7 Suppletoire begroting Buitenlandse Zaken

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2014 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) ( 34085-V ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom in de Eerste Kamer. 

De beraadslaging wordt geopend. 

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was ik zeven jaar werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarvan zes jaar als hoofd van de afdeling Energiestatistieken. In die hoedanigheid leverde ik gegevens aan onder andere de Economic Commission for Europe van de Verenigde Naties en nam ik deel aan diverse werkgroepen, waarin de verwerking van die gegevens besproken werd. Eén van die werkgroepen hield zich bezig met statistieken over steenkolenproductie en de internationale handel daarin. Keurige boekwerken werden er geproduceerd, maar mijn Duitse collega en ik hadden wat merkwaardigheden ontdekt. Het was ons opgevallen dat in Europa zo weinig Zuid-Afrikaanse kolen verbruikt werden, terwijl daar, in Zuid-Afrika toch heel wat geproduceerd en uitgevoerd werd. Nu was het in die tijd, zoals u weet, politiek niet correct om Zuid-Afrikaanse producten te gebruiken. Wij telden daarom alle invoer in de hele wereld en alle uitvoer apart op, gespecificeerd naar land en kwamen tot de conclusie dat Zuid-Afrika miljoenen tonnen kolen uitvoerde, maar dat die ergens op de Atlantische Oceaan, misschien in de Bermudadriehoek, spoorloos verdwenen. Ze kwamen gewoon nergens aan. En toch hoorde je nooit van kolenschepen die waren vergaan. Anderzijds gaven importeurs bij elkaar op bijvoorbeeld meer Poolse kolen — dat waren kolen van dezelfde kwaliteit — te importeren dan Polen zelf opgaf te exporteren, ja zelfs te produceren. Wij presenteerden onze resultaten aan de "group of experts on coal statistics" — aan dure namen geen gebrek daar — en de chaos die dat veroorzaakte is zo'n beetje te vergelijken denk ik met wat een ISIS-strijder met een bomgordel veroorzaakt op een sjiitisch marktplein. Een heleboel landen zaten namelijk ineens in de verdachtenbank. Ik herinner me nog dat een ambtenaar van EZ, daar ook aanwezig, mij vertelde dat het verhaal nogal confronterend was. Wat ik hiermee wil aangeven, is dat het zo maar kan voorkomen dat internationale statistieken wel eens door politieke motieven beïnvloed kunnen worden. 

Vandaag praten wij over de suppletoire begroting, begrotingshoofdstuk V van het ministerie van Buitenlandse Zaken. We praten over een extra begroting die nodig is vanwege een statistische herberekening van het bruto nationaal inkomen. Und mit dieser Statistik ist es erst wirklich Kohle machen. Met deze statistiek kun je in Brussel pas echt geld verdienen! Of kwijtraken! Want laten we wel zijn, het totale bedrag dat per jaar aan Brussel betaald moet worden staat vast. De per land te betalen bijdrage wordt vastgesteld naar rato van het bni. Als een paar landen nu hun bni te laag opgeven, hoeven ze niet alleen minder te betalen, maar andere landen moeten dan extra betalen. Kortom, alle reden om de bni's van alle EU-landen goed te controleren. Laat ik bij aanvang van de discussie hierover van het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek, verantwoordelijk voor de berekening van het nationaal inkomen, opmerken dat dit naar de stellige overtuiging van mijn fractie tot de meest integere ambtelijke organisaties van Nederland behoort. Daar hebben we het nadrukkelijk dus niet over! 

Aanzienlijk minder vertrouwen, met name in de onafhankelijkheid, heeft mijn fractie in de organisaties die in andere EU-landen verantwoordelijk zijn voor de berekening van het bni. Juist de herziening van het bruto nationale inkomen van de lidstaten heeft geleid tot een herberekening van de EU-afdrachten. Daarbij is veel minder interessant de door de Europese Commissie gemaakte berekening van de nabetalingen van de bni-afdrachten aan de Europese Unie an sich. Mijn fractie gaat ervan uit dat dit een redelijk eenvoudige rekensom is die zelfs op commissieniveau uitvoerbaar moet zijn. 

Mijn fractie gaat het om de controle op de zeer gecompliceerde bni-berekeningen in andere landen, die daaraan voorafgaan. Hierover hebben we in de commissie schriftelijke vragen gesteld. De meest wezenlijke vraag van ons hierin was: hoe ziet die procedure er precies uit? Daarop was het antwoord: "Om de vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van de bni-gegevens van de afzonderlijke lidstaten te waarborgen, bestaat een uitgebreide procedure voor de vaststelling van het bni voor de afdracht van de eigen middelen van de EU." Dat is dus geen antwoord; dat is slechts een bevestiging dat er een procedure is, hetgeen we al wisten, althans, ten minste hoopten. De letterlijke tekst gaat dan verder: "Hiervoor is een procedure ingesteld die wordt uitgevoerd onder de zogenaamde bni-verordening. Dit proces bestaat onder andere uit een verificatie van de bni-gegevens. Uit de verificatie kan ook naar voren komen dat op onderdelen toegepaste methoden dusdanig afwijken tussen landen dat Eurostat hiervoor een algemeen voorbehoud maakt." Deze zinnen zeggen wederom hetzelfde en dat is niets anders dan: er is een procedure ter verificatie. Ik herhaal daarop onze vraag: wij weten inmiddels wel dat er een procedure is, maar hoe ziet die er dan toch uit? 

In dit verband zou ik de minister ook willen vragen te reageren op een artikel in De Telegraaf van Paul Jansen van dinsdag 10 maart. Onder de kop Schimmigheid krijgt trekjes van patroon blijkt dat De Telegraaf al maanden probeert duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken rond de naheffing van 642,7 miljoen euro. Vanmorgen blijkt dat De Telegraaf hiervoor zelfs naar de Europese rechter is gestapt. Ook hier blijkt dat het ministerie van Financiën geen inzicht wenst te verschaffen in de achtergronden van die naheffing, zich daarbij beroepend op vermeende schadelijkheid voor de betrekkingen met Brussel. In datzelfde artikel van 10 maart in De Telegraaf wordt vervolgens gesteld dat het probleem helemaal niet in Brussel ligt, maar dat het vrijgeven van relevante stukken door Nederland zelf wordt geblokkeerd. Graag een reactie hierop van de minister. 

Tot slot nog een paar opmerkingen over de gehele procedure tot nu toe. Het is duidelijk dat de minister van Financiën eind vorig jaar werd overvallen door de hoogte van de correctie op de bijdrage voor Brussel. Ik neem aan dat hetzelfde geldt voor de minister van Buitenlandse Zaken onder wie deze uitgave valt. Zoiets kan voorkomen, maar het geheel van gebeurtenissen dat er dan op volgt, maakt het er allemaal niet beter op. Een brief over dit onderwerp van de Permanente Vertegenwoordiging van 17 oktober, waarin dus over de EU-afdracht werd gesproken, wordt niet ter inzage gegeven aan het Nederlandse parlement. De afdracht wordt vervolgens als een speer nog in 2014 geregeld. De gestelde schriftelijke vragen worden voor een essentieel deel niet beantwoord. Om het geheel hangt een waas van schimmigheid. Mijn fractie vindt het onthutsend dat zaken zo kunnen lopen, zonder gevolgen te hebben. Voor vandaag beperk ik me echter tot een ultieme poging om inzicht te krijgen in het controleproces bij de berekeningen van de bni's in andere lidstaten. Het gaat hier niet alleen over het bni uit de productiestatistieken die in alle landen worden samengesteld; het gaat hier ook over schattingen van het zwartgeldcircuit die opgenomen zijn in het bni. De indruk van een controleproces waarbij iedere Nederlander belang heeft dat het open, eerlijk en transparant is, heeft de fractie van de PVV, en met ons een groot deel van Nederland, absoluut nog niet. Ik wacht de antwoorden van de minister graag af. 

De heer Meijer (SP):

Voorzitter. Wijziging van begrotingsstaten van een der ministeries is in deze Kamer in het algemeen geen aanleiding tot een plenair debat. Ik zal dan ook niet ingaan op gewijzigde personeelskosten, op het verwijderen van asbest uit het Vredespaleis of op de verkoop van ambassadegebouwen in Hongarije en Zuid-Afrika. Over het nut en de omvang van verschillende deeluitgaven kunnen meningsverschillen bestaan, maar het totaal van de begroting is geen voorwerp van strijd. Dat we nu toch over deze begrotingswijziging spreken, komt doordat er iets bijzonders aan de hand is. Eén onderdeel daarvan heeft veel verbazing, verontwaardiging en publiciteit opgeroepen. Verpakt in voor de publieke opinie onbegrijpelijke begrotingstaal gaat het om wijziging van de begrotingsstaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2014, beleidsartikel 3, onderdeel 3.1. 

Eind 2014 werd Nederland opgeschrikt door het nieuws dat het lidmaatschap van de Europese Unie ons in dat jaar nog veel méér geld ging kosten dan we vooraf al hadden verwacht. Dat was des te pijnlijker omdat onze publieke opinie zich maar al te zeer bewust is dat de positie van Nederland in de loop der jaren sterk is veranderd. We veranderden van een aanvankelijke netto-ontvanger in de naar verhouding grootste nettobetaler aan de Europese Unie. Niet alleen de media reageerden verrast op de nabetaling, maar ook de regering. Weliswaar werd een herberekening verwacht, met zelfs de mogelijkheid dat die ons wat extra's zou kunnen gaan kosten, maar een nabetaling van ruim 1 miljard euro viel volstrekt buiten elk voorstellingsvermogen. Even leek het alsof Nederland eensgezind in opstand zou komen tegen een als onredelijk beschouwd EU-dictaat. Deze gang van zaken laat zien dat de invloed van de EU op onze binnenlandse afwegingen sluipenderwijs veel groter is geworden dan we ons vooraf bewust waren. 

De SP vindt het een slechte zaak dat ons land op grond van vooraf gemaakte afspraken achteraf kan worden verrast door de noodzaak van grote extra uitgaven voor ons EU-lidmaatschap. Dit komt nog eens bovenop andere bemoeienissen van de EU met de begrotingsvrijheid van de aangesloten staten. Het zelf kunnen beslissen over de begroting, zonder inmenging van anderen, is een kenmerk van een soevereine staat. Wie die vrijheid niet heeft, zakt af naar het niveau van een deelstaat of een provincie. 

Als het om EU-financiën gaat, is de publieke opinie in Noordwest-Europa, waaronder die in Nederland, tegengesteld aan die in het zuiden en oosten. In het zuiden en oosten is een hoog bestedingsniveau voor de EU zeer populair bij links en bij rechts. De omvangrijke posten regiofondsen en gemeenschappelijk landbouwbeleid zorgen voor grote geldstromen. Er wordt veel geld rondgepompt, helaas ook onnodig veel tussen de rijkste lidstaten, maar zo komt er ook extra geld beschikbaar voor de armere lidstaten. In die landen gaat kritiek op belangrijke onderdelen van het EU-beleid altijd samen met grote waardering voor de inkomensoverdrachten van rijkere naar armere lidstaten. Verkiezingsprogramma's voor het Europees Parlement eisen daar vooral méér geld voor de Europese Unie. 

Dat ligt volstrekt anders in onze omgeving, en vooral in landen die nettobetaler zijn. In Noordwest-Europa vindt de publieke opinie die betalingen genoeg of meer dan genoeg. Soms gebeurt dat zelfs met een soort superioriteitsgevoel. Velen denken dat wij hier meer ons best doen dan Portugezen, Spanjaarden, Italianen, Bulgaren of Grieken, en dat zij de aanspraken op "ons" geld niet verdienen. Uit tien jaar eigen ervaring in het Europees Parlement weet ik hoe daar de internationaal samengestelde politieke fracties te maken hebben met sterk uiteenlopende publieke opinies thuis. Terwijl ze het over andere zaken in hoofdlijnen eens zijn, lopen op financieel gebied de scheidslijnen dwars door die fracties heen. Juist op dat punt zijn ze intern verdeeld en moeten ze soms uitersten verenigen. De SP is geen tegenstander van inkomensoverdrachten van rijk naar arm. Het kan een noodzakelijke vorm van solidariteit zijn en gunstig zijn voor de stabiliteit die ook onszelf ten goede komt. 

Wij hebben niet alleen oog voor de binnenlandse publieke opinie maar ook voor de grensoverschrijdende gevolgen. Een van de grote problemen binnen de Europese Unie is dat staten met een zeer ongelijk niveau van ontwikkeling en inkomen genoodzaakt worden om te doen alsof ze in een min of meer gelijke positie verkeren, met één munt, één externe wisselkoers en dicht bijeen liggende renteniveaus. Onze economie en financiën lijken te worden beheerst door een thermostaat, die met één gemeenschappelijke stand zowel de polaire vrieskou als de subtropische hitte probeert te reguleren. Dat gaat niet goed en benadrukt juist de verschillen. Ondertussen zijn de rijkste lidstaten met een maakindustrie en technologische innovatie in het voordeel. Daaruit importeren de arme lidstaten in toenemende mate machines en voertuigen die ze vroeger zelf maakten. Zij verkopen relatief goedkope producten en diensten en kopen dure. Door dat recept blijven zij in het nadeel. Zij zijn eenzijdig afhankelijk van extensieve landbouw, winning van delfstoffen, visserij en toerisme. Als we die eenzijdige oriëntatie willen veranderen, kan geld dat wordt besteed als interne Europese ontwikkelingshulp ertoe bijdragen dat de armste lidstaten op gelijk niveau komen met de rijkere lidstaten. Dat zou veel problemen binnen de EU-samenwerking kunnen oplossen. 

De vraag blijft soms wel of die overdrachten altijd goed worden besteed en daarmee leiden tot het beoogde resultaat, of dat ze uitmonden in niet zo erg zinvolle prestigeprojecten. Vooral de zogenoemde pre-toetredingssteun wordt soms op verrassende wijze gebruikt. Aan de vooravond van hun toetreding in 2004 en 2007 legden Bulgarije, Tsjechië en Polen plannen op tafel om dat geld te besteden aan aanleg van autosnelwegen dwars door beschermde natuurgebieden. Op zo'n moment is er reden om even wat minder enthousiast te zijn over die vorm van ontwikkelingshulp. De van Nederland verlangde nabetaling over 2014 is helaas niet in de eerste plaats bedoeld om die verschillen tussen arm en rijk te verkleinen. De EU heeft jarenlang een traditie opgebouwd van ruime inkomsten en in verhouding daartoe onderbesteding. Aan het eind van een begrotingsjaar werden overschotten op de nationale bijdragen terugbetaald aan de lidstaten. Het waren telkens voorspelbare meevallers. Sinds er de laatste jaren meer beperkingen zijn gesteld aan de groei van die bijdragen gaat het een andere kant uit. We zien nu naheffing in plaats van terugbetalingen. Een extra complicatie is dat er ook herverdeling tussen lidstaten plaatsvindt. Sommige lidstaten moeten bijbetalen, andere krijgen geld terug, en bij die ontvangers behoren ook landen die dat niet het hardste nodig hebben. Dat blijkt het gevolg van een herberekening van de EU-afdrachten als gevolg van de herziening van de berekeningswijze van de bruto nationale inkomens van de lidstaten. Deze herberekening heeft niet betrekking op wat Nederland zelf doet of nalaat, maar op de onderlinge verhouding tussen de bni's van de lidstaten. 

Voor Nederland betekent dit in 2014 een naheffing van 1 miljard en 103 miljoen euro. Die naheffing wordt nu gepresenteerd als "brutonaheffing", vanuit de verwachting dat die in een latere fase voor ruim 40% zal worden gecompenseerd met een nu nog niet door de EU geaccordeerde teruggave. Die teruggave maakt, opvallend genoeg, geen deel uit van de begrotingswijziging. Voor Nederland is dat extra pijnlijk omdat we te maken hebben met een combinatie van vijf factoren. 

1. We zijn al de meest uitgesproken nettobetaler. 

2. De naheffing is opmerkelijk groot. 

3. Sommige andere lidstaten krijgen bij deze gelegenheid juist extra geld. 

4. De regering wekt de indruk dat zijzelf over deze uitkomst verbaasd is. 

5. Andere lidstaten nemen meer tijd voor de afwikkeling van hun nabetaling. 

De voor de hand liggende conclusie was: dit gaan wij niet betalen. En als we er uiteindelijk echt niet aan kunnen ontkomen, zullen we het spreiden over een zo lang mogelijke termijn, waarbij zo veel mogelijk wordt gewacht op verrekening met in het vooruitzicht gestelde terugbetalingen. In de Tweede Kamer zijn daarover op 18 december 2014 amendementen van SP en CDA in stemming geweest, die geen steun kregen van de twee regeringspartijen en daarom zijn verworpen. Voor het CDA was dat zelfs reden om tegen deze begrotingswijziging te stemmen en alvast een voorschot te nemen op de behandeling in deze Kamer. Anders dan het CDA en de PVV heeft de SP er uiteindelijk met tegenzin wel mee ingestemd. Voor ons telt het argument dat eerder aangegane verplichtingen, zelfs als we daarop kritiek hebben, behoren te worden nagekomen zolang we ze niet hebben opgezegd. Die nabetaling bleek helaas de onvermijdelijke uitkomst van eerder gemaakte afspraken. Wel blijven er twijfels bestaan over details van de berekeningen. 

Ten tijde van de behandeling door de Tweede Kamer bestond nog de verwachting dat die enorme betaling pas zou plaatsvinden nadat ook de Eerste Kamer zou hebben ingestemd met deze suppletoire begroting. Ik begrijp dat desondanks de betaling nog in 2014 heeft plaatsgevonden, vooruitlopend op de goedkeuring van deze begrotingswijziging door de Eerste Kamer. Dat lijkt mij ongebruikelijk, want de regering behoort rekening te houden met de mogelijkheid dat deze Kamer hiermee niet zou kunnen instemmen. Het lijkt me dat het argument van de regering dat zij dit geld toch al op de plank had liggen, en dus gemakkelijk snel kon betalen, daaraan ondergeschikt zou moeten zijn. Het verhaal dat we geld zat hebben, past ook heel slecht bij de monsterbezuinigingen die in de afgelopen jaren onze publieke voorzieningen hebben getroffen. 

De SP is over de gang van zaken minstens zo verontrust als sommige andere partijen die, anders dan wij, in de Tweede Kamer hebben gestemd tegen deze begrotingswijziging. Onze conclusie is dat Nederland niet ondoordacht moet instemmen met verplichtingen die we vooraf onvoldoende kunnen overzien. Ook als het gaat om onze verhouding tot de Europese Unie, past voorzichtigheid. Bezint eer ge begint! 

Onze inzet in dit debat is niet het alsnog terugdraaien van een eerder overeengekomen verplichting. Wel willen we duidelijkheid over de mogelijkheid om het risico op zulke tegenvallers voortaan maximaal in te perken en zijn we verrast door het tijdstip van de betaling. Dit alles brengt mij tot de volgende vijf vragen aan de regering. 

1. Waarom deed ook de regering aanvankelijk zo verbaasd, in plaats van vooraf de publieke opinie voor te bereiden op de verwachte negatieve uitkomst? De herberekening was wel verwacht, maar de omvang volstrekt niet. Hoe is dat mogelijk? 

2. Waarom is niet gewacht op verrekening met een in de nabije toekomst verwachte gedeeltelijke compensatiebetaling? We geven nu nodeloos tijdelijk een groot bedrag uit handen. 

3. Wat was het voordeel van een snelle betaling uit nog binnen het dienstjaar 2014 beschikbare rijksmiddelen? Waarom is niet gewoon gewacht op afhandeling van dit besluit door de Eerste Kamer? 

4. Verwacht de regering voor de toekomst nog meer van zulke onaangename verrassingen? Hoe voorkomen we dat ons land achteraf opnieuw wordt verrast door de noodzaak van grote extra uitgaven voor ons EU-lidmaatschap? 

5. Wat vindt de regering van de melding in De Telegraaf — dit is heel actueel — dat zij de Europese Commissie heeft gevraagd om de berekeningsgrondslag geheim te houden? Als dat het geval is, wat is dan de reden daarvoor? 

De voorzitter:

Voorzien is een korte schorsing. Heeft de minister daar voldoende aan? 

Minister Koenders:

Ik kan gelijk antwoorden. 

De voorzitter:

Dan gaan wij daar meteen toe over. 

Minister Koenders:

Mevrouw de voorzitter! Ik dank de leden voor de gestelde vragen over de tweede suppletoire begroting Buitenlandse Zaken 2014. De tweede suppletoire begroting 2014 bevat, zoals de leden weten, mutaties die verband houden met wijzigingen op onze begroting. Ze betreffen onder andere wijzigingen op het terrein van veiligheid en stabiliteit, Europese samenwerking, consulaire dienstverlening en ook de apparaatskosten. De meest omvangrijke mutatie is evenwel die betreffende de stijging van de EU-afdracht als gevolg van de Europese naheffing. Ik begrijp uit de opmerkingen van de heer Meijer dat het echt daarom gaat en niet zozeer om de andere elementen van de begroting Buitenlandse Zaken. Ik dank ook de heer Van Strien voor zijn vragen. Ik zie dat hij zelf heel veel ervaring heeft op dit terrein. Hij heeft gewerkt voor de Economic Commission for Europe en heeft toen met zeer ingewikkelde dossiers te maken gehad, ook al is dat inmiddels 30 jaar geleden. Het is gewoon belangrijk om de vragen ook in de richting van de Eerste Kamer goed te beantwoorden, omdat ik het erg oneens ben met het beeld van schimmigheid en onduidelijkheid en eventuele politisering van objectieve gegevens. 

Over de naheffing heeft de minister van Financiën al uitvoerig gesproken, onder andere tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen hier op 18 november 2014. Aan zijn eerdere antwoorden op diverse vragen van het parlement kan ik een aantal dingen toevoegen, in reactie op de vraag om een en ander opnieuw uit te leggen. Ik ga daarbij in op de jaarlijkse berekening van de bni- en btw-cijfers, op de onverwacht hoge gevolgen hiervan in 2014, op de inzet van het kabinet in deze zaak en ten slotte op het besluit om op 30 december het volledige brutobedrag in een keer te voldoen, zonder dat deze suppletoire begroting al volledig in deze Kamer was behandeld. 

Ik wil om te beginnen een algemene opmerking te maken. Ik hoop duidelijk te maken dat dit beleid niet op basis van schimmigheid of politisering van cijfers is gevoerd. Eigenlijk is het tegengestelde waar. Mij is nog eens gevraagd hoe men tot die cijfers is gekomen. Zoals de leden weten, is de naheffing van vorig jaar het gevolg geweest van een herberekening van de bni- en btw-grondslagen voor de EU-afdracht. In de richting van de heer Meijer meld ik daar nog bij dat het oplopen van het bni dus ook betekent dat rijkere landen meer betalen. Dat zit in het systeem ingebakken. Het is van belang om dit nog eens te benoemen, want de redenering van de heer Meijer ging in een andere richting. Verder merk ik nog op dat het een jaarlijks terugkerende exercitie is. Die is dus niet gepolitiseerd. Het gaat dus ook niet zoals de heer Van Strien dat destijds wellicht meegemaakt heeft bij de Economic Commission for Europe met de kolen uit Zuid-Afrika. Het is dus geobjectiveerd en niet gepolitiseerd. Ik zal daar zo nog iets over zeggen. 

De statistieken worden allereerst conform een EU-verordening vastgelegd. In die verordening staat bijvoorbeeld welke facetten van de economie wel en welke niet worden meegeteld. Dat zijn gegevens die gerubriceerd staan. Eurostat controleert de cijfers en stelt ze formeel vast. Verder toetst het de cijfers op plausibiliteit en consistentie en velt het hierover een onafhankelijk oordeel, dus los van de politiek. Eurostat krijgt hierbij advies van het zogenaamde BNI-comité, waarin de statistische bureaus van de lidstaten zitten. Dat geldt dus ook voor het Centraal Bureau voor de Statistiek. In die zin hoeft de heer Van Strien zich dus geen zorgen te maken. Het directoraat-generaal Budget van de Commissie en de Europese Rekenkamer zijn als toehoorders vertegenwoordigd. Zij bekijken dus ook nog een keer of het wel allemaal in orde is. Het comité adviseert over de kwaliteitsaspecten, de onderlinge vergelijkbaarheid en de volledigheid van de aangeleverde cijfers. 

Op basis van de bni- en btw-cijfers maakt de Commissie een berekening voor de afdrachten van de lidstaten. De cijfers en de afdrachten — dat is bekend, want dat is hier eerder gewisseld — worden na vier jaar definitief vastgesteld op basis van al die controles en observaties, mede door het CBS. In de tussentijd vinden ook nog diverse controles plaats waarbij de Europese Rekenkamer is betrokken. Eurostat kan, met behoud van het advies van het BNI-comité, ook besluiten om een voorbehoud te maken bij een deel van de bni-berekening. Het is dus niet zo dat datgene wat een land aanlevert en wat dus politiek is, voor zoete koek wordt aangenomen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cijfers onvoldoende internationaal vergelijkbaar zijn. Het is natuurlijk van belang om ook aan de Nederlandse burgers te laten zien dat we dat op een eerlijke en eerzame manier doen. Mochten er voorbehouden zijn, dan blijven die staan tot het onderliggende probleem is opgelost. 

Dat jaarlijkse proces van technische herberekeningen heeft vorig jaar inderdaad grote effecten gehad. Dat was onverwacht; dat heeft de minister van Financiën hier ook al eerder naar voren gebracht. Voor Nederland had de naheffing hoofdzakelijk te maken met de bronnenrevisie die het CBS heeft doorgevoerd. 

In maart 2014 heeft het CBS de gevolgen van de revisie voor de cijfers over 2010 gepubliceerd. Waar ligt de oorzaak? Ik denk dat ook dat niets te maken heeft met politiek of met schimmigheid. De heer Meijer sprak over de verschillende ontwikkelingsfasen van de Nederlandse economie en de verschillende economische competitieve voordelen. Ook de Nederlandse economie ontwikkelt zich dus. Bij de bronnenrevisie is het belangrijk om te kijken naar de nu gebruikte data van verschillende overheidsinstanties, zoals de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel. Hierdoor ontstaat op onderdelen een completer beeld van de economie, bijvoorbeeld als het gaat om de bijdragen van zzp'ers en andere zelfstandigen. In de nieuwe data is de groeiende omvang van bijvoorbeeld de ICT-industrie beter in kaart gebracht. Dat is een volstrekt logische ontwikkeling. Nederland ontwikkelt zich, zoals andere landen zich ontwikkelen, waarbij een vergelijkbaarheid naar voren wordt gebracht, die wordt geanalyseerd en gecontroleerd. Vervolgens wordt op basis van de vernieuwingen van de economie die schatting gemaakt of worden die cijfers aangeleverd. In maart 2014 heeft het CBS zoals gezegd de cijfers over 2010 gepubliceerd. Daaruit bleek dat het bbp in 2010 7,6% hoger uitkwam. Op grond van deze cijfers — ik leg het nog maar even heel precies uit om te laten zien dat het hier niet om schimmigheid gaat — was het mogelijk, de brutonaheffing te voorzien. Dat heeft de regering ook gedaan. 

De heer Van Strien (PVV):

De minister geeft aan hoe het ongeveer loopt. Ook mensen van het CBS zijn betrokken bij die controle. Je kunt een keer met elkaar een vergadering over de cijfers hebben in Brussel of waar dan ook, maar het samenstellen van die cijfers gaat op basis van het nationaal inkomen. Dat gebeurt op grond van productiestatistieken, die voor een deel onvolledig zijn. Sommige categorieën zijn er niet, dus die moeten worden geschat. Dat zijn processen die gewoon een heel jaar kosten. Daar kun je dan wel eens een middag over vergaderen, maar dan weet je nog niet van elkaar of je wel of niet op dezelfde lijn zit. Ik wil daarom veel meer weten over hoe dat internationale vergelijkingsproces tot stand komt. Dat kan de minister ongetwijfeld niet in vijf of tien minuten vertellen. Ik wil daarom graag van de minister horen dat hij dat veel uitgebreider schriftelijk aan de Kamer toestuurt. Verder wil ik van de minister horen welke bedragen er precies mee gemoeid zijn voor alle betrokken landen en van welke omvang de correcties zijn. 

Minister Koenders:

Voorzitter, ik dacht dat u mij naar de Kamer had gehaald om een aantal antwoorden te geven. Als de heer Van Strien een brief had willen hebben, had ik die graag gestuurd. Ik ben nu aan het uitleggen hoe het zit, want daar werd naar gevraagd. Ik geef niet aan hoe het ongeveer loopt, ik geef precies aan wat de formuleringen zijn en wie daarbij op welk moment zijn betrokken. Verder heb ik laten zien dat het niet om een achternamiddag gaat of om één vergadering in Brussel; ik begrijp niet hoe de heer Van Strien daarbij komt. Ik heb net aangegeven dat dit zelfs een proces van vier jaar was, waarin precies is gekeken naar de cijfers en waarbij zo veel instellingen zijn betrokken. Ik was nog niet eens uitgesproken, maar ik denk dat ik transparant en precies ben geweest. 

Op grond van de cijfers en de manier waarop die tot stand komen, was het mogelijk de bruto naheffing te voorzien. Het eindelijke netto-effect was afhankelijk — de heer Van Strien begrijpt dat als statisticus — van de stijging van het bni in andere lidstaten, dat volgens dezelfde systematiek is vastgesteld. Die gegevens werden pas in oktober bekend, juist vanwege die nauwkeurigheid en de noodzaak om te vergelijken. Zoals de minister van Financiën in november al aangaf, was een mogelijke naheffing als gevolg van de bronnenrevisie over de periode 2010 tot 2013 te voorzien, maar dat gold niet voor de omvang daarvan. Dat is ook logisch, want door het noemereffect weet je de omvang pas als je beide gegevens hebt. 

In oktober bleek dat het Nederlandse bijgestelde bni relatief hoger uitviel dan dat van andere lidstaten. Dat kan vanwege de juist geschetste methodiek. Van de totale naheffing van 9,5 miljard was 1,1 miljard afkomstig van Nederland. Omdat dit bedrag niet was begroot, wordt het weer terugverdeeld onder de lidstaten. Ik denk dat dat een goed teken is voor degenen die denken dat de Commissie maar uitgeeft. De Commissie had die gelden niet nodig, zodat ze een deel via een reguliere verdeelsleutel direct heeft "terugbetaald" aan de lidstaten. Voor Nederland is dat 5%, zodat het netto-effect van die 1,1 miljard 642 miljoen was: brutonaheffing 1,1 miljard, aftrek 461 miljoen. Dat betekent dat er een heldere procedure is gevolgd, met een duidelijke aanwezigheid van belangrijke instituten, waaronder het ook door de heer Van Strien geroemde CBS. De verwachting was dat het zou veranderen en de omvang daarvan was afhankelijk van wat er in oktober bekend is geworden. 

Het nettobedrag van 642 miljoen is voor het eerst genoemd in het verslag van 17 oktober 2014 van de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EU. De strekking van dit verslag is volledig betrokken bij de eerste brief van de minister van Financiën van 28 oktober en bij de beantwoording van aanvullende Kamervragen. Op meerdere momenten, ook nu, door de heer Van Strien, is gevraagd om dat verslag publiek te maken. Daarover zal nog deze week gesproken worden in het kabinet. Over het algemeen — ik zeg dat ook als minister van Buitenlandse Zaken — is alles wat wij internationaal delen met de Commissie en/of met andere regeringen uiteraard vertrouwelijk; anders kunnen we geen onderhandelingen voeren en zal niemand ons meer vertrouwen. Dat neemt niet weg dat wij zijn gehouden aan maximale transparantie. Daarom wordt in Kamervragen en brieven uitgebreid en precies ingegaan op wat we daar hebben gedaan. Het is natuurlijk onmogelijk om alle diplomatieke verslagen maar eventjes te publiceren, zonder in de toekomst problemen te krijgen, omdat het dan erg moeilijk is om internationaal diplomatiek verkeer te voeren. Niettemin zal er in het kabinet nader over worden gesproken. Het is aan de minister van Financiën om de Kamer daarover nader in te lichten. 

De heer Van Strien (PVV):

De minister zei net: als u een brief had gewild, had u die kunnen krijgen. We hebben schriftelijke vragen gesteld in de commissie voor Buitenlandse Zaken, waaronder dezelfde vragen als die van daarnet: hoe zit het en wat zijn de cijfers? Daar krijg je dan een totaal nietszeggend antwoord op, met inderdaad heel veel woorden, zonder dat er wezenlijk iets in staat wat wij willen weten. Dat wij dan nu datzelfde hier nog eens in het debat vragen, kan toch niet verwonderen. 

Minister Koenders:

Nee. Vandaar dat ik uitgebreid antwoord geef op uw vragen over hoe het precies gegaan is en vandaar dat ik me daarop heb voorbereid. 

In reactie op het bekend worden van de naheffing — ik kom nu toe aan de vragen van de heer Meijer — heeft het kabinet een drieledige inzet geformuleerd. Ten eerste wilde Nederland meer inzicht hebben in de onderliggende gegevens van de bni-stijgingen. Ten tweede moest er een betalingsregeling komen die een betaling in termijnen mogelijk maakte. Ten slotte wil Nederland maatregelen om herhaling van de situatie in de toekomst te voorkomen, want niemand stond — laat daar geen misverstand over bestaan — te juichen over deze procedure. Dit is een buitengewoon ingewikkeld proces in Europa en we zullen daarom voorstellen doen om dat anders te gaan doen. Aan de eerste twee punten is tegemoet gekomen: de gewenste informatie is verstrekt en er is mede op Nederlands aandringen een betalingsregeling in het leven geroepen. Dat wilden wij dus, vooral voor als je in één keer met zo'n omvang wordt geconfronteerd. Iedereen begrijpt dat dat een vervelende zaak is. Betalingen op basis van uitkomsten van statistische herzieningen kunnen, als ze boven een bepaalde omvang komen, in de tijd worden gespreid. Hiermee is voor de toekomst voorkomen dat zich een herhaling van de situatie van vorig jaar voordoet. Ik denk dat de Nederlandse inzet daarbij een terechte is geweest en ook resultaat heeft opgeleverd. Wat betreft de toekomst, heeft de Commissie toegezegd, het proces rondom de naheffing te evalueren en met voorstellen voor verbetering te komen. Ook dat lijkt de Nederlandse regering noodzakelijk. Het kabinet wacht de resultaten daarvan af. Zoals toegezegd, zal de minister van Financiën het parlement een brief sturen met daarin concrete voorstellen voor verbeteringen in de systematiek van de EU-begroting. Misschien kan dat ten dele tegemoet komen aan de wensen van de PVV-fractie. Voor de toekomst wil het kabinet toe naar een systematiek waarin de lidstaten minder worden overvallen door willekeurig in te dienen aanvullende begrotingen. 

Voor de betaling heeft Nederland besloten om het volledige brutobedrag — er is gevraagd waarom wij dat hebben gedaan — op 30 december vorig jaar te voldoen. Hierbij is gebruikgemaakt van de betalingsregeling die er mede op Nederlands aandringen is gekomen. De redenen van het kabinet om het volledige bedrag op de betreffende datum te betalen, zijn door de minister van Financiën op diverse momenten reeds toegelicht. Die hebben onder andere te maken met het kasbeheer en het uitgavenkader. Wat betreft het kasbeheer geldt dat het normaal gesproken aantrekkelijk is om zo laat mogelijk te betalen omdat er natuurlijk rente moet worden betaald voor de financiering. Op het moment van betalen had de Nederlandse Staat echter te maken met negatieve rentes op kortlopende leningen. Een vroege betaling van de naheffing leverde daarom een klein rentevoordeel op. Dus vroeg betalen betekent het winnen van geld voor de Nederlandse belastingbetaler. Daarnaast was een vroege betaling wenselijk omdat de Nederlandse Staat tijdelijk te maken had met een kasoverschot. Het was dus verstandig beheer van de Nederlandse Staat om het zo te doen. Dat kasoverschot was onder andere ontstaan doordat de Nederlandse Staat onverwachts meer inkomsten had gehad door onder meer de vervroegde terugbetaling door ING. De betaling van de naheffing in 2014 reduceerde dit kasoverschot, waardoor er minder geld tijdelijk tegen negatieve rente hoefde te worden uitgezet. 

Er is ook nog een vraag gesteld over de betaling van de naheffing, omdat dat een Europees-verdragsrechtelijke verplichting was. Het verloop van het behandeltraject van deze begroting heeft geen effect op het bestaan van die betalingsverplichting. Alle lidstaten moesten voor 1 december 2014 aan de Commissie meedelen op welk moment de naheffing zou worden betaald. De minister van Financiën heeft tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen hier in de Eerste Kamer op 18 november gesproken over het feit dat het kabinet in de Najaarsnota het besluit over de betaling zou melden. In de Najaarsnota 2014 van 21 november is nadrukkelijk vermeld dat het kabinet de naheffing in 2014 volledig wilde voorzien, juist ook om geld te besparen voor de Nederlandse belastingbetaler. Zodra die datum aan de Commissie werd doorgegeven, werd deze dus ook bindend. Het is bovendien vaste jurisprudentie dat een verplichting tot betalen moet worden nagekomen, ook al is er nog geen geld op de begroting gereserveerd. Daarmee heb ik de vragen van de Kamer beantwoord. 

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Voordat we met de tweede termijn beginnen, misschien kan het met een vraag af. 

Als ik het goed begrijp, gaat de minister de Kamer een brief sturen. In die brief gaat hij een aantal vragen, dat nu is gesteld, beantwoorden. Mag ik ervan uitgaan dat de minister ook mijn vragen beantwoordt, in die zin dat ik een vergelijking krijg met alle bni's, inclusief de schattingen, die daar een onderdeel van vormen, van alle lidstaten die deze bijdrage voor de EU samen leveren? Als ik het zo formuleer, mag ik ervan uitgaat dat die cijfers in de brief komen? 

Minister Koenders:

Dat is niet de toezegging die ik heb gedaan. Ik heb geen toezegging gedaan over het schrijven van een brief. Ik heb aangegeven dat de minister van Financiën de Kamer een brief zal schrijven. In die brief wordt ingegaan op de mogelijkheden om het systeem te verbeteren. 

De voorzitter:

Dank. Wij zijn toe aan de tweede termijn van de Kamer. 

Het woord is aan de heer Van Strien. 

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Het gaat mij hier niet om — zo noemt de minister het — politieke motieven, zoals in het statistische voorbeeld van Zuid-Afrika. Het gaat erom dat wij als PVV-fractie, en ik denk dat wij niet de enige zijn als ik de krant lees, precies willen weten of wij nu al of niet ons redelijke aandeel betalen, voor zover dat überhaupt redelijk is, want ook daarover verschillen de meningen. Dat willen wij precies kunnen controleren. Ik heb de minister uitdrukkelijk horen zeggen dat hij die berekeningen niet in zijn brief gaat opnemen. Vandaar de volgende motie. 

De voorzitter: 

Door de leden Van Strien, Sörensen, Meijer, Faber-van de Klashorst, Frijters-Klijnen en Kops wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Europese naheffing van 642,7 miljoen euro is gebaseerd op herrekeningen van het bni, inclusief het zwartgeldcircuit, van alle lidstaten; 

overwegende dat de Nederlandse bijdrage behalve van het Nederlandse cijfer minstens zo afhankelijk is van het bni, inclusief het zwartgeldcircuit, van de andere lidstaten; 

overwegende dat op dit moment onvoldoende informatie publiek is om deze berekeningen te kunnen controleren; 

overwegende dat ook het controlemechanisme zelf niet publiek is; 

verzoekt de regering, binnen een maand volledige duidelijkheid te verschaffen over de bni-cijfers van alle lidstaten op basis waarvan de Nederlandse bijdrage is berekend, en gedetailleerd uit de doeken te doen hoe het controlemechanisme op de berekening van de bni-cijfers eruitziet, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter D (34085). 

De heer Meijer (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uitleg van de onderliggende gegevens en de voorafgaande procedure. Hij bevestigt mijn indrukken vooraf. Wat dat betreft is er weinig verschil. Het betekent dat de onderlinge verhouding tussen de bni's per lidstaat en ook de posities van andere lidstaten, de bijdrage van een andere lidstaat kunnen beïnvloeden. Ik denk dat dit een wat pijnlijk punt is, al ben ik het met de minister eens dat voor zover die hogere betalingen voortkomen uit onze groeiende welvaart en uit onze groeiende rijkdom dit wat beter verdedigbaar is dan wanneer er sprake zou zijn van een omgekeerde relatie. Naar mijn indruk heeft die groei zich juist de afgelopen jaren minder voorgedaan. Het zou toch goed zijn als er volledig inzicht wordt gegeven in hoe met zulke berekeningen wordt omgegaan. Er bestaat in de samenleving veel onvrede over de verhouding tussen lidstaat, zeker de lidstaat Nederland, en Europese Unie. Als een deel van die onvrede onterecht zou zijn, is het heel verstandig als de regering door transparantie de reden voor dit deel van die weerzin zou wegnemen. Juist vanuit een positieve instelling ten opzichte van de Europese samenwerking is het heel belangrijk om daarover geen geheimen te laten bestaan. Wat dat betreft hoop ik dat het kabinetsberaad dat de minister aankondigt alsnog leidt tot die volledige transparantie. Ik heb wel de indruk dat Nederland in dat opzicht vanouds, en niet alleen nu, veel voorzichtiger is dan sommige andere lidstaten van de Europese Unie. Echt niet iedere transparantie is een aantasting van EU-afspraken of van het netjes omgaan met de buren. Ik kan mij voorstellen dat de bezwaren die er kennelijk, ook gezien krantenberichten, bij de regering leven omdat men een slechte verstandhouding met anderen verwacht, zouden kunnen meevallen. Ik zou willen pleiten voor zo weinig mogelijk geheimzinnigdoenerij. 

Mijn vraag over het betaalmoment is op zich afdoende beantwoord door het verhaal over de negatieve rente en de bijzondere omstandigheden in dit geval. Daardoor lag voor de hand wat anders ongebruikelijk zou zijn geweest. Maar dan blijft er wel een vraag over, want die betaling heeft plaatsgevonden voorafgaand — dat heb ik ook in eerste termijn gevraagd — aan de goedkeuring van deze begrotingswijziging door de Eerste Kamer. Er zouden eigenlijk meer redenen zijn geweest om al eind december alarm te slaan. We hebben destijds op 22 december een extra vergadering moeten houden vanwege de wet beperking topinkomens, maar wellicht hadden wij op dezelfde datum deze begrotingswijziging moeten meenemen om te bewerkstelligen dat dit bedrag voor eind 2014 betaald zou kunnen worden en ons tijdig te kunnen uitspreken over de al dan niet goedkeuring door de Eerste Kamer daarvan. Ik denk dat dit correcter zou zijn geweest. 

De minister is niet ingegaan op de ook door de heer Van Strien genoemde berichten in De Telegraaf. Daarin wordt de suggestie gewekt dat de geheimhouding hieromheen niet zozeer wordt opgelegd door de Europese Unie, of door de andere lidstaten, maar plaatsvindt op nadrukkelijk verzoek van de Nederlandse regering zelf. Als dat het geval is, dan is er toch weer een nieuwe situatie, die er iets anders uit ziet dan ik in het antwoord van de minister heb gehoord. Ook daarover krijg ik dus graag opheldering. 

Met de spreker van de PVV deel ik de wens dat er in dit opzicht volledige transparantie ontstaat, zodat bij alle meningsverschillen die er kunnen bestaan in de toekomst, in ieder geval tegenover de pers en de publieke opinie duidelijk is hoe dit soort dingen tot stand komt en wij niet onnodig verrast zullen worden. 

De voorzitter:

Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van de minister van Buitenlandse Zaken. Ik begrijp dat hij in de gelegenheid is om meteen te antwoorden. 

Minister Koenders:

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de leden voor de in tweede termijn gestelde vragen. Ik zou in vrij sterke woorden willen herhalen dat mijn beantwoording is bedoeld om aan te geven hoe de procedure is verlopen: met vrij veel precisie en met transparantie. Het beeld dat hierbij op de een of andere manier iets schimmigs is gebeurd, zou moeten worden weggenomen op basis van wat ik heb aangegeven en van het verloop. Ja, wij waren verrast ten aanzien van de omvang. Het is terecht dat u dit hebt opgemerkt. Daarom ook hebben wij een aantal zaken aan de Commissie gevraagd, en u weet hoe daaraan vervolgens is voldaan. Ik ben blij met de bewoordingen van de heer Meijer in tweede termijn, waaruit spreekt dat hij begrijpt waarom wij die betalingen vrij snel hebben gedaan. Dat was juist om ervoor te zorgen dat dit zou gebeuren op een manier die de Nederlandse belastingbetaler zo min mogelijk geld kost. 

De betaling van de naheffing was een Europees-verdragsrechtelijke verplichting. Het verloop van het behandeltraject van deze tweede suppletoire begroting heeft geen effect op het bestaan van die betalingsverplichting. Alle lidstaten moesten, zoals ik ook in eerste termijn heb gezegd, voor 1 december aan de Commissie meedelen op welke termijn de naheffing zou worden betaald. De minister van Financiën heeft op 18 november tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen in de Eerste Kamer gesproken over het feit dat het kabinet in de Najaarsnota zijn besluit over de betaling zou melden. In de Najaarsnota 2014 van 21 november is nadrukkelijk gemeld dat het kabinet de naheffing in 2014 volledig wilde afdoen. Ook daarover bestaat dus geen enkel misverstand of gebrek aan transparantie. Zodra die datum aan de Commissie werd doorgegeven, werd die wel bindend. Het is bovendien vaste jurisprudentie dat een verplichting tot betalen moet worden nagekomen, ook al is er nog geen geld op de begroting gereserveerd. Het gevolg hiervan is dat de naheffing reeds is betaald terwijl de behandeling van deze tweede suppletoire begroting van Buitenlandse Zaken nog niet is afgerond. Ik begrijp dat er eind vorig jaar een verzoek om een debat is geweest. Daarover heeft de minister van Financiën het zijne gezegd. Ik begreep dat er vervolgens geen meerderheid in deze Kamer bestond om dat af te dwingen. 

Ik kom op het punt van de verzoeken die zijn gedaan. Ik kan natuurlijk niet ingaan op artikelen in De Telegraaf. Ik begrijp uit de media dat De Telegraaf zelf iets voor de rechter wilde brengen. Dat is uiteraard zijn goed recht; daar kan ik uiteraard niet in treden. Er wordt over het algemeen geen inzage gegeven in verslagen en instructies via het berichtenverkeer, noch openbaar noch vertrouwelijk. Dit heeft niets te maken met schimmigheid, maar dit is, zoals ik zojuist ook zei, een essentie van mijn mogelijkheid om internationaal-diplomatiek te opereren. De inzet van het kabinet bij, en de uitkomst van, onderhandelingen in Brussel wordt steeds vooraf maar mogelijk ook tijdens het proces en achteraf met de Kamer gedeeld en verantwoord. Verstrekking van dagelijkse ambtelijke instructies en verslagen zou de noodzakelijke vertrouwelijkheid en effectiviteit van het onderhandelingsproces overigens ook ondermijnen. Dit heeft niets te maken met schimmigheid. Wij beantwoorden vragen die hier in de Kamer worden gesteld. Dat gaat naar eer en geweten op basis van datgene waarover wij onderhandelen. Niettemin is de Tweede Kamer toegezegd dat hierover nog nader zal worden gesproken in het kabinet. Uiteraard zal deze Kamer daarover nader worden ingelicht. 

Ten slotte ga ik in op de procedure, de precisie. Het ging mij er niet om te zeggen dat u de zaken politiseerde; dat zou ik niet durven zeggen. U hebt alle recht om mij uw vragen te stellen en die wil ik ook graag beantwoorden. Ik wilde alleen in verband met de genoemde vergelijking waarin de interpretatie zat dat er een politieke invloed zou zijn op de cijfers, wijzen op de enorm precieze procedures. Het is, zoals ik zei, niet zomaar een gesprekje in Brussel. Ik heb precies aangegeven hoe dat verloopt en hoe het Centraal Bureau voor de Statistiek, dat u goed kent, daarbij betrokken is. Dan is het toch belangrijk om de sfeer eromheen, alsof de Nederlandse regering op de een of andere manier de zaak niet zou vertrouwen of kan vertrouwen, weg te halen. 

Het onafhankelijk oordeel over de vergelijkbaarheid van de bni-cijfers komt toe aan Eurostat. De wijze waarop Eurostat dit controleert en vastlegt, staat beschreven in antwoorden op schriftelijke Kamervragen. Het is dus ook niet zo dat ik, of de minister van Financiën, opnieuw een brief moet gaan schrijven. Het staat er uitgebreid in, onder meer in reactie op vragen van het lid Omtzigt in de Tweede Kamer, die op 25 november 2014 zijn beantwoord. Op basis van de openbaar gemaakte cijfers en Europese regelgeving is Nederland gehouden om die naheffing te betalen. 

Er is hier heel precies verwezen naar de gehele verificatieprocedure, waaronder de controle door Eurostat op plausibiliteit en consistentie. Dit proces van cijfers controleren is, zoals ik zei, een continu proces. De bni-gegevens van al die afzonderlijke lidstaten worden aangeleverd door de nationale statistische bureaus. Daar is verder weinig geheimzinnigs aan. In de memorie van antwoord die ik op 6 maart aan de Kamer heb gestuurd, staat het proces voor vaststelling van het bni ten behoeve van de EU-afdracht toegelicht. Het gehele proces is vervat in de bni-verordening die u ook kent. Deze bevat onder meer een verificatie van al die bni-gegevens. De vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van de bni-gegevens is via deze procedure geborgd. In dit licht zou ik ook de motie van het lid Van Strien willen ontraden. 

Hiermee ben ik, naar mijn mening, gekomen aan de afronding van de beantwoording van de vragen in tweede termijn. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Ik stel vast dat stemming over het wetsvoorstel wordt gewenst. Ik stel voor, volgende week dinsdag over het wetsvoorstel en over de motie te stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

Naar boven