Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-2006nr. 41, pagina 2719-2735

Aan de orde is het debat over de affaire rondom de Pakistaanse atoomgeleerde Khan.

De voorzitter:

Geachte leden, afgesproken is dat u 5 minuten spreektijd hebt en dat ik u daaraan zal houden.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter. In januari 2005 heb ik gevraagd of de rapporten over de affaire-Khan aan de Kamer konden worden gestuurd. Het heeft een jaar geduurd eer de Kamer inzage in die rapporten kreeg. Eerst waren die top secret en mochten alleen de fractievoorzitters in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten die zien. De woordvoerders kregen er geen inzage in. Uiteindelijk kon de informatie, dus het rapport over atoomspion Abdel Kader Khan uit de jaren zeventig, bijna openbaar aan de Kamer worden gezonden. Alleen de namen in dat rapport zijn geschrapt. Verder is het openbaar.

Waar komt de krampachtigheid vandaan? Eerst is er geweigerd om zelfs na dertig jaar de Kamer volledig te informeren over de affaire en de nasleep ervan. Wie de rapporten met de geschrapte namen leest, bekruipt het gevoel, het scenario van een B-film te lezen, het zeer slechte scenario van een spionagefilm. Die denkt: dit kan niet waar zijn, de inlichtingendiensten moeten toch wel wat kunnen? Die krijgt het gevoel dat alles fout is gegaan wat maar fout kon gaan. De bad guys winnen bovendien, want het is een feit dat Abdel Kader Khan erin geslaagd is om geheime informatie over de bouw van ultracentrifuges en de verrijkingsprocedure van uranium uit Nederland naar zijn geboorteland Pakistan mee te nemen.

De vraag rijst of het zin heeft om hier na dertig jaar een debat over te voeren en ten goede van welke zaak dit komt. Ik had niet op dit debat aangedrongen als dit probleem niet tot op de dag van vandaag actueel was. Mijn fractie heeft het gevoel dat de Kamer nog steeds niet adequaat is geïnformeerd en dat er in dergelijke zaken niet adequaat kan worden gehandeld. Wat zijn de feiten? Het feit is dat Pakistan over een atoombom beschikt dankzij de spionage van de heer Khan. Het is een feit dat de heer Khan dankzij de samenwerking met een aantal zakenvrienden van wie een aantal in Nederland woont, onder wie de zeer prominente heer Slebos, kennis en technologie in de rest van de wereld heeft verspreid. Wij weten dat Noord-Korea, Iran en Libië daardoor verder konden bouwen. Het is ook een feit ook dat de heer Slebos, de beste vriend van de heer Khan, zoals hij zelf in de Zembla-uitzending van 7 november jongstleden zei, in de afgelopen dertig jaar gewoon kon doorgaan met het exporteren van zaken die Khan en zijn vrienden in de rest van de wereld nodig hadden voor de bouw van atoombommen.

Via honderden Nederlandse en andere Europese bedrijven heeft hij alles geleverd wat er nodig was voor verdere proliferatie van atoombommen. In hoeverre waren de Nederlandse inlichtingendiensten op de hoogte? Hoe vaak zijn zij in actie gekomen om dat te verhinderen? Waarom heeft deze mijnheer dertig jaar lang gewoon zijn werk kunnen doen en heeft hij kunnen doorgaan met het willens en wetens medewerking verlenen aan het netwerk van de heer Khan, die voor het grootste proliferatieschandaal van de wereld heeft gezorgd?

Veel vragen over deze affaire staan nog steeds open, bijvoorbeeld over het optreden van justitie. Hoe is het mogelijk dat het strafdossier van de heer Khan is verdwenen? De minister van Justitie heeft hierover geschreven dat hij niet met zekerheid kan zeggen wat er met het dossier is gebeurd. Dat kan gewoon niet, dat is onacceptabel en daarover moet helderheid komen.

Een andere vraag is die over de vervolging van de heer Slebos. Waarom is hij niet gewoon op tijd gestopt en waarom is hij niet vervolgd? Hij is nu vervolgd en is veroordeeld tot één jaar met acht maanden voorwaardelijk en € 100.000 boete, maar dat is natuurlijk belachelijk in het licht van de constatering dat deze persoon willens en wetens heeft meegewerkt aan het verspreiden van nucleaire technologie en kennis in de rest van de wereld. Is de minister van Justitie van mening dat wij adequate wetgeving hebben om de personen te vervolgen die meedoen aan verspreiding van massavernietigingswapens? Wij hebben wel wetgeving voor mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan leveringen, zoals Frans van Anraat, in het geval dat die leveringen hebben geleid tot een bepaalde actie. Wij hebben echter geen wetgeving om personen te vervolgen die zich schuldig maken aan proliferatie.

Het is van groot belang voor mijn fractie dat er een parlementair onderzoek komt omdat wij denken dat de volledige waarheid in deze zaak boven tafel moet komen, hetgeen nog niet is gebeurd. Het is van belang omdat wij niet weten of een dergelijke situatie zich niet nog een keer zou kunnen voordoen. Wij zouden heel graag willen weten wat in deze zaak de rol van de CIA is geweest. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen informatie geven hoe de samenwerking tussen de inlichtingendiensten heeft plaatsgevonden en wat de rol van de CIA in dezen is geweest.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. Wat de SP betreft, spreken wij vandaag over twee cruciale vragen. De eerste is of de overheid heeft geblunderd, of op verzoek van de Amerikanen de heer Khan zijn gang heeft laten gaan, waardoor hij Pakistan aan kernwapens heeft kunnen helpen, met als consequentie dat landen als Iran en Libië, en mogelijk zelfs Al-Qa'ida, nucleaire know how hebben gekregen? De tweede cruciale vraag is of de Nederlandse regering haar lessen heeft geleerd, of zou een dergelijk schandaal vandaag de dag gewoon weer opnieuw kunnen gebeuren?

De affaire-Khan heeft aan actualiteit niets ingeboet. Uit Britse berichtgeving blijkt dat landen als Iran, Syrië, Noord-Korea en Pakistan nog steeds meewerken aan een netwerk dat als doel heeft het verwerven van nucleaire materialen, kennis en know how. Deze kennis wordt niet alleen in Europa verworven, maar ook nog steeds door Europese bedrijven geleverd, die dus gewoon meewerken door de leverantie van materialen en kennis, en die daarmee flink geld verdienen. Kan dit kabinet nu uitsluiten dat er nog steeds mensen in Nederland zijn die zaken doen met spionnen of rechtstreeks met de genoemde landen, die met onze kennis en onze goederen kernwapens willen bouwen?

In de affaire-Khan zijn heel veel fouten gemaakt, maar dat was al duidelijk. Toch heb ik nog steeds heel veel vragen. Is het bijvoorbeeld juist dat de BVD, de voormalige AIVD, in de jaren zeventig al veelvuldig rechtstreeks contact had met de heer Khan, en waarom is er toen niet ingegrepen? Ik begrijp ook niet hoe het mogelijk is dat de heer Khan ergens rond 1975 uit zijn functie is geplaatst, terwijl hij niet juridisch is aangepakt? Was dat een bewuste keuze, of is dat gewoon een grote flater? Hoe kan het gebeuren dat de uiteindelijke rechtszaak tegen de heer Khan omwille van een vormfout is stopgezet. De dagvaarding was namelijk naar een verkeerd adres gestuurd. Waarom is dit nooit gecorrigeerd? Waarom is deze zaak niet opnieuw opgepakt? Wie heeft daartoe opdracht gegeven?

Een andere vraag waar ik mee zit, is waarom in deze zaak eigenlijk nooit naar de klokkenluider, de heer Veerman, is geluisterd. Deze heeft veelvuldig aan de directie van het FDO, waar de heer Khan toentertijd werkzaam was, gemeld dat er iets niet klopte en dat hij zijn verdenkingen had. Er is niet naar hem geluisterd. Als dat wel was gebeurd, zou ons veel ellende zijn bespaard en had de wereld er beter uitgezien. Achteraf gezien, vraag ik aan dit kabinet of deze man excuses kunnen worden aangeboden. Beter laat dan nooit. Hij heeft geboet voor de meldingen die hij heeft gedaan. Achteraf is gebleken dat zijn meldingen juist waren. Deze man moet excuses krijgen. Hij moet genoegdoening krijgen. Wat mij betreft moet hij een lintje krijgen! Het is heel wat als ik dat als republikein zeg! Ik krijg graag een toezegging op dit vlak.

Ook mevrouw Karimi heeft de vraag gesteld wat nu eigenlijk de rol is geweest van de Amerikaanse inlichtingendienst. Voormalig minister-president Lubbers zegt dat deze zich heel hard tegen deze zaak heeft aanbemoeid. Mij hebben geluiden bereikt dat het ene moment door hen zou worden gezegd dat Khan moest worden opgepakt, en het volgende dat hij moest worden vrijgelaten. De heer Donner zegt vervolgens dat hem uit dossieronderzoek is gebleken dat geen sprake is geweest van enige Amerikaanse beïnvloeding. Maanden later verklaart hij dat er helemaal geen dossier is. Ik ben benieuwd welke dossiers hij dan eigenlijk op zijn bureau heeft liggen.

Het strafdossier is verdwenen. Het is volstrekt bizar dat de minister dit pas meldt nadat ik er herhaaldelijk indringende vragen over heb gesteld. Pas dan verklaart hij het al maanden te hebben geweten. Dit is ontzettend beschamend! Het is een aanfluiting van de eerste orde. Ik ben van mening dat de minister zich hierover zeer diep behoort te schamen. Het gaat niet om een fietsendiefstal, maar om een man die van een dictatuur een atoomstaat heeft weten te maken. Ik snap niet waarom de minister het maar laat gebeuren dat het strafdossier gewoon verdwijnt en dat hij dit pas maanden nadat hij het zelf te weten is gekomen aan de Kamer meldt.

Eerlijk gezegd kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het wel goed uitkomt dat dit dossier naar de eeuwige archiefvelden is verdwenen. Uiteindelijk knaagt dit aan het vertrouwen in het Nederlands rechtssysteem. Het is nu onmogelijk geworden om nog uit te vinden waarom de dagvaarding verkeerd werd verstuurd, waarom deze fout niet is hersteld en waarom niet alsnog is gepoogd om de heer Khan te vervolgen. Ik vraag de minister van Justitie om te proberen om met de kennis waarover wij nu beschikken alsnog vervolging tegen de heer Khan in te stellen. Op die manier kan hij het vertrouwen in de rechtsstaat herstellen.

Een andere vraag die mij bezighoudt, is of ook nog andere high-profiledossiers zijn verdwenen. Mij is gemeld dat dit ook geldt voor het strafdossier tegen Melchemie. Kan de minister mij verzekeren dat dit strafdossier niet ook is verdwenen? Ik heb veelvuldig de melding gekregen dat ook dit dossier naar de eeuwige archiefvelden zou zijn verdwenen. Daarover wil ik nu wel eens duidelijkheid krijgen.

Minister Donner:

Heeft mevrouw Van Velzen wellicht het nummer van dat dossier?

Mevrouw Van Velzen (SP):

Dat is nu juist het punt. Als een dossier is verdwenen, heb je er ook geen nummer van. Ik wil graag weten of het nog bestaat. Het vonnis kan ik de minister zo aanreiken.

Ik zie aan zijn reactie dat de minister het niet weet. In dat geval krijg ik graag een schriftelijke reactie van hem.

De voorzitter:

Ik verzoek mevrouw Van Velzen haar betoog af te ronden.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik heb nog vele, vele andere vragen. Ik zou bijvoorbeeld willen weten...

De voorzitter:

Dat begrijp ik wel, maar ik verzoek u om af te ronden. Wij hebben een afspraak gemaakt dat de spreektijd vijf minuten bedraagt. Die zijn verstreken.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik zal heel kort zijn. Ik begrijp dat veel Nederlandse bedrijven hebben geleverd. Mij is gemeld dat Philips voor 800.000 gulden zou hebben geleverd. Ik ontvang graag een schriftelijk overzicht van welke bedrijven in Nederland hebben geleverd aan het Khannetwerk en antwoord op de vraag waarom deze niet zijn vervolgd.

Ik heb nog vele, vele vragen. Ik kan alleen maar tot de conclusie komen dat er een grote noodzaak bestaat om een parlementair onderzoek in te stellen. Zelfs twintig jaar na dato bestaat nog te veel onduidelijkheid.

Hierbij zal ik het noodgedwongen laten.

De heer Van Baalen (VVD):

Voorzitter. Eén conclusie die wij uit deze affaire, en vele andere, kunnen trekken, is dat wat echt geheim is, in de krant staat. Het is dus veel verstandiger om de krant te lezen dan bepaalde inlichtingenrapporten. Het rapport dat ik heb gelezen heeft mij niet tot nieuwe inzichten gebracht. Dit is dus wellicht de eerste les die wij allen hieruit kunnen trekken.

De affaire-Khan is al langer bekend. Het feit dat hij atoomgeheimen heeft gesmokkeld, dat hij is veroordeeld maar in hoger beroep op vormfouten is vrijgesproken. Interessant is natuurlijk dat oud-premier Lubbers zich op een helder moment toch nog wat wist te herinneren van deze zaak. Hij dacht dat de CIA hier mogelijk bij betrokken was, en dat men Khan in feite had getipt om hem te kunnen volgen. De minister van Justitie heeft in antwoord op vragen van de Kamer gezegd dat hem dat uit geen enkele bron bekend is. Daar ga ik dus van uit. Ik acht de huidige bewindslieden in ieder geval qua memorie beter in staat deze zaken te behandelen dan de heer Lubbers.

De zaak S. is voor de VVD wel belangrijk. Ook over deze zaak zijn vragen gesteld en antwoorden gegeven. Ik heb de indruk dat justitie de heer S. gevolgd heeft en dat zij hem daardoor uiteindelijk vervolgd heeft. Ik wil graag van de bewindslieden weten in hoeverre er adequaat is opgetreden.

Een ander punt van groot belang is de schoning van de justitiële archieven. Het heeft mij verbaasd dat er een archief geschoond is dat de staatsveiligheid daadwerkelijk raakt, dat er geen uitzondering gemaakt is voor bepaalde archieven. De minister heeft in antwoord op vragen gesteld dat hij vindt dat daar inderdaad een nieuwe regeling voor moet worden gemaakt. Kunnen de bewindslieden aangeven hoe ver zij ermee zijn, onderscheid te maken tussen bepaalde justitiële dossiers?

De VVD vindt niet dat de ministeriële verantwoordelijkheid na 25 tot 30 jaar ongeschonden is gebleven; die verdampt wat. Onze fractie houdt daarom deze bewindslieden niet verantwoordelijk voor zaken die 30 jaar geleden zijn gepasseerd. Dat zijn zaken voor geschiedenisonderzoek. Onze fractie heeft geen behoefte aan een parlementair onderzoek van welke aard ook. Ik wil wel graag antwoord op de vragen die ik gesteld heb, en ik zal ook morgen de krant met interesse lezen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Het is zeer veelzeggend dat de heer Van Baalen zegt dat hij alles al wist wat er in de krant stond. Het wordt daarmee nog duidelijker dat de krampachtigheid waaraan ik refereerde in het begin van mijn verhaal, eigenlijk onzin was.

Ik heb nog wel een vraag over een ander onderwerp. De heer Van Baalen is toch ook gevoelig voor het argument dat de proliferatie gewoon doorgegaan is in de afgelopen jaren: niet alleen in de jaren zeventig, maar ook in de jaren daarna door middel van het netwerk van de heer Kahn. Kan de heer Van Baalen nu met zekerheid zeggen dat geen enkel bedrijf en geen enkele Nederlander verder actief is in dit netwerk, en dat wij voldoende toezicht, wetgeving en regelgeving hebben om proliferatie te verhinderen?

De heer Van Baalen (VVD):

Dat raakt natuurlijk de rol die de Tweede Kamer en mogelijk ook de Eerste Kamer wil uitoefenen. Mevrouw Karimi begon haar vraag met een uitvoerig exposé over geheime documenten. Ik geloof ministers altijd op hun woord als ik hen naar bepaalde feiten vraag. Als die feiten daarna toch niet blijken te kloppen, ligt het probleem bij het kabinet. Ik voel er verder weinig voor om elk geheim dossier door te pluizen, omdat ik dat dan met een ongetraind oog doe en eigenlijk medeverantwoordelijk wordt, terwijl ik niet beschik over dat getrainde oog of over de informatie die het kabinet heeft.

Over het netwerk van Khan heeft mevrouw Karimi vragen gesteld aan de regering. Wij wachten de antwoorden af. Natuurlijk mogen er lessen getrokken worden. Sterker nog, ik ben ook een groot tegenstander van proliferatie, in welke zin dan ook, van massavernietigingswapens of van de kennis die daartoe kan leiden. Wij hebben de zaak-Van A. gehad, wij hebben die eigenlijk nog steeds. Ik ben het ermee eens dat wij er heel goed op moeten letten en dat wij lessen moeten trekken. Ik wacht het antwoord van de regering af. Ik heb als lid van de Tweede Kamer helaas geen eigen inlichtingendienst. Ik zal het dus moeten doen met het vertrouwen dat ik in de regering heb.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter, de heer Van Baalen wil deze kwestie als een oud en stoffig dossier afdoen. Het klopt wel dat de oudste delen ervan stoffig zijn, maar het is nog steeds actueel. Bent u ervan overtuigd dat mensen die op gevoelige plaatsen werken, bijvoorbeeld bij nucleaire instituten, nu wel goed gescreend worden? Ik zou daar in dit debat toch op z'n minst wat vertrouwen in willen krijgen. Met een minuut zoeken op internet ontdek ik dat er in nucleaire instituten in het Noorden van het land mensen uit Iran werken. Het zal vast wel in orde zijn, maar ik wil ervan overtuigd zijn dat de screening in tegenstelling tot dertig jaar geleden nu wél goed is. Bent u daarvan overtuigd?

De heer Van Baalen (VVD):

In de tijd van de Koude Oorlog was er inderdaad een screening voor vertrouwensposities et cetera, maar daarna is het allemaal wat vervaagd. Net als u verneem ik graag van de regering of er nu een sluitend systeem is. Het zal nooit 100% sluitend zijn, het gaat erom of het zo veel mogelijk sluitend is. Ook ik ben daarin geïnteresseerd, maar nogmaals, omdat wij helaas geen eigen inlichtingenapparaat hebben, moet ik toch afgaan op informatie van de regering.

De heer Blom (PvdA):

Voorzitter. Normaal gesproken zou hier nu mijn collega Koenders staan, maar er zijn wat verwikkelingen in onze partij die met een ander dossier te maken hebben. Vanwege die verwikkelingen moet hij zich laten excuseren voor dit debat. Ik neem het van hem over, maar wel op mijn eigen manier. Ik heb mij in de afgelopen week natuurlijk wel even in dit dossier verdiept, waarbij ik het idee kreeg dat ik een spannend jongensboek aan het lezen was, een verhaal over een aantal dingen die niet kloppen.

De heer Khan is niet opnieuw veroordeeld, omdat er een procedurefout is gemaakt. Uit de pers blijkt dat premier Lubbers heeft gezegd dat hij niets van de CIA gehoord had en dat hij daarom aangenomen had dat hij de heer Khan niet hoefde te laten vervolgen. Ja, zo lust ik er nog wel een paar! Als je niets hoort, hoef je niet te vervolgen? En als je wel iets hoort, moet het dus wel? Ik zou wel eens willen weten welke banden er zijn tussen de CIA en het huidige justitiële systeem in Nederland. Bepalen wij wat er gebeurt of doen de Amerikanen dit?

Het verhaal over het verdwenen dossier is natuurlijk ook bijzonder. Het klopt waarschijnlijk wel met de bepalingen uit de Archiefwet, maar ik kan me toch voorstellen dat je zo'n dossier met een beetje logisch verstand lekker in een kast met een slot erop laat liggen. Je kunt namelijk altijd terechtkomen in een situatie waarin je dat dossier weer nodig kunt hebben. Ook gelet op de opmerkingen van mijn collega's, kun je stellen dat het dossier in feite nog actueel is. Wij weten namelijk nog steeds niet of na die veroordeling de leveranties van nucleaire wapens of dual-usewapens zijn verbeterd. Van de minister van Justitie wil ik weten of hij van plan is om op deze manier te blijven omgaan met dit soort dossiers of dat hij dat op een logischer wijze wil gaan doen, bijvoorbeeld door het voorstel over te nemen om dit soort voor de Staat belangrijke dossiers wat langer te bewaren.

De vraag is ook of Nederland verantwoordelijk is voor het feit dat er in Pakistan een kernwapen is. Volgens de PvdA is het antwoord daarop gewoon ja. Behalve dat er voldoende aanleiding is om vraagtekens te plaatsen bij het dossier, blijft een feit dat de desbetreffende mijnheer Khan in Nederland kennis heeft vergaard en die vervolgens in Pakistan heeft gedropt. Het gevolg daarvan is dat Nederland dus verantwoordelijk is.

Met mijn volgende vraag sluit ik aan bij collega Van Velzen. Er zijn nogal wat kenniswerkers in Nederland en er zijn ook nogal wat staten die wij als schurkenstaten beschouwen en die zeker niet in staat moeten worden gesteld om kernwapens te produceren. Wat doen wij met studenten uit Noord-Korea, Iran of een van de andere landen waartegen wij onze bedenkingen hebben? Zij komen nu gezellig op de Technische Universiteit Delft nucleaire technologie studeren, stappen vervolgens in het vliegtuig en gaan dan gezellig een atoombom in elkaar knutselen in hun eigen land. Is daar genoeg screening voor? Gaan wij maatregelen nemen of zijn er nog andere zaken aan de orde?

Ik wil niet op de stoel van de rechter gaan zitten. Dat zou zeker in mijn geval te belachelijk voor woorden zijn. Daarvoor moet je in ieder geval rechten gestudeerd hebben en dat heb ik niet. Overigens zijn er in mijn fractie wel mensen die deze kwalificatie hebben en met wie ik hierover gesproken heb.

De heer Van Baalen (VVD):

Voorzitter. Dit is een belangrijk moment om een vraag te stellen aan de heer Blom. Hij heeft waarschijnlijk ook kennisgenomen van het feit dat er een opening zou zijn voor lekenrechtspraak. Dat geeft hem misschien de mogelijkheid om wel op de stoel van de rechter te gaan zitten. Staat hem dat aan?

De heer Blom (PvdA):

Dank u voor deze waardevolle tip, maar gezien mijn gehele zijn lijkt mij dat geen goed plan. Ik zie daar dus op voorhand al vanaf. Aangezien de heer Slebos echter maar veroordeeld is voor een jaar, waarvan ook nog eens acht maanden voorwaardelijk, kan ik mij voorstellen dat je de vraag stelt of de minister overweegt om de strafwet aan te passen, in die zin dat de straffen voor dit soort feiten hoger worden. Het is niet mijn bedoeling om genoemde heer S. vervolgens met een zwaardere veroordeling op te zadelen, maar ik verwacht er wel een zekere voorbeeldwerking van. Iemand die in dezelfde handel zit als de heer S., zal nu denken: ach, een paar maanden bijkomen in de een of andere gezellige gevangeniscel en dan ga ik weer verder. Ik kan mij echter voorstellen dat er een zekere voorbeeldwerking uitgaat van een fors hogere straf.

De PvdA heeft geen bezwaar tegen een onderzoek. Wij beseffen echter dat dit een heel lastig onderzoek zal worden, omdat het om heel oude gegevens gaat. Verder moet je de vraag beantwoorden wat je vervolgens wilt met de uitkomsten van dat onderzoek. Het gaat mij niet zozeer om wat er toen fout is gegaan, maar om wat er nu niet meer fout mag gaan. Uit eerdere discussies over wapenexport weet ik dat het ministerie van Economische Zaken, om maar weer eens een compliment te geven, zijn stinkende best doet om de registratie van de wapenexport op een veel inzichtelijker en transparanter manier vorm te geven. Wellicht kunnen daar echter nog verbeteringen in aangebracht worden.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Voorzitter. Het is een beetje bijzonder debat vandaag. Aan de orde is een rapport uit 1979 en een onderzoek dat slaat op de periode van 1985 tot heden. Feiten veranderen in de loop der jaren niet, voorschriften met betrekking tot bewaring van die feiten wel, zoals blijkt uit de rapportage van de Rijksarchiefinspectie. Verder kunnen wij rondom hetzelfde dossier constateren dat wij weliswaar traditioneel een beleid voeren dat beoogt de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan, maar tegelijkertijd ten zeerste moeten betreuren dat desalniettemin via het zogenaamde Khannetwerk proliferatiegevoelige informatie en materialen zijn verspreid. Ik citeer nu uit antwoorden die de regering op schriftelijke vragen heeft gegeven. Ziehier twee invalshoeken voor het debat. Het eerste rapport met betrekking tot Khan dat geagendeerd is, is uit 1979. Dat was de start bij wat later de affaire-Khan is geworden. Het doet de aanbeveling om het OM in te schakelen teneinde de mogelijkheid van een strafzaak tegen Khan te onderzoeken. Dat is inmiddels gebeurd. Wij kennen de afloop daarvan.

Voor de CDA-fractie is de vraag wel interessant waarom destijds niet opnieuw tot vervolging is overgegaan. De motivering die het kabinet daarvoor geeft, is uitgebreid. De uiteindelijke conclusie is: een nieuwe vervolging zou dezelfde uitkomst gehad hebben, wellicht wederom veroordeling bij verstek, dus weinig zinvol. Het enige wat niet meer na te lezen is, is of die overwegingen inderdaad nog zouden kloppen.

Wij slaan in het dossier nu een periode van 20 jaar over voordat er hernieuwde belangstelling voor Khan komt. Die hernieuwde belangstelling komt niet alleen door een artikel in de New York Times in december 2004, hoewel daardoor de zaak wel weer in de publiciteit kwam. De belangstelling werd ook opgeroepen door de zaak tegen de grote vriend van de heer Khan, de heer S. Overigens terecht of onbevredigend, van die zaak c.q. de zaken kan niet gezegd worden dat de regering ze heeft laten lopen. En dat laatste wordt wel eens beweerd. In de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 15 november wordt een aantal acties uit het verleden genoemd en nog recent heeft een rechtszaak voor de rechtbank in Alkmaar gediend waarbij ook een veroordeling is uitgesproken.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

De heer S. is actief geweest in de afgelopen 30 jaar. Hij is in december 2005 voor de rechter verschenen vanwege een economisch delict en dus niet vanwege het verlenen van medewerking aan verspreiding van massavernietigingswapens.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Ik heb zo-even de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken genoemd en daar staat nog een aantal andere acties in. Dus wat dat betreft is het voor mij geen punt.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

U zei zo-even dat niet gesteld kan worden dat de regering het heeft laten lopen. De heer Slebos zegt in de uitzending van Zembla van 7 november dat hij het er principieel mee eens was dat Pakistaan een atoombom krijgt en dat hij daarom zijn medewerking heeft verleend. En dat is altijd zo geweest. Die man is dus niet gestopt.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Ik refereer aan de brief die wij van de staatssecretaris van Economische Zaken hebben gekregen en waarin ook een aantal andere acties worden genoemd.

De reden voor het rapport van de Rijksarchiefinspectie is het in september geopenbaarde feit dat het strafdossier niet in het archief van het arrondissement te vinden was. Naar nu blijkt, was dit al geconstateerd begin 2004 toen twee leden van de meervoudige strafkamer van destijds, dus van 20 jaar geleden, om inzage van het dossier gevraagd hadden. Tussen de wetenschap en de openbaarmaking ervan zit een behoorlijke tijd. De minister blijkt daarvan begin 2005 op de hoogte gesteld te zijn. Ik heb mij afgevraagd of in de tussenliggende periode intern naspeurwerk is gedaan naar waar het dossier zich zou kunnen bevinden. Daar blijkt namelijk niets van uit de rapportage. De centrale vragen die in het inspectierapport worden gesteld geven aan, dat er nog wel een slag te verbeteren valt bij de archivering – naar ik heb begrepen, is dat inmiddels ook in gang gezet – en zeker daar waar het gaat om de registratie van uitgeleende dossiers. Vooral met een strafdossier moet zorgvuldig worden omgegaan. Uit de rapportage blijkt dat in de afgelopen 20 jaar een aantal wijzigingen is doorgevoerd waardoor ook een andere classificatie van dossiers mogelijk werd. Niet vermeld kan derhalve worden hoeveel dossiers nog meer niet terug te vinden zijn of gedeeltelijk wegens verstrijken van termijnen zijn vernietigd.

Ik weet niet goed wat ik met die constatering moet. Over welke dossiers gaat dit? Op wat voor zaken hebben die dossiers betrekking? Uit het rapport komt naar voren dat het aannemelijk is dat het dossier in 1985 in het centraal archief terecht is gekomen. De inspectie acht het aannemelijk omdat zij de routering van vergelijkbare dossiers heeft gevolgd. Daarbij wordt tevens gemeld dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld omdat het niet gedocumenteerd wordt. Het zou toch niet al te veel moeite moeten kosten om dergelijke zaken in de toekomst wel te documenteren en zo misverstanden te voorkomen?

Beleid dat beoogt, verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan, kwalificeren wij als minimumbeleid. Voorwaarden scheppen om te voorkomen dat schendingen van non-proliferatieverdragen achteraf moeten worden gecorrigeerd, zijn minstens zo belangrijk. In dit verband veronderstelt de CDA-fractie dat het ministerie inmiddels in preventieve zin maatregelen heeft getroffen om het Non-proliferatieverdrag effectief te doen zijn.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Mevrouw De Pater beschrijft de chronologie van het verdwijnen van het strafdossier. Ik wil er ook een oordeel van haar over horen. Na het veelvuldig stellen van vragen hierover kreeg ik pas in oktober 2005 gemeld dat de minister een en ander al in het voorjaar wist. Vindt mevrouw De Pater niet, gezien de grote aandacht van de Kamer voor dit dossier, dat de minister dit had moeten melden? Heeft hij de Kamer slecht geïnformeerd?

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Ik heb in mijn bijdrage een opmerking gemaakt over het wederom vragen van inzage in het dossier in 2004. De minister is dit in 2005 gemeld. Ik ga ervan uit dat in de tussentijd nog naspeuringen zijn gedaan. Ik hoor daar graag de reactie van de minister op.

De voorzitter:

Het kabinet heeft gevraagd om enige minuten overleg.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Brinkhorst:

Voorzitter. Collega Donner zal ingaan op de strafrechtelijke aspecten, college Remkes op de inlichtingendimensie en ik op de vragen hoe de zaak er nu voorstaat en wat er in de tussentijd is verbeterd. Dat is natuurlijk ook de kern van dit debat.

Mevrouw Karimi sprak over krampachtigheid. Zij heeft het dossier natuurlijk nauwkeurig bestudeerd en gezien dat deze kwestie al uitvoerig aan de orde is gesteld in de vragen van de leden Brinkhorst en Waltmans van 21 juni 1979 en de antwoorden daarop. In ieder geval wat mij betreft is er dan ook geen enkele sprake van krampachtigheid. Mevrouw Karimi vroeg zich af waarom er nu zo moeilijk werd gedaan over openbaarmaking van het rapport-Bos. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat dit rapport heel veel informatie bevat over de toeleveranciers van UCN en over belangrijke onderdelen van de ultracentrifuge-installatie. Samen levert die informatie een soort van boodschappenlijstje over non-proliferatie. Mevrouw Karimi zal het met mij eens zijn dat wij dat niet openbaar willen maken, ook niet als het gaat om een heel oude technologie. In ieder geval moest die informatie eerst uit het rapport dat de Kamer is toegezonden. Overigens heeft ook mevrouw Karimi nog nadere informatie gekregen.

Na zo veel jaar weten wij natuurlijk nog steeds niet precies wat Khan uit Nederland heeft meegenomen. Waarschijnlijk geen blauwdrukken, wel contacten met en wetenschap over toeleveranciers van Urenco. De suggestie die ook wel door de heer Blom is gedaan, namelijk dat Nederland min of meer als enige verantwoordelijk zou zijn geweest voor de ontwikkeling van de kernwapens in Pakistan, wil ik dan ook ver van ons werpen. Khan heeft veel contacten gehad, niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten, zoals in Engeland en in de VS. Er zijn dus kennis en goederen bij betrokken uit veel meer landen dan alleen Nederland.

Het lijkt mij ook goed om een onderscheid te maken. De zaak-Khan betreft proliferatie – het wegvloeien van kennis over kernenergie; dat wil zeggen kennis die elders gebruikt is voor een kernwapenprogramma – en het betreft de verwerving van dual use goederen ten behoeve van zo'n programma. Dat raakt weliswaar aan het wapenexportbeleid, maar het is niet hetzelfde. Dual-usetechnologie en dual-usegoederen worden normaliter voor civiele doeleinden gebruikt. Dat is het grote verschil met kernwapens en dat vergt ook een verschil in benadering.

Ik denk inderdaad dat het 25 jaar later vooral van belang is om te bezien hoe de zaak er nu voorstaat en hij wij er nu bijstaan.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Volgens mij zei u in een tussenzinnetje dat Khan geen blauwdrukken heeft meegenomen. Klopt dat?

Minister Brinkhorst:

Ik heb die zin inderdaad uitgesproken!

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Dat weet u wel? U zei immers dat u niet weet wat hij wel heeft meegenomen!

Minister Brinkhorst:

Ik heb er ook het woord "waarschijnlijk" bij gezegd! Volgens mij is dat voor iedereen hoorbaar geweest.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Op basis waarvan zegt u dat dan? De laatste informatie die wij hebben van het Internationale Atoom Agentschap over het nucleaire programma van Iran is toch dat er blauwdrukken zijn gevonden die hetzelfde zouden moeten zijn als die welke Khan uit Nederland zou hebben meegenomen?

Minister Brinkhorst:

Ik zeg dit uiteraard op basis van de beste informatie waarover wij beschikken. U was in die periode daar niet aanwezig, ook ik niet. Sinds 1979 is er geen indicatie gekomen dat er blauwdrukken zijn meegenomen! Dat is het enige wat ik u daarover kan zeggen.

Mevrouw Karimi vroeg hoe het mogelijk is dat Nederlandse bedrijven jaren lang aan Khan konden blijven leveren. In 1979 – het jaar van die vragen die ik net noemde – heeft de Economische Controle Dienst gerichte controles uitgevoerd om te bezien of er contacten waren geweest met Khan en of er leveranties aan Pakistan waren verricht ofwel offertes waren aangevraagd. Waar mogelijk is daar toen in de toenmalige context actie op ondernomen. U kunt het allemaal lezen in de antwoorden op de vragen van de leden Brinkhorst en Waltmans.

Bij de UCN-leveranciers kwam de ECD één bedrijf en één persoon op het spoor die mogelijk betrokken waren bij leveranties van gevoelige materialen aan Pakistan. Zowel het bedrijf als de persoon zijn aan een nader onderzoek onderworpen en uiteindelijk door het OM vervolgd. In het ene geval volgde vrijspraak in 1984, in het andere geval een veroordeling. Mijn collega van Justitie zal hierop verder ingaan.

Inmiddels is er veel veranderd, in tegenstelling tot hetgeen werd gesuggereerd, namelijk dat er sinds 1979 niet veel is veranderd. Ik zal een vijftal punten noemen: wat is er gebeurd en welke lessen zijn geleerd?

Ten eerste is het evident dat met name de beveiliging bij Urenco sterk is verbeterd. Men mag niet vergeten dat de UC-technologie, de uraniumverrijking via ultracentrifugetechnologie, tot begin jaren zeventig niet geheim was. Sinds 1979 is dat fundamenteel veranderd.

In de tweede plaats is er op het terrein van de wapenexport en dual-usedimensie het nodige veranderd. De internationale samenwerking op het terrein van non-proliferatie is aanzienlijk versterkt, zowel aan de kant van de EU maar ook binnen het IAEA, het Internationaal Atoomenergieagentschap.

Ten derde is het exportcontrole-instrumentarium veel verder uitgewerkt, opgetuigd en toegepast, zowel nationaal als internationaal. Multilateraal zijn er nu exportcontroleregimes, zoals de Nuclear Suppliers Group en de Missile Technology Control Regimes. Internationale regimes werken aan de controlelijsten van de relevante dual-usegoederen. In Europees verband bestaat sinds 1994 de zogenaamde dual-useverordening: een Europese verordening die in detail ingaat op deze problematiek, die mede het gevolg is van de Europese interne markt. Juist ter wille van de dual-useproblematiek is een buitengewoon sterk regime ontstaan met een belangrijke communautaire competentie. Daarnaast bestaat een nationale uitwerking van de bredere afspraken in Europees verband. Naast de lijstgoederen, een zeer uitgebreide lijst van vergunningplichtige goederen, bestaat ook het catch-allbeginsel. Dat laatste houdt in dat ook een ad-hocvergunning kan worden geweigerd wanneer aanwijzingen voor ongerechtigheden bestaan, ook voor goederen die niet op die lijst staan.

Verder is er sindsdien internationaal, zowel binnen de EU als daarbuiten, een veel stringenter overleg. Daarbij gaat het over verwervingspogingen, over de wijze waarop daarbij betrokken actoren moeten worden bezien, de front companies en de gezochte goederen.

Ten vijfde is er nog, los van de exportcontrole, in sommige sectoren een specifiek inspectieregime. Denk daarbij aan het chemische-industrieregime bij de OPCW in Den Haag en, op nucleair gebied, het IAEA.

Concluderend, op dit ogenblik kunnen wij zeggen dat men nauwelijks nog probeert om hoogwaardige dual-usegoederen uit het Westen te betrekken. Er zijn wel pogingen om minder geavanceerde goederen aan te schaffen die niet voorkomen op de controlelijsten. Maar ik noemde niet voor niets "catch all"; het beginsel van de ad-hocvergunning. Dat laatste is een heel goed bestrijdingsmiddel. Het Nederlandse beleid is erop gericht om zeer zorgvuldig met het catch-allbeginsel om te gaan.

Kortom, er is wel sprake van een secundaire proliferatie: niet zozeer rechtstreekse kennisoverdracht uit het Westen, maar via andere landen. Dat moet vooral via internationale akkoorden worden bestreden. Op de landen moet druk worden uitgeoefend en er moet overleg zijn en zendingswerk. Een belangrijke ontwikkeling is ook de koppeling van handelsakkoorden en samenwerkingsakkoorden aan non-proliferatieclausules.

Ik kom op een paar specifieke vragen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik stel u een vraag over de opmerkingen die u vijf minuten geleden maakte. De heer Blom zette heel heftig aan dat Nederland verantwoordelijk zou zijn voor het ontwikkelen van de Pakistaanse kernbom. De heer Kahn heeft boeken gekopieerd, foto's weggenomen en zelfs de Nederlandse regering op de Pakistaanse televisie bedankt voor alle informatie die hij heeft kunnen vergaren. Daaruit kan toch geconcludeerd worden dat deze meneer door de lakse houding van de overheid kennis heeft meegenomen die het mede mogelijk maakte om in Pakistan een kernbom te ontwikkelen? Nederland is daar toch medeverantwoordelijk voor?

Minister Brinkhorst:

Ik zal niet ontkennen dat het een zeer ongelukkige affaire is geweest. Het rapport-Bos is niet voor niets verschenen en de ontwikkelingen spreken voor zich. Een en ander moet echter geplaatst worden in het kader van die tijd. Er is ook buitengewoon veel informatie verworven in andere landen. Dat is geen verontschuldiging maar een feitelijke constatering. Wij spreken over meer dan 25 jaar geleden en daarom wijs ik er ook op dat de centrifugetechnologie tot het begin van de jaren zeventig absoluut niet werd gezien als een bedreiging van de non-proliferatie. Er zijn zeker fouten gemaakt; dat kan niet worden ontkend. Ik reageer slechts op de veronderstelling dat de Nederlandse regering exclusief verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van Pakistan tot atoomstaat.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Als wij het houden op medeverantwoordelijkheid, dan zijn wij het met elkaar eens.

De heer Blom (PvdA):

Ik heb niet gezegd dat Nederland alleen verantwoordelijk kan worden gesteld, hoewel Nederland zeker medeverantwoordelijk is.

Minister Brinkhorst:

Voorzitter. Mevrouw Van Velzen vroeg om een overzicht van de bedrijven die in het kader van de Kahnaffaire geëxporteerd hebben. Mevrouw Van Velzen heeft inzage gekregen in de niet openbare versie van het rapport-Bos waarin de namen staan. Die namen maken wij niet alsnog openbaar. Ik geef aan dat uiteindelijk twee zaken voor de rechter zijn gebracht. Mijn collega zal daarop ingaan. Informatie daarover is naar de Kamer gestuurd.

Mevrouw Van Velzen heeft ook gevraagd naar de vermelding van Philips op een betalingsoverzicht van Kahn dat te zien was in de uitzending van Zembla. Philips heeft naar aanleiding van vragen van NRC Handelsblad in augustus vorig jaar intern gezocht naar aanknopingspunten voor die vermelding. Het ging om de levering van reservedelen voor cryogeneratoren aan een chemiebedrijf in Islamabad. Met cryogeneratoren wordt vloeibare lucht of stikstof met een temperatuur tot min 200° gemaakt. Deze stoffen worden gebruikt om alle mogelijke producten in te vriezen en processen onder de gewenste lage temperatuur te laten verlopen. Jaarlijks worden over de hele wereld honderden van deze koelmachines verkocht. Als minister van LNV heb ik daar veel ervaring mee gehad in verband met de kunstmatige inseminatie van dieren. Ook leveringen aan de chemische industrie kwamen veelvuldig voor. Philips ging er toen van uit dat het chemiebedrijf de eindgebruiker zou zijn. De vraag of het bedrijf in Islamabad als front werd gebruikt, is pas veel later aan de orde gekomen. Op grond van deze gegevens is de uitspraak in Zembla gedaan.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik benoemde heel specifiek Philips omdat dat bedrijf nogal helder in beeld was. In de lijsten die ons vertrouwelijk zijn gegeven en in de lijsten die Zembla verspreid heeft, komen heel veel bedrijfsnamen voor, ook Nederlandse. Soms staat met de hand erbij geschreven dat zij geleverd hebben aan het netwerk van Kahn dus mede bijgedragen hebben aan de mogelijkheid van het ontwikkelen van een kernbom. Waarom zijn die bedrijven niet vervolgd? U bent nu op één bedrijf ingegaan. Philips heeft zichzelf in het openbaar al verdedigd en voor die zaak geldt: zand erover. Ik ben benieuwd waarom besloten is om al die andere bedrijven niet te vervolgen. Ik zie graag dat u ons daarover voorlicht.

Minister Brinkhorst:

In die periode heeft natuurlijk een onderzoek plaatsgevonden. Dat slechts twee zaken voor de rechter zijn gebracht, betekent dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de andere zaken vervolgingswaardig waren. De specifieke vraag over Philips heb ik beantwoord.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Nu komen wij echt in een "catch-22" terecht. Het strafdossier kan ik niet inzien, dus ik weet niet op welke manier die bedrijven zijn onderzocht en waarom is besloten om ze niet te vervolgen. Zo komen wij er niet uit. Wat kunnen de aanwezige ministers nog in hun dossiers terugvinden over de redenen dat deze bedrijven niet zijn vervolgd?

Minister Brinkhorst:

Mijn collega van Justitie zal zeker nog ingaan op het vervolgingsbeleid. Dat slechts twee bedrijven zijn vervolgd, betekent dat dit de enige waren waarvan kon worden vastgesteld dat zij strafbare feiten hebben gepleegd.

De heer Blom heeft een vrij algemene maar niet onbelangrijke vraag gesteld die ik niet onbeantwoord mag laten: waarom verbieden wij de kennisoverdracht in relatie tot massavernietigingswapens niet gewoon? Een dergelijk algemeen verbod is moeilijk op een verantwoorde manier te realiseren of in juridisch houdbare termen te gieten. Een algemeen verbod is bovendien eerder een strafrechtelijke kwestie; ik verwijs de heer Blom hiervoor naar mijn collega van Justitie. Zo'n verbod zou zaken strafbaar maken die wij eigenlijk heel nuttig vinden. Een voorbeeld is het onderzoek naar bepaalde dierziekten die als biologische wapens kunnen worden gebruikt. Vrijwel alle chemische wapens richten zich op het zenuwstelsel. Veel raketten voor satellieten voldoen aan de criteria voor dragers van massavernietigingswapen. Kortom, het is ongewenst om onderzoek naar dit soort zaken te belemmeren, laat staan te verbieden. Daarbij gaat het ook om onderzoek naar beschermende kleding, antistoffen en luchtfilters, die het effect van massavernietigingswapens kunnen beperken. Het exportregime is gebaseerd op een selectief vergunningensysteem, maar in hersenen opgeslagen kennis valt veel moeilijker te controleren.

De heer Blom (PvdA):

Ik begrijp heel goed dat kennis-overdracht niet kan worden verboden. Er kan echter wel een toelatingsbeleid worden geformuleerd voor relevante kennis die in Nederland wordt onderwezen over in potentie gevaarlijke zaken, zoals nucleaire technologie. Kenniswerkers en studenten uit landen die wij niet zomaar vertrouwen – dit wordt ook uitgesproken in het Nederlandse buitenlands beleid – zouden geen kennis mogen opdoen in de Nederlandse technologische instituten. Daarbij valt te denken aan Noord-Korea en Iran, maar er zijn nog wel meer staten te bedenken.

Voorzitter: Van de Camp

Minister Brinkhorst:

Het Nederlandse toelatingsbeleid richt zich niet op het weren van individuen uit bepaalde landen. Er vindt natuurlijk wel screening plaats om ervoor te zorgen dat bepaalde kennis wordt afgeschermd. India is een kernwapenstaat en is geen lid van het non-proliferatieverdrag. Nederland heeft zeer veel kenniswerkers nodig, ook uit India. Indien de regels van de heer Blom worden toegepast, zouden wij Indiërs niet meer mogen toelaten. Dat zou zeer vergaande gevolgen hebben

De heer Blom (PvdA):

Stel dat morgen een meneer T. uit Noord-Korea naar Nederland komt en zegt: ik wil zes jaar nucleaire technologie in Delft gaan studeren en vervolgens ga ik terug naar Noord-Korea om die kennis in de praktijk te brengen. Daar kunnen wij toch niet voor zijn?

Minister Brinkhorst:

Er wordt natuurlijk altijd zorgvuldig gekeken naar antecedenten. De heer Blom wil echter alle studenten uit landen die het non-proliferatieverdrag niet hebben getekend, niet meer toelaten. Dit zou een grote wijziging van het bestaande regime betekenen. Kennis wordt zorgvuldig afgeschermd en er is een zorgvuldige screening op allerlei gebieden. Wij wijzen mensen echter niet af omdat zij een rode neus hebben of uit een bepaald land komen, zonder dat er andere aanwijzingen zijn.

Minister Donner:

Voorzitter. Ik begrijp dat ik nu het verleden moet behandelen en de afdeling gevonden voorwerpen. De zaak-Khan is op zichzelf, terugkijkend, uitermate betreurenswaardig. Ik geloof dat dit ook al gezegd is.

Met kennis achteraf, gaat er ook erg veel mis in de wereld. Het criterium is de wijze waarop er gehandeld is op ieder moment, alsook wat er is besloten in het licht van de op dat moment aanwezige kennis. De vragen zijn ook of er toen juist is overwogen en juist besloten.

Als je dertig jaar na dato terugkijkt op de zaak-Khan met alle kennis die wij nu hebben, kan je zeggen dat er sprake is van een scenario waarin zaken fout zijn gegaan. Als je het bekijkt op basis van de situatie van toen met de kennis die er toen was, moet je zeggen dat er toen inderdaad fout besloten is. Met kennis achteraf hadden wij ook vele oorlogen kunnen voorkomen.

Mevrouw Karimi heeft gevraagd hoe het is gegaan bij de zaak-Khan. In het antwoord op de vragen van de heer Koenders is ook uitvoerig stil gestaan bij de wijze waarop op het moment dat de informatie kwam, althans er voldoende strafrechtelijk bewijs kwam van betrokkenheid bij spionage en het stelen van informatie, er vervolgens ook strafrechtelijk is opgetreden.

In 1975, toen de zaak begon, is de heer Khan op instigatie van een beveiligingsambtenaar van Economische Zaken uit het UC-circuit verwijderd. Er is toen een beperkt onderzoek ingesteld of er verder aanleiding was tot optreden. Dat was toen niet het geval. In 1976 is de heer Khan zelf vertrokken naar het buitenland. Pas tegen het eind van de jaren zeventig zijn er harde aanwijzingen gekomen van zodanige betrokkenheid dat er strafrechtelijk kon worden opgetreden. Toen is er ook strafrechtelijk opgetreden.

De strafzaak is in 1981 ingetekend. De zaak heeft bij verstek plaatsgevonden, omdat de heer Khan op dat moment in Pakistan zat en daar niet uit terug wilde komen. Vervolgens is helaas inderdaad op basis van het feit dat de dagvaarding gericht was aan een adres waar de heer Khan op dat moment niet was, dus op grond van die vormfout, de uitspraak later door het hof vernietigd.

Vervolgens is er overwogen of het zinvol was om opnieuw tot vervolging over te gaan. In hoger beroep was de substantie van het oordeel niet aangetast. Kortom, de betrokkenheid stond vast. Alleen werd men door het feit dat de heer Khan nog steeds in Pakistan verbleef, ermee geconfronteerd dat Pakistan niet zou uitleveren. Ook met de andere landen waar de heer Khan zich ophield, waren geen verdragen om hem uit te leveren. Op dat moment leek het in het licht daarvan niet zinvol om de hele zaak opnieuw te voeren, mede omdat de dagvaarding mogelijk aan het verkeerde adres zou worden uitgebracht. Immers, men wist niet waar hij precies verbleef. Die kans bestond nog steeds. Op grond hiervan is toen dus besloten om niet tot vervolging over te gaan. Ik denk dat dit een niet helemaal onverstandige beslissing was.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Hoe komt het dat in de jaren zeventig, toen er voldoende aanwijzingen waren om de heer Khan als verdachte te zien, de Nederlandse staat of welke Nederlandse autoriteit dan ook niet tot actie is overgegaan en aan het eind van de jaren zeventig, toen er een Duitse televisieploeg terzake rapporteerde, er wél een aanleiding werd gezien om in actie te komen?

Minister Donner:

Nogmaals, ik ga nu terug in het verleden. U hebt ook in het rapport van de heer Bos kunnen lezen wat de voorvallen in die tijd geweest zijn. In Nederland is het zo, ook in die tijd, dat strafvervolging pas kan worden ingezet als er harde aanwijzingen zijn voor strafrechtelijke overtreding, dus niet het enkele vermoeden. Er moeten aanwijzingen zijn. De aanwijzingen begonnen pas hard te worden, toen in 1979 bleek dat Pakistan bezig was met een uraniumverrijkingsproject. Vanaf dat moment zijn er hardere aanwijzingen gekomen dat de kennis daarvan mede bij Urenco verkregen was. Dat heeft geleid tot strafvervolging. De zaak is bij het Openbaar Ministerie ingetekend in 1981. Het strafrechtelijk onderzoek is vermoedelijk begonnen rond 1979.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Mijn punt is dat in het begin van de jaren zeventig zo laks is opgetreden. Er waren toen voldoende aanwijzingen dat de heer Khan op de verkeerde manier met zijn kennis omging. Toen is men niet opgetreden.

Ik stoor mij eraan dat de minister nu eigenlijk zegt dat met de kennis van nu zou kunnen worden gezegd dat er toen fout gehandeld is. Volgens mij kon ook al met de kennis van toen gezegd worden dat er fout gehandeld is.

Minister Donner:

Mevrouw Karimi stelt nu dat er een aantal zaken bekend was, maar waar blijkt dat uit?

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Uit het dossier dat ik gelezen heb. Midden jaren zeventig was er informatie over verdachte activiteiten van de heer Khan. Inlichtingendiensten zijn dan in contact met de heer Khan. Je zou zeggen dat daarnaar nader onderzoek nodig was, maar de Nederlandse Staat en de verschillende onderdelen daarvan laten dat lopen. Eind jaren zeventig komt de zaak in de publiciteit. Dan wordt tot actie overgegaan.

Minister Donner:

Zolang verdenkingen in de sfeer van het verkrijgen van inlichtingen bestaan – zo was het in die tijd – is er geen basis voor strafrechtelijke vervolging. Achteraf kan altijd gezegd worden dat dit laks is, zeker met de kennis die wij nu hebben, maar dat is een oordeel van mevrouw Karimi. Ik heb dat niet.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik zit met twee prangende vragen. Ten eerste is besloten om niet langer te vervolgen. De minister zegt dat dit te maken had met de omstandigheid dat de verdachte, de heer Khan, in Pakistan zat. In het vervolg is hij echter wel een aantal keren terug geweest in Nederland, een aantal keren zelfs met toestemming. Ook toen is niet besloten om hem opnieuw te vervolgen. Dat snap ik niet.

Ten tweede zegt de minister dat in de eerste helft van de zeventiger jaren, eigenlijk tot 1975, niet echt aanwijzingen waren dat er iets mis was. Nu heb ik de dagboeken van en de interviews met de klokkenluider gelezen. Die heeft in detail uitgestippeld wat er allemaal naar buiten zou komen. Wat is er gebeurd? Die man is uit zijn functie gezet en veelvuldig lastig gevallen door, destijds, BVD'ers. Is dat de minister ook bekend? Vindt hij niet dat die man eigenlijk met terugwerkende kracht in ere hersteld zou moeten worden?

Minister Donner:

In ieder geval heeft het OM geen contact gehad met die persoon. Daar gaat het om. Er kunnen op een gegeven moment wel klokkenluiders zijn, maar die informatie moet bij het Openbaar Ministerie komen, om het OM te kunnen verwijten dat er niet is opgetreden naar aanleiding van informatie.

In 1983 is de zaak bij het hof vernietigd. De zaak is in 1986 gesloten, nadat van verschillende zijden nog een keer bekeken was of het zinvol was om er verder mee te gaan. In 1986 had de heer Khan Nederland ongeveer tien jaar verlaten. Inmiddels zijn de feiten verjaard. In het licht van de situatie op dat moment kan niet achteraf gezegd worden dat het besluit niet zo genomen had mogen worden.

Mevrouw Van Velzen (SP):

De minister zegt dat de klokkenluider niet voorkomt in de dossiers van het OM. Dat is voor mij nogal lastig te controleren. Deze man komt echter wel degelijk voor in de stukken die aan ons zijn gestuurd. Wij hebben gezwarte stukken gekregen, waarin maar één naam niet gezwart is, de naam van de klokkenluider, de heer Veerman. Gaat het om zorgvuldigheid, dan is dat niet helemaal netjes.

Ik wil hier geen politiek debat van maken, maar ik zou graag zien dat de minister de zaak van die man bekeek. Ik denk dat hem onrecht is aangedaan. Dat is in niemands belang.

Minister Donner:

Dat is een tweede vraag, voor de minister die daarbij betrokken is. Ik discussieer nu over de strafzaak. Achteraf is de zaak aan de orde gekomen in het rapport-Bos, in het licht van wat toen bekend was. Dat was de aanleiding voor het onderzoek van de heer Bos. Er is toen geconcludeerd dat die informatie er was. De vraag is echter of op het moment dat de informatie beoordeeld werd, er al of niet aanwijzingen waren dat het serieuzer genomen had moeten worden. Daarover zul je altijd van mening kunnen verschillen. Dat geldt voor alle waarschuwingen. U wijst er nu op dat pas achteraf die informatie juist bleek te zijn. Welnu, dit betreft een zaak die 25 jaar geleden speelde en daarvan meen ik dat toen niet laks is opgetreden door het Openbaar Ministerie in het licht van de informatie die er toen was.

Mevrouw Van Velzen (SP):

De minister verwijst naar een andere minister die ervoor verantwoordelijk zou zijn hoe er met klokkenluiders moet worden omgegaan. Ik weet niet welke minister hij bedoelt. Kan hij mij dit zeggen?

Minister Donner:

Ik weet dit zo niet. U heeft het hier over een werknemer die in ieder geval niet bij het Openbaar Ministerie is geweest. U kunt mij derhalve moeilijk vragen dat betrokkene eerherstel gegeven moet worden.

Voorzitter. In de tweede plaats is hier gewezen op de zaak-Slebos. In dat geval is er, zodra de informatie er voor het Openbaar Ministerie was om te kunnen vervolgen, tot vervolging overgegaan. Er heeft recent een veroordeling plaatsgevonden. Ik noteer dat ettelijke fracties, die doorgaans menen dat je geen kritiek op rechterlijke vonnissen moet hebben, nu menen dat de rechter in dezen te laag heeft gevonnist. Dat alles daargelaten, wijs ik erop dat het OM in hoger beroep is gegaan, mede in verband met de strafmaat die is toegepast.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik heb in ieder geval geen kritiek gehad op wat de rechter heeft uitgesproken.

Minister Donner:

Ik heb ook niet gezegd dat u die kritiek wel had.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Nee, maar mijn fractie is één van de fracties die dat altijd zegt... Mijn punt is echter dat hij is vervolgd op basis van een economisch delict en mijn vraag daarbij is of wij voldoende wetgeving hebben om mensen te vervolgen die medeverantwoordelijk zijn voor verspreiding van massavernietigingswapens en van kennis en technologie betreffende massavernietigingswapens.

Minister Donner:

De minister van Economische Zaken is zonet ingegaan op de wijze waarop de wetgeving in de afgelopen jaren is aangescherpt. Op zichzelf is dat een kwestie van wetgeving. Wij hebben recent de wetgeving aanvaard met betrekking tot betrokkenheid bij misdrijven tegen de mensheid. In dat kader is niet aanvaard het eventueel indirect betrokken zijn bij de ontwikkeling van kernwapens. Dat hebben wij niet als een separaat strafbaar feit genomen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Acht u dat wel wenselijk? Ik acht het wenselijk om daarover ook wetgeving tot stand te brengen. Wij kunnen wat dat betreft parallellen trekken met andere zaken, bijvoorbeeld met de zaak-Frans van Anraat. Deze heeft aan Saddam Hoessein materiaal geleverd dat gebruikt kon worden voor het maken van mosterdgas. Er is mosterdgas ingezet en daardoor is hij medeverantwoordelijk bevonden voor oorlogsmisdaden. Hier betreft het de heer Slebos die heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de Pakistaanse atoombom – dat zegt hij zelf. Hij zegt dat hij willens en wetens daaraan heeft meegewerkt. Daarvoor is hij echter niet vervolgbaar.

Minister Donner:

Hij is daar niet voor vervolgbaar, omdat wij dat niet strafbaar hebben gesteld. Ik zie ook niet in hoe wij dat strafbaar zouden moeten gaan stellen, want de constatering van deze medewerking berust zuiver en alleen op de mededeling van de heer Slebos zelf. Op basis van een eigen bekentenis kan hij niet vervolgd worden. Ik heb te maken met de overtredingen zoals wij die in de wetgeving hebben vastgelegd. Het betreft de wetgeving die minister Brinkhorst uiteen heeft gezet; op dat punt kan er vervolgd worden. Het gegeven echter dat dit soort criminelen zichzelf achteraf voor de tv op de borst slaan en zeggen: "Kijk eens waaraan ik heb meegewerkt", biedt geen basis waarop ik hen kan vervolgen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Mijn vraag is of u dit niettemin wenselijk acht. Ik zou aan de orde willen stellen dat u hiernaar kijkt en dit onderzoekt. Ik weet dat in Duitsland voor het zelfde vergrijp er wel wettelijke regels van toepassing zijn.

Minister Donner:

Ik heb de indruk dat op dat punt de wetten in de verschillende landen van de Europese Unie zoveel mogelijk aan elkaar gelijk worden gemaakt. Niet alleen door de minister van Economische Zaken, maar ook door de staatssecretaris van Economische Zaken met haar brief van november 2005 is aangegeven dat het niet juist is om te concluderen dat de heer Slebos met zijn activiteiten ongemoeid is gelaten. Echter, wij hebben met de wetgeving de bewering dat men betrokken is bij de ontwikkeling van een atoombom niet apart strafbaar gesteld.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Het gaat mij niet om de vraag of dit apart strafbaar is gesteld. Mijn vraag was of u dat wenselijk acht en of u bereid bent dit strafbaar te stellen.

Minister Donner:

Mevrouw Karimi, de Kamer roept mij zelfs al tot de orde als ik wetgeving ontwikkel waarin wordt bepaald dat mensen niet mogen pochen op het uitvoeren van bepaalde criminele handelingen. Ik doel nu op de apologiebepaling. Derhalve kan ik geen wetgeving gaan ontwikkelen waarin staat dat de bewering "ik heb meegewerkt aan het maken van een atoombom" strafbaar is. Nogmaals, wij moeten voor bepaalde activiteiten een vertaling vinden en uitzoeken wanneer sprake is van strafbaar handelen. Wat dat betreft spreekt u terecht over de heer Van Anraat. Wij kennen terzake een bepaling. Die zegt dat het moet gaan om betrokkenheid bij een misdrijf tegen de menselijkheid. Als daarvan sprake is kunnen wij dus aan de hand van aanvaarde wetgeving optreden. In de brede zin van het woord kan het dan ook gaan om de ontwikkeling en het gebruik van atoombommen. Ook dan kan het gaan om een misdrijf tegen de menselijkheid. Echter, mevrouw Karimi heeft het nu over het gebruiken van kennis bij de ontwikkeling van nucleaire activiteiten. Voor de ontwikkeling van de atoombom in 1944 is mede gebruik gemaakt van de kennis van Nederlandse Nobelprijswinnaars. Je weet nooit waar iemands kennis wordt gebruikt en waartoe het gebruik van die kennis leidt. Als wij ons daarmee bezighouden, probeer wij iets strafbaar te stellen waar wij geen greep op kunnen krijgen. Natuurlijk kunnen wij bij alles een heksenjacht ontwikkelen, maar ik vind dat wij dat niet moeten doen.

De heer Blom (PvdA):

Voorzitter. Ik begrijp de discussie nu niet helemaal. De heer Van Anraat is veroordeeld omdat hij mee heeft gewerkt aan de ontwikkeling van massavernietigingswapens die Saddam Hoessein vervolgens heeft gebruikt. Vast te stellen is dat bij het gebruik van die wapens honderdduizenden doden zijn gevallen. Echter, zolang Pakistan het kernwapen niet gebruikt, kunnen wij mensen uit Nederland niet vervolgen op grond van het verspreiden van atoomgegevens of het verlenen van hulp aan Pakistan bij het maken van een kernwapen. Dus pas als Pakistan het kernwapen inzet, is de genoemde heer S. strafbaar. Als mijn analyse juist is, vind ik dat wij daarover moeten nadenken en dat wij moeten nagaan of het wel slim is dat dit zo is geregeld.

Minister Donner:

Maar dat is een separate discussie. Het gevolg zou kunnen zijn dat wij alle landen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van kernwapens, strafbaar stellen. Die strafbaarstelling geldt dan voor Frankrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk enzovoorts. Wij kunnen geen onderscheid maken. Derhalve zeg ik: besef waar u mee bezig bent. Ik meen dat wij vanwege een zaak in het verleden langzamerhand bezig zijn met het knopen van de hond aan de staart.

De heer Blom (PvdA):

Hierbij kan toch hetzelfde gelden als voor de kenniswerkers. Je kunt namelijk van tevoren bepalen welke landen onder de bepalingen van een dergelijke wetgeving zouden kunnen vallen. Er worden internationale afspraken met sommige landen gemaakt, zodat er internationale verbanden zijn. Uw collega Brinkhorst gaf ik al het voorbeeld van de Noord-Koreaanse student. Mij lijkt dat je de lijn door kunt trekken. Overigens, ik weet niet of dit wettelijk mogelijk is, want daar heb ik geen verstand van, maar het is in ieder geval het overwegen waard. Wij zouden hierover dus eens na kunnen denken, want het is toch een raar verhaal dat je kennis levert aan een land waardoor het een massavernietigingswapen kan maken, maar als dat land dat wapen niet inzet is er niets aan de hand. Echter, als het dat wel doet, is vervolging mogelijk. Gevoelsmatig vind ik dat een heel vreemde zaak.

Minister Donner:

Deze discussie gaat over een separaat onderwerp. Wij zouden dan moeten spreken over de vraag of wij een beleid kunnen voeren dat ertoe leidt dat wij de landen waarvan wij het beeld hebben dat zij eventueel kernwapens ontwikkelen, volstrekt isoleren, ook als het gaat om het vergaren van kennis. Dan zouden nu dus alle studenten uit Iran niet meer aan Nederlandse universiteiten mogen studeren. Wij zouden verder geen contacten kunnen hebben met Iran. Er zijn meer van dergelijke landen te noemen. Het sanctiebeleid dat wij voeren is hier onderwerp van discussie. Als u meent dat dat beleid moet veranderen, moet u de discussie daarover openen, maar nu hebben wij het over de bestaande wetgeving. Idem dito het vreemdelingenbeleid. Als een Noord-Koreaanse student hier asiel vraagt, moet ik dan, omdat hij uit Noord-Korea komt, zeggen dat hij niet in Delft mag studeren, omdat hij in de toekomst bij een verandering van het regime die kennis wel kan gebruiken? De heer Khan kwam uit Pakistan. Dat land was een van onze bondgenoten in de oorlog tegen Japan. Het kan verkeren.

De voorzitter:

Mevrouw Karimi, graag over de zaak-Khan. Laten wij er niet van alles bij halen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik haal er echt niet van alles bij. De minister ridiculiseert de zaak een beetje, wat volgens mij absoluut niet gepast is. Wij hebben het niet over vreemdelingenbeleid. Wij hebben het ook niet over samenwerking met kernmachten die erkend zijn of in het non-proliferatieverdrag samenwerken. Het gaat om het illegaal meewerken aan de totstandkoming van atoomwapens, wat de heer Slebos heeft gedaan. Dat optreden is niet strafbaar.

Minister Donner:

Dat is precies wat er is gebeurd. Toen in 1979 bekend werd dat Pakistan bezig was om deze technologie te ontwikkelen tot een kernwapen, is de heer Khan vervolgd voor de betrokkenheid daarbij en de export van kennis daarheen. Dat is precies wat u vraagt.

De heer Blom heeft de kwestie van de strafmaat aan de orde gesteld. Voor het plegen van het strafbare feit geldt een maximum van zes jaar. De rechter bepaalt in het concrete geval de strafmaat, in dit geval een jaar. Uw collega de heer Straub ziet de Nederlandse gevangenis zeker niet als een prettige gelegenheid, maar dat even daargelaten. Feit blijft dat de rechter de strafmaat bepaalt en dat het niet aangaat dat hier in de Kamer te kritiseren.

De heer Blom (PvdA):

Het was voor mij een slip of the tongue dat het verblijf in de gevangenis prettig zou zijn. Sinds ik dit debat aanschouw en uw woorden hoor, geloof ik niets meer van wat uw collega's in landelijke bladen zeggen over het gebrek aan humor in het kabinet.

Minister Donner:

Deze opsteker hadden wij nodig!

De voorzitter:

Mijnheer de minister, vordert u al een stukje?

Minister Donner:

Ik ben bijna klaar, althans met mevrouw Karimi. Ik dacht dat ik daarmee ook op de vragen van de meeste andere sprekers was ingegaan.

Rest de vraag van het verdwenen dossier. Dat roept het beeld op dat wij dossiers kwijtraken. Nee, het gaat om een dossier dat regulier is vernietigd volgens de geldende regels. Het dossier heeft zaaksnummer 1981. Volgens de regels die op dat moment van toepassing waren, is dat vermoedelijk op enig moment in de jaren negentig vernietigd. Dat doen wij met alle dossiers, omdat wij niet voldoende pakhuizen hebben. Dat betekent niet dat het hele dossier-Khan is verdwenen. Zoals ook blijkt uit het dossier dat u hebt gekregen, zijn er wel degelijk dossiers op het departement. Op basis van die dossiers kan heel wel worden vastgesteld of er aanwijzingen zijn van betrokkenheid van bijvoorbeeld buitenlandse inlichtingendiensten. Ik kan met mijn hand op het hart zeggen dat het strafdossier, als dat er wel was, de laatste plaats zou zijn waarin eventueel sporen aanwijsbaar waren van betrokkenheid van buitenlandse inlichtingendiensten. Als wij dat al registreren – dat doen wij niet – dan doen wij dat in ieder geval niet in het strafdossier. Voor strafdossiers gelden regels voor vernietiging. Na de wijziging van de Archiefwet worden die regels herzien. Ik moet wel vaststellen dat in de tijd dat dit is gebeurd de vernietiging heeft plaatsgevonden op basis van regels die dateerden van 1937, die sinds die tijd niet waren bijgesteld. Dat is alweer een verwijt achteraf waarom, met een vooruitziende blik over de kennis die wij nu hebben, de regels in de jaren negentig niet zijn aangepast. Vooralsnog is het waarschijnlijk/aannemelijk dat het dossier conform de regels vernietigd is. Dat is ook het beeld dat wordt opgeroepen door de Rijksarchiefinspectie. Het enige wat had moeten gebeuren, is het maken van een protocol van de vernietiging. In het inspectierapport wordt echter geconstateerd dat dat meer in het algemeen niet gedaan werd. Dat zijn punten om te controleren en te verbeteren. Het beeld dat dit dossier plotseling vernietigd is, is een verkeerd beeld. Samen met de broederdossiers is het verdwenen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Begrijp ik u goed dat u terugkomt op uw uitspraak van nog geen minuut geleden, dat het dossier gewoon regulier vernietigd is?

Minister Donner:

Het is inderdaad regulier vernietigd. Althans, dat is waarschijnlijk. Ik kan het niet met zekerheid zeggen, omdat er geen protocol van vernietiging is. Zelfs dat was op dat moment in die zin regulier, dat dat voor geen enkele vernietiging gebeurde. Dat is een punt dat voor verbetering vatbaar is.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Het kan dus net zo goed gewoon gestolen zijn. Er zijn vele mogelijkheden en u weet gewoon niet wat de waarheid is.

Minister Donner:

Dat is vergelijkbaar met de vraag: wanneer ben je opgehouden je vrouw te slaan? Als je het niet doet, kun je nooit aantonen dat je ermee bent opgehouden.

Het dossier is er niet meer. Vanaf het moment dat mij dat bekend werd, zijn er op het departement naspeuringen gedaan. Het ging om een beroepszaak en mogelijk was er in verkeerde archieven gekeken. Daarna is er een inspectierapport verschenen over wat er vermoedelijk was gebeurd. De constatering is dat er op een aantal punten mogelijk niet precies volgens de regels is gehandeld, dat er überhaupt grote onduidelijkheid bestond over de op dat moment geldende regels en dat er geen enkele reden was om aan te nemen dat er met opzet fouten zijn gemaakt. Zo is het met veel in het leven.

Mevrouw Van Velzen heeft gevraagd naar de stand van zaken rond het dossier Melchemie. Ik heb niet alle dossiers paraat. Ik neem aan dat het er is of dat het vernietigd is. Ik zal de vraag mondeling beantwoorden.

Er is gevraagd naar de rol van de CIA. Uit het verbatim verslag van het interview met de heer Lubbers kan worden opgemaakt dat hij niet gezegd heeft dat er sprake is geweest van inmenging van buitenlandse diensten. Hij heeft hypotheserend gezegd dat het gebeurd zou kunnen zijn. Eén ding weet ik zeker: op dat moment was de heer Lubbers minister van Economische Zaken. Dat was niet de categorie ministers waar de inlichtingendiensten over de vloer kwamen. Na 1982 was hij er als minister-president bij betrokken, maar op dat moment liep de strafzaak tegen de heer Kahn al. Zijn eventuele verwijten dat er niet werd opgetreden, missen ieder object.

Minister Remkes:

Voorzitter. Ik kan kort zijn, omdat mij weinig vragen zijn gesteld. Collega Brinkhorst heeft al iets gezegd over het beeld dat mevrouw Karimi neerzette van de krampachtigheid waarmee het kabinet deze zaak zou hebben behandeld. Dat beeld is niet juist. Wel heeft het relatief lang geduurd. Dat zegt echter niets over de mate van krampachtigheid. Op grond van de overweging dat het ging om een vertrouwelijk rapport en dat er mogelijkerwijs inlichtingenmatige vragen waren, is het rapport op een gegeven moment naar de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten gestuurd. Daar is de conclusie getrokken dat het niet in de eerste plaats op de weg van deze commissie lag om daar nadere behandeling aan te geven. De commissie heeft toen geadviseerd om het rapport vertrouwelijk naar de desbetreffende Kamercommissie te sturen. Het kabinet heeft zich hierover gebogen. Vervolgens heeft het geconcludeerd dat het eigenlijk ruimhartiger moest handelen dan ingevolge het advies van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten gedaan zou moeten worden. Het rapport is dus gewoon openbaar naar de Kamer gestuurd, zij het dat een aantal namen en bedrijfsnamen gezwart is. En nu spreken wij er bij deze gelegenheid over.

Collega Donner is al voldoende ingegaan op de zaak-Slebos. Daar behoef ik dus niet meer over te zeggen. In zijn algemeenheid kan ik nog wel zeggen dat ik in het openbaar geen uitspraken kan doen over vraagstellingen die raken aan concrete onderzoeksactiviteiten van de BVD op dit dossier.

Mevrouw Karimi heeft gevraagd of de CIA via de AIVD betrokkenheid heeft gehad bij de verdwijning van het dossier. Daarvan is de AIVD niets bekend.

Mevrouw Van Velzen heeft gevraagd of de BVD contact had met de heer Khan. Ook deze vraagt raakt het operationele karakter van de werkzaamheden van de AIVD. Op dat type vragen wordt in het openbaar niet geantwoord.

Mevrouw Van Velzen en mevrouw Karimi hebben nog even het thema beveiliging en screening van mensen aan de orde gesteld. Begin jaren zeventig lag dat anders dan op dit ogenblik, ook qua verantwoordelijkheid. Toen was de uitvoering ook al de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. De vraagverantwoordelijkheid lag toen echter nog bij de minister van Economische Zaken, terwijl die op dit ogenblik bij de minister van VROM ligt. Ik wijs erop dat de beoordeling van de mate van noodzakelijke geheimhouding toen anders lag dan thans. Toen ging het om de classificatie van geheime informatie. Daar zou nu, normaal gesproken, een B-onderzoek op losgelaten worden. Dat is gewoon naslag en verder niets. Ik kan overigens wel zeggen dat een en ander destijds ook nog bij de Belgische collega-dienst nagegaan is, maar dat dit niets heeft opgeleverd.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik heb nog een vraag over de samenwerking indertijd tussen de AIVD, toen de BVD, en de CIA. De heer Lubbers heeft de suggestie gewekt dat de CIA de wens had geuit om de heer Khan te laten gaan, opdat hij gevolgd kon worden en bekeken kon worden waar Pakistan mee bezig was. Klopt dat?

Minister Remkes:

Daar is de AIVD niets van bekend.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Is er over de zaak-Khan nooit enig contact geweest tussen de CIA en de AIVD?

Minister Remkes:

Ik zeg niet dat er vanuit de toenmalige BVD geen contacten zijn geweest met buitenlandse zusterdiensten over deze affaire. Dat is echter iets anders dan u eerst vroeg.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Er zijn dus contacten geweest met de CIA, maar u zegt dat de CIA niet aan de BVD heeft gevraagd...

Minister Remkes:

Ik zeg: met buitenlandse zusterdiensten.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik heb gevraagd naar de CIA. Ik heb niet in het algemeen over zusterdiensten gesproken.

Minister Remkes:

Ja, maar ik heb in het algemeen geantwoord omdat ik daar niet specifieker op wil antwoorden.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik heb nog een dringende vraag aan deze minister. Aangezien zijn collega's het niet over de klokkenluider wilden hebben, zal hij daar als hekkensluiter toch een antwoord op moeten geven. Is de zaak rond de klokkenluider Veerman u bekend? Alles wat hij aan nucleaire spionage heeft gezien bij het FDO heeft hij doorgegeven op grond waarvan hij vervolgens zijn functie is kwijtgeraakt. Hij is veelvuldig daarover door de BVD lastiggevallen. Ik zie aan uw gezicht dat die zaak u niet bekend is. Ik vraag u dan om mij daarover, desnoods vertrouwelijk, nader in te lichten teneinde die zaak nog recht te kunnen zetten.

Minister Remkes:

De zaak is mij inderdaad niet bekend maar u krijgt er ook geen antwoord op omdat ook die vraag raakt aan operationele activiteiten van de toenmalige BVD. Ik heb derhalve niet de mogelijkheid en de vrijheid om daarop concreet te antwoorden.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Even los van alle geheimzinnigheid en poespas, verzoek ik u toch nog eens goed naar deze zaak te kijken. Ik heb namelijk de indruk dat er fouten zijn gemaakt. Dat is lang geleden en het raakt dus helemaal niet de operationele kant van de huidige AIVD. Mag ik u vragen om er met de oprechtheid die ik van u ken, naar te kijken en er een oordeel over te vellen?

Minister Remkes:

Ik begrijp dat de heer Veerman gehoord is door de commissie-Bos ten behoeve van het onderzoek van die commissie. Ik ga ervan uit dat in dat verband al die informatie op tafel is gekomen en dat die toen ook is gewogen. De kwestie van het vertrek van de heer Veerman bij het bedrijf is onder de rechter geweest en daarbij is niet gebleken dat de heer Veerman onheus is bejegend.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Dit heeft de minister prachtig voorgelezen, maar ik heb hem van mens tot mens gevraagd om nog eens serieus naar deze zaak te kijken, omdat ik stellig de indruk heb dat er iemand onrecht is aangedaan. Dat kunnen wij met z'n tweeën hier netjes rechtzetten. Dus doe er nu een klein beetje moeite voor!

Minister Remkes:

Ik ben altijd bereid om naar van alles en nog wat te kijken, maar als mij de mededeling wordt gedaan dat die zaak destijds onder de rechter is geweest, dan vind ik dat in feite een adequate reactie en een adequaat antwoord.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Daarbij is de inmenging van de BVD helemaal niet bekeken. Daar gaat de rechter namelijk niet over.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik ben dankbaar dat na 30 jaar nu van de zijde van deze bewindslieden de moeite is genomen om een aantal vragen te beantwoorden. Wel vraag ik mij af of wij met dit debat iets zijn opgeschoten. Gezien de laconieke houding van zowel het CDA en de VVD als de regering ben ik teleurgesteld in dit debat. Met zekerheid kan niet gezegd worden dat er blauwdrukken zijn meegenomen door de heer Khan. Waarschijnlijk kan ook niet gezegd worden dat de IAEA alle informatie heeft gekregen waarover Nederland beschikte. Met zekerheid kan ook niet worden gesteld dat het dossier is vernietigd, gestolen of anderszins is verdwenen. Verder hebben de bewindslieden aangegeven dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat de CIA een bepaalde rol heeft gespeeld bij het laten gaan van de heer Khan et cetera. Dit alles vormt voor mijn fractie reden genoeg om overtuigder te zijn van het belang van een parlementair onderzoek. De manier waarop de minister van Economische Zaken hier bagatelliserend deed over het grote belang om proliferatie geen enkele kans te geven, vond ik echt beschamend. Wij stevenen af op een grote crisis en wellicht zelfs een oorlog vanwege het nucleaire programma van dat land. Juist waar Nederland een grote verantwoordelijkheid draagt om ervoor te zorgen dat het nooit betrokken raakt bij proliferatie, past een dergelijke laconieke houding absoluut niet. Dat kan niet. Het is dan ook aan de Kamer om hiervan werk te maken met een parlementair onderzoek. Wij moeten ervoor zorgen dat de ernst hiervan bewezen wordt. Alle middelen moeten ingezet worden, zodat Nederland niet nog een keer bij een dergelijke proliferatie betrokken wordt.

Ik dien daartoe de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de Karimiberaadslaging,

constaterende dat Abdul Qader Kahn in de jaren zeventig de blauwdrukken voor de bouw van ultracentrifuges en informatie over de verrijkingsprocedure van uranium uit Nederland heeft meegenomen naar zijn geboorteland Pakistan;

constaterende dat hij en zijn zakenpartners, zoals de Nederlander Henk Slebos, gezorgd hebben voor verdere verspreiding van nucleaire informatie en technologie naar landen zoals Iran, Libië en Noord-Korea;

constaterende dat er in de affaire-Kahn en Slebos nog vele vragen onbeantwoord zijn, onder meer aangaande de rol van de inlichtingendiensten en justitie in deze;

constaterende dat niet uitgesloten kan worden dat de netwerken van Kahn en Slebos nog steeds actief zijn;

van mening dat voorkomen moet worden dat Nederland in de toekomst nogmaals betrokken raakt in de proliferatie van nucleaire informatie en technologie;

spreekt als haar mening uit dat een parlementair onderzoek gewenst is naar de affaire-Kahn en Slebos met als doel waarheidsvinding en het trekken van conclusies ten aanzien van betere wet- en regelgeving, controle en toezicht, teneinde de verdere proliferatie van massavernietigingswapens vanuit Nederland, in welke vorm dan ook, te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karimi en Van Velzen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63(30300 XIII).

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

De motie bevat een aantal constateringen. Zo wordt geconstateerd dat de blauwdrukken meegenomen zijn door de heer Kahn. Waar is die constatering op gebaseerd?

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Een bericht van het IAEA stelt naar aanleiding van het nucleaire programma in Iran dat er blauwdrukken gevonden zijn die overeenkomen met wat de heer Kahn uit Nederland heeft meegenomen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Is dat een constatering die op feitelijk onderzoek berust of is het een constatering die mevrouw Karimi simpelweg wil overnemen?

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Het IAEA is het meest gezaghebbende orgaan in de wereld. Het IAEA heeft als enige in Iran met inspecteurs toegang tot alle installaties. De ellende is dat Pakistan geen lid is van het Non-proliferatieverdrag. De inspecteurs van het IAEA hebben dan ook geen toegang tot Pakistan. Iran kan wel gecontroleerd worden. Daarbij is te zien dat daar de bedoelde blauwdrukken zijn beland.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Ik vraag dit omdat mevrouw Karimi in een eerder betoog zei dat het waarschijnlijk is.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Dat zei de minister van Economische Zaken. Ik heb dat niet gezegd. De minister zei dat er waarschijnlijk geen blauwdrukken zijn meegenomen. Er is volgens hem geen indicatie dat het is gebeurd. Ik zeg dat er een indicatie is, namelijk het bericht van het IAEA.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Precies. Een indicatie is geen constatering. Mevrouw Karimi weet het dus ook niet zeker.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Juist omdat er zo veel vragen open blijven, is een parlementair onderzoek nodig.

Ik dien een volgende motie in.

De voorzitter:

U moet wel aan de tijd denken!

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Het gaat om de discussie over nieuwe wetgeving om strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken van mensen die meewerken aan proliferatie van massavernietigingswapens.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de internationale atoomspion Abdul Qader Kahn erin geslaagd is, geheime informatie over de verrijkingsprocedure van uranium uit Nederland te verspreiden naar Pakistan en andere landen;

constaterende dat een van Kahns belangrijkste toeleveranciers, de Nederlander Henk Slebos, naar eigen zeggen drie decennia lang, benodigdheden voor nucleaire technologie aan hem en anderen heeft geleverd;

van mening dat er geen adequate wetgeving is voor het strafrechtelijk vervolgen van personen die medewerking verlenen aan de verspreiding van massavernietigingswapens;

verzoekt de regering, te komen met voorstellen om deze strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken en de Tweede Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karimi. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64(30300 XIII).

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik snap de overwegingen van deze motie niet helemaal. U spreekt erover dat personen die medewerking verlenen aan het ontwikkelen van massavernietigingswapens niet vervolgd kunnen worden. Als dat concreet en hard kan worden gemaakt, kunnen ze volgens mij wel degelijk worden vervolgd. Als ik het goed begrijp, hebt u het over mensen die kennis in hun hoofd hebben en daarvoor vervolgd zouden moeten worden. KarimiAnders begrijp ik uw motie niet en moet u het mij nog eens uitleggen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Neen, het gaat niet om mensen die die kennis in hun hoofd hebben, het gaat om mensen die willens en wetens meewerken aan de totstandkoming van massavernietigingswapens door middel van kennis van technologie. Dat heeft de heer Slebos ook gedaan, althans wat hij zegt te hebben gedaan. Hij zei dat hij ervan overtuigd was dat Pakistan een atoombom moest hebben en dat hij Khan daarom aan die atoombom had geholpen. Voor dat feit dat een Nederlander medewerking heeft verleend aan de totstandkoming van een atoombom, kan die Nederlander niet worden vervolgd. Hij is tenminste niet vervolgd omdat dit volgens de minister niet kan!

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. Dit debat overziend heb ik niet de indruk dat wij vandaag gesproken hebben over wat in mijn visie een van de grootste schandalen uit de Nederlandse geschiedenis is. Ik vind het stuitend hoe laks er zowel door de Kamer als door het kabinet over wordt gesproken. Wij hebben het hier wel over een medeverantwoordelijkheid van de Nederlandse Staat voor het veranderen van een dictatuur in een atoommacht en dat is toch een ernstig feit!

De minister zei dat wij maar moeten aannemen dat het strafdossier regulier is vernietigd, maar ik kan net zo goed aannemen dat dit regulier verwijderd is! Het is een kwestie van wel of niet geloven. Ik denk dat wij daarom veel dieper op deze zaak zouden moeten ingaan. De minister zei dat er geen contact is geweest met Amerikaanse inlichtingendiensten, dat zij er geen bemoeienis mee hebben gehad, maar ik hoor getuigenissen van mensen die bij de CIA hebben gewerkt en het tegenovergestelde beweren. Dat zijn allemaal argumenten om de zaak nog eens goed te onderzoeken. Over een ding zullen wij het allemaal toch wel eens zijn, namelijk dit nooit weer! Wij kunnen het ons niet veroorloven om nogmaals bij te dragen aan de proliferatie van landen ver weg, van landen waarover mogelijk zelfs oorlogen kunnen uitbreken. De situatie in Iran is ons toch allen bekend?

Waar ik absoluut geen enkel begrip voor heb, is dat niet alsnog is gepoogd om de heer Khan te vervolgen, zeker wetende dat met de instemming van de SG van Buitenlandse Zaken, indertijd mijnheer Bot, besloten is om deze mijnheer in Nederland toe te laten. Kunt u daar alsnog op ingaan?

Waarom zijn die bedrijven niet aangepakt? Ik heb daarop geen duidelijk antwoord gekregen. De namen van de bedrijven zijn ons wel aangeleverd, maar niet de redenen waarom ze niet vervolgd zijn. De minister van Justitie zei dat hij mondeling op het dossier van Melchemie zal terugkomen en ik wacht dat dan maar af.

Ten slotte de klokkenluider. Minister Remkes gaf aan dat die zaak voor de rechter is gekomen, maar volgens de klokkenluider zelf is zijn zaak nooit voor de rechter gekomen. Dat zijn twee feiten of meningen tegenover elkaar. De minister laat zich ook ter plekke door zijn ambtenaren inlichten en daarom nogmaals mijn pleidooi om nog eens goed naar deze zaak te kijken. Kunnen wij daar nog eens met elkaar over spreken? Kan hij nogmaals evalueren of deze man nu recht of onrecht is aangedaan? Mijn mening moge duidelijk zijn!

Overigens heb ik de motie van mevrouw Karimi over een parlementair onderzoek mede ondertekend.

Minister Brinkhorst:

Voorzitter. Collega Donner zal ingaan op de tweede motie van mevrouw Karimi, ik op de eerste motie en ik zal ook nog een enkele opmerking maken over de klokkenluider waarover mevrouw Van Velzen sprak.

Niet weersproken mag blijven de suggestie van mevrouw Karimi dat het kabinet laconiek reageert of bagatelliseert. Deze opmerking kan het kabinet absoluut niet accepteren. Ik heb u gewezen op de vragen over deze kwestie van de heer Waltmans – een toenmalig lid van de fractie waar mevrouw Karimi toe behoort – en de heer Brinkhorst uit 1979. De suggestie alleen al dat er sindsdien niets is gebeurd en dat wij het maar wat laten waaien, werp ik verre van mij. Het kabinet heeft zich in de afgelopen jaren zowel nationaal als internationaal ingespannen, exportregimes zijn aangescherpt et cetera. Hoewel je nooit iets kunt uitsluiten voor de toekomst, kun je wel zeggen dat de huidige situatie hemelsbreed verschilt van de toenmalige situatie.

Er zijn geen gegevens, ook niet van het IAEA, dat Nederlandse blauwdrukken in het Kahnnetwerk zijn opgedoken. Die suggestie in de eerste alinea van de motie van mevrouw Karimi is al een reden op zich om deze motie als onaanvaardbaar te verklaren. De heer Kahn heeft zonder twijfel gebruikgemaakt van kennis die hij hier heeft opgedaan, maar het vermoeden is dat hij die vooral heeft gereconstrueerd. Dat blijkt ook uit de stukken en uit het rapport-Bos: de heer Kahn had geen kennis van alle details; hij vroeg daar immers naar.

Er is ook in die zin dus absoluut geen sprake van een laks beleid van het kabinet of van een poging om de zaak onder de mat te schuiven. Tegen die achtergrond geef ik graag een oordeel over de motie. Deze stelt dat een parlementair onderzoek gewenst is naar de affaire-Kahn en Slebos, met als doelen waarheidsvinding en het trekken van conclusies ten aanzien van betere wet- en regelgeving en controle en toezicht, om de verdere proliferatie van massavernietigingswapens vanuit Nederland in welke vorm dan ook te voorkomen. Welnu, het is duidelijk dat over het verleden altijd onzekerheden zullen bestaan. De affaire speelde zich vijfentwintig jaar geleden af. Voor wat de toekomst betreft, is het echter duidelijk dat dit kabinet, evenals vorige kabinetten overigens, er alles aan heeft gedaan om het regime van non-proliferatie door het IAEA en het systeem van exportvergunningen van dual-usegoederen te versterken; er is een Europese dimensie toegevoegd en er zijn internationale overleggen. De suggestie alleen al dat er op dit ogenblik niet alles wordt gedaan, is werkelijk te gek voor woorden.

Dat in de toekomst verdere verbetering mogelijk is, is evident. Het kabinet zal daar hard aan blijven werken, ook in Europees verband. Maar de gedachte dat een parlementair onderzoek opheldering zou kunnen leveren, ofwel dat daarmee in de toekomst een verdere proliferatie van massavernietigingswapens kan worden voorkomen, kan het kabinet werkelijk niet delen. Tegen die achtergrond beoordeel ik deze motie dus als niet-aanvaardbaar.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter. De minister zou zich iets bescheidener kunnen opstellen; de motie is namelijk eigenlijk tot de Kamer gericht en de Kamer gaat over parlementaire onderzoeken.

Minister Brinkhorst:

Daarin heeft u volstrekt gelijk, maar u wilt ook een oordeel van de regering. Ik neem aan dat wij de Kamer kunnen adviseren. Uit uw woorden spreekt echter dat wij de zaak bagatelliseren en laten versloffen; daar komt mijn scherpte in mijn reactie vandaan. Natuurlijk gaat de Kamer over haar eigen procedures, maar het past de regering ook om duidelijkheid te geven. In andere debatten stelt u vaak dat de regering onduidelijk is. Laat de regering hierover dan duidelijk zijn.

Ten slotte de vraag over de klokkenluider van mevrouw Van Velzen. Ik denk niet dat er enig redelijk belang mee is gediend dat na dertig jaar deze kwestie alsnog wordt opgerakeld. Natuurlijk heeft mevrouw Van Velzen een ander oordeel, maar de regering ziet geen reden om op deze zaak verder terug te komen.

Minister Donner:

Voorzitter. Ik zal kort ingaan op de tweede motie. Overigens merk ik op dat het verwijt van een laconieke houding van de regering onterecht is gelet op hetgeen sinds het einde van de jaren tachtig met het rapport-Bos geïnvesteerd is in deze zaak om boven water te krijgen wat er precies is gebeurd. Sommigen punten blijven onzeker. Hoe verder terug in de tijd, des te groter het aantal onzekerheden. Onderzoeken veranderen daar niets aan en ook met een parlementair onderzoek zal niet meer zekerheid verkregen worden over de vernietiging van een dossier. Ik neem geen laconieke houding aan want er is hierin veel tijd geïnvesteerd.

Met het aannemen van de motie zou de Kamer uitspreken dat er geen adequate wetgeving is voor het strafrechtelijk vervolgen van personen die medewerking verlenen aan de verspreiding van massavernietigingswapens. Ik meen dat de wetgeving op dit punt wel degelijk voldoet. Er is ook uiteengezet dat Nederland op dit terrein zelfs niet meer geheel vrij is in wetgeving op dit punt omdat de uitvoer van strategische goederen is geregeld in de verordeningen van de Europese Unie. De heer Kahn is vervolgd voor overtreding van de regelingen van de uitvoer. Als ik specifieke strafbepalingen opstel, dan vereist de Nederlandse strafwetgeving dat opzet gesteld en bewezen wordt. In het geval van de heer Van Anraat liggen daar juist de moeilijkheden. Als de specifieke bepaling waar in de motie om wordt gevraagd wordt ingevoerd, dan daalt het aantal vervolgingen. Er kan dan namelijk niet meer vervolgd worden op de algemene bepaling dat de export van bepaalde goederen voldoende is om strafbaar te stellen, ongeacht de opzet. Zodra specifieke delicten worden genoemd, zal vermoedelijk het praktische effect daarvan zijn dat er nog minder mensen kunnen worden vervolgd. Ik ontraad het aannemen van de motie omdat ik meen dat deze zaak in het kader van de wetgeving voor misdrijven tegen de menselijkheid aan de orde is geweest. De Kamer heeft toen een afweging gemaakt en ik meen niet dat er een reden is om opnieuw te kijken naar deze wetgeving. Ik waarschuw echter nogmaals dat ook als de Kamer vraagt om nieuwe wetgeving, het vermoedelijke effect daarvan is dat de praktische werking van de wet afneemt.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik heb de minister gevraagd waarom niet alle bedrijven op de lijst van bedrijven die betrokken zijn bij leveranties aan deze atoomspion vervolgd zijn. Die lijst is in de uitzending van Zembla genoemd. Vanuit een gevoel van rechtvaardigheid hoor ik graag waarom het ene bedrijf wel en het andere bedrijf niet vervolgd is. Desnoods licht de minister de Kamer daar vertrouwelijk over in.

Minister Donner:

Mevrouw Van Velzen doelt op de lijst die in de jaren zeventig door de commissie-Bos is opgesteld?

Mevrouw Van Velzen (SP):

Er is een handgeschreven lijst met namen van bedrijven naar buiten gekomen, met name door het programma Zembla. Philips stond daarop en heeft zich in de openbaarheid verdedigd, maar er stonden ook nog veel andere bedrijven op. Ik wil graag weten waarom die bedrijven niet zijn vervolgd. Ik veronderstel niet op voorhand dat de lijst klopt, maar hij is naar buiten gebracht en er is een beschuldiging geuit door Zembla. Ik wil graag weten hoe daar in het verleden mee is omgegaan.

Minister Donner:

Wij hebben het over zaken die allang verjaard zijn. Als de strafdossiers al vernietigd zijn, dan zijn de dossiers met informatie over deze bedrijven zeker vernietigd bij het opruimen van kasten. In Nederland hebben wij het beginsel dat iemand onschuldig wordt geacht totdat hij is veroordeeld. Het voortdurend insinueren dat bedrijven betrokken zijn geweest bij strafbare feiten terwijl niet is besloten om ze te vervolgen, is in strijd met dat beginsel. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het Openbaar Ministerie op basis van de destijds beschikbare informatie bekeken of er aanleiding was om te vervolgen of niet. Zij heeft besloten om dat niet te doen, en in beginsel dient de informatie dan te worden vernietigd zodat deze niet kan uitlekken. Derhalve kan ik niet dieper ingaan op het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie dan al is gedaan door de minister van Economische Zaken.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik suggereer niet dat die dossiers zijn vernietigd of dat die bedrijven ergens schuldig aan zijn. De informatie is echter openbaar gemaakt en ik wil graag weten hoe dat in elkaar zit. Dat lijkt mij geen onredelijke vraag. Naar analogie van wat de heer Blom zei: die bedrijven zouden wij wellicht wel gaan vervolgen als Pakistan een kernwapen inzet. De minister kan deze beschuldiging, die in een programma van de publieke omroep is gedaan, gewoon rechtzetten. Vandaar mijn vraag: hoe is hiermee omgegaan, klopt dit?

Minister Donner:

Ik begrijp nu eindelijk waarover mevrouw Van Velzen het heeft. Het gaat om een lijst uit het boek van een Duitse journalist, waar onder andere Philips op staat. Anders dan uit dat boek kennen wij die lijst niet. Die lijst is dus door dat boek op straat terechtgekomen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Dat vroeg ik niet. Ik vroeg hoe er met die bedrijven is omgegaan. Die lijst staat overigens ook in het rapport van de commissie-Bos. Dat weet de minister, hij kent het dossier beter dan wie dan ook.

Minister Donner:

Nee, helemaal niet.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Dat dacht ik al, maar ik wilde het niet hardop zeggen.

Minister Donner:

De lijst komt in een boek voor. Met lijsten zoals die in het rapport-Bos voorkomen, is omgegaan zoals is aangegeven. Ik zie geen aanleiding om nu alsnog, dertig jaar na dato, te bekijken welke afwegingen toen zijn gemaakt.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, over de ingediende moties aanstaande dinsdag te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 18.08 uur tot 19.30 uur geschorst.

Voorzitter: Hamer