ik subsidie ga verstrekken, maar die hebben ze dus al. Ik denk dus dat de vraag daarmee al beantwoord is. Jeugdstem heeft zelf ook een aantal acties aangekondigd waar ze verder mee gaan in vervolg op de campagne en het boekje Ken je rechten: het digitaliseren van dienstverlening, enzovoort.

Meneer El Abassi vroeg hoe het staat met de motie over dat kinderen een-op-een kunnen spreken zonder aanwezigheid van de pleegouder. Die motie is door uw Kamer aangenomen. Dat is denk ik heel goed. O, meneer El Abassi is weg. O, hij is er toch. Sorry. Ik keek niet in het goede vak. Ik vind dat dus heel belangrijk. We pakken dat via meerdere routes op, want we willen ook dat die gesprekken er niet alleen zijn en dat er dan een vinkje gezet kan worden, maar ook dat die, om het maar in de woorden van de inspectie te zeggen, betekenisvol kunnen worden ingevuld. Ik ben bezig met de richtlijn Pleegzorg. Ik neem dit mee in de actualisatie van die richtlijn. Met de gecertificeerde instellingen is afgesproken dat ook zij een landelijke richtlijn opstellen om dat een-op-eencontact goed te borgen. Ook pleegkinderen kunnen een-op-een in gesprek met een vertrouwenspersoon. Ik heb net al wat gezegd over de vertrouwenspersoon. Het is ook onderdeel van het toetsingskader van de inspecties. De inspecties toetsen daar dus ook op in de praktijk.

Ik dacht dat ik daarmee best een uitgebreid antwoord heb gegeven op de vraag van meneer El Abassi.

De voorzitter:

Zeker. Interrupties in tweeën, mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Een tweetal punten over de klachtenregeling. Dat klinkt heel mooi. Daarmee hebben we straks misschien een heel goed werkend systeem, maar wat mij betreft draait het natuurlijk niet alleen om het hebben van een klachtenregeling, maar moet je het ook durven doen. In het verlengde daarvan ben ik ook even benieuwd in hoeverre de staatssecretarissen, in dit geval deze staatssecretaris, zelf ook weleens pleegouders hierover hebben gesproken.

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb wel pleegouders gesproken, maar niet specifiek over de klachtenregeling. Ik hoor dat mevrouw Coenradie mij dan een tip mee gaat geven.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat klopt. Ik zou specifiek eens in gesprek gaan, misschien middels een rondetafelsessie, met pleegouders over hoe zij dit ervaren, en dat in alle plannen die er zijn ook meenemen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor de beantwoording. De staatssecretaris zegt dat er op zich goed toezicht is op de jeugdzorg, maar ik denk dat dat niet het geval is; vandaar dat we dit debat hebben. We hebben heel veel vreselijke incidenten gehad, wat ook meer is dan een enkel incident. Ik begrijp dat het nog erger is als het gaat om de pleegouders, de zorgboerderijen enzovoort, want daar is helemaal geen toezicht. Daar is geen direct toezicht. Er is niemand van de inspectie die daar een keer per jaar binnenloopt. Mijn vraag aan de staatssecretaris was of dat toezicht er niet zou moeten zijn. Daarop antwoordt zij: we hebben maar beperkt capaciteit. Laten we uitgaan van het aantal van 15.000 dat genoemd is. Reken dat maar eens uit: als iemand vier gezinnen per dag kan bezoeken, dan heb je voldoende aan 15, misschien 20, 25 mensen. Die capaciteit moet er dan toch zijn voor zo'n belangrijk probleem?

Staatssecretaris Tielen:

De vraag terug aan de heer Van Houwelingen zal ik niet stellen, maar die zou zijn: om welk probleem gaat het dan? Daarom is dat risicogestuurd toezicht zo goed. Met de overgrote meerderheid van de pleeggezinnen gaat het gewoon supergoed. Er zijn mensen die op een liefdevolle, warme, gehechte manier een thuis bieden aan die kinderen. De vraag is of het slim is om die allemaal af te lopen, omdat we misschien ergens iets zouden kunnen vinden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd doet dat risicogestuurd. Dat werkt gewoon goed. We zijn nu bezig om te kijken of we met screening en een vergunningsplicht kunnen voorkomen dat er misstanden ontstaan. Ik denk dat dat ook heel belangrijk is. Maar zoals meneer Van Houwelingen het voor zich ziet, zie ik het niet voor me.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Maar dat risicogestuurd toezicht werkt dus niet goed. Dat gaat onder andere uit van betekenisvol contact, dat er dus niet is. Het werkt niet. We hebben het hier de hele dag over het stelsel, want daar gaat dit debat over. Het stelsel werkt niet. Ik snap dat dat niet makkelijk een-twee-drie te veranderen is, maar ik kom nu met een voorstel om laaghangend fruit te plukken en het stelsel dat dus niet werkt in zekere zin even te parkeren. Ik stel dus voor om bij de inspectie 20, 25 mensen vrij te maken om één keer per jaar, het liefst onverwacht, zo'n huis te bezoeken. Ook nu kan ik het de staatssecretaris op een briefje geven ... Meestal gaat het goed. Ongetwijfeld heeft de staatssecretaris daar gelijk in, maar er zijn nu vast ook pleeggezinnen waar kinderen mishandeld worden, waarvan we dat niet weten. Dan kunnen we dat misschien opsporen. Dus laten we dát dan toch op z'n minst doen.

Staatssecretaris Tielen:

Ik zou het heel treurig vinden als we het stelsel reduceren tot het een-op-eentoezicht zoals meneer Van Houwelingen dat nu suggereert. Volgens mij moeten we het echt breder bekijken. Daarom hebben we dit debat ook. Ik zie het echt anders dan meneer Van Houwelingen.

De heer El Abassi (DENK):

Fijn dat ik van de staatssecretaris meekrijg dat ze de motie wil gaan uitvoeren. Om te voorkomen dat ik er de volgende keer weer naar moet vragen, zou ik wel graag willen horen wanneer ze de motie echt uit gaat voeren en hoe ze dat gaat doen. Dat hoeft niet per se nu, dat mag ook schriftelijk.

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb een aantal dingen gezegd die al in gang zijn gezet. Ik ga 'm dus niet alleen uitvoeren, we zijn er al mee bezig. Maar ik wil gerust toezeggen om daar in die wat uitgebreidere brief die u voor het wetgevingsoverleg Jeugd ontvangt, nog een paar zinnen aan te wijden.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb al aan uw collega gevraagd naar de bestuurlijke rapportage politie, maar ik heb ook gevraagd om een aanvullend rapport, dat is opgemaakt door de inspectie over vijf hulpverleners van Enver en de William Schrikker Stichting, die betrokken zijn bij het pleegmeisje in Vlaardingen en die nogal indringende verklaringen hebben afgelegd over de wijze waarop het toezicht is geregeld en wat er allemaal is misgegaan. Bent u op de hoogte van dit rapport? En als dat rapport er is, kunnen wij dat dan krijgen?

Staatssecretaris Tielen:

Ik had die vraag in het mapje overig zitten, maar ik zal 'm er gelijk bij pakken. Meneer Struijs vroeg inderdaad naar die rapportage. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd mag geen informatie delen en maakt ook geen rapporten openbaar als het gaat om individuele medewerkers, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is gebonden aan het afgeleide medisch beroepsgeheim. Ze is daar dus niet toe gemachtigd. Als onderzoeken naar individuele medewerkers daartoe aanleiding geven, dan zal de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daarop acteren, om het maar zo te zeggen, oftewel dan gaat ze naar de tuchtrechter. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft geen overkoepelend rapport opgesteld naar aanleiding van gesprekken met individuele medewerkers.

De heer Struijs (50PLUS):

Dan verzoek ik of er toch, met inachtneming van alle spelregels, een vorm van een samenvatting kan komen, zonder dat al die geheimhoudingen worden geschonden. Het is namelijk nogal een indringend rapport. Ik vind echt dat de conclusies daarvan in de Kamer terecht moeten komen.

Staatssecretaris Tielen:

Daar kan ik nu niks op toezeggen. Ik zou het heel erg vinden als wij als politiek dwars door allerlei wetten gaan, zoals die rondom het medisch beroepsgeheim, maar ik zie meneer Struijs dat ook niet per se vragen. Dan moet ik gewoon kijken wat ik wel en niet kan. Ik weet ook niet of me dat in de tweede termijn lukt, maar ik begrijp de vraag van meneer Struijs. Ik weet alleen nog niet wat mijn antwoord daarop moet zijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik krijg uit de beantwoording van de staatssecretaris op mijn vragen over vertrouwenspersonen de indruk dat in ieder geval bij het ministerie de indruk is dat het allemaal goed gaat. Wij krijgen echter andere signalen vanuit Jeugdstem. Ja, er is incidenteel extra subsidie gekomen voor het bezoeken van 140 gezinshuizen; dat noemde ik ook in mijn bijdrage. Maar voor volgend jaar zijn er volgens mij wel een aantal problemen. Eén is dat er structureel financiering mist om ervoor te zorgen dat gezinshuizen, maar ook ouders die bijvoorbeeld bellen omdat ze iets kwijt willen, op tijd worden geholpen. Het zat al allemaal in mijn bijdrage. Twee. In onze motie vroegen wij om vertrouwenspersonen structureel in te bedden. Daar was een werkgroep mee bezig. Die heeft afgelopen jaar geen subsidie gekregen. Ik vraag me a af waarom we daar niet actiever over zijn geïnformeerd en b waarom dat niet gebeurd is.

Staatssecretaris Tielen:

Naar mijn weten — maar goed, ook dat zal ik verder uit moeten diepen — krijgt Jeugdstem komend kalenderjaar subsidie. Ik heb nu niet op een rijtje welke elementen daarvan wel en niet in de begroting staan. Dat weet ik gewoon niet. Ik hoor wat mevrouw Westerveld vraagt. Laat mij dan ook nog even dubbelchecken wat dan nu het probleem is. Als mevrouw Westerveld vraagt om even in gesprek te gaan met Jeugdstem om richting 2026 te kijken wat goede afspraken zijn, dan kan dat natuurlijk altijd.

De voorzitter:

Kort nog, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Fijn. Want ja, Jeugdstem krijgt subsidie. Dat is ook nodig, want in het vorige debat noemde ik dat er van de pakweg 20.000 pleegkinderen 18 de weg naar Jeugdstem hadden gevonden. Dat is natuurlijk veel te weinig. Het is dus fijn dat de campagne die ze nu aan het opstarten zijn, zin heeft. Maar vandaar zeggen we ook: zorg dat alle pleegkinderen weten dat ze een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Daar is gewoon meer voor nodig. Die motie is aangenomen. Fijn als de staatssecretaris ervoor kan zorgen dat die echt naar letter en geest wordt uitgevoerd.

Staatssecretaris Tielen:

Mijn indruk was dat dat zo is, maar ik vind het prima om dat te dubbelchecken, want volgens mij erkennen we beiden het belang ervan.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik weet niet of het nog in dit blokje zat of dat het alweer het vorige blokje was, maar het ging nog even over de preventie. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat minder kinderen in de jeugdzorg terechtkomen of met problemen zitten? Dan wil ik toch even teruggrijpen op de coronaperiode, want we hebben gezien — dat is ook uit onderzoeken gebleken — dat die problemen eigenlijk groter zijn geworden door die langdurige lockdowns, met name bij kinderen die al in een moeilijke thuissituatie zaten. In die lockdowns konden ze niet meer naar school, konden ze niet meer sporten, konden ze niet meer uit en op een gegeven moment hadden ze geen sociale contacten meer. Het is niet helemaal het onderwerp van nu, maar ik vind het wel belangrijk voor de preventie. Ik weet ook dat op het ministerie nog wordt gesproken over pandemische paraatheid.

De voorzitter:

En uw vraag, mevrouw Van der Plas?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag is in hoeverre er nu al wordt gekeken naar dit specifieke aspect van de nadelen van het eigenlijk thuis opsluiten van kinderen, waardoor ze geen sociale contacten meer hebben, voor het geval dat er weer een pandemie komt of een andere noodsituatie waarbij er mogelijk lockdowns nodig zijn.

Staatssecretaris Tielen:

Wij hebben heel veel geleerd in de coronaperiode, onder andere inderdaad over de impact van bijvoorbeeld schoolsluiting en over de impact van lockdowns. Ik noem even de mentale gezondheid, maar het gaat breder dan dat; het gaat inderdaad ook over opgroeiproblematiek. We hebben ook wel gezien dat er behoorlijk wat veerkracht is, want het is niet alleen maar ellendig gebleven. Dat levert dus ook weer interessante inzichten op. Ik denk dat mevrouw Van der Plas er heel erg gelijk in heeft dat we dat soort dingen ook mee moeten nemen in de voorbereidingen op eventuele crises. Dat doen we ook, zonder dat ik daarbij nu kan zeggen wat we gaan doen, omdat we ook niet weten wat de volgende crisis gaat zijn. Dat maakt het ook altijd heel ingewikkeld. Er lopen natuurlijk meer maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op gezond en gehecht opgroeien; denk aan sociale media. We kunnen er zo een hele middag aan besteden.

Precies daarom is het volgens mij zo belangrijk dat we aan de ene kant kennis en expertise opbouwen, wat we onder andere doen met het Nederlands Jeugdinstituut, gemeentes en jeugdzorgprofessionals, en dat we aan de andere kant zorgen dat er in die gemeentes ook lokale teams zijn waar laagdrempelig hulp beschikbaar is. Ik was laatst op werkbezoek in een gemeente waarin ze kinderen die op de wachtlijst staan voor jeugdzorg groepsgesprekken aanbieden, om gewoon tijdens het wachten op jeugdzorg met elkaar te praten over waar ze zoal tegen aanlopen in het dagelijks leven. Dat was een aantal weken achter elkaar, elke week twee uur. 50% van de kinderen die daaraan meededen, kan van de wachtlijst af, omdat ze eigenlijk zeggen: het delen van mijn ellende geeft mij het gevoel dat ik niet meer alleen ben en dat ik er beter tegen kan. Allemaal dat soort initiatieven verzamelen we, ook om gemeentes te helpen om laagdrempelig aan preventie te doen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het is natuurlijk zo dat leraren en docenten vaak een signaalfunctie hebben; dat zagen we ook in Noord-Nederland. Zij kunnen zien of een kind structureel blauwe plekken heeft of een onbehandelde bijtwond van een hond. Dat geldt ook voor sportverenigingen. Zij zijn juist de signaleerders, die eigenlijk al vroeg kunnen zeggen: hé, het gaat hier niet goed. Ik ben in ieder geval blij om te horen dat dit wel meegenomen wordt, met name inderdaad voor de kinderen die thuis mishandeld worden, want die komen nergens meer en die blijven dan mishandeld worden. Dat is een beetje mijn zorg. Eigenlijk is dit meer een opmerking dan een vraag.

Staatssecretaris Tielen:

Het is misschien een oproep aan ons allemaal: blijf oog houden voor elkaar en als het niet goed voelt, vraag dan advies bij iemand die er verstand van heeft. Door de laagdrempeligheid van Veilig Thuis kun je daar vragen: moet ik hier iets mee, kan ik hier iets mee? Dat geldt voor docenten, sporttrainers, maar ook voor ons als samenleving.

De voorzitter:

Was u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?

Staatssecretaris Tielen:

Nee, ik heb het blokje overig nog, met nog een paar vragen. Hoe voorkomen we kindermishandeling, vroeg de fractie van JA21. Dat sluit eigenlijk aan bij wat ik net zei. Daar zijn we natuurlijk allemaal bij als onderdeel van de samenleving. Er is een aanpak om geweld te stoppen, met een meldcode en Veilig Thuis, waar je advies kan vragen, en met organisaties die zicht houden op de veiligheid. Maar dat betekent ook dat die organisaties met elkaar moeten samenwerken en moeten ingrijpen als het niet pluis voelt. Het echt voorkomen van kindermishandeling gebeurt natuurlijk al heel vroeg. Dat zit in het kunnen signaleren van gehechtheid tussen ouders en kind. De jeugdgezondheidszorg speelt daar ook een belangrijke rol in en moet dan samenwerkingspartners kunnen vinden.

Ook mevrouw Straatman vroeg daarnaar. Zij vroeg: welke maatregelen nemen we om langdurige onveiligheid korter te laten duren, oftewel hoe kunnen we eerder ingrijpen? De verplichte meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling kan professionals helpen. We zetten in op verbeteringen bij Veilig Thuis door ook daar de wachttijden aan te pakken, maar ook op eerder advies vragen bij Veilig Thuis. Denk aan docenten, sporttrainers, huisartsen, kinderartsen en andere professionals. Die moeten advies vragen als het niet goed voelt. We zijn al begonnen met inzetten op die adviesaanvraag en we zien al een duidelijke stijging van het aantal adviesaanvragen bij Veilig Thuis. We merken dus dat het helpt om daarop in te zetten.

Mevrouw Straatman vroeg ook naar de handelingsverlegenheid van professionals. Ze vroeg: hoe kunnen we nou ruimte en vertrouwen geven? Dat sluit aan bij wat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zei. Uiteindelijk moeten professionals de ruimte voelen om te handelen als het nodig is. Het blijkt dat die meldcode echt goede handvatten geeft om advies te vragen. Dat gaat in vijf stappen. Dat gaat dus niet gelijk van nul naar honderd, maar er wordt stap voor stap gekeken hoe snel je wel of niet moet handelen als je het gevoel hebt dat er iets aan de hand is. Veilig Thuis heeft in september ook een digitaal platform gelanceerd met brede informatie voor zowel professionals als andere betrokkenen. We zijn aan het kijken of het invoeren van een adviesplicht binnen de meldcode helpt om de meldcode weer onder grotere aandacht te brengen.

Meneer El Abassi vroeg naar de manier waarop afkomst, taal en cultuur kunnen worden meegenomen in de signalering, risicotaxatie en besluitvorming. Het is superbelangrijk dat er sensitief wordt gewerkt en dat professionals kijken naar het gezin of de mensen in het gezin die het betreft. Ze moeten echt kunnen luisteren, kijken en inschatten wat nodig is en wat ook past binnen dat gezin. Sensitief werken is wat dat betreft een algemeen aandachtspunt, dat onderdeel is van het opleiden en het permanent leren, zeker in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Het is ook onderdeel van de richtlijnen van de kwaliteitsstandaarden. Verder begreep ik dat de Raad voor de Kinderbescherming een Discriminatietoets Publieke Dienstverlening gaat doen en andere maatregelen neemt als dat nodig is.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw blokje overig?

Staatssecretaris Tielen:

Nee, ik heb nog één vraag.

De voorzitter:

Ik stel voor om die nog even mee te nemen.

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Het betreft de vraag van mevrouw Westerveld die ze eigenlijk aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde: zijn de adviezen eigenlijk opgevolgd? Ze doelde op onder andere de commissie-Samson uit 2012 en de commissie-De Winter uit 2019. Het belangrijkste leerpunt uit die rapporten, en ook weer uit dit debat, is dat het altijd nodig blijft om aandacht te houden voor signaleren en handelen bij geweld in de jeugdzorg. Na de commissie-Samson is samen met Jeugdzorg Nederland een kwaliteitskader opgesteld om seksueel misbruik in de jeugdzorg te kunnen voorkomen. In opvolging van de commissie-De Winter heeft Jeugdzorg Nederland handvatten en spelregels ontwikkeld voor het bespreekbaar maken van geweld op de werkvloer, is de rechtspositie van jongeren in de gesloten jeugdzorg verbeterd, zijn we bezig met de afbouw van de gesloten jeugdzorg en de beweging naar meer open en kleinschalige zorg, is er een landelijk tarief opgesteld voor voldoende tijd en ruimte bij de jeugdbeschermer en zijn we continu bezig om de kwaliteit van jeugdzorg en personeel te verbeteren. Een deel van al die dingen moet ook weer terugkomen in de hervormingsagenda, die nu met extra urgentie tot volgende stappen moet leiden. Je kunt niet zeggen dat we alles al helemaal af hebben; het blijft een lopend traject.

De voorzitter:

Eén interruptie van de heer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Ik hoor zeggen dat er al rekening wordt gehouden met afkomst, taal en cultuur. Ik vraag vooral om dat te waarborgen. Dat zat ook in de motie. Ik merk juist dat dat niet gedaan wordt. Bij het Vlaardingse pleegmeisje zien we dat ook terug. De pleegouders gaven namelijk zelf aan dat ze "liever geen zwarte" hadden. Ze hebben het over "zwartjes" en schrikken van een hoofddoek. Het gaat zelfs verder. Je zag dat de pleegouders via beelden online op zoek waren — sorry dat ik het moet zeggen, voorzitter — naar mannen met lullen van minimaal 20 centimeter. Daar heeft de moeder vaker aanklachten over ingediend. Het past totaal niet binnen de denkwijze en de cultuur van de moeder.

De voorzitter:

Wilt u tot uw vraag komen, meneer El Abassi?

De heer El Abassi (DENK):

Toch besloten ze, nadat instellingen verschillende malen werden benaderd, om hiermee door te gaan. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om hier echt rekening mee te houden en te waarborgen dat dit niet nog een keer gebeurt.

Staatssecretaris Tielen:

Ik vind het lastig om op basis van dit verhaal een algemene conclusie te trekken. Deels is dat omdat het verhaal breder is dan alleen wat meneer El Abassi aanhaalt, maar het is ook omdat we het volgens mij vooral over het algemene moeten hebben. Dat vraagt meneer El Abassi natuurlijk ook: hoe zorgen we nou dat de kwaliteit van de mensen en de screening van de gezinshuizen allemaal op orde zijn en goed gecontroleerd kunnen worden? Volgens mij hebben we het daar uitgebreid over gehad.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik schors voor vijf minuten. Daarna gaan we verder met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De vergadering is geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan mevrouw Westerveld voor haar inbreng in de tweede termijn namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Het falende stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming raakt letterlijk aan mensenlevens. Gedurende dit debat ontving ik een bericht van een heel betrokken hulpverlener die een jongere bijstond die een van de slachtoffers is van dit systeem en die niet meer leeft. Dat soort berichten raken mij heel erg. Het laat ook zien hoe betrokken heel veel hulpverleners zijn bij deze jongeren. Daarom wilde ik het noemen, want het raakt letterlijk aan het onderwerp waar we het vandaag over hebben.

Ook de commissie-De Winter had het al eerder over het volgende; daarom vroeg ik specifiek naar de aanbevelingen en of die al zijn opgevolgd. Ik hoorde de staatssecretaris een paar dingen noemen. Ik vind commissie-De Winter zo belangrijk omdat er excuses zijn gemaakt namens de overheid en omdat er een schaderegeling is geweest. Heel veel slechtoffers zeiden: ik wil dat het na mij beter wordt. Dat zei de Kamer toen ook. Een van de aanbevelingen is zorg dragen voor goed geschoold personeel en pedagogische continuïteit. Die is er niet op het moment dat hulpverleners telkens wisselen. Ik noem ook de aanbevelingen: meer samenwerken met ouders en familie, het verbeteren van de ondersteuning voor pleegouders, betere uitoefening van de rol van de gezinsvoogd bij voogdij en een betere invulling van uithuisplaatsing. Ik kan wel even doorgaan. Er moet nog heel veel gebeuren.

Voorzitter, ik heb één korte motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leerlingenvervoer voor kinderen die uit huis zijn geplaatst soms niet wordt geregeld door de desbetreffende gemeente, wat leidt tot extra trauma's en schade;

constaterende dat alleen al het afgelopen schooljaar 38 keer een beroep is gedaan op het Jeugdeducatiefonds om leerlingenvervoer na uithuisplaatsing te betalen, terwijl dit een taak is van gemeenten;

verzoekt de regering om te zorgen dat altijd het belang van het kind vooropstaat en kinderrechten worden nageleefd en in dergelijke situaties te zorgen dat gemeenten en desnoods het Rijk de kosten betalen van leerlingenvervoer totdat er een permanente oplossing is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dobbe.

Zij krijgt nr. 1114 (31839).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb deze motie al eerder ingediend. Die is toen niet aangenomen. Maar horende dit debat, hoop ik op een nieuwe kans.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Dobbe, gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel. Ik heb een aantal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inspecties vaststellen dat sommige gemeenten verwijzingen van jeugdzorgwerkers naar passende zorg heroverwegen en dat dit het de gecertificeerde instellingen onmogelijk maakt om hun taak te doen;

overwegende dat dit ervoor zorgt dat jongeren nog moeilijker toegang kunnen krijgen tot de zorg die zij nodig hebben;

verzoekt de regering om gemeenten erop aan te spreken dat zij verwijzingen van GI's niet moeten heroverwegen en te onderzoeken welke stappen verder kunnen worden genomen om dit tegen te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Westerveld en Struijs.

Zij krijgt nr. 1115 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV het zoveelste signaal zijn van een enorme crisis in de jeugdzorg;

overwegende dat er tegelijkertijd enorme bezuinigingsplannen liggen voor de jeugdzorg van 463 miljoen euro in 2026 en 570 miljoen euro in 2027, ondanks dat de commissie-Van Ark adviseerde voor deze jaren niet van tevoren vast te leggen hoeveel er kan worden bespaard;

spreekt uit dat het oplossen van de crisis in de jeugdzorg een absolute topprioriteit moet zijn en dat bezuinigingen dit niet mogen tegenwerken;

verzoekt de regering om alsnog te luisteren naar de commissie-Van Ark en voor 2026 en 2027 niet van tevoren bezuinigingen op te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 1116 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gebruik van budgetplafonds ervoor zorgt dat jongeren soms niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben, ook als er nog wel plek is bij een bepaalde aanbieder;

verzoekt de regering om het gebruik van budgetplafonds in de jeugdzorg te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.

Zij krijgt nr. 1117 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ervaringsdeskundigheid momenteel nog beperkt wordt ingezet in de jeugdbescherming, zowel op beleidsniveau als in de praktijk, vergeleken met de jeugdhulp;

overwegende dat de inzet van ervaringsdeskundigheid een toegevoegde waarde kan hebben voor de hervorming van de jeugdbeschermingsketen;

verzoekt de regering om samen met ervaringsdeskundigen en gecertificeerde instellingen ervoor te zorgen dat ervaringsdeskundigheid vaker kan worden ingezet bij de inzet van maatregelen in de jeugdbescherming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 1118 (31839).

Dank u wel. De heer Ceder, gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een vraag naar aanleiding van het debat. Zou de staatssecretaris onderzoek willen doen naar de omvang en de aard van de situaties rondom vrijwillige uithuisplaatsingen? Dan gaat het me om hoeveel het er zijn — dat weten velen niet — maar ook om welke plaatsvinden op basis van advies van bijvoorbeeld lokale teams, Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen of jeugdbeschermingstafels. De vraag is of de staatssecretaris dat zou kunnen toezeggen, zodat we er inzicht in krijgen en er stappen op kunnen zetten.

Voorzitter. Ik heb een paar moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er bij de allereerste screening naast een vog nog geen check op sociaal-economische omstandigheden, zoals de financiële zelfredzaamheid, lijkt te zijn bij gezinshuisouders;

overwegende dat schulden bij potentiële gezinshuisouders kunnen leiden tot stress en een instabiele gezinssituatie en dat dat kan doorwerken;

overwegende dat in de herziening van de kwaliteitscriteria ook wordt bezien of screening van gezinshuisouders een plek moet krijgen;

verzoekt de regering om met gemeenten en de jeugdzorgsector in gesprek te gaan om te zien of het mogelijk is om de financiële draagkracht van potentiële gezinshuisouders mee te nemen in de afwegingen bij de inkoop en uitvoering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 1119 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de motie-Ceder c.s. op stuk nr. 836 (31839) vraagt om het onderzoeken van het nut en de effectiviteit van de wettelijke borging van het plan van aanpak van de GI binnen drie maanden na uithuisplaatsing, waarin de mogelijkheden en route naar terugplaatsing worden vastgelegd;

overwegende dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming al in 2020 adviseerde om wettelijk vast te leggen dat binnen drie maanden het perspectiefbesluit wordt voorgelegd aan de kinderrechter;

verzoekt de regering in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming op te nemen dat het perspectiefbesluit binnen drie maanden wordt voorgelegd aan de kinderrechter;

verzoekt de regering voorts dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 1120 (31839).

Dank u wel.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

De heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Ik heb vier moties. Ik ga van start.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het wettelijk kader kan worden aangescherpt op basis waarvan de rechter een jeugdbeschermingsmaatregel, waaronder in het bijzonder een gedwongen uithuisplaatsing, kan opleggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 1121 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jeugdzorginstellingen sinds 2022 werken met het zogenoemde handelingsperspectief vanwege aanhoudende onderbezetting;

constaterende dat hierdoor wettelijke termijnen en verplichtingen, zoals toewijzing van een vaste jeugdbeschermer, structureel niet worden gehaald;

constaterende dat toezichthouders hebben gewaarschuwd dat kinderen hierdoor niet altijd op tijd de noodzakelijke bescherming ontvangen;

overwegende dat wettelijke normen in de jeugdbescherming bedoeld zijn om de veiligheid van de kinderen te waarborgen;

overwegende dat deze normen niet vervangen mogen worden door een handelingsperspectief als noodkader zonder parlementaire instemming;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat jeugdzorginstellingen niet langer de aan hen toevertrouwde kinderen op basis van het zogenaamde handelingsperspectief (inadequate) zorg mogen verlenen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 1122 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt het kabinet er zorg voor te dragen dat pleegzorgbegeleiders jaarlijks minstens één keer onaangekondigd bij pleegouders op bezoek komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 1123 (31839).

De heer Van Houwelingen (FVD):

En tot slot, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onafhankelijk direct toezicht op pleegouders, gezinsouders en zorgboerderijen nog steeds niet gewaarborgd is;

overwegende dat gezien de recente vreselijke misstanden die aan het licht zijn gekomen dit onafhankelijke toezicht zo snel mogelijk moet worden gerealiseerd — het is echt een wonder dat dat toezicht er nog niet is en er zijn ook geen vergunningen;

verzoekt de regering de inspectie, de IGJ dus, zo snel mogelijk te belasten met dit toezicht waarbij het streven van de inspectie zou moeten zijn pleeggezinnen, gezinshuizen en zorgboerderijen minstens één keer per jaar en bij voorkeur onverwacht te bezoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 1124 (31839).

Dank u wel. Eén interruptie.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De laatste twee moties van de heer Van Houwelingen gingen over nog meer toezicht, maar in de inspectierapporten zeggen de inspecties eigenlijk dat er al best wel wat toezichtsinstrumenten zijn, flink wat zelfs, maar dat ze niet meer kunnen handhaven en geen dingen meer kunnen opleggen, want het hele stelsel loopt vast. Mijn vraag is dus: waarom wil de heer Van Houwelingen dan vooral werken aan nog meer toezicht in plaats van aan al die andere waardevolle aanbevelingen, zoals zorgen dat mensen beter hun werk kunnen doen in het stelsel?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor de vraag. Voor de zekerheid: ik heb het dus niet over het toezicht dat al plaatsvindt op de gecertificeerde instellingen en waar de inspectie het volgens mij over heeft. Het gaat om een nieuwe vorm van toezicht, rechtstreeks op die gezinnen en die zorgboerderijen. Dat lijkt mij het toezicht dat wij nodig hebben, want ik heb begrepen dat de inspectie daar niet langskomt en ze hebben zelfs geen vergunning; corrigeer me als ik dat verkeerd zie. Dat toezicht is er nog helemaal niet. Dat is laaghangend fruit; dat zou je op z'n minst moeten willen hebben. Daar gaat deze motie over.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Straatman, CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank beide staatssecretarissen voor de uitvoerige beantwoording van de vragen. Ik heb één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing het uitgangspunt is dat het kind terugkeert naar huis;

constaterende dat uit de inspectierapporten blijkt dat gecertificeerde instellingen onvoldoende oog hebben voor het herstel van de relatie tussen het kind en de ouder(s), maar dat omgang van kinderen met ouder(s) juist cruciaal is om de duur van een uithuisplaatsing zo kort mogelijk te houden;

constaterende dat de staatssecretaris een omgangsregeling tussen het kind en de ouder(s) in de Jeugdwet wil vastleggen, die door de gecertificeerde instelling binnen zes weken na de uithuisplaatsing opgesteld moet worden;

constaterende dat uit de inspectierapporten blijkt dat gecertificeerde instellingen er in de praktijk structureel niet in slagen wettelijke plichten en termijnen uit de Jeugdwet na te komen;

overwegende dat het recht van het kind op omgang met de ouder(s) een fundamenteel recht is, neergelegd in artikel 9, lid 1 van het IVRK;

verzoekt de regering het herstel van familiaire banden tussen het kind en de ouders meer prioriteit te geven en bij de invoering van de wettelijke omgangsregeling toe te zien op de naleving van de wettelijke termijnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Synhaeve, Stoffer en Ceder.

Zij krijgt nr. 1125 (31839).

Dank u wel. Mevrouw Coenradie, JA21.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter. Vier moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in twaalf jaar tijd de William Schrikker Stichting te weinig verbeteringen heeft doorgevoerd;

overwegende dat er gerede twijfels bestaan over het functioneren van de William Schrikker Stichting rondom cruciale beslismomenten bij het toewijzen van kinderen aan pleegouders;

overwegende dat er bij andere pleegzorgorganisaties ook diverse verontrustende signalen zijn in de pleegzorg;

verzoekt de regering bij de William Schrikker Stichting en andere gecertificeerde instellingen alle gezinnen door te lichten en hiervoor een scherp tijdpad op te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie en El Abassi.

Zij krijgt nr. 1126 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het inspectierapport "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" gecertificeerde instellingen, gemeenten en het Rijk oproept om tot duurzame oplossingen te komen voor de tekorten op de arbeidsmarkt in de pleegzorg;

overwegende dat de Kamerbrief van 2 december jongstleden goede beginstappen noemt rondom de aanpak van deze arbeidsmarktproblematiek;

overwegende dat prestatie- en resultaatafspraken, een plan om mensen te behouden en te boeien en verzuimverlagende maatregelen vooralsnog ontbreken in de aanpak van de arbeidsmarktproblematiek;

verzoekt de regering het voortouw te nemen en te komen met een breed plan van aanpak rondom de arbeidsmarktproblematiek in de pleegzorg, en daarbij relevante actoren mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Straatman en El Abassi.

Zij krijgt nr. 1127 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat moeder-kindhuizen en gezinshuizen geen vergunningsplicht hebben, waardoor iedereen zonder eisen en controle dergelijke initiatieven kan beginnen;

overwegende dat met een vergunningsplicht aan de voorkant voldaan kan worden aan uniforme kwaliteitseisen en het tegengaan van versnippering;

verzoekt de regering een vergunningsplicht in te stellen voor moeder-kindhuizen en gezinshuizen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie en El Abassi.

Zij krijgt nr. 1128 (31839).

Mevrouw Coenradie (JA21):

Tot slot.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de netwerksamenwerking tussen instanties rondom de pleegzorg rekening moet houden met een verscheidenheid aan privacyregels;

overwegende dat vanuit het werkveld veelvuldig signalen naar voren komen dat deze privacyregels een veelgenoemde belemmering vormen om door te pakken bij zaken in de pleegzorg;

verzoekt de regering om onnodige privacybelemmeringen weg te nemen tussen relevante partijen die betrokken zijn bij de pleegzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.

Zij krijgt nr. 1129 (31839).

Dank u wel. Eén verduidelijkende vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb best wel moeite met zinssneden als "alle gezinnen doorlichten", want dan is het net alsof er mogelijk wat mis is met heel veel gezinnen. Mijn vraag is dus wat zo'n motie nou oplost als al die duizenden, tienduizenden gezinnen — zeg 15.000 gezinnen — die pleegkinderen in huis hebben, worden doorgelicht terwijl het overgrote deel van hen het hartstikke goed doet en ook al aan best wel wat eisen moet voldoen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Mijn motie gaat er niet over dat het bij gezinnen structureel misgaat. Ik heb heel veel pleegouders gesproken die het hartstikke goed doen en de beste intenties hebben. Waar het wel om gaat, is dat wij met zo'n motie eigenlijk ook tegen al die betrokken instanties zeggen: wij gaan structureel door al die dossiers heen om, mede gebaseerd op eerdere inspectierapporten, te kijken waar het misgaat en waar de misstanden zijn. Ik denk dat dat goed is, want nu komen de excessen naar boven, maar de vraag is: wat blijft hier nu structureel onder de radar?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Coenradie. Het woord is in tweede termijn aan mevrouw Synhaeve van de fractie van D66.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Voorzitter. Vandaag was er brede overeenstemming over: kwetsbare kinderen moeten we beter zien, horen en spreken. Om dat betekenisvolle contact te verankeren, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat GI's worden getoetst op zowel wettelijke normen uit de Jeugdwet als normen opgesteld door het Keurmerkinstituut (KMI) voor het behalen van hun keurmerk;

overwegende dat in deze normen niets is opgenomen over het hebben van betekenisvol contact met het kind;

constaterende dat de inspectierapporten aangeven dat er te weinig betekenisvol contact is met kinderen in de jeugdbescherming en er daardoor geen zicht is op de ontwikkeling en hun veiligheid;

verzoekt de regering te verkennen of binnen de certificeringseisen van GI's een eis kan worden geïntroduceerd over de frequentie van betekenisvol contact met kinderen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Wendel, Coenradie en Ceder.

Zij krijgt nr. 1130 (31839).

Mevrouw Synhaeve (D66):

Een tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat acht van de tien kinderen die opgroeien met geweld, geen adequate hulp ontvangen en zich vaak niet gehoord of gesteund voelen door hun omgeving;

constaterende dat een alert en betrokken netwerk rondom het kind van cruciaal belang is om steun, veiligheid en perspectief te bieden;

constaterende dat het project Handle with Care leraren in staat stelt om kinderen die recent geweld hebben meegemaakt op laagdrempelige wijze extra ondersteuning te bieden;

verzoekt de regering te inventariseren wat nodig is om Handle with Care verder uit te rollen en te bezien of deze werkwijze landelijk ingevoerd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Rooderkerk, Straatman, Coenradie, Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 1131 (31839).

En ook nog eens binnen de tijd. Dank u wel, mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Wel met een halve stem.

De voorzitter:

Ach ja, het loopt tegen het einde van het jaar, hè, voor iedereen. Mevrouw Van Meetelen heeft hetzelfde probleem volgens mij. We gaan naar haar luisteren.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik ga mijn best doen, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat opnieuw ernstige mishandeling heeft plaatsgevonden bij uit huis geplaatste kinderen onder verantwoordelijkheid van de William Schrikker Stichting;

constaterende dat Stichting Enver betrokken is geweest bij andere ernstige casussen;

van oordeel dat herhaald falen bij de bescherming van kwetsbare kinderen niet zonder gevolgen mag blijven;

verzoekt de regering erop aan te sturen om te onderzoeken of strafrechtelijke vervolging van zowel de William Schrikker Stichting als Enver als rechtspersonen mogelijk en aangewezen is;

verzoekt de regering erop aan te sturen om te onderzoeken of strafrechtelijke vervolging van betrokken medewerkers en leidinggevenden mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meetelen, Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1132 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens recent onderzoek en berichtgeving van RTL Nieuws en Investico verdachten van huiselijk geweld regelmatig niet worden vervolgd ondanks voldoende bewijs, waarbij in meerdere gevallen wordt verwezen naar "het belang van het kind" als reden voor sepot;

overwegende dat deze praktijk ertoe leidt dat jaarlijks talloze kansrijke zaken geen vervolging krijgen, ondanks het officiële standpunt van het Openbaar Ministerie dat huiselijk geweld in principe altijd wordt vervolgd;

overwegende dat deskundigen aangeven dat juist het ontbreken van vervolging ernstige schade veroorzaakt bij kinderen en feitelijke straffeloosheid in de hand werkt;

verzoekt de regering een wettelijke verplichting tot vervolging in te voeren, als uitzondering op het opportuniteitsbeginsel, voor huiselijkgeweldzaken waarbij voldoende bewijs aanwezig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meetelen, Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1133 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de huidige strafvorderingsrichtlijnen voor huiselijk geweld en kindermishandeling structureel ver onder de wettelijke maxima liggen;

van mening dat de ernst van dit type geweld veel beter moet worden weerspiegeld in de strafeis;

verzoekt de regering het Openbaar Ministerie op te dragen de strafmaten in de strafvorderingsrichtlijnen voor huiselijk geweld en kindermishandeling substantieel te verhogen en beter in lijn te brengen met de wettelijke maximumstraffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meetelen, Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1134 (31839).

Dank u wel, mevrouw Van Meetelen. En nu een kopje thee met honing, zou ik zeggen. Mevrouw Wendel, ik geef u het woord. Ga uw gang.

Mevrouw Wendel (VVD):

Dank, voorzitter. Ik wil beide staatssecretarissen danken voor de uitgebreide beantwoording. Het geeft me vertrouwen om te horen dat de gecertificeerde instellingen weer aan tafel zitten en tempo gaan maken met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Ook ben ik blij te horen dat de staatssecretarissen niet door willen met nieuwe rapporten, nieuwe plannen, nieuwe ideeën, maar vinden dat we nu aan de slag moeten om de jeugdbescherming en de jeugdzorg op lange, maar ook op korte termijn te verbeteren. Ik vind het belangrijk dat we er met elkaar voor zorgen dat kinderen in de jeugdbescherming in veiligheid opgroeien. Ik wil vanaf deze plek de staatssecretarissen dan ook oproepen om bij het werken aan de hervormingsagenda en het toekomstscenario, het noaberschap, waar ik in mijn eerste termijn over sprak, echt actief in het achterhoofd mee te nemen bij alles daaromtrent. Alle kinderen verdienen namelijk een omgeving, inclusief een overheid, die naar ze omkijkt.

Voor de VVD is het belangrijk dat betekenisvol een-op-eencontact de standaard wordt in de jeugdbescherming. Dit is een basisvoorwaarde om te zorgen voor een veilige omgeving. Daarom zullen we, zoals we net gezien hebben, de motie van D66 om dit te bewerkstelligen, mede-indienen.

Tot slot de vraag of we verbetertrajecten voor pleegouders in gezinshuizen moeten willen. Ik begrijp dat de staatssecretaris vertrouwen wil hebben in professionals. Dat heeft de VVD ook, maar wat de VVD betreft is er geen ruimte voor pleeg- of gezinsouders die in het verleden kinderen in onveiligheid hebben gebracht. Graag een reflectie van de staatssecretaris hierop.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Wendel. Mevrouw Van der Plas, ik wil u uitnodigen voor uw inbreng in tweede termijn.

U zingt uw moties?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat vind ik best wel een goed idee.

De voorzitter:

Nou ja, laten we dat dan eens proberen!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mja ... Laten we de waardigheid van het parlement bewaken.

De voorzitter:

Zo is dat, mevrouw Van der Plas. Ga uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Maar goed, u weet, wij houden beiden van zingen.

De voorzitter:

Zo is dat.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja. Allereerst dank aan staatssecretarissen voor de beantwoordingen. Ik heb een paar moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten soms noodzakelijke hulp blokkeren om financiële redenen;

overwegende dat kinderrechters een sterkere rol moeten krijgen bij het waarborgen van passende hulp voor kinderen;

verzoekt de regering om in de gesprekken over verbetering van het stelsel kinderrechters goed te blijven betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1135 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kinderen in de jeugdbescherming vaak onvoldoende gehoord worden en dat een informeel steunfiguur zoals een zogenoemde Jouw Ingebrachte Mentor (JIM) bewezen bijdraagt aan veiligheid en herstel;

overwegende dat de inspectie benadrukt dat de deelname van kinderen in hun hulpverlening cruciaal is;

verzoekt de regering om blijvend in te zetten op het versterken van de uitvoeringspraktijk in het samenwerken met informele steunfiguren als de JIM, ook als er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1136 (31839).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De laatste luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tijdens de lockdowns gedurende de covidperiode 2020-2022 kinderen voor langere periodes niet naar school konden, niet konden sporten en weinig sociale contacten hadden;

constaterende dat vooral kinderen in een moeilijke thuissituatie nadelen hebben ondervonden van deze maatregelen;

constaterende dat school en verenigingen een signaalfunctie hebben en problemen bij kinderen, fysiek en mentaal, vroeg kunnen signaleren en mogelijk hulp kunnen inschakelen;

overwegende dat voorkomen moet worden dat kinderen, vooral kinderen in moeilijke thuissituaties, geen of weinig contacten meer hebben;

verzoekt de regering bij nieuwe noodsituaties zoals een pandemie de fysieke en mentale gezondheid van kinderen en jongeren goed in ogenschouw te nemen wanneer er weer lockdowns of andere maatregelen worden overwogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1137 (31839).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Meneer Struijs ziet af van zijn tweede termijn. De heer Stoffer.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Er is genoeg gedeeld, denk ik. Ik denk dat we met z'n allen naar huis gaan met een gevoel van: hebben we nu het goede voor elkaar gekregen? Dat weet je nooit van tevoren. We hebben het in ieder geval getracht, maar ik heb nog best enige zorg, moet ik zeggen. Desalniettemin dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vele vragen.

Ik eindig met één motie. Die luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het terugdringen van het aantal maatregelen van kinderbescherming temeer urgent is nu de overheid in veel gevallen niet in staat blijkt de toereikende uitvoering van de maatregelen van kinderbescherming te waarborgen;

constaterende dat jeugdbescherming in de praktijk ten onrechte soms ingezet wordt als middel om complexe scheidingssituaties te beëindigen, terwijl gemeenten juist te weinig steun ervaren om aanbod voor problemen met relaties en scheidingen te ontwikkelen, onder andere doordat de Jeugdwet weinig richting biedt over de taak van gemeenten;

verzoekt de regering het inzetten van jeugdbescherming als oplossing voor complexe scheidingen terug te dringen en gemeenten te ondersteunen in het uitbreiden van aanbod voor de problematiek van relaties en scheidingen, onder andere door het verbeteren van het wettelijk kader,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Ceder.

Zij krijgt nr. 1138 (31839).

De heer Stoffer (SGP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Stoffer. Tot slot in de tweede termijn van de zijde van de Kamer is het woord aan de heer El Abassi namens de fractie van DENK.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter, dank. Ik wil beginnen met aangeven dat de moeder aan de bel had getrokken met betrekking tot de in- en uitloop van mannen in het huis. Jeugdzorg gaf aan: ze moeten zelf weten wat ze in hun privéleven doen.

Voorzitter. Dat brengt mij meteen bij de motie die ik weer indien.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het belangrijk is dat bij kinderen voldoende rekening wordt gehouden met hun culturele, religieuze en etnische achtergrond;

overwegende dat een mismatch op deze vlakken kan leiden tot vervreemding, identiteitsproblemen en extra trauma's;

verzoekt de regering bij de plaatsing van pleegkinderen expliciet rekening te houden met de cultuur, religie en afkomst van het kind en te onderzoeken in hoeverre een gebrek hieraan een rol heeft gespeeld bij misstanden in de pleegzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 1139 (31839).

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter. De volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inspecties vaststellen dat vog- en vgb-controles, huisbezoeken en veiligheidschecks niet altijd tijdig of volledig worden uitgevoerd;

overwegende dat dit in strijd is met de minimale veiligheidseisen;

verzoekt de regering vast te leggen dat geen enkel kind geplaatst mag worden in een pleeggezin of gezinshuis zolang alle basale veiligheidschecks niet volledig en aantoonbaar zijn afgerond,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1140 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inspecties en GI-monitor laten zien dat wachtlijsten oplopen en dat er verschillende vormen van verborgen wachtlijsten bestaan, zoals monitorlijsten;

overwegende dat dit het zicht op de daadwerkelijke problematiek vertroebelt;

verzoekt de regering om gemeenten en GI's te verplichten om alle wachtlijsten, inclusief interne en monitorlijsten, uniform, transparant en publiek toegankelijk te registreren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1141 (31839).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij pleegoudervoogdij het wettelijk verplichte toezicht momenteel is beperkt tot één gesprek per jaar;

overwegende dat kinderen met pleegoudervoogdij dezelfde bescherming verdienen als kinderen in reguliere pleegzorg;

verzoekt de regering de norm van één gesprek per jaar te herzien en een minimum van vier verplichte contactmomenten per jaar vast te stellen bij pleegoudervoogdij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi en Coenradie.

Zij krijgt nr. 1142 (31839).

De heer El Abassi (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer El Abassi. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tien minuten, waarna wij zullen luisteren naar de appreciatie van de ingediende moties. Ik waarschuw de leden er alvast voor dat er zeer beperkt tot geen ruimte zal zijn voor beraadslaging over de appreciaties. De vergadering is tien minuten geschorst.

De vergadering wordt van 16.43 uur tot 16.53 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris voor de appreciatie van de ingediende moties. Maar eerst nog een punt van orde van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Een kort punt van orde. Mijn naam staat per ongeluk onder de motie op stuk nr. 1119. Dat is misgegaan in de communicatie met de ChristenUnie.

De voorzitter:

Wij gaan dat verwerken. Meneer Rutte, staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter. Ik zal niet alle moties doen. Een stukje is voor mijn collega, maar dat begrijpt u.

Ik moet nog even mijn nederige excuses aanbieden aan mevrouw Wendel. Zij muntte het prachtige woord "noaberschap". Ik ben een geboren en getogen tukker, dus dat raakte mij. Vervolgens geleidde ik het woord "noaberschap" meteen weer door naar mevrouw Van der Plas, die het er ook weleens over heeft, dus die herkende dat direct. Maar ere wie ere toekomt: vandaag werd noaberschap gemunt door niemand minder dan mevrouw Wendel. Laat dat duidelijk zijn.

De voorzitter:

Ook dat nemen wij op in de Handelingen. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:

Dan gaan we naar motie op stuk nr. 1118 van mevrouw Dobbe over de inzet van ervaringsdeskundigen. Die geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1118: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

Dan heb ik de motie op stuk nr. 1120 van de heer Ceder. Die gaat over het wetsvoorstel over rechtsbescherming, dat nog naar de Kamer gaat, en het bijbehorende perspectiefbesluit. In de motie staat dat het wetsvoorstel voor het voorjaarsreces naar de Kamer moet. Als ik het mag lezen als "zo snel mogelijk volgend jaar", kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie dat de confessionele hulptroepen al onderweg zijn.

De heer Stoffer (SGP):

Zeker. De heer Ceder heeft mij gevraagd om, als deze interpretatie kwam, namens hem akkoord te gaan.

De voorzitter:

Kijk, wat een samenwerking. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 1120 met deze interpretatie oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

Dan ga ik door naar de motie op stuk nr. 1121 van de heer Van Houwelingen, over het wettelijk kader, de jeugdbeschermingsmaatregel et cetera. Die kan ik oordeel Kamer geven. Dit is ook al onderdeel van het wetstraject.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1121: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1122 moet ik ontraden, want het gevraagde zou in de praktijk een instroomstop betekenen. Daar hebben we het in het debat over gehad en daar ben ik niet mee akkoord.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1122: ontraden.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1125, over toezien op naleving van de wettelijke termijnen bij invoering van de wettelijke omgangsregeling, is oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1125: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1126, die de regering verzoekt om bij de William Schrikker Stichting en alle GI's alle gezinnen door te lichten, moet ik echt ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1126: ontraden.

Staatssecretaris Rutte:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 1130, die verzoekt te verkennen of binnen certificeringseisen van GI's een eis kan worden geïntroduceerd over de frequentie van betekenisvol contact. Die is oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1130: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1132, over het aansturen om te onderzoeken of strafrechtelijke vervolging van zowel de William Schrikker Stichting als Enver als rechtspersonen mogelijk is, moet ik ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1132: ontraden.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, want strafrechtelijke vervolging is niet aan mij, maar aan het Openbaar Ministerie. Dat blijft ook zo.

Dan de motie op stuk nr. 1133 van mevrouw Van Meetelen, mevrouw Schilder en mevrouw Coenradie over huiselijk geweld. Daar voel ik enorm in mee. Ik vind het ook enorm belangrijk. We gaan het gesprek daarover aan met het OM en we blijven het ook agenderen, maar in de huidige vorm moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1133: ontraden.

Staatssecretaris Rutte:

Dezelfde argumentatie geldt voor de motie op stuk nr. 1134.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1134: ontraden.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1135 van mevrouw Van der Plas en mevrouw Coenradie, die verzoekt om de kinderrechters goed bij de gesprekken te betrekken, geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1135: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

Tot slot wat mijn setje betreft de motie van de heer El Abassi en mevrouw Coenradie om gemeenten en GI's te verplichten om …

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 1140, denk ik. Of die op stuk nr. 1141 of 1142?

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 1141 heb ik hier.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1141.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, tenzij mijn nummering niet klopt, maar de motie gaat dus over het openbaren van wachtlijsten. Dat is ondersteuning van het huidige beleid en daarmee kan ik die motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1141: oordeel Kamer.

Ik dank de staatssecretaris voor zijn beknopte appreciatie en ga het woord geven aan de andere staatssecretaris, die van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Mevrouw Van der Plas wil toch nog iets vragen aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Heel kort, hoor. Als het staand beleid is, dan is de motie vaak "overbodig" in plaats van "oordeel Kamer". Dat geef ik maar even mee.

De voorzitter:

Ik denk dat de staatssecretaris hier een cadeautje wilde uitdelen zo tegen Sinterklaas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat mag, maar we hebben die afspraken juist gemaakt om te zorgen dat er niet zo'n motiediarree ontstaat.

De voorzitter:

Dat is al te laat.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik vind het een sympathieke motie; daar gaat het niet om. Ik wil het alleen even opmerken.

De voorzitter:

Staatssecretaris, wijzigt dat uw oordeel?

Staatssecretaris Rutte:

Er zitten wat interpretatieverschillen in. Is het helemaal precies zoals het nu gaat of veranderen we de vormgeving een beetje? Maar ik kan de motie nog steeds oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Oordeel Kamer, maar dank voor het meedenken, mevrouw Van der Plas. Dan mevrouw Tielen.

Staatssecretaris Tielen:

Voorzitter. Ik weet dat het geen wedstrijd is, dus ik ga wel compact zijn, maar niet per se sneller dan staatssecretaris Rutte. Ik heb nog drie vragen te beantwoorden, waarvan een van meneer Struijs. In de eerste termijn kondigde ik al aan dat ik niet zeker wist of het mij zou lukken om die in de tweede termijn te beantwoorden. Dat lukt me ook niet; ik heb iets meer tijd nodig om daarop terug te komen. Dit is een toezegging voor een schriftelijke reactie.

De voorzitter:

Volgens mij mocht dat ook van de heer Struijs. De duim gaat omhoog.

Staatssecretaris Tielen:

Ik zie het.

Daarnaast was er een vraag over de vrijwillige uithuisplaatsingen. Meneer Ceder vroeg of die in kaart gebracht kunnen worden. Dat is heel moeilijk, omdat het niet met standaarddefinities wordt bijgehouden, in ieder geval niet door het CBS. We hebben alleen indicaties en ook dan weten we niet of het vrijwillig is en of het wel of niet subjectief is. Tegelijkertijd snap ik de vraag van de heer Ceder om enig inzicht te krijgen in de aard van de praktijk van vrijwillige uithuisplaatsingen op basis van het advies van bijvoorbeeld lokale teams, Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen. Ik zal kijken wat ik in kaart kan brengen, maar ik kan nu al aankondigen dat het geen kwantitatief objectief onderzoek is, maar meer een soort inventarisatie. Ik hoop dat meneer Ceder daarmee tevreden kan zijn. Meneer Stoffer knikt van wel, dus dat is mooi.

De voorzitter:

De heer Stoffer stemt ook hiermee in, dus dat is heel handig.

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Wendel vroeg of de verbetertrajecten in alle gevallen wel nodig zijn. Zij verwees naar mijn vertrouwen in de professionals die een en ander moeten beoordelen. Ik blijf bij dat vertrouwen. Er zijn kwaliteitsstandaarden, criteria, et cetera. Ik vind het wel goed om wellicht nog een keer terug te komen, ook in het wetgevingsoverleg, op de vraag hoe vaak dit gebeurt en wat we daarvan vinden. Niet omdat ik vind dat ons oordeel, van de Kamer of van het kabinet, daarin leidend moet zijn, maar omdat ik me kan voorstellen dat we daarover gewoon de dialoog blijven voeren.

De voorzitter:

Dan de moties.

Staatssecretaris Tielen:

De motie-Westerveld/Dobbe op stuk nr. 1114 over leerlingenvervoer ligt in het domein van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat maakt het ook een beetje ingewikkeld. Wij ontraden die motie. Tegelijkertijd snap ik wel wat mevrouw Westerveld bedoelt. Ik kan niet die rugzak op mijn rug nemen, maar ik wil het wel aan de orde stellen als wij met gemeentes bezig zijn over de vraag hoe we überhaupt verdergaan met onder andere de hervormingsagenda. Dat is een hele kleine toezegging, zonder beloftes te doen. Het is maar om aan te duiden dat ik snap waar de vraag van mevrouw Westerveld vandaan komt. Maar de motie is ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1114 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1115.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1115 wil ik graag oordeel Kamer geven. Het gevraagde is ook nadrukkelijk onderdeel van onze gesprekken daarover.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1115 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1116 is ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1116: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1117 ook.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1117: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1119.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1119 is best ingewikkeld, denk ik. Ik heb hier namelijk al eens wat gesprekken over gevoerd. Maar ik geef de motie wel oordeel Kamer, want dan kan ik dat gesprek gewoon nog eens voeren, met steun van de Kamer in de achterzak.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1119: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1123.

Staatssecretaris Tielen:

Tenminste, als die motie wordt aangenomen, voorzitter.

De voorzitter:

Dat zullen we eerst dinsdag nog moeten zien.

Staatssecretaris Tielen:

Dat weten we niet.

De motie op stuk nr. 1123 wordt ontraden met verwijzing naar het debat.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1123: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1124.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1124 wordt ook ontraden met verwijzing naar het debat.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1124: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Daarbij wil ik nog wel expliciet zeggen dat wij juist een heel mooie toezichtstructuur hebben in Nederland, met onafhankelijke toezichthouders. Die kunnen niet zomaar door de Kamer of door het kabinet op pad gestuurd worden. Ik denk dat dit een heel goed onderdeel is van onze democratische rechtsstaat.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 1127.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1127 wordt ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1127: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1128.

Staatssecretaris Tielen:

Ik zou willen vragen of mevrouw Coenradie de motie op stuk nr. 1128 wil aanhouden. Ik ben het wel eens met haar wens. Daarom doen we ook onderzoek naar wat dat zou betekenen in de praktijk. Ik kom erop terug en ik zou willen vragen aan mevrouw Coenradie of ze haar motie wil aanhouden totdat ik in de brief kan terugkomen op de vergunningplicht.

De voorzitter:

Dat is aan mevrouw Coenradie. Als ze dat niet wil, dan krijgt de motie de appreciatie "ontijdig". Ik zie dat ze de motie niet wil aanhouden, dus de motie op stuk nr. 1128 krijgt de appreciatie "ontijdig".

Staatssecretaris Tielen:

En dus ontraden, toch?

De voorzitter:

Nee, ontijdig. Een verzoek tot aanhouden leidt tot de appreciatie "ontijdig" als de Kamerleden er niet toe bereid zijn. En mevrouw Coenradie brengt de motie graag in stemming.

Staatssecretaris Tielen:

Jammer, jammer, jammer.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 1129.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1129 wil ik oordeel Kamer geven, maar daar heb ik wel een interpretatie bij. Ik kijk dus weer even naar mevrouw Coenradie. Het gaat namelijk om de onnodige privacybelemmeringen. Ik hoop dat mevrouw Coenradie het met mij eens is dat het gaat om situaties waarin dat juridisch oké is. Ik doel met name op internationaal recht rondom privacy en gegevens delen. Ik zie mevrouw Coenradie knikken, dus dan geef ik de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Mevrouw Coenradie kan leven met die interpretatie. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 1129 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1131 geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

Motie op stuk nr. 1131: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dan scrollen we door naar de motie op stuk nr. 1136 over de JIM. We hebben het er in het debat al over gehad. Ik vind het een mooie motie, dus laten we die oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1136: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1137.

Staatssecretaris Tielen:

Wat in de motie op stuk nr. 1137 staat, wordt al gedaan. Maar ik vind het eigenlijk heel goed om het per motie nog eens te bevestigen, als de Kamer dat ook vindt. Ik geeft de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Niet overbodig, mevrouw Van der Plas? U heeft groot gelijk. De motie op stuk nr. 1137 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Ik voelde de grap al aankomen, voorzitter.

Dan de motie op stuk nr. 1138, denk ik?

De voorzitter:

Ja.

Staatssecretaris Tielen:

Staatssecretaris Rutte verwees al naar de brief die verstuurd is over scheidingen. In het dictum staat "het inzetten van jeugdbescherming als oplossing voor complexe scheidingen". Volgens mij klopt dat al niet. Ondanks dat ik echt wel een aantal van de stellingnames van de heer Stoffer en de heer Ceder in de overwegingen en constateringen snap, denk ik toch dat deze motie het beste geapprecieerd kan worden met "ontraden".

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1138: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1139.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1139 gaat over sensitiviteit. Die motie wordt ontraden. Uit thematisch onderzoek hebben we kunnen constateren en concluderen dat er geen signalen zijn dat het gebrek hieraan, zoals de heer El Abassi schrijft, een rol heeft gespeeld. Bovendien kun je je afvragen wat je dan allemaal in lijstjes moet gaan opnemen. Dat lijkt me niet goed, dus ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1139: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1140.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 1140 moet ik ook ontraden. Ik snap heel goed dat meneer El Abassi en mevrouw Coenradie veiligheidsgaranties willen. Tegelijkertijd moet ik zeggen dat dit niet altijd mogelijk is, zeker niet bij bijvoorbeeld netwerkplaatsingen in een pleeggezin. Dat zou ik niet in de wielen willen rijden. Dus: ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1140 wordt ontraden. Tot slot de motie op stuk nr. 1142.

Staatssecretaris Tielen:

Tot slot. Ik heb bij deze motie een vraag over de interpretatie. Ik heb dezelfde constatering in het rapport over pleegoudervoogdij. Daarin wordt al geconstateerd dat we daar iets aan moeten doen: één gesprek per jaar is niet goed. We moeten er dus iets mee, maar ik kan "minimaal vier" niet beloven. Als meneer El Abassi en mevrouw Coenradie ervoor openstaan dat in ieder geval het aantal van één gesprek per jaar wordt herzien en het aantal wordt verhoogd, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. Voor het aantal vier is het nu te vroeg.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dit wordt een beetje koehandel: de staatssecretaris komt van één en wij komen van vier. Waar komen we dan ongeveer op uit?

Staatssecretaris Tielen:

Dat zijn we nu aan het onderzoeken op basis van het inspectierapport. Ik kan nu niet zeggen of het minimum van vier oké is. Ik kan er daarom geen oordeel Kamer op geven. Maar omdat we aan de slag gaan om het aantal te verhogen, zijn we nu aan het onderzoeken wat er nodig en mogelijk is. Daar moet ik op terugkomen.

De voorzitter:

Wat zou het voor het dictum betekenen om ervoor te zorgen dat de motie toch oordeel Kamer kan krijgen, wat u betreft?

Staatssecretaris Tielen:

Dan zou ik iets zeggen als: verzoekt de regering de norm van één gesprek per jaar te verhogen als het gaat om pleegoudervoogdij.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer El Abassi. Kunt u dat dictum volgen?

De heer El Abassi (DENK):

Ik wil niet aan koehandel doen, maar het lijkt me wel goed als we dan naar minimaal twee per jaar gaan. Ik bedoel dus verhogen naar minimaal twee per jaar, in plaats van naar vier per jaar.

De voorzitter:

Dit gaat mis.

Staatssecretaris Tielen:

Dat lijkt mij prima. Als de motie aldus gewijzigd kan worden, kan ik haar oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik verzoek u de motie nog formeel te wijzigen. Dan wordt de motie in de huidige vorm ontraden en als u hem wijzigt conform het debat van zojuist, dan krijgt zij de appreciatie oordeel Kamer.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van de vragen, de appreciatie van de ingediende moties en ook aan de tweede termijn van de zijde van het kabinet in dit debat. Ik dank de beide staatssecretarissen voor hun aanwezigheid en beantwoording. Ik dank de aanwezige Kamerleden voor hun deelname aan het debat, en ik dank natuurlijk de collega's van de Kamerorganisatie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. Ik schors een kort ogenblik, waarna we verder zullen gaan met het debat over het beleid en de keuzes van de minister van Economische Zaken omtrent Nexperia.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven