Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 22, item 9

9 Mediawet

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst ( 34264 ).

(Zie vergadering van 1 maart 2016.) 

De voorzitter:

Ik heb de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap reeds welkom geheten aan het begin van de middag. Wij zijn toe aan de derde termijn van de Kamer. 

De beraadslaging wordt heropend. 

De heer Atsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Het is de derde keer dat wij met de staatssecretaris voor Mediazaken spreken over dit onderwerp. Wij voegen het zoveelste hoofdstuk toe aan de soap die wij hier vorige week een voortzetting hebben gegeven. Het is jammer dat het op deze manier moet. De CDA-fractie heeft geen enkele behoefte aan een lange inbreng vandaag. 

Ik dank de staatssecretaris voor de toezeggingen die hij op papier heeft gezet. Het is een enorme waslijst van toezeggingen en uitleg geworden van hoe een en ander zou moeten worden gezien. Dat onderstreept de noodzaak van een aanvullende wet. De staatssecretaris noemt het bewust geen reparatiewet, omdat dat in zijn ogen wellicht geen recht doet aan de voorliggende wet, maar ik hou het toch maar op een reparatiewet. Er wordt veel gerepareerd, ook ten goede, zo zeg ik in alle oprechtheid. 

Dit laat onverlet de vraag of de CDA-fractie tevreden is met de uitkomst van datgene wat is toegezegd. Daarop zeg ik volmondig ja en nee. Op een aantal terreinen zijn wij echt wel tevreden over de toezeggingen, maar op andere terreinen is dat zeker niet het geval. Wij staan daar niet alleen in. Ook een groot aantal omroepen, variërend van KRO-NCRV, AVROTROS en MAX tot NOS, hebben de afgelopen dagen kanttekeningen geplaatst bij de brief met toezeggingen aan de Kamer. 

Vooral de sturing door de NPO blijft voor velen, en ook voor de CDA-fractie, een lastig onderdeel, waarbij mogelijk ook strijdigheid met de Grondwet aan de orde zou kunnen zijn. Een van de lastigste punten is dat de reikwijdte van het begrip sturing niet verder wordt uitgewerkt in de brief die de staatssecretaris aan de Kamer heeft gestuurd. Ik ga daar op dit moment niet verder op in, omdat het onderwerp ongetwijfeld op termijn terugkomt in dit huis. 

Waar ik nog wel het een en ander over wil zeggen, is dat de NPO nu ook de publieksbetrokkenheid moet registreren, weergeven en dus meten. Ik weet niet precies wat de staatssecretaris daarbij voor ogen heeft, maar de publieksbetrokkenheid meten vanuit de optiek van de NPO, hoe doe je dat? Moet je dan straks twintig mensen twitter laten volgen, zodat die na kunnen gaan wat er gebeurt op twitter terwijl een programma wordt uitgezonden? Of ga je een panel organiseren? Ga je leden werven? Het moge helder zijn, de CDA-fractie heeft een- en andermaal gezegd: laat de programma's en de producties uitzenden door de reguliere omroepen. Dat is in principe ook de intentie. Als je dat doet, weet je dat het in algemene zin door omroepen gebeurt die samen een half miljoen leden vertegenwoordigen. 

Hoezo aanvullende publieksbetrokkenheid? De vraag die de staatssecretaris heeft opgeworpen, zou overigens ook andere fracties in dit huis niet moeten aanspreken. Wij hebben een sterke basis in het omroepbestel. Laten we daar vooral gebruik van maken. Ook de mogelijke strijdigheid met elementen in het concessiebeleidsplan, waarin op onderdelen al vooruit wordt gelopen op wat er in de nieuwe Mediawet komt te staan, wil ik graag nog even aan de staatssecretaris voorhouden. Wellicht kan hij daar in zijn termijn op reageren. 

Dan kom ik op de regionale omroepen. Eigenlijk hebben wij maar één oproep aan de staatssecretaris: kom snel met uw nieuwe aangekondigde wet. U hebt gezegd dat die voor de zomer komt. Het kan ons niet snel genoeg gaan, omdat je dan ook een aantal verdiepingsslagen nog kunt maken met betrekking tot de inhoud van hoe wij aankijken tegen het regionale bestel en de borging daarvan. Het moet toch gezegd: de staatssecretaris heeft vorige week niet gereageerd op de opmerking die ik maakte dat onder anderen de bestuurders van Omroep Drenthe en Omroep Zeeland zich min of meer hebben afgewend van de ROOS-plannen. Nu zien we dat er behalve vanuit die beweging ook uit een aantal andere provincies stappen worden gezet om te komen tot een status die vergelijkbaar is met wat de staatssecretaris vorige week in reactie op een motie heeft toegezegd voor Omroep Fryslân, namelijk een soort van status aparte met op een aantal terreinen meer invloed. Ik heb het vorige week spijtig genoemd dat er geen enkele toezegging is gedaan met betrekking tot de financiering en extra financiering van die status aparte. De provincie, die volgens mij nog geen bestuursakkoord heeft gesloten met de staatssecretaris, zou zo'n akkoord zeer gaarne tegemoetzien, vanwege de specifieke positie van de tweede rijkstaal. 

Nu ligt er echter ook nog een vraag voor vanuit andere provincies, of die vraag komt nog deze week. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daarmee omgaat, zeker omdat andere provincies relateren aan het feit dat daar streektalen worden gesproken die ook in Europese zin tot de erkende minderheidstalen moeten worden gerekend. Die vraag stel ik dan ook aan de staatssecretaris, via u, voorzitter. Uiteraard zijn wij blij met de financiële toezegging die, naar ik heb begrepen, gisteren is geformaliseerd. Dan kunnen de omroepen later dan voorzien de bezuinigingsstappen maken, vanwege de vertraging die de wetgeving heeft opgelopen. 

Dan wil ik nog iets zeggen niet zozeer over de inhoud, maar over de procedure. Wij hebben vorige week grote vraagtekens geplaatst bij de procedure. Wat er nu dreigt, is dat we een wet aannemen die nooit van kracht zal worden, althans voor het grootste gedeelte niet. Stel dat de wet volgende week wordt aangenomen, dan gaat deze wet eigenlijk linea recta naar het grof vuil, voor zover het de landelijke publieke omroep betreft. Dat vinden wij buitengewoon merkwaardig. 

De staatssecretaris heeft gezegd: ik kom met aanvullende wetgeving, maakt u zich vooral geen zorgen, geachte senatoren, want ik garandeer u dat wanneer u de wet weliswaar accepteert, grote delen van die wet — namelijk alles wat op de landelijke publieke omroep slaat — nooit van kracht wordt en ik garandeer u dat er via de Tweede Kamer een nieuwe wet, een aanvullende wet komt, waarin u krijgt wat ik u heb toegezegd. Ook vanuit staatsrechtelijk oogpunt lijkt het mij buitengewoon riskant om die formulering hier te hanteren. Ik zeg dat toch nog een keer, omdat ook deze staatssecretaris geen enkele garantie kan geven dat een nieuwe wet ongeschonden door de Tweede Kamer komt en vervolgens hier belandt. Sterker nog, wij weten niet eens of zo'n wet door de Tweede Kamer komt. Dat zit allemaal nog in de grote glazen bol van de toekomst. 

Bovendien heeft de staatssecretaris gezegd dat hij de garantie geeft dat de wet niet van kracht wordt, ook als hij er onverhoopt, althans in politieke zin, niet meer zou zijn. Je weet het maar nooit in deze tijden. De CDA-fractie zou graag willen weten waarop de staatssecretaris dat baseert. Als er, om welke reden dan ook, een andere dan deze staatssecretaris met deze portefeuille behept zou zijn, dan zou deze fractie graag van de staatssecretaris willen horen hoe hij dan een en ander op basis van een aangenomen wet zou kunnen garanderen aan deze Eerste Kamer. Dat lijkt ons buitengewoon lastig, politiek noch staatsrechtelijk consequent en ook niet houdbaar. 

Kortom, vragen genoeg. Ik zal ze niet allemaal herhalen. Ik heb vorige week gezegd dat het verstandig zou zijn om ook de Raad van State om een oordeel te vragen. Wij hebben inmiddels een quickscan van professor Elzinga gezien. Ook hij zet kritische kanttekeningen bij wat er op tafel ligt, en ook anderen hebben inmiddels hun mening laten horen. Onzekerheid troef. In die zin is het spijtig dat er kennelijk al een meerderheid in deze Kamer is die ja gaat zeggen tegen de wet. Dat is niet dankzij de wet, maar ondanks de wet en vooral dankzij de staatssecretaris, die alles in het werk heeft gesteld om een meerderheid te krijgen. 

Het lijkt de CDA-fractie verstandiger om de wet volgende week niet aan te nemen. Wij verzoeken de staatssecretaris met klem om de wet aan te houden. Deze aangehouden wet biedt dan de mogelijkheid, ook aan de staatssecretaris zelf en aan de Tweede Kamer, om in alle rust het nieuwe huiswerk te doen en te kijken naar de vervolgwet die is aangekondigd. Tegelijkertijd zou dan ook de regionale omroep via wetgeving tot zich kunnen nemen wat door de staatssecretaris is aangekondigd. 

De heer Schnabel (D66):

Dat was wel een heel lange volzin. Ik wil de heer Atsma toch iets vragen. Hij zei aan het begin van zijn betoog zo heel duidelijk dat de CDA-fractie naar deze wet kijkt met een volmondig ja én een volmondig nee. Nu zegt hij inderdaad wel nee, maar als ik hem goed beluisterd heb, dan zegt hij eigenlijk: met de wijzigingsvoorstellen die de staatssecretaris nu heeft gedaan, zijn wij het eigenlijk wel eens, daar kunnen wij ons eigenlijk wel in vinden. We hebben een aantal vragen, maar het is met name de procedure die ons niet bevalt. Mag ik het zo samenvatten? 

De heer Atsma (CDA):

Nee, u hebt niet goed geluisterd. Zijn de toezeggingen goed? Daarop heb ik gezegd: ja en nee. Ik ben op een aantal aspecten van dat nee ingegaan. 

De heer Schnabel (D66):

Die aspecten heb ik niet gehoord. 

De heer Atsma (CDA):

Ik heb gesproken over de sturing. Misschien hebt u dat gemist. Ik heb gezegd wat ook een aantal omroepen de afgelopen dagen tegen ons heeft gezegd over de sturing, dat de algemene beleidskaders ten aanzien van de sturing vanuit de NPO niet zijn gedefinieerd. De staatssecretaris zei wel iets over wat het programma inhoudt, maar niet over het bredere kader. Ik heb aangegeven dat er sprake is van een concessiebeleidsplan, waarin nu al punten staan die zich misschien niet of slechts gedeeltelijk verdragen met datgene wat in de vigerende wet aan de orde is. Ik heb het een en ander gezegd over het voorstel van de staatssecretaris om de publieksverantwoordelijkheid bij de NPO onder te brengen en hoe die publieksverantwoordelijkheid en de verantwoording daarover dan zouden moeten worden vormgegeven. Daar heb ik grote vraagtekens bij. Als de heer Schnabel goed luistert, heb ik ook aangegeven ... 

De heer Schnabel (D66):

Ik heb die vraagtekens heel goed gehoord, maar mijn punt was even dat het vraagtekens en constateringen waren. Dat vond ik interessant. Ik was even benieuwd hoe volmondig dat ja en nee nu eigenlijk was. 

De heer Atsma (CDA):

U kunt er nog een paar krijgen als u dat zou willen, maar gezien de beperkte spreektijd zou ik het vooral over de procedure hebben. Ik vind dat die procedure staatsrechtelijk niet deugt. Dat zou u ook ter harte moeten nemen. De rommelige gang van zaken, het broddelwerk dat nu wordt afgeleverd, de wijze waarop de Kamer een wet dreigt aan te nemen die vervolgens niet van kracht wordt; dat zou deze senaat niet moeten willen. Wij zijn er niet om dat soort wetten goed te keuren. Maar goed, de stemming zal dat volgende week uitwijzen. 

Ik heb aangekondigd dat de CDA-fractie graag zou zien dat de staatssecretaris het wetsvoorstel aanhoudt, zodat hij in alle rust verdere voorbereidingen kan treffen voor de vervolgwet, de reparatiewet, maar ook voor de regionale omroepen de vervolgstappen kan zetten die hij denkt te moeten zetten. Om dat extra te onderstrepen, dien ik de volgende motie in. 

De voorzitter: 

Door de leden Atsma, De Vries-Leggedoor, Nagel, Koffeman, Teunissen en Gerkens wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende: 

  • -dat de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Mediawet heeft geleid tot toezeggingen aan de Eerste Kamer; 

  • -dat de staatssecretaris heeft aangekondigd op korte termijn met een aanvullend wetsvoorstel te komen; 

  • -dat de onderdelen die over de landelijke publieke omroep gaan pas in werking treden als ook het aanvullende wetsvoorstel door de Kamer is aanvaard; 

  • -dat de staatssecretaris op korte termijn een wetsvoorstel over de regionale omroepen aan Eerste en Tweede Kamer zal voorleggen; 

stelt voor: 

  • -het huidige voorstel tot wijziging van de Mediawet aan te houden; 

  • -de staatssecretaris op te roepen op korte termijn het aanvullende wetsvoorstel in te dienen; 

  • -de staatssecretaris eveneens op te roepen voor het zomerreces het wetsvoorstel voor de regionale omroepen in te dienen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter Q (34264). 

De heer Atsma (CDA):

Daarmee heb ik gezegd wat ik namens de CDA-fractie naar voren wilde brengen. Laat vooral doelmatigheid, rechtmatigheid en zorgvuldigheid centraal staan bij de uitkomsten van dit debat. 

De heer Kops (PVV):

Voorzitter. Het is de derde termijn alweer van de behandeling van de Mediawet. Ik zou natuurlijk wederom kunnen zeggen dat de publieke omroep een links, elitair feestje is, maar dat doe ik niet. Niet dat de PVV wat dat betreft van mening is veranderd, maar in de tweede termijn ging het al niet zozeer meer om de inhoud en nu in de derde termijn helemaal niet meer. 

De gang van zaken is uiterst opmerkelijk. Zoals professor Elzinga en dr. De Vries in hun in opdracht van de heer Nagel uitgevoerde advies schrijven, is er sprake van een "nogal bijzonder wijzigingsparcours". De staatssecretaris wil dat het huidige wetsvoorstel simpelweg door deze Kamer wordt aanvaard. De gedane toezeggingen zullen in een toekomstig wetsvoorstel worden uitgewerkt. Tot aanvaarding van ook dat toekomstige wetsvoorstel zullen alleen die wetsonderdelen in werking treden die betrekking hebben op de publieke omroep. Met andere woorden, het grootste gedeelte van de wet zal dan vooralsnog niet in werking treden. Professor Elzinga en dr. De Vries noemen deze handelwijze op zijn minst kwestieus. Zij stellen bovendien dat de grenzen van het Nederlandse staatsrecht worden opgerekt. Dat is nogal wat. Wat vindt de staatssecretaris daarvan? 

Bovendien, gaat het genoemde toekomstige wetsvoorstel er wel komen? Heeft de staatssecretaris met zijn toezeggingen niet simpelweg een te grote broek aangetrokken, gezien de mogelijkheid dat het toekomstige wetsvoorstel in de Tweede of Eerste Kamer simpelweg strandt? Graag krijg ik een reactie. 

Wat zijn toezeggingen waard van een staatssecretaris van een kabinet dat elk ogenblik uit elkaar kan vallen, een kabinet dat praktisch door het EU-voorzitterschap nog in stand wordt gehouden? Zoals professor Elzinga en dr. De Vries aangeven, zijn mogelijke opvolgers van de staatssecretaris op geen enkele wijze staatsrechtelijk gebonden aan de gedane toezeggingen. Zij schrijven bovendien dat de Kamer, indien zij instemt met het wetsvoorstel, is overgeleverd aan de "waarschijnlijk goedbedoelde inzet" van de staatssecretaris. Hoe reageert hij hierop? 

De Eerste Kamer is altijd als laatste aan zet. Hier worden wetsvoorstellen aanvaard of verworpen. De Kamer oordeelt daarbij op eigen kracht. Recht van amendement? Hebben we niet. Een novelle? Zou kunnen, maar dat wil de staatssecretaris niet. De staatssecretaris wil wel dat de wet gewoon door de Eerste Kamer wordt gejast. De gedane toezeggingen komen ooit nog weleens in een ander wetsvoorstel langs. Echt waar, zo verzekert de staatssecretaris ons. De mogelijkheid dat het wetsvoorstel strandt in de Tweede of Eerste Kamer is voor de staatssecretaris geen belemmering. Ook de mogelijkheid dat het kabinet in de tussentijd valt deert de staatssecretaris niet. Het lijkt erop dat de staatssecretaris boven het wetgevingsproces staat en over de kabinetten heen kijkt. 

Ik herhaal dat de Kamer altijd als laatste aan zet is. Hier wordt voor- of tegengestemd. Andere smaken zijn er niet. Dan is het natuurlijk wel noodzakelijk te weten waar je precies voor of tegen stemt en te weten wat de precieze gevolgen zijn van het al dan niet aanvaarden van een wet. Dat de Kamer met aanvaarding van dit wetsvoorstel staatsrechtelijk gezien elke regie en controle op de gedane toezeggingen kwijtraakt, staat daarmee in schril contrast. Het zou dan ook het beste zijn — de heer Atsma heeft er al aan gerefereerd — om de stemmingen hier aan te houden en te wachten tot wij beschikken over een novelle, een separate reparatiewet of een compleet nieuwe wet zodat de Kamer de regie in handen houdt, een stok achter de deur. Dat is verstandiger dan overgeleverd worden aan de "waarschijnlijk goedbedoelde inzet" van de staatssecretaris. 

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Deze derde termijn is meer dan gerechtvaardigd door drie nieuwe gegevens: de brief van de staatssecretaris Dekker van 4 maart jl. met het pakket toezeggingen dat hij tijdens de behandeling in de Eerste Kamer heeft gedaan, de brief van de dertien redactieraden en ondernemingsraden van de dertien regionale omroepen en het advies van twee onafhankelijk staatsrechtgeleerden, professor Elzinga en mr. De Vries, over de Eerste Kamer en de afhandeling van de Mediawet. 

Ik wil beginnen met de reacties uit de provincies, omdat de staatssecretaris steeds met klem heeft betoogd dat het om de belangen van de medewerkers bij de regionale omroepen gaat en dat spoed geboden is opdat de onzekerheid voor hen niet langer blijft bestaan. De dertien redactieraden en ondernemingsraden blijven zich ook na de tweede termijn grote zorgen maken over de wijze waarop de staatssecretaris de wetgeving door de Eerste Kamer probeert te loodsen, zo schrijven zij. Hun zorgen over de kwaliteit van de regionale journalistiek en de inhoud van het media-aanbod zijn eerder toe- dan afgenomen. De staatssecretaris blijft daarentegen volhouden dat de bezuinigingen nauwelijks consequenties zullen hebben voor de journalistieke kwaliteit. Hij heeft geen enkele omroepervaring; anders zou hij geweten hebben hoe de bezuinigingen in de praktijk werken. Verlies van 200 arbeidsplaatsen in het kader van 12 miljoen bezuinigen: hoe kan men denken dat dit geen invloed heeft op het journalistieke werk? De resterende 5 miljoen zal ook op de redacties moeten worden verhaald. Niet eerder hebben omroepmedewerkers het zo slecht getroffen als onder deze staatssecretaris. Hij zegt op te komen voor de omroepmedewerkers, maar in de praktijk heeft hij lak aan de mensen op de werkvloer 

De brief van de dertien redactieraden en ondernemingsraden wordt nog eens ondersteund door de Brabantse gedeputeerde Henri Swinkels, die erop wijst dat er geen enkele financiële noodzaak is om een deel van de wet versneld in te voeren en die een beroep doet op de senaat om de stemming aan te houden. De overeenkomst met ROOS bevestigt dit. Overigens gaat het om uitstel en geen afstel, dus blijven de regionale omroepen bedreigd. 

Een enkele opmerking nog over de eerder gedane benoemingen. Is het juist, zo willen wij van de staatssecretaris weten, dat door Omroep MAX een beroep is gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur om de nodige informatie over eerdere benoemingen te krijgen? Kan de staatssecretaris toezeggen dat behoudens gegevens waarbij de privacy in het geding is, zoals namen, deze informatie onverkort wordt gegeven en dat de pot zwarte lak niet uit zijn bureaula zal komen? 

Toen wij de laatste brief van de staatsecretaris lazen, konden wij onze ogen nauwelijks geloven. Ik weet zeker dat niet eerder een wetsvoorstel met zo veel toezeggingen in dit huis is behandeld. Wat zijn die toezeggingen echter waard? De staatsecretaris zegt toe dat het grote deel van de wet dat niet over de regionale omroepen gaat niet in werking treedt totdat de toegezegde wijzigingen, die nog via de Raad van State en de Tweede Kamer moeten, hier zijn afgehandeld. Op 1 maart betoogde de staatssecretaris dat mocht hij deze zaken niet zelf kunnen afhandelen, bijvoorbeeld doordat het kabinet voortijdig vertrekt, zijn mogelijke opvolgers zijn beloftes gestand moeten doen. Dat blijkt bij navraag gewoon niet waar te zijn. Mogelijke opvolgers van de heer Dekker zijn op geen enkele wijze staatsrechtelijk gebonden aan de door hem gedane toezeggingen, zoals ook blijkt uit het rapport van de deskundigen Elzinga en de Vries. Voor de partijen die zich blij maken met een dode mus wijs ik erop dat in het rapport staat: "Indien de Eerste Kamer thans instemt met het wetsvoorstel zoals het voorligt, dan is zij elke regie op het verloop van de door de staatssecretaris voorgestelde werkwijze staatsrechtelijk gezien kwijt. Zij is overgeleverd aan de waarschijnlijk goedbedoelde inzet van de staatssecretaris en de mogelijke welwillendheid van de Tweede Kamer." 

Ik voeg daar de vraag aan toe wat al deze toezeggingen waard zijn als na mogelijke tussentijdse verkiezingen, zoals te verwachten valt, de samenstelling van de Tweede Kamer, drastisch gewijzigd is. Een sterke tegenstander van deze wet als de PVV kan groeien. Naar alle waarschijnlijkheid zal de VVD verkleind worden en de PvdA nog meer. Dat zijn de partijen die in het verleden borg stonden voor deze wet. De Tweede Kamer heeft nadrukkelijk het recht van amendement, zelfs op de door een meerderheid van de Eerste Kamer gedicteerde voorstellen. Het kan zo maar gebeuren en daarom mag dit wetsvoorstel niet worden aangenomen, te meer daar het absoluut niet nodig is. 

Wat we nu meemaken kent z'n weerga in de parlementaire geschiedenis niet. Bij elke dreiging en eis knikte de staatsecretaris al voordat de vragen waren afgerond. Er hadden al ontmoetingen buiten het parlement plaatsgevonden en partijen die altijd pleiten voor transparantie, hadden daar hun geheime akkoorden al met de staatsecretaris gesloten. Het was zichtbaar: de staatssecretaris stond te popelen om te kunnen knikken en het leek of hij de sprekers tot een grotere spoed aanmaande. Het was zoals Elzinga en de Vries beschrijven: "Veel fracties tonen een open oog en oor voor de voorstellen en toezeggingen die de staatssecretaris doet. (…) Het staatsrecht verzet zich hier niet tegen. Maar niet alle oplossingen die thans op tafel liggen, zijn vanuit deze invalshoek voor de hand liggend en staatsrechtelijk aanvaardbaar." 

Geconstateerd wordt dat de staatssecretaris terug zal moeten naar het kabinet, Raad van State en de Tweede Kamer. Wanneer het gaat om beperkte veranderingen dan is het gebruikelijk te werken met een novelle, in feite een verkapt recht van amendement. In dit geval gaat het echter om een significante aanpassing van het wetsvoorstel die niet strookt met het aanvaarde gebruik van de novelle. Het wetsvoorstel wordt op vele onderdelen gewijzigd en de grootste delen ervan treden niet in werking. De kamer van bezinning is de weg compleet kwijt geraakt. De onafhankelijke staatsrechtgeleerden concluderen dan ook op pagina 7 van hun advies dat in dit geval de novelle met een verkapt amendementsrecht zich ontwikkelt tot een daadwerkelijk wijzigingsinstrument in handen van de Eerste Kamer, wat in strijd is met de Grondwet. 

Dat is een niet geringe uitspraak en voor 50PLUS reden om de staatssecretaris met klem te vragen hierover met spoed advies te vragen aan de Raad van State. Het gaat om een uiterst belangrijke zaak waarmee men niet zorgvuldig genoeg kan omgaan. Een dergelijk advies kan indien nodig met spoed geleverd worden en het is te belangrijk om deze omstreden zaak niet te laten toetsen. Is de staatssecretaris bereid om de Raad van State te vragen om voor de stemmingen van volgende week hierover een advies te geven? 

Wat er hier wordt afgesproken, lijkt ook delen van de Tweede Kamer niet ongemoeid te laten. Gelet de zeer vele en diepgaande wijzigingen die aangebracht worden, heeft niet alleen de staatssecretaris flutwerk geleverd. Ook de Tweede Kamer is massaal tekortgeschoten. Zij heeft maar te doen wat de Eerste Kamer heeft gedicteerd. In feite worden de rollen van de Tweede en Eerste Kamer omgedraaid en wordt de Tweede Kamer gegijzeld. De staatsrechtgeleerden menen dat de grondslag van het Nederlandse tweekamerstelsel geweld wordt aangedaan. Het zou ons niet verbazen als de initiatiefnemer van het instellen van een Staatscommissie Bezinning Parlementair Stelsel, de VVD, de volgende verkiezingen ingaat met de leus "gekker kunnen wij het niet maken". 

Geconcludeerd wordt dat de Eerste Kamer nu betrokken wordt in het politieke verkeer tussen kabinet en Tweede Kamer, een positie die de Eerste Kamer zichzelf niet zou moeten toedichten. De staatsrechtgeleerden hebben na verzending van het pakket toezeggingen nog het volgende laten weten: we hebben de brief van de staatssecretaris nog tot ons genomen en die bevestigt ons in de opvatting dat het zo niet kan. 

Als we op een rij zetten wat er al gebeurd is, wat er verder dreigt te gebeuren en hoe makkelijk het anders kan, wil 50PLUS een voorstel doen. Eerst wil ik echter nog een opmerking maken over de benoemingen. De staatssecretaris heeft zich er veel te veel mee bemoeid en vindt nu zelf ook dat het anders moet. Waarom komt hij hier zo laat achter? 

Er worden zeer veel verbeteringen toegezegd. Eerst moet echter een wetsvoorstel dat op vele punten niet deugt toch aangenomen worden hoewel het niet uitgevoerd gaat worden, met alle risico's van dien. In tegenstelling tot wat de staatsecretaris op 1 maart zei, staat namelijk vast dat zijn opvolgers hier niet aan gebonden zijn. Daarom vragen wij hem — wij willen daar graag een heel duidelijk antwoord op — of hij volmondig toegeeft dat hij zich vergist heeft, dat hij evenmin echt in de hand heeft wat de Tweede Kamer gaat beslissen en dat dit nog minder het geval is indien die bij een vervroegde verkiezingen deze Tweede Kamer drastisch van samenstelling zou veranderen. De Eerste Kamerfracties die op de staatssecretaris en zijn toezeggingen rekenen, nemen grote en onverantwoorde risico's. Het is toch eigenlijk van de gekke dat volstrekt onnodig een wetsvoorstel aangenomen gaat worden dat niet deugt en ook niet uitgevoerd gaat worden? Dat valt toch niemand uit te leggen? 

Een redelijk alternatief ligt voor de hand. Het is mogelijk — dat zou onze voorkeur hebben — om het gehele wetsvoorstel aan te houden, waarna de staatssecretaris met spoed een gewijzigd wetsvoorstel indient dat via de Raad van State en Tweede Kamer in snel tempo bij de Eerste Kamer terechtkomt. Wij hebben de ingediende motie hierover medeondertekend. In dat geval hoeft de beschreven en in onze ogen niet acceptabele procedure niet verder gevolgd te worden. 50PLUS ziet geen enkele reden waarom dat niet zo zou kunnen. Graag willen wij van de staatsecretaris weten of hij niet bij nader inzien dit redelijke alternatief beter vindt dan de zeer omstreden en onjuiste procedures die hij tot nu toe geregeld heeft. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Het wetsvoorstel waarover wij vandaag in derde termijn debatteren, beoogt het publieke omroepbestel toekomstbestendig te maken. De voorgestelde maatregelen moeten leiden tot scherpere keuzes, sterkere creatieve competitie en meer gezamenlijkheid in het uitvoeren van de publieke taak. Het kon rekenen op een grote meerderheid aan de overkant en op steun van de NPO en het College van Omroepen. 

Maar vervolgens gingen de sentimenten schuiven. Tijdens de deskundigenbijeenkomst van 4 december bereikten ons vele kritische geluiden. Sommige delen van het wetsvoorstel bleken voor meerdere juridische lezingen vatbaar. De strekking van moties "van de overkant" bleek niet eenduidig. De toegevoegde waarde van de uitvoerige behandeling van het voorliggende wetsvoorstel in onze Kamer ligt vooral in een verdere aanscherping van de lezing ervan. Daarin heeft onze Kamer een gepaste politieke rol genomen. Wij hebben namelijk zorgen geuit over een te grote politieke invloed op de publieke mediadienst. Dat heeft de staatssecretaris ertoe gebracht, toe te zeggen de rol van de minister betreffende de raad van bestuur van de NPO te verwijderen, de rol betreffende de raad van toezicht van de NPO tot een minimum te beperken, een serieuze verkenning uit te voeren aangaande de transparantie en onafhankelijkheid van benoemingen in de publieke mediasector en publieksbetrokkenheid te ondersteunen. 

Voorts heeft onze Kamer aangedrongen op een verduidelijking van de kaders van de sturende taken en bevoegdheden van NPO en de wijze waarop deze zich verhouden tot de verantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van media-aanbod die omroeporganisaties hebben en houden. Onduidelijkheid hierover heeft tot veel onrust geleid. De recente brief van de NPO en een meerderheid van de omroepen verschaft hierover helderheid en de staatssecretaris heeft aangegeven, de werkwijze zoals uiteengezet in voornoemde brief te delen en te omarmen. 

Op een punt ontvang ik graag nog een nadere toelichting van de staatssecretaris, en dat betreft de status van afspraken met de omroeporganisaties. Graag vragen wij hem te verduidelijken wat hij hier voor ogen heeft. In aanvulling hierop heb ik namens mijn fractie vragen gesteld over de juridische duiding van een aantal artikelen in de Mediawet. Specifiek hebben wij gesproken over artikel 2.6 betreffende het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO, artikel 2.15 over de informatieverstrekking, artikel 2.172 betreffende de inrichting van de jaarrekening en artikel 2.178 aangaande de inrichting van bedrijfsprocessen. Juridische helderheid met de hulp van onafhankelijke deskundigen op deze punten is door de staatssecretaris toegezegd. 

Mijn fractie is voornemens om voor een aantal van de moties die tijdens het plenaire debat zijn ingediend te stemmen. De motie-Ten Hoeve c.s. (met de letter K) over het extra waarborgen van de positie en belangen van de Omrop Fryslân binnen de Regionale Publieke Omroep hebben wij mede ondertekend en kan op onze steun rekenen vanwege de bijzondere positie van Fries als tweede rijkstaal. Ook de motie-Bikker c.s. (met de letter M) over het opnemen van budget en ruimte in de prestatieovereenkomst tussen de regering en de NPO voor levensbeschouwelijke programmering hebben wij mede ondertekend en kan op onze steun rekenen vanwege het belang van levensbeschouwelijke programmering voor de pluriformiteit van de publieke omroep. De gewijzigde motie-Atsma c.s. (met de letter N) over wettelijke waarborgen voor het produceren en uitzenden van programma's door de omroepen achten wij overbodig en zullen wij derhalve niet steunen. Ook de motie-Teunissen c.s. (met de letter L) over de positie van de regionale omroepen bij het geen doorgang vinden van de RPO kan niet op onze steun rekenen. Wij verzoeken de regering juist alles in het werk te stellen, de regionale omroepen te steunen door de RPO wel doorgang te laten vinden. 

En dan kom ik, ten slotte, bij het voorstel van de staatssecretaris om alleen de onderdelen die betrekking hebben op de regionale publieke omroep in werking te laten treden. Dergelijke voorstellen hebben onze Kamer eerder bereikt. Denk aan de wetsvoorstellen Wijzigingen in het verkiezingsproces (33268) en Implementatie van herziene telecommunicatierichtlijnen (32549). Telkens zijn delen van het wetsvoorstel niet in werking getreden teneinde dit onderdeel te repareren in een nieuw wetsvoorstel. Gesterkt door deze precedenten steunen wij het voorstel van de staatssecretaris, zodat de RPO de noodzakelijke voorbereidingen kan treffen. Wij kijken uit naar het wetsvoorstel met de aanvullingen en verduidelijkingen die ik eerder heb uiteengezet. Maar vooral kijkt mijn fractie ernaar uit dat de NPO, omroepen, producenten en programmamakers met het voorliggende wetsvoorstel aan de slag gaan om de publieke mediadiensten toekomstbestendig te maken. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. De behandeling van dit wetsvoorstel verdient natuurlijk niet echt de schoonheidsprijs. Daarvoor is er intussen wat te veel gewisseld. Maar vorige week zijn er duidelijke dingen afgesproken. Ik moet zeggen dat in de brief die de staatssecretaris daarna geschreven heeft, de gemaakte afspraken op een volstrekt acceptabele wijze verwoord zijn. Daar ben ik in die zin tevreden over. Ik ben het met de voornemens van de staatssecretaris eens, alhoewel ik daarbij moet aantekenen dat alleen het element van die nieuwe instantie die voor publieksbetrokkenheid moet zorgen, de indruk geeft niet vreselijk veel meer dan bureaucratie op te kunnen leveren. Daar ben ik nog niet al te gelukkig mee. 

Het is lastig, om dat woord maar te gebruiken, dat juist in dit laatste stadium blijkbaar nog veel standpuntveranderingen optreden over dat deel van het wetsvoorstel dat straks als eerste in werking moet treden, te weten dat over de RPO. Het wonderlijke daarbij is eigenlijk toch ook dat commentaar dat nu van verschillende kanten los komt, volstrekt haaks lijkt te staan op wat eerder altijd gemeld is uit die richting, namelijk dat er prijs op werd gesteld dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk aangenomen zou worden. Op zich kan ik de opmerkingen die gemaakt worden vanuit de regionale omroepen volledig begrijpen. We hebben vorige keer uitdrukkelijk gesproken over de bezuinigingen die opgeschoven zouden moeten worden. De staatssecretaris heeft daarvoor uiteindelijk een termijn van een halfjaar gekozen, waarover ik niet ontevreden ben. We hebben vorige keer ook geconstateerd dat de bezuinigingen mogelijk wel te groot zullen blijken te zijn, zodat ze toch een te grote aanslag zullen doen op het inhoudelijk functioneren van de regionale omroepen. Zodra dat duidelijk wordt, moeten we daar achteraan proberen te gaan. Dat is vorige keer gewisseld met de staatssecretaris. 

Er zijn regionale omroepen die nu wel heel nadrukkelijk vragen om zelfstandigheid. Ik moet zeggen dat het zelfstandig kunnen blijven van de regionale omroepen voor mij de voorkeur zou hebben gehad. Ik heb moeten constateren dat daarvoor noch in de Tweede Kamer, noch in de Eerste Kamer een meerderheid is. Dan moeten we de zaak op een andere manier zo goed mogelijk zien te regelen. 

De voorzitter:

Denkt u aan de tijd? 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik ben bijna klaar. Voor Friesland zal er juist daarom een uitzonderingspositie gemaakt worden. Die uitzonderingspositie wordt nu als het ware ook geclaimd door een paar andere regionale omroepen. Ik heb op zich sympathie voor de andere erkende streektalen in Nederland, de ook in Europees kader als minderheidstaal erkende talen. Maar ik moet wel constateren dat er een principieel verschil is tussen de Friese omroep en de andere regionale omroepen, in die zin dat bij alle regionale omroepen het Nederlands structureel de gebruikstaal is. Behalve bij de Friese omroep: daar is het Fries consequent de gebruikstaal. Dat betekent dat de Friese omroep niet alleen de regionale omroep is, maar dat het ook uitdrukkelijk de omroep van de nationale minderheid Friezen is. Dat is een principieel andere situatie. Daarom heb ik de neiging ... 

De voorzitter:

Wilt u afronden? 

De heer Ten Hoeve (OSF):

... om op dit moment niet meer aan de procedure te willen sleutelen: volgende week kan wat mij betreft het wetsvoorstel in stemming komen. 

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Vandaag beleven we een bijzondere derde termijn van een debat over de Mediawet dat zich voor een groot deel buiten de openbaarheid heeft afgespeeld. Na opschorting van de beraadslagingen na de eerste termijn, heeft er zich een circus van achterkamertjespolitiek afgespeeld, waarin via wheelen en dealen met spiegeltjes en kraaltjes de gunsten van de benodigde meerderheid in dit huis bewerkstelligd zijn. Dat is niet hoe wetten gemaakt horen te worden. 

Wat voorligt, is een Mediawet die volgens toezeggingen van de staatssecretaris slechts zeer ten dele in werking zal treden, namelijk alleen voor de regionale omroepen, waarbij de rest wordt opgeschort tot er een reparatie voor het grootste deel van de wet wordt uitgevoerd, nog voor het zomerreces. Het is voor de Partij voor de Dieren volstrekt onbegrijpelijk waarom de staatssecretaris een wet die kennelijk zulke vergaande reparaties nodig heeft, niet gewoon mee terugneemt naar de Tweede Kamer, om voor de zomer terug te komen met een nieuw wetsvoorstel. Dat zou de koninklijke weg zijn, die om een aantal redenen niet bewandeld lijkt te kunnen worden. Kan de staatssecretaris nu eens klip-en-klaar uitleggen waarom die weg voor hem niet als begaanbaar gezien wordt, waarom het debat zich niet in alle openheid heeft kunnen afspelen en waarom hij zichzelf en het wetsvoorstel geen eerlijke herkansing biedt met een debat dat zich geheel in de openbaarheid van Tweede en Eerste Kamer afspeelt? 

In eerste en tweede termijn heeft de Partij voor de Dieren betoogd de nieuwe Mediawet te zien als een riskante bezuinigingsoperatie, als het afbreken van een goed functionerend systeem en als een uitholling van de onafhankelijke nationale en regionale journalistiek. Die bezwaren zijn niet gering. In de loop van het debat zijn onze zorgen eerder bevestigd dan dat wij gerustgesteld zijn. Wat mijn fractie betreft komt er niet minder, maar meer ruimte voor de publieke omroepen, komt er geen toetsing vooraf aan programmaformats en volgen er zeker geen regionale bezuinigingen, vooral nu decentralisaties rondom werk en inkomen, de zorg en andere terreinen worden doorgevoerd en die regionale toetsing hard nodig is. In de tweede termijn is door verschillende fracties naar voren gebracht dat meer taken voor de lokale overheden ook betekent dat informatievoorziening aan de burger beter moet. Dat onderstreep ik nogmaals. Het is daarom des te belangrijker dat eerst de uitwerking van de rol van de regionale omroepen naar de Kamers komt en dat er eerst een visie op tafel ligt, en niet alleen bezuinigingen waardoor de regionale nieuwsvoorziening en controle van de volksvertegenwoordiging onder druk komen te staan. Er is nu al sprake van een enorme kaalslag rond berichtgeving over provinciale en lokale politiek. Dat lijkt er niet beter op te worden met de plannen in de voorliggende Mediawet. 

In zijn brief van 4 maart jl. loopt de staatssecretaris met zijn vergaande toezeggingen telkens weer vooruit op de wetgeving. Indien deze Kamer instemt met dit wetsvoorstel zouden alleen die onderdelen die betrekking hebben op de regionale omroepen in werking treden. Alle onderdelen die over de landelijke publieke omroep gaan, treden pas in werking op het moment dat ook het aanvullende wetsvoorstel is aanvaard. Toegezegd is dus om driekwart van de Mediawet in de wachtkamer te zetten. Dat is niet de wijze waarop de Eerste Kamer wetten voorwaardelijk zou moeten aannemen. We kennen hier staatsrechtelijk gezien een "ja", een "nee" en een novelle. We kennen geen verkapte amendering tot een vorm die niet meer lijkt op wat de Tweede Kamer heeft aangenomen. We hebben te maken met een wet die achteraf, na stemming, nog voor een significant deel wordt gewijzigd via een aanvullend wetsvoorstel. Stemming over de nieuwe Mediawet is daarom een uiterst problematische gang van zaken, die een ongewenst precedent schept. Volgens staatsrechtgeleerden Elzinga en De Vries is het "bijzonder opmerkelijk dat wordt verzocht om instemming met het voorstel nu, terwijl door reparatiewetgeving er uiteindelijk een geheel ander voorstel uit moet komen." Deze rechtsgeleerden stellen dat afhandeling via het aanvullend wetsvoorstel ondeugdelijk zou zijn. Graag krijg ik daarop een reactie van de staatssecretaris. Opvolgers van de staatssecretaris zijn op geen enkele wijze staatsrechtelijk gebonden aan de toezeggingen die hier en nu zijn gedaan, aldus de rechtsgeleerden. De beoogde extra wijzigingen kunnen daarnaast meer tijd vragen dan gepland of de wijzigingen kunnen er toch anders uit komen te zien dan gedacht. De Eerste Kamer wordt nu gevraagd in te stemmen met een wet die in de voorliggende vorm op aanzienlijke bezwaren stuit. Mijn fractie keurt deze gang van zaken ten zeerste af. Een beter alternatief, de koninklijke weg, zou zijn pas tot stemming over te gaan als er over het aanvullende wetsvoorstel is beslist. 

Maar liefst dertien regionale omroepen maken zich ernstig zorgen over hun journalistieke slagkracht, over het tempo waarin dit wetsvoorstel door dit huis geloodst wordt, over de onduidelijkheid over de steun voor de totale frictiekosten en over de uiteindelijke hoogte van het bezuinigingsbedrag in 2017, zo is te lezen in hun brief van 6 maart. De waarborgen voor de journalistieke onafhankelijkheid van de regionale omroepen moeten nog nader worden geregeld bij wet. Daarin moeten ook afspraken komen te staan over het behoud van de redactionele onafhankelijkheid en de regionale identiteit. De staatssecretaris denkt dat deze tweede fase van de Mediawet nog voor het zomerreces aan de Tweede Kamer en later dit jaar aan de Eerste Kamer kan worden voorgelegd. Gelet op de vertraging van de afhandeling van de eerste fase van de wet is mijn fractie niet gerust op een spoedige afhandeling van de tweede fase. Het zou onverstandig zijn als de Kamer instemt met een wet die onomkeerbare stappen inhoudt voor de regionale omroepen terwijl de journalistieke onafhankelijkheid niet is geborgd. We kunnen het ons niet veroorloven om de regionale omroepen tussen wal en schip te laten vallen. Met "veroorloven" doel ik niet op geld, maar vooral op borging van de kwaliteit van onmisbare nieuwsvoorziening en journalistieke controle van de macht. Volgens gedeputeerde Henri Swinkels is dit de verkeerde volgorde: eerst bezuinigen en centraliseren, en daarna pas een plan. Ik stel voor dat de staatssecretaris alsnog komt met een uitgewerkte visie en dat deze samen met het aanvullende wetsvoorstel en het voorliggende wetsvoorstel in stemming wordt gebracht. 

De afspraak tussen de staatssecretaris en ROOS is dat de bezuinigingen een halfjaar worden uitgesteld om de RPO op te richten. Met die overeenkomst zouden er geen financiële redenen meer zijn om de wet voor het deel van de RPO versneld door te voeren. Kan de staatssecretaris ingaan op dit overleg en bevestigen dat hiermee niet langer sprake is van spoed, zowel niet voor de RPO als de NPO, om het wetsvoorstel nu met stoom en kokend water aan te nemen? Waarom niet staatsrechtelijk de wet naar behoren afhandelen en wachten met stemmen tot de aanvullende voorstellen door beide Kamers behandeld zijn? Zo voorkomen we dat met de instelling van een RPO onomkeerbaar zaken worden vastgelegd die straks op inhoudelijke gronden herzien moeten worden. 

In de geest van de motie die ik namens de Partij voor de Dieren heb ingediend wil ik meer duidelijkheid hebben over de gevolgen van de bezuinigingen op de regionale redacties. Ruim 200 arbeidsplaatsen moeten volgens deze omroepen worden geschrapt en de bezuinigingen gaan direct ten koste van hun journalistieke functie. Hoe kan de staatssecretaris nog volhouden dat de bezuinigingen niet ten koste gaan van de regionale journalistieke slagkracht? Ook de heer Nagel stelde die vraag. Ik zou er graag een reactie op krijgen. 

De vraag die ook al in de tweede termijn werd gesteld, namelijk wat doet de staatssecretaris met de boodschap dat veel omroepen zich niet in de uitspraak van de heer De Vries van ROOS herkennen dat bezuinigingen niet ten koste zullen gaan van programma's, is nog prangender geworden nu de omroepen hun zorgen opnieuw indringend hebben geuit. Hoe gaat de staatssecretaris om met de zorgen van deze omroepen en met de zorgen van de landelijke omroepen die hun bezwaren hebben geuit? 

Het zou heel verkeerd zijn wanneer de regionale omroepen en de landelijke publieke omroep geslachtofferd worden door de blinde bezuinigingsdrift die mogelijk vooral de vlag vormt om een afkeer van de publieke zaak te bedekken. Mijn fractie blijft bij het oordeel dat het onverantwoord is om een wet aan te nemen die de sloop regelt van de bestaande publieke omroep, maar vooralsnog vaag blijft over de nieuwbouw. 

Mevrouw Krikke (VVD):

Voorzitter. De VVD heeft de brief van de staatssecretaris die ons vrijdag heeft bereikt gelezen en dankt de staatssecretaris heel hartelijk voor deze brief. De VVD kan ermee instemmen. 

De VVD kan ook instemmen met de aangekondigde reparatiewet. Daarvoor hebben we een aantal argumenten. We zien de reparatiewet als een verduidelijking van de Mediawet zoals die nu voorligt. We zien ook de urgentie van de inwerkingtreding van de Mediawet, met name waar die ziet op de RPO. Immers, de raad van toezicht heeft voor de oprichting wel een wettelijke basis nodig. Verder vindt de VVD dat de staatsrechtelijke discussie die is ontstaan over het al dan niet de facto zijnde recht van amendement van de Eerste Kamer, meegegeven kan worden aan de staatscommissie, die zich ook zal buigen over een heleboel andere dingen. 

Ik kom bij de moties. De VVD heeft de motie-Bikker c.s. op letter M, die gaat over levensbeschouwing, meeondertekend. Wij zien levensbeschouwing dan ook als alle stromingen die er zijn, niet alleen het christendom, maar ook het humanisme, het boeddhisme. Kortom we leggen "levensbeschouwing" ruim uit. De pluriformiteit die daarvoor nodig is in de publieke omroep steunen we zeer. Daarom steunen we de motie. 

We zullen ook de motie-Ten Hoeve c.s. op letter K steunen, die gaat over Omrop Fryslân. Daarbij nemen we het Fries als tweede rijkstaal als uitgangspunt, zoals die verankerd is in de Grondwet. Wij zien streektalen iets anders. Wij vinden het natuurlijk een gerechtvaardigde discussie dat iedereen zijn streektaal in dezelfde vorm zou willen gieten volgens dezelfde uitgangspunten. De VVD kiest er echter voor om het Fries als tweede rijkstaal, verankerd in de Grondwet, te steunen. Daarom steunen wij deze motie ook. 

De motie-Atsma op letter N, die bij de vorige gelegenheid is ingediend, vinden wij overbodig. De motie-Atsma op letter Q die nu is ingediend, gaan we nog bestuderen. 

De motie-Teunissen c.s. op letter L steunen wij ook niet. 

De heer Kops (PVV):

Hoe oordeelt mevrouw Krikke over de gang van zaken in deze Kamer? Ik snap dat zij van dezelfde partij als de staatssecretaris is en dat zij dus alles prima vindt, maar heeft zij geen enkel woord van kritiek over deze hele procedure, dit hele gedoe? 

Mevrouw Krikke (VVD):

Ik ben blij dat het u is opgevallen dat ik van dezelfde politieke partij ben als de staatssecretaris. Ik ben daar ook trots op; dank u wel. Ik heb over de procedure gezegd — ik roep dat nog maar even in herinnering — dat wij ons kunnen voorstellen dat de staatsrechtelijke argumentatie die op tafel is gekomen, meegegeven wordt aan de staatscommissie, zodat die een en ander bij haar rapport kan betrekken. 

De heer Kops (PVV):

Dat is natuurlijk allemaal leuk en aardig, maar het ziet ernaar uit dat we volgende week moeten stemmen. 

Mevrouw Krikke (VVD):

Ik kijk daar ook zeer naar uit. 

De heer Kops (PVV):

Volgens mij heeft deze Kamer oorspronkelijk de taak om de technische kanten van wetsvoorstellen te beoordelen en te controleren of een wet wel deugt. Volgens mij deugt deze hele gang van zaken voor geen meter. Hoe kan mevrouw Krikke daar nou mee instemmen? 

Mevrouw Krikke (VVD):

Ik heb gezegd dat de VVD kan instemmen met een reparatiewet, omdat wij die zien als een verduidelijking van de Mediawet zoals die nu voorligt. 

De heer Schalk (SGP):

Voorzitter. De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van de brief met toezeggingen van de staatssecretaris. De toezeggingen over de governance en procedures bij benoemingen zijn een duidelijke verbetering, evenals de inkadering van de rol van de NPO versus de omroepverenigingen. Het ware beter geweest als deze verbeteringen reeds in de Tweede Kamer waren aangebracht. Anderzijds zou je kunnen redeneren dat de Eerste Kamer er dus niet voor niets is. Met de voorgestelde wijzigingen worden in ieder geval belangrijke problemen opgelost. 

Ik constateer dat de staatssecretaris kiest voor de route van een aanvullend wetsvoorstel om ervoor te zorgen dat de RPO aan de slag kan. In feite komt het erop neer dat het dan gefaseerd wordt ingevoerd. Deze procedure krijgt van de SGP-fractie geen schoonheidsprijs, maar de afwegingen die de staatssecretaris heeft gemaakt, zijn te volgen voor mijn fractie. Daarbij heb ik nog wel een vraag. De staatssecretaris schrijft het volgende: "Als er omstandigheden zijn waardoor het aanvullende wetsvoorstel niet wordt aangenomen, bijvoorbeeld omdat de Tweede Kamer of de Eerste Kamer het aanvullende wetsvoorstel niet aanvaardt, dan treden de bepalingen over de landelijke publieke omroep niet in werking." Dat is onderdeel van de toezegging, maar ik zou willen weten hoe de staatssecretaris in dat scenario zorgt voor een deugdelijke afhechting. 

Ten slotte kom ik op twee belangrijke onderdelen voor de SGP. Als eerste constateer ik dat de motie-Bikker c.s. op letter M over levensbeschouwing positief wordt bejegend door de staatssecretaris. Als ik het voorzie, krijgt zij ook steun. 

Als tweede, een belangrijk thema voor de SGP ... 

De voorzitter:

Ik wil toch eerst maar het woord geven aan mevrouw Gerkens. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik hoor u zeggen: wat gaat de staatssecretaris doen als de wetswijziging onverhoopt niet door de Tweede Kamer komt? Ik hoor u ook zeggen: de staatssecretaris heeft mij ervan overtuigd dat het nodig is om op deze wijze de wetgeving nu te regelen, ook al verdient het geen schoonheidsprijs. Kunt u aangeven wat het meest prangende punt is waardoor u zegt: dit broddelwerk moeten we maar doorgang laten vinden? 

De heer Schalk (SGP):

De terminologie "broddelwerk" laat ik voor mevrouw Gerkens, maar het meest saillante punt vind ik dat de staatssecretaris mijn fractie ervan overtuigd heeft dat het voor de RPO van belang is om op korte termijn duidelijkheid te krijgen, met name voor de mensen die daar werkzaam zijn, maar ook om de financiering, oftewel de bezuiniging, tijdig en goed in gang te zetten. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Maar de RPO, die er nog niet is, wordt dan ingericht op basis van toezeggingen, dus zonder wettelijke basis, met als risico dat er eigenlijk geen basis is voor de RPO noch de publieke omroepen als deze wet niet door de Tweede Kamer komt, zoals de heer Schalken al zegt. Over onzekerheid voor de mensen hebben we een brief gehad van de medezeggenschapsraad en de or: zij vinden dit meer onzekerheid bieden. Ik zou de heer Schalken dus nog een keer willen vragen wat er zo belangrijk aan is dat we deze wet op deze manier door de Eerste Kamer moeten jassen. 

De heer Schalk (SGP):

Ik dank mevrouw Gerkens voor deze vraag, want dan kan ik nog even duidelijk zeggen dat ik niet heb aangegeven dat deze wet het waarschijnlijk niet zal halen. De staatssecretaris schrijft in zijn brief over omstandigheden die er zouden kunnen zijn waardoor het aanvullende wetsvoorstel niet wordt aangenomen. Ik heb juist de vraag gesteld aan de staatssecretaris op welke manier hij de zaak dan denkt te kunnen en moeten afhechten. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Met het vertrouwen dat de heer Schalken heeft, vraag ik hem: waarom dan niet even twee maanden wachten en hier netjes alles tegelijkertijd in stemming brengen? 

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel. Ik heet overigens niet "Schalken, maar "Schalk". 

Mevrouw Gerkens (SP):

Neemt u mij niet kwalijk 

De heer Schalk (SGP):

En om op uw vraag terug te komen: waarom niet twee maanden wachten? Ik heb inderdaad aangegeven dat ik de wijze waarop het gebeurt geen schoonheidsprijs geef, maar dat ik de argumenten die aangereikt zijn, heb gewogen. Op basis daarvan kunnen we hier wel mee instemmen. Maar wat mij betreft heeft de staatssecretaris tot waarschijnlijk volgende week de gelegenheid en de tijd om gehoord deze Kamer alsnog te besluiten om het wetsvoorstel aan te houden, mocht hij in de komende week nog ruimte zien om dat te doen. Voor de fractie van de SGP moet het absoluut niet langs deze route. Nee, wij vinden het geen schoonheidsprijs verdienen, maar gunnen de staatssecretaris het voordeel van deze route. 

De heer Atsma (CDA):

De heer Schalk spreekt erover dat de wet geen schoonheidsprijs krijgt. Dat is heldere taal. Vervolgens vraagt hij de staatssecretaris om de wet, wellicht na ampele overweging, aan te houden. Maar wat vindt de heer Schalk zelf? Als hij als senator zegt dat het geen schoonheidsprijs verdient en er geen man overboord is als de wet nu niet wordt aangenomen, zou hij er dan zelf niet voor zijn om hem toch wat langer aan te houden? Ik kan daar veel argumenten voor bedenken. De heer Schalk reikt ze zelf eigenlijk aan. 

Ik heb een tweede vraag. De staatssecretaris noemt het anders, maar mevrouw Krikke sprak over "de reparatiewet", die "verduidelijkt". Vindt de heer Schalk dat ook? Zoals ik hem heb verstaan, vindt hij dat er op een aantal punten belangrijke wijzigingen zijn aangebracht. Dat is iets anders dan een verduidelijking. 

De heer Schalk (SGP):

Ten eerste heb ik niet gezegd dat de wet geen schoonheidsprijs verdient, maar de procedure. De wet had geen schoonheidsprijs in zich. Ik heb zojuist ook aangegeven dat ik het heel jammer vind dat de Tweede Kamer de verbeteringen die wij hier blijkbaar hebben moeten aanreiken, niet heeft aangebracht. Nu zijn ze hier wel aangebracht. De procedure krijgt wat mij betreft geen schoonheidsprijs. Als ik staatssecretaris was, zou ik in de komende week ongelooflijk goed kijken welke mogelijkheden ik nog zie om te besluiten om het wetsvoorstel alsnog aan te houden. Maar ik heb de argumenten gewogen die hij tot nu toe heeft gegeven om deze wet alsnog op deze manier hier in stemming te brengen. Mijn antwoord daarop heb ik reeds gegeven. 

De andere vraag was of ik het een reparatiewet vind. Ik heb begrepen dat het een aanvullend wetsvoorstel is. Ik kan me ook voorstellen dat de term "reparatiewetgeving" wordt genoemd. Dat zijn de woorden van mevrouw Krikke. Ik gebruik zelf de woorden die de staatssecretaris heeft aangereikt in zijn brief. 

De heer Kops (PVV):

Ik wil nog even terug. De SGP heeft "gewikt en gewogen" en zou voor dit wetsvoorstel kunnen stemmen. Dat zijn allemaal mooie woorden. Maar dan gaan we nu even off the record. Wees even eerlijk: welk cadeautje heeft de SGP gekregen van de staatssecretaris in ruil voor steun aan deze wet? 

De heer Schalk (SGP):

Ik spreek hier in ieder geval niet off the record. Ik spreek gewoon in de ruimte van deze Kamer. Ik wil graag dat iedereen hoort welk cadeau ik heb ontvangen: geen. Ik heb echter wel een toezegging gekregen. Maar dat kan geen verrassing zijn voor de heer Kops. Die toezegging ligt er al vanaf het allereerste, prille begin van dit debat. Ik heb dus geprobeerd om zo consistent mogelijk te zijn; dat mag men ook verwachten van de SGP-fractie. Lees de Handelingen er maar op na: helemaal in het eerste debat heb ik al aangegeven dat we moeite hebben met een aantal zaken. Dat waren de zaken die nu gerepareerd worden, laat ik het dan maar even zo formuleren. Ik heb er echter ook een ander onderwerp bijgevoegd. In de verschillende termijnen heb ik het elke keer aangegeven: ik realiseerde me zeer goed dat het een inhoudelijk en een moreel punt was, dat echter wel weegt voor de SGP. Ik weet niet of dat een cadeautje is dat je mag ontvangen. Ik vind het echter gewoon een toezegging. Meer kan ik er niet van maken. 

Die toezegging — dat was het tweede punt dat ik net wilde noemen — was een belangrijk thema voor de SGP. Het betrof het consistente doorvoeren van de Kijkwijzer over reclames. En dat moest platformonafhankelijk gebeuren, dus op radio, televisie en internet. De staatssecretaris deed duidelijke toezeggingen op dit punt. 

Het eerste punt was dus de motie-Bikker c.s. over de levensbeschouwing en het tweede punt de Kijkwijzer. Deze punten hebben beide een inhoudelijke en morele waarde en zij wegen zwaar voor de fractie van de SGP. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Wat zal de heer Schalk doen wanneer de Tweede Kamer nee zegt tegen de toezegging die de staatssecretaris hier heeft gedaan? 

De heer Schalk (SGP):

Ik ben nog maar pas geleden aangetreden in deze Kamer. Ik kan dus nog niet alle ins en outs van toezeggingen overzien. Ik heb echter de indruk dat het geen motie was die ik heb voorgelegd en die hier steun heeft. De staatssecretaris heeft gewoon toegezegd dat hij met de Kijkwijzer gaat doen wat ik heb gevraagd. Volgens mij hoeft hij die vraag over de Kijkwijzer helemaal niet voor te leggen aan de Tweede Kamer. Het is namelijk geen onderdeel van de aanvullende wetgeving. 

De voorzitter:

Mevrouw Gerkens, tot slot op dit punt. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik vraag het omdat ik afgelopen maandag bij WNL gehoord heb dat de heer Verhoeven, van D66 van de overkant, heeft gezegd dat hij niet gaat instemmen met deze wet zolang dit voorstel doorgaat. Volgens mij is het dus wel degelijk relevant om deze vraag opnieuw te stellen: wat gaat de heer Schalk dan doen? 

De heer Schalk (SGP):

Ik denk dat ik het antwoord al gegeven heb. Volgens mij hoeft de heer Verhoeven helemaal niet in te stemmen met het onderdeel Kijkwijzer, want het zal geen onderdeel zijn van de aanvullende wetgeving. Als dat wel zo is, dan hoor ik het graag van de staatssecretaris. Maar volgens mij heeft hij gewoon een toezegging gedaan. Hij zal met de Ster en het NICAM en dergelijke in conclaaf gaan om ervoor te zorgen dat de Kijkwijzer, zoals die nu voor alle programma's geldt, ook toegepast zal worden op de reclameboodschappen. Ik proef aan de lichaamstaal van mevrouw Gerkens dat ze er nog een vraag over heeft, maar die beantwoord ik anders later wel separaat. En ik mag natuurlijk niet aan uitlokking doen, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand van D66 in de Tweede Kamer iets kan veranderen aan een toezegging, die niet in wetgeving wordt vastgelegd en eigenlijk gewoon een handeling is, die de staatssecretaris in de Eerste Kamer heeft gedaan. 

Maar goed, ik was aan het afronden. Alles overwegend ziet het ernaar uit dat de SGP dit wetsvoorstel in samenhang met de aanvullende wetgeving kan ondersteunen. Daarbij zal uiteraard nauwlettend worden gevolgd hoe het proces zich verder ontwikkelt. Ik wens de staatssecretaris vooral doorzettingsvermogen toe om te doen wat hij nog moet doen. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor zijn heldere brief. Inhoudelijk heeft mijn fractie nog twee korte vragen. 

Ten aanzien van de wettelijke inkadering van de sturende rol van de NPO viel mij bij nadere bestudering van de brief op dat er een klein nieuw element in staat ten opzichte van wat de staatssecretaris in tweede termijn betoogde. Hij schrijft nu: "In het aanvullende wetsvoorstel wordt opgenomen dat de sturende taken van de NPO worden verricht op basis van de afspraken en strategie zoals beschreven in concessiebeleidsplan, prestatieovereenkomst, profielen van de aanbodkanalen, de begroting, afspraken met de omroeporganisaties en het coördinatiereglement." Ik vind afspraken met de omroeporganisaties prachtig, maar minder helder, en het afgelopen halfjaar was er met regelmaat ruis. Daarom wil ik de staatssecretaris vragen of het klopt dat juist de wettelijke inkadering zich zal beperken tot de formele kant en de formele documenten. Heb ik dat juist begrepen? 

Dat was mijn eerste korte vraag. De tweede gaat over het feit dat nu in de brief staat dat de omroeporganisaties bij al de eerder genoemde documenten worden betrokken, dus ook bij het coördinatiereglement, de bindende regelingen en de jaarplannen. Dat vindt mijn fractie logisch. Ik weet alleen niet precies hoe de uitwerking daarvan eruitziet. Kan de staatssecretaris daar kort op reflecteren? Het mag echt kort. Bij een derde termijn hoeft dat niet zeer uitgebreid; dat lijkt me ongepast. De brief riep echter die vraag op. 

Dan kom ik op de gekozen procedure. Dit wetsvoorstel doorloopt een uitzonderlijke route. Mijn fractie waardeert de voorstellen die de staatssecretaris doet tot aanpassing van dit wetsvoorstel zeer. Het is een verbetering en een verheldering van de wettekst. Het is een inkadering van de sturende rol van de NPO en daarmee een heldere en steviger positie voor de omroepen. Daarnaast zal de motie ten aanzien van levensbeschouwing die ik in tweede termijn indiende, zorgen voor een betere borging. Naar verwachting wordt de motie gesteund door een meerderheid. De ondertekening ziet er in ieder geval nog zo uit. Dat is voor mijn fractie een belangrijk element. 

Aanpassing van de wet heeft echter wel gevolgen voor de procedure. Ik benoemde al in de tweede termijn hoe dat gewogen moet worden. Staatsrechtelijk gezien is de route van een novelle daarbij in onze ogen de meest zuivere. De Eerste Kamer eist die echter niet. Zoiets biedt de regering aan. De staatssecretaris is echter gekomen met een andere oplossing, die wettelijk gezien eveneens mogelijk is. De staatssecretaris schrijft vervolgens dat het wetsvoorstel alleen in werking zal treden als het aanpassingsvoorstel van de andere wet die deze wet aanvult, in dit huis is aanvaard. 

De novelle had onze voorkeur. Gezien echter de verduidelijkingen en de verbeteringen die dit wetsvoorstel zal krijgen, de toezeggingen van de staatssecretaris op de eerder genoemde punten en de snelheid die hij heeft beloofd ten aanzien van de regionale omroepen, zal mijn fractie desondanks kunnen instemmen met de gekozen procedure en daarom ook met het wetsvoorstel. 

De heer Nagel (50PLUS):

De ChristenUnie heeft een heel goede reputatie met betrekking tot het staatsrecht. Je zou kunnen zeggen dat die fractie misschien wel op de eerste plek staat. Heeft mevrouw Bikker op dat gebied geen bedenkingen tegen dit wetsvoorstel en vooral ook tegen de procedure, ook gelet op de adviezen die er zijn? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor het compliment. Ik zal dat vooral doorgeven aan mijn voorgangers. Als je pas net senator bent, mag je dat jezelf nog niet aanrekenen. Mijn voorgangers zal ik het echter overbrengen. Een van hen is overigens geen voorganger; hij zit hier nog steeds. Ik gaf net aan dat de novelle volgens mijn fractie staatsrechtelijk gezien het meest zuiver is, maar laten we nu niet doen alsof een novelle de enige smaak is die we in deze senaat voorbij hebben zien komen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het meerdere keren is voorgekomen dat de regering op deze manier komt met een oplossing. Als we het zelf hadden geschreven, was het misschien anders gelopen, maar we kijken nu naar het geheel. Het is het voorstel van het kabinet en het kabinet biedt het ons aan. Zo hebben we het koekje dan ook maar te bekijken. 

De heer Nagel (50PLUS):

Mevrouw Bikker gebruikte het woord "smaak". Ik heb net gezegd dat de ChristenUnie wat staatsrecht betreft een eerste plek heeft. Kunt u zich voorstellen dat het bij ons smaakt naar linzensoep? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat kan ik mij niet voorstellen want dat is rode soep, zoals de Bijbelkenners zullen weten. Ik kan deze staatssecretaris toch niet verdenken van het koken van rode soep. 

De heer Atsma (CDA):

Ongetwijfeld bedoelde de heer Nagel een bord linzensoep, maar dat is in een andere context. 

Ik wil toch nog even terug naar datgene wat de staatssecretaris heeft geschreven. Ik ken voor een deel de gedachten binnen de ChristenUnie als het gaat om het mediabestel. Wat vindt u van het voorstel van de staatssecretaris dat de NPO ook het element van de publieksverantwoording breed moet uitwerken? Als ik mij goed herinner hebt u ook in eerste termijn meerdere keren betoogd dat de omroepen tezamen meer dan 3,5 miljoen leden hebben. Is hetgeen de staatsecretaris voorstelt dan wel nodig? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb niet voor niets betoogd dat de omroepen met 3,5 miljoen huishoudens die lid zijn, het stevigste element zijn van onze publieke omroep. Daar sta ik voor en volgens mij gaat dit wetsvoorstel er nog meer recht aan doen dan het al deed. Dan het punt van de publieksvertegenwoordiging. Als het het doel van de staatssecretaris is om de blinde plekken in de programmering aan te vullen zodat de publieke omroep in haar geheel representatiever wordt, dan begrijp ik dat hij zoekt naar manieren hoe hij een en ander kan checken. Als het een representatief geheel is, vind ik dat geen onoverkomelijk bezwaar. Echter, dat mag er niet aan in de weg staan dat de omroeporganisaties een sterke positie hebben. En daar heb ik mij al deze termijnen ook sterk voor gemaakt. U hebt mij daarom ook de verheldering horen vragen over de sturende taak van de NPO en over wat dit betekent voor de omroepen. 

De heer Atsma (CDA):

De staatssecretaris schrijft ook — en daar zijn we blij mee — dat hetgeen via de NPO aan opdrachten aan externen wordt verstrekt, vooral in de vorm van coproducties of anderszins door de omroepen zou moeten worden uitgezonden. Heb je daarmee niet per definitie de publieksverantwoording in ultima forma gerealiseerd en is het dan niet dubbelop? Bent u niet bang dat het straks ten koste gaat van de door u zo geliefde 3,5 miljoen leden of huishoudens? 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat zijn precies de vragen die we volgens mij in eerste en tweede termijn uitvoerig bij de kop hebben gepakt. Ik vind het winst dat de buitenproducenten nu samen met de omroeporganisaties optrekken met eindverantwoordelijkheid voor de omroeporganisaties. Dat hebben we toch een stukje scherper gekregen. Dat neemt niet weg dat ik van de NPO best begrijp dat men in de breedte, nog breder dan die 3,5 miljoen huishoudens, wil kijken hoe het staat met de publieke omroep. Laten we wel wezen: hoeveel leden hebben de partijen in dit huis? Sommige één, sommige meer. Uiteindelijk gaan we ook altijd terug naar de kiezers. Nou, dat gaat bij de publieke omroep anders. Ik vind dat in zichzelf ook niet gek. Alleen moet het dan straks niet betekenen dat we dan geen omroepverenigingen meer nodig hebben. Daar ben ik in mijn bijdrage tot nu toe volgens mij al klip-en-klaar over geweest. 

De voorzitter:

Mijnheer Atsma, nu echt tot slot. 

De heer Atsma (CDA):

U vindt dat de staatssecretaris op dat punt voldoende duidelijk is geweest? Ik vraag dat met name omdat de staatssecretaris als het gaat om de publieksverantwoording vooral reflecteert op hetgeen wat van de zijde D66 en andere partijen naar voren is gebracht. 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb net aangegeven dat juist die diversiteit mij lief is. Daarin zie ik graag ook alle minderheden vertegenwoordigd. Dat is ook de reden waarom ik de motie heb ingediend ten aanzien van levensbeschouwing. Dat wil ik geborgd hebben. Juist daarom zie ik in die publieksraad niet het grote gevaar dat de heer Atsma er in meent te onderkennen. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Voorzitter. Een derde termijn geeft de mogelijkheid om nog eens kernachtig te duiden waar het wat onze fractie betreft bij de behandeling van deze Mediawet fundamenteel om gaat. 

Het doel van de nieuwe Mediawet is het vrij gesloten omroepbestel gemakkelijker open te stellen voor externe programma-ideeën. Maatschappelijke organisaties, stromingen met een boodschap en creatieve makers kunnen bij één loket plannen indienen voor programma's op het gebied van informatie, educatie, kunst, cultuur en levensbeschouwing, zonder dat ze daarvoor eerst een complete omroep op hoeven te richten. Dat verlaagt de drempel van het Mediapark, vergroot de diversiteit van de publieke omroep en zorgt voor meer creatieve input. Met alle waarde die wij hechten aan de pluriformiteit van het huidige Hilversum: wij zien het toelaten van buitenstaanders met een boodschap als een verrijking die past bij de huidige veelzijdige samenleving. Ook kleinere stromingen of groepen in de samenleving die zich nu niet vertegenwoordigd weten door een omroep, krijgen zo de kans op de publieke platforms. In de ideale wereld wordt zo de publieke omroep echt van iedereen. Dat is wat ons betreft de kern. 

Om het meer open bestel te laten werken zijn nieuwe spelregels bedacht. De NPO wordt van een coördinerende een sturende organisatie, die in samenspraak met de omroepen inhoudelijke kaders stelt. De invulling van die kaders in programma's is aan de omroepen en hun programmamakers én aan externe partijen die met programmavoorstellen komen. De omroepen blijven als coproducent betrokken. 

Niet zozeer het doel en de kern, als wel vooral de spelregels die zijn voorgesteld, maakten dat mijn fractie kritisch heeft gekeken naar de wetsvoorstellen. Volgens die spelregels gaat een bij wet ingestelde organisatie met door de politiek benoemde bestuurders de inhoudelijke kaders van de publieke omroep bepalen. Als die organisatie, de NPO, spelverdeler én scheidsrechter wordt bij de toedeling van de zendtijd, dan is alertheid geboden. Staat de politiek dan wel op voldoende afstand, zoals beoogd in Europese regelgeving en in de Grondwet? Zijn de spelregels die de wet oplegt in de praktijk hanteerbaar? Wordt de spelverdeler inderdaad de organisatie die niet alleen dealt met de gevestigde belangen op het Mediapark, maar kan die zich ook in brede zin met de samenleving verstaan? En zijn voor alle partijen de rollen duidelijk, helder en toepasbaar? 

Dat zijn de vragen die mijn fractie zich gesteld heeft. Dat is niet Tweede Kamertje spelen, zoals hier en daar ook in dit huis is gesuggereerd. Dat is precies datgene doen waar de Eerste Kamer in onze ogen voor staat: het toetsen van de wet aan de Grondwet en aan de Europese regelgeving en het bewaken van de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. 

De voorstellen die wij in het debat hebben gedaan, gaan dan ook precies daarover. Zet de politiek op afstand, blijf weg bij de benoeming van bestuurders en toezichthouders. Geef de kijker en de luisteraar, geef de samenleving via publieke consultatie invloed. Verduidelijk de kaders in de wet zodat iedereen zijn geëigende rol kan pakken. 

De brief van de staatsecretaris biedt wat mijn fractie betreft op deze punten de aanvullingen die wij noodzakelijk vinden. Wij danken de staatssecretaris daarvoor. Wij menen dat de Mediawet er beter van wordt. De positie van de NPO en de politiek wordt zuiverder, de blik van de NPO moet echt naar buiten en de redactionele vrijheid van de programmamakers blijft geborgd. Dat is niet niks! 

Dan de vorm waarin de staatsecretaris de wet wil aanpassen. Eerst de RPO-onderdelen en dan, na wijziging, de NPO-onderdelen. De wet zelf biedt in elk geval in artikel III de basis voor een gedifferentieerde invoering. Wij hebben de staatsecretaris helder en ondubbelzinnig horen zeggen dat hij de inwerkingtreding van de desbetreffende wetsartikelen koppelt aan instemming met de te wijzigen wetsonderdelen in Tweede en Eerste Kamer. Aan die toezegging hechten wij zeer. Wij denken dat dit, hoewel in deze omvang misschien niet helemaal gebruikelijk, niet wezenlijk afwijkt van andere procedures waarbij wetten worden aangehouden. Feitelijk wordt nu een halve wet aangehouden, omdat de staatssecretaris dringende argumenten heeft om een deel van de wet over de RPO wel van kracht te laten worden. Daarbij past nog wel een kanttekening. Deze Kamer riep eerder het kabinet op om geen gecombineerde wetsvoorstellen in te brengen. Ook de gang van zaken rond deze wet bewijst weer eens hoe nuttig het is als het kabinet die motie van deze Kamer ook zou uitvoeren. Een aparte RPO-wet en een aparte NPO-wet zouden ons een hoop ingewikkelde discussies bespaard hebben. 

Hoe dan ook, wat de staatssecretaris voorstelt, kan naar onze mening in formele zin. Wij willen nog wel van de staatssecretaris horen, hoe zijn voorstel stand houdt indien er om wat voor reden dan ook een andere bewindspersoon komt die gaat over de inwerkingtreding van de te wijzigen wetsonderdelen. 

De voorstellen die de staatssecretaris heeft geformuleerd in zijn brief van 4 maart maken de wet wat ons betreft beter. Mijn fractie kan daarmee instemmen. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Voorzitter. Mijn derde termijn wil ik voornamelijk besteden aan de procedure, want mijn mening over de inhoud van deze wet heb ik in de eerdere twee termijnen al gegeven. 

In mijn jeugd hoorde ik van mijn ouders steevast twee mantra's: "haastige spoed is zelden goed" en "eerst denken, dan pas doen". De Kamer hoort het al: ik was als kind al van de snelheid. Waarom morgen iets regelen als je dat vandaag al kunt doen? Ik heb menigmaal met mijn ogen gerold als ik deze mantra's weer hoorde, maar ze behoorden tot de goede waarschuwingen die mijn ouders mij hebben meegegeven. Ik zou de staatssecretaris willen meegeven om met dit wetsvoorstel geen haastige spoed, maar zorgvuldige spoed te betrachten. Het uitgangspunt van een wet is dat we iets landelijk moeten regelen, dan wel dat we vinden dat er een probleem ligt dat moet worden opgelost. Dit laatste is de reden waarom de staatssecretaris dit wetsvoorstel indient. In zijn ogen ligt er een probleem: de toekomstbestendigheid van de publieke omroep. Deze wet moet de oplossing daarvoor bieden. Of die dat al dan niet doet, is een politieke opvatting. De SP-fractie is van mening dat de wet juist niet bijdraagt aan het toekomstbestendig maken. Dat hebben wij ook betoogd in de eerste twee termijnen. Naast dit standpunt is mijn fractie ook van mening dat enkele zaken, in de geest van de wijze waarop de staatssecretaris de toekomst van de publieke omroep had gedacht, slecht worden geregeld. Wij staan daarin niet alleen; de meerderheid van de Kamer vindt dat ook. De staatssecretaris moet dus iets doen, want anders stemt deze Kamer tegen. 

De staatssecretaris komt nu met een waslijst van wijzigingsvoorstellen. Deze zouden de wet inderdaad kunnen verbeteren. Het zou in ieder geval kunnen betekenen dat onze fractie het standpunt ten aanzien van de wet zou kunnen heroverwegen. De staatssecretaris moet dus met een wijziging komen en daartoe heeft hij een instrument voorhanden, te weten de novelle, die is gemaakt voor kleine reparaties. De staatssecretaris kiest er echter voor om dit middel niet te gebruiken. Ik begrijp dat wel, want de novelle is, zoals gezegd, de gebruikelijke manier om nog een puntje op de i te zetten. Een novelle is er eigenlijk niet om een wet te wijzigen. 

Wat de staatssecretaris hier voorstelt, is een essentiële wijziging op belangrijke punten van deze wet. De wet wordt grotendeels herschreven. In deze wijzigingen komen nieuwe voorstellen, niet alleen op de algemene wensen van de Kamer, maar ook op individuele wensen van fracties. Ik noem een voorbeeld: zo komt er een maatschappelijke publieks- of adviesraad, een nieuw fenomeen. Maar we weten nog niet hoe bijvoorbeeld de Raad van State of de Tweede Kamer hierover denkt. Als deze wens van de GroenLinksfractie het bijvoorbeeld in de Tweede Kamer niet haalt, valt dan de steun van GroenLinks voor het wetsvoorstel ook weg? Dat geldt natuurlijk voor alle fracties die hier hun wensen hebben neergelegd: van kijkwijzer voor de reclame tot de vraag wat uiteindelijk de precieze rol van de NPO wordt. 

De staatssecretaris zegt dat zijn woord, zijn woord is, ook als alles wordt vertraagd of als het kabinet mocht vallen. Maar de waarheid is dat deze Kamer geen enkele zekerheid heeft of een opvolger hier hetzelfde over denkt, noch of er zich niet een nog nijpendere situatie gaat voordoen waardoor de staatssecretaris alsnog delen van deze wet in werking gaat stellen. Ik breng bijvoorbeeld minister Van der Hoeven en de "splitsingswet" in herinnering, die uiteindelijk, na een aantal keren te zijn uitgesteld, alsnog door haar in werking werd gesteld. De garantie van de staatssecretaris is tot aan de deur van deze zaal. Zodra wij gestemd hebben, ligt het lot van ons besluit in handen van het kabinet, de Raad van State en de Tweede Kamer. Dan krijgen we de vreemde constellatie dat de Tweede Kamer gaat controleren wat wij in de Eerste Kamer hebben bedacht. Wat zal het oordeel van deze Kamer zijn als de wet aan de overzijde geamendeerd wordt op een wijze die deze Kamer niet had bedacht? Manoeuvreren wij ons nu niet in een positie die wij niet zouden moeten willen? 

De staatssecretaris zegt dat dit alles moet, omdat anders de hervormingen bij de regionale omroepen niet kunnen doorgaan. Na een aantal interrupties zegt hij ook heel eerlijk dat dit door de bezuinigingen komt. Hij heeft een halve wet, maar hij gaat de RPO al inrichten op basis van een wet die nog niet eens door de Tweede Kamer is, op basis van, zeg maar, een idee, een plan. Een en ander heeft echter geen enkele wettelijke basis. Ondertussen wil de staatssecretaris doorgaan met de tweede fase van deze wet, terwijl de eerste fase nog niet eens is afgerond. Dat is merkwaardig, want als er geen eerste en tweede fase nodig zijn, waarom zijn ze er dan? Natuurlijk moet eerst de eerste fase zijn afgerond om zo de wettelijke basis te leggen voor de tweede fase. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Ik wil nog even twee zinnen terug. Ik probeer te volgen wat mevrouw Gerkens zei. Zij zei dat er geen enkele wettelijke basis is om met de RPO aan de slag te gaan. Ik heb begrepen dat, als we deze wet aannemen, die wettelijke basis er juist wel is. In die zin volg ik de redenering van de SP niet helemaal. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik begrijp de verwarring. Ik had het misschien wat uitgebreider moeten toelichten. De staatssecretaris zegt toe de RPO te zullen inrichten overeenkomstig de wens en ook overeenkomstig de wijze waarop we dat bij de NPO willen. Hij zegt dat onverkort te zullen doortrekken naar de wijze waarop hij de RPO gaat inrichten. Maar dan gaat hij de RPO inrichten op basis van ideeën die wij in deze Kamer hebben geuit, terwijl de wettelijke grondslag daarvoor moet komen uit de wetswijziging die er dan dus nog niet is. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Ik ben niet de woordvoerder van de staatssecretaris, maar zoals ik het heb begrepen, wordt er nu een wettelijk kader geschapen. Daar wil de staatssecretaris mee voort zodat — door die wet verder in te vullen — zo snel mogelijk duidelijkheid kan worden gecreëerd. Dat vond en vindt mijn fractie een plausibele redenering. Zou de SP daarin niet kunnen meegaan? 

Mevrouw Gerkens (SP):

Dat is een andere vraag dan de eerste vraag die de heer Lintmeijer stelde. Over de inrichting van de RPO zegt de staatssecretaris: ik ga het model volgen overeenkomstig de wijze waarop ik dat, zoals ik de Eerste Kamer heb beloofd, in de toekomst ook bij de NPO zal doen. De heer Lintmeijer zegt dan: moeten wij dit allemaal zo snel inrichten? Mijn antwoord daarop is eigenlijk "nee". Juist ook voor de regionale omroepen zitten er heel veel haken en ogen aan dit wetsvoorstel. We hebben van de medezeggenschapsraad en de ondernemingsraad, maar ook van een aantal gedeputeerden gehoord dat dit nog niet goed in elkaar zit. Zij hebben de oproep gedaan om het geheel, de eerste en tweede fase tezamen, in stemming te brengen. Tot en met ROOS zelf is dat verzoek gedaan. Tegen de staatssecretaris zou ik willen zeggen dat dit een reden temeer is om alles tegelijkertijd in stemming te brengen. 

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Lintmeijer, want we zitten in een tijdsklem. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Mijn conclusie is dat de SP op dit moment een wettelijk kader voor de RPO niet nodig acht. Mijn fractie zegt: dan laat je de onzekerheid daar nog langer voortduren. Dat lijkt ons niet wenselijk. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Er is een wettelijk kader voor een RPO dat niet gebruikt gaat worden, maar dat gebruikt gaat worden op een manier zoals wenselijk wordt geacht. Dat geeft al aan hoe rommelig dit hele verhaal is. 

De tweede fase van de Mediawet moet de journalistieke waarborgen geven. Het zijn de waarborgen waarover mijn fractie zich nog steeds grote zorgen maakt, of liever gezegd: mijn fractie is ervan overtuigd dat deze wet aan de journalistieke kwaliteit van de regionale omroepen gaat tornen. Zoals ik al zei, heeft zelfs ROOS aan de staatssecretaris gevraagd om eerst de tweede fase af te ronden alvorens de RPO in te richten. Anders bestaat de mogelijkheid een RPO te hebben zonder wettelijke basis, die vervolgens een concessie moet gaan aanvragen waarvoor ook geen wettelijke basis is als de wetswijzigingen van de staatssecretaris niet snel door de Kamers gaan, dan wel daar stranden. De staatssecretaris staat niet onwelwillend tegenover de motie van de heer Ten Hoeve, hoewel hij het oordeel hierover aan de Kamer laat. Terecht wijzen twee gedeputeerden op het feit dat Friesland niet uniek is in ons land. Zij pleiten ervoor om deze motie niet alleen voor Omrop Fryslân te laten gelden, maar voor alle regionale omroepen, om zo de regionale taal of de regionale cultuur te kunnen bewaken en bewaren. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij hiertegenover staat. Ik hoor ook graag of de heer Ten Hoeve bereid is om zijn motie over het instemmingsrecht en met betrekking tot de benoeming van de hoofdredacteur met zwaarwegend adviesrecht bij de middelenverstrekking ten behoeve van de programmering uit te breiden. Ik meen dat hij daarover al iets heeft gezegd in zijn termijn. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik heb daarover al iets gezegd in mijn termijn. 

Mevrouw Gerkens (SP):

Haastige spoed is zelden goed, zo zeiden mijn ouders. Eerst denken, dan pas doen! Een bezuiniging van slechts 17 miljoen zorgt ervoor dat hier een wet ligt die aan alle kanten rammelt. De weerstand van de Eerste Kamer was geen nieuws voor de staatssecretaris; de Tweede Kamer heeft hem hier al op gewezen. Hij wuifde dat weg. Vervolgens benoemde hij een VVD-collega op een uiterst gevoelig moment. Hij heeft mij nog steeds niet verteld waarom deze man toevallig zo onmisbaar is op deze positie. Met hem aan het hoofd, kan hij nu gemakkelijk de benoemingen wijzigen. De komende jaren is de politieke invloed al verzekerd; iets met een put en een kalf. Vervolgens heeft hij het erop aan laten komen dat de druk zo hoog is dat hij een krakkemikkige wet door de Eerste Kamer moet loodsen. Onze zeer gewaardeerde, overleden oud-collega de heer Witteveen schreef een prachtig boek: De wet als kunstwerk. Het lijkt alsof hier een nieuw boek in de maak is: de wet als prutswerk. 

Ik weet eerlijk gezegd niet meer aan wie ik mijn betoog moet richten. Moet ik mij richten tot deze staatssecretaris, die kennelijk niet begrijpt hoe gedegen wetgeving werkt? Of moet ik mij richten tot mijn collega's, om de rechtsstatelijkheid van deze Kamer hoog te houden en te doen waartoe wij op aard zijn? Het oordeel van deze Kamer is voor iedereen duidelijk: het is onvoldoende. Vervolgens is de staatssecretaris aan zet. Dan is het een novum om op grond van een bezuinigingsmaatregel met zo veel knip-en-plakwerk in te stemmen. Wanneer we dat wel doen, scheppen we een precedent waar dit kabinet gretig gebruik van zal maken. In dat kader maak ik mij er grote zorgen over dat de PvdA-fractie nu al zegt dat zoiets gebruikelijk is. Zij heeft het dan bijvoorbeeld over de Telecommunicatiewet, waarbij de buitenwerkingtreding door de Tweede Kamer bij amendement werd geregeld. Dat is toch heel wat anders dan hier in de Eerste Kamer. 

Ik heb gezegd dat wij de wet na wijziging zouden moeten heroverwegen. Zo veel wijzigingen vragen namelijk om bezinning over het geheel. Mijn fractie kan zich niet bezinnen op een wet die er nog moet komen. Mijn fractie kan alleen een oordeel geven over het wetsvoorstel dat hier nu voorligt. Dat oordeel is en blijft negatief. Ik vraag de staatssecretaris nogmaals dringend om het wetsvoorstel aan te houden en met spoed de reparatiewet naar de Kamer te sturen. Ik heb hiertoe de motie van de heer Atsma mede ondertekend. Het kan binnen twee maanden geregeld zijn. Dan kunnen wij de koninklijke weg volgen, zoals we behoren te doen. Dan kan mijn fractie een oordeel geven over het geheel van de wet. Wij zijn en blijven de Eerste Kamer. Wij horen geen wetten te maken, maar wij horen ze te beoordelen. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Naar aanleiding van een opmerking van mevrouw Gerkens heb ik gezocht in de brieven die in mijn postbus zitten. In de laatste brief van ROOS die ik kan vinden, wordt juist aangedrongen op het zo snel mogelijk aannemen van het wetsvoorstel. Iets anders vind ik niet. 

Mevrouw Gerkens (SP):

De heer Ten Hoeve zit naast mij. Ik zal zo mijn mailtjes aan hem voorleggen. 

De heer Schnabel (D66):

Voorzitter. In de tweede termijn was ik de laatste spreker van de Kamer. Dat ben ik nu ook in de derde termijn. In tweede termijn heb ik al gezegd dat de bijdrage zich wat D66 betreft zou beperken tot the most important things. Dat zal ik nu dus ook doen. Ik heb toen gesteld dat het voorliggende wetsvoorstel voor ons alleen aanvaardbaar zou zijn als de staatssecretaris niet betrokken is bij de selectie van de leden van de raad van bestuur van Nederlandse Publieke Omroep. Uit de toezeggingen die de staatssecretaris heeft gedaan en uit de brief die hij ons heeft geschreven, blijkt dat hij het voornemen heeft om dat precies zo uit te voeren. 

Daarnaast hebben we heel duidelijk gesteld dat voor ons de versterking van de sturing van de NPO — dat is een heel belangrijk element in het wetsvoorstel — pas acceptabel zou zijn na aanpassing van de governance. De governance is voor ons het belangrijke thema in deze wetgeving. Meer macht bij de publieke omroep betekent namelijk dat de afstand tot de regering groter zou moeten zijn. Daarbij ging het ons om de benoemingsprocedure en de selectieprocedure. De staatssecretaris heeft in zijn brief aan onze verlangens op dit punt voldaan. Het andere punt was dat de sturing van de NPO pas gerealiseerd zou mogen worden als de governance op de juiste wijze was aangepast. Ook daar zal de staatssecretaris aan voldoen. Daarmee is voor ons het belangrijkste element rond deze wet naar voren gekomen. De bedoeling is om de publieke omroep te brengen naar datgene wat in de preambule van de wet staat: meer openheid, meer pluriformiteit en creatieve competitie, met ruimte voor nieuwe aanbieders in Hilversum. Ook de heer Lintmeijer heeft dat benadrukt. Ik denk dat dit ons motiveert om bij deze wet betrokken te blijven en daar in principe positief tegenover te staan. Het lijkt ons van belang dat de punten die ik zojuist noemde, kunnen worden gerealiseerd. Ik hoop dat deze staatssecretaris daar op de kortst mogelijke termijn aan kan voldoen, precies volgens de toezeggingen die hij aan deze Kamer heeft gedaan. 

De voorzitter:

Staatssecretaris, bent u in de gelegenheid om meteen te antwoorden? Ik hoor dat u een schorsing wenst van tien minuten. Ik raad het u niet aan. Misschien is vijf minuten voldoende? We moeten namelijk om 19.00 uur klaar zijn. Als u dan niet klaar bent, kap ik u gewoon af. We hebben de Algemene Europese Beschouwingen immers al opgeschoven. Die staan gepland tot 00.00 uur of tot 00.30 uur. Wat zal het zijn: vijf minuten of tien minuten? Als ik u nu tien minuten de tijd geef, bent u dan wel om 19.00 uur klaar? Ik zie u knikken. 

De vergadering wordt van 18.16 uur tot 18.27 uur geschorst. 

De voorzitter:

Het woord is aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. We staan hier vandaag voor de derde keer voor de plenaire behandeling van de wijziging van de Mediawet. Afgelopen vrijdag stuurde ik de Kamer een brief over het voorstel voor een aanvullend wetsvoorstel, het proces van de verschillende wetsvoorstellen die nog komen en mijn overige toezeggingen. Uit de inbreng van de leden blijkt dat deze brief in ieder geval voor een deel van de fracties voor duidelijkheid heeft gezorgd. Daar ben ik blij om, maar er zijn natuurlijk ook nog vragen. Ik loop die graag langs. Allereerst kom ik bij de vragen over de procedure, daarna bij de vragen over de regionale omroepen en ten slotte bij de vragen over de landelijke publieke omroep. 

Er zijn vragen gesteld over het voorstel voor het proces van dit wetsvoorstel en het aanvullende wetsvoorstel. De reden dat ik die procedure voorstelde, is om het mogelijk te maken dat wij nu snel een aantal stappen kunnen zetten met de regionale omroepen, want dat is echt nodig. Tegelijkertijd respecteer ik hiermee de wens van de Kamer om het overige deel van het wetsvoorstel pas in werking te laten treden, zodra ook de aanvullingen zijn gerealiseerd. Het is dus niet zo dat de wet niet in werking treedt, zoals de heer Atsma suggereert, of direct de prullenbak ingaat. De wet treedt alleen wat later in werking, nadat een aantal aanvullingen en verduidelijkingen in de wet zijn doorgevoerd. Dat is een procedure die in mijn ogen en volgens de wet ook kan, een procedure die ook niet geheel ongebruikelijk is. Er zijn recentelijk diverse voorbeelden geweest van kwesties waarbij deze procedure is gevolgd. Uiteindelijk maakt deze Kamer een eigen afweging over de toezeggingen die ik wat dat betreft doe. 

Met deze route probeer ik ook recht te doen aan het duale bestel. Daar is ook een aantal vragen over gesteld. In de Tweede Kamer was er brede steun voor het huidige wetsvoorstel. Deze Kamer wenst echter nog een aantal aanvullingen. Ik ben daartoe bereid, maar daarvoor moeten wij wel de koninklijke route bewandelen. Dat betekent discussie en besluitvorming in de ministerraad en vervolgens een advies van de Raad van State. Daarna zullen de leden van de Tweede Kamer hun eigen afweging moeten maken en dan komt het ook nog eens hier langs. Ook hier zal het wetsvoorstel op een meerderheid moeten kunnen rekenen, alvorens we een stapje verder zetten. In mijn ogen, zeg ik in de richting van de heer Nagel, is dit geen procedure die vooraf nog om een aanvullend advies van de Raad van State vraagt. De Raad van State zal in het traject dat wij aflopen met het aanvullend wetsvoorstel daar vanzelfsprekend nog advies over geven. 

50PLUS, het CDA en de PVV hebben gevraagd wat mijn toezeggingen hier waard zijn. Ik gaf al in tweede termijn aan dat ik die toezeggingen hier niet als de persoon Sander Dekker doe, maar in functie, als staatssecretaris van OCW. Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee de vertrouwensregel brengen met zich dat ook mijn opvolgers daaraan gehouden zijn. Ook zij zijn verantwoordelijk voor mijn besluiten, toezeggingen en daden, net zo goed als ik verantwoordelijk ben voor alle daden en toezeggingen van mijn voorgangers. Voor mij is dat helder. 

Dan de vraag wat er gebeurt als een aanvullend wetsvoorstel het onverhoopt niet haalt, of als het kabinet in de tussentijd onverhoopt valt. Er kan sprake zijn van heel veel onvoorziene omstandigheden. Ook in tweede termijn heb ik al aangegeven dat, als een en ander daardoor niet leidt tot een voldragen, aanvullend wetsvoorstel in deze Kamer, daarmee een deel van de Mediawet niet in werking zal treden. Ik ga daar natuurlijk niet van uit. Het is een beetje een alsdan-redenering, zeg ik in de richting van de heer Schalk. Wetstechnisch hoeft daar in dat opzicht niet vreselijk veel voor te worden geregeld, maar mocht dat het geval zijn, kan ik mij voorstellen dat een van mijn opvolgers, mocht uiteindelijk dat deel van de wet niet in werking treden, dat er op een gegeven moment uithaalt. Maar als de hemel naar beneden komt, hebben wij allemaal een blauwe hoed. Dan redeneer je dus vanuit de situatie dat zich allerlei beren op de weg zullen voordoen. Ik hoop echter dat die niet komen. 

Dan een advies over de motie van de heer Atsma, want die gaat over het proces. Ik ontraad die motie. 

Er zijn ook vragen gesteld over de regio. Ik ben daar de afgelopen week druk mee in de weer geweest. In het vervolg op het debat met de Eerste Kamer heb ik uitvoerig gesproken met de regionale omroepen, want daar lag de vraag hoe we nu verder gaan. Ik proef die vraag ook als ik praat met individuele directeuren, want ze hebben veel personeel in dienst dat niet weet waar het aan toe is. Maar er ligt wel een goed plan. De basis voor de volgende fase is het plan-ROOS van de regionale omroepen zelf, van vorig jaar. Dat is een goed plan. Het staat ook nog steeds. Daarin wordt een visie op de toekomst van de regionale omroepen opgenomen. In mijn brief van 7 september heb ik gezegd dat ik dat plan graag omarm en dat ik wil helpen om dat te realiseren, onder andere door middel van wetgeving. De visie gaat uit van enerzijds een sterke verankering van de journalistiek in de regio zelf, vanuit de eigen regionale identiteit en de eigen cultuur. De regionale omroepen gaan vervolgens onderling meer samenwerken, maar ook met de landelijke en lokale omroep. Daarnaast wordt er ruimte geboden voor journalistieke innovatie om ook de transitie naar meer online mogelijk te maken. 

Het huidige wetsvoorstel is een noodzakelijke eerste stap in de uitvoering van het plan-ROOS. Ik benadruk nogmaals dat het van het grootste belang is dat er duidelijkheid komt voor de regionale omroepen over de bestuurlijke organisatie en de manier waarop er met de bestuurlijke organisatie invulling kan worden gegeven aan de bezuinigingen. Mede daarom heb ik met de regionale omroepen besproken dat de vervolgstappen heel zorgvuldig zullen worden gezet. Dat heeft ook weer met de onzekerheid bij het personeel te maken. Mijn brief van gisteren aan de regionale omroepen — ik heb de Kamer een afschrift gestuurd — draagt bij aan het vergroten van die duidelijkheid. Hopelijk neemt de brief ook een deel van de zorgen bij de omroepen weg. Mijn overleg met de regionale omroepen bevestigt dat het aanvaarden van het wetsvoorstel dat nu voorligt een eerste noodzakelijke stap is voor de realisatie van de plannen van de omroepen zelf. Het legt daarmee in feite het wettelijk fundament voor de eerste fase. Daarmee wordt de realisatie in gang gezet. Het is van belang om straks een raad van toezicht voor de RPO te installeren, die voorbereidingen kan treffen voor het doen van een concessieaanvraag, de bekostigingsaanvraag en de benoemingsprocedure voor het bestuur van de RPO. 

Ik zal alles in het werk stellen om de reorganisatie van de regionale omroepen te steunen door de RPO wel in te voeren. Mevrouw Sent vroeg daar ook om. We hebben afgesproken dat we de komende periode intensief overleg zullen voeren. Ik zal dat niet alleen met de omroepen doen, maar ook met het IPO en andere betrokken partijen, want ik wil er zeker van zijn dat we de volgende stappen die noodzakelijk zijn, ook kunnen zetten. Daar zit een stuk wetgeving aan, maar voor een belangrijk deel ook een reorganisatie. Ook die stappen moeten we zorgvuldig doorlopen, vooral met het oog op de organisaties van de regionale omroepen. 

Mevrouw Teunissen vroeg of ik kan garanderen dat de bezuinigingen niet ten koste gaan van de journalistieke inhoud. Dat is steeds de doelstelling van het plan-ROOS geweest, namelijk door de bezuiniging zo veel mogelijk in te vullen door centraal samen te werken waar dat kan, bijvoorbeeld door het oprichten van shared services — daar kan een belangrijke efficiencyslag worden gemaakt — en door anderzijds meer samen te werken in clusters. Het reorganisatieplan is ook doorgerekend door een organisatieadviesbureau, in opdracht van ROOS. Die laat zien dat het behalen van de bezuiniging van 17 miljoen mogelijk is, met het zo veel mogelijk ontzien van de journalistieke inhoud. Dat betekent niet dat er helemaal niets zal veranderen. Er zullen ook arbeidsplaatsen verloren gaan. Dat is meestal het geval bij een bezuiniging, maar dit is de manier waarop de bezuiniging kan worden ingevoerd, zodanig dat de kijker en luisteraar daar zo min mogelijk door worden geraakt. 

Is dan in dat plan ook nog de journalistieke onafhankelijkheid geborgd? Daarop zeg ik volmondig ja. Dat gebeurt op twee manieren. Ten eerste via artikel 2.88, dat ook voor regionale omroepen de journalistieke autonomie garandeert. Ten tweede is het uitgangspunt voor de volgende fase dat er in de regio onafhankelijke redacties blijven bestaan. Het zullen geen zelfstandige omroepen zijn met eigen directeuren en raden van bestuur en alles erop en eraan, zoals dat nu is. Het zullen eenheden zijn die op een onafhankelijke manier invulling geven aan de journalistieke inhoud. Dat is de essentie van het plan-ROOS en dat steun ik nog steeds. 

De heer Atsma vroeg hoe het zit met Drenthe en met Zeeland. Vooralsnog hebben zij het samenwerkingscontract nog niet ondertekend. Als deze wet wordt aangenomen en wij een volgende stap zetten, kan ik mij voorstellen dat dat alsnog gebeurt. Het zijn allebei kleine en in mijn ogen kwetsbare regionale omroepen. Waarom? Omdat het gebieden zijn waar minder mensen wonen. Dat betekent dat daarmee rekening wordt gehouden in de bekostiging. Er is meer bekostiging per hoofd van de bevolking. Anders kun je ook daar niet zorgen voor een volwaardige journalistieke functie. Dat zal ook in de toekomst zo zijn. 

Er zijn ook vragen rond Friesland gesteld naar aanleiding van het debat dat wij vorige week gevoerd hebben. De heer Ten Hoeve zei terecht dat daar sprake is van een bijzondere positie. Er zijn omroepen, bijvoorbeeld in Limburg, die vragen of zij niet ook zo'n status aparte kunnen krijgen. Ik denk dat er echt sprake is van een andere situatie. De heer Ten Hoeve gaf dat ook al aan. Volgens het Europees Handvest voor regionale talen gelden een aantal specifieke bepalingen voor het Fries. Sterker nog, er zijn specifieke verplichtingen voor media in de Friese taal. Deze gelden nadrukkelijk niet voor het Limburgs of het Nedersaksisch. Dat is echt een onvergelijkbare situatie. Het betekent niet dat er voor de regionale binding in bijvoorbeeld Limburg helemaal niets gebeurt. Er zal daar geen mediaraad komen, terwijl dat volgens een meerderheid van deze Kamer wel belangrijk is voor Friesland. Maar ook in Limburg zal gewerkt worden met beleidscommissies media-aanbod, waarbij lokaal wordt bekeken hoe op een goede manier invulling kan worden gegeven aan specifieke regionale programma's en hoe het publiek daarbij kan worden betrokken. 

Er zijn een aantal vragen gesteld over de landelijke publieke omroep. De heer Atsma vroeg naar de publieksbetrokkenheid van de NPO. Ik vind het belangrijk dat ook de NPO in gesprek gaat met het publiek, vooral omdat wij met z'n allen met dit wetsvoorstel zeggen: de NPO heeft een belangrijke functie voor iedereen, voor het publiek als geheel, voor de publieke omroep als geheel. Dat is dus niet in plaats van, maar in aanvulling op de publieksbetrokkenheid die de omroeporganisaties al hebben. Dat kan op verschillende manieren. De NPO heeft in het concessiebeleidsplan daar al een aantal suggesties voor gedaan, zoals digitale publieke consultaties, een algemeen loket voor kijkers en luisteraars, publieksenquêtes, publiekspanels en een jongerenraad. Dat laatste is goed omdat het daarbij gaat om een doelgroep die nu nog onvoldoende wordt bereikt. Daarnaast, en dat is een resultante van dit debat, is het belangrijk om dit iets sterker te institutionaliseren met een representatieve adviesraad, die een aantal functies kan krijgen. De heer Lintmeijer wees daar al op. 

Mevrouw Bikker vroeg naar de afspraken met de omroeporganisaties. Zij haalde een punt aan dat ik in de brief aan de Kamer heb opgenomen. Ik heb bedoeld daarmee te wijzen op de afspraken die een formele status kennen. In de brief wordt gedoeld op de afspraken conform artikel 2.55 van de Mediawet. Daarbij gaat het om afspraken tussen de NPO en de omroepen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen, en over de wederzijdse inspanningen daarvoor. Dat komt letterlijk uit de wet. 

Mevrouw Bikker vroeg net als mevrouw Sent naar de totstandkoming van al dit soort plannen en afspraken. Wat is daar de status van? Wat is de betrokkenheid van de omroepen daarbij? Bij al die documenten die de kaders vormen voor de NPO zijn omroeporganisaties betrokken. Neem bijvoorbeeld het concessiebeleidsplan, de profielen voor aanbodkanalen, de begroting en het coördinatiereglement. Voor de meeste van deze documenten geldt een wettelijke procedure, waarin het college van omroepen zijn zienswijze geeft. In the end, bij een conflict, vervult de raad van toezicht een rol. Bij de afspraken tussen de NPO en de omroepen over de doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen is een individuele omroep zelf partij. Voor alle documenten geldt dat de NPO in de praktijk de omroepen altijd consulteert bij het opstellen daarvan. Dat komt niet in isolement tot stand, nee, de NPO doet dat altijd in overleg met het college van omroepen en de verschillende redacties, waarvan de omroepen deel uitmaken. 

De heer Nagel stelde een vraag over een WOB-verzoek. Uiteraard gaan wij dit netjes afhandelen. In tweede termijn heb ik al een toezegging gedaan naar aanleiding van een vraag van mevrouw Gerkens. Zodra dat naar buiten gaat, krijgt de Kamer er een afschrift van, zodat de Kamer over dezelfde informatie beschikt. 

Ik kom tot een afronding. Wij hebben met z'n allen een aantal keren zeer uitvoerig over dit wetsvoorstel gesproken. Ik heb daarbij steeds geprobeerd om alle vragen zo goed mogelijk te beantwoorden en eventuele zorgen rond dit wetsvoorstel weg te nemen. Ik hoop dat dat is gelukt. Het is tijd om de verschillende partijen duidelijkheid te bieden. Ik vraag de Kamer om het wetsvoorstel in stemming te brengen. De toekomst is misschien wel veel belangrijker dan de formele procedure. Wij doen dit allemaal voor een sterke en relevante publieke omroep, een publieke omroep waar sprake zal zijn van meer creatieve competitie, met meer ideeën van buiten, met meer onderscheidendheid, met meer slagvaardigheid. Daarbovenop wordt een eerste wettelijk fundament gelegd voor de grote veranderingen binnen de regionale omroepen. Uiteindelijk draait het om de kijker en de luisteraar, die programma's te zien en te horen krijgen die ertoe doen. Dat hoort bij een publieke omroep die wij allemaal willen. 

De heer Schalk (SGP):

Mevrouw Gerkens heeft mij een vraag gesteld en in dat kader wil ik de staatssecretaris iets voorleggen. Is hij het met mij eens dat de toezegging rondom de Kijkwijzer niet eerst ter beoordeling aan de Tweede Kamer in het algemeen en de heer Verhoeven uit die Kamer in het bijzonder moet worden voorgelegd? 

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb u die toezegging gedaan. Het is een toezegging die kan worden ingewilligd zonder dat daar een wetswijziging voor nodig is. Bovendien is het een toezegging waarvan ik vermoed dat zij op breed draagvlak in de Tweede Kamer kan rekenen. Eerder is daar namelijk een motie-Heerma aangenomen. Die gaat niet zozeer over de discussie die de heer Schalk en ik hebben gevoerd over de toepassing van het Kijkwijzerregime op reclames, als wel over de manier waarop je de Kijkwijzer platformneutraal kunt invoeren, bijvoorbeeld op de content van de publieke omroep op het internet. Indertijd was daar brede steun voor, omdat het principe van de Kijkwijzer überhaupt breed wordt gesteund. Ik vermoed dat dat hier ook het geval zal zijn. 

De voorzitter:

Alvorens ik de beraadslaging sluit, wil ik iets zeggen vanuit mijn functie als Voorzitter die zorgdraagt voor het juist aangeven van de punten waarover de Kamer moet besluiten. Ik signaleer dat een bijzondere weg wordt gevolgd, iets wat zich in deze vorm en met name in deze omvang niet eerder heeft voorgedaan. Naar het zich laat aanzien kan een meerderheid van de Eerste Kamer leven met de door de staatssecretaris voorgestelde constructie. Als Voorzitter wil ik heel duidelijk aangeven dat ik mijn zorgen heb over deze gang van zaken, gezien de staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer, maar het is aan de Kamer. Ik wil daar nadrukkelijk bij zeggen dat dit niet gezien mag worden als precedent. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Er is al hoofdelijke stemming gevraagd over het wetsvoorstel en ik stel voor, volgende week dinsdag over het wetsvoorstel en de ingediende moties te stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

De vergadering wordt van 18.47 uur tot 19.12 uur geschorst.