3 Rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV

Rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV

Aan de orde is het debat over de rapporten "Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel" van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" van de Inspectie JenV.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en heet de staatssecretaris van VWS en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Aan de orde is het debat over de rapporten "Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel" van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" van de Inspectie Justitie en Veiligheid.

We hebben vandaag als eerste spreker van de zijde van de Kamer mevrouw Westerveld van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Het is een heugelijke dag, want we hebben vandaag twee maidenspeeches: van mevrouw Wendel van de VVD en van mevrouw Coenradie van JA21. Daar gaan we straks, als ze aan de orde zijn, natuurlijk uitgebreid bij stilstaan, maar allereerst wil ik graag het woord geven aan mevrouw Westerveld voor haar inbreng in eerste termijn, namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. U heeft het woord.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. "Dit mag nooit meer gebeuren", zeiden verschillende Kamerleden in het debat over de afschuwelijke mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen. "Dit mag nooit meer gebeuren", was ook de strekking van het nieuws over de mishandeling van de kinderen in het gezinshuis in het noorden van het land. Er wordt natuurlijk gezocht naar verklaringen. Greep de school in? Waren de hulpverleners er op tijd bij? Wie heeft er schuld? Die vragen begrijp ik, want bij dit soort afschuwelijke gebeurtenissen willen we weten waar het is misgegaan, of de screening van pleegouders wel voldoende is en wie de schuldige is.

Voorzitter. Voor politici kan het geen verrassing zijn dat kinderen het slachtoffer worden van mishandeling. In 2012 schreef de commissie-Samson het rapport "Omringd door zorg, toch niet veilig", over seksueel misbruik bij uit huis geplaatste kinderen. In 2019 schreef de commissie-De Winter dat de overheid onvoldoende heeft gedaan om geweld in de jeugdzorg te voorkomen. In 2019 sloegen ook de inspecties alarm. Zij stelden in het rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd: "De overheid neemt op dit moment onvoldoende haar verantwoordelijkheid om kinderen te beschermen (…). Daarom moeten direct stappen worden gezet die ertoe leiden dat de jeugdbescherming voor deze kinderen beter functioneert." Zij wezen ook uitdrukkelijk naar de ministers — nu zijn het de staatssecretarissen — als stelselverantwoordelijken.

De inspectie stuurde afgelopen jaren talloze rapporten en signaalbrieven naar de Kamer en het kabinet, met een uitdrukkelijk beroep om in te grijpen. Maar in de inspectierapporten van 2025 lees ik weer, en ik citeer: "De problemen verergeren als gevolg van de verder toenemende krapte op de arbeidsmarkt, er is steeds minder beschikbaarheid van (specialistische) hulp en er is onvoldoende passende hulp voor kinderen met complexe problemen." In deze rapporten staan precies dezelfde woorden, maar dan meer dan zes jaar later. Zes jaar waarin kinderen in onveilige situaties zitten, wachtlijsten groeien, kinderen nog steeds te weinig worden gehoord en noodmaatregelen inmiddels structureel beleid zijn geworden. Zes jaar waarin bij iedere vreselijke gebeurtenis iedereen zich afvraagt "hoe heeft dit kunnen gebeuren?", maar adviezen van commissies worden genegeerd, het stelsel niet wordt aangepakt en beloofde verbetermaatregelen allemaal vertraging hebben of niet worden uitgevoerd.

Dan mijn vragen aan beide staatssecretarissen. Wat is volgens hen de reden dat de inspectie nu, zes jaar later, nog steeds hetzelfde opschrijft? Ja, kabinetten zijn gevallen; dat hielp niet. Maar zien zij ook dat dit onderwerp gewoonweg nooit op prioriteitenlijstjes van kabinetten staat? Want hoezo is de Kamer jarenlang voorgehouden dat het toekomstscenario een oplossing is voor veel problemen, maar zijn er in de Voorjaarsnota geen financiën gereserveerd van dit toekomstscenario? Waarom staat er nog steeds een bezuiniging op de begroting voor de jeugdbescherming? Wat zien zij als stelselverantwoordelijkheid? Hoe gaan ze die oppakken? Zijn ze het ook met ons eens dat de verantwoordelijkheid niet goed is belegd in het stelsel, waardoor iedereen voortdurend naar een andere instantie kan wijzen? Wat gaan ze doen met andere knelpunten die de inspectie al jaren constateert? Vindt het kabinet dat de adviezen van destijds, van de commissie-Samson en de commissie-De Winter, wel goed zijn opgevolgd?

Voorzitter. Wij kaarten voortdurend aan dat kinderen onvoldoende worden gehoord. In het debat over het Vlaardingse pleegmeisje is onze motie aangenomen waarin we vroegen om voor de zomer alle pleegkinderen te informeren over het feit dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon en dit structureel te borgen. Wij begrijpen van Jeugdstem, de organisatie, dat zij druk bezig zijn, dat hun bekendheid ook echt is toegenomen en dat pleegkinderen hen vaker weten te vinden. Dat is natuurlijk winst, maar het is ook pas een begin, want wij vroegen ook om structurele inbedding. Nu horen we dat de werkgroep die hiermee bezig is dit jaar geen subsidie kreeg vanuit VWS. Ze proberen het nu opnieuw voor 2026. Kan de staatssecretaris dit uitleggen? Kan ze toezeggen dat het ministerie deze subsidie gaat verstrekken? Dit volgt namelijk direct uit onze aangenomen motie.

We begrijpen ook dat het budget voor Jeugdstem voor 2026 onvoldoende is om alle gezinshuizen te bezoeken. In 2025 kregen ze een aanvullende subsidie — ze bezochten 140 gezinshuizen — maar in 2026 niet. Hoe kan dit? Waarom informeert het kabinet ons daar niet actief over? Gaan ze dit alsnog regelen? Wat is er met andere beloften gedaan, zoals een eerdere toezegging aan ons om pleegouders beter te ondersteunen? Waarom lees ik nog steeds in de rapporten dat broertjes en zusjes niet altijd samen worden geplaatst, terwijl daarover jaren geleden een motie van mij en Michiel van Nispen over is aangenomen, en dit ook in het belang van het kind is? Hoe vaak gaat dit nog mis? Wat is er gedaan met onze motie die in oktober is aangenomen die aan de regering vroeg om de voorbereidingen voor het wetsvoorstel voor een eigen bijdrage in de jeugdzorg te staken?

Voorzitter. Dat zijn veel vragen over de rol van het kabinet. Die stel ik niet voor niets. De mishandelingen in Vlaardingen en in het noorden van het land zijn geen losstaande incidenten; die vinden plaats binnen een falend systeem. Kamer en kabinet laten dit gebeuren als er niet wordt ingegrepen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Westerveld. Er is een interruptie van de heer Van Houwelingen. Ik zou graag met u willen afspreken dat we de interrupties binnen de 30 seconden houden. Dan hoeven we ook geen maximumaantal interrupties vast te stellen. Als we ons daar allemaal aan houden, houden we ons ook aan de maximale tijd voor dit debat.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mooi betoog. Het is somber stemmend dat dit al jaren speelt en dat er weinig verandert. Ik heb een vraag aan mevrouw Westerveld. Ik ben benieuwd hoe GroenLinks-PvdA hiertegen aankijkt. Zou het, gezien het feit dat de problemen voortduren, niet zo kunnen zijn dat je op een gegeven moment moet zeggen als Kamer: als er geen goede zorg kan worden geboden, dan is het misschien maar beter helemaal geen zorg te bieden? En dan meer specifiek: hoe kijkt u aan tegen dat handelingsperspectief, dus dat er eigenlijk geen goede zorg wordt geboden? Is het dan niet beter om misschien maar helemaal geen zorg te bieden?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is een voorbeeld van zo'n maatregel die eigenlijk tijdelijk is, die ook niet volgens de wet is, maar die uiteindelijk wel structureel beleid is geworden. Ik ben er niet voor om geen zorg meer te bieden, want naar schatting worden nog steeds 119.000 kinderen per jaar mishandeld. Dat kunnen verschillende vormen van mishandeling zijn. Het kan psychische mishandeling zijn, en soms ook fysieke mishandeling. Ik vind wel dat de overheid de taak heeft om dan in te grijpen. We weten wel dat uit huis geplaatste kinderen niet altijd beter af zijn. Daar waarschuwen de inspecties ook al jaren voor. Daarom ben ik blij met de beweging die is ingezet om juist minder kinderen uit huis te plaatsen. Die cijfers zien we gelukkig ook. Tegelijkertijd zien we nog te vaak dat de hulp niet toereikend is en dat het niet beter gaat. Dat zeggen de inspecties ook in hun laatste rapport. Maar helemaal niet ingrijpen, daar ben ik absoluut geen voorstander van.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Wij zijn natuurlijk ook niet voor geen zorg, maar we lezen ook in het inspectierapport waar het debat nu over gaat dat de inspectie zelf zegt dat in dit soort gevallen de zorg per saldo schadelijk kan zijn, net zoals bij de gesloten jeugdzorg vaak het geval is. Wij zitten er ook niet op te wachten, maar is het dan misschien niet beter om in zo'n geval te zeggen: beter niets doen dan schade berokkenen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Als de zorg schadelijk is, ben ik er natuurlijk niet voor dat die zorg wordt gegeven. Daar zit volgens mij precies het knelpunt. De inspecties zeggen al een paar jaar dat het heel vaak gebeurt dat een kind uit huis wordt geplaatst, dat er niet wordt ingegrepen of dat er wel een maatregel wordt opgelegd maar niet wordt uitgevoerd. Dat is natuurlijk hartstikke schadelijk. Maar dat vraagt volgens mij dat er geluisterd moet worden naar al die adviezen die de inspecties ons al jaren geven, maar ook naar de adviezen die al staan in het rapport van de commissie-De Winter dat daar op mijn tafel ligt en van de commissie-Samson. Ik heb dat het afgelopen weekend nog even kort doorgebladerd. Het is een meer dan 600 pagina's tellende evaluatie van de Jeugdwet waarin ook een heel aantal verbeterpunten staan. Ik ben ervoor dat uiteindelijk die verbeterpunten worden uitgevoerd in plaats van dat we als Kamer maar zeggen: nou ja, kennelijk is een deel van de zorg schadelijk, dus laten we maar niets doen. Ik zie ook dat er de afgelopen jaren veel te weinig prioriteit was. Ja, we hebben vandaag dit debat. We hadden ook een debat naar aanleiding van de afschuwelijke mishandeling in Vlaardingen. Dat is fijn, maar ik zou willen … Dat is mijn wens voor deze Kamer, en het doet me goed dat zo veel woordvoerders hier aanwezig zijn. Ik hoop dat deze Kamer ook de komende jaren de vinger aan de pols houdt als het gaat over het stelsel, dat we voortdurend bij het kabinet dat er dan zit, bij deze of andere bewindspersonen, aan de bel blijven trekken omdat we vinden dat een advies zou moeten worden uitgevoerd, omdat we vinden dat wij als overheid een verantwoordelijkheid hebben als het gaat over kwetsbare kinderen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het met mevrouw Westerveld eens. Ik loop hier vier jaar rond. We hebben heel veel rapporten gehad met heel veel aanbevelingen. Als ik daar doorheen blader, dan is maar een deel daarvan overgenomen. Waar ik een beetje bang voor ben, is dat wij met de pendule van de ene kant naar de andere kant swingen. Ik bedoel daarmee het volgende. Volgens mij hebben wij een lijn ingezet dat wij van grootschalige jeugdzorgvoorzieningen naar kleinschalig gaan …

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

… van pleegzorg- naar gezinshuizen en van jeugdzorg naar gezinszorg aan de voorkant.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag is of mevrouw Westerveld diezelfde lijn, wel met waarborgen, nog verder wil inzetten. Want voor je het weet gaan we nu weer allemaal waarborgen optuigen, juist bij die kleinschalige voorzieningen, en gaan we weer de andere kant op.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik ben niet voornemens om in dit debat allemaal moties te gaan indienen die vragen om allerlei extra maatregelen. Dat hebben we in het vorige debat ook niet gedaan. De inspecties geven aan dat er al heel veel waarborgen zijn, maar dat ze niet worden uitgevoerd. De inspecties hebben al gezegd: "Onze toezichtinstrumenten zijn eigenlijk uitgeput. Want wij kunnen maatregelen opleggen, maar vervolgens worden ze toch niet uitgevoerd." Het laatste wat wij, denk ik, moeten doen, is allerlei extra maatregelen bedenken die weer zorgen voor extra bureaucratie of extra lasten voor degenen die ze moeten uitvoeren. Waar we volgens mij voor moeten zorgen, is dat al die wettelijke instrumenten die er nu al zijn eindelijk worden uitgevoerd. Ik zou het een waarde vinden van dit debat als we dat uitgevoerd krijgen, juist als het gaat over pleegzorg- of gezinshuizen. Ik ben een ongelofelijke voorstander daarvan. Als een kind uit huis wordt geplaatst omdat het echt niet anders kan, dan kan het over het algemeen beter terechtkomen in een gezinshuis met liefdevolle ouders of bij pleegzorgouders dan in een instelling. We hebben er de afgelopen jaren al een heel aantal keren voor gepleit om juist de ouders die uit alle liefde een kind opnemen te ondersteunen om te voorkomen dat zij weer met allerlei extra bureaucratie te maken krijgen. Ik ben daar dus een heel groot voorstander van.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is fijn om te horen. Ik hoop dat we als Kamer die lijn verder gaan inzetten en niet door incidenten denken: nou ja, dan moet het allemaal weer de andere kant op. Een ander probleem dat ik de afgelopen jaren zie, wordt eigenlijk gepersonifieerd door de twee bewindspersonen hier; niets negatiefs over de personen. Hier zitten VWS en JenV aan tafel. Dat maakt het heel lastig om één beleid door te kunnen voeren, omdat enerzijds VWS met de ambtenaren en het ministerie aan zet is en aan de andere kant JenV. Je merkt dat bepaalde dingen gewoon niet samenkomen. Ik zou er graag voor willen pleiten — dat doe ik al langer — dat we dit borgen bij één stelstelverantwoordelijke, zodat die kan doorpakken. Ik weet dat sommige Kamerleden wel in de commissie voor VWS zitten, maar niet in de commissie voor J&V en vice versa. Daardoor kun je als parlementariër versnipperd beleid voeren. Mijn vraag is hoe mevrouw Westerveld naar dit punt kijkt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dat een goed punt. Wij hebben ervoor gekozen om beide bij mij te beleggen, maar dat kan natuurlijk alleen als je een fractie hebt met genoeg mensen. Alleen dan kun je dit goed borgen. Ik herken het punt van de wisselingen wel. De hele stelsels van jeugdzorg en jeugdbescherming grijpen natuurlijk in elkaar in. Ik heb in het debat van vandaag bewust gepoogd om het zo veel mogelijk te hebben over de jeugdbescherming, maar over de jeugdzorg kan ik met gemak ook een heel pleidooi volmaken. Dat doen we vandaag niet, maar dat laat wel zien hoe ingewikkeld het is dat die stelsels in elkaar grijpen. Staatssecretaris Tielen is de zesde bewindspersoon in de bijna negen jaar dat ik Kamerlid ben. Dat neem ik haar niet kwalijk, maar dat laat wel zien hoe snel die wisselingen plaatsvinden.

Ik begrijp welke kant de heer Ceder op wil met zijn vraag. Tegelijkertijd ben ik er beducht voor dat er dan heel veel aandacht en tijd gaat zitten in een hele grote wijziging in de organisatievorm tussen de ministeries, terwijl die aandacht en tijd zouden moeten zitten in het uitvoeren van wat er in de afgelopen jaren is afgesproken. We moeten uitvoeren wat er in de adviezen van de inspecties staat. Ik zou willen dat daar alle aandacht naartoe gaat. Daarom ben ik er wat terughoudend in om te zeggen: ik zou willen dat dat allemaal onder één bewindspersoon valt.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Westerveld, voor uw bijdrage in de eerste termijn. Dan geef ik het woord aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Kinderen die zorg, bescherming, ondersteuning of hulp nodig hebben, moeten die gewoon krijgen. Anders staan levens stil, worden ze in de wacht gezet en worden de problemen erger. Kinderen wordt de kans ontnomen om onbeschadigd volwassen te worden. We zien dat het systeem faalt. Het systeem is kapot. Nu liggen er weer twee rapporten van inspecties die zeggen dat de zorg, de bescherming en de reclassering niet op orde zijn. Na zes jaar is er geen verschil. We hoorden dit eerder al van kinderen, van ouders en van jeugdbeschermers en jeugdzorgverleners. Ook hebben we hier een debat gehad over het rapport van Jason. We hebben debat na debat, maar het verandert niet.

Uit de inspectierapporten blijkt dat 40% van de kinderen inmiddels vier of meer jeugdzorgwerkers heeft gehad. Bijna een kwart van de kinderen heeft er meer dan vijf gehad. Ook heeft een derde van de kinderen in een periode helemaal geen jeugdzorgwerker gehad. Niemand had nog zicht op het kind en wist of het kind op een veilige plek zat of niet. Wat gaat de staatssecretaris doen met de aanbevelingen uit deze rapporten? Worden deze overgenomen en uitgevoerd en, zo niet, waarom niet?

We hadden eerder dit jaar een debat over het pleegmeisje in Vlaardingen. Zij werd ernstig mishandeld. Dat is verschrikkelijk. Nu horen we weer over twee kinderen van 9 en 10 jaar oud, die in de afgelopen jaren ernstig zijn mishandeld door hun verzorgers. Alle sterkte voor deze kinderen en hun naasten. Maar er is meer dan verontwaardiging nodig. Er zijn fundamentele oplossingen nodig en die liggen in het systeem. Er is nu een jungle aan zorgbedrijven die geld verdienen met zorggeld. Er zijn allerlei verschillende lagen. Een deel ligt bij de gemeenten en een deel ligt bij de regio's. De jeugdzorgregio's wijken weer af van de jeugdbeschermingsregio's. Het verschilt allemaal van elkaar. Een deel ligt bij het Rijk. Niemand is meer verantwoordelijk en niemand snapt het meer. Als we dat niet aanpakken, dan pakken we ook de fundamentele problemen niet aan. Dat betekent dat de specialistische jeugdzorg ook naar het Rijk moet. Gaat de staatssecretaris dit nu eindelijk in gang zetten? Hoeveel rapporten zijn daar nog voor nodig?

Dit systeem stuurt nu op kosten of winsten, maar niet op goede zorg of hulp. Dat is wat we zien. Sommige gemeenten heroverwegen verwijzingen van jeugdzorgwerkers vanwege de kosten. Het is niet aan de gemeenten om dat te doen. Is de staatssecretaris dat met de inspecties eens? Dit betekent namelijk dat kinderen die zorg en bescherming nodig hebben, die niet krijgen, terwijl er wel plek is. De gemeenten vinden het te duur. Dat is absoluut onacceptabel. Dit betekent ook dat er verschillen zijn tussen gemeenten of regio's. Het mag niet uitmaken waar je woont. Ook dat is onacceptabel. Hoe gaat de staatssecretaris dit heel concreet oplossen? Diezelfde gemeenten hanteren nog steeds budgetplafonds. We horen nog steeds te vaak terug van organisaties dat ze daartegenaan lopen. En ja, dat heeft gevolgen. En die gevolgen zijn voor de kinderen die zorg en hulp nodig hebben. Dat is niet te verantwoorden, zeker niet gezien de staat van dit stelsel. Erkent de staatssecretaris dat?

Ook komen de geplande hervormingen nauwelijks van de grond. Erkent de staatssecretaris dat ook? Begin dit jaar kwam de commissie-Van Ark met adviezen over de Hervormingsagenda Jeugd. De commissie noemde de ingeboekte bezuinigingen een "zwaard van Damocles". Hier werd niet naar geluisterd, want over vier weken begint 2026, waarin nog steeds een half miljard euro bezuinigd zal moeten worden. Waar denkt u dat dat geld vandaan gaat komen, zo vraag ik de staatssecretaris. Iedereen zegt vandaag weer: "Het moet opgelost worden. Kinderen mogen niet de dupe worden, in de problemen komen. Zij moeten goede zorg krijgen." Iedereen zal weer zeggen: dit mag nooit meer gebeuren. Maar hoe kan het worden opgelost als het enige wat nu concreet gebeurt, is dat er een half miljard wordt bezuinigd? Erkent u dat dit niets meer te maken heeft met het hervormen of beter maken van de jeugdbescherming of de jeugdzorg, maar dat dit inmiddels gewoon een ordinaire kaasschaaf is, en totaal onverantwoord gezien de staat van de jeugdzorg en de jeugdbescherming? Erkent de staatssecretaris ook dat kinderen en jeugdzorgverleners hier echt zwaar de dupe van zullen worden?

Dan nog een aantal vragen. De Tweede Kamer heeft het kabinet opgedragen om beschikbaarheidsfinanciering weer de standaard te maken. Wanneer wordt deze motie uitgevoerd en wanneer gaat dit de standaard worden? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er meer ervaringsdeskundigheid wordt ingezet in de jeugdbescherming? Dit gebeurt nu namelijk nog steeds veel minder dan in de specialistische jeugdzorg. Het is belangrijk dat het wél gebeurt. Welk heel concreet plan heeft de staatssecretaris om de personeelstekorten aan te pakken, waaronder betere salarissen, minder bureaucratie, minder werkdruk, werving en zeggenschap? Want dit is nodig. Graag een heel concrete reactie. En tot slot: wanneer wordt het plan voor het invoeren van de eigen bijdrage geschrapt?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dobbe. Dan is het woord aan de heer Ceder voor zijn inbreng in eerste termijn namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. In 2021 maakte ik de overstap van de advocatuur naar de Tweede Kamer. Ik heb de jaren daarvoor ouders bijgestaan die hun kinderen uit huis geplaatst zagen worden. Ik heb ouders meegemaakt die onderling vochten om een kind en kinderen gesproken die vanuit een loyaliteitsconflict niet wisten of ze beter af waren bij instanties, bij pleegouders of bij hun biologische papa en mama. Ik zag hartverscheurende taferelen, maar het was wel de dagelijkse realiteit in vele rechtbanken in Nederland; dat is het ook nu, terwijl we over dit onderwerp praten.

Voorzitter. Ik kwam de Kamer in mede om dit beleid te verbeteren en het belang van het kind centraler te stellen, maar ik heb de afgelopen vier jaar, rapport op rapport, vooral moeten lezen hoe het huidige stelsel niet kan garanderen dat, zodra de overheid de zorg van ouders overneemt, kinderen daadwerkelijk beter af zijn. Soms zijn ze zelfs slechter af.

Sinds het tragische verhaal van het pleegzorgmeisje uit Vlaardingen in de publiciteit is gekomen, is het aantal aanmeldingen van potentiële pleegouders gestegen. Van gezinnen die na deze tragedie dachten: dit kan en moet anders; kinderen die niet thuis kunnen wonen, verdienen een liefdevol huis. Dat vind ik een hoopvolle ontwikkeling. Net zo hoopvol is de onafgebroken inzet van jeugdbeschermers om te zorgen voor de veiligheid van kinderen. We zijn ook veel dank aan hen verschuldigd. De inspectie zegt ook in haar rapport: aan hen ligt het niet. Tegelijkertijd staat Vlaardingen ons nog scherp voor ogen. In een gezinshuis in Noord-Nederland waren ook kinderen structureel onveilig. Nog steeds zijn kinderen en jongeren in de jeugdbescherming niet altijd beter af dan thuis, omdat er te weinig contact is met de kinderen, omdat de samenwerking onvoldoende is en door elkaar heen loopt en omdat passende hulp niet of te laat wordt ingezet.

Voorzitter. Als parlement kunnen we ons er niet bij neerleggen dat kinderen onder verantwoordelijkheid van de Staat inmiddels structureel onveilig zijn. Ik weet dat we moeten accepteren dat dingen fout kunnen gaan in de jeugdzorg, want anders regel je alles dicht en is het geen werken meer voor de jeugdhulpverleners. Maar we moeten dan wel weten: hebben we de afgelopen tijd incidenten zien terugkomen of zijn het tekenen van structurele fouten? Volgens mij is het tweede het geval ten aanzien van het stelsel. Het rapport van de inspectie wijst ons op de structurele tekortkomingen van het stelsel. De vragen voor de politiek zijn volgens mij dan ook hoe we gerechtvaardigd ingrijpen van de Staat garanderen zolang het stelsel tekortschiet en hoe we het stelsel zo snel mogelijk weer op orde krijgen. Daarom heb ik de volgende vragen, want ik hoor graag een reflectie van de staatssecretarissen op het structureel falen van het stelsel van de jeugdbescherming en jeugdzorg. Wat betekent het voor het recht dat de Staat heeft om kinderen uit huis te plaatsen of onder toezicht te stellen? Delen de staatssecretarissen dat er nog meer reden is voor terughoudendheid bij uithuisplaatsing als kinderen er niet per se beter van worden als ze uit huis geplaatst worden? Hoe gaan rechters en GI's daarmee om? Hoe vindt dat gesprek met elkaar plaats?

Voorzitter. Ik ben blij dat er een staatscommissie komt, want de staatscommissie die ingesteld gaat worden, moet de fundamentele vraag van het gerechtvaardigd overheidsingrijpen oppakken. Wanneer wordt de commissie ingesteld, vraag ik. Kan de staatssecretaris ons er nogmaals van verzekeren dat de ervaringsdeskundigen in alle fasen betrokken zijn?

Alleen met een goede rechtsbescherming van kinderen en ouders kan gerechtvaardigd overheidsingrijpen gegarandeerd worden. Die rechtsbescherming is nog steeds niet op orde; dat weet het kabinet ook. We zijn al jaren bezig met het wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Ik heb in de afgelopen jaren meerdere moties ingediend. In debatten heb ik, maar hebben ook vele Kamerleden hier ideeën aangebracht, juist om de rechtsbescherming te verbeteren. Denk aan het verbeteren van het feitenonderzoek. Denk aan de verplichte procesvertegenwoordiging. Denk aan kosteloze rechtsbijstand. Dat zou allemaal geregeld worden in het mooie wetsvoorstel dat nog steeds niet naar de Kamer is gestuurd. De consultatie is al sinds maart van dit jaar gesloten. Ik mag toch aannemen dat we dit wetsvoorstel in januari in de Kamer zien? Kan de staatssecretaris dat toezeggen? Mijn geduld begint namelijk op te raken.

Ten aanzien van de kwaliteit en veiligheid in de pleegzorg en gezinshuizen zien we dat we aan de bel moeten trekken. Ik lees dat er wordt gekeken of de screening van pleegouders frequenter kan en dat voor gezinshuizen wordt gekeken of de screening beter kan. Ik wil ervoor waken dat pleegzorg en gezinshuizen te veel geformaliseerd worden. Tegelijkertijd zijn gezinshuizen een zorgaanbieder onder de wet, maar wel met een kwetsbare constructie: kwetsbare kinderen in een gezinssetting. Zou de staatssecretaris ervoor voelen om de screening van gezinsouders op dezelfde manier vorm te geven als die van pleegouders?

Tot slot de arbeidsmarkt. Het is goed dat er wordt ingezet op zijinstromers voor de GI's. Kan mijn beeld kloppen dat de geschoolde jeugdhulpverleners eerder kiezen voor werk bij een gemeente dan in de jeugdbescherming? Hoe kunnen we de prikkels op de arbeidsmarkt zo inzetten dat de beste mensen ook juist in dit hele belangrijke stelsel aan het werk kunnen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ceder.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Heel mooi betoog. Wij hebben deels dezelfde vragen. Moet je met een overbelast stelsel bijvoorbeeld nog zo snel maatregelen opleggen als rechter? Daar heb ik dan even een vraag over aan de heer Ceder, want u heeft ook als advocaat gewerkt. Ik begrijp, maar ik kan me vergissen, dat er niet alleen bij ernstige mishandeling en misbruik — dan moet er natuurlijk wat gebeuren — maar bijvoorbeeld ook als er problemen zijn in het gezin, als de moeder niet meer in staat is om optimaal zorg te verlenen omdat ze bijvoorbeeld een mentale ziekte heeft, uit huis kan worden geplaatst. Zou het, gezien alle problemen die u zelf noemt en gezien het stelsel dat dus niet werkt, niet zo moeten zijn dat we dat wettelijk kader zo aanscherpen dat we zeggen dat we pas een maatregel kunnen opleggen als er echt fysieke mishandeling of totale verwaarlozing is?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Er kan alleen in het gerechtvaardigd belang van het kind ingegrepen worden in het gezinsleven. Ik vind dat dat een vrij sterke toets is. Alleen is het aan de rechter om vervolgens te beoordelen of daar sprake van is. Ik ben het met de heer Van Houwelingen eens dat we volgens mij te snel en ook te vaak uit huis plaatsen; dat heb ik hier vaker aangegeven. Als je de cijfers in de rest van de wereld ziet, denk ik ook dat we het relatief sneller doen dan in andere landen. Inmiddels is de beweging wel ingezet om het minder vaak te doen, dus ik moet ook wel zeggen dat er de afgelopen jaren wel geluisterd is, nu die beweging minder snel wordt ingezet. Je kan niet voorkomen dat sommige situaties dusdanig onveilig zijn dat een kind zo snel mogelijk uit huis geplaatst zou moeten worden. Maar ik heb bijvoorbeeld ook aangegeven: volgens mij is het ingrijpender om een kind uit de leefwereld te plaatsen dan bijvoorbeeld een ouder, die misschien de onveilige en onstabiele factor is. Ik heb hier volgens mij ook een motie aangenomen gekregen om bijvoorbeeld — het klinkt gekscherend — een ouder uit huis te plaatsen, omdat je dan de onveilige factor weghaalt, in plaats van het kind uit de leefwereld van school, vrienden en kinderen te halen. Ook daar heb ik te weinig over teruggekregen. Dus ik ben het in essentie met u eens. Ik denk alleen niet dat de pendule de andere kant op moet en dat we kinderen helemaal niet uit huis moeten plaatsen. Dat zei ik ook tegen mevrouw Westerveld. Vanwege de gebroken aard van deze wereld zijn uithuisplaatsingen soms helaas nodig. De overheid heeft ook die verantwoordelijkheid richting kinderen. Maar ik ben het in die zin met u eens dat we echt scherper mogen gaan kijken.

Mocht dit argument niet overtuigen: er is ook een economisch argument. Uit Kamervragen van mij van twee jaar terug blijkt dat een uithuisplaatsing in sommige gevallen gewoon twee ton per kind per jaar kost. Ik zou zeggen: investeer dat geld aan de voorkant — het gaat niet om geven maar om investeren — in een gezin waarvan je merkt dat het instabiel is, door schulden weg te nemen of op een andere manier. Volgens mij is er een economisch argument te maken om al dat geld dat we aan de achterkant besteden aan de voorkant te plaatsen. Dan zit je wel weer met het probleem dat aan de voorkant vooral VWS verantwoordelijk is en aan de achterkant met name JenV. Zij hebben twee verschillende budgetten en dat komt gewoon niet samen. Dit ook even als reactie op mevrouw Westerveld. Ik hoop hiermee uw vraag te hebben beantwoord.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ceder. Daarmee heeft u uw inbreng geleverd in eerste termijn. Ik nodig de heer Van Houwelingen uit voor zijn inbreng namens de fractie van Forum voor Democratie in de eerste termijn. U heeft het woord.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. We bespreken vandaag twee inspectierapporten, met de titels Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel en Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt. Deze titels zijn goed gekozen, omdat het stelsel dusdanig onder druk staat dat inmiddels helaas geconcludeerd moet worden dat overheidsingrijpen onze kinderen soms geen bescherming biedt, maar juist schade berokkent. Als ik deze twee rapporten lees, zie ik veel parallellen met de gesloten jeugdzorg, waar volgens professor Bruning door te weinig contactmomenten tussen hulpverleners, kinderen en ouders de veiligheid van kinderen onvoldoende gewaarborgd is en zogenaamde hulpverleningsschade optreedt. Terecht vraagt professor Bruning zich vervolgens af: "Wat is nog de legitimatie van ingrijpen als je niet weet of je betere zorg kan bieden?" Deze vraag zou ik met betrekking tot de jeugdbescherming in het algemeen en de pleegzorg in het bijzonder, waar we het vandaag in dit debat over hebben, graag ook aan het kabinet willen stellen. We lezen in de twee rapporten van de inspecties immers dat er door capaciteitsgebrek vaak geen passende hulp kan worden verleend, waardoor — ik citeer nu uit het rapport — "een jeugdbeschermingsmaatregel onvoldoende effectief en soms zelfs schadelijk is". Ik herhaal: "soms zelfs schadelijk".

Voorzitter. Dan nu onze overige vragen. Is de staatssecretaris het met ons eens dat zodra een kind door de Staat aan het ouderlijk gezag wordt onttrokken — dat is wat ons betreft een uiterst vergaande maatregel die met de grootst mogelijke terughoudendheid zou moeten worden opgelegd — het een vereiste is dat diezelfde Staat goede en vooral veilige zorg moet kunnen bieden voor dat kind, veelal in een pleeggezin? Met andere woorden, zou het "do no harm"-principe niet bij alle interventies voorop moeten staan? Is het niet beter om helemaal geen zorg te verlenen dan zorg die niet passend en niet veilig is? Hoe kijkt de staatssecretaris wat dat betreft aan tegen het werken met het zogenaamde handelingsperspectief, waarbij een kind geen goede en passende zorg krijgt en de veiligheid van het kind ook onvoldoende kan worden gewaarborgd? Is dit niet bijzonder onwenselijk, omdat het mogelijk, misschien zelfs waarschijnlijk, meer kwaad dan goed doet, het vertrouwen in de zorg ondermijnt, de jeugdzorg onder druk zet en bovendien de schijn wekt dat er geen wachtlijsten zouden zijn? Zou het accepteren van een opnamestop en wachtlijsten daarmee niet alleen eerlijker maar ook beter voor het welzijn van de kinderen zijn dan werken met het handelingsperspectief? Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan?

Voorzitter. Klopt het dat er in afwachting van een wetswijziging waar nu aan wordt gewerkt op dit moment geen instelling is die formeel direct toezicht houdt op gezinshuizen, pleeggezinnen en zorgboerderijen? Hoelang duurt het naar verwachting voordat deze wetswijziging kan worden gerealiseerd? Is het, zeker gezien de ernst van de incidenten, die de aanleiding zijn voor dit debat, niet onwenselijk om te wachten op deze wetswijziging? Zou formeel en direct toezicht op pleeggezinnen, zorgboerderijen en gezinshuizen niet op korte termijn al moeten worden gerealiseerd? Is dit mogelijk, bijvoorbeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd op te dragen om minstens één keer per jaar, en het liefst natuurlijk onverwachts, direct zelf pleeggezinnen, gezinshuizen en zorgboerderijen te bezoeken? Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan?

Voorzitter, tot slot. Het hele jeugdzorgstelsel in het algemeen en de jeugdbescherming in het bijzonder is overbelast en uitgeput. Dat komt ook door het grote beroep dat in ons land op de jeugdzorg wordt gedaan. Inmiddels krijgt meer dan een op de tien jongeren een vorm van jeugdzorg. Hoe komt dit? Is er sprake van overmedicalisering? Komen problemen uit andere domeinen, bijvoorbeeld armoede, soms op het bordje van de jeugdzorg terecht? Is de staatssecretaris bereid te onderzoeken, aangezien het stelsel als geheel nu immers overbelast en uitgeput is, of het mogelijk is om met behulp van een wetswijziging het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen dat door rechters kan worden opgelegd, te verminderen? Dat kan bijvoorbeeld door een gedwongen uithuisplaatsing van kinderen alleen nog toe te staan indien er bewezen sprake is van fysieke mishandeling, seksueel misbruik of zeer ernstige verwaarlozing.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik zou de heer Van Houwelingen erop willen wijzen dat de inspectierapporten de aanleiding zijn voor het debat en niet de incidenten, hoe afschuwelijk ook. De inspectie wijst aan dat het stelsel niet functioneert, maar schrijft in haar rapporten ook heel duidelijk op dat het niet aan de medewerkers ligt. Mijn vraag aan de heer Van Houwelingen is of hij weet dat jeugdbeschermers juist ook heel vaak weten te voorkomen dat er wordt ingegrepen door middel van een uithuisplaatsing. Als hij vraagt om geen hulp te verlenen, dan vind ik dat hij daar heel ver in gaat. Juist als jeugdbeschermers er op tijd bij kunnen zijn en voldoende aandacht kunnen hebben voor het kind en de omgeving, kan een uithuisplaatsing namelijk vaak worden voorkomen. Ik zou hem willen vragen of hij dat erkent. Ik hoop in ieder geval dat hij dat niet bedoelt met "geen hulp meer geven".

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u wel, want dan kan ik dat misverstand uit de weg helpen. Dat bedoel ik inderdaad niet. Mijn betoog is eigenlijk alleen dat de problemen natuurlijk niet zozeer ontstaan doordat er op een gegeven moment jeugdzorg wordt verleend, maar door de uithuisplaatsingen. Die veroorzaken trouwens, als ik dat nog even mag opmerken, natuurlijk ook heel veel onrust. Ik sprak met een lid. Dat is trouwens ook de reden dat ik hier sta. Wij worden op partijbijeenkomsten ontzettend vaak aangesproken door leden die problemen hebben met de jeugdzorg. Dat zijn ouders of jongeren die traumatische ervaringen daarmee hebben, omdat er bijvoorbeeld gedreigd is om iemand uit huis te plaatsen. Dat is dan uiteindelijk gelukkig niet gebeurd. Van dat uit huis plaatsen hebben wij de indruk — daarom had ik net ook dat interruptiedebat — dat het te snel gebeurt en dat als het gebeurt, het vaak ook meer schade berokkent dan dat het zorg oplevert. Daar zijn we dus heel terughoudend over. Dát is onze zorg, niet dat jeugdzorg betrokken is bij een gezin. Dat is uiteraard niet a priori verkeerd.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij willen we allemaal heel graag dat er minder uithuisplaatsingen plaatsvinden. De Kamer heeft het kabinet daar een aantal jaar geleden al uitdrukkelijk op bevraagd. Het aantal is nu ook aan het dalen, al gaat dat misschien nog te langzaam. Maar ik spreek natuurlijk ook jongeren, en de heer Van Houwelingen misschien ook wel, die aangeven: was ik maar eerder uit huis geplaatst. Zij hebben thuis te maken met afschuwelijke vormen van mishandeling en soms met seksueel misbruik. Zij geven aan dat er bij hen al veel eerder had moeten worden ingegrepen. Ook die situaties zijn er natuurlijk. Ik zou de heer Van Houwelingen willen vragen of hij in ieder geval erkent dat dit ook gebeurt en dat een uithuisplaatsing dus soms ook beter kan zijn voor het kind.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Uiteraard erken ik dat, maar het probleem is als volgt. Ik had daar met mevrouw Westerveld net ook dat debat over. We erkennen allemaal dat het stelsel duidelijk overbelast is. Er kan niet gegarandeerd worden dat er voldoende toezicht is op al die pleeghuizen. Daar maken wij ons ook heel veel zorgen over. Als je een stelsel hebt dat als geheel niet goed functioneert — dat merkt de heer Ceder net ook terecht op — moet je als Staat natuurlijk nog extra terughoudend zijn met het uit huis plaatsen van kinderen. Dat punt wil ik hier eigenlijk maken. Dus natuurlijk heeft mevrouw Westerveld gelijk: er zijn situaties waarin kinderen helaas uit huis moeten worden geplaatst. Maar aangezien het stelsel niet functioneert, moet je daar nog terughoudender mee omgaan. Dat punt wil ik eigenlijk maken.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Mijn interruptie ziet op een ander punt. Is de heer Van Houwelingen het met ons eens dat het uiteindelijk aan een kinderrechter is en niet aan ons in deze zaal noch aan een kabinet om te bepalen welk kind wel of niet uit huis wordt geplaatst?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Inderdaad. Daar had ik gisteren, bij die technische briefing met de inspectie, ook een vraag over. Dat klopt. Maar wat ons betreft is het als volgt. De kinderrechter werkt natuurlijk met een wettelijk kader. Dat stellen we hier in de Tweede Kamer vast, mag ik hopen. Als u het aan mij vraagt, zouden we dat dus moeten aanscherpen, om de redenen die ik net noem. Dat was ook de reden van mijn vraag aan de heer Ceder. Het moet in ieder geval nog veel moeilijker worden om kinderen uit huis te plaatsen, aangezien het stelsel niet functioneert. Maar uiteraard, de rechter bepaalt het uiteindelijk.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Het is fijn om te horen dat het inderdaad aan de kinderrechter is om dat te bepalen. Is de heer Van Houwelingen het dan ook met mij eens dat we eigenlijk al vrij duidelijk hebben aangegeven wanneer dat mag? Dat is namelijk óf als de veiligheid van het kind in het geding komt óf omdat de ontwikkeling van het kind ernstig in gevaar komt. Dat lijken me vrij heldere criteria. Het spreekt voor zich dat wij volgens mij allemaal willen dat kinderen alleen uit huis worden geplaatst als het echt niet anders kan.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Die criteria zijn helder, maar wat ons betreft dus te ruim. Ik ben in aanraking gekomen met een voorbeeld waarin een kind mogelijk uit huis zou worden geplaatst, niet omdat er sprake was van misbruik of wat dan ook, maar omdat de moeder het moeilijk had en het mentaal zwaar had, al deed ze nog wel haar best om liefdevol voor dat kind te zorgen. Toen dreigde jeugdzorg om dat kind uit huis te plaatsen, omdat die de zorg niet optimaal vond. Dat wilde ze niet. Dit gebeurt dus ook. Dan heb je vervolgens natuurlijk het probleem met de rechter, namelijk dat die heel vaak meegaat met wat jeugdzorg zegt. Dat is ook bekend. Dat is een ander probleem. De rechter bepaalt het inderdaad, maar dat kader moet wat ons betreft worden aangescherpt. Die ouders en kinderen zouden ook sterker moeten staan. Eigenlijk zou er ook een second opinion moeten zijn, zodat er niet alleen naar jeugdzorg wordt geluisterd.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik rond af, voorzitter. Ik kom bij ons centrale punt. Het kan en mag niet zo zijn dat kinderen door de Staat onder dwang uit hun biologische en ouderlijke gezin worden gehaald — dat is wat er gebeurt — waar de kinderen misschien niet optimaal maar wel liefdevol worden verzorgd, zoals ik net zei, om vervolgens door diezelfde Staat in een pleeggezin te worden gezet waar vanwege capaciteitsgebrek in de jeugdzorg onvoldoende toezicht op kan worden gehouden en waar de veiligheid van het kind dus niet kan worden gewaarborgd, waardoor het kind mogelijk een gruwelijk lot te wachten staat, zoals het zwaar mishandelde meisje in Vlaardingen is overkomen. In zo'n geval is het veel beter om als Staat helemaal niets te doen. We horen graag of de staatssecretaris hier ook zo over denkt.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Houwelingen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Straatman. O, meneer Van Houwelingen. Er is nog een interruptie van mevrouw Dobbe, die daar tegenwoordig een stukje voor moet lopen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank dat u weer even naar boven bent gerend, meneer Van Houwelingen. Ik kan toch wel een heel end meekomen in het betoog. Het kan natuurlijk niet dat kinderen in een onveiligere situatie terechtkomen als ze uit huis worden geplaatst. U pleit voor een stop op uithuisplaatsingen, maar wat gebeurt er dan daarna? Dat betekent ten eerste dat kinderen toch in onveilige situaties zullen blijven. Wat stelt Forum voor Democratie dan voor om het stelsel te verbeteren?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor de vraag. Voor de zekerheid: we stellen natuurlijk geen stop voor, wat ik net ook in het debat zei. Natuurlijk zijn er vreselijke gevallen waarin kinderen helaas uit huis moeten worden geplaatst, maar we willen een aanscherping van het kader. Ik wacht natuurlijk op de antwoorden van de staatssecretaris, maar een suggestie die wij hebben — misschien zijn er veel betere suggesties — is dat op die pleeggezinnen in ieder geval minstens één keer per jaar toezicht wordt gehouden, het liefst onverwachts. Dat lijkt me ontzettend belangrijk. Ik begrijp dat dat nu nog niet gebeurt. Dat heb ik gelezen. Corrigeer me als ik dat verkeerd heb. De inspectie zou dat toezicht kunnen en moeten houden. Daar zou zij tijd voor moeten vrijmaken. We kunnen het stelsel op die manier misschien nog wel iets verbeteren, zodat we de kinderen beter beschermen. Het grote probleem zit natuurlijk bij de jeugdzorg. Er moet in ieder geval meer toezicht komen. Het is voor mij echt onbegrijpelijk — dat kan mevrouw Westerveld, die dit debat al langer voert, misschien beter verklaren — dat na al die jaren nog steeds niet op z'n minst één keer per jaar onverwacht toezicht is op pleeggezinnen of zorgboerderijen. Ik heb het niet over de gecertificeerde instellingen. Zo kan iemand zien of er kinderen zijn met blauwe plekken of wat dan ook en kan er worden ingegrepen. Dat gebeurt nu niet, begrijp ik. Dat is laaghangend fruit, zou ik zeggen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ja, laaghangend fruit, maar dat lost toch ook de problemen dan niet op? Als u dit gaat doen …

De voorzitter:

"Als de heer Van Houwelingen …"

Mevrouw Dobbe (SP):

Excuses, voorzitter. De heer Van Houwelingen stelt voor dat er één keer per jaar zo'n gesprek of een onaangekondigd bezoek plaatsvindt. Dat is toch niet een oplossing voor het probleem, voor het feit dat het stelsel faalt? Daar wordt nog bovenop gestapeld dat er nog bezuinigingen aan komen. Wat is de visie van Forum voor Democratie voor het stelsel?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het hoofdpunt dat ik hier vooral wil maken, is het volgende. Wij hebben de indruk, ook gezien het feit dat een op de tien jongeren in de jeugdzorg rondloopt, dat het stelsel niet alleen overbelast is omdat het niet goed functioneert op allerlei wijzen waar we vandaag dit debat over hebben, maar ook omdat te veel mensen wellicht te snel een beroep doen op de jeugdzorg. Het grootste probleem is dat er te snel uithuisplaatsingen plaatsvinden. Daar hebben we net een debat over gehad. Dus aan de ene kant zou er minder beroep moeten worden gedaan op het stelsel. Daar zou je dus naar kunnen kijken, zodat die instroom vermindert. Het stelsel zelf functioneert nu niet, maar dat komt dus ook doordat … We hebben gisteren het verhaal gehad van de inspectie, die bijvoorbeeld zegt: omdat het stelsel overbelast is, krijg je ook de situatie dat de jeugdzorg zijn werk niet goed kan doen. Er vallen veel mensen uit; er zijn veel ziektemeldingen in de jeugdzorg zelf. Dat zorgt ook weer voor problemen. Ik denk dus dat je vooral ook naar de instroom moet kijken; daarover verschillen we waarschijnlijk van mening. Maar nogmaals, het grootste probleem dat ik hier op dit moment mee heb, betreft dus het toezicht en het te snel uit huis plaatsen. Het is voor mij onbegrijpelijk dat kinderen vrij snel — daar lijkt het toch op — in een pleeggezin worden geplaatst, niet alleen in de zojuist door mij genoemde voorbeelden maar bijvoorbeeld ook als er mentale problemen in het gezin zijn, en dat ze dan in een gezin terecht kunnen komen waarin ze niet goed behandeld worden en waar niet voldoende toezicht op is. Het lijkt me dat we daar wel iets aan kunnen veranderen. Ik ben het met u eens dat je dan nog steeds incidenten kunt krijgen, want de wereld is niet perfect, zoals de heer Ceder zei. Dat is dus nooit te voorkomen.

De voorzitter:

Afrondend op dit punt.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik vind dit eerlijk gezegd toch een wat beperkte analyse van Forum voor Democratie van de problemen waar we nu voor staan. Ik ben er toch aan gewend dat uw partij vaak doorwrochte analyses heeft van allerlei problemen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u wel.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik ben het daar heel vaak niet mee eens; dat wil ik daar ook even bij gezegd hebben. Maar dit is wel een hele beperkte analyse. Als een systeem compleet faalt, los je dat natuurlijk niet op met alleen maar meer toezicht. Dat zeggen de inspecties ook. Je hebt dan meer nodig dan dat; je hebt dan fundamentele verandering nodig. Wij zeggen bijvoorbeeld dat je dan de markt eruit moet halen en dat je ervoor moet zorgen dat die concurrentie eruit gaat, dat er niet bezuinigd wordt et cetera. Kunnen we in ieder geval op uw steun rekenen als wij nu bijvoorbeeld zeggen dat in ieder geval de bezuinigingen moeten worden geschrapt die er nog aan komen in dit falende stelsel?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor het compliment. Ik ben het ook met u eens: onze analyses zijn doorwrocht en zijn op dit punt eigenlijk nog niet doorwrocht genoeg. Dat ben ik dus met u eens, mevrouw Dobbe. Zoals ik ook bij de technische briefing heb gezegd, komt dat doordat dit voor ons eigenlijk een nieuw onderwerp is. Wij worden hier door onze leden bij bijeenkomsten zo vaak op aangesproken dat we onze leden eigenlijk hebben beloofd dat we — niet alleen ik, maar ook mijn collega's, zoals Gideon van Meijeren — ons hierin zouden gaan verdiepen als we groeien. Zoals u weet, mevrouw Dobbe, zijn we gegroeid, maar we moeten ons hier nog in verdiepen. Ik heb dus allerlei werkbezoeken gepland staan. We moeten ons hier dus eerst echt grondig in verdiepen voordat ik wat ga zeggen; zo werken wij. Dat gaan we doen; dat zeg ik u graag toe.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Houwelingen. Ik nodig mevrouw Straatman uit voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van het CDA. Ik wijs de leden erop dat we in het debat spreken via de voorzitter.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De inspecties luiden in voorliggende inspectierapporten opnieuw de noodklok. De overheid ziet structurele tekorten in het beschermen van kwetsbare kinderen die opgroeien in onveilige situaties. Het stelsel faalt door arbeidsmarkttekorten, maar ook door een gebrek aan samenwerking, regie en continuïteit van hulp. Extra pijnlijk is dat de inspecties ook nu weer concluderen dat deze tekortkomingen buiten de macht van jeugdbeschermingsorganisaties liggen. Zij doen hun uiterste best, maar het stelsel laat hen in de steek. De gevolgen zijn ernstig: kinderen blijven te lang in onveilige situaties, de recidivekans neemt toe en kinderen lopen zelfs hulpverleningsschade op. Dat zijn geen abstracte conclusies. De afschuwelijke mishandeling in het Vlaardingse pleeggezin maakt dat maar al te duidelijk. Maar inmiddels haalt de actualiteit ons bovendien in. Begin deze maand bleek opnieuw dat jeugdbeschermingsorganisatie William Schrikker Stichting twee kinderen uit Noord-Nederland onmiddellijk moest weghalen uit een gezinshuis vanwege signalen van mishandeling.

Voorzitter. Ik debatteer vandaag voor de eerste keer over de stelselproblemen in de jeugdbescherming, maar het schokkende is dat de probleemanalyse niet nieuw is. De problemen zijn allang bekend. Allang bekend is wat opnieuw uit de inspectierapporten volgt, namelijk dat er grote tekorten aan jeugdbeschermers zijn, dat de samenwerking tussen politie, Veilig Thuis, jeugdbescherming, gemeente en zorgaanbieders tekortschiet, dat verantwoordelijkheden versnipperd zijn, dat risicosignalen onvoldoende worden opgevolgd en dat de continuïteit van hulp gebrekkig is, waardoor kinderen steeds opnieuw moeten beginnen. De vraag is dan ook: hoe vaak moet het nog misgaan? Als beschermingsmaatregelen — ik leg de nadruk op "bescherming" — meer schade aanrichten dan voorkomen, dan ondermijnt dat het vertrouwen van ouders, kinderen en professionals in het systeem en uiteindelijk ook in de overheid.

De inspecties zijn duidelijk: er is regie en leiderschap nodig, om het stelsel te hervormen maar ook om in het nu duidelijke verbeteringen door te voeren. Daarom mijn vragen aan beide staatssecretarissen, allereerst aan die van Justitie en Veiligheid. In situaties met langdurige onveiligheid wordt nog steeds niet tijdig gehandeld. Hoe duidt u dit? En welke maatregelen neemt u om dit zo snel mogelijk te verbeteren? Daarnaast worden risicosignalen onvoldoende gedeeld. De uitvoering loopt dagelijks tegen problemen van informatiedeling op. Hoe borgt u dat signalen van politie, Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en gemeente structureel en tijdig worden gedeeld? Ook regie ontbreekt vaak. Is het kabinet bereid om te komen tot één, herkenbaar regiepunt met mandaat in complexe situaties? De professionals ervaren veel handelingsverlegenheid. Hoe geeft de staatssecretaris hun meer ruimte en vertrouwen? Tot slot, in het licht van recente misstanden bij de William Schrikker Stichting: blijft u bij de conclusie dat het buiten de macht van de organisatie ligt, of is aanvullend onderzoek nodig?

Dan vragen aan de staatssecretaris van VWS. Gemeenten kunnen volgens de inspecties onvoldoende sturen op kwaliteit, capaciteit en continuïteit. Welke structurele oplossingen ziet u op korte termijn? De continuïteit van hulp staat ook onder druk. Hoe borgt u een zachte landing bij wisselingen van hulpverlener, met een goede overdracht en zo min mogelijk breuken? En welke mogelijkheden ziet u voor overbruggingszorg? Tot slot: welke administratieve lasten kunt u verlagen, zodat professionals meer tijd hebben voor het kind?

Voorzitter. Dezelfde patronen van versnippering, onvoldoende risicotaxatie en te laat handelen zien we ook terug op andere terreinen, zoals bij de aanpak van femicide. Daarom mijn vraag aan beide staatssecretarissen: hoe voorkomt u dat deze problemen opnieuw wegzakken in stapels van beleid en zorgt u voor structurele domeinoverstijgende verbeteringen die kinderen en volwassenen werkelijk beschermen?

Voorzitter. Ik rond af. Overheidsingrijpen in familiaire banden is het zwaarst denkbare middel dat je als overheid kan inzetten. Dat mag echt alleen als het noodzakelijk is. Dat ingrijpen gaat dan ook gepaard met een grote zorgplicht en moet gebeuren met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Kwetsbare kinderen moeten kunnen vertrouwen op een overheid die hen daadwerkelijk beschermt en die zich waar mogelijk maximaal inzet om de familiaire banden ook te herstellen. Dat is niet alleen een wettelijke maar ook een morele plicht. Dat vraagt nu om politieke verantwoordelijkheid, regie en vooral ook leiderschap. Daarom zeg ik het volgende tegen beide staatssecretarissen. Laat de noodklok niet nogmaals klinken. Doorbreek de impasse en maak beleid dat kinderen echt bescherming biedt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel voor dit goede betoog. Welkom ook in deze commissie.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik heb een vraag. Gister hadden wij een technische briefing van de inspecties. Zij zeiden: wat wij breed herkennen, is dat wij van instellingen, jeugdzorgverleners en jeugdbeschermers terug horen dat gemeenten besluiten van jeugdzorgwerkers heroverwegen. Er is dan dus een besluit genomen over bepaalde zorg, bescherming of hulp, maar de gemeente zegt: nee, dat doen we niet, want dat is te duur.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Vindt u dat acceptabel en wat gaan we daartegen doen?

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik deel de analyse van mevrouw Dobbe dat er heel veel inefficiënties in het systeem zitten. Ik ben inderdaad nieuw in het systeem. In onderzoek na onderzoek is te zien hoe de rechtsbeschermingsketen in z'n werk gaat. Het is op z'n minst heel inefficiënt als de gecertificeerde instellingen uitvoerig onderzoek doen en beslissen wat passende hulp is en gemeenten dan een herbeoordeling doen. Dat verbaast me. Daarom ben ik ook heel benieuwd hoe de staatssecretaris ernaar kijkt. Mijn vraag over regie en leiderschap ziet ook op dit punt: hoe kun je als Rijk regie nemen? Want uiteindelijk ligt die verantwoordelijkheid ook bij de gemeente om te voorkomen dat er inefficiëntie in het systeem zit. Ik denk dat mevrouw Dobbe en ik elkaar daar goed in kunnen vinden.

De voorzitter:

Mevrouw Dobbe, via de voorzitter.

Mevrouw Dobbe (SP):

Maar het is natuurlijk meer dan inefficiëntie. Het is een bezuinigingsopdracht. Zorg, bescherming of hulp wordt te duur bevonden. Daarom worden in heel veel gemeenten dus besluiten genomen om de kosten te drukken. Dat is nu al zo. En dan komt er nog een bezuiniging van een half miljard euro aan, voor een jaar dat over vier weken begint. Is het CDA nu bereid om te zeggen: wij schrappen die bezuiniging, want wij willen dit niet meer zien?

Mevrouw Straatman (CDA):

Mevrouw Dobbe weet ook dat we nu in een formatieperiode zitten en dat ik geen uitspraken kan doen over hoe we het geld op dit moment gaan inzetten. Wel kan ik zeggen — dat vind ik mooi aan deze discussie — dat we een nieuwe Kamer zien, met heel veel nieuwe gezichten. We kijken opnieuw, met een frisse blik, naar dit systeem. Ik zal zeggen hoe ik daar als nieuweling naar kijk. Ik denk dat ik voor een deel de analyse van de heer Van Houwelingen deel. Je ziet dat heel veel jongeren in het vrijwillig kader van de jeugdzorg terechtkomen. Ik denk dat we er politieke discussies over moeten voeren wat de definitie van "jeugdzorg" is en of we die niet meer moeten beperken, zodat we de instroom vanuit het vrijwillig kader kunnen terugbrengen en we onze financiële middelen veel meer kunnen toespitsen op de kinderen die het daadwerkelijk nodig hebben, waarbij we als overheid in de meest uiterste situaties moeten ingrijpen.

Het verbaast mij dat in dit stelsel de kinderen die het het meeste nodig hebben, eigenlijk achteraan in de rij staan. Als u zegt dat we de gelden die we aan de gemeenten geven, moeten inzetten voor de kinderen die dit het allermeest nodig hebben en die het meest kwetsbaar zijn, dan ben ik het helemaal met u eens. Maar ik deel op dit moment niet de analyse dat dit direct ook zou moeten betekenen dat je bezuinigingen moet terugdraaien. We moeten kijken naar een hervorming van het hele stelsel: hoe kunnen we de instroom aan de vrijwillige kant terugdraaien en beperken? Zo kun je veel meer focussen op de groep die daadwerkelijk jeugdzorg nodig heeft.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank voor dit antwoord. Ik denk dat ik de vraag dan omdraai. We weten dat alle maatregelen die het CDA nu noemt niet binnen vier of acht weken geregeld gaan worden, en ook niet binnen een paar maanden, want we vragen hier al jaren om. Die verbetermaatregelen zijn er dus nog niet. Over vier weken begint het jaar en dan gaat er een half miljard aan bezuinigingen in. Ik draai het om. Denkt het CDA dat deze verbeteringen in de jeugdzorg en de jeugdbescherming kunnen plaatsvinden op het moment dat die bezuinigingen doorgaan?

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik denk dat mevrouw Dobbe een heel terechte vraag stelt. Ik kan op dit moment gewoon niet zeggen hoe we die gelden gaan verdelen. Maar ik kan u wel zeggen dat de vragen die ik aan de beide staatssecretarissen heb gesteld, niet alleen maar gaan over de hervorming van het stelsel of het toekomstperspectief. Heel veel mensen vanuit de sector zijn daar tevreden over, maar dat helpt de kinderen nu niet. Daarom zijn al mijn vragen ook gericht aan beide staatssecretarissen: wat kunnen we op dit moment, op de korte termijn doen? Ik hoor graag de antwoorden van de staatssecretarissen. We zullen er op een later moment over moeten spreken wat dit dan inderdaad betekent qua financiële middelen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan zijn we bij een heugelijk moment aangekomen, namelijk de maidenspeech van mevrouw Coenradie, die haar bijdrage in de eerste termijn zal leveren namens Forum voor ... Ehm, voor JA21. Wat zei ik nou toch? Bij maidenspeeches is het gebruikelijk dat we niet interrumperen. Na afloop wil ik u van harte uitnodigen om voor het rostrum de felicitaties in ontvangst te nemen, maar eerst gaan we naar u luisteren. Mevrouw Coenradie, JA21.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik word mama. Kijk, mijn buik. De echo, de eerste kleertjes en zijn eerste tandjes. Hij lacht. Kijk hoe hij op zijn moeder lijkt. Voor veel ouders is de zwangerschap een tijd van geluk, met een feest om het geslacht te onthullen, pretecho's en het inrichten van een liefdevolle kinderkamer. Tenminste, als we Instagram moeten geloven. Er is ook een schaduwzijde: er zijn zwangerschappen die worden overschaduwd door huiselijk geweld, armoede of stress. Toch kent elke moeder dat oergevoel: je wilt het beste voor je kind; je wilt er zijn en het beschermen. Dan komt het moment dat jouw baby, jouw alles, met een koffertje en misschien een knuffel naar een pleeggezin gaat. Je neemt afscheid, maar je bent nooit zorgeloos, want dat oergevoel blijft. Je doet het omdat het moet, omdat het het beste zou moeten zijn, totdat je bij het eerste contact je kind hoort huilen, de angst in zijn ogen ziet en in elke vezel voelt: dit klopt niet. Wat is hier aan de hand? Wie houdt er toezicht? Is mijn kind wel veilig?

De afgelopen tijd hebben we veel schrijnende gevallen rond pleegkinderen voorbij zien komen. Dat waren kinderen die leed ervaren dat zó ernstig en afschuwelijk is dat het de landelijke media en de politieke arena heeft gehaald. Ik wil de meest recente rechtszaak, over het Vlaardingse pleegmeisje, eruit halen. Ik hoop met heel mijn hart dat in het hoger beroep de rechter tot een rechtvaardiger inzicht komt dan het huidige vonnis: acht jaar zonder tbs voor onherstelbare schade, voor de geleden trauma's, voor het gegeven dat dit meisje op zo jonge leeftijd zo vaak heeft geprobeerd alle misstanden aan te kaarten, voor het gegeven dat niemand naar haar heeft geluisterd en dat alle instanties ongekend gefaald hebben, keer op keer op keer op keer. Nu is er dan een rechterlijke uitspraak die de plank zó grandioos misslaat dat je je afvraagt wie van al onze zogeheten deskundigen in vredesnaam nog enig besef heeft van de realiteit.

Bij dit meisje volgen we de rechtszaak, maar als we enkel de excessen horen en zien omdat ze zo ernstig zijn dat ze wel aan het voetlicht moeten komen, wat speelt er dan nog meer? Bij alle meer dan 10.000 kinderen bij alleen al de William Schrikker Stichting kunnen dezelfde fouten gemaakt zijn. Systeemfouten, het niet naleven van protocollen, het ontbreken van overdrachten, talloze wisselingen van de wacht, het niet oppikken van signalen: dat kan bij al die duizenden andere kinderen dus ook zo misgaan of al misgegaan zijn. Wat is er gebeurd om al die cruciale beslismomenten en al die signalen bij al die kinderen nog eens goed door te lichten, vraag ik aan de staatssecretaris.

Uit de rapporten blijkt keer op keer dat er misstanden zijn en dat dit in de pleegzorg en jeugdbescherming vooral komt door arbeidsmarktproblemen. Met andere woorden, als iemand hier nu wat blikken personeel heeft staan, dan is dit gehele probleem waarschijnlijk zo opgelost. Maar hoe zit het met de vaardigheden van de zittende medewerkers, de managers en de besturen zelf? Kunnen zij luisteren? Durven zij elkaar feedback te geven of overheerst er een angstcultuur? Lezen en snappen zij de protocollen ook? Bij elk inspectierapport spreken we schande en is het antwoord steevast: verscherpt toezicht. Maar heeft dat bij William Schrikker het verschil uitgemaakt, aangezien zij al jaren en meermaals onder verscherpt toezicht hebben gestaan? Welke concrete verbeteringen worden daar wanneer verwacht? Als de arbeidsmarktproblemen vooral het probleem zijn, hoe gaat de staatssecretaris die dan oplossen binnen nu en nu? We weten namelijk allemaal dat ook zij geen blikken personeel heeft.

Ik wil van de staatssecretaris concrete antwoorden op de volgende vragen. Hoe kritisch zijn de bestuurders zelf op hun eigen handelen? Wat zijn de instroom-, uitstroom- en verzuimcijfers bij de William Schrikker Stichting? In de Kamerbrief lezen we dat er regionale verschillen zijn wat betreft de wachtlijsten. Waar gaat het goed en waar niet? In hoeverre worden de consequenties van de problemen effectief gemeten? Uit het inspectierapport blijkt dat William Schrikker nog geen input heeft gegeven. Hoe kan dat en wanneer is dat te verwachten? Als William Schrikker al drie keer onder verscherpt toezicht heeft gestaan in twaalf jaar tijd, kun je stellen dat dit weinig verbetering brengt. Is de staatssecretaris dit met mij eens en wat gaat zij hieraan doen?

Ik citeer uit het rapport: "De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen." Waar heeft de overheid gefaald in de genoemde casussen en wat zijn de consequenties voor deze overheid als er onvoldoende maatregelen worden genomen? In de Kamerbrief staat dat de gecertificeerde instellingen zelf afspraken maken over uitgangspunten voor betekenisvol contact, maar dat blijft vrijblijvend. Is het niet tijd om dit om te zetten in verplichte contactmomenten? Uit het inspectierapport blijkt dat de inschatting van de veiligheid veelal indirect gebeurt — ongekend en absurd. Hoe kan dit? Kan de staatssecretaris toezeggen dat dit per direct wél direct gebeurt?

Uit het rapport blijkt dat 43% van de respondenten geen inspraak heeft bij het plan van aanpak. Hoe kan dat? Waarop worden de beslissingen dan gebaseerd? Is de staatssecretaris het ermee eens dat het kind en diens behoeften altijd centraal moeten staan?

Het rapport schetst gemeenten als belemmerend en bureaucratisch. Is de staatssecretaris het ermee eens dat gemeenten geen obstakel mogen vormen? Welke maatregelen neemt zij om dit gedrag tegen te gaan?

Tijdens de technische briefing bleek dat de moeder-kindhuizen en gezinshuizen geen vergunningsplicht hebben, waardoor zonder eisen of toezicht initiatieven ontstaan en de kwaliteit versnipperd raakt. Vindt de staatssecretaris dit ook onwenselijk?

De inspectie geeft aan dat er een stelselverandering nodig is. We weten dat een toekomstscenario hier ook aan ten grondslag ligt. Ik hoor dat dit gestopt is. Klopt dat? En, zo ja, wat betekent dat dan voor de stelselverandering?

Voorzitter. In de afgelopen week, in aanloop naar dit debat, heb ik meerdere pleegouders gesproken. Pleegouders geven aan dat William Schrikker bij conflicten tussen ouders en pleegouders niet boven de partijen staat, waardoor slopende rechtszaken ontstaan. Ook zouden rechterlijke uitspraken en adviezen niet worden opgevolgd en worden ouders en pleegouders onvoldoende gehoord bij protocollen. Wat doet William Schrikker met rechterlijke uitspraken of adviezen? Wat gaat de staatssecretaris doen om dit te verbeteren?

Veel pleegouders hebben de beste intenties. We mogen als maatschappij heel dankbaar zijn wanneer de goede mensen opstaan om voor een ander te zorgen. Maar voor veel pleegouders is het systeem gesloten en is er geen ruimte voor vragen en klachten. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

Tot slot. Grove problemen in de jeugdzorg die gereduceerd worden tot arbeidsmarktproblemen vind ik bovendien een lachwekkende conclusie voor een instantie die zich "de inspectie" mag noemen. Want als dat de conclusie is, dan is het probleem van niemand. En als het probleem van niemand is, neemt niemand verantwoordelijkheid om het morgen anders te doen. Dan zijn de problemen van gisteren en vandaag ook de problemen van morgen, en van over een jaar en tien jaar. Dan accepteren we dat het nu eenmaal zo is en hopen we vooral dat alle vrolijke Instagramberichten over fijne zwangerschappen en opvoedingen voor iedere aankomende ouder werkelijkheid worden.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Er mag geroffeld worden.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel. Ik heb het genoegen u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech. Ik wil u uitnodigen om voor het rostrum plaats te nemen om felicitaties in ontvangst te nemen. De vergadering is voor een enkel ogenblik geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve voor haar inbreng in eerste termijn namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken las ik stapels rapporten over de jeugdbescherming. Ik dacht: ik wil spreken met de jonge mensen om wie het gaat; ik wil hun namen kennen, hun gezichten zien, hun verhalen horen. Dat deed ik. Ik sprak vele jonge mensen en steeds weer voelde ik de enorme drive om iets van het leven te maken, soms in de allermoeilijkste omstandigheden. Dat is de drive die ik herken van toen ik als 15-jarige niet thuis kon wonen en zelf intensieve zorg nodig had.

Vanuit die drive sta ik hier, met de diepe wens de jeugdzorg en jeugdbescherming wezenlijk te verbeteren, zodat geen jongere met 3-0 achterstand aan het volwassen leven begint. In een van die gesprekken stelde ik de vraag: wat als er eerder was ingegrepen toen het thuis onveilig was? Het antwoord was, en ik citeer: "Dan had me dat veel littekens gescheeld, letterlijk en figuurlijk." De misstanden die deze littekens veroorzaken, zijn geen incidenten. Ze getuigen van structureel falen. Bijna 10.000 kinderen zijn uit huis geplaatst omdat het thuis onveilig is of omdat de ontwikkeling van een kind in gevaar is. Dat is de meest ingrijpende beslissing die je kan nemen. Met die beslissing komt ook de verantwoordelijkheid om deze kinderen een veilige plek te bieden waar ze liefdevol op kunnen groeien. Daar slagen we onvoldoende in. Het gezinshuis in Noord-Nederland, het pleegmeisje in Vlaardingen, de vele schokkende verhalen uit de gesloten jeugdzorg, de inspectierapporten over Jeugdbescherming Noord, Jeugdbescherming Gelderland, Jeugdbescherming west, Jeugdbescherming Regio Amsterdam en de William Schrikker Stichting laten zien dat dit geen incidenten zijn. Wat moeten we dan doen?

Allereerst moeten we erkennen dat we afhankelijk zijn van een systeem dat onvoldoende functioneert. We moeten de jeugdbescherming anders organiseren: we moeten toe naar minder organisaties met scherp afgebakende verantwoordelijkheden, zodat er echt ruimte komt voor het kind. Dit geldt niet alleen in de letterlijke zin, maar gaat ook om de vraag of we kunnen zien wat een kind echt nodig heeft. We weten namelijk dat als er te veel organisaties betrokken zijn, niemand zich uiteindelijk echt verantwoordelijk voelt. Dan is de vraag: wie stuurt er nu op die wirwar van organisaties en belangen? De inspecties zijn hierbij kritisch op het Rijk en vragen om stevig leiderschap vanuit onze bewindspersonen, vanuit déze bewindspersonen. Kunnen de bewindspersonen aangeven hoe zij de afgelopen periode invulling hebben gegeven aan hun rol als stelselverantwoordelijke?

Voorzitter. Ook op korte termijn moeten we stappen zetten. De inspecties zijn helder: er is vanuit de GI's te weinig en soms helemaal geen betekenisvol contact met het kind. Als we niet eens de tijd hebben om deze kinderen te zien en te spreken, hoe kunnen we dan zeker weten dat ze veilig zijn? Het verbaast mij dat de GI's niet eens hoeven te zeggen of ze contact hebben met het kind en hoe vaak. Dat moet wat ons betreft anders.

Daarnaast moeten we het beschermen van deze kinderen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid zien. In Zuid-Nederland werken ze met Handle with Care. Wanneer de politie 's nachts een melding van huiselijk geweld krijgt en er kinderen aanwezig zijn, ontvangt de school de volgende dag een signaal: handle with care. Zo kan de docent het kind extra in de gaten houden. Het is een kleine stap, die direct meer steun biedt voor het kind. Laat ik heel duidelijk zijn: ik wil op geen enkele manier stellen dat we met deze twee voorstellen de problemen in de jeugdbescherming oplossen, maar het zijn wel stappen in de goede richting.

Tot slot. Ik heb ook veel pleegkinderen gesproken die zeggen: vertel alsjeblieft dat ik de liefste pleegouders heb die ik me kan wensen. Ik ken veel jeugdzorgwerkers die met te weinig mensen in een onmogelijk systeem werken, veel verantwoordelijkheid dragen en elke dag weer het verschil maken. Tegen deze mensen wil ik zeggen: dank je wel, we zien hoe hard jullie werken.

Voorzitter. Ik begon met de gezichten en de verhalen van de jongeren over wie we spreken. Laat dat ons kompas zijn. Als we hun stemmen centraal stellen, kunnen we dit stelsel werkelijk veranderen en littekens voorkomen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Synhaeve, voor uw indrukwekkende en persoonlijke bijdrage. Er is een interruptie van mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ook ik dank u wel, mevrouw Synhaeve. Dat was een mooi betoog. Ik hoorde een aantal dingen waar ik het helemaal mee eens ben: "Geen incidenten, maar structureel falen. Minder organisaties met scherp afgebakende verantwoordelijkheden." Daar ben ik het helemaal mee eens. Er is natuurlijk wel een reden waarom zo veel organisaties, zo veel bedrijfjes zijn opgestart. Toen de jeugdzorg werd gedecentraliseerd en de markt werd geïntroduceerd, kwamen daar een heleboel organisaties bij. Betekent dit nu dat D66 kritischer is geworden over de invoering van de markt in dit stelsel en dat ze die wil aanpakken? Betekent dit ook dat we aanbestedingen op decentraal niveau aan banden gaan leggen of daar in ieder geval voorwaarden aan gaan verbinden? Wat betekent dit nu concreet?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Om het even scherp te maken, zeg ik het volgende. We moeten twee dingen uit elkaar halen, denk ik. Je hebt deels de jeugdhulp. De hoeveelheid aanbieders die daarin actief zijn, is enorm toegenomen. Denken we dat dit goed is? Nee, dat denk ik niet. Als je in een paar jaar tijd van pak 'm beet 1.200 aanbieders naar een kleine 6.000 gaat, geloof ik niet dat zij allemaal de kwalitatieve zorg bieden waar wij achter staan. Dat is deel één. Dan deel twee. Daar doelde ik op in mijn bijdrage, want daarin heb ik net als mevrouw Westerveld geprobeerd te focussen op jeugdbescherming en jeugdreclassering. Als we kijken naar de jeugdbescherming, zien we dat er verschillende organisaties zijn, gecertificeerde instellingen, zoals Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming, die deels dezelfde taken doen of taken opnieuw doen. Wij denken dat het slim is om te kijken of je dat op deze manier moet willen blijven organiseren.

Mevrouw Dobbe (SP):

Volgens mij delen wij die analyse. Maar wat zijn dan de oplossingen? We hebben gezien wanneer dit stelsel zo is geëxplodeerd. We weten ook dat de jeugdbescherming en de jeugdzorg enorm op elkaar ingrijpen. Daar hebben we het hier eerder ook over gehad. Dat kun je niet zo makkelijk splitsen. Maar wat zijn dan de oplossingen daarvoor? Is D66 bijvoorbeeld bereid te kijken of we in ieder geval het deel dat nu nog onderhavig is aan het hele circus van aanbestedingen aan banden kunnen leggen? Dat is een voorbeeld, hè, heel concreet.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Volgens mij is dat een heel ander punt. Dat gaat niet over hoe we de jeugdbescherming hebben georganiseerd. Daarvan zeg ik: bekijk heel goed of je dat met al die verschillende organisaties moet blijven organiseren zoals we dat nu gedaan hebben. U vraagt nu eigenlijk naar hoe we de jeugdhulp en het aantal aanbieders daarin hebben georganiseerd. Daarvan zeggen wij: wij zullen ook kijken of de financiering en de financieringsvorm daar nog steeds passend in is. U wil van mij een harde uitspraak of ik met u meega in het idee van geen marktwerking in de zorg; die zal ik hier niet doen.

De voorzitter:

Mevrouw Dobbe, tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Die hoop had ik ook niet, hoor. Dat zou wel heel mooi zijn geweest, maar die hoop had ik niet. Ik had wel gehoopt dat er stapjes gezet zouden worden op het moment dat de analyse zo ver oploopt. Het is jammer om te horen dat dit niet gebeurt. We hoorden gisteren wel tijdens de technische briefing — dat is het voorbeeld dat ik hier net ook noemde — dat kinderen en jeugdzorgverleners ertegenaan lopen dat gemeenten indicaties gaan heroverwegen.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Mijn vraag is … Op het moment dat gemeenten dat doen, en dat wordt breed gezien … Nu heeft u me helemaal van mijn à propos gebracht, maar goed, u heeft helemaal gelijk. Dat betekent dat kinderen geen plek hebben, terwijl er wel plekken zijn, uit financiële overwegingen. Over vier weken gaat daar een bezuiniging van een half miljard euro overheen. Hoe kijkt D66 daarnaar? Ik snap dat er wordt geformeerd. Dat snap ik. Maar daar kunnen die kinderen nu toch niet op wachten op het moment dat die bezuinigingen over vier weken al ingaan?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Volgens mij vraagt u: vindt u het oké dat gemeenten besluiten van jeugdzorgwerkers heroverwegen? Dan zou mijn antwoord zijn: dat vind ik absoluut ongewenst.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Synhaeve, voor uw inbreng in eerste termijn namens D66.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik heb een hele korte vraag. Mooi betoog. Hoe kijkt mevrouw Synhaeve aan tegen het idee om de inspectie, de IGJ, te belasten met het direct toezicht op pleeggezinnen, zorgboerderijen enzovoort?

Mevrouw Synhaeve (D66):

De inspectie werkt risicogestuurd. Ik denk dat dat ook is hoe het zou moeten zijn. Ik heb geluisterd naar het betoog dat eerder is gehouden door de heer Van Houwelingen, waarin hij eigenlijk zei: laten we bij al die pleegouders langsgaan om te kijken of het daar wel goed is. Dat is gewoon absoluut onmogelijk. Er zijn 15.000 pleeggezinnen in Nederland. Als je die elk jaar langs zou moeten gaan … Dat is absoluut onwenselijk. Daarmee doe je ook teniet dat er ontzettend veel pleeggezinnen zijn waar het hartstikke goed gaat.

De voorzitter:

Dank u wel. Een tweede interruptie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

"Onwenselijk" … Er zijn dus heel veel vreselijke incidenten geweest. Inderdaad, het kost tijd, maar daar gaan we straks de staatssecretaris ook over horen. Dit is eigenlijk een simpele inspectie om te kijken of het wel pluis is. Daar zou je wat ons betreft zelfs nog een studentenbaan van kunnen maken, bij wijze van spreken. Er moet gewoon iemand af en toe in zo'n woning gaan kijken, van: goh, zie ik kinderen rondlopen die in ieder geval niet in kooien zitten? Zo simpel is het. Het valt te organiseren. Dit is niet onmogelijk. Dit is laaghangend fruit.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik werp ver van me af dat dit een gewone studentenbaan zou zijn. Absoluut niet. Zelfs op de plekken waar kinderen in verschrikkelijke omstandigheden wonen, wat we natuurlijk allemaal niet willen, kan het soms voor de allerbeste jeugdbeschermer nog heel moeilijk zijn om dat te achterhalen. Laten we dit alsjeblieft aan kundig personeel overlaten.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Synhaeve. Dan zijn we aangekomen bij de inbreng van mevrouw Van Meetelen van de PVV, die haar collega Schilder vervangt. U heeft het woord.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dank u, voorzitter. Ik vervang haar wegens ziekte. Ik heb dit ook mogen overnemen van haar, dus bij dezen.

Voorzitter. We spreken vandaag over twee rapporten die helaas bevestigen wat slachtoffers en professionals al jaren zeggen: kinderen onder toezicht of met een uithuisplaatsing ontvangen niet of niet tijdig de noodzakelijke bescherming en hulp. Professionals kunnen hun caseload niet stabiel houden. De rapporten leggen de oorzaak grotendeels niet bij de jeugdbeschermers zelf en ook niet bij de jeugdreclassering of bij het bestuur. Vaak klopt dat, want velen van hen werken heel hard en bevlogen, maar helaas geldt dat niet voor iedereen. De aanleiding van deze rapporten is immers afschuwelijk: het Vlaardingse pleegmeisje. In deze zaak is zo veel misgegaan dat je niet anders kunt concluderen dan dat sommige instellingen en professionals hun taak gewoon niet waarmaken. De oorzaak van het falen kan niet zomaar altijd buiten de instelling worden gezocht.

Enkele feiten in deze zaak. In 2021 werden twee Syrische broertjes met spoed uit hetzelfde pleeggezin gehaald na meldingen over mishandeling. Enver wist dit, maar plaatste toch het Vlaardingse meisje en haar zusje in dit gezin. Zomer 2022 waren er opnieuw signalen dat het meisje werd misbruikt en mishandeld, zonder enige actie. In december 2023 stuurden de William Schrikker Stichting en Enver het meisje terug naar het pleeggezin, ondanks aantoonbaar zwaar letsel en de bij hen bekende eerdere mishandelingen van de Syrische broertjes door het pleeggezin. De pleegzorgbegeleider van Enver werd door de pleegmoeder "huisvriend" genoemd, vormde een blok met de pleegouders tegen de William Schrikker Stichting en hield hen de hand boven het hoofd. Zo dronk de begeleider bijvoorbeeld amicaal een biertje met de pleegouders, terwijl het meisje aan haar gruwelijke lot werd overgelaten. Dit is allemaal terug te vinden. De William Schrikker Stichting greep nooit in, ondanks meldingen en alarmsignalen en ondanks het feit dat het meisje meerdere keren aangaf te worden mishandeld.

Voorzitter. Deze situatie kon ontstaan, voortduren en escaleren door toedoen van Enver en de William Schrikker Stichting. De stichting zegt inmiddels 3.300 dossiers te hebben getoetst. Daar waar uit de toets naar voren kwam dat het zicht op de veiligheid onvoldoende navolgbaar was, hebben de betrokken gedragswetenschapper en jeugdbeschermer dit opnieuw gedaan. Hieruit volgde dan weer geen aanwijzing dat de veiligheid van kinderen in het geding was. Dit strookt niet met het bericht van 20 november over twee andere kinderen uit een gezinshuis die jarenlang zijn mishandeld. En opnieuw was de William Schrikker Stichting verantwoordelijk voor de veiligheid van deze kinderen.

Dus wat zien we hier nu steeds? Werkgroepen, reflecties, verbeterplannen, waarna alles weer doorgaat alsof niemand verantwoordelijk is; ik heb het al meer gehoord in bijdragen. Het is tijd hiermee te gaan stoppen. Er moet erkenning komen en consequenties. Geen zachte maatregelen meer, maar een keiharde aanpak. Daarom mijn vraag aan de staatssecretaris: erkent u dat dit geen incidenten meer zijn maar een structureel patroon en dat toezicht, sanctionering en handhaving tot nu toe onvoldoende effect hebben gehad? Deelt u onze mening dat de William Schrikker Stichting, Enver en andere betrokkenen strafrechtelijk moeten worden onderzocht en vervolgd? Welke stappen gaat de staatssecretaris verder ondernemen om ervoor te zorgen dat dit soort misstanden gewoon nooit meer kunnen gebeuren?

Voorzitter. Dan het volgende. RTL Nieuws en Investico meldden dat jaarlijks honderden zaken van huiselijk geweld niet worden vervolgd, zelfs bij voldoende bewijs. In dossiers staat dat vervolging niet in het belang van het kind zou zijn, maar onderzoek laat al jaren zien dat niet vervolgen juist schadelijk is voor kinderen. Daarom mijn vraag: kan de staatssecretaris bevestigen dat het belang van het kind nooit een geldige reden mag zijn om een juridisch haalbare zaak van huiselijk geweld te seponeren? Is de staatssecretaris bereid het OM via de wet bindend te instrueren om in zaken van huiselijk geweld met voldoende bewijs standaard te vervolgen?

Dan de strafmaat. Volgens OM-richtlijnen en volgens jurisprudentie blijven straffen in de praktijk vaak ver onder de wettelijke strafmaxima, vooral wanneer het gaat om geweld binnen gezinnen met recidive of situaties waarin kinderen getuige of afhankelijk zijn. Mijn laatste vraag: is de staatssecretaris bereid de strafvorderingsrichtlijnen voor huiselijk geweld en kindermishandeling aan te scherpen, zodat de strafeis beter aansluit bij de wettelijke maximale straf en de maatschappelijke ernst?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Van Meetelen zegt dat het tijd is voor een keiharde aanpak. Het lijkt alsof ze in haar bijdrage suggereert dat er pas net problemen zijn, terwijl ik aangaf dat de inspecties al vanaf 2019 aan de bel trekken. In hun laatste rapport zeggen ze feitelijk niet heel veel anders, behalve dat het nog slechter is geworden dan in 2019. De partij van mevrouw Van Meetelen zat afgelopen jaar in het kabinet. Die zat erbij toen er onderhandelingen waren en toen er afspraken zijn gemaakt om niet door te gaan met het toekomstscenario of om daar in ieder geval geen geld voor te leveren. Mijn vraag is: wat zou mevrouw Van Meetelen dan nu willen zien in de keiharde aanpak en waarom is dat in de afgelopen tijd niet gebeurd?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ten eerste: extra geld betekent niet automatisch dat alles wordt opgelost. U kunt mij veel vertellen, maar het feit dat er monsters bij kinderen zijn terechtgekomen of mensen die daar op een bepaalde manier mee omgaan, ligt niet aan te weinig geld. Dat heeft te maken met de wijze waarop je die mensen inzet. Je moet kijken of die mensen daar überhaupt geschikt voor zijn. Wat betreft die keiharde aanpak: wij willen dat dat soort mensen en dat soort stichtingen niet meer zo ver kunnen komen. Dat moet gewoon aangepakt worden en er moet vervolgd worden. Dat is wat wij willen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat willen we natuurlijk allemaal. Niemand hier wil dat kinderen worden mishandeld, maar de inspecties wijzen er al vanaf 2019 in hun rapporten op dat er grote problemen zijn in het stelsel. Ze vragen dit al vanaf 2019. Ook in de afgelopen jaren, toen de PVV veruit de grootste partij in de Kamer was, lagen er stapels rapporten waarin het kabinet uitdrukkelijk werd gevraagd om in te grijpen. Ik heb het niet alleen over geld. Ik geef alleen aan dat het toekomstscenario in de afgelopen tijd is gestopt, omdat er door het kabinet geen boter bij de vis is geleverd. Mijn vraag is: wat moet er nu in het stelsel veranderd worden? Ik heb het echt over het stelsel, want daar wijzen de inspecties op. En waarom is dat in de afgelopen periode niet gebeurd, toen de PVV daar alle kansen toe had?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik ga mevrouw Westerveld toch teleurstellen. Ik sta hier ter vervanging. Ik heb nu niet op alles een antwoord. Dat is een vervelend antwoord, maar dat is wel de waarheid. Het lijkt me evident dat er dingen moeten veranderen. Volgens mij heeft de PVV dat ook al heel vaak aangegeven. Ik kan u wel meegeven dat ik mij er echt in ga verdiepen. Ik weet zeker dat wij ons daar hard voor gaan maken. In de afgelopen periode — het waren jammer genoeg maar elf maanden — hebben we helaas niks kunnen doen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik had eigenlijk dezelfde vraag, dus die zal ik niet herhalen. Maar de PVV erkent wel ... De bijdrage gaat heel erg in op de William Schrikker Stichting. Dat is ook terecht. Daar moeten we kritisch naar kijken. Maar als we de inspectierapporten van nu en eerder lezen, dan blijkt daaruit dat er een fundamentele oorzaak zit in het stelsel. Ik wil de PVV vragen of ze dat in ieder geval erkent. Is die erkenning er wel?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Zeker. Die erkenning is er zeker. Dat kan ik u meegeven.

Mevrouw Dobbe (SP):

U erkent dus dat het systeem kapot is en niet functioneert, waardoor dit soort incidenten … "Incidenten" klinkt een beetje ongevoelig. Er kunnen binnen dit stelsel verschrikkelijke dingen met kinderen gebeuren vanwege deze oorzaken. Erkent de PVV dan ook dat het niet helpt als je het niet hervormt, vernieuwt of verbetert, maar er wel een half miljard euro vanaf schaaft met de kaasschaaf? Dat moet over vier weken allemaal ingaan.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nogmaals, de PVV gelooft niet dat het alleen maar aan het geld ligt. Het heeft ook te maken met de wijze waarop mensen zijn ingezet. U zegt dat "incidenten" een beetje te licht klinkt. Maar dit zijn natuurlijk niet zomaar incidenten. Dit zijn verschrikkelijke misdrijven. Dat is wat het is. Het zijn gewoon misdrijven die tegen die kinderen worden gepleegd. We kunnen nu wel steeds zeggen "het stelsel, het stelsel", maar voor ons is het allerbelangrijkste dat we die stichtingen nu sowieso gaan aanpakken. Ik denk dat ik dat vandaag wil meegeven. Want elke keer blijkt — dat hoor je ook terug in de andere inbrengen — dat de verantwoordelijkheid niet wordt genomen of dat men zegt "die ligt niet hier maar daar", met als gevolg dat uiteindelijk niemand meer verantwoordelijk is. Daarom is mijn oproep aan beide staatssecretarissen om daar nu eens keihard op te gaan handhaven, daar consequenties aan te verbinden en daar wat aan te gaan doen. Dit soort stichtingen mogen wat ons betreft namelijk niet verder handelen. Dat kan gewoon niet.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

We kunnen vandaag wél zeggen: stelsel, stelsel. Dat is inderdaad waar we het over hebben, omdat het stelsel volgens deze rapporten — dat zeggen ze nu ook weer en jaren geleden zeiden ze dat ook al — niet werkt. Mijn vraag was vrij simpel: vindt de PVV ook dat als je ziet dat een stelsel kapot is en de jeugdzorg, de jeugdbescherming kapot is en niet functioneert, en iedereen dat erkent, het dan niet helpt — nee, geld is niet de oplossing voor alles — als je een half miljard euro, zonder plan, uit dat stelsel schaaft?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Of het niet helpt ... Die discussie kunnen we voeren, maar ik weet ook niet of het helpt als het er wel was gebleven, want het is wel gebleken dat het tot op heden ook niet ging.

De heer El Abassi (DENK):

Ik heb twee vragen. De eerste gaat over de opsomming van de feiten door de PVV. Die zijn inderdaad walgelijk. Alleen, ik miste ook iets in die opsomming, namelijk dat Daisy, een van de pleegouders, sprak over "zwartjes", en dat ze ervan schrok dat een van de moeders een hoofddoek had. Wat vindt de PVV van dat soort uitspraken? En wat wil de PVV eraan doen om te voorkomen dat etniciteit, afkomst, een rol speelt bij pleegouders om over te gaan tot dit soort gruwelijke daden?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik schrik eigenlijk best wel van wat u zegt, want ik ben echt niet bekend hiermee. Dus het is nieuw voor mij; laat dat duidelijk zijn. Het lijkt mij evident dat je dat echt niet kan zeggen. Dus dat wijs ik te allen tijde af.

De heer El Abassi (DENK):

Ik ben blij om vanuit de PVV te horen dat dit soort dingen echt niet gezegd mogen worden, ook niet omwille van de vrijheid van meningsuiting of om welke reden dan ook. Tegelijkertijd kan dit gewoon teruggezocht worden. Er is twee weken geleden een programma op tv geweest waarin dit allemaal naar boven kwam. Los van de vraag of je dat gezien hebt of niet, heb ik de volgende vraag. Als deze uitspraken gedaan zijn, is de PVV dan niet alleen bereid om te zeggen dat ze dit walgelijk vindt maar ook om aan mijn zijde te staan als ik straks bijvoorbeeld met een motie kom om dit soort uitspraken, die kunnen leiden tot bepaalde daden, aan te pakken?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nogmaals, excuses dat ik niet op de hoogte was van dit voorval. Ik heb dat gewoon niet gezien of gelezen. U kunt mij dat niet nadragen, lijkt mij. Ik kan u nu niets toezeggen over wat voor moties wij steunen, maar ik vind het walgelijk als bepaalde mensen zoiets zeggen; we hebben het over kinderen. Het lijkt me evident dat dat gewoon niet kan.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt.

De heer El Abassi (DENK):

Ik constateer dat de PVV die uitspraken walgelijk vindt ...

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ja, dat lijkt me logisch.

De heer El Abassi (DENK):

... maar als ik kom met een motie, dan ben ik benieuwd of de PVV die steunt. Zo nee, dan kan ik niet anders dan constateren dat het blijft bij woorden en er geen daden volgen.

Voorzitter. Ik heb nog een andere vraag, over de William Schrikker Stichting. Terecht geeft de PVV aan daar heel veel kritiek op te hebben. Wat ontbreekt is namelijk dat de gezinnen, de biologische ouders, vertrouwd worden. Ook ontbreekt er toezicht op de William Schrikker Stichting.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer El Abassi (DENK):

Mijn vraag aan de PVV is of zij er alles aan wil doen om een controlemechanisme op deze stichting in te bouwen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dat willen wij zeker wel. Ik kan wel toezeggen dat wij dat ook willen, want dit moet stoppen.

De heer El Abassi (DENK):

Dan moet ik toch nog een constatering doen. Ik heb namelijk al een motie ingediend om er alles aan te doen om een onafhankelijk controlemechanisme in te bouwen bij deze stichtingen, omdat ze niet gecontroleerd werden. Opvallend was dat de PVV tegen heeft gestemd. Ik kan niet anders dan concluderen dat ook hier de PVV het houdt bij harde woorden, prachtige woorden, maar dat als het aankomt op daden, ik de PVV gewoon iets anders zie doen. Dat vind ik jammer.

De voorzitter:

Mevrouw Van Meetelen, wenst u daar nog op te reageren?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee, dat neem ik voor kennisgeving aan.

Mevrouw Straatman (CDA):

Mevrouw Van Meetelen stelt heel kritische vragen over de William Schrikker Stichting. Die deel ik; die hebben wij ook gesteld. Tegelijkertijd heb ik ook het gevoel dat mevrouw Van Meetelen op zoek is naar één schuldige in het stelsel om aan te wijzen en dan snel bij de gecertificeerde instellingen uitkomt. De inspecties tonen het volgende probleem aan; dat werd gisteren tijdens de technische briefing herhaald door de inspecties. Stel dat de stichtingen alle verbetervoorstellen doorvoeren die zij doen, op de maximaal mogelijke manier. Dan is er nog geen vertrouwen dat er geen fouten kunnen komen. Is mevrouw Van Meetelen dus niet te veel op zoek naar een schuldige in het systeem? Wijst zij niet ten onrechte te veel naar de gecertificeerde instellingen, terwijl het hele systeem niet deugt?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Nee. Kijk, ik heb zojuist al aangegeven richting mevrouw Dobbe dat er van alles aan het stelsel moet gebeuren, maar dat we heel erg zeker weten dat hier een schuldvraag ligt. Deze mensen hebben dit gedaan. Daar gebeurt nu dus niks mee. Wij willen er nu dus sowieso de focus op hebben dat er iets in werking wordt gesteld, zodat dit wordt aangepakt. Ik wil niet per se één stichting de schuld geven, maar dit is wel de stichting die schuldig is aan het plaatsen van de kinderen die deze ellende hebben ondergaan.

Mevrouw Straatman (CDA):

Misschien een korte toevoeging. Ik denk dat het wel goed is dat we de nuance aanbrengen en die scherp houden, omdat hier heel veel mensen met heel hun ziel en zaligheid werken om het beste te doen voor kinderen. De inspectie concludeert dat ook bij de William Schrikker Stichting het bestuur alles doet binnen zijn macht. Dan mogen we hele kritische vragen stellen over of dit nu voldoende is, maar ik denk dat de nuance ook terecht is dat er heel veel mensen met hart en ziel werken en dat het onvoldoende en onterecht is om maar naar één iemand te wijzen binnen een heel stelsel dat faalt, waarin het een systeemfout is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dit ook te makkelijk. Er zijn zo'n 20.000 pleegkinderen. Er zijn nog veel meer kinderen die een of andere vorm van jeugdzorg krijgen. Er zijn tienduizenden hulpverleners. We hebben het debat over Vlaardingen gehad. Het was heel goed dat alle partijen daar heel kritisch over waren. Vervolgens is het wel onze taak om dat stelsel aan te passen. Dat zeggen ook de inspecties. Dat zeggen ook de onafhankelijke onderzoekers van de commissie-De Winter en de commissie-Samson. Ik kan nog veel meer rapporten erbij pakken.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan vind ik de stelling van de PVV, "we hebben helaas niets kunnen doen de afgelopen tijd", veel te makkelijk. Mijn vraag is dus: gaat de PVV dan de komende tijd wel verantwoordelijkheid nemen? Dan bedoel ik niet alleen roepen dat het niet goed is, maar uiteindelijk ook echt wat doen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik kan mevrouw Westerveld in ieder geval toezeggen dat mijn collega mevrouw Schilder op haar dossier en ik ons hier in ieder geval heel erg hard voor gaan inzetten.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Maar waarom is dat dan de afgelopen twee jaar niet gebeurd?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Mijns inziens is dat wel gebeurd, dus ja. Maar dat zult u mijn voorganger moeten vragen. Volgens mij heeft mijn voorganger zich hier wel voor ingezet.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Zou de PVV het wellicht een goed idee vinden om als inspectie naast toezicht te houden op de gecertificeerde instellingen, wat dus vaak misgaat, ook rechtstreeks toezicht te houden op de pleeggezinnen?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik denk dat wij daar wel positief tegenover kunnen staan.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Meetelen. Dan zijn we aangekomen bij het tweede heugelijke moment van dit debat. Dat is de maidenspeech van mevrouw Wendel, die haar bijdrage zal leveren namens de fractie van de VVD. Mevrouw Wendel heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen interrupties, maar wel na het leveren van haar bijdrage. Mevrouw Wendel, u heeft het woord.

Mevrouw Wendel (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Vandaag sta ik hier voor mijn maidenspeech. Met trots, omdat ik die eer heb, maar ook met een brok in mijn keel, want het debat van vandaag gaat over kinderen die niet in veiligheid kunnen opgroeien. Vanwege dit belangrijke onderwerp wil ik dus interrupties toestaan, maar bij voorkeur achteraf.

Als u mij ruim tien jaar geleden had gezegd dat ik hier vandaag zou staan, dan had ik u nooit geloofd. Ik ben opgegroeid in het Drentse Norg, een dorp met vele verenigingen, sportwedstrijden en de Feest4Daagse. Het is een dorp met betrokken inwoners die voor elkaar klaarstaan. Dat is noaberschap en daar ben ik trots op. Tijdens mijn middelbareschooltijd werkte in een plaatselijk restaurant. Ik korfbalde, ik tenniste en ik ging naar de jeugdsoos of de dorpskroeg. Ik was in ieder geval niet bezig met politiek. Ik had geen flauw idee. Eerlijk gezegd interesseerde het me ook niet. Tot ik besefte dat de politiek in Den Haag zich wel met ons bezighoudt en dat het dan belangrijk is dat we daarover meepraten en er onderdeel van zijn.

Na de middelbare school verhuisde ik naar Leeuwarden om integrale veiligheid te gaan studeren. Tijdens mijn studententijd werd ik actief binnen de JOVD, waar ik me kon inzetten en waar ik uiteindelijk landelijk voorzitter van was. Als voorzitter van de JOVD zette ik me in voor onderwerpen die belangrijk zijn voor jongeren, zoals mentale gezondheid en het tegengaan van seksueel geweld. Na mijn voorzitterschap ging ik aan het werk als veiligheidsadviseur. Daar heb ik situaties gezien waarin de meest kwetsbare mensen niet de zorg kregen die ze zo hard nodig hadden, maar in plaats daarvan werden mishandeld en uitgebuit. Ik heb gezien hoe ouders wapens verstopten tussen het kinderspeelgoed. Ik zag hoe ouders kinderen lieten slapen in een ruimte vol met wietplanten. Als politiek moeten we opstaan en misstanden als deze keihard aanpakken.

Voorzitter. Dat brengt mij tot het onderwerp van dit debat. Voor mij als liberaal is het heel belangrijk dat kinderen gelijke kansen krijgen. Een kind verdient de kans om zichzelf te ontwikkelen, om te worden wie hij of zij wil zijn. Maar dit kan alleen wanneer kinderen in veiligheid opgroeien, in een veilig thuis, omringd door mensen waarop ze kunnen vertrouwen, in een omgeving waar mensen naar ze omkijken. Ieder kind heeft recht op het noaberschap waar ik in opgroeide.

Vorige week kregen we het bericht over het gezinshuis in Niekerk, een dorp vlak bij de plek waar ik opgroeide. Twee jonge kinderen zijn daar drie jaar lang ernstig mishandeld. Ook de situatie van het pleegmeisje in Vlaardingen was verschrikkelijk. Dit zijn geen incidenten. Er zijn structurele problemen in de jeugdbeschermingsketen. Als Kamerlid voel ik me er verantwoordelijk voor om deze problemen het hoofd te bieden. Als instanties ingrijpen, moeten ouders en kinderen erop kunnen vertrouwen dat dit op een goede manier gebeurt en dat het kinderen veiligheid biedt.

Daarom heb ik een aantal vragen aan de staatssecretarissen. Uit de rapporten blijkt dat onveilige situaties niet op tijd worden gezien en dat er dus niet op tijd wordt gehandeld, door onvoldoende betekenisvol een-op-eencontact. Ik wil de staatssecretaris vragen hoe het mogelijk is dat kinderen zó weinig gehoord en gezien worden. Wat de VVD betreft mag dit niet langer zo doorgaan. Kan de staatssecretaris van JenV toezeggen ervoor te gaan zorgen dat regelmatig betekenisvol een-op-eencontact de standaard wordt?

Jeugdbeschermers, waar een zwaar tekort aan is, zijn ook heel veel tijd kwijt aan het regelen van jeugdhulp. De VVD steunt de Hervormingsagenda Jeugd, die stelt dat jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor kinderen die deze het allerhardst nodig hebben. De staatssecretaris van VWS heeft toegezegd om met een routekaart te komen in de zomer van 2025, maar deze heeft de Kamer helaas nog niet mogen ontvangen. Graag wil ik de staatssecretaris via de voorzitter vragen om deze ons voorafgaand aan het WGO Jeugd alsnog toe te sturen.

Zowel het pleegmeisje in Vlaardingen als de kinderen in het gezinshuis in Niekerk stonden onder voogdij van de William Schrikker Stichting. Na de incidenten in Vlaardingen heeft deze stichting de dossiers van pleeg- en gezinshuizen gecontroleerd. Bij zaken waar onvoldoende zicht op de veiligheid van de kinderen was, is een nieuwe veiligheidsbeoordeling uitgevoerd. Er zouden dan geen dossiers meer zijn waarbij er onvoldoende zicht is op de veiligheid van kinderen. Hoe kan het dan dat de kinderen in Niekerk na zo'n toetsing toch in gevaar zijn gekomen? Heeft de staatssecretaris er zicht op of er nog meer kinderen in dit soort onveilige situaties zitten? In de brief van afgelopen dinsdag lees ik dat het toezicht op de William Schrikker Stichting juist is versoepeld in plaats van aangescherpt. Ik hoor graag van de staatssecretaris waar dit vertrouwen op gebaseerd is.

Bij verschillende incidenten werd duidelijk dat kinderen bij pleegouders of gezinshuizen zijn weggehaald om veiligheidsredenen, waarna er een paar maanden later weer nieuwe kinderen werden geplaatst. In het geval van de kinderen in Niekerk gebeurde dat na een verbetertraject voor de pleegouders. Is de staatssecretaris van mening dat we pleegouders of gezinshuizen na dergelijke excessen überhaupt wel een verbetertraject zouden moeten geven? We hebben het immers over mensen die omgaan met zeer kwetsbare kinderen. Wat de VVD betreft past daar geen verbetertraject bij.

Uit het rapport blijkt ook dat er problemen zijn in de samenwerking tussen gecertificeerde instellingen en ketenpartners. Ik wil de staatssecretaris vragen hoe hij de samenwerking binnen de jeugdbescherming op korte termijn gaat verbeteren. Hoe gaat de staatssecretaris zorgen voor duidelijke afspraken, taken en verantwoordelijkheden? Met het toekomstscenario zijn er plannen, maar de GI's zijn afgehaakt. Hoe gaat de staatssecretaris iedereen weer om tafel krijgen en houden? Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat de verbeteringen snel worden doorgevoerd?

Tot slot wil ik van beide staatssecretarissen weten hoe zij hun stelselverantwoordelijkheid ten aanzien van de jeugdzorg en de jeugdbescherming willen invullen. Hoe geven zij opvolging aan de aanbeveling van de inspecties om het voortouw te nemen?

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Het is van cruciaal belang dat kinderen in veiligheid kunnen opgroeien, dat kinderen de kans krijgen om zichzelf te ontwikkelen en om te worden wie zij willen zijn. Ik constateer structurele problemen in de jeugdbeschermingsketen. Ik trek de komende periode dan ook graag op met collega's van andere partijen om het stelsel te verbeteren en kinderen en hun ouders te helpen, zodat kinderen in veiligheid kunnen opgroeien.

Dank u wel.

De voorzitter:

Er mag geroffeld worden.

(Geroffel op bankjes)

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik wil mevrouw Wendel bedanken voor de mogelijkheid om vragen te stellen. Dat is toch altijd fijn bij een belangrijk debat als dit. Terecht constateert zij ook dat er structurele problemen zijn in het stelsel. In mijn bijdrage gaf ik aan dat ik vind dat de Kamer daar een belangrijke rol in speelt. Die kan een volgend kabinet, en dit kabinet trouwens ook al, eraan blijven herinneren dat het echt beter moet. Ik zou mevrouw Wendel willen vragen welke mogelijkheden zij ziet om vanuit de Kamer te zorgen dat het stelsel structureel verbeterd wordt. De afgelopen jaren is daar namelijk gewoon te weinig aan gebeurd.

Mevrouw Wendel (VVD):

Dank u wel voor deze vraag, mevrouw Westerveld. Ik zie dit ook direct als uitnodiging. Voor mij is dit debat namelijk een start. De afgelopen twee weken heb ik me echt met ziel en zaligheid op dit dossier gestort. Ik schrik namelijk heel erg van de verschrikkelijke incidenten die we, in alle eerlijkheid, eigenlijk geen incident kunnen noemen. Ik zou dus ook graag samen met u, die zich al jarenlang inzet op dit onderwerp, zeg ik via de voorzitter, op zoek gaan naar concrete voorstellen om het systeem te verbeteren. Ik denk dat we vandaag al met een aantal zaken aan de slag gaan. Ik denk wel dat vandaag, in ieder geval voor mij, het begin is. De komende jaren wil ik samen optrekken. Ik wil hier niet alleen staan na verschrikkelijke incidenten, maar continu kijken hoe het staat met de voortgang van de Hervormingsagenda Jeugd en het toekomstscenario. Gaat het de goede kant op? Helpt het de ouders en de kinderen daadwerkelijk?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Wendel. Ik heb het genoegen om u als eerste de hand te mogen schudden. Ik wil u vragen om daarna voor het rostrum felicitaties in ontvangst te nemen. De vergadering is voor een enkel ogenblik geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van de BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Hoe kan de bescherming van een kind zo falen? En het gebeurt niet één keer, maar meerdere keren. Hoe kan een meisje dat veiligheid en zorg nodig had, eindigen in een kooi, met botbreuken en hersenletsel? Hoe leg je aan een samenleving uit dat de daders slechts acht jaar cel krijgen, zonder tbs, omdat ze toch nooit meer pleegouders zouden worden? Hoe kan het dat twee kinderen in een gezinshuis jarenlang werden mishandeld terwijl signalen bekend waren? Dat is niet alleen het falen van individuen. Dat is het falen van een stelsel. Dat raakt ons allemaal. De verhalen uit Vlaardingen en Noord-Nederland zijn hartverscheurend. Kinderen werden niet gehoord; hulpverleners spraken niet met elkaar. De inspecties zijn glashelder: er is onvoldoende zicht op veiligheid, er is te weinig een-op-eencontact, de samenwerking is gebrekkig en passende hulp komt te laat. Dat blijft wat ons betreft onacceptabel. De samenwerking met informele steunpersonen moet worden versterkt. Kinderrechters moeten beter worden betrokken. Reflectiemomenten binnen de jeugdbescherming moeten structureel worden bevorderd.

Voorzitter. Goede jeugdzorg begint niet op een wachtlijst, maar in de buurt, in de wijk en op school. Het citaat in de NRC "waarom konden al die hulpverleners mijn zusje niet helpen?" is de kern van wat er in deze discussie misgaat. Soms maakt jeugdzorg de problemen namelijk erger. Jeugdzorg zou moeten luisteren naar het kind, niet alleen naar het dossier. Geef kinderen een stem, niet een stapel papier. BBB gelooft in buurtteams, jongerenhubs en steun vanuit familie en vrienden. Niet elk probleem vraagt om een traject. Soms is steun in de eigen omgeving genoeg. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat problemen al vroeg gesignaleerd worden en dat er meer preventie komt, zodat erger wordt voorkomen en zodat de aanwas naar de jeugdzorg kleiner wordt? Welke wettelijke belemmeringen kunnen worden weggenomen zodat instanties kunnen samenwerken? Daar zijn al wat succesvolle experimenten mee geweest.

Ook wil BBB dat deze wake-upcall leidt tot echte verandering. Elk kind dat onder toezicht staat, moet in een ideale situatie een vaste jeugdzorgwerker hebben en niet op een monitorlijst belanden. Het rapport "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" laat zien dat het ontbreken van betekenisvol contact desastreuze gevolgen heeft. Daarom pleiten wij voor structureel een-op-eencontact tussen jeugdbeschermer en kind, zonder een pleegouder erbij, zodat het kind vrijuit kan spreken. Ik vraag de staatssecretaris hoe dit op een goede manier kan worden geregeld.

Daarnaast moet een vertrouwenspersoon, zoals Jouw Ingebrachte Mentor, een zogenaamde JIM, wat ons betreft verankerd worden. Dit geeft kinderen een stem en voorkomt dat ze verdwalen in een systeem van wisselende gezichten. Wat is hiervoor nodig? Hoe kan de staatssecretaris ervoor zorgen dat elk kind met een maatregel een vaste jeugdzorgwerker krijgt en niet op een monitorlijst belandt? Wat is daarvoor nodig? Komt er een verplichting voor een-op-eengesprekken met kinderen, zoals de inspecties aanbevelen? Zijn daar genoeg middelen en capaciteit voor? Is de staatssecretaris bereid wettelijk vast te leggen dat ieder kind recht heeft op een vertrouwenspersoon? Wat zijn hierin de eventuele hobbels die moeten worden weggenomen?

Voorzitter. We moeten ook de cultuur bij de jeugdbescherming doorbreken. In het rapport Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel wordt benadrukt dat professionals niet altijd weten of een kind veilig is en of het goed gaat met het kind. Dat bespreken zij ook niet genoeg met elkaar. BBB wil daarom verplichte reflectiemomenten en casusdiscussies in teams.

Verder vraag ik me af: kan iedereen wel vrijuit spreken? Voelen jeugdbeschermers zich niet gehinderd door allerlei protocollen en regels? Is daar überhaupt een beeld van? Dat vraag ik de staatssecretaris.

Verder moeten gemeenten stoppen met noodzakelijke hulp om financiële redenen blokkeren. Geef kinderrechters de bevoegdheid om therapieën en behandelingen dwingend voor te schrijven. Voor complexe casussen moet de regie terug naar het Rijk, met regionale inkoop van de zware jeugdhulp en gedeeltelijke terugdraaiing van de decentralisatie. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Hoe voorkomt de staatssecretaris dat gemeenten om financiële redenen noodzakelijke hulp blokkeren? Hoe gaat de staatssecretaris de cultuur doorbreken en tegenspraak in teams afdwingen? En is de staatssecretaris bereid de regie voor zware jeugdhulp terug te halen naar het Rijk?

Voorzitter, tot slot. Kinderen hebben geen tijd voor een hervormingsagenda die vastloopt. Ze hebben recht op veiligheid, op een stem en op echte bescherming. Laten we daar als Kamer vandaag echt stappen in zetten.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Er is een interruptie van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Van der Plas vroeg bij een aantal van haar vragen: wat is daar nou voor nodig? Deze punten en vragen zijn ook aan de orde gesteld in het debat over de afschuwelijke mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen. Toen was het antwoord van de toenmalige staatssecretaris Struycken op heel veel van onze vragen: het toekomstscenario. Hij zei daarbij dat hij dan wel nodig had dat bij de Voorjaarsnota de financiële middelen zouden worden geregeld, zodat hij dat toekomstscenario zou kunnen uitvoeren. Daar zou hij zich voor inzetten. Via de voorzitter: u, mevrouw Van der Plas, deed met drie andere fractievoorzitters die onderhandelingen voor de Voorjaarnota. Er is toen geen geld geregeld om dat toekomstscenario uit te voeren. Ik zou mevrouw Van der Plas dus willen vragen wat er het afgelopen jaar is gebeurd.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Wat mevrouw Westerveld zegt, is niet helemaal waar, want bij de Voorjaarsnota heeft juist BBB geregeld dat er tussen 2025 en 2027 nog 3 miljard wordt uitgetrokken. Wij hebben geregeld dat de gemeentefondsen er per jaar 1 miljard euro bij zouden krijgen. Als wij niet aan tafel hadden gezeten, was dat niet gebeurd, want de andere partijen hebben dit niet opgebracht. Dat hebben wij opgebracht; we hebben ons daar sterk voor gemaakt. Dus nogmaals, dat is niet helemaal waar. Met dat extra geld — nou ja, "extra"; de gemeenten zouden in grote problemen komen als dat er niet was geweest — kan een deel van de jeugdzorg in de gemeenten worden betaald. Ik begrijp het. Mevrouw Westerveld doelt op die 500 miljoen die nog boven de markt hangt. Nee, niet? Oké. Licht het even toe.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat kan ik doen. Mevrouw Van der Plas heeft het nu over de jeugdzorg. Dat begrijp ik, want die stelsels grijpen op elkaar in. Ik heb het specifiek over de jeugdbescherming. Voor de jeugdzorg komt er inderdaad extra geld voor gemeenten, omdat in de afgelopen jaren de instroom zo is gestegen dat gemeenten forse financiële problemen hebben. In het debat over de jeugdbescherming — daar ging het specifiek over in het debat over "Vlaardingen" en ik probeer het daar ook specifiek over te hebben — zei staatssecretaris Struycken: "Het toekomstscenario zorgt ervoor dat er betere hulp komt voor kinderen en gezinnen. Dat wil ik verder gaan uitrollen. Maar voor die uitrol zijn wel financiële middelen nodig. Dat wil ik gaan regelen in de Voorjaarsnota." Toen kwam de Voorjaarsnota en bleek dat er nul euro voor stond. Het woord "toekomstscenario" stond er niet eens in. In die onderhandelingen over de Voorjaarsnota ging het specifiek over het toekomstscenario voor de jeugdbescherming. Ik vraag mevrouw Van der Plas nu wat daar nou mee is gebeurd. Dat was toen namelijk wel het antwoord van het kabinet. En in de kabinetsbrief die gisteren of eergisteren kwam — het was eergisteren — stond ook heel vaak het toekomstscenario genoemd.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

In onderhandelingen over een voorjaarsnota moeten er gewoon harde keuzes worden gemaakt. Mocht GroenLinks-PvdA in een kabinet komen, dan zal het daar zelf ook tegen aanlopen. Er zijn heel veel wensen, die ook wel op tafel komen, maar op dat moment zaten we met vier partijen aan tafel en konden sommige dingen niet worden geregeld, omdat daar geen overeenstemming over kwam. Wij hebben er in ieder geval voor kunnen zorgen — dat melde ik net al — dat er 1 miljard euro aan het gemeentefonds wordt bijgedragen. Dat is onze inzet geweest. Je kunt niet alles regelen. Ik zou ook echt alles willen regelen voor alles wat er misgaat in Nederland. Ik zou echt miljarden naar de politie en naar de zorg willen laten gaan. Maar als je in een onderhandeling zit, dan moeten er wel keuzes worden gemaakt, hoe plat dat ook klinkt. Het nieuwe kabinet staat voor een best wel grote opgave. Die keuze moet straks ook worden gemaakt. Wij zullen ons blijven inzetten voor hervorming, voor kijken waar dingen beter kunnen. Geld is niet altijd dé oplossing. Het kan bijvoorbeeld ook door het wegnemen van allerlei regeldruk. Daar ben ik in mijn inbreng al op ingegaan.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik zeg niet dat geld de oplossing is voor alles. Ik zeg ook niet dat ik alles wil regelen. Maar ik wil het wel voor de jeugdbescherming. Wat mij verbaast is dat er hier ook voortdurend vragen aan het kabinet worden gesteld door mensen die er in de afgelopen jaren wel wat aan hadden kunnen doen. Als dit maar zo blijft doorgaan, dan zitten we over een paar jaar weer met de situatie dat we in inspectierapporten kunnen lezen wat ze ook al in 2019 schreven, en dan gebeurt er nooit wat. Dat vind ik dus lastig aan dat er hier de hele tijd vragen worden gesteld. Als puntje bij paaltje komt, zo merk ik toch heel vaak, staat jeugdbescherming ergens onderaan op het prioriteitenlijstje en is er geen enkele partij die daadwerkelijk boter bij de vis levert en daadwerkelijk de jeugdbescherming wil verbeteren. Dat vind ik een ingewikkelde, want dan blijven we tegenkomen dat kinderen in onveilige situaties zitten.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik deel de zorgen van mevrouw Westerveld helemaal. Op dit punt bestaat er, denk ik, geen licht tussen de zorgen die mevrouw Westerveld heeft en de zorgen die ik heb. Dat geldt ook voor de opvatting dat het opgelost moet worden. Nogmaals, er moeten keuzes worden gemaakt. Als straks de begroting van VWS aan de orde komt en er amendementen komen om deze bezuiniging terug te draaien — met een goede dekking daarvoor, zeg ik er wel even bij — waar wij ons ook in kunnen vinden, dan zullen wij daar altijd serieus naar kijken, natuurlijk.

Nog heel even het volgende. Vorige week is er een motie ingediend door GroenLinks-PvdA om 2 miljard naar Oekraïne te sturen. Vervolgens kwam er een motie van mevrouw Dobbe om investeringen in Oekraïne — dat vinden ook wij belangrijk; nationale en internationale veiligheid is belangrijk — niet ten koste te laten gaan van de voorzieningen in Nederland. En daar stemde GroenLinks-PvdA dan weer tegen. Dat begrijp ik dan ook niet. Wij zullen dus altijd keuzes maken. Ik zal altijd in overleg gaan met allerlei andere partijen die dat ook willen. Maar nogmaals, dan wachten we de begroting, en misschien een amendement van mevrouw Westerveld, af om deze bezuiniging terug te draaien.

De voorzitter:

Eén keer en kort, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Nou, we hébben op de vorige JenV-begroting een amendement ingediend, met een deugdelijke dekking, om de geplande oplopende bezuiniging op de jeugdbescherming terug te draaien. Daar stemden vorig jaar de coalitiepartijen, waaronder BBB, ook tegen. Dat is precies het probleem dat ik soms heb. Er wordt wel "we vinden het belangrijk" gezegd, maar als er dan heel concrete voorstellen liggen, stemmen de coalitiepartijen toch tegen.

De voorzitter:

Kort, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Kijk, iets kan een deugdelijke dekking zijn in de ogen van een partij, maar andere partijen kunnen zeggen: nu gaat het ten koste van A, B of C en dat willen wij niet. Het gaat er dus niet om of de dekking deugdelijk is. Het ligt eraan waar je dat dan vandaan haalt ...

De voorzitter:

Helder.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

... en wie daardoor benadeeld wordt. Die keuze maak je natuurlijk altijd. Maar nogmaals, als GroenLinks-PvdA in het kabinet komt, zal het tegen dezelfde zaken aanlopen. En dan zullen we het wel zien.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Ik nodig de heer Struijs uit voor zijn inbreng in de eerste termijn namens de fractie van 50PLUS. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):

Voorzitter, dank. Wij erkennen alle rapporten en de problemen die er zijn. Mijn betoog houd ik vanuit een beperkte en belangrijke invalshoek: al die politiemensen en rechercheurs die de laatste 30 jaar gewerkt hebben aan verschrikkelijke zaken, zoals in de zaak-Vlaardingen. Ik wil u toch even meenemen in de beelden die er bij politieagenten bestaan, en de vraag waarom die toch te weinig worden gedeeld in de Kamer. Ik ga specifiek nog even in op Vlaardingen, omdat ik daar ook een bescheiden rol in heb mogen spelen.

Dit betoog gaat over de kleine mens tegenover het grote onrecht. U moet zich het volgende voorstellen. Stel dat je moeder bent in heel moeilijke omstandigheden, dat je je kind in goed vertrouwen afstaat — dat is gebeurd in Vlaardingen — en dat je zelf niet vermogend en soms ook wat beperkt in je verbale kwaliteiten bent maar dit je overkomt. Ik wil toch even een heel grote sprong maken. Ik ben er heel blij mee dat ze uiteindelijk een heel goede advocaat en een heel goede woordvoerder had. Ze stond tegenover de William Schrikker Stichting en Enver, die een debat met zwaargewichten voerden tegen een klein mens. Dat is het beeld. Nu ga ik even dieper in op wat je ook terugziet in het rapport. Als die kleine mens onvoldoende wordt gehoord, zoals politiemensen die al die zaken hebben gedaan van kindermishandeling waarin het is misgegaan, recent nog, dan hebben wij hier een gebrek aan informatie. Die informatie doet ertoe. Die bepaalt wat we wel of niet doen.

Ik ga niet alle voorgaande sprekers af, want ik herken daar heel veel van. Ik heb een paar concrete vragen. Hoe kan het nou dat mensen die meldingen maken toch constant misleid zijn? De wijkagent doet een melding en krijgt teruggekoppeld: we zijn ermee bezig, maar het kind heeft ook veel fantasie. De school maakt een melding en het antwoord is: we zijn ermee bezig, maar het kind heeft veel fantasie. Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar de kern is: wie zorgt voor dit bericht? Dat was Enver, in overleg met William Schrikker. Hoe kan het dat je anderhalf jaar lang dit soort misleidende terugkoppelingen geeft, waarvan iedereen denkt: er wordt aan gewerkt en het gaat eens goedkomen? Hoe kan het dat tijdens een onderverscherpttoezichtstelling de William Schrikker in Vlaardingen toch Syrische jongens plaatste, en later ook het pleegkind? Gisteren zeiden de inspecties tijdens de technische briefing ook weer: dan monitoren wij een onderdeel en als dit in orde is, krijgen ze weer een certificaat en kunnen ze door. Niemand ziet het geheel der dingen. Dat vind ik ook goed aan het laatste rapport: waar blijft de coördinatie?

Nu nog even terug naar de vraag: zijn wij voldoende geïnformeerd? Ik heb daar twee vragen over. Als oud-recherchechef weet ik als geen ander dat de politie bij zaken met een grote maatschappelijke impact een bestuurlijke rapportage maakt op basis van de restinformatie. Daarin wordt aangegeven wat we ervan kunnen leren en wat het bestuur of de Tweede Kamer hiervan kan gebruiken. Mijn vraag aan het kabinet is: is zo'n bestuurlijke rapportage opgemaakt en, zo niet, kan die alsnog worden opgemaakt? Politiemensen hebben namelijk heel veel restinformatie die van belang is voor deze Kamer.

Mijn tweede vraag ziet op het moeilijke domein van de BIG, dus de spanning tussen geheimhouding en allerlei rapporten. Ik weet dat er indringend is gekeken naar medewerkers van Enver en William Schrikker, en dat er een aparte rapportage is gemaakt over wat er is misgegaan in het feitelijke toezicht. U heeft de voorbeelden hiervan al gehoord. Hoe zijn William Schrikker en Enver met deze rapportage omgegaan? Deze rapportage is namelijk niet ter beschikking van het OM gesteld en is dus ook niet naar de Kamer gestuurd. Hierin staan hele belangrijke dingen, die van belang zijn voor zowel het toezicht als de verschillende maatregelen die we gaan nemen. Ik besef dat ik er een klein segment uithaal, maar het is voor mij cruciaal dat de Kamer altijd voldoende geïnformeerd is. Nogmaals, ik verzoek heel indringend om hier alles op tafel te krijgen, om van daaruit verder te kunnen acteren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel, meneer Struijs, voor uw bijdrage. Dan ga ik de heer Stoffer uitnodigen naar het rostrum voor zijn bijdrage in de eerste termijn namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Dank, voorzitter. Overheidsmaatregelen in gezinnen zijn bijzonder ingrijpend. Als de overheid dat al wil doen, moeten de waarborgen van heel hoog niveau zijn. In Nederland begaat de overheid op dit moment in gevallen juist een dubbel kwaad: ze grijpt in en verergert vervolgens de kwaal. De maatregel zelf is al heftig voor de relatie tussen ouders en kinderen, maar het gevolg kan zijn dat ze voorgoed gescheiden raken. Precies hierover is Nederland dit jaar door het Europees Hof terechtgewezen. Inspecties laten opnieuw zien dat het geen incident was, maar helaas een bredere praktijk.

Voorzitter. De situatie die de inspecties beschrijven, is zeer ernstig. Het raakt de fundamentele vrijheden, de zekerheid en de veiligheid van burgers. Bovendien duurt dit inmiddels al jaren, zonder dat er perspectief op verbetering is. Nog erger is dat de inspecties inmiddels berusting merken bij de hoofdrolspelers. Eerlijk gezegd herkent de SGP dat gevoel na lezing van de brief van het kabinet. Veel bekende punten worden opnieuw onder de aandacht gebracht, zoals het toekomstperspectief; mevrouw Westerveld haalde het al een aantal keer aan. De inspecties zeggen dat ze er onvoldoende vertrouwen in hebben. Ik leg het hier maar in het midden van de zaal neer: zou het, gezien de ernst en de urgentie, geen tijd zijn om een ministeriële commissie in te richten?

Voorzitter. De inspecties vragen bestuurders om duidelijkheid en transparantie te bieden aan opdrachtgevers, jeugdigen, gezinnen, politiek en maatschappij over het feit dat ze hun wettelijke verantwoordelijkheden niet kunnen waarmaken. De SGP mist daarin een centrale speler: de rechter. Het is immers de rechter die het ontbreken van aanbod of de realiteit van ontoereikend aanbod mee moet kunnen wegen bij de indringende beslissing of een maatregel wordt opgelegd. Zonder transparantie hierover staat de rechtsbescherming van ouders en kinderen ernstig onder druk. We zien inmiddels zaken waarin rechters geen maatregel opleggen of een maatregel niet verlengen wegens het ontbreken van een serieus aanbod. Betekent het uniform informeren door instellingen ook dat rechters altijd een eerlijk en glashelder beeld krijgen van het aanbod dat de instelling daadwerkelijk kan bieden? Hoe beantwoordt het kabinet de principiële vraag of maatregelen van de kinderbescherming nog wenselijk zijn als het tijdelijk handelingsperspectief volstrekt ontoereikend blijkt en instellingen slechts schijnveiligheid bieden?

Voorzitter. Bij de maatregelen van het kabinet is de aandacht voor scheidingen de opvallend afwezige. Het onderwerp lijkt wel taboe. Maar het rapport van de deskundigencommissie-Van Ark verwoordt de problematiek indringend. In vrijwel elk gesprek dat de commissie heeft gevoerd, wijzen gesprekspartners erop dat de oorzaken van de problemen die jongeren ervaren in het merendeel van de gevallen te herleiden zijn tot problemen in het gezin of in de nabije omgeving. In meerdere gesprekken gaat het over de problematiek van complexe of vechtscheidingen. Volgens partners in het jeugdbeschermingsrecht is 70% — let op: 70% — van de jeugdzorgcasussen hieraan gerelateerd. Mijn vraag is, heel indringend: waarom kijkt het kabinet langs deze werkelijkheid heen in de verbeterplannen? Uit onderzoek blijkt namelijk dat volgens professionals nu te vaak een jeugdbeschermingszaak wordt gemaakt van een omgangsgeschil tussen ouders. Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze constatering? Wat doet hij eraan om dit te veranderen?

Het is opvallend dat het aantal gemeenten dat bezig is met relaties en scheidingen fors is gestegen. In 2021 ging het om 7%; nu is dat al een kwart. Dat is een goede ontwikkeling, maar uit het onderzoek blijkt dat gemeenten ondersteuning van het Rijk missen. De onderzoekers adviseren dat het ministerie van JenV in gesprek gaat met de samenwerkende regio's om onderzoek naar goede praktijken te faciliteren en om handvatten te bieden aan gemeenten. Mijn vraag is: gaat de staatssecretaris hiermee aan de slag?

Voorzitter. Een belangrijk knelpunt blijkt te zijn dat gemeenten het door de gecertificeerde instelling vastgestelde aanbod ter discussie stellen, terwijl die instelling het recht heeft om het aanbod te bepalen. Gemeenten willen dat recht in de praktijk overnemen, maar daardoor staan de effectiviteit van de jeugdbescherming en het gezag van de jeugdbeschermers onder druk. Hoe gaat het kabinet hiermee om? Is het recht van gecertificeerde instellingen ook de heldere basislijn in de nieuwe regionale samenwerking tussen gemeenten?

Voorzitter. Tot slot het toezicht op het stelsel. De situatie bij verschillende instellingen in de afgelopen jaren roept indringende vragen op over het functioneren van het stelsel. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat het Keurmerkinstituut certificaten uitreikt aan instellingen die volgens de inspectie op veel punten structureel niet voldoen aan de wettelijke normen voor toezicht? Welke rol speelt de kritiek van de inspectie in de doorontwikkeling van het normenkader en de certificering?

Voorzitter. Mijn tijd is op. Mijn tekst is ook uitgesproken. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Stoffer. U heeft alleen nog wel een interruptie van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Een mooi betoog. Ik kan me er goed in vinden. Dat toezicht op die gecertificeerde instellingen is dus niet voldoende. Hoe kijkt de SGP aan tegen het idee — ik hoop dat het laaghangend fruit is — dat we toch nog iets kunnen bereiken als Kamer door de inspectie op te dragen rechtstreeks toezicht te houden op de pleeggezinnen zelf? Hoe kijkt u daartegen aan?

De heer Stoffer (SGP):

Ik wil natuurlijk de inspectie niet zelf iets voorschrijven; zij heeft, denk ik, meer professionaliteit om haar eigen werkwijze vorm te geven en te verbeteren. Maar dit zou wel een suggestie kunnen zijn om te kijken of je dat kunt verbeteren, en dan niet bij ieder gezin, zoals ik hier af en toe hoorde langskomen. Je zou misschien — dat zouden we als suggestie mee kunnen geven — kunnen kijken of er in de risicosfeer incidenteel iets gedaan kan worden. Dat zou ik me kunnen voorstellen. Maar ik leg dat ook graag voor aan het kabinet, om te bezien of zij dat zouden willen doorgeleiden. Ik denk dat wij dat hier niet rechtstreeks moeten gaan voorschrijven, want als je niet uitkijkt, gaan we iets doen waar we zelf geen verstand van hebben. Maar ik kan me de suggestie goed voorstellen. Ik ben benieuwd hoe het kabinet reageert op het idee — dat geef ik er nog bij aan — om wellicht ook risicogestuurd werken als suggestie mee te geven.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor de welwillende woorden. Misschien valt het ook wel mee. Mevrouw Synhaeve zei zojuist: 50.000 gezinnen. Als je het snel uitrekent, denk ik dat je dat met vijftien fte al één keer per jaar zou moeten kunnen doen. We kunnen blijkbaar als Kamer — dat is dan mijn laatste vraag, via de voorzitter, aan de heer Stoffer — niks rechtstreeks opdragen. Dat is altijd mijn frustratie bij dit soort debatten: er gebeurt niks. Over vijf of acht jaar is het precies hetzelfde verhaal. We halen onze schouders op, er is berusting en het stelsel werkt niet. Je moet toch ergens de wil hebben om echt iets te doen als Kamer?

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter, ik zie mevrouw Synhaeve opstaan; die gaat vast een punt van orde maken.

De voorzitter:

Ik denk inderdaad dat zij een persoonlijk feit gaat maken.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Een punt van orde. 50.000? Dan is het wel heel snel gestegen. Ik zei 15.000.

De voorzitter:

We nemen het op in de Handelingen. Meneer Stoffer, wenst u nog te reageren?

De heer Stoffer (SGP):

Op zich kan ik me dat voorstellen, maar dan nog: ik denk dat we ervoor moeten uitkijken dat we als Kamer professionals dingen gaan opdragen waar ze niet direct bij gebaat zijn. Ik zou dus vooral als suggestie willen meegeven: kijk hoe het kabinet reageert en leg het uiteindelijk wel in handen van die professionals. Als je niet uitkijkt, gaan we brokken maken en ieder detail in de samenleving aansturen. Dit is een zaak waar we natuurlijk met elkaar over spreken. Het belang daarvan ligt volgens mij zowel bij de Kamer als bij het kabinet als bij de inspectie en bij de rest van de keten. Wat moet gebeuren is helder, maar ik denk dat we echt moeten uitkijken dat wij niet op detailniveau gaan inrichten hoe inspecties georganiseerd worden of hoe de samenleving überhaupt vorm krijgt. Dan krijg je namelijk, denk ik, iets wat wij niet aankunnen. Dan worden de brokken misschien nog wel veel groter.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Stoffer. Tot slot, van de zijde van de Kamer geef ik het woord aan de heer El Abassi voor zijn inbreng namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Dank u wel, voorzitter. De recente rapporten "Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel" en "Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt" bevestigen opnieuw het beangstigende beeld van de overheid die kwetsbare kinderen niet weet te beschermen. Verschillende casussen, zoals dat van het Vlaardingse pleegmeisje, laten zien dat de overheid kinderen in een horrorsituatie kan brengen en hen daar vervolgens in houdt. Bij het eerste kind dat geplaatst is bij het Vlaardingse pleeggezin, hebben vijfenhalf jaar aan procederen en 33 rechtszaken de biologische moeder niet geholpen om haar kind te redden. En dan de Syrische broertjes, die pas durfden te spreken toen zij letterlijk moesten worden weggetrokken van hun pleegouders. Dit gaat door merg en been. Kan de staatssecretaris aangeven wat hij concreet gaat doen om de ouders en pleegkinderen in dit soort situaties beter te ondersteunen?

Voorzitter. Ik sprak hier eerder mijn afschuw uit over hoe instellingen omgaan met kwetsbare kinderen. Met moeite vroeg ik naar de afkomst in het Vlaardingse dossier, omdat ik signalen had ontvangen van racisme. In de aflevering over de Vlaardingse pleegkinderen werd duidelijk dat de pleegouders daadwerkelijk racistisch waren: ze spreken over "zwartjes" en schrikken van een moeder met een hoofddoek. Racisme is al walgelijk, maar dat het leidt tot het opsluiten van een kind in een kooi met stroomdraden, een kind laten slapen in een hondenhok, een kind laten zitten in een emmer met zijn eigen ontlasting en een kind dwingen zijn uitwerpselen te eten, tart elke verbeelding. Ik noemde hen eerder "monsters", maar ik besef dat ik daar zelfs monsters mee beledig.

Voorzitter. Onderzoek laat zien hoe afkomst, taal en culturele context een rol kunnen spelen. Denk aan kinderen die de taal niet spreken, ouders die niet worden geloofd omdat hun emotie anders klinkt en zorgen van moeders met een migratieachtergrond die worden weggezet als "lastig" of "cultureel gekleurd". Daarom vraag ik aan de staatssecretaris opnieuw hoe hij gaat waarborgen dat afkomst, taal en cultuur standaard en verplicht worden meegenomen in signalering, risicotaxatie en besluitvorming. Ik heb hierover eerder een motie ingediend, die het helaas net niet haalde. Ik ben voornemens die motie opnieuw in te dienen. Ik hoop nu wel op een meerderheid te kunnen rekenen.

Voorzitter. Telkens wanneer je denkt dat we vanaf nu vooruit zullen gaan, worden we geconfronteerd met schrijnende gevallen, zoals onlangs nog. Ik heb het over de pleegkinderen van 9 en 10 die zijn geslagen, aan hun oren zijn getrokken, door een hond zijn gebeten en gedwongen werden om slavenarbeid te verrichten onder het mom van zorg. Ze mochten niet naar de huisarts en niet praten. Pas toen de schooldirecteur ingreep, kwam de waarheid boven tafel. De schooldirecteur moest ingrijpen! Het waren niet de instanties. Ook dit had nooit mogen gebeuren. Wat zegt dit over ons stelsel, over wie we geloven en wie niet? De cijfers liegen niet: 31% van de kinderen heeft periodes zonder jeugdzorgwerker en bijna 40% zegt vier of meer gezichten gezien te hebben. Noodzakelijke hulp komt te laat of niet. Gemeenten heroverwegen GI-besluiten, zelfs tegen rechterlijke uitspraken in. Wachtlijsten verdwijnen achter termen als "monitorlijst".

Hoe zorgen we ervoor dat kinderen voortaan veilig en verplicht een-op-een kunnen spreken, zonder pleegouders erbij? Ook hierover heb ik eerder een motie ingediend. Die werd wel gesteund, door een ruime meerderheid. Kan de staatssecretaris mij vertellen of deze motie überhaupt is uitgevoerd en, zo ja, hoe? Kan hij mij vertellen hoe het komt dat er nu ineens een aanbeveling is gekomen in het rapport om dit tot stand te brengen?

Voorzitter. Experts zeggen: toon leiderschap en neem verantwoordelijkheid. Laten we er alles aan doen om dit soort situaties te voorkomen, zodat dit nooit meer gebeurt. Elk kind verdient namelijk veiligheid en erkenning.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage, meneer El Abassi. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors de vergadering tot 13.25 uur voor de lunchpauze. Daarna zullen we gaan luisteren naar de beantwoording van het kabinet in eerste termijn.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.37 uur tot 13.25 uur geschorst.

Naar boven