2 Oud-leden

Aan de orde is de herdenking naar aanleiding van het overlijden van oud-Kamerlid J.J. Vis.

Devoorzitter:

Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik verzoek de leden, te gaan staan.

Op 24 januari 2011 is op 77-jarige leeftijd te Zeist, zeer onverwacht, overleden oud-senator Jacob Jan Vis. Hij was van september 1980 tot maart 1995 lid van deze Kamer voor D66, waarvan tien jaar als fractievoorzitter. Hij maakte deel uit van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en van de vaste commissie voor Financiën.

Jan Vis werd op 30 oktober 1933 geboren in het Noord-Hollandse Wormerveer. Hij groeide op in een artistiek milieu in Bergen. Zijn vader was kunstschilder en directeur van de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam. Na het gymnasium volgde hij een journalistenopleiding en studeerde hij rechten in Rotterdam. Op 19-jarige leeftijd begon hij zijn journalistieke loopbaan bij de Haagsche Courant, alwaar hij zijn vrouw leerde kennen. Hij eindigde zijn carrière in de journalistiek als redacteur van NRC Handelsblad. Op alle redacties werkte hij als politiek redacteur en commentator.

In 1973 maakte Jan Vis zijn entree in de academische wereld en werd hij lector staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. In januari 1980 werd hij benoemd tot hoogleraar aan dezelfde universiteit en in september van datzelfde jaar werd Vis gekozen tot lid van de Eerste Kamer voor D66; een partij waarin hij als lid van het hoofdbestuur zijn invloed al had laten gelden.

Van december 1985 tot zijn vertrek uit de Eerste Kamer in maart 1995 had Vis als voorzitter van zijn fractie een grote inbreng bij belangrijke debatten die in deze zaal werden gevoerd, waaronder de algemene politieke beschouwingen en de financiële beschouwingen. Zijn inbreng was opvallend, vanwege zijn helder en aansprekend taalgebruik, doorspekt met historische parallellen, waarbij hij tegelijk diepgaande kwesties wist te herleiden tot de fundamentele spelregels van het staatsrecht.

Dat fundament kon hij echter relativeren. Zo sprak Jan Vis in februari 1986 in dit huis over het gegeven dat het parlementaire stelsel, een belangrijke regel van onze staatkundige praktijk, niet in de Grondwet staat genoemd. Vis maakte zich hierover niet druk en zei: "Als iemand uit een ander werelddeel, die niets weet van het West-Europese staatsrecht, naar onze Grondwet kijkt, dan krijgt hij een volstrekt verkeerde indruk van het reilen en zeilen van onze staatkundige gemeenschap. De politieke en bestuurlijke praktijk ontwikkelen zich immers naast én gedeeltelijk los van de Grondwet. En dat is geen bezwaar."

Op dezelfde relativerende wijze sprak senator Vis over de politieke opvatting van D66 dat de Eerste Kamer geen plaats meer verdient in ons parlementaire stelsel. In juli 1980 verklaarde Vis, twee maanden voordat hij hier als senator aantrad, in een interview: "De Eerste Kamer is ontstaan uit angst voor de democratie. Als D66 zijn wij tegen de Eerste Kamer. Maar je zult van mij geen kwaad woord horen over de mensen die er zitten. Die moet je toch afzonderlijk bekijken." Vervolgens bleef hij vijftien jaar lang een spraakmakend en gezaghebbend lid van dit huis. Zo kunnen wij, achteraf, ook Jan Vis afzonderlijk bekijken en vaststellen dat hij het bestaansrecht van dit huis in hoge mate heeft ondersteund en bewezen.

In mei 1994, het laatste jaar waarin hij lid was van de Eerste Kamer, was Vis als mede-informateur betrokken bij de verkenningen van een coalitie van PvdA, VVD en D66. Deze coalitie kwam na moeizame onderhandelingen tot stand. Het eerste paarse kabinet markeerde een nieuwe fase in de politieke verhoudingen in ons land.

In 1995 werd Jan Vis benoemd tot lid van de Raad van State, een ambt waarmee hij zich volledig kon identificeren en dat hij tot zijn 70ste jaar met toewijding vervulde. Naast dit werk vervulde hij tal van bestuurlijke en adviserende functies.

Ook na zijn pensionering in november 2003 was Jan Vis als "elder statesman" niet uit het beeld van de Haagse politiek en media verdwenen. Als publicist, debater en adviseur van zijn partij bleef hij tot het laatste moment verknocht aan het typisch Haagse metier, waarin politiek, staatsrecht en media in elkaar vervloeien. Afgelopen zomer gaf Vis nog met regelmaat zijn visie op de informatierondes voorafgaande aan de vorming van het huidige kabinet. In zijn observaties mengde hij zijn staatsrechtelijke opvattingen met persoonlijke commentaren op de actuele politiek. Hij stelde vast dat in ons land een andere politieke cultuur is ontstaan, waar een oudere generatie politici maar moeilijk mee uit de voeten kan. Daartoe rekende hij zichzelf duidelijk niet.

De Staten-Generaal verliezen in Jan Vis een gepassioneerd denker, die in woord en geschrift waakte over de zuiverheid van ons parlementaire bestel. Met een prachtige strofe van Rudolf Steiner werd hij in het overlijdensbericht als volgt getypeerd: "Wie jou in volle levenskracht in je waarde kon herkennen hem werd door jou geopenbaard hoe milde kracht en waarheidszin uit harte- en uit zielegrond in de mens gestalte krijgen".

Mogen ons respect voor zijn persoon en zijn grote verdiensten voor de Eerste Kamer en de samenleving zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen tot steun zijn.

Het woord is aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties namens de regering.

MinisterDonner:

Voorzitter. Gaarne wil ook de regering, hier in uw midden, Jan Vis herdenken. Hier was hij senator Vis. Ik herinner mij hem als collega-staatsraad Vis of als professor Vis. Weer anderen herdenken hem als collega-journalist of als geëngageerd lid van D66. Allen verliezen wij in hem een waardevolle, betrokken, opgewekte en hartelijke collega, vriend en medepoliticus.

Velen hebben zijn inzicht in staatsrecht en staatskunde reeds geroemd, evenals zijn zorgvuldige en weloverwogen stijl van formuleren. Ik voeg daaraan toe zijn enthousiasme en strijdvaardigheid als het ging om de feiten van de parlementaire geschiedenis en van het staatsrecht.

Op tal van onderdelen van het staatsrecht heeft hij bijgedragen aan de verduidelijking, uitleg en reflectie ten aanzien van de regels en gewoonten die het handelen van de staatsorganen en de politiek sturen. Zo heeft hij bijgedragen aan een precieze beschrijving van de ongeschreven regels die belangrijk zijn voor het functioneren van ons parlementaire stelsel, zoals het ontbindingsrecht. Hij wees in dat verband op de toegenomen betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de beslissing om die Kamer te ontbinden. Hij noemde dat de parlementarisering van het ontbindingsrecht. Ik haast mij, in dit gezelschap, erop te wijzen dat hierbij naar zijn mening geen sprake was van een gewoonterecht. De instemming van de Tweede Kamer met de ontbinding was volgens hem staatsrechtelijk niet vereist.

Het valt op hoezeer zijn beschouwingen over de verhouding tussen de Eerste Kamer en de regering in de huidige situatie weer aan relevantie hebben gewonnen. In zijn maidenspeech in deze Kamer in 1980 sprak hij over de wijziging van de Grondwet, waardoor de Eerste Kamer voortaan integraal gekozen zou worden en dus niet langer gedeeltelijk. Vis was kritisch over dit voorstel: "Als de voorstellen werkelijkheid worden zal de Eerste Kamer straks niet voortdurend achterlopen, zoals tot dusverre steeds het geval is, maar slechts een gedeelte van een kabinetsperiode. Voor het andere gedeelte zal deze Kamer wat betreft haar politieke samenstelling vooroplopen, dat wil zeggen een publieke opinie weerspiegelen die actueler is dan de politieke opinie die de Tweede Kamer weerspiegelt. Wij allen nemen toch aan dat de Tweede Kamer het primaat heeft en behoort te hebben."

Vis stelde de vraag wat er zou gebeuren als een vers gekozen Eerste Kamer het vertrouwen in het kabinet zou opzeggen, terwijl de Tweede Kamer wel het vertrouwen zou behouden in datzelfde kabinet. Tweede Kamerlid en loyalist Willem de Kwaadsteniet had destijds immers geopperd dat in zo'n geval de Tweede Kamer zou moeten worden ontbonden. Jan Vis wees erop dat dit tot gevolg zou hebben dat de Eerste Kamer feitelijk de Tweede Kamer zou ontbinden. Dat zou toch wel een bijzonder licht werpen op het politieke primaat van de Tweede Kamer.

Als staatsraad kwam hij in een publicatie uit 1995 terug op dit onderwerp. Hij legde uit dat in de Eerste Kamer regeerakkoorden als te dwingend worden ervaren. Ook wees hij op de mogelijkheid dat de steeds snellere electorale verschuivingen ooit zouden leiden tot tegengestelde meerderheden in beide Kamers. In zijn optiek zou de afwezigheid van een regeling van conflicten tussen beide Kamers in zo'n geval pijnlijk blijken.

Wij hebben er geen antwoord op. Zelfs het verwerpen van het dekkingsplan is al voldoende om een kabinet in de grootste moeilijkheden te brengen. Hij haalde aan wat De Gaay Fortman ooit opmerkte: de kracht van de Eerste Kamer is haar zwakte. Een observatie die volgens mij niet aan relevantie heeft ingeboet.

Zelf was hij in dat opzicht minder consequent toen hij in 1988 mede-initiatiefnemer werd van een interpellatie en een voorstel in deze Kamer om een enquête te houden naar het handelen van minister Deetman, naar aanleiding van het bericht dat minister Deetman in een besloten vergadering met de Eerste Kamerfracties van CDA en VVD had gedreigd met een kabinetscrisis als zijn voorstel voor een harmonisatiewet voor het hoger onderwijs niet zou worden aangenomen. Toen vroeg hij een interpellatiedebat aan. Het dreigement van Deetman werd pas na afloop van de stemming bekend. Vis vond dat daarmee een belangrijk deel van het debat buiten het parlement en buiten de openbaarheid had plaatsgevonden. Dat vond hij onaanvaardbaar.

Dat wil niet zeggen dat hij meende dat iedere hoek van het parlement in het felle licht van de openbaarheid zou moeten staan. Zo had hij grote kritiek op het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer, dat in zijn ogen niet geschikt was. Het ontbeerde, in zijn woorden de duistere hoekjes waar het parlementaire bedrijf juist behoefte aan heeft. Het nieuwe gebouw, met de gladde gangen en de kale commissiekamers, was meer geschikt als een luchthaven of een ziekenhuis dan als parlementaire huisvesting, zoals hij het uitdrukte. U begrijpt het: wat een minister in een achterkamertje verboden zou moeten zijn, zou een parlementariër in duistere hoekjes moeten doen.

Dat was het aantrekkelijke bij Jan Vis. Hij had de frisheid van het onverwachte en een jeugdige soepelheid van geest. Dat zal hem van pas gekomen zijn toen hij in 1994 optrad als mede-informateur die het eerste paarse kabinet tot stand bracht.

Zo mogen wij hem herdenken en hier in het midden steeds gedenken om wat hij heeft bijgedragen aan het denken over de Staat, het functioneren van de regering en de parlementaire controle daarop. Maar bovenal mogen wij hem herdenken als een goede metgezel op de weg van onze samenleving, op het moeilijke pad van het democratisch zelfbestuur door burgers. Wij missen hem. Hoeveel meer zullen dan zijn vrouw en kinderen hem missen. Wij wensen hen sterkte en steun bij dit verlies.

Devoorzitter:

Ik verzoek om een moment van stilte.

(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Devoorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Naar boven