Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 32, pagina 1454-1501

Aan de orde is het debat over het proces van staatkundige vernieuwing van het Koninkrijk (31568).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Justitie en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom. Ik verwelkom ook de heer Comenencia, de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen, die op de tribune zit.

De heer Van Kappen (VVD):

Voordat ik aan mijn eigenlijke bijdrage aan dit debat begin, wil ik de minister en de staatssecretaris feliciteren met de uitslag van het referendum op Curaçao. Als een meerderheid van de eilandbevolking het akkoord over de schuldsanering en de nieuwe staatkundige verhoudingen had afgewezen, was de situatie wel erg complex en onoverzichtelijk geworden. Dan hadden niet alleen de staatssecretaris en de minister, maar ook het gehele kabinet er een extra uitdaging bij gekregen. Los daarvan had dit debat dan een totaal andere lading gekregen. Een probleem is wel dat de ja-stemmers slechts een nipte overwinning hebben behaald. Mijn fractie is er dan ook niet gerust op dat we nu echt in rustiger vaarwater zijn gekomen. Het is nog steeds alle hens aan dek als we zonder al te veel zeeschade de veilige haven willen halen.

Met deze nautische term leg ik de verbinding naar admiraal Van Walbeeck, die in het jaar 1634 de overgave accepteerde van de laatste 30 Spanjaarden op Curaçao. Van Walbeek had hiermee voldaan aan de opdracht van de Heren XIX van de West-Indische Compagnie om een uitvalsbasis voor de kaapvaart en handel in het Caribische gebied te vestigen. Het was het begin van de permanente Nederlandse aanwezigheid in het Caribische gebied, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Ik denk niet dat admiraal Van Walbeeck zich in zijn stoutste dromen had kunnen voorstellen dat wij hier, 375 jaar later, in deze van historie doordrenkte zaal een debat zouden voeren over de herstructurering van ons Koninkrijk, waar ook Curaçao nog steeds deel van uitmaakt.

Voorzitter, maakt u zich geen zorgen. Ik zal mijn spreektijd niet gebruiken om een geschiedkundig betoog te houden. De reden dat ik dit historische feit memoreer, is dat hier de oorsprong ligt van de lotsverbondenheid tussen het Europese en het Caribische deel van ons Koninkrijk. Het is een historische gebeurtenis die tot op de dag van vandaag doorwerkt in ons staatsbestel. Was de lotsverbondenheid tussen de delen van het Koninkrijk in oorsprong niet het resultaat van een bewuste en vrije keuze, nu is dat wezenlijk anders. De huidige bewoners van de eilanden hebben er immers in alle vrijheid voor gekozen om deel te blijven uitmaken van het Koninkrijk. Voor mijn fractie is deze vrije keus een belangrijk gegeven omdat wij er grote waarde aan hechten dat mensen in alle vrijheid over hun eigen lot kunnen beschikken en zo veel mogelijk in staat worden gesteld om hun eigen leefomgeving in te richten. Wij aanvaarden dan ook zowel de keus van de BES-eilanden om te integreren in het Nederlandse staatsbestel als de keus van Curaçao en Sint Maarten om als autonome landen deel te blijven uitmaken van het Koninkrijk.

Wel is het zo dat de Koninkrijksband het enerzijds mogelijk maakt voor Curaçao en Sint Maarten om vanuit een betrekkelijk veilige positie inhoud te geven aan hun autonomie, maar dat anderzijds deze band de autonomie juist beperkt. Dat deze beperking op zijn tijd door alle partners als knellend zal worden ervaren, staat als een paal boven water, temeer omdat de partners binnen het Koninkrijk weliswaar gelijkwaardig zijn, maar zeker niet gelijk. Tussen het Caribische en het Europese deel van het Koninkrijk bestaan niet alleen grote verschillen in cultuur, maar vooral ook in omvang van de bevolking en in bestuurskracht. Enig gevoel voor verhoudingen bij alle betrokkenen is een voorwaarde als we dit proces tot een goed einde willen brengen.

Het is en blijft overigens een uiterst moeizaam en complex proces waarin we ons hebben gestort. Als we met een schone lei hadden kunnen beginnen, staat het wat ons betreft als een paal boven water dat het Koninkrijk er heel anders zou hebben uitgezien dan wat ons nu voor ogen staat. Enfin, dat is allemaal water onder de brug. We kunnen ons beter richten op de taak die voor ons ligt.

De gezaghebber van Bonaire omschreef het herstructureringsproces tijdens ons werkbezoek aan Bonaire in januari van dit jaar met de volgende woorden: "We schilderen samen een nieuw Hollands meesterwerk." Dat mag zo zijn, maar dat is best lastig als meerdere schilders tegelijkertijd het penseel vasthouden. Misschien moeten we het meer zien als een proces waarbij alle partijen op het schilderdoek van het Koninkrijk ieder zo veel mogelijk hun eigen ruimte invullen. Of het totaal een meesterwerk wordt, valt nog te bezien; het wordt in ieder geval een interessant werkstuk en misschien is dat wel de essentie van ieder meesterwerk.

Er is al een enorme hoeveelheid werk verzet, maar we zijn er nog lang niet. Mijn fractie heeft dan ook nog heel wat vragen over een groot aantal onderwerpen. Ik zal deze vragen nu niet afvuren op de minister en de staatssecretaris. De meer gedetailleerde vragen komen wel aan de orde bij de behandeling van de wetsvoorstellen. Ik wil me nu beperken tot de grote lijnen.

Zoals eerder gezegd vindt mijn fractie het belangrijk dat burgers in alle vrijheid hun lot kunnen bepalen en zo veel mogelijk in staat worden gesteld om hun eigen leefomgeving in te richten. Wij accepteren dat hierdoor een structuur ontstaat die uit het oogpunt van bestuurlijke effectiviteit en efficiency zeker niet de schoonheidsprijs verdient. Waar onze acceptatie ophoudt, is daar waar de eisen die gelden ten aanzien van goed bestuur, rechtshandhaving en een degelijke financiële huishouding, in het gedrang komen. Deze eisen markeren wat ons betreft de grenzen waarbinnen de autonomie van Curaçao en Sint Maarten vorm moet krijgen. Deze begrenzing van de autonomie is een directe consequentie van de keus van de eilanden om binnen het Koninkrijk te blijven en niet te kiezen voor onafhankelijkheid. Terecht heeft de regering het voldoen aan deze eisen als harde voorwaarden gesteld voor het toekennen van de status van autonoom land aan Curaçao en Sint Maarten. Wij hopen dat de regering de rug recht houdt en op deze punten geen verdere concessies doet. Wij zijn daar echter niet helemaal gerust op, gelet op de concessies die de regering al heeft gedaan.

Bij mijn fractie is in ieder geval geen enkele ruimte om verdere concessies te doen op deze punten. Argumenten dat wij begrip moeten hebben voor het feit dat door de geografische ligging van de eilanden de lokale cultuur dichter ligt bij de Latijns-Amerikaanse dan bij de Europese cultuur, snijden wat ons betreft absoluut geen hout. Ook argumenten dat wij in het verleden wel vaker een oogje hebben dichtgeknepen op deze punten en dus ook nu wat souplesse moeten betonen, zijn bij ons gericht aan het verkeerde adres. Begrip voor cultuurverschillen en een daarop gebaseerd gedoogbeleid strekken zich wat ons betreft niet uit tot deze gebieden. Goed bestuur, rechtshandhaving en een degelijke financiële huishouding vormen het fundament waarop een rechtvaardige en stabiele samenleving rust. Dat geldt voor alle landen binnen het Koninkrijk; daar hebben alle burgers van het Koninkrijk recht op.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Collega Van Kappen is er niet gerust op, gelet op de concessies die de regering al heeft gedaan. Kan hij toelichten op welke concessies hij daarbij in het bijzonder duidt?

De heer Van Kappen (VVD):

Dat kan ik doen, maar dan loop ik vooruit op mijn betoog. De concessies die de regering al gedaan heeft, betreffen: geen gemeenschappelijk openbaar ministerie – in het verlengde van de beslissing om een gemeenschappelijk Hof te creëren – en het creëren van drie gescheiden politiekorpsen in plaats van één geheel korps.

Een bijzondere uitdaging, om het maar eens heel mild te formuleren, is het feit dat de kleinschaligheid van de samenlevingen op de eilanden een complicerende factor is op vrijwel elk gebied. Dit geldt voor Curaçao, maar in het bijzonder voor Sint Maarten. Het is maar de vraag of het noodzakelijke systeem van checks and balances, ondanks een degelijke wettelijke verankering, goed kan functioneren in een kleinschalige gemeenschap zoals die van Curaçao en Sint Maarten. De minimaal noodzakelijke omvang van het bestuursapparaat vereist immers een zekere kritische massa van de bevolking, waaruit het bestuursapparaat moet worden bemenst maar ook betaald. Als de minimaal noodzakelijke omvang van het bestuursapparaat in relatie tot de omvang van de bevolking te groot wordt, ontstaat niet alleen een topzwaar bestuur, maar ook een structureel financieel probleem. Ten aanzien van Curaçao twijfelt mijn fractie eraan of er sprake kan zijn van een werkbare en betaalbare verhouding tussen de omvang van het bestuursapparaat en de omvang van de bevolking. Ten aanzien van Sint Maarten, met ongeveer 50.000 geregistreerde inwoners, zijn wij ervan overtuigd dat dit eigenlijk niet kan zonder structurele en blijvende ondersteuning vanuit Nederland. Wij vragen ons af of de regering dit aspect heeft meegewogen en hoe straks de verhouding komt te liggen tussen de omvang van het bestuursapparaat en de omvang van de bevolking op zowel Curaçao als Sint Maarten. Wanneer is er eigenlijk nog sprake van een werkbare en betaalbare verhouding? Is daar ooit onderzoek naar verricht? Graag vernemen wij de visie van de staatssecretaris.

Een ander aspect is het probleem van de sociale verwevenheid in kleinschalige gemeenschappen. Hoe is het mogelijk om bijvoorbeeld een politiekorps op te bouwen dat kan functioneren zonder dat het personeel wordt blootgesteld aan allerlei ongezonde vormen van sociale druk? Is het wel mogelijk om voldoende professionele distantie te houden tussen de politie en de bevolking?

Even belangrijk is de vraag of het mogelijk is om voldoende professionele distantie te bewaren tussen het politieapparaat en het bestuur. Mijn fractie is van mening dat dit niet mogelijk is en onderschrijft de mening van de auteurs van het verbeterplan voor de politiekorpsen op de Nederlandse Antillen "Nu of Nooit" dat de eilanden eigenlijk te klein zijn om elk over een zelfstandig politiekorps te beschikken en dat eigenlijk gekozen had moeten worden voor één politiekorps Nederlandse Antillen. Mijn fractie betreurt dat dit advies niet is opgevolgd en dat gekozen is voor drie afzonderlijke politiekorpsen met een aantal gemeenschappelijke voorzieningen.

Wij hebben begrepen dat het idee van één korps op grote weerstand stuitte bij de Antilliaanse politie en het Antilliaanse bestuur. Die weerstand was te verwachten en is waarschijnlijk ingegeven door lokale politieke en electorale overwegingen. Het argument van Antilliaanse zijde dat zonder een eigen politiekorps geen sprake is van een volwaardige autonomie, slaat bij ons niet aan. Wat is "volwaardige autonomie"? Het gaat erom een optimale vorm van autonomie te realiseren, waarbij de bevolking verzekerd is van goede rechtshandhaving en behoorlijk bestuur. Mijn fractie betreurt dan ook de beslissing van de regering om, ongetwijfeld tegen beter weten in, akkoord te gaan met drie afzonderlijke politiekorpsen. We zouden dan ook graag van de bewindslieden vernemen wat hun overwegingen zijn geweest bij deze beslissing.

Ook hebben wij twijfels over de kwaliteit en de continuïteit van de toekomstige gemeenschappelijke voorzieningen voor de drie politiekorpsen. De gekozen constructie voor organisatie, beheer en operationele aansturing verdient zeker niet de schoonheidsprijs. De potentiële conflictstof over de inzet van deze gemeenschappelijke voorzieningen zit als het ware ingebouwd in de gekozen constructie van consensus en overleg. Wie is er nu ultima ratio de facto verantwoordelijk voor de continuïteit, kwaliteit en de verdeling van de capaciteit over de drie korpsen? Waarom is er niet gekozen voor een afzonderlijke korpschef voor de gemeenschappelijke voorzieningen die verantwoording aflegt aan een gezagscollege bestaande uit vertegenwoordigers van de landsregeringen van de Antillen en Nederland? Ik hoor graag de visie van de bewindslieden op dit punt.

Is er ook gekeken naar de Franse variant, die er op neerkomt dat de lokale politiekorpsen op de Franse eilanden zich bezighouden met de normale dagelijkse politiezorg, maar dat de zware georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit wordt bestreden door één gezamenlijk centraal geleide politieorganisatie? Ik krijg graag een antwoord van de bewindslieden op deze vraag.

Het voornemen om in een jaarlijks overleg tussen de ministers van Justitie van de nieuwe landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland het beleid vast te stellen voor de opsporing en vervolging van de zwaardere vormen van criminaliteit is een prima idee, maar dit lost de problemen in de uitvoering niet op. Consensus, overleg en het gezamenlijk dragen van verantwoordelijkheid zijn weliswaar prima uitgangspunten voor het planningsproces en het afstemmen van beleid, maar in de operationele sfeer werkt het verlammend en is het een recept voor mislukking.

In het verlengde hiervan leeft bij ons de vraag of ook Aruba deelneemt aan dit afstemmingsoverleg en zo niet, waarom niet? Ik krijg graag van de minister van Justitie een antwoord op deze vraag.

Zijn er overigens afspraken gemaakt met Frankrijk over het grensverkeer in het algemeen en grensoverschrijdende criminaliteit in het bijzonder? Het Franse deel heeft immers een UPG-status en het Nederlandse deel van Sint Maarten erft de LGO-status van de Nederlandse Antillen. Is er eigenlijk geen van een groot gat in de buitengrenzen van de EU? Ik krijg graag een antwoord van de bewindslieden op deze vragen.

Mijn fractie vraagt zich voorts af of – wederom gezien de kleinschaligheid – de keus om voor elk land een apart Openbaar Ministerie in te richten, wel de juiste keus is geweest. Was het niet beter geweest om in navolging van de keus tot het instellen van een gemeenschappelijk hof, ook te kiezen voor een gemeenschappelijk OM? Wij zijn het eens met de keus om één procureur-generaal aan te stellen voor zowel Curaçao, Sint Maarten als de BES-eilanden. Het probleem is echter dat de procureur-generaal leiding moet geven aan drie OM's. Wij voorzien dat de procureur-generaal door deze keus een onevenredig deel van zijn energie en tijd moet besteden aan het overleven in een complex krachtenveld waar hij zaken moet doen met drie ministers van Justitie. Heeft de procureur-generaal wel voldoende instrumenten en capaciteit om onder deze omstandigheden de regie te voeren over drie afzonderlijke OM's ? Over dit punt verneem ik graag de visie van de minister van Justitie.

Het vervallen van de bevoegdheid om op Koninkrijksniveau de procureur-generaal een aanwijzing te kunnen geven om tot vervolging over te gaan, is voor mijn fractie onverteerbaar. Ons standpunt is gebaseerd op onze overtuiging dat behoorlijk bestuur en rechtshandhaving in kleinschalige samenlevingen kwetsbaar zijn en blijven. Het kan jaren goed gaan, maar de marges zijn klein; er is niet veel voor nodig om uit koers te raken. Er wordt nu gesteld dat de aanwijzingsbevoegdheid op Koninkrijksniveau niet nodig is omdat artikel 43, tweede lid, juncto artikel 51 van het Statuut voldoende mogelijkheden biedt om in het kader van de waarborgfunctie zo nodig maatregelen te treffen. Daar zit hem wat ons betreft nu net de crux. Artikel 43 is wel een erg grof instrument om bij te sturen. Bij het navigeren in een nauw vaarwater, en daar bevinden wij ons in, zijn grove koerscorrecties bij het afwijken van de juiste koers uit den boze; ze leiden vaak tot ernstige zeeschade. Mijn fractie is van mening dat er voldoende mogelijkheden moeten zijn om tijdig meer verfijnde koerscorrecties te kunnen geven bij het afwijken van de juiste koers. De aanwijzingsbevoegdheid op Koninkrijksniveau van de procureur-generaal paste nu juist in deze visie. Graag hoor ik van de bewindslieden wat de redenen zijn geweest om op dit punt water bij de wijn te doen.

Ik zie voorts vol spanning uit naar de door de staatssecretaris op 10 maart jongstleden tijdens een algemeen overleg met de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van de Tweede Kamer toegezegde bredere visie op het Koninkrijk waarin specifiek aandacht zal worden besteed aan de waarborgfunctie. In dit verband wijs ik de staatssecretaris op de met algemene stemmen in deze Kamer aangenomen motie van het lid Schuurman c.s. van 14 februari 2006. In deze motie wordt onder meer gesteld dat nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk moeten leiden tot een nieuwe definitie van de begrippen Koninkrijk en de relaties binnen het Koninkrijk. Voorts wordt gesteld dat deze nieuwe definitie ook een nadere invulling moet geven aan cruciale Koninkrijkstaken zoals rechtshandhaving, effectief financieel toezicht en deugdelijk bestuur. Dit is voor ons een extra reden om vol verwachting uit te zien naar de door de staatssecretaris toegezegde brede visie. Kan zij al aangeven wanneer wij deze visie tegemoet kunnen zien?

Een ander punt van aandacht voor mijn fractie is hoe om te gaan met het grote verschil in bestuurskracht tussen de Caribische delen van het Koninkrijk en Nederland. Dit geldt in het bijzonder voor de BES-eilanden, maar zeer zeker ook voor Sint Maarten. In Nederland zijn wij overgegaan tot gemeentelijke herindeling om de bestuurskracht van de gemeente te vergroten. De gemeente Utrechtse Heuvelrug, waar ik woon, is ontstaan door het bij elkaar voegen van een aantal gemeenten en telt nu ongeveer 49.000 inwoners. Dat is in het Nederlandse bestel nog steeds een kleine gemeente. De BES-eilanden tellen samen ongeveer 18.000 inwoners. In feite zijn de BES-eilanden dus microgemeenten die rechtstreeks zaken moeten gaan doen met de diverse Nederlandse ministeries. Het verschil in bestuurskracht is dus enorm en deze onevenwichtigheid, in combinatie met de grote fysieke afstand tussen de eilanden en Nederland, kan aanleiding zijn voor een scala aan bestuurlijke misverstanden. Het instellen van de Regionale Service Centra op de eilanden, als tussenschakel tussen de eilanden en de rijksoverheid, lijkt een oplossing voor dit probleem, maar of dit in de praktijk echt voldoet, zal nog moeten blijken. Graag verneem ik van de staatssecretaris wat tot nu toe de ervaringen zijn met deze bestuurlijke schakelstations.

Een andere uitdaging is om voor de BES-eilanden een voorzieningenniveau vast te stellen dat inpasbaar is in het Nederlandse bestel, maar niet zodanig in positieve zin afwijkt van het voorzieningenniveau in de omringende landen dat er een aanzuigende werking van uitgaat op de regio. Dit lijkt op een soort Catch-22-situatie. Welk mechanisme staat de staatssecretaris voor ogen om dit niveau te bepalen en vervolgens telkenmale aan te passen aan de actuele situatie? Ik krijg graag de visie van de staatssecretaris op dit punt.

Hoe je het ook wendt of keert, feit is dat het vaststellen van afwijkende voorzieningen en rechten voor de burgers van de BES-eilanden inhoudt dat delen van de Nederlandse wetgeving voor de BES-eilanden en burgers buiten werking worden gesteld. Dat kan omdat de BES-eilanden openbare lichamen worden op grond van artikel 134 van de Gemeentewet en dit artikel toestaat dat er bij inrichting en bevoegdheden kan worden gedifferentieerd. De Gemeentewet is echter bedoeld voor toepassing binnen het Rijk in Europa. Het toepassen van de Gemeentewet op de BES-eilanden is op zich zelf dus al aanvechtbaar, maar dit terzijde. Belangrijker is dat professor Elzinga in een artikel gedateerd 12 december 2008 en gepubliceerd in De Gemeentestem, constateert dat de problemen niet zo zeer boven water zullen komen bij de WolBES, maar bij de Invoeringswet en de Aanpassingswet. De BES-burgers hebben straks in beginsel dezelfde rechtspositie als Europese Nederlanders. "De Grondwet, inclusief artikel 1, is volledig op de BES-burgers van toepassing. Inzake hun rechten en plichten kan alleen worden gedifferentieerd voor zover er geen sprake is van ongelijke behandeling." Daar is hier dus geen sprake van, integendeel. De regering denkt dit op te lossen door een afwijkingsartikel op te nemen in het Statuut. Maar is het niet merkwaardig dat voor een deel van Nederland de Grondwet op onderdelen buiten werking wordt gesteld door een artikel in het Statuut? Horen regelingen voor de BES-eilanden in de nieuwe situatie eigenlijk nog wel thuis in het Statuut? Mijn fractie is van mening dat deze constructie eigenlijk niet kan en hoogstens een tijdelijke oplossing kan bieden. Uiteindelijk is naar onze mening, hoe lastig dan ook, een grondwetswijziging noodzakelijk. Ik krijg graag de mening van de bewindslieden over dit punt

Hoewel het voorgaande niet geldt voor Curaçao en Sint Maarten indien zij de status van autonoom land binnen het Koninkrijk verkrijgen, speelt ook daar dat het niveau van bijvoorbeeld gezondheidszorg, sociale voorzieningen, onderwijs en milieu zal moeten voldoen aan normen die binnen het Koninkrijk en dus ook voor Nederland acceptabel zijn. Eigenlijk gold deze eis in het verleden ook al voor het land Nederlandse Antillen. Probleem voor mijn fractie is dat wij ons afvragen wat die acceptabele normen nu eigenlijk zijn. Kunnen de daaraan verbonden kosten eigenlijk wel opgebracht worden door de bevolking van Sint Maarten en Curaçao? Hoe verhoudt zich dit tot een gezonde financiële huishouding? Grijpt Nederland in als bijvoorbeeld de gezondheidszorg door gebrek aan middelen in elkaar klapt? Doen wij dit dan op grond van de waarborgfunctie belegd in artikel 43 van het Statuut? Dat is wel een erg zwaar middel. Wat doen wij dan, trekken we dan maar weer de portefeuille? Ik krijg graag de visie van de staatssecretaris op dit punt.

Voordat ik afrond een laatste punt over Aruba. Hoewel Aruba geen onderwerp is van de herstructurering, maakt mijn fractie zich echt zorgen over de kwaliteit van het bestuur en de rechtshandhaving op Aruba. Aruba maakt ook deel uit van het Koninkrijk en de eisen voor behoorlijk bestuur en rechtshandhaving gelden voor alle landen van het Koninkrijk. Tijdens het laatste POK dat in januari van dit jaar op Aruba werd gehouden, werd de Nederlandse delegatie meerdere malen benaderd door Arubaanse burgers met klachten over corruptie, intimidatie en wanbestuur op Aruba. Of deze beschuldigingen op waarheid berusten of dat het ging om opgeklopte geruchten uit de kombuis, was en is voor ons niet objectief vast te stellen. Wel is het zo dat deze verhalen over corruptie, vriendjespolitiek en intimidatie werden geuit door Arubanen uit alle lagen van de bevolking. Vaststaat eveneens dat dit gegeven de goede verhoudingen tussen Nederland en Aruba negatief beïnvloedt en dat het goed zou zijn om door het instellen van een onafhankelijk onderzoek werkelijkheid en waan van elkaar te scheiden. Mijn fractie is in ieder geval van mening dat wij niet werkeloos moeten toezien, maar de koe bij de horens moeten vatten en werkelijkheid en waan van elkaar moeten scheiden. Dat is ook van belang voor Aruba, omdat de reputatie van Aruba als een veilig en goed bestuurd land van cruciaal belang is voor de toeristenindustrie en de vestiging van bedrijven. Wat is de visie van de bewindslieden op dit onderwerp? Welke mogelijke stappen staan de regering voor ogen?

Ik moet toegeven dat Curaçao en Sint Maarten goed en hard hebben onderhandeld en dat Nederland, naar ons oordeel tegen beter weten in, te vaak water bij de wijn heeft gedaan. Of dit succes van de Antilliaanse onderhandelaars uiteindelijk in het belang is van de bevolking valt nog te bezien. Wij hebben in ieder geval twijfels over de vraag of het bereikte onderhandelingsresultaat zal leiden tot een koninkrijk waar rechtshandhaving, behoorlijk bestuur en een gezonde financiële huishouding optimaal zijn geborgd; de tijd zal het leren. Het is hoe dan ook absoluut noodzakelijk dat de Koninkrijksregering bereid en in staat is om de nu gemaakte afspraken ook te handhaven en niet weg te kijken als van het rechte pad wordt afgeweken. Wij kijken dan ook vol spanning uit naar de toegezegde bredere visie op het Koninkrijk en de daarin vervatte visie op het uitoefenen van de waarborgfunctie.

Voorzitter, voordat ik afsluit, kom ik even terug bij admiraal Van Walbeeck. Ik denk niet dat de admiraal, als hij hier aanwezig had kunnen zijn, antwoorden zou hebben op onze vragen. Sterker nog, hij zou de vragen waarschijnlijk niet eens begrijpen en mij met zijn donderbus achter het spreekgestoelte vandaan schieten. Voor de beantwoording van onze vragen, is mijn hoop daarom gevestigd op de bewindslieden.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Vorige vrijdag heeft de bevolking van Curaçao in meerderheid "ja" gezegd tegen het traject dat samen met Nederland is ingezet. Dat is een belangrijke mijlpaal en ik spreek vanaf deze plaats een gelukwens uit aan alle betrokkenen, en speciaal aan mevrouw Emily de Jongh-EIhage, de premier van de Nederlandse Antillen, die grote inzet toont om een nieuwe gezamenlijke toekomst voor de Nederlandse Antilliaanse eilanden en Nederland veilig te stellen. "Pabien", zoals ze dan in Willemstad zeggen: "Van harte"! De meerderheid was echter krap. Er speelden veel negatieve emoties mee. Beelden uit het verleden, echte of gepercipieerde onverschilligheid over en weer en discussies waarin tegenstellingen overheersen, bevorderen niet de goede onderlinge verhoudingen.

In het proces van staatkundige hervorming spelen rechtsstatelijkheid en financiën een belangrijke rol. Terecht, want samenlevingen waarin deze zaken structureel niet op orde zijn, kunnen niet tot bloei komen. Het is echter een verschraling om de aandacht alleen daarop te richten: er is zoveel meer positiefs te ontdekken in elkaars samenleving. Voor het welslagen van het Koninkrijk-nieuwe-stijl zijn openheid, interesse in elkaars cultuur en een wil tot samenwerking essentieel. Juist nu de meerderheid van de kiezers het "si" heeft uitgesproken, is inzet voor die gezamenlijke toekomst van belang. De CDA-fractie betrekt daarin uitdrukkelijk alle Antillianen, ook degenen die afgelopen vrijdag in hun stem wantrouwen lieten overheersen.

De CDA-fractie ziet de staatkundige hervormingen niet als doel op zich. Zij zijn een middel om een verder reikend doel te dienen: dat van een sterk Koninkrijk dat ook in deze moderne tijd in staat is om op een goede manier het welzijn van zijn burgers te dienen, in welk deel van het Koninkrijk deze zich ook bevinden. Bij de "meet and greet"-bijeenkomsten met de bevolking die een Eerste Kamerdelegatie eerder dit jaar had op enkele van de BES-eilanden, was één ding duidelijk: vragen van de bevolking gaan niet over de kneepjes van het staatkundige bestel maar over reële leef- en werkomstandigheden, werkgelegenheid, toegang tot gezondheidszorg, huisvesting, enzovoort. Dat zijn onderwerpen die voor burgers in Nederland en waar dan ook ter wereld van belang zijn.

Nu de eerste wetsvoorstellen binnenkort bij de Tweede Kamer worden ingediend, is dit een goed moment om een aantal hoofdzaken de revue te laten passeren. Ik besteed aandacht aan het toekomstperspectief van het Koninkrijk, de positie van de nieuwe landen, de toetsing voor de verkrijging van landstatus, de BES-constructie, de financieel-economische verhoudingen en tot slot enkele grondwettelijke en daarmee verwante zaken. Specifieke punten komen aan de orde bij de behandeling van de wetsvoorstellen.

Ik kom allereerst te spreken over het toekomstperspectief. De oorspronkelijke streefdatum voor de staatkundige verandering – 15 december 2008 – is niet gehaald. Het gaat ook om een complex proces met een veelheid aan participanten over een grote geografische afstand. Voor de CDA-fractie staan inhoud en kwaliteit voorop. Het welslagen vereist draagvlak, zowel politiek en bestuurlijk als bij de bevolkingen. De CDA-fractie complimenteert beide bewindslieden met de wijze waarop zij dit veranderingsproces tot nu toe hebben geleid en steunt hun inzet.

Voor de CDA-fractie geldt in dit proces een drietal uitgangspunten. Ten eerste is het bijzonder dat Europese en Caribische gebiedsdelen in één Koninkrijksverband opgenomen zijn. Ten tweede is de staatkundige hervorming niet alleen een sluitstuk, maar vooral ook een startpunt. Ten derde is het van cruciaal belang om een toekomstperspectief te ontwikkelen dat verder gaat dan het eren van historische verbanden. Delen de bewindslieden deze uitgangspunten?

In het CDA-WI rapport "Naar een Salsa op klompen" wordt gepleit voor het opstellen van een agenda voor het Koninkrijk, inclusief benchmarks, waarvan de voortgang bewaakt wordt. Deze is aan te vullen door een soort "Bilderbergconferentie" op initiatief van ngo's. Hierin kunnen de genoemde uitgangspunten reëel gestalte krijgen. Zijn de bewindslieden bereid om op Koninkrijksniveau het initiatief hiertoe te nemen? Als zij dat niet zijn, kunnen zij dan uiteenzetten waarom niet?

Ik kom bij de positie van de nieuwe landen. Zoals ik al zei, is de staatkundige verandering niet het eindpunt, maar een nieuw startpunt. In de verhouding binnen het Koninkrijk-nieuwe-stijl zal altijd spanning bestaan tussen autonomie en het deel uitmaken van een groter geheel. In termen van het Statuut gaat het om uitersten van autonomie versus optreden op grond van artikel 43, tweede lid. Met een beetje overdrijving kan gezegd worden dat er tegelijk altijd te weinig en te veel optreden is. Te veel bijna per definitie, wanneer er gebruik van wordt gemaakt; te weinig omdat het zover is gekomen. De kunst zal dus zijn om een evenwicht te vinden. Zien de bewindslieden dit ook zo?

Zien de bewindslieden meer in constructieve betrekkingen waarin de gezamenlijkheid voorop staat – denk aan artikel 37 of 38 van het Statuut – dan in grotere afzijdigheid met uiteindelijk artikel 43, tweede lid, op de achtergrond? Ik verwijs hierbij naar de brief van de staatssecretaris van 14 mei jongstleden over de uitvoering van het protocol Nederland-Aruba waaruit blijkt dat een aantal mogelijkheden is blijven liggen. De CDA-fractie hoort op dit punt graag een beschouwing van de bewindslieden, mede in het licht van de hierboven genoemde uitgangspunten. In aansluiting hierop wijst de CDA-fractie op het feit dat de verhoudingen tussen overheidslagen horizontaal en verticaal niet waterdicht afgeschot zijn. Sterker nog, in toenemende mate ontwikkelen zich overal samenwerkingsconstructies voor de aanpak van concrete problemen. Ook binnen het Koninkrijk is dit van belang. De CDA-fractie wijst als voorbeeld op de discussie over de zogenaamde "probleemjongeren". De discussie daarover leek te stranden in de perikelen rond de VIA. Mijn fractie meent echter dat dit typisch een situatie is waarbij overheden aan weerszijden van de oceaan kunnen en moeten samenwerken in het belang van de jongeren zelf en de eigen samenlevingen. Zijn de bewindslieden het daarmee eens? Hoe beoordelen zij op dit moment de voedingsbodem voor een dergelijke samenwerking?

Ik kom te spreken over de toetsing voor de landstatus. De staatssecretaris heeft bij herhaling bevestigd dat de verkrijging van de landstatus geen automatisme is. Er vindt een toetsing plaats aan de criteria die daarvoor zijn afgesproken. De CDA-fractie ondersteunt deze opstelling. De druk om akkoord te gaan, zal ongetwijfeld groot zijn en het risico op teleurstellingen is groot. Daarom is het van belang om eraan vast te houden. Als de beoogde nieuwe landen in de aanloop tot het verkrijgen van een nieuwe status al niet aan de criteria kunnen voldoen, zal dat zeker niet het geval zijn na het verkrijgen van die status.

Het is de CDA-fractie bekend dat een Voorbereidingscommissie de toetsing gaat voorbereiden. Hoe wordt de toetsing van good governance uitgevoerd? Welke indicatoren en maatstaven gelden daarbij? De staatssecretaris heeft bij herhaling gezegd dat het niet alleen een toetsing op papier betreft maar ook een toetsing van het daadwerkelijk functioneren volgens de criteria. Wordt onder "good governance" vooral rechtsstatelijkheid inclusief rechtshandhaving begrepen? Of vallen daar ook materiële zaken onder zoals het vermogen tot het ontwikkelen en uitvoeren van beleid op terreinen die voor de bevolking van belang zijn? Hoe en in welke zin wordt getoetst of de situatie ook blijvende vooruitzichten voor de toekomst biedt?

Recent heeft de staatssecretaris gemeld dat de aanvraagmethode van PVNA-gelden (Plan Veiligheid Nederlandse Antillen) gewijzigd is met behoud van de formele verantwoordelijkheid van de Antilliaanse minister van Justitie. Zo kunnen de toekomstige landen "zelf de noodzakelijke projecten in gang zetten". Hoe werkt dit? Wat betekent dat precies? Zijn daar al resultaten van te zien of zijn die te verwachten?

Voor Sint Maarten wordt flink geïnvesteerd in de verbetering van het politieapparaat. Kan aannemelijk gemaakt worden dat de formatie in de toekomst ook inderdaad ingevuld kan worden op het juiste niveau? Er schijnen ook in de huidige situatie al moeilijkheden te bestaan. Het concept van "twinning" voor de politie vinden wij uitstekend. Hoe zal op termijn gewaarborgd worden dat het voor Nederlandse politiefunctionarissen aantrekkelijk blijft om op tijdelijke basis het korps te komen versterken?

Voorzitter. Ik ga in op de BES-eilanden. Achter de tekentafel zou niemand kunnen verzinnen om de BES-eilanden, die op een afstand van 900 km van elkaar liggen, binnen één constitutionele constructie te vatten. De werkelijkheid kent echter haar eigen rationaliteit. De CDA-fractie is ervan overtuigd dat de BES-constructie voor de betreffende eilanden een goede is. De instelling van de RSC's (Regionale Service Centra) op elk van de BES-eilanden is ook een vondst. Omdat de eilanden klein zijn en de tussenlaag van de provincie ontbreekt, kunnen de RSC's een uiterst nuttige functie vervullen als interface tussen Den Haag en de eilanden. Zien de bewindslieden het zo dat de RSC's in beide richtingen een verbindingsschakel zijn, dus tussen Den Haag en de eilanden en andersom? De bestuurlijke capaciteit op de BES-eilanden moet natuurlijk niet helemaal geabsorbeerd worden door zaken die normaal niet thuis horen bij die overheidslaag. RSC's kunnen ook hierin een nuttige functie vervullen. Welke functie hebben de RSC's nu precies voor de bevolking? Natuurlijk moeten de RSC's geen informele bestuurslaag gaan vormen. Zien de bewindslieden hierin een gevaar? De vraag is ook of dit opgaat voor de Rijksvertegenwoordiger.

Nu de BES-eilanden een openbaar lichaam worden en in de toekomst in beginsel Nederlandse wetgeving van toepassing zal worden, zal bij iedere wet die daarvoor in aanmerking komt een BES-paragraaf moeten worden opgenomen. Dat maakt het wetgevingsproces natuurlijk complex.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Ik heb zonet collega Van Kappen horen spreken over mogelijke problemen met de bestuurskracht op de BES-eilanden, vanuit de gemeentelijke context. Nu wil ik aan mijn collega van de CDA-fractie vragen hoe zij tegen dat mogelijke vraagpunt aankijkt. Het punt van de RSC's is daarbij immers ook aan de orde gekomen. Maakt de CDA-fractie zich eveneens zorgen over de bestuurskracht van de BES-eilanden in de situatie die nu voorgesteld wordt?

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Natuurlijk zijn wij ons ervan bewust dat de eilanden klein zijn qua geografische omvang en qua inwoneraantal, maar dat is een gegeven waar je weinig aan kunt veranderen. Wij kunnen de eilanden niet groter maken en wij kunnen ook niet ineens zorgen voor een grote bevolkingsuitbreiding. Je zult het hier toch mee moeten doen. De kunst is om er vooral voor te zorgen dat je een zodanige constructie vindt dat de situatie hanteerbaar gemaakt kan worden. Wij achten de RSC's inderdaad een vondst. Zij kunnen als organisaties een rol spelen, de schakeling tussen de eilanden met hun kleine bestuurskracht en Nederland soepel te laten verlopen.

Ik was gebleven bij de complexiteit van het wetgevingsproces voor de BES-eilanden. Waar het gaat om het vaststellen van voorzieningenniveaus is natuurlijk de regio het ijkpunt en niet Nederland, al was het maar om grote druk in termen van toestroom naar de eilanden te weerstaan. Bij andere wetgeving moeten weer andere afwegingen gemaakt worden om aan de bijzondere structuur recht te doen, bijvoorbeeld op het terrein van de ruimtelijke ordening. Zien de bewindslieden nu enig model ontstaan, of zal steeds per wet maatwerk moeten worden geleverd en zal de situatie dus altijd in zekere zin complex blijven?

Wat de relatie tussen de BES-eilanden en de nieuwe landen betreft, vragen wij ons af of de bewindslieden een gevaar zien dat bevolking naar de BES-eilanden zou toestromen, wanneer bijvoorbeeld het voorzieningenniveau op de BES-eilanden, al was het maar voor korte tijd, gunstig gaat afsteken ten opzichte van dat in de nieuwe landen. Als het zo is, hoe kan een dergelijke ontwikkeling worden tegengegaan, gelet op het feit dat het gaat om verplaatsing binnen het Koninkrijk? Zien de bewindslieden ook druk ontstaan op immigratie van buiten het Koninkrijk? Zo ja, kan daar het hoofd aan worden geboden?

De BES-eilanden zullen voor een deel aangewezen blijven op de nieuwe landen voor voorzieningen als bijvoorbeeld gezondheidszorg, vervoer of voor het doen van inkopen. De CDA-fractie vindt het belangrijk dat de toegankelijkheid van die voorzieningen gewaarborgd blijft en dat daarover ook afspraken worden gemaakt, in termen van bijvoorbeeld "Service Level Agreements". Speelt Nederland een directe rol bij het maken van dergelijke afspraken? Op welke terreinen worden die afspraken voorzien?

Voorzitter. Ik kom nu te spreken over de financieel-economische kanten. Een belangrijk onderdeel van de staatkundige hervorming is de sanering van de overheidsfinanciën van de Antillen. In het slotakkoord van 2005 en daarna zijn daarover heldere afspraken gemaakt. Enerzijds zal Nederland overgaan tot het overnemen van de schulden van de Nederlandse Antillen en anderzijds zullen Curaçao en Sint Maarten voor hun begrotingen tijdelijk onder preventief toezicht worden gesteld van het reeds ingestelde College financieel toezicht. Na totstandkoming van de nieuwe staatkundige structuur zal de nog op te richten Overheidskredietbank het toezicht op het naleven van de financiële normen overnemen. Heeft de regering zich al een oordeel gevormd of deze nieuwe instelling ook toezicht gaat houden op de financiële huishouding van de BES-eilanden?

Door de schuldsanering zal de begrotingsruimte van de toekomstige landen Curaçao en Sint Maarten veel minder worden belast met betalingen voor rente en aflossingen dan nu het geval is. Ook de aanvullende normen zoals de rentenorm en de eisen op het gebied van goed bestuur moeten ertoe leiden dat er in de toekomst sprake is van een goed financieel kader. De CDA-fractie steunt de schuldsanering, waardoor immers ook meer geld beschikbaar komt voor de echte noden op het gebied van onderwijs, infrastructuur en sociaal beleid.

Het is een goede zaak dat het College financieel toezicht reeds een positief advies heeft kunnen uitbrengen over de begroting 2009 van het land de Nederlandse Antillen en dat Nederland reeds een begin heeft kunnen maken met gedeeltelijke schuldsanering. Hoe kijkt de regering op dit moment aan tegen de mogelijkheid voor Curaçao en Sint Maarten om na het bereiken van de autonome status te komen tot sluitende begrotingen?

De CDA-fractie steunt de inzet van middelen vanuit Nederland op het gebied van de sociaal economische ontwikkeling, de zgn. Sociaal Economische Initiatieven, die ertoe moeten leiden dat een structurele economische groei op gang komt met positieve gevolgen voor de begroting. Uiteraard ondersteunt de CDA-fractie het meerdere malen door de staatssecretaris geuite standpunt dat van schuldsanering zoals afgesproken uitsluitend sprake kan zijn als beide eilanden ook daadwerkelijk land worden. De motie-Schuurman blijft voor ons uitgangspunt. Bij de behandeling van de consensusrijkswet Financieel toezicht zal voor ons met name van belang zijn of voldoende is gewaarborgd dat de twee nieuwe landen over een paar jaar niet weer in grote financiële problemen komen.

De situatie voor de BES-eilanden is van een geheel andere orde. Tot voor kort was de afhankelijkheid van het land Nederlandse Antillen op financieel gebied zo groot dat er eigenlijk geen sprake kon zijn van een reële begroting. Hieraan komt nu een einde en de eerste extra bedragen voor 2009 en 2010 zijn in de begroting Koninkrijksrelaties opgenomen.

De financiële steun aan Aruba loopt in 2009 af, afgezien van bijdragen op het gebied van de rechtshandhaving. Mijn fractie heeft wel zorgen over de overheidsfinanciën van Aruba. Hoe beoordeelt de regering deze situatie en hoe verloopt het overleg met Aruba over de overheidsfinanciën zoals in 2006 is afgesproken?

Op dit moment wordt de fiscale verhouding tussen de Nederlandse Antillen en Aruba geregeld in de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Die gaat over de wijze van voorkoming van dubbele belasting en de heffing van bronbelasting op dividenden binnen het Koninkrijk. Hoe denkt de regering de verhouding tussen de BES-eilanden en Nederland met betrekking tot die zaken die nu in deze Koninkrijksregeling zijn geregeld vorm te geven? Dezelfde vraag geldt voor de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten.

Ik kom bij grondwettelijke en verwante aspecten. Bij de overgang naar openbaar lichaam wordt voor de BES-eilanden de Nederlandse Grondwet van kracht. Dit betekent ook dat de wetgeving daarmee in overeenstemming moet zijn, ook de wetgeving die op de IBES-Iijst komt te staan. Vindt een systematische toetsing aan de Grondwet plaats? Hierbij valt met name te denken aan de grondrechten, inclusief delegatiesystematiek daarvan.

Voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer worden de leden van de eilandsraden van de BES beschouwd als leden van provinciale staten. De Rob, de Raad voor het openbaar bestuur, heeft de vraag gesteld of dit wel in overeenstemming is met de Grondwet. Graag ziet de CDA-fractie hierop een reactie van de bewindslieden. Wordt in dit verband de procedure van artikel 55, derde lid, van het Statuut toegepast? Vergt de toepassing van dit lid van dat artikel in de visie van de regering ontbinding van de Kamer?

Ook vraagt de CDA-fractie een reactie van de bewindslieden op de constatering van het CDA-WI rapport "Naar een Salsa op klompen" dat het in de toekomst, met name voor de BES-eilanden, van belang is om een betere politieke integratie met Nederland te ontwikkelen, zeker waar er ook sprake is van deelname aan verkiezingen op nationaal niveau. De overheid zou het ontwikkelen van contacten tussen de politieke partijen volgens het rapport moeten faciliteren. Vinden de bewindslieden dat ook?

Ik kom aan het slot. Het Koninkrijk is nooit af, zoals geen enkel staatsbestel ooit af kan zijn. Omstandigheden veranderen voortdurend en dat maakt het nodig om op gezette tijden staatkundige grondslagen opnieuw te doordenken. Om te houden wat je hebt, is het soms nodig om te veranderen, wordt wel eens gezegd. Voor de CDA-fractie is dit van toepassing op het Koninkrijk. Voor het behoud ervan is het nodig te investeren in de definiëring van een Koninkrijk-nieuwe-stijl. Daarbij zijn er grenzen aan de bemoeienis van overheden. Soms zullen maatschappelijke organisaties leidend moeten zijn, of dit nu op het terrein van bijvoorbeeld onderwijs, zorg of welzijn is. Hoogstens kunnen overheden hier trans-Atlantische activiteiten faciliteren. Zien de bewindslieden hier lacunes of onbenutte mogelijkheden?

Naar de mening van de CDA-fractie heeft de regering zich in het kader van de staatkundige herziening terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingen van het Statuut zich in dit stadium tot de noodzakelijke wijzigingen dienen te beperken. Zal de evaluatie die vijf jaar na de staatkundige hervorming is voorzien, uitgaan van een langeretermijnvisie op het Koninkrijk? Betrekken de bewindslieden in die evaluatie ook de positie het Statuut? Waar het de relatie met de EU betreft, wordt gekozen voor voortzetting van de LGO-status. Pleidooien voor een UPG-status worden echter ook wel gehoord, zoals bijvoorbeeld door de voormalig gevolmachtigd minister van Aruba, Croes, in zijn proefschrift "De herdefiniëring van het Koninkrijk". Wordt deze kwestie ook meegenomen in de evaluatie?

De CDA-fractie ziet met belangstelling de reactie van de bewindslieden tegemoet.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Voorzitter. Wij zijn met ingrijpende veranderingen in de verhoudingen binnen ons Koninkrijk bezig. Die zou ik allereerst, net als de heer Van Kappen, in een historische context willen plaatsen. Nederland veroverde in de zeventiende eeuw de Antilliaanse eilanden om zijn handelspositie in de Caribische zee te versterken. Curaçao ontwikkelde zich al snel tot een slavenmarkt, die ruim tweehonderd jaar zou bestaan. De voormalige slaven verwierven pas in 1873 het volledige burgerrecht. De bevolkingen van de Nederlands-Antilliaanse eilanden hebben zich in de afgelopen jaren uitgesproken voor het opheffen van hun land. De dubbele bestuurslaag op de Antillen werkt niet. Men wil wel binnen het Koninkrijk verder gaan, als zelfstandig land – dat geldt voor Curaçao en Sint Maarten – of als openbaar lichaam van Nederland, de BES-eilanden.

Aruba heeft sinds 1986 een status aparte. Het eiland Aruba streefde daar al naar vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw. Dit streven werd ook door anderen ondersteund tijdens de eerste Ronde Tafel Conferentie in 1948 met aanvaarding van een motie. Het Statuut van 1954 met de nieuwe rechtsorde in het Koninkrijk omvatte echter toch eerst nog het land Antillen van zes, naast Nederland en Suriname, omdat Aruba op uitdrukkelijk verzoek van Nederland vooralsnog bij de Antillen bleef. Mijn fractie wil overigens benadrukken dat Nederland de Antillen de status van onafhankelijkheid niet op kan dringen. Als Caribische eilanden ervoor kiezen om onafhankelijk te worden, maar evenzeer als deze eilanden ervoor kiezen binnen het Koninkrijk te blijven, hebben wij dat op grond van dekolonisatieresoluties van de Verenigde Naties te respecteren.

Ging het in de jaren vijftig nog om dekolonisatie en volgde in 1975 complete onafhankelijkheid voor Suriname, nu gaat het, zoals partijgenoot Van Raak zegt, om het werken aan een nieuwe start voor de verhoudingen binnen het Koninkrijk. Zoals de minister-president het december jongstleden in de Tweede Kamer verwoordde, kort voor zijn vertrek naar de eerste Toetsing Ronde Tafel Conferentie (T-RTC): "Wij hebben een algemene lijn met elkaar uitgezet. Die lijn houdt in dat Nederland zal bijdragen aan veranderingen van verhoudingen binnen het Koninkrijk – wat een wens is van de eilanden zelf – en aan het terugdringen van de financiële problemen, op voorwaarde dat tegelijkertijd sprake zal zijn van meer integriteit, een betere rechtshandhaving en een betere financiële systematiek." De fracties van de SP en de VVD hadden de minister-president overigens naar de Tweede Kamer geroepen om hun zorgen over het staatkundig proces Nederlandse Antillen te delen en de positie van de Tweede Kamer in dit proces te onderstrepen. De foute indruk leek namelijk te ontstaan dat tijdens deze eerste T-RTC definitieve besluiten bekrachtigd zouden worden waarover de Tweede Kamer dan geen amendeerrecht meer zou hebben.

De RTC van december jongstleden is een belangrijk tussenstation, een duidelijk markeringspunt in het proces. Het was ook het moment om vast te stellen dat er nog veel moet gebeuren, zoals men zegt moet worden "geïmplementeerd", om ook in de praktijk feitelijk te voldoen aan de voorwaarden zoals die in de Slotverklaring zijn vastgelegd. Ook is er al heel veel gebeurd. Er is door veel mensen aan beide zijden van de plas hard gewerkt aan de voorbereidingen van de RTC en aan de totstandkoming van de wetgeving die binnenkort de Tweede Kamer bereikt. Deze mensen, en ook de staatssecretaris en de minister, maken wij graag een compliment.

Het is een ingewikkeld traject, een majeure operatie, waarmee wij bezig zijn. Het is een hele klus, een grote reorganisatie. Het gaat om opheffing van een land, het maken van twee nieuwe landen en drie nieuwe bijzondere gemeenten en het uitwerken van de afspraken die wij met elkaar in de Slotverklaring op 6 november 2006 hebben gemaakt. Afspraken, ik citeer: "die zullen leiden tot meer mogelijkheden voor de eilanden om maatschappelijke problemen zelf op te lossen, en die tegelijkertijd het Koninkrijk een aantal belangrijke garanties en mogelijkheden bieden om de mensenrechten, de rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur op de eilanden te kunnen waarborgen".

De SP-fractie wil heel graag dat Curaçao en Sint Maarten autonome, levensvatbare landen worden met voldoende inkomsten, een goed bestuur en goede sociale voorzieningen voor hun burgers en dat ook de burgers van de BES-eilanden er met de gemaakte staatkundige keuzes op vooruit gaan. Dan moet er echter naar ons idee nog wel het een en ander gebeuren. Ook al maken wij ons zorgen over zaken als het onderwijs, de voortgang van het Deltaplan, de Isla en veel meer, ik zal mij vandaag, gelet op de spreektijd, tot drie onderwerpen beperken: het transitieproces, fiscale aspecten en de waarborgfunctie.

Ik begin met het transitieproces en ga daarbij in het bijzonder in op de situatie voor Sint Maarten. Ik wil proberen verduidelijking van enige essentiële punten te krijgen. Hopelijk wordt daarmee ook helder waar wij nu exact staan en wat er nog moet gebeuren vóór de slot-RTC en de definitieve ontmanteling van de Nederlandse Antillen. Wat zijn in die transitie de belangrijkste risico's en hoe worden die getackeld? Straks volgen de fiscale aspecten en tot slot kom ik bij de waarborgfunctie. Daarbij zal ik een relatie leggen met de motie-Schuurman.

Afgelopen weekend heeft de bevolking van Curaçao een belangrijke knoop doorgehakt, zij het met een nipte meerderheid waarover al vaker gesproken is. Nu de volgende stappen. Er kan in volle vaart verder worden gegaan met de uitwerking van de afspraken in de Slotverklaring. Dan komt de toetsing of er voldaan is aan die afspraken. Er zijn 44 criteria voor die toetsing. De Voorbereidingscommissie gaf destijds echter aan dat over een elftal punten nog geen consensus was bereikt en vermeldde verder nog enige punten die niet door haar waren besproken, waaronder de draaiboeken voor de afbouw van het land, waarop ik zo nog terugkom. Hoe klaar zijn wij voor de toetsing? Is er nu een complete lijst van toetsingscriteria? Gebeurt toetsing voor alle criteria en voor alle entiteiten op hetzelfde moment of is er een gefaseerde planning van de toetsing? Kan daarvan een overzicht worden gegeven? We vinden daarbij allemaal, neem ik aan, dat er eerst geïmplementeerd moet zijn alvorens wij een uitspraak kunnen doen of er voldoende vertrouwen is dat straks het nieuwe land vanaf dag één van de nieuwe status daadwerkelijk in staat zal zijn om als land te functioneren.

Dan kom ik op de draaiboeken voor de afbouw van het land. Het opheffen van het land is immers niet het zetten van een simpele streep door enkele ministeries en diensten. Alle zaken die moeten gebeuren op het gebied van P&O – bijvoorbeeld het convenant sociaal statuut, de nieuwe organisatiestructuur van de nieuwe landen, het overzicht van alle lopende rechtspositionele verplichtingen et cetera – en juridische en financiële zaken zijn met deadlines op een rij gezet. Ik begrijp dat vanaf juli de landstaken in tranches overgaan. Daarbij is kennelijk voor een aantal directies, zoals douane, luchtvaart, scheepvaart en maritieme zaken, een faseverschil van enkele maanden tussen de overdracht van eenzelfde directie naar Curaçao en naar Sint Maarten. Het bevreemdt ons dat de inning van landsbelastingen kennelijk nog een landsverantwoordelijkheid blijft. Voor hoe lang blijft het dat? Hebben de betreffende bestuurscolleges al hun goedkeuring aan dit ontmanteling- en opbouwtraject gegeven? Loopt een en ander op schema? Lopen we risico's met die faseverschillen tussen Curaçao en Sint Maarten? Verwacht de staatssecretaris dat de toetsingsmomenten voor de nieuwe landen in spe en de ontmantelingsfasen zullen sporen? Waar zitten de bottlenecks? Hoe spoort een en ander met het wetgevingstraject waaraan wij vanaf de zomer beginnen?

Vorige maand noemde de staatssecretaris het functioneren van het Bureau Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Verkiezingen (BSBV) voor Sint Maarten een zorgpunt. Kan de staatssecretaris toelichten wat hierin kwetsbaar is en wat haar verwachting is over het tijdig oplossen van de problematiek met betrekking tot de vreemdelingenketen en het zorgen voor goede afstemming tussen alle voorzieningen die achtereenvolgens met vreemdelingen van doen hebben? Zijn de staatssecretaris en de minister het met mij eens dat de kans erg groot is dat Sint Maarten met een aantal punten op het gebied van rechtshandhaving, waaronder de politie, nog niet op datum X klaar is om feitelijk land te worden? Wordt voor datum X nog steeds van maart 2010 uitgegaan? Wat gebeurt er als Sint Maarten dan nog niet klaar is? Worden de verkiezingen op de Nederlandse Antillen dan toch uitgeschreven of verder uitgesteld? Worden toetsingsdata opgeschoven? Komt er een uiterste datum? Is er een selectie van cruciale punten die absoluut gereed moeten zijn voor toetsing en besluit? Wat gaan we doen als ook dat niet lukt? Gaan wij voor die cruciale punten extra ondersteuning bieden? Dat zou ik me kunnen voorstellen, maar voor hoe lang? Wordt eventueel een werkwijze met een protocol overwogen, zoals destijds met Aruba, en wat betekent dat voor Curaçao?

Een jaar geleden gaf de staatssecretaris aan dat van dit protocol uit 1993 met Aruba een aantal punten nog niet gerealiseerd is en dat het ook wenselijk zou zijn om die afspraken te actualiseren. Wij vinden het belangrijk te weten welke punten nog steeds openstaan. Vorige week heeft de staatssecretaris daarover een brief gestuurd. Daarin gaf zij een aantal antwoorden, maar waarom heeft die actualisatie zo lang geduurd? Vijftien jaar later actualiseren lijkt een beetje lang. Zijn de ervaringen ook geëvalueerd? Valt daaruit misschien voordeel op te doen voor het geval een gefaseerd proces nodig is voor Sint Maarten en misschien ook voor Curaçao?

Dan kom ik op de fiscale aspecten. In de Slotverklaring is overeengekomen dat er speciale aandacht besteed zal worden aan het inlopen van achterstanden bij de heffing en inning van belastingen. Hoe staat het er op de verschillende eilanden op dit punt voor? Wanneer zal integratie van landsbelastingen van de BES-eilanden met de Nederlandse wetgeving gaan plaatsvinden? Hoever is het met het Nederlands onderzoek naar het toekomstig fiscale stelsel voor de BES-eilanden? Begrijpen wij het goed dat de systematiek van de Wet financiële verhoudingen BES (WfvBES) sterk overeenkomt met de heffing van gemeentebelastingen? Is dat de reden waarom in de Besluitenlijst BES van 13 januari jongstleden staat dat op de BES-eilanden met name de winstbelasting verder verlaagd of afgeschaft zal worden? Is dat omdat winstbelasting onder het rijksbelastingregime valt of is er een andere aanleiding? Op welke termijn wordt bezien hoe het regime van rijksbelastingen op de BES-eilanden vorm moet krijgen? De raden voor het openbaar bestuur en voor de financiële verhoudingen achten immers afwijkende bepalingen vanwege de bijzondere status van de BES-eilanden en afwijkende samenstelling van de economie gerechtvaardigd, maar achten uniformering van de belasting op termijn wel wenselijk.

In het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 10 maart jongstleden heeft de staatssecretaris gezegd dat van belastingparadijzen op de BES-eilanden in elk geval geen sprake kan zijn. Zo hoort het naar onze mening ook. Maar zij zei ook dat wij met de landen in het Koninkrijk niet onderhandelen over belastingen.

Zoals historisch bewustzijn van belang is, zo is ook omgevingsbewustzijn van belang, zeker in de context van de veranderingen die wij vandaag bespreken. Het kan toch niet zo zijn dat wij binnen het Koninkrijk het voortbestaan van E-zones onbesproken laten en dat wij schulden saneren, maar niet over dit inhoudelijke uitgangspunt onderhandelen? Daar kunnen velen zich niet in vinden, mijn partij in elk geval niet. Het druist in tegen afspraken zoals die in het eerder genoemde Protocol Aruba-Nederland 1993 staan. Daarin kwamen we het volgende overeen: "Bij regelingen die internationaal breed niet aanvaardbaar worden geacht of die leiden tot onevenredige benadeling van andere delen van het Koninkrijk zal het fiscale regime en/of de belastingregeling voor het Koninkrijk moeten worden aangepast." Ik las in het NRC Handelsblad van 11 april dat de Antilliaanse staatssecretaris van Financiën kennelijk ook af wil van belastingparadijzen. Dat biedt perspectief om de E-zones te agenderen. Vindt de staatssecretaris dit ook?

Wij weten dat de vrijhandelszones op de Nederlandse Antillen ook worden gebruikt voor de doorvoer van verdovende middelen en smokkelwaar zoals drank en sigaretten en voor het witwassen van criminele gelden. Wij laten het in ons Koninkrijk toch zeker niet alleen bij het maken van afspraken over betere rechtshandhaving en bestrijding van zware criminaliteit? Wij bespreken toch ook opheffing van oorzaken, waarvan deze E-zones er één is? Vanzelfsprekend zullen daarbij andere wijzigingen in belastingregimes van de overzeese landen horen, om zelf voldoende, en meer dan in het verleden, inkomsten te genereren. Besluiten daarover vallen echter onder de fiscale autonomie van de afzonderlijke landen. Is de staatssecretaris bereid om naar aanleiding van het geschetste het onderwerp "fiscale aspecten" in de onderhandelingen met de Nederlandse Antillen te agenderen?

Dan kom ik op mijn derde onderwerp: de waarborgfunctie. Wij zijn zeer verheugd dat de staatssecretaris in maart een notitie heeft toegezegd over de toekomst van het Koninkrijk, waarin de vraag centraal staat hoe wij in het Koninkrijk-nieuwe-stijl met elkaar omgaan. Zij richt zich vooral op de verhouding tussen de autonomie van de onderdelen en de Koninkrijksbemoeienis. Hoe moet er in de nieuwe structuur worden omgegaan met wat nu artikel 43 is, de zogenoemde waarborgfunctie? In de notitie gaat het om een brede visie. Dat sluit naar mijn mening goed aan bij de vernieuwing van het Statuut die in het eerder genoemde Protocol Aruba-Nederland 1993 werd voorgestaan en bij de moties van collega Schuurman uit de Eerste Kamer en collega Remkes uit de Tweede Kamer. Gelet op alles wat al op haar bordje ligt, durf ik de vraag nauwelijks te stellen, maar zou de staatssecretaris misschien een indicatie kunnen geven over wanneer wij de notitie over de waarborgfunctie van haar mogen verwachten?

Mijn fractie ziet met belangstelling de beantwoording van de diverse vragen en het verdere debat tegemoet.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voorzitter. Wij kunnen dit debat natuurlijk niet voeren zonder even terug te blikken op het referendum van afgelopen vrijdag. Het is mooi dat een meerderheid van de bevolking akkoord is gegaan met de afspraak in het Slotakkoord. Daarmee ligt formeel in ieder geval de weg vrij om verder te gaan op de ingeslagen weg, maar wat mijn fractie betreft eindigt hier onze positieve beoordeling van het referendum. De uitslag toont namelijk een samenleving die tot op het bot verdeeld is. Ik constateer dat 48% van de bevolking er geen vertrouwen in heeft dat de afspraken in het Slotakkoord zullen leiden tot een structurele verbetering van de situatie op Curaçao. Dat is een signaal naar Nederland, maar het is ook en vooral een signaal naar de politici van Curaçao zelf. Een zo ingrijpende wijziging in het staatsbestel heeft alleen maar kans van slagen als zij berust op draagvlak onder de bevolking. Daar is nu geen sprake van. De minister-president van de Antillen, mevrouw De Jongh-Elhage, heeft aangekondigd dat zij een hand wil reiken naar de oppositie. Dat lijkt mijn fractie verstandig. Wij kunnen ons niet mengen in dat proces. Dat zou pas echt inmenging in een interne aangelegenheid zijn, maar we zouden ons kunnen voorstellen dat het bestuurscollege met de oppositie om de tafel gaat zitten om gezamenlijk te bespreken hoe de miljoenen die als gevolg van de schuldsanering zullen vrijvallen, besteed gaan worden. Daarmee krijgt ook de oppositie zeggenschap in de manier waarop de toekomst van Curaçao vorm gegeven wordt. Dat is een eerste begin om de kloof te dichten. Uiteindelijk zullen de lokale politici de nee-stemmers er door hun beleid van moeten overtuigen dat de juiste beslissing is genomen.

Wij maken een historische periode mee. Ik moet zeggen dat mijn fractie zich, ook afgezien van het referendum, ietwat ongemakkelijk voelt in dit proces. De Tweede en de Eerste Kamer hebben zich keurig aan hun duale rol gehouden. De regering onderhandelt met de regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het parlement beoordeelt het eindresultaat. Het is echter de vraag of dat in dit geval wel zo verstandig is geweest. Mijn fractie bekruipt af en toe het gevoel dat we hiermee wel eens in een fuik kunnen zijn gezwommen. Het resultaat is een compromis tussen de verschillende regeringen. Voor de Tweede Kamer geldt dat het ter discussie stellen van een onderdeel het gehele eindresultaat op losse schroeven zet. De regering moet dan weer terug naar de onderhandelingstafel, met onbekend gevolg. Wij zitten zelfs in een nog lastiger positie. Wij kunnen alleen ja of nee zeggen. De druk om het resultaat goed te keuren, is daarmee wel erg groot.

Er is nog een tweede reden waarom wij ons in dit proces wat ongemakkelijk voelen. Waar de nieuwe staatkundige verhoudingen in het Caribische deel van het Koninkrijk volop stof tot soms heftige discussie geven, is het in het Europese deel van het Koninkrijk angstwekkend stil. Dat er hier geen referendum is gehouden, is begrijpelijk. Stel dat de uitkomst van een dergelijk referendum geweest zou zijn dat de Nederlandse bevolking van de Antillen af wil, dan zouden we daar volgens de meeste juristen niet aan kunnen voldoen. Het internationaal recht gebiedt de ex-kolonisator de wens van de ex-koloniën te respecteren, ook als zij kiezen voor handhaving van de banden of integratie. Zo'n referendum zou dus niet alleen zinloos zijn, maar ook tot onnodige commotie kunnen leiden. Maar het feit dat wij, in tegenstelling tot de Antillen en Aruba, niet kunnen beslissen om als Nederland uit het Koninkrijk te stappen, wil natuurlijk niet zeggen dat er geen discussie plaats zou kunnen en moeten vinden over de vraag hoe wij het Koninkrijk zien. Ook die discussie ontbreekt en daar voelen wij ons ongemakkelijk bij.

De eilanden hebben verschillende keuzes gemaakt. Curaçao en Sint Maarten opteren voor de status van zelfstandig land. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) hebben gekozen voor nauwere banden met Nederland. Maar de eilanden hebben allemaal aangegeven, ook Aruba, dat zij binnen het Koninkrijk willen blijven. Dit gegeven lijkt ons bij uitstek een reden om eens na te denken over de vraag wat wij eigenlijk onder het Koninkrijk verstaan, hoe wij binnen dit Koninkrijk met elkaar willen omgaan en of er binnen het Koninkrijk ook gemeenschappelijke normen zijn waar wij elkaar aan willen houden.

Het is mijn fractie opgevallen dat, nu de BES-eilanden "bijzondere Nederlandse gemeenten" worden, de verschillende Nederlandse ministeries zich opeens verantwoordelijk voelen voor de kwaliteit van de voorzieningen. Er ontstaat discussie over het gewenste niveau van de sociale voorzieningen. Er mag niet te veel verschil zijn met Nederland, maar ook niet te veel met de Caribische omgeving, om aanzuigende werking te voorkomen. Er ontstaat ook discussie over het niveau van het onderwijs, de gezondheidszorg, het milieu, ruimtelijke ordening en de veiligheid. Vliegvelden moeten voldoen aan Europese veiligheidseisen. Eigenlijk is er discussie over alles. Dat roept de vraag op waarom deze discussie nu pas plaatsvindt en niet al veel eerder. Zou het niet erg geweest zijn als er op pakweg het vliegveld van Bonaire een groot ongeluk was gebeurd toen Bonaire "alleen nog maar" deel uitmaakte van het Koninkrijk? Hoe zit het met de andere landen? Waarom vindt die discussie alleen plaats ten aanzien van de BES-eilanden? Is het vliegveld van Sint Maarten niet ook een voorwerp van zorg?

Mijn fractie begrijpt heel goed dat de verantwoordelijkheid voor een gebied dat voor nauwere banden met Nederland kiest, een andere is dan voor een gebied dat een autonome positie binnen het Koninkrijk wil innemen, maar het laatste, het deel uitmaken van het Koninkrijk, moet toch wel iets voorstellen. Alleen een gedeeld Nederlands paspoort lijkt mijn fractie wel erg mager. Het Koninkrijk is gevormd op basis van vrijwilligheid. De handhaving van het Koninkrijk is in het Caribische deel bevestigd in een referendum, op basis van vrijwilligheid, maar vrijwilligheid is niet hetzelfde als vrijblijvendheid.

De schulden van de eilanden bedragen ruim 2,4 mld. Nederland heeft toegezegd een belangrijk deel van deze schulden, 1,7 mld., over te nemen, zodat de eilanden met een schone lei van start kunnen. Mijn fractie is bereid dit te steunen. Een zware schuldenlast levert een slechte uitgangspositie op om als zelfstandig land te kunnen functioneren. Wij vinden dat er optimale omstandigheden moeten worden gecreëerd, zodat de bevolking van de eilanden ook echt in staat is om over zijn eigen toekomst te beslissen en te beschikken. Dat roept bij mijn fractie twee vragen op. Is de financiële sanering voldoende om met de beoogde schone lei van start te kunnen gaan? Zijn de eisen die aan de schuldsanering zijn gesteld afdoende?

Ik begin met het laatste. Er bestaat binnen mijn fractie grote zorg of wij op een termijn van zeg tien jaar niet opnieuw geconfronteerd zullen worden met financiële problemen in met name de autonome landen binnen het Koninkrijk. Wij beseffen dat er eisen zijn gesteld ten aanzien van de financiën, goed bestuur en rechtshandhaving, maar de wijze waarop over deze eisen onderhandeld en gesproken wordt, stemt ons niet optimistisch. Op de eerste plaats betreft dit de toon van het debat. Met name over het toezicht op de financiën, de voorgestelde aanwijzingsbevoegdheid van de procureur-generaal en een gemeenschappelijke "kop" op het politieapparaat is veel commotie ontstaan. Daarbij zijn, vooral in het kader van het referendum op Curaçao, termen gevallen als "arrogantie" en zelfs "pogingen tot rekolonisatie". De voorstellen aangaande de aanwijzingsbevoegdheid en de kop zijn door de Nederlandse regering inmiddels weer ingetrokken. Daarbij ontstaat soms de indruk dat Nederland zich laat gijzelen door de verwijten van neokoloniaal gedrag. Wij willen op dit punt volstrekt helder zijn. Toezicht op de financiën bij een schuldsanering van een dergelijke omvang heeft wat mijn fractie betreft helemaal niets van doen met neokolonialisme of arrogantie. Ook voor Nederland gelden binnen de EU strikte begrotingsregels. Een Nederlandse gemeente met een dergelijke schuld zou allang onder curatele zijn gesteld. En een burger die bij een bank om een krediet vraagt, moet ook zijn hele financiële handel en wandel op tafel leggen. Het financieel toezicht is er puur op gericht een herhaling van het lokaal gevoerde financieel wanbeleid te voorkomen. Het feit dat de schulden in de afgelopen periode, dus na de toegezegde schuldsanering, verder zijn opgelopen, onderstreept het belang hiervan.

Iets anders ligt het bij de aanwijzingsbevoegdheid voor de procureur-generaal en de gemeenschappelijke kop op het politieapparaat. We willen hier niet de vraag beantwoorden of een aanwijzingsbevoegdheid een goed middel is. We kunnen ons herinneren dat hierover in Nederland enkele jaren geleden ook grote commotie is geweest. Wel zijn we benieuwd naar het advies van de Raad van State over deze aanwijzingsbevoegdheid. Wanneer kunnen we dit verwachten? Voor wat betreft de gemeenschappelijke kop betreuren wij het dat deze is opgegeven en vervangen door een gemeenschappelijke voorziening, die niet meer centraal wordt aangestuurd. Deskundigen op het terrein van het politiewezen hebben ons verzekerd dat afzonderlijke politieapparaten, zeker op deze schaal en in deze omvang, een optimale aanpak van de criminaliteit niet bevorderen. Maar wat ons het meest zorgen baart, is dat de onderliggende vraag niet in alle openheid besproken wordt. Die onderliggende vraag is: hoe zorg je ervoor dat de afgesproken standaarden ten aanzien van rechtshandhaving ook daadwerkelijk geëffectueerd worden en welke middelen heb je daartoe tot je beschikking?

Als wij gezamenlijk een Koninkrijk vormen, zullen we dat Koninkrijk ook gezamenlijk vorm moeten geven. Daaraan heeft het tot nu toe aan beide zijden van de oceaan ontbroken. Wat mijn fractie betreft zou de nieuwe staatkundige verhouding aanleiding moeten zijn om die vraag te beantwoorden: wat verstaan we onder het Koninkrijk? In welke mate achten wij ons aan elkaar verbonden en welke consequenties heeft dat?

Daarmee kom ik op de tweede vraag: is de financiële sanering afdoende om op een goede manier als zelfstandig land van start te gaan? Wat mijn fractie betreft, moet een land dat zelfstandig gaat functioneren niet alleen financieel op orde zijn, maar ook voor wat betreft de basale voorzieningen. Dat is allereerst een kwestie van beschaving. Welke verschillen in levensomstandigheden, welke verschillen in toekomstperspectief vinden wij binnen het Koninkrijk acceptabel? Zijn er minimumstandaarden die wij noodzakelijk achten binnen het Koninkrijk (en dus niet alleen op de BES-eilanden) op het gebied van milieu, gezondheidszorg of onderwijs? En, zo ja, wat zouden deze standaarden dan moeten inhouden?

Het is niet zo dat problemen die zich op de eilanden voordoen, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en volksgezondheid, niet onderkend zijn. Nederland heeft regelmatig gelden en ook deskundigheid ingezet om knelpunten die zich op deze gebieden voordoen op te lossen. Maar veel van de geleverde inspanningen zijn uiteindelijk niet succesvol gebleken. Dat heeft veel te maken met het uitgangspunt dat het hier een interne aangelegenheid betreft. Hier ligt een precair probleem. Uiteraard willen wij als Nederlandse politici niet de verdenking op ons laden dat wij beter dan de lokale politici zouden weten wat goed is voor de eilanden. Maar mijn fractie heeft de indruk dat de angst om hiervan beticht te worden soms een zakelijke houding in de weg staat. Wij kunnen ons verschillende projecten herinneren waarin Nederland gelden heeft verstrekt om knelpunten op te lossen, waarbij het geld niet is besteed aan het doel waarvoor het bestemd was. Het effect van het feit dat Nederland de eilanden daarop niet heeft aangesproken, is geweest dat Nederland heeft weggekeken van reële problemen die zich op de eilanden voordoen.

Laat ik een paar concrete voorbeelden noemen: de raffinaderij in Willemstad, die regelmatig gevaarlijke stoffen uitstoot waardoor een belangrijk deel van de bevolking in zijn gezondheid bedreigd wordt, de vuilnisbelt midden in Philipsburg die soms spontaan in brand vliegt met alle negatieve gevolgen voor de gezondheid van dien, de gevangenissen op Sint Maarten en Curaçao, waar de veiligheid van gevangenen en bewakers niet altijd gegarandeerd kan worden. Als de eilandsregeringen deze problemen niet aanpakken, zou de landsregering het moeten doen. En als de landsregering dat niet doet, zou het Koninkrijk iets moeten doen. Artikel 43, lid 2, van het Statuut – het is al vaker genoemd – geeft het Koninkrijk de verplichting om de fundamentele rechten en vrijheden alsmede het goed bestuur binnen het Koninkrijk te waarborgen. Naar het oordeel van mijn fractie vallen zaken als volksgezondheid onder de fundamentele rechten en vrijheden van de bevolking. Als dat het geval is, welke middelen hebben we dan om deze fundamentele rechten en vrijheden te waarborgen?

Artikel 43 en het daarmee samenhangende artikel 51 zijn een erg zwaar middel. Beide artikelen zijn ook nog nooit gebruikt. Dat wil wat mijn fractie betreft niet zeggen dat het bestuur van en de stand van zaken op de eilanden zó goed zijn dat er nooit aanleiding is geweest om bij te sturen, zoals sommigen stellen. Maar er zijn in het Statuut geen lichtere correctiemechanismen ingebouwd. We hebben, zoals collega Van Kappen het eens mooi geformuleerd heeft, de keuze tussen een nagelschaartje en een moker.

Tijdens het vorige beleidsdebat dat wij in deze Kamer over de Antillen hebben gehouden, in februari 2006, is met Kamerbrede steun de motie-Schuurman aangenomen, ook al eerder vermeld. Deze motie verzocht de regering om een voorstel tot een nieuw Statuut op de agenda van de Ronde Tafel Conferentie te zetten. Helaas heeft de regering ervoor gekozen, naar wij hebben begrepen bewust, om geen nieuw Statuut te ontwerpen, maar het Statuut slechts marginaal aan te passen. Wij betreuren dat. Een nieuw Statuut zou de weerslag kunnen vormen van de nieuwe verhoudingen binnen het Koninkrijk. Dat zou ook een zekere urgentie hebben gegeven aan de discussie over de vraag wat wij eigenlijk verstaan onder het Koninkrijk, wat het betekent om deel uit te maken van dit Koninkrijk en hoe de waarborgfunctie binnen het Koninkrijk inhoud gegeven kan worden. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom er niet voor een nieuw Statuut is gekozen? Zou het, nu hier niet voor gekozen is, niet verstandig zijn om de Raad van State te vragen om voorlichting over de waarborgfunctie en de vraag hoe deze binnen de nieuwe staatkundige verhoudingen geconcretiseerd zou kunnen worden?

Laat ik benadrukken dat mijn fractie grote waarde hecht aan een zo groot mogelijke autonomie voor alle bestuurslagen en alle entiteiten binnen het Koninkrijk. Maar zolang wij als bestuurslagen en entiteiten deel uitmaken en willen uitmaken van het Koninkrijk, moeten wij ook gezamenlijk uitmaken welke ondergrenzen wij binnen dit Koninkrijk willen hanteren. We zouden, naast de financiële sanering, moeten formuleren wat de ondergrens is die wij binnen het Koninkrijk voor een aantal basale voorzieningen hanteren en hoe die op een redelijke termijn gerealiseerd kunnen worden. In dit opzicht kan en mag het verschil tussen enerzijds de BES-eilanden en anderzijds Curaçao en Sint Maarten niet te groot zijn. Het feit dat we dit jarenlang hebben laten liggen, is wat ons betreft geen excuus om dit voort te zetten. De wijziging van de staatkundige verhoudingen is daar bij uitstek de gelegenheid voor. Om met de titel van een van de vele uitgebrachte rapporten te spreken: Nu kan het, nu moet het.

Het is niet alleen een kwestie van beschaving om ondergrenzen te stellen, het is ook uit praktisch oogpunt van belang. Zolang er grote verschillen in perspectieven bestaan tussen de verschillende gebieden in het Koninkrijk en zolang Arubaanse en Antilliaanse burgers vrij kunnen reizen binnen het Koninkrijk, zal er altijd, en terecht, een trek blijven naar die gebieden die het meeste perspectief bieden. Voor Nederland geldt al vaak dat wie kansarm naar Nederland komt, hier ter plekke volstrekt kansloos is. Wat dit voor de BES-eilanden betekent, kunnen wij niet goed overzien. Kunnen inwoners van Sint Maarten en Curaçao zich vrijelijk vestigen op de BES-eilanden? Zo ja, wat betekent dit voor de kleinschaligheid van deze eilanden? Zo nee, is het aanvaardbaar dat er binnen Nederlands grondgebied onderscheid wordt gemaakt tussen de vestigingscriteria voor inwoners van Curaçao en Sint Maarten?

En dan de positie van Sint Maarten. Er wordt door veel mensen getwijfeld of het eiland (met officieel 40.000 inwoners, maar de schattingen voor het feitelijk aantal inwoners lopen uiteen van 50.000 tot 70.000) in staat is om als zelfstandig land te functioneren. De aarzelingen worden niet alleen veroorzaakt door de schaal, maar ook door de bestaande politieke cultuur en, last but not least, de verdenking van verbindingen tussen de boven- en de onderwereld. Tijdens het werkbezoek dat wij in januari als Eerste Kamercommissie aansluitend aan het parlementair overleg aan de andere eilanden hebben afgelegd, zijn we op Sint Maarten door allerlei mensen uit verschillende lagen van de bevolking aangeschoten. De oproep van deze mensen was volstrekt helder en eensluidend: laat ons niet in de steek. Door sommigen werd zelfs gesteld dat als wij Sint Maarten nu de status van onafhankelijk land zouden verlenen, we de bevolking overleveren aan de georganiseerde criminaliteit. Er zijn serieuze vermoedens van intimidatie en corruptie, en dat baart ons zorgen.

Wij realiseren ons zeer goed dat Sint Maarten hard werkt aan het voldoen aan de voorwaarden van met name goed bestuur en rechtshandhaving. Wij hebben daar ook waardering voor. Wij realiseren ons evenzeer dat Sint Maarten het op dit punt niet gemakkelijk heeft gehad. Voor het realiseren van verbeteringen is Sint Maarten tot op grote hoogte afhankelijk van het land de Antillen, en in de praktijk heeft de landsregering, die op Curaçao is gevestigd, meer oog voor de belangen van Curaçao dan voor die van Sint Maarten. Dat zal er met de verdere ontmanteling van het land niet beter op worden.

Hoezeer wij de inspanningen van Sint Maarten ook waarderen, wij vrezen wel dat het niet reëel is om te verwachten dat alle benodigde verbeteringen gerealiseerd zullen zijn voordat het land de Antillen ontmanteld wordt. De kern van de discussie spitst zich toe op de vraag op welk moment Sint Maarten aan de voorwaarden heeft voldaan. Volgens Sint Maarten is dat op het moment dat de regelingen en instituties op papier beschreven staan. Volgens ons en ook volgens de Tweede Kamer is dat op het moment dat gebleken is dat Sint Maarten zijn taken ook aankan. Hier doet zich een dilemma voor. Sint Maarten kan pas bewijzen dat het de taken aankan als het van Curaçao af is en het land Antillen dus ontmanteld is. Sint Maarten stelt dus: wij moeten eerst de status van land krijgen en daarna kunnen wij laten zien wat wij waard zijn. Van Nederlandse zijde zijn hier bedenkingen bij. Wij hebben niet voor niets het spreekwoord "papier is geduldig".

Uitstel van ontmanteling is niet echt een optie. Als de ontmanteling niet voor maart 2010 gerealiseerd is, moeten er nieuwe verkiezingen plaatsvinden voor de Staten van de Nederlandse Antillen en dat wil niemand. Door iedereen wordt erkend dat de situatie van de BES-eilanden niet meer kan worden teruggedraaid. Dat betekent dat het land Nederlandse Antillen de facto bestaat uit Curaçao en Sint Maarten. Het handhaven van dat land vormt geen oplossing voor het probleem waar Sint Maarten mee zit. Integendeel, het land is eerder deel van het probleem dan dat het deel van de oplossing is. Wij zouden het een optie vinden om voor Sint Maarten te kiezen voor een ingroeimodel. Dat wil zeggen dat vergelijkbaar met de BES die taken die Sint Maarten nog niet zelfstandig aankan tijdelijk worden overgedragen aan het Koninkrijk. Je zou daarbij kunnen denken aan een zware regeringscommissaris namens de rijksministerraad op Sint Maarten, van waaruit de verbeteringen worden voorbereid en uitgevoerd. Op het moment dat Sint Maarten de taken niet alleen op papier maar ook in de praktijk aankan, worden deze dan overgedragen. Op die manier ontstaat een geleidelijke ontwikkeling tot autonoom land. Daarmee houd je zelfs de mogelijkheid open, als dat te hoog gegrepen blijkt, van een andere constructie, bijvoorbeeld een provincie van Nederland. Hoe kijken de bewindspersonen hier tegenaan?

Tot slot kom ik bij de positie van Aruba. Aruba heeft al meer dan twintig jaar de positie van autonoom land binnen het Koninkrijk. Economisch gaat het niet slecht op Aruba, zeker niet in vergelijking met de omringende eilanden in het Caribisch gebied, al is de economie eenzijdig en daarmee kwetsbaar. Maar op andere gebieden is er veel mis. Er is geen leerplicht, de economie draait voor een belangrijk deel op deels illegale en onderbetaalde arbeiders terwijl een deel van de eigen bevolking werkloos is en er blijven hardnekkige geruchten over corruptie. Dat doet het imago van Aruba en het imago van het Koninkrijk geen goed. Wij hebben deze kwestie al eens eerder besproken met beide bewindslieden. Zij gaven toen aan dat zij meldingen zeer serieus zouden nemen. Maar het probleem is dat er nauwelijks tot geen mensen te vinden zijn die hun verdenkingen in het openbaar durven te uiten. Zij wonen namelijk op het eiland. Wat mijn fractie betreft zijn er twee mogelijkheden: de geruchten zijn waar en dan moet de corruptie worden aangepakt, of de geruchten zijn niet waar en dan moeten de beschuldigingen voor eens en voor altijd worden ontzenuwd. De enige mogelijkheid om hierover uitsluitsel te krijgen, is door een onderzoek waarbij personen onder ede kunnen worden gehoord en onderzoekers ook vertrouwelijke informatie kunnen inzien. Uiteraard zal een dergelijk onderzoek geïnitieerd moeten worden in samenspraak met het Arubaanse OM. Hoe kijken de bewindslieden hier tegenaan? Wij wachten de antwoorden met belangstelling af.

De heer Laurier (GroenLinks):

Voorzitter. Verschillende sprekers voor mij hebben al gerefereerd aan een werkbezoek dat namens de Eerste Kamer is gebracht aan de Nederlandse Antillen. Dat geeft aan hoe belangrijk zo'n werkbezoek is. Het is niet gebruikelijk dat leden van de Eerste Kamer een werkbezoek afleggen. Maar gezien de informatie die werd verkregen, was het belangrijk. Voor mij was het de eerste keer dat ik op de Antillen was. Ik moet hier mijn verbazing uitspreken, terwijl ik mijzelf toch als een redelijk geïnformeerd persoon beschouw, hoe weinig ik feitelijk wist van de Antillen en van de situatie daar. In die zin was het voor mij extra leerzaam. Ik moest ook ervaren hoe vaak bepaalde beelden die domineren in discussies in Nederland over de Antillen maar een deel van de werkelijkheid weerspiegelen.

Ontmanteling van de Antillen is volgens mijn fractie een onvermijdelijk proces. In feite gaat het om een samengeveegd land waarin verschillen in cultuur en afstand zowel letterlijk als figuurlijk erg groot zijn. Het is een uitermate complex proces, doordat de verschillende eilanden, niet in de laatste plaats die welke nu de Nederlandse Antillen vormen, verschillende richtingen voor hun toekomst hebben gekozen. Tegelijkertijd moet je constateren dat de afzonderlijke onderdelen van de voormalige Antillen te klein zijn om alles zelfstandig uit te voeren. Ondanks de ontbinding van het land Nederlandse Antillen zullen dan ook nieuwe vormen van samenwerking moeten worden gevonden. Het proces van staatkundige hervorming, het ontbinden van een land, is zeker niet alleen negatief. Het schept ook veel nieuwe kansen en mogelijkheden voor de bevolking. Het schept nieuwe perspectieven, niet in de laatste plaats doordat het de mogelijkheid biedt de enorme staatsschuld, die op dit moment zo'n 20% van de begroting beslaat, te saneren. Ik zal ingaan op de verschillende onderdelen. Ik zal dat niet erg gedetailleerd doen, omdat de details straks nog in afzonderlijke wetgeving aan de orde komen.

De BES-eilanden worden onderdeel van het land Nederland. Wie de publieke discussie volgt, zegt dat het vooral gemeenten lijken te worden, bijzondere gemeenten, maar dat is toch niet helemaal juist. Het worden openbare lichamen, zoals vroeger het nieuw ingepolderde land openbaar lichaam werd. Dat gold trouwens ook voor de van Duitsland geannexeerde gebieden die als schadeloosstelling aan Nederland toekwamen. Ik kan mij voorstellen dat in een overgangsfase wordt gekozen voor openbare lichamen. Maar hoe ziet het kabinet die toestand op een wat langere termijn? Zullen de eilanden dan nog steeds openbare lichamen zijn of zullen ze toch meer ingroeien in onze normale bestuurlijke verhoudingen? In feite geldt die vraag ook voor de wetten die zullen gelden in de overgangsfase. Voor een deel wordt Antilliaans recht omgezet in Nederlands recht, maar hoe ziet die situatie er op termijn uit? Mijn fractie zou het op prijs stellen als er vanuit het kabinet wat meer helderheid over werd gegeven. Is er sprake van een overgangsperiode, hoe lang is die, aan welke termijnen wordt gedacht en welk eindbeeld bestaat daarbij?

De BES-eilanden staan voor grote opgaven. In drie jaar tijd zullen ze met een sluitende begroting moeten komen en tegelijkertijd staan de eilanden voor zware infrastructurele vraagstukken. Ik noem het onderhoud van havens en vliegvelden, die essentieel zijn voor de bereikbaarheid van de eilanden. Dat is niet een situatie waarmee veel Nederlandse gemeenten worden geconfronteerd. Er zijn belangrijke natuurgebieden, belangrijk niet alleen voor de eilanden, maar ook in een groter verband, zowel op het land als maritiem. Goed onderhoud zal ongetwijfeld hoge kosten met zich brengen. Hoe verhouden de verantwoordelijkheden die deze openbare lichamen, de BES-eilanden, krijgen zich met de vraagstukken waarmee men wordt geconfronteerd? Zou het op termijn niet een betere gedachte zijn om niet een apart BES-fonds te hebben, maar een meer reguliere financiering te vinden zoals voor de Nederlandse gemeenten via het Gemeentefonds? Welke aanpassingen van een dergelijk Gemeentefonds zijn daarvoor noodzakelijk?

Er bestaan verschillen tussen de BES-eilanden en dit deel van het land Nederland, maar tegelijkertijd zijn wij wel één land. Dit brengt ons op een moeilijke vraag: waar differentieer je de wetgeving en waar niet? Voor welke onderdelen laat je de wetgeving gelden en voor welke onderdelen niet? Ik kan mij voorstellen dat men op het terrein van de sociale zekerheid uiterst voorzichtig is, gezien de effecten op het hele gebied als je de Nederlandse standaarden zou hanteren. Maar hoe zit het met natuurbeheer? In hoeverre is sprake van differentiatie als het gaat om vraagstukken van monumentenzorg en om vraagstukken van milieubeleid in het algemeen? Hoe gaat de regering die differentiatie vormgeven en hoe doet zij dat eventueel tussen de verschillende BES-eilanden? De kosten van het levensonderhoud zijn, als je in termen van sociale zekerheid spreekt, op de Benedenwindse eilanden anders dan op de Bovenwindse eilanden.

Saba en Sint Eustatius blijven door hun ligging in grote mate afhankelijk van Sint Maarten, ook als Sint Maarten een zelfstandig land is. Dat roept natuurlijk ook de vraag op hoe de bereikbaarheid en de toegankelijkheid door de lucht en over het water van die stukjes Nederland in de toekomst ook gewaarborgd worden. Toen Aruba een zelfstandig land werd, had dit bijvoorbeeld flinke consequenties voor de luchthavenbelasting, waardoor de kosten van heen-en-weerreizen tussen de eilanden enorm verhoogd werden. Hoe kijkt het kabinet daartegenaan?

Als wij het hebben over de normen op de BES-eilanden op het gebied van gezondheidszorg en sociale zekerheid ligt er natuurlijk ook de omgekeerde vraag. Wat betekent dat in feite impliciet voor de normen die aangelegd worden voor de nieuwe landen Sint Maarten en Curaçao? Het kan niet anders dan dat die twee zaken, ook gezien de nabijheid van de verschillende eilanden, in elkaars samenhang gezien worden.

Ik kom bij het nieuwe land Curaçao. Het is goed dat de bevolking daar in meerderheid "ja" heeft gezegd, maar, om mevrouw Linthorst te citeren, hiermee is dan ook al het positieve wel gezegd. De percentages van 52 en 48 wijzen op een enorme verdeeldheid. Er ligt daar dus een enorme opgave voor zowel oppositie als coalitie om de kloof die in die samenleving is ontstaan, te dichten. Er zijn op dit ogenblik bewegingen. Er is een uitgestoken hand. Tegelijkertijd lijken de recente discussies wel een beetje een herleving van de discussie die eraan voorafging. Dat vervult ons met grote zorg. Dat maakt ook dat we feitelijk met de nodige zorgvuldigheid moeten kijken naar het proces van de verwording van Curaçao tot een autonoom land. Kinken in die kabel kunnen betekenen dat die verdeeldheid die nu op het eiland leeft, alleen maar groter wordt. Ik denk dat daarbij ook grote behoefte is aan duidelijkheid. Wat dat betreft zou ik dan ook aan het kabinet willen vragen wat nu eigenlijk de inschatting is van het traject dat Curaçao tot nu toe heeft doorlopen naar verzelfstandiging. Is daarmee de beoogde datum nog wel feitelijk haalbaar? Ik denk dat we op dat soort punten ook duidelijkheid moeten verschaffen.

Dan het nieuwe land Sint Maarten. In de ogen van mijn fractie is dat eigenlijk toch het grootste zorgenkind. Ik kan ook verwijzen naar het WODC-rapport dat gepubliceerd is over het vraagstuk van de criminaliteit op Sint Maarten, waarin men spreekt van de gelegenheidscultuur op het eiland. Mijn fractie twijfelt dan ook of Sint Maarten op dit moment in staat zal zijn de weelde van zelfstandigheid te dragen. Wij hebben harde criteria gesteld op het gebied van rechtshandhaving, good governance en financieel beheer. Ondanks het feit dat mijn fractie vindt dat die zelfstandigheid op termijn moet kunnen, is ze ook van mening dat die criteria onverkort gelden. Laat ik ook maar heel duidelijk zijn, wat mijn fractie betreft is een integraal onderdeel van good governance ook dat er geen structurele verwevenheid is tussen onder- en bovenwereld, zoals mevrouw Linthorst dat noemde. Verder zal er op dat punt ook zicht moeten zijn op een oplossing voor het enorme aantal ongedocumenteerden dat op het eiland verblijft en waar ook in het WODC-rapport zorgelijke dingen over geschreven zijn. De ogen sluiten voor dat probleem, zoals we in Nederland een beetje bij de Koppelingswet hebben gedaan, of het administratief wegdefiniëren van het probleem is wat ons betreft geen oplossing. De criteria die er liggen, zijn hard en scherp en wat ons betreft is afspraak ook afspraak. Daar willen wij niet aan tornen. Welke mogelijkheden ziet het kabinet voor een overgangsperiode waarbij er toegewerkt wordt naar zelfstandigheid, maar er nog geen sprake is van zelfstandigheid? Welke consequenties heeft dat in de ogen van het kabinet voor de ontbinding van het land de Antillen?

Ik kom tot een aantal andere onderwerpen. Alle landen krijgen een eigen Openbaar Ministerie onder leiding van een gemeenschappelijke procureur-generaal. Die pg voert dan het beheer over het OM van al die landen en hij heeft een bijzondere taak bij grensoverschrijdende criminaliteit. Het beleidsprogramma dat hij daarvoor jaarlijks moet maken, moet goedgekeurd worden door de Rijksministerraad. Het lijkt er een beetje op alsof er een soort permanent onderhandelingsproces ontstaat juist op dat belangrijke terrein van grensoverschrijdende criminaliteit. Welke visie heeft het kabinet hierop?

Er komt een gemeenschappelijke voorziening voor de politie, die personeel en middelen levert aan de korpsen voor de recherchesamenwerkingstaken. De directeur is niet ondergeschikt aan een korpschef, maar wat is zijn positie nu eigenlijk wel? Welke mogelijkheden heeft hij? Hoe zwaar wordt nu in feite die gemeenschappelijke voorziening en hoe verhoudt deze zich ten opzichte van de afzonderlijke korpsen, waar de mensen van de directeur van de gemeenschappelijke voorziening in zijn geplaatst? Wij hechten groot belang aan het feit dat die korpsen toch uitstekend kunnen functioneren.

Hoewel het eigenlijk geen onderdeel van de staatkundige hervormingen is, kan ik het niet nalaten om ook iets over Aruba te zeggen. Aangezien sommige zaken gemeenschappelijk moeten worden georganiseerd, is Aruba in feite ook een partij. De staatssecretaris heeft ons op 14 mei een brief geschreven over de realisatie van het protocol, waarvoor dank. De conclusie was dat een belangrijk gedeelte van de afspraak was nagekomen, maar er stond ook een aantal niet onbelangrijke minpunten in het geheel. Er is een discussie geweest met betrekking tot het gemeenschappelijk hof en de zetel ervan. Men heeft daar een beroep op artikel 43, lid 2, gedaan om dat toch maar zo te regelen als het geregeld moest worden omdat er geen overeenstemming met Aruba bereikt kon worden. Het zou logisch zijn als Aruba zich zou aansluiten bij het Openbaar Ministerie dat gevormd wordt, maar dat heeft het niet gedaan. Ook heeft Aruba zich niet aangesloten bij de Politiewet, hoewel het logisch zou zijn om daar ook weer die samenwerking te zoeken. Ondanks de afspraken, onder andere op het gebied van rechtmatigheid van bestuur, is er geen landsverordening over partijfinanciering en is er geen, zo mogelijk nog belangrijker, onafhankelijke instantie gekomen voor burgers die klachten hebben over bestuursorganen. Ook op het gebied van de financiën en het fonds ten aanzien van economische stabiliteit zijn afspraken nog niet nagekomen.

Welke lessen trekt het kabinet uit het feit dat er weliswaar dingen goed zijn gegaan met Aruba, maar dat er toch ook een heleboel dingen zijn blijven liggen, dan wel dat niet altijd voor de logische aanpak is gekozen? Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de verzelfstandigingsprocessen die op dit ogenblik plaatsvinden met betrekking tot Curaçao en Sint Maarten? Ik kan daarbij ook al zeggen dat de bijzondere aandacht van mijn fractie uitgaat naar het verzelfstandigingsproces in Sint Maarten. Mijn fractie wacht met belangstelling beantwoording van de leden van het kabinet af.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Ik spreek zowel namens de fractie van de ChristenUnie als namens de fractie van de SGP.

Vandaag reflecteren wij op het proces van de staatkundige herziening en de toekomst van het Koninkrijk. Dat betekent dat ik niet gedetailleerd inga op alle ontwikkelingen en afspraken, al dan niet reeds vastgelegd in conceptwetgeving, maar dat ik met grove potloodstrepen enkele contouren zal schetsen.

Bij het langdurige proces van de staatkundige herziening ben ik zelf pas afgelopen december betrokken geraakt. Redelijk onbevangen stapte ik op 2 januari jongstleden in het vliegtuig richting de West om daar deel te nemen aan het POK. Ik kan u verzekeren: die onbevangenheid ben ik vrij snel kwijtgeraakt. Het POK, zoals dat in januari werd gehouden, bleek een overlegstructuur waarin de verschillende partners elkaar wantrouwden en bovendien tot elkaar veroordeeld waren.

Immers, lang geleden, in 1954, hebben deze partners – indertijd tezamen met het toenmalige Koninkrijksdeel Suriname – een bestuursovereenkomst met volkenrechtelijke aspecten met elkaar gesloten. Men zal begrijpen dat ik het over het Statuut heb. Het volgende citaat uit het proefschrift Political Decolonization and Self-Determination van Steven Hillebrink uit 2007 spreekt voor zichzelf. "Het Statuut was bedoeld als een flexibel instrument om de gewenste staatsrechtelijke ontwikkeling van de Caribische landen te accommoderen, maar uiteindelijk heeft het de drie landen vastgeketend in een relatie die bij tijd en wijle vooral aan de Nederlandse kant tot aanzienlijke ontevredenheid leidt."

Volgens het Statuut hebben Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba voor onbepaalde tijd – en dat zeg ik er nadrukkelijk bij – vrijwillig gekozen voor een structuur waarbinnen deze drie autonome landen een aantal belangen gezamenlijk behartigen op basis van gelijkwaardigheid. In de periode volgend op 1954, met name in de periode na de rellen op Curaçao in 1969, was er enerzijds sprake van een streven van Nederland om de overzeese gebiedsdelen zo spoedig mogelijk onafhankelijk te laten worden om zo af te komen van de stempel van koloniale mogendheid. Anderzijds was daar de drang van de overzeese gebiedsdelen om het zo begeerde zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen op de wijze waarop zij dat wensten.

Tot eind jaren tachtig heerste in Nederland de opvatting dat Aruba en de Nederlandse Antillen op korte of lange termijn onafhankelijk zouden worden. Geleidelijk evolueerden in Nederland ideeën over de Nederlandse Antillen. Aruba mocht in het Koninkrijksverband blijven. Op onafhankelijkheid werd niet langer aangedrongen, maar als de eilanden in de West bij het Koninkrijk wilden blijven, zou met het Statuut in de hand de "deugdelijkheid van bestuur" gehandhaafd moeten worden. Begin 1990 kwam de toenmalig minister van Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, de vandaag aanwezig minister van Justitie, de heer Hirsch Ballin, met een Schets van een Gemenebest voor het Koninkrijk. Uitgangspunt was dat er een herstructurering binnen het Antilliaanse staatsverband moest plaatsvinden. Aruba en de Nederlandse Antillen hoefden niet meer onafhankelijk te worden. Met het daarop volgend proces van staatkundige herziening tot op de dag van vandaag zijn wij allen bekend.

Sinds 1954 is er dus veel veranderd in het denken over de onderlinge verhoudingen binnen het Koninkrijk. Echter, het Statuut kent nog steeds hetzelfde artikel 55 over de wijzigingsmogelijkheden hiervan. Volgens dit artikel wordt een voorstel tot wijziging dat door de Staten-Generaal is aangenomen, niet goedgekeurd alvorens het ook door de overzeese rijksgebieden is goedgekeurd. Hier stuiten we in de opvatting van onze fracties op hetgeen Hillebrand noemt "het aan elkaar vastgeketend zijn". Wij vragen ons af in hoeverre een dergelijke tekst, die inmiddels 55 jaar oud is en die onder geheel andere omstandigheden en denkbeelden tot stand is gekomen, nog steeds naar de letter uitgelegd moet worden. Betekent dit dat deze bepaling ook na vandaag nog decennialang de onderlinge verhoudingen in het Koninkrijk knevelt? Wij zijn benieuwd naar de zienswijze van de regering hieromtrent. Is de regering bereid om na de voltooiing van de huidige staatkundige herziening de Raad van State van het Koninkrijk over dit vraagstuk om advies te verzoeken, wellicht in het kader van een nieuw Statuut? Ten slotte ligt nog altijd de vandaag veel geciteerde motie-Schuurman uit 2006 voor, waarin de regering wordt verzocht om een voorstel voor een nieuw statuut, en dus niet om een voorstel voor een gewijzigd statuut, zoals nu het geval is.

In samenhang hiermee vragen wij aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht van de verschillende delen van het Koninkrijk. Dit zelfbeschikkingsrecht, op basis waarvan zij het Koninkrijk kunnen verlaten, komt de overzeese delen toe. Dit schijnt, gelet op het volkenrecht, niet te gelden voor Nederland als moederland. Het moederland dient in dit opzicht rekening te houden met de wensen van de bevolking van de Nederlandse Antillen en Aruba. Wij zijn benieuwd naar de opvatting van de regering over het eventuele zelfbeschikkingsrecht van Nederland in dezen. Door juristen wordt hier toch wel verschillend over gedacht. Stel dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking op enig moment van mening is dat de banden met de overzeese gebieden doorgesneden moeten worden, hoe verhoudt deze wens zich dan tot de wens van de bevolking van de overzeese gebieden om deze band juist te behouden? Wat dient dan te prevaleren?

Thans ben ik aangeland bij het proces van staatkundige herziening, dat volop gaande is. Tijdens de laatste Ronde Tafel Conferentie, in december 2008, zijn afspraken gemaakt die in een slotverklaring zijn neergelegd. Pas op het moment dat de hierop gebaseerde conceptwetgeving de Eerste Kamer bereikt, zullen wij hierop concreet en gedetailleerd ingaan. Nu volsta ik met het aanstippen van enkele zaken.

De afspraken zijn gemaakt tussen de regeringen van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba en de eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Sint Eustatius, Sint Maarten en Saba. Dat betekent dat het parlement zich hierover nog niet heeft uitgesproken en zich hieraan niet per definitie gebonden hoeft te achten. Pas op het moment dat de Tweede respectievelijke de Eerste Kamer de conceptwetgeving behandelen, zullen zij zich hierover uitlaten. Dat impliceert dat de Tweede Kamer, die het recht van amendement heeft, de mogelijkheid heeft om wijzigingen aan te brengen. Indien het om de consensusrijkswetgeving gaat, zal de Nederlandse regering na de aanneming van eventuele amendementen opnieuw moeten onderhandelen met de overzeese rijksdelen, teneinde opnieuw consensus te bereiken. Deelt de regering deze analyse? Geldt dit ook indien het niet om consensusrijkswetgeving maar om gewone rijkswetgeving gaat? Is de regering net als wij van oordeel dat, mede gelet op de hier geschetste mogelijke gang van zaken, de huidige streefdatum voor Curaçao en Sint Maarten van 1 maart 2010 te optimistisch is? Wij nemen aan dat, als deze datum niet wordt gehaald en nadien op de Nederlandse Antillen verkiezingen plaatsvinden, de volgende regering van de Nederlandse Antillen gewoon gebonden is aan de gemaakte afspraken. Kan de regering dat bevestigen?

Over de inhoud van de afspraken wil ik slechts enkele informatieve vragen stellen, met name over de toekomstige politieorganisatie in de West. Tijdens een gesprek dat de Nederlandse POK-delegatie afgelopen januari met de procureur-generaal van Curaçao had, heeft deze de wens geuit een vooruitgeschoven post van het NFI op Curaçao te hebben. Hoe kijkt de regering hiertegen aan?

Een andere vraag heeft betrekking op de toekomstige gemeenschappelijke politievoorziening, en wel in relatie tot het huidige RST. Uit de memorie van toelichting op de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties 2009 blijkt dat het bestaan van het RST bij consensusrijkswet wordt vastgelegd. In de brief van de staatssecretaris van 14 mei jongstleden aan deze Kamer wordt gesteld dat het RST op de Nederlandse Antillen met uitzondering van Aruba te zijner tijd zal opgaan in de gemeenschappelijke voorziening politie. Over deze uitzondering zal ik straks nog iets meer zeggen. Op het eerste gezicht lijken deze twee uitspraken tegenstrijdig. Kan de regering ons vertellen of er in de toekomst sprake is van zowel een gemeenschappelijke voorziening als een RST, dan wel of dat deze laatste, met uitzondering van Aruba, inderdaad opgaat in de gemeenschappelijke voorziening? Wat betekent dit voor het werkaanbod en de werkwijze van het RST, dat immers buitengewoon succesvol is? Hoe krijgt de samenwerking tussen het RST op Aruba en de gemeenschappelijke voorziening op de overige eilanden gestalte?

Ik ga nu in op de status van de afspraken. Curaçao en Sint Maarten worden op de afgesproken streefdatum autonome landen binnen het Koninkrijk, mits zij voldoen aan de gestelde voorwaarden. Wat onze fracties betreft is deze afspraak, inclusief het voldoen aan de gestelde criteria, bikkelhard. We voegen hieraan toe dat het niet alleen op papier in orde moet zijn, maar ook in de realiteit. Zoals bekend, zijn er grote zorgen of met name Sint Maarten in staat is om op de afgesproken streefdatum te voldoen aan de voorwaarden. Ik doel hierbij vooral op de voorwaarden die betrekking hebben op goed bestuur en op de rechtshandhaving. Ik noem in dit opzicht slechts de namen van politiechef Holiday en gedeputeerde Laveist. In de brief van de staatssecretaris van 17 april jongstleden aan de Tweede Kamer (31568, nr. 35) geeft zij de laatst bekende informatie over de stand van zaken op Sint Maarten weer. Daarbij richt zij zich primair op de verbeteringen op het terrein van de rechtshandhaving en rechtspleging.

Zij constateert dat er op diverse terreinen vooruitgang wordt geboekt, maar zij signaleert eveneens grote zorgpunten. Zij stelt dat er tijdens de RTC van december 2008 afspraken zijn gemaakt over de toetsing van de uitvoering ter voorbereiding van de slot-RTC. Ik citeer uit de brief van de staatssecretaris: "Afgesproken is dat het presidium van de voorbereidingscommissie-RTC aangevuld met een aantal extra leden zal beoordelen en adviseren in hoeverre de implementatie van de nieuw te vormen Landen voldoet aan de overeengekomen criteria. Uiteindelijk zal op basis van de toetsing een uitspraak gedaan moeten worden of er voldoende vertrouwen is dat de beoogde nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten vanaf dag één van de nieuwe status in staat zullen zijn om daadwerkelijk als Land te kunnen functioneren. Door deze gemengde ambtelijke commissie wordt thans een plan van aanpak opgesteld voor de toetsing, ik verwacht dat hierover voor de zomer bestuurlijk besloten kan worden."

Naar aanleiding van dit citaat leven bij onze fracties de volgende vragen. Is het niet behoorlijk laat om over dit plan van aanpak nog een besluit te nemen? Wie zal op basis van de toetsing de uitspraak moeten doen of er voldoende vertrouwen is dat de nieuwe landen vanaf dag één in staat zullen zijn om daadwerkelijk als land te kunnen functioneren? Is dit bovendien wel de juiste vraagstelling? Is het niet veeleer zo dat indien de landen niet aan de gestelde criteria voldoen, zij niet de status van land kunnen krijgen? Wat is het scenario indien het antwoord ontkennend luidt en dus wordt vastgesteld dat een land niet op de genoemde streefdatum de status van land kan ontvangen?

Aansluitend aan het POK heb ik deelgenomen aan het werkbezoek dat een delegatie van dit huis aan onder meer de BES-eilanden heeft gebracht. Naar aanleiding van dit werkbezoek zijn onze fracties tot de voorzichtig optimistische conclusie gekomen dat de staatkundige herziening met betrekking tot deze eilanden wel tot een goed eind zal komen, hoewel er nog heel veel werk moet worden verzet. We verwachten vooral veel van de voorbereidingswerkzaamheden die de heer Henk Kamp er namens de Nederlandse regering verricht. Uit de wekelijkse samenvatting van het nieuws uit de kranten van de Nederlandse Antillen is ons inmiddels duidelijk geworden dat het optreden van de heer Kamp volgens de avondkrant Nobo op weerstand zou stuiten bij het bestuurscollege. Dergelijke geluiden hebben ons ook van andere zijden bereikt. In hoeverre klopt deze berichtgeving? Hoe staat het met de werkzaamheden van de heer Kamp en in hoeverre is er draagvlak voor zijn optreden en handelen?

Voordat ik mijn bijdrage afsluit met enkele beschouwingen over het in de afgelopen week gehouden referendum op Curaçao, wil ik aandacht vragen voor Aruba. Het eerder genoemde POK van januari jongstleden had plaats op Aruba. Ik heb toen van de gelegenheid gebruikgemaakt om buiten het POK om met mensen te spreken; met vertegenwoordigers van politie, justitie en de rechterlijke macht, maar ook met de eilandbewoners. Zonder in details te treden, durven onze fracties de stelling aan dat op Aruba de rechtsstaat soms onder druk staat, onder meer vanwege de kleine schaal van de samenleving. Ik stel met nadruk dat onze fracties het uitgangspunt delen dat Aruba een autonoom, zelfstandig deel van het Koninkrijk is, hetgeen de Nederlandse bemoeienis met de interne aangelegenheden van Aruba begrenst. Gelet op artikel 43 van het Statuut zijn wij echter zo vrijmoedig om deze kwestie toch aan de orde te stellen.

Uit het algemeen overleg dat de staatssecretaris op 4 maart jongstleden met de Tweede Kamer had, is ons duidelijk geworden dat zij zich hierover eveneens zorgen maakt. Wij zijn blij dat zij deze zorgen heeft vertaald in daden, in die zin dat de impasse over de consensusrijkswet Gemeenschappelijk Hof, ontstaan door de weigering van Aruba om ermee in te stemmen, is doorbroken vanwege de wijziging van de grondslag van deze conceptwetgeving op de genoemde waarborgfunctie. Wat ons betreft is hiervoor een compliment op zijn plaats. Tijdens het AO heeft de staatssecretaris toegezegd om na overleg met minister-president Oduber een nadere rapportage op te stellen. Wij zijn benieuwd naar de huidige stand van zaken.

Een ander punt dat onze fracties aan de orde willen stellen, is het ontbreken van de leerplicht op Aruba. In het advies van de Raad van State van het Koninkrijk van 10 december 2004 over 50 jaar Statuut wordt gesteld dat rijkswetgeving minimumeisen op het gebied van het onderwijs zou kunnen stellen op basis van artikel 38 of, indien noodzakelijk, artikel 43. Wij zijn van mening dat de invoering van de leerplicht behoort tot dergelijke minimumeisen. Is de regering met ons van mening dat die invoering behoort tot de minimumeisen op het gebied van het onderwijs en er derhalve voor Nederland een rol is weggelegd in dezen? Ik refereer ook aan wat de staatssecretaris op 4 maart tijdens het AO met de Tweede Kamer heeft gezegd over artikel 43 van het Statuut, namelijk dat dit artikel pas kan worden ingezet als er sprake is van structurele misstanden die in de landen zelf niet kunnen worden geadresseerd. Vindt de regering het gegeven dat op Aruba de leerplicht niet geldt, een structurele misstand?

Een laatste vraag met betrekking tot Aruba betreft het protocol dat Aruba en Nederland in 1993 hebben gesloten. In dit protocol zijn de regeringen over en weer verplichtingen aangegaan. Bij brief van 14 mei heeft de staatssecretaris de huidige stand van zaken hieromtrent weergegeven. Deze brief roept bij ons de volgende vragen op. Uit de brief blijkt dat Aruba, net als bij de conceptregelgeving voor het gemeenschappelijk Hof van Justitie, weigert zich aan te sluiten bij de conceptregelgeving voor Openbaar Ministerie en politie. Dit verklaart de keuze voor het in stand houden van het RST op Aruba, waarover ik reeds sprak. Onze fracties vragen zich af of deze weigering daadwerkelijk een belemmering moet opleveren, aangezien het hier gaat om gewone rijkswetten in plaats van consensuswetgeving. Daarnaast vragen wij ons af waarom het kabinet hier niet ook kiest voor een wijziging van de grondslag, in die zin dat de wetgeving op basis van de waarborgfunctie van artikel 43 van het Statuut ook in dezen voor Aruba geldt. Graag een reactie van het kabinet.

Afgelopen zaterdag werd de uitslag van het referendum op Curaçao bekend. Na een spannende periode bleek dat het ja-kamp een nipte overwinning heeft geboekt. Wij zijn hier verheugd over, maar dat laat onverlet dat de grote verdeeldheid onder de bevolking zorgelijk is. Wij hopen dat de oppositie op Curaçao de uitgestoken hand van de premier, mevrouw De Jongh-Elhage, met beide handen aanpakt, zodat men gezamenlijk de schouders onder het verdere proces kan zetten. Wij wachten de beantwoording van onze vragen door de regering met belangstelling af.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Ik begin mijn bijdrage graag met enkele opmerkingen over het bijzondere karakter van de Koninkrijksstructuur. Als uitdrukking van drie staatsverbanden binnen één Koninkrijk is het Statuut in zijn regeling van organen en bevoegdheden een normale constitutionele figuur. Het Statuut heeft echter enkele bijzondere kenmerken, waar het de onevenwichtige en ongelijksoortige aspecten in de verhouding tussen de drie landen erkent. De verstrengeling van Statuut en Grondwet maakt de constitutionele rechtsorde van het Koninkrijk extra complex. Als gevolg van de koloniale geschiedenis en vanwege het ontbreken van een natuurlijke geografische eenheid zijn de banden tussen Nederland en de Caribische gebiedsdelen in een aantal opzichten kunstmatig. Er bestaan zonder twijfel vele en veelsoortige persoonlijke en zakelijke contacten en relaties, die bijdragen aan processen van verbinding. Niettemin zijn er ook gevoelens van wantrouwen en afstandelijkheid, die te maken hebben met grote culturele verschillen. Deze factoren verklaren de behoefte van de overzeese gebiedsdelen aan maximale autonomie en zelfbeschikking.

Mijn volgende punt betreft de afspraken en verantwoordelijkheden in dit proces. Om recht te doen aan het zelfbeschikkingsrecht is op grond van eerder gehouden referenda in 2006 gestart met een herziening van de structuur van het Koninkrijk. De staatkundige eenheid van de Antillen is een fictie gebleken. De ontbinding ervan en de opbouw van deels meer autonome en deels meer verbonden figuren is een unieke en buitengewoon complexe operatie met ingrijpende gevolgen voor het Koninkrijk. Graag wil ik hier markeren dat D66, als partij van de vooruitgang, ook dit proces van staatkundige hervormingen steunt, en daarmee de inzet en het optreden van de eerstverantwoordelijke staatssecretaris en die van de minister van Justitie. Meer zelfstandigheid voor de Antilliaanse eilandgebieden betekent immers meer vrijheid, bijvoorbeeld om kansen te benutten en vooruitgang en welvaart na te streven. Meer zelfstandigheid betekent echter ook meer verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld voor democratische en rechtsstatelijke verhoudingen, voor de bevordering van institutionele checks and balances, voor de handhaving en stimulering van mensenrechten, ongeacht levensovertuiging, afkomst of seksuele geaardheid, en ook voor de aanpak van fraude, corruptie, intimidatie, betalingsachterstanden en coöptatie.

Wat D66 betreft heeft Nederland in dit proces dan ook terecht voorwaarden gesteld aan de opheffing van de Antillen. Het is geenszins onredelijk om te eisen dat voor wat betreft bestuur, recht en financiën van de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten aan voorwaarden van deugdelijkheid moet zijn voldaan. Daarmee wordt geen wezenlijke inbreuk gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht van de eilanden. De Koninkrijksrelaties ontlenen hun relevantie immers voor een groot deel aan de vele vormen van ondersteuning die Nederland aan de West biedt. Natuurlijk loopt Nederland het risico om met deze benadering te worden beschuldigd van neokolonialisme, maar dat mogelijke – of zelfs reële – verwijt poetst niet weg dat geen van de eilanden op dit moment volledig op eigen benen kan staan. Mijn eerste vraag aan de regering is of de gemaakte afspraken over deugdelijk en integer bestuur nog recht overeind staan.

Ik kom nu bij de voortgang van het proces in meer politiek-bestuurlijke zin. De D66-fractie is het eens met de opvatting van de regering dat de verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de gestelde criteria primair bij de eilanden zelf ligt, maar het is ook mijn fractie niet ontgaan dat er nogal wat belemmeringen bestaan op het punt van het zelfreflecterende en zelfcorrigerende vermogen van de eilanden. De politieke cultuur is volstrekt monistisch, de kleinschaligheid van de eilanden verhoogt de risico's van belangenverstrengeling, de nieuwe staatkundige plaatsbepaling van de eilanden is geografisch zeer kunstmatig en de vooral op toerisme georiënteerde economieën zijn kwetsbaar. De vraag is dan ook of men in staat is om voldoende eigen prioriteiten te stellen om aan de gestelde eisen van deugdelijkheid en integriteit te voldoen.

Mijn fractie maakt zich om die reden zorgen over de voortgang van het proces. Hoe is precies de afstemming van het ontbindingsproces van het land Nederlandse Antillen met de opbouw van de nieuwe entiteiten? Blijft de overdracht van bevoegdheden in de pas lopen met de planning? Wat gebeurt er als Curaçao en Sint Maarten achterblijven in hun ontwikkeling naar deugdelijk bestuur? Hoe is gewaarborgd dat het wetgevingsproces, met name de vaststelling van de consensusrijkswetten, door met name politieke gevoeligheden niet zodanig wordt vertraagd dat het staatkundige hervormingsproces verzandt? Gaat de schuldsanering dan inderdaad niet door, zoals de minister-president na afloop van de Ronde Tafel Conferentie heeft verklaard?

Kortom: lopen wij niet het gevaar dat wij een proces ingaan van waaruit op een zeker moment geen weg terug of zelfs geen uitweg meer is? Graag hoor ik van de bewindslieden op deze punten nader over de stand van zaken, het vervolgscenario en de beoogde definitieve transitiedatum. Nadrukkelijk vraag ik hun om de uitkomst van het referendum op Curaçao bij hun antwoord te betrekken. In hoeverre legt de met de dunne positieve uitslag van 52% bevestigde economische en sociaal-culturele tweedeling een hypotheek op de afspraken over het staatkundige hervormingsproces?

Ik kom nu bij het wet- en regelgevingsproces. De staatkundige hervormingen zullen gepaard gaan met een omvangrijk en ingewikkeld wetgevingsprogramma. Het transitieproces raakt aan Statuut en Grondwet, vraagt consensusrijkswetgeving op het punt van politie, justitie en financieel toezicht, noodzaakt tot aanpassing van bestaande rijkswetgeving en Antilliaanse regelgeving en dwingt tot een wettelijk omklede overgang van de BES-eilanden naar Nederland. De uitvoering van dit alles staat bovendien onder grote politieke druk, vraagt een nauwgezette planning en vergt de nodige discipline bij de betrokken wetgevende organen. Naar de mening van de D66-fractie heeft de regering er in dat licht terecht voor gekozen om vanwege het bijzondere karakter van de noodzakelijke regelgeving vroegtijdig inzicht te geven in de opzet, uitgangspunten en juridische keuzes van de in voorbereiding zijnde wetgeving, en daarover voorlichting te vragen van de Raad van State.

Dit is natuurlijk niet de plaats en het moment om substantieel vooruit te lopen op alle vraagstukken en complicaties die zich in deze operatie aandienen. Wij hebben gezien dat er een creatieve en flexibele invoeringssystematiek is ontwikkeld om tot de noodzakelijke aanpassing en harmonisatie van bestaande en nieuwe regelgeving te komen. Om de Antilliaanse regelgeving zo eenvoudig en goed mogelijk in de Nederlandse rechtsorde te integreren, kiest de regering in de vorm van een overgangsfase voor een geleidelijke invoering. Daarnaast kunnen wij vangnetvoorzieningen tegemoetzien om rond de transitiedatum nog onvolkomenheden en omissies te kunnen herstellen.

De gekozen constructies beogen vooral in juridische zin de overzichtelijkheid te bewaren, flexibel te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen en veranderende omstandigheden en de voortgang van het proces niet onnodig te belasten. Als gevolg daarvan zullen echter in de nieuwe Koninkrijksstructuur nog enige tijd twee rechtssystemen functioneren. Bovendien zal de wetgever buitengewoon pragmatisch moeten omgaan met een aantal belangrijke constitutionele wetgevingsbeginselen en procedures. Zo kan in de aanpassingswetgeving tijdelijk van formele wetgeving worden afgeweken en kan in dat verband bestaande regelgeving worden gewijzigd bij AMvB of ministeriële regeling.

De D66-fractie acht met name de keuze voor een ruimer gebruik van delegatiebevoegdheden opmerkelijk, omdat daarmee formeel afbreuk wordt gedaan aan het grondwettelijk in artikel 89 verankerde legaliteitsbeginsel, dat invulling geeft aan wezenlijke uitgangspunten van democratie en rechtsstaat. De heerschappij van de wet als legitimatiegrondslag voor het handelen van de regering staat of valt immers met de beslissende inbreng van de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer. In beginsel zijn delegatiebepalingen die de mogelijkheid bieden om zonder parlementaire machtiging af te wijken van de wet, staatsrechtelijk niet geoorloofd. Met een dergelijke aantasting van de rule of law kan en mag niet lichtvaardig worden omgegaan, zoals ook de D66-fractie in de motie-Jurgens uit 2005 heeft aangegeven. De vraag is of met deze figuur de in de grondwettelijke wetgevingsprocedure neergelegde eis van consistente en zorgvuldige wetgeving geweld wordt aangedaan.

Mijn fractie realiseert zich dat in betrekkelijk korte tijd een grote hoeveelheid regelgeving tot stand moet worden gebracht over zaken die nog niet geheel zijn uitgewerkt en nog niet geheel zijn te overzien. Van belang is dat het hier uitdrukkelijk om een tijdelijke voorziening gaat. Net als de Raad van State en de betrokken commissies uit de Eerste Kamer heeft ook de D66-fractie om die reden begrip getoond voor de vanwege het uitzonderlijke karakter van deze wetgevingsoperatie voorgestelde wettelijke inkadering achteraf. Wij vragen de regering echter wel nadrukkelijk om deze constructie in de op handen zijnde wetsvoorstellen uitvoerig te motiveren en te onderbouwen, zodat onze verantwoordelijkheid als wetgevende organen voor deze bijzondere constitutionele werkwijze op een zo goed mogelijke wijze kan worden gerechtvaardigd. Is de regering daartoe bereid en kunnen de bewindslieden reeds aangeven welke rechtvaardigingsgronden daarbij gehanteerd zullen worden?

Mevrouw Ten Horn (SP):

Heeft D66 daarbij ook een termijn in het hoofd? Ik verwijs naar het protocol van Aruba uit 1993, dus zestien jaar geleden. Of geeft u de regering qua tijd alle ruimte?

De heer Engels (D66):

Ja, in dit geval wel. Ik heb immers aangegeven dat dit een bijzonder proces is. Mijn afsluitende opmerking was dat dit alleen gerechtvaardigd kan worden als in de komende wetgeving in de memorie van toelichting op deze constitutionele punten heel nadrukkelijk wordt aangegeven wat het belang daarvan is en op welke wijze daarna alsnog zal worden gezorgd voor een correcte constitutionele inbedding. Wij hebben geen behoefte om daar nu een termijn aan te stellen; dat lijkt mij wat voorbarig. Misschien hebben wij die behoefte straks, bij de komende wetgeving, wel. Uiteraard doen wij alles om het de regering heel moeilijk te maken, maar er zijn natuurlijk bepaalde grenzen.

Tot slot ga ik in op constitutionele vragen rond Statuut en Grondwet. Vanuit wetenschappelijke kringen is van meet af aan scherpe kritiek geuit op de wijze waarop in dit proces met het Statuut en de Grondwet wordt omgegaan. Deze kritiek is vooral afkomstig van enkele Groningse deskundigen op het gebied van het Koninkrijksrecht; ik noem met name Elzinga, Hoogers en Nap. Die kritiek is op verschillende plaatsen geuit, bijvoorbeeld in het rapport Schurende Rechtsordes, in de bladen Regelmaat, De Gemeentestem en Binnenlands Bestuur en in het boek 50 jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Ik voel mij om twee redenen verplicht om een aantal van die constitutionele dilemma's hier en nu aan de orde te stellen, allereerst en uiteraard primair vanwege mijn verantwoordelijkheid als lid van een belangrijk wetgevend orgaan. Minder belangrijk maar niet geheel zonder betekenis is dat ik graag wil voorkomen dat mij morgen op de Groningse faculteit onplezierige bejegeningen ten deel vallen.

Allereerst is er de vraag of de Grondwet een uitsluitend tot het Nederlandse grondgebied beperkte werking heeft. De Grondwet zegt daar niets over, en het Statuut overigens ook niet. Hoe moet nu de situatie worden beoordeeld dat de werking van de Grondwet wordt uitgebreid naar drie Caribische eilanden, zonder dat de Grondwet die mogelijkheid zelf opent? Kan de Nederlandse grondwetgever überhaupt buiten het Statuut om de werkingssfeer van de Grondwet voor overzeese gebieden uitbreiden of inperken? En als wordt aangenomen dat dit alles mogelijk is via een bij rijkswet tot stand te brengen wijziging van het Statuut, kan daarbij in dat geval, al dan niet tijdelijk, worden afgeweken van de Grondwet? Ik denk daarbij aan de afwijkende toepassing van artikel 55 dat reeds eerder is genoemd over de verkiezing van de Eerste Kamer en het buiten toepassing laten van hoofdstuk 6 over de rechterlijke organisatie. Deze vragen zijn relevant in verband met de betekenis van artikel 55, lid 3, van het Statuut, dat bepaalt dat een bij rijkswet tot stand te brengen wijziging van het Statuut die afwijkt van de Grondwet, een procedure vergt met twee lezingen. Is het niet zo dat een norm die machtigt van de Grondwet af te wijken, afwijkt van de Grondwet? Graag vraag ik de regering een reactie op dit punt.

Dan is er ten tweede het punt van het gelijkheidsbeginsel dat de ontvlechting van de Nederlandse Antillen ernstig zou compliceren, zo heb ik gelezen. De op zichzelf noodzakelijke wettelijke differentiaties ten aanzien van de positie van de BES-eilanden in de Nederlandse rechtsorde worden geregeld buiten het Statuut en de Grondwet om. De vraag is dan wat dit betekent voor de werking van het gelijkheidsbeginsel. In de literatuur worden grote vraagtekens gezet bij de constitutionele aanvaardbaarheid van het aanbrengen van op zichzelf begrijpelijke en zelfs noodzakelijke verschillen in voorzieningen en tussen inwoners hier en overzee. Betwijfeld wordt of er een voldoende objectieve rechtvaardiging is voor deze ongelijke behandeling en voor het in dit verband omzeilen van Grondwet en Statuut. Graag vraag ik ook op dit punt het oordeel van de regering.

Ik stel deze constitutionele vragen bewust in dit beleidsdebat en niet op het moment dat de aangekondigde wetgeving deze Kamer bereikt. Voor de legitimatie van dit bijzondere en ingrijpende proces is het van grote betekenis dat binnen de wetgevende organen in een zo vroeg mogelijk stadium en in een openbaar debat helderheid wordt geschapen over de mogelijke spanningen met of tussen Statuut en Grondwet. De antwoorden op deze constitutionele vragen zijn immers ook van betekenis voor de gedachtevorming over de uiteindelijke toekomst van het Koninkrijk en over het nieuwe Statuut. Voor mijn fractie geldt deze constitutionele houdbaarheid zwaar, zonder ons overigens op voorhand in een al te strak formeel grondwettelijk keurslijf te willen laten dwingen. Het maken van politieke afspraken die een gemeenschappelijk en wenselijk eindperspectief dichterbij brengen zonder daarbij constitutionele formaliteiten ernstig en blijvend aan te tasten, is niet op voorhand verwerpelijk. Wel moet worden voorkomen dat tijdens of na het wetgevingsproces moet worden vastgesteld dat een belangrijke hervorming van de staatkundige structuur van het Koninkrijk toch al te zeer via gelegenheidswetgeving tot stand is gebracht. Graag nodig ik de regering nogmaals uit de Kamer op dit punt een zo groot mogelijke helderheid te verschaffen. Mijn fractie wacht de antwoorden van de minister en de staatssecretaris, zoals altijd, met grote belangstelling af.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Mevrouw de voorzitter. Wij zijn het er allemaal wel over eens dat onze voormalige koloniën zelfbeschikkingsrecht hebben. En als wij het daar niet over eens waren, dan zouden de Verenigde Naties ons daar wel aan herinneren. Wij zijn het er ook over eens dat dit zelfbeschikkingsrecht alle eilanden afzonderlijk toekomt. Dat is niet in alle opzichten praktisch, maar de eilanden zijn zo verschillend en ze hebben in de loop van de tijd zo veel weerzin tegen elkaar en vooral tegen een gezamenlijk bestuur opgebouwd dat het niet realistisch zou zijn om ze als één geheel te beschouwen. Het probleem bij de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht is dat een keuze moet worden gemaakt tussen óf zelfstandigheid, zelf baas zijn, óf integratie in het centralistische land Nederland, óf daar ergens tussen in. En alles heeft natuurlijk zijn voor en zijn tegen.

De BES-eilanden zijn zo klein dat ze in dit dilemma niet veel anders konden dan kiezen voor de geborgenheid van de integratie met Nederland. Curaçao en Sint Maarten kunnen zich, waarschijnlijk, wel permitteren te kiezen voor zo veel mogelijk zelfstandigheid, maar ook zij willen niet de veilige band met het Koninkrijk doorsnijden. Of die keuze nu gemaakt wordt vanwege de veiligheid van het Nederlandse paspoort – pragmatisch – of vanwege de historische verbondenheid met Nederland – idealistisch – maakt voor de gang van zaken niet echt uit. Voor mij zou dit laatste overigens wel de legitimatie voor het Koninkrijk zijn.

In het kader van het Statuut voor het Koninkrijk betekent de gemaakte keuze onvermijdelijk dat het Koninkrijk de waarborg blijft vormen voor de fundamentele menselijke rechten, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur. Dat is, onder omstandigheden, een beperking van de autonomie, want het Koninkrijk kan ingrijpen in wat uitdrukkelijk taken van het land zijn, maar het is ook wel juist de kern van de veiligheid die het Koninkrijk te bieden heeft. Dus misschien is ook dát wel juist een van de redenen om te stemmen voor de band met het Koninkrijk. Een vraag daarbij is hoever die waarborgfunctie reikt en het lijkt mij erg goed als de staatssecretaris daar apart aandacht aan besteedt in een discussie over de visie op het Koninkrijk in het algemeen en de reikwijdte van de waarborgfunctie in het bijzonder. Misschien kan zij nog even ingaan op de vraag hoe zij dit precies wil opzetten en wie zij bij die discussie wil betrekken.

Een tweede vraag die zich voordoet, is wie dat Koninkrijk nu eigenlijk is. In principe is duidelijk dat dit de gezamenlijke landen zijn, maar daar is wel iets meer van te zeggen. Ook daarover komt binnenkort een discussie in het kader van het democratisch deficit in het Koninkrijk, maar ik zal daar straks ook nog wel even op terugkomen.

Duidelijk moet wel zijn dat de keuze van Curaçao en Sint Maarten voor autonomie natuurlijk echt een keuze voor autonomie is en niet voor een gedetailleerd toezicht op van alles en nog wat door het Koninkrijk of via allerlei regelingen door het land Nederland. Dat kan niet bedoeld zijn met de waarborgfunctie en Nederlandse politici moeten ook niet de indruk wekken dat zij in feite volledige controle willen omdat zij menen dat alleen zo de waarborgfunctie tot zijn recht kan komen, of, nog erger, omdat zij menen dat zonder Nederland alles fout gaat. Ik ga er van uit dat de bewindslieden dit met mij eens zijn, maar ik hoor hun daar graag over.

Toch zijn er enkele zaken geregeld op een manier waarvan men zou kunnen denken dat Nederland daar aan de touwtjes wil blijven trekken. Die regelingen zijn natuurlijk ook de reden geweest dat Aruba zich daar niet onmiddellijk bij wilde aansluiten. Die regelingen hebben ook geleid tot de enorme polarisatie op Curaçao. Ik ben ontzettend blij dat het referendum op Curaçao een meerderheid heeft opgeleverd van ja-stemmers. Ik feliciteer de regering van de Antillen, de bewindslieden en dan in het bijzonder de staatssecretaris hier graag mee. Die meerderheid is echter wel zo krap dat niet alleen de Antilliaanse premier maar ook Nederland wel mag proberen een hand uit te steken naar de oppositie om toch tot een werkbare acceptatie van elkaar te komen.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Ik begrijp de heer Ten Hoeve wel als hij spreekt over meerderheid en oppositie. Het referendum is duidelijk: er is een meerderheid van 52% die het slotakkoord onderschrijft. Zouden wij er niet beter aan doen om nu te kijken hoe de zaken zo snel mogelijk voor de hele bevolking goed kunnen worden geregeld in plaats van te blijven spreken over meerderheid en oppositie?

De heer Ten Hoeve (OSF):

In de eerste plaats: iedereen heeft hier vandaag gesproken over meerderheid en oppositie. Het probleem is dat de bevolking van Curaçao buitengewoon gepolariseerd is. Dat lossen wij niet in een keer op. In het hele proces proberen wij de zaken zo goed mogelijk te regelen, juist in het voordeel van de bevolking van het eiland. De staatssecretaris en de minister doen daar erg hun best voor. Dit is ons uitgangspunt. Ik zal verder in mijn betoog tot de conclusie komen dat wat wij tot nu toe op touw hebben gezet, daar zeker een juiste bijdrage aan kan leveren. Daar twijfel ik niet aan.

Dit neemt niet weg dat wij de gevoelens van de oppositie in ieder geval serieus moeten nemen. Wij moeten de mensen juist in hun bezwaren tegen wat er gebeurt, wel als zodanig erkennen. Als wij dat niet willen doen, zien wij niet de werkelijke emoties die op Curaçao toch wel een grote rol spelen. Die moeten wij dus erkennen.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Kan de heer Ten Hoeve aangeven wat hij bedoelt met de opmerking dat de Nederlandse regering een hand moet uitsteken naar de oppositie? Houdt hij de mogelijkheid open dat er van Nederlandse zijde verdere concessie gedaan kunnen worden aan het nu bereikte akkoord?

De heer Ten Hoeve (OSF):

Nee. Ik heb niet de bedoeling om de Nederlandse regering tot verdere materiële, concrete concessies te brengen. Het gaat mij om de gevoelens die leven bij de oppositie op Curaçao; dat zijn werkelijke gevoelens van gekrenkt te zijn in het recht op autonomie. Laten wij die gevoelens serieus nemen. Dat gebeurt niet altijd op de juiste manier.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Toezicht op de besteding van zo'n grote schuldsanering heeft toch niets te maken met autonomie?

De heer Ten Hoeve (OSF):

Tot die conclusie kom ik zelf ook. Ik ben dat helemaal met u eens.

Nederland doet zo nu en dan dingen die polarisatie en tegenstelling, ten opzichte van Nederland, in de hand werken. De ruzie over de datum voor het volgende Parlementair Overleg en het eenzijdig afwijken van gemaakte afspraken zijn natuurlijk geen best begin. Daarbij heeft Nederland niet alleen de Curaçaose oppositie maar alle fracties, en niet alleen op Curaçao, tegen zich in het harnas gejaagd. Onze bewindslieden kunnen daar echter niets aan doen; dat is een kwestie van het Nederlandse parlement dat in dezen natuurlijk ook een zware verantwoordelijkheid heeft.

De tegenstellingen op het eiland zelf spitsen zich toe op de heikele punten van financiën en rechtshandhaving. De controle door het College financieel toezicht dat op zich adviserend van karakter is, maar wel is opgelegd aan de toekomstige landen, en de mogelijkheid van ingrijpen in de begrotingsprocedures van de landen door de Koninkrijksregering vormen, vind ik, inderdaad een beperking van de autonomie die beide eilanden krijgen. Dat geldt eigenlijk nog sterker voor de BES-eilanden, maar daar vormt het onderdeel van wat in het gecentraliseerde Nederland verwacht mocht worden. Daar hoort het er nu eenmaal bij. Voor Curaçao en Sint Maarten geldt dat het toezicht in principe als tijdelijk bedoeld is en vooral dat het gezien moet worden als het gevolg van de Nederlandse bereidheid om de Antilliaanse schulden voor een groot deel over te nemen. "Voor wat, hoort wat" lijkt mij inderdaad heel goed verdedigbaar in dit geval. Wij mogen echter misschien wel blijven beseffen dat de oppositie dit ervaart als pure controle door de voormalige kolonisator en daar heeft deze op zich geen ongelijk in, ondanks alle goede redenen.

Ik kom te spreken over de rechtshandhaving. De opzet van het gemeenschappelijk hof met eigen rechtspersoonlijkheid, dus financieel met een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de drie betrokken landen, en de gerechten per land, moet voldoende gemeenschappelijkheid waarborgen om de nadelen en de risico's van een te kleinschalige opzet te vermijden. Het is logisch dat dit er ook toe moet leiden dat de wetgeving in de drie betrokken landen bij elkaar in de buurt blijft; dat is ook goed binnen één koninkrijk. Eén procureur-generaal voor de drie afzonderlijke Openbaar Ministeries lijkt mij, vanuit dezelfde redenering, ook nog steeds een betere oplossing dan drie afzonderlijke. Gelet op de bezwaren daartegen – op Sint Maarten zegt men dat dat tot nu toe heel slecht gefunctioneerd heeft – wil het kabinet misschien wel aangeven of deze keuze na verloop van tijd serieus geëvalueerd kan worden.

Ik ben er niet rouwig om dat de aanwijzingsbevoegdheid van de Nederlandse minister van Justitie is vervallen. Dat het totale vervolgings- en opsporingsbeleid via afspraken onderling wordt afgestemd en dat voor grensoverschrijdende criminaliteit door de rijksministerraad een beleidsprogramma wordt vastgesteld, lijkt mij passender. Wij zijn één koninkrijk, met gezamenlijke belangen, maar de indruk dat het ene land dwingend aanwijzingen wil kunnen geven ten aanzien van het andere land hoort daar niet bij. Ik vind dat er ook in relatie tot de politie juiste keuzes gemaakt zijn, alhoewel op dat punt nog wel wat vragen liggen. De keuze voor drie afzonderlijke korpsen wordt hier veel bekritiseerd en is misschien niet het meest praktisch maar voor mij wel het meest logisch. Als wij in Nederland regionale politiekorpsen hebben, dan zou het erg vreemd zijn als de landen binnen het Koninkrijk geen eigen korps zouden hebben. Het kunnen inzetten van een eigen politiekorps is voor een regering natuurlijk niet alleen een statuskwestie maar ook een logisch complement van de wetgevende bevoegdheden. Daar moet bij gezegd worden dat ook hier de schaal van de eilanden het op zijn minst moeilijk en waarschijnlijk onverantwoord maakt om alleen op het eigen kleine korps met beperkte capaciteiten te vertrouwen. Dat kan Nederland binnen de Europese Unie ook al niet meer. Er moet dus samengewerkt worden en de gemeenschappelijke voorziening moet een belangrijke rol gaan spelen. De opzet van die gemeenschappelijke voorziening wordt in overleg vastgesteld en er moet samen betaald worden. Als ieder land echter zijn eigen aandeel in het gebruik moet betalen, wordt er misschien wel zo weinig mogelijk gebruik van gemaakt; het kost dan immers veel geld. Als Nederland de kosten van de voorziening draagt, wat ik mij ook wel voor kan stellen, dan wordt het misschien wel weer aantrekkelijk om er zo veel mogelijk gebruik van te maken. Hoe stelt het kabinet zich de vaststelling van de capaciteit, de betaling en de inzet, en ook de benoeming van de directeur, van de gemeenschappelijke voorziening, concreet voor? Ik sluit mij op dit punt graag aan bij de vragen van collega Laurier.

In ditzelfde verband ga ik in op de aanloop naar de nieuwe statussen. De nieuwe landen stellen, neem ik aan, vanuit hun komende autonomie, hun eigen prioriteiten met betrekking tot de opbouw en uitrusting van hun politiekorpsen. In het kader van de eindbeoordeling of Curaçao en Sint Maarten klaar zijn om land te kunnen worden, wordt ook in onderling overleg bekeken hoe de politiekorpsen van de beide nieuwe landen kwantitatief en kwalitatief moeten worden opgebouwd om de situatie op de eilanden meester te kunnen blijven, of worden. Als Nederland in dit overleg van mening zou zijn dat er bijvoorbeeld op Sint Maarten veel meer politie nodig is dan het eiland bereid en in staat is te betalen, wat gebeurt er dan? Ik kan mij dat wel voorstellen, want het is een klein eiland met weinig legale inwoners en heel grote problemen en veel zaken die controle vereisen. Daar is dus misschien wel een onevenredig grote politiecapaciteit nodig. Ik hoor hierop graag een bespiegeling van de bewindslieden.

Ik kom op de belangrijke vraag wanneer de overgang naar de nieuwe situatie gaat plaatsvinden. Dat zou uiterlijk maart 2010 moeten gebeuren omdat er anders nieuwe verkiezingen voor het land Antillen moeten worden gehouden. Het is echter nog maar de vraag of tijdig alle noodzakelijke wetgeving in kannen en kruiken is. Bovendien flakkert in Nederland ook telkens de discussie op over de vraag of Sint Maarten wel klaar is voor de landstatus. Hoe lossen wij het op als het later wordt? Kunnen de BES-eilanden dan toch alvast onderdeel van Nederland worden, formeel of praktisch? Moet er dan in Curaçao en Sint Maarten gestemd worden voor een statencollege van een Antillen zonder BES-eilanden? De Raad van State had een mooie oplossing bedacht: laat de gouverneur maar uit naam van het Koninkrijk regeren, in plaats van een nieuwe Antilliaanse regering te moeten vormen. Daar is echter niet veel animo voor, wat niet helemaal onbegrijpelijk is.

In relatie tot Sint Maarten is, als ik het goed begrepen heb, pas kortgeleden, in maart, in de politieke stuurgroep de beslissing genomen dat de twee nieuwe landen en Nederland zelf hun plannen in het kader van het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen kunnen indienen bij USONA. Dat gebeurt uiteraard nog steeds onder de eindverantwoordelijkheid van de Antilliaanse minister van Justitie. Pas nu is bepaald dat het eiland, dat daar al jaren om vraagt, zijn eigen prioriteiten met betrekking tot de politie mag stellen. Er is zonder twijfel nog veel mis, want op een eiland met evenveel illegalen als legalen, met enorme aantallen toeristen en casino's die veel geld opleveren en werkgelegenheid, maar ook veel ongerechtigheden met zich meebrengen, is altijd veel mis als daar niet adequaat uitgeruste politie, douane en kustwacht tegenover staan. Voor zover ik kan zien, is er ook veel eerlijke inspanning om als land te slagen en de problemen onder controle te brengen. Ook is er veel bereidheid om zich daarbij door Nederland te laten helpen. Denkt het kabinet dat de keuzes die gemaakt zijn en de prioriteiten die Sint Maarten stelt, en de hulp die Nederland daar bij kan bieden, voldoende zijn om, misschien niet direct maar wel op termijn, grootschalige criminaliteit aan te kunnen, want die is er blijkbaar, en het gebrek aan integriteit in het apparaat en in het bestuur te bestrijden waar die zich voordoet? Moet dan van die beoordeling afhangen of Sint Maarten straks tegelijk met Curaçao land kan worden? Hoe denken de bewindslieden daarover?

Hoe belangrijk is daarbij trouwens het feit dat het eiland in de huidige constellatie blijft opgescheept met een monistische bestuursstructuur? Daarbij kan, zoals nu blijkt, toch heel makkelijk een situatie ontstaan waarin er geen meerderheid in de Eilandraad mogelijk is en waarbij het systeem ook niet voorziet in nieuwe verkiezingen.

Ten slotte, voorzitter. Het is moeilijk om de balans tussen autonomie en Koninkrijksverantwoordelijkheid te vinden. Daar krijgen wij dus een discussie over met de staatssecretaris. Een extra probleem is echter – ik noemde het al even – dat het verschil tussen het Koninkrijk en het land Nederland niet heel helder is. Een commissie buigt zich over het democratische deficit. Daar krijgen wij ook nog een discussie over. Het heeft dus geen zin om daar nu al over uit te weiden. Om toch een klein begin te maken: het Statuut heeft een ondoorzichtig Koninkrijk gemaakt, dat niet in normale staatsrechtelijke schema's past. Het Deense parlement is een koninkrijksparlement met vertegenwoordigers van de Fåröer en Groenland, die beide toch intern volledige autonomie hebben. Het Finse parlement vertegenwoordigt de hele republiek, alhoewel de Ålandeilanden volledige autonomie hebben. De structuur van het Verenigd Koninkrijk is eigenlijk vergelijkbaar, al gaat het om veel grotere eenheden. Bij ons is het zo geregeld dat over Koninkrijkswetgeving door alle parlementen gepraat mag worden, maar dat het parlement van het land Nederland de beslissing daarover neemt. Als het echt nodig is, kun je natuurlijk regelen dat er alleen een beslissing wordt genomen als er consensus is. Dat is trouwens nog knap ingewikkeld, zoals wij intussen wel in de gaten hebben. Zelfs dan is het echter formeel nog altijd het Nederlandse landsparlement dat de voor wetgeving vereiste parlementaire goedkeuring geeft. Is dat niet een vreemde regeling? Dit vraag ik vooruitlopend op een volgende discussie. Daar hoor ik de bewindslieden graag kort over. Ook verder ben ik benieuwd naar de antwoorden.

De vergadering wordt van 16.30 uur tot 17.30 uur geschorst.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Voorzitter. Ik ben blij dat wij deze gelegenheid hebben om eens wat uitgebreider dan gebruikelijk met elkaar in gesprek te gaan over het staatkundig proces op de Nederlandse Antillen. Dat is niet alleen een uiterst actueel onderwerp vanwege het referendum op Curaçao van afgelopen vrijdag. Ik kom daar zo nog op terug, want de woordvoerders hebben er ook allemaal over gesproken. Het is ook een onderwerp dat heel breed is. Dat bleek vandaag uit de beschouwingen en dat zagen wij bij de voorbereiding van dit debat ook al. Het bestrijkt het veld van de conceptwetgeving voor de BES-eilanden en de toekomstvisie voor het Koninkrijk, tot Protocol 93 rondom Aruba en de toekomstige samenwerking in het Koninkrijk op het gebied van politie en justitie. Het is door alle sprekers al gezegd: een aantal zaken zal terugkomen bij het wetgevingsproces.

Ik zal proberen aan het merendeel van deze onderwerpen aandacht te besteden en wil samen met de minister van Justitie trachten om het plaatje voor u compleet te maken. Ik wil proberen aan te geven waar wij op dit moment staan in het Koninkrijk – die vraag is daar een aantal uwer gesteld – en waar wij hiervandaan naartoe gaan. Wij zullen het plaatje op een later moment nog nader invullen als wij gaan praten over de voorstellen rondom de consensuswetgeving ten behoeve van de staatkundige veranderingen – ik hoop dat dit zo snel mogelijk aan de orde zal zijn – en de BES-wetgeving, die de transitie van Bonaire, Saba en Sint Eustatius tot een bijzondere gemeente van Nederland mogelijk moet maken. De laatstgenoemde wetgeving hebben wij gisteren kunnen indienen bij de Tweede Kamer. Ik weet niet of u die voorstellen al gezien hebt. Ik zie aan het knikken dat dit zo is. Dat zal dus waarschijnlijk het eerste zijn wat u ter behandeling krijgt.

Ik ben het eens met wat mevrouw Van Bijsterveld zei: veel komt weer terug bij de behandeling van de wetgeving. Het is een beetje zoeken voor ons vandaag. De heel specifieke vragen – een aantal uwer zei dat ook – zullen ongetwijfeld daarin ook weer terugkomen. Wij zullen ons vandaag tot de grote lijn beperken en willen meer op hoofdlijnen stilstaan bij het proces en samen vooruitkijken.

Ik wil beginnen met het referendum. Vooruitkijken is ook wat minister-president De Jongh-Elhage heeft gedaan en wat zij de bevolking heeft voorgehouden met het oog op het maken van een keuze, in het referendum, voor een "ja" of een "nee". In de aanloop naar het referendum heeft minister-president De Jongh-Elhage de bevolking gewezen op het belang van een solide toekomst voor de kinderen en het creëren van nieuwe kansen. Uit uw bijdragen hoorde ik dat het referendum u allen waarschijnlijk net zo heeft beziggehouden al ons. 52% stemden voor en 48% stemden tegen de wijze waarop wij het staatkundige proces nu hebben ingevuld. Ik heb het van het weekend al gezegd, maar wil het hier graag herhalen: ik ben blij dat de meerderheid van de bevolking "ja" heeft gezegd in het referendum op Curaçao. Dat betekent dat het proces van staatkundige vernieuwing door kan gaan op basis van de afgesproken maatregelen voor goed bestuur, voor veiligheid, voor rechtshandhaving en voor solide financiën. Dat zeg ik ook maar tegen de heer Van Kappen, want dat is waar het ons om gaat. Het lijkt mij echter ook belangrijk om hier te zeggen dat het tegelijkertijd zorgelijk is dat een groot deel van de bevolking tegen stemde. Dat lijkt erop te duiden dat de tweedeling wordt bevestigd die al langer bestaat op Curaçao. Dat kan u ook niet ontgaan zijn als u bij het laatste POK was. Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij de bestuurders en politici van Curaçao om de verbinding te zoeken. Ik ben het eens met allen die hebben gezegd dat het daarom van belang is dat minister-president De Jongh-Elhage de hand heeft uitgestoken naar de tegenstemmers. Ik hoop van harte dat de tegenstemmers onder de bevolking en onder de politici die hand zullen pakken en dat politiek Curaçao inderdaad eensgezind aan de slag gaat om het staatkundig proces tot een succes te maken. Dat is in het verleden niet altijd zo geweest. De minister-president heeft de oppositie wel vaker de hand gereikt, maar daar is tot op heden niet op ingegaan. Ik hoop dat dit nu wel gebeurt.

Met het "ja" op het referendum zijn wij nog helemaal niet klaar. Wij beseffen dat als geen ander. Ik zie in dit nipte "ja" een belangrijke verantwoordelijkheid voor de coalitie op Curaçao om de nee-stemmers te laten zien dat de afspraken die wij hebben gemaakt goed zijn. Ik merk voor alle helderheid op dat eensgezindheid bereiken op Curaçao wat mij betreft nooit ten koste kan gaan van de afspraken die wij hebben gemaakt. Daar is geen misverstand over. Wij hebben afspraken gemaakt met het land Nederlandse Antillen, met de bestuurders van Curaçao en Sint Maarten en met de BES-eilanden. Het land Curaçao moet worden opgebouwd, het is een land in wording. Daar moet je met elkaar de verbinding zoeken. Ik denk dat het van belang is dat dit gebeurt.

Vele woordvoerders vroegen naar het tijdpad van en de toetsingscriteria voor het verdere traject. Vanaf 15 december tot nu hebben wij wat betreft het maken van wetten best grote stappen gezet, ook in de ontmanteling. Wij hebben ons in het traject – ik zeg dat nog maar een keer voor alle helderheid – nooit vastgelegd op een einddatum, want die is met te veel onzekerheden omgeven. Zoals bekend, hebben wij wel laten bekijken hoe snel het zou kunnen gaan. Er is bij ons ook nooit een misverstand over geweest dat het parlement gewoon zijn werk moet doen. Dat betekent dat wij het wetgevingstraject goed met elkaar moeten lopen.

Wij hebben ons niet vastgelegd op een datum. Ik kan dus op dit moment nog niet zeggen of verkiezingen op de Nederlandse Antillen nodig zijn en, zo ja, hoe. Natuurlijk hebben wij voortdurend overleg met de bestuurders, maar wij houden ze aan de gemaakte afspraken in het traject. Dat betekent dat de wetgeving er eerst moet zijn. Pas dan kunnen de nieuwe landen ontstaan. Een datum is wat ons betreft nooit in het geding geweest en dat wou ik maar zo zouden. Ik heb al eens uitgelegd dat wij voor de politieke stuurgroepen hebben laten onderzoeken hoe snel het zou kunnen gaan, wanneer wij klaar zouden kunnen zijn. Een datum van eind 2010 lijkt realistischer dan januari 2010. De Kamer kan zich daar ongetwijfeld, ook als wetgever, van alles bij voorstellen.

Alle fracties hebben gevraagd naar de T-RTC, de criteria en de ontmanteling. In de RTC is afgesproken dat Curaçao en Sint Maarten de status van land kunnen krijgen – zo is het gezegd – als zij aan de afgesproken criteria voldoen. Er is dus nooit sprake geweest van een automatisme bij het worden van land. Dat geldt ook heel nadrukkelijk voor Sint Maarten, wat men daar zelf ook over zegt. Gezamenlijk is er in de Slotverklaring van november 2006 een set van criteria vastgesteld en is een aantal afspraken gemaakt over specifieke terreinen. Die liggen met name op de gebieden van rechtshandhaving en financiën, ongeacht de omvang van het eiland. Je kunt daar van alles over denken, zoals de heer Van Kappen deed. Ik denk daar zo af en toe ook het mijne over. Die afspraken zijn echter nu eenmaal gemaakt ongeacht de omvang van het eiland. Ik heb altijd gezegd dat Nederland betrouwbaar is, dus dat wij ons houden aan hetgeen in het slotakkoord is afgesproken en dat wij dat consistent uitwerken.

Ik hecht eraan te benadrukken dat de criteria gezamenlijk zijn bepaald en ook gezamenlijk zijn vastgesteld en dat de toetsing gezamenlijk plaatsvindt. Het is dus niet Nederland alleen dat toetst. De vraag is waar wij naar kijken. Wij kijken ernaar dat de landen vanaf dag één moeten kunnen functioneren. Dat betekent inderdaad dat de toetsing niet alleen op papier zal plaatsvinden, maar dat ook daadwerkelijk naar de praktijk zal worden gekeken. De toetsing zal breed zijn. Een belangrijk criterium is dat het overheidsapparaat toegesneden is op de door hem te verrichten taken. Dat betreft dus niet alleen de rechtshandhavingsinstituties, maar alle onderdelen van het apparaat. Het gaat dus ook om bijvoorbeeld de bevolkingsadministratie, die op Sint Maarten zeker een probleem vormt.

Over de wijze waarop de toetsing precies moet plaatsvinden, zal in juni 2009, dus volgende maand, ambtelijk worden gesproken in het presidium van de voorbereidingscommissie-RTC. Ik kan dat dus nu niet precies melden, maar ik zal het de Kamer zeker laten weten als dat gesprek heeft plaatsgevonden. Uiteindelijk zal op basis van een advies van de voorbereidings­commissie-RTC in een slot-RTC moeten worden beoordeeld of de partners, dus alle partners in het Koninkrijk, er vertrouwen in hebben dat de nieuwe landen ook als nieuwe landen kunnen functioneren. Het spreekt voor mij vanzelf dat hierbij ook wordt gekeken naar de situatie en de blijvende perspectieven voor de toekomst. Het spreekt voor zich dat de opbouw en de afbouw tegelijkertijd moeten plaatsvinden. Hierover vindt overleg plaats met het land Nederlandse Antillen en met de eilandgebieden.

Mevrouw Ten Horn vroeg of voor Sint Maarten wordt overwogen om een protocol à la Aruba op te stellen. Vooralsnog overweeg ik dat niet. Ik vind zelf vijftien jaar nu ook niet zo'n succes, als ik daarnaar kijk. Als Aruba wel klaar is en Sint Maarten niet – dat is mogelijk in theorie – zal daar op dat moment een oplossing voor moeten worden gevonden, ook in overleg met de partners. Als de woordvoerders de debatten in de Tweede Kamer volgen – ik neem aan dat zij dat doen – weten zij dat ik altijd heb gezegd dat wij uiteraard een plan-B hebben. Daar hebben wij ook over gesproken. Het plan-B voor Sint Maarten laten wij nog even ons plan-B, want Sint Maarten mag zich op dit moment bewijzen. Uiteindelijke bekijken wij of het voldoet aan de criteria.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

De staatssecretaris heeft het opnieuw over het vertrouwen dat de diverse partners erin moeten hebben dat de verschillende eenheden land kunnen worden. Ik vind "vertrouwen" zo'n diffuus begrip. Er ligt een aantal criteria. Er wordt getoetst of daaraan wordt voldaan. Als dat niet het geval is, gaat het niet door en als dat wel het geval is, wel. Dat heeft voor mijn gevoel niet zoveel met vertrouwen te maken.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik bedoel dat wij erop moeten vertrouwen dat men echt aan de criteria voldoet. Er wordt gewoon naar de criteria gekeken, zoals ik al heb gezegd. Er is gewoon een lijst met criteria en daar wordt naar gekeken. Op de slot-RTC wordt dat vastgesteld. Het kan dus zijn dat wij moeten vaststellen dat Sint Maarten niet voldoet aan de criteria. Voor Sint Maarten is nog specifiek naar de politie gekeken. Als dat het geval is, moeten wij op dat moment een alternatief hebben.

Mevrouw Ten Horn (SP):

De vraag of de lijst inmiddels compleet is, is nog niet beantwoord. Toen de oorspronkelijke lijst van 44 is vastgesteld, is ook vastgesteld dat er nog 11 items waren die het laatste jaar uitonderhandeld zijn waarvoor de criteria ook nog zouden worden vastgesteld.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Daar zijn wij mee bezig. Dat wordt in de voorbereiding van de RTC in juni besproken. Ik zal de Kamer daarover informeren, zodat zij weet waaraan wij toetsen.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik ben nieuwsgierig waar het gaat om Sint Maarten. Als je ziet wat er straks allemaal aan overheid moet worden gecreëerd, dus het bestuursapparaat en ook de douane politie en ga zo maar door, hoe verhoudt dat zich nu tot de inkomsten van Sint Maarten? Welk percentage daarvan bedragen de kosten? Hoeveel geld moet er straks worden uitgegeven aan de overheid? Is dat allemaal wel betaalbaar? Het is een eiland. Het moet een haven, een luchthaven en een douane-, politie- en bestuursapparaat runnen. Wat kost dat als je dat allemaal bij elkaar optelt? Welk percentage van de verwachte inkomsten van Sint Maarten is dat? Dat heeft voor mij te maken met de vraag of het wel betaalbaar is. Moeten wij in de toekomst elke keer bijspringen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik begrijp dat de achtergrond van uw vraag is of Sint Maarten wel zelfstandig kan worden op basis van wat het moet doen. Wij zouden ons die vraag inderdaad kunnen stellen, maar ik redeneer vanuit het feit dat wij in het Slotakkoord al besloten hebben dat Sint Maarten zelfstandig wordt. Ik heb daar mijn gedachten over en ik heb er ook met de heer Remkes over gediscussieerd. Ik weet hoe het zat en waarom Sint Maarten erbij is gekomen; juist vanuit voorstellen van de heer Remkes. Ik neem dat als een gegeven. Wij hebben dat afgesproken. Wat betreft de financiën maak ik mij het minste zorgen om Sint Maarten. Daar is op dit moment geen sprake van een financieel probleem. Ik maak me eerder zorgen over andere zaken op Sint Maarten. Het is dus een keus geweest om land te worden binnen het Koninkrijk en dat is in het Slotakkoord neergelegd.

Als ik de blauwdrukken zie, vind ik ook wel dat men het een beetje groot bouwt met nogal veel ministeries. Dat is echter niet onze verantwoordelijkheid. De opbouw van het land Sint Maarten is echt de verantwoordelijkheid van het eiland zelf. Wij kijken naar de criteria en de randvoorwaarden die wel onze verantwoordelijkheid zijn. Ik heb wel een beoordeling over de vraag of het kan naar aard en schaal, maar dat is niet relevant want het is aan Sint Maarten zelf om dat op te bouwen. Voor mij is relevant dat er sprake is van goede rechtshandhaving, het niet meteen in financiële problemen komen en deugdelijkheid van het bestuur. Die dingen wegen op Sint Maarten veel zwaarder dan elders. Dat blijkt ook uit het WODC-rapport en uit eerder gevoerde debatten.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik begrijp dat de staatssecretaris deze positie inneemt, maar ik ben gewoon nieuwsgierig of is uitgerekend hoeveel van de overheids­inkomsten wegvloeit naar het bestuursapparaat en hoeveel er over blijft om vrij te besteden. Is daar ooit naar gekeken?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Wij weten wel wat Sint Maarten doet in de opbouw. Ik kan best bekijken of wij daarover in de toekomst iets kunnen zeggen.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik zou het heel fijn vinden als ik daarover iets kan horen. Wat gaan wij doen als straks blijkt dat het onbetaalbaar is, dat er meer geld in dat overheidsapparaat moet en dat er te weinig inkomsten zijn? Gaan wij dan bijspringen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Nee. Wij geven nu nog een financiële bijdrage en de heer Van Kappen weet ook dat wij het samenwerkingsbeleid afbouwen. Wij gaan ervan uit dat ook het land Sint Maarten een goede startpositie kan hebben en dat dit de reden is waarom wij geen ontwikkelingssamenwerkingsbeleid voor Sint Maarten meer hoeven te hebben in de toekomst. Dat wordt afgebouwd.

Mevrouw Ten Horn vroeg of de bestuurscolleges hun goedkeuring hadden gegeven aan het hele ontmante­lingstraject. Voor de ontmanteling van het land Nederlandse Antillen proberen wij in samenspraak met het land zo veel mogelijk aan te sluiten bij de voorstellen die door het land op dit vlak worden gehanteerd. Wij gaan binnenkort de planning die wij voor de overname van taken voor de BES hebben gemaakt, bespreken in de ministerraad. Vervolgens zullen wij met het land en de eilandgebieden in overleg treden over de tijdstippen en de wijze waarop de taken kunnen worden overgebracht. Aan de opbouw van de BES wordt op de eilanden zelf heel voortvarend gewerkt. Ik zal daar zo nog wel meer over zeggen. Alle departementen op de BES hebben inmiddels kwartiermakers. Die maken plannen van aanpak. Ik zal zo nog op de specifieke vragen over de RSC's ingaan.

Wij moeten niet doen alsof alles in het staatkundig proces draaide om het referendum op Curaçao. Het staatkundig proces is meer dan Curaçao alleen, zoals wij zojuist al bij de datumkwestie en de criteria aan de orde hadden. Sint Maarten volgt zijn eigen weg naar grotere zelfstandigheid en ook met Bonaire, Sint Eustatius en Saba beginnen wij echt op stoom te komen. Het referendum markeert echter wel een moment. Er is tot nu toe veel discussie geweest over de vormgeving van de wet- en regelgeving die geleid heeft tot de Ronde Tafel Conferentie van december en dit referendum. Wat ons betreft is dat nu voorbij. Wij willen graag vooruitkijken en meters maken; een beetje zoals mevrouw Van Bijsterveld aangaf.

De laatste keer dat wij bij elkaar gezeten hebben om de afspraken verder in te vullen, is in de politieke stuurgroep van maart geweest. Het verslag daarover heeft de Kamer van mij op 20 april ontvangen. In die vergadering is een volgende stap gezet in het bouwen aan de verantwoordelijkheid van Curaçao en Sint Maarten. Met het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen zal bij de invulling van de projecten een hogere mate van verantwoordelijkheid voor het eilandgebied zelf worden gerealiseerd. Hiermee zullen Curaçao en Sint Maarten in toenemende mate hun verantwoordelijkheid kunnen waarmaken in de opbouw van hun eigen politieapparaat. De minister van Justitie zal zo ingaan op de vragen over de politiewetgeving. Op het terrein van het vreemde­lingenbeleid is afgesproken om intensiever samen te werken. Er is een regeling overeengekomen die bijdraagt aan de samenwerking bij het tegengaan van illegale immigratie, mensenhandel en mensensmokkel. Ook hierop zal de minister van Justitie nog ingaan.

Tijdens deze vergadering is naar aanleiding van de gezamenlijke adviesaanvraag rondom de consensusrijkswet Openbaar Ministerie aan de Raad van State ook gesproken over de zogenaamde aanwijzingsbevoegd­heid. Wij hebben toen gezamenlijk specifieke aandacht gevraagd voor die aanwijzingsbevoegdheid. De Raad van State was daarover kritisch. Wij hebben daarover overeenstemming bereikt. Ook dit onderwerp zal door de minister van Justitie worden toegelicht.

Ik wil ingaan op de voortgang van de wetgeving en de keuzes op met name het terrein van de BES-wetgeving. Ik heb al het een en ander over de wetgeving gezegd. Over de vormgeving van de wetgeving van de BES-eilanden heb ik met beide Kamers in het afgelopen jaar overleg gehad. Ik wil kort iets zeggen over hoe wij dat voor ogen hebben. In zijn algemeenheid kenmerkt de BES-wetgeving zich door de volgende uitgangspunten. Er komt een invoeringswet BES waarin algemene regels gesteld worden over het recht dat van toepassing wordt in de BES en waarin zo veel mogelijk het algemene overgangsrecht wordt geregeld. Het algemene uitgangspunt is dat er bij aanvang van de nieuwe staatsrechtelijke positie van de BES zo veel mogelijk van het bestaande Antilliaanse recht van toepassing blijft; daarover hebben wij nooit misverstand laten bestaan. Er is ook een lijst waarop dit allemaal te zien is. De tot Nederlands recht omgevormde Nederlands-Antilliaanse regelingen worden in een rijksbrede Aanpassingswet BES aangepast voor toetsing in het Nederlandse rechtssysteem. Op bepaalde beleidsterreinen zal BES-regelgeving tijdelijk op een lager niveau kunnen worden vastgesteld, waar de materie voor Nederland op het niveau van formele wet is geregeld.

De heer Engels zei dat op dit onderdeel voor een pragmatische aanpak is gekozen. Dat is in ieder geval mijn samenvatting van zijn woorden. Ik dacht: dat sluit mooi aan bij zijn partij en achtergrond. Hij had vanuit de Groningse gang toch een paar kritische kanttekeningen. Ik ben daar blij om. Ik debatteer op het terrein van BZK wel met meer Groningse hoogleraren, maar dit keer spreekt er maar één Groningse hoogleraar. Hij vroeg of ik deze delegatiebepalingen en de gemaakte keuzes wil toelichten. Natuurlijk doe ik dat. Daar laat ik het bij wat betreft de achtergrond van de wetgeving. Het wetsvoorstel is inmiddels ingediend bij de Tweede Kamer. Wij komen daar dus nog uitgebreid verder over te spreken.

Dan nog een aantal specifieke vragen over de BES-eilanden. De eerste vraag had betrekking op de rol van de RSC's en de ervaring daarmee. De vondst van die RSC's was een heel belangrijke, want zij vormen de verbindingsschakel tussen de eilanden en Den Haag, in beide richtingen. Daarover geen misverstand. De kwartiermakers gaan in samenspraak met de eilanden de plannen van aanpak uitvoeren. Daarnaast zullen ze, want daar zijn ze ook voor, signalen vanuit de eilanden in Den Haag kenbaar maken. Over de taakverdeling tussen de regionale servicecentra, die wij oorspronkelijk uitvoeringskantoren noemden – de nieuwe term sluit echter beter aan de bedoeling ervan – wordt door de RSC's en de eilandbesturen momenteel een voorstel ontworpen, waarin komt te staan wat in de toekomst de gewenste verdeling is. Het is namelijk van groot belang dat men zich niet beweegt op elkaars terrein. Dat voorstel wordt natuurlijk met de eilandbesturen besproken. Wij zullen daarbij rekening moeten houden met het absorptievermogen van de eilandbesturen. Wij moeten ons tevens realiseren dat het allemaal vrij klein en van een beperkte capaciteit is.

Er is ook gevraagd wat het RSC betekent voor de burger. Het RSC is een informatiepunt voor de rijksoverheid in brede zin. Daar is ook rekening mee gehouden bij de inrichting van de kantoren. Een delegatie van dit parlement heeft inmiddels een bezoek gebracht aan de RSC's. De RSC's vervullen ook een loketfunctie voor de rijksoverheid. De RSC's zullen voor de burger een belangrijke rol gaan spelen als het gaat om de uitvoering van een aantal overheidsvoorzieningen, zoals de sociale zekerheid en de ziektekostenverzekering. De RSC's kunnen ook vragen op dat punt beantwoorden. Na de RTC ben ik met een aantal mensen op pad gegaan om de RSC's te openen. Er was een drietalige folder ontworpen. Het viel mij op dat de folders snel op waren. Er was dus wel degelijk heel veel belangstelling bij de bevolking voor de RSC's. Het risico dat het RSC als een extra bestuurslaag op de BES-eilanden gaat werken, zie ik niet. Ik zie het RSC veel meer als een bedrijfsverzamelgebouw voor de Nederlandse ministeries dat zich met de uitvoering bezighoudt. De Rijksvertegenwoordiger, nu nog Commissaris voor de BES, speelt daarbij een coördinerende rol, ook richting Nederland.

Daarmee kom ik bij die Commissaris voor de BES. Mevrouw Lagerwerf vroeg naar het beeld dat in de Antilliaanse pers van de heer Kamp wordt geschetst, maar ik kan dat geenszins onderschrijven. De heer Kamp rapporteert mij elke week over zijn werkzaamheden. Als hij zich op de BES ergens presenteert, zeg hij er altijd keurig bij dat hij als mijn rechterhand werkt. Ik ben ervan overtuigd dat hij zijn werkzaamheden met heel veel energie en enthousiasme ter hand heeft genomen. Mocht de delegatie van dit parlement daar weer een keer gaan kijken, dan zal men dat ook constateren. De heer Kamp is dus niet alleen zeer betrokken, hij is wel degelijk ook kritisch op een aantal zaken. Dat is nodig om in dit proces het beoogde resultaat te bereiken, want wij hebben nogal wat voor ogen. Het is niet zomaar iets waarmee wij bezig zijn. Ik sluit niet uit dat dit niet altijd door alle betrokkenen als prettig wordt ervaren, maar dat is inherent aan de functie van de commissaris en aan de uitvoering van de politieke besluiten die wij nemen. Naar mijn vaste overtuiging hebben wij daar goed contact over. Een voorbeeld. De laatste tijd is er hard gewerkt aan de ruimtelijkeordeningskant. Er is op Bonaire een voorbereidingsbesluit genomen. Mevrouw Linthorst heeft daar regelmatig naar gevraagd. Er wordt tevens hard gewerkt aan de bestemmingsplannen, ook met behulp van technische assistentie. Het wordt niet altijd leuk gevonden dat dit gebeurt, maar het is wel van heel groot belang, want dan kan er tenminste niet meer worden gerommeld met grond. Dat is een kwestie die beide Kamers mij in brede zin altijd voorhouden. Wij volgen een en ander nauwgezet en wij spreken zelf ook met de bestuurders.

Mevrouw Van Bijsterveld heeft een vraag gesteld over de toestroom van de bevolking naar de BES-eilanden door het verhoogde voorzieningenniveau. Vooralsnog is er geen aanleiding voor zorg over zo'n toestroom. Het voorzieningenniveau is een van de gronden waarop wij kunnen afwijken. Er wordt geen Nederlands bijstandsniveau ingevoerd. Er wordt rekening gehouden met de lokale en regionale context, want het zijn eilanden, gelegen in het Caribische deel. Lokaal personeel wordt geworven op lokale arbeidsvoorwaarden. Het lokale personeel dat wij aanstellen, wordt echt geworven op basis van lokale arbeidsvoorwaarden. De uitkeringsniveaus worden specifiek voor de eilanden bepaald en op een bepaald niveau gebracht. Er zijn overigens nog andere instrumenten om de toestroom te beperken, op basis van de rijkswet op het personenverkeer, maar daarover zal de minister van Justitie spreken.

Er is een aantal vragen gesteld over de Grondwet en het Statuut. Ook daar zal de minister van Justitie op ingaan. Met de Antillen, Curaçao en Sint Maarten hebben wij afgesproken dat de wijziging van het Statuut zich zal beperken tot het hoogst noodzakelijke. Wij zijn bezig met een ingewikkeld proces, namelijk met het opheffen van een land en het opbouwen van twee nieuwe landen, terwijl drie eilanden onderdeel van Nederland worden. Een discussie over het Statuut is zeker zinnig. In dat kader kijken wij ook naar de motie van de heer Schuurman, maar die loopt nog te veel door het traject heen. Dat zullen wij dus op een later moment doen. Ik kom er zo nog uitgebreider op terug als ik kom te spreken over de toekomst van het Koninkrijk.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voorzitter. Wij spreken dus later over het Statuut, maar is dan niet het momentum voorbij? In dit kader stelde iemand dat je aan elkaar vastgeketend zit. Dat betekent dat je gezamenlijk moet besluiten om die ketenen los te willen maken. Als de stap tot autonomie is gezet en als die autonomie is verworven, hebben de eilanden er dan nog wel belang bij om na te denken over een ander Statuut?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Volgens mij wel. Wij hebben er allemaal belang bij, niet alleen de eilanden, maar wij ook, goed na te denken over de toekomst en over hoe wij met elkaar willen omgaan. Er is altijd sprake van een weging, maar wij hebben een en ander zodanig gewogen dat wij nu, ook vanwege de ingewikkeldheid van het traject, alleen de hoogst noodzakelijke dingen doen om het proces verder vorm te kunnen geven.

De heer Van Kappen (VVD):

Voorzitter. Nog even iets over het voorzieningenniveau. Ik heb het omschreven als een Catch-22-situatie. Je probeert een voorzieningenniveau te creëren dat ook in Nederland acceptabel is, maar niet te veel aanzuigende werking heeft op de mensen in het gebied. Mijn vraag was: hoe stel je dat vast? Is dat een eenmalige vaststelling, moet je het om de twee jaar bijstellen, of is er een systeem dat start op dit niveau en langzaam toegroeit naar een ander niveau? Ik ben nieuwsgierig hoe de staatssecretaris dit oplost.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

De minister van Sociale Zaken is hiernaar aan het kijken. Op dit moment is men bezig met een economisch onderzoek in de regio. Op basis van de afspraken die in den beginne zijn gemaakt, wordt bekeken, beginnend bij Curaçao, wat wij acceptabel vinden. Het antwoord daarop kan ik nog niet geven. De Kamer zal daarover in de komende tijd zeker nog met de minister van Sociale Zaken spreken, die hiervoor uiteindelijk verantwoordelijk wordt. Er wordt dus goed gekeken naar de situatie op de drie eilanden, naar het fiscale systeem dat wordt ingevoerd, naar de economische situatie in de regio en naar de omliggende eilanden. Op basis daarvan wordt een beginniveau vastgesteld.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik begrijp het. Voor mij is de grote vraag welk criterium wordt aangelegd. Wat is in Nederland nog een minimaal acceptabel niveau? Dat is immers de andere kant van de vergelijking. Je wilt een niveau hebben dat geen aanzuigende werking in de regio uitoefent, maar het moet wel minimaal aanvaardbaar zijn in Nederland. Hoe meet je dat? Ik begrijp dat ik daarop antwoord krijg van de minister van Sociale Zaken.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja. Is dat niet mooi?

De heer Van Kappen (VVD):

Hartstikke mooi!

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

De heer Van Kappen heeft inderdaad een vraag gesteld over de aanzuigende werking. De bestuurders op de drie eilanden willen die ook niet. Wij hadden het zo-even over de ruimtelijke problematiek, en de heer Van Kappen sprak in zijn betoog over de aard en de schaal. Ik weet niet of hij hierover al eens heeft gesproken met de bestuurders, bijvoorbeeld op Bonaire. Zij zien dit als een groot gevaar voor hun samenleving. Als het niveau van de sociale zekerheid te hoog zou worden, kunnen de aard, de schaal en de charme van het eiland Bonaire niet in stand blijven. Men heeft daarvoor dus wel degelijk zelf oog. Een van de dingen die aan de orde is gekomen in de voorlichtingsbijeenkomsten die ik niet zo lang geleden op alle eilanden heb gehouden, is het feit dat in de afgelopen jaren met name op Bonaire veel Nederlandse pensionado's zijn komen wonen. Dat verandert voor een deel het karakter van het eiland. Het is dus wel degelijk van groot belang om goed te bekijken wat je doet. Daarom vind ik niet alleen de ruimtelijke planning maar ook de rijkswet personenverkeer, waarover dadelijk gesproken zal worden, van zo groot belang. Je moet daarnaar dus in de hele breedte kijken.

Voorzitter. Ik ben toe aan Aruba. Over het Statuut heb ik zonet heel kort iets gezegd. Daarop gaat de minister van Justitie verder in. Het Statuut en de wijzigingen die daaruit voortvloeien, brengen mij automatisch op het protocol.

De heer Laurier (GroenLinks):

Ik begrijp dat het hoofdstuk van de BES-eilanden is afgesloten. Een van de vragen die ik daarover heb gesteld is deze. Als je kijkt naar de maat van de BES-eilanden en de voorzieningen die men nodig heeft, bijvoorbeeld uit het oogpunt van bereikbaarheid – denk aan de haven, de luchthaven en alles wat daarbij hoort – is dat dan te dragen voor deze eilanden met de middelen die ze krijgen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Daar is naar gekeken. Er is oorspronkelijk een berekening gemaakt van wat er aan geld nodig is voor die eilanden. Daarbij moet je er rekening mee houden dat er op Bonaire inderdaad een luchthaven is, en dat deze een levenslijn vormt voor zo'n eiland. Hetzelfde geldt voor Saba en Sint Eustatius. Een van de leden vroeg hoe dit met Sint Maarten geregeld wordt als het om Service Level Agreements gaat. Nederland maakt voor deze eilanden afspraken met Sint Maarten, en ik denk dat het beter wordt dan in het verleden, doordat wij dat heel strak en consciëntieus doen. Wij hebben toch wat meer juridische kennis en kunnen dit wat beter afspreken, denk ik. Er is gewoon een basisberekening gemaakt van wat op zo'n eiland nodig is. Daarbij is ook met dit soort zaken rekening gehouden. Er is rekening gehouden met aanvliegroutes. Aangezien Winair een overheids-NV is, moeten wij ook bekijken hoe wij dat uiteindelijk willen regelen.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Wij hebben naar schatting een halfjaar geleden de decentralisatie van de luchthavens hier besproken. Van een aantal regionale luchthavens werd gesteld dat ze een zo groot, regio-overstijgend belang hadden, dat dit toch centraal geregeld moest worden. Zou dit er niet voor pleiten om dat ook met de luchthavens overzee te doen? Wij kunnen constateren dat sommige luchthavens een overstijgend belang hebben en dat de Staat der Nederlanden zich daarvoor verantwoordelijk voelt; en dat niet alleen binnen de context van de Antillen en de schuldsanering enzovoorts.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik zal over dit punt met de collega van Verkeer en Waterstaat moeten spreken. Ik heb het debat over de regionale luchthavens niet helemaal voor ogen. Wel woon ik vlak bij een regionale luchthaven; dat deel heb ik dus wel gevolgd. Maar het is niet voor niets dat wij ons de staat van de luchthaven op Bonaire hebben aangetrokken. Dat was op zich een omstreden punt in de Tweede Kamer. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft geld vrijgemaakt om in ieder geval de luchthaven op Bonaire aan basale veiligheidsvoorwaarden te laten voldoen, mede naar aanleiding van een inspectierapport. Zo zullen wij wel degelijk ook op Saba en Sint Eustatius kijken. Dat moet de minister tot zijn verantwoordelijkheid rekenen, en dat doet hij ook. Er is geld voor vrijgemaakt, zodat de meest basale zaken op Bonaire kunnen worden geregeld. Wij hebben zelf op de begroting van BZK geld vrijgemaakt om de brandweervoorzieningen op peil te brengen. In de toekomst zullen wij daar verder naar kijken.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Komt de staatssecretaris nog terug op de vraag of dit ook zou moeten gelden voor het vliegveld op Sint Maarten?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik was niet van plan om daarop terug te komen, maar nu mevrouw Linthorst mij dit zo vraagt, moet dat natuurlijk wel. De luchthaven van Sint Maarten moet natuurlijk ook aan de internationale voorwaarden voldoen, maar die luchthaven blijft in de toekomst van Sint Maarten. Ik heb gehoord wat mevrouw Linthorst in haar inbreng naar voren bracht over het verschil in verantwoordelijkheden. Dit punt willen wij daar laten. Wij hebben alleen te maken met afspraken die wij maken voor Saba en Sint Eustatius. Daarvoor moeten wij bekijken of het aan de minimale eisen voldoet.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Komt de staatssecretaris hierop nog terug in de context van wat wij minimale randvoorwaarden vinden voor het Koninkrijk? Daar hoort Sint Maarten immers wel bij.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Als het gaat om de waarborgkant et cetera.

De heer Van Kappen (VVD):

Mijn vraag ligt in het verlengde van wat mevrouw Linthorst naar voren heeft gebracht en in het verlengde van mijn vraag over het voorzieningenniveau. Op Saba en Sint Eustatius is de situatie, heel concreet, nu zo: als iemand midden in de nacht een hartaanval krijgt, is het heel lastig om hem van het eiland af te krijgen. Bovendien zijn de vliegtuigen van Winair verkocht. Die worden nu geleaset. Het is kortom heel lastig om de connectie te maken tussen Saba en Sint Eustatius, met name als het gaat om medische noodgevallen. Is dit iets wat wij moeten regelen, nu deze eilanden straks openbare lichamen zijn bij het land Nederland? Binnen Nederland kan het niet aanvaardbaar zijn dat iemand die een hartaanval krijgt, niet vervoerd kan worden. Hoe gaan wij dat doen? Gaan we er een helikopter inzetten? Gaat de kustwacht het doen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat kan allemaal. Wij hebben afgesproken dat wij dat regelen. Wij vinden dit niet aanvaardbaar en hebben daarover een afspraak gemaakt. Het kan een helikopter zijn en het kan de kustwacht zijn. De zorg moet zeven keer 24 uur bereikbaar zijn, ook voor de inwoners op Saba en op Sint Eustatius. Die afspraak hebben wij gemaakt met de minister van VWS en wij zullen er dus voor zorgen dat dit geregeld wordt.

De heer Van Kappen (VVD):

Daar ben ik heel blij om. Dank u wel.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

De bestaande situatie is inderdaad niet aanvaardbaar. Dit is, naast het onderwijs, een van de eerste punten die wij hebben opgepakt. Zoals ik al heb laten weten in een informeler gesprek, hebben wij voor de BES-eilanden gekozen voor een aantal prioritaire gebieden waarmee wij als eerste aan de slag gaan. Veiligheid, onderwijs en volksgezondheid zijn daarin belangrijke punten. Dit punt is dus ook door ons opgepakt.

Ik ga verder met Aruba en het Protocol van 1993. Zoals ik u heb geschreven, meen ik inderdaad dat aan een belangrijk deel van de afspraken met Aruba tegemoet is gekomen. Veel onderwerpen uit de afspraken zijn op diverse manieren actueel gebleven en hebben nooit aan actualiteit ingeboet. De actieve uitvoering van het protocol heeft jarenlang weinig aandacht gehad, niet alleen van de Arubaanse, maar ook van de Nederlandse regering. Op diverse manieren is er wel steeds aandacht voor onderliggende onderwerpen geweest, wat ook in meer of mindere mate tot activiteiten heeft geleid, veelal in een andere context dan in de context van het Protocol van 1993. Hierdoor is aandacht geweest voor en uitvoering gegeven aan een belangrijk deel van de afspraken. Wel is het nodig om die afspraken te actualiseren aan de huidige tijd en situatie. De staatkundige ontwikkelingen in de Nederlandse Antillen zijn hierbij uiterst relevant. Ik wil met Aruba afspraken maken over die actualisering en bezien hoe hiermee aangesloten kan worden bij afspraken die met Curaçao en Sint Maarten zijn gemaakt.

Een belangrijk aandachtspunt daarbij is hoe de geactualiseerde afspraken daadwerkelijk tot uitvoering worden gebracht. Mevrouw Ten Horn heeft terecht gezegd dat het daaraan heeft ontbroken. Ik denk oprecht dat Aruba en zijn bevolking gebaat zijn bij een verdere uitvoering van deze onderwerpen, net als andere landen binnen het Koninkrijk. De onderwerpen uit het Protocol blijven belangrijk en hebben mijn aandacht. Ik zal mij ervoor inzetten dat ze uitvoering krijgen.

Dit brengt mij op de vraag van de heer Van Kappen over de visie op de staat van het bestuur op Aruba; mevrouw Linthorst ging er ook heel uitgebreid op in. Ik heb inderdaad een toezegging gedaan aan de Tweede Kamer om er uitgebreid naar te kijken, omdat ik mij met u zorgen maak over Aruba. Ik zal volgende week op verzoek van de Tweede Kamer – dat is nog steeds mijn planning – een overzicht van de staat van het bestuur en de rechtshandhaving aan de Tweede Kamer doen toekomen. Ik zal u daarvan een afschrift sturen. Vooruitlopend daarop kan ik u wel zeggen dat een aantal signalen mij zorgen baart. Mevrouw Linthorst heeft dat min of meer zo gezegd en ook de heer Van Kappen noemde het heel nadrukkelijk. Ik wil dan ook met Aruba overleggen – dat zal een van mijn conclusies zijn – over verdergaand onderzoek naar de staat van het bestuur en de rechtshandhaving. Nu kan er om de reden die de heer Van Kappen heeft genoemd niet een heel systematisch beeld ontstaan op basis waarvan wij een goede beoordeling kunnen maken en ook kunnen kijken welke maatregelen wij moeten nemen, wat noodzakelijk is en wat niet, en op welk niveau maatregelen moeten worden genomen door Aruba zelf of door het Koninkrijk. Deze vraag is terecht opgeworpen. Op basis van datgene wat wij nu zelf op papier kunnen krijgen, kunnen wij dat niet goed genoeg beoordelen. Ik denk dat er nader onderzoek nodig is. Dat is ook de reden waarom ik gesprekken voer met de regering van Aruba. Ik denk hierbij aan een wetenschappelijk onderzoek à la het WODC-onderzoek dat wij over Sint Maarten hebben gezien. Ik moet er nog verder over praten. Ik acht het heel goed denkbaar dat op basis van de resultaten van dat onderzoek ook met Aruba kan worden gesproken over bijvoorbeeld aansluiting bij consensusrijkswetten. Dat moeten wij afwachten. Ik wil er heel kritisch en serieus naar kijken, omdat ik mij met u zorgen maak over datgene wat is gezegd. Het punt van de aansluiting bij de consensusrijkswetten kwam van mevrouw Lagerwerf. Ik sluit niet uit dat wij er na dat onderzoek over spreken.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Houdt dat wetenschappelijk onderzoek dan ook de mogelijkheid in om onder ede te verhoren en om vertrouwelijke informatie in te zien?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Bij een wetenschappelijk onderzoek kan het eerste niet. Vertrouwelijke informatie kan vaak wel worden ingezien. Ik heb het punt gehoord dat u hebt ingebracht. Ik bezin mij er op het ogenblik op hoe dat verder vorm moet krijgen. Omdat u er zo nadrukkelijk naar vroeg, vond ik dat ik dit punt hier naar voren moest brengen. Ik zal kijken of het tot meer kan leiden.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Het is heel verheugend om te horen dat de staatssecretaris deze stappen wil zetten. Ook de CDA-fractie vindt dat belangrijk. Toch wil zij er in dit verband op aandringen dat zo'n onderzoek weliswaar goed, maar ook een beetje snel wordt uitgevoerd. Als ik mij niet vergis, heeft het WODC-rapport een jaar of drie op zich laten wachten. Voor de verhoudingen en voor de hele staatkundige hervorming, hoewel Aruba daarbuiten staat, is het heel belangrijk dat het niet een heel lang slepende zaak wordt.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dit lijkt mij een terechte opmerking. Het WODC-onderzoek over Sint Maarten heeft behoorlijk wat tijd in beslag genomen. Zelf dacht ik aan een halfjaar. Ik kan het u op dit moment niet zeggen, want ik moet er nog naar kijken. Een van uw collega's zegt dat het wellicht korter kan, maar er moet wel zorgvuldig naar worden gekeken. De signalen zijn best zorglijk en wij kunnen zelf niet alles boven tafel krijgen op basis van de huidige informatie. Daarom moet er verder naar worden gekeken. Dan heb je zo een halfjaar nodig om er goed naar te kijken.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

De staatssecretaris sluit niet uit dat wij na het onderzoek de weg van aansluiting ingaan. Bedoelt zij daarmee dat zij ook de grondslag wijzigt op grond van artikel 43, de waarborgfunctie?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat zou kunnen. Ik sluit geen enkele mogelijkheid uit, maar wat mij betreft krijgen wij eerst de feiten.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik wilde graag weten op grond van welk artikel de staatssecretaris dat doet, want het kan natuurlijk ook worden opgevat als inmenging in de interne aangelegenheden van Aruba. Dat vind ik niet; ik vind het ook een Koninkrijksaangelegenheid. Wij zijn in ieder geval ontzettend blij dat de staatssecretaris onze zorg deelt en dat er iets aan zal worden gedaan.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik kom bij de vraag van mevrouw Van Bijsterveld over de overheidsfinanciën van Aruba en de zorgen daarover. Zij heeft mij gevraagd een beoordeling daarvan te geven en te melden hoe het periodiek overleg verloopt. Wij hebben periodiek overleg met Aruba over de financiën. In de brief over het Protocol van 1993 heb ik er iets over gezegd. Wij zijn toen overeengekomen dat de overheidsfinanciën van Aruba op dat moment relatief gezond zijn, dat de schuld beheersbaar is en dat er een laag overheidstekort is. Ik zeg er serieus bij dat Aruba op het terrein van de financiën een belangrijke prestatie heeft geleverd, want er is nooit sprake geweest van schuldsanering. Voor de Antillen gaan wij daar wel toe over om het land een goede startpositie te geven, maar voor Aruba is dat nooit het geval geweest. Ik heb op dit moment niet zo veel zorgen over de financiën, omdat men er heel strak op gestuurd heeft. In het periodiek overleg tussen de ministers van Financiën en mij worden financieel-economische zaken regulier besproken. Ik heb op dit moment geen aanleiding om mij extra zorgen te maken ten opzichte van datgene wat ik u heb geschreven. Er is net veel kritiek van mijn kant over tafel gegaan in de richting van Aruba. Daarom is het goed om te zeggen dat men zonder die schuldsanering heel veel heeft bereikt in de huidige economische situatie. Dat mag ook wel eens worden gezegd.

Ik kom bij de vraag van mevrouw Van Bijsterveld over de visie op het Koninkrijk.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

Ik had nog een vraag gesteld over de leerplicht op Aruba. Wat mij betreft, mag die ook in tweede termijn worden beantwoord.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik herinner mij nu uw vraag. Ik zal het navragen, want men was bezig de leerplicht in te voeren. Ik zal er in tweede termijn op terugkomen.

Ik was aangekomen bij de visie op het Koninkrijk. Ik wil in het komend jaar een discussie voeren over de vraag hoe wij naar het Koninkrijk en naar de toekomst moeten kijken. Daar komt wat mij betreft ook het Statuut bij kijken. Hoe wil ik dat oppakken; hoe wil ik er in eerste instantie aan beginnen? Wij zijn nog druk bezig met het staatkundige traject, dat ook veel van ons vergt. Collega Hirsch Ballin heeft mij er al herhaaldelijk op gewezen dat het niet door elkaar moet lopen. Toch vind ik het van belang dat we dat doen, dat we ook naar de toekomst kijken, zoals mevrouw Van Bijsterveld terecht zei. Ik wil daaraan eigenlijk invulling geven door in eerste instantie verschillende wetenschappers een essaybundel te laten schrijven, en daarnaast een serie symposia te organiseren in Nederland, maar ook op Aruba en de Nederlandse Antillen. Zowel de motie van de heer Schuurman over de herijking van het Koninkrijk en de relaties binnen het Koninkrijk en de daarvoor benodigde wijziging in het Statuut, als de motie van de heer Remkes over de waarborgfunctie – hier maak ik apart een notitie over – zal onderdeel van dat traject moeten zijn.

Natuurlijk realiseer ik mij dat de Kamers ook zelf nog de commissie-Brooks aan het werk hebben, als uitvloeisel van het POK over het democratisch deficit. Dat zou best ook interessant kunnen zijn om te betrekken bij die discussie over de toekomst. De vaste commissie voor NAAZ van beide Kamers zal dan ook zeker worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen, om op een gezamenlijke, meer fundamentele wijze te kijken naar de manier waarop we in de toekomst de samenwerking in het Koninkrijk willen vormgeven. Ik meen dat dit heel goed aansluit bij datgene wat mevrouw Van Bijsterveld naar voren bracht; die visie op het Koninkrijk is inderdaad van groot belang. We zijn nu heel intensief met die staatkundige wijzigingen bezig. Ik heb wel altijd gezegd, we wijzigen de staatkunde niet omdat we het zo leuk vinden om de staatkunde te wijzigen, maar omdat het wat moet betekenen voor de bevolking. Het geld moet daadwerkelijk terechtkomen bij mensen die het ook nodig hebben, maar het is wel degelijk van belang om daar ook wat overheen te kijken en te kijken naar welke verwachtingen je hebt van de toekomst. Dat zullen we erbij betrekken.

Ook vind ik dat we erbij moeten betrekken de vraag wat het aflopen van de samenwerkingsprogramma's betekent voor de relatie tussen de landen. Het gaat dan niet alleen om de spanningsvelden tussen waarborgfunctie en autonomie, maar ook om de interculturele dimensie. Ik vind dat juist het element van de waarden die we hebben binnen het Koninkrijk te weinig naar voren komt. Ik ken het rapport "Naar een Salsa op klompen", ik heb het zelfs in ontvangst genomen. In het kader van deze hele operatie zouden wij met elkaar, ook met het oog op de toekomst, deze waarden goed in ogenschouw moeten nemen.

Bovendien wil ik kijken naar een soort agenda voor het Koninkrijk, waarbij ook die bredere Statuutswijziging betrokken zou kunnen worden. Ik denk dat dit voor nu voldoende reactie is op het punt dat door mevrouw Van Bijsterveld is ingebracht.

Dan heb ik nog een aantal losse vragen te beantwoorden. De heer Van Kappen heeft een vraag gesteld over afdoende voorzieningen op Curaçao en Sint Maarten. Hij heeft in relatie tot het overheidsapparaat op Sint Maarten specifiek gevraagd of Nederland opnieuw zal bijspringen. Daarop is het antwoord "nee". Dat geldt in brede zin, dus ook voor andere voorzieningen. Nu wij met de schuldsanering zijn begonnen, ben ik ervan overtuigd dat er voldoende ruimte is op de begrotingen van de eilanden om middelen te heralloceren naar uitgaven aan bijvoorbeeld gezondheidszorg, sociale zaken en armoedebestrijding. Ik was het heel erg eens met diegenen die zeiden: laat dan de coalitie ook de oppositie daarbij betrekken om hier de verbinding in te zoeken naar de noden die er inderdaad op het eiland zijn. Uiteraard hoop ik dat juist aan dit type doelen ook aandacht besteed wordt. Daarvoor zijn wij niet aan zet. Wij kunnen wel benadrukken in de richting van de eilanden dat wij dat belangrijk vinden, maar uiteindelijk gaan de eilandbestuurders daar zelf over. Wij kijken slechts of het financieel toezicht zich binnen de afgesproken voorwaarden beweegt. We hebben ons overigens niet voor niets zo ingezet voor die gezonde financiële startpositie.

De heer Van Kappen (VVD):

Ik begrijp dat en ik begrijp ook wat u zegt. Wat wij graag zouden willen weten, is wat nu eigenlijk de grenzen van die waarborgfunctie zijn. Als straks Curaçao een autonoom land is en de gezondheidszorg daar door de vloer heen zakt omdat die toch op een of andere manier niet te betalen is, valt dat dan onder de waarborgfunctie? Als ze daar beneden de minimale eisen die we binnen het Koninkrijk als aanvaardbaar achten zakken, gaan wij dan weer de portemonnee trekken? Hoe lossen we dat op? Of zeggen we: laat ze maar door de bodem zakken? Dat kan toch ook niet?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

In principe valt het niet onder de waarborgfunctie. Gezondheidszorg is aan de eilanden zelf, net zoals onderwijs en andere taken. Zoals u weet, heb ik inderdaad een notitie toegezegd over die waarborgfunctie en de reikwijdte. Wat we nu hebben gecreëerd, is een eenmalige unieke kans voor de eilanden, ook om die gezonde startpositie te hebben. We hebben met elkaar ook een aantal criteria voor deugdelijkheid van bestuur afgesproken. In het kader van het financieel toezicht kijken wij wel degelijk of de begroting in evenwicht blijft, zodat we niet meer in zo'n groot probleem terechtkomen. Met al die waarborgen die wij nu hebben ingebouwd, moeten wij ervan uitgaan dat het geld ook terechtkomt daar waar de noden in de Curaçaose samenleving zijn. Ik ga ervan uit dat de verantwoordelijke bestuurders – of het nu hier is of aan de overzijde – weten dat publieke dienstverlening iets moet betekenen voor de mensen in de samenleving, ook op Curaçao. Wij moeten er op vertrouwen dat dat gebeurt, maar de waarborgen dat men niet meer in die financiële problematiek, die grote schuldenproblematiek terechtkomt, zijn mijns inziens heel goed. Dan vind ik het niet erg om als neokolonialist neergezet te worden. Dan denk ik: dat is dan maar voor een goed doel.

De heer Van Kappen (VVD):

In 1954 hebben wij ervoor gekozen om alle Caribische burgers van het Koninkrijk een Nederlands paspoort te verschaffen, waarin staat dat ze Nederlander zijn. Er staat niet "Nederlands onderdaan", er staat "Nederlander". Hoe je het ook wendt of keert, Curaçaoënaren zijn straks ook Nederlanders.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat zijn ze nu ook, ze blíjven Nederlanders.

De heer Van Kappen (VVD):

Ze blijven Nederlanders. Als daar de gezondheidszorg door de bodem zakt, zeggen we dan: dat valt niet onder de waarborgfunctie, we doen een stap achterwaarts? Dat kan toch niet? Wat doen we dan eigenlijk? Wat zijn nu de waarden in het Koninkrijk? Waar trekken we de streep? Wat mij betreft trekken we de streep als bijvoorbeeld de gezondheidszorg door de bodem zakt. Dan kun je niet zeggen: we laten voor een gedeelte van de Nederlanders de gezondheidszorg door de bodem zakken. Het zijn namelijk gewoon Nederlanders.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Zeker. Voor dit moment neem ik kennis van de stelling van de heer Van Kappen. Ik heb al toegezegd dat wij op dat punt bezig zijn met een notitie en in dat kader komt deze discussie terug. Dit hoort ook bij het kijken naar de toekomst van het Koninkrijk, een punt dat terecht door mevrouw Van Bijsterveld is aangehaald.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

In mijn betoog heb ik aangehaald dat er aan beide kanten van de oceaan heel weinig ondernomen is om te komen tot een gevoel van een Koninkrijk. Wat ik nu zo onbevredigend vind aan het verloop van de discussie is het volgende. Binnen mijn fractie is er grote zorg over die 1,7 mld. De reden waarom zij ermee akkoord zou willen gaan, is dat je daarmee de eilanden in een positie brengt waarin ze een frisse, goede start kunnen maken. Maar dan kan het toch niet zo zijn dat wij vervolgens zeggen dat de wijze waarop de eilanden die vrijvallende middelen besteden een interne aangelegenheid is en dat wij daar niet over gaan? Ik kan het niet uitleggen, zelfs niet aan de keukentafel thuis, dat op het moment dat er sprake is van een schuldsanering, er in de krant staat dat de bestuurders van Curaçao hun salaris willen verhogen met 50% en dat wij ons daar niet mee mogen bemoeien omdat het een interne aangelegenheid is. Naar mijn mening gaat onze verantwoordelijkheid heel ver. Die betreft vragen zoals welk minimumbestaansniveau wil je realiseren, met welke minimale gezondheidszorg en in welke minimaal toelaatbare omgeving kunnen mensen leven en kinderen opgroeien? Over die vragen moeten wij de discussie aangaan. Wij moeten uit het patroon geraken waarin wij daarvan niks mogen vinden en waarin wij, als wij daar wel iets van vinden, onmiddellijk worden beticht van neokoloniaal gedrag. Ik ben daar klaar mee.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Net zoals ik dat bij de stelling van de heer Van Kappen heb gedaan, neem ik ook kennis van de stelling van mevrouw Linthorst. Zij heeft in haar betoog het voorbeeld van de Isla gegeven. Zij heeft kunnen zien dat ik daarin verder ben gegaan dan alle bewindspersonen voor mij. Ik deelde immers de zorgen die Kamerbreed, maar ook in de samenleving op Curaçao, leefden, namelijk dat de Isla een te grote schade toebracht aan het milieu en aan de gezondheid. Daarom heb ik daar kritisch over gesproken met het bestuurscollege en daarover een aantal afspraken gemaakt. Dat kan ook een methode zijn om iets te bereiken. Curaçao blijft natuurlijk een zelfstandig land binnen het Koninkrijk, maar de discussie daarover zullen wij ongetwijfeld met elkaar voeren.

Wij saneren de schuld opdat het nieuwe land Curaçao – daar concentreren wij ons nu dan maar even op – een gezonde financiële startpositie heeft, zodat op zijn begroting ook geld vrijgemaakt kan worden voor volksgezondheid, voor onderwijs en voor sociale zekerheid. Geld voor armoedebestrijding, ook aan ngo's, is de afgelopen jaren vaak uit het samenwerkingsgeld gekomen. Daar doen wij het voor: voor een gezonde startpositie. Daar houden wij ook toezicht op, zodat men niet meer in dezelfde problematiek terecht komt. Wij bemoeien ons niet met het beleid. Daar ligt de grens tussen ons. Het nieuwe parlement van Curaçao zal zijn eigen bestuurders moeten controleren. Men heeft kunnen zien dat ik zoiets als de pensioenen en salarissen in de afgelopen tijd niet onbesproken heb gelaten. Die dingen zijn dus ook niet doorgegaan. Zo is het ook wel als je veel opener en transparanter bent dan in het verleden en de dingen durft te benoemen. Dat durfden Nederland en de eilanden niet altijd te doen. Alleen al doordat wij zo'n punt als de pensioenverhoging van bestuurders durfden te benoemen, is die verhoging niet doorgegaan. Ik heb dat gedaan bij de start van de schuldsanering bij het land Nederlandse Antillen. Ik heb toen gezegd dat een verhoging van de pensioenen, de salarissen, niet het eerste kan zijn wat er gebeurt. Pensioen is immers uitgesteld loon; ik heb in het verleden ook sociale zekerheid gedaan. En dat is ook niet verhoogd. Het is mijn vaste overtuiging dat je in de toekomst veel verder kunt komen door veel opener en transparanter met elkaar om te gaan dan door de dingen altijd maar niet te bespreken. Dat zou voor mij ook horen bij een visie op het Koninkrijk, die mevrouw Van Bijsterveld naar voren haalde. Wij moeten dingen veel opener met elkaar durven te bespreken. De interculturele waarde hoort daar wel degelijk ook bij. Ik meen dat nu helder is wat mijn visie is op het financieel toezicht.

Mevrouw Ten Horn heeft een vraag gesteld over de belastingen op de BES-eilanden. Toen ik haar hoorde, was het alsof ik de heer Van Raak hoorde spreken. De toekomstvisie en het wetsvoorstel over de toekomstige belastingen op de BES-eilanden liggen momenteel bij de Raad van State voor advies. Mijn collega De Jager zal het voorstel indienen bij de Tweede Kamer. Ik ben wel medeondertekenaar van het voorstel. Daarin gaat het vooral over de rijksbelastingen op de BES-eilanden, waaronder de winstbelasting. De lokale belastingen zijn geregeld in het ingediende voorstel van wet over de financiën op de BES-eilanden. Die wetgeving lijkt inderdaad erg op hetgeen wij in Nederland voor de gemeenten hebben geregeld. Het is bekend dat wij voor de BES-eilanden de structuur van de Gemeentewet en alles wat daaromheen zit, hebben gevolgd. Ik moet wel zeggen dat wij het eenvoudiger hebben gemaakt waar dat mogelijk was. Dat moet de heer Doek toch goed in de oren klinken.

Ik heb met staatssecretaris De Jager afgesproken dat ik samen met hem binnenkort een notitie naar de Kamer zal sturen over de E-zones. Ik denk dat deze notitie er nog voor de zomer zal zijn. Dan zal onze visie daarop bekend zijn.

Mevrouw Van Bijsterveld heeft een vraag gesteld over het PVNA. In de politieke stuurgroep van 26 maart is afgesproken dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor de BES-eilanden zelf hun afzonderlijke plannen kunnen indienen bij USONA. Op deze wijze kunnen de eilanden zelf al invulling geven aan hun toekomstige verantwoordelijkheid. De komende tijd zal dus duidelijk worden of dat ook gaat gebeuren. Dat is voor ons een belangrijk toetspunt. Ik weet nog wel dat mij in een vorig informeel debat dat wij hier voerden, werd gezegd dat Sint Maarten zich verschuilt achter het land. Nu wij dit zo hebben geregeld, kan dat dus niet gebeuren. Wij kunnen nu dus kijken wat Sint Maarten zelf doet op het terrein van het PVNA. De plannen van de eilanden moeten passen binnen hetgeen wij in het staatkundig proces hebben afgesproken. Daarom toetsen wij dit in de politieke stuurgroep. Wij moeten dus maar afwachten wat daaruit komt.

Verder is nog gevraagd of wij voor de politieorganisatie op de BES-eilanden nog hebben gekeken naar de manier waarop de politie in Frankrijk is georganiseerd. Wellicht zegt de minister van Justitie daar ook nog iets over. Bij de voorbereiding is naar allerlei modellen gekeken, ook naar het Franse model. Ook is bekeken hoe het Verenigd Koninkrijk de rechtshandhaving heeft geregeld. De verschillen in positie van bijvoorbeeld het Franse Saint Martin of Anguilla ten opzichte van het moederland zijn aanzienlijk. Ik heb daar wel eens met mijn Franse collega over gesproken. Deze positie is ook weer wezenlijk anders dan de positie van de Antillen ten opzichte van Nederland. Politie is geen Koninkrijksaangelegenheid. Ik neem aan dat de minister van Justitie daar verder over zal spreken en zal aangeven op welke manier wij dat willen vormgeven in politiewetgeving.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Het onderdeel politie is een lastig onderdeel. Dat blijkt uit alle inbrengen van vandaag. Dat de eilanden, de toekomstige landen, zelf hun prioriteiten kunnen stellen, is een kant van de zaak. Welke prioriteiten zij stellen en wat zij realiseren is de andere kant en in hoge mate bepalend voor het antwoord op de vraag of zij voldoen aan de eisen die aan een land worden gesteld. In hoeverre is nu sprake van Nederlandse beïnvloeding in overleg? In hoeverre kun je samen tot de conclusie komen dat prioriteiten worden gesteld die inderdaad voldoende zijn om de status van land te kunnen bereiken? Als wij daar helemaal niet over praten, gaat er ook iets fout.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat toetsen wij bij de slot Ronde Tafel Conferentie. Over politie zijn aparte criteria opgenomen. Voor Sint Maarten zijn die zelfs specifieker dan voor de andere eilanden, juist vanwege de zorgen die er zijn. De minister van Justitie zal over alle aspecten inzake de politie praten. Mij blijkt dat ik die ene losse vraag beter had kunnen laten liggen. Misschien kan de heer Ten Hoeve daarna beoordelen of zijn vraag door ons bevredigend is beantwoord.

Voorzitter. Hierbij wil ik het laten.

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw de voorzitter. Uiteraard sluit ik mij graag aan bij hetgeen de staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties al over het proces in het algemeen heeft gezegd. Ik kan mij in feite ook heel goed aansluiten bij veel van hetgeen door de leden van de Kamer in grondige betogen over de uitgangspunten en de uitwerking is gezegd. Wij zijn nu op een belangrijk punt gekomen in het proces van de staatkundige hervormingen van de Nederlandse Antillen. Na de zorgen die er in de afgelopen maanden waren over het referendum en het mogelijk derailleren van het proces, kunnen wij nu constateren dat de inspanningen die vooral door mijn collega namens de Nederlandse regering en namens de Koninkrijksregering als geheel zijn gedaan, van grote betekenis zijn in dit proces van staatkundige hervormingen. In wezen fungeert zij daarbij als een echte motor.

We zijn nu op het moment gekomen waarop de dynamiek – om bij de beeldspraak van de motor te blijven – kan worden voortgezet in een aantal zeer ingrijpende praktische hervormingen in de bestuurlijke, justitiële en politionele organisatie op de Nederlandse Antillen aan de ene kant, en de verdere uitwerking en voltooiing van het wetgevingsproces aan de andere kant. Uiteraard is dit allemaal gebaseerd op het gemeenschappelijke constitutionele kader in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Ik zal daarmee dus beginnen, en met de relatie tot de Grondwet van de wijzigingen in het Statuut. Over de achtergrond, de vormgeving en de procedure van de verschillende wijzigingen en wetsvoorstellen heeft de Kamer een briefing gehad. Uiteraard zal ik die hier niet overdoen; zij heeft een eigen karakter.

De veranderingen die worden mogelijk gemaakt door de wijziging in het Statuut, houden in dat de Grondwet van toepassing wordt op de drie eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dat geldt ook voor het gelijkheidsbeginsel, waarnaar door enige leden werd gevraagd. Voor het gelijkheidsbeginsel geldt echter altijd, en ook in deze verhoudingen, dat relevante verschillen niet uit het oog moeten worden verloren. Integendeel; naar de mate waarin er relevante verschillen zijn, mag daarmee rekening worden gehouden. Dat mag alleen niet neerkomen op discriminatie, maar het verbod op discriminatie betreft juist het rekening houden met en verbinden van gevolgen aan verschillen die niet relevant mogen zijn voor de overheid.

In overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel moeten er dus ook verschillen zijn met Nederland – of zoals we straks moeten zeggen: het Europese deel van Nederland – in de wetgeving, die verband houden met de sociaaleconomisch uiteenlopende omstandigheden. Daarbij zullen enkele criteria worden geformuleerd die ook in ander verband bekend zijn. Ik noem bijvoorbeeld de mate waarin er binnen de Europese Unie rekening kan worden gehouden met sociaaleconomische, geografische en andere verschillen in de regels die gelden op het Europese "mainland" en in de verder verwijderde delen van de Europese Unie. Het is dus geen afwijking van artikel 1 van de Grondwet; het is het juist rekening houden met de verschillen die er realiter zijn in vereisten voor een levensstandaard die beantwoordt aan de voor het gehele staatsbestel geldende standaarden. Op die manier zullen wij in de verhouding tussen Statuut en Grondwet ook serieus werk maken van de rechtsregels die zullen gelden voor Saba, Sint Eustatius en Bonaire; om de B, de E en de S maar eens om te keren. Wij zullen dit uiteraard goed toelichten wanneer de wijziging van het Statuut aan de orde komt en de andere wetten tot stand komen.

Een van de onderwerpen waarbij de gelijkheid en de gelijke rechten van de verschillende burgers van het land Nederland naar voren komen, en dus ook die van de burgers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van de eilandsraden. Mevrouw Van Bijsterveld en de heer Engels hebben daarnaar gevraagd. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Kieswet is ook een beschouwing opgenomen over de verhouding tot de Grondwet. Daarin zijn we tot een conclusie gekomen die ik hier graag toelicht: met de verkiezing van de Eerste Kamer door de eilandsraden wordt recht gedaan aan de artikelen 4, 53 en 55, in hun onderling verband bezien. Deze opvatting is bevestigd in de advisering door de Raad van State.

Het komt er eigenlijk op neer dat de eilandsraden in de specifieke verhoudingen van de drie eilanden een dubbelrol vervullen die vergelijkbaar is met zowel de rol van de gemeenteraden in het staatsbestel hier in Europa als met die van provinciale staten voor bepaalde andere bevoegdheden, zoals die tot verkiezing van de leden van uw Kamer. Dat is ook nodig, want als je bij deze toch al behoorlijk kleinschalige delen van het Nederlands staatsbestel ook nog eens twee bestuurslagen zou maken in de decentrale organisatie – een gemeentelijk en een provinciaal niveau – zouden er weinig ruimte, tijd en aandacht overblijven voor wat er verder nog in het leven van de eilanden gedaan moet worden. Dat zal overigens ook gelden voor bepaalde andere functies. Wat in Europa op veel grotere schaal wordt verdeeld over verschillende instanties, zal daar vaak in één hand moeten zijn; zo ook bepaalde functies die we hier hebben uitgesplitst naar de gemeente en provinciale staten. Dat brengt met zich dat de toepassing van artikel 55, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk niet nodig is.

Hoofdstuk 6 van de Grondwet gaat over de rechtspraak. De heer Engels sprak daarover. Ook wat betreft de rechtspraak zijn wel bijzondere regels gesteld, maar wordt niet afgeweken van de regels in onze Grondwet. De consensusrijkswet Gemeenschappelijk Hof regelt het gemeenschappelijke Hof van Justitie en de Gerechten van eerste aanleg. Dat is geheel in overeenstemming met wat hoofdstuk 6 van de Grondwet vereist. Daarin wordt immers niet voorgeschreven hoe de rechterlijke macht in Nederland dient te worden ingericht in de zin van een bepaalde verdeling van taken tussen de rechterlijke colleges. Dat hebben we ook gezien bij de wijzigingen die de rechterlijke organisatie in Nederland heeft ondergaan en in de toekomst mogelijk nog zal ondergaan. Hoofdstuk 6 van de Grondwet laat dit over aan de wetgever. Daaraan wordt ook toepassing gegeven in de consensusrijkswet die gaat over de rechterlijke organisatie die van toepassing zal zijn voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Mevrouw Lagerwerf heeft gevraagd waarom de Nederlandse Antillen en Aruba moeten instemmen met een wijziging van artikel 55 van het Statuut. Als ik haar vraag goed heb begrepen, vroeg ze of het eigenlijk zo wel goed geregeld is en of een en ander niet gecompliceerd is. Hoewel er een enkele keer een andere opvatting over naar voren wordt gebracht, denken wij dat artikel 55 van het Statuut helder is. Er kan geen misverstand over bestaan dat er instemming nodig is, en dus niet alleen een opvatting, van de Staten van de Nederlandse Antillen en Aruba en straks van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, als het Statuut wordt gewijzigd. Bij gewone rijkswetten is dat anders. Daarbij is er een betrokkenheid van de regeringen en van de Staten van de andere landen van het Koninkrijk, maar worden de uiteindelijke beslissingen genomen door de Staten-Generaal, eventueel met bijzondere afgevaardigden uit de Staten van de andere landen van het Koninkrijk daarbij.

Dat heeft inderdaad twee consequenties. De eerste consequentie is dat Nederland voor de rechtsorde die met het Statuut in het leven is geroepen, niet de uiteindelijke vrije zeggenschap heeft. De andere consequentie is dat de wijzigingen van het Statuut een zekere complexiteit hebben, die nogal ongewoon en uitzonderlijk is. Dat zijn de beslissingen die in 1954 zijn genomen en het is eigen aan de beslissing dat het Statuut alleen bij consensus kan worden gewijzigd – dus met instemming van de parlementen van de verschillende landen van het Koninkrijk – dat de regeling alleen met instemming van de parlementen van de landen van het Koninkrijk kan worden gewijzigd.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

Dat is nou precies waarom de partners elkaar af en toe gijzelen. Ik heb niet voor niets die ontwikkeling aangegeven. In die 55 jaar is er dus heel veel veranderd in het denken. De letter van de tekst is helder. Echter, hoe lang moeten wij deze tekst nog letterlijk interpreteren? Bijna niets in dit leven duurt tot in de eeuwigheid. Mevrouw Bijleveld wil hierover symposia en wetenschappelijke onderzoeken laten organiseren. Het zou heel goed zijn als dit punt daarbij wordt meegenomen. Ik onderschrijf dus wat u zegt, maar daar zit volgens mij precies het knelpunt. Zo blijven wij elkaar vasthouden.

Minister Hirsch Ballin:

Het is zeker een zeer rigide regeling. In de constitutionele theorie noemt men onze Grondwet, met het vereiste van twee lezingen en twee derde meerderheid, reeds een rigide constitutie. Dit is nog rigider dan de rigiditeit in de constitutionele theorie die wij voor onszelf hebben aanvaard. Dat is inderdaad een complicatie en onder omstandigheden ook een verlammende factor in het besluitvormingsproces. Ik zei echter al dat het eigen is aan de regeling die in 1954 door ons is aanvaard – ik bedoel niet door hier aanwezige personen, maar door de Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaal – dat die vastigheid er in die mate in zit. Gelukkig zijn er wel enige versoepelingen in het stelsel van het Statuut aan te wijzen. Eén daarvan is dat uiteindelijk de nodige besluiten genomen kunnen worden over de gebondenheid van het gehele Koninkrijk aan de fundamentele principes van de rechtsstaat en van deugdelijk bestuur via artikel 43, tweede lid, van het Statuut. Het is tot nu toe niet gebeurd, maar het is ook mogelijk – de Raad van State van het Koninkrijk heeft daar enige jaren geleden al op gewezen – dat op grond van artikel 14, juncto artikel 43, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een rijkswet tot stand wordt gebracht die nodig is om de waarborgfunctie ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden en deugdelijkheid van bestuur te realiseren. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden om maatregelen te treffen als verdragsverplichtingen worden geschonden.

Dat is ook meteen het antwoord op de vraag of het denkbaar is dat dit ten aanzien van het onderwijs gebeurt als dat niet in overeenstemming is met wat sociaal en grondrechtelijk uit het oogpunt van goed onderwijs nodig is. De Raad van State van het Koninkrijk heeft dat inderdaad gezegd. Wij zien dat niet anders.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Het is natuurlijk toch een beetje vreemd dat een artikel waarin staat dat de landen van het Koninkrijk daarover gezamenlijk een besluit moeten nemen, onverkort in stand blijft terwijl het aantal landen verandert. Het veranderen van de constellatie en het aantal landen is bijna bij uitstek het argument om te bekijken hoe je dat gaat regelen met een wijziging van het Statuut. We kunnen er straks immers misschien nog een land bij krijgen en dan blijft het allemaal in consensus.

Minister Hirsch Ballin:

Gelet op de betrekkelijke rust van het vulkanische proces in dat deel van de wereld, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat we er nog een land bij krijgen. U hebt er echter gelijk in dat er aanvaard wordt – dat behoort tot de uitgangspunten van wat in 2006 is aanvaard – dat op dat punt geen wijziging in het Statuut wordt aangebracht.

Ik kom nu bij het punt van de zelfbeschikkingsrecht in de volkenrechtelijke betekenis, waarover mevrouw Lagerwerf heeft gesproken. Dat zelfbeschikkingsrecht is in het volkenrecht omschreven en aanvaard als een bevoegdheid voor voorheen gekoloniseerde naties om het lot weer in eigen hand te nemen. De volkenrechtelijke leer van het zelfbeschikkingsrecht houdt niet in dat de vroegere koloniale mogendheden zich eenzijdig kunnen ontdoen van hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de vroegere koloniën. Aruba en de Nederlandse Antillen – straks Aruba, Curaçao en Sint Maarten – zijn allang geen koloniën meer. De Algemene Vergadering van de VN heeft geconstateerd dat het dekolonisatieproces is voltooid met het Statuut van 1954. In die zin is voldaan aan het volkenrechtelijke vereiste van dekolonisatie, dit in weerwil van de retoriek die af en toe in andere delen van het Koninkrijk te horen is.

Wij hebben in de Koninkrijksverhoudingen aanvaard dat een voortgezette uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht denkbaar is en aanvaard zal worden als een der eilanden het Koninkrijksverband zou willen verlaten. Wij hebben het in die zin dus op ons genomen om mee te werken aan de wijziging van het Statuut die nodig zou zijn als enig eiland het staatsverband van het Koninkrijk zou willen verlaten. Die situatie heeft zich tot nu toe niet voorgedaan. Voor Aruba is daarvoor op verzoek van Aruba een speciale procedure voorzien in het Statuut voor het Koninkrijk. Voor Curaçao, Sint Maarten en de andere eilanden is dat niet het geval, maar het is denkbaar dat dit in de toekomst gebeurt. Zoals bekend geven de op de eilanden gehouden referenda geen reden om aan te nemen dat dit op korte termijn zal gebeuren. Het is echter misschien wel goed om, net zoals collega Bijleveld en ik bij herhaling hebben gedaan in het overleg, ook hier nog eens uit te spreken dat Nederland daaraan in geen enkel opzicht in de weg staat. Dat is de eigen beslissing en vrijheid van de betrokken eilanden.

Het zelfbeschikkingsrecht betekent niet dat elke relatie binnen het Koninkrijksverband vrij verkrijgbaar is al naar gelang een eiland verkiest te kiezen. Als ervoor wordt gekozen om binnen het staatsverband van het Koninkrijk te blijven, moet er ook overeenstemming zijn tussen de landen van het Koninkrijk – met inbegrip van Nederland – over wat die voortgezette Koninkrijksband inhoudt. Ieder ander antwoord op die vraag zou nog een stap verder gaan dan de regeling van 1954, waarvan zojuist ook aan uw kant is geconstateerd dat die op dat punt al heel ver gaat. Vandaar dat er overeenstemming moest en moet zijn over de veranderingen en hervormingen in de staatkundige verhoudingen, die wij nu toepassen.

De heer Engels (D66):

Bent u helemaal uitgesproken over de constitutionele aspecten van het staatkundig proces?

Minister Hirsch Ballin:

Nog niet helemaal, maar het komt naderbij.

De heer Engels (D66):

Dan wacht ik nog even of er nog iets komt wat een vraag van mij kan voorkomen.

Minister Hirsch Ballin:

Ik heb op dat punt niet veel hoop meer.

De heer Engels (D66):

Dan zal ik meteen maar even doorbijten, in figuurlijke zin. U hebt gezegd dat de hele operatie is gebaseerd op de constitutionele basis van Grondwet en Statuut. Ik versta die opmerking zo dat u daarmee aangeeft dat de regering van oordeel is dat de hele operatie binnen de grenzen van de Grondwet en het Statuut plaatsvindt en daarmee dus niet in strijd is.

Minister Hirsch Ballin:

Zeker.

De heer Engels (D66):

Dat is een belangrijke uitspraak, want dat is het type uitspraak waarnaar ik heb gevraagd. Dat is voor de verdere gang van zaken in het wetgevingsproces van belang. Vervolgens hebt u gezegd dat dit geen probleem is, want de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel worden ook van toepassing op de eilanden. Ik had echter ook een tussenvraag gesteld waarop u niet bent ingegaan: waarop is gebaseerd dat de Grondwet en dus ook het gelijkheidsbeginsel van toepassing worden op de eilanden? Hier en daar wordt beweerd dat de Grondwet en het Statuut dat zelf niet zo bepalen en dat dus moet kunnen worden aangewezen waarop die werking is gebaseerd. Ik ben het met u eens dat het aanbrengen van differentiatie op zich niet in strijd behoeft te zijn met het gelijkheidsbeginsel, maar er gaat een vraag vooraf aan de uitkomst van die toetsing. Is de gelding van het gelijkheidsbeginsel en van de Grondwet op de eilanden constitutioneel waar te maken? Dat is een belangrijk punt.

Minister Hirsch Ballin:

Ik heb de hoofdvraag van de heer Engels al beantwoord: op de gronden die ik hier heb genoemd maar die uiteraard ook in de toelichting op de wijziging van het Statuut te vinden zullen zijn, zijn wij van oordeel dat dit het geval is. Anders zouden wij hier niet staan en zouden wij dit niet verdedigen. Daarover willen wij dus geen twijfel laten bestaan. Ik wijs trouwens ook op de eerdere advisering en voorlichting door de Raad van State van het Koninkrijk. Wij realiseren ons natuurlijk dat wij op bepaalde stukken van de wetgeving – dat geldt voor de fiscale wetgeving en voor de wetgeving op het punt van de sociale zekerheid – andere onderscheiden aanbrengen dan waar wij tot nu toe aan gewend waren. Dat komt echter doordat er ook andere relevante verschillen zijn in het geografisch, demografisch en sociaaleconomisch grotere Nederlandse staatsverband dat ook Saba, Sint Eustatius en Bonaire zal omvatten. Om daarover geen misverstand te laten bestaan, zullen wij dat ook tot uitdrukking brengen in de Statuutsbepaling over deze nieuwe constitutionele positie van de drie betrokken eilanden en de toelichting op die bepaling.

De heer Engels (D66):

Mevrouw de voorzitter, nog even voor de goede orde. De minister verwijst naar het advies van de Raad van State, maar de externe kritiek op het constitutionele gehalte, die ik erg hoog opneem omdat ik van mening ben dat dit een mogelijke bedreiging vormt voor de legitimatie van het proces die ook belemmerend zou kunnen werken voor een goede afloop, richt zich onder andere ook precies op de voorlichting van de Raad van State. Er wordt ernstig betwijfeld of het aannemen van in alle opzichten overeenstemming met de werking van Grondwet en Statuut houdbaar is. Vanwege de legitimatie van het proces en de verantwoordelijkheid die wij met elkaar hebben als wetgevende organen, wil ik benadrukken dat het van belang is om te proberen – in eerste instantie door de regering – zo veel mogelijk buiten twijfel te stellen dat de scherpe kritiek die is geuit, bij nader inzien kan worden ontzenuwd. Ik vraag dit niet om hier een politiek spel van te maken, maar omdat mij dit voor de kwaliteit en het gehalte van de wetgeving essentieel lijkt.

Minister Hirsch Ballin:

Ik meen dat mijn antwoorden van zo-even al duidelijk hebben gemaakt dat ik de vragen van de heer Engels zeer serieus neem. Ik zou opmerkingen uit Groningen trouwens nauwelijks als externe kritiek durven aan te merken. Ik zou ook zeker niet zeggen dat die uit een soort ultraperifeer gebied komt. Wij zullen proberen alle argumenten aan te leveren waarmee de heer Engels en ik kunnen thuiskomen.

Dan wat betreft de amendementen op consensusrijkswetten. Wij hebben met de delegaties van de Nederlandse Antillen en van Curaçao en Sint Maarten op het punt van de procedure het een en ander afgesproken over de amendering. Ik wil hier nog wel een opmerking bij maken en dit is in zekere zin een appel dat ik hier mede namens de staatssecretaris doe op de gesprekspartners in het Koninkrijk, namelijk om het consensusvereiste op zo'n manier te zien en te hanteren dat wij ook echt consensus erin kunnen houden. Dit is meer dan na eindeloze gesprekken min of meer zuchtend zeggen dat er een formulering is gevonden waar niemand meer tegen is. Dit vraagt om een gezamenlijke doelgerichtheid en een gezamenlijke wens om tot resultaten te komen. Met die gedachte heeft naar mijn stellige indruk de Raad van State van het Koninkrijk enige jaren geleden de vorm van de consensusrijkswetten aanbevolen en onder de aandacht gebracht, namelijk als een middel om die gezamenlijke doelgerichtheid en die wens om tot gezamenlijke resultaten te komen te realiseren. Als dit in de praktijk te vaak uitmondt of zelfs verzandt in een gesprek dat alleen nog maar gaat over de laatste detailformulering, dan komt dit de onderliggende consensus niet ten goede. Daarom denk ik, hoop ik en verwacht ik – in de dubbele betekenis van het woord – dat wij consensus vooral weten te verstaan als gezamenlijke doelgerichtheid en gezamenlijke resultaatgerichtheid als wij verder werken aan de consensusrijkswetten. Wij moeten ons daarbij ook allemaal realiseren dat het tot een goed einde brengen van het proces van het tot stand brengen van consensusrijkswetten ook vereist dat wij – en de staatssecretaris en ik zijn daarvoor ten volle beschikbaar in deze kabinetsperiode – samen met de Tweede en de Eerste Kamer en de partners in het Koninkrijk tot afronding van de besluitvorming komen.

In antwoord op de vragen van mevrouw Van Bijsterveld heb ik al gezegd dat de Grondwet ook in andere onderdelen van toepassing zal zijn en dat dit ook in het oog wordt gehouden met betrekking tot de wetgeving die tot stand wordt gebracht voor de BES-eilanden. Dit is bijvoorbeeld de verklaring voor het feit dat de wetgeving voor de bescherming van persoonsgegevens ook een wet in formele zin zal zijn die voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius tot stand wordt gebracht gelet op artikel 10 van de Grondwet.

In antwoord op de vragen die zijn gesteld door mevrouw Ten Horn, de heer Laurier en de heer Van Kappen zeg ik toe dat wij de nieuwe staatkundige structuur in werking zullen evalueren na ommekomst van vijf jaren. Wij zullen dan ook nagaan of de verankering van Bonaire, Saba en Sint Eustatius voldoende is. Uiterlijk dan zullen wij ook tot een conclusie moeten zijn gekomen over de toekomstige relatie tot het EU-recht en andere wetgeving die in het Europese deel van Nederland van kracht is.

Dan kom ik op de aanwijzingsbevoegdheid. De achtergrond van het proces is bekend. Terecht hebben verscheidene leden van de Kamer erop gewezen dat een goed functioneren van de rechtshandhaving in het gehele Koninkrijk van belang is en moet behoren tot de uitgangspunten van de staatkundige hervormingen die nu aan de orde zijn.

Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk – daarbij heeft het advies van de Raad van Advies van de Nederlandse Antillen ook een rol gespeeld – was voor ons aanleiding om te bezien of het goed functioneren van de rechtshandhaving op een andere manier kan worden bereikt dan door de aanwijzingsbevoegdheid die voor de minister van Justitie van het Koninkrijk namens de Koninkrijksregering was neergelegd in de ontwerpen die conform de afspraken van 2006 waren voorgelegd aan de Raad van State van het Koninkrijk. Dit overleg heeft tot de conclusie geleid dat het mogelijk en verantwoord is om die aanwijzingsbevoegdheid te laten vervallen in een kader dat aan de ene kant zorgt voor voldoende eenheid in het opsporings- en vervolgingsbeleid in het gehele gebied dat wij nu kennen als de Nederlandse Antillen en aan de andere kant ook voor voldoende afstand tussen de lokale politiek en het Openbaar Ministerie. Zoals iedereen weet, vereist het functioneren van het Openbaar Ministerie ook een zekere afstandelijkheid en objectivering ten aanzien van de gevallen die onder haar aandacht komen. Dit is ook in deze Kamer geheel los van de Caribische context bij herhaling uitgesproken. Dit is ook de reden dat van Vrouwe Justitia wordt verwacht dat zij aan de ene kant in zekere zin een blinddoek draagt, namelijk handelen en oordelen zonder aanziens des persoons, maar aan de andere kant wel alles scherp in het oog houdt. Degenen die vertrouwd zijn met de afbeeldingen van Vrouwe Justitia weten ook dat zij soms met en soms zonder blinddoek wordt afgebeeld en dat geeft ook die twee kanten van het goed justitieel functioneren mooi weer. Wij moeten ons daarbij wel realiseren dat de weegschaal, namelijk het evenwicht, evenzeer tot haar vaste attributen behoort als het zwaard dat zo nodig wordt gehanteerd, zij het in de huidige rechtsorde van het Koninkrijk alleen in overdrachtelijke zin.

Met die nieuwe afspraken die de staatssecretaris mede namens mij heeft gemaakt, heeft het Nederlandse kabinet graag ingestemd. Daarin zijn de vereiste afstandelijkheid en evenwichtigheid voldoende verzekerd doordat een aanwijzing in een bijzonder geval een mandaat van het Hof van Justitie vereist dat toeziet op het goed functioneren van het Openbaar Minister terwijl tegelijkertijd is vastgelegd dat de drie ministers van Justitie en de gemeenschappelijke procureur-generaal afspraken maken over het opsporings- en vervolgingsbeleid in de volle breedte. Daarnaast zijn in dit verband de reeds opgenomen voorzieningen voor de grensoverschrijdende criminaliteit van belang, waarbij de rijksministerraad het beleidsplan vaststelt op basis van de betrokkenheid van alle landen van het Koninkrijk. Naar ons oordeel is daarmee op een andere manier een evenwichtige verankering van het Openbaar Ministerie tot stand gekomen die een toereikende waarborg heeft op de punten die ook deze Kamer ter harte gaan, naar mij is gebleken uit de bijdragen van de leden.

De heer Van Kappen heeft gevraagd of de procureur-generaal beschikt over voldoende instrumenten en capaciteit om de regiefunctie, die eigen is aan het ambt van procureur-generaal, te vervullen. Ook die vraag kan met "ja" worden beantwoord. De hoofdofficieren van justitie zijn uiteraard ondergeschikt aan de procureur-generaal. De procureur-generaal heeft de bevoegdheid om de andere leden van het Openbaar Ministerie de nodige opdrachten te geven. De procureur-generaal en de hoofdofficieren van justitie zijn het bevoegd gezag van de politiekorpsen en de gemeenschappelijke voorziening voor de politie waar ik straks op terugkom.

De vraag van mevrouw Van Bijsterveld over de inrichting van het Openbaar Ministerie kan ik zo beantwoorden dat met het oog op het goed functioneren van de Openbaar Ministeries en de procureur-generaal op dit moment een driemanschap aan het werk is. Dat driemanschap bestaat uit de heer Jaar, de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen, de heer De Goede, een te goeder naam en faam bekend staande bestuurskundige van de Nederlandse Antillen en de heer De Wit, de vroegere hoofdofficier van justitie te Amsterdam. Het driemanschap is belast met de voorbereiding en inrichting van de Openbaar Ministeries met inbegrip van de functie van procureur-generaal. Daarbij is uiteraard een goede bezetting van posten in personele zin van cruciaal belang.

Dit bepaalt ook het antwoord op de vraag die de heer Van Kappen heeft gesteld, net als de heer Ten Hoeve en de heer Laurier, over de drie politiekorpsen in de Caribische delen van het Koninkrijk. Uiteraard staat goede politiezorg voorop. Wij menen dat dat in de verhouding tussen de afzonderlijke politiekorpsen, met een gemeenschappelijke voorziening, waartoe ook het recherchesamenwerkingsteam zal gaan behoren, voldoende is gewaarborgd. De specialistische functies die een goed functionerende politie natuurlijk moet hebben en die de schaal van de afzonderlijke politiekorpsen zou overstijgen, kunnen in die gemeenschappelijke voorziening worden ondergebracht. Ook de forensische expertise moet daarin een plaats krijgen. Het is duidelijk dat dit onmisbaar is en de achtergrond van de opmerkingen van de heer Van Kappen kan ik alleen maar onderschrijven. Als de politie onvoldoende is toegerust en onvoldoende professioneel kan opereren, dan kun je nog zo'n goed Openbaar Ministerie hebben en nog zo'n goed beleid, maar dan blijft het resultaat ineffectief. De directeur van de gemeenschappelijke politievoorziening is in ambtelijke zin verantwoordelijk. Het Openbaar Ministerie is echter het bevoegd gezag.

Het verbetertraject waar mevrouw Van Bijsterveld naar vroeg, is een van de onderdelen van de manier waarop wij het nu aanpakken, ook met betrokkenheid van mijn collega van BZK. Die heeft de beheersverantwoordelijkheid in Nederland voor de politie. In het kwaliteitstraject zullen gedurende een periode van drie jaar vijftien Nederlandse politieambtenaren een bijdrage leveren aan de ondersteuning van de drie korpsen. Dat is ook nodig. In bepaalde opzichten wordt daar nu al op geanticipeerd, ook met de inzet en medewerking, die wij zeer op prijs stellen, van de Koninklijke Marechaussee.

Ik kom bij de vragen die door mevrouw Linthorst en anderen zijn gesteld over de rijkswet personenverkeer. De rijkswet personenverkeer is geen uitvloeisel van de afspraken van 2006 maar wel iets dat onder ogen is gezien bij de totstandkoming van het huidige kabinet. In het coalitieakkoord is ook neergelegd dat er zo'n rijkswet personenverkeer moet komen. Daarbij is onder ogen gezien – die relatie is expliciet gelegd bij de totstandkoming van het kabinet – dat er zoiets moet zijn op het moment dat de Nederlandse Antillen worden uitgesplitst naar drie landen. De bestaande complicaties in het personenverkeer van de Nederlanders tussen de landen van het Koninkrijk zouden anders verveelvoudigd worden. Internationaal bezien is het eigenlijk heel merkwaardig dat door Nederlanders bij de verplaatsing in de ene richting binnen het Koninkrijk briefjes moeten worden ingevuld die sterk doen denken aan wat moet worden ingevuld bij het verkrijgen van visa bij het bezoeken van een vreemde staat waarmee de betrekkingen beperkt zijn. Dat is zeker vreemd omdat wij het gemeenschappelijk staatsburgerschap hebben. Bovendien worden die eisen van het invullen van de briefjes, die doen denken aan een visa waver programme, alleen in één richting gesteld. Van deze kant vragen wij dat niet aan de Nederlanders die ingezetene zijn van de Nederlandse Antillen en Aruba. Als men zich voorstelt wat de gevolgen zijn als dat straks gaat gelden voor nog meer territoriale eenheden en als men zich realiseert wat het betekent voor mensen die zich in een ander land van het Koninkrijk willen vestigen en hun dierbaren willen meebrengen om daar legaal te wonen en te werken, en de inspanning die dat vergt in administratieve zin van de diensten die daarmee belast zijn, dan moet men constateren dat het in het belang van alle burgers van het Koninkrijk is dat wij daarin tot een vereenvoudiging komen. Dat is ook in het belang van de Curaçaose, Sint Maartense en Arubaanse Nederlanders. Ik hecht eraan om dit zo hier uit te spreken want de rijkswet personenverkeer en de regeling die wordt getroffen voor grensbewaking en het vreemdelingentoezicht is in het belang van allen die Nederlander zijn, dus ook van de Nederlanders van Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De consultaties voor deze rijkswet beginnen binnenkort. Er doen wat wildwestverhalen over de West de ronde, alsof het om een soort nieuwe editie zou gaan van een onder de vorige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ingediend wetsvoorstel gericht op de verwijdering van sommige jonge Nederlanders uit dit deel van het Koninkrijk. Dat zijn echt wildwestverhalen. De strekking van de voor te stellen rijkswet zal heel anders zijn dan die van het ingetrokken wetsvoorstel. Het is goed om dat in alle helderheid in alle delen van het Koninkrijk uit te spreken, zodat er geen enkele verwarring bestaat over dat ingetrokken wetsvoorstel en deze regeling die gebaseerd is op artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden dat immers tot Koninkrijksaangelegenheid maakt, de status van het staatsburgerschap, dus het Nederlanderschap, en bepaalde aspecten van zowel het personenverkeer van Nederlanders als van vreemdelingen.

Ik hoop hiermee antwoord te hebben gegeven op de vragen die door mevrouw Linthorst en Van Bijsterveld zijn gesteld over vreemdelingen en vreemdelingentoezicht op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ik ben met collega Albayrak inmiddels bezig om ook dit aspect van de toekomstige verhoudingen goed te regelen. Uiteraard ontstaan hier ook bijzondere situaties, gelet op de geografie van de eilanden ten opzichte van de internationale omgeving. Wij zijn naar mijn overtuiging tijdig begonnen met het treffen van voorbereidingen voor wetgeving en voor praktische uitvoering op dit terrein.

Ik hoop hiermee mijn aandeel in de beantwoording in aanvulling op die van collega Bijleveld te hebben geleverd.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Ik heb gevraagd of het nu ook mogelijk wordt voor inwoners van Curaçao en Sint Maarten om zich vrijelijk te vestigen op de BES-eilanden en wat dat zou betekenen voor de kleinschaligheid van de eilanden als dat zou worden toegestaan. Als het niet wordt toegestaan, dan is mijn vraag of dat juridisch is toegestaan. Curaçaoënaars en Sint Maartenaars mogen zich wel vrijelijk in Nederland vestigen. Is het op Nederlands grondgebied toegestaan om daar verschil tussen te maken?

Minister Hirsch Ballin:

De precieze uitwerking van de antwoorden zal uiteraard te vinden zijn in het voorstel van rijkswet. Ik spreek wel graag uit dat het uitgangspunt van deze wetgeving het vrije personenverkeer zal zijn. Het stellen van beperkingen daaraan moet in alle delen van het Koninkrijk worden gerechtvaardigd door dringende overwegingen van openbare orde, zoals wij gewend zijn in andere verbanden waarin het vrije personenverkeer het uitgangspunt is.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Dat maakt het des te urgenter dat wij nu toch echt een keer praten over de vraag wat de minimale randvoorwaarden zijn voor het Koninkrijk. Als ik op Sint Maarten woon en ik weet dat de nabijgelegen eilanden Saba of Sint Eustatius veel betere voorzieningen bieden en dat mijn kinderen daar een veel beter perspectief hebben, dan ga ik daarheen. Dat zou natuurlijk rampzalig zijn voor de schaal van die eilanden. Wij ontkomen er dus niet aan, uiteindelijk vast te stellen wat de minimumvoorwaarden zijn die wij aan het Koninkrijk stellen, al was het maar uit oogpunt van beschaving en om te voorkomen dat er een trek ontstaat – en die ontstaat onvermijdelijk als je dat niet doet – naar de plek waar het het beste toeven is.

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw Linthorst legt de vinger op een heel belangrijk punt dat geldt voor elke regeling van vrij personenverkeer. Het geldt ook voor het vrije personenverkeer in de Europese Unie. Het is dan ook altijd een punt van aandacht bij de toetreding van nieuwe lidstaten. Dat kan alleen functioneren dankzij een minimaal evenwicht in het voorzieningenniveau en in de waarborgen die er gelden voor burgers. Als de staten die lid zijn geworden van de Europese Unie nog in dezelfde toestand zouden verkeren als medio jaren tachtig, dan was het vrije personenverkeer daar ook op een rampzalige trek uitgedraaid.

Vrij personenverkeer veronderstelt inderdaad een bepaald niveau van gelijke waarborgen. Dat is eigenlijk ook precies waar wij het Koninkrijk voor hebben: een levens- en bestuursstandaard die in alle delen van het Koninkrijk voldoet aan minimale eisen, die acceptabel is en waar mensen goed mee kunnen leven. Dat geldt – ik zei het al aan het begin van mijn antwoord en collega Bijleveld zei er eigenlijk ook al iets over – ook voor zoiets als het onderwijs.

De voorzitter:

De heer Van Kappen tot slot.

De heer Van Kappen (VVD):

Voorzitter. Ik bewaar mijn vraag voor de tweede termijn, gezien de tijd.

De vergadering wordt van 19.30 uur tot 20.30 uur geschorst.

De heer Van Kappen (VVD):

Voorzitter. Ik zal het kort maken. Ik wil kort uiteenzetten waarnaar wij op zoek waren. Wij willen dat aangegeven wordt wat de grenzen zijn van en wat de ruimte is voor de autonomie. Wij hebben uitgebreid gesproken over de drie bekende eisen: financieel toezicht, behoorlijk bestuur en rechtshandha­ving. Wij vinden namelijk dat alle Nederlanders daar recht op hebben.

Ik wil memoreren dat wij in 1954 de Caribische Nederlanders allemaal een paspoort hebben gegeven en de Nederlandse nationaliteit. Wij hebben toen niet gekozen voor het alternatief dat destijds eveneens besproken is, namelijk om in dat paspoort te zetten "Nederlands onderdaan". Dat betekent dat wij, als wij gaan praten over de normen binnen het Koninkrijk, op zoek zijn naar wat de normen zijn die wij binnen het Koninkrijk met zijn allen hanteren. Wat moeten wij nu eigenlijk waarborgen? Waar begint die waarborgfunctie en waar houdt die op? Ik heb begrepen dat wij dat allemaal kunnen vinden in de brede notitie over het Koninkrijk die eraan komt. Daar zijn wij ontzettend blij mee en daar kijken wij vol belangstelling naar uit.

Heel kort een paar opmerkingen over de BES-eilanden. Wij hebben allemaal in ons achterhoofd dat wij moeten proberen om de bevolking van de BES-eilanden toch een beetje te beschermen tegen een al te grote toevloed van buitenaf. Ik vraag mij af of het misschien mogelijk is om een soort van wetgeving te introduceren zoals wij die ook voor de Waddeneilanden hebben gehad, waarbij wij toch een vestigingsbeleid hanteren om te voorkomen dat de eilanden overspoeld worden door autochtone Nederlanders en Nederlanders uit Curaçao en Aruba. Het is gewoon een idee dat ik bij de bewindslieden neerleg. Wij hebben die wetgeving destijds ook voor de Waddeneilanden gemaakt.

Ik ben blij met de uitleg over de RSC's. Ik ben ook heel blij met het feit dat ze niet alleen maar een verlengstuk zijn van het beleid van de ministeries, maar toch ook een soort helpdesk voor het lokale bestuur en "één loket" voor de mensen van Bonaire die op allerlei mogelijke manieren de weg willen vinden in het Nederlandse stelsel. Ik vraag mij wel af of het niet mogelijk is om bestuursambtenaren vanaf Bonaire stage te laten lopen in Nederlandse gemeenten, om het niveau van die ambtenaren zoveel mogelijk te verbeteren en om hen ook ervaring te laten opdoen in een Nederlandse omgeving.

Ik heb nog een kort punt, namelijk het Toekomstproject Antilliaanse Militie (TAM). Wij hebben uitgebreid gesproken over de problemen die wij hebben met bepaalde groepen Antillianen in de grote steden van Nederland. Als er nu één project is dat werkt, dan is het TAM wel: de militaire dienstplicht wordt gebruikt om mensen na een korte militaire opleiding een startkwalificatie te geven en om ze daarna een leerwerktraject in te sluizen. Ik heb begrepen dat daar geld voor ter beschikking is gesteld door het ministerie van BZK. Toch wil ik vragen om er nog eens goed naar te kijken of dat project misschien kan worden uitgebreid, want dat project werkt.

Ik wil kort memoreren wat de toezeggingen zijn die ik heb opgepikt. De staatssecretaris heeft toegezegd dat zij ons toch een overzicht zou geven van de verhouding van de kosten die het bestuur met zich meebrengt, in relatie tot de overheidsinkomsten. Verder ligt er een toezegging dat wij iets regelen voor de medische noodgevallen op Saba en Sint Eustatius. Wij zorgen ervoor dat het in de toekomst niet kan voorkomen dat iemand een hartaanval heeft en niet van het eiland af kan, omdat er 's nachts niet gevlogen mag worden. Ik ben ontzettend blij met het standpunt van de bewindslieden inzake Aruba en de afspraken die gemaakt worden om de regelingen van Aruba beter te laten aansluiten op die van de Nederlandse Antillen. Wij zien vol spanning uit naar het overzicht van de staat van bestuur en de rechtshandhaving. Dat overzicht zal naar de Tweede Kamer worden gestuurd, maar ik heb begrepen dat wij nu ook zijn opgenomen op de distributielijst.

Uit het betoog dat ik gehouden heb in eerste termijn blijkt dat wij heel blij zijn met het feit dat de bewindslieden de situatie op Aruba serieus nemen en dat zij van plan zijn om daar actie op te nemen. Gedacht wordt aan een WODC-achtig rapport of zoiets en er is een termijn genoemd van ongeveer een halfjaar. Dat spreekt ons allemaal zeer aan. Wij zien vol spanning uit naar de realisatie daarvan.

Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag wat nu eigenlijk een acceptabel voorzieningsniveau is binnen het Koninkrijk. Ik heb van de staatssecretaris begrepen dat ik daarvoor bij de minister van SZW moet zijn. Hoe kom ik daar nu achter? Komt dat via BZK tot ons of moet ik een briefje schrijven? Ik begrijp nu van de staatssecretaris dat het antwoord via BZK naar deze Kamer zal komen.

Ik heb geen antwoord van de minister van Justitie gehad op twee vragen. De Gemeentewet wordt nu van toepassing verklaard op buitengewone lichamen. Die wet was eigenlijk bedoeld voor het Rijk binnen Europa. Rekken wij de zaak niet heel erg op door deze wet ook van toepassing te verklaren op het Rijk buiten Europa? Hoe staat de minister van Justitie tegenover het feit dat wij toch een deel van de Nederlandse Grondwet voor de BES-eilanden, dus voor een deel van de burgers van het Koninkrijk, buiten werking stellen middels een wijzigingsartikel in het Statuut?

Er is nog een vraag waarop wij geen antwoord hebben gekregen. Wij hebben het even gehad over het gat in het gordijn naar de EU op Sint Maarten. Er is sprake van een open grens naar het Franse gedeelte. Het Franse gedeelte is een ultraperifeer gebied terwijl het Nederlandse gedeelte de status erft van Landen en Gebieden Overzee. Er is de facto geen grensbewaking. Is dat eigenlijk niet een groot gat in de buitengrenzen van de EU en zijn daar afspraken over gemaakt met de Fransen?

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister en de staatssecretaris voor de heel uitgebreide en ook heel heldere beantwoording van de vragen. Ik kom terug op enkele daarvan en ik wil nog een enkele opmerking maken. Ik begin met het laatste.

Wij zien dat het hervormingsproces vooral wordt bediscussieerd in termen van de mate van zelfstandigheid van de samenstellende delen en de grenzen daarvan. Het gaat vooral om de positie van de eilanden. Dat is begrijpelijk en ook belangrijk. Ook vandaag in het debat is dat een paar keer naar voren gekomen, met name in het kader van het spanningsveld tussen autonomie en de waarborgfunctie van het Koninkrijk. Wij zien dat in het recente verleden vooral de nadruk heeft gelegen op autonomie, met de positieve en ook de minder goede de kanten daarvan, en dat nu, naast de autonomie, ook de waarborgfunctie weer wat meer in het vizier komt. In de toekomst zal dat spanningsveld blijven bestaan, dat beseffen wij.

Ik denk dat het belangrijk is dat wij ervoor waken dat wij niet in een verouderde inkleuring van het begrip autonomie blijven steken, in een soort achterhaald idee over hoe het openbaar bestuur in deze tijd functioneert. Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel. Ik kom even terug op iets wat ik in de eerste termijn noemde, namelijk dat tegenwoordig de verhouding tussen overheden niet heel waterdicht kan worden afgeschot. Dat kan niet horizontaal, wanneer het gaat om overheden die op dezelfde bestuursniveau functioneren, en ook niet verticaal. Dat zien wij binnen Nederland, maar ook in de verhouding tussen de lidstaten van de EU en de EU. Wij zien het eigenlijk overal. De wereld werkt niet helemaal meer zo. Ik denk dat wij ervoor moeten zorgen dat wij binnen het Koninkrijk niet ineens gaan doen alsof dat nog steeds het geval is, want dan blikken wij toch een beetje terug.

Autonomie is belangrijk, daar wil ik geen enkel misverstand over laten bestaan. Deze is echter geen bastion om je op terug te trekken en ook geen vrijbrief voor afzijdigheid. Ik denk dat wij moeten kijken – daarom noemde ik de toekomstvisie ook – of wij op basis van wederzijdse erkende autonomie, dus eigen zelfstandige posities die erkend worden, met behoud van eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden wat meer kunnen komen tot eventuele samenwerking. Ik noemde de artikelen 37 en 38 van het Statuut als voorbeeld, niet meer dan dat. Ik noemde in dat verband ook als probleem de discussie die wij hebben gehad over de jongeren. Die moet worden gevoerd vanuit de eigen verantwoordelijkheid en de eigen bevoegdheden, maar daarbij moeten toch een beetje de verbindingen en de samenwerking worden gezocht. Daarin moet je heel erg investeren en daar is nog het nodige te doen.

Ik ben heel erg blij met hetgeen de staatssecretaris aan initiatieven heeft aangekondigd om een toekomstvisie voor het Koninkrijk te ontwikkelen, zoals de symposia en de essaybundel. Ik denk dat dit heel belangrijke stappen zijn. Ik ga ervan uit dat de regering op basis daarvan zelf ook een eigen visie gaat ontwikkelen, niet alleen als Nederlandse regering, maar ook in trans-Atlantisch perspectief. Het lijkt mij ook verstandig om daarin de rol van maatschappelijke organisaties te betrekken, want die kunnen over en weer veel voor elkaar betekenen aan weerszijden van de oceaan. De staatssecretaris noemde ook de agenda voor de toekomst. Die is heel belangrijk. Ik ga ervan uit dat het geen eenmalig vastgestelde agenda is die eventueel wordt afgewikkeld, maar dat deze dynamisch is en in de toekomst steeds aanwezig blijft in de onderlinge verhoudingen.

Ik heb nog enkele korte vragen. De staatssecretaris heeft heel helder geantwoord over de taken van de voorbereidende commissie voor de RTC. Zij zei dat het niet alleen gaat om de papieren constructies, maar ook om de praktijk. Het lijkt mij wel lastig om juist dat element te toetsen. Misschien kan zij daar nog iets meer over vertellen.

De staatssecretaris heeft gezegd dat de Service Level Agreements er komen en dat Nederland er direct partij bij is. Er is een aantal elementen genoemd, zoals gezondheidszorg en transport. Ik neem aan dat zaken als onderwijs daar ook onder vallen en misschien nog wel een hele waaier van andere beleidsterreinen. Misschien dat daar nog een enkel woord aan kan worden besteed.

Wij hebben een paar financiële vragen gesteld, zoals of er al zicht is op de vraag of de Overheidskredietbank ook toezicht zal gaan houden op de financiën van de BES-eilanden. Dat was nog een open vraag, heb ik begrepen. Misschien is daar nu meer zicht op. Hoe gaat de Koninkrijksregeling ter voorkoming van dubbele belastingen er in de toekomst uitzien? Wordt daar een andere vorm voor gekozen of niet?

Ik heb de opmerking van de minister van Justitie dat hij met anderen acht dat er geen strijdigheid met de Grondwet is wanneer voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer ook de Eilandsraden medekiezer zijn, goed begrepen. Ik ben benieuwd naar de opvatting van de minister over de vraag of artikel 55, lid 3, Kamerontbinding vergt, los van zijn antwoord op de vraag over de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer.

De minister van Justitie heeft een oproep gedaan inzake het verdere verloop van het proces. Hij zei dat het belangrijk is om nu de consensus in het proces te behouden. De CDA-fractie wil deze oproep van harte onderschrijven.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister en de staatssecretaris voor de antwoorden. Mijn fractie onderstreept wat de staatssecretaris net zei, namelijk dat zij hoopt dat mensen op Curaçao nu eensgezind aan de slag gaan met het realiseren van hun nieuwe land en de afspraken die zijn gemaakt. Het draait immers allemaal om het verbeteren van de situatie voor de bevolking. De staatssecretaris zei ook dat het was alsof de heer Van Raak aan het woord was. Dat was wel een erg rake opmerking. Wij vinden het belangrijk dat zij de toezegging deed om zelfs nog voor de zomer samen met haar collega van Financiën met een notitie over E-zones te komen. Ik dank haar hartelijk voor die toezegging. Ik hoop dat die notitie koninkrijksbreed wordt geagendeerd tegen de achtergrond van die interculturele waarden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat wij op dat front met elkaar een stap verder kunnen komen in het Koninkrijk.

De staatssecretaris heeft de waarborgfunctie opnieuw bevestigd. Wij vinden het heel plezierig dat zij die notitie op zich neemt en aangeeft dat dit nog dit jaar wordt opgepakt. Ik hoop niet dat die notitie gaat ondersneeuwen in de symposia- en essaybundels die ook zijn aangekondigd. Ik hoop ook dat de waarborgfunctie opgepakt wordt vanuit de zin die in Willemstad op het Koninkrijksbeeld aan de Fokkerweg staat. De essentie van het Koninkrijk is om "steunend op eigen kracht doch met de wil elkander bij te staan" te werken. Ik denk dat dit een samenvatting is van wat intussen in het Koninkrijk gegroeid is, zoals de staatssecretaris ook al aangaf.

Het is goed dat de staatssecretaris het voorbeeld aanhaalt waaruit blijkt hoe het gegaan is met de pensioenen. Zij gaf aan dat het belangrijk is dat wij veel opener en transparanter met elkaar omgaan om werkelijk discussie in het Koninkrijk te krijgen. Hiermee heb ik de fiscale aspecten en de waarborgfunctie besproken. Inzake het derde punt, de transitieperiode, heeft de staatssecretaris aangegeven dat de voorbereidingscommissie voor de RTC in juni aanstaande met een compleet beeld van de criteria komt waaraan getoetst wordt. Ik begreep dat de staatssecretaris een plan-B voor Sint Maarten achter de hand heeft. Verder heeft zij echter weinig van onze vragen over de transitieperiode beantwoord. Ik kreeg geen antwoord op de vragen hoe het nu precies zal gaan met het maken van de nieuwe landen en wanneer er getoetst gaat worden. Ook heb ik niet gehoord hoe de ontmantelingsprocessen zullen verlopen en welke waarborgen daarin zitten. In Den Haag zijn wij bezig met de wetgevingsprocessen. Ik heb gevraagd hoe deze drie gebieden met elkaar sporen.

Ik begrijp dat dit een lastige vraag is. Het deed me denken aan een zin uit een artikeltje over reclasseringswerk overzee. Dat zal de minister van Justitie aangenaam verrassen. Daarin staat dat projectleider Ernst Wesselius de reclassering in Bonaire probeert af te stemmen op die in Nederland, waarschijnlijk vooruitlopend op deze wetgeving. Hij vat daarin samen dat in zijn taak zich het voor zo'n tropisch gebied bizarre beeld opdringt dat hij een veilige route moet proberen te kiezen in een landschap van ijsschotsen. Alles is in beweging en weinig is zeker. Ik hoop dat de staatssecretaris ons in die notitie van juni meer zekerheid kan bieden over waar wij ons tussen die drie schotsen bevinden. Het is toch een riskante onderneming.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Ik moet wel zeggen dat het kennelijk lastig is om te antwoorden op vergezichten. Ik heb in dit debat geprobeerd om los te komen van de ad-hocpraktijk van vandaag de dag en wat diepgaander na te denken over wat wij met het Koninkrijk willen, hoe wij met elkaar willen omgaan en of wij gemeenschappelijke normen hebben waarop wij elkaar willen aanspreken. Ik heb echt geworsteld met het onderwerp en geprobeerd om iets neer te leggen. Ik vind dat daarop uiteindelijk weinig terugkomt en dat vind ik een beetje teleurstellend.

Ik ga daarom maar concrete vragen stellen, want daarop komen ten minste concrete antwoorden. Ik hoop dat de concrete vragen uiteindelijk zullen leiden tot het schetsen van het vergezicht. Gaat de staatssecretaris de vragen behandelen wat wij willen met het Koninkrijk, waar wij naartoe gaan en welke minimumvoorwaarden gelden als zij straks symposia gaat organiseren? Ik zou het zeer op prijs stellen als de minimumvoorwaarden niet alleen betrekking zouden hebben op de onderwerpen waarover wij afspraken hebben, namelijk goed bestuur, financiën en rechtshandhaving, maar ook op de meer morele aspecten van het Koninkrijk. De betrokkenheid bij het Koninkrijk is minimaal; niet alleen aan de overzijde maar ook in Nederland. Die betrokkenheid zal niet vanzelf ontstaan. Wij zullen daar hard aan moeten werken.

Ik heb wat licht geconstateerd tussen de opvattingen van de staatssecretaris en de minister over wat onder de waarborgfunctie van het Koninkrijk valt. Ik heb al eerder gezegd dat ik het jammer vind dat er geen nieuw Statuut is gekomen. Dat zou een drang hebben gegeven om daar goed over na te denken en wat stevige punten en komma's te zetten. Dat is helaas niet gebeurd. Hoe denken de bewindslieden over het vragen van voorlichting bij de Raad van State over de waarborgfunctie en over de concretisering daarvan? Wat valt er eigenlijk onder die waarborgfunctie? In het Statuut staan de fundamentele rechten en vrijheden heel globaal omschreven. Daarmee kun je natuurlijk alle kanten op. Ik hoorde de minister zeggen dat onderwijs onder de waarborgfunctie valt. Dat doet mij zeer veel genoegen en daar hou ik hem graag aan. Ik hoorde de staatssecretaris echter in antwoord op de heer Van Kappen zeggen dat volksgezondheid niet onder de waarborgfunctie valt en een eigen verantwoordelijkheid is van de eilanden. Daarover moeten wij dus een discussie hebben, eens te meer omdat wij een technisch wetgevingsoverleg hebben gehad waarin ons werd gezegd dat er van vrije vestiging op de eilanden geen sprake zou zijn. Ik hoor hier dus iets anders. Als wij vrij verkeer hebben tussen alle landen van het Koninkrijk is het onvermijdelijk dat wij de ondergrenzen formuleren van de voorzieningen binnen het Koninkrijk. Als er echt vrij verkeer en vrije vestigingsmogelijkheden zijn, zadelen wij de minst sterke landen binnen het Koninkrijk op met een probleem dat zij niet aankunnen. Het is onze verantwoordelijkheid om daar van tevoren over na te denken.

Wij zijn zeer tevreden met de toezegging om een nader onderzoek te doen naar de staat van het bestuur op Aruba. Wij denken echter wel dat je met een onderzoek alle kanten op kunt. Een onderzoek waarin mensen niet onder ede gehoord kunnen worden en waarbij geen toegang bestaat tot gevoelige informatie kun je net zo goed niet houden. Wij waren in januari op Aruba en spraken daar mensen die zeiden dat zij hun verdenkingen nooit openbaar zouden durven maken. Men weet waar hun kinderen op school zitten, hun vrouw werkt en waar ze de boodschappen doen. Zo'n onderzoek kun je dus net zo goed laten. Die sfeer van verdachtmakingen moet er gewoon vanaf. Dat is ook in het belang van Aruba en het Koninkrijk. Het moet een onderzoek zijn waarbij onderzoekers echt de diepte in kunnen gaan en waarbij echte feiten boven tafel komen.

De heer Laurier (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor de beantwoording van de vragen, opmerkingen en kanttekeningen. Er moet mij nog wel iets van het hart. Ik had de indruk dat een deel van de beantwoording nogal voorzichtig was, in die zin dat men het proces van transitie absoluut niet wil verstoren. Dat siert de regering, maar anderzijds is het ook onbevredigend.

Er is gesproken over het vrij verkeer en de eventuele normen die in dat kader in het Koninkrijk zouden moeten gelden. Op het moment dat sprake is van vrij verkeer ontkomen wij er niet aan om minimumgrenzen in het Koninkrijk vast te stellen en wel om twee redenen. In de eerste plaats krijgen wij dan te maken met een dilemma waarbij het risico bestaat dat de normen voor het levensonderhoud voor de delen die straks onderdeel worden van Nederland zo hoog worden vastgesteld dat een bepaalde stroom van personen in die richting zal gaan. Dat brengt risico's voor die eilanden met zich. Daarnaast bestaat het risico dat, daarop anticiperend, het niveau van levensonderhoud in feite te laag wordt vastgesteld om die stroom te voorkomen. Ik wil daar graag meer duidelijkheid over hebben. Hoe kijken de bewindslieden aan tegen die minimumstandaarden? Hoe komt het dat die kwestie momenteel zo weinig aandacht krijgt?

Mijn tweede opmerking heeft betrekking op de BES-eilanden. Dat worden openbare lichamen waar uiteindelijk Nederlandse wetgeving zal gelden. Er is een aantal prioriteiten gesteld. Die hebben vooral te maken met de zorg rond de levensomstandigheden van personen. Daarnaast is sprake van een aantal vraagstukken over de ruimtelijke kwaliteit en natuur en milieu. De heer Kamp is inmiddels begonnen met een voorberei­dingsbesluit waar allerlei bestemmingsplannen aan ten grondslag liggen. Dat geeft de actualiteit van die thema's aan. Het gaat om belangrijke natuurgebieden en belangrijke milieuvraagstukken. Mij schoot tijdens de discussie een stukje Sint Eustatius te binnen waar een olieoverslagstation naast een natuurgebied ligt waar op koraalriffen wordt geankerd. Hoe zien de bewindslieden de prioriteit van dat soort kwesties?

Straks is normalisatie van de betrekkingen met de BES-eilanden van belang. Hoe wenselijk is het in dat kader om een BES-fonds te handhaven? Is het niet van belang om uiteindelijk te komen tot financiering via het Gemeentefonds? Overigens zullen wij dan wel heel creatief moeten omgaan met een aantal criteria dat wij in het kader van het Gemeentefonds gebruiken voor de verdeling. Maar als het in Nederland mogelijk is om per strekkende kademuur een aantal zaken te bepalen, dan kan dat wellicht ook per strekkende meter koraal. Dat is ook goed voor de bescherming van de koraalriffen.

Mijn derde opmerking heeft betrekking op de fasering. Het streven is om te komen tot twee zelfstandige landen en om de BES-eilanden in feite bij Nederland te halen. Daarnaast gaat het om de ontmanteling van de Antillen. Dat zijn eigenlijk drie processen naast elkaar. Wij proberen die in gelijktijdigheid te zien, maar het risico van fasering is natuurlijk enorm. Kunnen de BES-eilanden uittreden uit de Antillen zonder dat het land de Antillen wordt ontmanteld? De staatssecretaris zei in haar termijn een aantal interessante zaken wat dat betreft. Zij sprak over een plan-B voor Sint Maarten, al wil zij daar in dit stadium verder niet zoveel over zeggen. Daar heeft mijn fractie begrip voor. De staatssecretaris noemde ook 2010 als haalbaarheidsdatum. Ik heb de staatssecretaris gevraagd hoe zij aankijkt tegen het proces van Curaçao in het kader van de verzelfstandiging. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris eind 2010 voor Curaçao haalbaar acht, gelet op de ontwikkelingen die daar nu plaatsvinden? Klopt het ook dat zij niet uitsluit dat het proces van verzelfstandiging van Sint Maarten wat langer kan duren, zodat plan-B in werking zal treden? Wat betekent dat verder voor de ontmanteling van de Antillen?

Ik heb ook gevraagd naar de gemeenschappelijke voorziening voor de politie. De minister heeft daarop geantwoord, maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat tussen hier en de overkant – een andere overkant dan die wij hier gebruikelijk als term hanteren – verschillende visies bestaan. In de Antillen wordt gedacht aan een aanzienlijk lichtere vorm van gemeenschappelijke voorziening, meer in de zin van een coördinatiekantoortje, terwijl de mensen die het werk moeten doen in de politiekorpsen zijn geplaatst. Ik wil graag van de minister weten in hoeverre die inschatting juist is en hoe zijn positie ten opzichte van die visie is.

Mijn fractie wacht de beantwoording van de vragen met belangstelling af.

Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de beantwoording. Ik was aangenaam getroffen – ik zeg expres getroffen en niet verrast, want dan lijkt het alsof ik iets anders had verwacht – door de reactie van de staatssecretaris op de interruptie van mevrouw Linthorst. De staatssecretaris gaf aan dat er ook andere methoden zijn om te spreken en te onderhandelen over Koninkrijkszaken. Dat moet vooral open en constructief gebeuren. De staatssecretaris heeft ook voorbeelden genoemd van zaken die zij op die manier heeft bereikt. Daardoor heb ik er alle vertrouwen in dat de regering deze kwestie tot een goed einde zal brengen.

Ik ben blij met het voornemen van de staatssecretaris om een aantal wetenschappers op een aantal zaken te laten studeren. Zij komen daarna met hun bevindingen en daarover wordt een symposium georganiseerd. Tijdens het interruptiedebatje met de minister gaf de staatssecretaris non-verbaal aan dat de vraag over artikel 55 van het Statuut wordt meegenomen. Ik verzoek de staatssecretaris de vraag over het zelfbeschikkingsrecht in dat kader ook mee te nemen. De minister heeft aangegeven hoe het daar zijns inziens mee staat. Ik denk dat hij zich daarmee bevindt in het goede gezelschap van veel juristen, maar ik wijs nog graag op een artikel in de afscheidsbundel van professor Prakke, een artikel van professor Jessurun d'Oliveira, waarin een afwijkend standpunt wordt ingenomen. Helemaal unaniem zijn de opvattingen op dat punt dus niet.

Ik heb in eerste termijn gesproken over de leerplicht. De staatssecretaris heeft toegezegd dat daar nog een antwoord op komt. De minister stelt dat dit valt onder de minimumeisen die ook de Raad van State in zijn advies aangeeft. Wat is de stand van zaken nu? Is het nog noodzakelijk dat Nederland daar een rol in speelt? Een tweetal vragen is nog niet beantwoord. Ik heb een vraag gesteld over een vooruitgeschoven post van het NFI op Curaçao. De procureur-generaal heeft daar in overleg om gevraagd. Ik heb daar nog niets over gehoord. Wat is straks in de nieuwe status de verhouding tussen de gemeenschappelijke politievoorziening en het RSC?

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun uitgebreide beantwoording, waarbij heel veel aan de orde is gekomen. Met mevrouw Van Bijsterveld constateer ik dat in de discussie de spanning centraal heeft gestaan tussen enerzijds autonomie en anderzijds de waarborgfunctie, of de vraag wat wij tolereren in het Koninkrijk. Allereerst moet voor het land voldaan worden aan de voorwaarden, maar vervolgens, als wij nieuwe landen hebben, is sprake van die spanning. Beide, autonomie en waarborgfunctie, zijn natuurlijk van heel groot belang. Ik ben heel blij dat het element van de autonomie door de staatssecretaris en de minister toch ook benadrukt wordt. Het is van belang dat vanuit Nederland met respect met de autonomie wordt omgegaan. Juist ten opzichte van de oppositie op Curaçao op dit moment, bijvoorbeeld, is het van heel groot belang dat wij daar niet zomaar omheen willen lopen. Maar de waarborgfunctie en de vraag wat kan in het Koninkrijk is natuurlijk eveneens van groot belang. Daarvoor zal de discussie over de visie op het Koninkrijk die de staatssecretaris op touw gaat zetten, erg belangrijk zijn. Ik ben heel blij dat de staatssecretaris dit op een brede manier oppakt, waarbij zowel van hieruit als van daaruit inbreng geleverd moet worden. Wat verstaan wij aan beide kanten van de oceaan onder het Koninkrijk? Hoe willen wij daarmee omgaan?

Ik denk dat het element van het democratisch deficit, waarmee op het ogenblik natuurlijk een andere commissie bezig is, daarmee onmiddellijk te maken heeft. Daarop zou ik graag een reactie van de bewindslieden krijgen. De parlementaire wetgevende instantie voor Koninkrijkswetgeving is de Staten-Generaal, maar de Staten-Generaal zijn niet generaal in die zin dat het een Statenvergadering voor het hele Koninkrijk is. Dit blijft een fundamentele weeffout, denk ik. Ik zou van de bewindslieden niet een eindoordeel over deze kwestie willen hebben – dat zullen zij vast niet willen geven – maar misschien zouden zij kunnen aangeven dat de wijze waarop wij met dit vraagpunt van het democratisch deficit moeten omgaan, mede een cruciaal punt zou kunnen zijn in de visie die wij met elkaar ontwikkelen op het Koninkrijk. Voor de vraag hoe wij naar het Koninkrijk kijken is het belangrijk of wij hiermee iets kunnen doen. Als wij er uit zijn, kan er misschien een nieuw Statuut komen, of zou dat er moeten komen.

Ik sluit mij graag aan bij de vraag die collega Laurier nog eens heeft gesteld over de gemeenschappelijke voorziening. Deze zat en zit mij ook wat dwars. Een andere vraag in dat verband betreft de politie. De staatssecretaris antwoordde zonet een beetje nonchalant op de vraag hoe het ervoor komt te staan met de politie-inzet op Sint Maarten. Men heeft daar nu zelf de mogelijkheid om prioriteiten te stellen, zo zei zij, en dan zien wij wel hoe dat afloopt en of men voldoet aan de normen. Daarbij dacht ik: wij zijn er toch met elkaar verantwoordelijk voor dat er juiste keuzes worden gemaakt? Als Sint Maarten keuzes maakt – het eiland heeft het recht om zijn eigen prioriteiten te stellen – dient het er toch, na het overleg dat heeft plaatsgevonden, van overtuigd te zijn dat dit keuzes zijn die mogen leiden tot de conclusie dat er uiteindelijk voldaan kan worden aan de voorwaarde, of zie ik dat verkeerd? Welke garantie geven wij zo'n land in opbouw?

Daarnaast heb ik een vraag gesteld over het bestuur op Sint Maarten. Ik weet niet hoe op dit moment de situatie is, want de berichten bereiken mij soms niet onmiddellijk. Er kan dus intussen best weer wat veranderd zijn. Na het aftreden de heer Laveist en zijn mededeling dat hij niet meer achter het bestuurscollege stond, was de situatie van het bestuur zo dat er geen meerderheid meer was op Sint Maarten. Ik neem aan dat dit nog zo is. Dat is natuurlijk een hoogst ongelukkige zaak als men een eiland bestuurbaar wil houden. In Nederland zouden wij dan nieuwe verkiezingen uitschrijven, want dat is de ultieme oplossing voor dat soort problemen. Dat kan daar echter niet. Dat is een probleem in de huidige structuur van het land. Moet dat er ook toe leiden dat de omvorming tot land iets heel urgents krijgt teneinde tot betere bestuurlijke verhoudingen te kunnen komen? Ook daarover zou ik graag iets horen.

Er is veel over Aruba gesproken. De staatssecretaris heeft gezegd dat daar een wetenschappelijk onderzoek zal worden ingesteld. Dat lijkt mij heel goed. Ik ben het eens met de opmerking van mevrouw Linthorst dat dit ook een echt goed onderzoek moet zijn, want anders levert het natuurlijk nog niets op. Ten aanzien van de vraag die ik aan het begin stelde over de grens tussen autonomie en de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk, vormt dit natuurlijk een beetje een gevaarlijk grenspunt. De waarborgfunctie waarmaken door beslissingen op te dringen, werkt vernietigend op het Koninkrijk. De waarborgfunctie waarmaken door met elkaar over de dingen te praten, in openheid en alle kanten op, kan heel opbouwend werken in het Koninkrijk. Is het bij de vraag of het noodzakelijk is om daar een wetenschappelijk onderzoek te doen, mogelijk om dit met Aruba te regelen door op deze manier om te gaan met de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk, of kan dat niet?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Voorzitter. Ik zal de vragen langslopen in de volgorde van de sprekers.

Ik begin bij de vragen van de heer Van Kappen. Hij begon zijn bijdrage in tweede termijn met de opmerking dat hij op zoek was naar de grenzen voor de autonomie en de waarborgfunctie. Daaraan koppelde hij direct, zoals ik overigens ook altijd doe, financieel toezicht, behoorlijk bestuur en rechtshandhaving. Wij zijn het er helemaal over eens dat dit de punten zijn waarnaar wij kijken. In de notitie die ik heb toegezegd, zullen wij die vraag in brede zin beantwoorden als het gaat om de waarborg voor de toekomst. In reactie op wat mevrouw Van Bijsterveld en mevrouw Linthorst zeiden, zal ik daarop nog terugkomen.

De heer Van Kappen vroeg naar de bevolking en het vestigingsbeleid op de BES-eilanden. Zolang er nog niets geregeld is, kan er ook sprake zijn van een vestigingsverordening. Dat kan geregeld worden op de eilanden, zoals wij het hier ook wel eens hebben gedaan. Hierover ben ik in gesprek met de eilandsbesturen, omdat dit hun de mogelijkheid biedt om ook voor henzelf ongewenste ontwikkelingen tegen te houden. Daarnaast blijft datgene staan wat de minister van Justitie heeft gezegd. Als het gaat om de vraag wat de bevolking wil, is het van groot belang – daarover heb ik in eerste termijn ook iets gezegd – dat wij goed de situatie van voorbereidingsbesluiten regelen en zo snel mogelijk bestemmingsplannen hebben et cetera, zodat er geen ongewenste ontwikkelingen kunnen ontstaan. In het verleden hebben wij die wel gezien, onder meer met grond. Wij zetten nu alles op alles om dat voor elkaar te krijgen en allerlei ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Ik meen dat de heer Laurier hierop eveneens is ingegaan. Als je niet zo makkelijk kunt wonen, wordt het voor mensen ook minder aantrekkelijk om op dat eiland te gaan wonen.

De heer Van Kappen maakte zich zorgen over de omvang van de voorzieningen. Zelf haalde ik het feit naar voren dat de bevolking van Bonaire het zelf ook niet zo leuk vindt dat omgekeerd zoveel mensen die wel veel geld hebben daar komen wonen. Dit zouden wij ook moeten meenemen bij de vraag hoe wij in het Koninkrijk met elkaar willen omgaan, maar dat is meer toekomstgericht.

De heer Van Kappen vroeg verder of de Gemeentewet van toepassing wordt op de BES-eilanden. Dat is niet het geval. Dit had ik inderdaad ook in de eerste termijn van de heer Van Kappen gehoord. De BES-eilanden worden namelijk geen gemeente – dan zou het heel gemakkelijk zijn geweest – maar het worden openbare lichamen op grond van artikel 134 van de Grondwet. De Gemeentewet wordt daarom niet van toepassing. De hele bestuurlijke inrichting van de BES-eilanden wordt geregeld in de Wet openbare lichamen BES – anders gezegd de WolBES – die ik net gisteren heb ingediend bij de Tweede Kamer. Nu volgt de WolBES in grote delen wel de systematiek van de Gemeentewet – wellicht schuilt daar het misverstand – maar het is echt specifieke wetgeving, gemaakt voor de BES-eilanden.

De heer Van Kappen vroeg naar de cursussen voor bestuursambtenaren en stages voor ambtenaren van Bonaire, maar ik neem aan dat het net zo goed voor Saba en Sint Eustatius kan gelden. Wij zijn daarmee bezig. Er is een programma opgezet in samenwerking met de VNG en de Bestuursacademie. Voor een deel heeft de Bestuursacademie al aan scholing gedaan. Bijvoorbeeld de Belastingdienst heeft in de afgelopen jaren een heel succesvol programma voor de financiële ambtenaren op de eilanden ontwikkeld. Het is een voorbeeld dat wij ook gebruiken voor anderen. Mevrouw Ten Horn had het over de twinning bij de politie. Zoals ook mevrouw Van Bijsterveld heeft gezegd, is dat succesvol geweest voor Curaçao, waar wij in samenwerking aan een soort kadervorming hebben gedaan. Dat willen wij hier ook doen met de programma's van de Bestuursacademie. Ik heb vorige week met de Gouverneur van de Nederlandse Antillen besproken of dat specifieker kan worden geregeld voor een aantal groepen op die drie kleine eilanden. Wij hebben er oog voor.

Het project TAM, Toekomst Antilliaanse Militie, is succesvol, in ieder geval zoals het door onze marinemensen wordt uitgevoerd. U hebt er wel eens gekeken en ikzelf ook een paar keer. Een van de dingen waaraan het in de afgelopen jaren mank ging, was dat er niet genoeg kandidaten werden aangeleverd voor het programma door het Bestuurscollege vanuit Curaçao. Dat is nu wel redelijk op peil. Ik ben zeker bereid om te kijken hoe dat in enigerlei vorm tot een vervolg kan leiden; ik heb daarover overlegd met collega Van Middelkoop. Als er zoveel is geïnvesteerd, is het jammer als het eventueel zou ophouden te bestaan. Ik kan er nu niet verder op antwoorden.

U was blij met de toezeggingen. Die blijven natuurlijk ook in tweede termijn staan. U was ook blij met het toegezegde onderzoek in verband met Aruba. Ik heb gezegd dat ik zal proberen om dat in ongeveer een halfjaar te doen. Ik ben het wel met mevrouw Linthorst eens dat het goed, degelijk en onderbouwd moet zijn. Ik heb uw punten, onder andere over het onder ede verhoren, goed gehoord en ik zal er zeker naar kijken. Het gaat er nu juist om dat wij meer gegevens boven tafel krijgen dan nu. Dat was mijn doel zoals u hebt gehoord; u zult dat volgende week wel zien in de brief die ik over Aruba naar de Tweede Kamer en ook naar u stuur. Ik heb goed gehoord wat u daarover zegt. Overigens heb ik ook goed gehoord dat in deze Kamer de zorg over Aruba breed wordt gedeeld. Dat was in de Tweede Kamer ook het geval. Daarom schrijf ik de brief over de staat van het bestuur en de rechtshandhaving op Aruba. Ik denk dat het alleen kan door zo'n onafhankelijk extra onderzoek. Als ik iedereen zo hoor, zijn wij het daarover eens.

Ik kom bij mevrouw Van Bijsterveld. Collega Hirsch Ballin en ik hebben in ieder geval geprobeerd om aan te geven hoe wij in het traject staan en hoe wij ernaar kijken. Hoewel het een hoofdlijnendebat is, hebben wij geprobeerd uw concrete vragen zo veel mogelijk te beantwoorden. Ik ben blij dat u daar verheugd over bent.

U haalde nog eens de spanning aan tussen autonomie en waarborgfunctie. Ik denk dat dit spanningsveld zal blijven bestaan; dat zei u ook. Het is van belang om samen goed na te denken over de toekomst. Dat wil ik doen in de door mij al toegezegde notitie in de richting van de Tweede Kamer: hoe zit het met die waarborgfunctie en hoe zit het sowieso met het Koninkrijk in de toekomst?

U haalde aan dat wij waren ingegaan op de Service Level Agreements. Die zijn op meerdere terreinen denkbaar naast de terreinen die ik al heb genoemd. Bij de gesprekken met het land Nederlandse Antillen over de ontmanteling van dat land en de opbouw van de nieuwe landen en de nieuwe "bijzondere gemeenten", zullen ook hierover verdere afspraken worden gemaakt. Wij zullen het serieus opnemen.

In verband met uw toekomstvisie gaf u nogmaals het voorbeeld van de probleemjongeren in het kader van samenwerking. U vroeg of wij dat voorbeeld belangrijk vonden. Het antwoord is "ja". Er zullen in de toekomst in het Caribisch deel van het Koninkrijk meer landen en een aantal openbare lichamen zijn. Inderdaad staan die entiteiten in een horizontale relatie tot elkaar. Dan is samenwerking wellicht nog belangrijker dan in het verleden tussen de specifieke eilanden. Ik ben het met u eens dat voor die goede samenwerking verwachtingen van partijen over en weer van cruciaal belang zijn. Die moet je ook uitspreken: wat verwachten wij nu van elkaar? Kijk wat er bijvoorbeeld rondom het referendum gebeurt, kijk naar Curaçao. Dat was een van de achterliggende vragen van mevrouw Linthorst. Er is verdeeldheid over de verwachtingen. Die zijn niet altijd goed genoeg uitgesproken ten opzichte van elkaar. Ik wil dat meenemen in de discussie hoe wij kijken naar het Koninkrijk van de toekomst, zodat wij er veel opener over spreken en er ook inhoudelijk aandacht aan besteden. Als je dat zo doet, draagt dat uiteindelijk bij aan een betere voedingsbodem voor samenwerking, omdat je dat beter kunt beredeneren. In ieder geval is dat mijn opvatting. Wij spreken er verder over en dan hoor ik ongetwijfeld ook uw kanttekeningen daarbij.

U had nog een specifieke vraag over de Kieswet in reactie op datgene wat collega Hirsch Ballin inbracht. Nu ben ikzelf verantwoordelijk voor de Kieswet. Hij is ook in Nederland verantwoordelijk voor de Kieswet en het organiseren van de verkiezingen. U vroeg of het toekennen van kiesrecht voor de Eerste Kamer aan de leden van de eilandsraden van de BES niet in strijd was met artikel 55 van de Grondwet. Wij hebben er uitgebreid naar gekeken. Niet alleen artikel 55, maar ook de artikelen 4 en 53 van de Grondwet zijn daarbij van belang. Als u die vraag nu niet beantwoord wilt hebben, zullen wij dat later doen. Als het niet nodig is, slaan wij het over.

Mevrouw Van Bijsterveld (CDA):

Ik had het antwoord van de minister op die vraag voor kennisgeving aangenomen en ik wilde er eigenlijk niet verder op ingaan. Los van die vraag was ik gewoon benieuwd naar de interpretatie van met name de minister van artikel 55, derde lid, of dat Kamerontbinding zou vergen. Maar ik begrijp uit zijn antwoord dat het nu in feite niet nodig is om dat artikel toe te passen.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Precies. Als u benieuwd bent naar de interpretatie van de minister, neem ik aan dat hij er nog een keer op zal ingaan. Ik laat dit dan verder voor wat het is. U zult zelf de Kieswet hier krijgen en dan kunt u het verder beoordelen.

Twee financiële vragen waren nog niet beantwoord. De eerste vraag is of na de staatkundige vernieuwing ook de overheidskredietbank toezicht gaat houden op de financiële huishouding in de BES. Het antwoord is "nee". Het College financieel toezicht BES zal na de staatkundige vernieuwing gewoon blijven voortbestaan en het toezicht blijven uitoefenen op de BES. Dat wordt geregeld – dat zult u zien als de wetgeving bij u komt – in de Wet financiën BES. Overigens is er überhaupt geen sprake meer van de oprichting van een overheidskredietbank, maar dat komt u uiteindelijk ook te weten. Ook voor Curaçao en Sint Maarten zal er een College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten blijven bestaan. Beide colleges delen een secretariaat, maar hebben een verschillende samenstelling en een verschillend mandaat. Wij spreken er later verder over.

De tweede vraag is hoe de regering aankijkt tegen de mogelijkheid voor Curaçao en Sint Maarten om na het bereiken van de autonome status te komen tot sluitende begrotingen. Curaçao en Sint Maarten hoeven na het bereiken van de autonome status geen sluitende begroting te hebben, ze mogen schuld hebben tot aan het bedrag dat behoort bij de rentelastnorm. Dat is zo afgesproken. Aangezien ook na de transitie het College financieel toezicht in functie blijft en zal toezien op het nakomen van die afspraak, heeft de regering er vertrouwen in dat de schulden de rentelastnorm niet te boven zullen gaan. Dit college zal daar nadrukkelijk op blijven toezien. Dat is weer een van de waarborgen die in het proces zitten en dat kan men in de wetgeving uiteindelijk ook beoordelen.

Mevrouw Ten Horn, ik hoop van harte met u dat er eensgezind aan de slag wordt gegaan op Curaçao. Dat heb ik niet voor niets zo benadrukt. Het gaat uiteindelijk om het verbeteren van de situatie van de bevolking. We zijn hier met een ingewikkeld staatkundig traject bezig, maar we doen het niet omdat we die staatkunde willen wijzigen. Dat is echt wel mijn intrinsieke motivatie. Natuurlijk zullen we Koninkrijksbreed kijken naar de E-zones, en dit verwerken in een notitie. We zullen daar zeker over spreken.

Mevrouw Ten Horn was blij met het feit dat opener en transparanter met elkaar omgaan ook tot resultaat leidt. Ik vind inderdaad dat we in het verleden wellicht wel eens wat te bangelijk zijn geweest om ook open met elkaar de inhoud te bespreken. Als we met elkaar het Koninkrijk vormen, moeten we ook durven benoemen waar het om gaat. Op dat punt was ik het ook bijzonder eens met mevrouw Linthorst, ondanks dat ze misschien een beetje teleurgesteld was in onze visieantwoorden. Op die punten deelde ik haar visie. Juist als je dat zo doet, kun je uiteindelijk gezamenlijk een beter resultaat bereiken. Daar is het ons uiteindelijk om te doen.

Mevrouw Ten Horn, ik kan u geen antwoord geven wanneer die nieuwe landen er zullen zijn. Ik kan natuurlijk wel zeggen dat in juni de voorbereidingen voor de Ronde Tafel Conferentie zullen plaatsvinden. Dan zullen we ook de criteria vaststellen. Wanneer die nieuwe landen er zijn, hangt af van hoe het traject loopt, van de slot Ronde Tafel Conferentie en van de vraag of de landen in oprichting kwalificeren en voldoen aan de criteria.

Ten slotte haalde mevrouw Ten Horn een artikel over het reclasseringswerk op Bonaire aan. Ik ken de heer Wesselius als officier van justitie in Almelo en ik ben zelf voorzitter van Reclassering Nederland geweest, dus mevrouw Ten Horn doet mij daar een groot plezier mee. De heer Wesselius had het over een riskante onderneming. Ik heb ook wel eens met de heer Wesselius gesproken op Bonaire over het vermijden van ijsschotsen. Gelukkig zijn er niet al te veel ijsschotsen in het Caribisch gebied, dus ik heb er het volste vertrouwen in dat we door goed voor ogen te houden wat het doel is – want dat is voor mij heel belangrijk – iedere ijsschots of rots zouden kunnen vermijden.

Mevrouw Linthorst, vergezichten zijn altijd lastig. U zei zelf al: ik heb er zelf ook mee geworsteld hoe ik dat zou doen. Onze bedoeling was juist om nu aan te geven hoe wij staan in het staatkundig traject en mijn bedoeling is inderdaad om nu te gaan werken aan het punt dat u ook voor ogen staat; hoe gaan we nu, vanuit wat we nu hebben in het Koninkrijk, met elkaar om? Daar zitten die twee kanten in, de autonomie en de waarborgen. Ik heb niet voor niets gezegd in weliswaar niet zo'n groot vergezicht, dat ik op het Isla-terrein een andere koers ben gaan varen dan in het verleden. Dat heeft voor een deel te maken met hoe ik nu kijk naar de verhouding tussen de landen en tussen de eilanden. In die brede visie zullen de door u genoemde punten aan de orde worden gesteld. Het gaat wel degelijk ook om morele aspecten. Voor mij gaat het ook om waarden, die we binnen het Koninkrijk hoog willen houden. Dat heb ik ook in eerste termijn gezegd. Dan moeten we ook juist de rijkdom van die interculturele kant met elkaar durven bespreken, naast de kritische kanten die u terecht aanhaalde. Misschien bent u dan nu een beetje teleurgesteld, maar als we die notitie af hebben, hoop ik dat we met elkaar een goed debat kunnen voeren en ook kunnen zeggen hoe we de komende jaren met elkaar omgaan in het Koninkrijk. Daar hoort dan wat mij betreft die Statuutswijziging bij.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Om mijn dag toch nog een beetje goed te maken: komt dan in die notitie ook een beschrijving van wat nu wel en niet tot de waarborgfunctie hoort? Er zijn twee kanten aan. De ene kant betreft de vraag wat onder die waarborgfunctie valt. Dit zou wat mijn fractie betreft verder moeten gaan dan alleen het op orde hebben van de financiële huishouding en de rechtshandhaving. De andere kant betreft de vraag hoe je ervoor zorgt dat je die waarborgfunctie ook effectief kunt inzetten. Het gaat mij vooral om het eerste punt. Gaan we die discussie dan ook aan?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja, wat mij betreft hoort dat erbij. Toen het aan de orde kwam in de Tweede Kamer hebben wij dat ook nadrukkelijk met elkaar besproken. Je moet dus naar het geheel kijken.

Met betrekking tot Aruba heb ik aan het adres van de heer Van Kappen al gezegd dat ik er ook rekening mee zal houden dat wij alle gegevens boven tafel moeten kunnen krijgen.

De heer Laurier heeft een vraag gesteld over de prioriteiten. De prioriteiten lagen inderdaad meer op het sociale terrein. Door de actieve manier waarop de heer Kamp aan het werk is gegaan en door alle kwartiermakers die wij op Bonaire bij het REC hebben zitten, hebben wij geconstateerd dat er op het ruimtelijk terrein vele vraagstukken zijn. Inmiddels zijn er kwartiermakers van VROM die ernaar kijken. Ten aanzien van natuur en ruimtelijk beleid heb ik aan de gezaghebbers extra technische ondersteuning aangeboden, zodat men op Bonaire, Saba en Sint Eustatius de regelingen voor zichzelf zo kan maken dat er ook echt wat tot stand komt. Dus ruimte en natuur vormen wel degelijk een prioriteit. Bovendien zal een kwartiermaker van Landbouw naar Bonaire gaan.

De heer Laurier (GroenLinks):

Ik ben blij dat te horen. Als het gaat om ruimtelijke kwaliteit, natuur en milieu, is er binnen de Nederlandse verhoudingen sprake van een duidelijke landsverantwoordelijkheid. Hoe moet ik uw opmerking dat de kwartiermakers daarheen zijn gegaan, zien in het licht van de verantwoordelijkheid van de openbare lichamen in spe en de landsverantwoorde­lijkheid van de Nederlandse ministers en de Nederlandse regering? Bijvoorbeeld bestemmingsplannen bewegen zich binnen ruimtelijke kaders die voor een deel nationaal zijn vastgesteld; ze kunnen er althans niet strijdig mee zijn. Hoe verhoudt dit zich nu tot die nieuwe stukjes Nederland?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Zoals u weet, is het nu nog geen Nederland maar is het nog Nederlandse Antillen. U weet ongetwijfeld ook dat bestemmingsplannen de verantwoordelijkheid van de gemeenten zijn in Nederland. Dus Bonaire maakt nu een bestemmingsplan binnen zijn eigen mogelijkheden. Het voorbereidingsbesluit is niet voor niets vastgesteld. Men bestemt nu in ieder geval alle grond. Daarover vindt dan een debat plaats in de Eilandsraad. Er zijn nu nog geen landelijke kaders waaraan dat getoetst wordt, aangezien het nog niet om een deel van Nederland gaat. Uit het feit dat wij kwartiermakers hebben van VROM en van Landbouw kunt u wel opmaken dat wij wel meekijken naar wat daar gebeurt. Niet alleen op Bonaire maar ook op Sint Eustatius is het een acuut probleem. Saba is wat overzichtelijker, omdat daar niet zo veel ruimte is te vergeven. Wij bekijken binnen bepaalde kaders die wij ook aanvaardbaar achten, hoe een en ander zich beweegt. Dat is wat wij op dit moment kunnen doen. Meer nog niet, want het is niet onze verantwoordelijkheid. Wij proberen daar zo veel mogelijk een mouw aan te passen.

Moet het BES-fonds niet naar het Gemeentefonds of iets dergelijks? Nou ben ik ook de fondsbeheerder in Nederland. Daar hebben wij hier heel specifiek naar gekeken, maar wij doen dat met opzet niet. De positie van de BES-eilanden is echt een andere dan van de Nederlandse gemeenten. Zij zijn ook piepklein. Wij hebben in Nederland één zo'n kleine gemeente, namelijk de gemeente Rozendaal. Het wordt daarom een eigen wet. Daarbij past ook een andere financieringssystematiek, waarin meer recht wordt gedaan aan voorzieningen. Bij de Waddeneilanden kijken wij soms ook specifiek naar voorzieningen. Er zijn inderdaad voorzieningen die niet in een gemiddelde Nederlandse gemeente van deze omvang voorkomen. Daar is dus met opzet specifiek naar gekeken.

De heer Laurier sprak verder over de fasering en de drie processen naast elkaar, die uiteindelijk tot een gelijktijdig einde moeten komen. Ik weet niet wat ik nog moet toevoegen aan hetgeen ik hierover al in eerste termijn heb gezegd. De toetsing op de criteria is uiteindelijk het ultieme moment voor Curaçao en Sint Maarten. In een Ronde Tafel Conferentie zeggen wij op basis daarvan "ja" of "nee". De genoemde criteria worden gemaakt.

De heer Laurier (GroenLinks):

Dat antwoord begrijp ik. Het is eigenlijk een toespitsing op mijn vraag die ik in eerste termijn heb gesteld, maar die niet beantwoord is, namelijk hoe de staatssecretaris op dit moment de voortgang van het proces op Curaçao inschat. Als de staatssecretaris een termijn van eind 2010 noemt, zegt zij daarmee dan in feite dat dit een realistische termijn is voor Curaçao? En als zij een plan-B heeft voor Sint Maarten, houdt zij er dan rekening mee dat dit proces langer kan duren?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Op beide vragen is het antwoord "ja". Ik dacht dat ik al in eerste termijn heb laten weten dat ik er zo naar kijk. Ik heb heel specifiek benoemd dat, als Sint Maarten niet aan de criteria voldoet, er een plan-B moet zijn. Dat zal in alle gevallen betekenen dat Sint Maarten geen land kan worden en dat er dus een alternatief moet zijn. Daarvoor zijn vandaag verschillende opties over tafel gegaan.

Bij de voorbereiding van de ontmanteling proberen wij zo veel mogelijk bij het tempo van het land Nederlandse Antillen aan te sluiten. Het is geen geheim dat Curaçao in de afgelopen weken niet zo veel werk van de opbouw van dat land noch van het personeelsplan heeft gemaakt. Ik verwijs hierbij naar alle inzet voor het referendum. De afgelopen tijd is dus vertraging opgelopen ten opzichte van de oorspronkelijke planningen die zowel het land als het eilandgebied Curaçao op papier had staan. Dat is iets wat wij wel tegenkomen.

Mevrouw Lagerwerf was aangenaam getroffen. Dat is natuurlijk altijd mooi. Ik denk echt dat transparantie en elkaar duidelijk aanspreken tot iets leiden. Dat hebben wij al een aantal keren gezien. Ik vind het van belang dat wij daarbij niet te bangelijk zijn. Ik ben er blij mee dat dit hier in de Kamer, bijvoorbeeld ten opzichte van Aruba, zo open is gebeurd.

Op haar vraag of ik bij de visie op het Koninkrijk ook het zelfbeschikkingsrecht zal betrekken, kan ik antwoorden dat ik dat zal doen.

Verder was ik haar nog een antwoord schuldig over de leerplicht. Ik had beloofd op deze vraag in tweede termijn te antwoorden. In aanvulling op hetgeen de minister van Justitie in eerste termijn heeft gezegd over de vraag of minimumeisen kunnen worden gesteld op het terrein van onderwijs op basis van artikel 38 of 43 van het Statuut, noem ik nog een paar dingen. Onderwijs is een autonome aangelegenheid van de landen van het Koninkrijk. Dat was mevrouw Lagerwerf niet onbekend. De landen zijn daarbij gehouden aan onder andere internationale verdragen, bijvoorbeeld mensenrechtenverdragen. Het is van groot belang dat wij ons dat realiseren. In die verdragen is het recht op onderwijs vastgelegd. Dat is ook voor ons een belangrijk element. Het is dus in eerste instantie aan Aruba om zodanige voorzieningen te treffen dat de toegang tot het onderwijs gewaarborgd is. Dat is van belang. Laat er geen misverstand over bestaan dat ik een leerplicht echt belangrijk vind. Ik heb daar ook herhaalde malen over gesproken met de bewindslieden op Aruba, en overigens niet alleen op Aruba. Het waarborgen van de toegang tot onderwijs moet echter niet worden verward met het opleggen van een leerplicht door de overheid. Daar zit wel een verschil in. Over de leerplicht op Aruba kan ik melden dat een commissie – "nog steeds", zou ik haast willen zeggen – beziet hoe de leerplicht kan worden ingevuld. Daarbij is ook de handhaving een belangrijk punt. Een leerplicht invoeren zonder dat er handhaving is, heeft geen enkel resultaat. Dat zeg ik dan maar even als oud-gemeentebestuurder. In juni ben ik weer op Aruba. Nu dit aspect zo nadrukkelijk is ingebracht, zal ik dit nadrukkelijk bespreken. Ik zal erop aandringen dat besluiten worden genomen.

Op de Nederlandse Antillen is wel een leerplicht vastgelegd, maar daar is de handhaving op dit moment een probleem. De handhaving op de nieuwe eilanden moet nog geregeld worden. Wij kijken daar nu heel specifiek naar.

Ik ga in op de vragen van de heer Ten Hoeve. Op de visie op het Koninkrijk ben ik nog eens ingegaan. Ik meen niet dat wij daarover zo veel van opvatting verschillen, maar daarover moeten wij wel een goed debat voeren.

Wat ik zei over het PVNA was helemaal niet bagatelliserend bedoeld. Sterker nog, ik vind juist dat wij een goede stap hebben gemaakt in de stuurgroep. Het PVNA-geld komt van mijn begroting en ik wil dat dit goed terechtkomt. Er zijn criteria voor gemaakt en er is een kader vastgelegd. Ik weet niet of de heer Ten Hoeve daarbij was, maar ik ben in deze Kamer wel eens bevraagd over het feit dat Sint Maarten steeds verwees naar het land Nederlandse Antillen met de opmerking dat het geen geld kreeg, dat het geen plannen kon maken en daardoor bijvoorbeeld niet aan goede rechtshandhaving, aan politie et cetera kon werken. Dat element hebben wij nu door anders te werken met het PVNA eruit gehaald. Sint Maarten is nu zelf verantwoordelijk geworden. Onze coördinator PVNA legt in de politieke stuurgroep verantwoording af. Daar zitten wij dan allemaal bij: én Curaçao, én Sint Maarten, die zelf verantwoordelijk is, én het land Nederlandse Antillen, waarvoor de formele verantwoordelijkheid ligt bij de minister Dick, en ik, omdat het geld van Nederland is. Sint Maarten kan dan niet zomaar zeggen dat het niet mocht van minister Dick. Dan is Sint Maarten zelf verantwoordelijk en dat heb ik bedoeld te zeggen. Het komt nu aan op wat Sint Maarten zelf doet. Daaraan kunnen wij ook beter zien of het in de praktijk gaat werken. Ik denk hierbij ook aan de opmerkingen hierover van mevrouw Ten Horn, de heer Van Kappen en alle anderen. Ik heb er niet zo lang over gesproken, maar ik vind dit juist een heel goede beweging waardoor de verantwoordelijkheid wordt gelegd waar die hoort. Het eiland Sint Maarten kan de verantwoordelijkheid niet afschuiven op de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen. Ik herinner mij nog goed dat mevrouw Linthorst die vragen nadrukkelijk heeft gesteld in een informeel overleg. Daarom is dat dus gedaan. Ik ben zelf erg enthousiast over dit punt.

Ik hecht erg aan transparantie in brede zin, het punt waar de heer Ten Hoeve mee afsloot, maar ook aan goede en open verhoudingen in het Koninkrijk waarin wij gewoon benoemen waar het om gaat. Ik heb er het volste vertrouwen in dat, als wij dat zo doen, dit traject tot een goed einde kan worden gebracht en dat wij met elkaar goed kunnen nadenken over de visie op het Koninkrijk.

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw de voorzitter. Wederom in aansluiting op de vele al door collega Bijleveld behandelde onderwerpen, ga ik nog in op een paar aspecten die aan de orde zijn gesteld.

Ik ga eerst in op de vraag van de heer Van Kappen wat zich aan de grenzen afspeelt. Hij ging daarbij ook in op de werking van de gemeenschappelijke rechtsorde in het Koninkrijk. Hij heeft terecht gewezen op het belangrijke uitgangspunt dat in het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden zoals dat in 1954 is vastgesteld, een gemeenschappelijk staatsburgerschap is aanvaard. De ingezetenen die het staatsburgerschap van het Koninkrijk hebben, zijn dus allen Nederlander, toen in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, thans in Nederland en Aruba en de Nederlandse Antillen. Dat was een verschil met het regime dat gold in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea, waarvan de inwoners werden aangeduid als Nederlandse onderdanen. Op hen was het Nederlanderschap in de zin van de rijkswet op het Nederlanderschap dus niet van toepassing. Ik ben blij dat de heer Van Kappen het belang en het principiële karakter van die keuze heeft onderstreept en onderkend. Die keuze is eigenlijk ook het fundament en een bouwsteen voor de visienota van de kwaliteit van rechtsorde, ook uit het oogpunt van rechtstaat en deugdelijk bestuur, die we voor alle staatsburgers van het Koninkrijk willen realiseren. Uiteindelijk is het ook de toetssteen bij moeilijke beslissingen waarvoor wij nog komen te staan, bijvoorbeeld als zou blijken dat er onverhoopt niet tijdig voldaan is aan elementaire eisen op dat terrein door een van de beoogde nieuwe landen van het Koninkrijk. Staatssecretaris Bijleveld is daarover zeer helder geweest ten aanzien van Sint Maarten.

Ik zou bij het betoog van de heer Van Kappen ook in die zin willen aansluiten, dat hij terecht wijst op het feit dat het daar gaat om het staatsburgerschap en niet, zoals de woordkeuze helaas vaak is, om het hebben van een paspoort. Het paspoort is een bewijsstuk omtrent identiteit en nationaliteit dat je gebruikt bij grensoverschrijding. Het is echter niet een uitdelen van reisdocumenten. Als wordt gesproken over het hebben van het Nederlandse paspoort, alsof dat iets is wat buiten het staatsburgerschap om gaat en iets handigs is, vergelijkbaar met een ticket – helaas gebeurt dat in alle delen van het Koninkrijk – dan wordt daarmee tekortgedaan aan de principiële, waardevolle keuze die is gemaakt ten opzichte van alle staatsburgers van het Koninkrijk, inclusief de gelijkheid in waardering, behandeling en respect die daaraan verbonden moet zijn. Ik ben dus blij dat dit punt zo aan de orde is gesteld. Ik onderstreep dat, omdat het ook voor ons beleid een referentiepunt is in wat ons te doen staat. Het zal ook een van de uitgangspunten zijn als de praktische betekenis van het gemeenschappelijke staatsburgerschap verdere uitwerking krijgt in de tot stand te brengen rijkswet op het personenverkeer.

De heer Van Kappen stelde terecht de vraag of er voldoende rekening wordt gehouden met mogelijk moeilijk te hanteren bewegingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Statuutwijziging. Het antwoord op die vraag is dus ja. De heer Van Kappen heeft dat zojuist ook gehoord van de staatssecretaris in de vergelijking met de Waddeneilanden. Natuurlijk moeten we er rekening mee houden dat het draaglijk is; dat er geen ondraaglijke situaties worden gecreëerd. Dat hebben we overigens in Europees verband ook aanvaard bij het vrije personenverkeer, met de uitzondering die daarin kan worden gemaakt op grond van concreet gebleken bezwaren uit het oogpunt van de openbare orde.

De heer Van Kappen legde ook een relatie met de situatie op Sint Maarten wat betreft de grensbewaking. Het noordelijke deel van Sint Maarten behoort als ultraperifeer gebied inderdaad tot de Europese Unie en de Europese Gemeenschap in de volle juridische betekenis van het woord. Zoals dat echter bij ultraperifere gebieden mogelijk is, zijn er wel enkele afwijkende, bijzondere regelingen getroffen. Zoals dat bij de overige ultraperifere gebieden ook is gedaan, is daar geen toepassing gegeven aan het vrije personenverkeer in de zin van het vrije personenverkeer zonder grenscontroles dat voor het Schengengebied is aanvaard. Het is niet hetzelfde. Men heeft vaak gedacht dat vrij personenverkeer betekent dat er geen controle is, maar je kunt vrij personenverkeer hebben en toch controles. Dat is het geval in die delen van de Europese Unie – ook aan binnengrenzen – waar de Schengenregeling niet van toepassing is. Het Schengengebied strekt zich dus niet uit tot Saint Martin, Saint Barthélemy, Guadeloupe, Martinique, Guyane en Réunion. Die vallen buiten het Schengengebied en daarom wordt een controle uitgevoerd op de reisdocumenten bij het verlaten of betreden van het Franse Schengengebied; ook ten opzichte van de andere delen van de Franse republiek die ultraperifeer gebied zijn.

Dat neemt niet weg dat er praktische vragen en problemen zijn. Sint Maarten heeft een open grens tussen het Franse deel en het deel dat behoort tot het Koninkrijk der Nederlanden. Die open grens bestaat sinds 1648 en daarvoor eigenlijk ook al, maar toen waren er nog geen mensen op het idee gekomen dat er een grens moest zijn. Vanaf het moment dat de grens is getrokken, is het een open grens, ingevolge een oud verdrag tussen Frankrijk en de toenmalige Republiek der Verenigde Nederlanden. Dat geeft natuurlijk een paar praktische problemen. Die hebben aanleiding gegeven tot het tot stand brengen in 1994 van een verdrag over grenscontroles op de ene internationale luchthaven op het eiland, Princess Juliana International Airport, die zowel het Franse deel bedient als het deel dat behoort tot het Koninkrijk der Nederlanden. Het verdrag heeft enige tijd op ratificatie moeten wachten; een deel van de leden van deze Kamer weet dat. Het is het enige voorbeeld van een verdrag waarvan ik de ondertekening heb meegemaakt en dertien jaar later de bekrachtiging. De procedure is een beetje langdurig geweest. De verklaringen daarvoor waren gelegen in nadere gedachten over de wenselijkheid van het destijds met de volle medewerking van de Nederlandse Antillen tot stand gekomen verdrag. Het was zelfs de toenmalige viceminister-president die het mede had ondertekend. Er waren tien jaren van nadere gedachten over. Het heeft dus enige tijd geduurd voordat het praktische probleem ten aanzien van Sint Maarten/Saint Martin via een verdrag is opgelost. Het verdrag voorziet erin dat de controles op Princess Juliana International Airport worden uitgevoerd in samenwerking tussen Franse en Nederlands-Antilliaanse ambtenaren van de grensbewaking.

Dat betekent niet dat die controle ook werkzaam is voor de zee. Zoals bekend kan men ook via zee aan land komen op Sint Maarten, met allerlei bedoelingen. Daarom wordt van Franse zijde aangedrongen op het tot stand brengen van een verdrag dat even effectief is ten aanzien van het bereiken van Sint Maarten/Saint Martin met de open binnengrens vanaf zee; een verlangen dat wij goed kunnen begrijpen. Er zijn op Sint Maarten dus inderdaad praktische problemen in verband met de open grens tussen het Franse deel en het deel dat tot het Koninkrijk behoort; de heer Van Kappen heeft daarin gelijk. Die problemen zijn echter niet aan Schengen gerelateerd, maar aan het nog niet volledig gerealiseerd zijn van gezamenlijke grenscontroles en de effectuering daarvan voor de zeegrens.

De opmerkingen van mevrouw Van Bijsterveld hebben betrekking op de verhouding tot de Grondwet. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat de Grondwet ook volledig en zonder uitzondering wordt toegepast op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, maar dat dit wel moet gebeuren op een manier die rekening houdt met de bijzonderheid en de eigenheid van deze eilanden. Daarom ook wordt bijzondere wetgeving tot stand gebracht en zal het een geleidelijk proces zijn om de verschillen op legislatief terrein zo veel mogelijk te beperken en te verminderen.

Mevrouw Van Bijsterveld heeft terecht aangegeven dat dit betekent dat de toepassing van artikel 55, derde lid, van het Statuut, namelijk de bijzondere regeling voor het in overeenstemming brengen van de Grondwet met het Statuut, op dit moment een theoretische kwestie is. Ook theoretische kwesties kunnen echter interessant zijn en ooit praktisch van belang worden. Ik laat mij de vraag van mevrouw Van Bijsterveld over de uitleg van artikel 55, derde lid, dus graag welgevallen en zal trachten om die te beantwoorden. In artikel 55, derde lid, staat dat de procedure voor grondwetswijziging van toepassing is, met dien verstande dat in tweede lezing een gewone meerderheid volstaat en dat dus geen tweederdemeerderheid in beide Kamers der Staten-Generaal nodig is. "Met dien verstande" betekent dat er een afwijking is. Aangezien dit de enige afwijking is, moet ervan worden uitgegaan dat er niet wordt afgeweken op het punt van een tweede lezing na Kamerontbinding. Dit is het antwoord op de vraag van mevrouw Van Bijsterveld over de uitleg van deze bepaling.

Mevrouw Linthorst heeft een aantal vragen gesteld over de vergezichten en de waarborgfunctie. Die vragen raakten voor een deel de toepassing van artikel 43, tweede lid, eventueel in relatie tot artikel 14 van het Statuut. Ik meen dat die punten al zo perfect duidelijk door collega Bijleveld zijn beantwoord dat ik daar weinig aan toe te voegen heb. Mocht dat anders zijn, dan zal ik dat nu heel gauw merken.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Ik zou wel graag van de minister – het had ook van de staatssecretaris gekund – antwoord krijgen op de vraag of het, als er voorlopig niet gekozen is voor een nieuw Statuut, niet verstandig is om op dit punt voorlichting te vragen aan de Raad van State. Dat betreft met name de vraag hoe naast het heel zware middel van artikel 43, lid 2, de waarborgfunctie in de huidige en in de nieuwe situatie concreet vorm kan krijgen.

Minister Hirsch Ballin:

Het antwoord op die vraag is tweeledig: wij zullen in de notitie ingaan op die vraag en de Raad van State heeft op dit punt reeds voorlichting gegeven. Dat was misschien niet in een van de opvallendste passages, maar bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Statuut heeft de Raad van State van het Koninkrijk voorlichting gegeven. Daarbij heeft de Raad van State van het Koninkrijk opgemerkt dat het goed zou zijn om bij de realisering van de Statuutsbepaling waarvan mevrouw Linthorst het belang terecht onderstreept, niet te blijven hangen in de situatie die heel lang heeft bestaan. In die situatie werd ofwel gezegd dat dit een landsverantwoordelijkheid of autonome verantwoordelijkheid is en dat toepassing van artikel 43, tweede lid, een ultimum remedium is – met de boodschap die in het verleden wel eens is gegeven, maar van ons hebt u daarover andere teksten gekregen, ook in de recente antwoorden op Kamervragen – ofwel er werd gezegd dat er moest worden ingegrepen. In het laatste geval is het meteen heel zwaar en is er een doorkruising van de gewone bevoegdheden. In die voorlichting is ingegaan op deze situatie en is gesteld dat daar iets tussenin moet zitten, zodat het niet gaat om een keuze tussen "het valt allemaal misschien niet mee, maar het is niet ernstig genoeg om in te grijpen" en "het is zo ernstig dat de gewone bevoegdhedenverdeling moet worden doorkruist".

Ik denk dat mevrouw Linthorst precies vraagt naar de mogelijkheid om daartussenin iets te doen. Een van de mogelijkheden is een rijkswet ex artikel 14, juncto artikel 43, tweede lid, van het Statuut. Dat is aan de orde geweest in de voorlichting die eind 2004 is gegeven door de Raad van State van het Koninkrijk. Die zullen wij uiteraard betrekken bij de voorbereiding van de studie waarvan collega Bijleveld al melding maakte.

Mevrouw Lagerwerf, de heer Ten Hoeve en de heer Laurier hebben gesproken over een aantal aspecten die de politie betreffen. De gemeenschappelijke voorziening is in onze ogen noodzakelijk om te kunnen verwachten dat de politiezorg de vereiste kwaliteit heeft in de nieuwe verhoudingen. Die zullen immers ook meebrengen dat wat er aan eenheid is in het KPNA, het korps van de politie van de Nederlandse Antillen, daaraan komt te ontvallen tenzij aanvullende voorzieningen worden getroffen. Door het in de gemeenschappelijke voorziening opnemen van het recherchesamenwerkingsteam, dat ook in de huidige verhoudingen ondersteunend werkt ten opzichte van het KPNA, worden twee dingen bereikt. Ten eerste is hierdoor de gespecialiseerde recherchekwaliteit van het RST beschikbaar voor alle drie politiekorpsen in de nieuwe verhoudingen. Ten tweede wordt hiermee bereikt dat het als het ware dichter bij elkaar komt en dat men minder dan soms helaas nog wel eens het geval is, zal zeggen: je hebt het RST, je hebt het KPNA en die moeten samen iets doen. Nee, het is dan een onderdeel van de gemeenschappelijke voorziening voor de politie. Wij verwachten dat iets dergelijks ook moet gebeuren op het punt van de forensische expertise in samenwerking met het NFI, het Nederlands Forensisch Instituut, dat tot ministerie behoort en dat graag zal meewerken aan het inrichten van de vereiste specialistische expertise in de nieuwe verhoudingen via de gemeenschappelijke voorziening.

Ik hoop dat ik hiermee in tweede termijn mijn antwoorden voldoende heb gegeven.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Ik heb nog één vraag. Ik zal die vraag toespitsen ter verduidelijking. Is de minister van mening dat er in het Koninkrijk een democratisch deficit is waaraan eigenlijk iets zou moeten gebeuren om met meer vrucht tot een gezamenlijke invulling van een visie op het Koninkrijk te kunnen komen?

Minister Hirsch Ballin:

Het antwoord op die vraag is zonder enige twijfel "ja". Als wij het hebben over "rechtsstaat", "deugdelijk bestuur" en dergelijke, hebben wij het wis en zeker over een democratische rechtsstaat. Op dat punt zijn in het Statuut eisen gesteld aan de staatsinrichting aan alle landen van het Koninkrijk. Het democratisch karakter daarvan staat niet ter vrije beschikking in de staatsregelingen van de landen. Daarvoor geldt volop wat ik zojuist heb gezegd in antwoord op de vragen van mevrouw Linthorst over de waarborgfunctie van het Koninkrijk: dat behoort inderdaad tot de uitgangspunten van het Statuut. Dat blijkt ook uit de preambule. Al is een preambule geen wet, de wet – in dit geval de constitutionele wet van het Koninkrijk, het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden – moet daaraan uitwerking geven. Het democratisch karakter van een staatsbestel is onder andere daaraan af te meten dat verkiezingen integer verlopen, dat de financiering van politieke partijen doorzichtig is – een van de punten uit het protocol met Aruba uit 1993 – enzovoorts.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Als de preambule van het Statuut zo duidelijk voorschrijft dat er een democratische opzet binnen het Koninkrijk moet zijn, dwingt dit dan naar de mening van de minister ook tot aanpassing van het Statuut?

Minister Hirsch Ballin:

De aanvaarding van het Statuut is gebaseerd op een nieuwe rechtsorde: eigen belangen, zelfstandig behartigd, gemeenschappelijke bezorgdheden en er kan bijstand gegeven worden. Dit is uitgewerkt in de bepalingen in het Statuut die onder andere betrekking hebben op de staatsinrichting van de landen. Daarvoor is een van de eisen dat de rechtszekerheid, deugdelijkheid van bestuur en de fundamentele mensenrechten en vrijheden zijn geregeld. Daartoe behoren de grondrechten in ons begrip die betrekking hebben op het kiesrecht en op de openbaarheid van de meningsvorming. Van de artikelen die betrekking hebben op de bevoegdheden van de vertegenwoordigende lichamen van de landen zegt artikel 44, eerste lid, dat voor wijzigingen op dat punt de instemming van de Koninkrijksregering is vereist.

De heer Ten Hoeve (OSF):

Het ging mij meer om het aspect van het democratisch tot wetgeving voor het Koninkrijk kunnen komen, waar toch een parlementaire procedure bij hoort die verantwoordelijk kan zijn voor het hele Koninkrijk.

Minister Hirsch Ballin:

Wij hebben op dit moment daarvoor de vorm van een rijkswet. Een Koninkrijksparlement is niet voorzien in de orde van het Statuut. Daarover zijn in het verleden wel eens gedachten geformuleerd. Daarbij hebben zich moeilijkheden voorgedaan die vergelijkbaar zijn met de kwadratuur van de cirkel, want in het geval van gelijk kiesrecht van alle inwoners van het Koninkrijk voor zo'n Koninkrijksparlement zouden de Nederlanders die in de Caribische delen van het Koninkrijk wonen zich overstemd kunnen voelen en dat gegeven de getalsverhoudingen natuurlijk ook feitelijk zijn, terwijl bij een andere uitwerking degenen in het Europese deel van het Koninkrijk zich overstemd zouden kunnen voelen door een minderheid. Daarom hebben wij tot op dit moment niet anders uitgevonden dan de redelijk ingewikkelde overlegprocedures, maar er is een commissie aan het werk, ook uit uw midden naar ik meen, die daarmee bezig is. Ik hoop dat wat ik net heb gezegd over de kwadratuur van de cirkel niet ontmoedigend werkt voor die commissie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de bewindslieden voor hun reactie in de tweede termijn en voor de wijze waarop zij dit debat hebben willen voeren.

Sluiting 22.05 uur