Aan de orde zijn de stemmingen over het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag
van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) (31422, R1853),
- over:
- de motie-De
Vries/Engels over uitbreiding van strafbedreiging die een ongewenste extra
drempel kan opwerpen voor het uitoefenen van een aantal grondrechten (31386, letter G).
(Zie vergadering van 16 februari 2010.)
De voorzitter:
Ik heet de minister van Justitie van harte welkom.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen is aangenomen.
Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf over
de motie.
Mevrouw Duthler (VVD):
Voorzitter. De leden van de VVD-fractie hechten zeer aan de vrijheid van
meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Daarbij hoort ook dat geestelijk
leiders of leraren die oproepen tot geweld tegen de rechtsstaat, die juist
deze burgerlijke vrijheden garandeert, strafrechtelijk worden vervolgd en
zo nodig uit hun beroep kunnen worden ontzet. De leden van de VVD-fractie
beoordelen de bijkomende straf van het beroepsverbod als passend en proportioneel
en zullen de motie daarom niet steunen.
Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):
Voorzitter. Bij de schriftelijke inbreng hebben onze fracties indringende
vragen gesteld over de verhouding van de voorgestelde regeling over de beroepsverboden
tot de vrijheid van godsdienst en meningsuiting. In de memorie zijn deze vragen
uitvoerig en geheel tot onze tevredenheid beantwoord. Daardoor voelden wij
niet de noodzaak om deel te nemen aan het plenaire debat.
Het gaat allereerst erom dat de rechter dient te beoordelen of een verdachte
schuldig kan worden bevonden aan een uitingsdelict. Gelet op de vrijheid van
godsdienst en de vrijheid van meningsuiting neemt de rechter in dezen grote
terughoudendheid in acht. Er kunnen echter uitingen zijn die niet kunnen worden
gelegitimeerd door het gegeven dat ze in verband staan met de godsdienst van
degene die ze uit. Dergelijke uitingen rechtvaardigen strafrechtelijk optreden.
Pas na een bewezen- en schuldigverklaring komt de vraag naar de straftoemeting
aan de orde. Bij de vraag of het proportioneel is om de bijkomende straf van
ontzetting uit het beroep op te leggen, zal de rechter opnieuw rekening houden
met de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. In het plenaire
debat heeft de minister meerdere malen gesteld dat terughoudendheid geboden
is. Gelet hierop en op het vertrouwen dat onze fracties in de rechterlijke
macht hebben, is er voor ons geen reden om de motie van de heer De Vries te
steunen. Wij zullen dan ook tegenstemmen.
De heer Van de Beeten (CDA):
Voorzitter. In de overwegingen van de motie wordt uitgesproken dat het
wetsvoorstel leidt tot een uitbreiding van strafbaarheid in de zin van strafbedreiging.
Dat is naar onze overtuiging niet het geval. Met dit wetsvoorstel wordt een
modaliteit toegevoegd aan het Wetboek van Strafrecht waarvan de rechter zich
kan bedienen. Het toepassen van de modaliteit achten wij proportioneel ook
in de zin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden. Om die reden zal ook de CDA-fractie deze motie
niet ondersteunen.
De heer Kox (SP):
Voorzitter. Tijdens het debat over dit wetsvoorstel heeft de minister
geprobeerd de Kamer te overtuigen van de noodzaak van het invoeren van een
beroepsverbod als bijkomende straf voor geestelijk leidspersonen. Wij constateren
dat de minister er ondanks zijn pogingen niet in geslaagd is om aan te geven
dat er op dit moment al enige noodzaak is gebleken om deze bijkomende straf
daadwerkelijk in te voeren. Daarom vinden wij het onverstandig en eigenlijk
ook ongepast om het op dit moment te doen. Er is namelijk een groot risico
dat het gaat schuren met het EVRM. Mijn fractie zal dus voor de motie stemmen.
In stemming komt de motie-De Vries/Engels (31386, letter G).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de OSF,
de PvdD, D66, de SP en GroenLinks voor deze motie hebben gestemd en die van
de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Ik ga ervan uit dat de bezwaren van de Kamer tegen het in werking treden
van de bepalingen van de Wet strafbaarstelling deelname en medewerking aan
training voor terrorisme die op verzoek van de Kamer nog niet in werking waren
getreden, hiermee vervallen zijn.
De vergadering wordt van 13.51 uur tot 14.00 uur geschorst.