Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-2000nr. 42, pagina 3185-3204

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) (26727);

het wetsvoorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (26728).

(Zie vergadering van 26 januari 2000.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! Ik was gebleven bij de aanmerkelijkbelangregeling. Mevrouw Giskes en anderen waren al eerder tot de conclusie gekomen dat het verstandig was om de meesleep- en meetrekregeling onder te brengen in box I. Inmiddels is daartoe gisteren een nota van wijziging ingediend.

De minister is uitvoerig ingegaan op de voors en tegens van de forfaitaire rendementsheffing. Ik beperk mij tot een aantal vragen en kanttekeningen van de Kamer en betrek daarbij ook de ingediende amendementen. De heer Reitsma heeft een amendement ingediend dat betrekking heeft op het schrappen van de drempel voor kleine schulden. De lage drempel is ingevoerd met het oog op de doelmatigheid, waardoor voorkomen wordt dat mensen aan het eind van het jaar hun schulden in verband met onbetaalde rekeningen moeten inventariseren. Daarnaast is bij nota van wijziging voorgesteld om alles wat te maken heeft met belastingheffing en -schulden en ook -vordering erbuiten te houden met het oog op eenvoud, doelmatigheid en beperking van de administratieve lasten. De drempel voor kleine schulden heeft dezelfde doelstelling. Dat is ook de reden waarom wij grote bezwaren hebben tegen het amendement van de heer Reitsma. Wij ontraden aanneming ervan, omdat het wegnemen van de drempel administratieve lasten tot gevolg heeft. Het levert problemen en knelpunten op in de uitvoering, zowel voor de burger als voor de belastingdienst en dat is nu juist wat wij beogen te voorkomen door invoering van de drempel.

Er is een amendement ingediend op het punt van het heffingsvrije vermogen gericht op een regeling voor kinderen. Ik heb gisteravond al gezegd dat deze ook in de huidige regeling is opgenomen. Het is dus denkbaar dat deze regeling wordt doorgetrokken. Ik heb daarbij opgemerkt dat wij eraan hechten om meer in het algemeen te kijken naar allerlei kinderregelingen in de fiscaliteit en erbuiten, gericht op stroomlijning. Die zou in de zomer moeten plaatsvinden, als wij de gelegenheid hebben gehad, de verschillende regelingen en de wijze waarop zij op elkaar afgestemd kunnen worden, onder de loep te nemen.

De heer Schutte heeft een voorstel gedaan om tegemoet te komen aan de spaarzin van kinderen. Daarvoor geldt hetzelfde. Dat voorstel kost 75 mln. Als je kijkt naar de dekking die bij dat dossier gevonden kan worden, leidt dat tot een tekort van 45 mln.

De heer Schutte en mevrouw De Vries hebben een bredere vraag gesteld over de vermogensrendementsheffing in de Europese context. In de stukken hebben wij vrij uitvoerig aandacht geschonken aan de fiscale aspecten van Europa. Daarnaast hebben wij aandacht geschonken aan de positie van Nederland bij fiscale verdragen. Vervolgens zijn wij uitvoerig ingegaan op het karakter van de vermogensrendementsheffing. Wij zijn vol overtuiging tot de conclusie gekomen dat het hierbij gaat om een inkomstenbelasting. Dat was ook de opzet van de heffing. Wij hebben voldoende overtuigende argumenten aangevoerd om dat karakter te onderschrijven.

De doelstelling en de beoogde opzet zijn die van een inkomstenbelasting. Dat speelt altijd een rol bij de gedachtewisseling met de verdragspartners in de internationale en Europese context. Wanneer een verdragspartner, in dit geval Nederland, aangeeft wat de beoogde opzet en doelstelling is, moet men van goeden huize komen om het tegendeel te beweren. Het is niet gebruikelijk in de internationale of Europese context om onmiddellijk te zeggen dat de beoogde doelstelling en opzet van een dergelijke regeling anders is. Wij gaan ervan uit dat wij in de wetsgeschiedenis en in de opzet van de wet voldoende duidelijk hebben gemaakt dat het gaat om een inkomstenbelasting. De vraag of wij nat gaan, is hier absoluut niet aan de orde. Het kabinet gaat ervan uit dat er sprake is van een inkomstenbelasting. Dat is de inzet waarmee wij internationaal de boer op gaan, als dat nodig is.

De heer Schutte heeft gesproken over de internationale inpasbaarheid. Ik heb gezegd met welke doelstelling wij die inzet zullen plegen en ik verwijs hiervoor naar de schriftelijke behandeling.

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Na dat prachtige gedicht had ik even het voornemen om vandaag maar te zwijgen, maar ik kan de verleiding niet weerstaan om een vraag te stellen over de forfaitaire rendementsheffing. Dit instrument is nieuw. Er kunnen internationale vragen over worden gesteld en er is onzekerheid over de inkomsten, zoals blijkt uit de marge van het Centraal planbureau. Ik heb een amendement ingediend om na drie jaar een tussenbalans op te maken en er ligt een amendement om de hele wet na vijf jaar te evalueren. Is het mogelijk om na drie jaar een voorlopige indicatie te geven welke uitwerking dit instrument heeft en welke complicaties er zijn?

Staatssecretaris Vermeend:

Er zijn twee amendementen ingediend op dit punt. Het amendement van de heer Reitsma vraagt om een evaluatie na drie jaar op een specifiek onderdeel van de wet. Het amendement van de heer Bos, medeondertekend door mevrouw De Vries en mevrouw Giskes, vraagt om een bredere evaluatie van de wet met specifieke aandacht voor de aspecten die te maken hebben met de grondslag in algemene zin. Het amendement vraagt ook bijzondere aandacht voor de rendementsheffing.

Het amendement van de heer Reitsma kan van pas komen om eerder inzicht te verkrijgen. De ervaring heeft mij geleerd, kijkend naar de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat het verstandig is om de fiscale ontwikkelingen op de voet te volgen in de ruimst mogelijke zin. Dat geldt voor zowel regering als parlement. Het is te vaak voorgekomen dat pas achteraf kon worden vastgesteld dat bepaalde doelstellingen die werden beoogd met een wet minder tot hun recht kwamen. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat zich jurisprudentie heeft ontwikkeld waarmee men minder gelukkig was, maar die gewoon op zijn beloop is gelaten. Ik kan mij dus wel iets voorstellen bij de gedachte van de heer Reitsma.

Gezien de amendementen en gehoord de suggestie van de heer Reitsma, stel ik het volgende voor. Waar mogelijk lijkt het mij verstandig en wenselijk om zo spoedig mogelijk inzicht te verkrijgen in de werking van de wet in al zijn onderdelen. Ik wil bezien of dat mogelijk is. Dat vraagt overigens om afstemming tussen departementen en de belastingdienst. Een en ander moet immers plaatsvinden op basis van gegevens. Als de wet in werking treedt, duurt het enige tijd alvorens wij kunnen beschikken over die gegevens. Ik zeg echter toe, ook in verband met de genoemde amendementen, dat wij de Kamer zo spoedig mogelijk verslag zullen doen nadat de benodigde gegevens ons hebben bereikt. Dat is belangrijk voor de ontwikkeling van de wet in termen van effectiviteit en doelmatigheid, mede in relatie tot de beoogde doelstellingen. Het is ook belangrijk met het oog op de grondslag. Als het even kan, zullen wij de Kamer over een en ander zo spoedig mogelijk verslag doen.

Hierbij kunnen ook de bevindingen van een door mij ingestelde werkgroep, waarbij werkgevers, werknemers en de belastingadviseurs zijn betrokken, meegenomen worden. De belastingadviseurs hebben inzicht in de praktijkinvoering van de wet. Deze werkgroep signaleert eventuele knelpunten die in de praktijk kunnen optreden bij in- en uitvoering van de wet. Ik zal dus met een verslag aan het parlement komen, voorzover ik over de bedoelde gegevens kan beschikken. Op deze wijze kan ik vrij breed tegemoetkomen aan de wensen die in de Kamer leven om inzicht te verkrijgen in de wet.

De heer Bos (PvdA):

Ik vraag de staatssecretaris om duidelijk te maken dat de veronderstelling juist is dat er pas in het jaar 2005 beschikt kan worden over twee volledige jaren van uitvoering van de nieuwe wet. Dat is immers de redenering die ten grondslag ligt aan ons amendement. Houdt de staatssecretaris het voor mogelijk dat het moment eerder aanbreekt?

Staatssecretaris Vermeend:

In het jaar 2005 beschik ik over wat meer harde gegevens, ook kijkend naar de aanslagregeling. Vandaar dat ik het amendement van de heer Bos een aanvaardbaar amendement vind, ook qua uitvoering. Het amendement van de heer Reitsma wil een evaluatie zien in het jaar 2003. Ik vraag mij af of ik dan over voldoende gegevens beschik om verantwoorde uitspraken te doen. Dat neemt niet weg dat ook ik het belangrijk acht om zo veel mogelijk eerder inzicht te verkrijgen in een aantal aspecten van een in alle facetten ingrijpende wetswijziging. Ik zeg daarom toe dat wij de vinger aan de pols zullen houden. Ik moet daartoe afspraken maken met de belastingdienst, opdat gekomen kan worden tot een systeem waarbij wij informatie krijgen over een aantal aspecten die vervolgens in een verslag aan het parlement aangeboden kunnen worden.

De heer Reitsma (CDA):

De staatssecretaris mag mijn amendement langs dezelfde lijnen interpreteren. Als het onmogelijk is om alles na drie jaar tot in detail op een rijtje te zetten, dan houdt het op. Er moeten voldoende gegevens zijn. Ik heb daarvoor begrip. Als in de wet komt te staan dat minimaal na drie jaar de eerste verslaglegging komt, in de zin van een indicatie, en na vijf jaar een grondiger evaluatie, is dat wat mij betreft een goede interpretatie van mijn amendement.

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! De heer Reitsma zal hebben gehoord dat ik zelfs nog iets verder wil gaan. Als ik eerder over goede gegevens beschik, ben ik ook bereid om het parlement de verslaglegging eerder voor te leggen. Ik streef er uiteraard naar om zo snel mogelijk inzicht te verschaffen. Daar hebben wij allen belang bij. Je moet proberen te voorkomen dat eventuele knelpunten in de praktijk door blijven zeuren, terwijl het zo simpel kan zijn om ze op te lossen als ze zijn of worden gesignaleerd.

Verleden week, voorzitter, is uitvoerige aandacht besteed aan de kunst. Ik heb toen al kenbaar gemaakt dat het kabinet niet voornemens was om belasting op kunst te gaan heffen. Toch bleef daarover enige onzekerheid bestaan. Met de vierde nota van wijziging denken wij tegemoet te komen aan de wens van de Kamer tot nadere verduidelijking. Het uitlenen en/of verzamelen van kunst kan niet zonder meer als belegging worden aangemerkt. Het amendement van de heer Reitsma gaat echter verder. Hoewel hij het niet zal beogen, komt dat er zwart-wit gezegd eigenlijk op neer dat kunst zonder meer is vrijgesteld. Dat nu is natuurlijk niet de bedoeling, want zo zijn vormen van oneigenlijk gebruik of misbruik van de regeling niet uit te sluiten. Er kan een aanzuigende werking van uitgaan in die zin dat mensen straks belaste beleggingsproducten gaan omzetten in "kunst". Daarom geef ik de voorkeur aan de wijziging die wij hebben aangebracht, die ons inziens ook de gewenste duidelijkheid verschaft en niet afdoet aan de intentie van het kabinet en van een brede meerderheid van de Kamer die eveneens van mening is dat vormen van oneigenlijk gebruik rondom de peildatum en die beogen via kunst belaste beleggingen te ontlopen, moeten kunnen worden aangepakt.

De heer Reitsma (CDA):

Voorzitter! Die nota van wijziging viel mij eerlijk gezegd toch wel een beetje tegen. Ik had gedacht dat de staatssecretaris na zo'n uitvoerige discussie wel wat ruimhartiger zou zijn geweest en mijn amendement had overgenomen in de nota van wijziging. Waarom zet hij achter de komma in de eerste zin niet gewoon een punt, conform mijn amendement? In het wetgevingsoverleg leefde ik toch in de veronderstelling dat hij bij echt misbruik of oneigenlijk gebruik echt wel andere instrumenten in de wet heeft om in te grijpen. De heer Bos heeft zelfs met name zo'n instrument genoemd.

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! Als ik de overtuiging had dat ik een voldoende adequaat instrumentarium ter beschikking had, had ik het amendement van de heer Reitsma ongetwijfeld overgenomen. Maar, ik heb die overtuiging niet. Ik ben ervan overtuigd dat de bepaling zoals die thans, na de vierde nota van wijziging, is geformuleerd kunst vrijstelt van belastingheffing en mij tegelijkertijd de mogelijkheid biedt om adequaat op te treden tegen mogelijke vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik. Als de wetgever en de medewetgever daarover met elkaar van gedachten wisselen, moeten zij ook een open oog hebben voor mogelijke producten die in gaan spelen op die vrijstelling. Ik voorspel u anders dat wij elkaar hier nog wel eens zullen spreken over nieuwe producten waarmee men beoogt om bepaalde regelingen te ontlopen of de druk te mitigeren. Ik heb dan liever dan wij hier en nu die mogelijkheden belichten en ons vervolgens afvragen of wij voldoende instrumentarium hebben om die tegen te gaan. Het antwoord is nee. Vervolgens heb ik aangegeven, ook in de nota van wijziging, op welke wijze de onzekerheid kan worden weggenomen in situaties van uitleen en verzamelen. Deze zijn juist uitvoerig aan de orde gesteld. Daarbij is wel de mogelijkheid behouden om oneigenlijk gebruik en misbruik tegen te gaan.

De heer Reitsma (CDA):

Hoe je het ook wendt of keert, de letterlijke tekst van artikel 5.2.2, lid 1, zoals voorzien in het oorspronkelijke wetsvoorstel, wordt gehandhaafd. De staatssecretaris haalt met deze tekst nog een stuk jurisprudentie over zich heen, ook met de leden 2 en 3 die er nu zijn bijgekomen. Dat is wel een verbetering; dat moet ik erkennen. Mijn voorkeur blijft er daarom naar uit gaan om ruimhartig te zijn. Kunst is in Nederland van wezenlijke betekenis. Beperk het dan maar gewoon tot lid 1 van het artikel, zodat alles wat achter de komma staat, kan worden geschrapt. Dat lijkt mij toch beter.

Staatssecretaris Vermeend:

Ruimhartigheid wil niet zeggen dat je ruimte moet laten voor oneigenlijk gebruik. De heer Reitsma betoogt dat ook niet. Dat moet je niet doen. Als je zegt dat kunst is vrijgesteld, kan ik nu al voorspellen waar dat toe leidt. Als je dat weet, heb je willens en wetens de mogelijkheid opengelaten. De ontwikkeling van de jurisprudentie laat zien dat ik dan weinig kans bij de rechter maak. De rechter zegt dan immers – die is dan vrij in zijn overweging; dat kun je zien in de jurisprudentie – dat de wetgever dat heeft gesignaleerd en open gelaten. Hier hebben wij het gesignaleerd. Het zou niet verstandig zijn als ik die bepaling tijdens dit proces uit het oogpunt van ruimhartigheid terugneem en vervolgens afwacht wat er in de praktijk gebeurt. Dat moet je niet willen. Kunst is vrijgesteld. Het belang van kunst wordt door ons onderschreven. Daar is niks mee aan de hand, maar tegelijkertijd heeft niemand er belang bij dat je een bepaling in de wet neerlegt die mogelijkheden biedt voor ruis, oneigenlijk gebruik en misbruik. Dat moet je niet willen.

De heer Reitsma (CDA):

Toch begrijp ik een ding niet. Bij de oude vermogensbelasting was kunst gewoon vrijgesteld. Ik moet erkennen dat de heffing ietsje hoger is. Wij hebben ons toen nooit druk gemaakt. Wij vonden de regeling bevredigend. Waarom bestaat dan nu de angst dat deze regeling tot oneigenlijk gebruik kan leiden? Dat zie ik niet.

Staatssecretaris Vermeend:

Vermogensbelasting kun je niet vergelijken met vermogensrendementsheffing. Er is geen vergelijking mogelijk. Het is een heel ander systeem. Het is een vrijstelling in een heffingsystematiek waarbij beleggingen in meer algemene zin worden belast. Beleggingen zijn dus belast. Vervolgens is er een aantal vrijstellingen. Hoe je het ook wendt of keert, je krijgt een druk op die vrijstellingen. Men zal in de belastingheffing of in de advisering altijd zoeken naar mogelijkheden – het water stroomt naar het laagste punt – om de belastingdruk te mitigeren. Wat doe je dan als creatief adviseur? Dan zoek je naar mogelijkheden om zo'n vrijstelling te gebruiken. De wetgever moet dan voorkomen dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van die vrijstelling. Om die reden richt de opzet van de bepaling zich tegen vormen van oneigenlijk gebruik, terwijl tegelijkertijd wordt beseft dat het van belang is dat kunst, kunstverzamelingen, uitleen, etc., niet tot belastingheffing leidt. Dat is ook niet beoogd.

De heer Bos (PvdA):

Vorige week hebben wij gevraagd of de staatssecretaris nog eens wil kijken naar de bewoordingen van dit artikel met het oog op de onrust in de kunstwereld. Dat heeft hij gedaan. Daarvoor dank. De staatssecretaris heeft daarbij niet in alle opzichten onze suggesties gevolgd, maar de bedoeling en het effect lopen volgens mij toch wel redelijk parallel.

Een vraag blijft over. Die vraag is ook vorige week gesteld. Misschien kan de staatssecretaris daar nu een finaal antwoord op geven. De staatssecretaris heeft ervoor gekozen om het woord "hoofdzakelijk" in het desbetreffende artikel te laten staan. Er is gezegd dat dit een gelegenheid kan scheppen tot het voeren van eindeloze discussies over de vraag wanneer iets wel of niet hoofdzakelijk ter belegging dient. Ter overweging is gegeven het woord "hoofdzakelijk" te vervangen door "uitsluitend" of "nagenoeg uitsluitend". Kan de staatssecretaris zeggen wat hij daarvan vindt?

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! In de eerste plaats is "hoofdzakelijk" een bekend begrip in de fiscale wetgeving. Het wordt vrij algemeen gebruikt en is in de jurisprudentie verder ontwikkeld. De fiscus kan ermee overweg. Ook in de wet van 1964 heeft dit begrip zich bewezen. Ik verwacht op dit punt geen wezenlijke knelpunten. Die zouden zich dan ook hebben moeten voorgedaan in de huidige fiscale wetgeving. Er wordt immers al met dit begrip gewerkt. Overigens niet alleen op deze plaats, maar ook op andere plaatsen. "Nagenoeg geheel" gaat verder. Iedere grens die je stelt, is arbitrair en kan discussies oproepen. Ik zeg hierbij uitdrukkelijk dat deze bepaling zodanig is opgezet, dat duidelijk is dat kunst in algemene zin is vrijgesteld. Dit begrip komt pas aan de orde in bijzondere situaties. Dit heb ik ook in de schriftelijke behandeling aangegeven. Ik meen dat de hoofdzakelijkheidseis een adequate benadering is van de wijze waarop wij in de praktijk een toets kunnen aanleggen. Het gaat om een bijzondere toets in een bijzondere situatie. Ik denk dat de fiscus hiermee uit de voeten kan en dat de praktijk zich op dit punt ook geen zorgen hoeft te maken. Ik heb mij ook geërgerd aan de verhalen in de media dat wij inspecteurs huizen insturen om schilderijen te controleren. Daarvan is geen sprake! Wij hebben wel wat anders te doen.

Voorzitter! Ik kom nu bij de boxoverschrijdende bepaling, de heffingskorting en individualisering. De heer Schutte heeft een amendement ingediend op stuk nr. 47. Hij meent dat ik voor dit amendement moet zijn, omdat dit een vereenvoudiging behelst. Ik ben voor vereenvoudiging en zou dit amendement daarom dus eigenlijk moeten overnemen. Als dit een vereenvoudiging was, zou ik zeker zwichten voor dit argument. Het probleem is echter dat ons voorstel al eenvoudig is. Er wordt een formulier verstrekt waarop de partner die de heffingskorting krijgt, zelf kan aangeven op welke rekening het bedrag moet worden gestort. Dit kan een gezamenlijke rekening zijn, een eigen rekening of de rekening van de partner. Men is daarin volledig vrij. Eenvoudiger kan het niet. Het voorstel van de heer Schutte leidt ertoe dat ik naar de werkgever moet, want die moet kenbaar maken dat de heffingskorting in mindering moet worden gebracht of moet worden verwerkt in de belastingheffing van de ene partner. Wij hebben nu juist uit oogpunt van de vermindering van de administratievelastendruk besloten dit weg te halen bij de werkgever. Ik meen dat het systeem dat wij hebben ingevoerd, vrij simpel is. Er wordt een formuliertje verstrekt, betrokkene kan zijn wens kenbaar maken en wij draaien. Ik denk dat het voorstel van de heer Schutte meer administratievelastendruk oplevert en omslachtiger is. Zijn amendement is in onze ogen geen vereenvoudiging. De partners kunnen zelf hun keuze kenbaar maken. Dit komt toch tegemoet aan de gedachte van de heer Schutte dat zij zelf moeten beslissen aan wie de korting wordt uitgekeerd?

Mevrouw Giskes (D66):

Voorzitter! Mag ik vragen hoe dit gaat met nieuw aantredende niet-werkende partners? Hoe worden die gespot?

Staatssecretaris Vermeend:

Wij zijn in gesprek met de werkgevers. Zij zijn in ieder geval bereid ons gegevens te verschaffen op dit punt. Vervolgens zullen wij zoeken naar een systeem om gebruik te maken van die gegevens. Er vindt dus overleg plaats met de werkgevers en dat is belangrijk, omdat wij op die manier met de praktijk aan tafel zitten. Die praktijk kan ons behulpzaam zijn bij de oplossing van dit soort problemen. De bedoeling is dat zij in ieder geval worden gespot. Daarna kan de keuze kenbaar worden gemaakt voor de uitkering van de korting.

Voorzitter! Ik kom nu op een aantal punten die betrekking hebben op het overgangsrecht. De heer Schutte en de heer Reitsma hebben vragen gesteld over de eerbiediging van lopende polissen. Ook hier kan ik vrij kort zijn, omdat ik uitvoerig ben ingegaan op de afweging die het kabinet heeft gemaakt over het al dan niet eerbiedigen van lopende kapitaal- en lijfrentepolissen. Voor de lijfrentepolissen verwijs ik kortheidshalve naar de argumentatie van het kabinet om daarvoor geen overgangsmaatregel te treffen. Men profiteert van de lage tarieven. Het mag niet gebeuren dat een langjarig regime blijft bestaan met aftrekregelingen. Ik denk dat wij vrij overtuigend hebben aangegeven waarom dat zo is.

Bij nota van wijziging hebben wij een vrij algemene regeling getroffen inzake lopende kapitaalpolissen zonder onderscheid. Wij hebben gezegd: een bepaalde waarde blijft voor de rendementsheffing buiten aanmerking en het meerdere wordt wel meegenomen. Dat is een vrij genereuze regeling. Deze komt enerzijds tegemoet aan de wens inzake een zekere eerbiediging te bieden en houdt anderzijds rekening met mensen die niet op deze wijze hun vermogen hebben belegd. Als je kapitaalpolissen tot miljoenen guldens zou respecteren, treedt een zekere onevenwichtigheid op ten aanzien van de groepen burgers die hun vermogen op een andere wijze hebben belegd en die per 1 januari 2001 voor dat vermogen in de rendementsheffing worden betrokken. Het is niet uit te leggen waarom je het een wel en het ander niet doet. Waarom moet je bancaire producten wel meenemen en investeringen in kapitaalpolissen erbuiten laten? Wij hebben de oplossing gezocht door die polissen voor een bepaald bedrag te respecteren en het meerdere wel mee te nemen. Overigens wijs ik erop dat het rente-element van die polissen, ook die welke in het verleden zijn gesloten, in het nieuwe systeem onbelast blijven en dus niet vallen onder box I. Met andere woorden: het nieuwe systeem werkt wat dit betreft hetzelfde uit. Dat betekent een volledige eerbiediging waar het gaat om het rente-element van dat onderdeel.

Het enige wat niet gebeurt, is dat de waarde van die polissen volledig buiten de rendementsheffing blijft. Het is ook nooit toegezegd dat het wel zou gebeuren. Van eerbieding is wel sprake voorzover het betreft het rente-element. Er is geen goede rechtvaardiging voor te geven om de miljoenen guldens aan waarde buiten beschouwing te laten in het nieuwe systeem. Er zijn nu een aantal polissen die vallen onder de vermogensbelasting. Dat wordt afgeschaft en daar hoor ik niemand over. Ik zie geen reden om op dit punt verder te gaan dan het kabinet. Wat wij gedaan hebben, vind ik alleszins redelijk. Een belangrijk deel van het vermogen laten wij buiten beschouwing in ons voorstel. Wat het andere deel betreft, zeggen wij: dat wordt in de rendementsheffing betrokken, maar het rente-element wordt net als nu niet in aanmerking genomen. Ik vind dit een buitengewoon redelijke oplossing.

De heer Reitsma (CDA):

Ik vind dat wij hier een heel heikel punt van deze belastingherziening raken. Eerbiedigende werking is van wezenlijke betekenis. De overheid mag niet eenzijdig ingrijpen in langlopende contracten. Dat gebeurt met dit wetsvoorstel wel. Daarop is forse kritiek gekomen en het kabinet is tot versoepeling overgegaan met betrekking tot de kapitaalverzekering. Het kabinet heeft erkend dat zijn eerste stellingname niet houdbaar is gebleken.

Ik wil onderscheid maken tussen de situatie voor en de situatie na de brede herwaardering. In dit huis is voor de brede herwaardering door de toenmalige staatssecretaris de bikkelharde garantie gegeven dat de eerbiedigende werking intact zou blijven. Die afspraak met allen die verplichtingen waren aangegaan en deze gecontinueerd hebben, doorbreekt het kabinet. Dat kan niet verdedigd worden met de filosofie dat een stelselherziening wordt doorgevoerd. Daar zit wat mij betreft een zeer principieel punt. Afspraak is afspraak en toezegging is toezegging in deze Kamer. Als dit niet zo is, waar moet de burger dan nog op vertrouwen? Om die reden heb ik specifiek dit amendement ingediend.

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! De heer Reitsma gaat aan mijn betoog voorbij. Mijn eerste vraag was: om welke toezegging ging het en wat doet het kabinet? Ik herhaal dat het rente-element in dergelijke polissen vrij was en vrij blijft onder dezelfde voorwaarden. Met andere woorden, het kabinet respecteert dat. Vervolgens wordt een nieuw heffingssysteem ontwikkeld. De vermogensbelasting vervalt; daar hoor ik de heer Reitsma niet over. Er komt een nieuw systeem: de rendementsheffing. Iedereen valt daaronder met zijn vermogen.

Welke rechtvaardiging ziet de heer Reitsma nu om een onderscheid te maken naar een bepaalde vermogenscomponent? Er zijn mensen die bepaalde producten hebben gekocht, ervan uitgaand dat die misschien wel tot in de eeuwigheid vrij zouden zijn. Dat geldt niet alleen voor kapitaalpolissen, maar ook voor andere producten. Niemand vindt het onredelijk om een nieuw systeem te ontwikkelen waarbij vrijstellingen van de rendementsheffing worden gecreëerd, waarbij de producten op een andere wijze worden belast. Dat heeft niets te maken met al of niet eerbiedigen. Er is gewoon een nieuw systeem ingevoerd.

Het zou wat anders zijn als het kabinet het rente-element, waar het bij de polissen in feite om gaat, alsnog zou belasten. Dat doet het kabinet niet. Die zijn als het ware onder dezelfde voorwaarden gewoon vrij. Er vindt een volledige eerbiediging plaats van de vrijstelling van het rente-element van de koopsompolissen.

Wat de heer Reitsma wil is heel wat anders. Hij wil de volledige waarde, de vermogenswaarde, de beleggingswaarde, van zo'n polis vrijwaren, vanwege het enkele feit dat die tien of vijftien jaar geleden is afgesloten. De toenmalige staatssecretaris kon op dit punt helemaal geen toezeggingen doen, dat het geldende regime voor de kapitaalpolissen zou doorlopen. Wat het rente-element betreft, loopt het trouwens gewoon door. Wat de heer Reitsma wil is heel wat anders. Hij wil voor een specifiek product, de kapitaalpolis, een vrijstelling opnemen voor de waarde in het economisch verkeer van die polis. Dat kan om beleggingspolissen van vele miljoenen guldens gaan. Hij wil die gewoon even uit de grondslag halen, met het argument dat er een toezegging is gedaan. Op dat punt is helemaal geen toezegging gedaan. Dat zou ook niet redelijk zijn.

Ik neem de zwart-witsituatie van iemand die zijn vermogen volledig heeft belegd in koopsompolissen, om welke reden dan ook, of het nu een goede, leuke, veilige of renderende belegging zou zijn. De heer Reitsma moet mij één goed argument geven waarom ik de totale waarde onder het nieuwe regime volledig buiten de rendementsheffing zou laten. Tegen andere mensen, die hun vermogen op andere wijze rendabel hebben gemaakt, niet in koopsompolissen maar in andere portefeuilles, zou ik moeten zeggen dat ik om welke reden dan ook de waarde van kapitaalpolissen buiten beschouwing laat, maar dat al het andere vermogen wel wordt belast. Dat kan ik toch niet uitleggen? Dan creëer ik toch een grote ongelijkheid?

De heer Reitsma (CDA):

Maar het mooiste zou zijn geweest, als u had gezegd dat u af zou blijven van alles wat voor 14 september is gebeurd. Ik wil best nog een nuancering maken tussen voor en na de brede herwaardering.

Staatssecretaris Vermeend:

Ik heb het niet over de brede herwaardering. Ik wil breder met u discussiëren, overal over.

De heer Reitsma (CDA):

Waarom wil ik bewust dat onderscheid maken? Bij de brede herwaardering is er een herbezinning geweest of het fiscale regime alsnog zou worden gewijzigd op de oude verplichtingen. Bij die herbezinning is gezegd dat wij het niet zouden doen, omdat de aangegane verplichtingen zouden worden geëerbiedigd. In die nieuwe discussie grijpt u nu weer in. Ik vind het minder relevant of het om een polis met een hoog bedrag of met een laag bedrag gaat. Het gaat mij om het principiële punt dat de toenmalige overheid vertrouwen heeft geschapen in die verplichting. Dat wordt nu door de staatssecretaris doorkruist.

Staatssecretaris Vermeend:

Nee! De rentecomponent was vrij en blijft onder het nieuwe regime vrij, onder dezelfde voorwaarden. Het regime wordt niet gewijzigd op dit punt. Nu komt er alleen een rendementsheffing, een heel andere heffing. U moet zich realiseren dat de vermogensbelasting tegelijkertijd wordt afgeschaft. De toezegging had daar geen betrekking op. Wij voeren een nieuw systeem in. U haalt er één specifiek vermogensbestanddeel uit, te weten de kapitaalverzekering. Dan moet u straks maar eens uitleggen aan alle mensen die hun vermogen anders hebben belegd, waarom zij die vrijstelling niet krijgen. Dat is mijn probleem. De vrijstelling die u voorstelt, leidt tot een onderscheid tussen bepaalde vermogenscomponenten dat naar mijn oordeel niet te rechtvaardigen is. En wat de eerbiedigende werking betreft, ik herhaal dat de rentecomponent vrij blijft, mits aan dezelfde voorwaarden als voorheen wordt voldaan.

Voorzitter! De heer Vendrik heeft opgemerkt dat de BTW-verhoging voor de verschillende inkomensgroepen ongeveer gelijk is. Toen ik nog studeerde, was dat anders; toen was er een andere verdeling. Maar je mag de BTW-operatie natuurlijk niet los zien van de complete stelselwijziging. Ik ben het met de heer Vendrik eens dat je moet letten op de procentuele lastendruk. Uit de verkenning blijkt het kabinet heeft gestreefd naar een systeem waarin uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met alle gevolgen van de ecotaks op de inkomensverhoudingen en de lastendruk, en hetzelfde geldt voor de BTW. Deze componenten van het inkomensbeeld zijn ook verwerkt in het totale lastenbeeld. Het kabinet heeft bijvoorbeeld precies aangegeven, welke verzwaringen zich bij het minimumloon voordoen op het punt van de instanteffecten, de ecotaks en de BTW. Ik ben het met de heer Vendrik eens dat het zonder meer doorvoeren van een BTW-verhoging al naar gelang het consumptiepatroon van de verschillende samenlevingsvormen zou kunnen leiden tot een onevenwichtige drukverdeling of een wijziging van de drukverdeling ten laste van bepaalde inkomensgroepen, met name de lagere. Dit is uitdrukkelijk afgewogen.

Voorzitter! Een vraag van de heer Vendrik was ook of ik in de toegezegde vergoedingsnota een "open mind" wil houden voor milieuheffingen, die een minder zekere opbrengst genereren. Hij noemde als voorbeeld de grootverbruikersheffing op water en energie. Een heel kort antwoord, dat hem waarschijnlijk wel zal aanspreken: ja.

De heer Vendrik heeft ook nog gevraagd of de toegezegde brede vergoedingsnotitie tijdig beschikbaar zal zijn voor bespreking in de Kamer nog vóór de zomer. Bij de behandeling van het belastingplan 2000 heb ik toegezegd dat de Kamer deze notitie vóór 1 juni zou ontvangen. Wel, dan hebben wij nog een maand om een beetje te dollen...

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter! Ik had een reden om dit te vragen, want de vorige keer is het misgegaan.

Staatssecretaris Vermeend:

Dat is waar, maar ik heb toen geweldig veel spijt betuigd en daarna heb ik ook aangegeven waar dat aan lag. Daar had de Kamer toen wel begrip voor. Het zal niet weer gebeuren, dus ik zal ervoor zorgen dat die notitie op tijd is.

Voorzitter! De heer Vendrik heeft de suggestie gedaan, een jaarlijkse taakstelling voor vergroening in te stellen, bijvoorbeeld 0,25% van het BBP. Nu ben ik niet zo'n voorstander van jaarlijkse taakstellingen, het gaat mij meer om doelmatigheid en doeltreffendheid. Ik heb eens bekeken, hoe ver wij op dit punt zijn. Bij de drie jaartranches van de vergoedingen waarmee wij de totale verschuivingsoperatie afronden, gaat het om ongeveer 5,5 mld., dus ongeveer 1,8 mld. op jaarbasis, wat neerkomt op 0,22% van het BBP in 2000. Dat is niet veel. Wij doen flink ons best. Het zou ons dan ook veel deugd doen als de heer Vendrik een kleine enthousiasmerende kanttekening bij het kabinetsbeleid plaatste. Dat kan natuurlijk nog in de tweede termijn. Het leidt wellicht ook tot enthousiasme dat wij bezig zijn met een onderzoekopdracht voor het RIVM en het ECN, als het gaat om de effecten ex ante van de maatregelen met betrekking tot milieuefficiency bij ijskasten, hogedrukketels, wasdrogers etc.

Dan het bredere punt van vraagstukken die zijdelings verwant zijn met het wetsvoorstel. Dat betreft allereerst de vraag van mevrouw De Vries over de vennootschapsbelasting en alle aspecten die te maken hebben met de interneteconomie. Verder heeft vrijwel iedereen aandacht besteed aan de toekomst, de werking van het stelsel en verdere verkenningen en studies.

Hoewel wij nu bezig zijn met een grote herziening die nog ingevoerd moet worden, is het buitengewoon verleidelijk, nu al weer een blik op de toekomst te werpen. Ik ben er op zichzelf voorstander van om te verkennen. De heer Reitsma, de heer Vendrik, de heer Bos en mevrouw De Vries hebben ons uitgedaagd, een aantal zaken te verkennen. Het is waar dat stilstand achteruitgang is. Immers, de economische omgeving verandert, de maatschappelijke werkelijkheid verandert, de Europese context verandert en er doen zich nieuwe ontwikkelingen in de wereldeconomie voor, met de onvermijdelijke opkomst van internet en alle aspecten die daarmee samenhangen. De internationale concurrentie neemt toe. De heer Marijnissen heeft er terecht op gewezen dat de internationale concurrentie op alle terreinen problematisch is, zeker waar het gaat om de fiscaliteit. Dat vraagt om een brede afweging. Het vraagt uiteindelijk niet om stilstand, maar om nadenken, het ontwikkelen van visies en tegelijkertijd proactief erbij zijn, zodat je niet verrast wordt door nieuwe ontwikkelingen. Sterker nog, je moet de agenda medebepalen of zelfs vooroplopen bij een aantal zaken die er aankomen.

De heer Vendrik heeft mij uitgedaagd, in te gaan op het voorliggende stelsel. Ik zal dat heel kort doen. Wij moeten in tweede termijn maar even bekijken of er wat meer ruimte voor is.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik stel nog even een vraag over het vorige punt, namelijk het monitoren van de belastingherziening. Ik heb de staatssecretaris gevraagd hoe hij bijhoudt of de lastenverlichting van 6 mld. de komende jaren inderdaad 6 mld. blijft. Lukt dat überhaupt? Probeert hij dat bij te houden? In het post-Oorttijdperk is dat op een gegeven moment verkruimeld door het politieke debat. Technisch is het een lastige aangelegenheid, maar het is ook een kwestie van politieke wil. Wij hebben gisteren meer in het bijzonder gezien dat de 450 mln. opbrengst van de nieuwe vermogensrendementsheffing, dat wil zeggen de meeropbrengst ten opzichte van het huidige systeem, ook een gevoelige kwestie is. Wordt het meer of wordt het minder? De vraag is of de staatssecretaris dat kan monitoren. Gaat hij dat ook doen?

Staatssecretaris Vermeend:

Wat je kunt monitoren, zijn de opbrengsten van de verschillende onderdelen. Ook daar moet je voorzichtig mee zijn, want het ene onderdeel beïnvloedt het andere onderdeel. Je moet je wel realiseren dat, als je op het ene knopje drukt, het kan betekenen dat er elders een extra opbrengst komt. Het is buitengewoon moeilijk om de wisselwerking te isoleren. Je kunt monitoren. Dat zullen wij ook doen. Wij zullen de opbrengsten monitoren. In een kort tussendebatje heb ik tegen de heer Reitsma gezegd dat wij voornemens zijn, zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de werking van de wet, in al haar aspecten. Het is echter buitengewoon moeilijk om een vergelijking te maken met de situatie, gesteld dat je de oude wet had laten doorlopen. Het is heel moeilijk om daarmee te vergelijken. Ik kan wel een voorspelling doen, die ik eerder in de stukken kenbaar heb gemaakt, namelijk dat als wij waren doorgegaan met het fiscale stelsel van vermogensinkomsten dat wij thans hebben, de uitholling was doorgegaan. Dan zouden wij uiteindelijk nog maar weinig opbrengsten hebben verkregen uit de belastingheffing over vermogensinkomsten. Dat kan ik u op een briefje geven, want die trend is niet omhoog, maar onverbiddelijk en met een sneltreinvaart omlaaggegaan. Zoiets kun je ook voorspellen. De trend treedt nu eenmaal op. Dat is een van de redenen waarom we een radicale wijziging hebben voorgesteld: de vermogensrendementsheffing. Wij willen daarmee de trend niet alleen stoppen, maar tegelijkertijd omhoog laten gaan. Wij proberen dat te realiseren en onze raming is een extra opbrengst. De minister heeft precies aangegeven waarom we voor deze benadering hebben gekozen en tot welke extra opbrengst die leidt. Straks kun je wel nagaan of die opbrengst er inderdaad is. Dat kun je monitoren. Dus in die gevallen waarin je kunt monitoren, zullen wij dat doen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat is een toezegging die in feite geen toezegging is, want je houdt jaarlijks bij hoe hoog de belastingopbrengsten zijn. Met het nieuwe stelsel houdt u dus ook bij wat de verschillende componenten van de belastingmix opbrengen. Dat doet u sowieso. Het punt is, dat wij hier spreken over een belastingherziening van 6 mld. En de vraag is: wordt het meer of wordt het minder en kun je dit überhaupt nagaan? Ik erken dat dat een probleem is, maar de vraag is of dit überhaupt gebeurt. Nu moet ik uit uw woorden opmaken, dat wij straks niet weten of de belastingherziening meer dan 6 mld. kost, dat we dan niet weten of de vermogensrendementsheffing daadwerkelijk een meeropbrengst genereert vergeleken met het oude stelsel. We weten dat dan gewoon niet.

Staatssecretaris Vermeend:

U bent iets te pessimistisch. Straks is de grondslag van de rendementsheffing bekend. Die kun je op basis van fiscale gegevens uitrekenen. Straks kunnen wij misschien beter dan thans het geval is op basis van de gegevens in beeld brengen hoe hoog de vermogens zijn. Op basis van de fiscale gegevens kun je ook inzicht krijgen met betrekking tot de grondslag en de grondslagontwikkeling. Op dit punt ben ik dan ook minder pessimistisch dan u. Alleen, de vraag is of hetgeen wat u wilt kan en of je exact kunt nagaan op welke wijze de 6 mld. in beeld komt. Dat wordt iets moeizaams. Die 6 mld.-operatie is thans geënt op de vergelijking van de huidige met de nieuwe wetgeving. Om te doen wat u wilt, zou je heel oude wetgeving, als het ware veronderstellenderwijs, moeten doortrekken. Ik heb al aangegeven, dat ik u nu kan voorspellen dat door niets te doen, dus door te werken op basis van de oude wetgeving, zich een aantal lekken voor zal doen. Daardoor zal sprake zijn van belastingderving. Dat is voorspelbaar. Ik denk aan de vermogensinkomsten. Het gaat hierbij dus om iets buitengewoon moeizaams, maar ik zeg u toe dat wij een poging zullen doen. En als wij zeggen: dat zullen wij proberen, dan doen wij dat vanuit een positieve grondhouding en met een zeker optimisme, wat ons niet vreemd is. Maar u bent iets te pessimistisch. Wat u wilt, de theoretische gevolgen van de oude wetgeving bijhouden en daarna de gevolgen ervan vergelijken met die van de nieuwe wetgeving, kan gewoon niet.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik wil toch proberen hier het punt scherp te krijgen. De politieke vraag die hier vandaag voor verschillende fracties aan de orde is betreft de 6 mld. Die 6 mld. zou eigenlijk 6 mld. moeten blijven. De 450 mln. is ook in dit debat een gevoelig getal. Over een, twee, drie, vier jaar kunnen we het debat hierover niet meer op dezelfde manier voeren. We weten straks gewoon niet in welke mate zich een bepaald effect voordoet. We kunnen wel op onderdelen van alles uitzoeken. We kunnen de grondslag bekijken.

Staatssecretaris Vermeend:

Ja, dat kan.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Maar deze vraag valt straks niet te beantwoorden. We weten straks niet of de belastingherziening meer of minder dan 6 mld. heeft gekost. We weten straks niet of de belasting op vermogen veel meer doet dan wat op dit moment in het fiscale stelsel ligt besloten. We weten dat gewoon niet.

Staatssecretaris Vermeend:

Voorzitter! We komen tot een herhaling van zetten: we proberen zoveel mogelijk te weten te komen. Dat is een toezegging. Wij proberen dit ook, omdat wij er belang bij hebben zoveel mogelijk te weten over de werking en de effectiviteit van de wet. De Kamer heeft gevraagd om een evaluatie en wij zullen pogingen in het werk stellen om die evaluatie zo efficiënt mogelijk op te zetten en om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan onze en uw wens om zoveel mogelijk te weten te komen. We willen alles weten. Ook wij hebben belang bij een goed zicht en er is hier dus sprake van een gezamenlijk belang. Dat is ook beter dan dat er een belang voor de ene partij is. Het is voor ons beiden van belang om te weten: werkt de wet, hoe gaat het met de lastenverlichting, hoe werkt die in de praktijk, hoe is het met de grondslag en leveren de aftrekposten op wat wij verwachten? Natuurlijk proberen wij te weten te komen hoe de wet die wij hebben opgezet in de praktijk werkt. Wat dat betreft is er geen tegenstelling en kan men niet zeggen dat het kabinet niet wil wat de heer Vendrik wil. Nee, wij willen monitoren op de meest doeltreffende wijze.

Voorzitter! Voordat ik afsluit, wil ik nog iets zeggen over enkele heel kleine punten. Ik denk aan het amendement van de heer Bos over het OV en de kaartjesregeling. Op 24 januari hebben wij een gesprek gehad met de NS om te kijken of wij een adequaat systeem kunnen ontwikkelen. De afspraken lopen en wij proberen met de NS tot overeenstemming te komen over een systeem waarbij het voor de fiscus controleerbaar wordt. In feite loopt het amendement daarop vooruit. Gezien de constructieve houding van de NS en het optimisme dat wij altijd uitstralen, hebben wij er geen bezwaar tegen.

De heer Vendrik heeft nog eens de fiets aan de orde gesteld. Alle fracties hebben uitvoerig betoogd dat de langeafstandfietser moet worden ontzien. De fietser die 10 kilometer of meer aflegt, valt nu onder het OV-forfait. De heer Vendrik heeft de creatieve gedachte gehad om de fietser te ontzien als hij stallingskosten heeft. Ik heb al eerder kenbaar gemaakt dat het zeer moeilijk is om een systeem te ontwikkelen dat misbruik en oneigenlijk gebruik tegengaat. Anders zouden wij zeer gaarne de langeafstandfietser zijn voordeel laten behouden, want wij zijn ook voor het fietsen. Zeker de fietsers die tegen de wind in fietsen, hebben een steuntje in de rug nodig. Nogmaals, een dergelijk systeem is moeizaam te ontwikkelen. Gezien de brede belangstelling in de Kamer voor de fiets is er één oplossing denkbaar, namelijk gebruikmaken van het OV-forfait, gecombineerd met een systeem dat fraude en oneigenlijk gebruik tegengaat. Daarvoor moet je komen met een aantal bewijsmiddelen. Wat de heer Vendrik in feite voorstelt, gaat erg ver. Je hoeft alleen maar een stallingsbonnetje te laten zien om een aftrek voor de langeafstandfietser te bemachtigen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het gaat niet om een bonnetje, maar om stallingscontracten, die meestal voor een halfjaar of een jaar worden afgesloten. Iedereen die zo'n contract heeft, mag dat fiscaal presenteren.

Staatssecretaris Vermeend:

Maar er zijn ook andere fietsers. Bijvoorbeeld iemand die 12 kilometer van het werk woont. Hij doet zijn muts op, stapt op de fiets, verricht noeste arbeid door 12 kilometer hard te fietsen, zet zijn fiets op het departement neer, hartstikke nat, etc. Zo iemand heeft geen stallingskosten, maar fietst wel elke dag 12 kilometer hard.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Wij zijn het over één ding eens. Er is geen enkele oplossing te verzinnen die alle gevallen dekt. Het gaat echter om de, ook de staatssecretaris bekende, brede afweging van belangen. Daartoe roep ik de staatssecretaris ook nu weer op, misschien nog iets breder dan normaal. Mensen die met de trein reizen, hebben een reisaftrek en maken vaak gebruik van een stalling. Wij weten dat het niet goed gaat met die stallingen.

Staatssecretaris Vermeend:

In mijn tweede termijn zal ik tot een brede afweging komen, vanuit de gedachte dat het wel uitvoerbaar moet zijn.

Voorzitter! Waarom doen wij het allemaal? In 1997 hebben wij in de verkenning uitvoerig aangegeven om welke redenen wij begonnen zijn met een brede herziening. Ik noem de internationaal gezien hoge tarieven in Nederland. Ik noem de zware lastendruk op arbeid. Ik noem de onevenwichtige verdeling van de lastendruk, met name in de sfeer van de inkomsten uit vermogen. In alle commentaren zie je nu ook dat het stelsel voor de vermogensinkomsten leidt tot onevenwichtige drukverdeling. Er zijn mensen die erin slagen om weinig of geen belasting te betalen, terwijl zij een hoog inkomen en een groot vermogen hebben. De afgelopen jaren hebben wij verschillende pogingen gedaan om dit in te dammen. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat je door kon blijven repareren, maar dat het systeem lek zou blijven. Dat vereiste een fundamentele herziening.

Bij die fundamentele herziening hebben wij een aantal mogelijkheden overwogen. Wij hebben inderdaad gekeken naar de vermogenswinstbelasting die de fractie van GroenLinks heeft voorgesteld. Er is wel degelijk ook gekeken naar het rapport uit 1998 van de Vereniging van belastingwetenschap, waarbij men een poging heeft gedaan om een werkbare vermogenswinstbelasting te ontwerpen. Ik ben er ook uitvoerig in de stukken op ingegaan, niet alleen functioneel maar ook uit wetenschappelijke belangstelling. Ik heb veel respect voor al die hoogleraren die de afgelopen jaren een poging hebben gedaan om ons uit te leggen waarom de vermogenswinstbelasting beter is dan de rendementsheffing. Maar vervolgens hebben wij in de discussie ook aangegeven waarom wij die niet beter vinden. Je moet elkaar dan respecteren. Ik respecteer dus al die hoogleraren die een bijdrage hebben geleverd aan het debat. Ik noem dan in het bijzonder de heer Cnossen, die niet afliet ons te overtuigen van ons ongelijk. Vervolgens hebben wij gisteren van ons gelijk getuigd. Dat scherpt de geesten. Wij zijn dus in voor dergelijke debatten; wij schuwen het debat niet. De minister is gisteren dan ook uitvoerig ingegaan op de voordelen van de rendementsheffing.

Ik heb mij ook helemaal niet diskwalificerend over de hoogleraren uitgelaten. Ik heb alleen gezegd dat ik de brief meer als een soort actie zag waarin opnieuw op een principiële discussie werd aandrongen, terwijl die al voluit in de stukken, in en buiten het parlement en ook naar aanleiding van de nota van GroenLinks is gevoerd. Ik ben ook op het feestje van GroenLinks geweest, waarbij ik duidelijk maakte op zichzelf veel waardering te hebben voor het door GroenLinks genomen initiatief voor de vermogenswinstbelasting maar ook waarom ik die niet goed vond. Ik heb gezegd dat de brief van de hoogleraren geen bijdrage leverde aan de wetenschap. Ik ken bijna al die hoogleraren en de minister ook, want wij zijn ook deeltijdhoogleraar geweest. Je ziet dan dat talloze hoogleraren de brief hebben getekend die nog nooit een woord of een letter aan de herziening hebben gewijd, laat staan aan de rendementsheffing. En dat vond ik jammer. Dat is dan geen wetenschap meer, maar een soort politieke actie. Ik ga volop in debat over de voors en tegens, maar dit levert geen bijdrage aan de wetenschap. Dat is geen diskwalificatie voor de hoogleraren die de afgelopen jaren voluit hebben meegedaan en echt een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling en verbetering van het wetsvoorstel. Zij hebben creativiteit ontplooid en constructief meegedacht. Daarmee hebben zij ons ook op ideeën gebracht. Wij kunnen ook niet zonder de wetenschap op dat punt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik vraag de staatssecretaris om op de uitlating van die ene wetenschapper in te gaan, die zegt dat de vermogensrendementsheffing niet meer dan een tussenstapje is. Dat heeft Leo Stevens onlangs weer herhaald. Wat vindt de staatssecretaris daarvan?

Staatssecretaris Vermeend:

Vanuit zijn meer wetenschappelijk getinte benadering merkt de heer Stevens op, dat "het huidige fiscale inkomensbegrip buitengewoon gebrekkig is en volstrekt niet meer beantwoordt aan de doelstelling". Hij zegt ook: "de vermogensrendementsheffing veegt in één klap alle belastingvriendelijke belastingconstructies van tafel en dat is uit draagkrachtoverwegingen een duidelijke stap in de goede richting". Hij zou het ook betreuren als de behandeling van het wetsvoorstel wordt opgehouden, want hij vindt het een goede stap. Vanuit zijn wetenschappelijk inzicht zegt hij ook dat het daar niet bij hoeft te blijven. Dat kan een wetenschapper doen. Ik verdedig hier het wetsvoorstel. Met de minister vind ik dat wij een systeem invoeren dat houdbaar, redelijk, rechtvaardig en robuust is. Kortom, het is een stelsel waar wij voor staan.

Het is prima dat de wetenschap daar verder over filosofeert, want dat levert ongetwijfeld een bijdrage voor nieuwe debatten in de komende jaren. Dat moeten wij ook hebben. De Kamer vroeg ons om niet stil te zitten, maar om weer te komen met een soort verkenning. Daar zijn wij gaarne toe bereid. Mevrouw De Vries veronderstelde al dat wij een geheim project hebben met als titel "Jaws 2". Dat klopt inderdaad. Dat staat op mijn computer: Jaws 2. De minister heeft mij daar laatst bij betrapt. Het denken staat niet stil. Dat heeft te maken met ontwikkelingen op het Europese vlak, waarnaar de heer Marijnissen vroeg, op het terrein van de internationale economie, internet en de vennootschapsbelasting. Er wordt een werkgroep ingesteld die de ontwikkeling van de vennootschapsbelasting zal bekijken en de positie van Nederland ten opzichte van het buitenland. Wij moeten namelijk niet wachten tot wij worden ingehaald. Er zal een brede verkenning worden uitgebracht. Ik zeg met nadruk tegen het CDA dat de minister heeft gewezen op de onderscheiden benaderingen van politieke partijen. Dat moet vooral ook zo blijven, want dat maakt de politiek en de fiscaliteit leuk. Wij hebben tegen alle politieke partijen en woordvoerders gezegd, gedachten en ideeën in te brengen die wij met het Centraal planbureau zullen verkennen, zodat het denken doorgaat. Vervolgens kan iedereen daarmee zijn voordeel doen. Bij de verkenningen is dat ook gebeurd en dat heeft toen goed gewerkt. Verschillende partijen hebben er punten uitgehaald. Dat voedt het debat en levert een bijdrage aan nieuwe ontwikkelingen. Als de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer achter de rug is, zijn wij gaarne bereid om met de Kamer van gedachten te wisselen over een opzet. Diverse Kamerleden hebben ideeën geuit, zoals de heer Reitsma over draagkracht en ook de heer Schutte.

Met deze wijze van werken kan aandacht worden besteed aan nieuwe ontwikkelingen op het terrein van de belastingheffing, bijvoorbeeld op het punt van de vermogenswinstbelasting. Het denken staat niet stil. Daarmee levert deze herziening een bijdrage, niet aan een nieuwe herziening, maar aan het zichtbaar maken dat pro-actief wordt gedacht over nieuwe ontwikkelingen, gericht op de fiscaliteit uit een oogpunt van concurrentie, draagkracht en dergelijke.

De heer Reitsma (CDA):

Het is plezierig dat de staatssecretaris er een punt achter zet, maar er is een vierde nota van wijziging uitgebracht over het AB-regime. In eerste termijn zijn veel vragen gesteld. Het is unfair als dit geheel pas in tweede termijn wordt behandeld. Dan komt er absoluut een derde termijn.

De voorzitter:

Dat maakt u niet alleen uit.

De heer Reitsma (CDA):

Uiteraard niet, maar het lijkt mij nuttig dat de staatssecretaris daarop nog ingaat.

Staatssecretaris Vermeend:

Ik heb gisteravond gesproken over een aantal aspecten van het AB-regime. In het eerste overleg van vorige week ben ik een aantal uren ingegaan op vragen over het AB-regime aangaande het voorstel van het kabinet dat betrekking heeft op box II. U heeft een aantal bezwaren geopperd tegen box II en gewezen op ingewikkelde constructies, evenals de heren Schutte en Van der Vlies. Er is ingegaan op onevenwichtigheden, ongewenste drukverplaatsingen en ongewenste civielrechtelijke aspecten, zoals het doorbreken van bepaalde contracten. Daar heb ik naar geluisterd. Mevrouw De Vries en de heer Bos hebben kanttekeningen geplaatst. Kortom, iedereen heeft kanttekeningen geplaatst bij of opmerkingen gemaakt over het AB-regime. Ik heb dat gewogen en bekeken of het beter kan. Ik heb goed geluisterd naar de Kamer. Er was toch een tendens in de Kamer die je kunt vervatten in de vraag: staatssecretaris, als u nog eens alles afweegt en kijkt naar de bezwaren, heeft het dan geen voordelen om die regeling te schrappen en over te gaan naar een andere benadering die meer recht doet aan de civielrechtelijke contracten en het huidige systeem, waarbij men een soort eigen vrijheid heeft? Mevrouw De Vries heeft erop gewezen dat de uitwerking in de inkomstenbelasting toch wel buitengewoon ongelukkig is. In feite hebben wij daar nu een keuzevermogen en dat zou, inherent aan die systeemwisseling, moeten leiden tot verplicht ondernemingsvermogen. Dat heb ik gedaan. Ik heb dat nog eens overwogen en ik ben het met die benadering wel eens. Vervolgens hebben wij besloten om dat keuzevermogen intact te laten. Dat levert ook een stuk flexibiliteit op voor het midden- en kleinbedrijf. Wij zijn dus teruggekomen om te zeggen dat wij die flexibiliteit handhaven.

Vervolgens hebben wij ons afgevraagd hoe je dat beter kunt doen. Ik heb gekeken naar box I. Wij hebben nu een voorstel gedaan waarbij de box II-benadering wordt verlaten. Alles wat daarmee te maken heeft – de vermogensbestanddelen, zeg maar de bedrijfspanden – hebben wij ondergebracht in box I. Dat lijkt mij een verbetering, ook bezien vanuit de wens voor meer eenvoud en meer flexibiliteit. Het doet ook meer recht aan de wens van de Kamer. Dat is de wisselwerking en die is nu neergelegd in de vierde nota van wijziging. Ik hoor graag of daarover nog opmerkingen zijn in tweede termijn. Ik heb de nota toegelicht in de stukken.

Ik meende nu juist dat ik met deze benadering ook tegemoet was gekomen aan de wens van de heer Reitsma, die toch vrij pregnant een aantal bezwaren heeft geopperd, ook in het wetgevingsoverleg, tegen de benadering van box II. Hij had daarover zijn verbazing uitgesproken. Hij heeft gevraagd of ik terugkom op die benadering. Daarop heb ik gezegd dat ik daarover zou nadenken. De heer Reitsma heeft ook vrij veel wensen kenbaar gemaakt voor een wijziging van box II. Hij heeft een aantal onderdelen aan de orde gesteld die naar zijn oordeel in de praktijk mis zouden lopen. Hij heeft ook gewezen op de financiering bij familieleden. Kortom, hij was tijdens het wetgevingsoverleg een van de leden die veel bezwaren opperden tegen box II. Ik ben tegemoetgekomen aan die bezwaren en ik heb een en ander opgenomen in box I. Ik hoor graag of ik in mijn benadering ben geslaagd. Dat kan in de tweede termijn. Als dat straks nodig blijkt, zal ik daar weer uitvoerig op ingaan, maar er ligt nu een nota van wijziging waarop kan worden gereageerd. Voor alle duidelijkheid: op dat punt ben ik volgens mij tegemoetgekomen aan zijn wensen.

De voorzitter:

Enkele leden hebben mij verzocht hun enige tijd te geven voor het begin van de tweede termijn. Klopt dat nog steeds? Ik kijk vooral naar de heer Reitsma. Ik zie aan zijn gezicht dat het wat hem betreft wel kan doorgaan. Wat zegt mevrouw De Vries?

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik heb wel behoefte aan enige tijd.

De voorzitter:

Dan stel ik voor, om kwart voor twaalf met de tweede termijn te beginnen, zodat u ruim een kwartier heeft om wat punten te bespreken. Het is een beetje middelen tussen wat verschillende leden willen.

De vergadering wordt van 11.30 uur tot 11.45 uur geschorst.

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Wij hebben vele uren besteed aan de behandeling van de belastingherziening 2001. Dat waren twee volle dagen wetgevingsoverleg. Ik heb gisteren al naar voren gebracht dat wij het constructief overleg vonden. Veel van de punten die de CDA-fractie naar voren heeft gebracht, ook bij de schriftelijke ronde, zijn overgenomen. Daarover zijn wij wel content.

Diep duiken in zo'n wetsvoorstel, in het tempo waarin wij dat hebben gedaan, vraagt grote offers. Het offer dat ik persoonlijk heb gegeven, is dat ik van 1 januari tot heden nog niet op mijn klapschaats heb gestaan. Gelukkig is de Elfstedentocht vandaag niet, want ik had de afspraak met de fractievoorzitter dat hij het debat zou overnemen, als deze er nu wel was. Het is goed om vast te leggen dat ik die deal met de fractievoorzitter had.

Er wordt wel gesteld dat wetten sneller door het parlement kunnen, als het parlement zich richt op de hoofdlijnen van een wetsvoorstel. Dat zou ik onverantwoord vinden, want het parlement is wel medewetgever. Het is er mede verantwoordelijk voor dat de wetgeving in de praktijk werkt. Wetgeving heeft een uitwerking naar individuele burgers, die ervan uit moeten kunnen gaan dat er een goede, duidelijke wet is. Zij moeten weten waar zij aan toe zijn en het gevoel hebben dat er een rechtvaardigheidsgedachte achter zit.

Daarom is het ook noodzakelijk dat het parlement heel scherp op de kleine onderdelen let, want zij kunnen voor individuele burgers een heel groot punt zijn. Hiervoor is terecht minder aandacht in de publiciteit, maar deze horen bij het wetgevingsproces. Ik vind dat het parlement onder alle omstandigheden voldoende tijd moet uittrekken voor de behandeling. De samenleving moet de gelegenheid hebben om te reageren, zoals de fractie van GroenLinks opmerkte, zodat er een maatschappelijke discussie over een wet kan zijn, alvorens er politieke conclusies worden getrokken. Dat is een gemiste kans bij deze wetsbehandeling, maar daar moeten wij nu maar een streep onder zetten.

Deze dagen hebben wij een afrondend debat gehad van de Tweede Kamer over de belastingherziening. Een aantal fracties, waaronder die van het CDA, heeft dit plenaire debat aangegrepen om een filosofie over belastingheffing in Nederland neer te leggen. Belasting heffen is heel belangrijk, want het gaat om miljarden. Juist voor een christen-democratische partij is het heel goed mogelijk onze uitgangspunten uit te werken in de manier waarop belasting wordt geheven, omdat deze heel nauw samenhangt met rechtvaardigheid en draagkracht. In dit debat hebben wij de kans om in alle scherpte te zeggen hoe onze politieke beweging tegen belastingheffing aankijkt en welke ijkpunten daarin verwerkt behoren te worden. Ik vond het heel aangenaam om dat bij meerdere fracties te horen. Dat moet ook kunnen.

De Paarse partijen hadden deze kans ook moeten aangrijpen, maar zij konden dat niet doen, omdat deze belastingherziening in het regeerakkoord volledig dichtgetimmerd is. Dat is jammer. Dat is schadelijk voor een debat, waarin uitgangspunten aan de orde moeten komen, waarin principiële punten neergezet kunnen worden en waarin op basis van argumenten conclusies getrokken moeten worden. Als iets zo dichtgetimmerd is in het regeerakkoord – ik begrijp best waarom dat gebeurd is – krijg je geen debat in dit huis. Ik heb ook gemerkt in de eerste termijn en tijdens de interrupties dat de coalitiepartijen op belangrijke onderdelen met handen en voeten gebonden waren aan het regeerakkoord. Dat leidt niet tot een wezenlijke, inhoudelijke discussie, waarin het enkel en alleen om argumenten en overtuigingskracht gaat. Men loopt immers tegen de blokkade op van het regeerakkoord. Bovendien leidt het ertoe dat een debat snel gaat over pragmatisme. Ook de bewindslieden zijn daartoe op belangrijke onderdelen vrij snel overgegaan. Pragmatisme mag niet het enige in de politiek zijn, want dat is de dood in de pot. Het creëert afstand tussen de politiek en de burgers en dat is al een groot probleem.

Soms leidt dit ook tot vreemde taferelen. De PvdA zou vanuit het socialistische gedachtegoed eigenlijk niet de grootste voorvechter van een forfaitaire rendementsheffing moeten zijn. Ik kan mij best voorstellen dat je op dit punt een deal moet sluiten, maar in dit debat heeft de heer Bos de forfaitaire rendementsheffing het hardst verdedigd. Als de VVD dat nu had gedaan, zou dat redelijk met een aantal liberale uitgangspunten gestrookt hebben. Maar omdat het in het regeerakkoord dichtgetimmerd is, wordt de PvdA zo pragmatisch dat zij het niet langer koppelt aan haar eigen belangrijke uitgangspunten. Zij wordt zelfs de vertolker van een deal waarbij de inbreng van een andere partij groter is dan die van de eigen partij. Het heeft ertoe geleid dat de PvdA door dik en dun deze deal heeft verdedigd op principes in plaats van toe te geven dat in een coalitie compromissen gesloten moeten worden. Hierdoor ontstaat een rare discussie.

De heer Bos (PvdA):

Ik geef de heer Reitsma in overweging dat onze verdediging van de forfaitaire vermogensrendementsheffing, terwijl de VVD daar angstvallig stil over is, iets zou kunnen zeggen over het effect van deze heffing voor mensen die op dit moment geen belasting betalen en dat straks wel zullen doen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik kom daar straks op terug.

Ik heb reeds gezegd dat de CDA-fractie met name dit plenaire debat heeft aangegrepen om de principiële uitgangspunten neer te zetten. Het gaat daarbij om de vraag hoe het CDA belastingheffing waardeert. Wij hebben het debat ook aangegrepen om de voorliggende belastingherziening, toegespitst op het volgende jaar, nader te bekijken. Voldoet deze belastingherziening aan de eisen van de 21ste eeuw? Kunnen wij een tijd met deze wet uit de voeten of is het snel nodig om vervolgstappen te zetten? Ik heb gewezen op drie ontwikkelingen.

De eerste ontwikkeling is dat Nederland gedwongen zal worden tot het afvlakken van de tarieven in de inkomstenbelasting. Ik wijs hierbij met name naar de internationale situatie. Of wij het leuk vinden of niet, wij worden daartoe gedwongen gezien onze concurrentiepositie in het licht van de internationale ontwikkelingen. Als wij die weg inslaan, is het dan mogelijk om het draagvlakbeginsel, de rechtvaardigheid, volstrekt overeind te houden? Ik heb daartoe een aantal voorstellen gedaan ten aanzien van specifieke heffingskortingen. Ik noem ook het plan "De moeite waarde". Ik vind het van belang dat wij een en ander zo snel mogelijk op de politieke agenda zetten. De vraag daarbij is hoe de volgende stap gezet kan worden.

De tweede ontwikkeling is de ICT. Ik weet dat de staatssecretaris ermee bezig is, maar in dit plan hadden al een aantal aanzetten moeten zitten omtrent de ICT. Het gaat hier om een enorme ontwikkeling die op ons afkomt. Ik zou mij er niet zo druk over maken als het om een relatief kleine belasting zou gaan. Het gaat dan immers om relatief weinig effect voor de schatkist. Maar, nu worden de directe belastingen lager en de indirecte hoger. Wij zijn het daar allemaal over eens, maar dan is het wel van groot belang dat kwetsbaarheden in de indirecte belastingen zo snel mogelijk onder ogen worden gezien. Een daarvan is de ontwikkeling van ICT. In eerste termijn heb ik daar al veel over gezegd.

Bovendien ben ik van mening dat deze belastingherziening nog onvoldoende rekening houdt met de internationale context. Daar kunnen wij niet omheen. In die zin blijf ik de forfaitaire rendementsheffing een vreemde eend in de bijt vinden.

Om te bewerkstelligen dat er verder wordt nagedacht over enkele ontwikkelingen lijkt het mij goed – hoewel ik het waardeer dat beide bewindslieden de bereidheid hebben getoond om daarmee aan de slag te gaan – de Kamer toch een uitspraak voor te leggen, met name toegespitst op de flat tax.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat afvlakking van tarieven de vereenvoudiging en doelmatigheid ten goede zal komen;

verzoekt de regering de mogelijkheid en de consequenties van een flat tax te verkennen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Reitsma, De Vries en Giskes. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 94 (26727).

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! De heer Reitsma betreurde het dat er eigenlijk geen tijd is geweest voor een groot maatschappelijk debat over de belastingen. Ik ben dat hartgrondig met hem eens en heb daarover in mijn eerste termijn ook iets gezegd. Dat dit debat niet echt van de grond is gekomen, zou dat onder andere niet te maken kunnen hebben met het onnodig gebruik van het Engels?

De heer Reitsma (CDA):

Daar hebt u gelijk in en ik ben bereid in de motie een Nederlandse term op te nemen. Ik vind het een uitstekende suggestie. De heer Bos heeft wel gesproken over een "vlakke belasting". Mogen wij de motie bij dezen als aangepast beschouwen, voorzitter?

De voorzitter:

Dat kan geregeld worden! De motie-Reitsma c.s. is dan in die zin gewijzigd, dat "flat tax" is vervangen door: vlakke belasting.

De heer Marijnissen (SP):

Ja, voorzitter, het gebruik van Nederlands heeft het risico dat ook ik het begrijp en dat brengt mij onmiddellijk op de vraag of de heer Reitsma kan uitleggen wat nu een vlakke belasting is. Wordt het toptarief afgeschaft en komen wij ergens in het midden uit?

De heer Reitsma (CDA):

Volgens mij heb ik in eerste termijn vrij uitvoerig geschetst wat ik eronder versta en wel één tarief in box I, zoals in box II en III, maar dan wel met enkele aanvullende instrumenten, zoals specifieke, al dan niet inkomensafhankelijke heffingskortingen. Ik betrek daar dan ook de sociale context bij en zeg dat kosten voor wonen, zorg en studeren, gezien het inkomen van de burgers, niet te hoog mogen worden en dat, als ze boven een bepaalde grens komen, de overheid dat voor haar rekening zal moeten nemen. Als het kan, moet dat ook in de fiscaliteit worden gebracht, zodat het draagkrachtbeginsel volstrekt overeind wordt gehouden en je een betere aansluiting krijgt op internationale ontwikkelingen. Ik wil het draag- kracht- en het rechtvaardigheids- beginsel er dus graag in houden. Daarom vraagt de motie ook om alle consequenties te onderzoeken, met name dus deze, maar andere partijen kunnen weer andere consequenties zien. Als dat gebeurt, kan daarover een maatschappelijk debat worden gevoerd. Die kans zullen wij dan ook moeten grijpen.

Voorzitter! Ik kom op de lastenverlichting. De CDA-fractie is het met het kabinet eens over de hoeveelheid middelen die bij deze grote belastingoperatie moeten worden benut. Ik heb gewezen op de maatvoering. Ik doe een dringend beroep op de bewindslieden om het hierbij te laten. Het lopende jaar mogen hier niet opnieuw grote bedragen aan worden toegevoegd. Wij vinden dat er – zodra er ruimte ontstaat door inkomstenmeevallers – een nadere prioritering moet worden opgesteld van wat daarmee moet gebeuren. Als je nu doorgaat met verdere lastenverlichting, zul je tegen een aantal gevaren aanlopen als inflatie, krapte op de arbeidsmarkt en zo verder. Ik vind het jammer dat de minister gisteren geen doorkijkje heeft gegeven. Ik wacht nu maar met veel spanning de Miljoenennota 2001 af. Ik vind wel dat dit debat nog voor de Miljoenennota in dit huis moet worden gevoerd. Mijn fractie is van plan hierop op enig moment dit jaar terug te komen. Wij nodigen de minister uit hier over die filosofie een scherper debat te voeren en dit niet uit te stellen tot de Miljoenennota.

De filosofie van het kabinet over lastenverlichting en arbeidsmarktpolitiek kwalificeer ik als een concept dat in de jaren tachtig en negentig uitstekend heeft gewerkt, maar nu is verouderd. Er moeten nieuwe elementen worden ingebracht. Daarom heb ik in het debat aangegeven dat er wat ons betreft een gerichter arbeidsmarktbeleid moet komen dat niet enkel en alleen leunt op het dure instrument van de arbeidskorting. Dit heeft immers als bijkomend nadeel dat de afstand tussen werkenden en niet-werkenden – en er zijn heel veel oudere mensen in Nederland – alleen maar groter wordt. Hoe je het ook wendt of keert, dit wetsvoorstel zal ertoe leiden dat de afstand tussen werkenden en niet-werkenden en tussen werkenden en ouderen groter wordt. Zij komen allemaal wat in de plus, maar het gaat mij om de relatieve verhouding en de wijze waarop zij profiteren van de lastenverlichting. Ouderen staan hier op achterstand. Dit is indirect een ontkoppeling. Gelet op de economische situatie in ons land en de hoge welvaart is mijn fractie van mening dat wij dit niet moeten willen. Daarom zijn twee amendementen voor mijn fractie van wezenlijke belang: er moet een plusje komen bij de ouderen en een plusje bij de niet-werkenden met een arbeidsverleden. In ieder geval moet de wet instrumenten bevatten om hieraan iets te kunnen doen, want misschien is het op een later moment nodig dat die plusjes iets anders worden.

Als er te veel nadruk wordt gelegd op het verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden – wat het kabinet bewust doet, want minister Zalm heeft meermalen gezegd dat hij daarvoor zeer bewust kiest – dan leidt dat tot verschraling van de samenleving. De vraag is welke samenleving je wilt hebben. Je kunt dit behoorlijk sturen met de belastingen. Wij willen geen samenleving waarin de uitkeringen, ook voor ouderen, fors op achterstand worden gezet ten opzichte van de inkomsten van de werkenden. Wij willen geen samenleving waarin de arbeidsmarktpolitiek alleen wordt toegespitst op het instrument arbeidskorting. Wij denken dat er veel effectievere, veel goedkopere en veel gerichtere mogelijkheden zijn om daarop in te spelen. Het instrument van het kabinet leidt tot krapte op de arbeidsmarkt, doordat het onvoldoende gericht is.Reitsma Wij willen geen samenleving – en ik zeg dit met name tegen de fracties van de VVD en D66 – waarin de vrije keuze die mensen moeten kunnen maken tussen werk en zorg – en zeker voor de zorg in het gezin – te sterk wordt gestuurd door de fiscaliteit. Het kabinet kiest daarvoor. Er liggen een paar amendementen die dit alleen nog maar verscherpen. Wij vinden die keuze niet goed. Naar onze mening moeten burgers in alle vrijheid zonder een fiscale prikkel een keuze kunnen maken en moet de overheid zich wat dat betreft neutraal opstellen.

Wij willen geen samenleving die eenzijdig toegespitst is op individualisering. Wij vinden dat het belastinginstrument rekening moet houden moet draagkracht in samenlevingsverbanden. Natuurlijk is de CDA-fractie een voorstander van economische zelfstandigheid van burgers, maar wij denken dat er andere instrumenten zijn dan deze fiscale benadering om dat doel te bereiken.

Mevrouw Giskes (D66):

Het feit dat ergens een fiscale voorziening voor bestaat, wil nog niet zeggen dat wij iemand dwingen er gebruik van te maken. Dat heb ik gisteren ook al proberen duidelijk te maken. Ik ben iedere keer weer verrast dat het CDA bepaalde voorzieningen wenst uit te leggen tegenover andere voorzieningen die dit kennelijk niet zouden doen, zoals een tegemoetkoming aan niet-werkende partners.

De heer Reitsma (CDA):

Het is heel eenvoudig. Als twee mensen ervoor kiezen de zorg voor elkaar te delen, in welk samenlevingsverband dan ook, werkt het fiscale regime zo uit dat het samenlevingsverband waarin de partners evenveel werken in het voordeel zijn ten opzichte van het samenlevingsverband waarin de verhouding anders is. Wij maken er bezwaar tegen dat de overheid via een fiscale prikkel sturend werkt.

Mevrouw Giskes (D66):

Vooralsnog leggen wij, als gekozen wordt voor de situatie waarin de een voor 100% de zorg op zich neemt, ruim ƒ 3300 per jaar erop toe. Dat is nogal wat meer dan de combinatiekorting die nu wordt voorgesteld. Wij hebben dus nog een lange weg te gaan om een echt evenwichtige keuze mogelijk te maken. Daarbij komt – en dat heeft de heer Zalm gisteren aardig toegelicht – dat het nog maar zeer de vraag is of mensen die niet werken per definitie het meeste doen aan vrijwilligerswerk. Dat de samenleving nogal sterk afhankelijk moet zijn van mantelzorg, te verrichten door de niet-werkende partners, is iets waarover ik vooral de mensen hoor praten die werkende partner zijn. Het is maar zeer de vraag of dat een wenselijke structuur is voor degenen die het allemaal geacht worden te doen en die vaak geen keuze hebben. Het is ook de vraag of degenen die mantelzorg moeten ontvangen daarvan afhankelijk moeten zijn. Ik heb in mijn adoptiewijk nog niet zo lang geleden aan het kerstdiner de mijnheer naast mij horen zeggen: mijn kinderen komen nooit bij mij op bezoek. Je zal er maar op aangewezen zijn, zou ik bijna zeggen. Kortom, er zitten meer aspecten aan dan u zo makkelijk vertelt.

De heer Reitsma (CDA):

Laten wij een heel eenvoudig voorbeeld nemen, want dan snapt de burger het ook. Man en vrouw hebben gezamenlijk een huishouden. De vrouw werkt 100% en heeft een inkomen van een ton. De man werkt 0% en neemt de zorgtaken op zich. Dat kan gelukkig. De buren hebben ook gezamenlijk een huishouden. De man werkt 50% en verdient een halve ton en de vrouw werkt ook 50% en verdient eveneens een halve ton. Samen verdienen zij dus ook een ton. Als de blauwe brieven binnenkomen, blijkt het eerste huishouden meer belasting te moeten betalen dan het tweede. Dat vind ik fiscale sturing van de overheid.

Mevrouw Giskes (D66):

In het helaas nogal grote aantal gevallen waarin man en vrouw gescheiden zijn, kan de vrouw die enigszins aan de arbeidsmarkt verbonden is gebleven zich heel goed redden, terwijl de andere vrouw helaas vervalt in het mooie beroep van bijstandsmoeder. U moet eens nagaan wat dat voor de samenleving en de personen in kwestie betekent. Bij individualisering gaat het erom dat mensen in vrijheid kunnen kiezen om bij elkaar te gaan zitten en te blijven, niet gedwongen door financiële noodzaak of een gebrek aan alternatieven. Dat is het echte individualiseren en dat komt de samenleving ten goede. Dat houd ik u voor, mijnheer Reitsma.

De heer Reitsma (CDA):

U zult niet kunnen ontkennen dat hierin het fiscale sturingselement in zit dat de overheid van mening is dat mensen niet helemaal meer op vrijwillige basis kunnen bepalen hoe zij de zorgtaken in de huishouding willen verdelen. Nu heb ik zelf kinderen die samenwonen en verantwoordelijkheid voor hun partners willen dragen. Ik weet dus wel dat de verhouding tussen man en vrouw anders is dan vroeger. Ik juich dat ook geweldig toe. Ik ben er een groot voorstander van om iets aan de economische zelfstandigheid te doen, maar ik vind dat er andere instrumenten zijn, waar wij veel meer nadruk op moeten leggen. Waarom krijgt iemand die zorgtaken op zich neemt niet de mogelijkheid om een zelfstandig pensioen op te bouwen? Die discussie moet je op de politieke agenda zetten en niet de sturing via de fiscaliteit. Ik vind het jammer dat mevrouw Giskes dat zo sterk doet. Dat geldt trouwens ook voor de fractie van de VVD.

Mevrouw Giskes (D66):

U introduceert zelf een kinderkorting. Dat wil toch niet zeggen dat u mensen stuurt om kinderen te nemen? U maakt slechts een voorziening. Evenzo maken wij een voorziening waarmee wordt erkend, dat je als je wilt werken en jonge kinderen hebt nogal wat kosten maakt om dat goed te regelen. Wij zeggen niet hoe je dat moet doen en in welke mate, maar als je het doet moet er geen belemmering zijn. Dat heeft heel belangrijke, gunstige maatschappelijke gevolgen.

De heer Reitsma (CDA):

Die kinderkorting gaat over iets anders dan over het verdelen van de zorg in het huishouden en het al dan niet fiscaal stimuleren daarvan. Met de kinderkorting wordt veeleer een onderscheid gemaakt tussen echtparen die geen kinderen hebben en echtparen of samenwonenden die wel kinderen hebben. Ook daar willen wij het draagkrachtbeginsel in brengen. Daarom zijn wij met een forse kinderkorting gekomen.

Mevrouw De Vries (VVD):

De heer Reitsma zei zojuist dat je als je zorgtaken verricht ook pensioen moet kunnen opbouwen. De vraag die daar meteen bij opkomt is: wie betaalt dat dan? Deze opmerking is niet echt doordacht.

Moet het systeem de alleenverdiener bevoordelen? Dat is feitelijk wat de heer Reitsma bepleit, ten opzichte van wat wij nu kiezen. De samenleving verandert. De huishoudens veranderen. De manier van werken verandert. Dan kun je niet alleenverdieners blijven bevoordelen. Toch druipt dat van het hele partnerstelsel van de heer Reitsma af. Ik snap best dat hij dat wil, maar ik denk dat het niet meer van deze tijd is.

De heer Reitsma (CDA):

Als u de kwalificatie "niet meer van deze tijd" gebruikt, wil ik u voorhouden dat u misschien niet van deze tijd bent. Ik ben er een groot voorstander van om de economische zelfstandigheid van man en vrouw te benadrukken. Dan moeten wij echter bereid zijn om alle vragen op de politieke agenda te zetten, ook de twee vragen die u mij net stelde. Wij moeten erover praten wie de pensioenvoorzieningen voor niet werkenden betaalt. Vanwege de solidariteitsgedachte kan dat best uit bepaalde portemonnees moeten komen. Dát is een vraag van deze tijd. Veel vrouwen schreeuwen daarom. De vrouwenbeweging zet dit punt op de politieke agenda. Ik vind dat dit ook moet.

Elke keer opnieuw zegt u dat alleenverdieners minder belasting betalen dan anderen. Dat is volstrekt onjuist. Uit het voorbeeld dat ik mevrouw Giskes heb voorgehouden blijkt, dat wie in een huishouden met de 0/100-variant kiest voor de zorgtaken, onder alle omstandigheden meer belasting betaalt. Dat is niet ouderwets. In de komende tien, twintig jaar zal de jonge generatie zeker op vrijwillige basis de zorgtaken gaan verdelen. Zij is daar mondig genoeg voor. Ik hoop dat er een rechtvaardige verdeling wordt gemaakt, maar dat is de verantwoordelijkheid van de burgers zelf. De fiscaliteit moet daarop worden afgestemd. Er zullen heel wat 1,2- of 1,4-verdieners komen. Daar moet de fiscaliteit meer op inspelen. Met het onderhavige voorstel wordt dat niet gedaan. Het onderwerp behoort op de vervolgagenda van de politiek te komen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik constateer, dat het CDA toch naar een gezinsinkomen wil. Dat is de consequentie van de benadering van de heer Reitsma. Of de man of de vrouw zorgtaken op zich neemt, is niet interessant. Maar als hij zegt dat het voorstel niet stimuleert dat zij voor 20% of 40% werken, heeft hij niet meegekregen hoe de kleine banen worden gestimuleerd. En bovendien, als het om individualisering en zelfstandigheid gaat, is het fantastisch als je inkomen zelfstandig wordt belast, als je zelf werkt. Alleen zorgtaken verrichten is een vrije keuze. Iedereen is vrij in dit land, maar het is de vraag of het goed is om alles daar nu volledig op te enten, als de samenleving verandert. Laten individuen zelf bepalen hoe zij hun leven willen inrichten; laten zij zelf een inkomen verdienen en laat hen daar ook zelf belasting over betalen. Wil je het anders? Prima, maar niet terug naar de jaren zestig door eigenlijk het gezinsinkomen weer op de agenda te zetten. Uit uw argumentatie, uit uw hele benadering van de zorg blijkt dat u veel meer nadruk wilt leggen op het gezinsinkomen en dat de effecten daarvan maar door anderen betaald moeten worden. Men moet daar zelf voor zorgen.

De heer Reitsma (CDA):

"Terug naar de jaren zestig" vind ik een kwalificatie die volstrekt niet past bij de moderne visie die ik nu ten toon spreid. Ik zeg toch ook niet tegen u dat u wilt naar de jaren twintig door het introduceren van een forfaitaire rendementsheffing? Wij moeten ons op de toekomst richten, dus u moet stoppen met dit soort kwalificaties. U mag wel opkomen voor de individualisering, dat is een liberaal beginsel. Gelukkig is er verschil mogelijk; wij willen rekening houden met huishoudens, wat iets anders is dan uitgaan van een gezinsinkomen. Wij zullen dit beginsel in de komende jaren blijven uitdragen.

Voorzitter! Een enkele opmerking over de forfaitaire rendementsheffing. De minister heeft zijn verdediging hierbij vooral gebaseerd op de verdiencapaciteit. Dan zou je echter nog een stap verder kunnen gaan door uit te gaan van een ondernemer met een verdiencapaciteit van ƒ 80.000. Maar stel dat die nu zo slim is dat hij anderhalve ton verdient. In de filosofie van de minister zou het verschil tussen die twee bedragen niet belast worden.

Verder vraag ik me af of deze heffing voldoende strookt met de beginselen van rechtvaardigheid en draagkracht. Mag je ook bij belasting op vermogen van de filosofie uitgaan dat iemand met meer talenten dan anderen, die meer uit een gulden haalt dan die anderen, ook een steentje extra mag bijdragen aan de samenleving? Vloeit dat niet voort uit de filosofie van de sterkste schouders, de zwaarste lasten? Ik vind dat deze elementen in de benadering van de minister ondergesneeuwd raken en daarom kan ik zijn redenering heel moeilijk volgen.

Nog een ander concreet voorbeeld, iets wat voor onze fractie van wezenlijke betekenis is. Ik heb niet voor niets een amendement ingediend om agrarische grond buiten deze heffing te houden, want het verschil tussen institutionele grondbezitters – en laat ik ook Domeinen maar noemen – en particuliere grondbezitters die hun grond verpachten, is nu juist dat de een geen enkele emotionele binding met de grond heeft, terwijl de ander een zeer sterke band met zijn grond heeft. Hij behoudt zijn grond niet omdat hij er geweldige kapitalen mee zou kunnen verdienen, hij voelt zich ermee verbonden en zal de grond ook zo lang mogelijk willen behouden. Daarom ziet hij ook het liefst dat zijn kinderen het bedrijf overnemen. Dit betekent een lage pacht, maar die kinderen worden aangeslagen voor een hoog rendement, wat liquiditeitsproblemen oplevert. Ik richt mij louter op deze categorie.

Dan een paar opmerkingen over het huis. Ik ben de minister er dankbaar voor dat hij helder uitstraalt dat er wat hem betreft geen discussie komt over een wijziging in de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Op dat punt is de CDA-fractie het roerend eens met de minister van Financiën. Ik hoop dat hij dat krachtig blijft uitstralen, ook als wij straks een notitie hierover krijgen. Dat is immers een stukje betrouwbaarheid.

Ik ben er wel teleurgesteld over dat de minister niet de handschoen oppakt om toch te beginnen met het temperen van het huurwaardeforfait. Ik vind het jammer dat hij het amendement over het bevriezen van het huurwaardeforfait daarvoor niet aangrijpt. Ik zie zijn budgettaire probleem, maar daarvoor heb ik een oplossing gezocht. De VVD zou positief moeten staan tegenover mijn benadering, want het huurwaardeforfait is veel burgers een graat in de keel als zij de blauwe brief moeten invullen. Ik vind dat terecht.

Ik ben de minister dankbaar dat hij zegt dat hij op zichzelf positief staat tegenover de gedachte die ik in een ander amendement heb neergelegd, namelijk dat je een natuurlijke prikkel inbouwt om de spaarzin te bevorderen om af te lossen. Ik handhaaf dat amendement, maar ik hoop ook dat deze filosofie straks in de notitie die de minister maakt, voluit in discussie gebracht kan worden. Wij zien daar namelijk heel positieve elementen in.

In eerste termijn heb ik al geconstateerd dat aan de fiscaliteit van de woning de kapitaalverzekering is gekoppeld. Hoe je het wendt of keert, daarin zit een bepaalde mate van discriminatie ten opzichte van de huurders in Nederland. De huurders bewonen ook 50% van het totale woningbestand. Daarom heb ik in eerste termijn de suggestie gedaan, de huurders de gelegenheid te geven om een kapitaalverzekering op te bouwen, met de verplichting dat zij geoormerkt moet worden voor besteding bij het op enig moment aankopen van een woning. Hierop heb ik geen reactie gekregen. Ik had aangekondigd dat ik er een motie over zou indienen. Omdat ik geen reactie heb gehad, heb ik geen andere mogelijkheid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening, dat het eigenwoningbezit gestimuleerd dient te worden;

overwegende, dat verkleining van de kloof tussen kopers en huurders daartoe kan bijdragen;

verzoekt de regering de mogelijkheid van een kapitaalverzekering eigen woning voor huurders te onderzoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Reitsma. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 95 (26727).

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Ik heb nog een aantal specifieke punten voor de staatssecretaris. Ik dank hem net als de minister voor de beantwoording. Ik heb zonet al gezegd dat de beantwoording heel sterk in het teken stond van de guldens, de financiering, de dekking. Ik dank de staatssecretaris voor het compliment dat hij mij gegeven heeft, namelijk dat de amendementen die ik heb ingediend, een deugdelijke dekking hebben. Daar mag hij mij altijd op aanspreken, want dat wil ik als kwaliteitsmerk houden. Daarom was ik dinsdagavond ook eventjes een beetje gepikeerd. Maar goed, dat hebben wij allang gladgestreken.

De voorzitter:

Gestreken.

De heer Reitsma (CDA):

Dank u wel. Het wordt gecorrigeerd in het verslag. Het was een friesisme.

De voorzitter:

Daarom begreep ik het ook zo goed.

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Het verweer van de bewindslieden is vaak geweest dat het niet past in de afspraken die in het regeerakkoord zijn gemaakt. Dat vind ik jammer, want bij zo'n grote stelselherziening moet je eigenlijk een open discussie kunnen voeren. Als er rechtvaardigheidsgronden zijn, moet je die toch in de wet inbrengen, tenzij het in feite helemaal niet passend meer is. Dat heb ik te veel gemist.

Op zichzelf steunt de CDA-fractie de gedachte van lagere tarieven, het afschaffen van de belastingvrije sommen, het instellen van heffingskortingen en een arbeidskorting; alleen maatvoering. Die lijn steunen wij. Als je dat vertaalt, moet daar echter een evenwichtig inkomensplaatje uitkomen. Dat blijf ik missen in de plannen van het kabinet.

Ik denk ook aan gezinnen, ouderen, uitkeringsgerechtigden en de mensen met kleine baantjes. Ik heb ter correctie een amendement ingediend en ik wil ook de spaarzin bevorderen. De CDA-fractie is slim genoeg om te weten dat zij haar zegeningen moet aanvaarden: het kind staat weer centraal op de politieke agenda. Ik ben bereid creatief mee te denken en naar een oplossing te zoeken, zodat het mogelijk wordt een kindkorting in de fiscaliteit in te brengen. Ik vind wel dat van twee kanten iets gedaan moet worden. Ik heb een redelijk helder voorstel gedaan, hoewel ik moet constateren dat het een duur voorstel is. Wij hebben een keus gemaakt. Ik vraag de bewindslieden de handschoen op te pakken en met ons in debat te gaan. Zij zouden kunnen nagaan of zij het CDA wat het budget en de vorm betreft tegemoet kunnen komen. Wij hechten bij de belastingherziening zeer veel waarde aan dit element. Het antwoord van de regering vind ik tot nu toe redelijk mager. Ik ben ook bereid een vervolgdiscussie aan te gaan en om straks in een breder kader over de restpunten te spreken. Dat is nodig om alles te kunnen stroomlijnen. Niettemin vind ik dat het kabinet nu een gebaar richting CDA-fractie behoort te maken.

Voorzitter! Ik wil vervolgens nog een opmerking maken over de arbeidskorting voor de kleine banen. De regering heeft haar argumenten genoemd. Eigenlijk is zij geen voorstander voor deze korting omdat die strijdig is met het gestelde in het regeerakkoord. Ik wijs er evenwel op, dat haar voornemen sowieso strijdig is met het regeerakkoord. Zij is namelijk afgeweken van de 70%. Hulde!

De vakbeweging heeft op ons het klemmende beroep gedaan ten aanzien van de kleine baantjes de modaliteit van de arbeidskorting binnen het totale budget – aan het kader van het budget verander ik op dit onderdeel dus niets – anders vorm te geven. De wens is het nemen van deeltijdbanen te stimuleren. Dat is van belang. Graag zag ik dat de bewindslieden opnieuw nagaan of niet een compromis is te bedenken en of het niet mogelijk is dat het voorstel met betrekking tot de arbeidskorting iets meer op de kleine baantjes wordt toegesneden dan met het laatste voornemen van de regering het geval is.

Wat de werkelijke beroepskosten betreft, blijf ik van mening dat schrijnende situaties blijven bestaan. De positie van de muzikanten is meerdere keren ten tonele gevoerd. Inmiddels heb ik begrepen dat de Paarse partijen het zich niet aantrekken wat er op dit punt gebeurt en dat zij er maar van uitgaan, dat de werkgever deze kosten betaalt. De heer Vendrik heeft al helder naar voren gebracht, dat dat in alle gevallen niet mogelijk is. Ik denk in dit verband aan wat wordt gedaan voor fietsers.Reitsma Ik sta ook sympathiek tegenover pogingen voor hen nog iets in de sfeer van de fiscaliteit te doen. Zoiets is geweldig. Bij het fietsen is er echter al een beloning: je blijft lekker slank. Dat is een natuurlijke beloning. Dus eigenlijk hoeft de regering het fietsen niet te faciliëren, want er is een natuurlijke prikkel. Toch wil de regering nog nadenken over een heel kleine tegemoetkoming voor de fietser die 12 kilometer moet afleggen, terwijl dat toch hartstikke gezond voor hem is. Hoeveel zal het worden: ƒ 5, ƒ 7 of ƒ 10? Maar een muzikant moet in een bepaald jaar misschien wel ƒ 7000 voor zijn rekening nemen. Dan zeg ik: aan zoiets heb ik geen boodschap. Ik vraag mij af: waar blijft de rechtvaardigheid? Ik vind dat de regering op dit punt dus iets te dogmatisch bezig is.

Wat de pensioenen betreft, blijft de CDA-fractie voorstander van een integrale norm in de tweede en derde pijler. Daarom zullen wij de motie die mevrouw De Vries op dit punt zal indienen van ganser harte medeondertekenen. Wij vinden dat het wetsvoorstel behoorlijk is verbeterd. Ook van de kant van de CDA-fractie is er veel kritiek op gekomen, maar de bewindslieden zijn daar behoorlijk aan tegemoetgekomen. Met genoegen heb ik samengewerkt met de coalitiepartijen teneinde het wetsvoorstel nog wat te verbeteren. Er blijft evenwel op dit punt een verschil in inzicht. Ik vind daarom dat dit onderwerp opnieuw op de politieke agenda moet komen en dat wij moeten onderzoeken of het niet mogelijk is een scherpere lijn te trekken.

Ik ben teleurgesteld over de reactie van regering ten aanzien van de grens van 27 jaar bij de mogelijkheid van aftrekbaarheid in verband met ziekte en invaliditeit. Ook in dezen let de regering te veel op de systematiek van de wet. Juist hier zou zij op de sociale aspecten moeten letten en op de budgettaire gevolgen die zich elders bij de overheid doen gevoelen. Als bepaalde mensen de zorg van zieke of invalide kinderen of ouderen in de gezinssituatie op zich willen nemen, dan bespaart dat de overheid geweldig veel geld bij de zorginstellingen. Die zijn namelijk veel duurder. Dit amendement zou dus echt geld opleveren. Nog belangrijker is dat het ook om de sociale cohesie van mensen gaat. De staatssecretaris betrekt beide elementen niet bij de discussie, maar volgt alleen als verdedigingslijn dat het niet in de systematiek past. Ik doe een klemmend beroep op hem om daar nog eens naar te kijken of desnoods met nadere voorstellen te komen bij de totale discussie over gehandicapten.

Ik ben niet overtuigd van de argumenten van de staatssecretaris over de verliesverrekening. Hij noemde de voorstellen wel sympathiek, maar niet passend in de boxensystematiek. Maar met name het amendement-Schutte verdient onze steun, want mensen in die situatie kunnen nooit verlies verrekenen. Dat blijft dan staan. Dat is technisch best op te lossen met een tax credit, met excuses aan Jan Marijnissen.

In het wetgevingsoverleg heeft de CDA-fractie bepleit om de grens van ƒ 100.000 ten aanzien van het groen beleggen te schrappen. De staatssecretaris heeft in die zin de handschoen wel opgepakt door te stellen dat hiervoor weer een werkgroep wordt ingesteld. Maar ik vind dat de Kamer het signaal moet afgeven, dat zij heel veel waarde hecht aan dit maatschappelijke doel. Tot nu toe was er ook geen sprake van die grens. Daarom zal ik de nog in te dienen motie op dit punt van ganser harte steunen.

Ik dank de staatssecretaris voor de welwillendheid die hij uitsprak ten aanzien van mijn amendement om al over drie jaar een beperktere evaluatie te houden inzake de vermogensrendementsheffing. Ik wacht met belangstelling af, of het nog eerder kan. Als dit in de wet komt te staan, is dat een prikkel voor de bewindslieden om op dit punt scherp te blijven koersen. Dat heeft de staatssecretaris positief aanvaard. Het is naar mijn mening niet strijdig met het amendement om de gehele wet na vijf jaar te evalueren. Dat is ook een heel goed amendement dat de steun van de CDA-fractie krijgt.

Ik blijf het oneens met de staatssecretaris ten aanzien van de kunst. Ik had graag gewild dat hij op dit punt ruimhartiger zou zijn. Naar mijn mening zal straks in de praktijk ook blijken dat dat noodzakelijk is. Ik dank hem wel voor de verbeteringen die wel zijn aangebracht, want ik heb juist op één van die verbeteringen aangedrongen. Maar het lijkt mij toch goed dat de staatssecretaris zich aansluit bij mijn amendement op dit punt. Dan ontstaat volstrekt helderheid. Daarmee voorkomen wij ook allerlei nieuwe jurisprudentie.

Ook voor de hoogte van het heffingsvrije bedrag bij vermogen heb ik een voorstel gedaan. Er zijn ook andere voorstellen gedaan om voor kinderen nog wat te doen. Die krijgen uiteraard de steun van de CDA-fractie. Ik wil graag blijvend op de politieke agenda zetten, dat die vrijstelling hoger moet worden. Dat stimuleert namelijk de kleine spaarder. Het nu voorgestelde bedrag is aan de lage kant ten opzichte van de twee faciliteiten die er tot nu toe waren.

Over de kapitaalverzekeringen heb ik een verschil van mening met de staatssecretaris. Ik hecht heel grote waarde aan de eerbiedigende werking, want de overheid moet betrouwbaar zijn. Ik ben bereid om onderscheid te maken tussen de ene overgangsmaatregel ten opzichte van de andere. Dat heb ik in de amendering ook bewust gedaan. Als er na de verandering van het regime voor de kapitaalverzekeringen een bikkelharde toezegging in de Kamer wordt gedaan, dat alle voorgaande regelingen worden geëerbiedigd, dan moeten volgende kabinetten daar ook hun handen van afhouden. Anders komt de betrouwbaarheid van de overheid in het geding. De verweerlinie van de staatssecretaris is: maar de rente is wel vrij. Dat is nogal logisch. Bij een forfaitaire rendementsheffing wordt sowieso geen belasting meer betaald over ontvangen rente. Er wordt alleen belasting geheven over een fictief bedrag. Het pijnpunt is dat de lopende contracten komen te vallen onder de grondslag van een forfaitaire rendementsheffing. Het gevolg is dat er nu ineens 1,2% over betaald moet worden. Dit is in tegenspraak met de toezeggingen die in de Kamer zijn gedaan. Dat is voor mijn fractie niet aanvaardbaar, want de overheid moet betrouwbaar zijn.

Voorzitter! Ik had kritiek op het oorspronkelijke voorstel inzake het AB-regime. Ik vond dat er sprake was van overkill. Daarbij heb ik geconstateerd dat de meesleep- en meetrekregeling goed in het wetsvoorstel paste. Ik stond bepaald niet alleen in mijn oordeel, want overkill was het voornaamste punt van kritiek van alle commentaren die ik hierover heb gelezen. Daarnaast spoorde het tarief van 30% niet met het cumulatieve belastingtarief. Berekening leerde ons dat dit tarief eigenlijk 26% zou moeten bedragen. Dat was ook mogelijk. De staatssecretaris heeft de middelen hiervoor gebruikt voor de financiering van het opstapje in de vennootschapsbelasting. Wij hebben hem hierin gesteund en daar komen wij niet op terug. Ik vraag mij alleen af waarom de staatssecretaris niet de grens bij 26% heeft getrokken. Waarom heeft hij de wens van de VVD gehonoreerd om dit tarief terug te brengen tot 25%? Op zichzelf is dit wel een sympathieke gedachte, maar de consequentie is dat de meetrek- en meesleepregeling 100 tot 200 mln. meer moet opbrengen. Dat is de oorzaak van alle ellende.

Vervolgens heeft de staatssecretaris alles naar box II overgebracht, maar dat paste weer niet in het karakter van het stelsel. Ik wijs alleen maar op de consequenties voor de vennootschapsbelasting. Dit voorstel is dan ook terecht weer teruggenomen. Uiteindelijk heeft de staatssecretaris een en ander in box I ondergebracht. Ik kan alle implicaties daarvan nog niet overzien, maar ik krijg signalen dat ook dit voorstel slechter is dan het oorspronkelijke. Een bijzaak – een pand van een familielid – wordt nu zwaarder belast dan de gehele onderneming en dat kan nooit de bedoeling zijn.

Ondernemers worden het met de belastingen geconfronteerd op het moment dat de winst is berekend is; een jaarlijks terugkerend moment. Zij krijgen een voordeel als zij ermee stoppen of hun aandelen verkopen. Dit doen zij uiteraard niet elk jaar. De pijn die de staatssecretaris met dit laatste wijzigingsvoorstel inbouwt, komt jaarlijks in de blauwe aanslagen terug. Dit lijkt mij dan ook geen verstandige keuze. De ondernemer zelf heeft wel de mogelijkheid, te kiezen of hij vermogen in de onderneming stopt of niet, maar het familielid met het pand heeft die keuze niet. Ik heb het angstige vermoeden dat wij op dit punt van de ene ellende in de andere terechtkomen. Ik stel dan ook voor, dat de staatssecretaris terugvalt op zijn oorspronkelijke idee met een tarief van 26%. Dat lijkt mij verreweg de veiligste weg.

Mevrouw de voorzitter! De totale dekking van het CDA-alternatief, met een verschuiving van 2 à 2,5 mld., heeft de staatssecretaris als deugdelijk gekwalificeerd, maar het is zijn keuze niet. Ik ben blij met de kwalificatie "deugdelijk". Wij zullen na deze tweede termijn een afweging moeten maken ten aanzien van de vraag wat wij met dit Paarse wetsvoorstel doen. Ik constateer dat in de schriftelijke ronde veel technische toezeggingen aan de CDA-fractie zijn gedaan. Ik constateer dat vervolgens over de politieke onderdelen van het belastingplan via de tweede nota van wijziging belangrijke toezeggingen zijn gedaan aan de CDA-fractie. Wij hebben daar ook sterk op aangedrongen. Ik constateer ook dat de amendementen die ik daarna nog heb ingediend tot op heden op een weinig welwillende houding van de staatssecretaris hebben kunnen rekenen. Hij heeft daarvoor ook redenen genoemd. Ik doe toch een dringend beroep op hem om daar nog eens naar te kijken, want wij hebben een aantal fundamentele argumenten voor onze wijzigingsvoorstellen.

Dit alles staat los van de discussie over de principiële uitgangspunten van het belastingplan. Wij moeten in de toekomst daarmee verder gaan. Ik ben ook bereid die zaak te ontkoppelen. Er zal echter op een aantal elementen aan haar wensen tegemoet moeten worden gekomen, wil de CDA-fractie haar steun aan dit wetsvoorstel geven. In het plenaire debat is het resultaat daarvan te mager. De uitkomst van het opmaken van de balans hoort men niet eerder dan bij de stemming over het wetsvoorstel.

Na deze belastingherziening zijn er vervolgstappen nodig. Ik roep de bewindslieden op, om daarbij de samenleving te betrekken en deze zo breed mogelijk in dit huis te bespreken.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Reitsma licht een tipje van de sluier op ten aanzien van het stemgedrag van het CDA. Welke betekenis wordt in de afweging van het CDA toegekend aan het realiseren van een lastenverlichting van 6 mld.?

De heer Reitsma (CDA):

U moet het antwoord op deze vraag zoeken in mijn eerste termijn, toen ik daar ruim op ben ingegaan, en ook in tweede termijn.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mevrouw de voorzitter! Ik zeg de bewindslieden dank voor hun beantwoording. Deze dag staat in het teken van het gedicht. U hebt zelf daarin het voorbeeld gegeven. Ik ben eens nagegaan hoe het met poëzie aan het Binnenhof in de loop der tijd precies is gegaan. Ik stuitte toen op een prachtig boekje, geschreven door een gerenommeerd parlementair redacteur, de helaas overleden Douwe Hoekstra. Dit boekje is bij gelegenheid van de ingebruikneming van het nieuwe hoofdkantoor van het ANP verschenen. Er is een – in de woorden van de schrijver – willekeurig boeket geplukt uit de Handelingen van de Tweede Kamer. Ik heb het nog eens doorgebladerd. Je komt dan leuke voorbeelden tegen, zoals dat van de heer Dolman, die namens de PvdA-fractie op 29 november 1978 het zogenaamde "dekkingsplan" behandelde. Dat was een plan om de financiën weer rond te krijgen voor het jaar erop. Hij dichtte toen het volgende: "Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, dat doen de meesten niet slecht. Maar van het delen, brengen zeer velen weinig terecht". Bij een andere gelegenheid – ook over de belastingwetgeving, want daarmee hield de heer Dolman zich namens zijn fractie intensief bezig – citeerde de heer Dolman een onderdeel uit ons volkslied, het Wilhelmus. "Niets doet mij meer erbarmen in mijne wederspoed dan dat men ziet verarmen des Konings landengoet". Dat moet deze minister van Financiën in ieder geval aanspreken.

Ik moet niet alleen maar anderen citeren, maar de vergadering ook een eigen keuze voorhouden. De heer Dolman – hij heeft mij indertijd beëdigd als Kamerlid en ik heb goede herinneringen aan hem – is echter een collega en daarnaast kan een eigen keuze worden voorgelegd. De oriëntatie van de SGP-fractie is bekend. Ook is bekend dat ik in de Nederlandse Hervormde Kerk kerkelijk meeleef met mijn gezin. Daar wordt uit de psalmen gezongen en ik dacht: wat kan ik beter doen, dan hier een psalm voordragen?

(Stemmen: Zingen, zingen!)

De heer Van der Vlies (SGP):

Als dat moet, maar ik weet niet hoe het hier met de akoestiek is gesteld.

Maar nu in alle ernst, de psalm. Het is psalm 37, het elfde vers. Ik heb de berijming van 1773 genomen. Die is mij persoonlijk het meest vertrouwd.

"De boze neemt, door hebzucht aangedreven, met list ter leen en legt de schuld niet af. De oprechte, vol ontferming, mild in het geven, bezit deze aarde als het erf dat God hem gaf. Deze smaakt in rust de zegen en het leven. De vloek vervolgt de anderen tot in het graf."

Mij dunkt dat dit een vers is waarin je toch heel uitdrukkelijk de normen die ik in mijn eerste termijn probeerde weer te geven, terugvindt. De schuld niet afleggen, met list jezelf verrijken, je door hebzucht laten drijven. Daartegenover staat het andere beeld: ontferming, mild zijn in het geven, meedragen van lasten van anderen, elkanders lasten dragen. Die twee oriëntaties leg ik maar eens naast elkaar. En dat is nou precies de klem waarbinnen de SGP-fractie probeert de voorliggende voorstellen te beoordelen. Het gaat dus om belastingheffing die rechtvaardig is en billijk en om een belastingdruk die in verhouding staat tot rechtmatige overheidsverplichtingen. Die dienen immers gefinancierd te worden. De sterke schouders dragen de zwaarste lasten, het draagkrachtbeginsel dus. En dan nog de belastingontduiking. Dat kwam ook voor in het vers dat ik net citeerde. Dat strategische gedrag waardoor je jezelf verrijkt ten koste van de ander, is laakbaar.

De aanleiding tot deze belastingstelselherziening is omstandig gereleveerd door de bewindslieden: een robuuster belastingstelsel, onevenwichtigheden eruit, het systeem dat lek was moest worden gedicht, arbeidsparticipatie, economische zelfstandigheid, emancipatie, individualisering en vergroening. Er zijn nog wel meer argumenten, maar dit zijn volgens mij de belangrijkste.

De minister erkende gisteren dat door de keuzen van het kabinet die ten grondslag liggen aan de voorstellen, spanning is ontstaan ten opzichte van de visie die door bepaalde fracties in dit huis is uitgedragen. Het gezin, verantwoordelijkheid hebben voor elkaar in dat gezin, zorgtaken voor verwanten, enzovoort. Ik doel op de thema's partnerbegrip, kostwinnersmodel, alleenverdienerschap, enzovoort, en vergelijk die met de voorstellen die zijn gedaan.

De SGP-fractie heeft in het verleden regelmatig een pleidooi gevoerd voor het zogenaamde splitsingsstelsel. Dat staat toch wel haaks op, of het ligt verwijderd van hetgeen ons nu is voorgelegd. Wij moeten naar een afronding van dit debat. De SGP-fractie zal naar eer en geweten een eindoordeel vellen over de voorliggende voorstellen. Het moeilijkste punt voor de SGP-fractie is het ver doorgevoerde Paarse thema individualisering. Niemand hoeft mij te vertellen dat het tijdsbeeld is gewijzigd, dat de vormgeving van het dragen van eigen verantwoordelijkheid in deze samenleving aan wijzigingen onderhevig is en dat arbeidsparticipatie een belangrijk issue is, want dat weten wij allemaal best. Het gaat ons erom hoe die uitgangspunten worden vormgegeven. Dat is voor onze fractie een groot probleem. Wij zullen daarop letten bij de finale afweging, maar er zijn ook onderdelen van het wetsvoorstel die door ons worden gesteund, want het is niet allemaal verkeerd.

Daarenboven is voor de SGP-fractie belangrijk hoe het met diverse amendementen gaat, want daardoor wordt het eindbeeld in hoge mate bepaald. Ik neem aan dat de stemming over de artikelen en amendementen onderscheiden van de eindstemming plaatsvindt, zodat wij nog even onze mind kunnen opmaken over hoe het definitieve wetsvoorstel eruitziet.

Dan kom ik op de materie zelf. De minister heeft een hartstochtelijke verdediging gevoerd van de vermogensrendementsheffing. Hij formuleerde de kern als volgt: wij gaan de verdiencapaciteit van het vermogen belasten. Daarbij had hij een betoog dat onze fractie aan het denken heeft gezet, maar je blijft altijd zitten met de vertaling van de macrobenadering naar de individuele belastingaanslag en de effecten daarvan.

Daarbij moest ik door mijn oriëntatie op de Bijbel toch weer denken aan de gelijkenis van de talenten. Drie mensen kregen van hun Opdrachtgever een onderscheiden portie talenten. Degene die er tien had, is aan het werk gegaan, heeft er tien bijgewonnen en werd daarom geprezen. Degene die er vijf had, verdiende er vijf bij voor zijn Opdrachtgever en ook dat was in orde. Degene die ook een verdiencapaciteit had gekregen, maar daar niets mee had gedaan, omdat hij dacht: dat is prima zo, ik geef deze straks wel terug, werd bestraft.

Het thema verdiencapaciteit is dus niet onterecht gekozen, maar wat moeten wij doen met die andere twee? Verdiencapaciteit is een stuk inzet, maar niet het resultaat. Er zijn mensen die nooit een dubbeltje kunnen maken van een kwartje, maar er zijn er die met relatief gemak van een dubbeltje een tientje maken. Dat zijn slimme mensen die je hier en daar naar boven ziet komen. Moet je dan op dat tientje letten of moet je dat op een forfaitair bedrag zetten en afschatten op een gulden, om in die beeldspraak te blijven? Dat is het spanningsveld.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Ik geloof dat het begrip "forfaitair" niet in de Bijbel voorkomt en ik wil zeker niet concurreren met de heer Van der Vlies op het gebied van de exegese. Het is op zichzelf terecht dat hij dat bijbelverhaal aanhaalt. Het is van een andere orde als iemand die tien talenten heeft, daarmee aan het werk gaat en er tien bijverdient, dan wanneer iemand speculeert op de beurs. Daar wordt niets verdiend, maar alles gekregen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat is een punt voor de heer Marijnissen.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Ik vind het prima als de heer Van der Vlies naar zijn intellectuele, morele en religieuze "roots" verwijst, ook in dit soort debatten. Ik luister daar graag naar. Maar ik vind dat dit hier niet van toepassing is, omdat bij uitstek op de beurs niet gewerkt wordt, maar gespeculeerd. Er wordt daar niets verdiend, maar slechts iets verkregen dankzij de arbeid van anderen.

De heer Van der Vlies (SGP):

De heer Marijnissen heeft daar een punt. Dat is waar. Elke vergelijking loopt wel ergens mank, maar ik lette op het begrip "verdiencapaciteit". Dat heeft te maken met een verwachtingspatroon en ook met de slimheid waarmee iemand daar iets aan kan toevoegen.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Wij zijn op dit onderwerp gekomen, nadat de heer Van der Vlies zei dat de argumenten van de minister indruk hadden gemaakt. Concludeert hij nu dat de vermogensrendementsheffing een vertaling is van het draagkrachtbeginsel, of het rechtvaardigheidsbeginsel, waar hij aan refereerde met de psalm?

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Doorgaans luistert de heer Marijnissen wel, maar hij moet dat nu ook blijven doen. Ik heb niet gezegd dat ik onder de indruk ben van de minister en dus het hoofd in zijn schoot leg. Ik heb gezegd dat ik zijn argumenten van zoveel gewicht achtte dat ik die op mij zou laten inwerken. Dat is wel wat anders.

De begrenzing van de duur van de hypotheekrenteaftrek tot dertig jaar is de laatste weken toegevoegd aan het thema "eigen woning". De SGP-fractie heeft daaraan steun betuigd. Voorts bestaat er een discussie over het niveau van de hypotheekrenteaftrek, maar die wordt hier nu niet gevoerd. In de politiek wordt al heel lang om dit punt heengelopen. De SGP heeft in haar laatste twee verkiezingspro- gramma's doen blijken dat wij dat niet verstandig vinden. Natuurlijk moet zo'n discussie met grote voorzichtigheid worden gevoerd, maar de aftopping van de hypo- theekrenteaftrek is voor de SGP-fractie niet onbespreekbaar. Het is van origine een volkshuisvestingsinstrument. Een villa van 1 of 2 mln. heeft echter niet meer zoveel met volkshuisvestingsbeleid van doen. Je zou daar toch eerlijk naar moeten kunnen kijken ter wille van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van de middelen en de mogelijkheden voor jonge starters om op de woningmarkt een plekje te bemachtigen.

Een derde element bestaat uit het ondernemerspakket, bijvoorbeeld de stakingsvrijstelling. Ik heb ook gepleit voor binnenvaartschippers die naar de wal gaan. Ik heb ook iets gezegd over de agrarische sector en bedrijfsbeëindigingen. De staatssecretaris heeft mij op enig moment toegezegd in het prille voorjaar te komen met een notitie over de fiscaliteit en de agrarische sector. Ik wacht die nota af. Er blijft daar echter een punt liggen. Vandaar dat ik het amendement op dit vlak van de heer Reitsma, dat ik heb medeondertekend, steun. De rest van het ondernemerspakket komt overigens, meer in het algemeen, in de loop van het jaar aan de orde.

Er zijn door de regering constructieve reacties verwerkt in de nota's van wijziging op wat in de Kamer naar voren is gebracht en op wat in de samenleving speelde. Hier en daar is een punt blijven liggen. Ik ga hier niet verder op in, omdat ik weet dat andere collega's dat uitvoerig zullen doen. Er blijft bijvoorbeeld bij de overgangsregeling ten aanzien van de communautaire vennootschap een probleem bestaan. Ik doel op de datum van 12 januari 2000. Men hoopte dat die datum verschoven kon worden naar 31 december 2000. Daar heeft de staatssecretaris nog geen gevolg aan willen geven. Hij heeft er wel zijn argumenten voor, maar de praktijk is dat men daar grote moeite mee houdt. Van de andere elementen van de nota van wijziging op dat punt heeft men met belangstelling en erkentelijkheid kennis genomen.

Mijn vierde thema betreft de zorgkorting die ik bij amendement op stuk nr. 29 voorstelde en die is meegenomen in een pakketje van amendementen inzake de kinderkorting. Er zijn daarover nogal wat amendementen ingediend en daaruit blijkt dat het thema op zich in de Kamer breed wordt gedragen. Tussen die amendementen bestaan nogal wat verschillen. Mede gelet op hetgeen er overigens al gebeurt voor gezinnen met kinderen, zoals de IHS, wil de staatssecretaris de stemming daarover afwachten en zich het recht voorbehouden om tot een stroomlijning te komen. Zou hij dan niet veel beter nog een nota van wijziging kunnen overwegen met een duidelijke reactie op hetgeen verschillende fracties hebben aangedragen om eventuele problemen later te voorkomen? Met collega Reitsma zou ik op dit punt toch graag nog een toeschietelijker houding van de staatssecretaris zien. Ook wij hechten er zeer aan, ik aan mijn amendement en anderen ongetwijfeld aan hun eigen amendementen. Echter, ze zijn alle gericht op een en dezelfde zaak!

Voorzitter! Mijn laatste thema gaat over gehandicapten, chronisch zieken en gemoedsbezwaarden. Wat de laatste categorie betreft, ben ik zeer content met de toezegging van de staatssecretaris dat hij nog dit voorjaar met een notitie komt over de plaats van de gemoedsbezwaarden in de fiscaliteit. Dat hij zich ietwat voorzichtig opstelde, kon ik best begrijpen, want het is natuurlijk een moeilijk thema. Ook zul je moeten letten op de randvoorwaarden waaronder een en ander kan worden geregeld, want die zijn toch belangrijk voor anderen die er eventueel misbruik van willen maken. Dat wil ook de SGP-fractie niet. Mij sprak vooral de positieve grondhouding van de bewindslieden aan om hiernaar nog constructief te kijken en zo mogelijk met oplossingen te komen.

Voorzitter! Ik wil nu nog ingaan op de positie van gehandicapten en chronisch zieken. Mijn amendement op stuk nr. 70 levert mij een probleem op. Het is wellicht een verspreking geweest, maar de staatssecretaris vroeg of die amendementen kunnen worden aangehouden. Dit kan niet bij een amendement en nu sta ik voor de keuze om dit amendement terug te nemen of in stemming te laten komen. Ik kan het terugnemen, maar doe dat nog niet. Wij krijgen nog een discussie over het thema gehandicapten en de fiscus, mede naar aanleiding van het wensenpakket dat de Gehandicaptenraad aan de staatssecretaris heeft overhandigd. Hij heeft de Kamer toegezegd in de loop van dit jaar een regeringsstandpunt daarover uit te brengen. Dit alles is erop gericht om voorstellen aan de Kamer voor te leggen zodat dit onderwerp nog voor 1 januari 2001 kracht van wet kan krijgen. Ik zou in dit proces kunnen meegaan. Ik zou dan mijn amendement moeten intrekken, de voorstellen van de staatssecretaris afwachten en eventueel, zo nodig, opnieuw amenderen. Dat is een mogelijkheid. De andere mogelijkheid is dat ik het amendement in stemming laat komen, omdat dit een zeer behartigenswaardige zaak tot oogmerk heeft die door iedereen op zichzelf wordt gesteund, nog los van de systematiek. Dan zou het kunnen zijn dat de coalitiefracties wijzen op de voornemens van de staatssecretaris en dat zij op procedurele gronden van het amendement weglopen. Dat zou jammer zijn. Ik zit in dit spanningsveld en ik moet mijn afweging nog maken. Mevrouw de voorzitter! U zult hierover op een gezond tijdstip vernemen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.10 uur tot 14.00 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.