Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 88, item 7

7 Aanvulling spreekrecht slachtoffers

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden ( 34082 ).

De voorzitter:

Ik heet allen in de zaal en op de publieke tribune welkom, evenals allen die deze avond op andere wijze met ons meeleven. In het bijzonder heet ik ook de bewindspersoon en zijn ambtelijke ondersteuning welkom. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Er worden in de wet die wij vandaag behandelen, twee zaken geregeld. Ik ben vandaag de eerste spreker. Dan vind ik het altijd netjes om uit te leggen waarover wij spreken, in ieder geval aan de mensen op de publieke tribune; dat zijn er twee vandaag, maar er kijken natuurlijk ook een hele hoop mensen mee. Het eerste is een uitbreiding van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden in het strafproces. Het tweede is de uitbreiding van het bereik van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. 

Laat ik beginnen met te zeggen dat de SP erg blij is met de komst van deze wet. Veel is al door de praktijk zelf, door rechters, het Openbaar Ministerie, het Schadefonds en alle andere betrokkenen, in beweging gezet, maar het is goed dat dit nu eindelijk in deze wet wordt verankerd. Het is een belangrijke wet, die een erkenning vormt van slachtoffers en nabestaanden. 

Ik heb altijd veel kritiek gehad op dit kabinet als het gaat om de afbraak van de veiligheid, maar ik denk dat het echt op zijn plaats is als ik vandaag ook aangeef dat de SP zeer blij is met het vele werk dat voorafgaand aan deze wet is gedaan. Destijds heeft staatssecretaris Teeven zich hiervoor enorm ingezet; ik denk dat dat het benoemen waard is. Ik ben ook het ministerie en alle veldpartijen erkentelijk voor het vele werk dat zij hebben gedaan. Dank daarvoor. 

Er is met name heel veel nagedacht, gesproken en gedebatteerd over hoe de uitbreiding van het spreekrecht eruit moest komen te zien. Ook wij hebben daar heel veel over nagedacht, wat natuurlijk goed terug te lezen is in onze schriftelijke inbreng op deze wet. Bijvoorbeeld hebben wij nagedacht over het wel of niet opknippen van de wet, over het tweefasenproces en over wel of niet adviesrecht voor slachtoffers. In de uiteindelijke wetstekst is naar onze mening goed rekening gehouden met alle afwegingen. Over de keuze om niet verder te gaan met het adviesrecht zijn wij tevreden, niet alleen omdat het voor slachtoffers nog langer kan duren voordat de strafzaak is afgehandeld, maar ook omdat slachtoffers mogelijk dubbel slachtoffer kunnen worden doordat zij ineens als getuige aangemerkt kunnen worden. 

Tot zover de waardering voor de keuzes die zijn gemaakt in deze wet. Maar de minister kent mij ook als een kritisch Kamerlid, en ik wil hem vandaag natuurlijk niet teleurstellen. Vandaar een aantal vragen. 

Ik begin met de vraag over de motivering van de rechter in het vonnis. Als een slachtoffer of nabestaande tijdens de rechtszitting spreekt, mag zijn verklaring nu alleen worden meegenomen in het oordeel van de rechter als hij als getuige is beëdigd. Tegelijkertijd wordt door de minister in de beantwoording van onze vragen toegegeven dat de verklaring van het slachtoffer of de nabestaande met spreekrecht die niet als getuige is beëdigd, meegenomen zou kunnen worden in de belangenafweging van een rechter. Een rechter houdt natuurlijk met zeer veel factoren rekening bij de het bepalen van de strafmaat en kan niet over alles motiveren. Maar als een verklaring een dusdanig grote invloed heeft gehad op het oordeel, zou het dan niet heel netjes zijn dat een rechter dat in de motivatie weergeeft? Ik zou de minister dus willen vragen of hij de rechters wil vragen om in hun vonnis meer te motiveren hoe zij het betoog van het slachtoffer waarderen. Dat zou ik netjes vinden tegenover het slachtoffer zelf, maar het heeft ook nut, zo blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit in opdracht van de koepel van strafrechters, het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daaruit blijkt dat het uitbreiden van de motivering leidt tot breder begrip van het vonnis. 

Aanleiding voor dit onderzoek was het tien jaar geleden gestarte Project Motiveringsverbetering Strafvonnissen, dat de naam PROMIS heeft gekregen, wat ik een heel mooie naam voor dit onderzoek vind. 

De doelstelling van PROMIS was om de verdachte, de raadsman en andere betrokkenen in de maatschappij als geheel een beter inzicht te geven in het denkproces van de rechter. Rechters die volgens PROMIS een vonnis schrijven, motiveren uitgebreider en meer gestructureerd hoe zij tot een oordeel komen, zo blijkt uit het onderzoek. De lezer en het slachtoffer krijgen zo meer inzicht in de denkwijze van de rechters dan het geval is in de klassieke, juridische vonnissen. Kan de minister aangeven waarom hij dit niet vraagt van rechters in zaken waarin ook het spreekrecht is toegepast? Waarom vraagt hij niet in ieder geval aan de rechters om het vonnis meer te motiveren? 

Tot slot een ander punt. Slachtoffers en nabestaanden krijgen nu wel spreekrecht bij de start van een strafproces, maar bij de rechtszitting waarop wordt gesproken over de verlenging van de tbs hebben slachtoffers en nabestaanden geen spreekrecht. De SP pleit er graag voor om dit te regelen voor het slachtoffer en de nabestaanden op het moment van een tbs-zitting. 

De heer Recourt (PvdA):

Ondanks het interessante laatste punt, heb ik vraag over het punt daarvoor, het motiveren door de rechter van feiten en omstandigheden door slachtoffer of nabestaande gesteld. Wordt dat een motiveringsplicht, namelijk dat de rechter móét motiveren als er wat is gesteld, of is het vrijwillig? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ook daarover heb ik lang nagedacht; bij de SP-fractie hebben heel veel overwegingen meegespeeld aangaande deze wet. Wij vragen niet om dit als plicht op te leggen. Het verzoek aan de minister is om het te vragen aan rechters, omdat het in het belang is van nabestaanden en slachtoffers om meer inzicht te krijgen in hun betoog tijdens de rechtszitting. 

De voorzitter:

Mijnheer Recourt, uw vervolgvraag, indien behoefte. 

De heer Recourt (PvdA):

Daar zie ik van af. Ik ben het ermee eens. U kunt vragen waarom niet, maar dat heeft dan niet zo veel zin. 

De voorzitter:

Het is ook zeker niet verboden om het ermee eens te zijn. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dat is ontzettend fijn! 

Voorzitter. Ik sprak al over spreekrecht bij de zitting betreffende de verlenging van de tbs. De reden dat ik om dat recht vraag is dat ik tijdens een hoorzitting — misschien was de minister daar zelf ook bij aanwezig — ooit een vrouw sprak wier ex een gewelddadig misdrijf had begaan. Zij hadden kinderen. Die moeder zei dat zij zich ontzettend zorgen maakte omdat zij en haar kinderen bedreigd werden en dat zij niet de mogelijkheid had om die zorgen te uiten tegenover een rechter. Die mogelijkheid miste zij. Ik zou het wenselijk vinden als de rechter uit eerste hand dergelijke zaken hoort van een slachtoffer of nabestaande. Dan kan deze rechter daarmee rekening houden en desnoods bijzondere voorwaarden opleggen aan een tbs'er. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik vind het op zichzelf heel charmant klinken wat mevrouw Kooiman voorstelt en ik ben ook benieuwd naar de reactie van de minister op dat punt. Maar ik zoek toch nog even wat uiteindelijk de meerwaarde zou kunnen zijn, ook ter wille van de precisie van vanavond ten behoeve van de Handelingen. Uiteindelijk immers heeft het slachtoffer alle mogelijkheden gehad, dat is ook het fraaie van deze wet, om bij aanvang van het strafproces te zeggen wat hij wil zeggen. Welke meerwaarde is er dan in het al dan niet herhalen daarvan bij een verlenging, die natuurlijk niet meer gaat over de strafoplegging als zodanig? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Buiten het feit dat ik tijdens hoorzittingen van nabestaanden zelf hoorde dat zij graag hun kant hadden willen uiten tegenover een rechter, geven ook Slachtofferhulp Nederland en de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (F.N.G.) aan dat zij dit als meerwaarde zien. Vandaar dat ik deze vraag neerleg bij de minister. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik heb een korte vervolgvraag. Ik las, ik geloof in de nota naar aanleiding van het verslag, de opmerking gesuggereerd door Slachtofferhulp Nederland over eventueel een gesprek tussen het slachtoffer en de officier van justitie. Zou dat in de ogen van mevrouw Kooiman niet precies datgene kunnen bewerkstelligen wat zij voorstaat? Of is dit niet afdoende in haar perspectief? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik zou het een belangrijke stap vinden, maar het is niet voor niets dat ik ook deze mogelijkheid wil voorleggen aan de minister, juist omdat het soms net wat anders overkomt als iets uit de eerste hand tegen een rechter wordt gezegd. Graag wil ik daarom aan de minister vragen om ten minste in ieder geval de mogelijkheid te onderzoeken. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Na een intensieve behandeling is de initiatiefwet-Dittrich in 2005 in werking getreden. Daarmee kregen slachtoffers van een aantal delicten de mogelijkheid om tijdens een rechtszaak te spreken. Er werd indertijd bewust voor een beperkt spreekrecht gekozen. Het slachtoffer mocht zich uitdrukken over de gevolgen van dat wat hem of haar was overkomen, maar het werd onwenselijk geacht dat het slachtoffer zich bijvoorbeeld ook over de schuldvraag of de strafmaat zou uitlaten. Wij zijn inmiddels tien jaar verder. De wet doet zijn werk en de praktijk heeft zich ontwikkeld. Slachtoffers die gebruikmaken van de mogelijkheid om te spreken, maken daar dankbaar gebruik van. Tegen die achtergrond praten wij nu over het wegnemen van beperkingen die destijds zijn aangebracht. 

Een belangrijk uitgangspunt hierbij is voor de ChristenUnie-fractie de inrichting van het strafrechtelijk proces in ons land. Wij hanteren, zeker sinds het Wetboek van Strafrecht in de negentiende eeuw werd ingevoerd, een inquisitoire procesvorm. Het schenden van strafrechtelijk geborgde rechtsnormen wordt gezien als een schending van de belangen van de gemeenschap. Strafrechtelijke vervolging heeft daarmee een sterk publieke dimensie. Slachtoffers en nabestaanden zijn formeel geen partij in het proces. De bescherming tegen rechtskrenking is in die zin geobjectiveerd. Het gevaar daarvan is dat slachtoffers en nabestaanden alleen maar langs de zijlijn staan. Daarmee wordt hun niet altijd recht gedaan. 

De positie van het slachtoffer is in de loop van de tijd sterker geworden. Zo kan bijvoorbeeld om vervolging gevraagd worden. Ook de introductie van het spreekrecht past in die trend. Het was een meer omstreden poging om belangen van slachtoffers en nabestaanden in positie te brengen in het strafrecht, in het bijzonder tijdens de terechtzitting. Indertijd zijn de bezwaren daartegen nadrukkelijk aan de orde gekomen. Er is toen wel betoogd dat voor zo'n keuze eigenlijk een nieuwe inrichting van het strafrechtproces nodig was. Bovendien vreesde men dat er aan al te hoge verwachtingen van het slachtoffer voldaan moest worden. Ondanks deze bezwaren haalde het wetsvoorstel het overtuigend. Sindsdien hebben slachtoffers van bepaalde delicten spreekrecht. 

Tegen de achtergrond van die discussie en de manier waarop wij ons strafrechtstelsel hebben ingericht, voeren wij dit debat. De kernvraag is daarbij voor mijn fractie: dient het wetsvoorstel de rechtspleging? Dat is immers een gedeeld belang van samenleving en slachtoffer. In dat kader wil ik een aantal zaken aan de orde stellen. 

Allereerst constateer ik dat de meeste slachtoffers positief zijn over het huidige spreekrecht, volgens de evaluatie uit 2010. Dat roept de vraag op welk probleem wij oplossen met dit wetsvoorstel. Waarom is deze uitbreiding noodzakelijk? Slachtoffers hebben nu al spreekrecht en dat is in 2012, onder andere naar aanleiding van de zaak-Robert M., al uitgebreid door rechter en wetgever. In de praktijk wordt bovendien niet heel streng omgegaan met de beperking van het spreekrecht. De rechter gaat in wijsheid om met de psychologie van het moment, maar weet tegelijkertijd dat hij met de opmerkingen van het slachtoffer niet direct iets hoeft of moet. Het slachtoffer weet dat van tevoren ook, dus die verwachtingen zijn helder. Bovendien heeft de rechter nu een wettelijke stok achter de deur om bij al te uitgebreide uitspraken over strafmaat en schuld in te grijpen, vooral op het moment dat dit voor het slachtoffer zelf kan betekenen dat het zich te sterk in het strafproces laat zuigen. Ik vraag me af of een algemene bevoegdheid voor de rechter om in te grijpen, zonder beperkingen omtrent het spreekrecht vanuit de wetgever, wel bruikbaar is. Graag krijg ik daarop een reactie. 

Het wetsvoorstel dat wij nu bespreken, maakte een valse start door uitermate afwijzende adviezen over de oorspronkelijke plannen van de minister. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik heb een vraag over het vorige punt. De heer Segers stelde dat de rechter in de praktijk vrij flexibel is. Dat klopt en dat herken ik ook, maar geeft dat niet een zekere mate van willekeur? Je kunt een strenge of een soepele rechter treffen. Kun je dat niet beter met één wettelijke norm regelen? 

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat is de vraag. Als je de bevoegdheid om in te grijpen geeft, maar geen enkele richtlijn, kan de willekeur op het gebied van schuld en strafmaat, waar duidelijk een hek omheen is gezet, weleens sterker zijn dan nu. Is het niet al te vrijblijvend en al te ruim, waardoor een rechter inderdaad heel willekeurig zou kunnen optreden? 

De heer Recourt (PvdA):

Maar die willekeur is er toch niet meer als je het spreekrecht niet meer beperkt anders dan tot de orde van de zitting: u kunt zeggen wat u wilt, maar realiseert u zich dat u als getuige kunt worden opgeroepen als u over de bewezenverklaring of over de strafmaat spreekt. Het moet ook binnen de grenzen van het betamelijke zijn. Als u dat wilt, ga uw gang. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Die orde kan heel breed worden opgevat. Mijn vraag is of dat niet te ruim is en of dat niet verder moet worden ingekaderd. Hebben rechters daarin niet enigszins een richtlijn nodig om te weten wat tot de orde van de zaak behoort en wat niet? De vraag blijft dus staan of het niet al te ruim is. 

Ik zei al dat het wetsvoorstel een valse start heeft gemaakt door zeer afwijzende adviezen over het oorspronkelijke plan van de minister. Alle partijen uit het veld en de Raad van State stonden afwijzend tegenover het adviesrecht voor slachtoffers. Het is een winstpunt dat het adviesrecht door de minister van tafel is gehaald. De rechter lijkt in het nieuwe voorstel niets te hoeven met wat door het slachtoffer naar voren wordt gebracht. Dat roept echter wel de vraag op wat de functie is van de uitspraken van het slachtoffer over bijvoorbeeld strafmaat en schuld. Het slachtoffer mag straks immers over alles wat zeggen. Blijven de opmerkingen van het slachtoffer in de rechtszaal zweven of moet de rechter ze bij zijn afweging betrekken? Valt het niet allemaal binnen de eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting? 

In de evaluatie van het spreekrecht uit 2010 veronderstelden de onderzoekers dat de beperking van het spreekrecht een functie vervult voor de rechter. Het gaf een zekere duidelijkheid over wat wel en niet tot de orde behoort. Daar hadden we het net over. Dreigt die duidelijkheid voor de rechter met dit wetsvoorstel niet verloren te gaan? Wat moet de rechter nu wel of niet met de woorden van het slachtoffer? 

Voor het wetsvoorstel in 2005 werd verondersteld dat de rechter de gevolgen voor het slachtoffer mee moet wegen. Daar zit nog enige logica in. Maar voor de strafmaat ligt dat toch anders. Als uitlatingen van slachtoffers bij de afwegingen van de rechter moeten worden betrokken, roept dat vragen op. Op welke wijze moet dat? Hoe verhoudt zich dat tot bijvoorbeeld de algemene publieke doelen van het strafrecht? Zijn die leidend? Introduceert de minister met het onbelemmerde spreekrecht in feite niet een adviesrecht in verkapte zin? Dat was nu juist van tafel gehaald. Er is immers een uitlating van een slachtoffer over strafmaat of schuld, waar de rechter ten minste een oordeel tegenover zet in zijn uitspraak, ook als hij niet direct op de uitlatingen van het slachtoffer reageert. Is het dan niet bijna logisch voor een rechter om wel op de uitlatingen van het slachtoffer te reageren? Ik krijg graag een reactie op deze vragen. 

Ook bij het uitgangspunt dat dit wetsvoorstel de positie van het slachtoffer dient, heb ik een paar vragen. Uit de evaluatie is gebleken dat lang niet alle slachtoffers gebruikmaken van de mogelijkheid om te spreken onder de huidige regeling. Justitie heeft veel geïnvesteerd in het goed voorlichten van slachtoffers over de voor- en nadelen van het gebruik van het spreekrecht. In de evaluatie uit 2010 van het spreekrecht suggereren onderzoekers dat veel slachtoffers er mede van afzien vanwege de risico's van het spreken. Als slachtoffer of nabestaande kun je jezelf ermee in het strafproces manoeuvreren zonder dat je dit had beoogd. Hoe beoordeelt de minister dat in de nieuwe situatie? 

Uit de evaluatie in 2010 van het spreekrecht blijkt gelukkig dat slachtoffers zelden worden opgeroepen als getuige. Dat voorkomt dat slachtoffers extra risico te lopen om door de gang van zaken op de terechtzitting een extra klap te krijgen, de zogenaamde secundaire victimisatie. De vraag is of dat zo blijft als slachtoffers onbelemmerd spreekrecht krijgen. Kan van het grotere risico om in de strafzaak zelf te belanden niet juist een afschrikwekkende werking uitgaan? Wordt er überhaupt in goede voorlichting geïnvesteerd, zoals ook in 2005 is gedaan? 

Dan het spreken over zaken als schuld, bewijs en strafmaat. Het risico is dat we hier teleurstelling organiseren. Uit de evaluatie blijkt dat slachtoffers het spreekrecht op prijs stellen, maar graag de strafmaat zouden willen beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat ze over de huidige mogelijkheden positief zijn. Over die mogelijkheden kan in ieder geval worden gezegd dat er geen valse verwachtingen worden gewekt. Om die reden lijkt het de fractie van de ChristenUnie wenselijk om het spreken over een strafmaat uit te sluiten. Dan voorkom je die valse verwachtingen. Collega Berndsen heeft een amendement in voorbereiding met betrekking tot de strafmaat. Wij willen dat graag medeondertekenen. Dat geldt ook voor het amendement over het toevoegen van een evaluatiebepaling. In 2010 is een zeer nuttige evaluatie gedaan van het spreekrecht en het zou goed zijn als dat opnieuw gebeurt. 

Mijn fractie heeft een aantal kritische vragen over het wetsvoorstel gesteld. Wij kijken uit naar de beantwoording van die vragen en zullen mede op basis daarvan ons eindoordeel bepalen. 

Wij hebben samen met de PvdA-fractie bij de begrotingsbehandeling een indringende vraag gesteld aan de vorige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over herstelrecht. Dat raakt natuurlijk ook de positie van het slachtoffer en de mogelijkheid van verzoening. Toen was er de ruimhartige toezegging om met Prinsjesdag een notitie daarover te laten verschijnen. Is de minister nog steeds van plan om die notitie met Prinsjesdag te presenteren? 

De heer Van Helvert (CDA):

Ik hoor dat de ChristenUnie een aantal kritische vragen stelt aan de minister over de uitbreiding van het spreekrecht. Ik denk dat het goed is de minister daarover te bevragen als er onduidelijkheden over zijn. Ik had nog wel een vraag aan de ChristenUnie die ik niet in die vragen kon ontdekken. Uit de evaluatie bleek dat de helft van de slachtoffers een uitbreiding van het spreekrecht zeer op prijs zou stellen. Hoe weegt de ChristenUnie dat mee in haar mening? 

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat wegen wij zeer mee, want het is een belangrijk signaal. De versterking van de positie van het slachtoffer, het slachtoffer ruimte geven zodat hij of zij niet alleen maar langs de zijlijn staat, is een belangrijke notitie. Dat wegen wij dus zeer mee. Het zou echter zeer onverstandig zijn om rondom de strafmaat valse verwachtingen te wekken die niet waargemaakt kunnen worden. Daar zit onze zorg. Daarom trekken wij daarin samen op met de D66-fractie. Zou je dat niet moeten uitzonderen, omdat je hun dan weleens minder recht doet dan wanneer je duidelijkheid schept over de onderwerpen waarover al dan niet gesproken kan worden? 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik zit toch even na te denken. Het slachtoffer staat dan daar. Hij heeft tijd en energie en hij heeft waarschijnlijk zichzelf overwonnen om dat zware verhaal te vertellen dat hij wil vertellen, maar ineens heeft hij het dan toch over de strafmaat. En dan? 

De heer Segers (ChristenUnie):

Er wordt nu al soepel omgegaan met het spreekrecht. Een rechter moet daar in wijsheid mee omgaan en daarom is de voorlichting zo belangrijk. Als er juiste verwachtingen worden gewekt, kun je teleurstelling voorkomen. Een rechter zal daar in wijsheid mee omgaan. Van tevoren zal echter duidelijk moeten worden gemaakt dat je wel kunt wensen dat die straf heel hoog uitvalt, maar dat het slachtoffer daar niet over gaat. De voorlichting is cruciaal. 

De heer Van Oosten (VVD):

De heer Segers zegt eigenlijk: ik wil best tot een uitbreiding van het spreekrecht komen, maar ik zie daar nog altijd een beperking in. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat laatste is waar. Ik heb veel vragen gesteld over het spreekrecht en ik hoop dat de minister daar antwoord op geeft. Er zijn nog wel wat vragen te stellen, maar dat is een redelijk adequate samenvatting van mijn bijdrage. 

Mevrouw Helder (PVV):

Ik leid uit de woorden van de collega van de ChristenUnie af dat het slachtoffer moet worden beschermd tegen secundaire victimisatie en mede daarom niet zou mogen spreken over de strafmaat. Ik vind het enigszins tegenstrijdig dat de heer Segers het slachtoffer vervolgens wel alle touwtjes in handen geeft, als het gaat over herstelrecht. Daar treedt een dergelijke teleurstelling toch ook op? 

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik heb het belang van herstelrecht onderstreept. Collega Recourt heeft dat nog veel meer gedaan, want hij heeft bij de begrotingsbehandeling een notitie gepresenteerd. Je geeft ruimte voor herstel, maar je kunt mensen nooit verplichten tot verzoening. Verzoening zal moeten komen van zowel dader als slachtoffer. Daarom bied je daar ruimte en mogelijkheden voor. De resultaten van de pilots zijn zeer positief, dus ik heb daar hoge verwachtingen van. Ze zullen nog verder moeten worden uitgewerkt, maar het is ook in het belang van het slachtoffer, omdat hij dan zijn verhaal kan doen. Je hoopt natuurlijk ook dat een dader gaat nadenken en verandert. 

Mevrouw Helder (PVV):

Het wordt mij misschien wel iets duidelijker. Maar dat een slachtoffer in het strafproces moet worden beschermd en in het herstelproces wel als volwaardig en volmondig wordt beschouwd, komt op mij toch enigszins dubbelzijdig of tegenstrijdig over. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Dan ben ik blij dat ik dat ik dat duidelijker kan maken, want als een slachtoffer opziet tegen een ontmoeting met een dader, kan hij nooit gedwongen worden om tot die ontmoeting te komen. Als hij zo'n ontmoeting niet aankan, zal het nooit tot een ontmoeting leiden. Als een slachtoffer echter uitspreekt dat hij heel graag een ontmoeting zou willen hebben, als een dader berouw heeft en openstaat voor het verhaal van het slachtoffer, kan het zeer heilzaam zijn, zowel voor de verwerking van het leed dat het slachtoffer is aangedaan, als voor het veranderingsproces bij de dader. De proeven wijzen uit dat dit zeer heilzaam is. Ook dan heeft het slachtoffer de regierol en gaat het over dat wat hij wel en niet aankan. Het woord is aan hem of haar. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Het recht van slachtoffers en nabestaanden om te mogen spreken in de rechtzaal is een fundamenteel recht. Het geeft slachtoffers en nabestaanden een stem in het proces. Zij zijn immers degenen die het leed is aangedaan. Ernstige misdrijven, zoals geweld of een zedenmisdrijf: ze grijpen diep in en laten diepe sporen na. Die emotionele schade moet zichtbaar zijn voor de rechter en de verdachte. Die zichtbaarheid kan bijdragen aan het herstel van de emotionele schade. Er kan zelfs een preventieve werking van uitgaan. Dat was tien jaar geleden aanleiding voor het D66-initiatief om slachtoffers en nabestaanden tijdens het strafproces recht van spreken te geven. 

Zo'n versterking van de positie van het slachtoffer staat niet op zichzelf. Het vraagt om een herwaardering van de balans tussen alle actoren in het strafproces. In het strafproces staat de waarheidsvinding centraal. Spreekrecht moet ten dienste staan van die waarheidsvinding en mag het strafproces niet onnodig belasten. Mijn partijgenoot, Boris Dittrich, moest zo in 2004 heel nauwkeurig naar alle voor- en nadelen van zijn spreekrechtinitiatief kijken. Wat doet het met slachtoffers? Wat betekent het voor het strafproces? Destijds werd al de kanttekening geplaatst dat een slachtoffer door zijn verklaring niet opnieuw gevictimiseerd mocht raken en dat geen verwachtingen gewekt moesten worden die niet konden worden waargemaakt. Dat leidde er in 2005 toe dat een begrensd spreekrecht werd ingevoerd. Het slachtoffer mag een verklaring afleggen tijdens de terechtzitting over het ervaren leed en hoe het gepleegde misdrijf inbreuk heeft gemaakt op zijn of haar leven, maar niet over de bewijsvoering en de strafmaat. 

Het kabinet stelt nu voor om een maximale stap verder te gaan en het spreekrecht niet langer meer te begrenzen. Het slachtoffer en de nabestaande mogen zich voortaan over alles uitlaten. De centrale vraag die voorligt, is of dat wenselijk en houdbaar is. 

De D66-fractie is groot voorstander van het spreekrecht. Deze onbegrensde verruiming vinden wij echter niet wenselijk. Dit wetsvoorstel is niet samen te vatten, zoals de minister poogt te doen, als het simpelweg formaliseren van de bestaande praktijk. Er zijn immers rechters die een verdergaand spreekrecht niet toestaan. Zij volgen de regel en niet de uitzondering. De huidige rechtsongelijkheid ontstaat juist doordat rechters meer toestaan dan wettelijk is geregeld. Nergens blijkt uit het wetsvoorstel wat de toegevoegde waarde is voor het slachtoffer en voor het strafproces, als het slachtoffer iets mag zeggen over de bewijsvoering en de strafmaat. We hebben geen cijfers over het aantal slachtoffers en nabestaanden dat van volledig spreekrecht gebruik wil maken. Er zijn ook geen cijfers beschikbaar over het aantal gevallen dat slachtoffers na het uitoefenen van hun spreekrecht, worden gehoord. De minister schrijft daarover letterlijk: "over de vraag in welke mate zij dat nu zouden wensen, dan wel zullen doen, kan ik thans geen gefundeerde uitspraak doen". Nu zijn er tussen de 200 en 250 mensen die gebruikmaken van hun spreekrecht. Van hoeveel dat er straks zijn, valt geen reële inschatting te maken, lezen wij in het wetsvoorstel. 

In 2010 is een evaluatie van het spreekrecht uitgevoerd. Daaruit zou blijken dat bij het huidige spreekrecht geen sprake is van teleurstelling bij slachtoffers. Zij zijn positief over het spreekrecht, de rechtvaardige uitkomst van de strafzaak en het vertrouwen in politie en justitie. Natuurlijk willen slachtoffers meer invloed op de uitkomst van een strafzaak, maar dat is nu precies het moeilijke punt. Staatssecretaris Teeven vond het op basis van de evaluatie niet wenselijk om het spreekrecht nog verder uit te breiden. Het zou het karakter van het spreekrecht sterk wijzigen en consequenties hebben voor de positie van het slachtoffer in het strafproces. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik zoek in de bijdrage van mevrouw Berndsen wat zij uiteindelijk wil. Staan zij en haar partij nou voor een soort willekeur waarbij het slachtoffer maar moet afwachten welke rechter hij tegenover zich krijgt en hij een beperking ondervindt in datgene wat hij wil opbrengen? Of staat mevrouw Berndsen voor de vrijheid van het slachtoffer om het leed, waar hijzelf niet om heeft gevraagd, naar voren te brengen op de wijze waar het slachtoffer zelf voor kiest? 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Als rechters via wetgeving de duidelijke richtlijn krijgen dat het spreekrecht zich beperkt tot datgene wat nu voorligt, met uitzondering van het zich doen uiten over de strafmaat, dan kan er geen sprake meer zijn van willekeur. Dan is volstrekt helder wat deze wet beoogt. Dat is ook wat ik met mijn amendement bewerkstelligen. 

De heer Van Oosten (VVD):

Dan leg ik de bijdrage van mevrouw Berndsen zo uit dat zij geen willekeur beoogt maar wel een beperking van het spreekrecht wenst. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Zeker, maar dat is geen beperking ten opzichte van het huidige spreekrecht, maar een beperking ten opzichte van het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt. 

Ik had het net over staatssecretaris Teeven. Nu wil ik het nog even hebben over Kamerlid Van der Steur, want hij was daarentegen een groot voorstander van de uitbreiding. Opvallend genoeg lees ik in het wetsvoorstel van minister Van der Steur over de bezwaren van voormalig staatssecretaris Teeven weinig meer. De eerlijke vraag wat het slachtoffer en het strafproces er nu precies mee opschieten als het slachtoffer zijn mening kan geven over de strafmaat, wordt niet beantwoord. Het wetsvoorstel baseert zich nogal eenzijdig op een behoefte die zou leven onder slachtoffers en nabestaanden. De feitelijke meerwaarde voor zowel het slachtoffer als voor het strafproces wordt niet genoemd. 

Verwachtingsmanagement schijnt voldoende te zijn, maar laten wij wel wezen, een slachtoffer dat de moeite neemt om iets over de bewijsvoering en de strafmaat te zeggen, heeft daar ook bepaalde verwachtingen bij. Het slachtoffer zal verwachten dat de rechter zijn mening meeneemt en dat die van invloed is op het eindoordeel. Dat leidt tot een wat vreemde situatie in het strafproces. Hoe gaat de strafwens van het slachtoffer zich dan namelijk verhouden tot de strafeis van het Openbaar Ministerie? Het vaststellen van de schuldvraag of bewezen kan worden geacht dat verdachte de dader is en wat de straf moet zijn, wordt in ons strafproces beargumenteerd volgens wettelijke en juridische criteria. Dat ligt niet voor niets bij de openbare aanklager, bij het Openbaar Ministerie. Die is juist aangewezen om in het belang van het slachtoffer en de samenleving de zaak te bepleiten. Wat kan de mening van het slachtoffer over de strafmaat nog toevoegen aan de waarheidsvinding? 

Hoe moet de rechter dit straks onderscheiden in de rechtszaal? Het slachtoffer bepaalt zelf hoe hij zijn spreekrecht wil gebruiken. Kan dat betekenen dat tijdens de terechtzitting moet worden ingegrepen als de verklaring verdergaat dan alleen de eigen ervaring? Is dat aan de rechter? Of wordt de getuige alleen beëdigd op voorstel van de verdediging of van het Openbaar Ministerie? Welke maatstaven kan de rechter dan hanteren om te bepalen of beëdiging als getuige aan de orde is? 

Hoe moet de rechter omgaan met een strafwens voorafgaand aan de strafeis? Ze staan niet op gelijke voet, maar gaan zich wel op een bepaalde manier tot elkaar verhouden. De minister schrijft dat een mondig slachtoffer vaak niet tevreden zal zijn met een gematigde opstelling van het Openbaar Ministerie en met een afgewogen strafeis; soms zal het slachtoffer kritiek hebben op de wijze waarop het voorbereidende onderzoek is uitgevoerd. Waar baseert de minister deze stelling op? Wat beoogt hij dan precies bij het Openbaar Ministerie voor de voeten te werpen, door het slachtoffer tijdens de rechtszitting hierover te laten verklaren? Verwacht hij dat het Openbaar Ministerie dan meer met het slachtoffer meebeweegt? Of verwacht hij meer sympathie bij de rechter? Hoe moeten we dit zien? 

De minister schrijft ook dat de uiteindelijk opgelegde straf vaak zal afwijken van de door het slachtoffer gewenste straf. Toch wil hij de rechter niet verplichten om in het vonnis een uitleg te geven aan het slachtoffer. De rechter hoeft ook geen rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer. Dat zou de werklast van de rechter te zeer verzwaren. Echter, zo'n verklaring van het slachtoffer schept alleen al uit empathie en omdat zij tijdens de rechtszitting naar voren is gebracht, voor rechters ongetwijfeld een gevoel van verplichting om erop te reageren. Wat als de een wel reageert en de ander niet? Kunnen rechters de verklaring straks op gepaste afstand houden in hun eindoordeel? En wat is dan het nut om ter terechtzitting kennis te nemen van die strafwens? Zelfs als de verklaring als beëdigd getuige is gedaan, dan nog is zij niet tot stand gekomen op basis van de wettelijke en juridische criteria die daarvoor gelden. De rechter kan haar als zodanig dus ook niet meewegen in zijn eindoordeel. 

Sommige rechters staan het nu al in de praktijk toe: een belastende verklaring over de bewijsvoering en de strafmaat. Maar er bestaat geen evaluatie over de manier waarop dat uitpakt. Dat dit wetsvoorstel de praktijk van rechters die afwijken van de wettelijke regel, moet gaan codificeren omdat er anders rechtsongelijkheid ontstaat, is een kromme redenering. Rechtsgelijkheid kan bestaan als rechters zich nauwgezetter aan de reikwijdte van het spreekrecht houden. Dat zei ik net al even in het interruptiedebatje. 

De minister weet niet eens in welke mate er sprake is van die ongelijkheid bij de verschillende gerechten en welke gevolgen dat heeft voor de procespartijen. Zonder kennis van de omvang en van de gevolgen in de praktijk past het een zorgvuldige wetgever niet om van afwijking de regel te maken. De kans dat het voor een slachtoffer op een teleurstelling uitloopt, is dus groot. De rechter kan en zal in de meeste gevallen anders oordelen. Het slachtoffer loopt ook het risico op een indringend verhoor door de verdediging. Er staat immers een verdachte terecht, van wie de schuld nog niet vaststaat. Er is dus kans op secundaire victimisatie. Dat stelt de minister zelf ook. Waarom zouden we slachtoffers en nabestaanden hieraan willen blootstellen? De kans op victimisatie door ondervraging kan kleiner zijn door bijstand van een advocaat, zo stelt de minister. Is het niet ditzelfde kabinet dat de rechtsbijstand minimaliseert? Dan geldt die beschermende bijstand dus alleen voor het slachtoffer of de nabestaande met een gevulde portemonnee. Hoe ziet de minister dit voor zich? 

Herstel van emotionele schade bij het slachtoffer of de nabestaande is voorstelbaar bij een verklaring over de gevolgen van het toegebrachte leed. Een strafwens die weinig gewicht krijgt en niet gehonoreerd kan worden, komt niet voor als schadeherstel. Het Openbaar Ministerie zou de verwachtingen bij slachtoffers en nabestaanden moeten temperen, zo schrijft de minister. Maar als de officier van justitie het slachtoffer voorbereid op de strafeis en strafmaat, waarom zou het slachtoffer daar dan zelf nog ter terechtzitting over moeten spreken? We moeten ook voorkomen dat de verklaring van het slachtoffer te zeer het sentiment in de rechtszaal beïnvloedt. De verdachte is nog niet veroordeeld. Het strafproces dient de waarheidsvinding. En wat betekent meer spreekgerechtigden voor de doorloop van zaken? Meer spreekgerechtigden die mogelijk zijn voorzien van een advocaat: dat betekent vaker vertraging. In welke mate dat het geval zal zijn, kan de minister niet overzien. Dat komt straks wel, ten koste van de doorlooptijden in de rechtspraak, met als gevolg dat slachtoffers langer moeten wachten op afdoening van hun zaak. De eerlijke vraag is dus: wat schiet het slachtoffer met dit alles op? En: wat hebben het strafproces en de waarheidsvinding hieraan? Kijken naar de ons omringende landen levert niks op. België en Duitsland kennen geen onbegrensd spreekrecht zoals de minister dat nu voorstelt. 

De bezwaren die ik zojuist heb genoemd, zijn niet nieuw. Zij zijn bij de invoering van het huidige spreekrecht ook al uitvoerig besproken. Het verbaast dan ook dat dit wetsvoorstel de rode vlaggen negeert die in 2004 over een grenzeloos spreekrecht zijn geheven. Het slachtoffer verdient een versterkte positie in het strafproces, maar blind varen op wat slachtoffers zouden willen, gaat gewoonweg niet in het strafproces. Het Openbaar Ministerie, de rechter, de verdediging: het strafproces is een samenspel van al die actoren. Voorstellen ten gunste van het slachtoffer moeten wel in het belang van het slachtoffer blijven. Daar loopt de minister met dit wetsvoorstel te veel van weg. D66 kan een zodanige uitbreiding van het spreekrecht dat het ook de strafmaat omvat, daarom niet steunen. Mijn fractie stelt weliswaar voor om wat meer ruimte te bieden aan het spreekrecht, zodat het slachtoffer kan zeggen wat hem is overkomen, welke gevolgen dat voor hem heeft gehad en op welke wijze hij het strafproces beleeft, maar wil uitspraken over de strafmaat daarvan uitzonderen. 

Mocht dit wetsvoorstel het halen, bij voorkeur met mijn amendement, dan is een evaluatie van de wet op zijn plaats, juist om de gevolgen ervan goed in kaart te krijgen. Ook daarvoor heb ik een amendement voorbereid. 

Het is, tot slot, spijtig dat dit wetsvoorstel in bijna één adem ook ziet op uitbreiding van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dat zien we als een minder heet hangijzer. Mijn fractie heeft niet direct bezwaar tegen uitbreiding van de indieningstermijn naar tien jaar. De vangnetfunctie van het schadefonds is voorstelbaar. Dat had wat mijn fractie betreft prima als apart voorstel gekund. Dat is nu niet het geval. Dus helaas hangt de haalbaarheid hiervan af van wat de minister doet met het spreekrecht. 

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Aan de orde is het spreekrecht van slachtoffers ter zitting en het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het grootste deel betreft natuurlijk het spreekrecht. Dit is de laatste stap van telkens voortschrijdende stapjes in de uitbreiding van het spreekrecht, dat is begonnen met het initiatief van de heer Dittrich. Maar ja, zeg nooit "laatste" en zeg nooit "nooit", want wie weet ... Mevrouw Kooiman kwam al met een nog niet eens zo heel gekke suggestie ten aanzien van tbs. In ieder geval hebben we wel een grote stap gezet. 

Ik begin met het memoreren van de geschiedenis van dit onderwerp. Dat zal de minister niet leuk vinden, want het was zijn eerste nederlaag als Kamerlid in het parlement. Op 15 mei 2012 dienden het Kamerlid Van der Steur en het Kamerlid Recourt een amendement in met deze strekking: het "vrije" spreekrecht. "Vrije" staat dan tussen aanhalingstekens, want het moet wel passen binnen de orde van de zitting. Ik weet niet of dat amendement is weggestemd of dat het is ingetrokken — daar wil ik vanaf zijn — maar in ieder geval ging het niet helemaal zoals de bedoeling was. Achteraf ben ik daar wel blij om. Het is goed dat we nu in de Kamer een ruime parlementaire behandeling ervan hebben. Amendementen zijn in die zin wel kwetsbaar voor het wetgevingsproces. Dat is dus winst, met de kennis van nu. Vervolgens kwam het amendement in het regeerakkoord. Er kwam nog een tussenstapje van de vorige staatssecretaris, dat het — wat mij betreft: gelukkig — niet heeft gehaald. Nu is er dan weer het oorspronkelijke amendement in de vorm van een wetsvoorstel. Als indiener van destijds ben ik daar bijzonder blij en content mee. Waarom? Destijds was ik, met mijn ervaring als strafrechter al voorstander van het niet langer beperken van het spreekrecht. Op het moment dat het slachtoffer goed geïnformeerd en begeleid wordt — dat is natuurlijk wel een voorwaarde, dus ik stel meteen de vraag aan de minister of dit zal gebeuren — is het slachtoffer zelf in staat om te zeggen wat hij of zij zegt en waarom. Het leeuwendeel van de slachtoffers die ik heb gesproken en meegemaakt, wordt gevormd door heel redelijke mensen. Zij snappen dat als zij vinden dat er een stevige straf moet volgen, de verdachte toch vrijgesproken kan worden. Overigens is dat geen verschil met het huidige spreekrecht; ook nu is dat een risico. Zij snappen ook dat de rechter niet tegen het slachtoffer zal zeggen: oké, dat gaan wij doen. De rechter heeft immers ook andere belangen te wegen. Ik noem de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die op enig moment mogelijk dader wordt. De officier van justitie staat niet alleen maar voor de slachtoffers. Hij heeft een dubbele pet op, want hij staat ook voor de samenleving. Die belangen kunnen wel eens uit elkaar lopen. De officier kan op basis van het belang van de samenleving iets anders zeggen dan het slachtoffer zou wensen. 

Uiteindelijk gaat het erom dat je het slachtoffer serieus neemt en tegen hem zegt: u zegt dat u iets overkomen is, dit zijn de grenzen, zo werkt ons strafproces, realiseert u zich dat, maar wij snappen ook dat u daarbij betrokken wil zijn. Het gaat tenslotte om iets wat het slachtoffer is aangedaan, op het moment dat de zaak bewezen wordt. De grote winst van dit wetsvoorstel is dat het slachtoffer zich gehoord weet, zich niet beperkt weet en niet boos hoeft te worden. Hij wordt gehoord en hij snapt dat daaraan beperkingen zitten. 

Het amendement van D66 betreft de strafmaat. Ik geef toe dat hier risico's aan verbonden zijn, maar eigenlijk vind ik dat niet het grootste risico. Het slachtoffer zal begrijpen dat als hij pleit voor levenslang — dat zal overigens zelden voorkomen — of een stevige straf, dit dan niet het enige is. 

Een veel groter risico ligt er op het punt van de bewijsmiddelen. Het slachtoffer zou kunnen zeggen: zo is het helemaal niet gebeurd; ik was er zelf bij. In dat geval zal de advocaat of de officier zeggen dat het slachtoffer als getuige gehoord moet worden. Dat is terecht, want als er twijfel ontstaat over de bewijsmiddelen, als iemand die erbij aanwezig was, zegt dat het zo niet gebeurd is, dan is het goed dat dit naar voren wordt gebracht. Dat is niet goed voor de efficiency van het strafproces, maar dat is wel goed voor de waarheidsvinding. Nogmaals, met een goede voorlichting erbij vind ik dat geen groot bezwaar tegen deze wet. Overigens is ook Slachtofferhulp Nederland — geen onbelangrijke speler op dit terrein — voorstander van het huidige wetsvoorstel. 

Mijn fractie is niet voor een ander strafproces. Dat zit ook niet in het wetsvoorstel. Wij willen niet een soort "Nebenklager" die in het Duitse systeem zit. Het huidige inquisitoir proces moeten wij vooral behouden. Dat is behalve een efficiënt proces ook zorgvuldig proces. De enige speler die daarin nog ontbrak, maar die nu langzaam, stapje bij stapje meer aanwezig is, is het slachtoffer. Daarover spreken wij vanavond. 

Vervolgens een opmerking over het initiatief van de SP inzake tbs en het spreekrecht. Ik vraag de minister om daarop te reageren. Ik vind dat ook bij mogelijke schorsing, verlof of opheffing van tbs de positie van het slachtoffer of de nabestaanden aan de orde moet komen. Dat is relevant. Ik twijfel nog over de wijze waarop dat moet gebeuren. Graag hoor ik de reactie van de minister op het initiatief van de SP. Daaruit blijkt dat ik een positieve basishouding heb ten opzichte van dit initiatief. 

Wij hebben al vaak gesproken over het tweefasenproces. Het probleem is dat men het slachtoffer spreekt op het moment dat de verdachte nog geen dader is. Ik heb lang gedacht dat wij voor dit tweefasenproces zouden moeten gaan, maar om twee redenen is dat wat mij betreft van tafel. Ten eerste wordt in het WODC-onderzoek op inhoudelijke gronden gezegd dat dit niet goed past in het Nederlandse proces. Ten tweede heeft de pilot in Amsterdam geen zaken opgeleverd. Ons standpunt op dit punt is dus niet principieel, maar wel heel praktisch. Die weg moeten wij dus maar niet verder bewandelen. 

Ik heb nog een heel praktisch puntje, te weten de oproepingen voor de terechtzitting. Vanuit de praktijk weet ik dat het daarmee nog weleens misgaat. Dat is hoogst frustrerend. Iedereen is er; de advocaat is er, de verdachte is er, maar het slachtoffer is niet opgeroepen. Dan moet er een nieuwe zittingsdatum gepland worden. Dat is de laatste tijd wel beter gegaan bij het OM, maar we gaan met dit wetsvoorstel de kring van spreekgerechtigden uitbreiden. Wordt dat goed voorbereid bij het OM, opdat ons geen extra aanhoudingen te wachten staan? 

Daarmee heb ik mijn punten gemaakt ten aanzien van het spreekrecht. Nogmaals, ik ben er blij mee. Sterker nog: ik ben ontzettend blij. Je hebt een lange adem nodig in de politiek, maar uiteindelijk krijg je toch dingen voor elkaar, mits het wetsvoorstel wordt aangenomen. En dan houd ik nu even stil voordat ik aan het volgende onderwerp begin, want er is een interruptie. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De heer Recourt tilt er kennelijk minder zwaar aan dat een slachtoffer in de positie van getuige kan komen en dan dus indringend kan worden verhoord. Nou zou het door bezuinigingen op de rechtsbijstand zomaar kunnen gebeuren dat een slachtoffer als getuige wordt gehoord zonder dat daar een advocaat bij aanwezig is. Hoe denkt de heer Recourt daarover? 

De heer Recourt (PvdA):

Daar zit een heel aantal mitsen, maren en relativeringen aan, die ik bij dezen zal opwerpen. Eén. Mevrouw Berndsen noemt de bezuinigingen, maar zover is het nog niet. Dat is jammer genoeg of gelukkig; het ligt er maar aan hoe je het wilt zien. Twee. De rechter heeft ook de mogelijkheid om terug te verwijzen naar de rechter-commissaris als hij denkt dat de belangen van het slachtoffer ter zitting onvoldoende gegarandeerd zijn als hij slachtoffer-getuige is geworden. Drie. Ik denk dat het zelden voor zal komen. We hebben het op dit moment geloof ik over een aantal van 250. Ik vermoed zelf dat dit niet veel hoger of lager zal worden; dat is niet onderzocht maar het lijkt mij wel logisch. Het zijn allemaal slachtoffers die zich bewust graag willen uiten. Daarvan zal een klein deel zich maar over de bewijsmiddelen uitlaten, helemaal als we de voorlichting goed regelen. Dat is een voorwaarde. En van dat kleine deel zal een nog kleiner deel als getuige worden opgeroepen. Ik denk dus dat het maar om enkele zaken per jaar zal gaan. 

De voorzitter:

Mevrouw Berndsen, een vervolgvraag. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik constateer dat dit allemaal aannames zijn, want uit geen enkel onderzoek is gebleken dat dit werkelijk zo is. Het lijkt mij sowieso verstandig om de wet te evalueren, dus ik hoop dat de heer Recourt het amendement daarover in ieder geval wil ondersteunen. Het is ook maar de vraag of het afpellen, wat de heer Recourt doet, klopt. Maar ik ben blij dat het nog niet zover is dat de bezuiniging op de rechtsbijstand erdoor is, zoals de heer Recourt zegt. Dat geeft hoop voor de toekomst, want ik kan me voorstellen dat het ook voor de PvdA-fractie van belang is dat slachtoffers die in zo'n positie terechtkomen, wel bijstand krijgen van een advocaat. 

De heer Recourt (PvdA):

Dat kan van belang zijn, zoals iedere getuige er belang bij kan hebben om bijgestaan te worden door een advocaat. Je ziet het ook steeds meer gebeuren dat slachtoffers advocaten inhuren dan wel vergoed krijgen, en terecht. Het is een heel nieuwe tak van sport binnen de advocatuur en die ontwikkeling zal zich voortzetten. Het lijkt mij geen slechte zaak. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik hoorde de heer Recourt spreken over risico's bij het spreken over de strafmaat door slachtoffers. Die risico's zien we allebei. We taxeren die wel anders. Hij sprak in dat kader over het belang van goede voorlichting. Waaruit zou die voorlichting moeten bestaan en hoe zou je daarmee de risico's kunnen ondervangen? 

De heer Recourt (PvdA):

Gelukkig heeft het OM in de laatste jaren, of eigenlijk meer dan de laatste jaren, heel stevig geïnvesteerd in het begeleiden van slachtoffers, zo horen wij van Slachtofferhulp Nederland. Overigens heeft slachtofferhulp zelf voor ernstige misdrijven — en daar gaat het meestal om — ook speciale regisseurs die de begeleiding op zich nemen. Het gebeurt dus vanuit twee instanties. We zien dat de kwaliteit daarvan echt met sprongen vooruit is gegaan. Eén onderdeel van die begeleiding en voorlichting betreft de vraag: hoe ziet een zitting eruit, wat is ieders rol en wat kun je verwachten? Op dat punt zit het natuurlijk. U kunt zeggen wat u wilt binnen de grenzen van de wet, maar realiseert u zich dat de rechter het laatste woord heeft, dat de rechter ook rekening moet houden met de persoon van de dader tegen de tijd dat de verdachte schuldig is bevonden, en dat de rechter ook rekening moet houden met het algemeen belang. Zo zijn er een aantal belangen. Kortom, u zult niet op uw wenken bediend worden. U wordt gehoord en wij verwachten dat de rechter u serieus neemt. 

Ik ben het er ook mee eens dat het vooral geen motiveringsplicht gemaakt moet worden. Ik heb uit de praktijk geleerd dat dit een drama aan jurisprudentie en cassatie bij de Hoge Raad enzovoorts oplevert. Maar als het slachtoffer iets zinvols zegt — maar dit kan toch helemaal niet, want ... — verwacht ik wel dat de rechter motiveert dat iets wel kan. Als het slachtoffer heeft gezegd dat er een zware straf moet volgen, gaat de rechter er in de motivering over de strafmaat natuurlijk altijd expliciet of impliciet op in waarom hij vindt dat de opgelegde straf de juiste is. Dan moet hij motiveren welke elementen hij meegewogen heeft. Ik verwacht dus dat het slachtoffer aan alle kanten, in de voorlichting maar ook in het vonnis van de rechter, kan teruglezen op welke manier zijn argumenten gewogen zijn. 

De heer Segers (ChristenUnie):

De verwachtingen van collega Recourt zijn helder, net als de manier waarop die voorlichting zou kunnen plaatsvinden. Het lijkt mij een helder en goed verhaal. We hebben alleen geen garanties; we weten niet dat het plaatsvindt en dat het goed plaatsvindt. Welke garanties zijn er dus? Dat is mijn eerste vraag. 

Mijn tweede vraag is of het dan niet des te heilzamer is om een evaluatie in te lassen en nog eens heel goed terug te blikken of er geen valse verwachtingen worden gewekt die mensen misschien veel meer frustreren dan je slachtoffers ermee helpt. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik ben niet bang voor valse verwachtingen omdat het uitgebreid aan de orde zal komen. Het komt nu al aan de orde in het huidige spreekrecht, en het nieuwe spreekrecht zal daar geen wijziging van zijn. Maar evaluatie is altijd goed. Ik heb geen enkele aanleiding om het te denken, maar als dit een drama is, moeten wij er niet mee doorgaan. Ik wacht even het antwoord van de minister af, maar kan me niet voorstellen dat het kabinet hier moeite mee heeft. Mijn fractie in ieder geval niet. Van D66 hadden we eigenlijk niet anders verwacht dan een evaluatiebepaling. 

De voorzitter:

De heer Recourt vervolgt zijn betoog. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik wil het nog over het schadefonds hebben. Met de uitbreiding en de langere termijn is mijn fractie erg blij, maar wij hebben nog een wens. Die betreft Nederlanders die slachtoffer zijn geworden van ernstige misdrijven in het buitenland. Is het niet mogelijk, mede gezien de voortdurende onderuitputting van het fonds, om ook die groep mensen in aanmerking te laten komen voor een uitkering uit dat fonds? Ik vind het namelijk heel moeilijk te verkopen dat wordt gezegd: u bent allemaal Nederlanders maar omdat u toevallig net over de grens met België was, kunt u geen beroep doen op het fonds. Dan kun je zeggen: misschien heeft België ook een fonds. Maar misschien heeft België wel geen fonds. Laten we die groep dus gewoon onder het Nederlandse fonds brengen. Als het niet uit kan, kan het niet uit, maar omdat het een relatief beperkte en kleine groep is, heb ik eigenlijk geen enkele twijfel dat het mogelijk is. Ik vraag de minister dus naar de mogelijkheden. Mijn fractie zou het zeer op prijs stellen. 

De heer Van Helvert (CDA):

Voorzitter. "De positie van slachtoffers verdient verdere verbetering." Dat staat op pagina 76 van het verkiezingsprogramma van het CDA. In dat opzicht beoordeelt de CDA-fractie het wetsvoorstel positief. Het is goed dat het slachtoffer in de rechtszaal de ruimte krijgt om zijn verhaal te doen. Dat doet recht aan het leed dat het slachtoffer is toegedaan, draagt bij aan zijn eigen herstel en sorteert hopelijk ook enig effect van spijt en berouw bij de verdachte en, indien diegene daadwerkelijk wordt veroordeeld, de dader. 

Vandaag is het voorlopige sluitstuk van een jarenlange parlementaire discussie over de verbetering van de positie van het slachtoffer middels het zogeheten tweedefasenproces. De CDA-fractie heeft zich hier nadrukkelijk in gemengd in de afgelopen jaren en is er ook zeer verheugd over dat uitgebreid onderzoek is gedaan door het WODC. Het stelt het CDA wel enigszins teleur dat de pilots met het tweefasenproces nooit echt van de grond zijn gekomen. De eerste vraag aan de minister is dan ook of hiervoor de politieke wil ontbrak dan wel dat er andere redenen zijn aan te wijzen. 

De CDA-fractie staat positief tegenover de in de afgelopen jaren toegenomen aandacht voor de positie van het slachtoffer. Waar in het verleden het slachtoffer niet of nauwelijks betrokken werd in de rechtszaal of rechtszaak, is dat tegenwoordig heel anders. Er valt echter ook nog veel te verbeteren. Dit wetsvoorstel draagt zeker bij aan die verbetering. De invulling van het begrip "spreekrecht" in artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering wordt voortaan ruimer geïnterpreteerd: er is sprake van een onbelemmerd spreekrecht. Ik plaats daarbij wel een kanttekening: wetstechnisch wordt geen wezenlijke verandering voorgesteld. De minister stelt in de nota naar aanleiding van het verslag wel dat er sprake is van een codificatie van het spreekrecht 2.0, maar strikt genomen wordt de invulling van het spreekrecht wettelijk niet gewijzigd. Dat bracht de CDA-fractie in de schriftelijke inbreng onder meer tot de vraag waarom de regering met dit wetsvoorstel is gekomen en niet veel eerder een separaat wetsvoorstel heeft ingediend op het punt van de voorgestelde uitbreiding van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Over deze wijziging zijn namelijk veel minder vragen gesteld. De behandeling daarvan had vermoedelijk dan ook al veel sneller kunnen plaatsvinden. Is het niet zo dat de voorgestelde groep nabestaanden van slachtoffers die als gevolg van een ernstige verkeersovertreding zijn overleden, daardoor al eerder aanspraak had kunnen maken op een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven? Graag een reactie van de minister. Dit is voor de CDA-fractie geen onbelangrijk punt. De minister heeft gewezen op cijfers van onder andere Slachtofferhulp Nederland die laten zien dat de potentiële doelgroep die voor een uitkering van dit fonds in aanmerking komt, groter is dan het huidige aantal aanvragers. De instroom zal dan ook toenemen met ongeveer 30 per jaar. De kosten daarvan bedragen €240.000. Als dit de prioriteit heeft voor de minister, waarom heeft hij deze wijziging dan gekoppeld aan de wijziging van het spreekrecht, waardoor de behandeling vermoedelijk veel langer heeft geduurd? 

Zou de minister kunnen bevestigen dat de behoefte tot aanpassing van het spreekrecht bij slachtoffers al veel langer bestond? Slachtofferhulp Nederland, maar ook het Fonds Slachtofferhulp, de Vereniging van Ouders van een Vermoord Kind en de stichting "Aandacht doet spreken" hebben hiervan blijk gegeven. Waarom heeft het dan toch zo lang, tien jaar, geduurd om tot een wijziging van het spreekrecht te komen? Feitelijk is het niet eens een wetswijziging, maar een andere interpretatie van het begrip "spreekrecht". De CDA-fractie vraagt de minister of hij de verwachting heeft dat er nu daadwerkelijk veel in de praktijk gaat veranderen. Uit de evaluatie blijkt dat rechters in de praktijk slachtoffers zelden beletten om over de strafmaat te spreken. Zij zijn daarin flexibel. De minister geeft in de schriftelijke beantwoording ook aan dat het van belang is dat het slachtoffer niet meer behoeft af te wachten of hij een rekkelijke of een precieze rechter treft. Dat suggereert iets anders dan uit de evaluatie is gebleken, namelijk dat het verschil in de manier waarop rechters slachtoffers de ruimte geven, toch aanzienlijk is. Kan de minister daarop ingaan? Kan hij ook aangeven dat dit, als het zijns inziens het geval is, door dit wetsvoorstel echt verleden tijd wordt? De minister heeft aangegeven in overleg te zullen treden met de Raad voor de rechtspraak over de mogelijkheid om ongelijkheid tussen de gerechten op dit punt tegen te gaan en tot een meer gelijke uitleg te komen. Wat zijn daarvan de resultaten? 

Ik heb een vraag over de strafeis. In het slachtoffergesprek wordt daar niet standaard over gesproken. Dat gaat veranderen, omdat het slachtoffer zich hierover ook tijdens de zitting vrijelijk kan uitlaten. De minister geeft aan dat het hem opportuun lijkt dat tijdens het slachtoffergesprek, hetzij op initiatief van het slachtoffer of nabestaanden, hetzij op initiatief van de officier van justitie hierover gesproken kan worden. Dat kan inderdaad zeer nuttig zijn. De CDA-fractie vraagt de minister om de bevestiging dat de huidige praktijk op dit punt gecontinueerd wordt, maar niet alle gevallen hoeft te leiden tot het bespreken van de strafeis. Dat moet ter beoordeling zijn aan de officier van justitie. Het moet aan de officier van justitie worden overgelaten, zo meent de CDA-fractie. Hij of zij kan bepalen of het verstandig is, het slachtoffer of de nabestaanden voor te bereiden op bijvoorbeeld de te verwachten hoogte van de straf. Hij kan ook polsen of de strafeis die hij zelf in gedachten heeft, overeenkomt met de gevoelens van het slachtoffer. Echter, kan de minister tevens bevestigen dat, wanneer het slachtoffer of de nabestaanden geen behoefte hebben om te spreken over de strafeis, de officier van justitie zich als gevolg van deze wet niet verplicht hoeft te voelen om dat toch ter sprake te brengen? 

Het slachtoffer mag zich voortaan over alles uitlaten. Dat kan best tot lastige situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer een slachtoffer nieuwe informatie aandraagt over het strafproces of beschuldigingen uit over het optreden van het Openbaar Ministerie of de politie. Natuurlijk bestaat de mogelijkheid dat een slachtoffer bij belastende verklaringen alsnog wordt gehoord als getuige, maar dat zorgt wel voor verstoring van de zitting en chaos in het tot dan toe gevoerde proces. Deelt de minister de mening dat het voor alle procespartijen wenselijk is dat, voorafgaand aan de zitting, zo veel mogelijk informatie bekend is, waaronder de opvattingen van het slachtoffer en eventuele nieuwe informatie die hij wil toevoegen aan het strafproces? Zo kunnen we vervelende situaties voorkomen. 

Het slachtoffergesprek kan een goede gelegenheid vormen voor de officier van justitie om zich een beeld te vormen van hetgeen het slachtoffer mogelijk ter zitting nog wil delen. Maar wordt de informatie die de officier dan krijgt uit dat gesprek en welke nuttig kan zijn voor de verdediging, ook met de verdachte en diens raadsman gedeeld? De minister geeft verder aan dat een slachtoffer alleen wordt uitgenodigd voor een slachtoffergesprek als er sprake is van een zaak waarin spreekrecht voor de meervoudige kamer mag worden uitgeoefend. Maar hoe zit het dan met enkelvoudige behandelingen en de mate waarin het OM zich van tevoren op de hoogte stelt van wat een slachtoffer wil inbrengen? 

Voorzitter, tot slot. Vandaag spreken we over de belangen van slachtoffers en nabestaanden. In het bijzonder vraagt de CDA-fractie de aandacht van de minister voor de juridische positie van ouders in het strafproces, in het bijzonder ouders van misbruikte kinderen. De discussie over de juridisch zwakke positie van ouders is zeker sinds de Amsterdamse zedenzaak belangwekkender dan ooit. De CDA-fractie vraagt de minister wat nu precies de stand van zaken is sinds de EO-uitzending van "Dit is de Dag" in mei 2014. In die uitzending vertelden ouders van een misbruikt meisje over de juridische barrières waar ze na het misbruik tegen aanliepen. Ze hebben zich verenigd in de stichting Strijd Tegen Misbruik, waar deze minister vanuit zijn eerdere Kamerlidmaatschap mee bekend is. 

De staatssecretaris heeft vervolgens voorbereidingen getroffen voor een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat ouders zich wel voegen in het strafproces. Dit wetsvoorstel heeft de Tweede Kamer echter nog steeds niet bereikt. Wat is de stand van zaken? De internetconsultatieronde werd immers in de zomer van 2014 al gesloten en begin 2015 zou het naar de Raad van State worden gestuurd. Waarom duurt het zolang voordat het wetsvoorstel de Kamer bereikt? Deelt de minister de opvatting dat het van belang is dat dit wetsvoorstel snel wordt aangenomen om recht te doen aan slachtoffers, onder wie ouders van misbruikte kinderen? 

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Ik zie dat er tien minuten spreektijd achter mijn naam staat, maar als ik mij niet vergis, heb ik ingeschreven voor vijftien minuten. Maar ik ga mijn best doen, voorzitter! 

Slachtoffers en nabestaanden hebben spreekrecht tijdens een strafproces en dit spreekrecht is op dit moment niet onbeperkt. Slachtoffers en nabestaanden mogen alleen spreken over de gevolgen die zij hebben ondervonden van het strafbare feit. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, heft deze beperking op, waardoor het mogelijk wordt dat slachtoffers en nabestaanden zich bij het uitoefenen van hun spreekrecht ook mogen uitlaten over bijvoorbeeld de strafmaat en andere gevolgen die zij hebben ondervonden van het strafbare feit, bijvoorbeeld hun gevoelens ten opzichte van de verdachte. 

Mijn fractie is altijd kritisch geweest ten aanzien van de uitbreiding van het spreekrecht. Zij is dat niet vanwege de inhoud, want die is sympathiek. Ook is er behoefte aan bij de slachtoffers en nabestaanden, zoals ook blijkt uit de website van de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers, een koepelorganisatie waarbij onder andere Aandacht Doet Spreken, bij iedereen inmiddels welbekend, is aangesloten. Wat mijn fractie betreft, schuilt daar meteen de kritiek, want voor mijn fractie zit er een leemte in het wetsvoorstel. Slachtoffers en nabestaanden spreken niet omdat zij willen spreken, maar omdat zij er iets mee willen bereiken. Zij willen gehoord worden. Gehoord willen worden impliceert dat de spreker ook wil dat er rekening wordt gehouden met zijn of haar verklaring. Maar — daar komt de leemte — de rechter is niet verplicht om met de uitlating van het slachtoffer of de nabestaande rekening te houden. Nergens wordt geregeld dat de rechter in het vonnis een overweging aan de deelname van het slachtoffer of de nabestaande dient te wijden. De minister heeft in de nota naar aanleiding van het verslag naar aanleiding van onze vragen aangegeven dat dit een verzwaring van de werklast van de rechter is. Dat vindt mijn fractie van ondergeschikt belang ten opzichte van het belang van de slachtoffers en nabestaanden, die zich de moeite getroosten en zich moeten overwinnen om zich ter zitting wel uit te spreken. Daarom overweegt mijn fractie een motie op dit punt, maar eerst ontvang ik natuurlijk graag een reactie van de minister. 

Een tweede punt, maar dan van aandacht en niet van kritiek, is dat nu slachtoffers en nabestaanden een uitgebreid spreekrecht krijgen, de verdediging het recht heeft om hen naar aanleiding van hun verklaring ter zitting te bevragen. Dat is terecht, want de verdachte is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Het slachtoffer of de nabestaande wordt dan als getuige beëdigd, en dat kan best ingrijpend zijn. Het is echter wel juist, vanwege de zojuist genoemde onschuldpresumptie. Maar om deze reden, de wens om hiervoor aandacht te vragen, vraagt mijn fractie de minister of hij bereid is om deze wet na een aantal jaren te evalueren om te bezien of zich problemen zullen voordoen met de punten waarvoor ik zojuist aandacht heb gevraagd. Overigens heb ik dit eerder al kritisch verwoord tijdens het wetgevingsoverleg over het uitbreiden van het spreekrecht, op 21 mei 2012. Dat was ook het moment, waaraan collega Recourt zojuist refereerde, van indiening van het amendement van het toenmalige Kamerlid Van der Steur samen met collega Recourt. Dat amendement ging over het mogen afleggen van een verklaring ter zitting. Toen was het nog meer een adviesrecht. Ik meen mij namelijk nog het voorbeeld te herinneren dat werd genoemd. Zou het niet mooi zijn, zo werd gezegd, als het slachtoffer op iets kon wijzen door bijvoorbeeld te zeggen: hebt u dit bandenspoor gezien, mijnheer de officier van justitie? Maar goed, ik heb collega Recourt beluisterd. Hij is het eens met hoe het er nu uit ziet. Mijn fractie is dat ook, maar deze aandachtspunten wilde ik toch nog een keer noemen. 

Ik kom daarmee bij de conclusie dat mijn fractie blij is dat de toenmalige staatssecretaris in het uiteindelijke wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, het adviesrecht — daar ging het om — niet heeft meegenomen. Dat was dus een brug te ver, niet alleen vanwege het gevaar van een "kruisverhoor" — zo noem ik het maar — maar ook vanwege het feit dat het strafproces daarmee bijna op een driepartijenproces ging lijken en het gevaar ontstond dat het slachtoffer bijna verantwoordelijk leek te gaan worden voor het succes van het proces. Het Openbaar Ministerie is de enige vervolgende instantie, en dat moet ook zo blijven. Daarom zijn wij ook blij dat in de nota van wijziging staat dat vragen aan slachtoffers of nabestaanden door het Openbaar Ministerie of namens de verdachte door tussenkomst van de voorzitter gesteld zullen worden. Het gevaar van een zogenoemd kruisverhoor is daarmee geweken. 

Wel jammer is dat het wetsvoorstel geen verschijningsplicht voor de verdachte bevat. Hoewel de aanwezigheid van de verdachte inderdaad niet voor alle slachtoffers of nabestaanden doorslaggevend is, is het natuurlijk wel bijzonder vervelend om voor een lege stoel je verhaal te moeten doen, terwijl je wel als getuige beëdigd kunt worden als je gebruikmaakt van het uitgebreide spreekrecht. Daarbij is mijn fractie altijd van mening geweest dat iemand in geval van een misdrijf verantwoording heeft af te leggen aan het slachtoffer of de nabestaande in het bijzonder en aan de samenleving in het algemeen. In dat kader dient iemand dan ook aanwezig te zijn op de zitting, althans in ieder geval bij de uitspraak. Het zal niet verbazen dat ik een motie op dit punt overweeg, zij het natuurlijk enigszins aangepast naar aanleiding van de brief van de toenmalig staatssecretaris van 4 oktober 2013, waaraan de minister heeft gerefereerd in antwoord op Kamervragen van de VVD-fractie van onlangs. 

Naast een uitbreiding van het spreekrecht wordt in dit wetsvoorstel het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgebreid voor nabestaanden van slachtoffers van ernstige verkeersovertredingen of van het delict dood door schuld. Mijn fractie is het eens met deze uitbreiding. Nu is het zo dat alleen nabestaanden en slachtoffers van opzettelijk begane geweldsmisdrijven in aanmerking komen voor een uitkering, maar ook nabestaanden van slachtoffers die als gevolg van een ernstig verkeersovertreding of het delict door schuld komen te overlijden dienen voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen. Langs deze weg kunnen zij ook een vergoeding ontvangen voor de geleden affectieschade, de zogenoemde immateriële schade. Dat is op dit moment nog niet mogelijk. 

Ik heb wel een vraag op dit punt. Uit het advies van de Raad van State kunnen we opmaken dat nabestaanden van slachtoffers van het delict dood door schuld oorspronkelijk niet in aanmerking zouden komen voor een uitkering, vanwege financiële overwegingen. Uit de memorie van toelichting blijkt echter dat er gelukkig wel financiële ruimte is. Die is ontstaan doordat de wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven van 1 januari 2012 minder budgettair effect heeft gehad dan eerder werd geschat. Het aantal aanvragen is na die wetswijziging namelijk minder gestegen dan voorzien. Hoewel de instemming van mijn fractie met het voorliggende wetsvoorstel hier niet van afhangt, stel ik wel de vraag wat nu als het aantal aanvragen op basis van dit wetsvoorstel groter is dan voorzien. Wordt er dan een beperking aangebracht? 

Afrondend. Ik zie overigens dat ik ruim binnen de tijd zou zijn gebleven. Ik heb een aantal vragen aan de minister en er zijn wat in de lucht hangende moties — slechts twee, zeg ik dan maar — maar vooralsnog kan mijn fractie instemmen met dit wetsvoorstel. 

De heer Van Oosten (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie wil recht doen aan de belangen van slachtoffers en nabestaanden en daarom wil zij het spreekrecht voor slachtoffers van ernstige misdrijven uitbreiden. In navolging van een collega eerder vanavond, begin ik ook maar met een citaat, maar dan een citaat uit mijn eigen verkiezingsprogramma, een citaat waarover ik in aanloop naar mijn lidmaatschap van de Tweede Kamer in talloze zaaltjes heb gediscussieerd en waarover ik in discussie ben gegaan met collega's of aanstaande collega's. Ook na de formatie kwam het onderwerp bij debatten en bijeenkomsten buiten deze zaal regelmatig aan de orde, in verband ook weer met de afspraken die daarover zijn gemaakt tussen de coalitiepartijen. Wellicht dat de initiatieven nog weer van eerder dateren, zoals ik ook heb begrepen. 

Recent was al bij wet geregeld dat de kring van mensen die in de gelegenheid werden gesteld om hun stem te laten horen, werd uitgebreid. Dan hebben we het over het spreekrecht voor nabestaanden en minderjarigen. Dit wetsvoorstel neemt de beperking weg dat slechts gesproken mag worden over de gevolgen die slachtoffers hebben ondervonden van het misdrijf waarmee zij zijn geconfronteerd. Daarmee komt het, naar mijn oordeel en dat van mijn fractie, tegemoet aan de behoefte van slachtoffers die zich willen uitlaten over de toedracht van het misdrijf of het verloop van het proces. Deze wet maakt het mogelijk dat het slachtoffer de vrijheid heeft om invulling te geven aan het spreekrecht. Het slachtoffer, dat ongevraagd is geconfronteerd met agressie en geweld, dat dierbaren is verloren of dat heeft vernomen dat zijn kind is misbruikt, mag zonder beperking spreken en loopt niet het risico de mond te worden gesnoerd. 

Natuurlijk is de praktijk over het algemeen zo dat rechters daar met heel veel empathie en compassie mee omgaan, maar niettemin valt niet uit te sluiten dat je wel degelijk een beperking ondervindt. Daarnet bleek dit ook al uit het interruptiedebat dat ik daarover met collega's had. Het is daarom ongelofelijk belangrijk dat die beperking wordt opgeheven. De VVD heeft daar hartstochtelijk voor gepleit. Nu wordt daar vorm aan gegeven. Ik vind dat uitermate positief. 

Ik vraag wel aandacht voor de positie van het slachtoffer en eventuele vragen die natuurlijk kunnen opkomen. In navolging van collega's noem ik de herbeleving van het trauma. Het zou zo moeten zijn — ik lees dit terug in de nota naar aanleiding van het verslag — dat een slachtoffer de mogelijkheid moet kunnen hebben, wanneer deze dat wil, om zich goed te laten adviseren en goed te laten voorlichten over vragen als: wil ik gebruikmaken van dat spreekrecht, welke woorden kies ik daarbij, welke gevolgen kan dat hebben, et cetera. Graag krijg ik een reactie van de minister op dit punt. Ook lees ik in de laatst ontvangen nota dat de rechter erop toeziet dat het slachtoffer correct wordt bejegend en dat hij vragen van de verdediging die daarmee in strijd zouden kunnen zijn, kan beletten. Hoe ziet de minister dat voor ogen? 

Ik had mij voor weinig minuten spreektijd ingeschreven en maak er nog minder van, want ik wil en kan er kort over zijn: de VVD is echt content met het voorstel dat er ligt. Het komt tegemoet aan een pleidooi dat wij al een aantal jaren naar buiten brengen. Het versterkt en respecteert de positie van het slachtoffer in het strafproces. Daarmee komt het tegemoet aan een sterke wens die wij bij slachtoffers en nabestaanden horen, de wens om gehoord te kunnen worden en vrijuit te kunnen spreken over het leed dat hun is aangedaan. 

De vergadering wordt van 20.19 uur tot 20.34 uur geschorst. 

De voorzitter:

Ik geef de minister gaarne de gelegenheid voor de beantwoording van de vragen. Interrupties in tweeën, vraag en vervolgvraag. 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Allereerst wil ik de leden van uw Kamer danken voor de opmerkingen die zij met name aan het adres van mijn voorganger staatssecretaris Teeven hebben gemaakt over de wijze waarop dit wetsvoorstel is voorbereid. De heer Van Helvert heeft gevraagd waarom het allemaal zo lang heeft geduurd. Dat verklaart ook weer juist waarom het zo lang geduurd heeft, omdat met name op verzoek van het CDA een uitgebreid onderzoek gedaan is naar de mogelijkheid van een tweefasenproces. 

De behandeling van dit wetsvoorstel laat zien hoe belangrijk het onderwerp is en tegelijkertijd ook hoe belangrijk het is dat we er heel zorgvuldig naar kijken en mee omgaan. Dat is ook de reden waarom aan professor Keulen advies is gevraagd over het tweefasenproces. Er werd een zeer onderbouwd advies neergelegd, waaruit tot verrassing van velen blijkt dat de redenen waarom de leden van deze Kamer over het tweefasenproces nadachten er eigenlijk niet zijn. Aan de ene kant ging het om het belang en de positie van het slachtoffer als hij gebruik zou maken van het spreekrecht en aan de andere kant zou het tweefasenproces wellicht een rol kunnen spelen bij het oplossen van de problematiek van de weigerende observandi als er sprake is van tbs. 

Terecht is door mevrouw Berndsen-Jansen verwezen naar de verworvenheden van D66 op dit vlak toen die partij door middel van een initiatiefwet van toenmalig Kamerlid Boris Dittrich het spreekrecht heeft geïntroduceerd in ons Nederlandse strafproces. Het heel bijzondere is dat zich toen hetzelfde afspeelde bij de rest van de Kamer als nu alleen nog maar bij D66. Misschien is dat een gevolg van de wet van de remmende voorsprong: aan de ene kant was de fractie van D66 enorm vooruit in de Kamer in het begin van deze eeuw en aan de andere kant heeft zij nu reserves ten aanzien van de vervolmaking van het spreekrecht, zoals dat hier door haar is geïntroduceerd. 

De voorzitter:

Ik constateer dat hier sprake is van pure uitlokking en geef mevrouw Berndsen graag de gelegenheid om te interrumperen. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik weet niet of het pure uitlokking is, maar uitlokking is het zeker. Je zou ook kunnen zeggen dat in het verleden een verstandig besluit is genomen en dat wij ons verstand er vandaag ook weer graag bij willen houden. 

De voorzitter:

Dat is geen vraag, dus u kunt uw betoog vervolgen. 

Minister Van der Steur:

Ik geef onmiddellijk toe dat de heer Dittrich zeer verstandig was met zijn initiatiefwet, maar tegelijkertijd merk ik op dat hij dit ook baseerde op een onderzoek van destijds, waaruit bleek dat meer dan 50% van de slachtoffers gebruik wilde maken van het spreekrecht als het alleen de beperkingen had die het uiteindelijk geworden zijn. De Kamer was destijds, anders dan de fractie van D66, niet zo ver om een volledig vrij spreekrecht te introduceren. 84% van de toen ondervraagde mensen — dus 34% meer dan die 50% — zei echter zeker gebruik te maken van het spreekrecht als zij volledige vrijheid zouden krijgen om ook iets over de strafmaat te zeggen. Ook toen was al duidelijk dat slachtoffers het belangrijk vinden om de rechter hun gedachten over de strafmaat te kunnen voorleggen. Anders dan gelukkig nu in overgrote meerderheid het geval is, was de Tweede Kamer daar echter toen nog niet rijp voor. Het zou mij niet verbazen dat het initiatiefwetsvoorstel van de heer Dittrich wellicht allang het probleem had opgelost dat wij nu proberen op te lossen als de Kamer daar toen wel rijp voor was geweest. Dat laat onverlet dat de D66-fractie de eerste stap in de goede richting heeft gezet en het is goed dat door de overgrote meerderheid van deze Kamer weer een tweede stap in de goede richting wordt gezet. We kunnen niet anders dan vaststellen dat in de periode tussen 2005 en 2015 de positie en de gedachtevorming in onze samenleving over de wijze waarop het slachtoffer een rol zou moeten hebben in het strafproces — naar mijn mening gelukkig — totaal zijn veranderd. 

Dat betekent dat wij in ieder geval naar aanleiding van het onderzoek van professor Keulen afscheid kunnen nemen van de gedachten over het tweefasenproces. Het betekent ook dat wij naar aanleiding van de adviezen — mevrouw Helder verwees er al naar — afscheid moeten nemen van de gedachte dat een slachtoffer een formeel adviesrecht krijgt. Daar is geen enkel draagvlak voor gebleken, niet bij de advocatuur, niet bij de rechterlijke macht, niet in de samenleving en ook niet bij veel slachtoffers naar ik heb begrepen, ook uit persoonlijke gesprekken die ik met hen heb gevoerd. Ik denk dan ook dat het goed is dat dat voorstel deze plenaire zaal niet heeft gehaald. 

Ik denk ook dat het goed is om vast te stellen dat niemand zegt dat het van belang zou zijn dat er een aparte procespositie komt voor het slachtoffer in het strafproces. In Duitsland hebben ze die gedachte wel gehad. Sommige Kamerleden hebben daarnaar verwezen. Daar geldt het systeem van de Nebenklager, die een aparte procespositie heeft en naast het Openbaar Ministerie staat. In Nederland heeft niemand daar echter behoefte aan, ook veel advocaten niet die slachtoffers bijstaan. De heer Korver heeft daar wel voor gepleit, maar hij krijgt daar weinig steun voor. 

Het bijzondere is dat wij nu in ieder geval een debat hebben over nut en noodzaak van het spreekrecht. Het is duidelijk dat de slachtoffers zelf een enorme behoefte hebben aan uitbreiding van het spreekrecht. Veel Kamerleden hebben gesproken met slachtoffers. Zij geven allemaal aan dat zij de mogelijkheid willen hebben — geen verplichting, maar de mogelijkheid — om tegen de rechter te zeggen wat zij van de strafmaat vinden. Ik ben daarmee voor het eerst geconfronteerd door een Alkmaarse jonge vrouw. Toen zij de deur opendeed, trof zij daar een zeer verwarde en boze man aan die haar met zeventien messteken voor eeuwig een dwarslaesie heeft bezorgd en haar bijna had gedood. Zij was overigens advocaat en wist als geen ander wat de positie is van het slachtoffer in het strafproces en wat het effect zou kunnen zijn en ook niet zou zijn van het meegeven aan de rechter van je gedachten over de strafmaat. Juist zij heeft mij ervan kunnen overtuigen dat je als slachtoffer in staat moet kunnen zijn, als je dat wilt, om iets over de strafmaat te zeggen. Er is soms in de samenleving het idee dat slachtoffers niet precies weten wat de effecten en de mogelijkheden zijn en dat zij teleurgesteld kunnen raken. Slachtoffers weten echter precies wat de effecten zijn en wat de wettelijke en juridische mogelijkheden zijn. Zij worden daarover voorgelicht door hun advocaat, als zij die hebben. Ik zal zo meteen in de richting van mevrouw Berndsen nog iets zeggen over de rechtsbijstand. Zij worden daarover voorgelicht door de officier van justitie. Zij worden daarover voorgelicht door Slachtofferhulp Nederland. Zij worden bij zware misdrijven voorgelicht door de familierechercheur. Die vertellen hen allemaal, voor zover zij dat niet zelf allang wisten, dat als je een advies zou geven over de strafmaat, de rechter uiteraard niet gehouden is om daaraan tegemoet te komen. Ik zal ook nog antwoorden op de vraag die mevrouw Helder daarover heeft gesteld. 

Datzelfde geldt natuurlijk ook voor de officier van justitie, die over het algemeen in het slachtoffergesprek diezelfde vraag stelt. Dat biedt wel de mogelijkheid dat zowel de officier van justitie als de rechter daarmee rekening houdt. Dat kunnen zij op meerdere manieren doen. Dat kunnen ze doen zoals de heer Recourt zei. Het zou misschien goed zijn als de rechter in het vonnis aangeeft: ik begrijp heel goed wat het slachtoffer heeft gezegd en wat zijn wensen zijn, maar de wettelijke beperkingen staan mij niet toe om daarnaartoe te gaan en om die-en-die redenen kom ik tot dit. Het lijkt mij heel logisch als de rechter dat zo zou doen. Hetzelfde geldt voor de officier van justitie. Als je weet dat jouw strafeis niet overeenstemt met wat het slachtoffer graag zou willen, dan is het heel goed dat je juist vanuit jouw rol als officier van justitie, waarin je toch borg staat voor de samenleving en voor het slachtoffer en eventuele nabestaanden, aangeeft waarom jij die gewenste strafmaat niet kunt overnemen. Maar het is gek als niemand in de rechtszaal weet wat de strafmaatwens van het slachtoffer is. Om die reden is het volgens de regering zo belangrijk dat het spreekrecht ook op dit punt vrij wordt gelaten. Ik heb inmiddels het amendement van D66 en de ChristenUnie gezien. Ik zou dat daarom niet ondersteunen en dus ook moeten ontraden. Als je wilt dat voor het proces van een slachtoffer inzichtelijk wordt gemaakt waarom zijn wens niet kan worden overgenomen, niet door de officier van justitie en niet door de rechter, is het belangrijk dat dat in het gesprek met de officier van justitie dan wel ter zitting, maar zeker door de rechter ter zitting of in het vonnis, naar keuze van de rechter — daar zou ik geen verplichting van willen maken — kan worden geadresseerd waar dat hoort. Nu komt de vraag. Stel dat de rechter en de officier niet kunnen voldoen aan de eis die het slachtoffer stelt, betekent dat dan dat het slachtoffer teleurgesteld raakt? Dat zou kunnen, maar daarop wordt het slachtoffer voorbereid door de hele serie van mensen die ik net noemde: Openbaar Ministerie, advocatuur, familierechercheur, Slachtofferhulp Nederland. Is dat erger dan dat het slachtoffer niet spreekt omdat dit niet is toegestaan, of wel spreekt en ervaart dat de mogelijkheden om te spreken beperkt worden door censuur, zoals bijna alle slachtoffers het noemen? Zij ervaren het als censuur, omdat ze niet mogen zeggen wat ze willen, terwijl anderen in het strafproces, met name de verdachte, volledige vrijheid hebben om te zeggen wat zij willen. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister doet het nu net voorkomen of hij onderzoek heeft gedaan naar de positie van slachtoffers en dat een grote meerderheid vindt dat hen onrecht wordt aangedaan omdat ze zich niet volledig mogen uiten. Ik wijs de minister erop dat hij zelf schrijft dat deze data er helemaal niet zijn. Je kunt een wetsvoorstel toch niet baseren op ervaringen van enkele mensen met wie gesproken is? 

Minister Van der Steur:

Laat ik vooropstellen dat ik de vraag van mevrouw Berndsen goed begrijp. We beschikken over het onderzoek uit de tijd dat het spreekrecht werd ingevoerd door het initiatief van de D66-fractie. Toentertijd heeft 84% van de slachtoffers gezegd dat zij van het spreekrecht gebruik zouden maken als zij volledige vrijheid kregen om alles te zeggen, inclusief uitspraken over de strafmaat. Daarnaast hebben we het onderzoek waarnaar mevrouw Berndsen verwezen heeft. Hierin geven slachtoffers aan dat zij graag meer ruimte willen hebben voor hun spreekrecht. 50% zegt blij te zijn dat er spreekrecht is, maar we weten niet hoe het zit met al die slachtoffers die niet gesproken hebben. Ik geef eerlijk toe aan mevrouw Berndsen dat we dat niet weten. De afgelopen vijf jaar waarin ik als Kamerlid de gelegenheid heb gehad om bij allerlei bijeenkomsten van slachtofferorganisaties te zijn, heb ik steeds aan iedereen gevraagd hoe zij het spreekrecht ervaren. Ik loop immers al sinds 2011 rond met het idee om iets op het gebied van spreekrecht te doen. Juist om die reden wilde ik toetsen of er behoefte was aan een verruiming. Eigenlijk is door alle slachtoffers die gebruik hebben gemaakt van het spreekrecht, inclusief de mevrouw uit Alkmaar die ik net noemde, steeds gezegd dat ze het als een enorme belemmering voelden. Dan kom je vervolgens op het punt van de rechtsongelijkheid die we in Nederland al heel lang hebben. Ook rechters zien immers in hoe belangrijk het is dat er vrijheid is voor slachtoffers om te spreken. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik constateer dat de minister nu heel stellig spreekt over cijfers en aantallen slachtoffers. Dat staat haaks op hetgeen hij zelf schrijft, namelijk dat hij thans geen gefundeerde uitspraak kan doen. Dat staat toch haaks op wat de minister nu doet? Hij heeft geen fundament op basis waarvan hij zulke stellig uitspraken kan doen. 

Minister Van der Steur:

Mevrouw Berndsen moet goed luisteren naar wat ik zeg. Ik heb twee fundamenten. Dat is het onderzoek uit de tijd van de heer Dittrich van D66. Dat is een heel helder onderzoek. 84% zegt gebruik te zullen maken van het spreekrecht als je ook mag spreken over de strafmaat. Het tweede fundament is het onderzoek waar mevrouw Berndsen zelf naar verwees en waarin staat dat slachtoffers in overgrote meerderheid vinden dat ze meer ruimte moeten hebben voor het spreekrecht. Dat zijn de feiten. Ik heb daaraan toegevoegd dat ik de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt heb om te spreken met heel veel slachtoffers, rechters, advocaten, de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade, familierechercheurs, Slachtofferhulp Nederland, omdat ik al met dit idee rondloop. Ze zeggen allemaal hetzelfde, namelijk dat het van belang is dat de belemmering die door de slachtoffers als zeer bezwarend wordt ervaren, wordt opgeheven en dat we moeten komen tot een vrij spreekrecht. Mevrouw Berndsen heeft volledig gelijk als zij zegt dat dit niet gefundeerd wetenschappelijk is. Maar het is ook niet waardeloos, zoals mevrouw Berndsen lijkt te doen voorkomen. Niemand heeft immers gezegd dat het heel fijn was om gecensureerd te worden ten aanzien van de slachtofferverklaring. Niemand heeft tegen mij gezegd dat hij niets had willen zeggen over de strafmaat en niet ruimer had willen spreken dan de huidige wet toestaat. 

De voorzitter:

Interruptie van de heer Segers. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Sorry voorzitter, maar ik heb nog een vervolgvraag. De minister legt mij nu in de mond dat het allemaal waardeloos is. Ik heb het woord "waardeloos" niet gebruikt. Ik heb alleen gezegd dat je gefundeerde uitspraken moet doen op basis van gefundeerd onderzoek. Ik constateer dat er geen recent gefundeerd onderzoek is. Ik constateer dat dat gefundeerde onderzoek er recentelijk niet is. 

Minister Van der Steur:

Ik ben het niet eens met mevrouw Berndsen, want het onderzoek waar zij zelf naar verwezen heeft, is ook onderzoek en is ook gefundeerd. Ik heb een eigen constatering, die door een groot deel van de Kamer wordt gedeeld. 

De voorzitter:

Dat is voldoende toegelicht. 

De heer Segers (ChristenUnie):

De minister onderstreept terecht dat slachtoffers blij zijn met het spreekrecht dat ze hebben. Dat is wat wij weten. Vervolgens voegt hij er anekdotisch aan toe dat hij zelf allerlei gesprekken heeft gevoerd en heeft gehoord dat mensen graag meer zouden willen spreken. Nou weet ik niet of "anekdotisch" de juiste woordkeuze is, omdat mij eerder bij mondelinge vragen is verteld dat dat een andere betekenis heeft. Ik bedoel dat op basis van een aantal anekdotes en losse ontmoetingen wordt gesteld dat het van groot belang is om geen enkele belemmering te hebben. Maar wij weten niet hoe groot de frustratie is over het feit dat niet over de strafmaat kan worden gesproken. Wij weten ook niet hoe groot de frustratie zal zijn en wat voor een rolverwisseling het tot gevolg kan hebben als er hoog wordt ingezet en veel lager wordt gestraft. Het gaat dus om een inschatting waarover de minister heel stellig is, maar wij weten misschien veel minder dan hij nu suggereert. 

De voorzitter:

De vraag is duidelijk. 

Minister Van der Steur:

Ja. 

De voorzitter:

De suggestie die ervan uitgaat, is dat in ieder geval. 

Minister Van der Steur:

Ik begrijp de opmerking van de heer Segers heel goed. Die ligt in het verlengde van wat mevrouw Berndsen net zei. Zij vroeg: hoe kun je dat nou weten? Dat heb ik net proberen uit te leggen. Ik heb vijf jaar lang met een ongelooflijke hoeveelheid slachtoffers, rechters, advocaten en familierechercheurs gesproken en ook met Slachtofferhulp Nederland. Die zeggen allemaal hetzelfde, namelijk dat het heel belangrijk is dat het spreekrecht wordt vrijgelaten zodat je de mogelijkheid hebt om daar gebruik van te maken, mits je goed wordt voorgelicht, zeg ik ook tegen iedereen die daarnaar verwezen heeft. Niemand zegt dat het verder beperkt moet worden of dat het huidige stelsel heel plezierig is, dat het heel prettig is om niets te mogen zeggen terwijl je er misschien wel iets over wilt zeggen. Maar er zijn ook heel veel mensen die zeggen: ik heb de behoefte niet om er iets over te zeggen, dus dat zal ik ook niet doen. Voor diegenen die het willen doen, komt die vrijheid er. Degenen die het niet willen, hoeven het niet te doen. Dat is precies waar de regering voor staat: die vrijheid geven aan mensen die over het algemeen zeer verstandig zijn en precies weten wat zij willen, en die mogelijkheid bieden aan die mensen zonder dat er een verplichting ontstaat om dat ook te doen. Uit alle contacten die ik heb gehad — ik denk dat dat voor meer leden van uw Kamer geldt — is echt niet gebleken dat er geen behoefte aan bestaat of dat er bezwaar tegen bestaat vanuit alle organen die ik net heb genoemd. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Dat kan ik mij voorstellen, maar wij weten niet wat voor een teleurstelling het zou kunnen opleveren als je in vrijheid mag spreken over een ongetwijfeld hoge strafmaat voor iets wat jou is overkomen, voor een dader die jou iets heeft aangedaan, en als er vervolgens een lage straf wordt uitgesproken. Dat zouden wij in alle eerlijkheid ook moeten zeggen. 

Minister Van der Steur:

Dat ben ik helemaal met de heer Segers eens, maar wij weten wel dat bijna elk slachtoffer en bijna elke nabestaande van een slachtoffer daar ideeën over heeft. Er is bijna niemand die na een zwaar geweldsdelict, zedenmisdrijf of moord geen enkel idee heeft over welke straf passend zou zijn. Die mensen mogen nu volgens de wet niet over dat idee vertellen, ook al zouden zij dat willen. Dat weten wij wel. Precies daar haalde ik als Kamerlid en haal ik als minister de motivatie vandaan om te zeggen: omdat wij dat weten, willen wij dat vrijmaken, zodat mensen de gelegenheid krijgen om daar iets mee te doen. Wel wijst de heer Segers er terecht op dat het dan wel passend zou zijn als de officier van justitie en de rechter aandacht besteden aan het feit dat iemand met voorlichting kan worden begeleid als het gaat om een teleurstelling, zonder dat ik dat verplicht wil stellen. Overigens is er in veel gevallen sprake van een teleurstelling, al weten heel veel slachtoffers en nabestaanden heel goed dat wat zij vragen niet kan. Zij willen het dan toch gevraagd hebben, gewoon om hun statement te maken, terwijl zij ook wel weten dat de rechter dat niet kan toestaan of toezeggen. Ik ga ervan uit dat de officier van justitie en de rechter daarop wijzen, zonder dat ik dat zou willen verplichten, zoals onder anderen mevrouw Helder heeft voorgesteld. Daarmee heb ik, ook dankzij de interrupties, een aantal bezwaren behandeld die je tegen het wetsvoorstel kunt hebben; daar heb ik overigens veel respect en begrip voor. Die bezwaren betreffen het risico op secundaire victimisatie, de teleurstelling over de strafmaat en het feit dat het een vrijheid geeft maar geen verplichting creëert. 

Dan wil ik iets zeggen over het risico dat iemand beëdigd zou kunnen worden als getuige. Dat risico bestaat. Terecht heeft de heer Recourt gezegd: dat is gewoon zo. Terecht zei hij ook dat dat zo moet zijn. Op het moment dat er nieuwe informatie — de heer Van Helvert wees daar ook op — in het strafproces aan de orde komt, die misschien belastend of ontlastend zou kunnen zijn voor de verdachte, dan behoort die informatie ook als officieel onderdeel van het strafproces te gelden. Het is dus ook logisch dat je dan, als slachtoffer of nabestaande van het slachtoffer, kunt worden gehoord als getuige. Dat gebeurt op een zorgvuldige manier —daar heeft mevrouw Helder ook naar verwezen — maar dat moet natuurlijk wel kunnen. Het is namelijk precies de essentie van het strafproces dat, als er zich iets voordoet dat voor het strafproces van groot belang is, de rechter daar formeel aandacht aan kan geven in het kader van datzelfde strafproces. Over dat risico, dat inderdaad bestaat, moeten slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers zeer goed worden voorgelicht. Die taak berust primair bij de organisaties waarover ik net al sprak: Slachtofferhulp Nederland, het Openbaar Ministerie, in heel grote zaken de familierechercheurs en in sommige gevallen ook de advocaten door wie slachtoffers worden bijgestaan. 

Partijen die nog enige twijfel hebben over dit wetsvoorstel, vraag ik om nog eens na te denken over wat er nu al in de rechtszaal gebeurt. Neem het voorbeeld van de mevrouw uit Alkmaar. In eerste aanleg heeft zij niet mogen verklaren over de strafmaat terwijl ze dat wel heel graag had gewild en in tweede instantie heeft het hof uiteindelijk toegestaan dat ze dat mocht doen, omdat ook het hof inzag dat het voor haar van groot belang was om die mededeling te kunnen doen. Zij heeft die uitspraak dus in het strafproces kunnen doen. Voor heel veel slachtoffers en nabestaanden geldt op dit moment dat zij dat van sommige rechters mogen doen. Ik heb een groot aantal van die rechters — mevrouw Berndsen heeft gelijk: niet allemaal — gevraagd waarom zij dat doen. Het antwoord lag redelijk voor de hand: omdat zij allen inzagen dat het voor slachtoffers en nabestaanden van groot belang was om dat te kunnen doen. Tegelijk gaven zij aan: voor mij, rechter, maakt het in mijn functie niet uit, omdat ik natuurlijk mijn eigen rol vervul en mijn eigen afweging maak ten aanzien van de strafmaat. Deze rechters vinden het echter heel goed om te weten wat bij een slachtoffer leeft. Sommige rechters zeiden overigens dat ze verrast werden door die mededelingen, omdat de gewilde strafmaat veel lager was dan zij van plan waren op te leggen. Dat laatste kan dus ook voorkomen. Ik geef toe: ik heb het niet vaak gehoord, zo zeg ik in de richting van de fractie van D66, maar dat komt wel voor. Dat zijn dus de rechters die dit naar de overtuiging van de regering op goede gronden hebben gedaan. Wij hebben een wettelijke beperking gecreëerd in 2005, mogelijkerwijs omdat destijds de Kamer niet klaar was voor de ruimte die wij nu graag zouden willen bieden. Rechters zien in de dagelijkse praktijk echter in dat dat niet handhaafbaar en ook niet wenselijk is. Om die reden wordt het vrijgelaten. 

Dan kun je twee dingen doen. Dan kun je zeggen dat het in strijd is met de wet en niet mag. Formeel heb je gelijk als je dat zou zeggen. Je kunt echter ook zeggen: misschien moeten we eens goed nadenken over de vraag of we de wet niet zouden moeten wijzigen als rechters dat doen, als slachtoffers erom vragen, als advocaten het willen en als Slachtofferhulp Nederland het een verstandig idee vindt. Dat is de koers waarvoor de regering heeft gekozen. 

Tegen de PVV-fractie en de D66-fractie zeg ik dat het amendement dat is ingediend over de evaluatie, in essentie door de regering wordt onderschreven, zij het dat de vorige evaluatie plaatsvond na een naar het oordeel van de regering verstandigere termijn van vijf jaar. Dat is verstandig, omdat we zien dat niet heel veel slachtoffers gebruikmaken van het spreekrecht. Dat wil dus ook zeggen dat we na drie jaar, zoals nu wordt voorgesteld, nog onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing hebben. Ik begreep nu juist van mevrouw Berndsen hoe belangrijk het is dat je een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing hebt. Is zij daarom bereid om haar amendement aan te passen naar de gebruikelijke termijn van vijf jaar? Ik heb die termijn ook al eens eerder in een amendement van D66 verwoord zien worden. Zo ja, dan zal ik dat amendement van harte onderschrijven en het oordeel daarover aan de Kamer laten. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik ben blij dat de minister zo snel leert als het gaat om wetenschappelijke onderbouwing. Ik zal mijn amendement aanpassen en de termijn op vijf jaar zetten. 

Minister Van der Steur:

Dank. Ik stel voor — ik denk dat het voldoende is als ik dat hier toezeg — om, zoals ook mevrouw Helder opmerkte, in die evaluatie ook te kijken naar wat de rechter er vervolgens mee doet en zelfs, zo breid ik dat weer uit, naar wat de officier van justitie er vervolgens mee doet. Dan vangen we twee punten tegelijkertijd. In de eerste plaats is dat de behoefte van mevrouw Helder om in de evaluatie mee te nemen wat de rechter ermee doet. In de tweede plaats is dat hetgeen de heer Recourt naar voren heeft gebracht. Hij zegt: ik verwacht eigenlijk dat rechters en officieren van justitie dan ook iets doen met die mededelingen van de slachtoffers. Overigens verwacht ik dat als minister ook. Ik stel dus voor om deze beide aspecten mee te nemen in de evaluatie. Tevens denk ik, zo zeg ik tegen de PVV-fractie, dat het goed is om dan ook even te bekijken hoe de rechter motiveert — wat mij betreft is dat een vrijwillige optie —wat hij doet met wat het slachtoffer heeft ingebracht in dat proces. Misschien is de PVV-fractie dan tevreden dat dit aan de orde zal komen. 

Ik rond de laatste aspecten af en daarna kom ik op de inhoudelijke vragen van de individuele leden. Mevrouw Helder heeft gevraagd of het niet goed zou zijn als verdachten verplicht zijn om te verschijnen als slachtoffers spreken. Soortgelijke Kamervragen zijn ook gesteld door de VVD-fractie, bij monde van het lid Van Oosten: zou het niet goed zijn als verdachten in principe aanwezig zijn ter terechtzitting? Hij vroeg ook nog naar de aanwezigheid van de verdachte op het moment van het uitspreken van de straf. Mevrouw Helder vroeg ook nog: zou het niet belangrijk zijn dat die verdachte ook verschijnt op het moment dat het spreekrecht wordt uitgeoefend? Ik vermoedde al dat dit aan de orde zou komen, ook omdat dit tijdens de eerdere behandeling al aan de orde is geweest. Daarom heb ik persoonlijk nog even nader overleg gehad met het Openbaar Ministerie. Eerlijk gezegd was het antwoord nogal verrassend voor mij, want ik had daar niet eerder over nagedacht en het ook niet eerder met slachtoffers besproken. Het Openbaar Ministerie zegt dat dit onderwerp met regelmaat aan de orde wordt gesteld in de gesprekken met slachtoffers. Dan blijkt dat een groot aantal slachtoffers, met name in zedenzaken, er absoluut geen behoefte aan heeft, zelfs uitdrukkelijk niet wil, dat de dader — in hun ogen is het de dader, maar in het strafproces is het de verdachte — aanwezig is bij het uitoefenen van het spreekrecht. Om die reden wil ik de huidige praktijk volhouden, bestendigen: rechters kúnnen oordelen dat het wenselijk is dat de verdachte verschijnt. Als dan een slachtoffer tegen een officier van justitie zegt te willen dat de verdachte er wél bij is, dan kan de officier van de justitie aan de rechter vragen: wilt u gelasten dat de betrokkene aanwezig is? Dan wordt zo aan die wens voldaan. Ik zou het echter vervelend vinden als na de introductie van een algemene verschijningsplicht voor verdachten de slachtoffers niet zouden spreken omdat ze dat niet willen doen in de buurt van degene die hen tot slachtoffer van bijvoorbeeld een ernstig zedenmisdrijf heeft gemaakt. 

Mevrouw Helder (PVV):

Normaal gesproken moet je de cliffhanger bewaren voor de tweede termijn, maar ik geef hem toch nu alvast. Ik heb in mijn inleiding in eerste termijn al aangegeven dat ik rekening heb gehouden met hetgeen de toenmalige staatssecretaris in zijn brief over deze problematiek aangaf. Ik heb een motie in voorbereiding waarin staat: voor zover slachtoffers of nabestaanden het wenselijk achten dat de verdachte ter zitting aanwezig is. Misschien kan dit de overweging van de minister enigszins bijstellen. 

Minister Van der Steur:

Daar moet ik echt even over nadenken. Ik voorzie daar toch wel een punt.Het uitgangspunt is precies wat ik in feite ook zeg. De vraag is alleen of je dat in de wet moet opnemen en of het niet makkelijker is om dat punt nog eens nadrukkelijk onder de aandacht van de officieren van justitie te brengen. Anders creëert het weer allerlei dingen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het de laatste jaren, met het versterken van de strafrechtketen, ongelooflijk veel beter gaat met het verschijnen van verdachten. Het zou echter een ramp zijn als zo'n aanwezigheidsplicht ertoe zou leiden dat strafprocessen enorme vertragingen oplopen. Ook dat is namelijk niet in het belang van slachtoffers. Ik kijk even naar dit praktische punt, maar ik ben graag bereid om, als mevrouw Helder daar prijs op stelt, er nog even rustig over na te denken zodra ik de tekst van de motie heb ontvangen. 

Ik kom nog even op het algemene punt … 

De voorzitter:

Neen. U komt nog even op de interruptie van de heer Van Oosten. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik wacht natuurlijk met belasting de eventuele motie van mevrouw Helder af. Relevant vind ik de opmerking die de minister daaraan voorafgaand maakte. De minister heeft gezegd — ik vertaal het even in mijn eigen woorden, maar ik hoor graag of ik het juist heb gehoord — dat hij bereid is om met het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan en in te brengen dat als slachtoffers om de aanwezigheid van verdachten vragen, als slachtoffers dit een plek willen laten hebben, dit te stimuleren en te motiveren, zodat het ook gebeurt. 

Minister Van der Steur:

Die bereidheid heb ik. Zoals ik al zei, heb ik over het verschijnen van verdachten al in algemene zin gesproken met het Openbaar Ministerie. Voor mij was de uitkomst daarvan verrassend. Ik ben graag bereid om het gevraagde gesprek te voeren, zoals de heer Van Oosten vraagt, opdat de praktijk die wij graag zien — als een slachtoffer dat graag wil, kan de officier dat via de rechter organiseren — ook mogelijk wordt. Ik ben graag bereid om dat toe te zeggen. Tegen de heer Van Oosten en misschien ook tegen mevrouw Helder zeg ik dat ik dat formeel zal vragen om een gesprek en dat ik de Kamer over de uitkomst daarvan zal informeren. Misschien is dat voor mevrouw Helder aanleiding om haar motie nog even in de achterzak te houden. 

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. 

Minister Van der Steur:

Mevrouw Berndsen heeft de heer Recourt geïnterrumpeerd over de rechtsbijstand. Met grote vreugde kan ik mevrouw Berndsen op dit punt geruststellen. Overigens is over het punt van de rechtsbijstand voor slachtoffers eerder in de Kamer gesproken met toenmalig staatssecretaris Teeven. Op grond van artikel 44 van de Wet op de rechtsbijstand is er gratis rechtsbijstand beschikbaar voor alle slachtoffers van zware misdrijven, ongeacht inkomenspositie. Dit is ondanks het ongelofelijk gestegen beroep op rechtsbijstand nog steeds het geval. Wat mij betreft, zal dit ook het geval blijven. 

Het voorgaande betekent overigens niet dat een en ander feilloos is gelopen in de afgelopen jaren. Vooral de laatste tijd is er veel aandacht geweest voor de doorverwijzing van slachtoffers naar gefinancierde rechtshulp. Dat is recent aanzienlijk verbeterd, zodat de uitvoering past bij de wettelijke regeling. Op dat punt hoop ik mevrouw Berndsen te hebben gerustgesteld. Wellicht is het goed dat zij haar standpunt over het wetsvoorstel nog eens heroverweegt, nu zij weet dat slachtoffers bijgestaan kunnen worden door een rechter. Misschien is zij iets milder gestemd over het wetsvoorstel nu dit belangrijke punt van tafel is. 

Het spreekrecht bij tbs is eerder in de Kamer uitgebreid aan de orde geweest. Ik weet niet meer precies wanneer het was, maar ik herinner mij dat staatssecretaris Teeven heeft toegezegd met het Openbaar Ministerie te zullen spreken om te bewerkstelligen dat de wensen en verlangens van slachtoffers juist in het geval van verlenging van tbs steeds weer zullen worden getoetst. Die toezegging werd gedaan mede naar aanleiding van de zaak die zich in Enschede heeft voorgedaan; daar deed zich hetzelfde voor, alleen met een vader en dochters. Ik herinner mij dat dit punt toentertijd van de zijde van de Kamer werd ingebracht en dat toen is gezegd: wij zullen ervoor zorgen dat juist in het geval van verlenging van tbs de wensen van het slachtoffer steeds weer zullen worden getoetst. Ik weet dat de staatssecretaris veel praktische bezwaren zag, maar dat er door verschillende Kamerleden vragen over werden gesteld en dat toen is toegezegd om dat te doen. Misschien is het goed dat ik hier een hoofdstuk aan wijd in de brief die ik zal sturen na het overleg met het Openbaar Ministerie, zodat ik mevrouw Kooiman en anderen die daar in het verleden om gevraagd hebben, kan schetsen hoe dat in de praktijk uitgevoerd wordt. Op die manier kunnen wij vaststellen of voldaan wordt aan de wens van de Kamer dat slachtoffers expliciet worden gehoord over wat zij wenselijk achten voor de verlenging. Ik herinner mij dat het toen ook ging over de voorwaarden waaronder de verlenging zou plaatsvinden en over de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Ook daar heeft de Kamer om gevraagd. Daarom lijkt het mij goed dat ik in een brief toelicht hoe de dagelijkse praktijk momenteel is. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik dank de minister voor zijn toezegging. De vorige staatssecretaris heeft inderdaad gezegd dat te willen nagaan. Slachtofferhulp Nederland en de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers gaven te kennen graag te zien dat slachtoffers zich persoonlijk kunnen wenden tot de rechter. Ik vraag de minister om te onderzoeken wat op dit punt de mogelijkheden zijn. 

Minister Van der Steur:

Dat zal ik doen, maar dat doe ik dan apart van de brief waarom de heer Van Oosten en mevrouw Helder hebben gevraagd. Ik denk namelijk dat ik die brief al veel eerder kan sturen. Ik zeg dus toe dat ik ook met het Openbaar Ministerie in gesprek zal gaan over dit aspect, maar dat ik dat aan de Kamer laat weten in een separate brief, iets later dan eerstgenoemde brief. 

De voorzitter:

Helder. De minister vervolgt zijn betoog. 

Minister Van der Steur:

Dan wil ik graag van deze gelegenheid gebruikmaken om mevrouw Berndsen-Jansen van de D66-fractie te complimenteren met de snelheid waarmee zij haar toezegging van zojuist heeft vormgegeven, want ik zie dat er een hernieuwd amendement is ingediend, waarin de termijn van evaluatie naar vijf jaar is getrokken. Om die reden zal ik dit amendement, dat inmiddels ook is ondertekend door de leden Segers, Oskam en Kooiman, gracieus ondersteunen en het oordeel erover met een positieve intentie overlaten aan de Kamer. 

Dat geldt niet voor het amendement dat mevrouw Berndsen-Jansen nog niet heeft aangepast maar dat zij vermoedelijk na mijn vurige betoog zal intrekken. Dat is het amendement waarin wordt voorgesteld om de strafmaatbeperking weer terug te brengen in het wetsvoorstel. De essentie van het wetsvoorstel is zeker niet gericht op de strafmaat. De essentie van het wetsvoorstel is de vrijheid voor slachtoffers om te zeggen wat ze willen, ook als dat over de strafmaat mocht gaan. In het licht van de ervaringen die zijn opgedaan in het onderzoek uit 2005 rond het voorstel van de heer Dittrich en de ruimhartige ondersteuning van alle slachtofferorganisaties voor de vrijheid van het spreekrecht, zouden we slachtoffers en slachtofferorganisaties echt tekort doen als we die beperking zouden opnemen. Ik kan dus niet anders dan dat amendement, mocht dat in stand gehouden worden, met kracht ontraden. 

Ik kom bij mijn laatste punt voordat ik aan de individuele beantwoording toekom, die waarschijnlijk sneller gaat omdat ik al veel heb gedaan. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft een interessante achtergrond. In 2011 is er een amendement ingediend door de SP-fractie samen met de VVD-fractie om een hardheidsclausule op te nemen in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, met als doel om slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers van zeer ernstige verkeersongevallen in de gelegenheid te stellen om aanspraak te maken op het schadefonds. De heer Janssen van de SP-fractie diende dat amendement toen in samen met een lid van de VVD-fractie. Het ging hun erom dat er verkeersongevallen zijn die zodanig ernstig zijn, dat je gevoelsmatig spreekt over moord. Het gaat dan om een situatie die vooral voor slachtoffers en nabestaanden voelt als moord, maar die juridisch niet als moord kan worden gekwalificeerd omdat er bij een verkeersongeval slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake is van volledige opzet. 

Over het algemeen ontbreekt bij een verkeersongeval de behoefte en de opzet om een specifiek iemand ter dood te brengen, maar het verkeersongeval kan wel zo ernstig zijn dat iemand ter dood gebracht wordt. Er bestaan helaas veel voorbeelden van mensen die volledig onder invloed van alcohol in de auto stappen en vervolgens heel hard door het centrum van bijvoorbeeld Amsterdam gaan rijden. De zoon van een schrijver is in een soortgelijk geval overleden. Dat voelt voor iedereen als een aan moord grenzend delict, maar omdat het juridisch dood door schuld is, komt men niet in aanmerking voor steun uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Toen hebben de SP en de VVD getracht om dat op te lossen. In de praktijk blijkt dat daar onvoldoende mee kon worden gedaan. Ik laat in het midden waarom, maar dat is in ieder geval wat er is gebeurd. Ik denk dat het heel goed is dat we dat nu wettelijk verankeren. De hardheidsclausule blijft bestaan, maar wettelijk wordt nu geregeld dat deze mensen in aanmerking komen voor een uitkering. 

Daarnaast blijkt, ook weer uit gesprekken met slachtoffers, dat heel veel slachtoffers in de korte periode die er nu voor staat, hoewel die met drie jaar misschien best lang lijkt, toch niet in staat zijn om na zo'n enorm traumatische ervaring binnen die drie jaar al letterlijk het bonnetje van de begrafenis van hun zoon of dochter op te sturen naar het schadefonds. Ik kan mij daar heel veel bij voorstellen. Het schadefonds heeft inmiddels ook stappen gezet voor forfaitaire bedragen, maar nog steeds moet men de stap zetten om het overlijden van een familielid om te zetten in financiële claim. Er zijn heel veel mensen die daar moeite mee hebben en die hebben gevraagd om meer tijd. Ik ben heel blij dat wij hun met dit wetsvoorstel die tijd ook kunnen geven. 

Mevrouw Kooiman vroeg of we nog iets kunnen doen aan de motivering van de zijde van rechters ten aanzien van de behandeling van een mondelinge slachtofferverklaring. Ik heb al toegezegd dat we de motiveringsgedachte meenemen in het onderzoek, maar ik zal ook met de Raad voor de rechtspraak overleggen of, en zo ja hoe, rechters hier mogelijkheden toe zien. 

De heer Segers heeft gevraagd hoe je voorkomt dat er escalatie plaatsvindt in de rechtszaal. Ik denk dat de heer Recourt daar al antwoord op gegeven heeft, maar het spreekt voor zich dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de orde ter terechtzitting. Artikel 272, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in: "De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en geeft daartoe de nodige bevelen." Dat betekent dat de rechter de volledige vrijheid heeft om alles te doen en laten wat hij wil ten aanzien van de orde ter terechtzitting. De rechter bepaalt de volgorde waarin gesproken wordt door de verdachte, de getuigen, de deskundigen en het slachtoffer, wie wanneer het woord krijgt en wanneer de ondervraging is afgelopen. Als een van de aanwezigen zich op de terechtzitting misdraagt — dat geldt voor de verdachte, maar zou ook goed kunnen gelden voor het slachtoffer — is het aan de rechter om te beoordelen of de betrokkene gemaand moet worden dat niet meer te doen of in het ergste geval uit de zittingszaal moet worden verwijderd. Overigens geldt dan dat de verdachte achteraf op de hoogte wordt gesteld van wat zich tijdens zijn verwijdering heeft afgespeeld. Het spreekt voor zich — dat staat ook in artikel 288a, tweede lid — dat de rechter zorg moet dragen voor een correcte bejegening van het slachtoffer op de terechtzitting. Hij moet ervoor zorgen dat de verschillende procesdeelnemers de gelegenheid krijgen over de zaak naar voren te brengen wat hun dienstig lijkt, tegen de achtergrond van wat de rechter als een behoorlijke orde op de zitting beoordeelt. Naar het oordeel van de regering is dat een voldoende kader voor de rechter om hiermee om te gaan. Er zijn geen signalen dat dit niet toereikend zou zijn. 

Ik heb al veel gezegd over de voorbereiding op de uitbreiding van het spreekrecht. Hoe zorgen we ervoor dat slachtoffers weten waar zij aan moeten voldoen en tegenaan kunnen lopen? Daar heb ik al van alles over gezegd. Eén ding is zeker: de organisaties die ik genoemd heb, Slachtofferhulp Nederland, de slachtofferadvocatuur, het Openbaar Ministerie en uiteindelijk ook de rechtspraak, vervullen daarin een belangrijke rol. Bij zwaardere misdrijven vervullen ook de familierechercheurs daar een zeer belangrijke rol in. Dat deden zij bijvoorbeeld in de afschuwelijke zedenzaak van Robert M. in Amsterdam. Slachtofferhulp Nederland ondersteunt het slachtoffer bij het opstellen van zijn verklaring en zal hem in dat kader ook uitgebreid informeren over het spreken over de straf en vooral ook over het bewijs, en de eventuele gevolgen daarvan. De slachtofferadvocaat, die zoals ik net al zei voor slachtoffers van zware misdrijven kosteloos is, speelt daarbij een belangrijke rol. Hij kan het slachtoffer adviseren of het wel of niet verstandig is om iets over de strafmaat, het bewijs of andere aspecten te zeggen. De officier van justitie heeft het slachtoffergesprek om die voorlichting te geven. Daarbij kan de officier van justitie ingaan op de gedachten van het slachtoffer over de strafmaat in relatie tot de strafeis. Dat laat niet onverlet dat ik tegen de heer Recourt zeg dat het mij kan voorkomen, en het mij soms zelfs verstandig lijkt, dat de officier van justitie daar iets over zegt tijdens de zitting zelf. Want dat is uiteindelijk het punt, de culminatie van waarover het gaat. Dat nemen wij mee in de evaluatie die mevrouw Berndsen en anderen hebben gevraagd. 

Ik ga naar de notitie herstelrecht waarnaar de heer Segers vroeg. Het zal hem niet verbazen dat de regering positief staat tegenover het herstelrecht als uitgangspunt. De pilots zijn geweest. Die worden nu geëvalueerd. Die evaluatie zal worden meegenomen in de notitie die aan de Kamer is toegezegd. Deze notitie zal, conform de afspraak, voor Prinsjesdag klaar zijn en aan de Kamer worden aangeboden. 

Er is gevraagd naar de motiveringsplicht; Kamerleden Berndsen, Segers en Kooiman hebben daarover gesproken. Die motiveringsplicht was opgenomen in het aanvankelijke wetsvoorstel, zoals mevrouw Kooiman als eerste memoreerde. Hij is geschrapt, omdat er eigenlijk geen behoefte meer aan bestond na het verdwijnen van het adviesrecht. Desondanks heb ik toegezegd dat ik de Kamer in het kader van de evaluatie zal informeren over de motiveringspraktijk: hoe wordt daar door rechters mee omgegaan? Ik denk dat ik daarmee aan de behoefte van de Kamer tegemoet heb kunnen komen. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik heb gevraagd of er geen sprake is van een verkapt adviesrecht. De Raad van State is uitermate kritisch geweest, bijvoorbeeld over die motiveringsplicht: er zou een driepartijenstelsel ontstaan. Op grond van het advies van de raad wordt het aangepast. Als het vervolgens dan weer zo wordt opgetuigd dat het verschil wel heel klein wordt, vraag ik mij af wat het principiële verschil nog is tussen het oorspronkelijke voorstel en datgene wat er nu de facto ligt als het gaat om de motivering, om het recht om open te spreken over de strafmaat. 

Minister Van der Steur:

Ik denk dat het belangrijk is dat het advies geen wettelijk omschreven recht is geworden. Er wordt ruimte aan slachtoffers gelaten om in de door hen gekozen bewoordingen te zeggen wat zij willen zeggen. Het is aan de slachtoffers of zij iets over de strafmaat willen zeggen of niet. De Kamer is geïnteresseerd in wat daar vervolgens mee wordt gedaan. Ik heb al gezegd dat ik er absoluut geen voorstander van ben om er een motiveringsverplichting van te maken. In heel veel gevallen zal dat ook helemaal niet nodig zijn, zo schat ik in. Er zullen waarschijnlijk heel veel slachtoffers en nabestaanden zijn die helemaal geen behoefte hebben aan mededelingen over de strafmaat. Maar als dat wel zo is, ben ik wel nieuwsgierig wat er vervolgens mee gebeurt. Daarom is het goed dat wij dat in het evaluatieonderzoek meenemen. Ik wil dan ook weten wat de slachtoffers vinden van de manier waarop rekening is gehouden met hun woorden over de strafmaat. Er is een groot verschil met een formeel adviesrecht met een motiveringsverplichting. Die dingen horen natuurlijk wel bij elkaar. Nu wij het adviesrecht niet meer hebben, is er naar mijn inschatting ook geen behoefte meer aan een motiveringsverplichting. 

De heer Segers (ChristenUnie):

De minister zegt dat het zijn indruk is dat veel slachtoffers er heel veel behoefte aan hebben om ook over de strafmaat te spreken. Dan is het toch juist de weg naar frustratie als er geen verplichting is om daarop in te gaan? Rechters en officieren van justitie kunnen het negeren. 

Minister Van der Steur:

Dan is het de vraag wat de principiële keuze is. Ik realiseer mij dat er het risico op frustratie is, maar in de huidige situatie is dat er ook. En in de huidige situatie weet niemand dat het risico bestaat, omdat niemand het mag vertellen of horen. Dat is de precies de reden waarom veel rechters nu al zeggen: wij houden geen rekening met het wettelijk verbod, omdat wij zien dat het nodig is dat slachtoffers die vrijheid hebben. De rechters doen vervolgens met dat advies wat hen goeddunkt. Het lijkt mij goed om aan de hand van de door mevrouw Berndsen gevraagde evaluatie uit te vinden hoe dit zich verhoudt. Het gaat om mensen die slachtoffer zijn van een misdrijf en die vervolgens niet mogen zeggen wat zij willen zeggen in onze vrije, open samenleving, waarin wij overal vrijheid van meningsuiting toelaten, behalve als een slachtoffer of een nabestaande tegen een rechter wil zeggen: dit heeft mij zo veel pijn gedaan, dit heeft mij zo geraakt, dat ik vind dat u dat en dat zou moeten opleggen. De rechter zal vervolgens in veel gevallen zeggen: mijnheer of mevrouw, ik begrijp heel goed dat u dit zegt, maar de wet staat niet toe wat u wilt, want de wet zegt dat op dit misdrijf maximaal deze straf mag volgen. De rechter zal uitleggen waarom hij het anders zal doen. Dat lijkt mij logisch. Nogmaals, aan de hand van het evaluatieonderzoek zullen wij vaststellen wat ermee gebeurt. In de huidige situatie hebben wij frustratie, waarvan de heer Segers zonder enige twijfel heeft gehoord hoe diep die gaat. Als slachtoffer word je nog steeds beknot in je rechten, niet door de verdachte of, in de ogen van veel slachtoffers, de dader, maar door het rechtsstelsel. Ik heb liever dat mensen de vrijheid krijgen om te zeggen wat zij willen zeggen en dat wij later bekijken hoe er in de praktijk mee wordt omgegaan. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister wil met deze wet codificeren wat kennelijk al in een aantal rechtszalen gebeurt. Tegelijkertijd wil hij de motivering niet verplicht stellen. Daarmee is hij dezelfde ongelijkwaardigheid voor slachtoffers aan het creëren. Het is van tweeën één: ofwel je legt alles vast, inclusief de plicht van de rechter om te motiveren, ofwel je houdt het spreekrecht in stand zoals het nu is. 

Minister Van der Steur:

Deze redenering van mevrouw Berndsen kan ik niet volgen. De regering kiest op basis van alle informatie die ik eerder heb gegeven, van wetenschappelijk onderzoek tot alle adviezen van de slachtofferorganisaties in Nederland, voor vrijheid van spreekrecht, zonder dat zij daaraan een motiveringsplicht koppelt. Tegen de heer Segers zei ik zojuist: als je verplicht een formeel adviesrecht opneemt, is het logisch dat je kiest voor de motiveringsplicht. Als je alleen maar een mogelijkheid hebt om iets te zeggen, wetende wat het gewicht daarvan is — en over het algemeen weten slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers dat heel goed — zie ik geen enkele reden om een motiveringsplicht in te vullen. Als ze dat overigens niet goed weten, worden ze daarover nog extra voorgelicht, zie mijn toezegging op dit punt. 

Als ik overigens een motiveringsplicht zou opnemen, zegt mevrouw Berndsen-Jansen vervolgens: ik stem tegen de wet, want dat wil D66 niet. Wat ik nu doe, is er juist voor zorgen dat ook de fractie van D66, alles afwegende, voor het wetsvoorstel gaat stemmen. 

De voorzitter:

Daar kan mevrouw Berndsen misschien haar licht wel over laten schijnen. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister is zijn debattrucjes nog niet verleerd, laat ik het zo maar zeggen. Met wat hij zegt, draait hij de zaak natuurlijk om. Als je aan de ene kant zegt dat je het gaat codificeren omdat een aantal rechters eigenlijk al buiten de wet treedt en de wet daaraan aangepast zou moeten worden en je aan de andere kant met droge ogen zegt dat je de motiveringsplicht niet gaat opleggen, dan ontstaat toch zeker dezelfde willekeur? Als de ene rechter het wel doet en de andere niet, is er toch zeker gewoon sprake van willekeur? Het ene slachtoffer krijgt dan immers wel een motivering van de rechter waarom er wordt afgeweken van zijn strafwens en het andere slachtoffer niet. Dan is er toch sprake van willekeur? 

Minister Van der Steur:

Dan is er geen sprake van willekeur, dan is er sprake van een afweging. Elke individuele rechter zal die afweging telkens weer moeten maken aan de hand van wat er ter rechtszitting is medegedeeld. Ik ben helemaal niet voor een verplichting. Sterker nog, dat is de reden waarom we het spreekrecht zo vrij willen laten en het niet willen binden aan allerlei adviesrechten. We doen dat zeker ook naar aanleiding van het uitstekende advies van de Raad van State op dat punt. De Raad van State heeft gezegd "dat moet je niet willen" en dan moet je dus wel kiezen voor het alternatief en dat is het vrije spreekrecht. 

Als je die keuze hebt gemaakt, moet je natuurlijk niet net als D66 zeggen: dan moet er een motiveringsplicht komen. Ik denk dat dat juist iets is wat je aan de professionaliteit van de rechters en het Openbaar Ministerie moet overlaten. Mevrouw Berndsen zegt in dit verband wel terecht dat je moet weten hoe ermee wordt omgegaan. Ik heb dan ook toegezegd dat dit meegenomen zal worden in de door mevrouw Berndsen in alle vrolijkheid afgedwongen evaluatie over vijf jaar. Het zou heel goed zijn dat de fractie van mevrouw Berndsen of zijzelf over vijf jaar, gegeven die onderzoeksgegevens, beziet wat haar standpunt dan is. Het zou wel fijn zijn als zij ondertussen dit wetsvoorstel zou steunen. 

Wij hebben van mevrouw Berndsen de vraag gekregen of de strafmaat een standaardonderdeel moet zijn in het slachtoffergesprek met de officier van justitie. Zo heb ik de vraag van mevrouw Berndsen begrepen. Over de strafmaat kan ik mevrouw Berndsen geruststellen. Als de kans bestaat dat de verwachting van het slachtoffer uiteenloopt met wat wettelijk geëist dan wel opgelegd kan worden, bijvoorbeeld bij verkeersongevallen, wordt hierover zeker gesproken in dat gesprek. Het is de bedoeling dat dit gaat gebeuren, maar zelfs als dat niet gebeurt, is het mooi dat, juist dankzij het vrije spreekrecht, de officier van justitie, zij het dan ter zitting, de gelegenheid krijgt om daarop te reageren. 

Het lijkt mij verstandig dat de strafmaat onderdeel is van het slachtoffergesprek. Ik zal dat dan ook nog eens onder de aandacht van het Openbaar Ministerie brengen. Gezien de opmerking van de heer Segers lijkt het mij een goede zaak dat de officier van justitie dan alvast aangeeft — het lijkt mij ook heel logisch om dat te doen — of hij wel of niet iets kan doen met die strafeis, die strafgedachte of die strafbehoefte van het slachtoffer of de nabestaanden. 

Mevrouw Berndsen heeft evenals de heer Van Helvert gevraagd of het een goed idee is om het voorstel voor een Schadefonds Geweldsmisdrijven apart in te dienen. Dat was technisch mogelijk. Ik moet eerlijk zeggen dat ik toen niet in deze functie verkeerde en dat ik daardoor niet precies weet wat de overwegingen daarvoor waren. Aangezien beide onderwerpen pregnant voorkomen in het regeerakkoord en beide onderwerpen de positie van slachtoffers en de nabestaanden van slachtoffers verbeteren, lijkt het mij goed dat we het in één blok met elkaar bespreken. Het gaat hierbij echt om de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat de positie van slachtoffers en nabestaanden structureel wordt verbeterd. Om die reden acht ik die combinatie wel van toepassing. 

De vraag van mevrouw Berndsen over de rechtsbijstand heb ik toegelicht. Daarmee kom ik op de vragen van de heer Recourt. Hij heeft opgemerkt dat ook in zijn beleving slachtoffers en nabestaanden daarvan eigenlijk heel goed weten wat zij wel en niet van de rechter en de officier mogen verwachten. Dat is een terechte opmerking. Het is goed om te zien dat slachtoffers nu al redelijk positief spreken over de bijdrage van het spreekrecht en over de rechtvaardige uitkomst van de strafzaak, en overigens ook het vertrouwen uitspreken in justitie. Zij blijken ook in algemene zin begrip te hebben voor een andere uitkomst dan die zij zelf graag hadden willen zien. Een mooi voorbeeld daarvan is weer die mevrouw uit Alkmaar, die zelf advocaat is. Zij wist donders goed wat de rechter wel en niet kon doen, maar had toch vanuit haar positie als slachtoffer, inmiddels zittend in een rolstoel als gevolg van het misdrijf, de behoefte om haar gevoelens over wat het zou moeten zijn, wetende dat het niet kon, aan de rechter mee te delen. Ik denk dan ook dat wij op dat punt een heel verstandige beslissing nemen. 

De heer Recourt heeft ook gevraagd hoe wij omgaan met Nederlandse slachtoffers die in het buitenland slachtoffer zijn geworden van een misdrijf. Kunnen zij een beroep doen op het schadefonds? Ik kan niet anders zeggen dan dat ik de suggestie van de heer Recourt interessant vind. In het pamflet "VVD staat voor slachtoffers" dat de VVD-fractie bij monde van een voormalig Kamerlid heeft ingediend, in 2012 als ik het goed heb, is dit onderwerp ook opgenomen. Toen is er ook door staatssecretaris Teeven op dat voorstel gereageerd. Ik denk dat het goed is dat ik, zeker in het licht van het aankomend voorzitterschap van Nederland bij de Europese Unie, waarbij wij de rechten van slachtoffers tot een belangrijk speerpunt hebben gemaakt, de heer Recourt toezeg dat ik nader onderzoek zal laten verrichten naar de wenselijkheid en haalbaarheid van zijn voorstel, waarbij ik alvast meegeef dat er waarschijnlijk een verschil zal zijn tussen de regeling binnen Europa en daarbuiten. Maar ik stel voor dat ik de Kamer naar aanleiding van dat onderzoek nader zal informeren. Ik kijk in de richting van de heer Recourt om te zien of hij zich daarin kan vinden. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik dank de minister dat hij dit zo positief ontvangt. Hij zegt zelf dat dit relevant kan zijn voor het komend voorzitterschap. Dat gaat komende januari van start. Mag ik het dus zo begrijpen dat de Kamer vóór januari geïnformeerd wordt? 

Minister Van der Steur:

Ik doe nu even wat mijn voorganger weleens deed bij een ingewikkelde vraag over termijnen. Ik zeg: ik kijk even rond in de Kamer. Mijn voorganger maakte daarbij dan deze handbeweging in de richting van de ondersteuning. Ik kijk vragend of dit voor 1 januari kan. Mijn voorganger deed het beter dan ik, merk ik, maar ik zie nu dat dit moet kunnen. Ik denk dus dat ik de heer Recourt kan toezeggen dat ik voor 1 januari de Kamer daarover zal informeren. 

De heer Recourt (PvdA):

Fijn, dank voor de toezegging. 

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. 

Minister Van der Steur:

Ik moet wel zeggen dat het helpt als je een paar jaar naar je voorganger hebt kunnen kijken. Zo leer je dit soort dingen en zie je dat het ideeën oplevert. 

De heer Recourt heeft ook gevraagd hoe het zit met de oproeping van slachtoffers voor terechtzittingen. Daar heeft hij een terecht punt. Dat gaat namelijk niet in alle gevallen goed. Ik zal dat bijzondere aandacht geven in de implementatie van het programma Recht doen aan slachtoffers. Ik heb daarover overigens al gesproken met het Openbaar Ministerie. Dit erkent het probleem, het weet dat het verbeterd moet worden en doet daar ook van alles aan. Ik houd op dit punt wel nauwkeurig de vinger aan de pols. Het is immers heel vervelend — de heer Korver wijst daar ook met enige regelmaat op, met zijn organisatie LANGZS, de organisatie van advocaten voor slachtoffers — dat het op een aantal terreinen echt niet goed gaat. Ik ben overigens heel blij dat LANGZS ook de vinger aan de pols houdt en ons met regelmaat wijst op de lacunes die zich nog in de uitvoering voordoen. Dit punt krijgt dus de benodigde aandacht. 

De heer Van Helvert heeft gevraagd of een wetswijziging eigenlijk wel nodig is. Dat begreep ik niet helemaal, omdat hij tegelijkertijd zei dat hij het een heel goed wetsvoorstel vond. Ik ben het eens met zijn laatste conclusie, namelijk dat het een goed wetsvoorstel is. Ik ben het er ook mee eens dat een wetswijziging nodig is, om alle redenen die ik hiervoor al heb uiteengezet. Ik begrijp overigens wel de teleurstelling van de heer Van Helvert over de pilot ten aanzien van het tweefasenproces. Dat maakt in ieder geval een vergelijking op basis van de praktijk heel lastig. Er bleek echter ook vanuit de rechterlijke macht geen enkele zaak te vinden waarvoor het tweefasenproces zoals dat door de Kamer was voorzien, nodig of wenselijk was. De staatssecretaris heeft dit eerder al geverifieerd, naar aanleiding van een vraag van naar ik meen de CDA-fractie in Amsterdam, waar de pilot liep. Er was gewoon vanuit de rechterlijke macht geen behoefte aan en men kon geen zaak vinden waarin dat tweefasenproces meerwaarde zou hebben. 

De heer Van Helvert heeft ook gevraagd waar het wetsvoorstel schadevergoeding zorg- en affectieschade blijft. Ik kan de heer Van Helvert op dat punt berichten dat het advies van de Raad van State deze maand is ontvangen. Het wetsvoorstel kan dan ook in de Tweede Kamer worden ingediend. Dat betekent dat we daar binnenkort met elkaar over kunnen spreken. 

De heer Van Helvert (CDA):

Vorig jaar, in mei 2014, heeft collega Van Toorenburg daar ook vragen over gesteld aan de minister. De ambtsvoorganger van deze minister heeft toen gezegd dat begin 2015 een voorstel naar de Kamer zou komen. Het eerste kwartaal van 2015 is al voorbij en het tweede ook al bijna, en we moeten het nog ontvangen. Er moet dus ook nog over gesproken worden. In de tussentijd zijn er natuurlijk ouders die last hebben van die zwakke juridische positie en die daardoor in de problemen zitten. Is de minister het met mij eens dat het goed zou zijn als we in de tussenliggende tijd, waarin we aan het wachten zijn, iets konden doen voor die ouders, al is het maar tijdelijk? 

Minister Van der Steur:

Ik wil op dit punt allereerst een formeel antwoord geven, en wel dat dit toch wel heel ver bezijden het onderwerp ligt van het wetsvoorstel dat wij nu behandelen. Uw Kamer heeft over het algemeen toch wel de gedachte dat het onpraktisch is om onderwerpen aan de orde te stellen tijdens de behandeling van een wetsvoorstel die eigenlijk helemaal niet in de wet worden geregeld. Ik zeg dit in algemene zin tegen u, voorzitter. 

Overigens begrijp ik de sympathieke gedachte van de heer Van Helvert. Er zijn echter twee problemen. Er komt al een wetsvoorstel naar de Kamer waarin het gevraagde wordt geregeld. Dat betekent automatisch dat er geen rechtsbasis is om nu een tussentijdse uitkering of overgangsregeling te regelen. Daar is namelijk een wetsbasis voor nodig, nog daargelaten dat er in de door zijn fractie niet goedgekeurde begroting van mijn departement vooralsnog geen ruimte is voor een soortgelijke overgangsregeling. Maar mocht hij voor de behandeling van de volgende begroting daarvoor ruimte kunnen maken met een deugdelijke dekking, dan ben ik de eerste om daar serieus en positief naar te kijken. 

De voorzitter:

De heer Van Helvert. Een vervolgvraag. U neemt de handschoen op, neem ik aan? 

De heer Van Helvert (CDA):

Allereerst natuurlijk excuses voor het feit dat ik als relatief nieuw Kamerlid de mores nog niet helemaal op een rijtje heb en dit onderwerp ter sprake bracht. Maar ik dacht dat de rol van het slachtoffer in dit debat centraal staat en dat wij in die zin ook dit stukje konden meenemen. 

De inhoudelijke beantwoording van de minister stelt mij iets teleur. Ik wil daar een vervolgvraag over stellen. De minister verschuilt zich achter eigenlijk maar kleine regeltjes. Het gaat niet om de bedragen die vindbaar zijn in de begroting. Ook daar zou de minister gerust over kunnen spreken met de Kamer. Als je kijkt naar het voor 100% achter de slachtoffers staan en naar de tijdelijkheid van waar het nu om gaat, kan ik mij niet voorstellen dat uitgerekend de minister van Justitie geen ruimte vindt om, vooruitlopend op hetgeen we gaan doen, de ouders tegemoet te komen. In die zin gooi ik de uitdaging terug: ziet de minister daar mogelijkheden? 

Minister Van der Steur:

Laat ik allereerst vaststellen en tegen de heer Van Helvert zeggen dat hij de volledige vrijheid heeft om over alles wat hij wil met mij te spreken. Even voor de goede orde: er is geen enkele belemmering op dat punt en het past mij als minister niet om enige belemmering te brengen in wat de Kamerleden ook maar willen zeggen. Het enige wat ik heb gezegd is dat het niet altijd even praktisch is — ik zeg het heel voorzichtig — om bij de behandeling van een wetsvoorstel onderwerpen op te brengen die daar ver buiten gaan. 

Ik snap de suggestie van de heer Van Helvert. Ik vind het goed om zorgvuldig te antwoorden op zijn punten. Ik zal er nader naar kijken en daarna een korte brief aan de Kamer zenden waarin ik dit onderwerp zowel praktisch als inhoudelijk als financieel even aan de orde stel. Ik hoop dat ik daarmee de heer Van Helvert heb bediend. 

De voorzitter:

Helder. De minister vervolgt zijn betoog. 

Minister Van der Steur:

De heer Van Helvert heeft ook gevraagd of er, als dit wetsvoorstel is aangenomen, in het gesprek dat de officier van justitie met het slachtoffer voert, nog wel over de strafmaat gesproken wordt. Mijn uitgangspunt is dat de strafmaat altijd thuishoort in het gesprek van de officier van justitie. Als het slachtoffer daarover niet wil spreken in de rechtszaal, wat bij heel veel slachtoffers het geval is, moet de officier van justitie altijd weten wat het slachtoffer wenselijk vindt, zodat hij daarmee rekening kan houden of kan uitleggen waarom die wens kan of zal worden gerealiseerd. Ook als het slachtoffer wel over de strafmaat spreekt, moet het onderwerp naar mijn mening aan de orde komen in het gesprek met de officier van justitie, omdat dit nu eenmaal bij de rol van de officier van justitie past. Zoals ik heb toegezegd, zal ik daarover ook met het Openbaar Ministerie spreken. 

De heer Van Helvert heeft verder gevraagd of ik kan garanderen dat er een eind komt aan de verschillende wijzen waarop rechters omgaan met de wet. Dat is een terechte vraag, want een van de redenen achter dit wetsvoorstel is juist dat rechters op basis van voortschrijdend inzicht de wettelijke beperking die eerder werd opgelegd, niet meer wilden uitvoeren vanwege het belang van slachtoffers en hun nabestaanden. Dit betekent dus ook dat ik niet kan toezeggen of garanderen dat het altijd zo zal zijn, hoewel iedereen begrijpt dat met name rechters de wet ook zouden moeten uitvoeren. Ik ga ervan uit dat zij dit aspect willen meenemen in de evaluatie die op basis van het amendement-Berndsen-Jansen c.s. zal plaatsvinden. 

De heer Van Helvert heeft ook gevraagd of ik de mening deel dat voorafgaand aan de zitting al duidelijkheid bestaat omtrent de eventuele beëdiging van het slachtoffer als getuige, en dat dit een rol kan spelen. Wat de regering betreft is duidelijk dat het slachtoffer, ongeacht wat er gebeurt, vrijuit moet kunnen spreken. Als het slachtoffer niet wil spreken over de strafmaat of geen uitspraken doet over het bewijs, zal uiteraard ook geen sprake zijn van een beëdiging als getuige. Het uitgangspunt is dus dat het slachtoffer de vrijheid krijgt om te spreken. 

De heer Van Helvert heeft ook gevraagd hoe het zit met slachtoffers die niet in aanmerking komen voor een slachtoffergesprek. Duidelijk is dat slachtoffers van zwaardere delicten in de meeste gevallen in aanmerking komen voor het slachtoffergesprek. Ik vind het als minister ook wenselijk dat dergelijke gesprekken in zware zaken altijd plaatsvinden; dat zeg ik ook in de richting van het Openbaar Ministerie. Als mensen gebruikmaken van het spreekrecht, is dat vaak ook in diezelfde zware delicten waarover het nu gaat. Het beleid van het Openbaar Ministerie is dan ook dat slachtoffers in dergelijke gevallen altijd een slachtoffergesprek krijgen. Overigens is dat geen verplichting, maar ik zeg hier nogmaals dat ik het als minister wenselijk vind dat dit gebeurt. Ik zal dat ook meenemen in de gesprekken met het Openbaar Ministerie, die ik veelvuldig heb. 

Ik heb mevrouw Helder al antwoord gegeven op haar vragen over de verschijningsplicht. 

Mevrouw Helder heeft ook gevraagd welk effect de uitbreiding van het Schadefonds Geweldsmisdrijven zou kunnen hebben op de financiering daarvan. Wij hebben op basis van dit wetsvoorstel gekeken wat de omvang van deze specifieke groep nabestaanden is. Wij hebben dus ook gekeken naar de financiële consequenties van de uitbreiding van de reikwijdte van deze wet. Daarbij is rekening gehouden met een aantal scenario's. Uitgaande van het middenscenario schatten onderzoekers in dat het aantal gevallen van dood door schuld ongeveer 190 per jaar betreft en dat het aantal gevallen van dood door schuld buiten het verkeer uitkomt op zo'n 30 per jaar. Dat laatste is overigens artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht, zeg ik er specifiek bij voor mevrouw Helder, die dit goed weet en die het belangrijk vindt dat ik dit zeg. Niet in alle gevallen zal overigens een beroep worden gedaan op het schadefonds, omdat bijvoorbeeld de verzekering de geleden schade vergoedt. In het middenscenario wordt uitgegaan van zo'n 50 tot 100 zaken per jaar. De verwachting is dat daarin voorzien kan worden door de huidige budgetten van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het spreekt voor zich dat de financiering van het schadefonds zal moeten worden herzien als dit het budget op enig moment zou overstijgen, met alle uitdagingen van dien. 

De heer Van Oosten heeft nog eens de aandacht gevraagd voor de wijze waarop ervoor wordt gezorgd dat het slachtoffer tijdens de zitting correct wordt bejegend. In eerste instantie heb ik al gezegd dat de rechter die verantwoordelijkheid heeft, dat de wet daar ook een kader voor stelt en dat het aan de rechter is om ervoor te zorgen dat de orde in zijn rechtszaal wordt gehandhaafd. Aan het adres van de heer Van Oosten merk ik op dat een goede voorlichting aan het slachtoffer van essentieel belang is. Dat spreekt voor zich. Ik heb ook al gezegd dat dit het uitgangspunt van de regering is en dat we daarop zullen toezien. 

Daarmee heb ik de vragen van de Kamer beantwoord. Ik heb ook al aangegeven dat ik het oordeel over het gewijzigde amendement-Berndsen-Jansen c.s. over de evaluatieverplichting met een positieve grondtoon aan de Kamer laat. Als het amendement op stuk nr. 9 niet wordt ingetrokken, moet ik het ontraden. 

De voorzitter:

Naar mij blijkt, is er behoefte aan een tweede termijn. Ik geef het woord aan mevrouw Kooiman. Omdat er al zo veel is gewisseld, kunnen wij ons in principe beperken tot het voorlezen van moties en het uitspreken van het dankwoord voor de beantwoording door de bewindspersonen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Het is een wetsbehandeling en dat gebeurt altijd zorgvuldig … 

De voorzitter:

Neemt u de tijd, zeker! 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dank u wel. Ik had al heel zuinig gedaan met mijn tijd in eerste termijn. 

Zoals besproken, gaat het inderdaad om twee voorstellen in deze wet. Het gaat ook om een Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ik vind het heel zorgvuldig van de minister dat hij inderdaad nog het amendement-Janssen/Van der Steur noemde over de uitbreiding van de hardheidsclausule. Ik vond dat hij dat heel mooi in de wet heeft verwerkt en prompt kreeg ik een sms van de heer Janssen die mij zei dat ik de heer Van der Steur maar moet bedanken voor het feit dat hij eindelijk eens werk maakt van het amendement. Bij dezen zeg ik hem dus dank namens de SP-fractie. 

De heer Van Helvert heeft wel een punt als het gaat om de vraag waarom er niet gekeken is naar opsplitsing van de twee voorstellen. Hij zegt terecht dat we misschien niet hadden hoeven vragen naar een overgangstermijn als dit voorstel eerder was ingediend. Dat begrijp ik wel. Ook de CDA-fractie is erop ingegaan. Als dit punt was losgeknipt, hadden we het eerder kunnen invoeren en hadden we deze discussie inderdaad niet gehad. Waarom heeft het ministerie er destijds niet voor gekozen om het op te knippen? 

Ik had twee kritische punten en daarover wil ik ook twee moties voorstellen. Er zijn wel toezeggingen gedaan over het gesprek met de Raad voor de rechtspraak, maar ik weet niet wanneer de terugkoppeling ervan plaatsvindt. Voor de volledigheid zal ik mijn motie voorlezen. Ik hoor graag het oordeel van de minister en daarna zal ik beslissen of ik de motie aanhoud of intrek. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen is gebleken dat uitgebreid motiveren leidt tot meer begrip van vonnissen; 

constaterende dat een rechter bij de totstandkoming van de uitspraak rekening kan houden met de inbreng van een slachtoffer; 

van mening dat het van belang kan zijn dat een rechter motiveert waarom al dan niet rekening is gehouden met de inbreng van een slachtoffer; 

verzoekt de regering, in gesprek te gaan met de Raad voor de rechtspraak en hem te wijzen op het belang dat rechters in hun motivering rekening kunnen houden met de invloed van spreekgerechtigden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 11 (34082). 

Mevrouw Kooiman (SP):

De reden waarom ik deze motie toch indien, is vooral omdat ik wil terughoren wat de Raad voor de rechtspraak hiermee gaat doen. Je kunt wel drie of inmiddels vijf jaar wachten op een evaluatie, maar voor onze fractie is dat toch echt iets te lang. 

Ik heb ook aandacht gevraagd voor en kritische vragen gesteld over het spreekrecht tijdens tbs-zittingen. Daarover dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat slachtoffers en nabestaanden hebben aangegeven behoefte te hebben aan spreekrecht tijdens tbs-zittingen; 

constaterende dat in het uitvoeringsprogramma Recht doen aan slachtoffers onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden om voorafgaande aan de verlengingszitting een gesprek tussen officier van justitie en slachtoffer te organiseren; 

verzoekt de regering, tevens onderzoek te doen naar de mogelijkheden om het spreekrecht uit te breiden naar tbs-zittingen en de mogelijkheden om slachtoffers en nabestaanden beter te betrekken bij en te informeren over tbs-zittingen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 12 (34082). 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dit is een belangrijke dag voor slachtoffers. Ik ben blij met deze wet en daarmee wil ik de tweede termijn beëindigen. 

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb geen motie, maar ik heb wel veel kritische vragen gesteld. Het is dan ook van belang om nog enigszins daarop te reflecteren. Ik dank de minister voor de uitvoerige beantwoording van de gestelde vragen. Het is een gloedvol betoog geweest. Wij delen dat het van belang is om op te komen voor slachtoffers, hun positie te markeren, om hen heen te staan en hun een plek te geven, ook in het strafproces. 

Toen de eerste versie van het wetsvoorstel voorlag, was de Raad van State zeer kritisch: slachtoffer, verdachte en Openbaar Ministerie komen naar verwachting hierdoor nadrukkelijker tegenover elkaar te staan, hetgeen kan leiden tot escalatie en verruwing van het strafproces. Dat waren heel forse woorden. Na wat er lag en wat nu voorligt, is de vraag of de afstand inderdaad voldoende is om de zorg weg te nemen die toen zeer nadrukkelijk naar voren is gebracht. Dat moet ik in alle rust op mij laten inwerken. Ik heb de minister goed gehoord. Het amendement van D66 en de ChristenUnie ligt er nog steeds, waarmee wij aangeven: daar zit echt onze zorg over mogelijke frustraties door het verschil tussen de straf die slachtoffers graag opgelegd zien en de straf die uiteindelijk wordt opgelegd. 

Wij kunnen het in ieder geval eens zijn over het belang van voorlichting. De minister heeft dat omstandig uitgelegd en onderstreept. Ik onderstreep dat nog een keer. Ik onderstreep ook wat collega Kooiman zei, namelijk dat we niet vijf jaar kunnen wachten om pas na die vijf jaar erachter te komen dat de voorlichting onvoldoende is en hapert. Hoe borgen we dat de voorlichting op een goede manier plaatsvindt? Na de gloedvolle woorden van de minister had ik geen zin om een obligate motie in te dienen, omdat ik heb gehoord wat hij daarover heeft gezegd. Ik hoor nog wel heel graag hoe hij gaandeweg dat proces de vinger aan de pols houdt, slachtoffers de plek geeft die hun toekomt en frustraties voorkomt die we allemaal willen voorkomen. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik vind wel dat de minister nogal selectief geshopt heeft in mijn argumenten. Hij pikt er de dingen uit waar hij vol vuur tegen is. Ik had toch heel wat meer bedenkingen naar voren gebracht, waarop de minister helaas niet is ingegaan. Met de heer Segers zeg ik dat D66 natuurlijk de belangen van het slachtoffer niet uit het oog wil verliezen, maar dat onze argumenten juist zijn gebaseerd op onze zorgen om het slachtoffer. 

Ik constateer dat in 2005 op basis van onderzoek inhoudelijk en heel zorgvuldig is gediscussieerd over het wetsvoorstel van mijn collega Dittrich. In 2010 is er een evaluatie uitgevoerd waaruit blijkt dat bij het huidige spreekrecht geen sprake is van teleurstelling bij slachtoffers. Ze zijn positief over het spreekrecht, de rechtvaardige uitkomst van de strafmaat en het vertrouwen in politie en justitie. Tot zover het onderzoek. De minister baseert zich echter erg veel op aannames. Hij heeft het over ongelijkheid bij de verschillende gerechten ten aanzien van de uitvoering van het spreekrecht. Die ongelijkheid moet worden opgeheven, vindt de minister. Tegelijkertijd schrijft hij in de nota naar aanleiding van het verslag dat er over de precieze omvang van de ongelijkheid geen cijfers bij hem bekend zijn. Dus ook dit is weer gebaseerd op aannames. Kortom, de minister is voor mijn fractie niet overtuigend geweest. 

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de goede beantwoording van de vragen. Ik wil beginnen met het schadefonds. Mijn voorstel om Nederlanders die in het buitenland slachtoffer worden van een ernstig misdrijf onder het schadefonds te laten vallen, is positief ontvangen door de minister. Ik snap dat hij niet kan zeggen dat hij het meteen gaat doen, omdat eerst uitgezocht moet worden of het past in de dekking van het fonds. Je kunt ook niet alle Nederlanders €100 geven, want het moet er wel in zitten. Ik ben er heel positief over. Ik hoorde de minister zeggen dat de mogelijkheid binnen Europa bestaat om als fonds geld uit te keren en de kosten te verhalen op de Europese zusterfondsen. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit gaat gebeuren en kijk met plezier uit naar de rapportage. Om die reden dien ik geen motie in op dit punt. 

Dan kom ik op de hoofdmoot van het voorstel: het spreekrecht. Ik wil iets zeggen over slachtofferschap in het algemeen. Slachtofferschap maakt mensen passief. Er wordt hen iets aangedaan. Ze zijn onvermogend om zelf in actie te komen. Het spreekrecht geeft aan slachtoffers die dat willen — dat is bij uitstek van belang — de mogelijkheid om het initiatief en de regie terug te nemen. Ik kan me voorstellen dat dit helpt om het kleine of grote trauma dat iemand heeft opgelopen, te verwerken. Je neemt de zaak weer enigszins in eigen hand. Later gaan we het over het herstelrecht hebben. Daar maakt dit een heel belangrijk onderdeel van uit. 

Ik vind het echt een belangrijk wetsvoorstel. Het lijkt de meerderheid van de Kamer te halen en daar ben ik heel blij mee. Ik voel persoonlijke voldoening, want het is een oude wens die in vervulling gaat. Bovendien staat het in het regeerakkoord van VVD en PvdA: ik ben dus een tevreden woordvoerder. Ik wacht met vertrouwen de stemming af. 

De heer Van Helvert (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording en uit mijn complimenten voor zijn retorische vaardigheden. Voordat je het weet, veegt hij met een mooie zin je punt weg, zoals bij de vraag over de loskoppeling van de twee wetten. Hij zei dat hij hier nog niet zo lang zit en het niet precies weet, maar dat het goed is dat ze bij elkaar zijn gegooid, omdat ze allebei over slachtoffers gaan. Daar zit wat in, maar aan de andere kant blijft natuurlijk staan dat de ene wet er allang had kunnen zijn als we ze niet hadden samengevoegd. Dan hadden we al veel slachtoffers tegemoet kunnen komen. Ik waardeer de retorica, maar misschien kan de minister nog een inhoudelijke reactie geven op deze vraag. 

Op de vraag waarom er geen pilotprojecten zijn gedaan, antwoordde de minister dat hier niet zo'n behoefte aan was en dat hij geen zaak kon vinden die er geschikt voor was. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Vervolgens gaat de minister snel door naar het volgende onderwerp. Als je in een rechtszaal vraagt wie een pilotproject wil draaien omdat de Tweede Kamer een ideetje heeft, kan ik me voorstellen dat de eerste reactie is dat het niet zo nodig hoeft. Misschien kan de minister nog even uitleggen hoe dat precies zat. 

Ik wil in tweede termijn in ieder geval terugkomen op een onderwerp dat niet direct de wet raakt maar wel op de agenda staat. Dat zijn slachtoffers en ouders van slachtoffers. Ik ben blij dat de minister daar ook op is ingegaan. Ik heb twee heel korte punten. 

Ten eerste moet er snelheid worden gemaakt met het wetsvoorstel inzake schadevergoeding zorg- en affectieschade. Ik begrijp dat dat wetsvoorstel in de loop van dit jaar deze kant op komt. Waarom? Ouders bevinden zich in een juridisch zeer kwetsbare positie. Onder meer de Amsterdamse zedenzaak heeft dat pijnlijk aan het licht gebracht. De CDA-fractie kijkt uit naar de behandeling van dat wetsvoorstel. 

Ten tweede wil de CDA-fractie dat er ook op korte termijn een oplossing komt, al is die tijdelijk. Het onbegrip en de frustratie bij de betrokken ouders zijn namelijk groot, en terecht, meent de CDA-fractie. Daarom moeten wij snel komen tot een regeling om hen te helpen. Wij gaan dus nu overbruggen wat wij straks gaan regelen. Het is een aanloop naar iets wat wij in deze zaal allemaal willen. De vertraging tot nu toe is groot. Dat is extra pijnlijk. Dat levert de Kamer en ook het kabinet de morele verplichting op om in alle eerlijkheid te bekijken wat wij in de tussentijd kunnen doen. 

De minister zei eerst: het kan niet. Na een korte aansporing via een interruptie zei hij: er komt een brief met mogelijkheden. Dat vind ik al een heel nette stap vooruit. Het zou goed zijn als de Kamer dat ondersteunt met een motie om de minister te stimuleren dat snel te regelen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat ouders wier kind is misbruikt zich thans niet kunnen voegen in een strafproces als benadeelde partij; 

overwegende dat de regering al een jaar lang een wetsvoorstel in voorbereiding heeft om de positie van ouders te verbeteren maar de inwerkingtreding hiervan te laat komt voor ouders die nu met gemaakte kosten blijven zitten; 

voorts overwegende dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven ouders de schade die gemaakt is als gevolg van het misbruik van hun kind slechts voor een klein deel compenseert; 

verzoekt de regering, een financiële oplossing te zoeken voor ouders die tot aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel schadevergoeding zorg- en affectieschade zelf aantoonbaar zijn opgedraaid voor de gemaakte kosten, en de Kamer hierover te informeren vóór de eerstvolgende begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Helvert en Oskam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 13 (34082). 

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Dank aan de minister voor de uitgebreide beantwoording. Over de motiveringsplicht heeft de minister in eerste termijn gezegd dat in de evaluatie na vijf jaar wordt meegenomen wat rechters en officieren van justitie doen met hetgeen slachtoffers en nabestaanden ter zitting hebben verklaard, en hoe dat wordt gemotiveerd in een vonnis. Mijn fractie vindt dat onvoldoende, want mijn fractie wil niet weten hóé het wordt gemotiveerd maar dát het wordt gemotiveerd. Dat ligt er net één stapje voor. Daarbij verwijs ik naar wat de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers heeft gezegd. Zij is een voorstander van een motiveringsplicht met als reden dat slachtoffers en nabestaanden zich gehoord willen weten. Dat sluit aan bij wat ik daarover in eerste termijn zei. Vandaar dat ik de volgende motie indien. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de rechter niet verplicht is om met de uitlatingen van de slachtoffers of nabestaanden rekening te houden en ook niet gehouden is om in het vonnis een overweging aan de verklaring van het slachtoffer of de nabestaanden te wijden; 

overwegende dat dit bij slachtoffers en nabestaanden kan leiden tot onbegrip over bijvoorbeeld de straftoemeting en hierdoor het effect van het spreekrecht geheel dan wel gedeeltelijk teniet wordt gedaan; 

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat de rechter gehouden is om in het vonnis een passage op te nemen waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de verklaring van het slachtoffer of de nabestaande(n) zonder hiermee de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aan te tasten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 14 (34082). 

De heer Recourt (PvdA):

Ik heb ervaring met een motiveringsplicht omdat ik als beleidsmedewerker geholpen heb om een heel oud amendement voor elkaar te krijgen. Dat was de volgende motiveringsplicht. Ik ben de toverformule even kwijt, maar het ging om de formulering "de officier van justitie" en "verweren door de advocaat". Dat heeft een enorme hausse aan jurisprudentie opgeleverd: moet hier nu wel of niet op gereageerd worden? Dat ging een heel aantal keren tot de Hoge Raad aan toe. Uiteindelijk leidt dat tot een soort toverformule van de rechter: in dit geval rekening houdend met hetgeen het slachtoffer heeft gezegd, doe ik dit. Dat is gewoon een standaardblok in het vonnis. Dat levert inhoudelijk dus niks op, maar het levert wel een heleboel juristerij op. Is dat een verstandige weg? Kunnen we niet gewoon veel beter kijken hoe het in de praktijk gaat en na vijf jaar of eerder maatregelen nemen als het niet goed gaat? 

Mevrouw Helder (PVV):

Dat heb ik net dus ook al gemotiveerd aangegeven. Voor mijn fractie is dat toch onvoldoende. Ik schat het gevaar enigszins kleiner in dan de heer Recourt. Ik besef dat het lastige materie is, maar ik vind toch dat er reden is om die motie in te dienen met het verzoek een passage in het vonnis op te nemen waaruit blijkt dat er rekening is gehouden met hetgeen het slachtoffer of de nabestaande heeft verklaard, zonder daarmee enige vorm aan te willen geven. Ik kan mij heel goed voorstellen dat het een reden of aanleiding is om met de Raad voor de rechtspraak over in conclaaf te gaan. Ik zie daar wel aanleiding toe, omdat ik bang ben dat er anders niets of heel weinig gebeurt, en dat we juist dan met de gebakken peren zitten. Juist dan is het moeilijk om het weer om te draaien. 

De voorzitter:

De heer Recourt, vervolgvraag. 

De heer Recourt (PvdA):

De minister heeft toegezegd om hierover te spreken met de Raad voor de rechtspraak. Het gaat nu om de verplichting voor de rechter om er in enige vorm invulling aan te geven. In de praktijk wordt dat dus een blokje. Dat doet niets voor de slachtoffers. Ik vrees dat ik mevrouw Helder niet kan overtuigen, maar ik wil het haar toch meegeven. 

Mevrouw Helder (PVV):

Die vrees is terecht. Ik meen dat het voor slachtoffers wel iets gaat opleveren. De Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers heeft ook niet gezegd hoe die motiveringsplicht eruit moet zien. Het hoeft geen vorm te krijgen zoals het ten aanzien van de verdachte geldt en is vastgelegd in artikel 350 Wetboek van Strafvordering. Wel moet blijken dat er enigszins rekening is gehouden met hetgeen het slachtoffer heeft verklaard, in welke vorm dan ook. Dat zou misschien al voldoende zijn. In de memorie van toelichting hebben we immers ook kunnen lezen dat er slachtoffers zijn die geen behoefte hebben aan hun spreekrecht et cetera. Ik meen dat hiermee toch enige handreiking is gedaan richting slachtoffers, ook als het een blokje blijkt te worden. 

Dan kom ik bij mijn tweede motie. Het zal niemand verbazen dat zij gaat over de verschijningsplicht. Bij interruptie heb ik al aangegeven: voor zover slachtoffers of nabestaanden dat wenselijk achten. Daarop antwoordde de minister dat dat, zo heb ik het althans begrepen, sympathiek is maar zeer waarschijnlijk tot vertraging leidt. Wat mijn fractie betreft is daar echter geen sprake van, want slachtoffers en nabestaanden zouden in hun reactie meteen kunnen aangeven dat zij gebruik willen maken van het spreekrecht. Zij zouden meteen aan de officier van justitie kunnen aangeven dat zij graag willen dat de verdachte ter zitting aanwezig is. Ik zie dus geen vertraging optreden. 

Mijn fractie is al heel lang bezig om de verschijningsplicht te realiseren. Dat was voor de toenmalige staatssecretaris aanleiding om daar een brief aan te wijden. Zover zijn we dus wel al gekomen. Die brief dateert echter van 4 oktober 2013. In die brief schrijft de staatssecretaris over "het bevorderen van maatwerk in het belang van het slachtoffer". Hij is van oordeel dat het bestaande beleid in deze zin wordt uitgebouwd en besluit de brief als volgt: "Pas indien blijkt dat daarmee niet voldoende aan specifieke noden van het slachtoffer tegemoet kan worden gekomen, zal ik overwegen om dwingende regelgeving voor te stellen". Die brief dateert dus van 4 oktober 2013 en wat mijn fractie betreft is het tijd om hieraan gevolg te gaan geven. Tevens zou het een mooi resultaat zijn voor deze minister, die zo voor de slachtoffers staat en die als Kamerlid in september 2013, dus een maandje eerder, een motie van ondergetekende heeft medeondertekend over de verschijningsplicht voor verdachten van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. 

Dat gememoreerd hebbende, dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het wetsvoorstel geen verschijningsplicht regelt voor de verdachte; 

overwegende dat de aanwezigheid van de verdachte niet voor alle slachtoffers of nabestaanden doorslaggevend is, maar het wel bijzonder vervelend is dat zij voor een lege stoel hun verhaal moeten doen, terwijl ze wel als getuige beëdigd kunnen worden als ze gebruikmaken van het uitgebreide spreekrecht; 

van mening dat iemand in geval van een misdrijf verantwoording heeft af te leggen aan het slachtoffer dan wel de nabestaanden in het bijzonder en aan de samenleving in het algemeen en iemand om deze principiële reden verplicht aanwezig dient te zijn op zijn of haar terechtzitting; 

verzoekt de regering, een verschijningsplicht ter terechtzitting in het Wetboek van Strafvordering op te nemen voor verdachten van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven in de gevallen waarin een slachtoffer of nabestaande heeft aangegeven dat de aanwezigheid van de verdachte op de terechtzitting wenselijk is, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 15 (34082). 

De heer Van Oosten (VVD):

Voorzitter. Ik was aanvankelijk een beetje angstig om naar voren te lopen, want ik was bang dat u, voorzitter, mij zou verplichten om een motie in te dienen. Ik heb echter een aantal voorgaande sprekers voorbij zien komen die geen motie hebben ingediend. Ik was dat ook niet van plan. Evengoed wil ik wel van de gelegenheid gebruikmaken om nog een enkele opmerking te maken. 

De VVD is oprecht tevreden en blij met de wet zoals die is voorgesteld en volgende week in stemming komt. Met deze wet krijgt het slachtoffer de mogelijkheid om wanneer hij het wenst, te zeggen wat hij wenst. Deze vrijheid vindt mijn fractie bijzonder waardevol. Evenzeer vind ik het heel waardevol — daarom ben ik ook blij met de opmerkingen die de minister zonet daarover maakte — dat aan het slachtoffer die dat wil, de mogelijkheid tot voorlichting wordt geboden. Ik vind dat verstandig en nuttig. 

Langs deze weg dank ik de minister en zijn ambtsvoorganger voor hun inzet. Ik zie de stemming met vertrouwen tegemoet. 

De voorzitter:

Uw vrees dat u verplicht zou worden om een motie in te dienen, is volstrekt onterecht. Dank voor uw bijdrage. 

Er is nog een interruptie van de heer Van Helvert. 

De heer Van Helvert (CDA):

Ik wil de heer Van Oosten niet zo laten gaan, al heeft hij geen motie ingediend. De VVD komt graag op voor slachtoffers en vast en zeker ook voor de ouders van slachtoffers. Misschien kan de heer Van Oosten kort aangeven hoe hij aankijkt tegen de oproep van het CDA om een overbrugging te regelen voor de positie van ouders van kinderen die misbruikt zijn. 

De heer Van Oosten (VVD):

Volgens mij is het wel belangrijk om op te merken dat het onderwerp dat de heer Van Helvert naar voren brengt, heel sympathiek is en dat het heel belangrijk is dat de Kamer daar met snelheid en in de vorm van een volledige wetsbehandeling aandacht aan besteedt. Ik vind dat werkelijk belangrijk. Ik kan niet goed verklaren waarom dat nog niet het geval is. Ik zeg daar echter wel bij — het is een beetje formalistisch, maar ik hecht er wel waarde aan — dat dit nu strikt genomen niet aan de orde is. We hebben het nu over artikel 51e, zo zeg ik uit mijn hoofd, van het Wetboek van Strafvordering. Wat de heer Van Helvert voorstelt, is nu niet aan de orde, hoe oprecht belangrijk ik het ook vind. Ik vind het dan ook niet passend om mij nu uit te laten over overbruggingsregelingen et cetera. Ik zeg hem echter wel dat ik zeer veel waarde hecht aan het onderwerp "affectieschade" als zodanig. Langs deze weg maak ik dan ook gebruik van de gelegenheid die mij wordt geboden om de minister aan te sporen tot het boeken van voortgang wat betreft dit voorstel. Ik hoorde dat voornemen net echter al terug in de opmerkingen die de minister in de richting van de heer Van Helvert maakte. 

De voorzitter:

Is dit voldoende, mijnheer Van Helvert? Ik zie dat dit het geval is. 

Hiermee is een eind gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven vijf minuten schorsing op prijs te stellen. 

De vergadering wordt van 22.09 uur tot 22.15 uur geschorst. 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Allereerst dank ik de leden van Kamer voor de complimenten die niet alleen aan mijn adres, maar ook aan het adres van mijn voorganger zijn geuit over het belang van dit wetsvoorstel en de inhoud ervan. Ik neem aan dat dit ook geldt voor de zorgvuldige voorbereiding die ertoe geleid heeft dat het wetsvoorstel hier minder snel besproken kon worden dan vanuit het belang van het onderwerp wellicht wenselijk zou zijn geweest. 

Ik heb de indruk dat de D66-fractie zich niet heeft laten overtuigen van het belang van het wetsvoorstel. Dat vind ik jammer. Graag doe ik een zacht verzoek aan de D66-fractie om er nog eens over na te denken, mede gelet op het feit dat alle slachtofferorganisaties in Nederland hechten aan het wetsvoorstel. Dat doen zij niet voor niets. Hetzelfde geldt voor advocaten, rechters en overige betrokkenen bij het slachtofferbeleid in Nederland. Met die wetenschap in het achterhoofd kan de fractie van D66 zich wellicht toch nog laten overtuigen. De ChristenUnie, die heeft gezegd dat zij er nog eens goed over moet nadenken, vraag ik om zo vriendelijk te zijn de standpunten van de slachtofferorganisaties nog eens na te lezen, want al die organisaties zeggen dat echt niet voor niets. 

Ik meen dat men na het sluiten van een huwelijk twaalf weken in wittebroodsweken verkeert. 

De voorzitter:

Zes. 

Minister Van der Steur:

O, het zijn er maar zes. 

De voorzitter:

Wij zullen u even bijpraten 

Minister Van der Steur:

Voor een minister geldt een periode van twaalf weken. Ik ben nu in de twaalfde week bezig, dus ik moet nog wennen aan mijn rol. Bijvoorbeeld moet ik er nog begrip voor opbrengen dat ik, nadat ik een expliciete toezegging heb gedaan, vervolgens wel met een motie op dat punt wordt geconfronteerd. Er komt een moment dat ik er in het kader van mijn inwerkprogramma over zal nadenken hoe zich dit verhoudt tot het uitgangspunt dat er helemaal geen motie nodig is als de regering iets toezegt. Tegen die achtergrond, in het kader van wat ik zelf zie als de ministeriële wittebroodsweken, zal ik de moties even langs wandelen. 

Ik begin met de motie van mevrouw Kooiman, de motie op stuk nr. 11. Zij verzoekt de regering in gesprek te gaan met de Raad voor de rechtspraak — die toezegging heb ik gedaan — en de Raad voor de rechtspraak te wijzen op het belang dat rechters in hun motivering rekening kunnen houden met de invloed van spreekgerechtigden. Ik heb toegezegd dat ik met de Raad voor de rechtspraak in gesprek zal gaan, maar ik heb moeite met het tweede deel van het dictum van de motie. Ten eerste zullen de woorden "invloed van spreekgerechtigden" voor veel rechters te ver gaan. Rechters zullen immers zeggen dat het aan hen is om te beslissen welke invloed spreekgerechtigden hebben. Om die reden kan ik de motie niet steunen. Ten tweede is het niet aan mij als minister om de Raad voor de rechtspraak ergens op te wijzen. Misschien is mevrouw Kooiman bereid is haar motie aan te passen. Als zij mijn toezegging bevestigt dat ik met de Raad voor de rechtspraak in gesprek ga over het belang van een reactie op zowel de mondelinge als de schriftelijke behandeling ter rechtszitting en het belang van het reflecteren op hetgeen gezegd is door slachtoffers, dan zou ik motie aan het oordeel van de Kamer kunnen laten. Als mevrouw Kooiman echter dit specifieke punt handhaaft, gaat de motie echt te ver en ook verder dan het wetsvoorstel. Dat kan niet de bedoeling zijn. In dat geval moet ik de motie ontraden. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind het argument van de minister terecht, dus ik zal het dictum van de motie aanpassen. Wij zullen de woorden "te wijzen op" schrappen. Het dictum zal nu als volgt luiden: "verzoekt de regering in gesprek te gaan met de Raad voor de rechtspraak over het belang dat rechters in hun motivering rekening kunnen houden met de invloed van spreekgerechtigden". 

Minister Van der Steur:

Mevrouw Kooiman moet dan nog wel even kijken naar het woord "invloed". Rechters zullen zeggen dat de zinsnede "rekening houden met de invloed van spreekgerechtigden" te ver gaat. Misschien kan ik met mevrouw Kooiman en wellicht met andere leden van de Kamer nog even van gedachten wisselen over een betere formulering van de motie. Ik denk dat wij daar wel uitkomen. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dat is altijd prettig. 

Minister Van der Steur:

In haar tweede motie, op stuk nr. 12, vraagt mevrouw Kooiman mij om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om het spreekrecht uit te breiden naar tbs-zittingen en naar de mogelijkheden om slachtoffers en nabestaanden beter te betrekken bij en te informeren over tbs-zittingen. Eén ding is even van belang: tbs-zittingen zijn er om te toetsen of de verdachte of behandelde nog behandeld moet worden. Het centrale punt in die zitting is dus de behandelde. De regering heeft in het verleden toegezegd dat er twee dingen zouden gebeuren. Het ene is dat de officier van justitie met slachtoffers spreekt over hun wensen. Dat heb ik ook aan mevrouw Kooiman uitgelegd. Daarnaast wordt er ook een slachtofferonderzoek gedaan naar de wensen van de slachtoffers. Ik kan de Kamer een brief sturen om dat nog eens op een rijtje te zetten: hoe gaat dat nu precies? De motie zelf gaat mij echter op dat punt te ver. Die zal ik dan ook moeten ontraden. Maar misschien is mevrouw Kooiman bereid om de motie in te trekken nu ik heb toegezegd om nog eens in een brief aan de Kamer te berichten wat staand beleid is op dit punt en hoe rekening wordt gehouden met de rechten en de wensen van slachtoffers, juist in de verlengingsdiscussie bij tbs. Dat is door mijn voorganger veel eerder al toegezegd aan de Kamer. Ik vind het een beetje gek om dan een nieuwe motie te beantwoorden met een nieuwe toezegging, maar ik wil die toezegging wel doen. De toezegging van mijn voorganger ligt er. Ik wil mevrouw Kooiman en de andere leden van de Kamer informeren over de stand van zaken. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik zou het ook heel fijn vinden om te horen wanneer die brief dan aan de Kamer verzonden kan worden. De minister zegt dat deze motie te ver gaat, maar dit is wel precies wat ik graag wil. Ik heb de motie nog vrij zorgvuldig en voorzichtig geformuleerd. Dan is het bij mij niet anders dan dat ik haar handhaaf. 

Minister Van der Steur:

Dat mag mevrouw Kooiman doen; dat is uiteraard aan haar. Ik zeg erbij dat ik bereid ben om die brief te sturen. Dat zal ik ook doen als de motie niet wordt aangenomen. Dan stuur ik de brief alsnog, maar ik handhaaf mijn advies om de motie te … 

De voorzitter:

En de termijn voor de brief? 

Minister Van der Steur:

Ik denk dat het goed is dat ik de brief toezeg voor kort na het zomerreces ... 

De voorzitter:

September. 

Minister Van der Steur:

… gegeven het feit dat we nog maar heel kort hebben tot het zomerreces. 

Ik kom bij de motie van de heer Van Helvert van het CDA, medeondertekend door zijn collega Oskam, op stuk nr. 13. Daar heb ik eigenlijk al antwoord op gegeven, ook in ons interruptiedebat. In de motie wordt gevraagd om een financiële oplossing, maar de indieners bieden geen dekking voor de problematiek. Daarnaast is er geen basis voor een financiële oplossing. Ik heb de heer Van Helvert toegezegd dat ik een brief aan de Kamer zal sturen over dit onderwerp. Ik zeg hem toe dat ik, als deze motie omdat ik haar ontraad niet wordt aangenomen, nog steeds de toezegging gestand zal doen. Dat hoef ik niet te doen, want als de motie verdwijnt, hoef ik geen brief meer te sturen. Dat ga ik wel doen, want dat heb ik de heer Van Helvert toegezegd. Maar het zou dan ook voldoende moeten zijn dat ik bezie, bekijk en uitleg wat precies de positie is. Ik zal daarbij ook de behoeften van ouders betrekken. Laten we dan vooral snel over het wetsvoorstel met elkaar van gedachten gaan wisselen. 

De heer Van Helvert (CDA):

Ik dank de minister voor die toezegging; die is zeer sympathiek. Over het ontbreken van een dekking voor de motie heb ik van tevoren gezegd dat wij er in dit huis en wellicht ook op het ministerie, zelf schuld aan zijn dat het zo lang duurt. Het is een heel lastige situatie voor die ouders. Daar staan wij pal achter. We moeten inventief zijn. Ik hoorde ook een voorstel van de Partij van de Arbeid langskomen om mensen die in het buitenland schade oplopen, wel gebruik te laten maken van het schadefonds. De dekking daarvan is onderuitputting. Dat is ook creatief en inventief. In dat soort richtingen zou je kunnen denken. Dat wil ik aan de minister meegeven voor nu, om het wellicht in zijn advies mee te nemen, en aan mijn collega's voor de stemming van aanstaande dinsdag. 

Minister Van der Steur:

Voor de goede orde: ik heb aan de heer Recourt toegezegd dat ik ga bekijken wat de mogelijkheden zijn, waarbij ik ook bekijk wat het verschil is tussen de Europese situatie en de buitenlandse situatie. Dat wil niet zeggen dat ik dat al kan financieren uit de onderuitputting van het schadefonds, voor zover daarvan sprake is. Dat heb ik niet gezegd en dat is ook niet wat de heer Recourt gevraagd heeft. De heer Recourt vraagt mij om eens te bekijken wat de situatie is. Ik verwacht en weet dat er in Europa gedacht wordt over een harmonisering van slachtofferrechten. Dat betekent dat dat waarschijnlijk een makkelijkere stap is. In het buitenland ga ik bekijken wat er mogelijk is, maar ik heb geen enkele toezegging gedaan ten aanzien van de financiering, om de simpele reden dat ik dat in de richting van de heer Recourt niet kan doen, en ook niet in de richting van de heer Van Helvert. Om die reden moet ik de motie ontraden maar handhaaf ik, zonder dat ik dat zou moeten doen, de toezegging dat ik de heer Van Helvert daar per brief over zal informeren, vanwege de sympathie voor het onderwerp. 

De voorzitter:

Akkoord. Dan zijn we toegekomen aan de motie op stuk nr. 14. 

Minister Van der Steur:

Die motie is in lijn van, maar gaat net een stukje verder dan — zo ken ik mevrouw Helder ook — de gedachtenvorming die wij hierover met elkaar hebben gehad. De gedachtenvorming van mevrouw Helder is duidelijk. Ik heb ook gezegd dat ik er geen voorstander van ben om tot een motiveringsplicht — daar komt het op neer — over te gaan. Ik begrijp heel goed dat zij zegt: "zonder hiermee de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aan te tasten". Maar dat is misschien toch een beetje wat mevrouw Helder ermee beoogt, als zij nog eens het dictum van haar eigen motie zou lezen. Ik heb toegezegd dat ik zonder welke motie dan ook in gesprek ga met de Raad voor de rechtspraak. Ook de motie van mevrouw Kooiman heb ik daarvoor niet nodig. Als die motie wordt aangenomen, zal ik dat nog steeds doen. Maar ook als die motie niet wordt aangenomen omdat ik expliciet toegezegd heb dat ik het gesprek met de Raad voor de rechtspraak zal voeren, ga ik het nog steeds doen. Daar moet ook mevrouw Helder het mee doen. Om die reden ontraad ik haar motie. 

Dan kom ik toe aan de laatste motie op stuk nr. 15 van mevrouw Helder. Ik heb gezegd dat ik om een aantal redenen geen voorstander van een verschijningsplicht ben. Ik vind het heel belangrijk dat voor de officier van justitie en de rechter de mogelijkheid bestaat om, als het slachtoffer daar prijs op stelt en dat ook aan de orde wordt gesteld, de rechter de vrijheid te geven om die keuze te maken. Dat is denk ik heel belangrijk. Die keuze wordt door mevrouw Helder niet aan de rechter geboden. Er is dan een verschijningsplicht: als het slachtoffer vindt dat de verdachte moet verschijnen, moet hij ook verschijnen. Dat is denk ik een inperking van de vrijheid van rechters. Daar kan ik niet mee instemmen en om die reden moet ik de motie ontraden. Overigens ben ik wel bereid om, zoals ik volgens mij al gezegd heb, bij het Openbaar Ministerie nog even na te vragen hoe het beleid uitwerkt dat men aan slachtoffers vraagt of ze het op prijs stellen, en wat er dan met rechters gebeurt. Dat zal overigens niet zo gemakkelijk zijn. Ik denk dat ik er echt wel even een onderzoek voor nodig heb, maar ik ben bereid om dat te doen. Dat zal er overigens zeker niet voor het zomerreces zijn, maar waarschijnlijk enigermate, zeker niet kort, daarna. Ik ben dus bereid om dat te doen, uiteraard onder de voorwaarde dat mevrouw Helder haar motie op zijn minst intrekt. Anders doe ik het natuurlijk niet. Nee, dat is niet waar; ik doe het toch. Maar ik zou het wel op prijs stellen als mevrouw Helder haar motie intrekt. 

De voorzitter:

Ik denk dat mevrouw Berndsen nog een interruptie wil plegen over de motie op stuk nr. 14. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Net zei de minister in een interruptiedebatje tegen mij dat hij absoluut niet wil dat rechters verplicht worden om te motiveren, maar hij gaat er nu wel over in gesprek met de Raad voor de rechtspraak. Ik ben dan wel benieuwd wat hij gaat bespreken. 

Minister Van der Steur:

Ik denk dat ik er heel helder over ben geweest dat ik mij goed kan voorstellen — zo heb ik het ook gezegd in reactie op de opmerking van de heer Recourt — dat rechters in de vrijheid die zij hebben iets doen met de mededeling. Ik heb ook gezegd dat ik het verstandig zou vinden als rechters en officieren van justitie dat zouden doen. Ik heb toegezegd dat ik dat gesprek met de Raad voor de rechtspraak en het Openbaar Ministerie zal voeren. Dat betekent, nogmaals, dat ik geen voorstander ben van motiveringsverplichtingen, en evenmin van verschijningsverplichtingen. Wel ben ik er voorstander van om het onderwerp, en het belang dat de Kamer daaraan hecht — het wordt door meerdere woordvoerders onderstreept — voor te leggen aan de Raad voor de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Zo bedoel ik het precies. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik vind het een beetje raar. De minister wil het niet, maar zegt dat hij het wel gaat bespreken. Met welke intentie en welke houding gaat hij het dan bespreken? Gaat hij dan zeggen: eigenlijk vind ik niet dat het verplicht moet worden; er liggen twee moties die ik ontraden heb, maar ik wil toch het gevoelen van de Kamer wel even overbrengen? Op die manier houden we elkaar wel aardig bezig. 

Minister Van der Steur:

Ik zou bijna geneigd zijn om te zeggen: mevrouw Berndsen, als u dat zo graag wilt weten, komt u er dan bij zitten. U bent van harte welkom. Ik spreek met grote regelmaat, bijna dagelijks zelfs, met de Raad voor de rechtspraak. Ik zal dan een van de afspraken aanwijzen waarbij ik dit onderwerp aan de orde stel. Als mevrouw Berndsen graag wil weten hoe dat precies gaat, nodig ik haar daar graag voor uit. Maar ik ga daar precies doen wat ik hier heb toegezegd. Niet meer en niet minder. 

De voorzitter:

De heer Van Oosten wil nog een interruptie plaatsen. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter, ik krijg geen antwoord. Ik heb gevraagd met welke intentie de minister daar gaat zitten. Gaat hij daar zitten vanuit zijn eigen intrinsieke motivatie, terwijl hij hier zegt dat hij die niet heeft? Of gaat hij daar met een boodschap van de Kamer zitten? 

Minister Van der Steur:

Ik vind het een beetje lastig als mevrouw Berndsen vraagt met welke intentie ik daar ga zitten. Ik heb meermalen in het debat, in een uitwisseling met de heer Recourt, in een gesprek met mevrouw Kooiman, in een gesprek met mevrouw Helder, aangegeven wat ik precies ga doen. Als mevrouw Berndsen dan zegt dat het haar allemaal niet duidelijk is, dan verwijs ik toch echt naar de Handelingen. Daarin staat heel helder hoe ik er zelf in zit en hoe ik daar ga spreken en welke punten ik daar naar voren zal brengen. Zo zal ik het doen. Ik heb heel heldere toezeggingen gedaan die ik ook gestand zal doen. 

De voorzitter:

Alsmede het aanbod om aan te schuiven … 

Minister Van der Steur:

Zeker, mevrouw Berndsen is van harte welkom om een gesprek aan te gaan met de Raad voor de rechtspraak. Het zou mij goed uitkomen als dat vóór de stemmingen gebeurt … 

De voorzitter:

Het is niet de bedoeling dat u dat allemaal nog uitvoerig toelicht. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik heb de minister niet nodig om met de Raad voor de rechtspraak om de tafel te gaan zitten. 

Minister Van der Steur:

Dat is heel goed. Het zou goed zijn als mevrouw Berndsen dat gesprek toch aangaat vóór de stemmingen over dit wetsvoorstel … 

De voorzitter:

Ik geloof niet dat wij daar nu over moeten discussiëren. Ik geef de heer Van Oosten de gelegenheid om een interruptie te plaatsen. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik wil een vraag stellen over de motie van mevrouw Helder op stuk nr. 15. Zonet heeft de minister toegezegd dat hij in gesprek zal gaan met het Openbaar Ministerie over verschijning, over de aanwezigheid van verdachten, en dat hij dat op een goed moment zal terugkoppelen aan de Kamer. Dat heeft toch een relatie met deze motie? 

Minister Van der Steur:

Ik heb dat toegezegd in reactie op een eerdere interruptie van de heer Van Oosten. De behoefte van mevrouw Helder op dat punt heb ik daaraan gekoppeld. Ik wist toen nog niet dat er een motie zou komen. Ik begrijp dat er belang wordt gehecht aan verschijning. De heer Van Oosten heeft dat in relatie tot het vonnis in Kamervragen kenbaar gemaakt. Samen met mevrouw Helder heeft hij dat ook ten aanzien van het moment van spreekrecht naar voren gebracht. Ik heb daarop gezegd wat het staande beleid is en ik heb toegezegd dat ik met het Openbaar Ministerie in gesprek zal gaan en de Kamer zal informeren over de manier waarop het staande beleid wordt uitgevoerd. 

Ik wil graag nog even van de gelegenheid gebruikmaken om mevrouw Berndsen te vragen om met de Raad voor de rechtspraak in gesprek te gaan vóór de stemmingen. Dan kan de raad haar nog even vertellen hoe hij aankijkt tegen het spreekrecht. 

Ik dank de leden van de Kamer die zich in overgrote meerderheid voorstander hebben betoond van dit wetsvoorstel of er met een positieve grondhouding nog over zullen nadenken. In het belang van slachtoffers en nabestaanden stel ik dat zeer op prijs. 

De heer Van Helvert (CDA):

Ik kom terug op mijn motie op stuk nr. 13. De minister zegde toe een briefje te zullen sturen. Zit daar een termijn aan vast? Als het er vóór de stemming is, kunnen wij de motie misschien aanhouden. Het gaat niet om het wetsvoorstel, maar om het opkomen voor ouders in de tussenliggende periode. 

Minister Van der Steur:

Ik heb toegezegd dat ik de heer Van Helvert uitgebreid zou informeren. Als de heer Van Helvert met een kort briefje kan leven, dan doe ik mijn uiterste best om ervoor te zorgen dat dat er vóór de stemming ligt. 

De voorzitter:

Betekent dat dat de heer Van Helvert zijn motie nu aanhoudt? Of laat hij dat weten nadat het briefje ontvangen is? 

De heer Van Helvert (CDA):

Ik zou haast zeggen: ik hou de motie effe aan. Eerder heb ik begrepen dat dat niet kan, dus ik wil de motie gewoon aanhouden. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Helvert stel ik voor, zijn motie (34082, nr. 13) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De algemene beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Wij zullen deo volente volgende week dinsdag stemmen over de moties, de amendementen en het wetsvoorstel. Ik zeg u allen dank voor uw inbreng, uw belangstelling en uw ondersteuning en wens u een aangename afsluiting van een hopelijk arbeidsvreugdevolle werkdag. De minister wens ik nog een aangename voortzetting daarvan.