Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1997-1998
Vergaderingnummer 77
Datum vergadering 18 mei 1998
Gepubliceerd op 28 mei 1998

Gerelateerde informatie


Toon alle items in vergadering



De voorzitter:

Wij hebben zojuist onze laatste officiële taak verricht als oude Kamer. Dat ging dankzij de geleidelijke afschaffing van de ambachtelijkheid en de onwennigheid met nieuwe technologieën in ons kiessysteem wat anders dan anders. Vandaar het rapport.

150 leden hebben de laatste vier jaar met elkaar samengewerkt, overlegd, gereisd, zich aan elkaar geërgerd, met elkaar gelachen, wetten gemaakt en wetten afgesteld. Zal dat de komende periode net zo gaan? Ik aarzel om die vraag met "ja" te beantwoorden. Er heeft de afgelopen jaren zeer veel doorstroming plaatsgevonden. Wij hebben vier leden door overlijden verloren. Wij hebben hen herdacht: de heer Esselink overleden op 20 september 1996, de heer Broos van Erp overleden op 2 juni 1997, Maarten van Traa overleden op 21 oktober 1997 en Cor Zonneveld overleden op 13 december 1997. Bij deze verkiezingen is de Kamer weer voor 40% vernieuwd. Er vindt dus een veel sterkere vernieuwing plaats dan vroeger en zo krijgt elke parlementaire periode haar eigen karakteristieken.

Dat vergaderingen onverwacht uitlopen of juist onverwacht snel kunnen worden beëindigd, is in het verleden ook vaak voorgekomen en is eigen aan elk parlement. Maar de creativiteit waarmee deze Kamer kans zag om onderwerpen steeds weer via een ander instrument van de parlementaire procedure te laten terugkeren, vaak eerst in commissieoverleg, soms tegelijkertijd bij de regeling of in de vorm van mondelinge vragen, dan in een spoeddebat en vervolgens weer in een commissie, weer bij de regeling, weer bij mondelinge vragen, is, denk ik, in het verleden niet in die mate vertoond. Wat tevens verrast, is de vanzelfsprekendheid waarmee bijna alle leden, en dus ook de voorzitter, dit haasje-over-springen steeds hebben aanvaard.

Deze Kamer heeft, meer dan haar voorganger, internationale contacten onderhouden en dat niet gereserveerd voor een groep buitenlandexperts. Ook dat is karakteristiek. Vrijwel alle leden hebben ontdekt hoe Nederlands beleid tot in de haarvaten is vergroeid geraakt met dat van andere landen en dat vraagt meer buitenlandse activiteiten met als prettig bijverschijnsel dat leden elkaar buitenslands vaak beter leren begrijpen dan hier te lande gebruikelijk is.

Een van de bijzondere regelgevingen waartoe wij zelf hebben besloten, is die betreffende de Koninklijke onderscheidingen. Die regeling brengt mee dat ik een aantal onder u vandaag mag meedelen dat het Hare Majesteit de Koningin heeft behaagd om hen als erkenning van de verdiensten in een loopbaan als volksvertegenwoordiger, te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Ik moet erop wijzen dat de leden die deze onderscheiding vandaag ontvangen, niet de enigen zijn die haar verdienen. Anderen zullen haar later ontvangen, omdat wij bij de procedures niet helemaal konden afgaan op de opiniepeilers. Ik stel dan ook voor de 24 leden die ik nu bij name ga noemen, te beschouwen als vertegenwoordigers van de hele groep vertrekkende leden. Een aantal uwer zal op een ander moment, waarschijnlijk door de burgemeester van hun woonplaats, worden geridderd.

Ik verzoek elk van de leden die ik ga noemen op dat moment even op te staan. Aan het einde van mijn toespraak zal ik allen vragen naar voren te komen, zodat ik hun de versierselen kan opspelden.

Als eerste noem ik het lid Marten Beinema, alfabetisch vooraan, maar toevallig ook qua anciënniteit de oudste onder ons. U hebt hier 22 jaren doorgebracht wat een aparte biografie rechtvaardigt. Daarin zou de basis van uw politieke roeping aan de orde moeten komen, uw geloofsovertuiging, de gebeurtenissen van de oorlog, uw liefde voor de kunst, uw liefde voor het publieke omroepbestel. U hebt een tijdlang behoord tot de groep die zich betitelde als loyalisten, een aanduiding die nu veel uitleg zou vergen maar die ik vandaag op een andere manier op u van toepassing verklaar: loyaal tot de laatste dag.

Vervolgens komt de beurt aan Piet Blauw. Mijnheer Blauw, u bent al eerder gehuldigd maar ik stel het op prijs om u nogmaals te beschrijven: uw bolster is betrekkelijk ruw, de pit is lelieblank. Dat hangt ook samen met de aard van uw bedrijf. U bent verankerd in de agrarische sector, maar niet zonder kritiek. U bent relativist, bekend vanwege uw harde lach, streng maar rechtvaardig, commissievoorzitter en altijd bereid om voor het Presidium of voor de voorzitter moeilijke klussen op te knappen in binnenland en buitenland, een diplomaat naar wiens opvattingen men niet hoeft te raden.

Vincent van der Burg, wij hebben u zo-even in deze vergadering zien optreden in een rol die u naar eigen zeggen met plezier vervulde. Wij zijn daar getuige van geweest hedenmiddag. Bovenmodaal plezier! U bent lange tijd voorzitter geweest van de vaste commissie voor Justitie. Ook u hebt ervoor gezorgd dat die commissie haar eigen tradities kreeg. Sommige onderwerpen waren echter voor u van meer dan alleen procesmatige betekenis. Dat gold in het bijzonder de euthanasie. U hebt ons hier in duidelijke woorden de plicht tot bescherming van het menselijk leven voorgehouden, maar toch ook weer steeds zo dat u accepteerde dat anderen daaruit niet dezelfde consequenties trokken voor de regelgeving. Ik dank u ook voor uw vele bijdragen aan de commissie voor de Werkwijze der Kamer en vooral als wij stemmen over personen zullen wij aan u denken, omdat dit in uw nadagen opeens wat sneller ging dan vroeger het geval was. Overigens, de dag is mooi voor u en zal voor u mooi blijven!

Ali Doelman, ook u hebt hier een naam gevestigd in de twaalf jaren dat u deel uitmaakte van de Kamer. Niet een naam door de veelheid van woorden of door spectaculair optreden, maar door de uitstraling van rust en door de bereidheid tot luisteren, die ook u erg geschikt maakte voor het commissievoorzitterschap. U laat hier een erfenis achter onder andere in de vorm van de verbetering van de ondersteuning van de fracties, waartoe inmiddels besloten is. Alle fracties zijn u daarvoor zeer dankbaar.

Dzingis Gabor, uw loopbaan als volksvertegenwoordiger is begonnen in de gemeenteraad van Woerden, voortgezet in de staten van Zuid-Holland, onderbroken voor een burgemeesterschap en een staatssecretariaat en afgesloten in de Tweede Kamer. Overal hebt u een grote inzet getoond. Het doet ons deugd dat u benoemd bent tot lid van het CDA, naar de maat van onze oud-collega Gerrit Braks het "corps diplomatique agricole" en dat uw eerste post in Hongarije is, waar u geboren en getogen bent en waar uw wortels liggen.

Wim van Gelder, u bent uw loopbaan gestart op plekken die al veel prominente en succesvolle politici hebben opgeleverd: de Wiardi Beckmanstichting en vervolgens de FNV. Hier in huis heeft u zich vooral beziggehouden met de bestuurlijke hervorming en democratisering van het hoger onderwijs en met integratie van het technologie- en wetenschapsbeleid. U werkt met netwerken, vooral netwerken van mensen. Daardoor kwam u altijd goed beslagen ten ijs. De Kamer is u erkentelijk voor uw voorzitterschap van een kleine groep van leden die zich beraden heeft over de gevolgen van technologische vernieuwing voor het parlement.

Sari van Heemskerck, vorige week is al afscheid van u genomen in een functie die politiek gezien niet zo belangrijk was, maar waarmee u hebt bijgedragen tot ons aller welzijn, namelijk het voorzitterschap van de concertcommissie. Uw carrière als volksvertegenwoordiger begon in de raad van de gemeente Ouderkerk a/d IJssel. Maar inmiddels bent u niet meer weg te denken uit de Haagse politiek. U bent een graag geziene parlementariër. Wij zullen u missen. Ik weet dat dit ook geldt voor enkele internationale instellingen, waarin u zo actief hebt geparticipeerd, in het bijzonder de Noord-Atlantische Assemblee.

Frans Jozef, die gaat staan zonder dat zijn achternaam wordt genoemd! Als ik namelijk die voornamen noem, weet iedereen dat het gaat om mijnheer Van der Heijden. Uw loopbaan, mijnheer Van der Heijden, telt liefst vier vertegenwoordigende lichamen: de gemeenteraad van Rotterdam, de Rijnmondraad, de staten van Zuid-Holland en de Tweede Kamer. Dan tel ik de Beneluxraad niet mee, hoewel dat wel moet, en ook de IPU niet. Lange tijd wisten we niet zeker wat uw eigenlijke uitvalsbasis was, maar de kiezers in uw gemeente hebben ons dat duidelijk gemaakt. U praat over Bram en Neelie alsof het uw kinderen zijn.

Servaas Huys, lid van onze Kamer sinds 1986. U bent uit het onderwijs afkomstig en u hebt zich hier ontwikkeld tot een landbouwman, laat ik zeggen een landbouwexpert. U kunt bijzonder uit uw slof schieten. U deed dat al in uw maidenspeech. Die begon met de woorden: "Voorzitter! Ik zal de minister niet, zoals dat bijna een traditie werd, vergelijken met een product uit mijn eigen regio, want dan kom ik terecht bij de asperge en dat zou ik een bijzondere diskwalificatie van dat edele product vinden." Ik was in 1986 geen landbouwminister! In werkelijkheid kennen wij u als een aimabel mens en als iemand die de noodzaak van compromissen aanvaardt. Dat heb ik wél persoonlijk mogen ervaren als minister van LNV.

Arie de Jong, ook bij u enerzijds de bereidheid om de strijd aan te gaan, die u de bijnaam "Arie Bombarie" opleverde, en anderzijds compromisbereid. Ook u deed ervaring op als volksvertegenwoordiger in de staten van Zuid-Holland. Tussen de bedrijven door hebt u KabNa gediend. Daarna bent u met extra kennis terzake weer in onze gelederen teruggekeerd. En KabNa wordt verhuisd. Hier in de Kamer hebt u een aantal belangrijke, moeilijke debatten voorgezeten en daarbij getoond niet te wijken voor belangrijke problemen die zich daarbij voordeden. Daarvoor onze hartelijke dank.

Margreet Kamp, u bent met enkele korte onderbrekingen sinds 1982 lid van onze Kamer. U was woordvoerder op de terreinen volksgezondheid, onderwijs en sociale zaken en voorzitter van de vaste commissie voor OCW. Uw politieke optreden werd gekenmerkt door een onafhankelijke dualistische opstelling en stevigheid in uw stellingname. Uw betrokkenheid bleek vooral als u sneller ging spreken. Terwijl die manier van spreken in het algemeen de duidelijkheid niet vergroot, was bij u het omgekeerde het geval. Dat heb ik ook in het Presidium mogen ervaren.

Ad Lansink, het is Nederland niet onbekend gebleven dat u de Kamer gaat verlaten. U bent niet iemand die dan met het hoofd onder de dekens gaat liggen, maar u laat ook bij het afscheid zien dat je, om in uw eigen woorden te spreken, op aarde bent om in de breedte te leven, omdat je de lengte niet zelf in handen hebt. U hebt zo vele en zo zware onderwerpen hier behandeld dat ik ze niet alle zal opnoemen, want dan kom ik in tijdnood. Mede daardoor hebt u wel veel fysiek en psychisch geweld ondervonden. U bent met tomaten en eieren bekogeld. Dat is, lijkt mij, fysiek geweld. Uw tuin is omgespit. Zelf zou ik dat trouwens wel prettig vinden. De banden van uw auto zijn lek geprikt, maar daar is ook in te voorzien. Toch ging u nooit een discussie uit de weg, niet met actievoerders en ook niet hier in de Kamer. Daarbij praat u met zo'n snelheid dat ik de Stenografische dienst heb moeten laten bijscholen. Ik denk en ik hoop dat wij u nog vaak zullen zien en horen. En het laatste niet alleen in de vorm van carnavalsliederen, hoewel de behoefte daaraan ook groot is.

John Lilipaly, u hebt u in uw parlementaire loopbaan die in 1986 begon, op veel plaatsen ingezet. U hebt dat gedaan op basis van de levenservaring dat artikel 1 van de Grondwet niet voor niets vooropstaat. Velen van ons herinneren zich de hartstochtelijke speech die u eens daaraan wijdde. Onlangs hebt u zelf met gepast gevoel voor eigenwaarde uzelf beschreven als een tamelijk goed voetballertje, de man van de lange rushes en de snelle passeerbewegingen. U hebt daar in de politiek veel succes mee gehad, vooral in Beneluxkader waar u als Zeeuw steeds aandacht vroeg voor het water: dat wil zeggen de havens en de waterkwaliteit.

René van der Linden, u behoort bij de lichting 1977. U bent een Europees Limburger. Dat wil zeggen: opererend vanuit Limburg. In Limburg werd u aangeduid als Us Reneke. Ik hoop dat ik het een beetje goed uitspreek, want ik ben maar een eenvoudige Westlander. Anderzijds bent u mondialist: lid van de Assemblees van de Raad van Europa en van de West-Europese Unie. Uw belangrijkste woordvoer- derschappen betreffen de kernenergie, de landbouwpolitiek en de Europese integratie. Bij elk van die onderwerpen toonde u veel betrok- kenheid en ook veel emotie in de debatten, maar u kon knipogend discussiëren met degenen die u even daarvoor hadden geïnterrumpeerd. En dat behoorde bij uw grote kracht.

Wim Mateman, in 1979 kwam u in ons midden na een aanloop in de gemeenteraad van Aalten en de provinciale staten van Gelderland. Uw eigen geluid was uw karakteristiek. De toonhoogte versterkte dat, of het nu ging om gemeentelijke herindelingen, de auto in het algemeen, de autowegen in het oosten of om het belang van de Nederlandse industrie. Ik verklap geen geheim als ik vertel dat u ook in de fractie een eigen geluid liet horen, want dat was meestal ook buiten hoorbaar, zelfs met een dichte deur. Minder bekend is uw prominente rol in de verbetering van de Nederlands-Duitse parlementaire samenwerking, in het euregiogebeuren en in de Noord-Atlantische Assemblee, die u zelf de laatste tijd nogal eens heeft genoemd.

Jos van Rey, uw loopbaan als volksvertegenwoordiger eindigt vandaag niet. Ik weet niet eens zeker of u het lidmaatschap van de Tweede Kamer wel het belangrijkste onderdeel daarvan heeft gevonden. Het geeft mij voldoening dat ik als christen-democraat u vandaag de onderscheiding mag opspelden. Die politieke richting heeft immers niet uw warmte, en wie niet uw warme liefde heeft, mag zich verheugen in een stevige benadering, echter steeds doortrokken met humor. Ik denk dat daarom iedereen uiteindelijk uw woorden accepteerde en dat u veel succes heeft geboekt. Intern profiteerde de Kamer daarvan, vooral in de commissie voor de Rijksuitgaven, waarvan u voorzitter was.

Ries Smits, u werd lid van de Kamer in 1986. U stond op de 58ste plaats en dat ging toen nog; weliswaar na de kabinetsformatie. Daarvoor was u al lid van de raad van Rotterdam en van de provinciale staten van Zuid-Holland. U bent nu weer terug in de raad, in dit geval die van Den Haag. Wij zullen u weten te vinden, want er zijn Haagse belangen bij het parlement en u zult ons ook wel weten te vinden, want Den Haag heeft ook een paar problemen. In de Kamer heeft u zich beschikbaar gehouden voor vele woordvoerderschappen. U heeft ook veel bijgedragen tot de emancipatie van homoseksuelen, ook hier in de Tweede Kamer, door de vanzelfsprekende wijze waarmee u met dat aspect van uw persoon omging. Daarnaast zullen wij u zeer missen als lid van onze Kunstcommissie. Ik heb echter nog net van uw interventies gebruik kunnen maken. Dank u zeer.

Marianne Soutendijk, u heeft gedurende uw twaalfjarig lidmaatschap van onze Kamer veel wetsvoorstellen voor uw rekening genomen en daarbij steeds een grote nauwgezetheid aan de dag gelegd. Een eigenschap die u ook laat zien op het golfterrein, zo is mij gezegd, waar u een grote hoogte heeft bereikt. Die laatste prestatie krijgt echter een andere vorm van erkenning dan waar wij het vandaag over hebben. Deze erkenning krijgt u voor uw vasthoudende werk op het terrein van justitie. Veel concrete stappen bij de criminaliteitsbestrijding zijn aan u te danken. Ook u sluit uw politiek carrière vandaag niet af. Wij wensen u veel succes in de gemeenteraad van Nuenen.

Anne Lize van der Stoel verlaat de Tweede Kamer. Een workaholic, zo kopte een dagblad enkele maanden geleden. U bent inderdaad niet zo gemakkelijk te stuiten als het gaat om ontwikkelingssamenwerking, emancipatie, justitiële en sociale aangelegenheden. Na twaalf jaar Amsterdamse politiek en vier jaar Tweede Kamer gaat u weg, wetende dat er leven is na de politiek. Ook u heeft veel bijgedragen tot de emancipatie van homoseksuelen in onze samenleving en tot hun aanvaarding hier in de Kamer. Ik denk overigens dat de VVD-fractie inderdaad wel wat extra leden kan gebruiken om al uw portefeuilles over te nemen.

Machteld Versnel, u was lid van de Utrechtse gemeenteraad en van de staten van Utrecht, totdat u lid van onze Kamer werd in 1989. U was woordvoerder voor ruimtelijke ordening en u werd tevens voorzitter van de desbetreffende vaste commissie. Die combinatie van woordvoerderschap en commissievoorzitterschap wordt officieel ontraden, maar u heeft laten zien dat zulks wel mogelijk is. Het vraagt echter buitengemeen veel creativiteit en de collega's moeten je aardig vinden. U heeft verder in veel landen in Centraal- en Oost-Europa uitgelegd hoe parlementaire procedures in elkaar zitten bij ons. En u heeft – en dat heb ik zeer gewaardeerd – initiatieven genomen om eens wat directer en steviger te discussiëren over de prioriteiten in de ruimtelijke ordening.

Josephine Verspaget, hoewel u ook geheel andere onderwerpen hebt behandeld in de lange periode van uw lidmaatschap – ik noem de IJkwet – was u toch vooral geëngageerd pleitbezorger voor onderdrukte volkeren en bevolkingsgroepen. U was altijd bereid vertegenwoordigers van die groepen te ontvangen. Ook in de Assemblee van de Raad van Europa kwam u voor hen op. Dat u soms door de douane verward werd met een naamgenoot die op de lijst van gezochte personen voorkomt, heeft u niet gestoord. "Gezocht persoon" wilde u zijn, maar dan gezocht door mensen die het moeilijk hebben.

Henk Vos, u hebt uw achternaam de laatste jaren moeten delen met twee andere leden, maar bij hoofdelijke stemmingen konden wij uw "voor" of "tegen" altijd gemakkelijk herkennen en afgezien van stemmingen toch wel. U hebt sommige van die stemmingen om ernstige gezondheidsredenen moeten missen, maar u kwam met nieuw elan steeds weer terug, omdat het volksvertegenwoordigerschap uw grote liefde had. U was een warm voorvechter van het behoud van de Nederlandse scheepvaartindustrie, de vliegtuigindustrie en de auto-industrie, zodat u hier bekend was als "fungerend onderminister van Economische Zaken". Veel hulde voor uw inzet.

Frans Wolters, een grotere tegenstelling dan met Henk Vos is niet goed denkbaar, maar één eigenschap heeft u met hem gemeen: de grenzeloze toewijding aan het parlementaire werk. Die toewijding uitte zich niet in veel woorden, maar veel meer via geruisloos opereren op de achtergrond. Daar heeft u grote invloed gehad, zowel in uw eigen fractie als in de commissies waarin u actief was. U zette een lange traditie van Limburgs sociaal gevoel voort en het is ook als zodanig dat u vandaag wordt onderscheiden.

Eisso Woltjer, u was europarlementariër van 1979 tot 1994 en u bleef dat eigenlijk toen u in dat laatste jaar bij ons kwam. U vond dat de Tweede Kamer zich te veel met de nationale details bezighoudt. Maar sinds u gekozen werd als voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken was u weer helemaal in uw element. Naast politiek gevoel heeft u ook veel gevoel voor mensen, wat wel blijkt uit uw goede neus voor het werven van medewerkers. Wij hopen dat u vanuit Limburg uw Groningse karakter en uw Straatsburgse, Luxemburgse, Brusselse en Haagse ervaringen wilt blijven inzetten.

Geachte medeleden, ik verzoek nu allen wier namen ik heb genoemd om naar voren te komen en zich voor dit podium op te stellen zodat ik ze de versierselen kan opspelden. Ik schors daarvoor even de vergadering, maar ik verzoek de andere leden om uit respect op hun plaats te blijven zitten tot de vergadering hervat wordt.

De vergadering wordt enige tijd geschorst.

Minister Kok:

Mijnheer de voorzitter! Graag zeg ik u dank voor de uitnodiging om hier namens de regering aanwezig te zijn tijdens deze laatste vergadering van uw Kamer in de zittingsperiode 1994-1998. Het was een bijzonder genoegen om te luisteren naar de schets die u gaf van ieder van de gedecoreerden. Deze bijeenkomst is voor een groot aantal leden van uw Kamer een zeer bijzondere. Dat is wel duidelijk. Het is voor hen de laatste dag als volksvertegenwoordiger, soms op eigen wens, soms tegen de eigen voorkeur in. U verzocht mij, voorzitter, een kort woord te spreken bij dit afscheid van een aantal uwer en dat van uzelf. Daaraan voldoe ik gaarne, mij overigens voluit rekenschap gevend van het feit dat terughoudendheid gepast is, ook bij deze gelegenheid, voor een lid van de regering tegenover de Kamer. Ik zal dus kort zijn.

De vertrekkende leden hebben gedurende een uiteenlopend aantal jaren, soms lange tijd, en soms wat korter, inhoud gegeven aan de hoogste en de mooiste functie in onze parlementaire democratie, die van volksvertegenwoordiger, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, het hoogste politieke gezag in Nederland. Ook in de nu afgesloten periode van vier jaar waren er vele, soms scherpe debatten in dit huis. Dat is nu eenmaal onlosmakelijk verbonden met onze parlementaire democratie, waarin ondanks soms aanzienlijke verschillen van mening en verschillen in verantwoordelijkheid, de constructieve dialoog steeds een voorname plaats inneemt. Op en rond het Binnenhof worden voor zeer velen in onze samenleving belangrijke en soms zeer ingrijpende beslissingen genomen. De uitoefening van het Kamerlidmaatschap brengt mede daarom zware verantwoordelijkheden met zich, verantwoordelijkheden van waaruit een onmisbare bijdrage wordt geleverd aan de vervulling van het primaat van de politiek in onze parlementaire democratie, controle van macht, respect voor minderheden en aandacht voor kwetsbare belangen.

Ook u, mijnheer de voorzitter, neemt vandaag afscheid van de Tweede Kamer. Vele jaren diende u de publieke zaak, als lid van meer kabinetten en als lid en voorzitter van de Tweede Kamer. U maakte eerder vanmiddag melding van ons nieuwe stelsel van decoraties. Dat stelsel kennen wij. U weet – dat weten wij allemaal – dat er vandaag geen nieuwe decoratie bij kan zijn. Misschien mag dan toch dat woord van zeer bijzondere dank en waardering op deze plaats wel klinken. U heeft aangekondigd niet thuis te gaan zitten, maar maatschappelijk actief te willen blijven. In wens u daarbij, maar ook in uw persoonlijk leven, alle goeds toe.

Mijnheer de voorzitter! Dames en heren vertrekkende leden! De kiezer heeft gesproken. De Kamer kiest deze week een nieuwe voorzitter. Intussen loopt de kabinetsinformatie, zij het vanmiddag wat traag. Op enig moment zal er een nieuw kabinet zijn, van welke samenstelling dan ook. Dan breekt er weer een nieuwe periode aan, waarin de regering en het parlement, uiteraard elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, verder zullen werken aan de toekomst van ons land. De scheidende leden, die vandaag afscheid nemen, zullen dit proces straks vanaf een andere plaats in de samenleving volgen. Ik weet zeker dat zij dat zullen doen met grote belangstelling en betrokkenheid en naar ik hoop ook in goede gezondheid.

Voorzitter! Staat u mij toe dat ik hen dank voor de geleverde bijdrage aan het besef van vele leden van opeenvolgende kabinetten dat het beleid altijd beter kan. Ik voeg daarbij mijn beste wensen voor ieders persoonlijk welzijn. Dat het u allen goed mag gaan.

(Applaus)

De heer Beinema (CDA):

Mijnheer de voorzitter, waarde collega's! Het ongebruikelijke tweede deel van deze aanhef, waarde collega's, geeft aanleiding tot een kanttekening. Het parlementaire bestaan is een mengeling van fictie en feit. Een fictie is bijvoorbeeld dat de spreekster of spreker vanaf dit gestoelte met name het woord richt tot de voorzitter. De voorzitter is in formele zin wel onmisbaar, zonder hem of haar geen geldige vergadering, maar in feite zijn andere aanwezigen vaak van groter belang.

Een tweede fictie is dat het vertrekkende lid met de meeste Kamerjaren en -dagen deze toespraak van het begin tot het eind namens alle vertrekkende leden houdt. Dat is, naar ik voetstoots aanneem, nog wel werkelijkheid, als ik welgemeende dank uitspreek aan alle medewerkers in dit huis, van ons persoonlijk, van de fracties en van de Kamer. Zonder die in de loop van de jaren bijkans onafzienbaar geworden schare waren wij niet in staat geweest te functioneren.

(Applaus)

De heer Beinema (CDA):

In een soortgelijke toespraak als deze hebben mijn twee naaste voorgangers, oud-collega's Joekes en Stoffelen, in hun eveneens algemeen gestelde dankwoord bij uitzondering toch enkele diensten genoemd, te weten de griffiers, de Stenografische dienst en de Bibliotheek- en documentatiedienst.

Instemmende met die voorbeelden voeg ik aan die reeks uitzonderingen er twee toe. Enerzijds noem ik de medewerkers van de afdeling wetgeving. Klein in getal, maar groot in deskundigheid en dienstvaardigheid maken zij het steeds mogelijk dat de Kamer haar essentiële taak van medewetgever verantwoord vervult. De collega's die alleen of voornamelijk in het kader van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hun wereldwijde activiteiten ontplooien, hebben daar wat minder weet van, maar ook zij zullen het van horen zeggen met ons anderen eens zijn dat een Kamer die alleen afhankelijk zou zijn van de overigens zeer gewaardeerde en veelal bereidwillig gegeven assistentie van de departementale wetgevingsjuristen, haar wetgevende arbeid gebrekkiger zou verrichten dan nu het geval is. Sommige collega's van de Eerste Kamer zouden zeggen: nog gebrekkiger.

Anderzijds wil ik het personeel van het Kamerrestaurant met ere noemen. De koks leveren naar mijn eenvoudige, maar lang niet slechte smaak prestaties die vrijwel altijd ruimschoots boven modaal zijn en die bovendien de laatste tijd nog in stijgende lijn zijn. Culinair gezien nemen wij dus op een ongelegen tijdstip afscheid van de Kamer en het restaurant. Meer direct contact hadden wij uiteraard met de bedienende medewerkers, die op alle gewenste, mogelijke en onmogelijke uren paraat waren en ons het vertrouwde gevoel gaven uit en toch thuis te zijn.

Wij vertrekkenden nemen niet alleen afscheid van personen, dat kost de meeste moeite, maar ook, en dat gaat evenmin zonder moeite, van een werkomgeving die nog steeds wordt aangeduid als het Binnenhof, zij het met minder recht dan vroeger. De sfeer in en rondom dit historisch centrumpje van een beetje macht zullen wij missen. Natuurlijk, wij kunnen terugkomen om een ijsje te kopen – niet eens meer op het Binnenhof, trouwens – om een prentbriefkaart te kopen of om een bijeenkomst van oud-Kamerleden bij te wonen, maar dat is toch anders en minder dan waaraan en waarmee wij nu gewend en verwend zijn.

Wat ik van het gebouwencomplex het minst zal missen, is deze plenaire vergaderzaal. Zij heeft mij de oude vergaderzaal nooit doen vergeten. De meeste van mijn collega's die daar nog plenair hebben vergaderd, zal het niet anders zijn vergaan. Nu dat aantal weer kleiner wordt, moet nog maar eens gezegd worden dat de nieuwe zaal weliswaar fraai van vorm en royaal van ruimte is, maar staatsrechtelijk gezien minder te bieden heeft dan de Oude Zaal. Een parlementslid dat het woord voert, behoort de regering niet links van zich te vermoeden, maar recht tegenover zich te zien. Coalitie- en oppositiefracties moeten elkaar recht in de ogen kunnen kijken in plaats van alleen maar zijdelings. Zo kan men zich in gemoede afvragen, gezien het feit dat in een kleine ruimte de spanning sneller oploopt dan in een grote, of het eerste Paarse kabinet in de Oude Zaal een even lang en gelukkig leven beschoren zou zijn geweest als in de huidige zaal... Het stellen van deze vraag is niet het beantwoorden ervan. Wij zullen het nooit weten, maar als er een samenhang is tussen de aard en de kwaliteit van het voor een toneeluitvoering gekozen decor enerzijds en de prestaties van spelers anderzijds, valt het toch niet uit te sluiten dat zoiets ook bij het politieke steekspel het geval kan zijn.

Ik besef bezig te zijn mij op glas ijs te begeven, waarin meer dan een wak een merkwaardige aantrekkingskracht heeft. Zo'n wak is met name juist in deze uitzonderlijke situatie een partijpolitieke benadering. Ik wil die wel vermijden, maar ik heb evenals voorgaande spelers van deze nestorrol de voorzorg genomen overleg met andere scheidende collega's te plegen. Evengoed streef ik ernaar opmerkingen te maken waarvan ik kan vermoeden dat over de grenzen van partijen en fracties heen enkelen of nog liever velen van hen het ermee eens zijn.

Een tweede risico van deze rol is dat men bij de toehoorders alras het beeld oproept van een stuurman die met de ene voet nog op de valreep en de andere op de wal zich luidkeels aanmatigt het beter te weten dan hij zelf ooit heeft toegepast. Toch schik ik mij willig en eerlijk gezegd ook wel gretig in de traditie dat de zogeheten nestor enkele opmerkingen maakt die met het functioneren van de Kamer van doen hebben. Ik doe dat willig, omdat in een huis waarin personele en andere vernieuwingen elkaar steeds sneller opvolgen, het goed is een enkele traditie te handhaven. Ik doe het ook gretig, omdat je als Kamerlid zelden of nooit zo vrij van fractiediscipline en partijprogramma kunt spreken als bij deze gelegenheid. Ik spreek dus nu zogezegd, zoals de Grondwet in artikel 67, lid 3, voorschrijft te stemmen, zonder last over enkele aspecten van het gezag en de zeggenschap van deze Kamer.

Voorzitter! Er was eens een tijd – het klinkt inderdaad als een sprookje – dat de burgers met ontzag en belangstelling de handel en wandel van hun parlement volgden. Vandaag de dag is er zeker nog wel belangstelling, ook actief, voor bepaalde aspecten van het politieke en maatschappelijke leven, met name als er deelbelangen in het spel zijn. Maar het parlement als zodanig zegt een groeiend aantal burgers weinig of niets meer, mede doordat het parlement zelf minder te zeggen heeft gekregen. In ons land en elders is de bij het parlement geconcentreerde macht in toenemende mate verschoven naar andere centra die, en dat is in democratisch opzicht een achteruitgang, soms moeilijk te lokaliseren en dus nauwelijks of niet te controleren zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan een letterlijke, maar ook in figuurlijke zin over alle grenzen heen opererende financieel-economische belangengroepen.

Dergelijke ontwikkelingen zijn niet door één parlement te beïnvloeden, laat staan te keren. Maar er zijn ook andersoortige processen die het gezag van het parlement aantasten en die wel binnen het handbereik van deze Kamer liggen. Ik denk hierbij aan het meer en meer teloorgaan van de naar ik meen door ons allen toch gewenste dualistische verhouding tussen Kamer en kabinet. Kern van dat probleem is dat wij, belijders van het dualisme, het niet allen tegelijkertijd op dezelfde wijze beleven. Dualisme is immers in de politiek in alle letterlijkheid een betrekkelijk begrip waarvan de beleving in hoge mate afhangt van de positie van de belijder. Omdat in het staatsrecht verschillende soorten dualisme onderscheiden worden, van normatief tot strategisch en van feitelijk tot ideëel, moet ik duidelijkheidshalve aangeven wat ik, allesbehalve een staatsrechtsgeleerde zijnde, er simpelweg onder versta.

Dualisme houdt voor mij in dat niet alleen de oppositiefracties – zij zijn per definitie in alle staten en standen dualistisch – maar ook de regeringsfracties voldoende ruimte hebben, behouden en in voorkomende gevallen ook gebruiken om zich zo nodig tot aan het stemgedrag toe onafhankelijk van het kabinet op te stellen. Dat geldt voor de fracties en dat geldt binnen de fracties ook voor de afzonderlijke leden, want ieder van hen dient zonder last te stemmen.

De meest in het oog lopende manier om die onafhankelijkheid van de coalitiemeerderheid van de Tweede Kamer, en daarmee van de Kamer als geheel, te beperken, is het sluiten van een regeerakkoord. Hierbij past echter geen zwart-wittekening. Het is niet zo simpel dat het onschuldige blank van een onafhankelijke Kamer staat tegenover het besmettende duister van het regeerakkoord. Al kabinetten lang zijn er wel op zichzelf honorabele redenen geweest om zo'n akkoord te sluiten en als bindmiddel tussen kabinet en Kamer te laten functioneren.

Het gevolg daarvan lijkt echter te zijn dat in de loop van de jaren de zelfstandige positie van de Kamer steeds meer in het gedrang gekomen is. Ik veroorloof mij op dit moment en in deze rol geen subjectieve partijpolitieke stellingname, maar ik beroep mij hierbij op het intersubjectieve oordeel van commentatoren van velerlei politieke kleur en snit. En zoals men uit de praktijk van de kunstbeoordeling weet, waarbij ook over smaak niet te twisten valt, leidt intersubjectiviteit in zo'n sector tot de hoogst bereikbare mate van objectiviteit.

Ik noem een tweede proces dat zich binnen het bereik, althans nog niet geheel buiten het bereik van de Kamer voltrekt. Dat is de centralisatie en de daarmee gepaard gaande uniformering binnen de Europese Unie. De invoering van de euro is een actueel en typerend voorbeeld van de eenvormigheid die ons leven tegelijkertijd eenvoudiger en saaier maakt. Het gevoel echt in het buitenland te zijn, dat ontstaat als je in Italië luttele guldens in duizenden lires omwisselt, zullen wij binnenkort bijvoorbeeld veel verder van huis moeten zoeken. Nu weet ik wel dat ons voor dat en veel soortgelijk verlies een compensatie geboden wordt. Zo raken in datzelfde uniformerende Europa steeds meer streektalen en volksdansen in een hernieuwde bloei, begunstigd door Europese regelgeving en subsidiëring.

Voorzitter! Ik besef dat mijn kanttekeningen te veel het karakter van een boutade krijgen, die per definitie te veel fictie en te weinig werkelijkheid inhoudt. Werkelijk waar is wel dat voor de burgers in Europa tussen hun weer concreter wordende regio en de vooralsnog abstract blijvende Europese Unie het nationale kader in politiek, sociaal en cultureel opzicht vervaagt en een vacuüm dreigt na te laten waarin het niet goed toeven is.

Een belangrijk aspect van die ontwikkeling hebben wij een veelzeggende naam gegeven: een democratisch deficit. Wie een probleem raak typeert, zoals met die term het geval is, heeft al een belangrijke stap gezet naar de oplossing ervan. Die oplossing is naar mijn stellige overtuiging niet alleen en niet allereerst gelegen in versterking van de bevoegdheden van het Europees Parlement. Ook als dat meer zeggenschap krijgt, zal het nog lang boven de burgers blijven zweven, zeker als die burgers steeds meer regiogericht raken. Het eerstnodige deel van de oplossing is juist dat de nationale parlementen zuiniger worden op hun nationale bevoegdheden en daarnaast hun zeggenschap over Europese zaken vergroten. Doen zij dat niet, dan zullen ten koste van de kracht van de parlementaire democratie de toch al gestaag dalende opkomstcijfers bij de nationale verkiezingen met toenemende snelheid afzakken tot het opkomstpeil bij de Europese verkiezingen. Daar is Europa noch Nederland bij gebaat.

Voorzitter! Ook in haar nieuwe samenstelling zal de Tweede Kamer weer van doen hebben met zulke onderling zeer verschillende onderwerpen als regeerakkoord en integratie van Europa. De gemeenschappelijke noemer van die zaken is, zoals gezegd, hun relatie met het gezag van de Kamer. Zoals de voorzitter al gememoreerd heeft, is de vernieuwing van de Kamer ook ditmaal zeer vergaand. Sommige partijbesturen hebben de indruk gewekt zich bij de mate van de vernieuwing van de kandidatenlijst meer te hebben laten leiden door de waan van de dag dan door de tekenen der tijden. Vernieuwing is altijd nodig, maar een op zichzelf heilzaam medicijn kan in zijn tegendeel omslaan als het in extreem hoge doses wordt toegepast. De gemiddelde zittingsduur en ervaring zijn nog steeds in een dalende lijn en dat geeft allesbehalve een garantie dat de uitdaging van onze tijd beter beantwoord kan worden. Anderzijds mag niet bij voorbaat worden uitgesloten dat het niet belast zijn met in het verleden gemaakte fouten en gepleegd verzuim, nieuwe en betere mogelijkheden biedt om het gezag van de Kamer, zo essentieel voor het goed functioneren van onze democratie, te versterken. Daarom is mijn slotwoord een advies, neen, een oproep aan de blijvende en komende collega's: zorg dat je wat te zeggen krijgt, hebt en houdt!

(Applaus)

De heer Zijlstra (PvdA):

Mijnheer de voorzitter! Eerder in deze bijeenkomst hebt u degenen onder ons die morgen geen Kamerlid meer zijn, toegesproken en gehuldigd. U hebt dat gedaan op de karakteristieke manier waaraan wij net gewend begonnen te raken. Het is mijn taak als uw eerste plaatsvervanger om nu enkele woorden te wijden aan uw eigen afscheid en daarbij begin ik met de constatering dat u voor ons allen eigenlijk veel meer "Piet" bent geweest dan "mijnheer de voorzitter", meer mens dan institutie. Ik zou u alleen al daarvoor kunnen complimenteren. Complimenten dus, voor het feit dat u geen afstandelijke voorzitter was, niet iemand tot wie een Kamerlid zich met grote schroom wendde. Maar complimenten verdient een mens toch vooral voor prestaties die hem moeite kosten en ik meen dat bij u het omgekeerde het geval is. Wij kennen in onze Nederlandse traditie genoeg mensen die de deftigheid van het voorzitterschap graag aanvaarden en die als het ware vanzelf tot grote en soms onbereikbare hoogte opstijgen. Zo zit u niet in elkaar; u hebt ons vanuit uw eigen karakter laten zien dat de voorzitter ook maar een mens is. Dat was zeker een opluchting voor degenen die u alleen kenden van de aanduiding "de Lenin van Voorschoten".

Deze betiteling doet ons zo vreemd aan dat we misschien vergeten dat u in de anderhalf jaar van uw voorzitterschap wel degelijk enkele belangrijke vernieuwingen hebt doorgevoerd of in gang gezet, waarvoor anderen misschien vele jaren hadden nodig gehad. U hebt dat echter zo geruisloos gedaan dat de Kamer zich straks nauwelijks zal herinneren dat het Bukman was die hier het initiatief nam. Ik geef twee voorbeelden.

Het eerste is de verandering van de volgorde van onze activiteiten op dinsdag. Door het vragenuurtje vooraan, vóór de regeling en de stemmingen, te zetten hebt u een bijdrage geleverd aan de verlevendiging van dit instituut die effectiever is geweest dan allerlei veranderingen in het Reglement van orde. Juist die bepalingen waarbij tot op de seconde is vastgesteld hoeveel tijd iedere spreker heeft, gingen in tegen uw neiging om te kijken naar het belang van de zaak en de redelijkheid.

Het andere voorbeeld is dat van het zogenaamde superzware vergaderschema, waarbij we 's ochtends om 9.00 uur beginnen en in principe zonder pauze doorvergaderen. Ik gebruik hier niet voor niets de woorden "in principe", want dat is een van de aardige ervaringen die we met u hebben opgedaan: principes vallen meestal wel mee.

Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven en misschien wel betere van uw invloed op ons functioneren, maar ik ga nu toch over op een ander aspect van het voorzitterschap dat even belangrijk is, al komt het weinig naar buiten. Ik doel op het leidinggeven aan onze organisatie, de mensen die hier werken. Ook voor hen bent u niet op afstand gebleven. Er waren mensen met wie u dagelijks contact had in en rond het Presidiumsecretariaat, waar u een buitengewoon ontspannen sfeer hebt gecreëerd. Maar er waren ook afdelingen waar u kennis kwam maken en er waren "vele toevallige ontmoetingen in de gang" bij een jubileum. U was niet een voorzitter die bij een jubileum alleen even een speechje kwam houden; neen, u waardeerde ook de gezelligheid van de receptie na afloop. Ofschoon u al die informele contacten niet zocht als een investering in goodwill, hebben zij het u toch mogelijk gemaakt om moeilijke problemen aan te pakken. Ook daarvan noem ik er twee.

In de eerste plaats vermeld ik een probleem waarin u bij het ontstaan zelf geen enkel aandeel had, maar dat toch op uw bord terechtkwam, namelijk dat van de automatisering. Ik weet hoe het gewaardeerd werd dat u bij al het lawaai daaromheen voor de organisatie ging staan en ik meen ook dat uw bestuurlijk gevoel ertoe heeft bijgedragen dat de golven weer zijn gaan liggen.

Het andere voorbeeld is dat van de ambtelijke hoofdstructuur. Toen u eenmaal had vastgesteld dat daarin een weeffout zat, hebt u met grote energie een proces op gang gebracht om die fout te herstellen. Uw omgang met de ondernemingsraad was daarbij wederom een voorbeeld van een mentaliteit, waarvoor de echte Lenin niet bekendstond.

Mijnheer de voorzitter, beste Piet. Je hebt onze vergaderingen geleid en je hebt ons soms vertederd met de onhandigheid waarmee je tewerk ging met de knopjes en de regels. Je hebt onze organisatie geleid en je hebt ons verbaasd met de energie en de emotie die je daarin wilde steken. Maar aan het einde van deze toespraak onderstreep ik dat je vooral een mens bent. Je hebt een lange carrière in de politiek achter de rug waarin je vele moeilijke klussen hebt geklaard. Je hebt je niet laten ontmoedigen door tegenslagen die je soms hebt gehad. Je hebt mensen zien vertrekken op wie je gesteld was.

Vandaag vertrek je zelf en de Kamer zal je missen. Wij hopen je nog vaak hier terug te zien en wij weten dat je portret hier zal komen te hangen naast dat van je voorgangers. Je vond zelf dat jouw voorzitterschap te kort had geduurd om je een plaats in die galerij te geven en je hebt zelfs aangekondigd dat je over een jaartje je portret weg zou komen halen, omdat wij het toch niet zouden missen. Wij denken daar heel anders over, maar omdat jij en Carolien kennelijk geïnteresseerd zijn in een herinnering thuis aan je voorzitterschap, mag ik je hierbij een kopie aanbieden van het portret dat wij willen houden, met de belofte dat wij jou nog eens zullen laten portretteren, maar dan voor de galerij thuis. Piet, het ga je goed!

(Applaus)

De voorzitter:

Waarde collega's! Anderhalf jaar voorzitterschap van de Kamer is ruim voldoende om aan dit eervolle ambt gehecht te raken en gelukkig net onvoldoende voor ernstige verslaving. Maar verslavend is het wel; dat geldt overigens voor meer politieke en bestuurlijke functies. Pluche zit goed!

Geachte ondervoorzitter, beste Martin. Je hebt mij toegesproken op een manier die mij heeft aangesproken. Ik ben je daarvoor zeer erkentelijk, temeer omdat ik de afgelopen periode heb ervaren dat je altijd recht uit je hart spreekt, meent wat je zegt en de werkelijkheid niet door percepties daarvan laat verdringen. Nogmaals, hartelijk dank. Hiermee zou ik trouwens de tweede ondervoorzitter en het hele Presidium heel hartelijk willen danken voor de samenwerking. Wij hebben solidair geopereerd op basis van openheid en zonder blad voor de mond.

Martin Zijlstra heeft al gereleveerd wat ik in mijn korte ambtsperiode gepoogd heb aan te pakken om het functioneren van de Kamer te verbeteren. Dat waren geen opzienbarende dingen. Gelukkig maar, want dat zou de indruk hebben gegeven dat de parlementaire machine in december 1996 slecht geolied was. Dat was geenszins het geval. Maar beter kan het altijd en er sluipen bij ons nog wel eens verkeerde gewoonten binnen. Er moeten dus een paar dingen nader onder de loep genomen worden. Ik denk aan de onderzoekcapaciteit van de Kamer. Gelukkig is er een begin mee gemaakt. Onderzoek door de Kamer is geen mode. De Kamer zal er ook niet gauw genoeg van krijgen. Maar het gaat vooral om een goede afbakening van de taken van de Kamer, de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, het Sociaal en cultureel planbureau en andere onderzoeksinstellingen.

Ik noem een ander punt, namelijk de verhouding tussen het werk in de vaste commissies en in de plenaire vergaderingen. Ik heb maar al te vaak ervaren dat wat als plenaire afronding werd aangekondigd, veel weg had van een herhalingsoefening, terwijl de paraatheid toch reeds voldoende was.

Dit wordt – dat is het derde punt – een beetje in de hand gewerkt doordat kleinere fracties soms niet intensief in het commissiewerk konden participeren en dan alles in de plenaire brachten. Dat is dan voor grotere fracties, die al goeddeels uitgediscussieerd waren, een extra verleiding om ook maar weer van start te gaan. Ik zie daar niet onmiddellijk een oplossing voor, maar het maakt het Kamerwerk er niet doelmatiger op en het behoeft daarom de aandacht van de nieuwe voorzitter én van de commissie voor de Werkwijze der Kamer, want daar is de nieuwe voorzitter ook voorzitter van.

Ik noem als vierde punt Europa. Dat krijgt geleidelijk aan meer aandacht en dat moet ook, want hoe afhankelijker Nederland wordt van Europese beslissingen, des te belangrijker het is dat ook nationale parlementen greep houden op de besluitvorming in Brussel. Het is vanmiddag al eerder gezegd. In dat kader moet mijns inziens de verhouding tussen de algemene commissie voor Europese Zaken en verschillende vaste commissies regelmatig worden bijgesteld. Wij zijn overigens met onze donderdagmiddagzittingen op de goede weg.

Waarde collega's! Het zou kunnen zijn dat wij op weg zijn naar een zo gedetailleerd regeerakkoord, dat de Kamer volop tijd krijgt aan deze organisatorische punten aandacht te schenken. Dat zal overigens nooit de ware grond vormen voor zo'n gedetailleerd regeerakkoord. Ik ben het met allen eens die van mening zijn dat voor het goed functioneren van een dualistisch stelsel een getailleerd regeerakkoord beter is dan een gedetailleerd regeerakkoord. Maar ja, dat wordt niet in deze zaal uitgemaakt. Wij moeten in deze zaal er echter wel op letten dat het functioneren van de volksvertegenwoordiging wordt verbeterd en niet negatief wordt beïnvloed door typen regeerakkoorden. Vandaar mijn opmerking, die in de ogen van sommigen wellicht wat ongepast is, waarvoor mijn excuses. De opmerking is echter gemaakt; daar is niets meer aan te doen en terugnemen heeft ook geen zin.

Overigens heb ik de afgelopen periode ervaren hoe goed het is dat een voorzitter zich niet te veel mengt in de substantie van politieke debatten hier in huis. Hoe goed om de onafhankelijkheid van het voorzitterschap te garanderen, maar hoe lastig tegelijkertijd: popelen om mee te doen en met kromme tenen die verleiding toch weerstaan. Nu, is die verleiding weerstaan, dan trekken die tenen wel weer recht.

Wat zit er dan toch voor boeiends in dat voorzittersambt, als je bijna niets mag wat een politicus van nature graag doet? Ik denk dat het vier hoofdelementen zijn.

In de eerste plaats het voorbereiden en leiden van de plenaire vergaderingen. Het is boeiend om te zien hoe de hazen lopen en enerverend om te ervaren hoe op basis van het rotsvaste geloof in eigen gelijk, waarmee bijna elk debat begint, inclusief niet aflatende pogingen andermans ongelijk overtuigend aan te tonen, toch compromissen mogelijk zijn; soms voorgebakken, dat moet erbij gezegd, maar ook vaak de resultante van een debat. Ik kan zonder enige reserve verklaren dat ik in mijn werkzame leven geen andere periode van anderhalf jaar kan aangeven waar ik dossiers en mensen beter heb leren kennen.

Het tweede element is het Kamerbedrijf in engere zin: al die honderden mensen die het met elkaar mogelijk maken dat 150 afgevaardigden hun functie goed kunnen vervullen. De motivatie, de bereidheid om, als het nodig is, dag en nacht en bij ontij aan te treden, heeft mij zeer getroffen – zeer aangenaam getroffen, wel te verstaan – waarvoor mijn hartelijk dank: dat was klassewerk.

Het derde element is het representeren van de Kamer, nationaal en internationaal, extern en in eigen huis, en op bezoek Voorzittergaan en bezoek ontvangen; ogenschijnlijk van secundair belang, maar voorzover mijn ervaring strekt, van grote betekenis voor de goede naam en faam van de volksvertegenwoordiging.

Het vierde element is het beschikbaar zijn voor iedereen. Martin Zijlstra sprak daarover.

Alle vier elementen hebben mij buitengewoon geboeid en daarom heb ik van de eerste tot en met de laatste Kamerdag veel plezier in dit voorzitterschap gehad. Het is een ietsje gecompliceerder en zeker tijdrovender dan op het eerste gezicht lijkt. Ik heb het niet alleen met genoegen gedaan maar ook een eer gevonden dit ambt te mogen bekleden, laverend tussen wijsheid en eigenwijsheid, zowel van mijzelf als van u. Dat hield de spanning erin!

De overmorgen te benoemen nieuwe voorzitter wens ik alle goeds. Eén ding heeft de opvolger mee. Het aantal fracties is teruggelopen van vijftien naar negen, voorlopig althans. Ook de nieuwe voorzitter zal moeten tellen en dan zou ik zeggen: begin met deze zegening.

Waarde collega's het ga u allen goed, hetzij in de Kamer hetzij daarbuiten; hetzij op het Binnenhof hetzij op het Buitenhof. En laat uitstralen dat het Binnenhof er is voor het Buitenhof en niet omgekeerd. Alleen zo kan de parlementaire democratie haar waarde blijven behouden en, kan het zijn, versterken. Ik dank u zeer!

Sluiting 17.30 uur


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl