9 Waarborgen bij bevoegdhedenoverdracht

Aan de orde is het VAO Waarborgen bij bevoegdhedenoverdracht (AO d.d. 04/06). 

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Bevoegdhedenoverdracht aan de EU is een belangrijk thema, want met de overdracht van bevoegdheden kan democratische controle weglekken, als die niet elders wordt opgepakt. Documenten zijn veel te vaak geheim. De Europese Rekenkamer mag niet controleren en nationale parlementen kunnen de Raad niet goed controleren. Dat merken we bijvoorbeeld heel goed bij de openheid van correspondentie tussen Nederland en de EU. Inzake de EU-naheffing is er hierover al veel debat geweest. Het gaat om openheid van de regering middels een WOB-verzoek van de Telegraaf, maar ook om openheid van de Kamer wanneer daarom wordt gevraagd. Ik heb daarom een zeer specifiek verzoek aan de minister. De Telegraaf heeft een Euro-WOB-verzoek ingediend en de regering heeft daar een zienswijze over ingediend bij de Europese Commissie. Nu zijn andere zienswijzen openbaar geworden en krijgen wij regelmatig brieven van de Commissie. Mijn verzoek aan de regering is of zij deze zienswijze op het Euro-WOB-verzoek over het wel of niet openbaar maken van de documenten over de naheffing aan de Kamer wil doen toekomen. Is de minister daartoe bereid? 

Dan hebben we het zo nog over agentschappen, maar dat laat ik over aan mijn collega van de VVD, die daarover een motie zal indienen. 

Tot slot wil ik een motie indienen over het recente rapport van de Rekenkamer over noodsteun voor eurolanden tijdens de crisis. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat uit het recente Rekenkamerrapport "Noodsteun voor eurolanden tijdens de crisis" blijkt dat het onduidelijk is waar de miljardensteun aan Griekenland heen is gegaan en dat de democratische controle op de eurozone tekortschiet; 

constaterende dat de besluitvorming van de eurogroep plaatsvindt buiten de reguliere processen van democratische controle en verantwoording om; 

constaterende dat er geen onafhankelijke externe controle is op de EFSF; 

verzoekt de regering, binnen twee maanden in Nederland met een voorstel te komen 

  • -voor onafhankelijke externe controle op de EFSF; 

  • -voor formele procedures in de eurogroep, inclusief openheid van documenten en meningen van lidstaten; 

dat na bespreking met de Staten-Generaal in Europa kan worden ingebracht als Nederlands voorstel, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Omtzigt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 18 (33848). 

Mevrouw Maij (PvdA):

Voorzitter. Wij spraken over bevoegdhedenoverdracht van Nederland naar de Europese Unie, naar de Commissie, een heel belangrijk onderwerp. Wat voor de PvdA vooral belangrijk is, is wat we in Europa samen doen en wat we in Nederland alleen kunnen. Voor ons staat Europa voor een Europa dat de vluchtelingencrisis gezamenlijk kan aanpakken, een Europa dat werkt aan de bestrijding van de werkloosheid, een Europa dat scherp toezicht houdt op financiële instellingen en dat een duurzame economie in de hele regio van Europa probeert te stimuleren. Dat vergt niet zozeer het overdragen van nieuwe bevoegdheden naar de Commissie of het terughalen daarvan; het vergt vooral een verschuiving van aandacht en van prioriteiten binnen de bevoegdheden die er in de EU zijn. Om deze verschuiving te kunnen bewerkstelligen, zijn een actieve regering en ook een actieve Kamer nodig. Zij moeten de mogelijkheden binnen de Europese besluitvorming beïnvloeden en de mogelijkheden tot beïnvloeding ten volste benutten. 

We spreken hier — we zouden het bijna vergeten — over een voorlichting van de Raad van State van al enige tijd geleden, van begin vorig jaar. De Raad van State geeft daarin heel duidelijk aan dat bevoegdhedenoverdracht niet sluipenderwijs gaat, maar volgens de regels van nationale wetgeving en procedures. Wij als parlement moeten daar duidelijk in zijn en wij als parlement moeten daar controle op uitoefenen. De Raad van State concludeert ook dat de perceptie dat de overdracht van bevoegdheden sluipenderwijs gebeurt, niet per se onbegrijpelijk is. Vandaar dan ook die opdracht aan onszelf: wij moeten van de regering eisen dat wij inzicht krijgen in de besluitvorming in Brussel, want daar zitten onze ministers en staatssecretarissen aan tafel. Dan wordt duidelijker wat de EU wel en wat de EU niet doet, maar vooral ook welke rol wij, ons eigen nationaal parlement, speelt en welke taken we als nationaal parlement hebben om de regering te controleren. Daarom geen motie, maar vooral een opdracht aan onszelf: aan het werk! 

De heer Van 't Wout (VVD):

Voorzitter. Mevrouw Maij haalde het net al aan: het advies van de Raad van de State waar het in het algemeen overleg ook over ging, zegt vooral dat het aan de nationale parlementen is om hun rol te pakken. Naar aanleiding van de discussie die wij daar hadden over onder andere de agentschappen, dacht ik: laten wij dan gelijk de daad bij het woord voegen. Daarom dien ik een motie in over Europese agentschappen, mede namens de fracties van het CDA en de ChristenUnie. De heer Segers kon hier overigens wegens andere verplichtingen niet aanwezig zijn. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er 33 gedecentraliseerde Europese agentschappen zijn; 

overwegende dat deze agentschappen zijn opgericht ter ondersteuning van het werk van de Europese instellingen en de lidstaten; 

overwegende dat de gezamenlijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen ten doel heeft om het bestuur en het functioneren van de verschillende agentschappen te stroomlijnen, maar dat hierbij geen sprake is van een algehele doorlichting van bestaande agentschappen; 

overwegende dat het kabinet aangeeft dat er voortgang moet worden geboekt in de verantwoording van agentschappen; 

verzoekt de regering, onder het Nederlands EU-voorzitterschap in 2016 een doorlichting te (laten) maken van de gedecentraliseerde Europese agentschappen en daarbij te kijken naar: 

  • -nut en noodzaak van de verschillende agentschappen; 

  • -de ontwikkeling van het budget van de agentschappen over de periode 2000-2015, alsmede een kosten-batenanalyse; 

  • -mogelijkheden tot optimalisatie van de democratische controle op de Europese agentschappen; 

  • -en een zo efficiënt mogelijke uitvoering van het werk van de agentschappen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van 't Wout, Segers en Omtzigt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 19 (33848). 

De minister geeft aan enkele minuten nodig te hebben om zijn beantwoording voor te bereiden. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Minister Koenders:

Voorzitter. Het centrale punt dat de Kamer ook in het algemeen overleg naar voren heeft gebracht, is de stelling dat het mogelijk zou kunnen zijn dat overdracht van bevoegdheden sluipend plaatsvindt via agentschappen. De woordvoerders hebben daarover een aantal opmerkingen gemaakt en men heeft een aantal voorstellen gedaan om te bezien in hoeverre die situatie zodanig zou kunnen worden verbeterd dat er meer democratische grip komt op die agentschappen. 

Tijdens het algemeen overleg heb ik al gezegd dat de oprichting van een agentschap op twee manieren democratisch wordt gelegitimeerd. In de eerste plaats is instemming van het Europees Parlement vereist. In de tweede plaats wordt die oprichting indirect gelegitimeerd via de band van de nationale parlementen. Verder ben ik het ermee eens dat het zaak is om ook na oprichting de zaak kritisch tegen het licht te houden. In de aanpakbrief die wij de Kamer op 1 juli hebben gestuurd, staat onder meer dat het oprichtingsbesluit van een agentschap een horizon- of herzieningsclausule moet bevatten. Die moet bovendien vergezeld gaan van bepalingen inzake de ontbinding van het agentschap. Opheffing kan worden overwogen als een agentschap ondermaats presteert. Er zijn dus wel een aantal waarborgen om ervoor te zorgen dat de agentschappen niet buiten hun bevoegdheden treden, om het maar zo te zeggen. Dat gaat ook via controle op delegatie en uitvoering. Daarom is er volgens de Nederlandse regering geen sprake van een sluipende overdracht van bevoegdheden. 

Ik heb er wat moeite mee om op enkele zaken te reageren die aan de orde zijn gesteld, omdat zij in het algemeen overleg niet aan de orde zijn geweest en omdat zij primair de verantwoordelijkheid betreffen van de minister van Financiën. Het is voor mij daarom wat moeilijk om daar nu op te reageren. Er is in dit verband bijvoorbeeld gesproken over de eurogroep. Die groep is natuurlijk niet een raad met agentschappen, maar een speciale eurogroep, een speciale raad van ministers van Financiën. Ik wil daarom eerst met de minister van Financiën over de motie op stuk nr. 18 spreken voordat ik er een oordeel over geef. Ik hoop dat de Kamer daarvoor begrip heeft. 

Ook de vraag over Euro-WOB wil ik eerst met de minister van Financiën bespreken. De Kamer weet dat de positie die ik daarover inneem een iets andere is. Ik doel daarbij op de correspondentie tussen de Nederlandse regering en de Commissie. Ik zal de Kamer echter schriftelijk een antwoord doen toekomen op die specifieke vraag over de Euro-WOB. Dat zeg ik dus bij dezen toe. 

De voorzitter:

Kan de minister daaraan ook een termijn verbinden? 

Minister Koenders:

Ja. Naar ik aanneem, wil de Kamer hierover ook stemmen. Ik zal dat antwoord daarom voor dinsdag 6 oktober naar de Kamer sturen. 

De heer Omtzigt (CDA):

Het zou prettig zijn als we het maandag 5 oktober kregen. Dan hebben we het antwoord iets voor de stemming. 

Minister Koenders:

Goed, dan doen we het zo. Daarvoor heb ik alle begrip. 

De heer Omtzigt (CDA):

Ik wil de motie dan in ieder geval één week aanhouden, voorzitter. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Omtzigt stel ik voor, zijn motie (33848, nr. 18) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Minister Koenders:

Goed. We zullen daarop dus een reactie formuleren. Ook zal ik ingaan op het specifieke verzoek van de heer Omtzigt. 

Ik kom op het verzoek in de motie op stuk nr. 19, van de heren Van 't Wout, Segers en Omtzigt. Daarin staat eigenlijk: kijk nog eens goed naar die agentschappen en probeer daarbij het kaf van het koren te scheiden. Zo interpreteer ik maar even losjes wat er in de motie wordt gevraagd. Over de verschillende aspecten van de in de motie voorgestelde doorlichting wil ik het volgende zeggen. Daarbij wil ik eerst ingaan op nut en noodzaak. Zoals bekend is, worden gedecentraliseerde EU-agentschappen opgericht om een specifieke technische, wetenschappelijke of beheerstaak te verrichten binnen de Europese Unie. De agentschappen spelen een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van maatregelen van de Europese Unie. Met hun technische expertise zorgen de agentschappen voor een hogere kwaliteit van de regelgeving. Zodoende helpen de agentschappen de instellingen om zich op de kern van hun beleidstaken te concentreren. In feite is de regering het eens met alle punten die in de motie staan. Zoals in de Kamerbrief staat, is hier al een intensief proces mee gemoeid, namelijk de zogenaamde gezamenlijke aanpak. Ik wil daarom bezien in hoeverre we deze motie zodanig functioneel kunnen laten zijn dat zij past binnen wat we eigenlijk al van plan zijn, om daar een stukje verder mee te komen. 

Allereerst lijkt het me goed om de punten in de motie met betrekking tot de doorlichting te betrekken bij de institutionele werkgroep die daarvoor is opgezet. Dan kunnen we een en ander direct in Europees kader inbrengen. Dat wil ik doen behalve op het punt van het budget voor 2000-2015. Dat staat immers niet geagendeerd in die werkgroep. Ik wil voorstellen om de conclusies van datgene wat besproken is in de institutionele werkgroep voor te leggen aan de Kamer — dat zal begin volgend jaar zijn — en vervolgens te bezien wat dit betekent voor een verdere evaluatie. We houden dus een evaluatie zoals u wilt, volgens de punten, behoudens één. We zullen die de institutionele werkgroep voorleggen, opdat we hierover direct een discussie hebben met alle andere landen. Ik denk dat dit de effectiviteit ook vergroot. Ik zal de Kamer daarover inlichten. Mocht er aanleiding zijn om alsnog op een aantal punten de zaak door te lichten of te laten doorlichten, dan zal dat uiteraard worden gedaan door de regering. 

Nogmaals, van de punten heb ik goed nota genomen. Ik ga die inbrengen en voor zover daartoe aanleiding bestaat, kan specifiek om een doorlichting worden gevraagd. Dat staat ook in het plan van aanpak. Als de indieners deze interpretatie kunnen delen, wil ik de motie aan het oordeel van de Kamer laten. 

De voorzitter:

Mijnheer Van 't Wout, kunt u instemmend knikken of een toelichting geven? 

De heer Van 't Wout (VVD):

De minister begon met een heel goede samenvatting van de motie. Het gaat er inderdaad om, het kaf van het koren te scheiden. In de brief zien we een goede inzet van het kabinet. Mijn beeld was dat het ten aanzien van nut en noodzaak vooral ging om nieuwe agentschappen. Een van de centrale punten van deze motie is om eens te kijken naar een instituut als Cedefop dat sinds 1975 in Griekenland zit en zich bezighoudt met het mbo. Is er een mbo in Nederland dat daar de laatste jaren wat wijzer van is geworden? Laten we de motie gewoon in stemming brengen en vervolgens bezien of we elkaar kunnen vinden in de uitvoering. 

Minister Koenders:

Dat lijkt me prima. Ik begrijp heel goed wat u wenst. Ik denk dat de Nederlandse regering daar ook belang bij heeft. Ik had even twijfel over de noodzaak voor de Nederlandse regering om als enige lidstaat 33 agentschappen te gaan doorlichten. Dat vind ik wel een enorme opdracht die administratief en bestuurlijk erg veel inspanning kost. Dat betekent niet dat wij dat niet willen doen, maar dat het wel zo effectief is om dat wat mogelijk is in de institutionele werkgroep in te brengen, u daarover te rapporteren en vervolgens de doorlichting die dan zinnig is, daadwerkelijk uit te voeren. Maar ik neem aan dat wij daar onderling wel uit kunnen komen, gelet op wat er in de motie staat. 

De voorzitter:

Dank. Daarmee blijft het: oordeel Kamer. 

Minister Koenders:

Zeker. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

De stemmingen over beide moties vinden dinsdag over een week plaats, op 6 oktober. 

Naar boven