Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met onder meer de invoering van het schoolplan, de schoolgids en het klachtrecht (25459).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Voorzitter! De overheid is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, maar de PvdA-fractie is het eens met het uitgangspunt dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor de invulling daarvan: het kwaliteitsbeleid. De toenemende zelfstandigheid van scholen, gekoppeld aan de vrijheid van onderwijs, maakt het noodzakelijk dat afspraken worden gemaakt over de wijze waarop scholen zich presenteren. Daarbij is het van belang dat de administratieve last voor scholen niet nog groter wordt, zo mogelijk zelfs wordt teruggedrongen. De voorliggende wet die de invoering van het schoolplan, de schoolgids en het klachtrecht regelt, biedt wat de PvdA-fractie betreft een goed kader daarvoor. Het schoolwerkplan, het activiteitenplan, het handelingsplan, het nascholingsplan en het jaarverslag in het voortgezet onderwijs kunnen vervallen en een formatieplan wordt overbodig. Ook verder zijn de voortekenen voor dit wetsvoorstel gunstig. Veel scholen hebben vooruitlopend op deze wet al een schoolgids uitgebracht en uit het onderzoek van het bureau Sardes blijkt dat de gids inderdaad bij kan dragen aan een goed kwaliteitsbeleid, mede door grotere betrokkenheid van personeel en ouders.

Het is echter niet enkel rozengeur en maneschijn. Het wettelijk kader lijkt wel in orde te zijn, maar het komt natuurlijk aan op de uitvoering en die is niet zonder risico's. In het verslag hebben wij gewaarschuwd voor een rangorde van scholen, zoals in Groot-Brittannië is ontstaan. Kwaliteit is een moeilijk, zo niet onmogelijk te kwantificeren begrip. Het gaat niet enkel om meetbare resultaten, maar ook om bijvoorbeeld zaken als de sfeer op een school. Daarnaast hangt het functioneren van scholen ook nauw samen met de omgeving waarin ze staan. Wat in het ene geval goed is, hoeft het in het andere niet te zijn. De discussie die naar aanleiding van de rapportcijfers in het dagblad Trouw is ontstaan, is een ondersteuning van die redenering.

De PvdA-fractie is overigens wel blij met die discussie. De confrontatie van opvattingen van direct betrokkenen als ouders, leerlingen en leerkrachten met die van deskundigen kan bijdragen aan het relativeren van cijfers en aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, méér nog dan de kwaliteitskaart van de inspectie waar de staatssecretaris in een brief van 19 december melding van maakt. Is de pretentie waarmee die kaart wordt ontwikkeld niet te groot? Wat is precies de voornaamste rol van de inspectie? Meedenker of beoordelaar? Vanzelfsprekend is de inspectie van het grootste belang als het gaat om het in naam van de minister oog houden op de kwaliteit van het onderwijs. Het blijft echter mensenwerk, zodat ook het oordeel van de inspectie altijd voor discussie vatbaar moet blijven. Aan een maatschappelijke discussie zoals die naar aanleiding van de publicatie in het dagblad Trouw is ontstaan, hechten wij als het gaat om de kwaliteit van scholen méér dan aan de kwaliteitskaart van de inspectie. Al is het van belang dat ook de onderwijsinspectie de eigen werkwijze vervolmaakt, het oordeel van de inspectie zal nooit zaligmakend zijn.

In dit verband willen wij graag een reactie van de staatssecretaris op een publicatie vanmorgen in de Volkskrant over de wijze waarop scholen de resultaten van de Cito-toets fout gebruiken.

Méér dan de kwaliteitskaart spreekt het procedurevoorstel van de staatssecretaris met betrekking tot de schoolgids ons aan, omdat dit tegemoetkomt aan de behoefte aan debat. Scholen zijn vooralsnog vrij in de weergave van resultaten in de schoolgids die door de inspectie marginaal zal worden getoetst. In het licht van de ontwikkeling van de kwaliteitskaart vraagt de PvdA-fractie zich wel af wat onder "marginale toetsing" moet worden verstaan en waar het streven precies op is gericht. Het tweede deel van het voorstel, dat het advies van bureau Sardes volgt en het aanreiken van voorbeelden inhoudt, heeft vanzelfsprekend ook onze instemming. Een dergelijke procedure leidt hopelijk tot consensus over de minimumvereisten waaraan een schoolgids moet voldoen; vereisten die dan te zijner tijd bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgelegd. De PvdA-fractie wil niet dat die voorschriften zo knellend worden dat scholen iedere mogelijkheid wordt ontnomen om tot een eigen invulling te komen. Opdat zij dit kan beoordelen, zal deze AMvB in ieder geval aan de Kamer moeten worden voorgelegd. Wij hebben een amendement van die strekking medeondertekend.

Het vierjarige schoolplan is vooral intern gericht. De jaarlijkse schoolgids bevat informatie voor ouders, verzorgers en leerlingen. In die schoolgids behoort ook te worden vermeld hoe de school omgaat met zoiets als sponsoring.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Ik merk dat mevrouw Liemburg aan een ander onderwerp is begonnen. Ik zou haar willen vragen wat zij ervan vindt dat in de schoolgids ook de resultaten moeten worden vermeld. Vreest zij niet een ontwikkeling in de richting van een tweedeling tussen scholen: goede scholen en slechte scholen. In de praktijk kan dat samengaan met de tweedeling: rijke scholen en arme scholen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Ja, dat risico bestaat. Ik heb er ook op gewezen in mijn verhaal. Maar ik moet zeggen dat mijn angst daarvoor groter was bij de indiening van het verslag toen de Trouwpublicatie nog niet was verschenen, dan na die publicatie, want naar aanleiding van de presentatie van die cijfers is er een discussie ontstaan die mij heel hoopvol stemt. Ik herinner mij een moeder die zei: de school van mijn kinderen heeft weliswaar een 2 of een 3, ik weet het niet meer, maar mijn kinderen gaan er met zoveel plezier naartoe, er gebeurt zoveel aan naschoolse activiteiten en het is voor de ontwikkeling van mijn kinderen van zo groot belang wat er op die school gebeurt, dat ik dat cijfer niet zo belangrijk vind. Daardoor werd een ander licht op de cijfers geworpen en ontstond een discussie over wat een school tot een goede school maakt. Ook prof. Dronkers die de analyse voor Trouw heeft gemaakt, heeft toen en ook later in de discussie gezegd: wij weten nog niet alles en het is ook de vraag of we ooit alles te weten zullen komen. Ik vind dat je in deze tijd van scholen mag vragen dat zij naar buiten komen met hun resultaten. Zeker in een land waarin vrijheid van onderwijs een groot goed is, hebben ouders recht op informatie om tot een goede schoolkeuze te kunnen komen. De openheid waarmee in dit land over die zaken wordt gediscussieerd, maakt dat ik denk dat het hier wel mee zal vallen met de absolute betekenis die aan cijfers wordt gehecht.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Publicatie van resultaten is één ding, een verplichting daartoe door de wetgever zoals nu wordt voorgesteld, is natuurlijk iets anders. Begrijp ik dat mevrouw Liemburg vóór zo'n verplichting is?

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Ik vind dat in de wet vastgelegd moet worden welke minimumeisen aan een schoolgids worden gesteld, dus welke gegevens iedere school moet vermelden om een zekere vergelijking mogelijk te maken. Ik ben ook van mening dat de discussie over wat precies moet worden vermeld nog niet ten einde is. De wet geeft een kader, geeft een indicatie van wat in ieder geval uit een schoolgids gelezen moet kunnen worden. Hoe dat precies wordt verwoord, is een tweede. Ik vind dat de staatssecretaris een goed proces heeft gekozen, omdat daarin tijd voor het debat wordt ingebouwd. Ik denk dat wij nu al zover zijn dat het publiceren van de kwantitatieve gegevens als onvoldoende wordt aangemerkt om een goed beeld te krijgen van de kwaliteit van een school.

Voorzitter! Toen de heer Koekkoek mij interrumpeerde, had ik net gezegd dat naar onze mening in de schoolgids ook behoort te worden vermeld hoe de school omgaat met sponsoring. Dat beperkt zich niet tot de scholen die het convenant over de onderwijssponsoring hebben ondertekend. Die informatie behoort verschaft te worden door álle scholen. Wij hebben een amendement ingediend om dit vast te leggen. Intussen hebben wij een afschrift ontvangen van een brief die namens de besturenraad PCO-VBKO-VBS-VGS-LVGS op 9 maart aan de staatssecretaris is verzonden. Hierin wordt, als gevolg van de nota van wijziging, het convenant inzake de onderwijssponsoring opgezegd. Wij horen graag van de staatssecretaris wat zij hiervan vindt en welke conclusies zijn hieraan verbindt.

Voorzitter! De meeste vragen over de klachtenregeling zijn wat ons betreft in de nota naar aanleiding van het verslag voldoende beantwoord. De fractie van de PvdA vraagt zich nog wél af of het niet beter is om bij het beoordelen van de klachten te kiezen voor een volledig onafhankelijke commissie. Men mag aannemen dat, voordat het tot een klacht komt, alle mogelijkheden om binnen een school tot een vergelijk te komen, reeds zijn benut.

Ten slotte vragen wij ons af of het niet noodzakelijk is om de bekostiging van een dergelijke commissie in de bekostiging van de scholen op te nemen. Immers, hieraan hangt ongetwijfeld een bepaald prijskaartje. Het bedrag behoeft niet zo hoog te zijn, maar het is een illusie om te denken dat het instellen van een dergelijke commissie budgettair neutraal plaats zou kunnen vinden. Met belangstelling wacht ik het antwoord van de staatssecretaris af.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mijnheer de voorzitter! Ik spreek mede namens de fracties van RPF en GPV. Het voorliggende wetsvoorstel betreft de regeling van een schoolplan, een schoolgids, het klachtrecht en nog een aantal andere punten. Bij geen van deze voorstellen als zodanig hebben wij op voorhand doorslaggevende bezwaren. Echter, het zijn wel allemaal instrumenten en voorschriften die steeds verder ingrijpen in de gang van zaken op school. Het is daarbij de vraag in hoeverre de autonomie van de school nog is gewaarborgd en wat de grenzen zijn van de bevoegdheid van de wetgever. Ik zal daarop bij de verschillende onderdelen nader ingaan.

Vooraf ga ik in op het begrip kwaliteit. Dat is eigenlijk het kernthema bij alle items en het wetsvoorstel wordt ook wel betiteld als "kwaliteitswet". Welnu, over kwaliteit valt nogal wat te zeggen. Het begrip kwaliteit is eigenlijk wat lastig; er is moeilijk concreet vat op te krijgen. De inspectie heeft daarom een nieuw instrument ontwikkeld, namelijk een toetsingskader. Verder wordt gesproken over het concept van "integraal schooltoezicht" (IST). Ik neem aan dat dit met elkaar samenhangt.

Het toetsingskader wordt opgesteld aan de hand van een analyse van achtergronden van wettelijke bepalingen. Dit kader wordt vervolgens gevalideerd met behulp van ambtenaren, wetenschappers, scholen, leraren en ouders. Voorzitter! Wij hebben daarvan in het verslag gezegd dat als deze werkwijze tot gevolg heeft dat in feite de onderwijsinspectie bepaalt wat de kwaliteit van het onderwijs is, dit haaks staat op het uitgangspunt van de verantwoordelijkheid van de school voor de kwaliteit van het onderwijs. De staatssecretaris lijkt te stellen dat het bij de nieuwe werkwijze niet gaat om een toetsing van de kwaliteit per school, maar meer om de algemene, landelijke ontwikkeling binnen het onderwijs. Het lijkt mij goed dat hierover volstrekte duidelijkheid wordt verschaft.

De staatssecretaris erkent terecht uitdrukkelijk dat "de inhoudelijke keuzes die de school maakt bij het bepalen van haar eigen opdrachten, niet aan het oordeel van de inspectie zijn onderworpen. Wel kan de inspectie beoordelen of de school een deugdelijk kwaliteitsbeleid voert met betrekking tot deze opdrachten. Daarbij beoordeelt zij onder meer of de school een procedure heeft voor het vaststellen van de mate waarin haar doelen bereikt worden." Ik verwijs naar bladzijde 5. Voorzitter! Dat klinkt eerlijk gezegd al een stuk beter. Als ik de verschillende discussies over het project IST lees, ben ik daar echter nog niet helemaal gerust op. Waarom wordt het kwaliteitsonderzoek niet gewoon opgedragen aan de scholen zelf? Voor de inrichting daarvan kunnen dan richtlijnen worden gegeven. Voorwerp van onderzoek is dan niet de onderwijskwaliteit van de school, maar het kwaliteitsonderzoek door de school. Kan de staatssecretaris hier duidelijkheid over geven?

In elk geval moet duidelijk zijn dat het toezicht van de inspectie niet "allesomvattend" kan zijn. Onderwijskwaliteit omvat behalve onderwijskundige immers ook pedagogische en levensbeschouwelijke keuzen. En in elk geval over de twee laatstgenoemde aspecten gaat de inspectie niet. De inspectie moet zich eigenlijk beperken tot het toetsen van het voldoen aan de kerndoelen.

De staatssecretaris erkent dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit primair bij de school ligt. Intussen schrijft het wetsvoorstel uitdrukkelijk een aantal instrumenten voor die de staatssecretaris nodig acht voor kwaliteit. Dat staat toch haaks op de eigenlijke bedoeling van het wetsvoorstel, namelijk om de scholen aan te sporen tot het zorgdragen voor kwaliteit. Daarvoor hoeven toch niet de precieze instrumenten te worden voorgeschreven? Met name bij het bij wet voorschrijven van bepaalde onderdelen van het schoolplan en de verplichting van een schoolgids en klachtenregeling kunnen op z'n minst grote vraagtekens worden gezet.

Zeer recent is hier nog het voornemen van de staatssecretaris bijgekomen om "emancipatie te toetsen als criterium voor de kwaliteit van het onderwijs". Ik citeer het persbericht dat zij verstrekte op 8 maart jl. Dan vraag ik toch: wat is kwaliteit van het onderwijs nou eigenlijk? Ik nodig de staatssecretaris uit hier expliciet op te reageren.

Intussen moet ik de vraag stellen waarom we steeds meer praten over kwaliteit en steeds minder over deugdelijkheid. Het begrip "onderwijskwaliteit" heeft eigenlijk helemaal geen zelfstandige, (onderwijs)juridische, betekenis, omdat het geen juridisch normatieve elementen over de wijze van overheidsoptreden bevat met betrekking tot het realiseren van goed onderwijs. Het begrip "deugdelijkheid van het onderwijs" heeft daarentegen wel een duidelijke betekenis. Het omvat zowel het sociale grondrecht, waarbij van de overheid actief optreden wordt verwacht om voor goed onderwijs te zorgen, als het klassieke grondrecht, waarbij vooral de vrijheid van onderwijs centraal staat in de zin van vrijheid van stichting, richting en inrichting en waarbij de overheid zich juist onthoudt van optreden. De overheid kan de kwaliteit van het onderwijs regelen door deugdelijkheidseisen vast te stellen, die voor het bijzonder onderwijs gelden als bekostigingsvoorwaarden. Daarbij mag geen inbreuk worden gemaakt op de onderwijsvrijheid. Bovendien moet de overheid zich beperken tot het noodzakelijke. En bij die noodzakelijkheidseis kunnen dan ook nog de rechtsbeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit worden genoemd. Is wel regelgeving nodig (de vraag naar de proportionaliteit) en, zo ja, van welke regel is het gewenste effect te verwachten met de kleinst mogelijke overheidsbemoeienis (het beginsel van subsidiariteit)? Het hanteren van het begrip deugdelijkheid, in elk geval in formele regels en dergelijke, verdient dan ook de voorkeur boven het meer onbepaalde begrip kwaliteit.

Ik nodig de staatssecretaris uit om hierover een duidelijke beschouwing te geven. Ik ontvang graag duidelijkheid over de precieze bedoelingen van het (nieuwe) kwaliteitstoezicht in relatie tot de verantwoordelijkheid van de overheid voor goed onderwijs enerzijds en de autonomie van de individuele school anderzijds.

De heer Cornielje (VVD):

Zou collega Van der Vlies eens in een voorbeeld kunnen aangeven waar naar zijn mening de rol van de inspectie bijvoorbeeld te ver zou gaan, op basis van het wetsvoorstel?

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik heb daar geen voorbeeld van. Ik refereerde aan de discussie die hierover is gevoerd in de onderscheiden bladen. Die is u natuurlijk niet ontgaan. Je ziet daarin de tendens dat bij het begrip kwaliteit meer wordt gevoegd dan bij de authentieke interpretatie van het begrip deugdelijkheid past. Ik ben begonnen met te zeggen dat wij op zichzelf per instrument geen doorslaggevende bezwaren hebben, maar de opeenstapeling van alle punten leidt toch tot deze vraagstelling. Hoever gaat de overheidsbemoeienis? Als u mij vraagt of dwingt om voorbeelden te noemen, herinner ik aan de discussies over de kerndoelen en de substitutie van kerndoelen. Op het punt van de rol van de inspectie is er een discussie geweest over de toetsing in dat kader, waarbij bijvoorbeeld ten aanzien van het kerndoel dans en drama in bepaalde denominaties werd gevonden dat de inspectie daarbij te ver doordrong. Ik kom straks nog even op het emancipatiethema, waar ik een tweede voorbeeld aan ontleen, maar nu loop ik vooruit op mijn tekst.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! De vraag was ingegeven door het feit dat ook ik, in de stukken van de schriftelijke voorbereiding, over deze discussie gelezen heb. Ik vroeg mij daarbij steeds af wat men nu, gelet op dit wetsvoorstel, in concreto voor ogen had. Dat stond er eigenlijk nooit bij; vandaar mijn vraag aan de heer Van der Vlies of hij het kon concretiseren. Ik neem evenwel genoegen met zijn antwoord.

De heer Van der Vlies (SGP):

Maar daarom hoeven we die discussie nog niet te mijden in dit debat, voorzitter!

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Heeft de heer Van der Vlies misschien voor ogen – al of niet bewust – wat in de nota van wijziging genoemd is betreffende de rapportages door de inspectie, namelijk dat de inspectie ook gaat rapporteren, om maar iets te noemen, over het pedagogisch en didactisch handelen?

De heer Van der Vlies (SGP):

Daar heb ik zojuist over gesproken. Uw vraag is terecht: het gaat ergens over. De heer Cornielje vroeg mij echter waar zij nu over de grens zijn gegaan. Hij vroeg mij om dat concreet aan te geven. Nu, dat is nog even een vraagstelling waarbij we de nodige zorgvuldigheid moeten betrachten. Maar ik heb u een concreet voorbeeld gegeven vanuit het relatief recente verleden.

Voorzitter! Ik ben aangekomen bij het schoolplan. Onze fracties, SGP, RPF en GPV, stemmen natuurlijk in met de vermindering van de planverplichtingen. Wat dit betreft is het wetsvoorstel zeker een verbetering, maar er zijn wel forse vraagtekens te zetten bij sommige inhoudelijke voorschriften. Ik verwijs wat dit betreft ook naar mijn zojuist gehouden verhaal over kwaliteit en deugdelijkheidseisen. Het geldt met name als er ook nog het voornemen zou zijn om ook emancipatiedoelstellingen op te nemen als inrichtingseis van het schoolplan. Dat gaat voor onze fracties werkelijk te ver. Is dat wel of niet de bedoeling, zo vraag ik de staatssecretaris.

We hebben hierover ook al uitvoerige discussies gevoerd bij het wetsvoorstel over het verplichte document inzake streven naar evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding. Intussen is de nota "Een kristal van kansen" verschenen, waarin afstand wordt genomen van de streefcijferbenadering. Dat lijkt ons in elk geval op zichzelf een verbetering. Het loslaten van streefcijfers kan onnodige tegenstellingen voorkomen. Daarmee zeg ik overigens niet dat we blij zijn met die nota als zodanig. Ik heb hem nog niet helemaal gelezen en hij wordt vandaag ook niet besproken; daar komen we ongetwijfeld nog over te spreken. Maar het beëindigen van de werking van het wetsvoorstel inzake evenredige vertegenwoordiging – dat is toch impliciet nu mee aan de orde – lijkt ons derhalve een goede zaak.

Als in de plaats van het "document" nieuwe verplichtingen komen, schieten we daar echter Van der Vliesweinig mee op. Ik heb al gewezen op het persbericht van 8 maart, waarin de staatssecretaris aankondigt dat zij de onderwijsinspectie zal vragen op emancipatie te toetsen als criterium voor de kwaliteit van het onderwijs. Uit mijn betoog zal duidelijk zijn dat dit naar ons oordeel niet kan en dat het in elk geval niet kan worden geformuleerd als deugdelijkheidseis, respectievelijk bekostigingsvoorwaarde. Daarom stel ik de vraag hoe verplichtend dit allemaal volgens de regering zou moeten zijn of worden. Er staat nu nog niets over deze zaak in het wetsvoorstel dat we nu bespreken, maar het persbericht ligt er ook. Kan de staatssecretaris van Onderwijs op eigen houtje voorschriften stellen of criteria opstellen, waar de inspectie aan toetst? Ik zou willen dat de staatssecretaris hierover in positieve zin duidelijkheid schept.

Om een ander positief punt te noemen: ik ben blij met de bepaling over het gebruik van de Nederlandse taal in het onderwijs. Ook hierbij kun je je trouwens de vraag stellen of dit wettelijk voorgeschreven moet worden, maar het raakt in elk geval niet de onderwijsvrijheid. Datzelfde geldt voor het voorschrift dat het onderwijs er mede van uitgaat dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Nu de schoolgids. Er is al volop gediscussieerd over de voor- en nadelen van het publiceren van de resultaten van de school in de schoolgids of anderszins. Het speelt vooral in het voortgezet onderwijs. In de toelichting op de nota van wijziging spreekt de staatssecretaris echter ook over resultaten in het basisonderwijs in relatie tot de nieuwe werkwijze van de schoolinspectie, die zij hier aanduidt met "integrale schoolevaluatie". Artikel V regelt dat het publiceren van resultaten na een jaar ook voor speciale basisscholen en basisscholen geldt. Onze fracties voelen weinig voor het publiceren van dit soort resultaten. Zeker op het niveau van de basisscholen lijkt ons dit geen enkel belang te dienen en eerder tot versterking van negatieve effecten te leiden, met name versterking van de ongewenste tweedelingen: zwart-wit en kansarm-kansrijk.

Het risico bestaat dat binnenkort ook de Cito-scores van de basisscholen openbaar worden en wellicht ook de CUMI-gegevens, leerlinggewichten, enzovoorts. Een en ander is mede afhankelijk van de gegevens die de inspectie wil verzamelen. Ik wijs in dit verband op de bezorgde maar duidelijke brief van de Nederlandse katholieke schoolraad van 7 februari 1998.

De risico's van selectieve toelating door de scholen zijn niet denkbeeldig. En het is niet aannemelijk dat dit ten goede komt van de zorg voor de leerlingen. Ik laat de discussie die wij sinds vanmorgen in de media zien voltrekken, maar liggen, hoewel je er zorgen over kunt hebben dat het scholen in de verleiding zou kunnen brengen om te frauderen met de Cito-gegevens, zoals dat in Amsterdam zou zijn gebeurd. Ik verwijs naar de berichten van hedenochtend in de pers.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Het is goed dat u dat laatste in de irrealistische sfeer plaatst, mijnheer Van der Vlies. De schoolgids is er immers nog niet en kennelijk wordt er, aldus het persbericht, toch gefraudeerd.

Ik wilde u echter vragen wat u precies vreest als resultaatsgegevens in de schoolgids zouden worden gegeven. U zegt dat dit geen enkel doel dient. U zult toch, evenals ik, gelezen hebben dat ouders wel degelijk hechten aan resultaatsgegevens? Je kunt dan nog spreken over de vraag welke resultaatsgegevens dat betreft. Zij hechten er echter wel aan.

De heer Van der Vlies (SGP):

Als een school in vrijheid het profiel – mede bevattend bepaalde kenmerken van de school – in de samenleving neerlegt, is het dus aan de school om dat al dan niet te doen. Het verplicht stellen gaat mij op voorhand te ver. Ik wijs u, en uiteraard ook de regering, op de gevaren die daaraan verbonden zijn, mevrouw Lambrechts. Ik doel dan met name op de onderlinge concurrentie tussen scholen. Dat zal inderdaad gebeuren. Wij zien dat immers reeds in het VO, waar progressieve acquisitie plaatsvindt om de leerlingen binnen te halen!

Nogmaals, ouders zijn mondig genoeg om zich te oriënteren op bepaalde kenmerken van scholen. Als ouders vragen hebben aan de scholen, zullen er antwoorden gegeven moeten worden. Als dat niet gebeurt, is dat ook een signaal. Het verplicht stellen gaat mij echter te ver.

Mevrouw Lambrechts (D66):

U ziet alleen negatieve kenmerken en geen positieve. U zegt echter wel dat ouders zich willen oriënteren op de kwaliteit en op de kenmerken van de scholen. Dan geeft u toch zelf al een belangrijk positief element aan, als zij dat rustig en duidelijk kunnen nalezen in een schoolgids?

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik heb gesproken over de nadelen en de risico's. Ik zeg niet dat er geen voordelen zouden zijn. De vraag is echter of je die voordelen uitsluitend binnenhaalt door een verplichting in de wet neer te leggen. Ik ben van mening dat het nu ook al gebeurt. Ouders kiezen bewust voor een bepaalde school – daar mag je althans van uitgaan – en zullen, waar de mogelijkheden er zijn, zeker onderscheiden hoe scholen presteren. Die keuzemogelijkheid bestaat echter niet overal. Dat weten wij allemaal. Dat is dus nog een extra moeilijkheid.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Maar zo'n schoolgids zou daarbij een hulpmiddel kunnen zijn!

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik ben niet tegen een schoolgids. Ik ben er wel tegen dat dit verplicht wordt voorgeschreven op de onderscheiden punten die wij nu in discussie hebben. Elke school zal zich natuurlijk willen presenteren aan potentiële ouders en leerlingen. Het gaat nu echter om de verplichting en daarbij zijn wij als wetgever betrokken.

Ook wat betreft de scholen in het voortgezet onderwijs zijn wij niet enthousiast over prestatiemetingen en publicatie daarvan. Het lijkt als gevolg van een rechterlijke uitspraak onontkoombaar, maar als de wetgever wil, kan zij het toch zo regelen dat dit wordt voorkomen? Kortom, onze fracties zijn niet overtuigd van de wenselijkheid van de nu voorgestelde regeling.

Onze fracties stemmen in met de constatering dat een klachtenregeling ook binnen scholen een goed instrument kan zijn, overigens naar mijn gevoel meer met het oog op de gewone gang van zaken op de school, dan met het oog op de kwaliteit van het onderwijs als zodanig. Echter, het is ook hier de vraag of zoiets wel door de wetgever moet worden voorgeschreven. En als je zoiets al voorschrijft, is het vervolgens de vraag hoe gedetailleerd dat moet. Wat dat betreft maken sommige amendementen het er alleen maar bonter op, bijvoorbeeld het amendement-Cornielje c.s. op stuk nr. 13 over de onafhankelijkheid van de leden van de klachtencommissie.

Verder is het de vraag hoe de relatie precies is met de beoogde klachtenregeling in de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Die zal in elk geval van toepassing zijn op openbare scholen. Geldt deze wet dan als een lex specialis ten opzichte van de AWB? Is dat wel nodig en wenselijk?

De heer Cornielje (VVD):

De heer Van der Vlies zegt dat het amendement-Cornielje c.s. op stuk nr. 13 het er bonter op maakt, omdat er een onafhankelijke klachtencommissie mee wordt nagestreefd. Wat bedoelt hij daarmee?

De heer Van der Vlies (SGP):

Een klachtencommissie moet natuurlijk onafhankelijk en objectief haar werk doen. Ik kan het mij voorstellen dat de heer Cornielje zich geprangd voelde door het waardeoordeel "bonter". Het gaat mij om de verplichting van al deze instrumenten. De heer Cornielje voegt daar nog weer een extra element aan toe.

De heer Cornielje (VVD):

Als wij een klachtencommissie instellen, dan moet zij volstrekt onafhankelijk kunnen functioneren. Daarover zijn wij het naar ik aanneem eens. Het is niet goed dat er betrekkingen bestaan tussen leden van de klachtencommissie en het bevoegd gezag waaraan men moet adviseren. Het woord "bonter" zou de heer Van der Vlies kunnen vervangen door "beter".

De heer Van der Vlies (SGP):

Over het amendement komen wij ongetwijfeld nog te spreken. Zinvolle instrumenten die in scholen in ontwikkeling zijn, krijgen nu bij wet een verplichtend karakter. Je kunt dat verfijnen, preciseren, vervolmaken, maar daarmee krijg je steeds meer verplichtingen. Dat is mijn hoofdargument. Moeten wij dat wel willen?

Het amendement-Cornielje op stuk nr. 9 brengt expliciet gedragingen en beslissingen die discriminatie of seksuele intimidatie inhouden in de wetstekst. Laat ik vooropstellen dat wij het vanzelfsprekend vinden dat dergelijke gedragingen of beslissingen voorwerp van een klacht kunnen zijn. Geen enkel misverstand daarover. Maar dat is toch al geregeld in artikel 1 van de Grondwet? Het discriminatieverbod is nader uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling. Zoals bekend is in die wet voor het onderwijs een bijzondere regeling opgenomen, die een bepaald evenwicht creëert. Wij hebben daar indertijd kritiek op geoefend, maar deze bepalingen hebben inmiddels kracht van wet. Moeten wij daar separaat in deze wet iets aan toevoegen? Ik neem aan dat deze regeling inhoudelijk de Algemene wet gelijke behandeling niet aantast. Dat is temeer een reden om te stellen dat dit eigenlijk niets toevoegt. Het zou misschien wel de indruk kunnen wekken dat er naast artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling nog een zelfstandige discriminatieregeling bestaat. Dat is niet wenselijk. Ook voor de klager kan onduidelijkheid ontstaan. Moet hij naar de Commissie gelijke behandeling of moet hij eerst naar de klachtencommissie? Bovendien is er nog de samenloop met de op handen zijnde afzonderlijke regeling over seksuele intimidatie. Kortom: dit amendement, waarover de indiener overigens nog zal komen te spreken, lijkt ons overbodig.

Voorzitter! Mr. J.J.W.M. Rietveld heeft in het Tijdschrift voor de onderwijspraktijk het volgende verwoord: is de klachtenregeling in het onderwijs "vangnet of keurslijf"? Moet men met z'n klacht rechtstreeks naar de klachtencommissie, of kan men zich ook tot bijvoorbeeld de schoolleiding of het bestuur wenden, zodat er gelegenheid is de kwestie informeel, maar uiteraard wel goed, te schikken? Het lijkt ons evident dat dat wel de bedoeling moet zijn. Een klachtenregeling moet haast per definitie een vangnet zijn. Helaas wordt dat uit de stukken niet duidelijk. Integendeel, hier en daar ontstaat zelfs de indruk dat men met een klacht bij voorkeur of zelfs alleen bij de klachtencommissie terechtkan. Zie het door mij genoemde artikel van Rietveld. Het lijkt mij van belang dat deze onduidelijkheid uit de wereld wordt geholpen. Ik verzoek de staatssecretaris dat te doen.

Een ander bekend algemeen rechtsbeginsel is: zonder belang geen actie. Dat geldt ook voor het klachtrecht: dat komt slechts toe aan degene op wie de gewraakte gedraging of beslissing betrekking heeft of, iets ruimer geformuleerd, degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij de gedraging of beslissing. In dit wetsvoorstel wordt echter het klachtrecht toegekend aan iedereen, ook met betrekking tot gedragingen en beslissingen jegens anderen. Daar is terecht kritiek op geuit door onder andere de Raad van State, de Onderwijsraad en mr. Rietveld. In met het onderwijs vergelijkbare sectoren, bijvoorbeeld de gezondheidszorg, kom je dit niet tegen. De Algemene wet bestuursrecht is hier niet mee te vergelijken. Mijn amendement terzake is duidelijk. Ik beveel dat graag in de belangstelling van de staatssecretaris en de collega's aan. Ik wijs er daarbij nog op dat ook míjn amendement enige ruimte laat voor klachtrecht voor anderen, die er bij wijze van spreken omheen staan, voorzover ze er althans een rechtstreeks belang bij hebben.

De heer Cornielje (VVD):

Ik wil dit punt wat concretiseren. Stel je voor: er wordt gepest op school, waarbij de gepeste leerling een grond tot klagen heeft. Maar juist als je gepest wordt, durf je niet te klagen. Een heleboel leerlingen daaromheen zien dat. Dan zou het toch goed zijn als die leerlingen ook een klacht kunnen indienen, zodat aan het vervelende pestgedrag een eind kan worden gemaakt? Sluit uw amendement dat uit?

De heer Van der Vlies (SGP):

Nee. De anderen die daaromheen staan, vallen daaronder. Dat is inderdaad een punt. Iemand die daar direct bij staat, bijvoorbeeld een klasgenootje, heeft daarbij een belang, want het pesten als thema verziekt de verhoudingen binnen een groep, wat slecht is voor het onderwijs. Dat valt dus heel duidelijk binnen mijn amendement.

De heer Cornielje (VVD):

Maar in hoeverre wordt de groep die een klacht mag indienen in uw amendement dan ingeperkt? Waarom zou je het inperken?

De heer Van der Vlies (SGP):

Om een overmatig gebruik van het klachtrecht, waarmee het klachtrecht als instrument wordt uitgehold, te voorkomen.

Overigens vind ik ook in andere opzichten het klachtrecht te ruim gedefinieerd. In feite kan overal over worden geklaagd, inclusief beslissingen van algemene strekking, bijvoorbeeld het schoolreglement en de statuten. Dat is toch wel vergaand. Hierover zijn immers al afgewogen regelingen getroffen, bijvoorbeeld over inspraak- en instemmingsrecht in het kader van de medezeggenschap. En een klachtencommissie kan immers toch feitelijk niets met dit soort klachten? Ik heb hierover nog geen amendement gemaakt, maar ik zou de staatssecretaris graag op willen roepen om dit nog eens te heroverwegen.

Ten slotte de klachtgerechtigde leeftijd. In het wetsvoorstel is die op 13 jaar gesteld. De staatssecretaris motiveert dit door naar de Wet medezeggenschap in het onderwijs te verwijzen. Medezeggenschap is echter nog niet hetzelfde als klachtrecht. Ook wat dit betreft sluiten wij liever aan bij de bestaande praktijk in dit soort aangelegenheden, namelijk dat dit soort zelfstandige handelingen in het algemeen slechts toekomt aan degenen die de daarvoor vereiste leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Wij hebben echter ook geconstateerd dat in het Wetboek van Strafrecht bij de regeling van klachtdelicten de leeftijd van 16 jaar wordt gehanteerd. Ik doel op artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht. Bij wijze van compromis stel ik in mijn amendement voor om de leeftijd van 16 jaar te gebruiken.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter! Ik kom even terug op dat pesten van de heer Cornielje. Stel dat het om iemand van 14 jaar gaat. Die mag niet naar de klachtencommissie van de heer Van der Vlies.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ja.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Neen dus, want de heer Van der Vlies stelt de leeftijd van 16 jaar.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat "ja" is voor mij vaak een startmotor voor mijn antwoord.

Wij hebben daar inderdaad over nagedacht. Daar zit een punt. Ik erken dat, maar in onze visie zit is er, voorafgaande aan het effectueren van het klachtrecht, sprake van een heel traject. In een gezond functionerende school zal dat het geval zijn. Het is niet zo dat iedere leerling van 12, 13, 14 of 15 jaar droog wordt gezet. Als er in de school geen oplossing wordt gevonden, als de ouders een bepaald recht niet willen opeisen, ontstaat er echter een probleem voor het jonge kind. Het omgekeerde is een overmatig gebruik. Kijk naar de schoolpraktijk. Ik zie dat al gebeuren. Daar wil ik niet aan beginnen, in die zin dat er al te gemakkelijk van dat recht gebruik wordt gemaakt. Laten wij wel wezen. Iets kan in de perceptie van een kind diepgeworteld zijn, maar overigens toch oppervlakkig zijn. Dat moeten wij uitsluiten. Daar heb ik eigenlijk naar gezocht.

Mevrouw Lambrechts (D66):

De heer Van der Vlies zegt dat hij die kinderen van 12, 13, 14 en 15 jaar niet droog laat staan, maar ik hoor hem niet zeggen wat zij dan wel terechtkunnen. De vraag is trouwens of het verstandig is om er nog weer een ander gremium naast te maken waar deze kinderen terechtkunnen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Wij hebben willen aansluiten bij bestaande bepalingen in de wetgeving. Ik heb toegegeven dat er sprake kan zijn van een punt als het gaat om kinderen van die leeftijd. Ik wijs er echter op dat de ouders volstrekt bevoegd zijn om op te treden namens die minderjarige kinderen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Voorzitter! Past het niet bij het karakter van de klachtregeling, als sluitstuk van alle bestaande mogelijkheden, om de formulering zo ruim mogelijk te laten?

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik ben geneigd om "ja" te zeggen, maar het moet niet onwerkbaar worden. Dat is een spanningsveld dat ik niet kan oplossen. Dat heb ik net impliciet toegegeven.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Stel dat een kind een klacht heeft dat het zelf als fundamenteel beschouwt. De heer Van de Vlies geeft aan dat die klacht toch oppervlakkig kan zijn, maar dat maakt de klacht voor het kind niet minder ernstig. Als het aan ons ligt, is het aan de onafhankelijke commissie om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat de klacht oppervlakkig is en dat er niet echt sprake is van een probleem. Dit ontzegt het kind het recht echter niet om dat zo te voelen. Waarom zou je dat willen uitsluiten? Bij dergelijke klachten heb je toch een uitlaatklep nodig om erger te voorkomen?

De heer Van der Vlies (SGP):

Mevrouw Liemburg zegt zelf dat dit het sluitstuk is. Er zit een heel mechanisme vóór. Op dat traject hebben leerlingen heel veel kansen, ervan uitgaand dat de school die niet afsnijdt. Daar zou ik bezwaar tegen hebben. Ik heb het over een goed functionerend pedagogisch-didactisch klimaat. Daar hoort voor mij bij dat leerlingen die ergens mee zitten, daarmee bij anderen terechtkunnen. Als dat mislukt, als de klassendocent, de leerlingbegeleider, de afdelingsconrector, de schooldirecteur en het schoolbestuur daar niets aan kunnen doen, dan is er het klachtrecht en de commissie. Als je die mogelijkheid echter te ruim openstelt, wordt daar hoogstwaarschijnlijk voor te oppervlakkige zaken een beroep op gedaan, want een en ander is al gecheckt door de instanties die ik zojuist noemde. Op die manier wordt het klachtrecht, waar ik overigens aan hecht, uitgehold. Ik heb aansluiting gezocht bij de wijze waarop het klachtrecht elders is geregeld. Het blijkt dat er met twee leeftijdscategorieën wordt gewerkt, namelijk 16 en 18 jaar. In mijn amendement heb ik het compromis van 16 jaar opgenomen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Voorzitter! Het voortraject dat de heer Van der Vlies schetst van klassenleraar, mentor, directeur enzovoorts is volgens mij voldoende waarborg om misbruik te voorkomen. Is hij dat met mij eens?

De heer Van der Vlies (SGP):

Nee. Ik heb de stellige overtuiging dat er leerlingen zijn die zo gefixeerd zijn op hun eigen gevoelen, dat zij doorgaan. Die praktijk ken ik voldoende. Het is de vraag of daarvoor ruimte geboden moet worden.

Voorzitter! Toen ik dat amendement maakte, is het mij opgevallen dat in artikel 11b van de Wet op het basisonderwijs sprake is van ouders of verzorgers, in artikel 19b ISOVSO van ouders en in artikel 24b van de Wet op het voortgezet onderwijs van ouders, voogden of verzorgers. Ik heb de essentie van dit onderscheid niet weten te vinden. Is dit onder scheid bewust aangebracht en, zo ja, om welke reden? Of is het een foutje? Als dat laatste het geval is, kan het nog worden hersteld.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! De voorgestelde regeling voor schoolplan en schoolgids is een uitvloeisel van het Schevenings akkoord bestuurlijke vernieuwing van 1993-1994. Dit akkoord bevatte uitgewerkte voorstellen voor de kwaliteitszorg en de informatievoorziening aan ouders en leerlingen. Ik wijs erop dat het wetsvoorstel in een aantal opzichten van dit akkoord afwijkt. In het akkoord wordt onderscheid gemaakt tussen interne kwaliteitszorg van de school en externe verantwoording. In het wetsvoorstel lopen beide door elkaar. De regeling van het klachtrecht is er later bijgekomen.

Voorzitter! De informatie in de schoolgids zal het voor ouders en leerlingen gemakkelijker maken om scholen met elkaar te vergelijken. Het gevolg daarvan zal zijn dat de concurrentie tussen scholen zal toenemen. De vraag is waar gezonde wedijver overgaat in ongezonde concurrentie op basis van verkeerde argumenten. De staatssecretaris ziet dat risico van eenzijdige informatie en wil dit ondervangen door jaarlijkse vergelijkende rapportages van de inspectie over de scholen in een bepaalde regio; een zogenaamde kwaliteitskaart. De inspectie zal over meer dan alleen schoolsucces in enge zin rapporteren. De vraag is op welke wijze de inspectie aan haar informatie komt. Zij krijgt die uiteraard van de scholen. Dit betekent dus een extra informatielast voor de scholen. Bovendien wil de regering bij algemene maatregel van bestuur regelen op welke wijze de schoolgids eruit moet zien teneinde eenzijdigheden te voorkomen. Voorzitter! De bedoeling is goed, maar ook hier zien wij meer regels waarvan de inhoud nog onbekend is.

De CDA-fractie is op dit moment niet voor verplichte publicatie van schoolresultaten. Ik doelde daar al even op in het interruptiedebatje met mevrouw Liemburg. Wij vrezen dat daardoor een tweedeling tussen scholen ontstaat. Wij willen die concurrentie niet aanwakkeren. Wij willen op dit moment nog geen verplichte melding van resultaten in het basisonderwijs. Wij voelen niet voor de nadere regels in het voortgezet onderwijs. Het zal leiden tot een grote hoeveelheid regels. Wij willen beginnen met het uitspreken van vertrouwen in de scholen en in de wijze waarop zij, uiteraard op basis van de wet, gegevens publiceren. Wij denken dat het mogelijk is om langs de weg van zelfregulering goede afspraken te maken over de wijze waarop resultaten in het voortgezet onderwijs worden vermeld. Wij voelen op dit moment dus niet voor de nadere regels die bij nota van wijziging zijn voorgesteld. Als de zelfregulering niet lukt, is de wetgever weer aan zet. Een amendement van deze strekking is in voorbereiding of inmiddels reeds ingediend.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! De heer Koekkoek gebruikt het woord "resultaten". Dat is een breed begrip. Hier kunnen ook instroom-, doorstroom- of uitstroomcijfers onder vallen. Mogen die wel in de schoolgids worden vermeld of heeft de heer Koekkoek het alleen over bijvoorbeeld de Cito-toets?

De heer Koekkoek (CDA):

Ik wil het wetsvoorstel niet wijzigen op het punt van de te vermelden gegevens van het voortgezet onderwijs. Ik wil wel de mogelijkheid schrappen voor de regering om bij AMvB daarover nadere voorschriften te stellen. Wij weten nu nog absoluut niet hoe die moeten luiden, want zij moeten werkendeweg ontwikkeld worden. Wij vinden dat de scholen dat in overleg met de staatssecretaris moeten doen. Als het niet via zelfregulering lukt, komen wij hierop terug.

De heer Cornielje (VVD):

U zegt dat als het niet vrijwillig kan, een en ander bij wet geregeld moet worden. Wat is uw oordeel over ons amendement waarin wordt voorgesteld om de AMvB voor te hangen en om, zo nodig, de zaak bij wet te regelen?

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Wij kennen de praktijk van voorhangprocedures. De regering heeft dan een ruime bevoegdheid om die gegevens in de AMvB op te nemen. Gelet op de plannen van de inspectie, ben ik daar bepaald niet gerust op. De inspectie heeft behoefte aan veel gegevens. Wij zijn van mening dat daarvoor een wettelijke grondslag moet zijn. In de wet moet worden aangegeven wat de inspectie mag vragen. De discussie over deugdelijkheid en kwaliteit, waarop de heer Van der Vlies uitvoerig is ingegaan, duidt dat ook aan. De wet moet duidelijk zijn. Het voorstel van de heer Cornielje is beter dan dat van de regering. Wij hebben op dit moment geen behoefte aan een eventuele AMvB. Wij sluiten echter een toekomstige regeling bij wet niet uit. Wij hebben er voldoende vertrouwen in dat wij langs de weg van zelfregulering een heel eind zullen komen.

Voorzitter! De CDA-fractie is van mening dat de informatieplicht van scholen zoveel mogelijk in de wet geregeld moet worden. Ook moet worden gekeken naar de kosten die het verstrekken van informatie met zich brengt. De staatssecretaris doet daar te gemakkelijk over. Per saldo kost een schoolgids extra geld.

Voorzitter! Ten aanzien van de verplichte invoering van de schoolgids is de CDA-fractie van mening dat toezending voor 1 januari 1999 te vroeg is. Waarschijnlijk is dat voor veel scholen niet haalbaar. Vandaar dat ik een amendement heb ingediend waarin wordt voorgesteld een en ander een jaar uit te stellen.

Voorzitter! In artikel 11a van de Wet op het basisonderwijs is de eis opgenomen dat prioriteit wordt gegeven aan de onderbouw in het basisonderwijs. Dat is te absoluut gesteld. Wij vinden het wel aanvaardbaar dat in de schoolgids wordt aangegeven op welke wijze de extra middelen voor de klassenverkleining in de onderbouw, in de eerste schooljaren, worden besteed. Het amendement op stuk nr. 20 heeft hierop betrekking.

Voorzitter! Er is een convenant over sponsoring.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Wij hebben ook een amendement ingediend voor het wijzigen van de formulering van de zorg voor het jonge kind. Wat vindt u daarvan?

De heer Koekkoek (CDA):

Ik zal daar aandachtig naar kijken, zoals altijd, maar nu in het bijzonder.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Waarschijnlijk heeft de heer Koekkoek het amendement nog niet gezien, maar vergissen is menselijk.

De heer Koekkoek (CDA):

Ik had het wel gezien, maar nog niet goed genoeg.

Voorzitter! Ik kom te spreken over het convenant over sponsoring van het onderwijs. Het is opmerkelijk dat er vanmorgen een brief op onze bureaus lag waarin het convenant grotendeels werd opgezegd; mevrouw Liemburg heeft hier al vragen over gesteld. Wat daarvan zij, wij vinden het onjuist om het convenant in te bouwen in de schoolgids en op die manier te incorporeren in de wet. Ik heb een amendement ingediend dat ertoe strekt de verwijzing naar het convenant uit de wet te halen. Juridisch deugt dat ook niet, want het veronderstelt dat besturenorganisaties de afzonderlijke schoolbesturen kunnen binden. Het hangt er dan natuurlijk helemaal vanaf hoe de desbetreffende organisatie is ingericht. Wij hebben er echter geen enkel bezwaar tegen dat in de schoolgids moet worden vermeld hoe de school omgaat met sponsoring.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Vindt de heer Koekkoek dat de verantwoordingsplicht ten aanzien van sponsoring zonder de nota van wijziging voldoende in de wet is vastgelegd?

De heer Koekkoek (CDA):

Ik ben akkoord met het deel van de nota van wijziging waarin staat dat in de schoolgids wordt aangegeven hoe de school omgaat met sponsoring. Ik ben echter niet akkoord met de verwijzing naar het convenant. Juridisch deugt dat niet en ik vind het ook onjuist. De reactie van de organisaties maakt dat ook duidelijk. Ik wil dan ook een tussenweg volgen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Heeft de heer Koekkoek hier nog geen amendement over ingediend?

De heer Koekkoek (CDA):

Dat is inmiddels ingediend, maar het moet waarschijnlijk nog gekopieerd worden.

Voorzitter! De regering heeft er oog voor dat kwaliteitsbeleid niet alleen een zaak van de overheid is, maar ook van de school. Er zijn niet alleen de wettelijke deugdelijkheidseisen, maar ook de grondslag van de school, een bepaalde pedagogische visie of een didactische aanpak. De CDA-fractie waardeert het dat de staatssecretaris heeft overgenomen dat het niet gaat om aanvullende opdrachten van de school, maar om eigen opdrachten van de school.

Het opstellen van een goed schoolplan is geen eenvoudige zaak. Het moet een plan van aanpak voor schoolontwikkeling zijn. Dit betekent dat gezamenlijk de huidige situatie moet worden vastgesteld en doeleinden moeten worden geformuleerd waarin wordt aangegeven wat men over vier jaar bereikt wil hebben en met welke middelen. Het schoolplan moet geen papieren exercitie worden. Daarom heeft het geen enkele zin om te bepalen dat vóór 1 januari 1999 iedere school een schoolplan heeft, want dat wordt niets. De termijn moet reëel zijn en daarom heb ik het amendement op stuk nr. 21 ingediend: de verplichting om een schoolplan te hebben, dient een jaar opgeschoven te worden. Dit betekent natuurlijk niet dat scholen kunnen stilzitten. Veel scholen werken al in die richting en dat is ook goed, maar zij hebben tijd nodig om het goed te doen.

Voorzitter! Ik vraag aandacht voor de horizonbepaling voor de regeling voor evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding. De CDA-fractie wil die horizonbepaling vooruitschuiven van 1 januari 2002 naar 1 januari 2004. In deze Kamer is immers gezegd dat de evaluatie zeven jaar na inwerkingtreding van de wet plaatsvindt. Wij vinden dat deze evaluatie een goede kans moeten hebben. Het is nu de bedoeling dat de evaluatie eind 2002 gereed is. Daarna moet bekeken worden wat daarmee gebeurt en dan is het heel reëel om de horizonbepaling op 1 januari 2004 te zetten. Dan hebben regering en parlement goed kunnen afwegen of de wet gecontinueerd moet worden of niet. Wij willen dat zelf in de hand houden en niet overlaten aan de regering, die dit bij koninklijk besluit zal bepalen. Het amendement op stuk nr. 22 heeft hierop betrekking.

Voorzitter! De CDA-fractie is voor een klachtregeling zoals die door de regering is voorgesteld. Ik wijs er wel op dat wij moeten proberen helder te krijgen wat wij willen. Willen wij nu een interne klachtenregeling, die ook in het teken staat van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, of willen wij een onafhankelijke, externe klachtvoorziening? Het amendement van de heer Cornielje en anderen gaat in de richting van een versterking van een externe klachtenregeling. Ik wijs erop dat deze Kamer deze week de inbreng moet leveren – tot mijn schrik ontdek ik dat dit vandaag is – over het wetsvoorstel over de interne klachtenregeling in de Algemene wet bestuursrecht. Het is interessant om beide regelingen naast elkaar te leggen. De voorgestelde regeling voor het onderwijs gaat verder, is explicieter. Dat kan. Ik meen echter dat het toch goed is om te bekijken of het onderwijsrecht kan blijven sporen met het algemeen bestuursrecht. Het is altijd het streven van de staatssecretaris geweest om van het onderwijs in dit opzicht geen eiland te maken.

Gaan wij in de richting van een externe klachtenregeling, dan komt het punt aan de orde dat ook in de discussie met de heer Van der Vlies is besproken. Denk bijvoorbeeld aan klachten over ongelijke behandeling, over discriminatie in de school. Daar is de Algemene wet gelijke behandeling voor, met een volstrekt onafhankelijke klachtencommissie. De Commissie gelijke behandeling doet haar werk voortreffelijk. Dan past het niet om in de onderwijswetgeving een extra externe klachtencommissie in te stellen die ook deze klachten behandelt. Dat gaat gewoon wringen.

Ik heb mijn instemming betuigd met de voorgestelde regeling, maar de fractie van het CDA vindt ook dat deze regeling niet kan worden opgelegd, en zeker niet per 1 augustus van dit jaar – ik neem even aan dat de wet dan in werking kan treden als de Eerste Kamer daaraan meewerkt – zonder dat er een adequate bekostiging aan wordt toegevoegd. Het kost geld om aangesloten te zijn bij een onafhankelijke commissie. De klachtenbehandeling kost per klacht gemiddeld ongeveer ƒ 1800. De Vereniging van openbare scholen bevestigt dit standpunt van de CDA-fractie. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een subsidieregeling voor klachtencommissies waarbij een minimumaantal scholen is aangesloten. Laat ik er gewoon duidelijk over zijn: wij zijn het zat dat steeds maar nieuwe verplichtingen aan het onderwijs worden opgelegd zonder adequate bekostiging. Wij zijn voor een klachtrecht, maar niet voor een klachtrecht zonder dat de bekostiging is geregeld. Het amendement op stuk nr. 23 strekt er dan ook toe de hele klachtenregeling uit het wetsvoorstel te halen. Waarom? Omdat er geen adequate bekostiging is. Wij willen gewoon helderheid hierover. Wij zijn het zat.

De heer Cornielje (VVD):

Dat is duidelijk. Als er echter geen klachtenregeling komt, heeft dat een heel grote consequentie, die de heer Koekkoek dan ook moet aanvaarden. Waar moeten kinderen dan terecht als zij gepest worden? Waar moeten jonge mensen terecht wanneer zij gediscrimineerd worden? De heer Koekkoek zegt hierop: dan maar niet. Dat vind ik toch wel een heel zwaar middel.

De heer Koekkoek (CDA):

Ik verwacht van de heer Cornielje dat hij straks in zijn termijn een reactie geeft op het punt van de bekostiging. Als hij dat wil toezeggen, wil ik nu op zijn punt ingaan.

De heer Cornielje (VVD):

Ik heb de heer Koekkoek een vraag gesteld.

De heer Koekkoek (CDA):

Dan ga ik er niet op in.

De heer Cornielje (VVD):

Dat vind ik overigens niet erg sterk. Wij hebben het hier over een fundamenteel onderdeel van een wetsvoorstel dat de heer Koekkoek uit het wetsvoorstel wil lichten. Ik zeg dat dit grote consequenties kan hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. Ik heb pesten genoemd, geweld op school, discriminatie, seksuele intimidatie. Hij veegt dat allemaal aan de kant en zegt dat hij daar geen boodschap aan heeft omdat hij het eerst over het geld wil hebben. Ik wil het eerst over de inhoud hebben. Daarna wil ik het over het geld hebben.

De heer Koekkoek (CDA):

Met de inhoud was ik heel snel klaar, want de CDA-fractie is voor zo'n klachtenregeling. Wij hebben er ook geen behoefte aan daar amendementen op in te dienen. Dan krijg je onduidelijke situaties. Het punt is dat de kostenvergoeding ontbreekt. Gelukkig is het nu al zo dat veel scholen uit eigen beweging een soort procedure hebben. Maar die brengt ook kosten mee die niet vergoed worden en uit de algemene bestuurskosten voldaan moeten worden. Op dit moment wordt daaraan dus al het nodige gedaan. Wij laten de kinderen niet in de kou staan, maar de heer Cornielje laat de scholen in de kou staan als hij niet zorgt voor een adequate bekostiging.

De heer Cornielje (VVD):

Zeker, en daarom is het misschien goed als collega Koekkoek en ik samen aan de staatssecretaris vragen wat het schrappen van de planverplichtingen, zoals ook in het wetsvoorstel staat, voor opbrengsten genereert en of die in verhouding staan tot de extra inspanningen op het gebied van klachtrecht. Misschien kan de staatssecretaris daarover iets zeggen.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Nu daagt de heer Cornielje mij uit. Ik heb er geen punt van gemaakt. Als ik echter zie wat een schoolplan eist van een school – en ik ben voor een schoolplan, want ik ben voor goed onderwijs – dan is dat beslist niet minder dan de huidige planverplichtingen. Absoluut niet! Er worden hoge eisen aan scholen gesteld en ik zie daarin geen enkele kostenbesparing. Ik zie wel dat het onderwijs beter wordt. Met dezelfde middelen moet in feite meer worden gedaan om een goed schoolplan voor goede schoolontwikkeling te krijgen, maar een kostenbesparing zie ik daarin niet.

De heer Cornielje (VVD):

Dat is nog maar de vraag! Het schoolwerkplan moest tweejaarlijks worden opgesteld en het schoolplan om de vier jaar. Dat is een reductie met 50%. Ik zou wel eens van de staatssecretaris willen weten of dat opweegt tegen de extra inspanningen op het gebied van het klachtrecht. Ik hoopte dat de heer Koekkoek dat ook wilde weten, maar hij heeft zijn conclusies waarschijnlijk al getrokken.

De heer Koekkoek (CDA):

De heer Cornielje mag dat vragen. Wij zijn voor het schoolplan, maar wij realiseren ons dat het een geweldige inspanning van scholen vraagt, beslist niet minder dan het huidige schoolwerkplan. Vandaar dat wij zeggen dat de scholen daarvoor voldoende tijd moeten hebben. Anders ontstaat opnieuw een papieren exercitie zoals dat in sommige gevallen eerder met het schoolwerkplan is gebeurd, waarbij dat schoolwerkplan gewoon in de kast is verdwenen.

Voorzitter! Een ander punt is het klachtrecht van minderjarigen. Ik zou de heer Van der Vlies wat gerust willen stellen. Dat minderjarigen klachtrecht hebben, past op zichzelf in de algemene regeling van de handelingsbekwaamheid in artikel 234 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek waarbij, rekening houdend met de ontwikkeling van minderjarigen, zij ook zelfstandig handelingen kunnen verrichten. Bij uitstek in de onderwijssituatie is daarvan sprake. Ik zie daarin geen probleem.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Ik wil daarop even ingaan. Ik heb twee argumenten aangevoerd bij mijn amendement op dat punt. Het eerste betreft de rechtspositionele aspecten, zoals de verantwoordelijkheid van de ouders over de leerlingen om wie het gaat. Het tweede argument betreft de druk op de klachtencommissie die zou kunnen ontstaan terzake van oppervlakkige ervaringen. Dat laatste moet natuurlijk eerst blijken.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Ik heb die vrees niet dat onze jeugd onverstandiger is dan vele ouderen. Ik denk dat wij wat dat betreft gelijk optrekken. Er zijn ouderen die loze klachten indienen en er zullen jongeren zijn die dat doen. Ik denk dat er tussen jongeren en ouderen op dat punt geen verschil is. Ik wil mijn vertrouwen in de jeugd uitspreken.

Een juridisch punt is dat de regering schrijft dat een klacht niet zou zijn gericht op een rechtsgevolg, maar op een feitelijk gevolg. Dat lijkt mij niet juist. Het rechtsgevolg is natuurlijk niet dat je een bindend besluit kunt afdwingen, maar het rechtsgevolg is onder andere dat er een verplichting ontstaat dat de klacht behandeld moet worden. Het bevoegd gezag heeft vervolgens de verplichting te reageren op het oordeel van de klachtencommissie. Ook die verplichting is een juridisch gevolg. In die zin is er dus wel sprake van rechtsgevolgen.

Ik heb er al even op gewezen dat de regeling voor het klachtrecht per 1 augustus 1998 in werking treedt. Dat betekent dat op dat moment de regeling er moet zijn. Als op 1 augustus 1998 de wet in werking treedt, moet er op dezelfde dag een klachtregeling zijn. Dat is natuurlijk een onmogelijke opgave voor scholen. Ik zou de staatssecretaris dan ook willen vragen of zij op dit punt nog met een nota van wijziging wil komen. Anders moet daarvoor nog een amendement worden ingediend.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter! Ik zal drie onderdelen bespreken: het schoolplan, de schoolgids en het klachtrecht.

Over het schoolplan kan ik vrij kort zijn. Met veel genoegen heb ik kunnen vaststellen dat in de eerste nota van wijziging zorgvuldig vorm is gegeven aan de motie-Lambrechts c.s. inzake sponsoring, die is aangenomen bij het wetsvoorstel over medezeggenschap en sponsoring. Die motie had tot doel om convenantsafspraken uit de vrijblijvende sfeer te halen en rechtens afdwingbaar te maken. Het doet mij goed dat dit nu in de nota van wijziging vorm is gegeven. Wel ben ik blij dat nog even de puntjes op de i zijn gezet door middel van de motie van mevrouw Liemburg, mede door mij ondertekend. Duidelijk moet immers zijn dat verantwoording afleggen voor álle schoolbesturen geldt, niet slechts voor enkele.

Ik onderschrijf overigens haar vraag wat het betekent dat een aantal schoolbesturen het convenant heeft opgezegd. Ik vind dat merkwaardig, omdat niets van hen wordt gevraagd dat zij niet al in het convenant hadden afgesproken. Kennelijk kunnen ze er niet meer mee leven nu het in de wet is vastgelegd.

Op de schoolgids wil ik iets uitgebreider ingaan, zeker na het lezen van de Volkskrant van vanmorgen. Bij de D66-fractie bestaat geen enkele twijfel over de vraag voor wie wij dit doen en waarom. Openheid van gegevens en vergelijkbaarheid van kwaliteiten zijn voor ouders en leerlingen van belang, omdat er dan tenminste wat te kiezen valt. Ze zijn ook van belang voor de scholen zelf, omdat scholen dan van zichzelf en van elkaar kunnen leren. Sardes bijvoorbeeld motiveert de toekenning van de prijs voor de beste schoolgids aan Tamboerijn in Nieuwveen als volgt: "Op een voor ouders duidelijke wijze vermeldt deze gids welke resultaten de school heeft bereikt." Kennelijk is resultaatsvermelding voor Sardes een belangrijke overweging om juist deze school die prijs toe te kennen. Ouders en KO, het MKO-blad, zegt het op de volgende manier: "Het is te hopen dat de voorschriften in de wetgeving over de schoolgids eraan zullen bijdragen dat de gidsen van verschillende scholen beter vergelijkbaar zijn." Ook bij de ouders van kinderen in het basisonderwijs is kennelijk grote behoefte aan standaardisering van resultaatsgegevens, waardoor scholen te vergelijken zijn.

Nogal wat van mijn collega's – eigenlijk alle woordvoerders in eerste instantie, behalve die van de VVD – hebben te kennen gegeven grote moeite te hebben met de presentatie van resultaatsgegevens. Zij vrezen dat een schoolgids met feitelijke resultaatsgegevens een bedreiging vormt voor ons onderwijs, omdat het ertoe zou kunnen leiden dat ouders zich gaan gedragen als kritische consumenten. Overigens verkeren zij daarbij in goed gezelschap – dat moet gezegd – omdat de Onderwijsraad hun mening deelt. Zo vraagt mijn overigens zeer gewaardeerde PvdA-collega in het verslag de regering om scholen vooral niet te verplichten om in de schoolgids op te nemen welk percentage leerlingen doorstroomt naar een hoger leerjaar of een ander soort onderwijs, en welk percentage leerlingen de school zonder diploma verlaat, dan wel het eindexamen niet haalt.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Onze angst is niet zozeer dat de ouders die informatie niet zouden mogen hebben, maar dat het het calculerend gedrag van scholen in de hand werkt. De publicatie in de Volkskrant vanmorgen over de wijze waarop met Cito-cijfers wordt omgegaan, is daar een illustratie van. Men gaat toeschrijven naar het resultaat om te voorkomen dat ouders een andere school kiezen. Als wij naar landen om ons heen kijken, is die angst echter op niets gebaseerd.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Gezien de inhoud van het artikel in de Volkskrant vind ik dat een merkwaardige conclusie. In dit artikel staat dat gefraudeerd zou zijn met gegevens van het Cito. Dat heeft plaatsgevonden in een situatie waarin nog helemaal geen sprake is van publicatie van die cijfers in de schoolgids. Ik begrijp uit het artikel dat het puur gebeurt om leerlingen op een hoger schooltype te krijgen, maar dan is er wat anders aan de hand. Als je cijfers publiceert, zal de kans dat het opvalt dat er gefraudeerd wordt, groter zijn dan wanneer je het niet doet. Wat dat betreft zou het juist eerder een instrument kunnen zijn om fraude te voorkomen dan te bevorderen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Wij zijn niet tegen publicatie, voorzitter, maar ik denk dat het goed is om als je een wet maakt, te proberen je voor te stellen wat mogelijk ongewenste consequenties van die wet kunnen zijn. Wij hebben het vaak over het calculerend gedrag van burgers, maar de stelling dat ook scholen calculerend gedrag vertonen om maar zoveel mogelijk leerlingen binnen te krijgen, is ook niet van iedere grond ontbloot.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Zeker, maar er zit een duidelijk corrigerende werking in.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Waar zit die corrigerende werking dan in?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik had in een later stadium het voorbeeld van het Olympus College willen geven, maar noem dat nu maar meteen. Er was een moment waarop naar buiten kwam dat van het Olympus College in Rotterdam 50% van de eindexamenleerlingen gezakt was. Dat was vreselijk voor het Olympus College en als dit iets had kunnen doen om die publicatie tegen te houden, dan zou het dat zeker hebben gedaan. Maar het gevolg is wel – en daarvoor maak ik het Olympus College mijn compliment – dat de school maatregelen heeft genomen waardoor inmiddels de situatie is ontstaan waarin ik geneigd ben om te zeggen: vroeger zou ik er mijn kind waarschijnlijk niet naartoe hebben gedaan, maar de kwaliteitsmaatregelen die men in reactie daarop heeft genomen, boezemen zoveel vertrouwen in, dat ik het nu een school vind waar ik m'n kind wel naartoe zou laten gaan.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Het voorbeeld van het Olympus College illustreert juist de betrekkelijke betekenis van cijfers. Prof. Dronkers heeft juist aan het Olympus College zijn verontschuldigingen aangeboden omdat hij niet had vermeld wat de school doet aan buitenschoolse opvang en wat de school doet om te voorkomen dat leerlingen in het criminele circuit terechtkomen en dergelijke. Dat die dingen gebeuren, zegt veel meer dan alleen maar cijfers.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Zeker, maar dat 50% gezakt is, zegt natuurlijk wel degelijk iets. Er is geen voor- of naschoolse opvang die kan wegpoetsen dat dat een slecht resultaat is.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Mevrouw Lambrechts is optimistisch over de wijze waarop ouders omgaan met gepubliceerde gegevens. Laten we het heel concreet nemen voor een basisschool. Als de ene basisschool een hoge gemiddelde Cito-score heeft en de andere een lage, dan zal snel de neiging bij ouders bestaan om te denken: die school met een hoge gemiddelde score is een goede school en die met een lage gemiddelde score is een minder goede school. Dan krijg je dus een tweedeling, die mevrouw Lambrechts naar ik hoop ook niet wil.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik heb een wat andere benadering. Ik vind dat ouders het volste recht hebben om niet alleen de Cito-score te weten, maar ook het aantal verwijzingen naar het speciaal onderwijs, het aantal zittenblijvers, de doorstroming van kinderen naar verschillende schooltypes, en dergelijke. Als men op basis van de gegevens die men leest en hoort, kiest voor een andere school dan zij dat zo.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Dat is inderdaad een verschillende benadering. Ik zou zeggen: dat is een meer liberale benadering tegenover een meer sociale benadering.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Dat is een vervelende conclusie: een liberale benadering versus een sociale benadering. Als het publiceren van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens zal kunnen leiden tot kwaliteitsverbetering op een school, dan vind ik het niet juist dat u naar mij toe concludeert: dat is een asociale, een niet-sociale benadering.

De heer Koekkoek (CDA):

U moet het niet erger maken dan ik het zei.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Maar natuurlijk ook niet fraaier dan het was.

De heer Koekkoek (CDA):

Nee, maar dan zijn wij het over het doel eens, namelijk dat het een bijdrage moet leveren tot beter onderwijs. Wij moeten er met elkaar over spreken of de regeling die nu voorligt, daaraan uiteindelijk een bijdrage is.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ja, maar ik heb een tweeledig doel. Het ene doel is dat die school zichzelf een spiegel voorhoudt door haar eigen cijfers en de cijfers van andere scholen te vergelijken om te bekijken of zij het goed genoeg doet. Het andere doel is de ouder breed te informeren, zodat die voor en tijdens het schooltraject kan beoordelen: is dit de school die bij mijn kind past?

De heer Koekkoek (CDA):

Voor mij is het probleem dat de school met een laag gemiddelde nog slechter zal worden ten gevolge van de publicatie van gegevens. Ik heb gewoon de vrees voor tweedeling. Wie die vrees kan wegnemen, die kan mij overtuigen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Struisvogelpolitiek en het niet willen zien van feiten hebben nog nooit tot verbeteringen geleid. Ze hebben ook nog nooit tweedelingen weggepoetst.

De heer Koekkoek (CDA):

Het gaat niet om struisvogelpolitiek. Als ouders een keuze maken, moeten ze dat op goede gronden kunnen doen. Daar gaat het om.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Absoluut, en daarom is het belangrijk dat dergelijke gegevens worden gegeven, samen met motieven en omschrijvingen. Op die manier wordt duidelijk hoe de cijfers moeten worden geïnterpreteerd. Die gegevens moeten in eerste instantie worden opgenomen in de schoolgids van de school zelf.

Voorzitter! Als er iets is dat ouders graag willen weten – zij hebben ook het volste recht om het te weten – zijn dat wel de percentages betreffende geslaagden, niet-geslaagden en vroegtijdige schoolverlaters. Het zou buitengewoon paternalistisch zijn om ouders wél steeds meer verantwoordelijkheid te willen geven voor het spijbelgedrag van hun kinderen, maar tegelijkertijd geen inzicht te geven in spijbelpercentages van de school, noch in het aantal leerlingen dat zonder diploma de school verlaat, noch in de slaag- en zakpercentages van de school. Het CDA geeft aan grote moeite te hebben met het opnemen van dergelijke resultaatsgegevens. Mijn RPF-collega vreest zelfs dat door het publiceren van deze gegevens, ouders zich steeds meer gaan ontwikkelen tot kritische consumenten, voor wie een school met veel kinderen met achterstand niet goed genoeg meer is.

Voorzitter! Wie denkt dat ouders een schoolgids nodig hebben om erachter te komen of er op een school veel zwarte kinderen zitten, vergist zich. Met de staatssecretaris meen ik dat een gids die dergelijke gegevens wél verstrekt, maar ze tevens weet te relativeren door ze te koppelen aan de extra beschikbare middelen en activiteiten, iets kan bijdragen aan een juiste beoordeling van de situatie. Dat ouders voor hun kind een school willen die bij hun kind past en die het beste uit hun kind haalt, is hun goed recht. Waarom zou de levensbeschouwelijke kleur wél tot de vermeldenswaardige kwalitatieve gegevens mogen behoren en andere kwaliteitskenmerken niet? Voorzitter! Ik constateer dat de heren Koekkoek en Van der Vlies beiden niet in de zaal aanwezig zijn; deze opmerkingen zijn juist voor hen bedoeld. Die andere kwaliteitskenmerken hebben betrekking op klassengrootte, aantal zittenblijvers, aantal schoolverlaters, verwijzingen naar SO, doorstroming naar andere typen onderwijs enz.

Zeer ongelukkig ben ik met de berichten die vanochtend in de Volkskrant zijn verschenen en met de daarin vermelde uitspraken van de staatssecretaris. Wij horen dadelijk wel hoe het werkelijk is gezegd. Uit die uitspraken blijkt dat er toch weer gas wordt teruggenomen. Volgens deze berichten wil de staatssecretaris geen cijfers over leerprestaties in het basisonderwijs, over doorverwijzing naar SO en over de Cito-toets verstrekken. "Scholen verplichten ouders te zeggen hoe hun kinderen presteren op de Cito-toets, is absoluut onrechtvaardig", zo stelt zij. Waarom, voorzitter?

Voorts blijkt vandaag ineens dat er met die Cito-toets wordt gefraudeerd. Was dit al eerder bekend? Waarom zijn wij hierover nooit iets tegengekomen in de verslagen van de inspectie? Wij hebben er nooit één woord over gelezen en plotseling, vandaag, wordt gesteld dat er met regelmaat wordt gefraudeerd. En dat gebeurt dan in de huidige situatie, waarin er nog geen schoolgids is waarin een en ander wordt vermeld. De vraag is of een schoolgids dit zou kunnen voorkomen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

U wijst erop dat er wordt gefraudeerd met Cito-toetsen terwijl de schoolgids nog niet verplicht is. De wereld begint écht niet te draaien op het moment dat wij hier een wet aannemen. De ontwikkeling van de schoolgids is allang gaande; hetzelfde geldt voor de concurrentie tussen scholen en de strijd om de leerlingen. Waar wij mee bezig zijn, is het vastleggen van de wijze waarop een en ander moet gebeuren – er is behoefte aan nadere regelgeving – maar het oppoetsen van resultaten loopt wel degelijk vooruit op het maken van een schoolgids en een betere presentatie van scholen ten opzichte van de ouders. Die zaken staan niet los van elkaar.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik ben het voor een groot gedeelte met u eens. Natuurlijk wordt de wereld niet ineens totaal anders wanneer er een schoolgids is. Vandaar dat ik de bedreigingen die her en der worden opgevoerd ook schromelijk overdreven vind. Ik hecht sterk aan openbaarheid en informatie aan de ouders. Die zeggen allen daaraan te hechten, ook weer gesteund door degenen die zich op dit moment met schoolgidsen bezighouden. Dat weegt voor ons heel zwaar.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Het absolute belang van cijfers weegt voor u zo zwaar. U weigert voortekenen te zien dat er ook wel eens negatieve kanten aan de presentatie kunnen zitten. U dicht de ouders wel een heel goed beoordelingsvermogen toe.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik denk aan kengetallen, zoals wij ook willen als wij aan de hand van de begroting van Onderwijs spreken over de toestand in het onderwijs. Dat is heel redelijk en heel begrijpelijk. Er is niets op tegen – wat heet; ouders hebben er recht op – dat ouders dit soort gegevens en kengetallen over hun school krijgen. Hoeveel kinderen zitten op school? Hoeveel kinderen blijven er zitten? Hoeveel kinderen gaan naar het speciaal onderwijs? De ouders hebben het volste recht op al dit soort gegevens.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Hoeveel kinderen van een school naar het speciaal onderwijs gaan of naar het gymnasium gaan, zegt toch nog niets over de kansen en mogelijkheden van je eigen kind? Daarom is de context waarin de cijfers worden gepresenteerd toch minstens zo belangrijk als de cijfers zelf?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Het is een ander beleidstraject, maar het zegt wel iets over de vraag of een school geneigd is snel te verwijzen of zelf een goed zorgplan heeft voor kinderen die extra hulp en aandacht nodig hebben. Dat zul je natuurlijk op een extra A4'tje moeten toelichten. Er is niets op tegen – wat heet; er is veel voor – om die cijfers in de schoolgids op te nemen.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Wij zijn niet tegen publicatie van die cijfers, maar ik word als ik de verdediging door mevrouw Lambrechts hoor, wel steeds angstiger. De cijfers zeggen juist heel weinig over het verwijzingsgedrag van een school. Zij zeggen misschien veel meer over de omgeving waarin een school staat en de achtergrond van de kinderen die de school bezoeken. Dat moet je ook in je beschouwingen betrekken. Niet voor niets zoekt de staatssecretaris naar aanvaardbare middelen om te beoordelen hoe de kinderen binnenkomen en hoe ze van de school af gaan. Wat wordt er in de tussentijd met die kinderen gedaan? Die factoren zijn toch op z'n minst zo belangrijk als de cijfers waaraan mevrouw Lambrechts zo'n waarde toedicht?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik ben ook absoluut niet tegen een toelichting. Cijfers hebben echter, ook als zij ongunstig zijn, op zichzelf nog nooit de kwaliteit van een school benadeeld. Die kwaliteit is hooguit verbeterd. Er komt dan in beeld wat er mis is. Er zal straks gemakkelijker ingegrepen kunnen worden, in het kader van het lokale achterstandsbeleid. Je kunt beter zien wat er nodig is op een school die kennelijk niet zo goed presteert.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Dat leidt er toch toe dat een school die op een 4 uitkomt, net als ieder schoolkind met een 4, zich afvraagt hoe van die 4 een 6 kan worden gemaakt? Daar zijn vele methodes voor. Het artikel in de Volkskrant van vanochtend is daar een aardige illustratie van.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Hoe maak ik van een 4 een 6? Door met een gummetje de 4 uit te gummen en er een 6 van te maken? Dat was wat in de krant stond. Ons doel is natuurlijk dat er kwalitatief van de 4 een 6 wordt gemaakt. De kans is ook heel groot dat een school die veel vieren scoort en ziet dat de buurman veel zessen heeft, zich in zal spannen om van de vieren zessen te maken.

De heer Koekkoek (CDA):

Waarom denkt mevrouw Lambrechts dat scholen nu al zwaaien met de Cito-scores, zonder dat er een verplichte schoolgids is? Dat gebeurt. Zij zwaaien vooral met goede Cito-scores.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik zie geen scholen die zwaaien met Cito-scores. Ik zal heel eerlijk zeggen dat ik er zelf wel naar vraag als ik scholen bezoek. Als ik een zwarte school bezoek, vraag ik hoe de score is ten opzichte van de gemiddelde Cito-score. Ook een witte school in het zuiden vraag ik hoe het zit met die score. Tegelijkertijd vraag ik hoe het verwijzingspercentage naar het SO is.

De heer Koekkoek (CDA):

Het komt nu voor dat scholen in de schoolgids of waar dan ook melding maken van Cito-scores, natuurlijk vooral als die op een behoorlijk niveau zijn. Waarom denkt u dat scholen dat doen?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik denk dat zij dit doen omdat zij er trots op zijn. Dat zou ik ook doen.

De heer Koekkoek (CDA):

Maar wat zegt het als een school in een gegoede wijk, met rijke ouders en kinderen van een hoog niveau, die alle kansen hebben gehad, een goede score heeft? Wat zegt dan zo'n hoog gemiddelde? Dat zegt helemaal niets wat betreft de kwaliteit van het onderwijs; het zegt alleen maar iets over de kansen die de kinderen al hebben van huis uit. Over wat de school er nog aan toevoegt, zeggen die cijfers niets. Men gebruikt dan die Cito-scores op een verkeerde manier. Dat is wat er nu gebeurt en nog dreigt te gebeuren, als we daar niet een stokje voor steken.

Mevrouw Lambrechts (D66):

En wat zegt uw houding, dat u automatisch aanneemt dat elke school in een achterstandswijk, waar niet de kinderen van die rijke ouders op zitten, slecht scoort qua Cito-score? Ik ken zwarte scholen, ook één hier in Den Haag, die boven de gemiddelde Cito-score zitten. Zij zijn daar trots op en laat dat gezegd mogen worden.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Dat is een oude truc...

Mevrouw Lambrechts (D66):

Nee, dat is geen oude truc!

De heer Koekkoek (CDA):

Ja, want u draait de zaak om. Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom dat er een verkeerd gebruik van die Cito-scores gemaakt kan worden en ook wordt. Juist omdat ik weet dat scholen met 90% allochtone leerlingen voortreffelijk werk doen, met grote inspanning, en dat de kinderen daar echt verder gekomen zijn als zij de school verlaten; juist omdat ik dat weet, wil ik graag hebben dat een tweedeling die dreigt, niet ook daadwerkelijk vergroot wordt.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter! De heer Koekkoek, met alle respect, weet niet wat hij zegt. Het betekent met dubbele maat gaan meten, met de maat gaan meten die nu bijvoorbeeld in de Volkskrant staat, in die zin dat je zegt: zwarte scholen mogen alleen met zwarte scholen vergeleken worden – daar verneem ik graag van de staatssecretaris nog een reactie op – en witte scholen met witte scholen. Dat leidt tot een tweedeling in de samenleving die we niet moeten hebben, in de zin van: "Zit uw kind op een goede school? Ja, op een prima school, in aanmerking genomen dat het een zwarte is." Wat zegt dat? Dat is natuurlijk vreselijk. We willen allemáál goede scholen. We willen allemaal scholen, ook die zwarte school, die goed zijn. Daarbij moet zichtbaar gemaakt worden waar het aan ontbreekt als zij nog niet goed zijn en wat wij kunnen doen en wat de school kan doen om te zorgen dat het beter wordt.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Ik denk dat ik weet wat ik zeg. Waar het om gaat, is het optimisme van mevrouw Lambrechts wat te temperen als het gaat om het gebruik van deze gegevens.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Kan mevrouw Lambrechts zich voorstellen dat er onderwijswethouders zijn, verantwoordelijk voor het onderwijsachterstandenbeleid, die toch wat anders aankijken tegen hetgeen zij nu zo geëngageerd verdedigt?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ja, ik kan mij alles voorstellen. Ik kan mij ook voorstellen dat er wethouders zijn die er juist heel erg blij mee zijn, omdat zij instrumenten nodig hebben in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid om feitelijk te kunnen zien hoe het nu gesteld is, kwalitatief en kwantitatief, met dat onderwijs.

De heer Van der Vlies (SGP):

Inderdaad zal daar intern naar gezocht worden. Dat is heel duidelijk en dat is goed, want je moet je eigen beleid evalueren. Maar zodra je dat, bij wet verplicht, naar buiten publiceert, beïnvloed je daarmee de keuzepatronen van ouders in zo'n wijk, en dat zou diezelfde onderwijswethouder wel eens slecht kunnen uitkomen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Maar misschien werkt hij er dan heel hard aan, of werkt dat verzelfstandigde bestuur van het openbaar onderwijs er heel hard aan, om die school beter te maken, waardoor de mensen weer terugkomen na een aantal jaren en dan is waarschijnlijk zijn gevoel van voldoening ook heel erg groot.

Voorzitter! Mensen kennis onthouden, omdat diezelfde kennis wel eens gevolgen voor hun keuzegedrag zou kunnen hebben, past niet in een volwassen democratie. Evenmin geloof ik dat wat niet weet, niet deert. Het ontkennen van een probleem heeft nog nooit een probleem opgelost. Ook als cijfers minder fraai zijn, hebben de ouders het recht dat te weten. Als scholen door externe omstandigheden die zij zelf niet kunnen beïnvloeden – die zijn er natuurlijk – in een heel moeilijke situatie terecht zijn gekomen, die weerspiegeld wordt in slechte resultaten, bijvoorbeeld veel zittenblijvers, lage Cito-scores, weinig doorstroom naar HAVO-VWO en veel drop-outs, hebben ook die scholen er alleen maar bij te winnen als dat zichtbaar wordt. Ik had daar het voorbeeld van het Olympus College bij willen halen, maar dat heb ik al gedaan. Uiteindelijk leidt dat tot een verbetering van het onderwijsleerproces op zo'n school. Dat wordt ook bekend en dat is goed.

Voorzitter! Op 19 december hebben wij een brief ontvangen met daarin het plan van de staatssecretaris op hoofdlijnen over hoe de inspectie over een periode van drie jaar een kwaliteitskaart denkt te ontwikkelen voor het voortgezet onderwijs; een kwaliteitskaart die op vergelijkbare wijze gegevens van scholen presenteert over opbrengsten zoals het percentage geslaagden, het percentage stapelaars, zittenblijvers en vroegtijdige schoolverlaters. Voorts bevat die informatie over aantallen leerlingen, het onderwijsaanbod, de organisatie, extra activiteiten, enzovoorts.

Ik heb aanvankelijk met genoegen in de brief van 16 januari gelezen dat voor het basisonderwijs een soortgelijk ontwikkelingstraject zal worden ingezet. Ik juich dat toe. Nog steeds ben ik het dagblad Trouw dankbaar dat het door een bijzondere zaterdagbijdrage de kwestie van het openbaar maken van gegevens heeft aangekaart. Na het lezen van de Volkskrant ben ik toch een beetje bevreesd dat hier wat gas wordt teruggenomen. Kan de staatssecretaris hierop een reactie geven?

Ik waardeer het zeer dat de staatssecretaris in elk geval tijdig heeft ingezien dat hetgeen door Trouw in gang is gezet, niet bestreden maar op een goede manier ontwikkeld moet worden. Gelukkig heeft dat inmiddels een vertaling gekregen in een nota van wijziging. Er is sprake van een kan-bepaling, waarin wordt aangegeven dat door middel van een AMvB verdere vormvoorschriften kunnen worden gegeven over een aantal jaren.

Voorzitter! Het is naar mijn mening wel goed als wij over een jaar of drie de hele situatie beoordelen. Wij moeten dan bekijken hoe het staat en of het moment rijp is voor vormvoorschriften. Wij zouden ook tot de conclusie kunnen komen dat dit niet het geval is en misschien ook wel. Wij moeten bekijken of het moment rijp is en welke gegevens in zo'n AMvB aan de orde zouden moeten komen.

Aanvankelijk leek het mij wenselijk dat meteen op te nemen in de wet. Bij nader inzien vind ik het voorstel om een ontwikkelingstraject in te gaan toch beter. Ik sluit namelijk niet uit dat wij belangrijke zaken vergeten, wanneer wij nu al allerlei onderwerpen in de wet opnemen.

Desalniettemin denk ik dat wij wel reeds de gegevens over de klassengrootte c.q. groepsgrootte van basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de schoolgids moeten opnemen. Ik vind dat om de volgende reden. In het basisonderwijs is het traject van verkleining van de groepsgrootte ingezet. Het is belangrijk dat ouders dit zelf kunnen volgen door middel van opname in de schoolgids. Zij kunnen dan tevens zien of niet tegelijkertijd de klassen in de bovenbouw groter worden. Dat is niet de bedoeling. Zij kunnen dan ook zelf aan de bel trekken.

In het voortgezet onderwijs is iets anders aan de hand. De CNV-onderwijsbonden gaven in hun decembernummer een aantal tips voor aanvullende inkomstenbronnen. Sponsoring was er een van, maar zij hadden nog een andere. Ik citeer: "Een maatregel die echt zoden aan de dijk zet, is de ledenwerving. Elke leerling levert ongeveer ƒ 7500 op. Uiteraard moet dan creatief worden omgegaan met de bemensing door docenten van de nieuwe leerlingengroepen." Ik hoef niet uit te leggen dat creatief omgaan met bemensing in dit geval alleen maar kan betekenen de klassen in het voortgezet onderwijs groter te maken. Ik wil echter wel aangegeven dat dit soort creatief gedrag vanzelf wordt gecorrigeerd als de gegevens daarover jaarlijks worden gepubliceerd.

Om te kunnen reageren en corrigeren, moeten ouders gewoon weten wat er speelt.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Voorzitter! Hoe wil mevrouw Lambrechts het voortgezet onderwijs verplichten de groepsgrootte aan te geven? In het VO is toch sprake van keuze van vakken en zijn er kleine en hele grote groepen? Hoe moet dat precies vormgegeven worden?

Mevrouw Lambrechts (D66):

In de eerste jaren is er natuurlijk geen sprake van keuze van vakken. In de meeste scholen zitten de leerlingen de eerste jaren bij elkaar. Gisteren bij de hoorzitting over spijbelen en schooluitval hoorde ik dat de klassen groter worden, dat er nu al vaak sprake is van 32, 33 leerlingen. Dat was vroeger nooit het geval in het voortgezet onderwijs. Om daarop alert te kunnen zijn, is het goed dat ouders zelf aan de bel kunnen trekken.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Ik hoor die klacht ook. Daarom heb ik geprobeerd achter de oorzaak te komen, want met harde gegevens kun je de staatssecretaris daarover ondervragen. Ik stuit dan toch op het probleem dat het in de hogere klassen moeilijker wordt om een en ander te kwantificeren. Je kunt wel iets vragen, maar het moet ook kunnen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik denk dat het probleem in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs het grootst is.

De heer Van der Vlies (SGP):

In de praktijk van de schoolorganisatie blijft het vaak tot in het begin van de zomervakantie onzeker of er net wel of net niet een extra brugklas moet worden geformeerd. Dat heeft met allerlei parameters te maken. Je kunt wel publiceren hoe het was in het jaar dat liep op het moment dat ouders gaan overwegen hun kind als leerling in te schrijven, maar je kunt in billijkheid niet de garantie vragen dat dat beeld zich in het nog in te vullen jaar zal voortzetten. Dat levert voor de schoolorganisatie te grote risico's op.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Dat ben ik absoluut met u eens, maar het is ook moeilijk om Cito-scores te geven van het jaar dat nog komen gaat. Het zal altijd gaan om het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de schoolgids wordt gepubliceerd. Er wordt natuurlijk wel iets mee aangegeven. Een school moet zich verantwoorden. Het cijfer is één ding, maar de manier waarop met de keuzen wordt omgegaan, is een tweede.

Voorzitter! Er zijn nog enkele andere amendementen ingediend op het punt van de schoolgids. Allereerst het amendement dat gericht is op het versterken van de stem van de ouders. De schoolgids is in de eerste plaats voor de ouders bedoeld. Het zou derhalve goed zijn als de ouders een zwaardere stem krijgen dan de leerkrachten. Ik heb een amendement laten voorbereiden dat aan het ouders-leerlingendeel van de medezeggenschapsraad instemmingsrecht geeft, waarbij de leraren automatisch een adviesbevoegdheid krijgen. Wat maakt dat uit? Stel dat er vijf leerkrachten en vijf ouders in de medezeggenschapsraad zitten. Als maar één van de ouders tezamen met het lerarendeel wenst in te stemmen, wordt ingestemd met een schoolgids waarmee verreweg het merendeel van de ouders ongelukkig is.

Daarnaast heb ik een amendement doen voorbereiden inzake de prioriteit voor het onderwijs in de onderbouw. Ik ben echt ongelukkig met de formulering van artikel 11a, lid 1b, waarmee wordt gesuggereerd dat aan het onderwijs tot en met groep 4 prioriteit wordt gegeven boven het onderwijs in de volgende groepen. Dat prioriteit wordt gegeven, zegt voornamelijk iets over het overheidsbeleid, waarin wordt gekozen tussen dingen die allemaal nodig zijn. Klassenverkleining in de onderbouw heeft tot doel scholen in staat te stellen aan jonge kinderen de zorg en aandacht te geven die nodig zijn. Het amendement doet meer recht aan wat er feitelijk gevraagd wordt, namelijk dat de schoolgids informatie bevat over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de zorg voor het jonge kind. Die formulering is analoog aan de formulering onder 1c.

Verder heb ik een amendement ingediend over de datum van 1 januari voor het toezenden van de eerste schoolgids aan de inspectie. Voor de overige jaren wordt geen datum bepaald, maar juist in het eerste jaar, waarvoor de meeste tijd nodig is, moet het vóór 1 januari. Van diverse kanten is aangegeven dat men dat traject toch wel heel erg kort vindt. Bij amendement stel ik voor de datum te verschuiven naar 1 maart.

In de opzet van het klachtrecht zit een laagdrempelige klachtencommissie, waar in beginsel elke klacht kan worden ingediend door iedereen vanaf de leeftijd van 13 jaar. Het zou bij voorkeur een college van drie onafhankelijke leden moeten zijn. Het amendement van de heer Cornielje in dit opzicht hebben wij medeondertekend. Door het veld is terecht gewezen op mogelijke financiële consequenties in het licht van de toch al krappe bekostiging. Dat extra geld is er gewoon in veel gevallen niet. De bekostiging voor administratie, beheer en bestuur is – ik zeg het heel formeel – niet geheel toereikend. Waar blijven de modelcontracten die ons zijn toegezegd om te laten zien hoe scholen kunnen uitkomen met onze vergoeding voor administratie, beheer en bestuur? Wij wachten er al enige tijd op. Wij hebben een brief gekregen dat het wat langer duurt, maar het wordt nu toch wel heel erg laat. D66 is dus van mening dat met dit wetsvoorstel ook de vergoeding voor administratie, beheer en bestuur omhoog zou moeten. 1 augustus 1998 is een mooi moment daarvoor. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat zij ervan vindt.

De heer Koekkoek (CDA):

U uit een mooie wens. Maar heeft u daarvoor ook een concreet voorstel?

Mevrouw Lambrechts (D66):

Nee, ik wacht af wat de staatssecretaris daarvan zegt. Ik ben niet zover als u, door een wezenlijk onderdeel van dit wetsvoorstel te schrappen. Wel ben ik, sprekend namens mijn fractie, heel ver als het gaat om de wens dat hoe dan ook op korte termijn de vergoeding voor ABB omhoog moet.

De heer Koekkoek (CDA):

Daar zijn wij het al jaren over eens, zonder dat er veel gebeurt.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Het is heel belangrijk om daarvoor in deze Kamer een meerderheid te hebben.

De heer Koekkoek (CDA):

Het punt is alleen dat u in feite nu al zegt dat u, als de staatssecretaris zegt dat het niet meer kost, zodat de scholen dat gemakkelijk kunnen betalen, daarmee genoegen zult nemen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Nee, dat zeg ik helemaal niet. Ik heb een vraag gesteld en ik wacht rustig af wat het antwoord is.

De heer Koekkoek (CDA):

Maar u gaat hoe dan ook akkoord.

Mevrouw Lambrechts (D66):

En u stemt hoe dan ook tegen het wetsvoorstel?

De heer Koekkoek (CDA):

Nee, wij hebben een aantal wijzigingsvoorstellen ingediend. Het zal van het antwoord van de regering en de reacties van de collega's afhangen wat de CDA-fractie zal doen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Dat is voor geen enkele partij anders!

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! De Trouwpublicatie over de schoolprestaties heeft het debat over de kwaliteit van het onderwijs nieuw leven ingeblazen. De deelnemers aan deze gedachtewisseling delen echter niet allemaal dezelfde opvatting over wat nu eigenlijk kwalitatief goed onderwijs is.

De één heeft het over de gebruikerskwaliteit. Dit is de kwaliteit in de ogen van de leerlingen of de ouders, zichtbaar gemaakt door bijvoorbeeld tevredenheid over inhoud en niveau van het gevolgde onderwijs. Ikzelf denk hierbij aan het predikaat "de gouden school" zoals dit wordt toegekend door het LAKS.

De ander heeft het over de proceskwaliteit. Deze wordt bepaald aan de hand van de middelen die de school inzet voor de verbetering van het onderwijs. Ik noem de bekwaamheid van de leraren, de organisatie van het onderwijs, de inrichting van de onderwijsruimten, de didactische inzet en aanpak en de vormgeving van de leerlingbegeleiding. Over dit soort zaken kunnen we veel lezen in de verschillende rapportages, maar ook in de verslagen van de onderwijsinspectie.

Ten slotte heeft een derde het over de outputkwaliteit. Het betreft hier harde feitelijke gegevens met betrekking tot doorstroomcijfers, eindexamenresultaten, het percentage onvertraagd geslaagden enzovoort. Het betreft hier ook gegevens omtrent de bij de leerlingen in de laatste groep aanwezige kennis en vaardigheden, culturele kwalificaties, de naschoolse loopbanen en dergelijke. Het Trouwonderzoek heeft vooral de outputkwaliteit weergegeven. Ook het Cito meet deze inhoudelijke resultaten in haar jaarlijkse onderzoek, aan het eind van de basisschool. De termen gebruikerskwaliteit, proceskwaliteit en outputkwaliteit ontleen ik aan een bijdrage van prof. Van Wieringen. Deze hoogleraar sprak twaalf jaar geleden op het Nationaal onderwijssymposium met de welluidende titel "Over kwaliteit gesproken...". Tijdens dit symposium, waaraan mensen deelnamen als Lagerwij, Du Bois, Appelhof en Wijnen, werd vastgesteld dat "de vraag wat de kwaliteit van onderwijs is, te algemeen is om goed te kunnen beantwoorden".

Veel van wat tijdens dat symposium gezegd is, zou vandaag herhaald kunnen worden. Zelfs de doelstelling van de dag, te weten de maatschappelijke en politieke discussie over het belang van het onderwijs voor de samenleving nieuw leven in te blazen, is twaalf jaar later nog passend. Welke conclusies kun je hier nu aan verbinden? Wat is er de laatste twaalf jaar aan verbetering van de kwaliteit van onderwijs gedaan? Hoe komt het dat de destijds gemaakte opmerkingen anno 1998 nog steeds actueel zijn? Betekent dit dat het begrip kwaliteit zo breed is dat je er alleen in algemeenheden over kunt spreken?

De VVD-fractie stelt vast dat, alle structuurwijzigingen ten spijt, de roep om verbetering van de kwaliteit van het onderwijs nog steeds zeer luid is. De VVD-fractie wil de komende jaren geen nieuwe grote structuurwijzigingen doorvoeren. Wij waren overigens zeer verheugd dat wij dit vanmorgen in de Volkskrant ook konden optekenen uit de mond van de staatssecretaris. Ik hoor collega Van der Vlies achterin de zaal zeggen dat de staatssecretaris dat vier jaar geleden ook heeft gezegd. Zij noemde zich toen de staatssecretaris van implementatiezaken. Misschien dat zij de komende vier jaar de echte staatssecretaris van implementatiezaken kan worden; wellicht zelfs de minister.

De heer Van der Vlies (SGP):

Laten wij dat even afwachten, voorzitter. Ik wens deze staatssecretaris overigens een goede toekomst toe. Het ging mij om wat zij vier jaar geleden wel heeft gezegd. Zij noemde zich toen niet alleen de staatssecretaris van implementatiezaken. Er zou ook rust komen in het onderwijs. Ik herinner mij heel uitdrukkelijk dat dit is gezegd.

Staatssecretaris Netelenbos:

Dat kan niet.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dan zal ik het citaat opsporen.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! Dan kan de heer Van der Vlies het volgende citaat meteen in zijn dossiertje stoppen: De VVD wil rust in het onderwijs. Dit betekent niet dat wij achterover kunnen zitten. Integendeel, wij zullen de aandacht moeten richten op een inhoudelijke verbetering van het onderwijs. Dit betekent dat wij geen nieuw beleid op oud beleid moeten stapelen, zonder ons ervan te vergewissen dat het oude beleid voldoende is verankerd en geïmplementeerd in het onderwijssysteem. Gerezen knelpunten moeten wel worden opgelost.

Rust in het onderwijs betekent voor de VVD dat betrokkenen eindelijk weer toekomen aan hun eigenlijke taak, namelijk het overdragen van kennis, inzicht, vaardigheden en natuurlijk ook van waarden en normen. Rust in het onderwijs betekent dat de leraar zich weer bezig kan houden met de taak waarvoor hij of zij is opgeleid: het geven van onderwijs.

Dit wetsvoorstel reikt ouders, leerlingen, docenten, directies en bevoegde gezagen instrumenten aan om met elkaar in gesprek te komen over de kwaliteit van het onderwijs. Dit blijft echter een subjectief begrip. Om deze reden moet de overheid terughoudend zijn met het geven van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs, terwijl leerlingen, ouders, leraren, journalisten en wetenschappers hun mening erover wel kunnen en moeten uitspreken. De overheid dient de scholen te ondersteunen bij het voeren van een eigen kwaliteitszorgbeleid. Samen met de scholen dienen hiertoe instrumenten te worden ontwikkeld. Dit wetsvoorstel bevat drie van dit soort instrumenten, waarmee de VVD-fractie kan instemmen. Een en ander leidt wel tot de volgende vraag. Welke andere instrumenten worden op dit moment ontwikkeld of welke instrumenten is de staatssecretaris voornemens om te laten ontwikkelen? Het gaat dus om kwaliteitszorginstrumenten. Ik denk aan bijvoorbeeld een toetsenbank die flexibel kan worden gebruikt en aan leerlingvolgsystemen. Je zou ook kunnen denken aan het vormgeven van visitaties door scholen bij elkaar.

De instrumenten schoolplan en schoolgids zijn voorbeelden van kwaliteitszorginstrumenten die de scholen kunnen helpen om hun doelstellingen en hun resultaten te expliciteren. De vraag is hoever de overheid mag gaan in het voorschrijven van het gebruik en de inrichting van deze instrumenten. Met de staatssecretaris zijn wij van mening dat de schoolgidsen moeten kunnen leiden tot een vergelijkend warenonderzoek. Dit betekent dat bepaalde essentiële gegevens in deze gids niet mogen ontbreken. In 1987 stelde Lagerwij reeds – ik ben het niet altijd met deze hoogleraar eens, maar in dit geval wel – dat het in dit verband onder meer om testuitslagen en om het aantal schoolverlaters en zittenblijvers gaat. Zou de staatssecretaris nog eens willen opsommen welke feitelijke gegevens in ieder geval een plaats moeten krijgen in de eerste schoolgids van de scholen?

De VVD-fractie bepleit een grote mate van terughoudendheid in het geven van nadere voorschriften. Te zijner tijd zullen wij de bij de tweede nota van wijziging aangekondigde AMvB hieraan toetsen. Is het gevaar niet groot dat als er te veel voorschriften worden gegeven aan scholen om hun resultaten weer te geven, de ouders door alle nuanceringen het zicht op de grote lijn kwijtraken; met andere woorden dat zij door de bomen het bos niet meer zien?

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! De heer Cornielje heeft eerder gezegd dat de VVD rust in het onderwijs wil. Wat moet ik mij daarbij voorstellen nu wij een wetsvoorstel behandelen dat veel nieuwe verplichtingen met zich brengt en dat nieuwe voorschriften in het vooruitzicht stelt? De heer Cornielje heeft terecht zijn zorgen over dat laatste uitgesproken. Wat betekent rust in het onderwijs dan nog?

De heer Cornielje (VVD):

Dat er de komende vier jaar geen nieuwe grote structuurwijzigingen moeten worden doorgevoerd en misschien nog wel langer. Wij moeten alle politieke aandacht geven aan de implementatie en de uitvoering van de vastgestelde wetten. Dat proberen wij ook. Wij hebben bijvoorbeeld aandacht gegeven aan de decentralisatie van de huisvesting. Wij spreken regelmatig over voortgangsrapportages, zoals in verband met de WEB. Er wordt niet iedere keer nieuw beleid op oud beleid gestapeld, maar er wordt nagegaan op welke wijze bestaand beleid beter kan worden uitgevoerd. Een van de knelpunten waarop wij hierbij stuiten, is het iedere twee jaar uit te brengen schoolwerkplan. Dat levert inderdaad een papierberg op. Wij vinden het nuttig dat dit nu nog maar eens in de vier jaar behoeft te worden opgesteld. De scholen krijgen daardoor meer tijd voor het vastleggen van het beleid.

Ik wijs erop dat de verhouding tussen rijksoverheid en scholen is veranderd. De scholen zijn relatief autonoom geworden. Wij willen graag dat de scholen zich ten opzichte van de ouders en van de samenleving verantwoorden voor de resultaten die zijn geboekt. Om die reden vinden wij dit een goed wetsvoorstel.

De heer Koekkoek (CDA):

Deze staatssecretaris is aangetreden als de staatssecretaris van de implementatie. Desalniettemin zijn er zijn zelden zoveel wetsvoorstellen op onderwijsgebied tot wet verheven – de staatssecretaris is daar ongetwijfeld trots op – als in deze periode. De heer Cornielje spreekt nu ook over de implementatie van hetgeen er ondanks dit uitgangspunt tot stand is gekomen. Ik vraag mij af welke garantie er is dat er werkelijk rust in het onderwijs komt, zodat men in staat is hetgeen de wetgever vraagt ook uit te voeren.

De heer Cornielje (VVD):

De VVD-fractie is er trots op dat zij als medewetgever aan dit pakket van wetgeving mee heeft kunnen werken en de staatssecretaris in de gelegenheid heeft gesteld om die wetten binnen te halen. Ik gun haar dat van harte. Bij de behandeling van de onderwijsbegroting heb ik er namens mijn fractie op gewezen dat dit alleen maar kon gebeuren vanwege de goede samenwerking binnen de coalitie.

Deze wetgeving betreft overigens uitvoering van beleid. Hieraan lag het Schevenings akkoord ten grondslag. Dit is door de voorgaande minister en staatssecretaris van Onderwijs gesloten met de koepelorganisaties. In dit akkoord zijn veel wetten aangekondigd, die in de afgelopen periode gestalte hebben gekregen. Hierdoor is de bestuurlijke verhouding tussen de scholen en de rijksoverheid ingrijpend veranderd. Er is wel degelijk sprake geweest van implementatie van reeds voorgenomen beleid, waarover een akkoord met het onderwijsveld was bereikt. Ik weet ook dat er op een enkel onderdeel daarvan is afgeweken. Het pakket wetsvoorstellen werd al aangekondigd in het Schevenings akkoord, dus voor deze kabinetsperiode.

Voorzitter! Op één punt bepleiten wij geen rust in het onderwijs. De komende vier jaar moeten wij de professionalisering van het vak van leraar aanpakken, want verbetering daarvan is dringend gewenst. Dat heeft overigens ook in belangrijke mate met de kwaliteit van het onderwijs te maken.

De heer Koekkoek (CDA):

Dat ben ik met u eens, maar daar ging deze staatssecretaris niet over.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! Tijdens het symposium "Over kwaliteit gesproken" kwam er een aantal dilemma's en spanningsbogen naar voren die nog steeds gelden. Ik noem er drie. Het dilemma tussen eenheid en verscheidenheid, de spanning tussen enerzijds centralisme en anderzijds deregulering en de wens tot vergroting van de autonomie van instellingen tegenover de behoefte toch alles vanuit Zoetermeer te willen blijven regelen. De VVD-fractie is van oordeel dat van scholen gevraagd mag worden verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid en de daarmee behaalde resultaten. Dit impliceert dat er ruimte moet zijn voor eigen beleid en dat wij dus accepteren dat er als gevolg daarvan verschillen kunnen optreden in de resultaten op schoolniveau. Het lijkt erop dat de regering hierbij op twee gedachten hinkt. Aan de ene kant worden relatief autonome instellingen gestimuleerd zich te onderscheiden of te profileren, waardoor men elkaar tot kwaliteitsverbetering prikkelt. Aan de andere kant mogen de verschillende resultaten ook weer niet te duidelijk worden. Kan de staatssecretaris nog eens uiteenzetten hoe het schrappen van allerlei planlastverplichtingen en de vergroting van de autonomie zich verhouden tot het opleggen van voorschriften ten behoeve van de weergave van resultaten in de schoolgids?

Voorzitter! In de schoolgids dient vermeld te worden op welke wijze prioriteit wordt gegeven aan het onderwijs gedurende de eerste vier schooljaren en de resultaten die daarmee worden bereikt. Wij begrijpen uit de nota naar aanleiding van het verslag dat hiermee wordt gedoeld op de implementatie van het omvangrijke project groepsgrootteverkleining en kwaliteitsverbetering ten behoeve van de onderbouw van het basisonderwijs. Toch vinden wij dat dit niet op deze manier in deze wettelijke regeling thuishoort. Natuurlijk behoort in de schoolgids verslag te worden gedaan van de groepsgrootteverkleining, bijvoorbeeld door te vermelden wat de groepsgrootte daadwerkelijk is geweest en tot welke concrete kwaliteitsverbetering dit heeft geleid, maar het woordje "prioriteit" past hier niet. Nadat dit grote project zijn beslag heeft gekregen, zou de wet weer gewijzigd moeten worden. Ik heb daarom een amendement van collega Lambrechts, waarmee wordt beoogd hierin verandering te brengen, medeondertekend. Ik verneem graag het oordeel van de staatssecretaris hierover.

De motie die is ingediend tijdens de behandeling van het wetsvoorstel over onder meer de sponsoring, heeft wat de VVD betreft een goede vertaling gekregen in het aan de orde zijnde wetsvoorstel. Wel behoeft de toelichting hierop in de nota van wijziging een aanvulling. Immers, niet alleen de ouder-leerlinggeleding heeft instemmingsrecht terzake van sponsoring gekregen, maar dit recht is ook bij amendement toegekend aan de personeelsgeleding. Wil de staatssecretaris de wettelijke instemmingsbevoegdheid van de personeelsgeleding ten aanzien van sponsorcontracten in dit debat nogmaals bevestigen? Daarmee wordt ook de toelichting gecorrigeerd.

Ik kan niet geheel overzien wat het amendement van collega Koekkoek terzake van de sponsoring nu inhoudt. Wij hebben gisteravond en vanochtend wel te maken gekregen met een nieuw politiek feit, waarmee wij rekening willen houden. Een aantal onderwijsorganisaties dreigt het convenant op te zeggen. Dat zou bijzonder slecht zijn. Bij de behandeling van de sponsoring hebben wij gezegd dat die wat ons betreft niet wettelijk geregeld hoeft te worden. Wij wilden dit voor een groot deel overlaten aan het schoolniveau, met name aan ouders en de personeelsgeleding. Wij dachten dat wij met de formulering in de motie enerzijds tegemoet waren gekomen aan de wens van een deel van de Kamer om een en ander afdwingbaar te maken, om de garantie te hebben dat het convenant in ieder geval ook op schoolniveau nageleefd wordt, terwijl anderzijds toch geen wettelijke regeling inzake de sponsoring tot stand wordt gebracht. Dat evenwicht is gevonden in de nota van wijziging. Als dit echter leidt tot het opzeggen van het convenant, moeten wij nog eens goed nadenken over de volgende stap. Ik heb dan ook aan collega Koekkoek gevraagd wat precies met zijn amendement wordt beoogd. Is hij van oordeel dat er daarmee steun blijft van al deze organisaties voor het convenant inzake sponsoring?

De heer Koekkoek (CDA):

Ik zal proberen deze vraag te beantwoorden.

De voorzitter:

U was nog niet aan de beurt.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter! Sinds wij het wetsvoorstel over medezeggenschap en sponsoring hebben behandeld, hebben zich weer een paar incidenten voorgedaan. Door de PvdA zijn ook vragen gesteld over "sampling" op scholen, dat indruist tegen het convenant. De reden waarom naar onze mening iets in de wet moest worden opgenomen waardoor het sterker en minder vrijblijvend wordt en voor alle organisaties gaat gelden, is hierdoor inmiddels meer aangetoond. Ik hoop dan ook dat de bijdrage van de heer Cornielje niet is bedoeld om aan te geven dat hij dit geschrapt wil hebben.

De heer Cornielje (VVD):

Neen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel over sponsoring ben ik ingegaan op een amendement van collega Dijksma en mevrouw Lambrechts. Er is toen vastgesteld dat er in dit huis geen meerderheid was voor een wettelijke regeling van de sponsoring. Daarop is het bedoelde amendement ingetrokken en vervangen door een motie waarin werd uitgesproken dat in deze wet moet worden geregeld dat in ieder geval door alle scholen aan het convenant invulling wordt gegeven en dat zij zich hierover verantwoorden. Dat vind ik nog steeds een goede lijn. Ik ben ook begonnen dat zo te zeggen. Ik was dan ook enigszins verbaasd in de brief van de onderwijsorganisaties te lezen dat zij hierin aanleiding zien om het convenant op te zeggen. Als dat zou gebeuren, treedt er een nieuwe situatie in en daarover moeten wij ons beraden. Daarom heb ik ook aan collega Koekkoek gevraagd precies aan te geven wat hij met zijn amendement bedoelt. Het is zojuist tijdens het debat uitgereikt en ik heb het niet zo snel kunnen bestuderen. Vandaar mijn verzoek om opheldering.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik ben blij dat de intentie van de heer Cornielje nog steeds dezelfde is, namelijk om het algemeen afdwingbaar te maken door het op deze manier in de wet op te nemen. Ik herinner hem er echter aan dat de intentie van de heer Koekkoek een heel andere was: op dat punt zou in de wet verder helemaal niets geregeld moeten worden.

De heer Cornielje (VVD):

Dat weet ik. Daarover hebben wij indertijd een gedachtewisseling gehad, maar er was toen een Kamermeerderheid die geen wettelijke regeling van de sponsoring wilde. Daarop hebben PvdA en D66 het amendement ingetrokken en volgde de huidige vertaling. Naar mijn mening is dat nog steeds een heel goede vertaling, maar ik zou het betreuren als dat voor belangrijke organisaties de aanleiding zou zijn om hun steun voor het convenant in te trekken. Dan raken wij immers nog verder van huis, terwijl ik juist de afspraken die in het convenant zijn vastgelegd van harte onderschrijf en aanbeveel in de warme belangstelling van alle scholen. Ik hoop dat alle scholen in hun schoolplan aandacht besteden aan de wijze waarop zij met sponsoring omgaan.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Misschien kan de heer Cornielje dan ook zijn oordeel geven over het opzeggen van het convenant. Aan de afspraken die zijn gemaakt, verandert namelijk helemaal niets. Ik vind het wat gemakkelijk om er nu de handen van af te trekken.

Mevrouw Liemburg (PvdA):

Ik begrijp dat de VVD het een heel normale zaak vindt dat scholen zich ook verantwoorden over hun beleid ten aanzien van sponsoring. Hierover heb ik de heer Koekkoek zojuist bij interruptie vragen gesteld. Volgens mij was de intentie van het CDA dezelfde en daarom is het goed om nu het antwoord van de heer Koekkoek te krijgen.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Ik probeerde zojuist wat voor te dringen om te voorkomen dat de misverstanden zich zouden opstapelen. Terecht lukte dat niet.

Mijn amendement houdt in dat in de wet blijft staan dat het schoolplan mede het beleid inzake sponsoring omvat. De verwijzing naar het convenant gaat er echter uit. Ik heb daar ook een juridisch argument voor aangevoerd, namelijk dat het amendement veronderstelt dat besturenorganisaties de aangesloten schoolbesturen kunnen binden. Dit lijkt mij een onjuiste vooronderstelling, dus alleen al om die reden kan het niet. Inmiddels is daar de brief van vijf organisaties bijgekomen. In die brief staat dat de staatssecretaris zich in een aantal opzichten niet heeft gehouden aan het convenant. Dat is de reden om het convenant op te zeggen. Dat komt daar dus bij. Dan ontstaat inderdaad een nieuwe situatie. Ik ken niet het antwoord op de vraag of mijn amendement voor de organisaties voldoende is. Ik meen echter dat het heel goed naast elkaar kan. Je kunt aan de ene kant tegen scholen zeggen dat zij in het schoolplan moeten aangeven hoe de school omgaat met sponsoring. Aan de andere kant kun je, aanvullend daarop, wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van scholen en hun organisaties, het convenant. Het schoolbeleid zal immers aansluiten op het convenant. Dat mogen wij verwachten. Ik weet het niet, maar ik meen dat de organisaties na de aanneming van mijn amendement niet in redelijkheid kunnen zeggen dat er nog reden is om het convenant op te zeggen.

De heer Cornielje (VVD):

Dat zou voor de VVD-fractie een belangrijke informatie zijn. Wij stemmen vandaag nog niet over het wetsvoorstel. Ik neem aan dat betrokkenen meeluisteren naar dit debat. Ik zou heel graag van de vijf betrokken organisaties vernemen of deze interpretatie juist is. Dat is overigens ook in lijn met de inbreng van de VVD bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake sponsoring.

Voorzitter! In het wetsvoorstel wordt zonder een deugdelijke onderbouwing een bepaling in de Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen die ertoe strekt dat het onderwijs er mede van uitgaat dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving. Wij hebben op zichzelf niets tegen deze bepaling. Zij is immers ook opgenomen in de Wet op het basisonderwijs uit 1985. Maar wat betekent een dergelijke bepaling? Als een dergelijke bepaling niets te betekenen heeft, kun je haar beter schrappen. Als zij wel wat te betekenen heeft, en daar gaan wij vooralsnog van uit, behoort dat in de toelichting op het wetsvoorstel duidelijk gemaakt te worden. Kan de staatssecretaris duidelijk maken wat zij met deze bepaling wil bereiken, of is het slechts een vaststelling van een feitelijke situatie?

Ik heb overwogen, een amendement in te dienen over het Nederlandse-taalbeleid. Dat heb ik ook opgenomen in het verslag ten behoeve van dit wetsvoorstel. Naar onze opvatting omvat het onderwijskundige beleid tevens de wijze waarop het bevoegd gezag zorgdraagt voor de ontwikkeling van de kennis en de beheersing van de Nederlandse taal. De staatssecretaris antwoordt op onze vraag terzake dat dit reeds afdoende geregeld is in de kerndoelen basisonderwijs. Maar ook in het gemeentelijk onderwijsachterstandenplan zou dit tot uitdrukking moeten komen. Het achterstandenvraagstuk is toch in belangrijke mate ook een vraagstuk dat samenhang vertoont met taalachterstand? Wat is er volgens de staatssecretaris nu op tegen dat in het schoolplan aandacht wordt geschonken aan de ontwikkeling van de kennis en de beheersing van de Nederlandse taal?

Ten slotte wil ik nog twee punten bespreken inzake de klachtenregeling. Ten eerste hecht de VVD aan een onafhankelijke klachtencommissie. De leden van een dergelijke commissie moeten in vrijheid kunnen adviseren aan het bevoegd gezag. Daarom behoren er geen betrekkingen te bestaan tussen de leden van de klachtencommissie en het bevoegd gezag. Hiertoe hebben wij een amendement ingediend. Ten tweede wordt noch in de wet, noch in de toelichting op de klachtenregeling een opsomming gegeven van de aard van de klachten die kunnen worden ingediend. In algemene zin kunnen wij de zienswijze van de staatssecretaris terzake onderschrijven. Een limitatieve opsomming in de wet kan immers leiden tot het over het hoofd zien van een enkele categorie, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Wij vinden dat men moet kunnen klagen over bijvoorbeeld pestgedrag, het niet goed kunnen handhaven van een rookverbod, het wel of niet toestaan van het gebruik van alcohol tijdens schoolfeesten, of willekeurig of zinloos geweld.

Er zijn naar onze mening twee categorieën klachten die wel expliciet in de wetstekst opgenomen zouden moeten worden. Dat betreft discriminatie en seksuele intimidatie. Artikel 1 van de Grondwet verbiedt discriminatie. Mocht discriminatie op school voorkomen, dan is dit grondwetsartikel natuurlijk een goede basis om een klacht in te dienen bij de klachtencommissie. Maar zoals wij allen weten, zit er een spanning tussen artikel 1 en artikel 23 van de Grondwet. Die spanning is hanteerbaar gemaakt door de Algemene wet gelijke behandeling. Helaas moeten wij vaststellen dat discriminatie van allochtonen nog steeds een alledaags verschijnsel is. Ook discriminatie van homoseksuelen en vrouwen door onder meer allochtonen schijnt op verschillende scholen eerder toe dan af te nemen. Ik gebruik het woordje "schijnt", omdat ik niet over harde, feitelijke gegevens beschik.

Vorig jaar heb ik bij de bespreking van het Onderwijsverslag gevraagd om een onderzoek van de inspectie naar dit verschijnsel. Mij is gemeld dat de inspectie hier moeilijk vat op kan krijgen, omdat deze vormen van discriminatie niet worden geregistreerd. Het opnemen van een bepaling in een klachtenregeling maakt het voor de inspectie beter mogelijk om de aard en de omvang van discriminatie in kaart te brengen. Bovendien kunnen scholen zelf de gegevens gebruiken om eigen beleid te ontwikkelen ter bestrijding van discriminatie. Daarom wil de VVD-fractie dat in de klachtenregeling verplicht een antidiscriminatiebepaling wordt opgenomen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! De heer Cornielje zal zich ongetwijfeld mijn inbreng op dit punt herinneren. Het gaat mij niet om het verwerpelijke van de dingen die de heer Cornielje aan de kaak stelt. Dat is duidelijk, ook voor mij. De vraag is echter of, als in de context van artikel 1 Grondwet en de context van de Algemene wet gelijke behandeling er sprake is van tekortschieten van correctie van laakbare zaken, het via dit middel dat bij amendement wordt voorgesteld nu ineens wel gebeurt. In al die gevallen is toch actie van belanghebbenden nodig? Die wegen zijn al aangewezen. Die wegen zijn begaanbaar. Waarom moet er nog een derde bij?

De heer Cornielje (VVD):

Wij hebben nu artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling. Desondanks, want papier is geduldig, schijnt discriminatie toe te nemen, met name discriminatie van allochtonen, maar ook door allochtonen van homoseksuelen en van vrouwen. Dat is een verontrustend verschijnsel. Die wetten zijn op zichzelf wel een handvat om klachten in te dienen, maar zij zijn althans op dit moment nog niet voldoende om die klachten aanhangig te maken, zo meldt de inspectie. Ik heb daarover ook met de inspectie gesproken en gevraagd of deze vorm van discriminatie op school gemeld wordt. De inspectie kan het moeilijk in kaart brengen, omdat het onvoldoende gemeld wordt.

In dit wetsvoorstel wordt een klachtenregeling verplicht gesteld. Iedere school moet zo'n klachtenregeling hebben. Het enige dat ik vraag, is dat deze klachtenregeling in ieder geval een bepaling moet bevatten over discriminatie en seksuele intimidatie. Daarvoor moeten wij iets regelen. Want wat is de praktijk? Men zal zeggen: discriminatie of seksuele intimidatie komt op deze school niet voor en dus hoeven wij dat niet expliciet in een klachtenregeling op te nemen. Juist over dit onderwerp hebben wij de afgelopen dagen veel kunnen lezen, omdat veel jeugdorganisaties aandacht schenken aan de kwestie van seksuele intimidatie. Er is daarom behoefte aan een kapstok waaraan men de klacht kan ophangen. Die kapstok wil ik aanreiken.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Ik herhaal dat je zorgen kunt hebben over de zaken die de heer Cornielje aan de orde stelt en waarvan hij veronderstelt dat er sprake is van toename van discriminatie. Dat is ons punt niet. Nu staan er twee voertuigen gereed om die klacht aanhangig te maken en te doen toetsen. Waarom moet er nu een derde voertuig bij? Dat is de essentie van mijn vraag, versimpeld weergegeven. Ik zou graag de garantie hebben dat daardoor inderdaad het fenomeen dat wij willen bestrijden, afnam. Maar als die twee voertuigen te weinig worden benut, is het maar de vraag of de doelstelling van de heer Cornielje, namelijk afname van het laakbare, binnen bereik komt.

De heer Cornielje (VVD):

Misschien is de drempel om een klacht in te dienen bij de Commissie gelijke behandeling wel te hoog. Met het wetsvoorstel introduceren wij op schoolniveau een klachtenregeling en het amendement doet niet meer maar ook niet minder dan alle scholen, van welke denominatie ook, verplicht te stellen om een bepaling op te nemen over discriminatie. Leerlingen en ouders kunnen dan in de klachtenregeling zien dat zij hierover een klacht kunnen indienen, als zij hiermee geconfronteerd worden. Wij kennen allemaal de spanning tussen artikel 1 en artikel 23 van de Grondwet en juist daarom is het goed dat alle scholen verplicht worden om in ieder geval een bepaling over discriminatie op te nemen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Een bepaling...

De heer Cornielje (VVD):

Zo staat het in het amendement.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ja, een bepaling dus. De spanning tussen artikel 1 en artikel 23 van de Grondwet, lettend op de positie van het bijzonder onderwijs, is daarmee natuurlijk niet geëlimineerd. Ik zal graag zien dat u royaal aangeeft, ook in dit debat, dat de inhoud van die bepaling in de klachtenregeling geheel onder de autonomie van de bevoegde gezagen blijft vallen.

De heer Cornielje (VVD):

Ik wil niets afdoen aan de Algemene wet gelijke behandeling. Die heeft de spanning tussen artikel 1 en artikel 23 van de Grondwet hanteerbaar gemaakt. De Algemene wet gelijke behandeling zegt dat het enkele feit dat men homoseksueel, vrouw of allochtoon is, geen reden is om onderscheid te maken. Daar wil ik niets aan afdoen. Het amendement wijzigt die regelgeving niet, maar verplicht alleen scholen om op schoolniveau hierover een bepaling in de klachtenregeling op te nemen, evenals scholen zeer waarschijnlijk een bepaling zullen opnemen over bijvoorbeeld pestgedrag en willekeurig geweld. In dat rijtje hoort ook discriminatie thuis, voor iedere school, van welke grondslag dan ook.

De heer Van der Vlies (SGP):

Gezien vanuit het schoolbestuur beoogt u dus geen enkele beperking in het uitdragen en hanteren van de identiteit van de school op de punten die u hebt genoemd? Daarbij blijft uiteraard de wet gerespecteerd, want daar is elk schoolbestuur aan gehouden.

De heer Cornielje (VVD):

Zo is dat, voorzitter. Dit amendement wijzigt niet de Algemene wet gelijke behandeling.

De heer Koekkoek (CDA):

Ik heb moeite met de motivering die de heer Cornielje voor dit amendement geeft. Die motivering is dat er sprake schijnt te zijn van toenemende seksuele intimidatie en discriminatie van homoseksuelen door allochtonen. Om stemmingmakerij te voorkomen, behoor je in dit soort zaken met feiten te komen die in die richting wijzen, of moet je daarover zwijgen. Je moet niet een tussenweg bewandelen, in de zin van: er schijnt sprake te zijn van een toename. Ik vraag de heer Cornielje dan ook of hij kan komen met de feiten. Als dat niet het geval is, lijkt het mij beter om deze beschuldiging achterwege te laten.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! De heer Koekkoek hangt nu een curieuze redenering op. Omdat wij geen instrumenten hebben, beschikken wij niet over de feiten, maar volgens de heer Koekkoek mogen wij niet spreken over het aanreiken van instrumenten omdat wij niet over de feiten beschikken. Vorig jaar al, bij de bespreking van het Onderwijsverslag, heb ik gezegd dat mij signalen hebben bereikt dat discriminatie van homoseksuelen door allochtonen een toenemend verschijnsel is, vooral in de grote steden. Ik zal daar straks ook nog een voorbeeld van noemen. Bij die bespreking heb ik de regering gevraagd om de inspectie de opdracht te geven dit eens te inventariseren en in het volgende Onderwijsverslag de bevindingen daarvan op te nemen. Nu hoor ik van inspecteurs dat zij daar zeer moeilijk de vinger achter krijgen, omdat gegevens hierover niet geregistreerd worden. Daarom wil ik de inspectie graag nieuwe instrumenten aanreiken waardoor het wel mogelijk is om gegevens hierover boven tafel te krijgen. Dat is niet alleen van belang voor de scholen zelf, om een goed beleid op dit punt te kunnen voeren, maar in tweede instantie ook voor de inspectie, die op basis daarvan de minister kan aanbevelen om nadere maatregelen te nemen.

In reactie op de stelling van de heer Koekkoek dat ik moet zwijgen als ik het niet hard kan maken, noem ik het volgende voorbeeld. Een oud-lid van deze Kamer, de heer Huijssen, destijds lid van de CHU en thans van de Partij van de Arbeid, is rector aan een school in Amsterdam. Hij is homoseksueel. Hij is jarenlang "uit de kast geweest", maar zegt nu: in deze tijd kan ik niet meer op mijn school vermelden dat ik homoseksueel ben. Ik kan dit hier publiekelijk zeggen, voorzitter, omdat hij deze uitspraak heeft gedaan in de Gaykrant. Hij heeft er melding van gemaakt om dit verschijnsel aan de orde te stellen. Wij als politici moeten dit signaal oppakken en er iets mee doen. Ik heb geprobeerd er iets mee te doen.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! Dat was precies wat ik bedoelde. Ik vroeg naar concrete gegevens en dit is natuurlijk een belangrijk gegeven. Dat geldt ook voor andere berichten over seksuele intimidatie door bepaalde groepen in het bijzonder. Het is natuurlijk de vraag of het in het geval dat de heer Cornielje noemde, juist ging om discriminatie door allochtonen. Als dat zo is, dan mag het ook genoemd worden. Daar gaat het om.

De heer Cornielje (VVD):

Maar dan nog heb ik geen harde gegevens.

De heer Koekkoek (CDA):

Nee, maar u hebt nu één geval genoemd. Als het ging om discriminatie door allochtonen, dan mag dat genoemd worden. Daarover verschillen wij niet van mening. Het ging er mij om dat u een vrij vage bewering deed. Ik vond dat u die hard moest maken en daartoe heb ik u uitgenodigd.

De heer Cornielje (VVD):

Dan zijn we het eens.

Voorzitter! Nog een enkele opmerking over de seksuele intimidatie. Allereerst natuurlijk de vraag: waarom moeten we dat registreren? Dat is noodzakelijk, omdat het zeer ingrijpend is als het je persoonlijk treft als leerling. Daar moet actie op volgen. Men moet in ieder geval de kans hebben er actie op te ondernemen via een vertrouwenspersoon of anderszins. Ook een onterechte beschuldiging van seksuele intimidatie kan grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor docenten. Ook dat rechtvaardigt een regeling zoals ik heb voorgesteld.

Wij hebben dit in het verslag al aan de orde gesteld, maar de staatssecretaris was toen nog niet overtuigd. Ik hoop dat de staatssecretaris nu ook overtuigd is, zeker na de gedachtewisseling die wij er net over hebben gehad.

In artikel IX wordt een einddatum opgenomen voor het document over de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in scholen in leidinggevende functies. Kan de staatssecretaris aangeven wat de ervaringen tot nu toe met dit document zijn? Een aantal collega's heeft voorgesteld het langer van kracht te laten zijn dan tot 2002.

Samenvattend wil ik nog het volgende zeggen. De VVD-fractie wil scholen de ruimte bieden om een eigen beleid te ontwikkelen met betrekking tot de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs. Over de resultaten die daarmee worden bereikt, moet jaarlijks verantwoording worden afgelegd aan de ouders in de schoolgids. Daarom moet er in de schoolgids feitelijke informatie staan over instroom, doorstroom, uitstroom, schoolverzuim, lesuitval en groepsgrootte. Natuurlijk moeten ook het percentage onvertraagd geslaagden en de Cito-scores of eindexamenresultaten in de schoolgids worden opgenomen. Ouders kunnen zich dan op basis van deze gegevens een oordeel vormen van de kwaliteit van het onderwijs. Maar deze feitelijke informatie is niet voldoende. Niet alle scholen bevinden zich in gelijke omstandigheden. Om de resultaten van verschillende scholen met elkaar te kunnen vergelijken, moet rekening worden gehouden met onder meer het aantal leerlingen dat een leerachterstand heeft. Op de kwaliteitskaart kan men dit aangegeven en zichtbaar maken. Ten slotte moeten ouders en leerlingen in de gelegenheid worden gesteld om een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie over allerlei zaken, zoals pesten en geweld op school. De VVD-fractie wil in alle klachtenregelingen in ieder geval een antidiscriminatiebepaling laten opnemen en een bepaling over seksuele intimidatie. Zij heeft hiertoe een voorstel tot aanscherping van het wetsvoorstel ingediend.

Het schoolplan, de schoolgids en het klachtrecht zijn instrumenten in handen van ouders, leerlingen en scholen om de kwaliteit te bevorderen. Het dagblad Trouw heeft met zijn publicatie het debat hierover nieuw leven ingeblazen. De VVD-fractie hoopt en verwacht dat dit met deze nieuwe instrumenten ook op schoolniveau tot een vruchtbare gedachtewisseling over de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs zal leiden.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.46 uur tot 13.35 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Naar boven