10 Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen

Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • -het wetsvoorstel Wijziging van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 en enige andere onderwijswetten in verband met de landelijke borging van de uitvoering van ondersteuning van scholen en instellingen bij het onderwijs aan zieke leerlingen (Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen) (36530).

De voorzitter:

We zijn aangekomen bij de eerste termijn van de kant van het kabinet, van de staatssecretaris.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef hem daarom het woord. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Voorzitter, dank u wel. Per jaar worden er ruim 40.000 kinderen en jongeren opgenomen in een ziekenhuis. Een deel van hen is helaas ernstig ziek. Voor de kinderen en hun familie is dat zeer ingrijpend, maar ook op hun school heeft dit veel impact. De Kamer sprak daar al uitgebreid over. Ik heb het ook zelf met eigen ogen gezien in het Prinses Máxima Centrum voor kinderen met kanker. Duidelijk werd mij daar vooral ook dat hoe ziek een kind ook is, kinderen altijd nieuwsgierig blijven en altijd willen leren.

Maar hoe geef je dan onderwijs aan kinderen die ziek zijn, die ernstig ziek zijn en die tijdens de behandeling zijn opgenomen in het ziekenhuis of thuis zijn? Gelukkig bestaat in Nederland een prachtige voorziening die de school dan helpt. Dat zijn de circa 100 consulenten onderwijsondersteuning zieke leerlingen, oftewel de consulenten ozl. Dat gebeurt door de school te helpen het onderwijsprogramma aan te passen, of om via techniek de verbinding met de klas te behouden. Waar kinderen vroeger lang werden opgenomen en les kregen in ziekenhuisscholen, zijn tijden door vaccinaties en medische vooruitgang gelukkig veranderd. Daarom zijn in 1999 ziekenhuisscholen opgeheven en is bij wet geregeld dat de voorzieningen in de academische ziekenhuizen werden ingericht en onderwijsadviesbureaus in de regio de taak uitvoeren om scholen met zieke kinderen, zieke leerlingen te ondersteunen.

Vandaag ligt een voorstel voor om deze wet aan te passen. Niet het werk dat de consulenten doen verandert, maar wel de manier waarop we dat willen organiseren. Het voorstel regelt dat we gaan werken met één organisatie met de 100 consulenten in één team, één budget van zo'n 10 miljoen euro en een duidelijke taak, in plaats van de achttien organisaties met elk hun eigen subsidiebudget. Het is belangrijk dat we deze stap zetten, om vier eenvoudige redenen. Het is flexibeler. Het werk kan daar plaatsvinden waar het nodig is, zonder schotten tussen verschillende organisaties. Het is duidelijker: scholen, kinderen en ouders hebben één vast aanspreekpunt, ook als een kind vanuit het ziekenhuis naar huis gaat. Het bereik wordt groter, omdat we werken met één duidelijke voorziening en ook de leerlingen in het mbo bedienen. De kwaliteit wordt op den duur hoger en uniformer. Op dit moment zijn er te grote verschillen in de ondersteuning die door de achttien organisaties wordt geboden.

U vroeg in uw termijn aandacht voor een paar zaken. Ten eerste. De ondersteuning voor scholen blijft gratis, laagdrempelig en ook dichtbij georganiseerd. Per nota van wijziging is naar aanleiding van vragen uit uw Kamer verduidelijkt dat de stichting ook in de regio blijft werken. Consulenten blijven het werk doen in hun regio en in hun eigen netwerk. Voor 85% van de formatie geldt de overgang van onderneming. Degenen voor wie dat niet geldt, krijgen een aanbod vanuit de stichting. Daarbij is maatwerk mogelijk. Ook dat kan in deeltijd of als combibaan, waar velen van u ook al aandacht voor hebben gevraagd. De regering kiest er niet voor om naast de organisatiestructuur de doelgroep uit te breiden. De doelgroep is nu kinderen die lichamelijk ziek zijn. De expertise bij de consulenten is immers in decennia opgebouwd en ook heel specifiek. Het toewerken naar één organisatie voor deze doelgroep moet heel zorgvuldig gebeuren. Ik acht het daarom onverstandig om de doelgroep nu te verbreden. Kortom, we hebben het over een relatief kleine som geld en een relatief kleine groep leerlingen, zo'n 5.000. Het gaat om de inzet van 70 fte aan ondersteuning. Ondanks dat is dit wetsvoorstel wel cruciaal om het recht op onderwijs te borgen voor kinderen die ziek zijn en de prachtige ozl-voorziening toekomstbestendig te maken.

Meneer de voorzitter. Ik zal nu ingaan op de vragen die door uw Kamer gesteld zijn. Daarbij staat het belang van het kind voorop. Ik heb vier blokjes: een blokje over het belang van het kind en de consulent, een over de regio — daar zijn veel vragen over gesteld — een over de implementatie en een blokje overig. In mijn laatste blokje geef ik de appreciatie van de amendementen.

Ik kom bij mijn eerste blokje over het belang van het kind en de consulent. Ik begin met de vraag van de heer Kisteman, de heer Ceder en mevrouw Armut: hoe blijft het kind in het nieuwe stelsel op één staan? De voorziening blijft laagdrempelig, zoals ik al zei, en gratis. Kinderen staan voorop. Ze kunnen straks als gevolg van dit wetsvoorstel beter geholpen worden. Want consulenten kunnen makkelijker worden ingezet waar ze echt nodig zijn. Door de vorming van één stichting maakt het niet uit waar een kind ziek wordt, want overal wordt dan dezelfde ondersteuning geleverd. De ondersteuning van een leerling die uit het ziekenhuis wordt ontslagen, kan efficiënter worden voortgezet omdat alle consulenten straks voor één stichting werken. Scholen en ouders kunnen terecht bij één aanspreekpunt in plaats van bij verschillende organisaties.

De heren Ceder en Kisteman vroegen: klopt het dat in het wetsvoorstel efficiëntie en doelmatigheid vooropstaan, en niet het belang van het kind? Nee, dat klopt niet; dat heb ik net ook gezegd. Deze wijziging is juist nodig om de ondersteuning te borgen en deze duurzaam te behouden. Leerlingen kunnen als gevolg van dit wetsvoorstel beter worden geholpen; dat heb ik net gezegd en toegelicht.

Mevrouw Rooderkerk vroeg: hoe voorkomt u dat kinderen in de transitie tussen wal en schip vallen? Het antwoord daarop is dat de dienstverlening die nu al door de consulenten verleend wordt, ook onder de nieuwe stichting gewoon doorgaat. Wetende met hoeveel hart de ozl-consulenten zich dagelijks inzetten voor zieke leerlingen, heb ik er ook echt alle vertrouwen in dat geen kind tussen wal en schip zal vallen. Met de consulenten en organisaties werk ik de implementatie zorgvuldig uit. Dat ben ik al aan het doen en dat zetten we komend jaar ook voort. De voorlichting aan scholen en ouders wordt daar nadrukkelijk in meegenomen.

De heer Ceder van de ChristenUnie vroeg hoe de zienswijze van ouders en leerlingen is meegenomen. Die is meegenomen. Ouders wijzen ons op de huidige regionale verschillen in de ondersteuning en het behouden van de laagdrempelige ondersteuning. Dat onderstreep ik ook. Voor ouders en leerlingen heeft een landelijke stichting meerdere voordelen. Met één landelijke organisatie is er ook één aanspreekpunt. Daarnaast wordt er een belanghebbendenraad ingericht waar ouders en leerlingen in participeren. Ook komt er bij de stichting een meldpunt voor eventuele klachten.

Mevrouw Westerveld van GroenLinks-Partij van de Arbeid vroeg of er specifieke afspraken gemaakt kunnen worden over de vertegenwoordiging van leerlingen en oud-leerlingen. Voor de belanghebbendenraad wordt een reglement opgesteld. De vertegenwoordiging van zieke leerlingen en hun ouders in de belanghebbendenraad is van groot belang. Dat kan ook in de raad van toezicht. Dat zal ik meenemen bij de verdere uitwerking van de reglementen daaromtrent.

Mevrouw Beckerman vroeg hoe de ervaring van ouders en leerlingen wordt meegenomen in dit wetsvoorstel. Ik zei al dat de stichting een belanghebbendenraad krijgt. Medewerkers, leerlingen en ouders worden dan bevraagd op hun ervaringen met die nieuwe stichting. Dat zullen we ook onderzoeken in de wetsevaluatie.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Er werd zojuist antwoord gegeven op mijn vraag hoe we voorkomen dat er kinderen zijn die hierdoor tussen wal en schip vallen of niet de zorg krijgen die ze in het huidige systeem wel krijgen. De staatssecretaris gaf daarin aan: dat komt wel goed; maakt u zich geen zorgen. Maar hoe kijkt hij er dan naar dat al 24 van die 115 consulenten aangeven dat ze niet over kunnen naar die nieuwe stichting, bijvoorbeeld omdat zij ook ander werk doen en ze dat op deze manier niet kunnen combineren? Want dat heeft dus meteen impact op het aantal kinderen dat geholpen kan worden op deze manier.

Staatssecretaris Becking:

Dat begrijp ik ook, en die zorgen snap ik ook. Wat ik probeer te zeggen, is dat ik denk dat er door de betrokkenheid van de consulenten bij die kinderen juist heel veel neiging zal zijn om mee over te gaan en om die wel te blijven ondersteunen. Die betrokkenheid bij die kinderen is juist heel erg groot. En je kunt ook in die nieuwe constellatie flexibel blijven werken; er is geen belemmering in dat opzicht.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik schrik een beetje van dit antwoord, en dat is omdat het niet om heel veel mensen gaat; het gaat om 115 onderwijsconsulenten die ontzettend belangrijk werk doen. Het is een wet waaraan tien jaar is gewerkt, of waarvan het in ieder geval tien jaar heeft geduurd voordat die er lag sinds het onderzoek. 24 van deze consulenten, dus zeg maar een vijfde, zeggen dat ze niet meekunnen op deze manier omdat het niet flexibel is. Zij moeten bijvoorbeeld 24 uur dit werk doen, terwijl ze dat nu flexibel doen: de ene keer meer, de andere keer minder, en daarnaast ander werk. Dus die zorgen zijn er wel degelijk.

Staatssecretaris Becking:

Ja, en die zorgen begrijp ik ook. Tegelijkertijd staat de grote meerderheid van de consulenten positief tegenover deze wijziging. Dat blijkt ook uit de brief die ze hebben gestuurd en het is in de afgelopen jaren ook meerdere keren bevestigd. Dit betekent dat bij de consulenten die werken in de ziekenhuizen sprake is van een overgang van de onderneming. Zij komen dus in dienst van de stichting. Bij twee derde van de oab's geldt dat ook, dus dat is samen 85% van de formatie. Het overgrote deel doet ozl als een taak, als onderdeel van een breder takenpakket. Daar doelt u ook op. Daar heeft u ook aandacht voor gevraagd: kan dat straks ook? Het antwoord daarop is ja. Zij krijgen een aanbod om dat werk voort te zetten vanuit de stichting. Dat kan in deeltijd, maar het kan ook een combibaan zijn. Dus ik denk dat we daarmee voldoende waarborgen hebben ingebouwd om dat mogelijk te maken.

De voorzitter:

Mevrouw Rooderkerk, u heeft nog een interruptie voor de staatssecretaris.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ja, want het antwoord is dus nee. Want met het huidige aanbod kunnen deze mensen dus niet mee. En het maakt mij niet uit of 95% meekan. Het gaat gewoon om kinderen die nu echt hele belangrijke hulp krijgen, en om consulenten die daar heel goed en specifiek werk voor doen. Als die niet allemaal meekunnen, als een vijfde niet meekan, dan gaat dat heel veel kinderen niet verder helpen. Mijn vraag is dus echt heel concreet: gaat u nu iets extra's doen voor de consulenten, bijvoorbeeld die 24 van het onderwijsnetwerk Nederland, die nu aangeven "we kunnen niet mee volgens de huidige afspraken, want je moet bijvoorbeeld minimaal 24 uur werken en dat kan niet met mijn werk"?

De voorzitter:

"Gaat de staatssecretaris" ... Graag via de voorzitter praten.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, meneer de voorzitter. Dat precieze getal ken ik niet precies, maar daar wil ik straks graag nog even op terugkomen. Ik denk dat er echt voldoende waarborgen zijn ingebouwd om dit wel mogelijk te maken; 85% is natuurlijk ook een heel hoog aantal. Uiteindelijk denk ik dat de betrokkenheid van de consulenten zo groot is bij deze problematiek, dat ik ook verwacht dat er heel veel hiervoor zullen kiezen, dat dat ook in deeltijd kan en dat dat ook met een combibaan kan. Misschien niet iedereen, maar dat zullen we in de praktijk moeten zien.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik had heel graag gewild dat de staatssecretaris aan de voorkant had voorkomen dat we nu in deze situatie zouden zitten. Ik vind dit echt onzorgvuldig, als we het over zo'n kleine populatie kinderen hebben voor wie dit heel erg cruciaal en van belang is, en over 115 onderwijsconsulenten die heel belangrijk werk doen. Nu staan we op het punt om een deel te verliezen, en van tevoren zijn er geen gesprekken gevoerd over wat ze nodig hebben om het voor elkaar te krijgen dat ze allemaal meegaan. We hebben ze echt allemaal nodig om die kinderen ook echt deze hulp te kunnen geven. Dus ik hoop dat de staatssecretaris, wellicht in tweede termijn maar anders ook, de toezegging kan doen dat hij hierover in gesprek gaat en ook aanpassingen gaat doen om ervoor te zorgen dat zij wel degelijk naar die stichting over kunnen. We hebben al deze mensen gewoon nodig.

Staatssecretaris Becking:

Ik ben het ermee eens dat we al deze mensen nodig hebben. Ik bedoel, ik zal mijn uiterste best doen om te zorgen dat er zo veel mogelijk mensen overgaan. En ik wil er best nog wel even in tweede termijn op terugkomen om iets preciezer in te gaan op wat ik nog extra kan doen. Ja, dat kan ik doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik sluit mij helemaal aan bij deze vraag van mevrouw Rooderkerk. Ik denk dat dit een grote zorg is van een groot deel van deze Kamer, juist omdat het over een beperkt aantal mensen gaat, waarvan we allemaal hebben geschetst hoe belangrijk zij zijn — de staatssecretaris deed dat ook — vanwege hun netwerken, hun kennis en al hun ervaring. Wat wij als Kamer volgens mij heel scherp willen, is dat er voor de mensen die aangeven dat zij met de huidige afspraken niet meekunnen, aanvullende afspraken worden gemaakt, of misschien een andere vorm, waarin zij bijvoorbeeld gedetacheerd kunnen worden bij de stichting, zodat ze hun andere werkzaamheden nog kunnen voortzetten. Eigenlijk hoop ik dat de staatssecretaris die harde toezegging kan doen, want het is heel duidelijk dat een groot deel van de Kamer die harde toezegging zou willen.

Staatssecretaris Becking:

Wat ik nog kan zeggen, is dat we het komende halfjaar met iedere consulent in gesprek gaan over de vraag wat ze willen. Dan nog terzijde: de 22 mensen staan voor 7 fte, kreeg ik net mee. Dus ik denk dat we het wel in het perspectief moeten zien van het totale wetsvoorstel, waarbij ook die nieuwe stichting natuurlijk een grote verantwoordelijkheid heeft om een goede werkgever te zijn en aantrekkelijk te zijn. Ik denk ook dat die nieuwe werkgever aantrekkelijk is, omdat het onder de cao van het primair onderwijs valt. Dus nogmaals, ik denk dat het met die hele set aan maatregelen echt meer dan voldoende aantrekkelijk is om zo veel mogelijk consulenten die overgang te laten maken.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik hoor de staatssecretaris bewegen en zeggen dat hij er in de tweede termijn op terug wil komen en er wel naar wil kijken de komende maanden, maar ik vind het ook lastig dat hij zegt: het is máár 7 fte. Het kan gaan om een heleboel mensen die misschien bijvoorbeeld één dag per week fantastisch werk leveren en echt het verschil maken. Waarom zegt de staatssecretaris niet gewoon toe om bijvoorbeeld die 24 uurseis los te laten? Ik vraag dit ook omdat het zo breed gedragen is. Wat is nou de drempel om die eis los te laten?

Staatssecretaris Becking:

Misschien kan ik daar in tweede termijn op terugkomen, met een concreet antwoord op de vraag of ik nog iets extra's kan doen in het kader van wat de Kamer nu onder de aandacht brengt.

De voorzitter:

Dank u wel. Vervolgt u uw betoog.

Staatssecretaris Becking:

Dank. Mevrouw Rooderkerk vroeg: hoe ziet het werk voor de consulenten er straks uit? Ik zei al dat ik verwacht dat de stichting een goede werkgever zal zijn, met oog voor wat die werknemers nodig hebben. Dat gaat ook over een plezierige werkomgeving. Hoe de stichting zijn werk organiseert, is natuurlijk wel aan het bestuur van de stichting. Ze hebben daar ook budget voor. De stichting zal zorgen voor een fijne werkomgeving, waar je elkaar ook kan treffen als collega's voor de juiste voorzieningen, ook om thuis te werken. Een grote groep van de huidige ambulant werkende consulenten doet dat natuurlijk ook al.

Mevrouw Rooderkerk vroeg ook of consulenten op hun werkplek kunnen blijven en kunnen blijven samenwerken met dezelfde ziekenhuizen, dezelfde ouders en dezelfde leerlingen. Het antwoord daarop is: ja. Voor veruit de meeste consulenten geldt dat ze van rechtswege met hun arbeidsovereenkomst naar de stichting overgaan, omdat het werk overgaat. De standplaats maakt deel uit van de arbeidsovereenkomst. Dus de consulenten ozl blijven vanuit hun huidige standplaats werken.

De heer Kisteman vroeg of medewerkers bij de stichting ook meerdere taken of rollen kunnen uitvoeren. Ja, in principe kan dat. Daar zei ik al iets over. Het is straks bijvoorbeeld mogelijk dat de consulent ambulant werken in de regio combineert met werk in een educatieve voorziening of dat werken als consulent wordt gecombineerd met communicatietaken. Daarbij moet ik wel weer opnieuw opmerken dat de stichting uiteraard over haar eigen personeelsbeleid gaat.

Mevrouw Westerveld, de heer Ceder en mevrouw Rooderkerk vroegen: is het mogelijk om detacheringsconstructies of combinatiefuncties toe te staan om de landelijke overgang zachter te maken? Ik herhaal dat de consulenten zeer gemotiveerd zijn om het werk te doen. 85% gaat mee. Ik heb daar net iets over gezegd. De stichting kan en mag werken met combinatie- en deeltijdfuncties, zeker als het gaat om het borgen van die expertise die we zo hard nodig hebben. Detachering kan ook, maar is wel btw-plichtig. Die kosten gaan dan weer af van het primaire proces.

Mevrouw Westerveld vroeg: kan de staatssecretaris er alles aan doen om de kennis en expertise van parttimers te behouden als zij dit zelf willen? Ja, daar zal ik ook wel actief op sturen richting de stichting. In kaderbrieven en op basis van goed opdrachtgeverschap vanuit mijn ministerie kan ik dat onderstrepen. Combibanen blijven mogelijk, juist als dat helpt om de expertise te behouden.

Mevrouw Beckerman vroeg: is een beloning die gelijk is aan de beloning in het primair onderwijs passend en voldoende? Ja, want de cao primair onderwijs is een passende cao. In de cao van het primair onderwijs zitten functies die lijken op de taken van de onderwijsconsulenten, zoals de functie van een zorgcoördinator op een school. De huidige consulenten vallen bij hun huidige werkgevers onder verschillende cao's. Voor bijna alle consulenten is overstappen naar de cao primair onderwijs ook een verbetering.

Mevrouw Rooderkerk en de heer Ceder vroegen hoe ik de risico's op uitstroom beoordeel. Wat is het plan om mensen te behouden? Consulenten ozl zijn zeer gemotiveerd voor dit werk. Een groot deel ondersteunt de wetswijziging. Dat blijkt ook uit hun eigen brief aan de Kamer en aan mij. Bij dertien organisaties is sprake van een overgang van onderneming. Bij ziekenhuizen gaat iedereen over. Voor slechts vier onderwijsadviesbureaus is hiervan geen sprake. Die consulenten krijgen dan een aanbod vanuit de stichting. Dat kan ook een deeltijdaanbod zijn.

In het voorjaar van 2026 wordt duidelijk waar eventueel nog gaten vallen. Daarover stelde de Kamer net ook wat aanvullende vragen. In het voorjaar van komend jaar weten we dus waar eventueel gaten vallen. Daar kan ook weer apart op worden geworven, zodat we in ieder geval kunnen verzekeren dat de stichting op 1 januari 2027 met een volle formatie gaat starten.

De heer Stoffer vraagt of consulenten straks het hele land door worden gestuurd. Nee, hoewel alle activiteiten en middelen in de toekomst bij een landelijke stichting worden belegd, betekent dit nadrukkelijk niet dat consulenten het hele land door worden gestuurd vanuit één centrale locatie. De stichting gaat werken met regioteams. De consulenten blijven in principe het werk doen in de regio waar zij nu ook al werken. Ik twijfel er niet aan dat de stichting een goede werkgever zal zijn en dat afspraken over wijzigingen altijd in overleg met de betreffende medewerker/consulent zullen worden gemaakt, rekening houdend met hun belangen en wensen.

De heer Ceder vroeg wat er met kritische geluiden is gedaan. Ik heb al gezegd dat de ziekenhuizen en het overgrote deel van de consulenten voor het voorstel zijn, maar er zijn uiteraard ook zorgen. Die begrijp ik ook. De branchevereniging voor onderwijsadviesbureaus is in de brief aan de Kamer van maart kritisch geweest, want die verliezen hun subsidie en ook hun ozl-taken. Maar ze werken wel vanuit hun rol als werkgever constructief mee aan de voorbereiding van de transitie naar de nieuwe stichting. Ook onder consulenten zijn er zorgen over de uitvoering. Daarvoor is een klankbordgroep opgericht, die nu elke maand met OCW aan tafel zit. Hun input wordt zeer gewaardeerd en wordt ook ten volle meegenomen.

Meneer de voorzitter. Ik kom nu bij mijn tweede blokje: regio.

De voorzitter:

Er is eerst nog een vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag over de inspraak van jongeren. Ik hoorde de staatssecretaris in zijn antwoorden zeggen dat er een deelnemersraad komt, terwijl in de schriftelijke beantwoording nog gesproken werd van een cliëntenraad. Een cliëntenraad heeft wettelijke taken, bevoegdheden en inspraak. De vorm die de staatssecretaris schetste, ken ik niet. Ik ben benieuwd wat voor raad dat wordt. Mijn concrete vragen waren of bijvoorbeeld in de statuten van de nieuw op te richten stichting afspraken gemaakt kunnen worden over degenen die straks in de raad — in mijn hoofd is het nog steeds de cliëntenraad — zouden komen om te waarborgen dat de stem van leerlingen of oud-leerlingen, van jongeren, gehoord blijft.

Staatssecretaris Becking:

Waar ik net over sprak, ging over de klankbordgroep die nu werkt aan de implementatie et cetera. U vraagt of het heel concreet benoemd kan worden. In het reglement van de raad van toezicht kun je daar natuurlijk een bepaling voor opnemen. In de verschillende profielen van de leden van de raad van toezicht zou je dat kunnen opnemen. Dat kunnen we bij de invoering meenemen. Je kunt kwaliteitscriteria en allerlei andere criteria stellen. Dat zouden we in dit geval inderdaad kunnen uitwerken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is fijn. Maar ook de andere kant, de cliëntenraad, dus de medezeggenschapsraad …

Staatssecretaris Becking:

Daar kom ik nog op terug.

De voorzitter:

Kijk eens aan. We gaan door met het volgende blokje, denk ik.

Staatssecretaris Becking:

De heren Kisteman en Ceder vroegen hoe ervoor gezorgd wordt dat de positieve kanten van de huidige structuur worden behouden. De huidige structuur heeft waardevolle elementen en die wil ik graag behouden. Daar heeft de Kamer ook nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. De ondersteuning blijft laagdrempelig en kosteloos en is snel beschikbaar voor alle zieke kinderen in Nederland. Ook wordt de regionale uitvoering behouden. Dat is nog een keer benadrukt met de nota van wijziging.

Wat gebeurt er met de huidige regionale inbedding? Dat heb ik net gezegd. In de nota van wijziging blijft de regionale dekking benadrukt. De ondersteuning blijft dus georganiseerd in de regio, rond de ziekenhuizen en dicht bij de scholen. Consulenten blijven werken in hun eigen regio en hun eigen netwerk. Dat doen we dan alleen wel vanuit één organisatie. We gaan de mensen en de middelen eerlijker verdelen om ze vooral daar te kunnen inzetten waar het echt nodig is. Het biedt één landelijk aanspreekpunt voor iedereen. Het is ook efficiënter, want we hebben minder overhead nodig.

Meneer de voorzitter. De heer Kisteman vroeg ook nog: kan in een richtlijn aan de stichting worden meegegeven welke mate van regionale aanwezigheid minimaal geborgd moet zijn? In de wet regel ik dat de landelijke stichting zorgt voor een regionale infrastructuur, wat in de praktijk betekent dat er met regioteams gewerkt zal worden. Dat heb ik met de nota van wijziging benadrukt. Een strikte richtlijn van wat de stichting minimaal moet borgen, is volgens mij ongewenst, maar we zullen erop blijven sturen dat de stichting regionaal dekkend werkt.

Mevrouw Armut vroeg of ik overlegd heb met de stichting over de vormgeving van de regionale samenwerking. Die stichting is nog niet opgericht, maar er wordt wel uitgebreid gesproken met allerlei organisaties. Ik heb net al het nodige gezegd over de regionale verankering.

Mevrouw Armut vroeg ook wat er gedaan is met het advies van de Raad van State over een evenwichtige regio-indeling. Dat steun ik. Ik heb ook meer dan genoeg gehoord van de Kamer hoe belangrijk dat is. Dat heb ik ook bij nota van wijziging geregeld, dus daar blijft alle aandacht voor.

Mevrouw Beckerman vroeg ook waarom niet expliciet geregeld is dat de huidige regio's blijven bestaan. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van en aangesloten bij de huidige regio's en ook bij de standplaats van de consulenten. Een meerderheid van de consulenten gaat over naar de landelijke stichting en blijft in de regio werken. Daarmee blijft de opgebouwde samenwerking bestaan.

De heer Stoffer vroeg of de regionale inbedding in de statuten is vastgelegd of wordt vastgelegd. Ja, zeg ik via de voorzitter, daar kunt u van uitgaan. De conceptstatuten worden nu opgesteld en hierin worden de regionale ondersteuningsstructuur en de regionale indeling vastgelegd.

Dat was het blokje over de regio, voorzitter. Mijn derde blokje is dat over de implementatie, de invoering. Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de betrokkenheid van ouders, scholen, consulenten en de Tweede Kamer. Daar hebben we het ook over gehad. Ik werk nu al met de consulenten en de achttien aanbieders aan een zorgvuldige voorbereiding. Maandelijks spreekt OCW met een klankbordgroep voor bestuurders en een klankbordgroep voor consulenten. Ik vind het ook heel belangrijk dat we dat samen doen. Dat gaat ook in goede harmonie. Naar ouders en scholen wordt in 2026, dus komend jaar, heel duidelijk gecommuniceerd waar ze per 1 januari 2027 de ondersteuning kunnen vinden. De Tweede Kamer informeer ik in elk geval medio 2026, bij het doen oprichten van de stichting, zoals dat zo mooi heet. Dat doe ik als voorbereiding op de start van de nieuwe stichting.

De heer Kisteman vroeg nog: heeft de stichting voldoende slagkracht voor haar kerntaken zonder onnodige overhead? Het zijn nu achttien organisaties met ieder haar eigen overhead. De stichting heeft straks één budget. Het is een platte organisatie met efficiënte ondersteuning. Dat betekent dat al dat geld niet naar de overhead gaat, maar naar het primaire proces, dus naar de ozl-consulenten en dus naar de leerlingen.

De heer Kisteman vroeg: hoe wordt er voorkomen dat er te veel fte's ontstaan voor de daadwerkelijke behoefte? Met dit wetsvoorstel wordt de doelgroep voor ozl uitgebreid naar ook mbo- en vavo-studenten. Daarnaast is het mijn inzet dat het bereik van de ozl-voorziening wordt vergroot. Dat kan verbeteren als er één landelijk contactpunt is. Daardoor kunnen meer scholen met zieke leerlingen een beroep doen op ozl. Ik heb geenszins de verwachting dat de stichting te maken zal krijgen met overcapaciteit.

De heer Kisteman vroeg ook nog: hoe wordt ervoor gezorgd dat de personele overstap niet leidt tot inefficiëntie? Dan val ik een beetje in herhaling: we gaan van achttien organisaties naar één organisatie met één budget en zo weinig mogelijk overhead. Het wordt er dus eerder beter en goedkoper van.

Hoe wordt voorkomen dat de stichting het budget dat niet nodig is, toch opmaakt, zodat ze later niet gekort zal worden? De stichting zal gewoon een realistische begroting moeten overleggen. Het risico is heel klein dat de stichting dus extra geld uitgeeft. Bovendien wordt de doelgroep uitgebreid met leerlingen in het mbo. In de kaderbrief staat duidelijk vermeld welke taken de stichting heeft. De financiële invulling wordt jaarlijks gegeven in de startbrief. Dat gebeurt dus ook nog jaarlijks. Ook komt er vanuit een stichting normaal gesproken elk jaar een verantwoording. Geld dat niet is uitgegeven, mag ook mee in de egalisatiereserve. Dat kent wel weer een maximum. De rest gaat dan terug naar OCW. Maar goed, zover zal het hopelijk niet komen. Deze systematiek van werken is precies dezelfde als bij het Cito en bij SLO.

De heer Kisteman vroeg ook nog naar de overdracht naar het samenwerkingsverband passend onderwijs. Aan het stelsel van passend onderwijs verandert niets. De school blijft verantwoordelijk voor de ondersteuning van het kind, al dan niet met behulp van het samenwerkingsverband. Als een kind na opname nog steeds ziek thuis is, dan kan de ondersteuning vanuit ozl door blijven gaan als dat nodig is. Vervolgens is natuurlijk een goede overdracht belangrijk. Die wordt eenvoudiger, omdat straks één stichting het aanspreekpunt is. De consulenten ozl zullen dan adviseren. Die overdracht en die samenwerking blijven in die constructie dus behouden.

De heer Ceder vroeg: kan de staatssecretaris ...

De voorzitter:

Dat roept interrupties op. Ik zou zeggen: mevrouw Armut gaat voor.

Mevrouw Armut (CDA):

Ik weet niet of de staatssecretaris er misschien nog op in zal gaan, maar ik hoorde hem iets zeggen over het schakelmoment. Hij zegt: het blijft behouden. Mijn vraag ging er alleen wel over dat op dit moment door scholen, ouders en samenwerkingsverbanden wordt aangegeven dat het best wel onduidelijk is wanneer het overgaat van ozl naar passend onderwijs en dat het verschilt per regio. Mijn vraag aan de staatssecretaris was: komt daar iets van een richtlijn voor of iets waarmee er op een uniforme manier gewerkt kan worden? Dat moet wel gebeuren met behoud van maatwerk als dat nodig is, maar komt daar meer duidelijkheid over?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat de convenanten die daaromtrent worden gesloten deel uitmaken van het implementatieplan. Wat we precies in die convenanten moeten afspreken, is onderwerp van overleg met de ziekenhuizen. We zijn met een implementatieplan bezig, dat voor de zomer gereed is. De convenanten waarin een en ander geregeld wordt, zullen voor de start van de stichting op 1 januari gesloten zijn.

De heer Kisteman (VVD):

Even over die samenwerkingsverbanden en de overdracht. Onderwijs aan zieke leerlingen is geregeld in de regio. Dat wordt zo meteen landelijk. Ik kan me voorstellen dat het nu superefficiënt gaat, omdat samenwerkingsverbanden regionaal actief zijn en dus het onderwijs aan zieke leerlingen ook regionaal wordt georganiseerd. Straks komt er een landelijke stichting. Hoe zorg je er dan voor dat de samenwerking goed blijft?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat de stichting er ook gewoon op zal toezien dat een en ander net zo goed blijft functioneren als het nu doet.

De voorzitter:

Ik zie de heer Kisteman twijfelen. Gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Ik weet een klein beetje hoe de samenwerkingsverbanden her en der werken en dat het niet zo makkelijk is als dit. Is het dan: dit is het, succes ermee? Of krijgen wij er iets van te zien? Hoe gaat die stichting dat straks oppakken? Het gaat erom dat wij dit goed blijven voortzetten met al die samenwerkingsverbanden die er zijn.

Staatssecretaris Becking:

Ik kan me voorstellen dat ik daar in tweede termijn op terugkom, om dat nog wat preciezer te duiden.

De heer Ceder vroeg hoe de ondersteuning in de perifere ziekenhuizen er straks uitziet. Op dit moment is het wettelijk niet mogelijk om subsidie te geven aan een perifeer ziekenhuis voor een educatieve voorziening. Met de komst van het Prinses Máxima Centrum is destijds voor een tijdelijke noodconstructie gekozen. Het UMC Utrecht krijgt een subsidie voor het PMC, het Prinses Máxima Centrum. De regering vindt dat een ongewenste situatie. Bovendien lost het de situatie in andere perifere ziekenhuizen, zoals het Juliana Kinderziekenhuis, niet op. In de toekomst kan in alle ziekenhuizen een voorziening worden ingericht, mits er voldoende kinderen zijn opgenomen. Hoe dat er praktisch uitziet, verschilt per situatie, afhankelijk van wat er in een specifiek geval nodig is. Maar die voorziening komt er dus.

Mevrouw Westerveld en mevrouw Armut vroegen of ik meer kan vertellen over de manier waarop de regionale en lokale structuren in stand kunnen blijven met de landelijke stichting. Ik denk dat ik ook genoeg heb gezegd over de landelijke stichting en de regionale werking.

De heer Boomsma vroeg: "Vindt u nog steeds dat kleine fte-betrekkingen niet wenselijk zijn? Hoe denkt u dan personeelstekorten te voorkomen?" Daar hebben we het ook al over gehad. Voor een klein deel van de consulenten geldt dat zij het werk dat ze nu doen als taak in een breder pakket doen. De stichting kan zeker ook werken met deeltijdcontracten of combibaners, maar het helpt natuurlijk als mensen een redelijk aantal uren werken als consulent. Het bevordert namelijk ook weer de kwaliteit als dat bijvoorbeeld 24 uur is.

Mevrouw Beckerman vroeg of het logischer is om een fasering aan te brengen. Dat denk ik niet. Dat lost de huidige problemen niet op en het is ook niet in het belang van de leerling. De regionale verschillen in de werkwijze die we nu zien, blijven juist behouden als we in slechts één regio starten. Ook zien we nu dat in de ene regio de inzet te dun is en in de andere juist te ruim. Dit wetsvoorstel lost dat naar mijn overtuiging juist op. Het helpt niet als we dat eerst versplinterd gaan doen. Het wordt juist ingewikkelder, want dan komt er ook nog een stichting bij. Ik denk niet dat we dan bereiken wat we met z'n allen willen.

De voorzitter:

De staatssecretaris was al gestopt, omdat hij verwacht dat er een interruptie van mevrouw Beckerman komt. Mevrouw Beckerman komt aanlopen, dus gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ja, voorzitter, maar het is ook een heel eind lopen.

De voorzitter:

Het is best een stukje lopen, dat klopt. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik begrijp het antwoord van de staatssecretaris heel goed. Ik denk dat dat eigenlijk ook onze worsteling met het voorstel is. Tegelijkertijd zit er ook een andere kant aan. Als we de wet aannemen zoals die nu is, dan evalueren we pas na vijf jaar. Tussendoor krijgen we natuurlijk wel brieven van het kabinet. Wij zitten hiermee: wat nou als er problemen ontstaan, bijvoorbeeld bij leerlingen, doordat personeel afhaakt? Kan de staatssecretaris daar wel op een andere manier aan tegemoetkomen?

Staatssecretaris Becking:

Als ik het allemaal zo overzie, dan hebben we volgens mij een heel lang traject achter de rug — er is acht jaar aan gewerkt — dat met heel veel zorg is voorbereid, met heel veel voorzieningen voor een goede stichting, met behoud van kwaliteit van de voorzieningen die er nu zijn, et cetera, et cetera. Er is een klachtenpunt. Er zijn allerlei vormen van overleg en inspraak. Ik denk dat dat stelsel voldoende moet zijn. Op de evaluatie van de wet en de termijnen wil ik straks bij de amendementen nog even terugkomen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dan wacht ik ook even tot de amendementen. Ik heb hier namelijk nog wel wat punten over, maar ik wacht het even af.

De voorzitter:

Dan doen we dat zo meteen.

Staatssecretaris Becking:

Mevrouw Raijer vroeg: wat gebeurt er met de expertise in de umc's? Alle consulenten die werken in de educatieve voorzieningen vallen onder de overgang van onderneming. Daarmee is geborgd dat hun expertise behouden blijft. Dat geldt ook voor de consulenten in het Prinses Máxima Centrum.

Mevrouw Raijer vroeg ook nog waarom de staatssecretaris niet kiest voor moderniseren of een andersoortige aanpak. Dat is omdat ik denk dat de huidige structuur grote nadelen heeft, die met alleen modernisering niet worden opgelost. Er zijn te veel organisaties. De financiering is versnipperd. De inzet gebeurt niet per se op de plek waar die nodig is. Uiteindelijk draait dit allemaal om goede ondersteuning voor zieke leerlingen. Het is wel zo dat bij de keuze voor één landelijke stichting ook allerlei alternatieven zijn overwogen, maar die kunnen naar mijn mening niet allemaal de knelpunten zo goed oplossen als met deze stichting zou kunnen, namelijk richting een flexibele, kwalitatief goede en toekomstbestendige inzet van ozl.

Ten slotte vroeg mevrouw Raijer wat de noodzaak is van de landelijke stichting. Ik denk dat ik die uit de doeken heb gedaan. Er zijn te veel regionale verschillen. Leerlingen krijgen niet overal dezelfde ondersteuning. De huidige structuur is versnipperd. Er is geen landelijk aanspreekpunt voor scholen, ouders en leerlingen. Het is ook niet voldoende toekomstbestendig. Het is ook niet helemaal landelijk dekkend. Ik denk dat er dus meer dan genoeg argumenten zijn om hiervoor te kiezen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ook vanuit andere sectoren, zoals de jeugdzorg, heb ik de waarde ervan ingezien dat je expertise bundelt en zorgt dat mensen met elkaar verhalen kunnen delen, kennis kunnen uitwisselen enzovoort. Ik heb nog wel een paar vragen over hoe de werkwijze er straks precies gaat uitzien. We hoorden bijvoorbeeld van de verschillende consulenten dat het fysiek bij elkaar kunnen komen op een werkplek, om juist daar ervaringen te delen, heel waardevol kan zijn. Blijft zo'n vorm wel behouden?

Staatssecretaris Becking:

Ik dacht dat ik daar al op geantwoord had, maar: ja, dat kan. De nieuwe stichting is gewoon de werkgever van de consulenten. De stichting kan thuiswerkvoorzieningen geven, maar ook een plek organiseren waar je elkaar ontmoet, waar je koffiedrinkt et cetera. Er is alle ruimte om dat gewoon te doen. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat je dat als werkgever wil als mensen overal in het land werken. Dat zou ik dus zeker aanbevelen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Hier zit nog wel enige vrijblijvendheid in. Ik snap dat, want uiteindelijk bepaalt zo'n stichting natuurlijk hoe er straks het beste gewerkt kan worden, maar ik zou toch, misschien via deze weg, de staatssecretaris willen meegeven dat wij die wens wel uitdrukkelijk horen. Als een nieuwe stichting wordt opgericht, dan luisteren ze hopelijk dit debat ook nog terug. Ik hoop dus echt dat er, samen met de mensen die straks in dienst gaan, wordt gekeken naar de best werkbare plek. Fijn kunnen werken brengt natuurlijk voor iedereen ook werkplezier enzovoort met zich mee.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp de vraag heel goed. Ik zou dat zelf ook zeker stimuleren. Ik denk dat we moeten kijken wat ik ermee kan doen, maar het is natuurlijk wel aan de stichting, als werkgever et cetera, om dat in te vullen. Dat is gewoon goed werkgeverschap; daar hoort dit volgens mij bij. Ik hoop dat daar het goede gesprek plaatsvindt. Ik begrijp het appel.

Dan kom ik bij het blokje overig, voorzitter. De heer Ceder vroeg of ik bereid ben om met het geld landelijke richtlijnen op te stellen voor leerlingen met long covid. Voor leerlingen met long covid is ondersteuning natuurlijk net zozeer van belang als voor andere leerlingen. De stichting krijgt straks een uniforme werkwijze voor de ondersteuning van scholen met zieke leerlingen. Daarbij worden geen specifieke richtlijnen gemaakt voor leerlingen met long covid. Bij langdurige ondersteuning van een leerling gaat het om passend onderwijs. Daar verandert dit wetsvoorstel natuurlijk niks aan.

De heer Ceder en mevrouw Westerveld vroegen: is de staatssecretaris bereid zich in te zetten voor een aanspreekpunt voor kinderen met long covid? Het is natuurlijk bijzonder schrijnend als je tijdens je schooltijd te maken hebt gehad met de gevolgen van covid of daar nog steeds mee te maken hebt. Scholen hebben voor deze doelgroep een zorgplicht. Vanuit het onderwijs bekeken is de school het centrale aanspreekpunt voor de leerlingen. Wel is er na de coronaperiode door OCW samen met VWS, de raden, ouders en jeugdartsen een brochure gemaakt voor scholen en ouders, zodat leerlingen met long covid zich, net als andere kinderen die langdurig ziek zijn, kunnen blijven ontwikkelen. Een landelijk aanspreekpunt in het algemeen voor deze doelgroep kan ik niet toezeggen, want dat is aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Mevrouw Westerveld had het over de zorgen over passend onderwijs en de aanpak voor thuiszittende leerlingen en vroeg of ik de zorgen daaromtrent deel. Er zijn behoorlijk wat vragen gesteld over passend onderwijs en thuiszitters. Mevrouw Westerveld stelt bijvoorbeeld terecht dat opeenvolgende kabinetten aandacht hebben gevraagd voor het terugdringen van schoolverzuim. Dat heeft voor dit kabinet ook prioriteit. Er zijn veel belangrijke stappen gezet in de afgelopen tijd, denk ik. De positie van ouders en leerlingen is verbeterd met wettelijk verankerde ouder- en jeugdsteunpunten, hoorrecht voor de leerling, meer ruimte voor maatwerk — duizenden kinderen zijn al geholpen met maatwerk — onderwijs- en zorgarrangementen en digitaal afstandsonderwijs. Ik ben ook bezig met een wetsvoorstel voor structureel meer maatwerk.

Er is extra aanbod voor hoogbegaafde leerlingen. Ook subsidieert de regering andere initiatieven, juist gericht op thuiszitten, en ga ik aan het begin van het nieuwe jaar met de Kamer in gesprek over het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim; dat gebeurt in januari, als ik het goed heb. Dit wetsvoorstel zet een cruciale stap om beter te voorkomen dat leerlingen, jongeren, thuis komen te zitten. Dit zijn, denk ik, allemaal belangrijke maatregelen voor passend en inclusief onderwijs.

Mevrouw Westerveld vroeg ook nog: weet de staatssecretaris hoeveel thuiszitters er zijn? Tijdens het schooljaar 2023-2024 waren er 19.273 kinderen die op enig moment geen onderwijs volgden. Een groot gedeelte van deze kinderen, 8.123, ging tijdens het schooljaar gelukkig weer terug naar school of werd op een andere manier geholpen. Daarnaast wordt geschat dat er zo'n 16.800 kinderen langdurig geoorloofd verzuimden. Ik informeer de Kamer, zoals ieder jaar, ook komend voorjaar weer over de meest recente cijfers. Het precieze aantal leerlingen dat thuiszit, hangt een beetje af van de definitie die je daarvoor gebruikt. Met het Besluit terugdringen schoolverzuim krijgen we structureel beter zicht op deze totale groep van thuiszittende kinderen. Hierover ga ik graag aan het begin van het nieuwe jaar met uw Kamer in gesprek.

De vraag van mevrouw Westerveld ging over wat er gebeurd is met de drie Onderwijsraadadviezen over onderwijs in justitiële inrichtingen. Aan de Tweede Kamer is gemeld dat er van JenV en OCW een geïntegreerde visie komt over het onderwijs in justitiële jeugdinrichtingen. Hierin worden de adviezen van de Onderwijsraad meegenomen. U wordt voor de zomer op de hoogte gesteld van de voortgang hiervan.

Waarom is een tlv nodig als al duidelijk is dat het kind ziek is? Een toelaatbaarheidsverklaring is alleen nodig bij een stap naar het speciaal onderwijs. Dat is lang niet altijd aan de orde, maar ook als bekend is dat een kind ziek is, is het natuurlijk een belangrijk proces dat zorgvuldig moet worden doorlopen met deskundigen. Er moet gekeken worden of het wel daadwerkelijk nodig is. Overigens kan een consulent ozl hierbij advies geven. Ik kan me wel voorstellen dat het voorbeeld dat mevrouw Westerveld gaf een beetje vreemd is.

U vroeg ook, zeg ik via de voorzitter, net als de heer Boomsma: is er een manier gevonden om initiatieven voor thuiszitters die formeel geen onderwijs zijn, te ondersteunen? Met de Regeling ondersteuning en preventie van thuiszittende jeugdigen krijgen samenwerkingsverbanden budget om onderwijs te bieden aan kinderen en jongeren die niet staan ingeschreven op een school. Er is tot 2028 in totaal 24 miljoen voor beschikbaar. Samenwerkingsverbanden kunnen met de regeling initiatieven inkopen die buiten het reguliere onderwijsaanbod vallen. Aan deze regeling nemen vrijwel alle samenwerkingsverbanden, dus 149 van de 151, deel.

Mevrouw Westerveld en mevrouw Beckerman vroegen: waarom staan er geen reactietermijnen voor een snelle inzet van ondersteuning in de wet? Nou, omdat ondersteuning in de praktijk snel geleverd wordt. Dat blijft ook zo. Zaken als termijnen zijn te gedetailleerd om in de wet te zetten. Dat leidt ook weer tot bureaucratie. We sturen hier natuurlijk wel op, maar dat doen we via een drietal instrumenten: een kaderbrief, een startbrief en een subsidiebeschikking. Dat is een mooi instrumentarium. Het is misschien een beetje veel, en wellicht zelfs overbodig, om dat nog verder te verzwaren en dat ook in de wet te regelen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Je kunt alles wat je in de wet opneemt bureaucratie noemen, maar je kunt ook zeggen: het is een zekerheid voor leerlingen. Als de staatssecretaris zegt dat die zekerheid op dit moment al geldt, waarom zou je die dan niet in de wet zetten? Dan levert het namelijk geen extra bureaucratie op. Het levert wel de zekerheid op dat het ook in de toekomst gegarandeerd is.

Staatssecretaris Becking:

Ik vraag me dan af of het nodig is om het bij wet te regelen. Iets wat goed functioneert, hoef je niet te juridificeren, denk ik.

Mevrouw Beckerman (SP):

Nu functioneert het goed, maar er zijn zorgen dat dat minder kan worden. Daar heeft u de hele Kamer, van links tot rechts, over gehoord. Het is heel weinig extra moeite. De mensen die ons hierom vragen, zijn mensen van LBVSO. Volgens mij kennen we hen echt als heel waardevol en oplettend in zo'n proces. Volgens mij erkennen zij ook: er zitten heel veel pluspunten aan deze wet, maar zou je dit extra stapje nog kunnen zetten om die garantie te geven? Volgens mij is het niet zo heel moeilijk. Als de staatssecretaris achter deze wet staat en het nu al goed functioneert, zou je kunnen zeggen: dan hoeft het helemaal niks extra's te kosten en geef je alleen maar extra zekerheid.

Staatssecretaris Becking:

Dan stel ik voor dat ik daar, na enig overleg, in de tweede termijn even op terugkom.

Mevrouw Westerveld vroeg nog of er een specifieke reden is dat mbo-studenten in het wetsvoorstel onder funderend onderwijs vallen. Zij vallen niet onder funderend onderwijs, ook niet in dit wetsvoorstel. Wel wordt de doelgroep van ozl uitgebreid.

Mevrouw Westerveld vroeg ook naar het onder de aandacht brengen van de problemen met het aanvragen van hulpmiddelen. Ik ben bereid om daar aandacht voor te vragen. In opdracht van OCW verstrekt het UWV voorzieningen in het onderwijs. Dan gaat het bijvoorbeeld over een gebaren- of een schrijftolk, een brailleleesregel of een traplift. Maar nogmaals, ik ben bereid om hier extra aandacht voor te vragen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is heel fijn. Ik kan namelijk zo heel veel schrijnende voorbeelden noemen, waarbij de aanvraagprocedures soms weken in beslag nemen. Die procedures zijn volgens mij soms ook duurder dan de voorziening die daadwerkelijk nodig is. Dat heb ik net maar niet gedaan, omdat er al genoeg te bespreken was over het wetsvoorstel.

Ik vroeg niet waarom het mbo bij funderend onderwijs betrokken wordt. Het was meer een constatering dat er vanuit het ministerie steeds meer gedaan wordt om te zorgen dat regelingen voor mbo-studenten hetzelfde zijn als die voor hbo- en wo-studenten, terwijl dat in deze wet niet zo is. Je zou kunnen beredeneren dat mbo-studenten ook studenten zijn, dus dat ze onder het ECIO, het expertisecentrum dat nu ook al mbo-instellingen helpt, vallen.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp nu waar het over gaat. Ik kom daar graag straks even op terug. Ik begrijp nu wat mevrouw Westerveld bedoelde.

Er werd gevraagd of accreditaties voor consulenten die nu ook orthopedagoog of psycholoog zijn, geldig blijven. In de huidige situatie is slechts een klein deel van de consulenten orthopedagoog of psycholoog. Voor dit type registraties is meestal wel vereist dat een zeker aantal uren gewerkt wordt op het gebied waarvoor de registratie geldt. Iedereen die dat werk nu doet, krijgt een aanbod om te werken voor de stichting. Dat kan dan ook als combibaan. Om de accreditatie te behouden, moet dan wel het benodigde aantal uren worden gehaald. Dat is ongeveer 3.000 uur in vijf jaar tijd.

Mevrouw Armut vroeg wat er straks gedaan wordt met de conclusie van de evaluatie van de wet. Komt er dan een richtlijn, een uniforme werkwijze of wordt het per samenwerkingsverband geregeld? De evaluatie vindt over vijf jaar plaats. Ik kan nu natuurlijk niet vooruitlopen op de uitkomsten van de evaluatie van de wet. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen er, als daar aanleiding toe is, natuurlijk aanpassingen plaatsvinden in de werkwijze van de stichting. Ik kom daar bij de amendementen nog op terug.

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van mevrouw Armut.

Mevrouw Armut (CDA):

Ja, want ik wilde hier sowieso al even op terugkomen. Ik stelde net namelijk ook al een vraag over het gegeven dat scholen, ouders en consulenten behoefte hebben aan een uniforme richtlijn. De staatssecretaris zei zojuist dat hij daarop terugkomt in een convenant. Ik vraag me af of hij dat iets concreter kan maken. Wat komt daar dan in terug? Wat wordt daarin opgenomen? Wij zoeken namelijk naar meer duidelijkheid op dit punt, omdat dat scholen en onderwijsconsulenten uiteindelijk zou helpen. We moeten voorkomen dat er gaten vallen tussen die twaalf weken en het schakelmoment. Wij hopen dat wij daar wat meer duidelijkheid over krijgen. Anders overwegen wij toch een motie op dit punt, om in overleg met de stichting, de samenwerkingsverbanden en de scholen wél tot één uniforme richtlijn te komen.

Staatssecretaris Becking:

Ik zal de stichting vragen om te kijken of het mogelijk is om hiervoor een richtlijn op te stellen. Mijn ambtenaren denken daar ook graag over mee. Ik verwees in mijn eerdere antwoord naar de convenanten met de ziekenhuizen, maar dat was niet helemaal to the point. In de convenanten worden praktische afspraken vastgelegd tussen de stichting en de ziekenhuizen. Het gaat dan om afspraken die borgen dat de consulenten optimaal kunnen blijven werken binnen de educatieve voorzieningen. Nogmaals, ik zal de stichting vragen om te kijken of het opstellen van een richtlijn mogelijk is. Daar werken we dan graag aan mee.

De evaluatie van de wet hebben we al besproken.

Mevrouw Rooderkerk vraagt of het klopt dat de systematiek van de nieuwe stichting ingaat op 1 januari. Dat is midden in het schooljaar. Zij vraagt of het niet veel handiger is om dat bijvoorbeeld aan de start van het schooljaar te doen. De ziekenhuizen en de onderwijsadviesbureaus ontvangen nu een ozl-subsidie voor een kalenderjaar. Vanuit dat oogpunt is voor 1 januari gekozen. Dat is handig, want dan is er voldoende tijd om de overgang zorgvuldig voor te bereiden. Het opschuiven van de datum naar 1 augustus 2027 zou tot teleurstelling leiden bij de grote groep consulenten die graag voor de nieuwe stichting wil gaan werken.

De heer Stoffer vraagt op welke manier leerplichtambtenaren een meer stimulerende rol kunnen vervullen in het nieuwe model, om situaties van geoorloofd verzuim te beperken. Hij vraagt naar de ondersteuning van de leerplichtambtenaar in het nieuwe systeem. Ik vind het belangrijk dat de leerplichtambtenaar scholen ondersteunt bij de aanpak van verzuim en waar nodig verbindt aan onderwijsconsulenten. Dit wetsvoorstel verandert niets voor specifiek de leerplichtambtenaar. Het wetsvoorstel Wet terugdringen schoolverzuim doet dat wel. Dat brengt de leerplichtambtenaar eigenlijk beter in positie om scholen te ondersteunen. Ik ga graag met uw Kamer in debat. Dat debat staat gepland in de week van 12 januari.

Mevrouw Rooderkerk, de heer Boomsma en mevrouw Westerveld vroegen of er afspraken gemaakt kunnen worden over de inzet van KlasseContact. KlasseContact was tot voor kort beschikbaar voor alle zieke kinderen waarvoor het een geschikte voorziening is. Het is gratis voor scholen. In de brede zin is de school verantwoordelijk voor de bekostiging van leermiddelen voor afstandsonderwijs. KPN is sinds kort gestopt met de ondersteuning van KlasseContact voor leerlingen in het vo en studenten in het mbo. Ik heb met de organisaties die ozl uitvoeren gesproken over deze situatie en ik ben bereid om dat ook met KPN te doen. Indien nodig zal ik met de op te richten stichting en een vertegenwoordiger van gebruikers zoeken naar passende alternatieven.

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van …

De voorzitter:

Eerst heeft de heer Boomsma een vraag. Ga uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank, dat is heel mooi. Kan de staatssecretaris er richting ons op terugkomen of dat gelukt is, zodat wij weten of er nog andere stappen nodig zijn?

Staatssecretaris Becking:

Ik zal vanzelfsprekend laten weten wanneer ik dat kan doen.

De voorzitter:

Kijk eens aan. Dank u wel.

Staatssecretaris Becking:

Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Raijer. Zij vroeg of straks de school, de nieuwe stichting of het samenwerkingsverband beslist over het onderwijs aan zieke leerlingen. De school blijft verantwoordelijk voor de ondersteuning van het kind. De stichting helpt de school daarbij, zoals de achttien organisaties dat nu ook op hun eigen manier doen.

De heer Stoffer vroeg nog wat de rol van de landelijke norm voor basisondersteuning is in relatie tot dit wetsvoorstel. De landelijke norm voor basisondersteuning heeft geen relatie met dit wetsvoorstel. De landelijke norm voor basisondersteuning regelt wat een school minimaal moet bieden aan leerlingen met een ondersteuningsvraag. Het gaat niet om ondersteuning van de school bij het geven van onderwijs aan zieke leerlingen.

De heer Stoffer vroeg ook of ik het wenselijk vind dat scholen altijd contact leggen met de landelijke ondersteuning. In het kader van het belang van het zieke kind zou ik het zeker wel aanbevelen om onderwijsondersteuning aan te vragen, want hierdoor wordt de school heel goed geholpen om het onderwijsproces zo veel mogelijk door te laten gaan. Met de komst van die ene nieuwe stichting is er een duidelijk aanspreekpunt en kan de school die ondersteuning laagdrempelig, snel en gratis regelen.

Ten slotte vroeg de heer Stoffer ook nog hoe de regering voorkomt dat de stichting financieel in de knel komt als er geen loon- en prijsontwikkeling wordt gegarandeerd. We gaan ieder jaar het gesprek voeren over wat de stichting nodig heeft om aan de wettelijke taken te voldoen. Op dat moment wordt ook gekeken of het nodig is om de subsidie te verhogen. Deze systematiek wordt op dezelfde manier toegepast als bij de SLO en de Stichting Cito.

Volgens mij was dat de beantwoording van de vragen, meneer de voorzitter. Of was ik er nog niet helemaal?

De voorzitter:

Nou, ik denk dat er nog een paar vragen openstaan. Allereerst mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, wij denken daar iets anders over. In ieder geval dank voor de antwoorden. Ik heb nog een paar vragen openstaan. Een daarvan gaat eigenlijk over het fundamentele punt dat ik maakte, namelijk het onderscheid dat wordt gemaakt tussen leerlingen die lichamelijk ziek zijn en leerlingen die psychisch ziek zijn. Bijvoorbeeld: waarom wordt een kind dat in een jeugdzorginstelling terechtkomt niet op dezelfde manier ondersteund als een kind dat in een ziekenhuis terechtkomt? Natuurlijk verschillen de behoeften en wat een leerling aankan, maar kinderen die ziek zijn, zijn ook allemaal op hun eigen manier ziek en hebben ook allemaal iets anders nodig. Vanuit de waardering voor het werk van de consulenten vraag ik me af waarom er niet meteen voor is gekozen om alle kinderen die ondersteuning te geven, ongeacht waar ze terechtkomen. Ze zijn ziek, dus ze moeten die ondersteuning krijgen.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp de vraag heel goed. Het eenvoudige antwoord is dat het wetsvoorstel zich nu richt op ondersteuning van kinderen met lichamelijke klachten. Dat willen we ook in de nieuwe stichting organiseren. Willen we daar nog iets anders mee doen? Daarover is volgens mij ook een amendement ingediend. Daar wil ik graag op terugkomen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Nou, prima om daar zo op terug te komen, maar het is ook meer een algemeen punt dat het mij opvalt dat er enorme verschillen zijn in hoe we omgaan met kinderen, ook met volwassenen, die psychisch ziek zijn. Ik wil graag het volgende bij de staatssecretaris onder de aandacht brengen: laten we bij toekomstige wetgeving er alsjeblieft voor zorgen dat de ondersteuning voor beide groepen leerlingen gelijk blijft.

Staatssecretaris Becking:

Dat is nu onder mijn aandacht gebracht. Ik heb het goed gehoord. Ik begrijp het punt ook.

De voorzitter:

Helder. Nog een afsluitende opmerking?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja. Ik had een vraag gesteld over het advies van de Onderwijsraad over onderwijs in justitiële inrichtingen. Afgelopen februari kwam dat advies. Er werd een vrij dringend appel gedaan, omdat ook voor deze kinderen het onderwijs niet goed is georganiseerd. Nou zegt de staatssecretaris "ik kom met een reactie en die kunt u voor volgende zomer verwachten", maar dat vind ik wel heel lang duren. Dan heeft het meer dan een jaar gekost voordat het kabinet met een reactie komt op een advies dat — ik heb het er dit weekend nog bij gepakt — eigenlijk vrij concrete aanbevelingen aan het kabinet bevat. Mijn verzoek is dus om sneller met een reactie te komen.

Staatssecretaris Becking:

Ik kom daar graag zo op terug.

De voorzitter:

Ja, in de tweede termijn.

De heer Stoffer (SGP):

Dank voor het antwoord van de staatssecretaris, onder andere op de vraag over de loonindexatie. Nu weet ik niet exact hoe dat door SLO en Cito is neergezet — ik hoef dat ook niet exact te weten — maar mijn zorg zit hierin. Natuurlijk is er ieder jaar een gesprek over de taakomvang, wellicht: zijn er meer of minder kinderen die ondersteuning nodig hebben? Dan ga je kijken of een organisatie iets groter of kleiner moet worden. Stel dat dat een constante is. Als de loonindexatie wordt toegepast op zo'n kleine organisatie, dan zak je steeds verder terug en kan zo'n kind in de knel komen. Aangezien we het hier hebben over wetgeving, geef ik dit maar nadrukkelijk mee. Het moet niet zo zijn dat je jaar op jaar denkt: we krimpen een klein beetje in als overheid en als Kamer gaan we wat bezuinigen. Dan vallen die kinderen, die het toch al zo zwaar hebben, buiten de boot omdat de formatie steeds verder ingekrompen moet worden. De directeur-bestuurder kun je hoogstwaarschijnlijk niet wegsturen, maar als er een gat valt omdat iemand ontslag neemt of met pensioen gaat, is er misschien toch een consulent minder. Ik hoop dat de staatssecretaris de zorg ziet die ik hier neerleg en ik hoop dat we zorgen dat de formatie langjarig op peil blijft en wellicht alleen varieert door het aantal zieke kinderen. Het liefst heb je die natuurlijk naar nul. Dat zou het mooist zijn, want dat betekent dat er geen zieke kinderen zijn, maar dat ideaal bestaat niet.

Ik zie de staatssecretaris al knikken, voorzitter. Ik snap ook dat het best lastig is om er een antwoord op te geven, maar ik wil deze zorg hier wel nadrukkelijk neerleggen bij de wetsbehandeling, opdat we daar met elkaar oog voor blijven houden en opdat we die bij de evaluatie wellicht ook aan de orde laten komen.

De voorzitter:

Dit was best een lange interruptie. Nou heeft u er niet veel gepleegd, meneer Stoffer, dus ik ben redelijk coulant. We kijken voor het antwoord naar de staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp de zorgen heel goed en denk ook dat we daar aandacht voor moeten hebben, in de zin van de loon-prijsontwikkeling. Ik kan nog wel even laten uitvogelen hoe dat precies zit bij Cito en SLO, als dat nog gewenst is. De zorg deel ik in ieder geval en begrijp ik heel goed. Ik denk dat we daar oog voor moeten hebben en houden.

De heer Boomsma (JA21):

Ik snap nog niet helemaal hoe het nou zit met de niet-bekostigde mbo-instellingen en waarom die nadrukkelijk niet zijn meegenomen in deze voorziening. Kan de staatssecretaris dat nog wat nader toelichten?

Staatssecretaris Becking:

Dat wil ik heel graag doen in tweede termijn, zodat ik het nog even kan navragen.

De voorzitter:

Dan doen we dat. Volgens mij zijn we dan aangekomen bij de appreciatie van de amendementen.

Staatssecretaris Becking:

Dat klopt, voorzitter.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 11, dat gaat over de taak voor de stichting om onderzoek te doen naar het voorkomen van uitval van zieke leerlingen, wil ik ontraden. De stichting heeft al een onderzoekstaak. Daarbinnen zal onderzoek naar preventie van uitval van zieke leerlingen worden meegenomen. Ik kan me wel vinden in het belang ervan, maar het is overbodig om dat wettelijk te verankeren, want het is al geregeld.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 11 is ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan het amendement op stuk nr. 12, dat gaat over een verlenging van de bewaartermijn voor persoonsgegevens van twee jaar naar vijf jaar. Dit amendement moet ik ook ontraden. Ik heb begrip voor het beperken van de administratieve lasten. Er zit al ruimte voor afweging door de stichting in het wetsvoorstel, waarmee dubbele registratie van leerlingen kan worden voorkomen. Het wetsvoorstel bevat namelijk een bewaartermijn van persoonsgegevens voor maximaal twee jaar, tenzij uit de aard van het ziektebeeld een andere termijn volgt. Die ruimte zit er. Op grond van de AVG moet terughoudend worden omgegaan, zo heeft de Raad van State ook gezegd, met het bewaren van persoonsgegevens van zieke leerlingen, zeker als het gaat over bijzondere persoonsgegevens. Dat moet voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium. Een bewaartermijn van "maximaal twee jaar, tenzij" zie ik daarom als een beter uitgangspunt. Daarom ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 12 is ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 13, dat gaat over de wetsevaluatie na drie jaar in plaats van na vijf jaar, ontraad ik. Ik denk namelijk dat de doeltreffendheid en de effecten van de wet pas goed te zien zijn na vijf jaar. Het kost tijd om die transitie te maken en de effecten goed te kunnen beoordelen. Als het dan toch nodig zou zijn om al eerder onderzoek te doen, dan geeft de regering al die ruimte. De enige verplichting die we hebben is om die in ieder geval elke vijf jaar te doen. Om de Kamer tegemoet te komen, kan ik een toezegging doen om naast de wetsevaluatie van vijf jaar ook al na drie jaar een monitorrapport te sturen. Daarin kunnen onbedoelde effecten aan de orde komen en alle direct betrokkenen worden gehoord. Bij het opstellen van de kaderbrief na vier jaar zullen de uitkomsten van dat rapport worden betrokken. Het kwam al aan de orde dat het ministerie van OCW overigens voortdurend contact zal onderhouden met de stichting en kan ingrijpen via de subsidierelatie op grond van de systematiek in de Wet SLOA. Kortom, dit amendement ontraad ik.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 13: ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan heb ik het amendement op stuk nr. 14, dat gaat over de wetsevaluatie na twee jaar in plaats van na vijf jaar. Met dezelfde argumentatie ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 14: ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan het amendement op stuk nr. 15, dat gaat over een hardheidsclausule met betrekking tot de leeftijdsgrens in de WEB. Ontraden. Er is geen noodzaak tot het toevoegen van een hardheidsclausule waarmee een uitzondering wordt gemaakt op die leeftijdsgrens. Mbo-instellingen moeten namelijk zelf al zorgen voor voldoende ondersteuning voor zieke studenten, ook als die buiten de doelgroep van de stichting vallen. Verder regelt de Wet van school naar duurzaam werk al dat de doelgroep voor de ondersteuning van de stichting wordt uitgebreid naar alle mbo-studenten, waar we het net over hadden, en vavo-studenten tot 27 jaar zonder startkwalificatie. Een hardheidsclausule leidt ook tot een onwerkbare situatie voor de stichting. Als de mbo-instelling wil afwijken van de leeftijdsgrens, moet de stichting namelijk steeds per geval beoordelen of toepassing van de leeftijdsgrens zal leiden tot een hardvochtige situatie. Een hardheidsclausule is bovendien bedoeld voor bijzondere omstandigheden die niet voorzien waren bij het opstellen van de wet. Voor het kunnen afwijken van een leeftijdsgrens in bepaalde omstandigheden is een hardheidsclausule niet het juiste middel. Daarom ontraad ik dit.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 15 is ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan het amendement op stuk nr. 16 over de tijdelijke regionale functie van de stichting. Starten in één regio is nadelig voor de zieke leerlingen die elders ondersteuning nodig hebben. Het voorstel verkleint juist verschillen in de ondersteuning tussen de regio's. Ik heb daar al het nodige over gezegd. Het huidige stelsel is kwetsbaar en inflexibel. Als aantallen leerlingen in de regio toe- of afnemen, kan de inzet niet eerlijker verdeeld worden. Dit amendement zet eigenlijk een soort verwarrende tussenstap doordat de stichting dan alleen in een bepaalde regio gaat werken en het oude systeem eigenlijk ook nog overeind blijft, et cetera.

De voorzitter:

Wat is het oordeel over het amendement?

Staatssecretaris Becking:

Ontraden.

De voorzitter:

Ontraden. Dat is helder. Mevrouw Beckerman, gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik wil graag het amendement op stuk nr. 16 intrekken. Dat moet op deze manier.

De voorzitter:

Ja, geregistreerd.

Het amendement-Beckerman (stuk nr. 16) is ingetrokken.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dan wil ik nog een vraag stellen.

De voorzitter:

Zeker, gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik krijg goede antwoorden van de staatssecretaris, maar ik vind hem nog weinig toegeeflijk, terwijl een aantal dingen echt van links tot rechts spelen. Dit amendement trek ik in, omdat ik weet dat het niet het juiste middel is. Het doel is het behouden van kennis en expertise van werknemers, ook landelijk, en ervoor zorgen dat leerlingen echt een stem krijgen. Dat doel wordt vrij breed gedeeld. Ik vind dat de staatssecretaris daar weinig toezeggingen op doet in reactie op de amendementen en dat hij ook nog op veel zaken moet terugkomen in de tweede termijn. Er leeft een brede wens vanuit de Kamer om sneller te evalueren zodat je de stem van consulenten, leerlingen en hun ouders ook hoort. Wat is daar dan zo moeilijk aan voor de staatssecretaris? Ik begrijp echt wel dat het een van de twee amendementen moet zijn en dat het ook nog anders kan. Maar zou hij de Kamer op dat punt een beetje tegemoet kunnen komen?

Staatssecretaris Becking:

Nou, ik dacht dat ik de Kamer tegemoetkwam met dat monitoringsrapport. Dat kun je daarna in de kaderbrief ook weer gebruiken voor de evaluatie van vijf jaar. Je hebt ook nog de jaarlijkse kaderbrief en de financiële instrumenten. Daarmee stuur je elk jaar. Dat is eigenlijk de reden.

Mevrouw Beckerman (SP):

Mijn worsteling zit 'm in het volgende. De staatssecretaris zegt nu: ik maak dat monitoringsrapport; daarmee kom ik de Kamer tegemoet. Oké, dat is mooi. Dan zegt hij vervolgens: dat kun je betrekken bij zo'n debat na vijf jaar. Maar stel nou dat de groep consulenten waar we het net over hadden — het gaat dus over de groep die het vaak als kleine baan heeft — afhaakt, of in ieder geval een groot deel daarvan. Dan verlies je behoorlijk veel expertise en heb je als Kamer eigenlijk pas na vijf jaar — want dan betrekken we het monitoringsrapport erbij — een kans om echt bij te sturen, tenzij je het tussendoor bij andere debatten betrekt. Daar zit iets lastigs in. Begrijpt de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Becking:

Ja, ik begrijp wel wat u zegt. Los van alle argumenten die ik net al heb gegeven, denk ik dat personeelsbeleid, personeel aantrekken en behouden, ook gewoon een taak is van een stichting met een goede directeur-bestuurder en een goede raad van toezicht die ervoor zorgen dat je aantrekkelijk genoeg bent op de arbeidsmarkt. Er is een goede cao voor deze mensen. Heel veel mensen willen hiernaartoe. We zouden de wetsevaluatie dan een aantal jaren vervroegen om een niet-functionerend personeelsbeleid te evalueren. Dat vind ik een beetje een zwaar instrument.

Mevrouw Beckerman (SP):

Daarmee verengt de staatssecretaris dit tot een soort beoordeling van de stichting, terwijl dat niet helemaal waar is. De Kamer heeft immers meer elementen genoemd. Het is niet dat we denken dat er geen goed personeelsbeleid is, maar er zitten nu al dingen in — je moet bijvoorbeeld 24 uur werken of je detachering wordt niet toegestaan — waar ook een fantastische personeelsfunctionaris niet heel veel aan kan veranderen als je dat niet van tevoren vastlegt. Dat is ook een van de elementen. Het is ook breder: het zit echt op die expertise, de regionale inbedding, de stem van de leerling, de stem van de ouders, de stem van de mensen die er werken. Dat is breder dan waartoe de staatssecretaris het verengt. Misschien moeten we het nu hierbij laten en komen we straks, in tweede termijn, ook met moties op dit punt.

De voorzitter:

Zeker. Wil de staatssecretaris op dit laatste punt nog een reactie geven?

Staatssecretaris Becking:

Nee, hoor. Dank u.

De voorzitter:

Dan registreren wij nogmaals dat het amendement op stuk nr. 16 is ingetrokken.

Staatssecretaris Becking:

Voorzitter. Ik heb nog drie amendementen.

Het amendement op stuk nr. 17 gaat over het uitbreiden van de taak van de stichting met onderwijsondersteuning aan leerlingen of studenten met psychische klachten. Dit amendement zou ik graag oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 17: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 18, over de regionale ondersteuningsstructuur en de aanwijzing van regio's door de minister: ontraden. Ik denk dat ik daarover in de eerste termijn voldoende heb gezegd.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 18 is ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 19 over termijnen voor het bieden van ozl: ontraden. Zoals de indiener terecht constateert en uit onderzoek blijkt, is het staande praktijk dat ozl door consulenten op korte termijn aan de scholen en zo nodig aan leerlingen en ouders wordt geboden. Het oordeel is dus ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 19 is ontraden.

Als ik het goed heb, komen we hiermee aan het einde van de beantwoording door de staatssecretaris in eerste termijn. We gaan door, maar niet voordat de heer Ceder een interruptie heeft gepleegd. Gaat uw gang, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik heb nog even een aanvullende vraag naar aanleiding van de appreciaties, allereerst over de extra wettelijke taak om naast onderzoek naar de manier waarop je kinderen kan ondersteunen, onderzoek te doen naar preventie. De staatssecretaris geeft aan dat die onderzoeksruimte al in de wet wordt geborgd. Dat klopt, maar die artikelen — volgens mij zijn het er drie — zien allemaal op een kind dat al ziek is. Wat ik juist waardevol zou vinden, is dat ook wordt onderzocht hoe je ziekte of het uitvallen bij ziekte kan voorkomen. Ik denk dat die expertise juist bij zo'n landelijk kenniscentrum ligt. Dat wordt nog niet geborgd en is ook geen wettelijke taak, terwijl we wel de experts hebben die dat zouden kunnen doen. Mijn vraag is dus of de staatssecretaris het met mij eens is dat de aanvulling genoemd in mijn amendement, één, nog niet geborgd is in de wet en, twee, wel degelijk een aanvulling is die niet uitgevoerd zal worden als we die niet vastleggen.

Staatssecretaris Becking:

Dank voor de toelichting. Ik begrijp het nu. Ik kom daar graag zo even op terug. Ik heb hier wetsartikel 3c, eerste lid, onderdeel e. Daar moet ik toch echt nog een paar minuten naar kijken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is goed. Voor de zekerheid heb ik er net ook nog even naar gekeken. Volgens mij zijn er drie onderzoekstaken. Die ondersteun ik, maar volgens mij is deze aanvullend.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp wat de heer Ceder bedoelt. Zeker.

De voorzitter:

Het is helder. De staatssecretaris komt daar in tweede termijn op terug.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel. Ik heb nog een andere vraag, over de hardheidsclausule. De staatssecretaris geeft aan dat die niet nodig zou zijn en tot ingewikkelde situaties zou leiden. Ik wil de staatssecretaris erop wijzen dat in de Wet van school naar duurzaam werk ook een hardheidsclausule zit. Het argument dat een school sowieso verplicht is om zorg te regelen, snijdt, denk ik, geen hout, want dat is een school bij elk kind verplicht. Het gaat hier om het volgende. Stel dat iemand op het mbo aantoonbaar beter af is als de landelijke stichting het overneemt. Het enige criterium op basis waarvan dat niet zou kunnen, zou de leeftijd kunnen zijn. Het zal niet om heel veel gevallen gaan, want ik denk dat niet heel veel mensen van boven de 27 nog op het mbo zitten en bovendien langdurig ziek zijn. Maar als zich dat voordoet, wil je niet dat zo iemand tussen wal en schip valt. Dit niet in de wet opnemen zou volgens mij juist een breuk zijn met de wetssystematiek, aangezien we dit nu juist wel in die andere wet hebben opgenomen. Dus mijn vraag is of de staatssecretaris het met mij eens is dat die zorg van de scholen voor elk kind geldt, en dat dit daardoor geen argument kan zijn waardoor dit amendement ontraden zou moeten worden.

Staatssecretaris Becking:

Dat kan ik volgen. De vraag was of ik het daarmee eens ben, en het antwoord is ja.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Daarmee hoort dit amendement oordeel Kamer te krijgen, denk ik.

Staatssecretaris Becking:

Ja, oordeel Kamer.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nou, dat was makkelijker dan ik dacht.

De voorzitter:

Ik wilde al zeggen: een snelle onderhandeling. Het gaat dan om het amendement op stuk nr. 15. Dat gaat van ontraden naar oordeel Kamer.

Ik kijk nog even naar de andere leden, want er kunnen nu snel zakengedaan worden ... Nee, dus volgens mij zijn we nu aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de staatssecretaris. We gaan gelijk door met de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik kijk even naar de heer Ceder of hij al zover is. Dan kan hij beginnen. Ik praat heel langzaam ... Ik nodig u uit, ga uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben blij dat de staatssecretaris uitgebreid de tijd heeft genomen om te reageren op de vragen. Er waren een flink aantal vragen, ook gevoed vanuit het werkveld, door consulenten die zich afvroegen wat dit voor hen gaat betekenen. Ik ben blij dat de staatssecretaris heeft kunnen toelichten dat het belang van het kind wel degelijk is meegewogen als het gaat om het wetsvoorstel. Ik ben ook blij dat de staatssecretaris op een aantal punten, long covid en ook de amendementen die een aantal van de zorgpunten probeerden af te dekken, in ieder geval richting en duidelijkheid heeft gegeven.

Ook dank voor het "oordeel Kamer" als het gaat om die hardheidsclausule — ik denk dat dat belangrijk is — en als het gaat om het amendement dat ik samen met mevrouw Westerveld heb ingediend om ook kinderen met psychische klachten de mogelijkheid te kunnen geven om te participeren. Ik heb in aanvulling, en ook volgens afspraak met mevrouw Beckerman, wel een motie waarmee, als de weging gemaakt wordt over wat voor regeling het best bij een kind zou passen, ik het zo wil sturen dat het belang van het kind daarbij centraal blijft; dus niet, zoals we helaas in de vorige fase vaak hebben gezien, dat bijvoorbeeld bepaalde subsidiestromen of financiële prikkels daar enige factor in zouden kunnen spelen. Daarom heb ik op dat punt ook nog een motie. Mevrouw Beckerman staat er nog niet onder. Ik ga 'm voorlezen, dus als u interesse heeft, mag u er ook onder.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat elke zieke leerling recht heeft op goed onderwijs en dat belang voorop moet staan, ongeacht ziektebeeld en of de leerling bijvoorbeeld lichamelijke of psychische klachten heeft;

overwegende dat met de centralisatie een aantal wijzigingen ten aanzien van subsidiestromen, centralisering en structuur worden aangebracht;

overwegende dat het belang van het kind bij de vorm van onderwijsondersteuning centraal dient te staan;

verzoekt het kabinet te borgen dat het belang van het kind voorop komt te staan bij de keuze onder welke regeling een kind valt en de wijze waarop deze keuzes worden gemaakt inzichtelijk te maken bij de eerstvolgende rapportage,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Beckerman.

Zij krijgt nr. 21 (36530).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Getekend door de leden Ceder en Beckerman. De Griffie zal dit verder voor mij doen, dank u wel.

Voorzitter. Dan de tweede. Ik opende mijn betoog met een pleidooi voor al die kinderen en mensen die met PAIS en long covid te maken hebben, waar we nog te weinig van weten en waarvoor we ook nog te weinig geregeld hebben, om als commissie ook specifiek voor deze groep iets te kunnen doen. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kinderen en jongeren met PAIS/long covid regelmatig vastlopen in het onderwijs, vanwege onder andere onvoldoende kennis en erkenning bij scholen en het ontbreken aan structuur en regie;

overwegende dat het ontbreken van duidelijke landelijke richtlijnen leidt tot onnodige overvraging en voortdurende onzekerheid en dat leerlingen en ouders gebaat zijn bij één vast aanspreekpunt dat de regie voert en bijdraagt aan duidelijkheid en rust;

overwegende dat tijdige inzet van deskundigheid en de belastbaarheid van het kind als uitgangspunt nemen, bijdraagt aan goed en passend onderwijs voor deze leerlingen;

verzoekt de regering om, in samenspraak met ouders, leerlingen, deskundigen en het onderwijsveld, landelijke richtlijnen op te stellen voor scholen over PAIS/long covid, waarin in ieder geval ouder- en leerlingenbetrokkenheid, het betrekken van deskundigheid, mogelijke onderwijsaanpassingen, zoals volwaardig digitaal afstandsonderwijs, en het aanstellen van één vast aanspreekpunt, aan bod komen;

verzoekt de regering daarnaast in samenspraak met genoemde betrokkenen mogelijke knelpunten uit huidige wet- en regelgeving tegen het licht te houden, en hierover aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Westerveld.

Zij krijgt nr. 22 (36530).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik krijg nog antwoord op één negatieve appreciatie van een amendement, waarbij ik betoogd heb dat het wel degelijk in het belang is ter verbetering van het wetsvoorstel. Ik denk dat we die samengevoegde expertise ook kunnen benutten om aan de voorkant preventief onderzoek te doen — ik denk dat iedereen daarvan opknapt — waarbij we ook gebruikmaken van de kennis die er is.

Ik heb nog twee amendementen die ontraden zijn. Daar ga ik even over nadenken. Ik ga die woorden laten bezinken en met de mede-indieners kijken wat we daarmee doen. In ieder geval wil ik de staatssecretaris danken voor de beantwoording. Ik kijk uit naar het vervolg.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik kijk naar mevrouw Westerveld voor haar tweede termijn. Ga uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en ook dank aan de mensen op de publieke tribune, die hier al de hele dag zitten. Volgens mij gaat het wetsvoorstel hun ook na aan het hart. Er zijn ook mensen die meeluisteren via de livestream. Tenminste, die indruk heb ik als ik kijk naar de betrokkenheid van een grote groep onderwijsconsulenten en anderen.

Voorzitter. Wij maakten een punt over het verschil tussen kinderen die lichamelijk ziek zijn en kinderen die psychische problemen hebben, die ook ziek zijn en soms ook een tijd niet naar school kunnen. In alle wet- en regelgeving wordt hiertussen een vrij strak onderscheid gemaakt. Ik wil hier nog een keer de oproep doen aan deze staatssecretaris en aan anderen om echt te kijken naar behoeften van kinderen en geen onderscheid meer te maken op basis van wat er met een kind aan de hand is. We maken het stelsel zo namelijk onnodig ingewikkeld, bureaucratisch, maar ook frustrerend voor een hele grote groep jongeren die niet naar school kan, en ook voor ouders en andere betrokkenen. Ik heb daarover met de heer Ceder een motie ingediend die erom vraagt een deur open te houden, zodat deze groep in de toekomst hopelijk beter geholpen kan worden. Ik heb daar ook nog een motie over die ik indien met mevrouw Beckerman, mevrouw Rooderkerk en de heer Ceder. Die lees ik even voor.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van Oudervereniging Balans blijkt dat 70.000 kinderen thuiszitten zonder passend onderwijs, en samenwerkingsverbanden tientallen miljoenen financiële reserves hebben die zijn bedoeld voor onderwijs en ondersteuning aan deze kinderen, maar niet worden uitgegeven;

constaterende dat de onderwijsinspectie een dringende oproep doet aan het kabinet om onderwijs in justitiële jeugdinstellingen te verbeteren;

constaterende dat het onderwijs aan kinderen in de jeugdzorg al jaren niet op orde is;

constaterende dat onderwijsconsulenten enorm waardevol werk doen waardoor onderwijs aan kinderen met een lichamelijke ziekte goed geregeld is en het wetsvoorstel daar nog een verbeterslag op maakt;

constaterende dat het recht op onderwijs voor álle kinderen zou moeten gelden;

verzoekt de regering om te onderzoeken of de werkwijze van de nieuwe stichting ook een oplossing kan zijn voor kinderen en jongeren die langdurig thuiszitten of geen passend onderwijs krijgen vanwege bijvoorbeeld autisme of hoogbegaafdheid, kinderen en jongeren in de jeugdzorg of justitiële instellingen, en de onderzoekers ook te vragen concrete beleidsopties uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Beckerman, Rooderkerk en Ceder.

Zij krijgt nr. 23 (36530).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Eigenlijk vragen we dus om een vrij uitgebreid onderzoek om te bekijken of deze manier van hulp en ondersteuning ook voor andere groepen leerlingen een oplossing kan zijn.

Voorzitter. Ik heb ook een heel punt gemaakt van het hebben van inspraak van jongeren. Dat is een recht. Uit het Kinderrechtenverdrag volgt dat ook jongeren altijd, bij alle besluiten die hen aangaan, mogen meepraten. Dat hebben we ook niet in alle wetgeving goed genoeg geregeld. Ik zag echter ook geen direct haakje in deze wet. Volgens mij moet dat inderdaad bij de werking van de nieuwe stichting gewoon goed aan bod komen. Ik heb daar nog wel een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kinderen en jongeren het recht hebben om mee te praten over onderwerpen die hen aangaan, en dit expliciet staat opgenomen in het Kinderrechtenverdrag;

constaterende dat inspraak van jongeren niet is geborgd in het wetsvoorstel Onderwijsondersteuning zieke leerlingen;

overwegende dat onderwijs en betrokkenheid van leerlingen het onderwijs en de ondersteuning ook beter maken;

verzoekt de regering om in de statuten van de nieuw op te richten stichting expliciete afspraken te maken over de inspraak van jongeren, bijvoorbeeld door concrete afspraken over de samenstelling van de cliëntenraad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Beckerman, Rooderkerk en Ceder.

Zij krijgt nr. 24 (36530).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik nog een laatste motie. Die gaat over de positie van de onderwijsconsulent, want volgens mij is een oproep van een groot deel van de Kamer heel duidelijk. Wij zeggen: behoud de kennis. Behoud deze mensen, want die brengen die kennis met zich mee. Zij hebben het netwerk. Er is volle tevredenheid over. We willen gewoon dat er een oplossing komt. Ik heb daar ook een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat na het aannemen van het wetsvoorstel Onderwijsondersteuning zieke leerlingen een groot deel van de onderwijsconsulenten zijn werkzaamheden zal voortzetten bij de landelijke stichting;

constaterende dat een deel niet onder de overgang van onderneming valt omdat zij ook andere taken verrichten bij hun huidige werkgever, vaak op het domein van zorg en ondersteuning;

constaterende dat het zonde is dat deze ervaring, deze expertise en dit netwerk verloren gaan;

verzoekt de regering om deze groep onderwijsconsulenten met dubbelfuncties de mogelijkheid te bieden om toch over te gaan naar de landelijke stichting, door bijvoorbeeld te kijken naar detachering of het verlagen van de minimale taakomvang, of door afspraken op individueel niveau te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Beckerman, Rooderkerk en Ceder.

Zij krijgt nr. 25 (36530).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik hoop dat ons amendement maar ook deze moties het wetsvoorstel nog een stukje beter maken. Ik hoop ook echt dat er een oplossing komt voor al die mensen die nu dagelijks met hart en ziel jongeren en hun ouders en scholen ondersteunen. Ik hoop echt dat ze dat kunnen blijven doen, want ze doen ontzettend belangrijk werk. Het helpt jongeren. Het helpt ouders en het zorgt er echt voor dat sommige jongeren nu kunnen doorstuderen, terwijl dat voorheen misschien nooit van hen gedacht werd, omdat ze zo'n lange tijd onderwijs hebben moeten missen en zo veel hebben meegemaakt vanwege hun ziekte.

Dat was mijn inbreng, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik nodig de heer Kisteman uit voor zijn inbreng in tweede termijn.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de beantwoording en voor het feit dat we de tijd hebben kunnen nemen om hierbij stil te staan. Dat geldt ook voor de collega's. Het is best lastige materie. Het is hartstikke fijn dat we daar zo veel vragen over kunnen stellen en daar de tijd voor nemen.

Voor de VVD blijft het belangrijk dat het onderwijs voor het zieke kind centraal blijft staan en op nummer één staat. Daarnaast wacht ik nog even de beantwoording van de staatssecretaris in tweede termijn af over de overdracht bij samenwerkingsverbanden, want dat blijft een belangrijk onderdeel.

Daar wil ik het bij laten, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Armut namens het CDA voor haar tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Volgens mij geldt voor een heel groot aantal van ons dat we best duidelijk voor ogen hebben waarom deze wetswijziging belangrijk is, namelijk voor de toekomstbestendigheid, de subsidiestromen en de flexibiliteit. Ook komt er een verruiming voor het mbo. Dat is allemaal duidelijk.

Tegelijkertijd hebben we best wel wat vragen gesteld en zorgen geuit, bijvoorbeeld over de continuïteit. Het CDA maakt zich net als andere fracties zorgen over de consulenten die de overstap niet gaan maken of niet dreigen te maken. Wij willen waken voor een mogelijk gevolg, namelijk dat de ondersteuning onder druk komt te staan. Tegelijkertijd krijgen ze — ik noemde net al de verruiming van het mbo — wel meer taken op hun bord en die zullen ze dan misschien met minder mensen moeten doen. Dat vinden wij zorgwekkend. De efficiëntie, die er wel van zal komen, moet niet veroorzaken dat het ten koste gaat van de korte lijntjes die er zijn, de contacten die zijn opgebouwd of de signalering. Dat moet allemaal niet vervagen. Dat is een zorg van ons. We hopen dat de staatssecretaris daar in tweede termijn wat langer op in kan gaan. Ik zal niet alle vragen herhalen die daarover zijn gesteld, maar wij delen wel de zorg. We willen namelijk behouden wat wel werkt, en heel veel hieraan werkt goed.

De vragen over de regio-inbedding sluiten daar eigenlijk wel op aan. We vragen ons af wat er gebeurt als er in een regio een tekort ontstaat. Sommige consulenten gaan dus niet mee. Wat als dat heel veel in een bepaalde regio gebeurt? Ik vroeg in de eerste termijn al of er dan wachtlijsten komen. Graag iets meer antwoorden daarop van de staatssecretaris.

We hebben begrip voor het systeem dat moet veranderen, maar uiteindelijk moet de praktijk goed uitpakken. De staatssecretaris zei net terecht dat het draait om goede ondersteuning voor zieke leerlingen. Er wordt ontzettend belangrijk werk uitgevoerd door al die onderwijsconsulenten en wij willen heel graag dat dat behouden blijft. We hopen dat dat duidelijk overgekomen is en dat daar in tweede termijn langer bij stilgestaan kan worden.

Tot slot, voorzitter. Ik had een paar keer een punt gemaakt van dat schakelmoment. Ik hoorde net een duidelijke toezegging van de staatssecretaris dat hij daarover in gesprek zal gaan met de stichting en dat hij zal werken aan zo'n richtlijn. Ik dien dan ook geen motie in en ik zal het goed in de gaten houden.

Dat was mijn inbreng, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Het woord is aan mevrouw Beckerman. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, dank. Ik vond het een leuk debat. Ik dank ook de staatssecretaris voor de antwoorden. Het valt mij op dat de Kamer — misschien op een enkele partij na — vrij eensgezind is over het goede dat we willen behouden. Ik vind dat de staatssecretaris daar nog iets te weinig aan tegemoetkomt. Daarom heb ik twee moties en twee andere aandachtspunten. Ik begin met de moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen een fundamentele wijziging van de uitvoeringsorganisatie daarvan bewerkstelligt;

constaterende dat deze wet pas na enkele jaren geëvalueerd zal worden;

overwegende dat deze wet volgens de regering niet tot veranderingen in de uitvoering van onderwijsondersteuning zal leiden;

overwegende dat het belangrijk is om eventuele veranderingen in de uitvoering zo vroeg mogelijk vast te stellen;

verzoekt de regering om een jaar na de inwerkingtreding met een monitoringsrapportage te komen en een tevredenheidsonderzoek uit te voeren onder leerlingen, ouders en medewerkers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman, Westerveld, Rooderkerk, Ceder en Armut.

Zij krijgt nr. 26 (36530).

Mevrouw Beckerman (SP):

De tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen geen criteria voor deze ondersteuning opneemt, maar de minister wel de mogelijkheid geeft om de uitvoerende stichting kaders mee te geven;

overwegende dat zieke leerlingen gebaat zijn bij een zo snel mogelijke realisatie van onderwijsondersteuning;

overwegende dat in het huidige stelsel de meeste zieke leerlingen tijdig ondersteuning ontvangen en dat de regering benoemt dit te willen behouden;

verzoekt de regering om de snelheid waarmee zieke leerlingen ondersteuning krijgen te borgen en hierover criteria mee te geven in de eerste kaderbrief aan de op te richten uitvoerende stichting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman, Westerveld, Rooderkerk en Ceder.

Zij krijgt nr. 27 (36530).

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om heel duidelijk te zijn over dat laatste punt. De vraag van LBVSO is er niet voor niks. Hij zegt: nu gaat dat goed. De Kamer heeft wel zorgen dat dat in de toekomst minder goed zal gaan. Als hij zo'n fan van deze wet is en gelooft dat dit goedkomt, dan zou het volgens mij heel makkelijk moeten zijn om hieraan tegemoet te komen. Maar het belangrijkste aandachtspunt — daar heb ik ook meerdere moties over ondertekend — zijn echt de medewerkers met een klein contract. We zien namelijk dat zij door hun nevenfuncties extreem waardevol zijn, kunnen zijn en kunnen blijven voor leerlingen. Ga dat nou niet samenvatten als: "in totaal is het maar 7 fte". Dat is namelijk al snel zo bij kleine contracten. Daarmee neemt de waarde van deze mensen niet af. Je kunt het optellen tot 7 fte, maar zie die waarde en kijk hoe je aan de brede wens van de Kamer tegemoet kunt komen.

Daarbij laat ik het. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk namens de D66-fractie.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Voorzitter, dank u wel. We hebben een deel van het debat gevoerd, maar er zijn ook nog best wel veel vragen niet beantwoord. We komen daar straks op in tweede termijn. Daarnaast moet er ook nog veel worden uitgewerkt. Deze wet is een soort startpunt, maar voor die hele stichting en structuur is nog best veel nodig. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook om de brief die daarover wordt gestuurd, ook echt voor de zomer van 2026 of zo snel mogelijk te sturen, zodat we daar met de Kamer nog tijdig het debat over kunnen voeren. Dan kunnen we zorgen dat alles echt goed geregeld is en duidelijk is voor de ingang van de nieuwe stichting en structuur.

Daarbij doe ik ook de oproep om de zorgen echt serieus te nemen. Het gaat weliswaar om een kleine groep leerlingen en consulenten, maar wel om grote problemen en grote zorgen, die we dus ook echt met elkaar moeten oplossen voordat wij hiertoe overgaan. Daartoe heb ik ook een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de nieuwe landelijke structuur voor onderwijs aan zieke leerlingen wordt ingericht terwijl ouders en leerlingen over het huidige werk van consulenten overwegend tevreden zijn;

constaterende dat veel ozl-consulenten hun werk combineren met een andere functie, zoals orthopedagoog of onderwijsadviseur;

overwegende dat de wet veel ruimte laat voor de precieze regionale inrichting en er geen duidelijkheid is over de verdeling van middelen en personeel tussen regio's, wat bij consulenten leidt tot onzekerheid over hun toekomstige werkplek en taken;

overwegende dat een aanzienlijk deel van de huidige consulenten aangeeft mogelijk niet over te stappen naar de nieuwe stichting, met risico op verlies van capaciteit en expertise;

verzoekt de regering stevige landelijke regie te waarborgen, via een stichting met verantwoordelijkheid voor kwaliteit, bekendheid van de voorziening en continuïteit van de ondersteuning, en de uitvoering regionaal, dicht bij het kind, te behouden;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat regionaal behouden moet blijven, wat centraal kan worden belegd en hoe de middelen over regio's moeten worden verdeeld op basis van actuele gegevens, en de Kamer voor de zomer over de uitkomsten te informeren;

verzoekt de regering in de transitie naar de nieuwe structuur de flexibiliteit voor consulenten te behouden, bijvoorbeeld door combinatiebanen mogelijk te houden en detachering van consulenten toe te staan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Boomsma, Ceder, Beckerman, Westerveld en Armut.

Zij krijgt nr. 29 (36530).

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Veel dank aan de collega's voor het medeondertekenen. Daarmee ligt er dus echt een brede wens met gedeelde zorgen vanuit de Kamer. We kunnen het nu niet allemaal in amendementen gieten, dus ik hoop dat we hiermee echt een hele duidelijke uitwerkingsrichting geven. Daarmee krijgen we vervolgens hopelijk ook de consulenten, die we heel hard nodig hebben hierbij, mee in die nieuwe structuur. Zo laten we zien dat het wél kan en zorgen we er met elkaar voor dat zieke leerlingen de hulp en ondersteuning behouden die zij nu krijgen.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Raijer namens de PVV-fractie.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Wij danken de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ook wij zijn niet helemaal opgelucht over dit voorstel, maar ik wil nog wel even de tweede termijn afwachten.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Stoffer, namens de SGP-fractie.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Ons doel, en ook van de collega's merkte ik, bij deze wetsbehandeling is telkens geweest dat kinderen die ernstig of langdurig ziek zijn zo veel mogelijk en zo goed mogelijk ondersteund worden. Ik moet zeggen dat ik in de beantwoording door de staatssecretaris heb gemerkt dat hem dat aan het hart gaat en dat hij daar ook voor wil staan. In mijn optiek heeft hij de beantwoording goed en degelijk gedaan. Dank daarvoor.

Ik wil als Kamerlid niet te veel op de organisatie en de organisatievorm gaan zitten. Ik zie dat niet als mijn taak, maar zeg in dit spectrum wel dat wij echt moeten kijken naar een zorgvuldige overgang. Ik heb daarvoor een aantal moties en amendementen voorbij zien komen. Die zullen we uiteraard wegen. Ik heb de staatssecretaris horen zeggen — dat is voor mij wel van belang — dat voor aankomende zomer de convenanten en een implementatieplan gereed zijn. De mensen die nu bezig zijn om de leerlingen die ziek zijn te ondersteunen, weten dan vroegtijdig waar ze aan toe zijn, zodat ze nog zeker een halfjaar hebben om te kijken waar ze als organisatie naartoe groeien. Onder die voorwaarde zal ik mijn fractie adviseren om voor deze wet te gaan stemmen. Een voorwaarde is natuurlijk ook dat de wet niet op een heel andere manier verbouwd wordt door de amendementen. Dat gaan we nog wegen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het laatste woord in de tweede termijn van de Kamer is aan de heer Boomsma namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de uitvoerige beantwoording. Hopelijk kunnen we ervoor zorgen dat alle zieke kinderen gewoon het onderwijs en de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Dank ook voor de toezegging over KlasseContact. Ik denk dat Nederland toch een land is waarin, als dit soort middelen beschikbaar zijn of die mogelijkheden er zijn, we die ook moeten bieden aan kinderen die daar zo mee geholpen zijn. We zien dus uit naar de reactie daarop.

Ik had nog een vraag over de niet-bekostigde mbo's. Ik ben heel benieuwd waarom we die niet hierin zouden meenemen, want het gaat volgens mij om maar 6% van alle mbo-leerlingen. Een nog kleiner deel daarvan valt in de leeftijdsgroep. Je zou die ook toegang willen bieden tot de expertise en de mogelijkheden die door de consulenten kunnen worden geboden. Ik heb dan ook nog een amendement in voorbereiding. Tenzij de staatssecretaris zo meteen een heel goed argument geeft om ze er niet bij te betrekken, zal ik dat ook indienen.

Dan over het thuisonderwijs. Ik heb in onze gesprekken en in het veld gezien dat er in Nederland plekken zijn waar dat niet kan en plekken waar dat wel mogelijk is. Voor sommige kinderen is dat een belangrijk onderdeel. Het is beperkt en het is tijdrovend, maar het is voor sommige kinderen heel belangrijk dat er af en toe iemand kan langskomen. Op dit moment is dat niet het geval, dus ik heb daar ook nog een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor onderwijs aan kinderen die door ziekte niet naar school kunnen van groot belang is dat zij ook thuis les kunnen krijgen;

overwegende dat in sommige regio's van Nederland wel, maar in andere gebieden op dit moment geen thuisonderwijs kan worden gegeven;

verzoekt de regering de nieuw op te richten stichting te instrueren om ervoor te zorgen dat in elke regio van Nederland thuisonderwijs kan worden geboden aan kinderen voor wie dit de beste oplossing is, en te inventariseren in welke regio's van Nederland geen thuisonderwijs kan worden geboden, waar dat op dit moment wel kan, hoe dat daar is georganiseerd en op welke manier vrijwilligers of gepensioneerde docenten breder kunnen worden ingeschakeld om thuisonderwijs te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 30 (36530).

Ik dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. We gaan kort schorsen, zodat de staatssecretaris zich kan voorbereiden op de beantwoording. Ik schors de vergadering tot 15.50 uur.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen het debat. Wij gaan verder met de tweede termijn van de kant van het kabinet, van de staatssecretaris, maar ik wil allereerst even het woord geven aan mevrouw Westerveld, die een vraag of een punt van orde heeft.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik denk een punt van orde. Er zijn lopende dit debat nog een paar amendementen ingediend. Dat kan natuurlijk — iedereen heeft dat recht — maar we hebben bijvoorbeeld niet het debat kunnen voeren over het amendement van DENK, omdat er niemand van DENK aanwezig is in de zaal. Ook over het amendement van de heer Boomsma had ik graag een vraag willen stellen, maar dat was ook te laat. Volgens mij kunnen we daar nu niks mee, maar ik wil wel opmerken dat dat onhandig is, omdat we hier toch een belangrijk debat voeren over een wet. Het is fijn als we daar dan vragen over kunnen stellen.

De voorzitter:

Waarvan akte. Dank u wel. Ik wil graag het woord geven aan de staatssecretaris voor de tweede termijn. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, voorzitter. Er waren nog een aantal vragen en dan doe ik de appreciaties.

Ik begin met de preventievraag van de heer Ceder, over aandacht voor het voorkomen van ziekte. Dat staat inderdaad niet in de wet. Het voorkomen van ziekte is namelijk niet mogelijk, hoe graag ik dat ook zou willen. Ozl helpt natuurlijk wel als er wel sprake is van ziekte. Ik kan wel een onderzoek toezeggen naar het voorkomen van uitval. Ik kan dus wel toezeggen om een onderzoek te doen naar het voorkomen van uitval en om dat in de kaderbrief die ik uw Kamer stuur, mee te nemen.

De voorzitter:

De heer Ceder is blij, zie ik al.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dit is nou juist exact de strekking van mijn amendement. Volgens mij vinden we beide belangrijk.

Staatssecretaris Becking:

Zeker, excuus. Ik was met de vraag hierover begonnen. Het is inmiddels amendement op stuk nr. 31: heb ik dat goed?

De voorzitter:

Ja, het amendement op stuk nr. 15 is het amendement op stuk nr. 31 geworden.

Staatssecretaris Becking:

Nee, dat is 'm niet, zie ik. Sorry, dit gaat over het doen van onderzoek naar preventie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat klopt, ja.

Staatssecretaris Becking:

Daarvan zeg ik: dat wil ik toezeggen. We gaan onderzoek doen naar het voorkomen van uitval en daarover gaan we de Kamer informeren via de Kamerbrief. Op uw andere amendement kom ik straks terug.

De voorzitter:

Laten we het even stapsgewijs doen. Gaat dit om het amendement op stuk nr. 11?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat klopt, voorzitter. Ik kom er nu achter dat de staatssecretaris en ik het eens zijn over het belang van het doen van onderzoek naar uitval door ziekte. De staatssecretaris zegt dat toe en komt daar in een rapportage op terug. Ik vind het belangrijk om voor dit aspect een grondslag in de wet te creëren, zodat ook wanneer deze staatssecretaris weg is en er een andere komt, er niet een andere opvatting over is. Dit is dus vooral bedoeld om een grondslag te borgen, zodat ook in de komende jaren dit een belangrijk onderdeel blijft. Ik ben best bereid om het amendement dusdanig aan te passen dat het exact de lading dekt die de staatssecretaris beoogt. Dat vind ik namelijk ook; misschien heb ik het wat onhandig verwoord. De grondslag is wel nodig voor de continuïteit, denk ik, omdat het anders bij een volgend kabinet weer net anders geïnterpreteerd kan worden.

De voorzitter:

Ik stel voor om dit nu even beet te pakken en gelijk naar het amendement op stuk nr. 11 te gaan, zodat we dit stukje beet kunnen pakken. Ik vraag om uw aanpassingsvermogen, zie ik.

Staatssecretaris Becking:

Ik had in de eerste termijn al gezegd: die grondslag is er al. Daarmee ontraad ik dus het amendement.

De heer Ceder (ChristenUnie):

In artikel 3 staan een aantal grondslagen met betrekking tot onderzoek. Er is dus een grondslag voor onderzoek. Alleen, die grondslagen richten zich allemaal op het moment dat er al sprake is van uitval door ziekte. Ik denk dat het belangrijk is om ook een grondslag te creëren om onderzoek te kunnen doen naar het voorkomen van uitval door ziekte, omdat je de expertise in één stichting hebt. Die specifieke grondslag zit er niet in. Er zit wel een grondslag in voor onderzoek, maar niet op dat specifieke punt. Ik denk dat dat een waardevolle toevoeging is om dezelfde reden die de staatssecretaris en ik net uitwisselden met elkaar.

De voorzitter:

Een laatste reactie op dit punt van de staatssecretaris, wat mij betreft.

Staatssecretaris Becking:

Het is feitelijk een taakuitbreiding van de stichting, nietwaar? Als we daar een kan-bepaling van kunnen maken, dan denk ik dat ik daar wel in mee wil gaan. Dan krijgt het amendement dus oordeel Kamer. Dan móét het dus niet gebeuren, maar dan kán de stichting daar onderzoek naar doen via de kan-bepaling. Anders denk ik dat de taakuitbreiding van de stichting wel echt groot is: in plaats van werken met zieke kinderen ook onderzoek doen naar preventie bij kinderen die misschien … Et cetera.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Ceder. Neemt u de handreiking aan?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is goed. Ik denk namelijk dat het primaire werk van de stichting zich zou moeten richten op kinderen met een ziekte, maar ik denk dat de expertise ook gebruikt kan worden voor preventie. Ik neem dit aan, in de zin dat ik het amendement dusdanig probeer aan te passen, want ik snap de staatssecretaris en dat is ook mijn bedoeling. Ik kijk even naar mijn mede-indiener om te zien of de formulering … Het is niet de bedoeling dat we de landelijke stichting overbelasten, maar we willen ze wel de mogelijkheid bieden om dat aan te grijpen, als ze daar de ruimte voor hebben, want ik denk dat dat de hele sector ten goede kan komen. Ik stuur dus een gewijzigd amendement, want ik denk niet dat er nog een schriftelijke appreciatie komt. Ik vraag of de staatssecretaris kan toezeggen dat, als ik er een kan-bepaling van maak qua grondslag, ik een oordeel Kamer kan krijgen.

De voorzitter:

Ja, dat heb ik net gehoord.

Staatssecretaris Becking:

Ja. Het is goed om dat toch even op papier te wijzigen, maar qua intentie heb ik me daar net over uitgesproken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Daar ben ik de staatssecretaris zeer erkentelijk voor. Dank u wel.

De voorzitter:

Kijk eens aan. Dan hebben we dat ook afgedaan. Volgens mij gaat u dan verder met de beantwoording van de vragen.

Staatssecretaris Becking:

De vraag van GroenLinks-PvdA ging over wat er met de drie Onderwijsraadadviezen is gedaan over onderwijs in justitiële inrichtingen. Ik heb daar al het een en ander over gezegd. Er wordt hard aan gewerkt met VWS en het veld en we willen het ook graag zorgvuldig doen. Voor de zomer wil ik u daarvan op de hoogte brengen.

Mevrouw Rooderkerk en mevrouw Westerveld vroegen wat ik doe om ervoor te zorgen dat de groep die niet valt onder de overgang van onderneming ook meegaat. Het is belangrijk om nog een keer te zeggen: iedereen kan mee, ook de groep consulenten die niet onder die overgang van onderneming valt. Deze groep krijgt ook een aanbod van de stichting en kan ook parttime gaan werken voor de stichting. Tegelijkertijd is het natuurlijk zo — en daar komt die 24 uur vandaan — dat het wel een beetje omvang moet hebben, anders is bijvoorbeeld de verhouding tussen werkoverleg en opleidingen doen, en het primaire proces een beetje zoek. Daarom zijn we met die 24 uur gekomen. Maar ik hoor de Kamer en ben ook wel bereid om die 24 uurseis los te laten. Dat is dus een toezegging, voorzitter.

GroenLinks-Partij van de Arbeid sprak over de cliëntenraad en de belanghebbendenraad. Dat is hetzelfde eigenlijk. "Cliëntenraad" is achteraf gezien een beetje ongelukkig gekozen, want het gaat niet om een medische organisatie en de stichting krijgt een ondernemingsraad. Het wordt hier dus een beetje een woordspel.

De VVD vroeg nog: hoe wordt ervoor gezorgd dat de stichting, die landelijk goed samenwerkt, ook goed samenwerkt met samenwerkingsverbanden die regionaal zijn? De stichting gaat werken in vijf regioteams. De teamleider van iedere regio zal overleg hebben met de samenwerkingsverbanden in elke regio. Daarnaast zal de directeur van de stichting overleg voeren met de koepel van samenwerkingsverbanden.

Het CDA vroeg nog: als sommige consulenten niet meegaan, komen er dan wachtlijsten? Ik verwacht niet dat er wachtlijsten komen. Ik verwacht dat de stichting met een volledige bezetting zal starten per 1 januari 2027. Mochten er consulenten niet meegaan, dan ontstaan er vacatures. Die worden ingevuld en dan worden er nieuwe consulenten ingewerkt. De ervaring leert dat er zeer veel belangstelling is voor deze functie. Je doet natuurlijk ook prachtig mooi werk; dat heb ik zelf gezien. Als ik uw Kamer voor de zomer informeer over de invoering van het een en ander, zal ik nog wat concreter kunnen ingaan op hoe dat ervoor staat.

Mevrouw Armut van het CDA vroeg ook het volgende. Sommige consulenten maken de overstap niet. Worden de taken dan verdeeld over minder mensen, ook door de uitbreiding van de doelgroep? Ze vroeg of ik die zorg deel. Als er minder mensen beschikbaar zijn dan nodig om de wettelijke taak uit te voeren, dan ontstaat er gewoon een vacature. We weten dat er veel animo is voor dit werk. Bovendien maakt het overgrote deel van de consulenten wel de overstap. Er is ook voldoende capaciteit — dat had ik al gezegd — om de toename van de doelgroep van het mbo te kunnen opvangen.

De SP vroeg waarom we de reactietermijnen niet direct in de wet zetten. Het is staande praktijk dat ozl door consulenten op korte termijn wordt geleverd richting de scholen en zo nodig richting leerlingen en ouders. De termijn is dus zo kort mogelijk. Het is van belang dat de aan te wijzen stichting deze praktijk continueert. Dat ben ik natuurlijk helemaal eens met de vragensteller. Ik zie echter geen noodzaak om wettelijk in detail vast te leggen welke termijnen er zijn voor contact en het bieden van ozl door de stichting. Als de regering op dergelijke zaken moet sturen, hoort dat, denk ik, te lopen via een kaderbrief, een startbrief of een subsidiebeschikking. Daar heb ik ook in de eerste termijn iets over gezegd. Bovendien moet, denk ik, worden afgewogen of het noodzakelijk is om goede praktijken vast te leggen in protocollen en regels, zeker op het niveau van een wet. Ik zie die noodzaak nu niet.

De heer Boomsma had een vraag over niet-bekostigd mbo. Het antwoord daarop is als volgt. Ozl maakt deel uit van het bekostigde onderwijsstelsel. Een van de kenmerken van niet-bekostigd onderwijs is logischerwijs dat de overheid daar niet aan bijdraagt. Dit betekent dat niet-bekostigde scholen en instellingen de ondersteuning van zieke leerlingen dus zelf moeten regelen. Daar is tegelijkertijd door de heer Boomsma een amendement over ingediend: dat op stuk nr. 28. Dat is zo snel gegaan dat ik dat nog moet bestuderen, zeg ik daarbij. Ik wil daar graag schriftelijk op terugkomen.

De heer Boomsma (JA21):

Sorry dat het amendement wat laat kwam, zeg ik ook richting mevrouw Westerveld. De strekking daarvan is eigenlijk heel eenvoudig. Ik wil namelijk gewoon veranderen dat ook studenten van die niet-bekostigde mbo-instellingen hiervoor in aanmerking komen. De staatssecretaris zegt hoe het nu werkt. Ik hoor alleen nog niet echt een goed argument om deze hele kleine groep hier niet ook bij te betrekken, behalve dat de opleiding zelf niet bekostigd wordt. Is het niet beter als de kinderen die dan de pech hebben dat ze op zo'n instelling zitten én ziek worden, dan toch ook mee kunnen draaien en gebruik kunnen maken van de expertise van deze consulenten?

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp wat de heer Boomsma beoogt. Ik denk dat het wel iets ingewikkelder is om niet-bekostigde instellingen te gaan financieren via een publiek bekostigd stelsel. Ik heb daarom toch echt wel even nodig om te kijken of dat zomaar zou kunnen.

De voorzitter:

De staatssecretaris komt er middels een brief op terug.

De heer Boomsma (JA21):

Heel veel dank. Als er bepaalde blokkades zijn, kun je natuurlijk misschien ook denken aan een systeem waarbij de niet-bekostigde mbo-instelling zich wel kan wenden tot de stichting, als zo'n situatie zich dan voordoet. Misschien dat ze daar dan een bepaalde vergoeding voor zouden vragen. Misschien kan zoiets ook worden meegenomen.

Staatssecretaris Becking:

Ja, hoor, dat wil ik wel toezeggen.

De voorzitter:

Kijk eens aan.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik ga mijn vraag die ik anders aan de heer Boomsma wilde stellen, even meegeven aan de staatssecretaris. Mijn vraag is of hij dan ook zou kunnen ingaan op de niet-bekostigde instelling in het funderend onderwijs, dus de basisscholen en het voortgezet onderwijs. Daar heb je volgens mij hetzelfde probleem. Met dit amendement wordt wel een uitzondering gemaakt voor mbo-instellingen, maar volgens mij niet voor die andere twee instellingen. Kan de staatssecretaris daar in zijn brief dan ook op ingaan?

Staatssecretaris Becking:

Ja, dat wil ik toezeggen. Dat lijkt me hetzelfde soort onderwerp.

De voorzitter:

Kijk eens aan.

Staatssecretaris Becking:

Dan kom ik bij de appreciaties. Ik had nog een extra amendement van DENK, over onderwijs op afstand. Dat is het amendement op stuk nr. 20, en dat geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 20 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

Dan kom ik bij de moties.

De voorzitter:

Even voor de administratie: het amendement op stuk nr. 20 krijgt oordeel Kamer, dat op stuk nr. 28 wordt behandeld middels een brief en het amendement op stuk nr. 15 is inmiddels het amendement op stuk nr. 31 geworden. Blijft het oordeel op dat amendement oordeel Kamer, of wijzigt dat daardoor? Weet u dat?

Staatssecretaris Becking:

Het oordeel op het amendement op stuk nr. 31 blijft oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dan hebben we dat ook maar afgedaan. Dan gaan we nu over naar de moties. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 21 geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 22 is overbodig. Het is natuurlijk schrijnend als je tijdens je onderwijstijd, je schooltijd, met covid te maken krijgt. Scholen hebben daar een zorgplicht voor. Er is ook gewerkt aan informatie voor scholen. Met het Actieprogramma Digitale School stimuleren we dat scholen de kansen van digitaal afstandsonderwijs benutten. Er is meer ruimte voor maatwerk voor kwetsbare leerlingen. Dat geldt ook voor kinderen met long covid. Ik wil best toezeggen dat ik bij de partners in het onderwijs en bij de ouders extra naga hoe deze maatregelen voor kinderen met long covid uitpakken en dat ik de Kamer hierover informeer in de brief over passend onderwijs, die ik in het voorjaar zal sturen. Ik ben echter geen voorstander van landelijke richtlijnen uitsluitend voor deze doelgroep. Dan zijn er volgens mij nog meer doelgroepen denkbaar.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn collega's en ik hebben in aanloop naar dit debat veel mensen gehoord die juist te weinig sturing en regie vanuit de overheid ervaren op het gebied van long covid. Het is een ziektebeeld waar al heel lang onduidelijkheid over bestaat, terwijl er bij andere ziektes meer duidelijkheid vanuit de overheid is. Ik ga de motie vooralsnog dus in stemming brengen, omdat ik recht wil doen aan de signalen die ik heb gekregen — ik denk dat andere partijen die ook hebben gekregen — en ga even met de mede-indiener overleggen wat we hiermee doen. Volgens mij is dit een punt waar de overheid nog te weinig regie op neemt. Wij hebben daarom deze motie ingediend. We verschillen hierover van inzicht, denk ik. Ik ga dit even verifiëren. Tot die tijd wil ik de motie in stemming brengen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 22: overbodig.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 23: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 24 is overbodig, omdat dit al in de statuten wordt geregeld.

De motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 27: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 28 ...

De voorzitter:

Ja ...

Staatssecretaris Becking:

Ik ben er bijna doorheen, voorzitter. Ik moet er nog twee.

De voorzitter:

Laten we het dan even afmaken. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 28: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 29 is overbodig. Ik ga ervan uit dat u met "thuisonderwijs" digitaal onderwijs bedoelt. Thuisonderwijs wordt door ouders georganiseerd. Dat is dus weer heel wat anders. Alle consulenten, in welke regio zij ook werken, ondersteunen scholen die nu al onderwijs organiseren. Dat doen zij onder andere met KlasseContact. Dat blijven zij ook doen. Ik begrijp ook wel waar dit over gaat. Mochten er in de praktijk toch verschillen zijn, dan is dat onwenselijk. Als het nodig is, dan zal ik ook met de stichting en een vertegenwoordiging van de gebruikers kijken hoe we kunnen zoeken naar een oplossing hiervoor. Ik dacht dat dat ook de bedoeling was van de indiener.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Bij de motie op stuk nr. 24 zei de staatssecretaris: we gaan al doen wat er in de motie staat. Dat lijkt mij een reden om de motie niet in stemming te brengen. Ik trek 'm dus in.

De voorzitter:

Helder.

Aangezien de motie-Westerveld c.s. (36530, nr. 24) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Boomsma (JA21):

Het ging niet alleen om de digitale vormen. Van het veld heb ik begrepen dat op een aantal plekken, bijvoorbeeld in Amsterdam, een consulent wel naar het huis kan gaan van een ziek kind. Voor sommige kinderen is het nodig dat je thuis bij ze langsgaat om daar onderwijs te verzorgen. In andere, grote delen van Nederland gebeurt dit niet. Dat wordt hiermee bedoeld.

Staatssecretaris Becking:

Dat gaat dan over de rol van de ozl-consulent bij de ondersteuning van zieke kinderen en ouders om onderwijs te kunnen volgen, al dan niet in een ziekenhuis. Maar dat gaat niet over gewoon regulier onderwijs geven. Dat is thuisonderwijs, dat is weer iets anders. Dat is gewoon een spraakverwarring, denk ik, over die begrippen.

De voorzitter:

Meneer Boomsma, uw laatste interruptie over deze motie.

De heer Boomsma (JA21):

Maar daarin bestaan dus regionale verschillen en het lijkt me goed dat de instructie duidelijk is dat het in heel Nederland gelijk wordt getrokken.

Staatssecretaris Becking:

Dat kan ik in de voorbereiding aan de stichting meegeven. In de brief over de voortgang van de oprichting van de stichting zal ik de Kamer dan nader informeren, als u dat wilt.

De voorzitter:

Meneer Ceder, gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dan trek ik 'm in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Boomsma (36530, nr. 30) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dan vervalt mijn opmerking.

De voorzitter:

Kijk aan.

Staatssecretaris Becking:

Dat was 'm, voorzitter. Dacht ik. Toch niet.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog een openstaande vraag, namelijk over het ECIO en het mbo, hbo en wo. De staatssecretaris zou daar in zijn tweede termijn nog op terugkomen, sorry.

Staatssecretaris Becking:

Het voorbereide antwoord komt er nu aan; ik heb er zelf nu geen pasklaar antwoord op. Waarom niet ook het mbo meegenomen? Dat was niet helemaal de strekking van de vraag. Het hbo heeft ECIO-ondersteuning, onder andere met betrekking tot zieke studenten. Ik begrijp het punt van mbo, hbo, wo en p.o., vo, vmbo. Ik heb het antwoord gewoon niet paraat, voorzitter.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat snap ik. Wat volgens mij hier van belang is, is dat jongeren in het mbo die ondersteuning nodig hebben, straks duidelijkheid hebben over waar ze naartoe moeten. Ik ben voor de beweging dat mbo-studenten steeds meer als echt volwaardige studenten worden gezien. Ik snap ook dat ze onder dit wetsvoorstel vallen, omdat het nu goed is geregeld. Ik geef als aandachtspuntje mee om duidelijkheid te verschaffen aan deze studenten.

Staatssecretaris Becking:

Aandachtspunt is genoteerd.

De voorzitter:

Dat was uw bijdrage in de tweede termijn?

Staatssecretaris Becking:

Ja, dank u wel.

De voorzitter:

Kijk eens aan. Dat betekent dat we aan het einde zijn gekomen van de behandeling van deze Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen. Ik wil de staatssecretaris hartelijk danken voor zijn aanwezigheid en de beantwoording van de vragen. Uiteraard dank ik ook de leden voor het mooie debat, net als de ondersteuning.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik wil nog even vermelden dat wij op 16 december, dus niet aanstaande dinsdag maar de dinsdag erop, gaan stemmen over de moties, amendementen en de wet. U heeft dus nog even tijd om erover na te denken. Ik ga dit debat beëindigen. We gaan schorsen tot 18.30 uur. Daarna volgt de rest van de agenda voor deze dag.

De vergadering wordt van 16.16 uur tot 18.45 uur geschorst.

Naar boven