Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 18, item 3

3 Invoeringswet Omgevingswet

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet) ( 34986 );

en van:

  • -de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 29 mei 2020 inzake aanbieding van het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet (34986, letter D);

en van:

  • -het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet;

  • -de nota van toelichting: Ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet.

(Zie vergadering van 27 januari 2020.)

De voorzitter:

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel 34986, Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet, oftewel Invoeringswet Omgevingswet, alsmede het ontwerpbesluit 34986, letter D, ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Ik heet de minister voor Milieu en Wonen wederom welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt heropend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Rietkerk.

De heer Rietkerk (CDA):

Voorzitter. Mensen willen graag veilig en gelukkig leven en genieten van de kwaliteit van de ruimte om hen heen en de dynamiek van de steden. Ze willen genieten van de ruimte, het groen en de rust. Ze willen ondernemen. Dat vraagt kwaliteit van de leefomgeving. Maatschappelijke opgaves, zoals voldoende woningen om te wonen, bedrijven om te werken, land- en tuinbouwbedrijven voor ons voedsel, ruimte voor energietransities en recreatieve gebieden met natuur, vragen afwegingen in onze leefomgeving.

Met de Nationale Omgevingsvisie, afgekort de NOVI, wordt beoogd een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving te bieden. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen en de maatschappelijke opgaven die voor ons liggen. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken, niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. Ik citeer: niet van bovenaf opgelegd, zoals in de NOVI staat. Kan de minister dan een toelichting geven op het antwoord van de regering: "Sommige richtlijnen, bijvoorbeeld de habitatrichtlijn en de richtlijn luchtkwaliteit, bevatten dwingende afwegingskaders waar Nederland niet van kan afwijken. In de regels binnen het stelsel van de Omgevingswet is aangegeven waar de nationale beleidsvrijheid wordt beperkt door Europees bepaalde normen en regels." En het andere antwoord: "In de NOVI is aangegeven dat de nationale belangen in beginsel allemaal van gelijk gewicht zijn." Wat wordt daarmee bedoeld?

De NOVI biedt overigens een kader, geeft richting en zou nationale keuzes moeten maken waar dat nodig is. Op onderdelen is dat wat ons betreft ook echt nodig. Het thema "wonen" heb ik al genoemd. Met de NOVI en de Omgevingswet zetten we een proces in gang waarmee we keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter kunnen maken. Zo bouwen we samen aan een mooier en sterker Nederland.

Voor de ruimtelijke inrichting van Nederland hebben we een betrouwbare overheid nodig. De gemeentelijke belangen krijgen een plaats in de gemeentelijke omgevingsvisies, de provinciale belangen krijgen een plaats in provinciale omgevingsvisies en de nationale belangen krijgen een plaats in de Nationale Omgevingsvisie. Zo vraagt bouwen aan een mooier Nederland sterke verbindingen tussen gemeenten, provincies, waterschappen en de rijksoverheid om als overheid te ordenen in verbinding met burgers, inwoners, ondernemers én maatschappelijke organisaties. Cruciaal voor de christendemocratie is de wijze waarop de overheid orde schept, ordent, waarbij mensen en organisaties zo veel mogelijk invulling geven aan maatschappelijk eigenaarschap. Een combinatie van deze gespreide verantwoordelijkheden en de gedecentraliseerde eenheidsstaat komen bij de ruimtelijke inrichting van Nederland tezamen.

Dan denken wij dat wij daarbij uitgaan in de christendemocratie van het vertrouwen in mensen, van mensen en maatschappelijke verbanden, waarbij de overheid uitgaat van "decentraal wat kan" en "centraal wat moet". Voor mensen en ondernemers is het vooral belangrijk dat er daadkracht en duidelijkheid is. Dat is ook de kern van deze wetgeving.

Door deze christendemocratische bril kijkt onze fractie naar de ruimtelijke inrichting van Nederland, de Nationale Omgevingsvisie, en de bedoeling van de instrumentenkoffer, die daarvoor nodig is, de Invoeringswet Omgevingswet. Het CDA steunt de bedoeling van de Invoeringswet Omgevingswet en zijn vier doelen. Allereerst: van een wirwar aan regels naar een inzichtelijk en voorspelbaar stelsel dat eenvoudig is in gebruik. Twee: van een sectorale naar een samenhangende benadering van de leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Drie: meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk en het maken van eigen afwegingen. Vier: snellere en betere besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.

Deze doelen — de heer Otten heeft daarnaar gevraagd in een interruptie — staan en ze ook worden gesteund door eigenlijk alle fracties in zowel de Tweede als Eerste Kamer als het gaat om de Omgevingswet, met uitzondering, toen nog, van GroenLinks en de Partij voor de Dieren. Als het gaat om de Invoeringswet Omgevingswet, waarin ook deze doelen centraal staan, worden die doelen in de Tweede Kamer gesteund door alle fracties — de SP is wat gaan bewegen en is inmiddels tegen die wet in de Tweede Kamer — en wij staan nu voor de behandeling in de Eerste Kamer. Het CDA kijkt niet alleen naar de huidige praktijk van de ordening, maar ook naar de wetgeving en naar het adagium dat je betrouwbaar moet zijn als het gaat om het innemen van standpunten in een traject dat niet één of twee jaar duurt, maar decennia.

Voorzitter. Een heel mooi voorbeeld in de ruimtelijke inrichting van Nederland is de Gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid. De IJsselmonding is een prachtig gebied in de omgeving Zwolle en Kampen. Dat is een landelijk voorbeeldproject als het gaat om participatie, het betrekken van bewoners en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Dat is gestart in 2007, dus ongeveer zo'n dertien jaar geleden. Het is nu volop in uitvoering, met de Hanzelijn, met de verbreding van de N50, met meer dan 300 hectare nieuwe natuur, met 40 hectare Natura 2000 — 40 hectare — en ook de eerste klimaatdijk in Nederland en twee keer 600 woningen, met een verbinding naar watersport, met fietspaden, met wandelpaden.

In 2007, 2008, 2009 en verder waren er 18 hoofdvergunningen nodig en er waren 160 uitvoeringsvergunningen nodig met besluiten. Dat is de praktijk van toen en ook nog van nu voor een deel. Daar geeft de Omgevingswet ook invulling aan. De bewoners hadden heel veel last van die vele sectorale vergunningen. Zij willen sneller duidelijkheid. Zij hadden geen overzicht, een wirwar aan regels, die ook nog eens moeilijk te doorgronden zijn. Maar ook voor gemeentelijke en provinciale bestuurders evenals voor de regering en de Tweede Kamer was het een lang en complex traject en project.

Ook in genoemd project is de regelgeving op het terrein van het omgevingsrecht uitgegroeid tot een lappendeken aan materiële en procedurele regelgeving, die over de drie bestuurslagen is versnipperd in vele wetten, AMvB's, ministeriële regelingen, verordeningen en nadere besluiten. Het is echt moeilijk voor burgers, maar ook voor ondernemers, politici en bestuurders, om in het huidige regelcomplex een weg te vinden om tot een samenhangend beleid te komen. Kan de regering, zo vraag ik via de voorzitter, aangeven dat door de Invoeringswet Omgevingswet een dergelijk project in de toekomst inzichtelijker, duidelijker en sneller tot uitvoering komt? Ook als ervaringsdeskundige in dit project, als bewoner en als oud-bestuurder in de IJsseldelta, lever ik graag mijn bijdrage aan dit debat.

Voorzitter. Voordat ik namens de CDA-fractie inga op verschillende thema's, heeft onze fractie behoefte om een hardnekkig misverstand aan de orde te stellen. In de aanloop naar dit debat is er door verschillende fracties en ook in de media de suggestie gewekt dat er bij de Invoeringswet Omgevingswet sprake zou zijn van decentralisatie. Het tweede punt is dat de Omgevingswet in één adem wordt genoemd met de decentralisaties van jeugdzorg, de Jeugdwet, en langdurige zorg, de Wmo. En als derde, dat er een soort wildwest in de ruimtelijke ordening zal ontstaan. Ik citeer een van onze collega's. De CDA-fractie neemt hier nadrukkelijk afstand van. De taken en bevoegdheden op het gebied van de fysieke leefomgeving liggen nu al grotendeels bij de decentrale overheden.

Het stelsel van de ruimtelijke ordening is in de kern een gemeentelijke aangelegenheid. Van oudsher hebben gemeenten hierin sturing gegeven, bijvoorbeeld via bouwverordeningen, stratenplannen en uitbreidingsplannen. Een decentrale opzet is altijd het uitgangspunt geweest bij het belangrijke juridische instrumentarium in de ruimtelijke ordening. Dat berust dan ook sinds jaar en dag in eerste instantie bij gemeenten. Wel is het zo dat vanwege maatschappelijke opgaven de ruimtelijke ordening nu een opgave is van drie bestuurslagen, want ook de provincie en het Rijk hebben met nadruk een verantwoordelijkheid en er zal harmonieus worden samengewerkt.

Anders dan bij de decentralisaties in het sociale domein gaat het bij de stelselherziening van het omgevingsrecht niet om het verleggen van taken en bevoegdheden naar decentrale overheden. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in haar advies over het voorliggende wetsvoorstel. In de beantwoording heeft de regering daar een duiding aan gegeven. Daar verwijs ik naar.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

In de beantwoording van de vragen heeft de minister twee manieren van decentraliseren aangegeven. De ene betreft decentralisaties van taken en de andere betreft de decentralisering van de invulling van taken. Binnen de taken die decentrale overheden hebben, namelijk het bestieren van het ruimtelijk domein op lokaal niveau, krijgen zij veel meer verantwoordelijkheid voor een heleboel regels die nu bij het Rijk liggen. Dan kan het toch dat decentrale overheden met deze Omgevingswet veel zwaarder belast worden?

De heer Rietkerk (CDA):

De kern van decentralisatie is de verschuiving van taken en bevoegdheden van het Rijk naar gemeenten en provincies. Die verschuiving van taken en bevoegdheden vindt niet plaats via de Omgevingswet, ook in de ogen van de genoemde afdeling van de Raad van State. Dat is de afgelopen vijftien jaar gebeurd. Het lokale bestuur kan binnen de wettelijke kaders of de provinciale instructieregels meer ruimte bieden passend bij de bevolking. Dat is een feit, maar dat willen we ook met z'n allen. De burgers willen gehoord worden en willen ook participeren. Daar moet dan ook ruimte voor zijn.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Nogmaals, in reactie op het antwoord van het CDA: dan kan het toch dat de lokale overheden veel zwaarder belast worden met deze Omgevingswet?

De heer Rietkerk (CDA):

In de kern niet. De bedoeling van de Omgevingswet is om het overzichtelijker, inzichtelijker te maken en ook digitaal te ondersteunen. Dat betekent dat de gemeenten, die van oudsher deze taken al hebben, in samenwerking met provincies en Rijk dit kunnen oppakken.

De voorzitter:

Mevrouw Kluit in derde instantie.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

De heer Rietkerk noemt nu een aantal voorwaarden waar we gisteravond heel veel over gehoord hebben en vandaag nog heel veel over zullen horen. Er zitten nog heel veel haken en ogen aan het digitale stelsel die in de beantwoording niet zijn weggenomen. De vraag is of het zo gaat werken. Ik heb de volgende vraag aan de heer Rietkerk. Als het niet goed gaat werken, als het niet het ideale scenario is maar het middenscenario of het worstcasescenario, dan worden die lokale overheden wel degelijk heel zwaar belast. Wij weten niet wat de kosten daarvan zijn. We kunnen wel degelijk die decentrale overheden opzadelen met heel veel kosten en heel veel extra werk. Dat kunnen wij op dit moment toch niet goed overzien?

De heer Rietkerk (CDA):

Die verandering in de instrumentenkoffer van de Omgevingswet vraagt een cultuurverandering en kwaliteit van lokale overheden, daarover zijn we het eens. Op het DSO kom ik straks terug, want ik heb daar ook een paar zorgen over.

De heer Nicolaï (PvdD):

Het is juist dat, zoals van de zijde van het CDA wordt gezegd, het omgevingsrecht, de bouwvergunning, altijd al bij de gemeente lag. We hebben het er gisteren over gehad dat er nu iets nieuws is. Mevrouw Klip heeft dat ook nog een keer gezegd. Wij krijgen nu een integrale afweging. Er komen milieuregels in het omgevingsplan, in de omgevingsvergunning enzovoorts. Het instrumentje van de vergunningverlening ligt nog steeds bij B en W maar het is de bedoeling dat dit veel integraler wordt. Daar komen toch allemaal vragen bij kijken waar de gemeente zich op dit moment nog helemaal over niet hoeft te buigen?

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb het voorbeeld genoemd van de IJsseldelta. De gemeente Kampen heeft zich in feite moeten buigen, met de provincie, over 18 hoofdvergunningen en 160 deelvergunningen — toen al, in 2007. Dat was dus toen al aan de orde. De Omgevingswet beoogt nu juist om samenhang te brengen. Burgers willen vooral integraal weten waar zij aan toe zijn en niet iedere keer weer per sectorwetgeving en per sectorvergunning de procedure doorlopen, die heel lang duurt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dus ik hoor de heer Rietkerk zeggen: we zijn blij als CDA dat het nu in één vergunning komt. Maar die ene vergunning komt toch bij de gemeente vandaan?

De heer Rietkerk (CDA):

Als het om gemeentebeleid en gemeentebelangen gaat wel, maar bij een zaak die wat bovengemeentelijk is heb je ook te maken met de provincie en het waterschap en dan zal de omgevingsdienst, waar ook kwaliteiten zitten, de vergunning namens de gemeente leveren. Dat is het samenspel in de ruimtelijke ordening waarover ik het heb gehad.

De voorzitter:

De heer Nicolaï voor de derde.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dus ik begrijp dat de omgevingsdienst nu ineens als het beslissende orgaan naar voren wordt geschoven. Dat is helemaal wonderlijk, maar daar gaan we het nog over hebben, want dat is precies de technocratie. Maar de verantwoordelijkheid ligt nog altijd bij burgemeester en wethouders. Dat was al zo. Nu is er een vergunning aan de orde met een totaal andere inhoud. Daar hoor ik de heer Rietkerk niet over. Dat was eigenlijk ook de vraag van mevrouw Kluit. Het is jammer dat men daar de ogen voor sluit.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog, meneer Rietkerk.

De heer Rietkerk (CDA):

De stelling dat het beleid naar de omgevingsdiensten gaat, daar neem ik afstand van. Het beleid voor de ruimtelijke inrichting blijft bij de gemeenteraad als het gaat om de omgevingsvisie. Naar de uitvoering — dat is ook een taak van de Eerste Kamer als het aan de CDA-fractie ligt — moeten we goed kijken, want die moet doelmatig en effectief zijn. Ik zou graag van de minister horen of ze kan reageren op de gedachten en de misverstanden die ik benoemd heb. Kan ze de CDA-fractie bevestigen in haar gedachten?

Een van de verbeterdoelen is, zoals net gezegd, de bestuurlijke afwegingsruimte op decentraal niveau. Uitgaande van het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving, heeft de CDA-fractie wel zorgen over het verbeterdoel met betrekking tot het onderdeel natuur. Bij de behandeling van de Aanpassingswet natuur zullen we het debat hierover met de regering voeren. Dat laten we nu rusten. Daarbij zal wat ons betreft de vraag aan de orde komen of de huidige Natuurbeschermingswet, en in het verlengde daarvan de Aanpassingswet natuur, ten principale wel past bij de Omgevingswet en haar verbeterdoelen. Dan gaat het met name om de ruimte op gemeentelijk en provinciaal niveau.

Voorzitter. Nu weer terug naar de Invoeringswet Omgevingswet. Aan de hand van een aantal thema's werkt onze fractie uit hoe de bedoeling van de Invoeringswet Omgevingswet richting uitvoering uitwerkt en wat de effecten daarvan zijn. Daarbij is het van belang om steeds de huidige situatie en de ontwikkelingen in de praktijk in de laatste decennia op het gebied van de ruimtelijke ordening in gedachten te houden.

Het eerste thema: betrokkenheid van mensen aan de voorkant en participatie. De CDA-fractie hecht eraan, overigens net als andere fracties die dat thema benoemd hebben, dat participatie toegankelijk is voor iedereen. Van belang is dat burgers hun inbreng kunnen leveren bij de besluitvorming over initiatieven waardoor zij geraakt worden of geraakt dreigen te worden. Het is aan het bevoegde gezag om in zijn kennisgeving, in een participatietraject of via een visie op participatie, invulling aan participatie te geven. Dat biedt de burgers op lokaal niveau houvast. Gelukkig biedt de huidige inspraakverordening van decentrale overheden ook nu al ruimte om een breed participatiebeleid te voeren. Dat gebeurt nu al, zij het niet overal.

Gelet op het debat met mevrouw Nooren heeft de CDA-fractie nog een aanvullende vraag aan de minister. Kan de minister aangeven wat de toegevoegde waarde is van een participatieverordening in de toekomst ten opzichte van een inspraakverordening en de mogelijkheden die bijvoorbeeld de gemeenteraad nu al heeft door zelfstandig participatievoorwaarden te stellen, gekoppeld aan een omgevingsvisie? Kan de minister aangeven wat het verschil tussen die twee is, dus de praktijk van nu en de gewenste toekomst? Qua bedoeling zijn we het met elkaar eens, maar de vraag is of je daarvoor wetgeving nodig hebt. Wij zijn overigens voor meepraten en creatief meedenken over oplossingen. Dat heb ik ook aangegeven in het debat met de PVV-fractie. Momenteel vindt ook al geregeld participatie plaats. De regering stelt dat de betekenis van de Omgevingswet is dat participatie een steviger wettelijke basis krijgt, waardoor het gemeengoed gaat worden. Kan de minister toelichten op welke wijze dit dan de bewoners en de ondernemers ten goede komt? De CDA-fractie erkent, mét de regering overigens, dat het goed vormgeven van het participatieproces niet altijd eenvoudig is. Dat hangt wel af van een thema, een onderwerp, een project en een plan. De minister heeft om die reden aangekondigd met de Nationale ombudsman overleg te voeren. De CDA-fractie is nieuwsgierig wat het resultaat van dat overleg is.

Verder heeft de Tweede Kamer twee amendementen aangenomen om burgers meer in positie te brengen als het gaat om de participatie. Dat vinden we goede verbeteringen die de Tweede Kamer heeft aangebracht.

De regering is met de CDA-fractie van mening dat burgers en maatschappelijke organisaties ook bij de invoeringsbegeleiding zo goed mogelijk moeten worden betrokken. Daarom zal de regering dit jaar een toolkit aanbieden, zo staat er geschreven, die het bevoegd gezag helpt bij de communicatie over de Omgevingswet richting zijn inwoners en organisaties. Kan de minister aangeven wat zij bedoelt met de genoemde communicatietoolkit?

Bij het ontbreken van specifieke procedurele eisen voor participatie is de rechter aangewezen op algemene rechtsbeginselen, zoals bijvoorbeeld het vereiste van zorgvuldige voorbereiding, het zorgvuldigheidsbeginsel; het vereiste van een goede belangenafweging en evenredigheid, het evenredigheidsbeginsel, en het vereiste van een draagkrachtige motivering, het motiveringsbeginsel. Beoordeelt de bestuursrechter dit op basis van de artikelen 3.2, 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht? Is hier al jurisprudentie over? Dat zou de CDA-fractie graag beantwoord willen zien door de minister.

Dan het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Allereerst merk ik op dat we bij een aantal eerder gestelde vragen zullen aansluiten, zeker ook bij de vragen die nog komen van de heer Verkerk. Voorts constateren wij dat het programma Aan de slag met de Omgevingswet naast de kwartaaldemonstraties over de werking van het DSO en de ervaringen van gebruikers ook ieder kwartaal interbestuurlijke sessies voor overheden organiseert. We hebben begrepen dat dat verspreid is over het hele land. Die sessies hebben een naam gekregen, namelijk de slagsessies. Dat klinkt heel kordaat en actiegericht. Hoe verlopen die slagsessies? Kan de minister daarover wat meer zeggen?

De landelijke voorziening van het digitale stelsel wordt vervolgens in 2020 stapsgewijs verder afgebouwd. Dat is een proces wat stapsgewijs gaat. Het merendeel van de resterende opgave uit het basisniveau zal in de eerste helft van 2020 worden gerealiseerd, zoals de archieffunctie en het ambtshalve kunnen indienen van een papieren aanvraag. In de voortgangsbrief van 29 november jongstleden en de bijlage die u naar de Eerste Kamer heeft gezonden, zijn we weer geïnformeerd over de stappen die met het DSO gezet worden in 2020 en over de minimale criteria op het gebied van implementatie die nodig zijn voor inwerkingtreding.

In twee kwartalen in 2020 wordt bekeken of de ontwikkelde software ook echt werkt. Dat is voor de CDA-fractie cruciaal. Voor de burgers, de ondernemers en degenen die gebruik willen maken van omgevingswetgeving is het cruciaal dat de ontwikkelde software in het ICT-systeem, in het DSO, werkt. De CDA-fractie wil een toezegging van de minister dat hierover in de laatste voortgangsbrief vóór de behandeling van de voorhang koninklijk besluit meer duidelijkheid bestaat.

En nu de vergunningencheck. Een burger die te goeder trouw handelt en de juiste gegevens volledig invult, zal er in het algemeen van uit kunnen gaan dat de uitkomst van de vergunningencheck aanvaard wordt door het bevoegd gezag. Kan de minister aangeven hoe dat in zijn werk gaat? Want ná de inwerkingtreding is het niet anders dan eigenlijk nu het geval is, bij een voorziening als het Omgevingsloket online en het Activiteitenbesluit Internet Module, of een papieren aanvraag. Absolute en onherroepelijke zekerheid wordt uiteraard pas verkregen na het indienen van een aanvraag en de daarop ontvangen beschikking van het bevoegde gezag. Ziet het CDA dit goed, zo vraag ik de minister.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich overigens meerdere keren uitgesproken over de juridische status van de uitkomst van een vergunningcheck in het Omgevingsloket online. Daarbij kwam de afdeling tot het oordeel dat de geldende regelgeving bepalend is bij het vaststellen van de vergunningplicht en een burger zich niet uitsluitend kan baseren op een vergunningcheck, mede aangezien de uitkomst afhangt van de door de burger zelf ingevulde gegevens. Wat betekent deze uitspraak volgens de minister voor het DSO?

De financiën van het DSO. Financieel gezien wordt de doorontwikkeling gedekt uit de door het Rijk en decentrale overheden gezamenlijk opgebrachte, taakstellende, jaarlijkse beheersbudget van 25,9 miljoen plus indexatie. Onder uitbouw wordt verstaan het toevoegen van substantiële nieuwe functionaliteit en/of inhoud die nog niet in het basisniveau zit. Inmiddels is interbestuurlijk de agenda-uitbouw geformuleerd en wij hebben begrepen dat er meerjarig 50 miljoen beschikbaar is. Klopt dat? Ik dacht dat ook de SP-fractie daarover een vraag heeft gesteld, namelijk of er een gat van 50 miljoen is. Ik heb begrepen dat het inmiddels meerjarig gedekt is, maar ik hoor toch graag een antwoord van de minister daarop. Kan de minister verder aangeven dat er voor januari 2011, het moment waarop het van kracht zou moeten worden, geen financiële problemen meer zijn voor het DSO als het gaat om dat basisniveau?

De rol van de overheid. Het Rijk en de bestuurlijke koepels hebben samen financiële afspraken gemaakt over de invoering van het nieuwe beleid. Deze afspraken gelden voor het geheel van alle gemeenten, provincies en waterschappen. In financiële zin is de inwerkingtreding van het stelsel op 1 januari 2021 van belang, opdat vanaf dat moment ook de vruchten van het nieuwe stelsel kunnen worden geplukt. Zijn er bij medeoverheden nog financiële problemen bij de uitvoering, zo vraag ik de minister. En zo ja, waar ziet de minister deze dan en hoe denkt de minister deze op te lossen?

De provincies willen in het tweede kwartaal van 2020 hun ontwerpverordening conform de nieuwe standaarden kunnen publiceren en eind 2020 willen zij dat doen conform de definitieve visie. Dat past bij de planning zoals de regering die ziet en zoals wij die ook zien. Gaat dit volgens de minister lukken? Ik vraag dat, omdat de inhoud van een omgevingsverordening voor een groot deel zal voortvloeien uit de inhoud van de provinciale omgevingsvisies en de regelgeving op grond van de Omgevingswet en dan met name de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voorzitter. De gemeenten zullen een heel aantal taken moeten uitwerken en in januari 2021 klaar moeten hebben. Dat heeft te maken met het omgevingsplan. Overigens hebben ze daar bij de actualisatie tot 2029 de tijd voor, dus: liever morgen, maar er is gelukkig ook tijd voor die gemeenten die er wat problemen mee hebben. Dat zien wij ook, want een aantal gemeenten redt dat niet op tijd. Maar dat hoeft ook niet, want je hebt tot 2029 als gemeente. Dat heeft verder te maken met de digitale aanvragen en het verder afhandelen van de aanvragen voor de omgevingsvergunning. Verder hebben de gemeenten ook nog hun eigen vergunningen, de wat kleinere vergunningen. Die zullen ze ook qua vergunning en meldingsplicht op orde moeten hebben. De criteria die de regering noemt in de schriftelijke antwoorden, de minimale criteria en de wettelijke verplichtingen, gelden voor alle gemeenten in Nederland en vormen een adequate waarborg om ervoor te zorgen dat alle gemeenten in voldoende mate kunnen meekomen. Wat gaat de minister nu doen met die gemeenten die deze ambitie, die ze graag willen, toch niet kunnen waarmaken?

De omgevingsdiensten. De CDA-fractie vindt het goed functioneren van robuuste omgevingsdiensten van cruciaal belang voor de uitvoering van de handhaving van wet- en regelgeving. De omgevingsdiensten voeren veel taken uit bij de vergunningverlening, handhaving en toezicht. De CDA-fractie heeft vragen gesteld aan de regering over het groeiende tekort in het Gemeentefonds vanwege de trap-op-trap-afsystematiek en het onvoldoende uitgeven volgens de rijksbegroting in 2019. Hier ligt naar ons idee wel een financieel risico. Dat heeft te maken met de tekorten bij de gemeenten op bijvoorbeeld het sociaal domein, want wanneer net als in 2019 ook in 2020 de rijksuitgaven achterblijven, is er vanwege het Gemeentefonds een dreigend groter financieel tekort bij de gemeenten. En dat kan zomaar zo zijn, gelet op de PAS-discussie en de stikstofdiscussie. Kan de minister ingaan op dat risico en de manier waarop ze daarmee omgaat in relatie tot de gemeentelijke investeringen, ook voor de robuuste omgevingsdiensten? Kan de minister verder aangeven hoe zij omgaat met deze dreigende problemen en de kwaliteit van de 5.500 medewerkers van die robuuste omgevingsdiensten? Er zal namelijk geïnvesteerd moeten worden in de professionaliteit en de cultuuromslag.

Gemeenten en initiatiefnemers van activiteiten zullen bij beleidsafwegingen in het kader van de planvorming gebruik moeten kunnen maken van kennis en expertise van de omgevingsdiensten. Zijn er afspraken gemaakt met de gemeenten en de omgevingsdiensten over de advisering en over de financiering daarvan? Kan de minister verder aangeven of er mogelijkheden zijn gecreëerd om relevante omgevingsgegevens van die omgevingsdiensten voor iedereen beschikbaar te krijgen?

De rechtsbescherming. Tijdens de vragenronde zijn er al veel vragen gesteld over de rechtsbescherming. De CDA-fractie heeft nog een paar vragen. Een nieuw ijkpunt hierin vormt de einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van mei 2019. Met die uitspraak lijkt een nieuwe lijn ingezet te zijn, waarin eerder dan voorheen een gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend aan uitlatingen en gedragingen van ambtenaren. Afgewacht moet worden wat dat betekent voor de vergunningcheck en de daarover gevormde jurisprudentie. De regering acht het denkbaar dat als te goeder trouw wordt gehandeld op basis van een eenduidige uitkomst van een concrete en gedetailleerde vergunningcheck, maar door het bevoegde bestuursorgaan toch een overtreding van geldende regelgeving wordt geconstateerd, een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aan de orde zal zijn. Vervolgens moet dan de vraag beantwoord worden wat de betekenis is van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de bevoegdheid tot handhaving. Daarbij speelt de vraag in hoeverre het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel, mede gelet op de belangen van derden, kan leiden tot gedogen van de overtreding of het al dan niet geheel of gedeeltelijk schadeloos stellen van betrokkenen ingeval tot ongedaanmaking van de overtreding moet worden overgegaan.

Wij hebben daar een vraag over, want in de antwoorden staat dat het voor een vergunning van een aangevraagde activiteit soms nodig is om een voorvraag te stellen om niet in de problemen te komen als bewoner of ondernemer. Wat betekent dit nu voor een mkb-ondernemer en voor een inwoner? En moet er nu voor alles eerst een voorhang worden beantwoord door het bevoegde gezag, voordat er een vergunning nodig is? Kan de minister daar duidelijkheid over geven?

De werklast. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat de werklast zal toenemen. Ik sluit daarbij aan bij een aantal observaties van collega's. Wanneer de werklast — het is de vraag of dat zo is, maar dat zal in het begin zeker zo zijn — meer toeneemt dan vooraf ingeschat, dan zal het ministerie van Binnenlandse Zaken in samenspraak met andere ministeries en beleidsdepartementen afspraken gaan maken over de verdeling van de kosten. Kan de minister bevestigen dat de minister van Ruimtelijke-inrichting als coördinerend minister het voortouw neemt bij het beantwoorden van vragen die over deze mogelijke situatie zullen rijzen? Verder ziet de CDA-fractie deze ontwikkeling graag in een jaarlijks evaluatierapport, opgesteld door een onafhankelijke commissie, terugkomen. Ik kom daar aan het eind van mijn betoog op terug.

Het monitoren. De CDA-fractie constateert dat er met halfjaarrapportages gewerkt wordt en met een soort nog op te stellen implementatiemonitor. Ik sluit eigenlijk aan bij de vragen van mevrouw Klip over de behoefte aan een integrale monitor die op tijd aangeeft wat de voortgang is. Ik heb nog wel een aanvullende vraag. Tegenwoordig leven we in een digitaal tijdperk en kan de minister daarom ook ingaan op de mogelijkheid om zo'n monitor gewoon sneller digitaal beschikbaar te stellen? Wanneer een monitor bij de Kamer binnenkomt, is die namelijk vaak alweer achterhaald. We kunnen dan zeggen: dat is mooi, want dat betekent dat er vooruitgang in zit. Maar het is wel heel erg lastig voor een controlerend orgaan om dan het goede debat te voeren. We leven dan immers nog in het verleden. Wij willen graag in het heden leven en naar de toekomst kijken!

Wat de evaluatie betreft vraagt de CDA-fractie mede namens de fracties van onder andere VVD, 50PLUS, D66, GroenLinks, Forum voor Democratie en de ChristenUnie, en in lijn met de PvdA-fractie, waarom er in de wet geen waarborgen zijn opgenomen voor een onafhankelijke evaluatie, terwijl de regering die wel nastreeft. De regering ondersteunt in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State het belang van een onafhankelijke evaluatie van de wet. De regering heeft geen aanleiding gezien om de onafhankelijkheid van de evaluatie nader in de wet zelf vast te leggen.

De regering laat het in het midden, ook na drie vragenronden, waarbij de CDA-fractie iedere keer op dit punt is door gaan vragen. Waarom ziet de regering dit niet zitten? En waarom geeft de regering iedere keer een procesantwoord, zonder inhoudelijk in te gaan op de noodzaak van die onafhankelijke evaluatie? In plaats daarvan krijgen we een procesantwoord in de trant van dat we eerst ervaring moeten opdoen met wetten, AMvB's, regelingen en dat soort zaken, en dat er dan eventueel gekeken kan worden. Daar nemen wij geen genoegen mee. De CDA-fractie hecht eraan om een onafhankelijke evaluatiecommissie in te stellen, die de jaarlijkse evaluatie van de Omgevingswet cum suis, ook gelet op de monitorcijfers, in beeld brengt. Op dit punt vraagt de CDA-fractie een toezegging van de minister.

Voorzitter. Voordat ik afrond nog twee punten.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Voorzitter. Zou de heer Rietkerk kunnen ingaan op de vraag of als onderdeel van die monitor en van die evaluatie, ook de milieueffectrapportages in het kader van het nieuwe instrumentarium in de Omgevingswet een plaats moeten krijgen?

De heer Rietkerk (CDA):

Ja, ik denk dat de monitor integraal is en dan gaat het niet alleen om de plan-MER's, maar ook om de project-MER's en de ontwikkeling. Wij gaan ervan uit dat er een integralere planvorming is, waardoor er minder sectorale effectrapportages hoeven te komen. Dat is een opinie, maar het antwoord op de vraag is ja.

Voorzitter. Ik was bezig met twee punten voordat ik tot een afronding kom. Allereerst het onderdeel nadeelcompensatie. Collega Moonen van D66 heeft daar een vraag over gesteld. Wij sluiten ons kortheidshalve bij die vragen aan. Wij willen graag een verduidelijking daarover. En de tweede opmerking is: waardering en dank aan de minister en daarmee ook aan al haar adviseurs voor de schriftelijke informatie, alle vragen die beantwoord zijn, de technische briefings. Daarbij wil ik de opmerking maken dat sommige vragen te procesmatig beantwoord zijn, maar die komen in het debat terug. Maar er is heel veel werk verricht, dus dank daarvoor.

Voorzitter, ik kom nu echt tot een afronding. Naast een aantal toezeggingen die ik gevraagd heb, hebben wij vier punten en die kan ik kort duiden. Voordat we tot een oordeel komen over de Invoeringswet Omgevingswet, die wij in de kern met een positieve grondhouding tegenover staan, want wij zien het glas als meer dan halfvol, hebben wij behoefte aan een antwoord op een aantal vragen en aan een aantal toezeggingen op punten waar wij duidelijkheid over willen hebben. Op een aantal thema's zouden wij de minister willen vragen om in de laatste voortgangsbrief voordat wij de voorhang van het ontwerp van het inwerkingtredings-KB behandelen, met een goede en duidelijke onderbouwing te komen. Dat heeft met het DSO te maken, daar hebben we het al eerder over gehad. Wij willen een realistisch beeld van de situatie eind 2020 in die voortgangsbrief, en we willen de toegankelijkheid voor inwoners daarbij een plek geven. Andere collega's gaan daar ook op in of zijn daarop ingegaan. De robuustheid van de omgevingsdiensten vinden wij ook cruciaal en het troubleshootersteam of ondersteuningsteam waar de heer Dessing over gesproken heeft, steunen wij ook, evenals tot slot uiteraard de onafhankelijke evaluatiecommissie.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Ik heb een vergelijkbare vraag aan de heer Rietkerk. Is onderdeel van de voortgangsbrief wat u betreft ook inzicht in de kosten van de uitvoeringspraktijk, de rapportage die nu gepland staat in het najaar 2020?

De heer Rietkerk (CDA):

Ja, wij willen ook een financieel overzicht hebben van de investeringen, die meerjarig nodig zijn in beheer en in onderhoud. Dat betekent dat we aan de minister hebben gevraagd wat daarin de verantwoordelijkheid van het Rijk is en wat er bij decentrale overheden wordt neergelegd. Ik heb over de gemeenten mijn zorg geuit. We willen dus ook een financieel inzicht.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

En breder dan alleen het DSO, hè?

De heer Rietkerk (CDA):

Ik weet niet hoe breder, maar op de onderwerpen die wij benoemd hebben, willen wij financieel inzicht hebben.

De voorzitter:

Mevrouw Kluit, de derde.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

De rapportage gaat ook over hoeveel extra werk er bijvoorbeeld komt door die extra regelgeving en wat dat aan extra inzet van gemeenten vraagt. Dat verwacht ik in ieder geval van de kosten van de uitvoeringspraktijk bij gemeenten. Als ik het zo uitleg, gaat u daarin mee? Gaat de heer Rietkerk daarin mee? Sorry, voorzitter.

De heer Rietkerk (CDA):

Niet alleen bij gemeenten, maar juist ook bij die robuuste omgevingsdiensten, want die gaan over de vergunningverlening, de handhaving en het toezicht als het gaat om wat complexere vergunningverlening. Kijk, die kapvergunning, dat kan de gemeente wel.

Mevrouw Nooren (PvdA):

De vraag van de timing. Deelt de heer Rietkerk de opvatting van de Partij van de Arbeid dat het pas zinvol is om het hier over de invoerings-KB te hebben, als daar een beeld over is? Er wordt nu gezegd dat de invoerings-KB voor de zomer moet komen, maar stel dat die informatie pas later beschikbaar is, betekent dat dan ook dat we hier pas later over de invoerings-KB kunnen spreken?

De heer Rietkerk (CDA):

Ik wil graag het antwoord van de minister hebben dat we tijdig voor de behandeling van het KB onderbouwde informatie krijgen op de vijf punten die ik heb genoemd en een aantal punten die collega's hebben genoemd. Dan kunnen we de behandeling starten.

Mevrouw Nooren (PvdA):

Tijdigheid is een thema, maar het gaat ook over de inhoud en de kwaliteit van die voortgangsrapportage. Die rapportage moet zodanig zijn dat het zinvol is dat het invoerings-KB er is. Nu staat er "voor de zomer dat invoerings-KB", maar volgens mij deelt de heer Rietkerk de opvatting van mijn partij dat het pas zinvol is daarover te praten als er een toereikend antwoord is op de vragen.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb dat namens de CDA-fractie "een onderbouwd en realistisch antwoord" genoemd en dan kunnen we ook daadkracht tonen, zeg ik vooral tegen de heer Otten, want die zat al te zoeken naar waarom we het hier doen. Daadkracht.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Rietkerk. Dan ga ik naar de heer Van Dijk, die namens de fractie van de SGP het woord zal voeren.

De heer Van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. We mogen inmiddels terugzien op een aantal hele fraaie en inhoudelijke bijdragen in eerste termijn. Een van de aardigste, in ieder geval qua vorm en opening, vond ik toch wel die van mijn collega Janssen, die opende met de beroemde Franse romanschrijver Marcel Proust, aan de hand van een paar werken van hem. Heel leuk gevonden, vond ik dat in dit verband, want zoals mijn collega waarschijnlijk ook wel weet, was die Proust extreem gevoelig voor zijn omgeving. Hij was hyperallergisch voor stof, hij was zwaar astmatisch, hij kon ook absoluut niet tegen geluid. Hij sliep in een geluiddichte kamer. Heel leuk gevonden dus, want Proust had zeker iets gevonden van deze Omgevingswet. Maar goed, ik wou niet beginnen met Proust, maar met Goethe. Ik citeer hem. "Als je alle wetten zou moeten bestuderen, zou je geen tijd meer hebben ze te schenden." Ik denk dat dat wel hele ware woorden zijn. Kan de minister de Kamer verzekeren dat dit geen oogmerk van haar is geweest bij de majeure wetgevingsoperatie die wij nu onderhanden hebben?

Voorzitter. Eerst wat fundamentele noties en vragen van de SGP. De Raad van State plaatste in zijn jaarverslag over 2018 kritische noten bij kaderwetten. Tegenover bestuurlijke bewegingsruimte staat minder rechtszekerheid voor burgers. De raad waarschuwde voor het doorschuiven van wetgevende macht van het parlement naar de regering. Ik citeer: "Deze rolopvatting van de wetgever zet het rechtsstatelijk kader — het fundament voor wetgeving — onder druk." De raad geeft aan dat te gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan de principiële vraag of de keuze voor kaderwetgeving hoe dan ook gerechtvaardigd is, gelet op het te ordenen maatschappelijk vraagstuk. Ik citeer: "De Omgevingswet is daarvan het duidelijkste en meest verstrekkende voorbeeld." Het adviesorgaan tekent aan dat een eenvoudige rekensom laat zien dat 95% van de regelgeving niet door de wetgever, maar door de regering tot stand wordt gebracht, met ongekend grote beleidsruimte voor het bestuur. Wordt wel voldoende houvast geboden? Ik hoor toch graag nog een keer de reactie van de minister op deze fundamentele kritiek. De SGP heeft ervoor gepleit in aanloop naar de Invoeringswet te kijken naar het alsnog opnemen van belangrijke normen in de Omgevingswet zelf. Dat is niet echt gebeurd. Graag ook hierop een reflectie van de minister.

Voorzitter. De Omgevingswet stimuleert interbestuurlijke samenwerking op basis van prachtige toekomstplannen. Collega Rietkerk gebruikte een heel aantal keren het mooie woord "samenspel". Dat is waar. In dit verband heeft minister Ollongren eerder gesproken over vloeibaar openbaar bestuur, en absoluut, er is inderdaad heel veel samenwerking nodig om de grote opgaven op te pakken. Het mag echter niet zo zijn dat daarmee verantwoordelijkheden en bestuurlijke aansprakelijkheid afgeschoven worden en de democratische legitimiteit van besluiten op losse schroeven komt te staan. Minister Ollongren noemde in haar recente Van Poeljelezing de regionale energiestrategieën die opgesteld worden. Die hebben een duidelijke omgevingscomponent, maar geen juridische status met bijbehorende waarborgen. De bedoeling is wel dat zo'n energiestrategie haar weerslag gaat krijgen in omgevingsverordeningen en omgevingsplannen. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) worden de instrumenten omgevingsagenda's en NOVI-gebieden genoemd. Bedoeld om samenwerking te stimuleren, maar ze staan niet in de Omgevingswet. Ik hoor graag van de minister hoe voorkomen gaat worden dat bestuurders zich onverhoopt gaan verschuilen achter hogere agenda's en strategieën en dat de democratische legitimiteit door de toenemende interbestuurlijke samenwerking ook vloeibaar wordt.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Mag ik de fractie van de SGP vragen hoe zij dit zelf duidt. U noemt een aantal voorbeelden. Ik heb die ook genoemd. Hoe duidt u zelf deze beweging?

De heer Van Dijk (SGP):

Een heel terechte vraag, maar ik vind het ook een moeilijke. Ik stel die vraag niet voor niets aan de minister. Ik erken volkomen dat de interbestuurlijke samenwerking, die de Omgevingswet terecht stimuleert, heel erg nodig is. Mijn vraag is hoe we de balans bewaren zodat het niet ten koste gaat van de democratische legitimiteit. Dit is eerlijk gezegd ook een oprechte vraag aan de minister.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Dijk (SGP):

Dan een aantal vragen over onderdelen van de wetgeving. Ik begin met de voorbereidingsprocedure. De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen die het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen in plaats van de kortere reguliere procedure. Die mogelijkheid is beperkt tot activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben of waartegen verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben. Die randvoorwaarden zijn uiteraard voor meerdere uitleg vatbaar en kunnen misschien ook zomaar een politieke speelbal worden. Deelt de minister de mening van de SGP dat het hier moet gaan om uitzonderlijke gevallen?

De Omgevingswet en de Omgevingsregeling bepalen na amendering door de Tweede Kamer dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning aangegeven moet worden of en, zo ja, hoe sprake is geweest van overleg met de omgeving. De gedachte erachter is zeer sympathiek, maar er is hier ook een risico van onduidelijkheid en onnodige ruis in de aanvraagprocedures. Ik geef een concreet voorbeeld om het even scherp te krijgen. Neem de plaatsing van een dakkapel. Het zal toch niet zo zijn dat hiervoor altijd overleg gevoerd moet worden met de buren, laat staan dat instemming nodig is? Graag een nadere duiding op dit punt.

De SGP zet vraagtekens bij de wijze waarop het kabinet omgaat met schaduwschade en indirecte planschade. Het kabinet schuift het moment van bepaling van het waardeverlies en bijbehorende schadevergoeding van het planstadium naar het moment van vergunningverlening of actie. Daarbovenop komt niet een conservatieve schatting van het normaal maatschappelijke risico, een forfait van 2%, maar juist een verhoging van het standaardforfait naar 4%. De Raad van State was hier knap kritisch over. Een omgevingsvisie kan al haar schaduw vooruitwerpen en invloed hebben op de waarde van woningen en de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling en een omgevingsplan nog meer. Ik constateer het volgende en de vraag is of we dat willen. In de praktijk gaan burgers en bedrijven dus meer schaduwschade en indirecte planschade zonder vergoeding op hun bord krijgen.

De minister geeft in de schriftelijke reactie aan dat het effect van het omgevingsplan op tussentijdse waardeschommelingen beperkt zal zijn. Inderdaad, over het algemeen zal dat best het geval zijn, maar in bijzondere gevallen kan dat echter anders liggen. Ik heb daar zorg over. We kennen 355 gemeenten en miljoenen gebouwen. Dan kan dit aantal bijzondere gevallen nog best hoog liggen.

De minister geeft aan dat het wenselijk is dat omgevingsplannen globaal ingevuld worden en dat vergoeding van planschade dit belemmert. Inderdaad, maar punt is wel dat je, ook als een omgevingsplan op onderdelen wél concreet ingevuld wordt, nog steeds geen recht hebt op schadevergoeding. Is er geen middenweg denkbaar tussen de huidige situatie met een vergoeding voor indirecte planschade en een minimumforfait van 2% en de nogal stevige lijn van de minister van geen vergoeding van indirecte planschade en een forfait van 4%, nog afgezien van de schaduwschade van omgevingsvisies. Kan de minister hier op een bepaalde manier onderzoek naar doen? Ik wil hierbij vooral het volgende beklemtonen. Laten we niet vergeten dat het uitzicht op een redelijke tegemoetkoming, schadevergoeding, de medewerking van partijen aan ruimtelijke ontwikkeling kan verbeteren, met alle versnelling die daarmee gepaard kan gaan.

Ik heb een aantal vragen over de invoering. Er is een discussie tussen juristen over de vraag of de provinciale omgevingsverordening al vóór het van kracht worden van de Omgevingswet voorbereid en vastgesteld mag worden. De een zegt dat het vaker op deze manier gebeurt en de ander zegt dat in dit specifieke geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, maar dat die nog geen wettelijke basis heeft. In de schriftelijke ronde is hierover van gedachten gewisseld. Om het ook voor mijzelf even goed duidelijk te hebben: hoe kan de minister garanderen dat omgevingsverordeningen die vóór 1 januari 2021 vastgesteld worden niet vernietigd worden?

Vanaf 2021 worden oude bestemmingsplannen bevroren en gaan als zodanig over naar het omgevingsplan. Stukje bij beetje worden de oude regels vervangen door de nieuwe omgevingsregels. Experts vragen zich af of gemeenten het aankunnen bij deze stap-voor-stapbenadering steeds de gewenste integraliteit voor ogen te houden. De kans is aanwezig dat ervoor gekozen wordt om nog snel voor 2021 allerlei planwijzigingen in gang te zetten en om na 2021 te gaan werken met afwijkvergunningen. Zou het niet denkbaar en haalbaar zijn om gemeenten de ruimte te geven om het omgevingsplan grondig aan te pakken en in de tussentijd de mogelijkheid te houden om het oude bestemmingsplan aan te passen?

Voorzitter, tot slot het DSO. Collega Verkerk zal er straks wat uitgebreider ook namens de SGP op ingaan. Ik maak een paar hoofdopmerkingen. Een belangrijke vraag natuurlijk: is invoering per 1 januari 2021 haalbaar? Een belangrijke pijler van het nieuwe stelsel is het DSO. Tijdens het laatste rondetafelgesprek werd aangegeven dat het DSO nog in een laboratoriumstadium is. Er is veel gedaan, maar er is ook vertraging en nog veel werk aan de winkel, zeker als je naar het ideale scenario wil waarin voor initiatiefnemers met een druk op de knop alle ruimtelijke informatie inzichtelijk is.

Betrokkenen geven aan dat meer budget nodig is om het tot een goed einde te brengen. Er is ook oefentijd nodig voor gemeenten. Om het even op scherp te zetten: is de wens om op 1 januari 2021 van start te gaan niet te veel de vader van de gedachte? Waarom denkt de minister dat het verantwoord is, terwijl nog zo veel werk verzet moet worden? Komt er extra budget? Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede resultaten. Bestuurders en managers willen nog wel eens een te zonnige bril opzetten. Ook de ambtenaren op de werkvloer en vergunningaanvragers moeten ermee uit de voeten kunnen. Graag zorgvuldigheid boven snelheid.

Ik zie uit naar de beantwoording, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Dan is het woord aan de heer Nicolaï namens de Partij voor de Dieren.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. De heer Janssen is met Proust begonnen. Zojuist hebben we ook Goethe in deze zaal binnengekregen. Ik wou dat ik het allemaal nog kon lezen, maar sinds ik lid van deze Kamer ben, moet ik mij tot de krant beperken. De heer Cliteur snapt dat wel. We komen allebei uit de wetenschap en houden van lezen, maar literatuur is er niet meer bij. In de krant zag ik iets dat ik wil citeren. Er stond boven een heel groot stuk in de Volkskrant: "Ontworpen door clowns onder leiding van apen". Nu zult u misschien denken dat mij die titel opviel omdat er apen in voorkwamen. Velen in dit huis weten boven welk stuk die kop stond, namelijk boven een groot artikel over de Boeing 737 MAX. Het was een citaat van iemand uit het productieproces van dat vliegende monster. Voorzitter. Een clown houdt ons voor de gek. Hij probeert ons te laten geloven in het onmogelijke, maar dan, pats, daar in de piste van het circus spat het uit elkaar en blijkt het een verzinsel met dramatische afloop. Dat zal de reden zijn dat de medewerkers van Boeing de ontwerpers van het rampvliegtuig als clowns neerzetten, want de veiligheid van het vliegtuig bleek een luchtkasteel.

Voorzitter. Of je nu een vliegtuig bouwt of een nieuw wetgevingsstelsel van grote omvang in elkaar zet, bij beide projecten bestaat eenzelfde dynamiek; een dynamiek van schouders eronder, afvallers niet gewenst. Ontwerpers willen je doen geloven dat het project gaat slagen; luchtkastelen, en gebreken die verdoezeld worden. Naarmate er meer mensen bij betrokken raken, heeft iedereen er een toenemend belang bij dat de lange mars tot het einde wordt afgelegd.

Voorzitter. Kijken we naar het traject van de Omgevingswet. Dat heeft de allure gekregen van het lanceren van een nieuw product door een grote onderneming, waarbij websites, reclameachtige campagnes en steunverwerving onder vermeende afnemers een belangrijke rol spelen. Alles was en is erop gericht om mogelijke kritiek die tot uitstel of zelfs afstel zou leiden, de pas af te snijden. Het organiseren van bijeenkomsten waarin IPO, VNG en de Unie van Waterschappen bezweren dat niemand het in zijn hoofd moet halen om het proces te vertragen, roept het beeld op van de grote vliegtuighal waarin met gejuich wordt aangekondigd dat de Boeing 737 MAX de lucht in móét, "want dat vinden we toch allemaal?" Aan de slag met de Omgevingswet!

Als het om veiligheid gaat, is in een beschaafde maatschappij gelukkig voorzien in een externe toetsende instantie. Dat was voor de Boeing 737 MAX de Amerikaanse FAA. Maar wat gebeurde daar? Onderzoek van journalisten heeft uitgewezen dat deze controlerende instantie door Boeing werd ingepakt, om de tuin geleid, gesust en bewerkt, misschien wel met cadeautjes hier en daar. Dan gaat het dus mis.

Voorzitter. Dat brengt mij bij ons, de senatoren hier, die nu voor de beslissing staan of het luchtkasteel van de Omgevingswet mag opstijgen. Gaan wij, anders dan de FAA, wél serieus onze toetsende en controlerende taak verrichten? Zijn wij wél bestand tegen de druk die van alle kanten op ons uitgeoefend wordt om niet meer dwars te liggen, nu we al zo ver zijn?

Bij de voorbereiding van deze plenaire zitting en in het hele wetgevingsproces waren heel veel van mijn medesenatoren zeer kritisch, maar nu het moment van de beslissing nadert, bespeur ik bij velen ongemak, onrust, vluchtgedrag. Moeten we de waarschuwingen wel in de wind slaan? De heer Janssen heeft al andere wetgevingsprocessen aangehaald waarin waarschuwingen inderdaad in de wind zijn geslagen. Die waarschuwingen vind je toch echt in de adviezen van de Raad van State en in de adviezen van de Raad voor de rechtspraak. De Nationale ombudsman heeft zich erover uitgelaten, net als deskundigen. Uiteindelijk was er ook het artikel in het Nederlands Juristenblad.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Een zeer treffende vergelijking van de heer Nicolaï met de Boeing 737 MAX, die inderdaad allerlei fatale constructiefouten bleek te bevatten en er toch door werd gedrukt. Mijn vraag, voorzitter, aan de heer Nicolaï is: wat zijn in uw observaties als expert — u bent hoogleraar bestuursrecht — de grootste constructiefouten in deze Omgevingswet?

De heer Nicolaï (PvdD):

Als de heer Otten het goedvindt dat ik mijn betoog vervolg, dan kom ik vanzelf op al die constructiefouten. Wellicht valt de Jengatoren bij mij wel om, net als bij u, maar niet bij de heer Dessing. Als het gebeurt, wie worden daar dan op aangekeken? Wij, en dat moeten we goed in de gaten houden.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Nicolaï (PvdD):

Voorzitter. Dit is niet zomaar een van de wetten waarvoor onze toestemming vereist is. Het gaat om een heel complex van wetten die ineengevoegd worden, een wetgevingsoperatie die je kan vergelijken met de totstandkoming van het nieuwe Burgerlijk Wetboek of van de Algemene wet bestuursrecht. Die twee wetgevingsprocessen hebben decennia in beslag genomen. Met de grootste zorgvuldigheid is daaraan gewerkt: met voorontwerpen, commissies van externe juristen, een opbouw in tranches; met gepaste voorzichtigheid. Hoe anders is het gegaan met het stelsel van de Omgevingswet. We zijn opgejaagd. Het ontbrak er nog maar net aan dat op de parlementaire stukken die afkomstig waren van het ministerie, een sticker zat met de tekst "aan de slag met de Omgevingswet!" Ons werd voorgespiegeld dat het allemaal om een beleidsneutrale omzetting zou gaan, maar toen wij vroegen om dat eens in een schema uit te werken, bleken er heel veel kruisjes te staan in andere rubrieken dan die van "beleidsarm". Na deze jachtige tocht staan we nu op het punt om ja of nee te zeggen.

Voorzitter. Ik zie ongemak bij velen van mijn medesenatoren. Diep in hun hart voelen ze dat de kans op ongelukken niet te verwaarlozen is. De hoeveelheid vragen die op de minister zijn afgevuurd, spreekt boekdelen. Collega Verkerk sprak mij enige tijd geleden toe met de woorden "weet je, Peter, soms moet je gewoon maar beginnen". Dat is exact wat de leiders bij Boeing samen met de bewerkte FAA-controleurs ook zeiden.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

In de vergelijking met Boeing werd net de formulering "om de tuin leiden" gebruikt. Ik vind het heel ongelukkig om die toe te passen op de Omgevingswet.

De heer Nicolaï (PvdD):

Als vragen niet beantwoord worden, voel ik dat ook als om de tuin leiden. Ik kan in detail treden en een aantal vragen laten zien waarop een aantoonbaar onjuist antwoord is gegeven. Dat kan een vergissing zijn. Ik zeg niet dat we om de tuin geleid zijn. Ik heb ook niet gezegd tegen meneer Rietkerk dat er verkeerde spelletjes zijn gespeeld. Ik heb in deze vergelijking naar voren willen brengen dat wij in dit huis heel secuur onze toetsende taak moeten verrichten. Ik ben blij dat er door de medesenatoren heel veel vragen zijn gesteld. Dat wijst erop dat er ook onrust is, omdat men niet helemaal zeker is of het allemaal wel klopt. Wanneer ben je niet helemaal zeker of het allemaal wel klopt? Als je niet het gevoel hebt dat je de juiste en volledige informatie hebt gekregen.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Sommige wetten zijn zo complex dat je nooit de volledige informatie kunt hebben. Achter de woorden "om de tuin leiden" zit een kwade intentie. Ik distantieer mij van die intentie.

De heer Nicolaï (PvdD):

Zo is het niet bedoeld. Laat ik dat bij dezen zeggen.

De voorzitter:

Uitstekend.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik had het volgens mij alleen over de clown die de boel om de tuin leidde, maar goed.

De voorzitter:

Herneemt u het woord.

De heer Nicolaï (PvdD):

Bij alle fracties bespeur ik een grote zorg over de positie van de gemeenten. Die zorg is terecht. Ook in de adviezen van de Raad van State wordt die zorg gedeeld. Onze fractie constateert, net als andere fracties, het volgende. De gemeenten komen voor een enorme opgave te staan. In alle bestemmingsplannen die op dit moment gelden, zijn er straks van rechtswege meer dan 400 artikelen ingesluisd. Dat is de bruidsschat. De gemeenten moeten zelf gedurende negen jaar — die periode krijgen ze ervoor — die artikelen verwerken. Ze moeten kijken wat ze gaan overnemen, wat ze niet gaan overnemen, wat ze gaan aanpassen enzovoorts. Dat is een enorme opgave. Wat mij in de beantwoording van de vragen trof, was dat de regering uitdrukkelijk erkent dat in die negen jaar de gemeente zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de artikelen die ze niet zelf in het omgevingsplan heeft gezet, maar die er vanuit Den Haag in terechtgekomen zijn. Verder dreigen kleinere gemeenten tegen elkaar te worden uitgespeeld door grote initiatiefnemers. Daar hebben we het gisteren ook over gehad. Het recht van de sterkste werd al genoemd. Waar komt dat recht van de sterkste uit voort? Uit een ontbrekende wettelijke normering. Dat is ook exact wat de Raad van State naar voren heeft gebracht. Wie zijn daar straks de dupe van? De kleinere gemeenten die worden uitgespeeld.

Ik constateer verder dat door de complexiteit en ingewikkeldheid de gemeenten eigenlijk overgeleverd zijn aan technocraten. Ik hoorde de heer Rietkerk daarnet nog zeggen "wees blij, ze hebben de omgevingsdienst", maar daar gaat het natuurlijk niet om. Een omgevingsdienst kan technische adviezen geven en technische oplossingen brengen, maar uiteindelijk — dan praten we over de democratische legitimatie en legitimering waar ook de heer Van Dijk zijn zorgen over uitsprak — moet een wethouder in een gemeenteraad straks kunnen uitleggen wat nou precies de afweging is die ten grondslag ligt aan allerlei juridische frasen die door de technocraten aan hem of haar zijn gegeven. Daar gaat het in onze optiek mislopen.

Tot slot is er onvoldoende technische kennis en onvoldoende budget om die uitdaging aan te gaan. Ook daarop is al door diverse partijen, onder andere van de heer Rietkerk, gewezen.

De heer Rietkerk (CDA):

Kan de heer Nicolaï aangeven hoe het de afgelopen tien jaar op gemeentelijk niveau gegaan is bij de legitimatie van planvorming — bestemmingsplannen, want daar is de raad voor, en straks de omgevingsplannen, de omgevingsvisie — in relatie tot het beeld dat hij schetst dat deze Omgevingswet geeft?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik denk dat de heer Rietkerk en ik het eens zullen zijn dat als je nu een klein bestemmingsplan van welke gemeente dan ook pakt, dat redelijk overzichtelijk is, en dat je zelfs als leek redelijk goed kan begrijpen wat daar geregeld is. Uiteindelijk gaat het alleen om het aspect van de ruimtelijke ordening.

Het omgevingsplan gaat heel veel meer onderwerpen regelen. Ik hoop dat ik me daar niet in vergis, maar dat is volgens mij toch juist de bedoeling van de Omgevingswet? Allerlei regels die betrekking hebben op milieu en recht komen ook in het omgevingsplan en komen straks ook in omgevingsvergunningen, die in heel veel gevallen maatwerk gaan worden. Dat wil zeggen dat het gemeentebestuur met een initiatiefnemer rond de tafel gaat zitten en dan een planologische en milieurechtelijke afweging gaat maken en die vervolgens vertaalt in een omgevingsvergunning. Dat is een heel complexe zaak. Over die complexe zaak heb ik het.

De heer Rietkerk (CDA):

Is de heer Nicolaï bekend met de situatie bij een heel aantal gemeenten en provincies die al jaren integraal beleid voeren, in de zin dat het ruimtelijk beleid verbonden is met het milieubeleid en ook met de gezondheid en de luchtkwaliteit? In de uitvoering is het inderdaad ingewikkeld als het gaat om vergunningen. Maar het gaat mij meer om de legitimatievraag die u terecht stelt, dat ook nú een gemeente niet alleen naar de ruimtelijke inrichting kijkt bij een bestemmingsplan, maar ook kijkt naar milieuzaken en ook naar natuur. Gelukkig, zou ik zeggen. Bent u dat ook met mij van mening?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik ben heel blij dat gemeenten daar ook naar kijken. Daar moeten ze naar kijken, dus ik hoef niet eens blij te zijn, dat is gewoon een verplichting. Maar wat de heer Rietkerk over het hoofd ziet, is dat dat nu sectoraal is geregeld. Als er straks in een gemeente een initiatiefnemer komt en het is niet uitvoerig afgedekt en geregeld in het omgevingsplan, dan komt daar eigenlijk een ad hoc-omgevingsplannetje voor dat initiatief tot stand. Daar komt alles in. Daar komen de ruimtelijke ordeningsvragen in, daar komen de milieurechtsvragen in. Dat is een zó complex geheel dat ik daarvan zeg, wat ik de heer Rietkerk eigenlijk ook in zijn eigen betoog heb horen zeggen, dat dat komt in handen van de omgevingsdienst of van een ander betaald bureau dat zich gespecialiseerd heeft op dat gebied. Dat wordt een hele technische uitwerking. In die technische uitwerking is mijn angst dat het gesprek tussen het gemeentebestuur en de gemeenteraadsleden op niets meer uitloopt omdat een wethouder zal zeggen: ja, dat gaat mij ook boven de pet.

De voorzitter:

Dan ga ik naar mevrouw Kluit.

Mevrouw Kluit (GroenLinks):

Kan de heer Nicolaï misschien ook nog zeggen of zijn zorg ermee te maken heeft dat bij buitenplanse omgevingsactiviteiten, waar u het over heeft, die complexe omgevingsvergunning dan wordt afgegeven? Dat is een mini-omgevingsplannetje, zoals u het zegt. Na vijf jaar moet dat verplicht opgenomen worden in het omgevingsplan. Dan kunnen mensen daar geen beroep en bezwaar tegen aantekenen omdat ervan uitgegaan wordt dat dat al binnen het vergunningverleningstraject afgehandeld is. Zit daar ook een zorg van u?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat is de zorg die zich meer beweegt op het gebied van de rechtsbescherming. Natuurlijk zit daar een zorg, maar dat is ook een zorg die is uitgesproken door de Raad van State. Er zijn veel meer zorgen op het gebied van de rechtsbescherming uitgesproken door de Raad van State. Juist van een partij als D66, waar ook de minister toe behoort, zou ik denken dat dit bij uitstek een onderwerp is dat die partij goed in de gaten zou moeten houden. Ik ben heel erg bang dat zich op dat vlak een ontwikkeling gaat voltrekken waarbij eigenlijk de rechtsbescherming in het verdomhoekje komt te staan. Ik kom daar nog uitvoerig op terug.

Mevrouw Nooren (PvdA):

Ik hoor een soort negativiteit over die integrale omgevingsvisie. In mijn betoog heb ik gezegd dat die heel belangrijk is en dat het er uiteindelijk om gaat hoe we dat gaan uitwerken. Mijn vraag aan de heer Nicolaï is: hoe dan wel?

De voorzitter:

De heer Nicolaï, een kort antwoord graag.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ja, kort. Ik zou bijna zeggen: anders moeten we misschien wisselen met de minister. Hoe dan wel? Zoals het nu gaat, want het gaat dus, als ik de heer Rietkerk mag geloven, in heel veel gevallen al heel goed, omdat er eigenlijk al integraal gewerkt wordt. Mijn grote vraag is ook waarom dit hele luchtkasteel nodig is geweest. Dat is de allereerste vraag die je moet stellen. Het was ook de eerste vraag die ik aan de heer Dessing stelde: leg nou eens uit waarom u begint met die Jengasteentjes? Als je zegt dat de procedures sneller moeten, dan kan je gewoon de Wet op de Ruimtelijke Ordening aanpassen; dan kan je gewoon de Wabo aanpassen. Als je zegt dat er meer integraal moet gebeuren, dan kan je dat ook allemaal regelen. Er is nu een bouwwerk in elkaar gezet dat op zichzelf, op de tekentafel, heel goed oogt, maar we hebben het nu over de uitvoerbaarheid van dat bouwwerk. En we hebben het over de rechtsbescherming. We hebben het eventueel over de gaten die de heer Dessing ook heeft genoemd, de dingetjes die je eruit getrokken hebt. Wij moeten daarop een reactie geven.

De voorzitter:

Ik ga u onderbreken. Dit is te lang. Mevrouw Nooren.

Mevrouw Nooren (PvdA):

Volgens mij zijn er twee opties mogelijk. Of we hebben nu een ruimtelijke ordening die te smal is en die we willen verbreden. Dat is de Omgevingswet, een integrale visie, meer perspectieven nemen. Of we vinden het nu goed en dan zegt u: ik ben niet geïnteresseerd in die verbreding. Maar het kan niet zijn dat de heer Nicolaï zegt "de ruimtelijke ordening is te smal" — dat is wat wij zeggen, dus doe het verbreed — en vervolgens zegt "het kan nu ook want nu is het niet verplicht om breed te kijken". De Omgevingswet verplicht partijen om het breed te benaderen. Dus ik wil even de positie weten van de Partij voor de Dieren in dezen.

De voorzitter:

Meneer Nicolaï, kort.

De heer Nicolaï (PvdD):

U hebt mij niet horen zeggen dat ik tegen een integrale afweging ben. Dat heb ik niet gezegd. Het gaat om de instrumentaria die je daarvoor ontwerpt. Bij het instrument dat nu ontworpen is, hebben wij als Partij voor de Dieren hele grote twijfels.

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Dat sluit een beetje aan bij het debatje dat de heer Nicolaï met de heer Rietkerk had, maar sluit ook aan bij de vragen van mevrouw Nooren. Ik hoorde de heer Nicolaï toch duidelijk formuleren "nu hebben we dat sectoraal geregeld en dat werkt heel goed". Vervolgens zegt u: "ik ben niet tegen een integrale benadering". We hadden er gisteravond ook samen een debatje over dat je ziet dat wetgeving eigenlijk altijd iets achterloopt op de ontwikkelingen in de samenleving. We zien wat er op ons afkomt, los van het feit dat als je wát dan ook neerzet, dat ruimtelijke implicaties heeft en gevolgen heeft voor je ondergrond, je waterbeheer, eventueel je luchtkwaliteit, enzovoorts. Klimaatadaptie, verbetering van de biodiversiteit, de energietransitie — toch allemaal onderwerpen die ook zeker u als lid van de Partij voor de Dieren zouden moeten aanspreken — zijn allemaal onderwerpen die ruimtelijke implicaties hebben. Is de heer Nicolaï het dan met ons eens dat als je het sectoraal gaat bekijken, je ten eerste jaren verder bent, maar je bovendien niet goed al die ontwikkelingen op elkaar kunt laten aansluiten? Een integrale afweging betekent natuurlijk dat je keuzes moet maken, want niet alles kan wat je misschien zou wensen op één locatie. Dan begrijp ik. Ik zie de heer Nicolaï knikken terwijl ik dit zeg.

De voorzitter:

Wilt u afronden, mevrouw Klip?

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Ja, voorzitter. Dan is mijn vraag: hoe kunt u dan formuleren dat het goed geregeld is nu het sectoraal geregeld is?

De voorzitter:

De heer Nicolaï, een kort antwoord graag.

De heer Nicolaï (PvdD):

Voorzitter, ik verwijs weer naar het artikel in het Nederlands Juristenblad, waarin de mensen die werken met die regelgeving, zelf zeggen: wij hebben daar geen probleem mee. Dat is één. Het verhaal dat is opgehangen rondom de Omgevingswet is: het is allemaal te ingewikkeld en wij moeten het allemaal bundelen en we moeten het bij elkaar zetten. Dat is gebeurd en daardoor is er juist een heel ingewikkeld stelsel ontstaan. Dat is mijn punt. Het tweede is de afweging. Daar kun je verschillende instrumenten voor gaan inzetten. Je kunt ook beginnen met kijken hoe je daar vanuit de bestaande regelgeving veranderingen in kunt aanbrengen. Dan ga je dat stapsgewijs onderzoeken en ga je misschien eens een experiment uitvoeren. Wat we nu hebben gekregen, is dat er een enorm gebouw is opgetrokken, en iedereen roept: "aan de slag, aan de slag!" Terwijl wij in de Eerste Kamer daar nog over moeten oordelen, hoor ik al zeven jaar lang "aan de slag met de Omgevingswet!" Dát bevalt mij niet.

De voorzitter:

Mevrouw Klip nog een aanvullende korte vraag.

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Voorzitter, ik doe mijn best. Ik hoor nog steeds niet of de heer Nicolaï nu voor een integrale of een sectorale benadering is. U zegt: wij hebben nu een enorm bouwwerk opgetuigd. Natuurlijk is het een ingewikkeld traject, dat zal niemand ontkennen, maar waarom hebben we dat nu zo? Waarom proberen we dat integrale bouwwerk te organiseren? Omdat er juist in de loop van de jaren steeds meer druk op de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimte in ons land is komen te liggen, omdat we steeds regeling na regeling op wetgeving hebben gestapeld en het langzamerhand zo onoverzichtelijk werd dat ook inwoners en bedrijven door de bomen het bos niet meer zien.

De voorzitter:

Dan heeft mevrouw Moonen een vraag.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik heb een heel gerichte vraag aan de heer Nicolaï. Heeft de heer Nicolaï kennisgenomen van het slotadvies van de Integrale Adviescommissie Omgevingswet?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ja.

Mevrouw Moonen (D66):

De vervolgvraag is: is de heer Nicolaï op de hoogte van de leden van deze integrale adviescommissie, van wie daar in zitten?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik verstond niet helemaal wat u zei.

Mevrouw Moonen (D66):

De vraag aan de heer Nicolaï is, of hij op de hoogte is van de leden die deel uitmaken van de Integrale Adviescommissie Omgevingswet?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik denk niet dat ik daar specifiek naar gekeken heb.

De voorzitter:

Mevrouw Moonen weet het vast wel.

Mevrouw Moonen (D66):

Wat misschien goed is om te weten, is dat daar in ieder geval deel van uitmaken: de hoogleraar Bastmeijer, hoogleraar natuurbeheer Tilburg University, hoogleraren Bregman en Van der Veen, maar ook heel veel mensen uit de praktijk, onder wie een dijkgraaf, Hetty Klavers, en andere mensen die juist uit het openbaar bestuur komen, in gemeenten hebben gewerkt, in provincies hebben gewerkt. Zij concluderen in een slotadvies dat het juridische bouwwerk van de Omgevingswet op zich stevig in elkaar zit.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Moonen (D66):

Mijn vraag was of de heer Nicolaï daar kennis van had genomen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat zij zeggen dat het stevig in elkaar zit, ja, dat heb ik ook gelezen. Maar daarmee staat nog niet vast dat het zo is.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Nicolaï (PvdD):

Voorzitter. Het was mij opgevallen dat uit de gegevens van de monitoring bleek dat bijna de helft van de kleine gemeenten volgens de enquête nog niet kon aangeven, klaar te zijn om per 1 januari 2021 van start te gaan met de Omgevingswet. Omdat ook nog eens meer dan honderd gemeenten in het geheel niet gereageerd hadden op de enquête, kon ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het percentage van niet-klaarstaande kleinere gemeenten wellicht rond de 80% of 90% zou zitten. Ik heb toen zelf een dertigtal gemeenten aangeschreven. Opvallend was dat er ook nadat ik een tweede maal geschreven had, maar weinig reacties kwamen. Kennelijk omdat de meerderheid van die aangeschreven gemeenten zich geen raad weet met haar positie. Van hen wordt verwacht dat zij een democratisch aangenomen wet uitvoeren, dus hoe pijnlijk is het om publiekelijk mee te delen dat men daar eigenlijk niet toe in staat is? De gemeenten die op mijn vragen wel reageerden, gaven aan op zich de doelstellingen te onderschrijven, maar goed beschouwd waren hun reacties in meerderheid weinig bemoedigend waar erop gewezen werd hoe zwaar de gevolgen zijn die deze majeure wetgevingsoperatie voor die gemeenten meebrengt.

Voorzitter. Staat u mij enkele citaten toe. Ik begin met een citaat van een kleine gemeente in Noord-Holland. "Wij maken ons echter wel ernstige zorgen om de technische, juridische en financiële haalbaarheid. Het grote probleem is dat van ons verwacht wordt dat we zonder extra middelen invulling geven aan de grootste wetswijziging. Een nieuwe decentralisatie, die hoge investeringen van de gemeenten vergt, terwijl allerminst zeker is of dit in de toekomst gaat leiden tot besparingen." Ik zeg meteen tegen de heer Rietkerk: ook deze gemeente gebruikt het woord "decentralisatie", want zo wordt het gevoeld. Als je heel veel taken van bovenaf op je nek krijgt, dan heet dat decentralisatie. En als je al taken op je nek had, dan ben ik met de heer Rietkerk eens dat de juridische bevoegdheid er al was, maar de invulling, zoals mevrouw Kluit ook heeft aangegeven, zoveel omvangrijker is geworden.

Ik kom bij een citaat van een kleine gemeente in Friesland. Het is jammer dat collega Gerbrandy wegens ziekte afwezig is, want het werd met een paar Friese woorden afgesloten en ik moet u eerlijk zeggen: daar kon ik de vertaling niet van geven. Maar in die reactie staat het volgende, en ik denk dat het ook voor de Partij van de Arbeid van groot belang is om hier goed naar te luisteren. "Voor de inwoners van onze gemeente betekent dat voor 2020 een recordhoge verzwaring van gemeentelijke lasten en ingrijpende bezuinigingen op bijvoorbeeld zorg, welzijnswerk, maatschappelijke voorzieningen en op burgerparticipatie. Een uiterst onwenselijke situatie, die wordt veroorzaakt door de in Den Haag genomen besluiten, waar wij als gemeente dus geen of minimaal grip op hebben."

Tot slot een kleine gemeente in Noord-Brabant. "Als kleine gemeente hebben we deze wet nooit gewild. Het kost heel veel energie en levert relatief weinig op. De belangrijkste voordelen, onder andere kortere procedures, zouden ook bereikt kunnen worden door aanpassing van de huidige wetgeving. Het is inderdaad een grachtengordelwet, omgeven door megaveel propaganda. Neem bijvoorbeeld participatie. Dat doen we al jaren op heel veel manieren. De Omgevingswet verandert daar helemaal niets aan, ook voor cultuurverandering heb je die wet niet nodig, het wordt zeker niet eenvoudiger. De wetteksten zijn zeer ingewikkeld en moeilijk hanteerbaar, de advocatuur krijgt er veel werk bij."

Voorzitter. Fracties die zich sterk maken voor de lokale democratie en het lokaal bestuur moeten zich toch achter de oren krabben. Een beetje geld erbij bevrijdt die gemeenten niet van de ondragelijke last. Zij moeten in 9 jaar meer dan 400 bruidsschatsartikelen wegwerken, vanaf 1 januari 2021 moeten ze aanvragen voor omgevingsvergunningen behandelen, die veel omvangrijker zijn dan ooit tevoren, en omgevingsplannen in elkaar zetten, die alleen met hulp van dure bureaus kunnen worden geformuleerd, en ze moeten tegen hun gemeenteraadsleden zeggen dat het ze boven de pet gaat en ambtenaren aan het loket instrueren dat ze maar naar de provincie of het ministerie moeten doorverwijzen als de vragen te moeilijk zijn die de burger komt stellen, omdat die al helemaal de weg kwijt is.

Wij hier in Den Haag zadelen gemeenten op met een enorme klus. Heeft de minister eigenlijk via inspraak een juist beeld van hoe die gemeenten — en ik denk vooral aan de kleinere — hierover denken? Wat zegt het eigenlijk als de VNG sussend beweert dat het wel goedkomt? Maakt de VNG deze wet? Horen niet de minister en de Kamer de overtuiging te hebben dat de wet uitvoerbaar is? Moeten wij niet zelf eerst voldoende zicht krijgen op wat de wet voor gevolgen heeft voor de gemeentelijke dienstverlening, besluitvorming en haar democratisch functioneren? Wij moeten nog het groene licht geven straks. Daarvoor is zulke informatie onmisbaar. Ik zou graag nogmaals de vraag aan de minister willen voorleggen of de regering bereid is om op korte termijn aan alle gemeenten schriftelijk de vraag te stellen of zij bereid en in staat zullen zijn om de majeure transitie te realiseren, waarbij zij in de brief gedetailleerd geïnformeerd worden over de taken die van hen op dat gebied in de komende jaren verwacht worden. Ik vind dat een essentiële vraag. Ik vind niet dat we dat moeten laten afhangen van wat een VNG daarover meldt. Ik merk bij eigenlijk alle fracties hoe betrokken wij zijn bij wat wij de gemeenten gaan aandoen. Daar kan een goede reden voor zijn, maar we moeten echt een goed beeld hebben van hoe het zit. De heer Janssen zei al uit zijn praktijkervaring: ach, zo'n briefje van het IPO, ach zo'n briefje van de VNG, we weten het wel. Ik zou graag willen dat wij als Kamer precies inzicht krijgen in hoe gemeenten daarin staan, of ze het wel aankunnen en wat hun zorgen zijn. Wat gaat er allemaal mis zodat zij het gevoel hebben dat wij het door hun strot duwen?

Voorzitter. Die vraag wil ik graag beantwoord hebben. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik die vraag al gesteld had, maar ik schrok ongelooflijk van het antwoord dat ik kreeg. Het antwoord luidde: de regering is echter van mening dat het in dit stadium niet opportuun is om alle gemeenten actief gedetailleerd te informeren over wat van hen verwacht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en hen in aanvulling op de implementatiemonitor naar de voortgang hierbij te vragen. Hallo? Dit leidt onnodig af van het hetgeen gemeenten in het jaar 2020 nog moeten realiseren om ervoor te zorgen dat de Omgevingswet in werking kan treden. Wat is dit voor wetgeving, voorzitter? Ik schrik me daar wezenloos van. Ik moet altijd van de CHU de juiste woorden gebruiken, dus ik laat het hierbij.

Voorzitter. Dat brengt mij bij het recht van de sterkste. De Nationale ombudsman waarschuwde al dat deze wet ruimte biedt voor de participatie-elite en dat gewone burgers en allen die minder goed mee kunnen komen aan de kant staan en nog meer op achterstand komen. Diverse fracties hebben dat vraagstuk ook naar voren gebracht. In feite ligt aan de kritiek van de Raad van State op het verlies van rechtszekerheid en aan rechtsbescherming ook een waarschuwing ten grondslag, namelijk dat onze rechtsstaat uit balans raakt. Wetten normeren rechtszekerheid. Wat er in deze wet gebeurt — dat is geconstateerd door de Raad van State en wij weten het allemaal — is dat er heel veel vrije ruimte wordt gegeven, vrije onderhandelingsruimte. In dat opzicht is al over een terrein voor cowboys gesproken.

Als de belangenafweging uit balans dreigt te raken en dat kan als je vrije ruimte geeft, dan moet de rechter kunnen ingrijpen. Wij zitten hier als de FAA om te oordelen over dit vliegtuig. Wij moeten kijken wat voor instrumenten we op dit moment nog kunnen verzinnen of aan de minister kunnen vragen om het verlies aan rechtszekerheid, het verlies aan normering terug te dringen. Wij hebben daar allemaal geen prettig gevoel bij, maar soms kan het nodig zijn.

Er is gesproken over de rechterlijke toetsing. De heer Rietkerk heeft dat zelfs uitdrukkelijk naar voren gebracht. U weet dat er een bepaling over het evenredigheidsbeginsel in de Algemene wet bestuursrecht staat, artikel 3:4 tweede lid. Daarin is de proportionaliteit van de belangenafweging gecodificeerd. De bestuursrechter heeft zelf het standpunt ingenomen dat hij, als er beleidsvrijheid is, als er beoordelingsvrijheid is, niet integraal toetst op proportionaliteit, hoewel dat wel in de wet staat. Dat was oorspronkelijk niet de bedoeling. Ik weet nog dat Hirsch Ballin, een van de bedenkers, ervoor was dat rechtstreeks aan de proportionaliteit getoetst zou worden. Dat is een keuze van de bestuursrechter geweest om een terughoudende toetsing te gebruiken.

Voorzitter. Als je kijkt naar de adviezen van de Raad van State, als je kijkt naar het advies van de Raad voor de rechtspraak, als je kijkt naar de bijeenkomst van juridische deskundigen, dan zeggen ze allemaal: als dat het uitgangspunt is, dan verwatert de rechtsbescherming. De initiatiefnemer heeft niks aan de rechter als zijn plan wordt afgewezen. Een omwonende of een inwoner heeft niks aan de rechter wanneer een plan is goedgekeurd. Zodra het om beleidsvrijheid gaat, zal de rechter terugtreden. Hij zal zeggen: ik kan alleen maar kijken of het voor redelijk oordelende mensen echt onbegrijpelijk is wat hier gebeurd is en verder laat ik het bestuur met rust.

Voorzitter. Ook namens een hoop andere fracties heb ik de vraag gesteld of het niet verstandig is dat we als wetgever op dat punt iets regelen. Als het nodig is om die ruimte te geven, moet er aan de andere kant uit oogpunt van rechtszekerheid en het belang van onze burgers ook iets gebeuren. De rechter moet een betere techniek krijgen om bescherming te kunnen bieden. Mijn vraag aan de minister is of zij toch niet nog eens wil overwegen of er in deze wet een bepaling moet komen dat er een integrale toetsing kan plaatsvinden aan de proportionaliteit die in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht ligt besloten.

Het antwoord van de regering is dat de rechter zelf wel mans of vrouws genoeg is om aan te geven hoever hij of zij zich beperkt in de toetsing. Ik vind dat een slap antwoord, als ik dat zo mag zeggen van de CHU. Ik vind het ook een slap antwoord dat er verwezen wordt naar een heel belangrijke kwestie waar heel veel fracties mee zitten, namelijk dat de burger met het DSO gaat toetsen of hij iets mag, vervolgens afgaat op het antwoord dat hij daaruit krijgt, maar er later alsnog juridisch op afgerekend kan worden. Ik ga hier niet met u discussiëren over het vertrouwensbeginsel. Ik sta geen college te geven. Ik denk dat het niet klopt wat in het antwoord van de regering staat. Het enige dat klopt is dat men zegt dat we het nog moeten afwachten. Ook hier zeggen wij dat wij toch de wetgever zijn. Het primaat hoort toch hier te liggen? Als wij burgers willen beschermen die daarop afgegaan zijn, dan geeft het geen pas om te zeggen dat de rechter dat wel gaat oplossen. Het geeft ook geen pas om te zeggen: laat de rechter maar aantonen of hij ballen heeft en of hij gaat ingrijpen. Dan staat straks weer in de krant dat de minister teruggefloten is door de rechter. De rechter heeft weer politiek bedreven. Nee, laten we niet weglopen voor onze verantwoordelijkheid. Horen wij niet alleen met betrekking tot artikel 3:4 en de proportionaliteitstoetsing maar überhaupt als wetgever de rechter een sterkere positie in de wet te geven? Horen wij ook niet als wetgever zelf het vertrouwensbeginsel te regelen voor de burger die is afgegaan op het DSO of op andere informatie? Moeten wij daar niet zelf een oplossing voor vinden? Dat is mijn vraag. Die heeft te maken met het terugwinnen van de rechtszekerheid.

Er is nog een ander aspect met betrekking tot het terugwinnen van de rechtszekerheid. Als je het allemaal opengooit, als je zegt dat er vrije bevoegdheden zijn, dan kan er beleid worden gemaakt, kunnen er afwegingen gemaakt worden en zullen de bestuursorganen zelf criteria gaan ontwikkelen. In de Algemene wet bestuursrecht staat geen verplichting om het in een beleidsregeling vast te leggen en te publiceren als je beleid maakt. Mijn vraag namens onze fractie en misschien ook namens anderen aan de minister is: waarom wordt er in deze wet niet op dat vlak nog een aanvulling gegeven dat het bestuursorgaan verplicht is om het in een beleidsregeling vast te leggen en te publiceren als men beleidscriteria ontwikkelt en in regels neerlegt? Dan winnen we iets terug van die rechtsonzekerheid.

Tot slot, voorzitter, ook over die rechtsonzekerheid. De Raad van State heeft gezegd dat je grote problemen krijgt als je de mogelijkheid opent dat er vergunningsvrije gebieden zijn qua bouwen. Neem het voorbeeld waarin iemand iets op zijn huis wil bouwen en naar de hypotheekbank gaat om daarvoor een hypotheek te krijgen. De hypotheekbank zegt dan: laat eerst de vergunning maar zien. De hypotheekaanvrager kan zo'n vergunning niet laten zien als het vergunningsvrij is. Ik heb hierover tot in detail een hele discussie gevoerd in de vragenronde. Ik ga die juridische discussie hier niet herhalen. Als het waar is — het is niet waar, of althans, juridisch is het betwistbaar — dat er mogelijkheden zijn om een aanvraag in te dienen, ook als je helemaal geen vergunning kunt aanvragen, en het langs die weg lukt ... Ik constateer dat de Raad van State zelf zegt: hier ontbreekt iets; u moet iets regelen, namelijk een conformiteitsverklaring. Een bevoegdheid daartoe moet in de wet komen. Dat wil zeggen dat als er geen vergunning aangevraagd kan worden, je in ieder geval aan de gemeente kan vragen of je gevaar loopt in strijd met de wettelijke regels te handelen als je iets gaat uitvoeren. Daar komt dan een antwoord op. Als dat geregeld is in de wet — nu is het niet geregeld in de wet — dan is dat een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dan kan men op grond daarvan in ieder geval naar de rechter. Dat heeft de Raad van State gevraagd. Ik vind het een beetje apart dat de regering zich in haar antwoorden op het standpunt stelt dat de Raad van State het bij het verkeerde eind heeft en het niet goed ziet omdat er al een mogelijkheid is om te vragen om een vergunning. De Raad van State ziet het niet goed? Ze maken het uit, zou ik zeggen, maar goed.

Voorzitter. Een wet die onvoldoende doordacht is, die zelfs voor de specialisten te ingewikkeld is, die burgers die niet kunnen meekomen nog meer op achterstand zet, die de rechtszekerheid en de rechtsbescherming uitholt, die de technocraten beloont en de lokale democratie op de tocht zet. Wie volgende week gaat stemmen, moet de burgers en de lokale overheden die de dupe gaan worden van dit, wat juristen hebben genoemd, monstrum, dat met de sticker "aan de slag met de Omgevingswet!" op ons is afgevuurd, recht in de ogen kunnen kijken. Recht in de ogen, dus met de neus omhoog. Dat was voor de Boeing 737 MAX ook beter geweest, de neus omhoog ... Laten we hier in dit huis in meerderheid voor de burgers de neus omhoog houden, omdat we hen met een "nee" recht in de ogen willen kunnen kijken.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Nicolaï. Dan geef ik het woord aan de heer Verkerk voor zijn maidenspeech.

De heer Verkerk (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik ben geboren in Nieuwer Ter Aa, een dorpje in de polder tussen Amsterdam en Utrecht. Op mijn paspoort staat dat ik geboren ben in Ruwiel. Dat zit zo. Ons dorp bestond uit zes straten. Twee straten behoorden tot de gemeente Loenen, twee tot de gemeente Loenersloot en twee tot de gemeente Ruwiel. U begrijpt, dat was vóór de gemeentelijke herindelingen van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

Mijn vader was timmerman. Hij had de lagere school gedaan en daarna de avondschool. Later is hij gaan werken als bouwkundig opzichter in de bekende Koning Willem III-kazerne in Nieuwersluis, een strafinrichting voor militairen. Rond 5 december was daar altijd een sinterklaasfeest voor de kinderen. Als kind was ik diep onder de indruk van al die militairen in hun prachtige uniformen. Ze waren ook allemaal groter en breder dan mijn vader. Mijn vader was lid van de toenmalige ARP. Mijn moeder had alleen lagere school gedaan. Zij was zogezegd een wijze vrouw. De christelijke waarden van vrede, recht en gerechtigheid heb ik met de paplepel binnen gekregen. Mijn ouders lieten zien wat deze waarden in zo'n klein dorp betekenden.

Het dorp en alle landerijen in een straal van vijf kilometer waren ons speelterrein. Mijn omgeving bestond uit weilanden, stukjes moeras, hutten, sloten en, als het vroor, het ijs waarop we schaatsten. Veel boerderijen waren familiebezit. Ze gingen over van vader op zoon. In ons dorp was de ongeschreven regel dat je goed met de natuur en met de dieren omging. U begrijpt, ik heb veel met de Omgevingswet.

Voorzitter. Daarmee kom ik op de Invoeringswet Omgevingswet. Herman Tjeenk Willink geeft in zijn boekje Groter denken, kleiner doen een boeiende beschrijving van de veranderingen in onze samenleving. Hij schrijft dat in de tijd van de verzuiling de verbindingen sterk waren, binnen de zuilen en tussen de zuilen, tussen instituties en de overheid en tussen politiek en bestuur. Die verbindingen hebben het sinds de jaren tachtig zwaar te verduren gekregen. Hij stelt dan ook de vraag welke verbindingen de samenleving nog bij elkaar houden.

De Franse filosoof Latour formuleert het veel scherper. Hij zegt dat in de postmoderne samenleving mensen niet meer met elkaar verbonden zijn. Hij voegt eraan toe dat de elites voor hun eigen belangen gaan en geen verantwoordelijkheid meer voelen voor de samenleving als geheel.

Voorzitter. Ik denk dat deze analyses, waar nog wel het nodige van te zeggen is, laten zien dat de uitdagingen waarvoor we staan bij de Omgevingswet groot zijn. Mijn hoofdvraag is dan ook: draagt deze wet bij aan het in stand houden en verbeteren van de verbindingen? Dan gaat het ten eerste om de verbindingen tussen burger en overheid, ten tweede om de verbindingen tussen burgers en ten derde om de verbindingen tussen ambtenaren en overheden. In de visie van onze fractie zijn een goede rechtsbescherming, een stevige democratische controle, vruchtbare participatieprocessen, een soepel functionerend DSO en een passende overheidscultuur een must. Deze vijf onderwerpen wil ik dan ook aan de orde stellen.

Voorzitter. Ik begin met het nieuwe stelsel. We gaan, zoals de minister het in een van haar toespraken formuleerde, van 26 wetten naar 1 wet, van 60 algemene maatregelen van bestuur naar 4, en van 75 ministeriële regelingen naar 1 Omgevingsregeling. Een gigantische operatie. De fractie van de ChristenUnie heeft bij de behandeling van de Omgevingswet haar waardering uitgesproken voor de grote inspanningen van de minister, het ministerie en de overige overheden om te komen tot een helder, toegankelijk en eenvoudiger stelsel. Een stelsel waarin vertrouwen, ruimte voor initiatief en bescherming van de schepping fundamentele uitgangspunten zijn. Wij spreken deze waardering graag opnieuw uit, net als de waardering voor alle ambtenaren die zich geweldig hebben ingespannen om de vele pagina's vragen van ons te beantwoorden. Dat niet alles perfect ging, is all in the game, denk ik.

Voorzitter, ik kom op het punt van de rechtsbescherming. Bij rechtsbescherming gaat het vooral om de verbinding tussen de burger en de overheid. De commissie-Remkes pleit in haar rapport Lage drempels, hoge dijken voor de versterking van de rechtsstaat. Onder andere pleit ze voor een constitutionele toets van wetgeving ex post door de rechter. De commissie schrijft op pagina 200/201: "Voorts is constitutionele toetsing een middel om de afnemende aandacht voor de wetgevingskwaliteit in het wetgevingsproces te compenseren. Ook is het een remedie tegen het veranderende karakter van wetgeving (van de wet als waarborg en normstelling naar beleidsinstrument en de terugtred van de wetgever)." Bij deze laatste zin staat nog een noot. Ik citeer: "Als voorbeeld hiervoor kan de Omgevingswet worden genoemd, die voor een belangrijk deel inhoudelijk vorm gaat krijgen in de daarop gebaseerde AMvB's." In deze noot wordt verwezen naar een artikel van Groothuijse en anderen, dat de titel draagt; Constitutionele aardverschuivingen in het omgevingsrecht? Een saillant detail is dat prof. Remco Nehmelman een van de auteurs was.

De conclusie van dit artikel is: "Door onvoldoende aandacht te besteden aan de constitutioneel rechtelijke gevolgen van dergelijke ontwikkelingen, kunnen (en zullen) deze belangrijke noties op den duur worden aangetast." De auteurs verwijzen hierbij naar de rechtstatelijke noties van de scheiding van de machten en het beginsel van democratie.

Voorzitter. De bovenstaande conclusie is van gerenommeerde wetenschappers. Een vergelijkbare conclusie heeft de Raad van State getrokken. Nu schaart de commissie-Remkes zich in deze rij. Daarom is het van belang dat er een uitermate goede evaluatie van de Omgevingswet komt om te onderzoeken of die zorg in de praktijk ook terecht is.

Kan de minister toezeggen dat — ik verwijs daarbij ook naar de bijdrage van collega Rietkerk — dat er een onafhankelijke evaluatie van de Omgevingswet komt? En dat bij deze evaluatie expliciet aandacht gegeven wordt aan de mogelijke aantasting van genoemde staatsrechtelijke noties?

Voorzitter. In de democratische controle gaat het om de verbinding van macht en tegenmacht. In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet is aangegeven dat de beoogde stelselwijziging vier verbeterdoelen kent. De derde en de vierde zijn respectievelijk het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte en het versnellen en verbeteren van besluitvorming.

De fractie van de ChristenUnie onderschrijft het belang van deze doelen. Ook begrijpen wij dat meer executieve macht nodig is. Het eerder aangehaalde artikel van Groothuijse en anderen stelt dat de verschuiving van democratisch gelegitimeerd bestuur naar executieve kracht vraagt om een "cultuuromslag bij het algemeen bestuur, waarbij meer dan voorheen moet worden ingezet op controle om een serieus tegenwicht te bieden aan de executieve macht." Kan de minister reflecteren op deze stelling? Op welke manier bevordert de minister deze cultuuromslag? Welke programma's zijn er om te komen tot "sterke" raden en staten in de nieuwe Omgevingswet? Investeert het ministerie daarin, inhoudelijk en financieel, ook voor de volgende raads- en statentermijnen?

Voorzitter. Onze zorg is dat door de combinatie van meer executieve macht van de diverse overheden, het achterblijven van de genoemde cultuuromslag bij het bestuur en de aanwezigheid van krachtige lobbynetwerken, alle ingrediënten aanwezig zijn voor het doorslaan van de balans van "beschermen en benutten" naar "benutten". Onze fractie staat voor een sterk bestuur en wil dat op alle manieren bevorderen.

De fractie van de ChristenUnie is blij dat in de Omgevingswet een belangrijke rol is weggelegd voor participatie en dat dat wordt vastgelegd in een aparte wet. Participatie leidt tot het leggen en versterken van verbindingen. Ik zal hier kort over zijn. Ik verwijs verder naar de bijdrage van collega Nooren van de PvdA. Onze fractie wil nogmaals een link leggen met het rapport van de commissie-Remkes. In dit rapport lezen we dat de maatschappelijke democratie de brede basis vormt van de parlementaire democratie. Nu: die maatschappelijke democratie krijgt concreet vorm in de Omgevingswet. Daarmee stijgt het belang van een goede praktijk van participatie ook uit boven het belang van de Omgevingswet zelf.

De zorg van de ChristenUnie ligt in de kwetsbaarheid. We noemen twee punten.

Als eerste het betrekken van alle relevante burgers. Voorkomen moet worden dat hardnekkige verschillen in de samenleving vertaald worden naar hardnekkige verschillen in participatie.

Het tweede punt is de kwaliteit van het participatieve proces. Het gaat om een proces waarin burgers daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen.

Kan de minister toezeggen — ik verwijs daarbij nogmaals naar de bijdrage van Nooren — dat zolang de wet over participatie er nog niet is, om in het Invoeringsbesluit de verplichting van gemeenten, provincies en waterschappen vast te leggen, om een participatieverordening te hebben?

Voorzitter. Er is al veel discussie geweest over het DSO. De fractie van de ChristenUnie heeft alle voortgangsrapporten en evaluaties gelezen. Wij zijn ervan overtuigd dat de verschillende overheden grote inspanningen verrichten en dat dit project goed gemanaged wordt. Ik heb ook mijn licht opgestoken in mijn eigen provincie en in mijn eigen gemeente. Wij zijn blij ook met de voortgang. Voor onze fractie blijven er op dit moment in ieder geval nog twee vragen over. Die vragen stel ik ook mede namens de collega's Dessing, Van Dijk, Klip, Kluit, Moonen, Baay, Rietkerk en Nooren.

Als eerste de regioteams. In de nota naar aanleiding van het verslag, op pagina 64, deelt de minister mee dat er speciale regioteams in het leven geroepen worden om het bevoegd gezag te begeleiden bij de implementatie. De fractie van de ChristenUnie is blij met deze beslissing. Wij vragen de minister wanneer deze regioteams zullen starten, of de capaciteit van deze teams voldoende groot is, en vooral ook, hoe lang ze blijven functioneren. Wij vragen de minister ook of de rapportage van deze regioteams, die een goed inzicht zullen geven in de kwaliteit van de implementatie, met de Eerste Kamer gedeeld kunnen worden. Kan de eerste rapportage toegezonden worden vóór het debat over het voor te hangen koninklijk besluit over de invoering? Kan de minister dat toezeggen?

Ik kom op het punt van de ondersteuning van de burger. Op de website digitaleoverheid.nl kunnen we lezen dat er 2,5 miljoen burgers zijn die moeite hebben om digitaal met de overheid te communiceren en dat er 1,2 miljoen Nederlanders zijn die nog nooit internet hebben gebruikt. De Algemene Rekenkamer stelt dat er 2,5 miljoen Nederlanders zijn die moeite hebben met taal en/of rekenen. De fractie van de ChristenUnie vraagt aandacht voor deze burgers. De vraag is: Hoe goed gaat de overheid deze burgers ondersteunen in het gebruik van het DSO?

Kan de burger ook nog gewoon — om het maar even zo uit te drukken — naar een fysiek loket komen van de gemeente, de provincie of het waterschap? In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister: "De meeste overheden bieden hun burgers nu al de mogelijkheid om naar het loket te komen voor hulp bij het doen van een aanvraag. Bij alle gemeenten is het mogelijk persoonlijk contact te hebben met de gemeente. De Omgevingswet zal naar verwachting geen aanleiding vormen om hier verandering in te brengen."

Voorzitter. Woorden als "de meeste overheden" en "naar verwachting" bieden te weinig zekerheid. Deelt de minister de overtuiging dat de overheid makkelijk toegankelijk moet zijn voor álle burgers? Vindt de minister dat waar nu gesproken wordt over "de meeste overheden" dit eigenlijk "alle overheden" zou moeten zijn, en dat "naar verwachting" eigenlijk "met zekerheid" zou moeten zijn? Wat doet de minister om dat te bevorderen? Wil de minister dit in het bestuursakkoord opnemen? Wil de minister toezeggen dat de aanwezigheid en toegankelijkheid van een fysiek loket — daarmee bedoel ik dat mensen gewoon persoonlijk geholpen worden door een ambtenaar — in de evaluatie van de wet wordt meegenomen? Onze fractie overweegt een motie op deze punten.

Voorzitter. Een van de belangrijke succesfactoren van de implementatie van de Omgevingswet is de cultuur binnen de overheid. Daarbij gaat het om de verbindingen tussen ambtenaren en tussen de verschillende overheden. In de memorie van antwoord van de Aanvullingswet geluid beschrijft de minister de pijler "Anders werken".

Onze fractie onderstreept het belang van deze pijler en vraagt de minister dit programma met energie voort te zetten, en ook zo lang als dat nodig is. Uit het onderzoek "Nationale Benchmark Verandervermogen 2018", dat te vinden is op binnenlandsbestuur.nl, blijkt dat de overheid ook groeit in verandervermogen, maar ook dat de overheid nog niet als beste scoort, en ook — dat geldt in het algemeen — dat de top het verandervermogen van de eigen organisatie overschat. Ik begrijp dat; ik ben zelf ook vaak verandermanager geweest, maar de vraag van de fractie van de ChristenUnie is: zou de minister op dit verzoek kunnen reflecteren in relatie tot de genoemde pijler? Zou het kunnen dat de minister en de verschillende gezagen het verandervermogen van de overheid overschat? Anders gezegd: waar zit — om met Morpheus uit The Matrix te spreken — de "splinter in your mind"? Dat onbestemde en knagende gevoel dat steeds weer terugkomt, dat er misschien iets nog niet goed zit. In ieder geval heeft de "splinter in the mind" van de ChristenUnie juist te maken met deze benchmark. Misschien moeten we ook realistisch zijn en beseffen dat de cultuurverandering nog veel langer gaat duren dan we hopen en denken. De vraag van de fractie is dan ook: hoe houdt de minister de vinger aan de pols van de overheidscultuur?

Voorzitter. De fractie brengt dit punt niet in om te tornen aan doelstellingen of om te tornen aan planning — in ieder geval niet op dit moment — maar om te benadrukken hoe belangrijk het is dat de minister de cultuurverandering volgt en faciliteert. Daarom sluit de fractie ook aan bij de bijdrage van collega Klip van de VVD en wat zij gezegd heeft rond het implementeren van lessons learned en niet in de verkeerde reflex schieten. Ook sluit onze fractie aan bij het pleidooi van de VVD voor een landelijke voorlichtingscampagne en voor een communicatietoolkit voor decentrale overheden.

Voorzitter. Ik ga afsluiten. Ik kom nog één keer terug op mijn geboortedorp. Nieuwer Ter Aa was een christelijk dorp. De ene helft was Nederlands-hervormd en de andere helft was lid van de gereformeerde gemeente. En enkelen gingen naar een rooms-katholieke kerk of een gereformeerde kerk. Er was een diep religieus besef dat de omgeving waarin zij leefden gegeven was door de Schepper van hemel en aarde, en dat ze die goed moesten doorgeven aan hun kinderen en kleinkinderen. waarbij de betekenis van de aarde niet meer te vinden is in de diepte maar aan de oppervlakte.

Voorzitter. Het dorp van mijn jeugd bestaat niet meer. Het diep religieuze besef van een Schepper wordt niet meer gedeeld door de meerderheid van onze bevolking. In de visie van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco — ik verwijs naar zijn boek De barbaren — is er sprake is van een mutatie: een overgang van een oude naar een nieuwe cultuur. Een overgang waarbij de betekenis van de aarde niet meer te vinden is in de diepte maar aan de oppervlakte.

In het politieke debat over de Omgevingswet gaat het uiteindelijk om de vraag of we als volk, bestuur en politiek tot een gedeelde betekenis willen komen, in verbinding met elkaar. Misschien mag ik het zo formuleren: willen wij ons binden aan de volgende generatie? Daarmee kom ik tot een gewetensvraag aan de minister: zorgt het nieuwe stelsel van de Omgevingswet ervoor dat we een betere omgeving aan onze kinderen en kleinkinderen door kunnen geven? Ik zie uit naar de antwoorden van de minister. Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkerk. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe iets van uw achtergrond te schetsen.

Aan de Rijksuniversiteit Utrecht studeerde u scheikunde en theoretische natuurkunde. Na uw afstuderen ging u aan de slag als junior onderzoeker aan de Technische Universiteit Twente, waar u in 1982 promoveerde in de technische wetenschappen. Vervolgens werd u senior onderzoeker in het NatLab, oftewel Natuurkundig Laboratorium, van de Philips Gloeilampen Fabrieken in Eindhoven. Van 1986 tot 2002 was u voor Philips fabrieksmanager in Nederland, Taiwan en Duitsland.

In 2004 promoveerde u een tweede maal: dit keer in de bedrijfskunde aan de Universiteit Maastricht. Waar u in 1982 promoveerde op een volstrekt bèta-onderwerp op het gebied van geleidende materialen, koos u in 2004 voor een onderwerp over vertrouwen, macht en verantwoordelijk gedrag in industriële organisaties. Oud-senator Egbert Schuurman, jarenlang fractievoorzitter van de ChristenUnie in deze Kamer én hoogleraar reformatorische wijsbegeerte, begeleidde u bij het schrijven ervan.

In hetzelfde jaar werd u bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Eindhoven en vanaf 2008 bekleedde u dezelfde leerstoel aan de Universiteit Maastricht. Afgelopen oktober heeft u in verband met uw pensionering afscheid genomen van beide leerstoelen. Uw afscheidsrede, die u een "pleidooi voor het heilige" noemde, ging over de klimaatcrisis. U bekeek die crisis vanuit het oogpunt van religie, duurzaamheid en inclusie. Bij dat "heilige" gaat het om verbindingen met de medemens en met de natuur, zo betoogde u.

Dat u gepensioneerd bent, betekent niet dat u stilzit. Sinds 2018 bent u actief als zelfstandig consultant op het gebied van innovatie, duurzaamheid en zingeving. In uw werk combineert u uw expertises op het gebied van techniek, filosofie en religie. Zo schreef u diverse artikelen in vaktijdschriften over deze onderwerpen. Ook zat u in 2015 en 2016 in de Adviescommissie Voltooid leven.

In een interview zei u over uw werk als filosoof op een technische universiteit, en ik citeer: "Als filosoof stel ik dan de vraag: welke elektriciteitssystemen zijn goed en welke slecht? 'Goed' kan betekenen: functioneel. Maar ook: toegankelijk voor iedereen, rijk en arm." Dezelfde vragen blijft u als Kamerlid stellen, zoals vandaag bij dit wetsvoorstel.

We kijken uit naar uw verdere inbrengen. Nogmaals van harte welkom.

Meneer Verkerk, u bent vanochtend de een-na-laatste spreker. Ik stel voor na de laatste spreker te schorsen voor een moment van felicitaties.

Dan geef ik nu het woord aan de heer Otten.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Allereerst mijn felicitaties aan de heer Verkerk met zijn maidenspeech.

Voorzitter. De fractie GO heeft de voorgenomen Omgevingswet uitgebreid bestudeerd. Er kwam bij ons steeds weer de vraag terug: voor welk probleem is dit de oplossing? Met klinkende slogans over vereenvoudiging en efficiency wordt de Nederlandse burgers door het kabinet-Rutte het zoveelste bureaucratische oor aangenaaid met deze voorgestelde Omgevingswet. 26 bestaande wetten worden in één omgevingswet geïntegreerd, als het aan het kabinet-Rutte ligt. Nou zijn we in Nederlands al tientallen jaren eindeloos met elkaar aan het debatteren over de falende integratie. Daar kunnen we binnenkort deze Omgevingswet aan toevoegen, als deze Eerste Kamer daar nu geen stokje voor steekt. Want alles wijst erop dat ook dit integratieproject gaat mislukken.

We hebben al eerder soortgelijke efficiencyslagen en vereenvoudigingen gezien van het kabinet-Rutte, onder andere in de jeugdzorg en bij de Wmo, waarbij in de realiteit van de beloofde uitkomsten vaak weinige terechtkwam en de effecten in de praktijk vaak dubieus bleken te zijn. Ik wijs onder andere op de problemen bij de jeugdzorg.

Voorzitter. Ik wil niet al te vaak Amerikaanse gezegden aanhalen in deze Kamer, maar in de Angelsaksische wereld is men toch wel vaak erg goed in het kernachtig formuleren van een bepaalde situatie. Als je je verdiept in deze voorgestelde Omgevingswet, denk ik toch meteen onwillekeurig aan het gezegde "if it ain't broke, don't fix it". Als er niks mis mee is, moet je er niet aan gaan lopen prutsen. Ik sluit mij ook aan bij wat de heer Nicolaï daar voor mij allemaal over gezegd heeft. Of om een ander belangrijk principe uit de medische wereld te noemen — wat u, voorzitter, als medicus wellicht meer aanspreekt — in gezond weefsel moet je niet gaan snijden, "do no harm". Artsen moeten hierover zelfs een eed afleggen: ik zal de patiënt geen schade doen. Wordt het niet eens tijd dat we hier in de Eerste Kamer ook een dergelijke eed gaan afleggen? "Ik zal geen slechte wetgeving accepteren of faciliteren."

Deze principes lijken allemaal niet gehanteerd te zijn bij het ontwerp van de Omgevingswet. Er is een ware bestuurlijke fata morgana opgetuigd, een luchtspiegeling van een juridische oase waar het goed toeven is, aan het water, in de schaduw van wuivende palmbomen. Maar in de praktijk bestaat een fata morgana niet en raken de diverse overheidsorganen gedesoriënteerd en verdwaald in deze bestuurlijke woestijn. IJlend en uitgeput kruipt men naar de luchtspiegeling toe, die maar niet dichterbij wil komen.

Voorzitter. De Omgevingswet brengt grote risico's met zich mee en creëert een stelsel waardoor het onzeker is of aan burgers, overheid en de rechter voldoende houvast geboden wordt en of de rechtsbescherming uiteindelijk gelijkwaardig zal zijn aan het huidige niveau. Daarnaast ontstaat door deze Omgevingswet ook onvoldoende duidelijkheid over ieders rol binnen het openbaar bestuur. Waar onder de huidige wetgeving, inclusief jarenlange jurisprudentie, duidelijk is wie wat moet doen in bestuurlijk Nederland en wat ieders rol is binnen het bestuursrecht, worden de verantwoordelijkheden nu in de Omgevingswet verdeeld over meerdere overheden en bestuurslagen. De accountability — de rekenschap, met een Nederlands woord — verdwijnt. Niemand is straks meer verantwoordelijk en de burger wordt van het kastje naar de muur gestuurd.

De heer Rietkerk (CDA):

Een vraag aan de heer Otten. De suggestie dat de Omgevingswet ervoor zorgt dat er meerdere bevoegde organen zijn in de ruimtelijke inrichting, zou ik willen leggen naast de huidige praktijk. Hoe is op dit moment de huidige praktijk naar het idee van de heer Otten?

De heer Otten (Fractie-Otten):

Het is natuurlijk in jarenlange jurisprudentie uitgekristalliseerd wie waarvoor bevoegd is. Ik verwijs naar het voorbeeld dat Van der Grinten en Kortmann aanhalen in het NJB, als ik me niet vergis was dat artikel 5.12 van de Omgevingswet. Dat is een heel goed, uitgebreid voorbeeld van hoe je moet gaan zoeken naar welk orgaan bevoegd is voor een bepaalde beslissing. Je bent dus eigenlijk als burger al heel veel tijd kwijt om uit te zoeken aan welk loket je je überhaupt moet melden. Dat is in de huidige setting toch wel een stuk duidelijker.

De heer Rietkerk (CDA):

Dat betekent dat u het met onze fractie eens bent dat nu ook gemeente, provincie, waterschap en het Rijk al bevoegd zijn voor een aantal zaken, even los van wat Kortmann in dat artikel zegt. Dan is de vraag aan de heer Otten de volgende. Een aantal ondernemers geeft aan: wij moeten nu 16 verschillende vergunningen aanvragen en dat geeft ons geen duidelijkheid, geen inzichtelijkheid en geen daadkracht. Kan de heer Otten reflecteren op die stelling, die eigenlijk de laatste acht jaar al genoemd is in de wirwar van de complexiteit van de regelgeving?

De voorzitter:

Meneer Otten, graag een kort antwoord.

De heer Otten (Fractie-Otten):

U heeft het steeds over daadkracht, maar goed, de verkeerde kant op de sloot inspringen is ook daadkracht, maar dat wil nog niet zeggen dat je er wat mee opschiet. Ik wil daar graag op reflecteren. Vergelijk het met een ziekenhuis. Daar heb je een kaakchirurg, een hartchirurg, noem maar op, allerlei specialismen. Ik denk dat u, als u last heeft van uw hart, toch graag een sectorale aanpak wilt en door de cardioloog wilt worden behandeld en niet door de kaakchirurg. Tenminste, dat zou wel mijn voorkeur zijn. U kunt ook zeggen: we gaan een integrale benadering doen en we gaan naar een chirurg die een manusje-van-alles is; de ene dag doet-ie hartoperaties, de volgende dag longen en dan een gebroken been. Ja, dan komen we verder van huis, meneer Rietkerk. Dat is niet mijn ideale setting.

De voorzitter:

De heer Rietkerk, derde.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik had de vraag niet gesteld over een ziekenhuis en de specialisten, maar over de ondernemer waar de heer Otten ook vaak over spreekt.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Nee, u heeft het over een integrale benadering.

De heer Rietkerk (CDA):

Die ondernemer wil duidelijkheid, zichtbaar in een fabrieksgebouw dat hij wil uitbreiden. Nu is het zo dat hij én met de gemeente te maken heeft, én met een heleboel sectorale regels. Zo'n ondernemer, die zegt: ik wil graag één vergunning, ik wil duidelijkheid en inzicht. Het moet wel digitaal goed onderbouwd zijn. Mijn vraag aan de heer Otten is: wat vindt hij van die ondernemers die dat zeggen en die ook zeggen "aan de slag"?

De voorzitter:

Kort antwoord, en dan stel ik voor dat we de heer Otten zijn inbreng laten afmaken, gezien de tijd, en dat we de interrupties even opsparen tot het eind van de inbreng van de heer Otten, met uw welnemen.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik zeg tegen die ondernemer dat hij nu weet waar hij aan toe is en hoe hij dat moet doen. Dat kunt u ook allemaal teruglezen in het stuk van Van der Grinten en Kortmann, die dus ook dagelijks ondernemers bijstaan. Daar kunt u ook lezen dat die ondernemer straks niet eens meer weet of die überhaupt een vergunning nodig heeft. Hij weet niet waar hij aan toe is. Had ik misschien wel een vergunning moeten hebben? Dat leidt tot onzekerheid, waardoor die ondernemer denkt: nou ja, als ik niet weet waar ik aan toe ben, dan zie ik er maar van af. Dus die ondernemer van u is hier niet bij gebaat. Lees het stuk van Van der Grinten, die dit nota bene aankaart, als adviseur van dergelijke ondernemers.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. Straks weet niemand meer waar men aan toe is in bestuurlijk Nederland en leidt deze Omgevingswet tot nog meer eindeloos gepolder, alsof we daar nog niet genoeg van hebben. Interbestuurlijke ficties, noemt de Raad van State dit in zijn advies, een eufemisme voor bestuurlijke chaos. Veel gemeenten, vooral de kleinere gemeenten — dat is ook gebleken uit het onderzoek dat de heer Nicolaï heeft gedaan — zullen voor enorme uitvoeringsproblemen komen te staan. Veel kleinere gemeenten zijn hier nog helemaal niet klaar voor en er is een ware adviesorgie ontstaan. Ik zat gisteravond na afloop van de eerste termijn even te googelen. Googelt u ook eens op "Omgevingswet advies". Dan komen er honderden bureautjes met cursussen en technische expertise en weet ik wat allemaal. Ze hebben allemaal flitsende websites, het is een ware industrie geworden. Onze voorspelling is dan ook dat, als deze Omgevingswet wordt ingevoerd, er een jarenlange onderlinge competentiestrijd zal uitbreken en er eerst rechtspraak en jurisprudentie zal moeten komen, die hier helderheid in moet gaan brengen. Uren werkverschaffing om het wiel opnieuw uit te vinden.

Voorzitter. Dan komen we op de ICT-aspecten van de Omgevingswet. De invoeringswet voorziet in de instelling van een elektronische databank, het DSO, het Digitaal Stelsel Omgevingswet, dat al veel aan de orde is geweest vandaag en gisteren. Aanvankelijk zou de stelselcatalogus van het DSO maar liefst 80.000 begrippen bevatten, maar nadat het Bureau ICT-toetsing, het BIT, heeft aangegeven dat dit toch wat te veel van het goed was en overambitieus en onhaalbaar, is dit teruggebracht tot een meer beperkte set. Desalniettemin maakt de fractie GO zich grote zorgen over de uitvoerbaarheid van dit veel te ambitieuze ICT-programma.

De trackrecord van de Nederlandse overheid met dit soort megalomane ICT-projecten geeft er ook alle aanleiding voor om hier heel bezorgd over te zijn. Neem bijvoorbeeld het mislukte automatiseringsproject bij de rechterlijke macht, het KEI-project — dat stond voor kwaliteit en innovatie — een project dat 7 miljoen zou kosten, maar dat uiteindelijk, nadat er 220 miljoen was uitgegeven, als mislukt werd beschouwd en werd stopgezet. Bij Defensie is het van hetzelfde laken een pak met het GIT-project, dat ook al heel veel geld heeft gekost en nog steeds niet werkt. U kunt het allemaal uitgebreid nalezen in de rapportages van het BIT. Ik kan nog diverse andere voorbeelden noemen: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, het GBA-systeem et cetera, et cetera.

Voorzitter. Wij vragen ons in deze Kamer regelmatig af hoe zaken als de krakkemikkige PAS-wetgeving rondom de stikstof in deze Kamer goedgekeurd hebben kunnen worden. Ook bijvoorbeeld het totaal uit de klauwen gelopen toeslagenstelsel passeerde geruisloos deze Eerste Kamer. Nog in november 2019, amper twee maanden geleden, keurde deze Kamer willens en wetens de vrijbrief voor Wouter Bos goed om te doen waar hij zin in heeft met de 1,7 miljard euro belastinggeld van Invest-NL. Vorige week begonnen VVD en CDA al te kermen dat het schandalig is dat Bos niks gaat doen voor het mkb en aanvragen onder de 5 miljoen euro niet eens in behandeling gaat namen. Een grote schande was het volgens deze partijen. Dit is nou precies waar GO premier Rutte en minister Wiebes voor waarschuwde op 12 november 2019 tijdens het debat over Invest-NL. Maar het was wederom aan dovenmansoren gericht. Nu rennen veel fracties weer als kippen zonder kop achter het nieuwste wetgevingsgedrocht aan, in slaap gesust door het kabinet met mooie verhaaltjes over vereenvoudiging en versimpeling. Maar dat is het niet. De politiek is blijkbaar niet in staat om dit soort slechte wetten in deze Kamer te stoppen. Stupidity is doing the same thing over and over again and expecting a different result, is het gezegde dat hierop van toepassing is.

Voorzitter. Als ik de VVD-fractie vraag om in drie zinnen aan te geven voor welk probleem dit VVD-wetgevingsproject de oplossing is, krijg ik geen klip-en-klaar antwoord. Blijkbaar is er in de Nederlandse politiek en in het bestuurlijke systeem een onuitroeibare drang naar megalomane bestuurlijke projecten die vaak alle ingrediënten voor een toekomstig fiasco in zich hebben. Het politieke verstand gaat op oneindig en niemand is meer in staat om dit te stoppen. De Nederlandse burger is de dupe. Voor de verantwoordelijke uitvoerders is er altijd een glazen vloer. Hoe bont je het ook maakt, je zakt er nooit doorheen. Er is altijd wel weer een ander leuk baantje beschikbaar. We hebben het ook gezien bij de dienst Toeslagen. Daarom gaat GO door met het aan de orde stellen van dit soort zaken. De Nederlandse kiezer wil echt verandering en wil een beter bestuur, en heeft daar ook recht op.

Voorzitter. Ik sluit af. De heer Dessing had het gisteren over de Omgevingswet als een wankele jengatoren die elk moment kan instorten. Desalniettemin heeft de FvD-fractie zich net als de PVV in laten pakken door de minister om deze wet toch aan een meerderheid te helpen, maar dat terzijde. Deze Omgevingswet is geen jengatoren maar een wankele toren van Babel die zal leiden tot Babylonische bureaucratische bezigheidstherapie. De oproep van GO aan het kabinet is dan ook: stop dit kansloze project nu, nu het nog kan.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel meneer Otten. Ik geef het woord eerst aan mevrouw Klip die zich als eerste had aangemeld zeg ik tegen meneer Van Dijk.

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Zonder in uw bevoegdheden en uw kennis te treden, wil ik toch even reageren op de beeldspraak van de heer Otten over de medische wetenschap. Ik denk dat de heer Otten heel blij is als de anesthesist en de longarts meekijken als er aan zijn hart geknutseld wordt. Dat is goed voor een optimaal resultaat. Zo moet je ook naar de Omgevingswet kijken. Als u zo'n beeldspraak kiest, moet u die misschien iets beter uitwerken.

Mijn vraag is een andere. Ik heb u duidelijk horen zeggen dat uiteindelijk niemand meer verantwoordelijk is bij deze nieuwe Omgevingswet. Daarom stond ik hier zonet ook. Ik zou graag willen dat u dat toelicht. In het een-tweetje met de heer Rietkerk gaf u wel degelijk aan dat verschillende partijen verantwoordelijk zijn. Ik kan dat niet rijmen.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik verwijs u naar het advies van de Raad van State. Daarin wordt dit heel duidelijk aangegeven. Ik heb het op mijn tafeltje liggen. Ik kan het u straks laten zien. Daarin wordt duidelijk gezegd dat er wordt overgestapt op een systeem van gedeelde verantwoordelijkheid. Meerdere organen moeten samen tot een beslissing komen. Dat leidt tot allerlei rechtsonzekerheden. Straks weet je niet meer of bij de gemeente of bij de provincie moet zijn. Waar moet je zijn voor je bezwaar? Dat geeft een heel ondoorzichtige situatie die niet accountable is. Daar zijn wij geen voorstander van. Wij denken dat je de taken moet beleggen. Het moet duidelijk zijn wie waarvoor verantwoordelijk is.

Mevrouw Klip-Martin (VVD):

Kunt u dan uitleggen waaraan u ontleent dat niet duidelijk is bij welke overheid je moet zijn. De essentie van die wet is nu juist dat overheden samenwerken en dat heel duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Dat is nu zo en dat is nog steeds zo.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik zou mevrouw Klip willen verwijzen naar het stuk van Van der Grinten, waar ik zojuist de heer Rietkerk op wees. Ik wil het wel voorlezen, maar het zijn heel kleine lettertjes die ik zo snel niet kan lezen. Het gaat om artikel 5.12 waar een uitgebreide beschrijving staat. Daar staat dat men eerst naar dit orgaan moet, maar als dat niet het goede is, moet men naar het andere orgaan, tenzij artikel 2, lid 3, lid 5, lid 6 van toepassing is, want dan moet men naar het orgaan waarvan men denkt dat dit het meest van toepassing is. Kijkt u even naar het stukje van Van der Grinten. Daarin wordt het perfect uitgelegd. Hij zegt erbij dat hij nog tientallen andere voorbeelden kan opnoemen. Ik ben graag bereid om u dat zo te verschaffen. Ik kan u ook het advies van de Raad van State verschaffen, want dat ligt daar.

De voorzitter:

Het klinkt wel medisch met al die organen. De heer Van Dijk.

De heer Van Dijk (SGP):

De fractie-Otten, de fractie-GO ziet zichzelf als dé fractie voor daadkracht, voor ondernemerschap. U heeft net als wij allemaal een heel indringende bijna ontroerende oproep gekregen van VNO-NCW, MKB-Nederland: alsjeblieft geen uitstel maar doorgaan, dit helpt ons. Zo'n oproep moet toch ook de heer Otten enigszins aan het twijfelen brengen.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Nee, nee, helemaal niet. Ik sluit aan bij wat de heer Nicolaï net vertelde over het nieuw Burgerlijk Wetboek en de Algemene wet bestuursrecht. Toen ik rechten studeerde heb ik toevallig zelf meegemaakt dat je nog tijdelijk BW en nBW moest doen. Ik heb heel veel bestuursrecht gehad van professor Michiel Scheltema van D66 die twintig jaar lang aan de Algemene wet bestuursrecht heeft gewerkt. Hij is ook staatssecretaris geweest, wetgevingsjurist en hoogleraar. Die wet werd heel zorgvuldig en gefaseerd ingevoerd, precies zoals Nicolaï eerder zei. Dit is een ondoordacht monstrum van een wet die er even doorheen wordt gejast. We hebben een goedontwikkeld bestuursrechtsyteem in Nederland met jarenlange jurisprudentie van de Raad van State, noem maar op. Het is ook afgekaart tussen de Hoge Raad en de Raad van State, zowel qua civielrecht als bestuursrecht. We zetten heel veel dingen op het spel om een bestaand systeem dat prima werkt te vervangen omdat we iets nieuws moesten bedenken. Daarom zeg ik ook: if it ain't broke, don't fix it.

De heer Van Dijk (SGP):

Helder. Afrondend constateer ik dat de heer Otten ook zo'n oproep van VNO-NCW, MKB-Nederland, waar de SGP iets meer dan vertrouwen in heeft, heel gemakkelijk naast zich neerlegt.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Die waren voor de afschaffing van de dividendbelasting en dat vond ik ook een waanzinnig slecht advies. Ik ben niet blind van mening dat alles wat MKB-Nederland en VNO-NCW adviseren goed is voor de Nederlandse economie of ons algemeen belang. Nee, wij vormen ook ons eigen oordeel.

Mevrouw Moonen (D66):

Mijn vraag aan de heer Otten is hoe hij aankijkt tegen de opzet van het Digitale Stelsel Omgevingswet? Als aanvrager van een vergunning word je juist via de vergunningencheck automatisch doorgeleid naar het juiste bevoegde gezag. Als je bijvoorbeeld een boom wilt kappen op een dijk, kom je automatisch bij het bevoegd gezag waterschap terecht. Als je een boom in je eigen tuin wilt kappen, kom je automatisch bij het bevoegd gezag gemeente terecht. Doordat de overheden samenwerken — mevrouw Klip zei dat ook — wordt de burger automatisch doorgeleid naar het juiste bevoegde gezag. Dat moet u toch als muziek in de oren klinken?

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ongetwijfeld werden u dezelfde verhalen verteld over het KEI-project bij de rechterlijke macht dat na 220 miljoen is stopgezet of het GrIT-project dat alle logistiek van Defensie zou organiseren maar nog steeds niet werkt. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Het moet natuurlijk nog wel even geïmplementeerd worden en het moet ook werken. Ik zat tijdens een van de voorgaande sprekers een stuk te lezen waarin staat dat ICT-projecten van de overheid die voor 2,5 miljard zijn gebudgetteerd nu al meer dan een miljard over het budget zijn, terwijl ze gewoon niet worden opgeleverd. Het is allemaal leuk op papier, op de tekentafel en in een powerpointpresentatie waarbij de burger ook nog ergens in een hokje staat, maar in de werkelijkheid moet het wel uitgevoerd worden. De overheid heeft op dat punt een bijzonder slecht trackrecord.

Mevrouw Moonen (D66):

Een korte reactie. Het goede nieuws is dat we zelf aan de knoppen zitten. We hebben een technische briefing gehad waarbij wij zelf konden zien hoe een aanvraag bij het juiste bevoegde gezag terechtkwam. Ik ben daar hoopvol over. Het zou best wel eens kunnen dat een ICT-project een keer slaagt.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ja, dat zou best kunnen, maar als wij hier in de Eerste Kamer ICT-projecten gaan managen, dan slagen ze waarschijnlijk niet. Om zelf aan de knoppen te gaan zitten, lijkt me niet zo'n goed plan. Maar wie weet, het zou kunnen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Otten. Wenst een van de leden nog het woord in eerste termijn? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Alvorens de vergadering te schorsen, verzoek ik de heer Verkerk zich voor het rostrum op te stellen, zodat alle overige collega's hem kunnen feliciteren. Meneer Verkerk, als voorzitter feliciteer ik u graag als eerste.

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze tot 13.30 uur.

De vergadering wordt van 12.37 uur tot 13.30 uur geschorst.