3 Openbare lichamen BES

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland – B (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B) (32419).

Devoorzitter:

Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

MevrouwLinthorst (PvdA):

Voorzitter. Ik voer mede het woord namens de fractie van GroenLinks.

Onze fracties zijn verheugd dat er nu daadwerkelijk een begin wordt gemaakt met een kwaliteitsverbetering van het onderwijs op de BES-eilanden. Dat had natuurlijk al veel eerder moeten gebeuren op alle eilanden. "Nederland kennisland" geldt wat ons betreft niet alleen voor het Europese deel van het Koninkrijk. Dat neemt echter niet weg dat met dit wetsvoorstel een eerste stap in de goede richting wordt gezet.

De fracties van de PvdA en GroenLinks willen er bij de minister wel op aandringen dat de wijze waarop verbeteringen gestalte krijgen in nauwe samenspraak met de direct betrokkenen gebeurt. Er bereiken ons te vaak berichten dat maatregelen op de eilanden worden doorgevoerd zonder dat er is geïnformeerd waar behoefte aan is en zonder dat er overleg is geweest over de vraag hoe de maatregelen het beste geïmplementeerd kunnen worden. Dat levert irritatie op en kan zelfs leiden tot een verkeerde besteding van middelen: weggegooid geld dus. Wij zouden er bij de minister op aan willen dringen op dit punt de vinger aan de pols te houden.

Op één punt hebben onze fracties nog wel zorgen. Het betreft de sociale vormingsplicht, die wordt omgezet in een sociaal kanstraject. De situatie van kansarme Antilliaanse jongeren die naar het Europese deel van het Koninkrijk afreizen, baart al jaren zorgen. Er is in dit huis ook meerdere malen over gesproken. Het komt te vaak voor dat jongeren die in het Caribisch gebied kansarm zijn, in de Nederlandse samenleving volstrekt kansloos zijn. Dat is niet goed voor de jongeren en ook niet voor de Nederlandse samenleving. In dit kader is een paar jaar geleden het voorstel gedaan voor de verwijsindex Antillianen, de VIA. Op de VIA was terecht de nodige kritiek. De VIA is van tafel gegaan; in plaats daarvan is er gesproken over initiatieven om Antilliaanse jongeren beter toe te rusten voor de Nederlandse samenleving. De gedachte is geopperd dat minderjarige jongeren alleen naar Nederland zouden mogen afreizen als zij de sociale vormingsplicht doorlopen hadden en in Nederland zouden beschikken over een voogd.

Kennelijk is de gedachtewisseling hierover nooit uitgewerkt in een concrete regeling of zelfs afspraak. Het feit dat zo'n afspraak er op dit moment niet is, wil echter niet zeggen dat zo'n regeling in de toekomst niet wenselijk zou zijn. Nederlandse jongeren die in het Europees-Nederlandse deel van het Koninkrijk opgroeien, moeten een startkwalificatie halen. De minister weet dat het daarbij gaat om mbo 2-niveau of havo-niveau. Hoewel niet iedereen dit niveau kan halen, blijft een startkwalificatie de norm. De sociale vormingsplicht komt nog niet in de buurt van de startkwalificatie, maar toch wordt de sociale vormingsplicht omgezet in een vrijwillig sociaal kanstraject.

Het gaat natuurlijk niet alleen om de kansen van Antilliaanse jongeren in Nederland. Ook in het Caribische deel moeten zij het beste uit zichzelf kunnen halen. Kan de minister uitleggen waarom het ambitieniveau voor de BES-eilanden zoveel lager ligt dan voor het Europese deel van het Koninkrijk?

De fracties van de PvdA en GroenLinks kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat budgettaire overwegingen bij deze beslissing een belangrijke rol hebben gespeeld. Kan de minister hierover iets meer zeggen? Hoeveel jongeren zouden voor de sociale vormingsplicht in aanmerking moeten komen? Hoeveel kost die per jongere?

In de schriftelijke voorbereiding hebben wij gevraagd naar de relatie tussen de kosten van de sociale vormingsplicht enerzijds en de kosten die de zogenaamde "Antillengemeenten" in Nederland moeten maken anderzijds. De gedachte achter deze vraag laat zich raden. Het zou wel eens voordeliger kunnen zijn om op de eilanden zelf te investeren in de jongeren dan om deze jongeren in Nederland, soms na de nodige ellende, weer op de rails te krijgen.

De minister verweert zich in de memorie van antwoord met de opmerking dat de meeste risicojongeren niet van de BES-eilanden afkomstig zijn, maar van Curaçao. Wij zijn ons daarvan zeer bewust. Dat maakt een openeinderegeling, een regeling waarbij de sociale vormingsplicht geldt voor iedereen die daarvoor in aanmerking komt, echter alleen maar urgenter. Hoe kunnen wij immers van het land Curaçao vragen om ervoor te zorgen dat jongeren die zich in Nederland willen vestigen in ieder geval de sociale vormingsplicht doorlopen hebben, als wij daar voor de jongeren op "onze eigen" BES-eilanden het geld niet voor over hebben?

Wij wachten de antwoorden van de regering met belangstelling af.

MevrouwTen Horn (SP):

Voorzitter. De Tweede Aanpassingswet openbare lichamen BES-B bestaat voornamelijk uit een grote verzameling van wetten waarmee een ingrijpende wijziging plaatsvindt in het onderwijs op de BES-eilanden. Wij bedanken de minister van OCW en de ambtenaren van het ministerie van harte voor de uitvoerige en zeer snelle beantwoording van onze vragen over dit pakket van wetgeving. De regering geeft aan dat zij het opschorten van de voorliggende wetgeving ongewenst acht. Des te belangrijker is het dat wij vandaag van de minister bevredigende antwoorden krijgen op onze vragen over nog drie onderwerpen, te weten de communicatie met de scholen – daarvoor sluit ik aan bij mevrouw Linthorst – het toezicht, en de combinatie van schoolverzuim, voortijdig schoolverlaten en de sociale vormingsplicht.

Ik begin met de communicatie. De keuze voor dit complex aan wetgeving, zo begrijpen wij uit de memorie van antwoord, blijkt gebaseerd op intern onderzoek van het ministerie van OCW. De regering heeft onze vraag naar onderbouwing van het te verwachten positieve effect van dit pakket aan nieuwe wetgeving niet beantwoord. Volgens de memorie van antwoord is de nieuwe wetgeving wél veelvuldig besproken met de betrokkenen op de eilanden. Wie bedoelt de regering eigenlijk met "betrokkenen"? Uit onze contacten met de scholen op de BES-eilanden in de achterliggende maanden, kregen wij de indruk dat als de regering spreekt van "besturen", het dan niet gaat om schoolbesturen, maar om eilandsbesturen, dus de gemeentebesturen van de eilanden. Misschien is het openbaar schoolbestuur dat onder een openbaar lichaam valt, nog wel bij de nieuwe onderwijswetgeving voor de BES-eilanden betrokken. Verder is echter, zo is gebleken uit diverse e-mailcontacten en persoonlijke contacten, nog heel weinig gecommuniceerd met de scholen op de BES-eilanden over de nieuwe onderwijswetgeving. Beaamt de minister dit? En is de minister het met ons eens dat er wat betreft het onderwijs op de BES, naast de eilandsbesturen, vooral en meer met de schoolbesturen moet worden gecommuniceerd?

Als er al met de scholen op de BES-eilanden is gepraat, is het voor ons de vraag of er wel echt naar de scholen is geluisterd. We vernamen wel dat hordes ambtenaren de BES-eilanden en soms ook de scholen van nabij hebben bekeken, maar dat de mensen van de BES-scholen daar niet erg het gevoel van hebben gekregen dat er met hen is gesproken. Ze zeiden ons dat naar hun idee over het algemeen duidelijk veel van de onderhavige wet- en regelgeving vanachter een Europees-Nederlands bureau is opgesteld. En er worden soms ook ondersteuningen vanuit Nederland aangeboden waarvan het maar de vraag is of die nu echt goed aansluiten bij de behoeften van de scholen aldaar. Mevrouw Linthorst wees daar ook al op. Was die schoolcoach, bijvoorbeeld, hun specifieke wens? Hun beleving is dat er veel topdown, buiten de schoolbesturen om en vanuit Den Haag wordt voorgelegd. Meermalen schreef men mij in antwoord op mijn vraag wat men van de nieuwe onderwijswetgeving BES vindt, dat ik de eerste ben die laat blijken iets te geven om hun input. Dit zou toch niet mogelijk moeten zijn?

Er is een duidelijk punt van zorg van mijn fractie. Wij willen door de minister ervan worden verzekerd dat er voldoende en goed met de scholen op de BES-eilanden zal worden gecommuniceerd en dat ze ook die ondersteuning in het proces van verbeteringen in de komende jaren krijgen die ze echt nodig hebben: ondersteuning bij het onderwijs op de BES-eilanden in het algemeen alsook ondersteuning bij invoering van medezeggenschap, managementstatuut, schoolplan, klachtenregeling, leerlingvolgsysteem en het omgaan met lumpsumfinanciering voor hun scholen. Uit de contacten met de BES-mensen is ons duidelijk geworden dat ondersteuning daarbij zeker nodig en gewenst is.

Is wat wij hier nu nogmaals onder de aandacht brengen voor de minister herkenbaar? Is de minister voornemens de contacten tussen Europees Nederland, waaronder het ministerie van OCW, en de BES-scholen nauwer aan te halen, en daarbij ook oog te hebben voor eventuele taalproblemen en vooral cultuurverschillen? Kan de minister aangeven waar we straks de afspraken kunnen lezen die over de daadwerkelijke inzet voor de scholen op de BES-eilanden worden gemaakt en kan zij aangeven of de scholen het ook eens zijn met de gekozen inzet? Mijn fractie gaat ervan uit dat er een implementatieplan komt en dat de afspraken in de Onderwijsagenda BES 2011–2015, die dit voorjaar wordt opgesteld, worden opgenomen. Kan de minister dit bevestigen?

Dan kom ik nu te spreken over het toezicht. In de memorie van antwoord wordt geconstateerd dat in de laagste groepen van het funderend onderwijs op de BES-eilanden praktisch geen sprake meer is van achterstanden ten opzichte van Europees Nederland. Dat is verheugend, maar het betekent nog niet dat de achterstanden zijn ingelopen. Want naar wij begrijpen staan de leerlingen die dit jaar aan het voortgezet onderwijs begonnen er nog net zo beroerd voor als oudere leergangen. Wat wordt eraan gedaan om de basisscholen, ook in de hogere groepen, aan te zetten tot goed onderwijs in rekenen en taal, en met name Nederlands? Zo vragen wij de minister.

In het inspectierapport wordt vermeld dat de resultaten van de toetsen die voor de zomer van 2010 in de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs zijn afgenomen, geen geruststellend beeld geven van de mate waarin leerlingen een gunstige uitgangssituatie hebben bereikt voor een succesvolle start in het huidige leerjaar. Extra steun en inspanningen zullen dus in elk geval voor het vo, van vmbo tot en met havo, op de BES-eilanden moeten worden verricht om forse reken- en taalachterstanden weg te werken en het algehele niveau te verhogen. Wij gaan ervan uit dat de minister hieraan op de BES-eilanden evenveel waarde hecht als in het Europese deel van Nederland. Kan de minister aangeven wat hier speciaal aan wordt gedaan, en hoe dit ook nauwlettend wordt gevolgd? En is het gebruik van toetsen daarbij voor de BES-eilanden het meest stimulerende, geëigende instrument?

Mijn fractie vindt het echt verbazingwekkend dat de inspectie haar voorgenomen inspectiebezoek voor eind 2010 heeft uitgesteld tot het voorjaar van 2011. Is dit de manier om intensiever toezicht te houden? Vanwaar dit uitstel? Kan de minister dit toelichten? Immers juist met behulp van rapportages van de onderwijsinspectie behoort aandacht te worden gegeven aan de opgedane ervaringen met de onderwijswetgeving op de BES-eilanden. Dan kan ook waar nodig tijdig worden bijgestuurd als de specifieke situatie op de BES-eilanden daarom vraagt, aldus de motie-Slob c.s.

Wij begrijpen dat het eerste bezoek van de inspectie nu pas is voorzien in het voorjaar van 2011. Omdat uit e-mails blijkt dat het voorjaar kennelijk wel kan worden opgerekt tot aan de herfst, vraag ik de minister in welke maand dat zal gebeuren. De inspecteur is toch wel, naar wij hopen, bekend met de BES-eilanden en het transitieproces dat de scholen aldaar doormaken? Mijn fractie verwacht dat in de Onderwijsagenda BES die voor de periode 2011–2015 wordt opgesteld, ook concrete afspraken worden opgenomen over de momenten waarop de onderwijsinspectie de voortgang zal onderzoeken. Wordt dit door de minister beaamd en zal de onderwijsinspectie ook toezicht houden op de uitvoering van de sociale kanstrajecten?

De heerDoek (CDA):

Ik neem weliswaar niet deel aan het debat als zodanig, met een bijdrage, maar een interruptie ligt toch wel op mijn lippen. Mijn geachte collega maakt zich zorgen over het feit dat de inspectie misschien pas over een paar maanden komt. Waar moet het allemaal toe leiden? Eerst klaagt mevrouw Ten Horn erover dat er al heel veel ambtenaren zijn geweest en dat dit nergens toe leidt. Moeten er nu nog veel meer kosten worden gemaakt? Ik had gehoopt dat zij een pleidooi zou houden voor het rechtstreeks overmaken van de kosten van de inspectie aan het onderwijs aldaar, zodat men zelf zou kunnen zorgen voor goed onderwijs. Op Saba zitten 100 leerlingen op school. Op Sint-Eustatius zijn het er misschien 200 of 300 en op Bonaire iets meer. Waar gaat dit allemaal toe leiden? Zo wordt er een enorme ambtelijke deken gelegd over onderwijs dat zich prima zou kunnen redden als het gewoon wat meer centen kreeg voor de basiszaken als boeken, leermiddelen et cetera. Men zit daar helemaal niet te wachten op allerlei inspecties.

MevrouwTen Horn (SP):

Collega Doek zou gelijk hebben als inspecteurs puur ambtenaren zouden zijn, zoals ik al eerder aanhaalde. Zo zijn zij tot nu toe echter niet ervaren door de scholen van de BES-eilanden. Tot nu toe was het een samengesteld team van inspecteurs uit de Nederlandse Antillen en Nederland. Ik heb gevraagd of het ook een inspecteur zou kunnen zijn die bekend is met de BES-eilanden. Het is dus heel wel mogelijk dat het om een lokaal gestationeerd persoon zou gaan. Aan de minister vraag ik of het de bedoeling is om minder goed toe te zien op de zwakke scholen op de BES-eilanden dan op de zwakke scholen in Friesland. Ik kan mij niet voorstellen dat daartussen enig verschil bestaat. De onderwijsinspectie heeft nauwe contacten met de Friese scholen. Die zijn vaak nog veel kleiner dan op de BES-eilanden. Onlangs hebben wij hier nog een wetsvoorstel aangenomen waarmee wordt geregeld dat scholen in het primair onderwijs met minder dan 23 leerlingen in Europees Nederland mogen blijven bestaan.

Voorzitter. Dan kom ik nu op het schoolverzuim, het voortijdig schoolverlaten en de sociale vormingsplicht. Mijn fractie is ingenomen met het feit dat de minister naar aanleiding van onze vragen heeft besloten de artikelen uit de Leerplichtwet met betrekking tot het verzuim terstond in werking te laten treden en daarmee niet, zoals eerder bedoeld, nog anderhalf jaar te wachten. Hetzelfde geldt met betrekking tot de inwerkingtreding van de vergelijkbare artikelen voor het voortgezet onderwijs en het mbo. Maar wordt over deze wijzigingen in het wetsvoorstel nu wel snel met de scholen op de BES-eilanden gecommuniceerd? Zo vragen wij de minister. Gaat de minister ook afspraken maken met de scholen op de BES-eilanden over het terugdringen van het schoolverzuim en vooral over het voortijdig schoolverlaten? Is er ook overleg met het eilandsbestuur over een beduidend actievere rol voor de leerplichtambtenaar? Daarmee bedoelt mijn fractie niet alleen het actiever handhaven, maar ook de ambassadeursrol van de leerplichtambtenaar, die nog veel werk onder de bevolking op de BES-eilanden heeft te verzetten, om duidelijk te maken waarom en waartoe de leerplicht bestaat.

Het zal voor de jongere op de BES-eilanden wel even wennen zijn dat hij gelijk met ingang van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, mogelijk vandaag, tot zijn 18de verplicht naar school moet, of een combinatie van school en werk moet volgen, zolang hij nog geen startkwalificatie heeft. Tot nu toe gold immers de leerplicht tot 16 jaar – er komt dus twee jaar bij – en daarna tot 25 jaar de sociale vormingsplicht. Maar bij de SVP was, naar wij begrepen, sprake van zeker 25% uitval. Worden er, zo vragen wij de minister, nu speciale maatregelen getroffen om de leerplicht dan wel kwalificatieplicht tot 18 jaar op de BES-eilanden goed te handhaven? Zoals de minister van Justitie zei tijdens het plenaire debat in deze Kamer op 28 september jongstleden: "Naar mijn overtuiging is de kern van de zaak dat alle jongeren in elk deel van het Koninkrijk een behoorlijke opleiding moeten hebben, dat zij moeten zijn voorbereid op werk, dat zij op hun gedrag moeten worden aangesproken en dat het nakomen van de leerplicht niet vrijwillig mag zijn."

Uitbreiding van de leerplicht vandaag tot 18 jaar vindt mijn fractie een goede zaak, maar heeft men er op de BES-eilanden wel het aanbod voor? Wat voor onderwijs kunnen de 16- en 17-jarigen bijvoorbeeld krijgen na het vmbo? Is er op elk van de drie eilanden al voldoende praktijkonderwijsaanbod dat gericht is op het verder wegwerken van de achterstanden bij Nederlands en rekenen en op het aanleren van een vak? Naar wij begrepen hebben, ontbreken nog gekwalificeerde mensen en spullen – ik bedoel praktijklokalen en dergelijke – om voldoende aanbod te kunnen ontwikkelen en bieden op bijvoorbeeld mbo 1- en 2-niveau, en behoeft het praktijkonderwijs sowieso extra middelen. Want hoe denkt de minister een verbetering in dit onderwijs voor 16- en 17-jarigen op de BES te realiseren? Komt daarvoor op een realistische manier extra financiering beschikbaar? Of komen die twee jaar er zomaar bij?

Dat de sociale vormingsplicht met dit wetsvoorstel als plicht wordt afgeschaft voor 18- tot 25-jarigen, vindt mijn fractie jammer, maar wel te begrijpen na de uitleg in de memorie van antwoord. Het is te hopen dat met de stimuleringsmaatregelen velen wel gebruik zullen maken van de sociale kanstrajecten. In de memorie van antwoord staat dat de bijdrage voor de sociale kanstrajecten voor jongeren op de BES-eilanden is gemaximeerd op € 800.000 per jaar, temeer omdat het potentiële aantal deelnemers niet bekend zou zijn. Hoeveel jongeren kunnen hiervoor een kwalitatief goed opgezet sociaal kanstraject volgen en afronden met een certificaat of diploma? Mevrouw Linthorst heeft dit ook gevraagd. Wat gebeurt er als zich meer dan dit aantal jongeren voor een dergelijk traject meldt? Is de minister het met mijn fractie eens dat het geen goede zaak zou zijn als die op een wachtlijst zouden moeten worden gezet of helemaal geen traject aangeboden kunnen krijgen? Daar in eerdergenoemd inspectierapport het aantal sociaal vormingsplichtigen staat aangegeven, zoals wij die ook in het verslag al vermeldden, kan naar ons idee het financieel risico wel degelijk worden gecalculeerd. Is de minister bereid, toe te zeggen dat in de periode van de nieuwe Onderwijsagenda 2011–2015 geen enkele BES-jongere tussen de 18 en 25 jaar die een sociaal kanstraject wil volgen, door dit gemaximeer in Den Haag van budgetten aan de kant blijft staan?

Tot slot, voorzitter. Er zullen bij de implementatie van het hele pakket onderwijswetgeving gaandeweg vast nog aanpassingen moeten plaatsvinden en oplossingen moeten worden gevonden, maar als mijn fractie bevredigende antwoorden krijgt op de door ons gestelde vragen, kan het licht wat ons betreft op groen. Wij zien daarom met buitengewone belangstelling naar de antwoorden van de minister uit.

De vergadering wordt van 14.03 uur tot 14.15 uur geschorst.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Hartelijk dank aan mevrouw Linthorst en mevrouw Ten Horn voor hun bijdragen in eerste termijn. Ik ga gaarne in op de gestelde vragen. Ik hoop van harte dat ik de leden kan overtuigen, omdat dit een prachtig wetsvoorstel is voor het onderwijs op de BES-eilanden. We gaan volgens mij heel goede dingen doen. Men komt daar vanuit een situatie die we in Nederland niet kennen, althans niet in Europees Nederland.

Ik denk dat het goed is als we beginnen met de zegeningen te tellen die er inmiddels zijn op de Antillen. Dat zijn er echt behoorlijk wat. Toen onze inspectie voor het eerst binnenliep op de scholen, schrok ze van het aangetroffen niveau. We hebben geen moment gewacht en zijn direct gaan investeren in het onderwijs, omdat het gaat om onze jonge mensen daar ter plekke. We willen goed onderwijs. We hebben ambities hier in Nederland. Dan horen we ook in het Caribische deel van Nederland ambities te hebben. We zijn dus gaan investeren en we zijn ook de komende jaren van plan om bovenop de financiering in de BES-eilanden, die behoorlijk ruimer is dan vroeger, nog eens extra te investeren om ervoor te zorgen dat het niveau snel op orde komt. In vijf jaar tijd willen we op het gewenste niveau zijn. De achterstanden behoren dan ingelopen te zijn. Er is al veel gebeurd. We hebben ook al vastgesteld dat het zijn effect heeft. Leermiddelen zijn weer ingesteld en professionals hebben weer de ruimte om onderwijs te geven zoals zij vanuit hun professionaliteit denken dat het goed is. Er is extra geïnvesteerd in huisvesting. Er is een tussentijds besluit genomen door mijn voorganger en mijzelf om dat te doen op de scholen. We vonden dat noodzakelijk. Zo trekken we zo snel mogelijk alle benen bij.

Maar we moeten het traject ook ordentelijk afleggen. Daarvoor dient het vandaag voorliggende wetsvoorstel. Voorzitter, hartelijk dank dat we het zo snel hier kunnen behandelen, zodat we de boel op orde kunnen krijgen. Het is een omvangrijk wetgevingspakket. Het is gemaakt vanuit de gedachte om de wetgeving zoals we die in Nederland hebben, als het maar enigszins mogelijk is, toe te passen op de BES, zodat men de zekerheden heeft van de kwaliteit die we met elkaar willen bereiken. Aan de andere kant zijn er ook concessies gedaan aan de werkelijkheid ter plekke, de schaal et cetera.

De kwaliteit van het onderwijs gaat de regering zeer aan het hart. Daarom is door het vorige kabinet echt geïnvesteerd, wordt nu extra geïnvesteerd en wordt ook in de komende jaren incidenteel extra geïnvesteerd. De situatie was zorgwekkend, maar we maken een forse slag. Met de wetgeving ontstaat er een keurige wettelijke basis om het op te pakken. Een wettelijke basis, mevrouw Ten Horn, die geldt vanaf 1 augustus 2011. Dat betekent ook dat de leerplicht vanaf dat moment formeel in werking treedt. We hebben dus nog even de tijd om het goed voor te bereiden. Als het morgen zou zijn, zou het misschien op Bonaire nog wel gaan, maar Saba en Eustatius zouden dan toch echt een probleem hebben om het waar te maken. Misschien moeten we in de komende jaren, gelet op de schaal – de heer Doek zei het al – bekijken hoe we het behapbaar op een goede manier organiseren. In elk geval is duidelijk dat jongeren een startkwalificatie moeten kunnen halen. Daar moet alles op ingezet worden. Ook op de kleine eilanden verdienen ze een kans.

Voorzitter. Ik kom bij de vragen zoals ze gesteld zijn. Ik begin met de vragen van mevrouw Linthorst. Zij zegt: goed dat er een begin gemaakt is, maar doe het alsjeblieft in nauwe samenspraak met de mensen. Ik ben het met haar eens. Toevallig hadden we afgelopen week hier nog een gesprek met twee schoolleiders. Dat geeft aan dat enerzijds gevraagd wordt om de ruimte te krijgen en dat men anderzijds graag betrokkenheid wil, op het goede niveau. Ik heb tegen mijn mensen op het ministerie gezegd om de lijnen zo kort mogelijk te houden. We hebben de afgelopen tijd op alle niveaus gecommuniceerd, niet alleen met de eilandbestuurders, maar ook met de schoolbestuurders. Er is steeds contact geweest met de mensen van ons ministerie die op de eilanden waren om ervoor te zorgen dat we goed met elkaar zouden blijven communiceren. Ook nu zitten er mensen van OCW in de afvaardiging vanuit Europees Nederland in Caribisch Nederland. Ook daarin wordt heel direct gecommuniceerd. Maar het is altijd goed om je te realiseren dat je heel direct met de mensen in de scholen zelf contact moet hebben om te bekijken of je nog steeds goed bezig bent dan wel of de mensen het idee hebben dat de maatregelen langs hen heen gaan. Wat die coaches betreft, is bijvoorbeeld de ruimte gegeven om te zeggen: zeg maar wat je ervan wilt; je mag het ook zelf uitzoeken; als je het niet wilt, laten wij het gewoon even, aangezien al heel veel extra middelen beschikbaar zijn. De ene school heeft daar misschien behoefte aan, de andere niet. Voor de achterstanden kun je de coaches heel goed benutten. Als scholen zeggen het zelf te redden in de termijn van vijf jaar die wij met elkaar hebben afgesproken – even goede vrienden – dan is het de zaak van de schoolleiding van dat moment. Er moet dus breed gecommuniceerd worden. Er wordt ook zo veel mogelijk breed gecommuniceerd.

Dan kom ik op de overgang van de sociale vormingsplicht naar het sociale kanstraject en de startkwalificatie. Mevrouw Linthorst stelde de vraag of ik daar niet even ambitieus ben als hier in Nederland. Laat één ding helder zijn: wij zijn met onze jongeren op het Caribisch deel van Nederland even ambitieus als hier op het Europees deel. Het gaat dus gewoon om een startkwalificatie. Ik hoop eigenlijk dat wij met de startkwalificatie en het handhaven daarvan steeds minder jongeren zullen krijgen in de sociale vormingsplicht, die wij nu sociaal kanstraject noemen.

De leerplicht wordt per 1 augustus verhoogd van 16 naar 18 jaar. Dat betekent op Bonaire dat men door moet gaan op de mbo- of havo-opleiding die daar geboden wordt. Op Saba en Sint-Eustatius moeten wij goede afspraken maken, misschien over het volgen van onderwijs op Sint-Maarten door jongeren boven de 16 jaar als zij uiteindelijk een startkwalificatie, zijnde een mbo 2- of havodiploma, willen halen. Dat zullen wij moeten uitzoeken. Nu vallen Pasen en Pinksteren niet op één dag. Ik geloof niet dat ik het spreekwoord goed gebruik, maar de geachte afgevaardigden begrijpen ongeveer wat ik bedoel. Ik hoor Keulen en Aken roepen. Ja, die zijn niet op één dag gebouwd.

Devoorzitter:

Keulen en Rome.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Keulen en Rome. Ik denk dat hier nog wel een lesje spreekwoordengebruik genuttigd kan worden, zowel door mij als door de Kamer.

Even terug naar de sociale vormingsplicht. Als het nog niet helemaal lukt, dan moeten deze jongeren tot en met 18 jaar in ieder geval in het sociale kanstraject zitten. Die plicht is er. Je moet op school zijn. Het beste is om dan naar de startkwalificatie toe te werken. Wij moeten er dan ook gaandeweg voor zorgen dat die mogelijkheden er zijn, dichtbij of op het eiland zelf. Daarmee hebben wij dezelfde ambities, maar bieden wij daar achteraan ook nog het sociale kanstraject, omdat een aantal jongeren die kwalificatie nog niet gehaald heeft en er in de toekomst altijd jongeren zullen zijn die dat nog niet gehaald hebben, zoals wij ook in Nederland die situatie kennen. Dan is er niet de plicht boven de 18 maar wel het aanbod.

Het aanbod is ruim. Mevrouw Linthorst hoeft zich daar geen zorgen over te maken. Er is uitgerekend hoeveel het ongeveer kost: zo'n € 8800 per persoon. Gelet op het huidige aantal jongeren dat daar gebruik van maakt, namelijk 70, moeten wij het goed kunnen halen binnen die acht ton. Met dat budget kunnen wij er zelfs 90 doen, maar gelet op het feit dat wij de startkwalificatie invoeren, ga ik ervan uit dat in de loop der jaren minder mensen gebruik moeten maken van dit sociale kansenproject. Er is dus ruimte zat. Sterker, het moet zelfs nog groeien als men boven dat budget wilt uitkomen. En als men boven het budget uitkomt, moet men eerst maar eens kijken of men iets zuiniger kan doen.

MevrouwTen Horn (SP):

In het verslag hebben wij de getallen aangehaald van de onderwijsinspectie van december 2008. Dat is nog niet zo lang geleden. Het ging om in totaal 300 jeugdigen op Bonaire, 30 op Sint-Eustatius en 17 op Saba. Ik tel dus 347 jeugdigen die sociaal vormingsplichtigen waren. Kan de minister mij uitleggen waarin het verschil zit tussen de cijfers van de onderwijsinspectie en haar getallen?

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat heeft mevrouw Ten Horn heel goed opgezocht. Ik kan al die aantallen niet gelijk zo reproduceren. Ik kijk nu smachtend naar mijn ambtenaren. In tweede termijn ga ik opnieuw op dit punt in, want het plaatje moet wel kloppen. Dat ben ik met mevrouw Ten Horn eens. Een en ander moet voldoende zijn. Ik heb doorgekregen dat op dit moment circa 70 jongeren per jaar in aanmerking komen voor de sociale vormingsplicht.

MevrouwTen Horn (SP):

70 of bijna 350 is een factor vijf verschil. Als € 800.000 voor 70 genoeg is en onze getallen van de onderwijsinspectie, die gehaald zijn uit het rapport van december 2008, kloppen, dan maak ik mij extra zorgen over die andere 80%.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nogmaals, ik ga daar in tweede termijn op in, want de cijfers die mevrouw Ten Horn noemt, heb ik nog niet naast deze cijfers gelegd. Het moet uiteindelijk wel kloppen. Dat ben ik van harte met haar eens.

Kunnen mensen wel of niet naar Nederland reizen? In het Koninkrijk is er altijd sprake van vrij reizen. Althans, je moet wel je ticket betalen maar je mag over de grenzen heen naar een ander deel van het Koninkrijk. Een groot deel van de jongeren die wij nu hier in de zogenaamde Antillengemeenten hebben, komen uit Curaçao. Ook daar is geen plicht om binnen te blijven zolang je de sociale vormingsplicht niet hebt afgerond. Dat zal hier ook niet zo zijn. Wij moeten proberen jongeren voldoende onderwijs te bieden. Vandaar ook de gedachte om te bezien of wij in de toekomst hbo kunnen bieden, zodat jongeren verbonden blijven met de eilanden en daar hun toekomst zoeken.

MevrouwLinthorst (PvdA):

Er is ooit over dit probleem gesproken. Het is jammer dat het kennelijk nergens is vastgelegd. Ik kan het nergens op schrift terugvinden. De behoefte om jongeren met een enigszins verplichtend karakter wat meer bagage mee te geven voordat zij naar Nederland afreizen, is vaker aan de orde is geweest in discussies tussen Nederlandse en Antilliaanse politici. Ik kan mij daar ook heel veel bij voorstellen. In die zin blijft de volgende principiële vraag aan de orde. Zou je van de sociale vormingsplicht, zolang het onderwijs op de BES-eilanden nog niet op orde is en het nog niet alle jongeren omvat die het in het verleden niet hebben gehaald, niet een zodanige regeling moeten maken dat alle jongeren ervoor in aanmerking komen? Hoe kunnen wij straks gaan onderhandelen met Curaçao over wat Curaçao zijn jongeren biedt, als wij zelf niet het goede voorbeeld geven?

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Wij geven het goede voorbeeld door de kwalificatieplicht in te voeren. Tot 18 jaar heb je een schoolplicht tenzij je je startkwalificatie gehaald hebt. Wij weten dat ook op vliegvelden wordt opgelet dat jongeren niet "het pand verlaten" terwijl zij leerplicht hebben. Die afspraak hadden wij al eerder. Daar hebben wij indertijd al een discussie over gehad. Dat neemt de douane mee, herinner ik mij. Maar boven de 18 is iedereen vrij. Dat is onze werkelijkheid, ook met onze jongeren. Boven de 18 mag er gewoon gereisd worden binnen het Koninkrijk. Er is in het verleden misschien best een wens geweest, maar vanwege die belemmering is het nooit tot harde afspraken gekomen, omdat je het uiteindelijk niet kunt afdwingen. Het is belangrijk dat wij jongeren tot 18 jaar een startkwalificatie laten halen. Zo nodig laten wij hen ook een kwalificatietraject doen. Dat wordt op dit moment niet gehandhaafd, maar jongeren komen daar wel in groten getale naar toe. Wij proberen ook hoger beroepsonderwijs te realiseren op de eilanden, zodat de aantrekkelijkheid om te blijven in de toekomst wordt verhoogd. Dat is het traject. Verder blijft het, om het maar simpel te zeggen, ook een beetje behelpen zoals wij dat de afgelopen jaren hebben moeten doen.

Mevrouw Ten Horn had het over de communicatie met de scholen. Dat is een belangrijk punt. Er moet goed gecommuniceerd worden. Dat gebeurt ook volop en er is nu een heel brede communicatieaanpak in voorbereiding. Enerzijds past bescheidenheid. Wij moeten weten wat onze positie is vanuit het Europese deel van Nederland ten opzichte van het Caribische deel. Aan de andere kant is het soms nodig om het voortouw te nemen, zoals bij de verbeteringen die wij in de afgelopen jaren tot stand hebben gebracht. Die hebben wij niet overgelaten aan de scholen, aangezien zij het op dat moment moeilijk vonden om te bepalen aan welke knoppen zij moesten draaien om de kwaliteit te verbeteren. Daarom hebben wij wat meer het voortouw genomen wat betreft leermiddelen, toetsen et cetera.

Nu is het zaak om wat meer afstand te nemen en scholen de ruimte te geven om zelf zaken op te pakken. Communicatie zal er volop zijn als de wetgeving er straks door is. Als de leerplicht helder is, nadat de Kamer haar jawoord heeft gegeven op de wetgeving, zal er volop gecommuniceerd gaan worden met alle betrokken partijen, in eerste instantie met ouders en leerlingen maar ook met gemeenten. De gemeenten zullen worden gestimuleerd om de leerplicht zo goed mogelijk op te pakken. Dat is een plicht van de lagere overheid; daar ligt voor haar een taak. Dat is ook afgesproken tussen de beide delen van Nederland. Dat moet wel goed gebeuren. Er moet rekening worden gehouden met de taal; er wordt namelijk in drie talen gecommuniceerd. Men moet in ieder geval communiceren in de hoofdtalen. Verder wordt bezien hoe de afspraken worden geïmplementeerd. In maart wordt hiervoor een onderwijsconferentie georganiseerd. Docenten en bestuurders vanuit het gebied komen daarnaartoe en gaan met elkaar na hoe zij in de afgesproken vijf jaar het benodigde kwaliteitsniveau kunnen halen. Daar komen heel concrete afspraken uit. Ik heb de Tweede Kamer beloofd dat deze afspraken haar op 1 april zullen zijn toegestuurd. Ik stuur ze ook de Eerste Kamer met plezier toe. Dan heeft zij deze ook en kan zij er vanuit haar betrokkenheid ook kennis van nemen.

Dan kom ik bij de inspectie. De inspectie heeft twee redenen gehad om in maart te beginnen met kennismakingsbezoeken en vervolgens een en ander uit te bouwen naar de scholen om het onderzoek in de maanden daarna te laten plaatsvinden. Dat zal heel concreet gebeuren in maart, april of mei. Dan wordt die zaak opgepakt. In het najaar komt men nog een keer terug. Er wordt buitengewoon intensief toezicht gehouden vanaf dat moment. Waarom maart? Enerzijds vond men dat de wetten helder vastgesteld moesten zijn en dat zullen zij in maart zijn, als de Eerste Kamer ze vandaag vaststelt. Anderzijds zijn dan ook de eerste toetsresultaten er. Zoals hier vandaag de Cito-toets is gestart, vinden er ook toetsen plaats op de BES-eilanden. De inspectie heeft dan iets in handen om goed toezicht te houden en na te gaan hoe de resultaten zijn. Dat is de reden. Vanaf dat moment zal er volop toezicht worden gehouden, intensiever zelfs dan op het Friese schooltje, omdat wij echt even de boel van de kant af willen trekken. Dat zal met niet te veel ambtenaren gebeuren; ik dacht: die arme ambtenaren ... Zij doen heel erg veel goeds in het Haagse en op andere plekken, maar het toezicht zal worden gehouden door inspectiemensen.

Nu ga ik in op het verzuim. Daarover heb ik al het nodige gezegd. Per 1 augustus gaat de leerplicht in. Leerplichtambtenaren horen die echt op te pakken. Wij zullen erop toezien dat dit gebeurt en dat er op de scholen zelf ook voldoende wordt gedaan. De scholen komen eigenlijk in het toezichtsregime van onze eigen inspectie terecht. Dat gebeurt natuurlijk stapsgewijs. Wij moeten opletten dat wij niet te veel vragen van de scholen, maar dat is wel de lijn die zal worden gevolgd.

Er is gevraagd wat er gebeurt als het aantal leerlingen groeit. Zeggen wij dan: zoek het maar uit op de scholen? Nee, men loopt mee in de leerlingenramingen. De wijze van financiering is niet altijd hetzelfde; dat zien wij hier in Nederland ook. Soms moet een en ander uit de eigen begroting worden gefinancierd en soms is er een heel genereus ministerie van Financiën. In deze zware tijden doen wij het echter vaak zelf. Voorlopig schatten wij in dat geen sprake zal zijn van een enorme omvang.

MevrouwTen Horn (SP):

Ik verzoek om een toelichting. Wij hebben in Nederland nauwelijks meegemaakt dat de leerplichtleeftijd in één keer van 16 naar 18 jaar is uitgebreid. Er komen twee hele jaargangen bij, want er zijn er op de BES-eilanden maar weinig die op hun 16de een startkwalificatie hebben. Dat betekent dus idem zo veel lokalen, docenten, boeken, spullen en praktijkzaken. Ik weet niet of ik de minister goed heb beluisterd. Zegt zij nu dat wij dit vanzelfsprekend met de scholen afspreken, of zegt zij dat de scholen sommige dingen toch gewoon uit de budgetten die zij nu hebben, moeten halen?

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Wij moeten heel goed bezien hoe wij dit gaan doen. Een deel van de jongeren heeft nu een sociale vormingsplicht; daar wordt ook geld in gestoken. Er moet in het totale budget voor onderwijs en vorming van jongeren worden gekeken hoe dit op een goede manier kan worden opgepakt. Dat moet in voldoende mate gebeuren om te voorkomen dat wij niet het tempo en het kwaliteitsniveau halen dat wij met elkaar hebben afgesproken. Laat dat helder zijn. Het heeft er vanaf het begin in gezeten dat het daadwerkelijk zou plaatsvinden, maar dankzij de door de leden van deze Kamer gestelde vragen hebben wij het qua tijd nog iets scherper neergezet.

Geen enkele jongere die vrijwillig wil deelnemen aan het sociale kanstraject mag aan de kant komen te staan. Dit betreft de vraag naar de aantallen. Ik heb net een briefje gekregen van mijn ambtenaren. Het blijkt een bijzondere vraag te zijn. Er zijn vijftien minuten nodig om dit uit zoeken. Het is een slimme vraag geweest van de geachte afgevaardigde. Het antwoord op deze vraag is het enige antwoord dat ik nog moet geven. Verder heb ik naar mijn idee alle vragen beantwoord.

Devoorzitter:

Ik stel voor dat wij deze vraag schriftelijk beantwoord krijgen, nadat het departement een intensieve poging heeft gedaan om deze vraag correct te beantwoorden. Ga de minister daarmee akkoord?

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik vind het prima. Dan ben ik klaar met mijn antwoorden in eerste termijn.

MevrouwLinthorst (PvdA):

Voorzitter. Ik ben blij dat de minister klip-en-klaar heeft gezegd dat er ook in het Caribische deel van het Koninkrijk wel degelijk ambities zijn. Dat lijkt mij een voorwaarde om tot verbetering van onderwijskwaliteit te komen. Als je geen ambities hebt, dan ben je nergens! Ik denk dat er, naarmate de startkwalificatie normaler wordt, minder jongeren in de sociale vormingsplicht of het sociaal kansentraject, zoals het heet, terecht zullen komen. De zorg blijft wel bestaan, vooral door het grote verschil tussen de aantallen die mevrouw Ten Horn noemde en de aantallen die op het ministerie bekend zijn. Laten wij het schriftelijke antwoord afwachten. Mocht er vervolgens aanleiding zijn om hierop terug te komen, dan kunnen wij dat doen. Laten wij nu gewoon van start gaan met de kwaliteitsverbetering die ook de minister nastreeft.

MevrouwTen Horn (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de snelle beantwoording. Dat is met de BES-wet voor het onderwijs echt nodig. De minister zegt dat er breed moet worden gecommuniceerd. Volgens haar wordt inmiddels op alle niveaus gecommuniceerd, ook over de leerplicht. De minister heeft tevens gezegd – dat heb ik goed gehoord – dat er ook gecommuniceerd zal worden door de eilandbestuurders met de ouders. Ik denk dat hier een extra inspanning nodig is, om twee redenen. Een reden heb ik net al aangegeven: de leerplicht wordt uitgebreid en dat gaat niet zomaar van vandaag op morgen. Leerplicht en kwalificatieplicht zijn begrippen die extra uitleg nodig hebben. Er is nog een andere reden. Als een leerling op de eilanden een jaartje naar de Dominicaanse Republiek gaat en dan weer vrolijk terugkomt, vinden de ouders dat vaak niet zo'n probleem, naar ik heb begrepen. Volgens mij mag de minister wel gevraagd worden om een extra inspanning om de bevolking op de BES-eilanden ervan te overtuigen dat het heel belangrijk is voor de jeugd in het Caribische deel van Nederland.

Ik ben blij dat de inspectie in maart naar de eilanden gaat. Ik heb de minister gevraagd of er een mogelijkheid was om een schema te geven in relatie tot het plan 2011–2015, dat wordt gemaakt. Ik denk dat het in het kader van de communicatie heel verstandig is dat beide partijen heel goed weten wanneer wat getoetst wordt en waar je naartoe werkt. De heer Doek heeft net geïnterrumpeerd omdat hij dacht dat ik de BES-eilanden met ballast zou opzadelen. Ik kan hem geruststellen. Ik denk dat de mensen op de BES-eilanden ons debat voldoende volgen. Mocht ik het fout hebben en mochten zij de onderwijsinspectie niet als ondersteuning, maar als ballast ervaren, dan denk ik dat wij dit vanmiddag of uiterlijk morgen wel van hen zullen vernemen. Mocht ik het fout hebben, dan kom ik er graag op terug. Vooralsnog hebben we begrepen dat goede communicatie met de inspectie wordt ervaren als een steuntje in de rug om het proces in te gaan dat de komende vijf jaar gaat lopen. Laten we wel zijn, het gaat onder andere ook over de vraag welke extra steun de hogere groepen in het basisonderwijs zullen krijgen. Het kan zijn dat de Cito-toets nu opeens veel beter gemaakt wordt, maar vorig jaar waren de Cito-toetsresultaten in groep 8 nog allerbelabberdst.

Ik constateer een enorme discrepantie tussen de kwalificatieplicht en de middelen. Er is nauwelijks ingegaan op de vraag hoe het middelbaar onderwijs aan 16- en 17-jarigen financieel wordt doorvertaald. En misschien heeft de minister extra tijd nodig om ook mijn getallen rondom sociale vormingsplicht door te rekenen. Ik moet bekennen dat ik niet heb nagekeken of er in de onderwijsbegroting voldoende middelen zijn gereserveerd voor de 16- en 17-jarigen, als zij inderdaad netjes naar school gaan en de kwalificatieplicht nakomen. Het is belangrijk om voor afronding van dit debat te weten of de minister kan toezeggen dat er in ieder geval voldoende middelen voor de scholen zullen zijn om de 16- en 17-jarigen onderwijs te geven.

De sociale vormingsplicht in de zin van de sociale kanstrajecten begint overigens pas vanaf 18 jaar. Ik hoop niet dat de minister de € 800.000 die daarvoor is gereserveerd ook wil gaan gebruiken voor onderwijs aan 16- en 17-jarigen. Mocht deze € 800.000 niet genoeg zijn voor de 18- tot 25-jarigen, dan zou ik graag van de minister vernemen hoe dat zal worden opgelost. Uiteraard kan ik leven met een schriftelijke afhandeling van de variatie in de getallen die we hebben aangedragen. Het gaat mij er nu meer om dat de minister de verantwoordelijkheid neemt om daadwerkelijk leerplichtige/kwalificatieplichtige jongeren tot 18 jaar te voorzien van een aanbod. En hoe gaat zij ervoor zorgen dat ze een sociaal kanstraject kunnen volgen als zij aan de deur kloppen? Als de minister vandaag kan toezeggen dat niemand op een wachtlijst zal worden gezet of helemaal geen aanbod zal krijgen, zijn we er tevreden mee als we de getallen later schriftelijk krijgen.

De vergadering wordt van 14.45 uur tot 14.55 uur geschorst.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Mijn excuses voor het ongemak. Het duurde iets langer dan ik gehoopt had, maar inmiddels is alles mij helemaal helder geworden. Allereerst bedank ik mevrouw Linthorst voor haar woorden. Haar zorgen zijn ook de mijne. We zullen er heel scherp en alert op zijn dat een en ander goed verloopt.

Mevrouw Ten Horn heeft gevraagd hoe het met de leerplicht zit. Zij wil dat daarover ook met de ouders goed wordt gecommuniceerd. Dat zal gebeuren. De ouders zullen goed worden geïnformeerd. Rondom de leerplicht bestaat altijd enige verwarring. Ik moet toegeven dat de leerplicht wel direct wordt ingevoerd, maar daar hoeft geen groot probleem mee te ontstaan, want de BES-eilanden kennen nu al een leerplicht tot 18 jaar. Er komt nu een leerplicht tot 16 jaar met een kwalificatieplicht tot 18 jaar. We hebben de desbetreffende jongeren dus al in beeld. Er werd alleen te weinig gehandhaafd, maar dat gaat nu veranderen. Er zal worden betaald voor de leerlingen die deelnemen aan het onderwijs. Voor de zomer zal de bekostiging worden geëvalueerd. Daarmee houden we goed in beeld of er afdoende geld is voor het aantal leerlingen op school.

MevrouwTen Horn (SP):

Ik ben blij met dit antwoord. Het is mooi dat rekening wordt gehouden met de aantallen. Ik heb echter begrepen dat een aantal scholen ook niet beschikt over de juiste middelen en praktijklokalen. Dat zal eveneens moeten worden aangepast. Is dat tevens inbegrepen in de kosten?

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Natuurlijk wordt er gekeken welke kosten voor de leerlingen worden gemaakt. Uiteindelijk moet worden bekeken welk type leerlingen op een school zit, welke bekostiging daarvoor nodig is en of deze bekostiging voldoende is voor het aantal leerlingen op de school.

Voorzitter. Het punt van de aantallen heeft wat uitzoekwerk van ons gevergd. Inmiddels hebben we contact gehad met de inspectie. Ooit heeft de inspectie aantallen opgevraagd bij de eilanden; mevrouw Ten Horn had het over 2008, meen ik. Uit nader onderzoek bleek dat de aantallen erg vervuild waren. Verder bleken ze veel lager te zijn. Voor de cijfers die ik heb aangedragen, is bekeken hoeveel mensen momenteel deelnemen aan de sociale vormingsplicht. Het gaat om 33 jongeren op Bonaire, 20 op Sint-Eustatius en 3 op Saba. Verder staan er op Saba vijf à tien in de startblokken.

Laten we het volgende afspreken. In de acht ton zijn middelen beschikbaar voor 90 mensen. We gaan dit goed volgen en houden de vinger aan de pols. Als er opeens heel veel jongeren gaan deelnemen aan de sociale vormingsplicht, zullen we bekijken hoe we dat op een goede manier kunnen oplossen. We zullen zien wat door de mensen zelf kan worden opgelost en waar extra middelen voor nodig zijn. Ik ga er vooralsnog van uit dat het beschikbare bedrag voldoende is voor de groep die er gebruik van maakt. Mocht dat veranderen, dan zullen we oplossingen zoeken, want we willen de sociale kanstrajecten een goed project laten zijn. Daarom zijn er al meer middelen beschikbaar dan nodig is voor het huidige aantal deelnemers.

MevrouwTen Horn (SP):

Voorzitter. Ik ben blij dat er uitleg over is gekomen, maar ik kan mij toch moeilijk voorstellen dat er bij getallen van de inspectie sprake is van 80% vervuiling. Dat is wel heel erg veel. Ik vrees dat er toch nog sprake is van een heel grote mate van niet-gebruik van die sociale vorming.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat zit er ook bij.

MevrouwTen Horn (SP):

Ik meen dat daarnet geen antwoord is gegeven op de vraag of de onderwijsinspectie ook de sociale kanstrajecten inspecteert.

MinisterVan Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja, dat gaat zij doen. Ook daar wordt op toegezien door de inspectie. Verder zullen we gewoon de vinger aan de pols houden, omdat we even de ontwikkeling moeten zien.

Tot slot. Mevrouw Ten Horn maakt zich zorgen of de inspectie als ballast of als ondersteuning wordt gezien. Zij zei: als iedereen hier naar mij luistert, hoop ik dat zij als ondersteuning wordt gezien. Of zij nu als ballast of als ondersteuning wordt gezien, de inspectie komt in de school, ook op de BES-eilanden.

Voorzitter. Daar houd ik het op. Hartelijk dank voor de gelegenheid om dit wetsvoorstel te bespreken.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

Sluiting 15.00 uur.

Naar boven