Noot 1 (zie blz. 125)

BIJVOEGSEL

Vraag van de geachte afgevaardigde Bos (PvdA): Op welke wijze worden succesvolle allochtonen, die de integratie van onderop in een hogere versnelling willen hebben, ondersteund (blz. 13).

Schriftelijke antwoorden van de minister-president, minister van Algemene Zaken a.i., op vragen gesteld in de eerste termijn van de algemene politieke beschouwingen van 28 september 2004

Antwoord

Op diverse deelterreinen van het integratiebeleid wordt integratie van onderop bevordert door o.a. het inzetten van succesvolle allochtonen.

• Zoals reeds aangekondigd bij het debat over het rapport van de Cie Blok zal volgend jaar een integratiekaravaan van start gaan. Deze integratiekaravaan heeft tot doel dat verschillende bevolkingsgroepen in deze samenleving elkaar beter gaan vinden. Voor deze integratiekaravaan zullen integratieambassadeurs worden gerekruteerd. Deze integratieambassadeurs zullen succesvolle en aansprekende personen zijn van zowel autochtone als allochtone herkomst.

• In het kader van de emancipatie van allochtone vrouwen is door de Commissie PAVEM (Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheden) een netwerk opgezet van 30 succesvolle allochtone vrouwen die onder de naam Participatieteam (P-Team) allochtone vrouwen benaderen en activeren richting voorzieningen. Voorts gaat het P-Team de G30 gemeenten ondersteunen bij het realiseren van een eigen participatieagenda.

• Op het terrein van de arbeidsmarkt zullen werkgeversactief worden benaderd door het ambassadeursnetwerk diversiteit (een ander initiatief). Dit netwerk bestaat o.a. uit succesvolle allochtone ondernemers. Deze ambassadeurs zullen bedrijven en overheidsinstellingen activeren om een personeelsbeleid te voeren gericht op diversiteit naar gender en etniciteit.

• De Rijksoverheid is ook actief: in het verlengde van eerdere activiteiten op dit terrein worden door deAlgemene Bestuursdienst in samenwerking met BZK netwerken van succesvolle allochtonen gekoppeld aan het netwerk van het topmanagement om bij te dragen aan de instroom van hoogopgeleide allochtonen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Bos (PvdA): Reactie op WAO plannen nu instroom daalt. Waarom dan forse ingreep met mld hogere premies?

Antwoord

• Het is waar dat de WAO instroom daalt. Van ruim 90 000 in 2002 naar 66 000 in 2003. Onder andere door invoering van de wet poortwachter en de PEMBA, maar waarschijnlijk ook door incidentele factoren zoals het aankondigingseffect van het nieuwe stelsel. Het is daarom niet te zeggen in hoeverre de daling zich zal handhaven.

• Ondanks de gedaalde instroom blijven de lange termijn perspectieven echter hoe dan ook aanleiding geven voor een hervorming van de WAO. Immers, niet vergeten moet worden dat er ondanks de dalende instroom in 2003 nog steeds bijna 1 miljoen mensen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen.

• Door de verwachte (en gewenste) hogere arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen die een relatief hoog arbeidsongeschiktheidsrisico hebben en demografische ontwikkelingen blijft er een opwaartse druk op de WAO bestaan. Zelfs wanneer we de lagere instroom uit 2003 als basis nemen zal het aantal WAO'ers naar verwachting nauwelijks afnemen.

• Vandaar dat het kabinet het van groot belang acht dat de arbeidsongeschiktheidsregelingen een activerender karakter krijgen.

• De stelling dat de herziening van het WAO stelsel zou leiden tot fors hogere premies kan niet worden beaamd. Het kabinet wil de uitvoering van de WAO op termijn efficiënter maken door meer concurrentie in de uitvoering. Dat kan alleen als er sprake is van een gelijk speelveld tussen de publieke uitvoerder, het UWV, en de verzekeraars.

• Verzekeraars werken met een kapitaaldekkingsstelsel. Het is daarbij noodzakelijk dat zij vermogen opbouwen. Het UWV werkt op omslagbasis. Hij hoeft geen vermogen op te bouwen en kan in de aanvangsfase daarom een lagere premie vragen. Door een tijdelijke opslag op de premie van het UWV wordt een gelijk speelveld gecreëerd. De opbrengst van deze opslag wordt volledig gebruikt om de premie voor de regeling voor volledig duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) te verlagen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Bos (PvdA): Hoe pakt de no-claim uit voor niet «gemiddelde verzekerden»?

Antwoord

In onderstaande tabel zijn 4 voorbeelden opgenomen over hoe de no-claim kan uitpakken:

Effecten No-claimHogere premieNo-claim teruggaafSaldo-effect
A63250187
B6310037
C637512
D630– 63

Vraag van de geachte afgevaardigde Verhagen(CDA): Met PPS kunnen ontbrekende schakels in het wegennet aangepakt worden. Het CDA wil hiermee 250 kilometer extra wegen aanleggen. Het is een uitdaging voor minister Peijs om dit snel op te zetten. En een uitdaging voor minister Zalm om zijn scepsis over een infrafonds voor PPS te laten varen.

Antwoord

Het kabinet is eveneens van mening dat een goede bereikbaarheid van groot belang is voor onze economie. Goed doordachte PPS-constructies kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren.

In de kaderbrief PPS/Innovatief Aanbesteden van 7 juli 2004 zijn de uitgangspunten geformuleerd voor een verdergaande en structurele toepassing van PPS en andere innovatieve contractvormen in de komende jaren. Deze brief krijgt qua ambities ook haar vertaling in de Nota Mobiliteit. De nota Mobiliteit wordt deze week aan de Kamer aangeboden. Aangegeven is dat we voor onderhoud, benutting (o.a. spitsstroken) en verbetering in de komende jaren overschakelen op meer innovatieve contractvormen.

De middelen voor aanleg van nieuwe projecten staan in de Nota Mobiliteit en worden uitgewerkt in het verlengde MIT 2011–2014. Een deel hiervan kan via PPS-constructies efficiencybesparingen en kwaliteitswinst opleveren.

In dit licht moet u ook het initiatief van de minister van VenW bezien om voor de corridor Maasvlakte-Rotterdam-Antwerpen tot versnelde realisatie van de ontbrekende schakels in de A4 te komen. Vergelijkbare PPS-kansen liggen naar de overtuiging van het kabinet bij de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere. In het kader van de tracéstudie voor de A27 Breda-Utrecht zal de dubbeldekssnelweg als volwaardige variant worden meegenomen. Scepsis van de zijde van het kabinet over PPS-constructies is dan ook niet aanwezig.

Deze ambities passen in de contouren van het huidige Infrafonds. Het instellen van een extra PPS-fonds is daarom niet aan de orde.

Vraag van de geachte afgevaardigde Verhagen (CDA): Het CDA wil zogeheten kansenzones instellen. Hierbij is aangegeven experimentele zones in te richten waar jonge innovatieve bedrijven zonder regeldruk kunnen ondernemen, met lage belastingtarieven, geen knellende hinderwet, milieuen vergunningregels met lange wachttermijnen.

Antwoord

Zoals aangegeven in de brief «In actie voor ondernemers!», is het kabinet bezig met een haalbaarheidsstudie voor een regellichte zone. Deze studie bevat een inventarisatie van voorbeelden van regellichte zones in Europa en bevindingen van beleidsexperimenten op dit vlak die eerder in Nederland zijn uitgevoerd (Rotterdam kansenzones). Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de bijdrage aan het startersklimaat in deze zone (of te wel op welke terreinen en hoever dient de versoepeling te gaan?) en aspecten van concurrentievervalsing en Europese regelgeving. Tevens is het kabinet bezig om een aantal concrete pilots voor een regellichte zone op te zetten, namelijk rondom een universiteit en op een bedrijventerrein. Het kabinet zal de Kamer medio 2005, bij de voortgangsrapportage van «In actie voor ondernemers!», hierover berichten. Hieraan dient toegevoegd te worden dat niet al te hoge verwachtingen op fiscaal gebied moet worden gekoesterd, vanwege de toets op het gelijkheidsbeginsel en de fraudegevoeligheid.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Wat gaat het kabinet doen aan de alsmaar stijgende lokale lasten? Wordt het niet eens tijd om die stijging aan een jaarlijks maximum te binden? De lokale overheden wentelen de bezuinigingen af op de burger en snijden niet in eigen vlees (verwijzing naar persbericht Berenschot).

Antwoord

Zoals in het hoofdlijnenakkoord is opgenomen zal het kabinet de gebruikersheffing OZB op woningen afschaffen en de overige onderdelen van de OZB maximeren. Daarmee wordt een duidelijk signaal afgegeven binnen de lokale autonomie. Voorts wordt de transparantie van de tarieven vergroot door met meer uniforme rekenmodellen te gaan werken. De Kamer is daarover onlangs geïnformeerd. Dat zal per 1 januari 2006 gebeuren. De betreffende wetsvoorstellen zullen binnenkort aan de Kamer worden voorgelegd.

In de recente jaren heeft het kabinet telkenjare de ontwikkeling van de lokale lasten via de Monitor Inkomsten Lokale Heffingen (MILH) in kaart gebracht en beoordeeld. Dat oordeel was steeds dat er sprake was van een beheerste lastenontwikkeling. De MILH wordt ook steeds aan de Kamer overgelegd. In de MILH 2004, de meest recente, die het kabinet begin juli aan de Kamer heeft gezonden, staat als beleidsconclusie dat er nader aandacht moet worden besteed aan het verkrijgen van inzicht in de mogelijke verklaringen van de stijging van lokale heffingen.

Begin november 2004 heeft het kabinet dan ook een gesprek belegd met VNG, IPO, UvW, MKB Nederland, VNO-NCW, Vereniging Eigen Huis, de Consumentenbond, CNV en FNV en het CBS over de verschillende cijfers die over de ontwikkeling van die lokale lasten op verschillende momenten naar buiten worden gebracht. Daarbij zal uiteraard, naast een verklaring van de stijging, ook aan de orde komen hoe we de uitkomst – de ontwikkeling van de lokale lasten – goed kunnen beheersen. De uitgenodigde partijen hebben elk vanuit hun eigen perspectief en op een hun gelegen moment de ontwikkeling van lokale lasten becommentarieerd. Het kabinet verwacht dan ook een openhartig en leerzaam gesprek. Het betoog van Berenschot, dat gemeenten hun ambities neerwaarts kunnen bijstellen in plaats van op subsidies te korten of de lasten te verhogen, zal daarbij naar verwachting aan bod komen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Verhagen (CDA): Het CDA wil bij de komende begrotingsbehandeling van onderwijs scherpere doelen voor de reductie van onderwijsambtenaren op het ministerie van OCW in relatie tot scherpere doelen voor minder circulaires.

Antwoord

Rijksbreed is een efficiencytaakstelling opgelegd door de kabinetten Balkenende I en II. Dit betreft een reductie in financiële zin en kan dus niet uitsluitend gerelateerd worden aan personele reductie. In 2003 is voor OCW het plan «Taakstelling met kwaliteit» opgesteld. Daarin is zowel de taakstelling uit Balkenende I, als de aanvullende taakstelling uit Balkenende II verwerkt. Ook is daarin rekening gehouden met een kwaliteitsimpuls, die voor bepaalde bedrijfsonderdelen van het ministerie noodzakelijk is als gevolg van een veranderde visie en wijzigende bestuurlijke verhoudingen. De uitwerking van het plan is dus per bedrijfsonderdeel verschillend, maar er zijn wel duidelijke afspraken gemaakt voor alle bedrijfsonderdelen over de bijdrage die zij zullen leveren aan de taakstelling. Op basis van gerichte sturing en monitoring zal de efficiencytaakstelling de komende jaren conform de gemaakte afspraken worden gerealiseerd. De laatste jaren is het aantal circulaires gedaald van 261 in 2001 naar 220 in 2003. In de eerste helft van 2004 heeft deze ontwikkeling zich verder doorgezet van 89 (eerste helft 2003) naar 72. Dat gaat dus zeker de goede kant op. De circulaires betreffen verschillende schooltypes. Een school krijgt niet alle circulaires. Het aantal circulaires is geen goede indicator voor de «last» die instellingen van OCW ervaren. Regels zijn en blijven nodig om het geld eerlijk te verdelen, rechtmatig te laten besteden en om daarover goed verantwoording af te kunnen leggen. Naar de mening van het kabinet is met name van belang dat instellingen bij het naleven van die regels zo min mogelijk last ondervinden in de zin van regeldruk; instellingen moeten zich zoveel mogelijk bezig kunnen houden met het geven van onderwijs en moeten zo min mogelijk tijd kwijt zijn aan het opzoeken van gegevens en het invullen van formulieren voor OCW. Daarom hebben we inmiddels de administratievelastendruk voor onze instellingen in beeld gebracht. Op deze administratieve lasten is, net als bij het traject administratieve lasten bedrijfsleven, een taakstelling van 25% voor deze kabinetsperiode ingezet. In het najaar informeren wij u over onze concrete voorstellen op het terrein van PO, BVE, WO, OWB en de podiumkunsten. Over de reductiemaatregelen van de overige sectoren rapporteren wij in het voorjaar 2005.

Cijfers over de reductie van onderwijsambtenaren volgen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Verhagen (CDA): Iedere leerling moet met een diploma of certificaat van school, zei minister Van der Hoeven. Hoe staat het hiermee?

Antwoord

Het kabinet streeft ernaar zoveel mogelijk mensen een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt te laten behalen. Wie nog geen 23 jaar is en uitvalt zonder in het bezit te zijn van een startkwalificatie – een havo- of mbo-2 diploma – wordt gemeld en geregistreerd als voortijdige schoolverlater. In Rotterdam loopt een pilot om bij het tegengaan van voortijdig schoolverlaten meer drang en dwang in te zetten door ook uitkeringen en dergelijke hierbij te betrekken. De resultaten kunnen ook buiten Rotterdam worden benut. Het beleid om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan wordt daarom met kracht voortgezet en vanaf 2005 ook in financiële zin geïntensiveerd o.a. door versterking van de regionale meld- en coördinatiefunctie. Slechts een deel van de jongeren tot 23 jaar verlaat de school zonder diploma. De meeste jongeren beschikken over een diploma vmbo of mbo-1 (assistent). In totaal hebben in 2002 12 121 jongeren de school verlaten zonder diploma of certificaat. Van hen zijn bijna 6000 datzelfde jaar herplaatst in het onderwijs. De cijfers over 2003 ontvangt de Tweede Kamer dit najaar bij de eerstvolgende voortgangsrapportage voortijdig schoolverlaten.

Vraag van de geachte afgevaardigde Verhagen (CDA): Wij hebben begrepen dat het MKB behoefte heeft aan regioregisseurs die het voor MKB-ondernemers en hbo gemakkelijker maken om samen te werken. Ook daar zou het kabinet naar moeten kijken.

Antwoord

De regionale initiatieven waar de heer Verhagen gewag van maakt, passen in het gedachtegoed van de recente nota Pieken in de Delta. Het kabinet is nauw betrokken bij deze voorbeelden. Hierbij wordt samengewerkt met de regio's in België en Duitsland. Belangrijk is dat de regionale partners in de regio samen optrekken. Dat geldt voor SenterNovem, Syntens, TNO, KvK's, Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's), universiteiten en zeker ook het hbo en het mbo. Vooral Syntens en de ROM's vervullen hierbij de rol van regioregisseurs waar de heer Verhagen op doelt. Het kabinet ondersteunt de samenwerking in de regio. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van de technologische topregio Eindhoven-Leuven-Aken.

Dit kabinet zet zwaar in op het verbeteren van de kennisuitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven. Bijvoorbeeld de 200 lectoren die inmiddels in het hbo werkzaam zijn die de externe oriëntatie van hogescholen versterken. Dit jaar is geconstateerd dat extra stimulering specifiek op het MKB nodig is, in aanvulling op lectoren. Gekozen is voor een bredere aanpak dan alleen regioregisseurs. De verdere uitwerking van dit idee zal het kabinet overigens wel ter hand nemen. Nog dit jaar zullen MKB-Nederland en de HBO-raad de RAAK-regeling gaan uitvoeren. OCW stelt in 2004 middelen beschikbaar voor deze regeling «Regionale Actie en aandacht voor kennisinnovatie» gericht op het verbeteren van de kennisuitwisseling tussen MKB en hogescholen. De kennisinnovatie van het MKB wordt hiermee versterkt.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Heeft het kabinet wel geleerd van miljarden verslindende infrastructuurprojecten als Betuweroute en de HSL, getuige het feit dat de onrendabele Zuiderzeelijn nog steeds voor 2,8 mld euro in de boeken staat?

Antwoord

Het kabinet heeft zeker geleerd van eerdere grote projecten. De aanpak van de Zuiderzeelijn is hier in belangrijke mate op gebaseerd. Het kabinet wil de Zuiderzeelijn realiseren, maar niet ten koste van alles: de bijdrage van het rijk aan het project is gemaximeerd op 2,73 mld euro (prijspeil 2002, netto contante waarde 2010). Met de decentrale overheden wordt een Samenwerkingsovereenkomst gesloten. Belangrijk is dat de Samenwerkingsovereenkomst met de regio niet wordt ondertekend voordat de Tweede Kamer de Samenwerkingsovereenkomst heeft behandeld en daarbij de resultaten van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur heeft kunnen betrekken.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Waar is het kabinet, gegeven de huidige doelstellingen ten aanzien van het streefcijfer dodelijke verkeersslachtoffers in 2010, in 2007 op af te rekenen?

Antwoord

De nationale doelstelling inzake verkeersveiligheid is gekwantificeerd voor het jaar 2010. Het cijfer van maximaal 900 doden en 17 000 ziekenhuisgewonden is gebaseerd op berekeningen, die geen «tussenstanden» laten zien. Bij sommige maatregelen duurt het lang voordat er resultaten kunnen worden geboekt, bijvoorbeeld omdat de noodzakelijke regelgeving een bepaalde doorlooptijd heeft. Andere maatregelen kunnen sneller effect hebben. Het totaaleffect van alle maatregelen is alleen voor 2010 berekend. Het streefcijfer voor 2007 is niet gekwantificeerd aan te geven.

Wel is het streven om het aantal slachtoffers permanent te laten dalen. Het aantal doden en ziekenhuisgewonden zal dus in elk geval ruim lager moeten liggen dan in 2002, het jaar voordat het kabinet aantrad.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Is de overheid bereid tot versnelde gaswinning (i.v.m. hoge olie-/gasprijs)?

Antwoord

• Beslissingen over gaswinning worden genomen door private ondernemingen, binnen de context van de verleende vergunning en het winningsplan.

• Het doel van het Nederlandse gasbeleid is zo veel gas als economisch en milieutechnisch mogelijk is tot productie te brengen. Het kleine velden beleid stimuleert het opsporen en winnen van gas uit kleine velden: er bestaat de garantie dat het gas zonder vertraging kan worden geproduceerd. Er is derhalve voor producenten geen enkele belemmering om kleine velden versneld tot productie te brengen.

• De hogere olieprijzen vormen – naast de toenemende vraag naar gas – zeker een prikkel om gas versneld te winnen. Daarmee is niet gezegd dat dit ook in Nederland zal gebeuren, omdat de meeste ondernemingen hun investeringsbeslissingen op internationale schaal nemen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Reactie van regering op voorstel om oudere allochtone kanslozen met behoud van volledige uitkering te laten terugkeren.

Antwoord

Dit is in het merendeel van de gevallen al mogelijk.

Op grond van de socialeverzekeringswetten kan export van uitkering plaatsvinden naar landen waarmee Nederland een verdrag m.b.t. sociale zekerheid heeft gesloten. In deze verdragen worden afspraken gemaakt over de controle van de rechtmatigheid van de uitkering.

Met alle landen waarvan een significante hoeveelheid allochtonen aanwezig is, is een verdrag gesloten.

Daarnaast kunnen personen van 45 jaar en ouder, die geen uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten hebben een beroep doen op een uitkering krachtens de Remigratiewet.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Het kabinet wil de criminaliteit met 25% terugdringen: geldt dit ook voor de geweldmisdrijven?

Antwoord

De doelstelling van het Veiligheidsprogramma is een reductie van criminaliteit en overlast met 20% tot 25% in de periode 2008 tot 2010. Deze doelstelling wordt gemeten aan de hand van de slachtofferenquêtes van het CBS, en omvat zowel vermogens- als geweldscriminaliteit. In 50 geselecteerde probleemwijken wordt gemeten of de beoogde landelijke reductie reeds in 2006 kan worden gerealiseerd. De doelstelling is dus niet gespecificeerd naar type delict. Wel wordt aan geweldsmisdrijven aparte aandacht gegeven. Begin volgend jaar zal een beleidsverkenning «geweld» worden gepresenteerd.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): De heer Herben vraagt naar de beoogde resultaten van het kabinet ten aanzien van de uitval van leerlingen, omdat de termijn die het kabinet noemt buiten deze kabinetsperiode ligt?

Antwoord

In november 2003 heeft het kabinet besloten niet weg te lopen voor het sterk gestegen aantal gemelde en geregistreerde voortijdige schoolverlaters in 2002, dat ongeveer 70 000 bedroeg. Uitgaande van de bijgestelde «nulmeting» van 2002 moet het aantal gemelde en geregistreerde voortijdige schoolverlaters afnemen met 30% ofwel 21 000 in 2006 en met 50% ofwel 35 000 in 2010. (Brief van de staatssecretaris van OCW d.d. 4 november 2003, 29 200 VIII nr. 43).

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): Het aantal buitenlandse jongeren in onze gevangenissen moet teruggedrongen worden, door verdragen af te sluiten met landen als Marokko, Turkije en Suriname, op grond waarvan deze gevangenen hun straf in eigen land kunnen uitzitten. Daarmee is ook in één klap ons cellentekort opgelost.

Antwoord

1) Reeds geruime tijd bestaat er op het gebied van overname/overdracht van strafvonnissen regelgeving. Dit betreft zowel nationale wetgeving als multilaterale en bilaterale verdragen, o.a. met landen als Marokko en Turkije. Thans wordt mede naar aanleiding van de vraag van de LPF tijdens een AO in februari jl. onderzocht hoe deze regelgeving beter benut kan worden. Daarbij zal altijd gelden dat de Staat aan wie wordt overgedragen daarmee moet instemmen en in veel gevallen ook betrokkene zelf. De komende maanden zal de TK daarover nader worden geïnformeerd.

2) Met Suriname heeft Nederland geen WOTS verdrag. Het is beleid in beginsel geen bilaterale WOTS-verdragen met landen af te sluiten, doch het betreffende land ertoe te bewegen zich aan te sluiten bij het Verdrag inzake de overbrenging gevonniste personen van de Raad van Europa. Veel landen ook van buiten de RvE zijn partij bij dit verdrag.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): We zijn en blijven met afstand de grootste netto-betaler van de EU. Er vloeit netto meer dan 3 mld naar Brussel. Wanneer gaat onze bijdrage omlaag? Te meer daar eventuele toetreding van Turkije ons volgens optimistische schattingen ook nog eens 2 mld gaat kosten.

Antwoord

De regering streeft er, in het kader van de onderhandelingen over de Financiële Perspectieven 2007–2013, naar de nettobijdrage van Nederland aan de Europese Unie te verlagen.

Daarbij richt de regering zich enerzijds, conform het hoofdlijnenakkoord,op het reëel constant houden van het uitgavenniveau van de Unie. In dat verband heeft de regering actief meegewerkt aan de brief van zes lidstaten die de Commissie opriep de Europese begroting binnen 1% van het EU-BBP te houden. Anderzijds zet de regering zich in voor een oplossing voor de excessieve netto-betalingspositie van Nederland. Het voorstel van de Commissie voor een generiek correctiemechanisme kan daartoe een nuttige aanzet vormen.

De onderhandelingen over de meerjarenbegroting 2007–2013 zijn dit jaar van start gegaan maar zullen tot in 2005 doorlopen. In het plenair debat over de Staat van de Europese unie, zal gelegenheid zijn om nader in te gaan op de wijze waarop de regering een verlaging van de nettobijdrage wil verwezenlijken.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): De geachte afgevaar digde Herben heeft, naar aanleiding van een beschouwing over onderhandelingen met Turkije en maatregelen die nodig zouden zijn een vredig samenleven met miljoenen moslims te garanderen, gevraagd of het kabinet bereid is de Grondwet aan te passen tot invoering van een neutrale staat.

Antwoord

De vraag naar opneming van een bepaling in de Grondwet over een neutrale staat is het afgelopen voorjaar onderwerp van debat geweest in de Kamer. Minister De Graaf heeft bij die gelegenheid al opgemerkt dat het beginsel van de scheiding van kerk en staat en de in dit opzicht neutrale staat reeds nu een fundamenteel uitgangspunt is voor de inrichting van onze democratische rechtsstaat. Het is al verankerd in onze constitutie. In het bijzonder is het beginsel af te leiden uit artikel 6 Grondwet, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, mede in samenhang met artikel 1 van de Grondwet. Hierop is nader ingegaan in de nota «Grondrechten in een pluriforme samenleving» die minister De Graaf aan de Kamer heeft gezonden.

Overigens kent Turkije al sedert 1926 een strikte scheiding van kerk en staat en daarmee het beginsel van een neutrale staat.

Vraag van de geachte afgevaardigde Herben (LPF): De heer Herben spreekt over een subsidiestroom van 22 mld euro per jaar. Hij wil daar 10% per jaar op gaan besparen, ofwel 2,2 mld per jaar. Hij verwijst daarbij onder meer naar een rapport van de Edmund Burke Stichting.

Antwoord

– In het rapport «Zicht op subsidies» is aangegeven dat het totale subsidiebedrag van 22 mld in 2003 afloopt tot 19,7 mld in 2005, een besparing van 2,3 mld. Dat is onder meer het gevolg van maatregelen uit het Strategisch akkoord.

– Naast deze 2,3 mld is bij Hoofdlijnenakkoord nog eens meer dan 0,4 mld aan subsidiemaatregelen getroffen voor 2005. In totaal wordt er dus al een besparing gerealiseerd van meer dan 12%. Daarmee is de doelstelling van de heer Herben ruimschoots gehaald.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): Slachtoffers moeten in veel ruimere mate financieel gecompenseerd worden voor de door hen geleden schade, door de daders daarvoor te laten betalen. Voor de slachtoffers – vaak sociaal zwakkeren – willen wij opkomen.

Antwoord

Allereerst moet worden gezegd dat het slachtoffer deze positie in het strafproces al heeft. Hij/zij kan de geleden schade indienen en de strafrechter kan de dader tot vergoeding ervan veroordelen. Het voorstel van de VVD om slachtoffers in ruimere mate te compenseren voor de schade die zij geleden hebben en de daders daardoor te laten betalen oogt sympathiek. In de praktijk blijkt echter dat veel daders maar over beperkte financiële middelen beschikken. De kans bestaat dat verwachtingen bij slachtoffers worden gewekt die niet worden waargemaakt. Het kabinet wacht de concrete voorstellen van de VVD voor ruimere compensatie af.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): Slachtoffers moeten in veel ruimere mate financieel gecompenseerd worden voor de door hen geleden schade, door de daders daarvoor te laten betalen. Voor de slachtoffers – vaak sociaal zwakkeren – willen wij opkomen.

Antwoord

Allereerst moet worden gezegd dat het slachtoffer deze positie in het strafproces al heeft. Hij/zij kan de geleden schade indienen en de strafrechter kan de dader tot vergoeding ervan veroordelen. Het voorstel van de VVD om slachtoffers in ruimere mate te compenseren voor de schade die zij geleden hebben en de daders daardoor te laten betalen oogt sympathiek. In de praktijk blijkt echter dat veel daders maar over beperkte financiële middelen beschikken. De kans bestaat dat verwachtingen bij slachtoffers worden gewekt die niet worden waargemaakt.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): De heer van Aartsen vroeg om een «megadeal» over de sanering van de Antilliaanse staatsschuld, de bestuurlijke verhoudingen tussen de eilanden en de problematiek van Antilliaanse jongeren in Nederland.

Antwoord

Het advies van de werkgroep Bestuurlijk Financiële verhoudingen – waarin de heer Rosenmöller een van de leden is – dat waarschijnlijk volgende week uit wordt gebracht, is een advies van een onafhankelijke werkgroep aan beide regeringen. Het bevat aanbevelingen voor de lange termijn. Daar zal een regeringsstandpunt over moeten komen. Het kabinet is van mening dat er echte veranderingen moeten komen in de Koninkrijksrelaties, zowel bestuurlijk als financieel. Dat is niet alleen in het belang van de Antilliaanse eilanden, maar ook van het Koninkrijk als geheel en dus ook van Nederland. Over de staatsschuld van de Antillen kan pas gesproken worden als het Antilliaanse kabinet zelf orde op zaken stelt in de eigen financiële huishouding.

Het kabinet is van mening dat het combineren van onderwerpen waartussen geen dwingende samenhang bestaat de voortgang belemmert van besluitvorming over afzonderlijke onderwerpen op grond van hun eigen merites. Op voorstel van minister Verdonk zal een gemengde Antilliaans-Nederlandse commissie adviseren over mogelijkheden voor een effectieve aanpak aan beide kanten van de oceaan van de problematiek van Antilliaanse jongeren die in Nederland afglijden. Deze problematiek vraagt in ieder geval om oplossingen op korte termijn. De commissie krijgt de opdracht om binnen acht weken met een plan van aanpak te komen. De commissie zoekt concrete, niet-bureaucratische oplossingen die op korte termijn op de Antillen en in Nederland uitgevoerd kunnen worden. Daar hoort ook bij dat naar migratieregulerende maatregelen wordt gekeken. Voor een effectieve aanpak van de problematiek is medewerking aan beide zijden van de oceaan nodig.

Het voorstel van de heer Van Aartsen om dit alles onder te brengen in een megadeal over de bestuurlijke verhoudingen kan vertragend werken op het oplossen van de problematiek van Antilliaanse jongeren in Nederland. Daarop zit niemand te wachten. Overigens is het kabinet met de heer Van Aartsen van mening dat goed in het oog moet worden gehouden hoe beide landen aan weerszijden van de oceaan maximale winst kunnen behalen in dit proces.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): De kennisuitwisseling met het MKB binnen innovatieve netwerken is van groot belang. De heer Van Aartsen ziet dit niet terugkomen in de begroting behalve dan de innovatievouchers vanuit EZ. Wellicht ligt dit aan de schotten tussen EZ en OCW.

Antwoord

Kennisvouchers kunnen een goed idee zijn om de innovatie in het MKB te versterken. Onder regie van EZ vinden thans experimenten plaats. Als de experimenten succesvol blijken te zijn kan aan een structurele regeling worden gedacht. Er is geen sprake van schotten tussen EZ en OCW.

Verder vroeg de heer Van Aartsen naar de samenwerking binnen de medische driehoek Maastricht-Aken-Leuven en de ICT-driehoek Eindhoven-Aken-Leuven. De samenwerking binnen deze driehoeken is in de eerste plaats een zaak van de instellingen en bedrijven zelf. De taak van de overheid is te zorgen voor een klimaat dat mogelijkheden biedt directe verbindingen te leggen. In goed overleg met de Vlaamse deelregering en de regering van het land Nordrhein-Westfalen wordt gewerkt aan het scheppen van gunstige voorwaarden hiervoor. In meer algemene zin werkt ook de werkgroep Wijffels van het Innovatieplatform daaraan. Ook is het een taak van de overheid om in het kennisbestel meer focus en massa aan te brengen. Daarop is al ingezet in het Wetenschapsbudget 2004 en de Innovatiebrief.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): Kan het kabinet een reactie geven op de brief van de 200 vmbo-directeuren?

Antwoord

De thema's en de zorgen van de vmbo-directeuren zijn herkenbaar en zijn aan de orde geweest in de raadpleging en de debatten in het kader van Koers VO. Het beleid ten aanzien van het vmbo en de voorstellen i.k.v. Koers VO leiden op veel van de thema's tot nieuwe initiatieven. Bijvoorbeeld: de vmbo-directeuren bepleiten meer ruimte in de programmering. In Koers VO komt deze lijn aan bod en zijn hierop actiepunten geformuleerd. Het betreft zowel ruimte in de onderbouw, als ruimte in de programmering van de leerwegen in verband met een goede aansluiting met het mbo. Ook vragen de vmbo-directeuren aandacht voor veiligheid. In het Plan van aanpak Veiligheid is bijvoorbeeld opgenomen dat extra leerlingbegeleiding met voorrang op het vmbo gericht zou zijn. De minister van OCW heeft een brief over het vmbo, waarin een eerste reactie is opgenomen, aan uw Kamer gezonden (VO/OK/2004/46 282). In het notaoverleg d.d. 4 oktober 2004 zal de minister van OCW met u over Koers VO debatteren. In het Algemeen Overleg d.d. 6 oktober 2004 zal de minister van OCW met u over de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming debatteren, waar ook het onderwerp van de programmatische ruimte in de onderbouw aan de orde komt. Enkele voorbeelden in de sfeer van het onderwijsaanbod en leeromgeving.

1. Voor de leerlingen die meer moeite hebben met theoretische vakken wordt steeds meer gebruik gemaakt van de leerwerktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg. In het schooljaar 2002/2003 is deelname aan die vorm gestegen tot een kleine 3500 leerlingen. Daarnaast is bij de behandeling van de wet leerwerktrajecten gevraagd een nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor duale trajecten in de andere leerwegen. Hiervoor blijkt in het onderwijsveld een brede steun te zijn.

2. Een andere vorm van maatwerk en duale trajecten zijn de mbo-1-trajecten binnen het vmbo. Bij 103 scholen wordt hiervan vanaf 1-8-2004 gebruik gemaakt. Duaal leren kan ook binnen de school door te werken met een werkplekkenstructuur of onderwijs- en techniekpleinen. Een groot deel van de scholen werkt met combinaties van de oude en vertrouwde vaklokalen met werkplekken en pleinen. Ook ICT wordt breed ingezet.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van Aartsen (VVD): Waarom niet meer initiatieven in de wijk, voor de scholen die daar een taak in hebben? Wat zijn de ideeën en voorstellen die verder voortbouwen op de brede school?

Antwoord

Van scholen wordt verwacht bij te dragen aan burgerschap en sociale integratie. Dit zal via een wettelijke bepaling worden geregeld. Scholen zijn ontmoetingsplaatsen van jeugdigen (en hun ouders) van verschillende afkomst. Door samen te werken met voorzieningen voor sport, cultuur en opvang kan sociale integratie verder worden bevorderd. Scholen vervullen daarmee een belangrijke rol in buurten en wijken. Uit de gesprekken die het afgelopen jaar met vele betrokkenen in en om de school zijn gevoerd ten behoeve van de Koers Primair Onderwijs en de Koers Voortgezet Onderwijs, blijkt dat veel belang wordt gehecht aan een goede samenwerking van de school en haar omgeving. Dit beeld wordt bevestigd door de cijfers over de ontwikkeling van brede scholen (Oberon, Jaarbericht Brede Scholen, 2003).

Gevraagd naar de ambities geven gemeenten aan het aantal brede scholen te willen verdubbelen (in het basisonderwijs van 500 in 2003 naar 1000 in 2010). Ook in het voortgezet onderwijs vindt uitbreiding van het aantal brede scholen plaats. Schaalverschillen en een veel grotere «wervingsgebieden» bieden scholen voor voortgezet onderwijs andere mogelijkheden voor samenwerking in de buurt dan basisscholen. Nog dit najaar zal het kabinet de Kamer de uitwerkingsvoorstellen van de Operatie JONG toesturen. Deze bevatten concrete maatregelen om lokale bredeschoolinitiatieven te bevorderen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Marijnissen (SP) inzake het afzien van zorg door mensen als gevolg van de eigen betalingen.

Antwoord

De suggestie dat door hoge eigen betalingen mensen op grote schaal afzien van noodzakelijk zorg (tandarts, zelfzorggeneesmiddelen, thuiszorg) kunnen we niet bevestigen.

De realiteit rond verzekering en tandartsbezoek is, dat het tandartsbezoek is toegenomen van 61% in 1981 tot 87% in 2001. Dit terwijl het grootste gedeelte van de tandartsenhulp in die periode uit het ziekenfondspakket is genomen. 84% van de ziekenfondsverzekerden is bijverzekerd voor de tandarts. In de overgang van 2003 naar 2004, toen de controle uit het ziekenfondspakket ging, is dit percentage vrijwel constant gebleven. Veel Nederlanders hebben zich aanvullend verzekerd voor zorg die uit het collectieve pakket is gegaan in het afgelopen jaar. Vrijwel alle verzekeraars hebben aanvullende verzekeringen aangeboden.

Met betrekking tot de zelfzorggeneesmiddelen heeft minister Hoogervorst inmiddels besloten enkele clusters weer terug in het pakket te brengen.

De verhoging van de eigen bijdrage thuiszorg heeft ervoor gezorgd dat mensen dit jaar een meer bewuste keuze maken voor wel of geen thuiszorg. De opzeggers (ca. 15 000 in aantal) vallen hoofdzakelijk in de hogere inkomenscategorieën. Verder blijkt dat het hoofdzakelijk om huishoudelijke verzorging gaat. De verhoging van de eigen bijdrage is bewust zo vormgegeven dat de laagste inkomens zoveel als mogelijk zijn ontzien. Met algemeen beleid is het onontkoombaar dat er individuele gevallen zijn waarvoor dat niet opgaat. Daarom heeft het kabinet een reeks van maatregelen genomen om de vangnetten bijzondere bijstand en fiscaliteit te verbeteren, inclusief extra voorlichtingsacties richting cliënten.

Vraag van de geachte afgevaardigde Marijnissen (SP): De heer Marijnissen vraagt naar de juistheid van het niet mogen vervangen van leermiddelen voor acht jaar gebruik.

Antwoord

OCW schrijft géén afschrijvingstermijnen voor. De vergoedingsbedragen voor de vervanging van leer- en hulpmiddelen worden vastgesteld in de zogenaamde Programma's van Eisen voor de materiële instandhouding. Hieronder valt ook de vergoeding van leermiddelen. De hoogte van de vergoeding is afgeleid van een gemiddelde normatieve gebruiksduur voor alle leermiddelen. Dit is geen voorschrift vanuit OCW, maar een richttermijn, waarmee scholen rekening kunnen houden bij hun investeringsbeslissing voor bepaalde nieuwe leermiddelen. Overigens is deze termijn – de gemiddelde afschrijvingstermijn voor alle leermiddelen – vanwege het algemene tekort van OCW verhoogd van 8 naar 9 jaar (zie blz. 362 van de begroting). Met ingang van 2006 zullen deze programma's hierop worden aangepast. Scholen mogen wel eerder dan binnen 8 jaar bepaalde leermiddelen (zoals bijv. spelletjes of puzzels) vervangen, maar de normatieve vergoeding daarvoor is ingeperkt naar gemiddeld eens per 9 jaar voor alle leermiddelen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): Om terrorisme effectief tegen te gaan is het van belang aan de oorzaken van haat te werken. Daarom zou de EU het initiatief moeten nemen om met alle Islamitische landen handelsovereenkomsten te sluiten. Via handel kan men elkaar leren kennen, kunnen vooroordelen worden meegenomen en de naleving van mensenrechten worden bevorderd.

Antwoord

In de Europese Veiligheidsstrategie wordt uitgebreid ingegaan op de relatie tussen veiligheid en ontwikkeling. Hoewel er geen directe oorzaak-gevolg-relatie te leggen is, kan investeren in ontwikkeling op termijn bijdragen aan vergroting van de stabiliteit van samenlevingen. Bovendien kan intensivering van contacten tussen landen, bijvoorbeeld door bevordering van wederzijdse handel, bijdragen aan het vergroten van wederzijds begrip. De EU is een groot voorstander van multilaterale handelsliberalisering in het kader van de WTO. Daarnaast heeft de EU met een groot aantal landen en regio's handelsakkoorden gesloten, waarbij religie overigens geen criterium is. Met de landen rond de Middellandse Zee die deelnemen aan het Barcelona-proces heeft de EU associatieakkoorden gesloten. Met de Gulf Cooperation Council en Pakistan wordt onderhandeld over een handelsakkoord. Ook bestaan er handelsrelaties met de ASEAN-landen, waar o.a. Indonesië deel van uitmaakt.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): Afrika zou enorm geholpen worden als de EU haar landbouwsubsidies zou schrappen. Dat is de beste ontwikkelingshulp. Landbouwsubsidies hebben een criminele uitwerking op de allerarmste landen, omdat Europese producten gedumpt worden op de wereldmarkt met een kunstmatig lagere prijs dan de landbouwproducten uit Afrika. Hoe kunnen we nu ooit verwachten dat de mensen daar zichzelf aan de haren uit het moeras trekken?

Antwoord

De Nederlandse regering is vóór de afbouw van productiegebonden (handelsverstorende) subsidies en vóór marktwerking. Zowel bij de hervorming van het Europese Landbouwbeleid (GLB) als internationaal bij de WTO-onderhandelingen wordt daaraan gewerkt. De EU heeft met de herziening van het GLB van de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om haar steun minder marktverstorend te maken door de subsidie niet meer te koppelen aan de productie. De onderhandelingen over de laatste belangrijke sector die nog hervormd moet worden, de suikersector, zijn in volle gang en zullen naar verwachting in 2005 worden afgerond.

In het WTO-raamwerkakkoord van 1 augustus 2004 werd besloten de exportsteun op termijn af te schaffen en de interne handelsverstorende steun te verminderen. Een goede invulling hiervan moet ervoor zorgen dat Afrika meer kansen krijgt op de wereldmarkt en zelf kan bijdragen aan de financiering van haar ontwikkeling. Nederland zet zich hiervoor in. Overigens biedt de EU de minst ontwikkelde landen reeds tarief- en quotavrije markttoegang aan via het zgn. «Everything but arms» besluit. De positie van ontwikkelingslanden, met name die in Afrika, blijft een belangrijk aandachtspunt voor de Nederlandse regering, ook tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): De heer Dittrich verzoekt het kabinet onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de doorlopende schooldag, zodat kinderen tussen de middag op school blijven en moeders dus kunnen werken.

Antwoord

De mogelijkheden van een doorlopende schooldag, zodat kinderen tussen de middag op school blijven en moeders kunnen werken zijn door Regioplan (Overblijven in het basisonderwijs, 2000; Tussenschoolse opvang op speciale scholen voor basisonderwijs en expertisecentra, 2002) in beeld gebracht. In de loop van oktober 2004 ontvangt u een brief over het beleid ten aanzien van het overblijven. Uit het Jaarbericht brede scholen (Oberon, 2003) blijkt dat de ontwikkeling van brede scholen zich doorzet. Brede scholen bieden nieuwe mogelijkheden om een doorlopende schooldag te realiseren, door samenwerking met andere voorzieningen aan te gaan, die samen een sluitend dagarrangement bieden. Belemmeringen bij het realiseren van nieuwe mogelijkheden – voor zover terug te voeren op rijksregelgeving – zullen in het kader van de Operatie JONG worden onderzocht.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): Jeugdwerkloosheid. De task force van Hans de Boer boekt nog weinig resultaat. Dus is nu het MKB aan zet. Wat gaat het kabinet hieraan doen?

Antwoord

Vorig jaar heeft het kabinet het plan van aanpak jeugdwerkloosheid gepresenteerd met concrete maatregelen om jongeren aan het werk te helpen en het voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

In maart 2004 is de task force jeugdwerkloosheid, ingesteld door de ministeries van OCW en SZW, officieel van start gegaan met als belangrijkste doelstelling: de komende 3 jaar in totaal 40 000 jongeren extra aan het werk.

Hierbij werkt de task force nauw samen met het 10 000 MKB-leerbanenplan van MKB Nederland. MKB Nederland heeft inmiddels het initiatief genomen om de komende regeerperiode 10 000 leerbanen (zowel in het vmbo als het mbo) te realiseren in het midden- en kleinbedrijf. Met het 10 000 MKB-leerbanenplan wil MKB-Nederland nadrukkelijk haar verantwoordelijkheid nemen voor het versterken van de leerwerktrajecten in het vmbo en het bijdragen aan het voorkomen en verminderen van de jeugdwerkloosheid. Dat juicht het kabinet toe.

Overigens is het kabinet niet van mening dat de task force nog weinig resultaten boekt.

In 2004 hebben tot nu toe 17 000 jongeren een baan gevonden. De task force jeugdwerkloosheid heeft op 28 september bekend gemaakt dat zij, in samenwerking met het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), dit jaar al 5500 extra jongeren aan een baan heeft geholpen. Het target dat de task force jeugdwerkloosheid zich voor 2004 gesteld heeft – 7500 extra jongeren aan een baan helpen – kan dan ook gehaald worden.

Vraag van geachte afgevaardigde Dittrich (D66): De heer Dittrich vroeg het kabinet om een stand van zaken inzake debusiness case JSF.

Antwoord

De Tweede Kamer ontvangt binnen enkele weken een brief waarin wordt ingegaan op de variabelen rondom de JSF-business case én de laatste inzichten over de verwachtingen omtrent het inschakelen van de Nederlandse industrie. Dit alles onder andere op basis van gesprekken die de Staatssecretaris van Economische Zaken afgelopen maand in de VS met Lockheed Martin heeft gehad en de brief die zij van Lockheed Martin op korte termijn gaat ontvangen.

Voor het besluit om deel te nemen aan de SDD-fase van de JSF zijn uitgebreide analyses gemaakt. Deze analyses hebben ten grondslag gelegen aan het besluit om deel te nemen.

Zoals regelmatig met uw Kamer gewisseld, leidt deelname in de JSF-ontwikkelingsfase tot een forse omzet voor de Nederlandse industrie, met daarbij behorende positieve gevolgen voor werkgelegenheid en innovatie in Nederland. Vooruitzichten over inschakeling Nederlandse industrie zijn redelijk positief.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): Reactie van kabinet op voorstel bedrijven die naar een 40-urige werkweek gaan werknemers die extra gewerkte uren in kennisbonnen uit te laten betalen.

Antwoord

Een combinatie van arbeidsduurverlenging en scholing kan voordelig zijn in het licht van de kenniseconomie. Scholing kan er voor zorgen dat ouderen langer aan het werk kunnen blijven. Bovendien kan het meer in het algemeen zorgen voor een versterking van het kennisniveau van de beroepsbevolking. Het is uiteraard aan sociale partners om hier afspraken over te maken.

Het motiveren van het individu om te investeren in scholing ziet het kabinet als een belangrijke voorwaarde om het opleidingsniveau van de beroepsbevolking te verhogen. In het najaar wordt dan ook, door het ministerie van OCW en SZW, bezien of de ondersteuning van de individuele leerrekening, een budget op naam van een individu dat alleen ingezet kan worden voor scholing, gewenst is.

Vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich (D66): De heer Dittrich heeft gevraagd of de kenniseconomie in Nederland gestimuleerd zou kunnen worden door giften aan universiteiten, musea en trust funds voor onderzoek aftrekbaar te laten zijn in de inkomstenbelasting.

Antwoord

Giften aan musea, wetenschappelijke instellingen en dergelijke komen – op grond van de huidige tekst van de Wet inkomstenbelasting 2001 – reeds voor aftrek in aanmerking. Voor de verkrijgende instellingen gelden in de sfeer van de Successiewet 1956 ook faciliteiten. Het bijzondere tarief (11%) is daarvan uiteraard het bekendste voorbeeld. Het kabinet heeft in het Belastingplan 2005 voorstellen gedaan om dit tarief nog verder te verlagen naar 8%. De door de geachte afgevaardigde voorgestelde maatregelen zijn op het eerste gezicht dus niet nodig. Desalniettemin is het kabinet in het kader van het innovatieplatform wel in overleg met diverse organisaties om te bezien of er inderdaad nog sprake is van knelpunten en zo ja, welke maatregelen nodig en mogelijk zijn om die eventuele knelpunten weg te nemen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Halsema (GroenLinks): Mevrouw Halsema vroeg een reactie op het voorstel kiezers een tweede stem te geven voor de coalitie die zij wensen.

Antwoord

Het kabinet wil kiezers een tweede stem geven voor de verkiezing van een districtskandidaat en meent dat de betekenis daarvan eenvoudig en eenduidig kan worden uitgelegd. De bestemming van deze tweede stem staat in het teken van versterking van het parlement door vergroting van het aantal Kamerleden met een eigen mandaat.

Een tweede stem voor een coalitie biedt geen sluitend antwoord op de gevallen waarin een door kiezers genoemde coalitie geen meerderheid behaalt, bestaat uit partijen die de kiesdeler niet halen of bestaat uit partijen die niet kunnen of willen samenwerken.

De discussie over de machtsvorming staat los van de manier waarop de leden van de Tweede Kamer worden gekozen tenzij sprake is van een meerderheidsstelsel. Het kabinet is daarvan geen voorstander.

Vraag van de geachte afgevaardigden Halsema (GroenLinks),Van Aartsen (VVD) en Bos (PvdA): GL pleit voor opheffing van het Innovatieplatform, enkele andere fracties (VVD, PvdA) zijn kritisch over de resultaten van het platform tot nu toe.

Antwoord

Kritiek op het Innovatieplatform mag, maar wel gefundeerd en in het perspectief van een weerbarstige materie. Bij de start van het platform verwachtte ieder «instant satisfaction»: vandaag gelanceerd, morgen resultaat. We kennen echter het voorbeeld uit Finland. Ook daar duurde het enige tijd voordat resultaten konden worden geboekt.

Bij de installatie van het Innovatieplatform zijn drie theman benoemd die bijzondere aandacht behoeven:

1. Tegengaan van schooluitval;

2. Investeringen van bedrijven in R&D verhogen;

3. Kennisoverdracht van universiteiten naar bedrijfsleven bevorderen.

Vanuit deze thematiek heeft het Innovatieplatform inmiddels een aantal praktische adviezen gegeven die stimulansen bieden voor de korte termijn.

• Betere omzetting van kennis in producten en diensten (zgn. smartmix: slimme verdeling van middelen waarbij zowel de kwaliteit van het onderzoek als de praktische toepassing ervan wordt bevorderd door stimulering van publiek-private samenwerking);

• Vereenvoudiging toelating kennismigranten;

• Betere uitwisseling tussen universiteiten en onderzoeksinstellingen enerzijds en het bedrijfsleven (m.n. MKB) anderzijds (introductie van de zgn. innovatievouchers waardoor ondernemers met een «bon» kennis kunnen inkopen bij een kennisinstelling naar keuze; maar ook de start van het Casimir-project, bedoeld om de mobiliteit van onderzoekers tussen universiteit en bedrijfsleven te bevorderen);

• Stimuleren uitbreiding van het aantal startende ondernemers (zgn. Technopartner) en het aanstellen van zgn. innovatie-officers bij grote bedrijven om zo startende onderne-mingen een betere ingang te geven bij deze bedrijven;

• Benutten van kansen die de creatieve industrie biedt (m.n. op het snijvlak van cultuureconomie, zoals vormgevers, modeontwerpers, ontwikkeling van interactieve software);

• Bevorderen van raamafspraken tussen bedrijven en kennisinstellingen over intellectueel eigendom.

Hiernaast heeft het Innovatieplatform zich ook gebogen over systeemverandering of institutionele hervorming, die logischerwijze een lange termijn effect beogen. Het betreft adviezen over de volgende onderwerpen.

• Advies dynamisering beroepsonderwijs: bevat voorstellen voor het verbeteren van de doorstroming in het beroepsonderwijs en versterking van de beroepsoriëntatie. OCW zal i.s.m. EZ en andere betrokken de uitwerking van het advies op zich nemen.

• Advies stimuleren van sleutelgebieden van de Nederlandse economie: bevat voorstellen voor verschillende (generieke en maatwerk) acties gericht op sterke combinaties van bedrijvigheid en kennis. EZ zal i.s.m. het veld de follow up verzorgen. In de binnenkort te verschijnen Industriebrief geeft EZ hiertoe de aftrap.

• Advies «dynamisering van de kennisketen»: zal voorstellen bevatten over een andere financiering van universiteiten om ze te prikkelen meer samen te werken met bedrijven. Een eerste resultaat is hier al bereikt via de verdeling van de 100 mln euro uit de kennisenvelop. Deze wordt ingezet om zowel de kwaliteit van het onderzoek als de praktische toepassing ervan door publiek-private samenwerking te stimuleren.

Voor een totaaloverzicht van de activiteiten van het Innovatieplatform het afgelopen jaar en een vooruitblik naar komend jaar, verwijs ik graag naar de recente publicatie van het platform «Werken aan innovatie» dat ook aan de Kamer is gezonden.

Vraag van de geachte afgevaardigde Halsema (GroenLinks): Spreekster vraagt naar de stijging van de werkloosheid in de onderwijssector.

Antwoord

Het aantal werkzame personen in het PO, VO en BVE bedraagt in totaal 340 000. De totale werkloosheid is 10 400 (mei 2004). Er is geen toename van de werkloosheid. Het aantal moeilijk vervulbare vacatures is gedaald van 2400 (2001–2002) naar 1200 (2003–2004). Dit is gunstig omdat er daardoor minder klassen uitvallen. De arbeidsmarkt voor het PO is het meest gespannen in de regio's Amsterdam, Almere, Den Haag, IJssel-Veluwe en midden Nederland en voor het VO in de regio's Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Rijnstreek.

Vraag van de geachte afgevaardigde Halsema (GroenLinks): Leiden extra bevoegdheden, in het kader van de terreurbestrijding, niet tot stigmatisering en discriminatie en worden we hier veiliger van?

Antwoord

Nee, de extra bevoegdheden zijn niet op speciale bevolkingsgroepen gericht.

Bij de totstandkoming van wetgeving waarin aan (bijvoorbeeld) opsporingsdiensten nieuwe bevoegdheden worden toegekend, wordt uiteraard nagegaan of de wetgeving niet in strijd is met grondwet en verdragen.

Het besluit tot de inzet van bevoegdheden kan niet anders worden genomen dan na toetsing of aan de voor de inzet van de bevoegdheden wettelijk gestelde criteria is voldaan. Sommige strafvorderlijke bevoegdheden zijn zodanig ingrijpend dat de inzet van die bevoegdheden niet mogelijk is dan na machtiging van de rechter-commissaris. Voorts kan achteraf de inzet van bevoegdheden ook altijd worden getoetst door de rechter.

Het Kabinet heeft in de brief van 10 september jl. aangegeven dat de uitbreiding van de bevoegdheden in het kader van terrorismebestrijding noodzakelijk is. Zoals in het debat van vorige week met ministers Donner en Remkes is besproken, leidt dit tot wetsvoorstellen die in deze Kamer uitgebreid zullen worden besproken. De inzet is steeds dat Nederland met deze maatregelen beter is voorbereid op het voorkomen van terroristische aanslagen. Nederland wordt daar veiliger van.

Vraag van de geachte afgevaardigde Halsema (GroenLinks): Spreekster vraagt naar de relatie tussen het achterblijvende opleidingsniveau en de jarenlange onderfinanciering op onderwijsterrein.

Antwoord

Het is de vraag in welke mate er sprake is van onderfinanciering in het onderwijs. Opvallend zijn de intensiveringen in het primair en secundair onderwijs. Hier zien we het beleid van de afgelopen jaren terug. De groei van het aantal leerlingen was in de periode 1995–2001 ongeveer 3%, terwijl de uitgaven aan instellingen met 30% stegen. De intensiveringen zijn ook hoger dan de forse groei van het BBP dat in deze periode met 22% toenam. De onderwijsuitgaven als percentage van het BBP namen in Nederland sterker toe dan in omringende landen. Ze bedroegen in 2001 4,9% van het BBP. Dit percentage loopt de laatste jaren verder op. Ons financieringsniveau lag in 2001 nog iets onder het EU-gemiddelde, maar benadert nu het niveau van de omringende landen.

Voor hoger opgeleiden geldt het volgende. De groei van het aandeel Nederlandse hoger opgeleiden (korte + lange opleidingen) was tussen 1998 en 2002 gering. In de meeste omringende landen was nog wel sprake van een significante toename. Hierdoor hebben de genoemde landen ondertussen relatief meer jong volwassenen met een diploma tertiair onderwijs op zak dan Nederland. Dit komt met name omdat er in de andere landen veel kortdurende ho-opleidingen zijn. Gaat het om langere opleidingen, dan blijkt dat Nederland nog steeds de hoogste positie inneemt wat betreft afgestudeerden in de lange 4–6-jarige hbo- en wo-opleidingen. Wat de mensen met minimaal een opleiding op hoger secundair niveau betreft (de internationale startkwalificatie), zijn 25–34-jarigen beter opgeleid dan hun ouders. In de meeste buurlanden beschikken echter meer jong-volwassenen dan in Nederland over een startkwalificatie. Vandaar dat in 2005 verder geïnvesteerd wordt in het beleid om Voortijdig schoolverlaten (VSV) tegen te gaan.

Vraag van de geachte afgevaardigde Rouvoet(ChristenUnie): De onverzettelijkheid van de bewindspersonen leidt tot het verlies van relevante en onmisbare partners, zoals de VNG. Waarom moet dat toch zo?

Antwoord

Op onderdelen lopen de meningen van het kabinet enerzijds en de VNG (en IPO) anderzijds inderdaad uiteen. Zo verschillen kabinet en VNG onder meer van mening over het voornemen om de OZB gedeeltelijk af te schaffen en heeft de VNG het overleg over de WMO opgeschort.

Tegelijkertijd zijn leden van het kabinet, IPO en VNG wel met elkaar in gesprek over diverse onderwerpen, zoals de vernieuwing van de bestuurlijke en financiële verhoudingen en de beheersing van het EMU-saldo. Het kabinet vertrouwt er dan ook op dat – ondanks meningsverschillen – een goede samenwerking met VNG en IPO blijft plaatsvinden.

Vraag van de geachte afgevaardigde Rouvoet(ChristenUnie): Ziet het Kabinet mogelijkheden om binnen het milieubudget voor ontwikkelingssamenwerking projecten te financieren die een halt kunnen toeroepen aan de snelle verdwijning van veenbosgebieden in Kalimantan, Indonesië?

Antwoord

Indonesië blijft een van de sleutellanden voor de instandhouding van het tropisch regenwoud. Met name de veenbossen van Kalimantan behoren tot de rijkste ter wereld. Naast hun belang voor de lokale bevolking en biodiversiteit zijn de bossen ook van mondiaal belang vanwege de biomassa die daar in opgeslagen is. Komt deze vrij dan zal dit een aanzienlijke toename van CO>2> tot gevolg hebben.

De minister voor OS heeft zojuist een bijdrage van EUR 2 mln goedgekeurd in het kader van het Asian Forest Partnership. Dit partnerschap, dat wordt uitgevoerd in het kader van de WSSD agenda, richt zich op duurzaam beheer van bossen in Azië, mede ten gunste van de lokale bevolking. Onze bijdrage aan dit partnerschap is gericht op de bossen van Kalimantan.

Vraag van de geachte afgevaardigde Rouvoet(ChristenUnie): Komt er onder het Nederlandse voorzitterschap een Europees invoerverbod op illegaal gekapt hout?

Antwoord

Het Kabinet vindt de bestrijding van illegaal gekapt hout een belangrijk onderwerp. Vandaar dat het Kabinet tijdens het voorzitterschap van de EU voortvarend aan de slag is gegaan met de behandeling van het FLEGT actieplan en in het bijzonder het systeem van vrijwillige certificering van hout uit met de voor de EU belangrijkste houtproducerende landen. Tevens heeft het Kabinet in juni jl. nationaal besloten om in overheidsaanbesteding in de toekomst waar mogelijk slechts duurzaam hout te gebruiken en waar nog niet mogelijk in ieder geval legaal hout.

De Europese Commissie onderzoekt in het kader van de uitvoering van het actieplan nog additionele juridische maatregelen om de invoer van illegaal gekapt hout te bestrijden. Een onderdeel daarvan is het idee van een algeheel invoerverbod. De Commissie heeft toegezegd uiterlijk begin 2005 met een rapport hierover te zullen komen. Zorgpunt voor de Commissie is daarbij of in het kader van de WTO een dergelijk verbod niet als onevenredige handelsbelemmering wordt aangemerkt. De minister van LNV zal zodra het rapport beschikbaar is u daarover informeren.

Vraag van de geachte afgevaardigde Rouvoet(ChristenUnie): De aardgasbaten kunnen op termijn wel eens hoger uitvallen dan voorzien in verband met de hoge olieprijs. Gaat het kabinet die meevaller gebruiken om te investeren in omschakeling naar een duurzame energievoorziening?

Antwoord

In de MEV 2005 is een onzekerheidsvariant met betrekking tot een hogere olieprijs opgenomen (MEV 2005, blz. 20). Tegenover een mogelijke meevaller bij de niet-belastingontvangsten uit aardgas vanwege de (met enige vertraging) koppeling aan de olieprijs staan budgettaire tegenvallers voor de overheid uit hoofde van een lagere economische groei en hogere werkloosheid. Het netto-effect van een hogere olieprijs voor de overheidsfinanciën en op het EMU-saldo is nihil.

Vragen van de geachte afgevaardigden Rouvoet(ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP): De heren Rouvoet en Van der Vlies informeren naar de reden waarom de topsport wordt ontzien.

Antwoord

Zowel de heer Rouvoet als de heer van der Vlies menen dat het kabinet ten onrechte de topsport ontziet bij de bezuinigingen. In totaal wordt er in 2005 ten opzichte van 2004 niet op het totale sportbudget gekort. De redenen om nu niet te korten op het totale budget zijn voornamelijk gebaseerd op de overweging dat bij het tegengaan van de toenemende bewegingsarmoede en overgewicht, sport een belangrijk instrument kan zijn, zowel bij de jeugd als ouderen. Daarom is in 2005 de bestaande breedtesportimpuls verlengd en is teven de regeling Buurt, Onderwijs en Sport van kracht geworden.

Vraag van de geachte afgevaardigde Rouvoet(ChristenUnie): Waarom houdt het kabinet vast aan de invoering van de WMO per 1 januari 2006?

Antwoord

Het kabinet heeft in april van dit jaar zijn voornemens inzake de WMO aan de kamer voorgelegd. Hierover is een groot aantal vragen gesteld. De antwoorden hierop zijn recent naar de Kamer verzonden. Het kabinet wacht nu de Kamerbehandeling van de brief af. De voorbereidingen voor de invoering gaan door. Het streven blijft dan ook om per 1 januari 2006 met de invoering van start te gaan. Het betreft een gefaseerde invoering. Gemeentes kunnen stapsgewijs in het nieuwe takenpakket groeien. In 2005 wordt, na goedkeuring van de Kamer, gestart met pilots. Gemeenten kunnen dan beginnen met experimenten en het uitwerken van ideeën in lijn van de WMO.

Vragen van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP) over de kwaliteit van de zorg.

Antwoord

Zoals de heer Van der Vlies stelt is doelmatigheid en ontbureaucratisering niet het enige. Het kabinet wil dat iedere partij in de zorg in staat is en gestimuleerd wordt zijn verantwoordelijkheid voor kwaliteit van zorg ook echt op te pakken.

Het kabinet weet dat we er nog niet zijn. Kwaliteitsbeleid moet leiden tot concrete resultaten, zodat de patiënt er ook beter van wordt, het werk in de zorg aantrekkelijker wordt en we met elkaar de houdbaarheid van het zorgsysteem kunnen garanderen, nu en in de toekomst.

• Het kabinet stimuleert instellingen om hun zorgverlening te ondersteunen met kwaliteitssystemen en investeert daarnaast in het verbeteren van de arbeidsproductiviteit en de manier waarop zorg verleend wordt (patiëntlogistiek, patiëntveiligheid). Het kabinet blijft aanbieders aanspreken op het realiseren van kwaliteitsverbeteringen. Instellingen kunnen en moeten hierbij van elkaar leren. Daarom investeren we in programma's die uitwisseling van kennis en «best practices» stimuleren. Het kan niet zo zijn dat instellingen zich verschuilen achter regels wanneer zij zorg onder de maat leveren.

• Het kabinet versterkt de positie van de cliënt. Deze moet voldoende informatie hebben om zelf te kunnen kiezen. Via het Zorgportaal kan de cliënt vanaf 2005 zien welk ziekenhuis zijn verbrijzelde knie het best en het snelst weer kan herstellen, waar hij daarna het best kan revalideren en welke verzekeraar het pakket biedt dat bij hem past.

• Het kabinet stimuleert dat verzekeraars met aanbieders onderhandelen over prijs en kwaliteit van zorg en bij de inkoop van zorg ook kwaliteit van zorg als criterium mee te nemen.

• De Inspectie Gezondheidszorg zal instellingen die onder de maat presteren stevig aanspreken. Ze richt zich daarbij steeds meer op de resultaten van de zorg en afstemming tussen verschillende zorgaanbieders waar de patiënt mee te maken heeft.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): Gemeenten die de nuloptie wensen in het kader van de opheffing van het bordeelverbod, zijn nog altijd niet officieel geholpen. Deze kwestie zou toch ook door dit kabinet worden geregeld?

Antwoord

In juli 2004 heeft de minister van Justitie het Plan van aanpak Ordening & Bescherming Prostitutiesector aan de Kamer toegezonden. Daarin wordt aangegeven dat de mogelijkheden tot het voeren van een gemeentelijk nulbeleid in het kader van de ruimtelijke ordening, zoals aangegeven in het Hoofdlijnenakkoord, niet voorhanden zijn. Uit de praktijk en de jurisprudentie van de bestuursrechter blijkt, dat alleen het overlastcriterium in voorkomende gevallen de mogelijkheid biedt om prostitutiebedrijven in het kader van de ruimtelijke ordening te weren. Daarom wil het kabinet, gezamenlijk met de VNG, bekijken of een verbreding van het overlastcriterium misschien uitkomst biedt voor die gemeenten die meer vrijheid wensen in het bepalen van de aanwezigheid van prostitutiebedrijven.

Overigens bestaan nu reeds andere constructies voor gemeenten om een nulbeleid te voeren. Het kabinet werpt geen belemmering op tegen deze constructies. Het gaat hierbij om een regionaal maximumbeleid, waarbij gemeenten gezamenlijk afspreken dat in bepaalde gemeenten wel prostitutiebedrijven worden toegestaan en in andere niet. Bij deze laatste categorie gemeenten is dus feitelijk sprake van een lokaal nulbeleid. Samenwerking tussen gemeenten is dan wel een vereiste.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): Wij begrijpen niet goed dat een heilige koe als een pleziervaartuigenbelasting ongemoeid blijft rondlopen. De jachthavens puilen uit. Wat ligt er niet voor kapitaal aangemeerd. Durven we dat niet aan?

Antwoord

• Invoering van een vaartuigenbelasting onder diverse kabinetten is al meer malen bezien.

• Laatstelijk in 1999 als gevolg van toenmalige Regeerakkoord: instelling van de werkgroep vaarbelasting onder voorzitterschap van de commissaris van de Koningin in Gelderland de heer Kamminga.

• Op grond van het advies zag het toenmalige kabinet geen perspectief voor een heffing vanwege juridische en uitvoeringstechnische bezwaren.

• Eerder al (1992/1993) zijn wetsvoorstellen niet ingediend door zeer kritische adviezen Raad van State.

• Hoge perceptiekosten en controleproblemen; geen goede oplossing voor heffing op buitenlandse boten.

• Zolang de beroepsvaart door internationale verdragen niet in een heffing kan worden betrokken is het ontbreken van een goede rechtsgrond prohibitief voor de invoering van een heffing.

Vraag van de geachte afgevaardigden Van Aartsen (VVD) enVan der Vlies (SGP): Vraag naar tempo van terugdringen administratievelastendruk.

De heer Van Aartsen verwees naar voorbeeld snackbar waar ondernemer beboet wordt voor gebruik bier op het terras. De heer van der Vlies verwees naar roep MKB om deregulering.

Antwoord

Voor Kabinet is terugdringen regeldruk prioriteit. Meerdere operaties richten zich daarop:

• Kabinet (met als trekkers de minister van Financiën en de Staatssecretaris van EZ) heeft zich tot taak gesteld om administratieve lasten nog deze kabinetsperiode te verlagen met een kwart. Hiervoor heeft kabinet in april een eerste tranche met maatregelen afgekondigd. Deze zijn goed voor een reductie met 18%. In de tweede tranche die in het voorjaar van 2005 bekend zal worden gemaakt, worden aanvullende maatregelen aangekondigd. Aanpak Administratieve lasten van groot belang ook voor MKB. Dit omdat de AL voor een belangrijk deel uit vaste lasten bestaan en extra zwaar doortellen voor het MKB. Aandacht voor MKB in de hele AL-operatie blijkt ook uit het project Modelbedrijven waarin zowel bij grote als kleine bedrijven AL-knelpunten in kaart worden gebracht en aangepakt.

• Ook in het project vergunningverlening zal extra aandacht voor MKB zijn. Dit jaar zal worden onderzocht in hoeverre de zgn. overige nalevingskosten gemeten kunnen worden en in hoeverre daar een reductiedoelstelling aan kan worden gekoppeld. Uiteraard zal ook het MKB profiteren van reductiemaatregelen

• In het kader van het terugdringen de regeldruk wordt ook gekeken naar het tegengaan van tegenstrijdige regels. De heer Van Aartsen noemde het voorbeeld van de snackbar met terras, waarbij de klanten niet op het terras hun biertje mochten opdrinken. Dit voorbeeld is kenmerkend voor de meldingen die bij het Meldpunt tegenstrijdige regels van EZ zijn binnengekomen. Dit jaar nog zullen we alle bij het meldpunt binnengekomen tegenstrijdigheden oplossen, voorzover veroorzaakt door tegenstrijdigheden in de uitvoering van de regels. Daarbij richt de aanpak zich primair op het MKB.

• In het kader van de deregulering zijn ook vermeldenswaardig de departementale operaties zoals bijvoorbeeld bij SZW waarbij het aantal regels op ondermeer het terrein van de arbeidsomstandigheden sterk wordt teruggedrongen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): Een reactie op de stelling dat het draagkrachtbeginsel met speciale aandacht voor gezinnen en gezinsgrootte versterkt zou moeten worden bij invoering van eigen bijdragen.

Antwoord

• Het Nederlandse stelsel kent op verschillende terreinen eigen bijdragen.

• In veel gevallen zijn deze eigen bijdragen inkomensafhankelijk vormgegeven, waarbij dus rekening wordt gehouden met de draagkracht van het huishouden, zoals de eigen bijdrage AWBZ, de huursubsidie en de bijdragen voor kinderopvang. Dit zijn ook de regelingen die tot de grootste kostenposten voor huishoudens kunnen leiden.

• Daarnaast zijn er (kleinere) eigen bijdragen die niet inkomensafhankelijk zijn. Wijzigingen in het ziekenfondspakket en de invoering van de no-claimregeling maken bijvoorbeeld geen onderscheid naar draagkracht. Deze eigen bijdragen zijn noodzakelijk voor een houdbaar stelsel, maar kunnen eventueel wel worden opgevoerd voor de bijzonderekostenaftrek.

• Voor een structureel houdbaar stelsel van gezondheidszorg is het belangrijk dat ook op het niveau van het individu de eigen verantwoordelijkheid gevoeld wordt. De noodzakelijke toegang mag niet in het gedrang komen, maar dit beroep op de eigen verantwoordelijkheid vergt ook een financiële prikkel.

• Dit speelt bij alle huishoudens, ongeacht de draagkracht van het huishouden.

• Waar deze specifieke eigen bijdragen geen rekening houden met draagkracht, komt dit draagkrachtbeginsel in het totaal van het inkomensbeleid weer terug. We kennen een progressief belastingstelsel, en ook dit jaar toont weer, dat in het generieke inkomensbeleid de laagste inkomens worden ontzien bij lastenverzwaringen. De noodzaak dat ieder huishouden zijn, al dan niet inkomensafhankelijke, eigen bijdragen kan voldoen wordt in het totaal van het inkomensbeleid meegewogen. In dit licht wordt ook vanaf 2006 de zorgtoeslag ingevoerd. De fiscale regelingen voor buitengewone uitgaven geven daarnaast ook een (inkomensafhankelijke) tegemoetkoming in de kosten van eigen bijdragen.

• In de gezondheidszorg wordt ook rekening gehouden met gezinsgrootte. Zo wordt zowel noch in de ZFW noch in de zorgverzekeringswet vanaf 2006 een (nominale) premie voor kinderen jonger dan 18 jaar geheven. Ook geldt voor hen de nieuwe no-claimregeling niet.

• Verschillende inkomensafhankelijke regelingen zijn specifiek ingevoerd voor gezinnen met kinderen. Voorbeelden zijn de WTOS (kostendekkend per kind) en de nieuwe Wet Kinderopvang, waarbij de eigen bijdrage per kind afneemt met het aantal kinderen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): De hervormingsagenda van het kabinet toont hiaten op het gebied van huwelijk en gezin. Wat doet het kabinet om de plaag van ontwrichte gezinnen tegen te gaan naast opvoedingsondersteuning en Actie Jong? Is het mogelijk: – verplichte bemiddeling in te stellen? – aftrek alimentatie uit Box 1 te ontmoedigen?

Antwoord

Gegeven het belang van het huwelijk voor de samenleving en voor de opvoeding van de nieuwe leden in de samenleving is ieder huwelijk dat ontregeld raakt betreurenswaardig. Om die reden omvat het beleid van de regering op tal van punten maatregelen die voorwaarden scheppen die de gunstige ontplooiing van het huwelijk kunnen bevorderen. In het bijzonder de invoering van een levensloopregeling die het mogelijk maakt zorg en werk beter te combineren. Daarnaast kunnen echtelieden wiens huwelijk dreigt te ontsporen een beroep doen op tal van voorzieningen en hulp.

De Minister van Justitie komt dit najaar met een wetsvoorstel voor het verbeteren van de regelingen rond scheiding- en omgang. De verantwoordelijkheid voor het beroep op hulp en voorzieningen dient echter bij de betrokken echtelieden te liggen, behoudens de situatie waar die bedreigend zijn voor het kind of henzelf.

Het zou principieel onjuist zijn wanneer de overheid zich actief inmengt in huiselijke onmin vanuit een beeld van wat maatschappelijk gezien een gezond huwelijk of gezinsleven is. Bovendien, bemidde ling heeft slechts zin als het vrijwillig wordt gevraagd en wordt aanvaard door de betrokken echtelieden. Gevreesd moet worden dat het verplichten van bemiddeling een averechts effect heeft.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): Waarom is er nog geen rechtszekerheid geboden voor ambtenaren van de burgerlijke stand die gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van een homohuwelijk?

Antwoord

Een gemeente moet ervoor zorgen dat ieder huwelijk kan worden voltrokken en dat er daarvoor voldoende trouwambtenaren zijn. Uitgangspunt is dat ingeval van gewetensbezwaarde ambtenaren een praktische oplossing moet worden gezocht. Dat kan door bij de organisatie rekening te houden met serieuze gewetensbezwaren, door benoeming van buitengewone ambtenaren zonder gewetensbezwaren dan wel door ambtenaren van andere gemeenten in te schakelen. De Commissie gelijke behandeling heeft eerder geoordeeld dat de weigering om trouwambtenaren met religieuze bezwaren tegen het homohuwelijk aan te stellen, een indirect onderscheid is in de zin van de Algemene Wet Gelijke Behandeling. De gemeente is als werkgever verantwoordelijk voor de rechtspositie van de ambtenaar. Waar nodig kan een geschil ter beoordeling aan de rechter worden voorgelegd. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de gemeente Leeuwarden hiervan in kennis gesteld. Onlangs heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden besloten dat de betrokken trouwambtenaar kan aanblijven.

Vraag van de geachte afgevaardigde Van der Vlies (SGP): Geweld op TV en zedeloze reclame in de publieke ruimte zijn helaas nog niet uitgebannen.

Antwoord

Het kabinet is van mening dat de overheidsverantwoordelijkheid zich met name richt op het media-aanbod aan kinderen. Jeugdigen besteden een flink deel van hun tijd aan het kijken naar de televisie en video's/dvd's en zitten steeds meer achter de computer. Om ouders en jeugdigen te informeren over de schadelijkheid van mediaproducten is het systeem van de Kijkwijzer in 2001 geïntroduceerd. Dit systeem is geëvalueerd en de evaluatie is met de Kamer besproken. Geconcludeerd is dat de grondslag van het stelsel van zelfregulering gehandhaafd blijft en dat op korte termijn een aantal verbeteringen. Daarover is de Kamer op 8 juli 2004 geïnformeerd.

In meer algemene zin loopt de discussie over de invloed van media op jeugdigen, wat betreft geweld, met regelmaat hoog op. Dit heeft er mede toe geleid dat het Kabinet zich laat adviseren over de vraag hoe alle betrokken partijen hun onderscheiden verantwoordelijkheden beter waar kunnen maken waar het gaat om de bescherming en weerbaarheid van jeugdigen. De commissie Jeugd, Geweld, Media zal daarover in december advies uitbrengen.

Vraag van de geachte afgevaardigde Wilders (Groep Wilders): De heer Wilders vindt dat gezinshereniging en gezinsvorming van niet-westerse migranten gedurende vijf jaar moet worden verboden. Dat verbod is volgens de heer Wilders nodig omdat de aandacht nu vooral gericht moet zijn op een succesvolle integratie van de vele niet-westerse allochtonen die al in Nederland zijn.

Antwoord

Het voorstel van de heer Wilders tot het uitsluiten van gehele bevolkingsgroepen op gezinsleven in Nederland wordt door het kabinet afgewezen. Het criterium voor gezinshereniging en -vorming is de zelfredzaamheid in Nederland, niet de religie of herkomst. Daarom worden eisen gesteld aan het minimuminkomen van de in Nederland verblijvende huwelijkspartner, aan de leeftijd van beiden en aan het beheersen van de Nederlandse taal, opdat de voorwaarden voor integratie in de Nederlandse samenleving aanwezig zijn.

Vraag van de geachte afgevaardigde Lazrak (Groep Lazrak): De maatregelen die tot nu toe in Nederland zijn genomen zijn precies wat de terroristen willen: uitgaven voor veiligheid en beperking van grondrechten en vrijheden van burgers. Is het wegnemen van de voedingsbodem hier en elders in de wereld niet de beste manier om terrorisme te bestrijden?

Antwoord

Het wegnemen van voedingsbodems voor terrorisme is ook voor het Kabinet een van de aandachtspunten in het kader van de bestrijding van terrorisme. In dat kader heeft minister Verdonk aangekondigd met een Plan van aanpak te komen om de moslimgemeenschap weerbaarder te maken tegen radicaliserings-tendensen. In de brief van 10 september jl. is voorts aangekondigd dat het kabinet binnenkort een nota naar de kamer zal zenden over de aanpak van het verschijnsel van radicalisering in de samenleving.

Niet echter kan worden volstaan met preventieve maatregelen. De samenleving is immers reeds geconfronteerd met terroristische activiteiten. Die activiteiten moeten inlichtingenmatig, strafrechtelijk en bestuurlijk worden bestreden, daartoe heeft het Kabinet de afgelopen periode een groot aantal maatregelen genomen. Het Kabinet deelt niet uw mening dat deze maatregelen de grondrechten en vrijheden van burgers onnodig inperken. Het zijn juist de terroristische activiteiten die burgers in hun vrijheden raken.

Voorts verwijs ik u naar het antwoord op de vraag van de geachte afgevaardigde Dittrich van heden met betrekking tot de te sluiten handelsovereenkomsten in internationaal verband in het kader van terrorismebestrijding.

Naar boven