Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (30212).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Economische Zaken van harte welkom in dit huis. Hij is hier al vaker geweest, maar nog niet als minister. Ik mag hem daarmee alsnog feliciteren en ik wens hem vooral veel wijsheid toe.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Sylvester (PvdA):

Voorzitter. Als wij hier een paar jaar geleden hadden gestaan, dan waren wij niet alleen jonger geweest. Ook had de behandeling van dit wetsvoorstel plaatsgevonden onder een ander gesternte. Het beeld van toen was ingegeven door angst; privatisering dreigde. Aandeelhouders van energiebedrijven wilden massaal privatiseren en cashen. De bedrijven wilden ook privatiseren. Er moesten maatregelen worden genomen. Ook de PvdA vond die toen nodig. De remedie leek een eigendomssplitsing van de Nederlandse energiebedrijven. Naar ons oordeel een ultimum remedium. Het beheer van de hoogspanningsnetten zou worden geconcentreerd bij TenneT, de landelijke netbeheerder, en de levering, de productie en de handel zouden worden afgestoten naar de markt. Daarmee zouden wij als enige land in Europa deze verregaande splitsing van overheidswege gaan opleggen. Een splitsing die, gegeven de bepalingen in deze wet, onomkeerbaar is en die verder gaat dan de Europese richtlijn voorschrijft. Felle voor- en tegenstanders kent dit wetsvoorstel en de toon waarop het publieke debat in ons land tot nog toe is gevoerd, is zorgelijk te noemen.

Met het aantreden van deze minister is de toonzetting in het debat veranderd en kunnen de inhoud en de gevolgen van dit wetsvoorstel worden geplaatst naast de passendheid ervan in de huidige situatie. Na de stemming in de Tweede Kamer is er nogal wat veranderd. De Nederlandse energiebedrijven hebben gezamenlijk aangegeven voorlopig te willen afzien van privatisering. Dit is al eerder onderwerp van gesprek geweest tussen het ministerie en de bedrijven, maar de tijd leek toen niet rijp. Ik kom hier direct op terug. Tevens lijkt de privatiseringsdrang bij gemeenten en provincies, zijnde de aandeelhouders van de bedrijven, te zijn verdwenen. Wat blijft, is het governanceprobleem, maar daar straks meer over. Uit de memorie van antwoord van de regering in reactie op een vraag van deze Kamer is voorts gebleken dat het uur U niet bestaat. Dat is een belangrijk gegeven voor ons. Het privatiseringsverbod loopt eind dit jaar niet af.

Nu de urgentie is verdwenen om voor 31 december aanstaande iets te doen, is de tijd aangebroken om het verleden te laten rusten en om af te wegen wat dit wetsvoorstel in het huidige tijdsgewricht aan risico's meebrengt en wat de baten ervan zijn. Met die baten zal ik beginnen. In dat opzicht is er namelijk mede door de inzet van de collega aan de overkant al veel bereikt. Met dit wetsvoorstel zien wij de creatie van de vette netbeheerder. Ik kom daar zo op terug. Ook worden de hoog- en middenspanningsnetten overgedragen aan TenneT.

Om te beginnen zal ik dieper ingaan op een belangrijke actualiteit die ik zojuist al even aanstipte. Op 7 november jongstleden is er een overleg geweest tussen de vier grote bedrijven, afgekort EEND, en de minister van Economische Zaken. EEND heeft een aantal maanden geleden en ook recentelijk weer aangegeven te willen afzien van privatisering. Daarmee verdwijnt het risico dat de infrastructuur op korte termijn in buitenlandse handen komt. In de memorie van antwoord heeft de regering aangegeven dat het belangrijkste doel van dit wetsvoorstel is om dat te voorkomen. Kan zij de Kamer inlichten over de uitkomsten van dit gesprek? Wat hebben de bedrijven toegezegd en hoe luidt haar reactie daarop? Komen er nog vervolggesprekken en is er tussen 7 november en nu nog contact geweest tussen de regering en de bedrijven? Kan de regering tevens aangeven wat volgens haar dan nog nut en noodzaak is van de verdere behandeling van dit wetsvoorstel op dit moment als de gesprekken met de bedrijven nog gaande zijn? De fractie van de PvdA wenst gezien de verstrekkendheid van het wetsvoorstel geen overhaaste beslissingen te nemen. Besluiten dienen te worden genomen in een uitgekristalliseerde situatie.

Als de regering wenst voort te gaan met dit wetsvoorstel, is het voor de PvdA van belang dat de publieke belangen op een adequatere en effectievere wijze worden geborgd. Mijn fractie is tegen privatisering en ziet niets in marktwerking. Voorts moeten er garanties komen op de financiële risico's – ik doel hier op de cross-borderleases, waarover later meer – en de juridische risico's. Bovendien is mijn fractie van mening dat het noodzakelijk is dat Nederland in de pas loopt met Europa, waar ons land nu eenmaal een deel van uitmaakt. Het behoud van een gezonde energiesector is van het grootst mogelijke belang voor de Nederlandse positie bij het bepalen en uitvoeren van een Europees energiebeleid.

Om te beginnen is het van belang om het eindbeeld van de Nederlandse energievoorziening en daarmee het nationale energiebeleid en de toekomst van de Nederlandse energiesector te adresseren. Dit om te kunnen beoordelen of deze verregaande eerste stap nu, een splitsing in de eigendom, nog steeds een goede stap is op weg naar dat eindbeeld. De PvdA ziet in dat eindbeeld niet alleen dat de hoogspanningsnetten en de distributienetten, samengevat de infrastructuur, in nationale handen blijven maar ook dat Nederland de energievoorziening zo veel als mogelijk in nationale handen houdt. De fractie meent dat greep op de productie evenzeer noodzakelijk is. De introductie van marktwerking in Europa verloopt slecht en zal geen oplossingen bieden en daarbij komt ook dat energiepolitiek tegenwoordig buitenlandse politiek is. We willen energie, liefst duurzame energie, en dat betekent invloed hebben en houden. Onze energiesector moet een rol van betekenis spelen in Europa. Wij hebben de visie van de regering op het eindbeeld in de recente memorie van antwoord vernomen. Zij ziet een geliberaliseerde markt waarin alles goed komt door marktwerking. Zij streeft ernaar om binnen deze zogenaamde geliberaliseerde markt voorlopig alleen de netten publiek te houden. Immers, er is nog geen concreet voornemen om TenneT, nu aangemerkt als staatsdeelneming, op korte termijn te verkopen.

Laat ik, naast onze visie op de infrastructuur, die wat onze fractie betreft dus in publieke handen dient te blijven zonder enig risico op verkoop, de regering onze visie geven op het gebied van de energieproductie. In ons land hebben we te maken met ondercapaciteit. Onze nationale energieproductie is ongeveer de helft van de capaciteit die wij nodig hebben. Een deel van de productie wordt ingekocht op de markt. De fractie is van mening dat er in Nederland meer centrales bijgebouwd moeten worden dan nu reeds is voorzien in de plannen van de regering. Mede gezien de internationale ontwikkelingen moet de energieproductie overwegend in nationale handen blijven. Is de regering voornemens om afspraken te gaan maken met provincies, gemeenten en de Nederlandse bedrijven, zodat productiecapaciteit kan worden bijgebouwd? Gaat zij bevorderen dat een zo groot mogelijk deel van de elektriciteitsproductie die ons land nodig heeft in publieke handen blijft? Het gaat wat ons betreft dus niet alleen om de netten maar ook om het in publieke handen blijven van de energieproductie. Graag een concrete reactie van de regering op dit punt.

Ook ziet mijn fractie andere mogelijkheden om het publiek belang van de Nederlandse energievoorziening veilig te stellen. Het meest voor de hand ligt de mogelijkheid, althans voorlopig, in het geheel niet te privatiseren. Wij hebben begrepen dat hierover met de huidige aandeelhouders te praten valt terwijl de wet van 1998 nog dwingende mogelijkheden biedt, indien zulks wenselijk zou zijn. Kan de regering aangeven of deze laatste opvatting – dus die dwingende mogelijkheden in de wet van 1998 – juist is? Daarnaast wil mijn fractie nogmaals aandacht vragen voor het Duitse systeem, waarbij de exploitant van een elektriciteits- of gasnet alleen kan exploiteren op basis van door de overheid verleende concessies. Waarom verkiest de regering niet een dergelijke, meer in de "Europese pas" lopende oplossing?

Voorts wenst de fractie van de PvdA duidelijkheid over een aantal majeure risico's van dit wetsvoorstel. Er blijven grote vraagtekens bestaan ondanks de schriftelijke behandeling tot nog toe. De fractie heeft bij het opmaken van het eindverslag dan ook op diverse punten om aantekening gevraagd. Het heeft er veel van weg dat als je tegen dit wetsvoorstel bent, de risico's groot zijn en als je ervoor bent, zijn ze klein. In dit verband vindt de PvdA, dat de memorie van antwoord van de regering een hoog "meningen"-gehalte heeft. Ons gaat het om feiten die toetsbaar zijn. Die betreffen:

  • 1. de wijze waarop de regering het in publieke eigendom houden van de infrastructuur van de energienetten heeft geregeld in algemene zin, en in specifieke zin de visie van de regering op TenneT;

  • 2. de financiële risico's die het wetsvoorstel met zich mee kan brengen. Ik doel dan op de cross-borderleases;

  • 3. de juridische risico's. Ik verwijs naar artikel 56 EG en de beperking van het vrije verkeer van kapitaal.

Voorts zouden wij over een aantal punten met de regering van gedachten willen wisselen, namelijk:

  • 4. de vette netbeheerder;

  • 5. het een halt toeroepen aan de vermeende financiering uit de netten van de zogenaamde buitenlandse avonturen van energiebedrijven;

  • 6. de uitoefening van de governance door gemeenten en provincies;

  • 7. de problemen die de DTe zou ondervinden;

  • 8. de passendheid van deze splitsing op dit moment in relatie tot de ontwikkelingen in de andere landen van Europa en het Europees beleid van Commissaris Piebalgs en Commissaris Kroes.

Ik zal deze onderwerpen de revue laten passeren en de meest prangende vragen van de fractie van de PvdA op deze gebieden aan de orde stellen.

Ik begin met het in publieke eigendom houden van de infrastructuur van de energienetten, de borging daarvan en de contradictie met de visie van het kabinet op TenneT. Gelet op het eindbeeld dat zojuist is neergezet en mede gezien vanuit de privatiseringsdreiging die de aanzet vormde tot dit wetsvoorstel vinden de leden van de PvdA het noodzakelijk dat de netten in publieke handen blijven. Zij ondersteunen de regering op dit punt, maar vinden dat de regering hetgeen zij stelt onvoldoende borgt. Volgens de memorie van antwoord vindt de regering het in publieke handen houden van de netten ook van groot belang. Volgens artikel 93a van de E- en G-wet kunnen de netten na wetswijziging echter alsnog verkocht worden. Sterker nog, in de brief die de minister van Financiën op 24 februari jongstleden aan de Tweede Kamer schreef (Kamerstuk 28165, nr. 35), stelt de regering dat TenneT verkocht zal worden als staatsdeelneming. Via een draaideurconstructie raken wij de netten op de langere of kortere termijn alsnog kwijt en dat terwijl ze nu in publieke handen zijn, namelijk als eigendom van de geïntegreerde bedrijven die in de provincies en gemeenten publieke aandeelhouders kennen.

De fractie van de PvdA is niet gerustgesteld door het meest recente antwoord van de regering in de memorie van antwoord. De regering stelt dat er geen concrete voornemens zijn voor verkoop. Het oordeel over het aandeelhouderschap van de Staat in TenneT is echter glashelder. Ik citeer uit het Evaluatieverslag aandeelhouderschap van de Staat in TenneT uit 2004: "Het aandeelhouderschap van de Staat in TenneT heeft geen functie meer in de borging van de publieke belangen. De financiële resultaten die TenneT kan behalen worden voor een groot deel begrensd door tariefstructuren die door DTe worden vastgesteld. De resultaten die TenneT heeft behaald en in de toekomst kan behalen vormen derhalve geen belemmering voor een verkoop van het aandelenbelang van de Staat." Verderop valt te lezen dat de besluitvorming over privatisering van netwerkbedrijven na 1 januari 2007 aan de orde is. De brief die de minister van Financiën eerder dit jaar schreef en waarin wordt gesteld dat TenneT verkocht zal worden, is daarmee volledig in lijn. De fractie van de PvdA vraagt de regering om afstand te nemen van het voornemen om TenneT te verkopen en dringt erop aan dat de regering dit wetsvoorstel zodanig repareert dat TenneT in publieke handen blijft. Als van het voornemen tot verkoop van TenneT niet duidelijk afstand wordt genomen en geen reparatie plaatsvindt van artikel 93a Elektriciteitswet, valt voor de PvdA-fractie de bodem onder dit wetsvoorstel weg. Immers, na wetswijziging kan TenneT alsnog in private handen komen en dat is iets wat de minister stelt juist niet te willen. De fractie van de PvdA wil in geen geval dat TenneT in private handen komt. In deze vorm is het wetsvoorstel tegenstrijdig genoeg juist wel een opmaat voor privatisering. Is de regering bereid om afstand te nemen van de aangekondigde verkoop van TenneT en is zij bereid om het wetsvoorstel in dat opzicht aan te passen?

De fractie van de PvdA wenst de regering ook vragen te stellen over de financiële risico's die de splitsing met zich brengt. De regering onderkent op pagina 30 van de memorie van antwoord van 30 oktober jongstleden dat er risico's bestaan op Amerikaanse claims. De discussie gaat over de omvang van deze risico's. Door overgangsrecht op te nemen voor de cross-borderleases denkt de regering de risico's te minimaliseren. Maar wat is minimaal? Dat is de eerste vraag die bij mij opkomt. En mijn tweede gedachte is dat deze veronderstelling van de regering dan wel klip en klare overgangsbepalingen vereist. De vraag is of die overgangsbepalingen wel zo duidelijk zijn als de regering stelt. Hier ontstaat een dilemma. De onduidelijkheden en vraagpunten hier benoemen, is namelijk een opmaat voor Amerikaanse investeerders om in de toekomst succesvol processen te voeren.

Als de regering zo stellig is dat de overgangsbepalingen duidelijk zijn en dat deze bepalingen de kans op schade minimaliseren, dan moet de minister deze stelligheid ook om durven zetten in een verklaring dat hij bereid is om zijn politieke lot aan deze bepalingen te verbinden. Is de minister daartoe daadwerkelijk bereid en is hij tevens bereid om de schade die mogelijk ontstaat als gevolg van het wetsvoorstel, aan de aandeelhouders en de energiebedrijven te vergoeden? Garandeert hij verder dat consumenten nooit en te nimmer voor eventuele schade zullen opdraaien? De consumenten zijn hier namelijk heel belangrijk, want volgens de schattingen gaat het om 500 mln. op jaarbasis, waarvan 400 mln. structureel en 100 mln. eenmalig.

De PvdA-fractie wenst overigens ook zelf de conclusie te trekken dat er geen onaanvaardbare risico's zijn en dat de consument niet de dupe zal worden van deze operatie. Op grond van de openbare informatie die de regering tot nog toe heeft verstrekt, kan de PvdA-fractie geen conclusie trekken. Mijn fractie vraagt zich bijvoorbeeld af of de regering de bedrijven wel heeft gevraagd om enkele contracten vertrouwelijk in te mogen zien. Elk contract is uniek, maar de regering had natuurlijk wel steekproeven kunnen nemen om een beeld te krijgen. Heeft de regering contracten ingezien? Waarom heeft deze informatie de Eerste Kamer niet bereikt? Als van dit alles geen sprake is, is de regering dan bereid om bedrijven te vragen alsnog enkele contracten ter inzage te geven, opdat de risico's op grond van die uitkomsten kunnen worden ingeschat? Nogmaals, het gaat ons om de feiten en niet om de adviezen en meningen die de regering heeft overlegd.

Is er overigens ook een risicobeoordeling gemaakt vanuit het perspectief van het Amerikaanse recht? Ik heb veel rapporten onder ogen gekregen van Nederlandse advocaten, maar bij een inschatting van de risico's moet natuurlijk wel uitgegaan worden van het Amerikaanse recht.

De juridische risico's. De regering concludeert dat het wetsvoorstel weliswaar inbreuk zou kunnen maken op het vrij verkeer van kapitaal, maar dat deze potentiële inbreuken gerechtvaardigd zijn. De fractie van de PvdA vraagt zich af of de regering bereid is om nadrukkelijker te onderzoeken of artikel 295 EG-verdrag voldoende bescherming biedt bij een overname vanuit het buitenland. Dit artikel verzekert immers dat bij een eventuele overname de netten niet worden meegenomen. Het zou verder ook passen bij het veranderde gesternte waaronder wij nu met elkaar discussiëren. De dreiging van de privatisering is immers verdwenen en bovendien overlegt de regering constructief met de bedrijven.

Nader onderzoek is verstandig, juist omdat de regering zelf aangeeft dat het wetsvoorstel tot belemmeringen zal leiden van het vrije verkeer. De huidige Europese richtlijnen voor de interne elektriciteitsmarkt en gasmarkt (2003/54 en 2003/55) zijn van recente datum en verplichten tot juridische ontvlechting van netbeheer, het waarborgen van het onafhankelijk netbeheer en scherp en onafhankelijk toezicht. Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de I&I-wet. Tegen deze achtergrond zal de regering moeten motiveren waarom de richtlijnen ontoereikend zijn. Tot zover de risico's.

De PvdA-fractie wenst nog een aantal andere zaken aan te kaarten. Een belangrijk element van dit wetsvoorstel is de introductie van de "vette" netbeheerder. Bij een "vette netbeheerder" is de netbeheerder in beginsel – de wet benoemt namelijk ook een aantal uitzonderingen op de verplichting tot uitvoering in eigen beheer – zelf degene die de activiteiten ter uitvoering van zijn wettelijke taken uitvoert. Door zelf de capaciteit van het net te prognosticeren, de vervanging van delen van het net af te wegen tegen een reparatie ervan of aan de knoppen te draaien in de regelkamer, om een greep te doen uit de activiteiten van degene die een net beheert, zal de netbeheerder ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid kunnen dragen. Zo worden aan de netbeheerder inrichtingseisen gesteld. De leden van de fractie van de PvdA hechten aan de introductie van deze vette netbeheerder. De PvdA-fractie vindt verder dat bedrijven de netten niet mogen gebruiken als onderpand bij buitenlandse avonturen. Zij verkeerde echter in de veronderstelling dat dat nu al niet meer kan door de activiteiten van DTe. Er is nu al een duidelijke controle op de binnen de netten behaalde rendementen. Voorts is er een beleningsverbod. Ik verzoek de regering om een bevestiging op dit punt.

Er leven bij de fractie van de PvdA vragen op het gebied van de governance over problemen die provincies en gemeenten ondervinden bij het houden van toezicht op de strategie van de energiebedrijven. Een aantal gemeenten en provincies heeft aangegeven problemen te ondervinden. Is de regering bereid de positie van de aandeelhouders in een NV met een verminderd structuurregime te verbeteren?

Een belangrijke onderbouwing voor de splitsing zijn de problemen die de DTe zou ondervinden bij het houden van toezicht op geïntegreerde bedrijven. Op grote schaal zouden ongeoorloofde kruissubsidiëring en concurrentieverstorende gedragingen plaatsvinden als gevolg van geïntegreerde bedrijfsstructuren. De DTe kan geen toezicht houden en daarom moet er worden gesplitst, zo luidt kortweg de redenering. De DTe heeft recent de Electriciteitswet 1998 en de Gaswet geëvalueerd. Deze evaluatie betreft de effectiviteit van de wetten. In de memorie van antwoord staat dat de uitkomsten binnenkort beschikbaar komen. Waarom wacht de regering daar niet op en loopt zij met dit wetsvoorstel daarop vooruit?

Tevens is gevraagd naar de schaal waarop de concurrentieverstorende gedragingen plaatsvinden. Oxxio van Centrica zou daarvan melding hebben gemaakt. Kan de regering dit bevestigen? Is de regering bekend met de uitkomsten van een kort geding dat Eneco zou hebben aangespannen tegen Oxxio? Kan de regering de PvdA-fractie duidelijkheid geven over welke bedrijven nog meer melding hebben gemaakt en over de schaal waarop een en ander zou plaatsvinden? De fractie van de PvdA hecht aan transparantie op dit punt. Zij wenst zelf conclusies te trekken, maar heeft gemerkt dat deze transparantie tot nog toe niet is gegeven en vraagt zich af wat de reden daarvan is.

Dit wetsvoorstel gaat verder dan de Europese Richtlijn; dat is al eerder naar voren gebracht. De regering heeft in de memorie van antwoord aangegeven dat zij wenst te anticiperen op de ontwikkelingen in de Europese energiesector. Deze ontwikkelingen zijn echter mede afhankelijk van wat de andere Europese landen gaan doen. Geen enkel land heeft aangegeven op de kortere of langere termijn de energiebedrijven in eigendom te splitsen. Dat is voor de PvdA-fractie een belangrijk gegeven. De acute noodzaak van de splitsing lijkt dan ook ideologisch gedreven en ingegeven door de drang van deze regering om op zoveel mogelijk beleidsterreinen te komen tot privatisering en marktwerking. Met de splitsing komen de handel, de levering en de rest van de productie immers op de vrije markt. De PvdA-fractie heeft al eerder laten weten, geen voorstander te zijn van privatisering en marktwerking. Verder gelooft mijn fractie niet in de door de regering voorgespiegelde vrije markt. Zij signaleert juist marktimperfecties. De consument wordt straks afhankelijk van enkele buitenlandse energiebedrijven die een oligopolie gaan vormen. Van keuzevrijheid – een veelgehoord woord bij privatisering en marktwerking – zal ook in dit dossier geen sprake zijn, ondanks de mooie beloften.

Wil de regering dit onderdeel van de wet niet aanhouden totdat duidelijk wordt of er een EU-richtlijn komt die de andere Europese landen ook een eigendomssplitsing oplegt? Hierover is meer duidelijkheid nodig, en die komt er snel: eind 2006, begin 2007 is voor de Europese Unie een belangrijke mijlpaal voor hoe men binnen Europa verder wil met de interne markt voor gas en elektriciteit. Dan staat de publicatie van twee belangrijke onderzoeksrapporten gepland, te weten het verslag van Eurocommissaris Andris Piebalgs, het Progress Report, over de vorderingen die worden gemaakt bij de totstandbrenging van de interne Europese markt voor gas en elektriciteit (de Europese Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor elektriciteit en gas) en het finaal rapport van het sectoronderzoek inzake energie onder leiding van Eurocommissaris Neelie Kroes, de Sector Inquiry, op basis van artikel 17 Verordening 1/2003 (betreffende uitvoering van mededingingsregels van artikelen 81 en 82 van het Verdrag). De uitkomsten van dit laatste onderzoek achten de leden van groot belang omdat het hier een onderzoek betreft naar mogelijke belemmeringen voor de ontwikkeling van een volledig goed werkende, open en concurrerende Europese energiemarkt per 1 juli 2007. Is het de minister overigens bekend dat Angela Merkel in het kader van de voorbereiding van het Duitse voorzitterschap van de Europese Unie heeft aangegeven dat het Europees energiebeleid één van haar speerpunten wordt? Is dat niet een reden te meer om voorzichtig om te gaan met onomkeerbare besluiten op dit beleidsterrein?

De PvdA-fractie is duidelijk geweest; ik rond af. De antwoorden van de regering zie ik graag tegemoet.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Waar leidt dit betoog naartoe? Wil mevrouw Sylvester dat er meer onderzoek wordt gedaan of dat de invoering van het wetsvoorstel wordt uitgesteld? Het is belangrijk om vandaag de knopen te tellen. Suggereert de PvdA-fractie om de discussie af te breken om alle vragen die zij nog heeft weg te nemen? Wat geeft mevrouw Sylvester mee aan minister Wijn, die een moeilijke nacht tegemoet gaat?

Mevrouw Sylvester (PvdA):

Ik kan zowel minister Wijn een goede nachtrust bezorgen als de onduidelijkheid bij de heer Van der Lans wegnemen. De PvdA-fractie heeft waargenomen dat er een duidelijke verandering is van het gesternte. In het verleden was de situatie grimmig door de angst voor privatisering. Die dreiging is nu weggenomen. Er kleeft een behoorlijk aantal risico's aan de invoering van dit wetsvoorstel. Naast de juridische en financiële risico's zijn de ontwikkelingen in Europa van belang. Wij vragen de regering en deze minister om op die punten eerst duidelijkheid te verschaffen. In onze ogen is er tijd om die zaken rustig en in wijsheid uit te zoeken, mede omdat het uur U niet bestaat: het privatiseringsverbod loopt niet af. Ik wacht nu eerst de reactie van de regering af.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Sommigen denken dat je als oppositiepartij geen invloed zou hebben op het kabinetsbeleid. Dat dit niet waar is, bewijst het voorliggende wetsvoorstel. Vandaag gaan wij immers met elkaar in discussie over de uitvoering van een PvdA-motie, van het gewaardeerde Tweede Kamerlid Crone, uit 2001. Ik heet hem via u welkom hier op de tribune. De PvdA heeft dit wetsvoorstel geïnitieerd en daar zijn wij haar bijzonder dankbaar voor.

Wij behandelen een wetsvoorstel van – als het wordt aangenomen – enorme betekenis. De vorige minister van Economische Zaken heeft een aantal jaren terug op instigatie van de PvdA een scherpe visie neergelegd over de toekomst van de Nederlandse energie-infrastructuur. Hij heeft die visie met verve uitgedragen en weerstand geboden aan een krachtige energielobby. Hij wist een zeer ruime meerderheid van de Tweede Kamer – 129 van de 150 leden – te winnen voor dit voorstel. En hij had natuurlijk met grote gretigheid de klus hier vandaag succesvol willen afronden. Dat laatste heeft niet zo mogen zijn, maar de fractie van D66 en de OSF hebben er alle vertrouwen in dat de volhardendheid en overtuigingskracht van zijn opvolger, minister Wijn, tenminste gelijk is aan die van ex-minister Brinkhorst.

Ik wil drie dingen aan de orde brengen. Eerst een paar hoofdlijnen van de energiepolitiek; twee de grote plussen van dit wetsvoorstel en drie de kritiek die je op deze wet kunt hebben en hoe onze fracties die kritiek wegen. Ik begin met de hoofdlijnen van de energiepolitiek, want om het belang van dit wetsvoorstel goed te kunnen duiden, hebben onze fracties er behoefte aan, wat context eraan mee te geven.

De toenemende afhankelijkheid van energie is beangstigend. Nu in meer delen van de wereld de welvaart snel toeneemt, groeit de behoefte aan energie enorm. The Economist voorspelt een groei van de wereldenergieconsumptie tot 2030 met wel 40%. Het fundamentele probleem van het gebruik van al die fossiele brandstoffen is dat de CO2-productie tot klimaatsveranderingen aanleiding geeft. De energiesector kampt dus met een milieu- en een investeringsprobleem. Waar halen wij duurzame energie vandaan?

Door de hogere prijs van fossiele brandstof komen duurzame energiebronnen dichterbij. Wind, zonne- en waterenergie, maar ook waterstof en – hoe je het ook mag wegen – kernenergie zijn daarbij opties. De groeiende vraag naar energie en het krimpen van de voorraad fossiele brandstoffen vereisen meer investeringen van energieproducenten in alternatieve energiebronnen. Energiebedrijven zullen daarin meer moeten investeren, met een hogere risicograad en een winstgedrevenheid die meer op de lange termijn is gericht.

Daarbij is de markt van de energieproductie per definitie een internationale markt, waar meer concurrentie tussen aanbieders de innovatie zal aanjagen. Onze fracties zien dat als gevolg van deze concurrentie Nederlandse energieproducenten zich steeds hechter zullen gaan verbinden met buitenlandse producenten. Fusies en schaalvergroting zijn daarvan een onvermijdelijk gevolg.

Meer privaat aandeelhouderschap van energieproducenten zorgt er ook voor – kan er ook voor zorgen – dat er meer geld op tafel komt om de noodzakelijke investeringen in de productie, maar vooral ook in duurzame innovatie te financieren. En daarmee kom ik tot de kernvraag in dit dossier: hoe is het Nederlandse publieke belang, het belang van consumenten en bedrijven, voor een adequate energievoorziening te borgen?

Naar de opvatting van onze fracties is het publieke belang het garanderen van de leveringszekerheid voor huishoudens en bedrijven in Nederland. De infrastructuur, de energiesnelweg, is dan ook strategische infrastructuur. En die moet simpelweg onafhankelijk zijn. Een netbeheerder dus die onttrokken is aan de concurrentie.

Dat betekent een zeer ingrijpende wijziging in de bestaande structuur van onze Nederlandse geïntegreerde energiebedrijven. Wij moeten zorgen voor onafhankelijkheid van de netten, die in publieke handen moeten blijven. En wij moeten zorgen voor een competitieve en innovatieve energiemarkt.

Wij zien drie grote plussen aan dit wetsvoorstel. Ten eerste is dit het verzekeren van een betaalbare en betrouwbare energievoorziening in Nederland. De overheid moet de belangen van de afnemers waarborgen. Daarbij komt dat uit een analyse van TenneT blijkt dat er achterstallig onderhoud zou zijn aan de netwerken. Veel van de netproblemen worden te vaak doorgeschoven naar de toekomst. Achterblijvende investeringen leiden tot storingen. Dat willen wij niet. In dit verband wil ik van de minister weten wat precies de feiten zijn. EnergieNed ontkent stellig in de brief die het op hoge poten heeft geschreven dat er signalen van slecht onderhoud zijn. Maakt EnergieNed de vlucht naar voren of heeft het enig recht van spreken? Ik krijg hierop graag een reactie van de minister.

De tweede grote plus is de gekozen ontvlechtings- of splitsingsconstructie. Dit is naar de opvatting van onze fracties de helderste vorm om enerzijds productie en anderzijds infrastructuur uit elkaar te halen. De huidige geïntegreerde structuur leidt tot belangenverstrengeling, kruissubsidiëring of kruisbelasting. De toezichthouder heeft naar onze opvatting onomstotelijk gesteld dat het onmogelijk is om dit in de bestaande situatie tegen te gaan. Wij geloven dan ook niet in een model met meer aanvullende regelgeving of het versterken van toezicht. Dat leidt namelijk vooral tot meer bureaucratie en niet tot een structureel onafhankelijke netbeheerder. Minder regels is het motto in veel van de verkiezingsprogramma's. Dat vereist dan natuurlijk ook dat parlementariërs daarnaar handelen! In dit verband hecht ik eraan, te zeggen dat de sector naar de mening van onze fracties ook geen adequaat alternatief voor splitsing naar voren heeft gebracht, terwijl die daar toch geruime tijd de gelegenheid voor heeft gehad. Zonder splitsing worden de geïntegreerde bedrijven vroeg of laat door een buitenlandse partij overgenomen. Wie beschermt dán de belangen van Nederlandse afnemers, de belangen van mensen in wijken en van gezinnen? Wij hebben het nakijken als wij nu geen keuzes durven maken.

Het derde grote voordeel is dat de ambitie van Nederlandse energieproducenten als Nuon, Essent en Eneco om zich op de internationale markt te gaan begeven, door dit voorstel vorm kan krijgen. Dit wetsvoorstel draagt namelijk zijn steentje bij aan vormen van marktwerking. Een onafhankelijk netwerk voorkomt oneerlijke concurrentie. Nieuwe toetreders hebben snel toegang tot de netwerken. Meer marktwerking jaagt innovatie aan, leidt tot meer investeringen in alternatieve energiebronnen en tot een marktconforme prijsontwikkeling.

Onze fracties hebben ook nog een aantal bedenkingen. Ik noem de belangrijkste. De eerste is te vervatten in de volgende vraag. Is Nederland gidsland in Europa of het naïefste jongetje van de klas? Wij weten dat dit wetsvoorstel anticipeert op de ontwikkelingen in de Europese energiesector. Loopt Nederland hiermee voorop? Ja. Is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Wij weten dat commissaris Kroes en met haar de gehele Europese commissie een groot voorstandster van deze vorm van ontvlechting is. Wij weten ook dat andere landen nog niet in de rij staan om voor dit voornemen te applaudisseren. Dat is jammer, want hoewel de energiemarkten zijn geliberaliseerd, komt de concurrentie mondjesmaat op gang. Het is dan ook buitengewoon verstandig dat Kroes en haar medewerkers willen dat EON en RWE in Duitsland en de EDF in Frankrijk hun distributienetwerken gaan afstoten. Onafhankelijke netten bevorderen namelijk concurrentie. Alleen dan kunnen alle partijen op gelijke voorwaarden van de netwerken gebruikmaken.

Tot op heden is er alleen sprake van een juridische splitsing, maar dat is een inadequate maatregel gebleken. Sterker gezegd: het is een quasiregeling, windowdressing. En welke politieke partij wil er nu mee werken aan het in stand houden van schijnregels? Wij vinden niet dat moet worden gewacht totdat de rest van Europa in beweging komt. Wij hebben hier te maken met de Nederlandse situatie. Door dit wetsvoorstel aan te nemen, kunnen wij dus direct iets doen voor de Nederlandse markt. Op die manier worden de belangen van de Nederlandse afnemers naar de opvatting van onze fracties het best gegarandeerd. Overigens is in het Verenigd Koninkrijk al een deel van de distributienetwerken van de commerciële energieactiviteiten gescheiden.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Voorzitter. Ik vind dit een beetje een vreemde redenering, want je kunt het omgekeerde ook stellen. Het eerste verhaal is dat er een Europese markt komt. Dat is onherroepelijk het geval. Het tweede verhaal is dat wij dit alleen in Nederland doen, omdat het goed is voor onze afnemers. Dan krijg je dadelijk de situatie dat bedrijven worden gesplitst en dat er commerciële bedrijven ontstaan die bijvoorbeeld weer worden overgenomen door geïntegreerde buitenlandse bedrijven. De heer Schouw stelt vervolgens dat dit goed is voor Nederland en de Nederlandse afnemers, maar het is geen markt waar sprake is van een level playing field en van al die andere voorwaarden die er eigenlijk wel op van toepassing zouden moeten zijn. Dan krijg je toch een heel vreemde, zo niet bizarre situatie? Ik begrijp niet dat de heer Schouw daar zo gemakkelijk over doet. Als je zo'n markt constitueert, zouden de condities ook gelijk moeten zijn. Daar moeten dan ook alle partijen aan geloven. De heer Schouw haalt mevrouw Kroes aan, maar er is nog geen richtlijn. Dat kan jaren en jaren duren. Je maakt mij niet wijs dat de Franse kampioen zich laat opsplitsen door de Europese Commissie. Je hebt dan een heel andere markt en een heel ander verhaal dan het mooie verhaal dat de heer Schouw nu afsteekt.

De heer Schouw (D66):

Een aantal landen is ons voorgegaan. Ik heb het Verenigd Koninkrijk genoemd. Sinds 1989 is er een beweging op gang gekomen in de verschillende Europese landen om van de energiemarkt, de markt van producenten, een concurrerende markt te maken. Dat gaat met horten en stoten, maar de productiekant is een concurrerende markt. Ik wijs wat dat betreft nog een keer op het incident in 2001, waarbij een buitenlandse investeerder het energiebedrijf van de Haarlemmermeer wilde overnemen, dus de productie, inclusief de netten. Wij proberen echter te voorkomen dat die netten in handen komen van anderen. Dat waarborgen wij hiermee. Vervolgens is het aan de energieproducenten en hun aandeelhouders, meestal publieke lichamen, om te bezien of zij buitenlandse investeerders toelaten in hun governance. De heer Van der Lans kan het bestaan van de wereld van de energieproducenten in Europa niet ontkennen. Hij kan dat in Nederland niet tegenhouden. Je moet mee bewegen en de leveringszekerheid voor de afnemers, de consumenten in Nederland proberen te garanderen. Dat kan door de netten publiek te maken. Dat is onze redenering.

Ik kom op de kosten en baten van de CBL's. Wegen de kosten wel op tegen de baten? Wat zijn de financiële risico's? Om de voor- en nadelen qua kosten en opbrengsten nog eens goed te valideren, is op verzoek van de Tweede Kamer een validatiecommissie ingesteld. De conclusie van deze commissie is dat de kosten voor de energiebedrijven relatief beperkt zijn, afgezet tegen de omzet en winst van deze bedrijven. Naar schatting bedragen de kosten 100 mln. eenmalig en de eerste vijf jaar maximaal 150 mln. per jaar. De maatschappelijke baten zijn significant en structureel, stelt de validatiecommissie. Ook het bolwerk van onafhankelijk gereken, het CPB, komt tot dergelijke conclusies.

Dezelfde Tweede Kamer heeft deze conclusies in grote blijdschap aanvaard. Tot mijn stomme verbazing las ik echter op 10 oktober in de krant dat de woordvoerder van de grootste regeringspartij, het CDA, het validatierapport met terugwerkende kracht onbetrouwbaar vindt. Hij heeft zich laten kisten. Het zou de grootste blunder zijn geweest van deze woordvoerder en, neem ik dan maar aan, ook de grootste blunder van de CDA-fractie in de Tweede Kamer om steun te verlenen aan deze wet. En dan vraag ik mij af hoe ik dit feit moet interpreteren. Moet ik het zien als een politiek feit: de fractie van het CDA in de Tweede Kamer wil alsnog af van de Splitsingswet? Of moet ik het zien als een foutje, een verkeerde uitspraak, een losse flodder van een toch niet onbelangrijke woordvoerder. De minister wil ik vragen hoe hij, los van zijn eigen politieke kleur, die beweging van het CDA in de Tweede Kamer heeft geïnterpreteerd en gewogen.

De verhouding tussen de kosten en de maatschappelijke baten van het wetsvoorstel zal vooral afhangen van het antwoord op de vraag óf en in welke mate Amerikaanse investeerders deze splitsing beschouwen als een vorm van staatsonteigening. Tot nu toe heeft de regering nog niet geheel afdoende antwoord gegeven op de vragen die met deze risico's gepaard gaan. Weliswaar is een extra zekerheid ingebouwd door het werk van de validatiecommissie, maar er zijn nog wel wat vragen. Ook stelt het zogenaamde overgangsrecht ons nog niet helemaal gerust. Dat de bedrijven maximaal zijn vrijgelaten in de wijze van ontvlechting, zodat zij zelf de minst risicovolle manier van herstructurering kunnen zoeken binnen de randvoorwaarden van de gesloten contracten, doet immers niet veel af aan het principiële besluit.

Er is van alles en nog wat onderzocht, maar twee zaken missen wij in deze onderzoekingen. Ten eerste is dat de risicobeoordeling vanuit het perspectief van het Amerikaans recht; ik zeg het mevrouw Sylvester na. Ten tweede is dat een risicobeoordeling aan de hand van de concrete contracten. Kan de minister concreet ingaan op de risicobeoordeling vanuit deze twee perspectieven?

Ook zou ik de minister willen vragen of ik de risico's van de CBL's als volgt mag zien:

  • 1. Met negen van de twaalf geïntegreerde bedrijven zijn CBL's gesloten.

  • 2. Van deze negen bedrijven zijn er zeven met enkel CBL's op de netten.

  • 3. Deze CBL's, die samengaan met de zeven netten, worden na de splitsing op de netten overgedragen. Zij vormen eigenlijk geen enkel financieel risico.

  • 4. Over blijft dat er nog problemen zijn met Nuon en Essent.

  • 5. Door middel van onderhandelingen kunnen aanvullende zekerheden worden gegeven aan Amerikaanse investeerders.

  • 6. De kosten van de onderhandelingen en het regelen van de bankgaranties zijn hooguit enkele tientallen miljoenen euro's.

Met deze vragen probeer ik het risico van de CBL's af te pellen tot een begrijpelijker en aanvaardbaarder verhaal dan de grote stofwolk die sommigen opwerpen.

Onze fracties begrijpen het gezigzag met het, al dan niet deels, privatiseren van een minderheidsbelang, van de distributienetten niet zo goed. Onze stelling is dat als je de publieke belangen maximaal wilt garanderen er niet gespeeld moet worden met de gedachte over het naar de markt brengen van aandelen van TenneT en andere netbeheerders. Het antwoord in de memorie van toelichting dat verkoop hypothetisch is, verstaan wij zo dat die gewoon niet aan de orde is of komt.

In dit dossier gaat het om een belangrijk goed, het voor de afnemers, consumenten en bedrijven, veiligstellen van de energievoorziening. Dat daarmee veel geld is gemoeid, is inmiddels duidelijk. De energiebedrijven, de afgelopen maanden aangevoerd door een colonne lobbyisten en juristen, hebben geen moment onbenut gelaten om de vermeende risico's oneindig uit te vergroten. Maar laten wij in al dat geweld van de energieproducenten de consumenten, de afnemers, niet vergeten. De Consumentenbond en de ondernemers hebben keurige brieven geschreven, waarin zij het wetsvoorstel van harte ondersteunen. De stem en steun van de Nederlandse consument is weliswaar minder luidruchtig, maar daarmee niet minder indringend.

Ik wacht het antwoord met belangstelling af.

De heer Doek (CDA):

Voorzitter. Vandaag en morgen behandelen wij een wetsvoorstel dat naar het oordeel van de CDA-fractie van eminent belang is voor de energievoorziening in Nederland. Het gaat om een zaak van groot maatschappelijk belang. Energie is van vitaal nationaal belang, en mede vanuit dat perspectief benaderen wij dit wetsvoorstel. Tevens is energiepolitiek internationale politiek, het gevecht om de toegang tot de schaarse energiebronnen is pas begonnen. Een eigen positie voor Nederland op het terrein van energie is ook nodig met het oog op de noodzakelijke transitie naar alternatieve energiebronnen. Wij hebben ons in de afgelopen tweeënhalf jaar zorgen gemaakt over de toon van de discussie over dit wetsvoorstel, de verharding van de standpunten en het niet of nauwelijks meer communiceren tussen de belangrijke spelers, energiebedrijven en ministerie, bij dit dossier. Daarom zijn wij verheugd over de open houding die deze minister vanaf het moment van zijn aantreden heeft getoond. Het is te prijzen dat deze minister initiatieven heeft genomen om weer in gesprek te komen met de sector. Immers, het is onbestaanbaar dat het ministerie van Economische Zaken in een permanent gevecht met een zo'n vitale sector voor onze economie is gewikkeld. In onze inbreng voor het voorlopig en het nader voorlopig verslag hebben wij onze twijfels en vragen bij dit wetsvoorstel verwoord. Wij danken de minister voor de beantwoording van onze vragen, alhoewel niet op al onze vragen een afdoend antwoord is gegeven.

Ik wil benadrukken dat het uitgangspunt dat de netten te allen tijde in handen van de overheid moeten blijven, ten volle door de CDA-fractie wordt onderschreven. Dit is onder de huidige wetgeving al gewaarborgd; bij een gewenste privatisering van productie, distributie en handel is splitsing immers al dwingend voorgeschreven. Het feit dat een paar relatief kleine geïntegreerde bedrijven in Nederland vrijwillig een splitsing hebben doorgevoerd, is ons bekend. Daar voorziet de huidige wetgeving ook in. Van verplichte splitsing is, behalve in Nieuw-Zeeland, nergens sprake. Dit is op zichzelf al een reden om de voor- en nadelen van de voorgestelde gedwongen splitsing zeer zorgvuldig af te wegen. En het gaat hierbij wat ons betreft om meer dan puur bedrijfsmodelmatige overwegingen. In mijn bijdrage aan dit debat wil ik de volgende onderwerpen nog eens aan de orde stellen: de proportionaliteit, de opportuniteit, het vraagstuk van de privatisering, de positie van TenneT, de cross-borderleases en de staatssteunaspecten.

De proportionaliteit. De CDA-fractie is tot nu toe niet overtuigd van de redengeving voor dit wetsvoorstel, die verband houdt met de positie van de DTe, onderdeel van de NMa. Ook de in de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord herhaalde argumenten worden gekenmerkt door zinsneden als"concurrentieverstorende gedragingen zijn moeilijk te constateren","vermoedens", "recente signalen", "interne verrekenprijzen zijn onvoldoende onderbouwd", "switches tussen aanbieders ondervinden belemmeringen". In dit verband vraag ik de minister om een reactie op de brief van 2 november 2006 die EnergieNed namens de netbeheerders geschreven heeft. Onze fractie heeft in het nader voorlopig verslag commentaar gevraagd op de maatregelen die door de sector in het"bijna-akkoord" van maart 2005 in nauw overleg met de DTe zijn vastgelegd. Het antwoord in de nadere memorie van antwoord gaat langs de vraag heen. Ik vraag de minister alsnog in te gaan op de in dit akkoord opgenomen maatregelen, los van het feit dat het akkoord toen mede afhing van een wens tot gedeeltelijke privatisering. De extra kosten van toezicht en handhaving op zich zijn gezien de bedragen die ermee gemoeid zijn minder relevant, daar de sector blijkbaar bereid is die kosten te dragen, en ook relatief bezien van zeer ondergeschikt belang. Een andere reden voor splitsing is de onbeperkte toegang tot de netten te secureren en het belemmeren van switchen tegen te gaan. Als dit zich echter voordoet, zal naar het oordeel van onze fractie eigenlijk altijd sprake zijn van misbruik door een onderneming die een aanmerkelijke marktmacht heeft. Dit valt niet te tolereren, maar daar kan een klacht over worden ingediend bij de NMa. Wij vragen de minister te bevestigen dat een beroep op het mededingingsrecht hier de aangewezen weg is.

Wat de opportuniteit betreft is een belangrijke vraag voor de CDA-fractie of de toekomst in Europa is aan geïntegreerde bedrijven of aan gesplitste bedrijven. De minister laat in de memorie van antwoord weten dat het hem niet bekend is of en zo ja, wanneer andere landen zullen overgaan naar gedwongen eigendomssplitsing. Tevens vermeldt de minister dat dat ook niet relevant is, daar hij verantwoordelijk is voor de markt in Nederland. Op zich is dat juist, maar gezien de ook door de minister gewenste ontwikkelingen om te komen tot één Noordwest-Europese energiemarkt en het gegeven dat de energiegrondstoffenmarkt een mondiale markt is, achten wij deze visie te beperkt. Indien de Noordwest-Europese energiemarkt tot stand komt, is naar de mening van de CDA-fractie die markt de relevante markt en zal op die markt een gelijk level playing field moeten worden gewaarborgd. Is de minister het met deze analyse eens?

Voorts verwijst de minister naar uitlatingen van Mevrouw Kroes en de heer Piebalgs, EU-commissarissen van respectievelijk mededinging en energie, die zich afvragen of de huidige verplichtingen uit de relevante richtlijnen, te weten een juridische splitsing, wel voldoende zijn.

In dit verband wil ik nog eens benadrukken dat Nederland op dit moment als een van de weinige lidstaten alle relevante richtlijnen heeft geïmplementeerd.

Door het van kracht laten worden van bepalingen uit de I&I wetgeving, waardoor ook van een economische splitsing sprake zal zijn loopt ons land vooruit op andere landen. Het van kracht worden van deze economische splitsing heeft de instemming van de CDA-fractie. De CDA-fractie worstelt met de vraag waarom Nederland de ontwikkelingen binnen de Europese Unie niet afwacht. Het is in de ogen van de CDA-fractie vreemd dat het gevolg van dit wetsvoorstel zal zijn of in elk geval zal kunnen zijn, dat Nederlandse energiecentrales zullen worden overgenomen door zeer grote buitenlandse maatschappijen die praktisch allemaal geïntegreerde bedrijven zijn. De vraag is of de huidige wetgeving in samenhang met de creatie van "vette" netbeheerders voor de komende jaren wellicht niet het theoretisch meest optimale level playing field in Nederland oplevert, maar toch voldoende is om de ontwikkelingen in de Europese Unie af te wachten. Uiteraard kan de Nederlandse regering doorgaan om het model van het wetsvoorstel in Europa te bepleiten. Graag vernemen wij een reactie van de minister op deze suggestie.

Ik kom op de privatisering. De CDA-fractie stelt nog eens duidelijk dat zij privatisering van geïntegreerde bedrijven afwijst. In de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord heeft de minister duidelijk gemaakt dat dit kabinet niet van plan is om een AMvB te doen opstellen om de mogelijkheid te bieden tot minderheidsprivatisering van aandelen in de netbeheerder en de netwerkbedrijven. De CDA-fractie juicht dit toe, daar zij ten principale vindt dat publiek aandeelhouderschap in de netbeheerders en de netwerkbedrijven zich niet leent voor enige vorm van juridisch en/of economisch aandeelhouderschap door niet-overheden. Dat houdt klip en klaar in dat er in Nederland geen plaats is voor binnenlandse en/of buitenlandse investeringsmaatschappijen als aandeelhouder in netwerkbedrijven en netwerkbeheerders.

De CDA-fractie verzoekt de minister in dit debat zijn visie te geven op privatisering. Zij realiseert zich dat door middel van de overgangsbepalingen die verband houden met de CBL-contracten hierop reeds een begin van inbreuk wordt gemaakt. Zij betrekt dat bij haar oordeel over de CBL-problematiek. Graag verneemt de CDA-fractie meer van de gedachten van deze minister over de mogelijkheden die hem voor ogen staan om de controle over de netwerken te realiseren door betrokkenheid van de rijksoverheid. Interessant zou het zijn om te vernemen of de minister al meer concrete gedachten en/of voornemens heeft dan de enigszins vaag geformuleerde gedachten in de nadere memorie van antwoord.

De heer Schouw (D66):

De heer Doek zei daarnet dat de CDA-fractie er geen voorstander van is dat de dadelijk afgesplitste productiebedrijven worden overgenomen door geïntegreerde buitenlandse bedrijven. Heb ik dat goed begrepen? Geeft de CDA-fractie dat verzet op als de afgesplitste Nederlandse bedrijven zouden worden overgenomen door juridisch of administratief afgesplitste buitenlandse bedrijven?

De heer Doek (CDA):

Ik heb niet gesproken van verzet of iets dergelijks. Ik heb alleen gezegd dat wij dat een vreemd gevolg zouden vinden. Ik ben nog helemaal niet toe aan enige oordeelsvorming. Wij zijn bezig met het maken van een analyse en vertellen hier dat wij het een groot en zwaar maatschappelijk probleem achten, waarbij wij alle voors en tegens rustig willen afwegen. Ik ga dus niet in op casuïstiek. Het gaat mij meer om de hoofdlijnen, die ik in dit betoog wens neer te leggen.

De heer Schouw (D66):

Dan noteer ik dat er geen principiële bezwaren op dat punt zijn.

De heer Doek (CDA):

U mag noteren wat u wilt, maar ik heb dat niet gezegd.

Voorzitter. Ik kom op de positie van TenneT. Reeds in het voorlopig verslag heeft de CDA-fractie laten weten dat zij voorstander is van het overdragen van het beheer van het hoogspanningsnet aan TenneT. De storing in grote delen van Europa in het weekend van 4 en 5 november maakte weer eens duidelijk hoe belangrijk de rol van de landelijke netbeheerder is. Namens mijn fractie benadruk ik nog eens dat het CDA tegenstander is van het al dan niet gedeeltelijk privatiseren van de aandelen van TenneT. In de inbreng voor het voorlopig verslag heeft onze fractie aandacht gevraagd voor de deelnemingen van TenneT. De reactie van de minister houdt in dat het Rijk als 100% aandeelhouder wel goed zal opletten. Dat klinkt nogal rustgevend. In de memorie van antwoord staat verder dat daarnaast momenteel een toetsing plaatsvindt van de statutaire doelstelling van de diverse dochtermaatschappijen, waardoor op dit moment een volledig oordeel over de nevenactiviteiten niet is te geven. De CDA-fractie zou van de minister de bevestiging willen krijgen dat bij deze toetsing niet alleen gekeken wordt naar de statutaire doelstelling, maar ook naar de feitelijke werkzaamheden.

Onze fractie blijft grote aarzelingen houden met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de voorgenomen gedwongen splitsing ten gevolge van de afgesloten CBL-contracten. Met name het feit dat Amerikaans recht van toepassing is en procedures voor Amerikaanse rechtbanken, welke jaren kunnen voortslepen, gevoerd zullen worden leidt tot deze aarzelingen. Dit gevoegd bij het feit dat de minister en zijn adviseurs geen inzage hebben gehad in de belangrijkste contracten en de potentieel enorme financiële gevolgen voor de betrokken maatschappijen, doet de vraag stellen waarom de minister toch niet alles op alles heeft gezet om inzage in de contracten te krijgen. Dan immers zouden Amerikaanse advocaten met meer gezag een oordeel hebben kunnen vellen. De validatie op het punt van de CBL-problematiek door de commissie-Kist komt in verband met de voorgestelde overgangsbepalingen ook niet verder dan zinsneden "als in redelijkheid tegemoetkomen aan". Ook opmerkingen van de minister in de nadere memorie van antwoord in de trant van "lijkt het mij niet waarschijnlijk" en "naar mijn inschatting" geven de CDA-fractie nog niet voldoende zekerheid dat wij hier werkelijk over te verwaarlozen risico's spreken. Wil de minister hier nog eens op ingaan? Voor de CDA-fractie is in ieder geval niet relevant of en in welke omvang de betrokken maatschappijen voordeel uit de indertijd afgesloten transacties hebben gehad. Immers, daar was het toen juist om te doen en overigens zal de opbrengst geïnvesteerd zijn.

Door de CDA-fractie is zowel in het voorlopig als in het nader voorlopig verslag aandacht gevraagd voor de problematiek van de staatssteun als gevolg van de flankerende fiscale maatregelen. In de nadere memorie van antwoord doet de minister het voorkomen alsof de leden van de CDA-fractie een positieve inschatting hebben met betrekking tot de argumentatie van de regering op dit punt. De CDA-fractie heeft echter uitsluitend aangesloten bij de mededeling van de regering dat zij haar conclusie overigens op ambtelijk niveau met de Europese Commissie had besproken. Dat leidde onze fractie tot de conclusie dat om die reden een gunstig oordeel van de Commissie te verwachten lijkt. De CDA-fractie komt hier ook op terug omdat de regering in de nadere memorie van antwoord een wel zeer intrigerende redengeving geeft om niet tot notificatie over te gaan. Ik bedoel de volgende zinsnede: "De regering onderkent in algemene zin het belang van rechtszekerheid voor de betrokken ondernemingen, maar heeft ook rekening te houden met de bredere effecten van een eventuele melding bij de Europese Commissie." Betekent dit nu dat het door de regering onderkende belang van rechtszekerheid ondergeschikt wordt gemaakt aan andere belangen van de regering?

Dit klemt temeer daar derden, niet zijnde de Europese Commissie, de zaak aanhangig kunnen maken gedurende een periode van tien jaar. De CDA-fractie vraagt de minister om in dit debat opheldering te verschaffen. Een en ander klemt des te meer nu wij pas zeer recent kennis hebben genomen van een uitspraak van de Europese Commissie van 6 juli 2006 met betrekking tot een waarschijnlijk soortgelijk geval van een fiscale vrijstelling bij een gedwongen herstructurering in Portugal. Die vrijstelling werd door de Commissie als staatssteun aangemerkt. Ik vraag de minister om deze uitspraak bij zijn antwoord te betrekken.

Naast de hiervoor vermelde vraagpunten spelen uiteindelijk in de afweging voor onze fractie ook de gevolgen van dit wetsvoorstel op het gebied van innovatie, transitie, buitenlands en veiligheidsbeleid een voorname rol. Ik vat de voor de CDA-fractie belangrijke punten samen. De voorgestelde overdracht van het beheer van het hoogspanningsnet aan TenneT heeft onze instemming, evenals het creëren van de "vette" netbeheerder. De CDA-fractie houdt met name vragen en twijfels rond het vooroplopen in de Europese Unie en de financiële risico's rond de CBL-contracten. Wij wachten met meer dan gewone belangstelling de reactie op onze vragen door de minister af.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Ik wil op één punt wat meer de nieren van de CDA-fractie proeven, door haar dezelfde vraag te stellen als mevrouw Sylvester. Het is nogal wat wat de heer Doek de regering vraagt: een heel serieuze afweging van een aantal grote problemen, waarvan je nu al kunt voorspellen dat de minister, zeker als het gaat om het normaliseren van de verhoudingen met de energiesector en de Europese dimensie van het verhaal, morgen niet met het verlossende antwoord zal komen. Wat is dan de conclusie van de CDA-fractie?

De heer Doek (CDA):

Mijnheer Van der Lans, u maakt het mij gemakkelijk, want u heeft het over voorspellen. Welnu, ik doe niet aan voorspellen. Dus als fractie wachten wij de reactie van de minister op onze vragen en twijfels af. Vervolgens beraden wij ons.

De heer Kox (SP):

Mevrouw de voorzitter. De regering, zo deelde de minister ons in de memorie van antwoord mee, ziet geen belemmering in voortzetting van de behandeling van deze Splitsingswet, die hij overigens liever een vriendelijker naam had gegeven omdat, zo zegt de minister ons, de wet juist bedoeld is om de energiebedrijven de ruimte te geven. Die bedoeling is kennelijk toch niet helemaal overgekomen, gezien de schier tomeloze energie die de doorgaans toch wat logge energiebedrijven in onze richting getoond hebben in de afgelopen maanden. Zij zien deze wet vooral als een "in de maag splits"-wet, die hun toekomst op het spel zet. Toch zegt de minister in de nadere memorie van antwoord "geen weet te hebben van sterk gegroeide twijfels" over de voorgestelde splitsing. Komt de minister nog wel eens onder de mensen, moet ik dan denken. Want het kan toch niet zo zijn dat alleen de fractie van de SP door Jan en alleman benaderd wordt? Al die mensen en instanties vergeten de minister toch niet? Hij zit er weliswaar pas net maar ze kénnen hem toch wel? Overigens, de oproep om zijn politieke lot aan deze eerste wet, die de beste man in deze Kamer mag verdedigen, te verbinden, en dan ook nog voor een gehele week, dat behoeft voor ons niet. Wij moeten de wet gewoon zakelijk behandelen. Van ons mag deze minister gewoon zijn gehele zittingsperiode uitzitten.

De minister twijfelt kennelijk aan het inschattingsvermogen van de energiebedrijven. Er is volgens hem sprake van een groot misverstand. Wat hij voorstelt, is juist goed voor ons allemaal, de energiebedrijven voorop. Maar je zou toch mogen denken van de topmannen van de energiebedrijven dat zij voorwaar voldoende salaris beuren om op zijn minst te begrijpen wat de minister bedoelt met dit wetsvoorstel? Zijn zij nu zo dom of is de minister nu zo slim? Wij weten dat nog niet, maar wij voelen onszelf in ieder geval slim genoeg om te zeggen dat wij nog niet weten of deze wet op termijn niet rampzalig zou kunnen uitpakken. Wij voelen ons slim genoeg om te denken dat er grote kans is dat wij er spijt als haren op ons hoofd van kunnen krijgen als wij morgen ja tegen dit voorstel zeggen. Maar ons voorstel om daarom niet nu, zo kort voor de verkiezingen, tot overhaaste afhandeling over te gaan, lijkt de bewindsman dus niet te delen. Hij verwijst naar de 129 Tweede Kamerleden die vóór het voorstel gestemd hebben. Dat waren niet de onze – die wisten beter – maar het waren er inderdaad veel. Maar de minister moet toch, met ons, hebben waargenomen dat er nogal wat beweging aan het politieke front is in het algemeen, op het punt van liberalisering en privatisering meer in het bijzonder, en op het punt van de splitsing van energiebedrijven zeer in het bijzonder? Natuurlijk mag hij er ons op wijzen dat het CDA in de Tweede Kamer heeft voorgestemd, maar het zal hem toch ook niet ontgaan zijn dat de CDA-woordvoerder aan de overkant die daad van zijn fractie inmiddels als zijn grootste blunder aanduidt? En het moet hem toch ook zijn opgevallen dat de fracties van de PvdA en GroenLinks in deze Kamer veel kritischer over het voorstel oordelen dan hun politieke verwanten aan de overkant? Met andere woorden: in het verleden aan de overkant behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst van dit wetsvoorstel. En als een minister, wiens uiterste houdbaarheidsdatum ook nog eens bijna is verstreken met de verkiezingen over ruim een week op de kalender, al die bewegingen waarneemt, is het dan nog realistisch om zo stoïcijns te doen? Of heeft dat dan meer met struisvogelgedrag te maken? Zeker als wij dat ook nog eens koppelen aan wat er de laatste tijd gebeurt op het internationale energiefront, waarop nu voor iedereen zichtbaar is dat energie veel meer is dan zomaar een verhandelbare waar, zomaar een product. Energie is een machtsmiddel van hoge orde. Wie dat machtsmiddel uit handen geeft of onvoldoende in handen neemt, geeft meer weg dan wijs is.

Nu zal de minister tegenwerpen dat hij juist niks weggeeft maar vasthoudt voor de Nederlandse samenleving. In de memorie van antwoord meldde hij dat hij op de dag van zijn aantreden als minister van Economische Zaken publiekelijk aangegeven heeft dat het zijn streven zou zijn de juridische eigendom van het gehele elektriciteitsnetwerk – zoals hij het aanduidde: van de centrale tot het stopcontact – voor 100% in handen van de overheid te houden. Privatisering van geïntegreerde energiebedrijven is, zo deelde hij ons mee, niet langer een reële optie. Duidelijke taal, zo zal de minister vinden. Maar waarom was het dan kennelijk nodig om op zijn eerste de beste werkdag op het ministerie van Economische Zaken duidelijk te maken dat dit het streven zou zijn? Vond de minister niet met mij en anderen dat er reden was om te twijfelen aan de positie van de Nederlandse regering? Nam hij daarmee afstand van het streven van zijn voorganger? Garandeerde deze niet de publieke eigendom van de netwerken? Zijn voorganger vond privatisering van geïntegreerde energiebedrijven wel een reële optie. Met andere woorden: waar is de geest van Brinkhorst gebleven?

Hoe is de verhouding in opvattingen binnen de huidige regering? Ik ben met name benieuwd naar de opvatting van de minister van Financiën van wie wij nog niet zo'n stellig statement hebben mogen vernemen. Ik hoop dat deze minister het ons vergeeft, maar als niet duidelijk is waar de minister staat die sinds 1994 in twee paarse en drie Balkenendiaanse kabinetten de bovenbaas van Nederland is geweest – en die nog steeds niet heeft gezegd dat hij er op 22 november echt een punt achter zet – dan houden wij oren en ogen nog maar even wagenwijd open. De mededeling van minister Wijn dat de uitlating van minister Zalm zuiver hypothetisch was, stelt ons helemaal niet gerust. Zalm verdient op z'n minst de eer om de minister te zijn die tal van verstrekkende plannen die aanvankelijk allemaal "zuiver hypothetisch" leken, van plan tot praktijk wist te promoveren.

Wij zien met de minister dat privatisering van de aandelen van een netwerkbeheerder of van de eigendom van het net niet van vandaag op morgen zal kunnen plaatsvinden. Zoiets kan alleen als er een ministeriële regeling daarvoor wordt vastgesteld. En inderdaad lijkt het dat door aanname van een hierop betrekking hebbend amendement van het Tweede Kamerlid Hessels van het CDA privatisering van het net in het geheel niet mogelijk is en privatisering van een netbeheerder alleen indien dat bij AMvB wordt geregeld. Maar het is dus niet uitgesloten dat ook netwerkbeheerders in private handen komen. Zo begrijp ik de minister toch correct?

Splitsing, zo zegt de minister, is een middel tot een doel. Het doel is het verzekeren van een betaalbare en betrouwbare Nederlandse energievoorziening. Dat is een mooi doel dat wij graag met hem delen, maar het middel deugt niet. Niet splitsen, maar verenigen is ons alternatief. Wij hebben de indruk dat heel veel Nederlanders het daarmee eens zijn. Dit geldt niet alleen voor het personeel van de energiebedrijven, hoewel ik de ondernemingsraad en de vakbonden van harte complimenteer met hun grote ijver en doortastendheid bij het aan ons overbrengen van hun zorgen over de voorgestelde splitsing. Met hen vraag ik mij af voor welk probleem dit wetsvoorstel eigenlijk een oplossing is. Kan de minister ons dat nog eens uitleggen? Waarom doet hij niet wat de Amerikanen in zo'n geval zeggen: if it ain't broke, don't fix it!

Deze minister gebruikte stoere taal in beide memories van antwoord. Voor hem, zo stelt hij, is het voortbestaan van de energiesector en de fysieke aanwezigheid daarvan een essentiële schakel voor onze economische ontwikkeling. Nou, klaar, wil je dan denken, maar is het wel klaar of kan het nog steeds alle kanten op? Wij vrezen van wel. Want de minister spreekt over "onze" economische ontwikkeling, maar wat bedoelt hij dan met "onze"? Hij acht het immers onvermijdelijk en noodzakelijk dat de Nederlandse energiebedrijven allianties of fusies aangaan met andere energiebedrijven in Noordwest-Europa. Die consolidatie, zoals hij dat noemt, is in zijn ogen een gegeven. De Nederlandse energiebedrijven zijn in zijn opvatting gewoon te klein zijn om zelfstandig te overleven. Hij vergelijkt de totale marktwaarde van de grote vier uit Nederland met de ene grote uit Frankrijk, Electricité de France, en ziet dan 38 mld. aan de ene kant en 130 mld. aan de andere kant. Wij, onze bedrijven, zijn gewoon geen partij voor de echte grote jongens, lijkt de boodschap. Maar dan worden "wij" toch "hun"? Dan worden wij toch gewoon Frans, Duits, Spaans of Russisch? Zo gaat dat toch met allianties en fusies?

Precies daarom is de SP voorstander van een andere optie dan in dit wetsvoorstel wordt voorgelegd. Wij willen onze energiebedrijven, van centrale tot stopcontact, maar ook van aankoop tot verkoop, in Nederlandse overheidshanden hebben en houden. We hebben weinig boodschap aan Brussel, van waaruit ons verteld wordt dat de energiemarkt geliberaliseerd moet worden. Zeker zolang in andere Europese hoofdsteden daar niet naar geluisterd wordt, vinden wij het volstrekt verkeerd om voorop te lopen. Daar zit niemand op te wachten. De minister geeft toe dat wij vooroplopen. Hij erkent dat in landen als Frankrijk en Duitsland nog steeds niets beweegt en dat er ook geen zicht op is dat dit binnenkort gebeurt. Maar dat maakt ook niets uit, zo vertelt de minister ons. Hij zegt dat het feit dat wij met dit wetsvoorstel een verdergaande stap doen dan in andere landen, voor hem geen reden is om van deze splitsing af te zien. Er is wel sprake van vooroplopen, zo zegt hij, maar niet van nodeloos vooroplopen, want in de kern gaat het er niet om of er in andere landen al dan niet tot eigendomssplitsing wordt overgegaan. Dat is de verantwoordelijkheid van de lidstaten individueel, zo zegt de minister.

Hier raken wij de draad kwijt. Wat wil de minister nu? Een Europese energiemarkt onder gelijke verhoudingen of een markt waarbinnen de grote landen precies doen wat zij willen, en de kleine landen met hun bedrijven zich de wet door de Europese Commissie laten voorschrijven? Met als voorspelbaar gevolg dat de grootste bedrijven, uit de grootste landen, straks Europa's oligopolisten zullen zijn, zodat beslissingen over wat er bij ons tegen welke voorwaarden uit het stopcontact komt, worden genomen in Berlijn, Parijs, Madrid of Moskou? Als dat zo is, hoe denkt de minister dan het uitgangspunt van de regering te kunnen waarborgen dat er een betaalbare en betrouwbare energievoorziening voor de Nederlandse afnemer blijft, zoals hij in de nadere memorie van antwoord zegt?

De heer Schouw (D66):

Nu de SP serieus kans maakt om de volgende minister van Economische Zaken te leveren, denk ik er goed aan te doen om toch even aan de heer Kox te vragen of ik het goed heb begrepen. Vindt hij dat de totale energieproductie die Nederland nodig heeft, ook in Nederland moet worden geproduceerd? Is dat wat hij zegt?

De heer Kox (SP):

Nee, dat zei ik niet.

De heer Schouw (D66):

Wij komen 50% energie tekort, dat heeft hij gehoord van mevrouw Sylvester. Waar denkt hij die dan vandaan te halen, als hij de redenering wil doortrekken dat alles nationaal moet zijn?

De heer Kox (SP):

Er zijn twee mogelijkheden: kopen of zelf produceren.

De heer Schouw (D66):

Als je het moet kopen, moet het ook uit het buitenland komen. Daarmee is de energiemarkt per definitie een internationale, mondiale markt van vraag en aanbod.

De heer Kox (SP):

Volgens mij is het niet zo ingewikkeld. Mijn partij wil dat een of meer Nederlands overheidsbedrijven dat doen, en volgens mij willen heel veel mensen in dit land dat inmiddels. Wij willen niet dat wij straks zeggen: dit is onze Essent en dit is onze Nuon en het kantoor zit in Moskou. Dat willen wij gewoon niet hebben. Is dat duidelijk?

Overigens moeten wij niet speculeren over de kans dat wij de nieuwe minister van Economische Zaken leveren. 22 november doen wij zaken, maar dezer dagen doen wij zaken met deze minister van Economische Zaken.

Mevrouw de voorzitter. Splitsing dient mede in Europees perspectief het beste de belangen van de Nederlandse afnemer, zo zegt de minister. Nee, zeggen wij van de SP, het bijeenhouden van energiebedrijven dient het beste de belangen van de Nederlandse afnemer, maar ook van de Nederlandse samenleving als zodanig, want wij zijn meer dan alleen maar afnemers. Nogmaals, energie is veel meer dan zomaar een waar of een product.

Jammer, maar dat kan niet, legt de minister ons dan uit. Een algeheel verbod op overnames van commerciële delen van de Nederlandse energiebedrijven door geïntegreerde buitenlandse bedrijven zou volgens hem in strijd zijn met Europese regels. Hij is dan ook niet bereid, de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel afhankelijk te maken van zo'n algeheel verbod. Hij voelt er zelf ook niet voor, geeft hij toe.

Met dit wetsvoorstel geeft hij welbewust aandeelhouders die willen privatiseren, de ruimte om hun aandeel in het commerciële deel te vervreemden, zo lezen wij in de nadere memorie van antwoord. Ook al zeggen de energiebedrijven nu in grote meerderheid niet langer van zins te zijn, hun aandelen aan de hoogstbiedende buitenlandse investeerder over te dragen, dit risico blijft levensgroot aanwezig. Nog maar kortgeleden liepen er heel wat lagere overheden met eurotekens in de ogen rond, hopend snel geld te kunnen maken uit wat in decennia door de samenleving en de burgers was opgebouwd. Ook al loopt ons verzet tegen het wetsvoorstel op dit moment gelijk op met het verzet van de energiebedrijven, dat betekent niet dat ik ineens overloop van vertrouwen in hen en hun aandeelhouders. Zolang deze bedrijven nog steeds te hoge winsten realiseren en hun topmensen nog steeds belachelijk hoge salarissen bezorgen, ben ik niet degene die zonder argwaan naar hen kan kijken.

De minister houdt ons voor dat dit wetsvoorstel de marktwerking stimuleert en dat de afnemer profiteert van een markt die werkt. Dat klinkt aardig, maar pakt toch minder uit dan gewenst. De markt zal immers een oligopolistische markt worden, die gedomineerd wordt door enkele heel grote Europese bedrijven. Het is maar zeer de vraag of de afnemer daar niet de wrange vruchten van zal gaan plukken. De minister moet toch weten hoe het er op zo'n oligopolistische markt aan toe gaat.

In een geliberaliseerde markt zorgen marktpartijen voor investeringen in productiecapaciteit, zo legt de minister ons ook geduldig uit. Daarbij laten zij zich leiden door rendementsverwachtingen. Dat zal ik niet tegenspreken, maar het gaat dan wel over eng economische rendementsverwachtingen. Zij zullen zich niet laten leiden door verwachtingen met betrekking tot het rendement voor het milieu, het klimaat, de omgeving, de burger en het algemeen belang. Zo zit dat toch, mijnheer de minister? En precies daarom was ooit de overheid uitgevonden: omdat die wel kon waken over die belangen die verder gaan dan het eng economische belang.

Dit wetsvoorstel komt op ons over als een tovervoorstel. De minister zegt: het biedt de voordelen van de geliberaliseerde markt, maar niet de nadelen. Na zo'n mededeling van het type "komt u hier allen zwemmen zonder nat te worden" verwacht je enige uitleg, maar die komt er niet. Splitsing van de energiebedrijven zorgt er weliswaar voor dat netwerken vooralsnog bij de overheid blijven, maar maakt de kans groot dat de commerciële delen van de energiebedrijven snel in buitenlandse handen zullen komen. En wanneer dat gebeurd is, zal de druk vanuit het ons omringende buitenland snel toenemen om ook de netwerken te privatiseren. Dat durf ik wel te voorspellen. Zo gaat dat toch? Ik zie dat de minister zijn hoofd schudt. Ik hoor het graag van hem. Ik hoor hem dan ook graag uitleggen waarom dit een uitzondering zou zijn op de algemene regel.

Er zijn tal van andere bedenkingen geuit door collega-Kamerleden, door deskundigen op financieel en economisch terrein die hier op bezoek zijn geweest of ons op een andere manier hebben benaderd, door de vakbonden, door personeel, door de energiebedrijven en door vele anderen. Het zijn allemaal redenen om extra alert te zijn bij deze wet. Wij zijn hier aan het handelen met een gevaarlijke materie. Lang niet alle kwesties zijn precies op hun effect in te schatten. Dat geldt onder meer voor de cross-borderleases waarover veel gezegd is. Dat zijn gevaarlijke en bedenkelijke grensopzoekende constructies die wel eens als een boemerang zouden kunnen terugkeren als de splitsing een feit wordt. Dat geldt ook voor de nodige inkrimping van personeel bij de energiebedrijven en de verandering in het management. Over de berekeningen van de baten en lasten kan veel gezegd worden, maar daar wil ik het nu in deze termijn niet over hebben. Ik wil nog wel zeggen dat de minister nu wel erg vaak op het Centraal Planbureau afgaat en andere signalen lijkt te negeren. Dat vinden wij niet verstandig.

Mevrouw de voorzitter. Hoe dan ook, het zijn voor ons allemaal belangrijke bijkomende argumenten om hoogst sceptisch tegenover dit voorstel te staan. De hoofdreden blijft dat wij tegen het vermarkten van de energievoorziening in ons land zijn. Die hoort niet bij de markt, maar die hoort bij de samenleving. Die hoort bij de overheid. Daarom kan deze wet maar beter niet doorgaan. Ik ben blij dat de minister heeft gezegd dat hij niet dogmatisch in deze kwestie staat. Maar waarom heeft hij die opmerking gemaakt? Vond hij dat de regeringsvertegenwoordiging tot dan toe wel dogmatisch in de kwestie stond? Laten wij hopen dat hij naar deze Kamer luistert. Er zijn buitengewoon serieuze opmerkingen gemaakt. Laten wij hopen dat hij daar in eerste termijn op ingaat.

Ik weet waar de echte liberalen staan, maar ik hoop dat de fracties van het CDA en de Partij van de Arbeid na de eerste termijn van de minister met ons de pijn kort zullen maken en de minister zullen oproepen om zijn wetsvoorstel in te trekken. Dat lijkt me de kortste pijn die wij hier kunnen afspreken.

De heer Ketting (VVD):

Voorzitter. Het volgende citaat is ontleend aan het rapport van de WRR, Het borgen van het publiek belang. "Privatisering is geen doel maar middel. Het doel is het borgen van publiek belang. In het afgelopen decennium is, naar de raad constateert, aan deze kern van de zaak te veel voorbijgegaan. Mede doordat de vraag van effectieve borging niet de centrale plaats kreeg die haar toekomt, zijn geprivatiseerde of verzelfstandigde organisaties in de praktijk nogal eens beland in een 'grijs tussengebied', waarbij noch privaat noch publiek adequate disciplineringsmechanismen bestaan."

Voor de fractie van de VVD komt deze wet wat aan de late kant, niet zozeer qua planning in de tijd maar qua planning in het proces. Immers, hoe had het proces moeten verlopen? Allereerst had moeten worden bepaald welke publieke en private belangen in het geding zijn. Een analyse die een publieke afweging vereist, vanzelfsprekend met een open oor voor de opvattingen uit de maatschappij. Hierbij moet ook worden verkend hoe de samenhang is tussen deze publieke en private aspecten om een oordeel te kunnen vellen of deze samenhang een sluitend beeld oplevert. Vervolgens moet worden bepaald op welke wijze de publieke belangen veilig zijn te stellen. Hierbij staat een instrumentarium ter beschikking, variërend van regelgeving tot eigendomspositie van de overheid. Na het ontwerp van het pakket maatregelen ter zekerstelling van de publieke belangen dienen deze te worden geïmplementeerd. Pas hierna kan worden geliberaliseerd, met andere woorden, het aldus begrensde private domein worden vrijgegeven. Ten slotte kan de vraag aan de orde komen of en zo ja, in welke mate, privatisering wenselijk is.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Ik heb het rapport niet paraat, maar volgens mij slaat de heer Ketting een stap over. Er moet ook worden bepaald wat de relevante markt is. Is dat de Noordwest-Europese markt? Dat is in dit verband buitengewoon belangrijk. Dan slaat het borgen van het publieke belang op die gehele markt.

De heer Ketting (VVD):

Ik heb nog een paar velletjes voor de heer Van der Lans in petto. Als hij geduld heeft, zal ik zijn vraag dan ook graag beantwoorden. De vraag slaat hier echter als een tang op een varken.

Het primaire doel van dit wetsvoorstel is borging van een publiek belang. Dat de liberalisering al in gang is gezet en dat zelfs privatisering aan de orde is, verklaart naar de mening van mijn fractie dat dit wetsvoorstel laat of te laat in het proces zit. Voor een goed begrip: hierbij wordt niet alleen gedoeld op de netten maar op de elektriciteitssector als een geheel. Deze sector kan ook niet anders worden bezien, aangezien er een onverbrekelijke samenhang is van het fysische systeem, van centrale tot schemerlamp.

Naast het hoofdonderwerp van dit wetsvoorstel, de borging van publiek belang, komen ook liberalisering en internationalisering aan de orde. Deze drie onderwerpen komen in de genoemde volgorde verder in het geding. Het zij duidelijk gesteld dat het wetsvoorstel zich niet over privatiseringen uitspreekt. Wel betekent deze stap de voorlaatste stap om privatisering mogelijk te maken, zo dit wenselijk wordt geacht. Het vervult daartoe een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde. Met andere woorden, als deze wet niet van kracht zou worden, kan naar de opvatting van mijn fractie geen sprake zijn van enigerlei vorm van privatisering van activiteiten die zich in het domein van het publieke belang bevinden. Kan de minister dit bevestigen?

Wat is eigenlijk een publiek belang? Hierover zijn al eeuwenlang boekenkasten volgeschreven, maar mijn fractie wil het in wat huiselijke termen als volgt beschrijven. Een publiek belang wordt gevormd door een functie van wezenlijk maatschappelijk belang die niet zonder meer, dus zonder overheidsbetrokkenheid, wordt vervuld of op de politiek gewenste wijze wordt vervuld. Het behoeft geen betoog dat de afweging of het maatschappelijke belang in het geding is een politieke legitimatie vereist. Het rapport Publieke belangen en aandeelhouderschap, dat in augustus van dit jaar onder verantwoordelijkheid van deze minister het licht zag, spreekt zich nog kernachtiger uit. "Iets is een publiek belang als de politiek vindt dat het een publiek belang is." Anders gezegd, het is de taak en de verantwoordelijkheid van de politiek om vast te stellen waar de scheidingslijn tussen het private en het publieke domein ligt en welke spelregels van kracht zijn.

Wat is er dan zo bijzonder aan een elektriciteitsnet? Zo bijzonder dat de minister – en terecht – heeft uitgesproken dat het verlengsnoer dat de elektriciteitscentrale verbindt met de huiskamer in het publieke domein moet blijven. Waarom dan wel? Het elektriciteitsnet vervult een monopoloïde functie. Er is er maar één van en dan nog met een beperkte capaciteit. Dat betekent dat de levering aan de klanten van het net afhankelijk is en daarbij dat er een verdelingsvraagstuk van de beperkte capaciteit aan de orde is, waarvoor spelregels moeten worden opgesteld.

Het marktmechanisme streeft naar schaarste. Dat is niet alleen volstrekt legaal maar ook doelmatig, omdat schaarste leidt tot hogere opbrengst en de marktpartij moet streven naar maximalisatie van de opbrengst. Hier gaan het publieke en het private belang dus botsen. Aangezien de levering aan de klant volstrekt afhankelijk is van het netwerk, moet hier een publiek belang prevaleren en moet de overheid een rol spelen. Het zeker stellen van de levering, de voorzieningszekerheid dus, hangt natuurlijk niet alleen af van de capaciteit van het netwerk. Als er niet voldoende productievermogen is, gaat het licht in ieder geval uit, ongeacht de capaciteit van het net. Maar over de productie van elektriciteit gaat dit wetsvoorstel niet, dus laat ik dit boeiende onderwerp maar rusten, zij het met enige moeite.

Een tweede aspect van publiek belang is het volgende. Het transportnet is ondeelbaar en verknoopt, ook al zijn er verschillende neteigenaren. Er is dus een gemeenschappelijk belang, een belang dat de eigenaar overstijgt. Dit belang is niet alleen de capaciteit, de kwantiteit dus, maar ook de kwaliteit. Wij hebben het dan over stabiliteit in termen van volten, ampères en frequenties, om maar niet te spreken over de cosinus ö. Dat is voor elektrotechnische fijnproevers. Ik zie de heer Kox al begrijpend knikken. Daar zullen wij samen dadelijk misschien nog een boom over kunnen opzetten.

Een volgend element is de bescherming van de beleverden, de klanten dus. Het netwerk is een natuurlijk monopolie en nodigt uit dien hoofde uit tot monopoloïde handelingen. Iedere leverancier probeert zijn klant zo stevig mogelijk aan zich te verbinden. Dit kan strijdig zijn met de eerste Europese richtlijn voor elektriciteit, waarin de keuzevrijheid voor de klant is verankerd. Die keuzevrijheid moet leiden tot voor de klant optimale leveringscondities, onafhankelijk van één bepaalde leverancier. Dit leidt tot de onontkoombare conclusie dat er een volstrekte ontkoppeling moet plaatsvinden tussen de eigenaar van het net en de leverancier. Zij vervullen wezenlijk andere taken, hebben verschillende verantwoordelijkheden en bekleden principieel onderscheiden posities in het publieke en het private domein.

Dit ziet de Europese Commissie in Brussel ook zo, niet als conclusie van een theoretische verhandeling. Het constateren van het onvolkomen werken van de mededinging, dus de marktwerking, heeft ertoe geleid dat de Commissaris voor Mededinging, mevrouw Kroes, zich onlangs en bij herhaling helder heeft uitgesproken. Zij constateerde dat een juridische ontkoppeling tussen levering en netwerk onvoldoende heeft gewerkt om belangenvermenging te voorkomen en dat er aanwijzingen bestaan dat ontoelaatbare uitwisseling binnen bedrijven van informatie tussen distributie en netwerk heeft plaatsgevonden. Daar dit ten nadele van de concurrenten uitpakt die geen netwerk bezitten, is dit naar haar mening een andere reden om juridische splitsing ontoereikend te achten. Daarbij beoogt zij door een verdergaande splitsing ook de transparantie te vergroten en daardoor de doelmatigheid van de bedrijfsvoering van netbedrijf en levering te bevorderen. Haar opvatting in dezen werd onderstreept door de voorzitter van de Europese Commissie, Barroso, en de Commissaris voor Energie, Piebalgs. Kortom, het is duidelijk uit welke hoek de Brusselse wind waait. Naar verluidt geldt dit eveneens voor het wettelijke kader van de netten in België zelf. Is het juist dat aldaar eigendomssplitsing als uitgangspunt is gekozen? Kan de minister mijn fractie informeren over de in België gekozen structuur en vooral zijn beoordeling daarvan weergeven?

Voorzitter. Het is mijn fractie opgevallen dat de klant, groot of klein en zo'n 6 miljoen in getal, in de heftige discussie over dit splitsingsvoornemen niet of nauwelijks figureert. Het gaat wel over cross-borderleases, nationale kampioenen, het belang van de elektriciteitsbedrijven, althans vier van de tientallen, aandeelhouders en wat al niet meer, maar of de klant er beter van wordt, of zijn belangen worden bediend, blijft onderbelicht. Overigens hebben de klanten van hun kant zich wel laten horen, van groot tot klein. Het is niet mis te verstaan dat de Consumentenbond, het LTO, MKB Nederland en de VEMW zich ondubbelzinnig ten gunste van dit wetsvoorstel hebben uitgesproken. Mijn fractie stelt het belang van de klant centraal; daar is het om te doen. Hun belang wordt gediend met een doelmatige marktwerking. Helaas is het nog niet zo ver. Dat hebben de klanten zelf ook wel in de smiezen, ook de rapportages van de DTe bevestigen dit. Dit moet veranderen en vooral verbeteren. Het is ook wel begrijpelijk dat de marktwerking nog onvolkomen is, want wij verkeren in de transitie van een gesloten naar een open systeem, van een oligopolie naar een marktgeoriënteerd stelsel en dat gaat niet vanzelf. Dat vereist een conditionerende rol van de overheid en die komt stap voor stap tot stand. Een adequaat toezicht behoort daartoe, adequaat als apparaat en wettelijke kracht. Het belang van het toezicht kan niet voldoende worden onderstreept. Waarom ook weer? Voldoende marktwerking kan alleen ontstaan als voor marktpartijen in voldoende mate gelijkwaardige en billijke marktvoorwaarden aanwezig zijn. Dat ontstaat niet vanzelf, zeker niet in het geval waar mede door monopoloïde posities sprake is van ongelijkwaardige posities van leverancier en klant. Krachtig toezicht is vereist om dit verstoord evenwicht te herstellen.

Voorts kan marktwerking alleen dan ontstaan als sprake is van een voldoende aantal aanbieders, een voldoende aantal vragers en daartussen transparante informatie. Voldoende vragers zijn er wel, voldoende aanbieders nog niet en dus is ook hier toezicht nodig om overheersende posities in de markt te voorkomen en nieuwe toetreders een gelijk speelveld te bieden.

Gezien de essentiële rol van het toezicht is het zaak zorg te dragen voor een optimale vervulling van deze functie. Het is daarom dat mijn fractie in haar standpuntbepaling zich mede heeft laten leiden door de bevinding van de DTe dat splitsing vanuit het vervullen van een adequaat toezicht de preferentiële oplossing is. Als de marktmeester zo bepalend is voor de markt, geef hem dan ook de beste instrumenten. Dat geldt ook voor de DTe zelf. Kan de minister mijn fractie toezeggen dat hij zal zorg dragen voor een toereikende uitrusting van de NMa en de DTe, zowel in termen van kwantiteit, de bezetting dus, als van kwaliteit van de betrokken medewerkers? Is het waar dat het verloop bij de DTe zo'n 20% bedraagt? Waar ligt dat aan? Soms aan de beloningsstructuur? Is dat geen reden om te bezien of het dienstverband bij EZ wel een goede oplossing is, ook uit hoofde van de gewenste onafhankelijkheid van de DTe. Deze vragen vereisen naar de mening van mijn fractie een antwoord. Daar kan haars inziens niet mee worden gewacht. Immers, met name tijdens de transitieperiode is de betrokkenheid van de DTe, waaronder ik gemakshalve ook maar de NMa schaar, bepalend voor het succes. Tijdens deze transitie is immers sprake van een wat rommelige situatie: gesplitste bedrijven, nog niet gesplitste bedrijven, bedrijven die aan het splitsen zijn, geprivatiseerde leveranciers of niet geprivatiseerde, ga zo maar door. Geen geringe opgave dus voor de toezichthouder om niet alleen de controle doeltreffend uit te voeren, maar ook om de gang erin te houden.

Ten slotte heeft mijn fractie bij geruchte vernomen als zou DTe een analyse over de marktwerking in deze sector hebben opgesteld. Berust dit gerucht op waarheid en zo ja, kan de minister hier dan mededeling over doen?

Duurzaamheid wordt van steeds groter belang bij de opwekking van elektriciteit. Ik mag aannemen dat dit geen nadere bewijsvoering vraagt. Een belangrijke voorwaarde voor een meer duurzame productie is het ontstaan van decentrale opwekking. Hierbij kan gedachte worden aan brandstofcellen, fotovoltaïsche opwekking en microwarmtekracht. Dit vereist dan wel een andere netconfiguratie, want zonder nadere maatregelen is het net niet geschikt om een dergelijke gespreide voeding te accommoderen. Maar dit betekent wel concurrentie voor de bestaande producent en leverancier en het mag niet van hen worden verwacht dat zij de groei en bloei van hun kleine concurrenten zullen bevorderen. Het moet zeker worden gesteld dat het net de ontwikkelingen van decentrale opwekking alle ruimte blijft bieden. Dit mag niet worden gefrustreerd door de neteigenaar in zijn rol van producent en leverancier. Het afsplitsen van de producent en leverancier van de netwerkfunctie is dan natuurlijk een adequate remedie.

Het moge duidelijk zijn dat het publieke belang van deze voorziening groot is. Evenzeer heeft het besprokene aangetoond dat de waarborging van deze publieke belangen niet zonder meer is zeker gesteld. Er moet dus wat gebeuren om de gewenste vervulling van de publieke belangen zeker te stellen. Naar mijn fractie meent, is splitsing hiervoor de meest doelmatige oplossing. Ik som de belangrijkste overwegingen nog eens op.

  • - De netwerken blijven in het publieke domein.

  • - Vermenging van publieke en private belangen wordt voorkomen.

  • - De uitoefening van de publieke en private taken wordt transparant, daardoor beter te beoordelen en meer doelmatig.

  • - Kruissubsidies en bevoordeling van het leveringsbedrijf door het netbedrijf worden uitgesloten.

  • - Investeringen zowel in netcapaciteit als in netstructuur door de "vette" netbeheerder kunnen niet in gevaar komen door risico's bij de levering van elektriciteit.

  • - Marktwerking wordt bevorderd door betere, non-discriminatoire toegang tot het net en betere informatie.

  • - Toezicht wordt effectiever, mede ter bescherming van afnemers tegen monopoloïde handelingen.

  • - Decentrale opwekking krijgt meer kans.

  • - De aandeelhouders wordt een uitweg geboden zonder gevaar van waardevermindering van de aandelen. Bij de verkoop van de aandelen in NRE (Nutsbedrijven Regio Eindhoven) bleek dat de gesommeerde opbrengst van de afzonderlijke delen – net en levering – hoger was dan de biedingen op het totale ongesplitste bedrijf.

Ten slotte hebben wij het reeds genoemde rapport Publieke belangen en aandeelhouderschap nog eens geraadpleegd. Op bladzijde 11 van dit rapport staat een heldere beslisboom voor borgingsmechanismen. Die volgend, komt men onherroepelijk bij borging door aandeelhouderschap terecht. De alternatieve borging – door middel van contracten – biedt in dit geval immers geen uitkomst. Het betreft hier geen commercieel object, het is niet goed mogelijk de gewenste prestaties – voor langere termijn – contractueel vast te leggen en er is geen sprake van meerdere potentiële opdrachtnemers. Met dit rapport van de ministers van Economische Zaken, Financiën, Verkeer en Waterstaat en VROM in de hand had mijn fractie met een inbreng van enkele minuten kunnen volstaan!

Mijn fractie worstelt nog met een ander vraagstuk. Na de onfortuinlijke transacties van de provincie Zuid-Holland in 1999 werd de Wet financiering decentrale overheden aangenomen, in de wandeling de Wet FIDO genoemd. Deze wet heeft ten doel de financieringswijze van decentrale overheden een solide basis te geven. De Wet FIDO verplicht niet bestaande aandeelhoudersposities in commerciële activiteiten te verlaten, dus deze aandelen te verkopen. Maar toch, artikel 2 lid 1 luidt als volgt:"Openbare lichamen gaan leningen aan, zetten middelen uit of verlenen garanties uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak." Natuurlijk is dit artikel meer geschreven met Ceteco in het hoofd dan bijvoorbeeld NUON, maar de Wet FIDO roept wel vragen op. Is de levering en productie van elektriciteit en warmte wel een publieke taak? Nee, natuurlijk. "Heeft deze – private – taak een prudent karakter en is het gericht op het genereren van inkomen zonder dat een overmatig risico wordt gelopen?" Ik citeer nu het tweede lid van artikel 2. Nee natuurlijk, in de afgelopen jaren zijn miljarden guldens aan aandeelhouderswaarde verbrand. Moet de Wet FIDO dan ook niet leiden tot splitsing van netbedrijven in leverings- en productiebedrijven? Als de minister vasthoudt aan de notie dat bestaande aandeelhoudersposities kunnen worden gehandhaafd – een standpunt dat meer de letter dan de geest van de Wet FIDO volgt – dan kan dat toch niet gelden voor de aankoop van aandelen NUON door de provincie Noord-Holland? Ook al waren deze aandelen in bezit van een andere provincie, Friesland, dan zou deze voorgenomen transactie toch nog in strijd zijn met artikel 2 van de Wet FIDO. Is de minister het hiermee eens? Mijn fractie hecht hierbij niet zozeer aan wetstechnische exegese als wel aan een uitspraak van de minister over de wenselijkheid van een investering van ruim 1 mld. in een bedrijf met ongesplitste en dus risicovolle activiteiten. Hoe dan ook, voor mijn fractie vormt deze voorgenomen transactie wederom een bevestiging van het voorstel tot splitsing.

Over liberalisering kan ik kort zijn. Het is immers zo dat bij een voldoende en volkomen marktwerking en binnen adequate marktcondities het vrije spel tussen aanbieders en vragers zijn gang kan gaan. Daarmee worden de belangen van marktpartijen, en zeker ook van de talloze klanten, het best gediend.

Internationalisering is geen publiek belang. Het is een ontwikkeling die zich in vrijwel alle sectoren van de maatschappij voltrekt. Zich ertegen verzetten, heeft geen zin! Anticiperen echter des te meer. Natuurlijk is het zo dat met het toenemen van de internationale verknopingen het nationale belang niet uit het oog moet worden verloren. Maar het komt wel steeds minder centraal te staan. Bovendien: wat is heden ten dage nog nationaal? Shell soms, met aandeelhouders over de hele wereld? Of KLM onder de vleugels van Air France? Zelfs onze Douwe Egberts Koffie heeft geen Hollandse eigenaar meer. Heeft dit ons nadelen opgeleverd? Smaakt de koffie niet meer? Kortom, nationalisme zonder ratio heeft geen grond. Internationalisering in de elektriciteitssector kan alleen maar worden toegejuicht. Het betreft namelijk een zware kapitaalgoederenindustrie waar schaalgrootte een bepalende succesfactor is.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Ik zal maar niet gaan pleiten voor nationalisering van Douwe Egberts Koffie, hoewel ik daar wel een groot voorstander van ben. Over een eerdere vraag van mij zei u dat die sloeg als een tang op een varken. Wat u nu zegt, laat echter juist zien hoe relevant die vraag was. De internationaliserende markt die u beschrijft, vraagt immers ook om internationaal toezicht. Hoe is het Europese toezicht op deze internationale markt geregeld? Als een geïntegreerd buitenlands bedrijf een Nederlands bedrijf opkoopt, welke Europese toezichthouder gaat dat bedrijf dan controleren?

De heer Ketting (VVD):

Het toezicht is nationaal georganiseerd. Tegelijkertijd is er onder leiding van de Europese Commissie sprake van hechte informatie-uitwisseling en samenwerking in het CEEP, een centrum waarin alle Europese toezichthouders zijn vertegenwoordigd.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Dat toezicht is volgens u afdoende om deze merkwaardige constructie, die strijdig is met de Europese intenties, te kunnen dwarsbomen?

De heer Ketting (VVD):

Over welke constructie hebt u het?

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Het gaat mij om de constructie met geïntegreerde bedrijven, niet-geïntegreerde bedrijven en gesplitste bedrijven. Dat is de Europese markt.

De heer Ketting (VVD):

Ik sprak over de Nederlandse markt.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Maar ik over de Europese markt.

De heer Ketting (VVD):

Maar ik niet!

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Daar gaan wij volgens u toch ook naartoe? Dat is de reden dat ik mijn vraag herhaal. Wij hebben Europees toezicht nodig, omdat het een internationale markt is. Daarom is mijn vraag zo relevant.

De heer Ketting (VVD):

De vraag is naar mijn gevoel niet relevant omdat de primaire doelstelling van dit wetsvoorstel is dat met een toename van de internationale verknopingen de netten zodanig zijn gewaarborgd dat deze in Nederlandse publieke handen blijven. Dat is het vertrekpunt van dit wetsvoorstel. Het is niet te voorspellen dat daarna ook andere internationale ontwikkelingen aan de orde komen. Eén ding is in dat geval wel duidelijk, namelijk dat het publieke belang van de Nederlandse netten is gewaarborgd. Daar gaat het om.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Daar zijn wij het allemaal over eens. Bij het spreken over Europese markten gaat het echter steeds over level playing field, over gelijke condities en over goed toezicht. Alle mechanismen van de borging van het publieke belang zijn ook op die Europese markt van toepassing, terwijl daar nog helemaal niets bestaat. Dat is mijn punt.

De heer Ketting (VVD):

U hebt mij de term "level playing field" niet horen noemen. Die discussie valt volstrekt buiten het kader van dit wetsvoorstel. Ik herinner er wel aan dat op dit moment vrijwel de helft van de Nederlandse elektriciteitsproductie gelieerd is aan buitenlandse partijen. Punt. Er is dus geen sprake meer van een Nederlandse productie, waarover ik diverse woordvoerders heb horen spreken. Hetzelfde geldt voor de levering. Die is ook voor een belangrijk deel in buitenlandse handen. Ook uw auto is echter afkomstig uit het buitenland. Een en ander hoeft helemaal niet te leiden tot vermindering van de kwaliteit van de levering zoals op het punt van de elektriciteit tot op de dag van vandaag is gebleken. De klantvriendelijkheid van buitenlandse bedrijven is helemaal niet slechter dan die van Nederlandse bedrijven. Naar mijn gevoel is juist het tegenovergestelde het geval. Ik zie die koudwatervrees helemaal niet. Die deel ik niet.

Internationalisering in de elektriciteitssector kan dus alleen maar worden toegejuicht. Het betreft hier een zwarekapitaalgoederenindustrie waar schaalgrootte een bepalende succesfactor is. Fusies en allianties, ook internationaal, kunnen alleen maar worden toegejuicht omdat zij tot voordeel van de klant leiden. Daarbij moet natuurlijk wel worden uitgegaan van een voldoende krachtig toezicht.

Voor de netten ligt een andere situatie voor. Om dezelfde redenen als genoemd bij de behandeling van de publieke belangen geldt dat de netten niet in buitenlandse handen mogen vallen. Anders benaderd: om de private, commerciële activiteiten de ruimte te geven om zich nationaal en internationaal te ontplooien, moeten zij losgekoppeld worden van de netwerken. Het is noodzakelijk dat deze internationale ontplooiing vorm krijgt om zodoende een robuuste, competitieve elektriciteitssector zeker te stellen. Daarmee komt ook ruimte voor een andere definitie van het speelveld, de relevante markt. Als de levering is losgekoppeld en de positie van het leveringsbedrijf dus minder dominant is, is er dan geen reden om opnieuw te kijken naar marktposities, de relevante markt te verruimen en zo een fusie tussen bijvoorbeeld NUON en Essent mogelijk te maken zonder ingrijpende remedies? Dit alles na splitsing natuurlijk. Ik hoor graag een reactie van de minister.

Het is hierbij goed om stil te staan bij de manier waarop de netten zijn ontstaan. Het Nederlandse net behoort tot de beste in de wereld en daar is een hoge prijs voor betaald; miljarden euro's. Die prijs is niet betaald door provincies, gemeenten of bedrijven. Die euro's, toen nog guldens, kwamen uit de portemonnee van de afnemers van de elektriciteit, van huishoudens tot Hoogovens.

De heer Doek (CDA):

Ik wil uw mooie betoog niet zomaar onderbreken, maar ik verzoek u toch om in te gaan op de vraag die vele fracties in deze Kamer bezighoudt over de opportuniteit van het nemen van dit besluit op dit moment. Geeft Nederland niet een deel van de onderhandelingsruimte weg als het ideale model wordt vastgelegd? Kunt u daarop ingaan? U geeft alleen de zegeningen aan die er in uw ogen zijn, maar de vraag is of deze zich ook voordoen als wij dat te vlug doen.

De heer Ketting (VVD):

Ik weet niet precies wat de heer Doek bedoelt met "dat te vlug doen". Het gaat mij primair om de borging van het publiek belang van de netten als robuuste voorwaarde voor toekomstige internationale ontwikkelingen. Nederland moet niet afhankelijk zijn van het tempo van buitenlandse ontwikkelingen. Tot nu toe verlopen die ontwikkelingen vrij snel. De productie van elektriciteit is al voor de helft in handen van buitenlandse partijen. Er zitten nogal wat buitenlandse partijen op het vinkentouw om in Nederland actief te worden, net zoals Nederlandse partijen in het buitenland actief zijn of willen worden. Daarom is het prudent om nu er nog tijd voor is, wetgeving te maken die er in ieder geval voor zorgt dat internationale ontwikkelingen geen negatieve invloed kunnen hebben op de publieke functie van de netwerken in Nederland.

De heer Doek (CDA):

In een land als Duitsland is het hele hoogspanningsnet nog in handen van commerciële ondernemingen. Er is geen schijn van kans dat zich daar de komende tien jaar een splitsing zal voordoen. Mijn fractie is het ermee eens dat het in theorie wellicht een goed model is, dat in Europees verband moet worden bepleit. Waarom moet Nederland daar echter op vooruitlopen? Wordt de Nederlandse consument ernstig benadeeld door de huidige situatie? Ik onderschrijf de vraag over het beter toerusten van de DTe. Is dat niet meer dan voldoende om eventuele problemen op te lossen binnen het huidige systeem?

De heer Ketting (VVD):

Ik heb zojuist tien pagina's gewijd aan het antwoord op die vraag. Daarop zeg ik volmondig ja: mijn fractie vindt het noodzakelijk. De marktwerking in Nederland is onvoldoende, terwijl die wel nodig is. Een bedrijf als Oxxio ondervindt daardoor problemen bij zijn groei. Verder lopen bedrijven die in het buitenland willen gaan opereren, risico's door bedrijven waarin publieke netten zitten. Die risico's zorgen voor een onzekere toekomst, wat mijn fractie niet wil accepteren. Laat die bedrijven maar naar het buitenland gaan en daar risico's lopen. Deze hebben zich de afgelopen jaren al gemanifesteerd; er is miljarden aan aandeelhouderswaarde verbrand. Investeringen in, het onderhoud van en het functioneren van de Nederlandse netten mogen daar echter niet onder lijden.

Mevrouw Sylvester (PvdA):

Is het de geachte afgevaardigde ontgaan dat er een overleg gaande is tussen de minister en de bedrijven? Is de uitkomst daarvan nog van invloed op zijn visie – hij telt de zegeningen maar gaat niet in op de nadelen – of kunnen die nadelen hem niet meer boeien?

De heer Ketting (VVD):

Ik begrijp de vraag van mevrouw Sylvester niet helemaal. De minister heeft in de nadere memorie van antwoord gewag gemaakt van het gesprek dat op 7 november jongstleden met de vertegenwoordigers van vier bedrijven heeft plaatsgevonden. Hij heeft toegezegd dat hij daarop tijdens de plenaire behandeling in deze Kamer zal terugkomen. Als er iets aan de orde komt wat een nieuw licht kan werpen op een wetsvoorstel, zullen wij dat natuurlijk meenemen, maar tot op heden is daar niets van gebleken. U kunt daar ook op dit moment niets over zeggen.

Mevrouw Sylvester (PvdA):

Hoe kunt u dan wel zo stellig zeggen dat u en uw fractie voor dit wetsvoorstel zijn? U geeft zelf aan dat er nog nieuwe feiten te voorschijn kunnen komen.

De heer Ketting (VVD):

Dat kan natuurlijk altijd. Ik constateer in ieder geval dat de gesprekken met de bedrijven zich al enkele jaren voortslepen en dat daar tot op heden geen duidelijke alternatieven uit naar voren zijn gekomen. De minister kennende, mag ik aannemen dat hij, als zoiets in het gesprek van 7 november jongstleden het geval was geweest, zich onmiddellijk tot de Kamer had gewend om ons te informeren over een belangrijk nieuw feit. Dat niet zo zijnde, neem ik aan dat hij zijn toezegging nakomt en ons daar nog over zal informeren, maar dat dit niet van dusdanig gewicht is dat het in belangrijke mate van invloed zou kunnen zijn op de behandeling van dit wetsvoorstel. Ik denk dat ik a contrario de vraag van mevrouw Sylvester ontkennend moet beantwoorden, anders had de minister wel aan de bel getrokken. Dat heeft hij niet gedaan.

Ik had het over die miljarden euro's, toen nog guldens. Zij kwamen uit de portemonnees van de afnemers van elektriciteit, van Hoogovens tot huishoudens, al zo'n kleine honderd jaar. Een betere illustratie van het publieke karakter is welhaast niet te vinden. Publiek in de letterlijke betekenis van het woord.

Tot slotte heb ik nog enkele vragen, allereerst over de positie van TenneT. Mijn fractie kan zich geheel vinden in het streven om TenneT het beheer te geven over de netten vanaf 110 kV. Zij vraagt zich echter af of deze grens wel juist is gekozen. Zou 50 kV als ondergrens niet kunnen leiden tot een meer harmonisch geheel en een meer doelmatig beheer? Gaarne de mening van de minister.

Kortgeleden werden delen van Europa opgeschrikt door een grote storing in de elektriciteitsvoorziening. Kunnen hieruit al lessen worden getrokken? Is TenneT voldoende uitgerust om haar taak ook in internationaal verband uit te oefenen? Beschikt TenneT over voldoende informatie inzake de binnen- en buitenlandse netcapaciteit en de balans tussen productie van en de vraag naar elektriciteit? Is een meer internationale regie noodzakelijk? Graag een reactie van de minister ter zake die duidelijkheid verschaft over de vraag of nadere maatregelen nodig zijn om de voorzieningszekerheid te vergroten.

Bij het aardgastransportnet heeft de staat ervoor gekozen, het eigendom te verwerven. Mijn fractie zou zich kunnen voorstellen dat dit ook bij de elektriciteitsnetten zou kunnen gebeuren. Dit zou een goede exit voor de aandeelhouders kunnen betekenen, onder gelijktijdig optimale zekerstelling van het publieke belang. Hoe denkt de minister hierover?

Het is reeds gememoreerd dat de transitie naar het nieuwe paradigma niet zomaar tot stand komt en dat daar best wat haken en ogen aan zijn verbonden. Graag zou mijn fractie van de minister vernemen op welke wijze het parlement op de hoogte kan blijven van de voortgang van dit proces en met name ook of de gestelde doelen worden bereikt. Mijn fractie wacht met belangstelling de reactie van de minister af.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Voorzitter. Om de indruk te vermijden dat wij in deze Kamer grote onenigheid hebben over het borgen van publieke belangen in de energiesector is het misschien niet onverstandig om vast te stellen dat er de afgelopen jaren een totale politieke consensus is ontstaan over het feit dat de netwerken niet geprivatiseerd mogen worden. Dat is een enorme stap voorwaarts, want nog geen zes jaar geleden stonden wij in dit land op het punt om de netwerken te privatiseren. Dat was de intentie van VVD-minister Jorritsma en nogal wat provinciebesturen hadden daar wel oren naar. Die route is inmiddels uitgesloten. Het WRR-rapport Het borgen van publiek belang heeft daar inderdaad een belangrijke rol in gespeeld, met name als correctie op het paarse denken met betrekking tot privatisering en liberalisering. Ik zeg dat er maar even bij om het verhaal volledig te maken. Geïntegreerde energiebedrijven kunnen dus niet worden geprivatiseerd, ook niet na 1 januari 2007. De gehele operatie splitsingswet heeft lange tijd in het teken gestaan van de gedachte dat voor 1 januari 2007 het publieke belang – lees: de netten – veiliggesteld moest worden. Die datum is komen te vervallen en daarmee is de angel uit het debat getrokken. Dat is allemaal winst. Het is goed om dat nog eens expliciet vast te stellen. Er zitten overigens heel logische gedachten achter deze wet. Laat daar geen misverstand over bestaan. Eigenlijk komt de gedachte erop neer dat de publieke infrastructuur afgeschermd moet worden van risicodragende commerciële avonturen. Ik noem dat wel eens het KPN-syndroom. KPN stortte zich als beheerder van een netwerk in grote commerciële avonturen. Toen die mislukten en het bedrijf technisch failliet was, werd de rekening aan de Staat als aandeelhouder gepresenteerd. Dat syndroom, dus het aangaan van risicodragende avonturen in het buitenland op de bagagedrager van een Nederlands publiek netwerk, waarbij bij mislukking de rekening aan de aandeelhouders gepresenteerd zou worden, moest door deze wet onmogelijk worden gemaakt. Mochten wij deze wet niet aannemen, dan moeten wij ons realiseren dat dit risico dus nog niet is uitgesloten. Het is dan nog maar de vraag of de publieke aandeelhouders dat risico willen nemen.

Ook om andere redenen is er veel voor een absoluut onafhankelijk netbeheer te zeggen. Geïntegreerde bedrijven hebben nu dubbele petten op en het blijkt moeilijk om die uit elkaar te houden, ook al regel je dat door de administraties te scheiden. Zij hebben er voordeel bij en dat blijkt moeilijk te controleren, zoals de DTe ook moet erkennen. Ik heb overigens begrepen dat de DTe op dit punt een nieuw rapport in de maak heeft dat erg kritisch tegenover de geïntegreerde energiebedrijven staat. Wellicht kan de minister daar alvast wat meer over vertellen.

Onafhankelijk netbeheer is cruciaal om nieuwe spelers op het net toe te laten. In de praktijk blijken die toch hinder te ondervinden van de dubbele petten van de geïntegreerde bedrijven. Juist omdat het gaat om het faciliteren van decentraal opgewekte energie, een belangrijke bron voor verduurzaming van onze energiehuishouding, zou je een beheerder moeten hebben die deze initiatieven geen strobreed in de weg legt. Dan moet je dus naar relatief onafhankelijk netbeheer. Als dit het enige verhaal zou zijn, zou mijn fractie met overtuiging instemmen voor de voorliggende wet. Nu zij alleen aan de ene kant moet vaststellen dat in vergelijking met het jaar 2000 duidelijk politieke winst is geboekt en belangrijke publieke belangen al geborgd zijn, rijst de vraag of wij die winst niet moeten nemen en vervolgens niet nog even de tijd moeten nemen om de belangrijkste problemen eens goed te overpeinzen.

Wat zijn de onzekerheden en de onduidelijkheden? De eerste onduidelijkheid betreft de Europese context. Ik heb daar niet voor niets in verschillende interrupties al op gewezen. De regering vertelt in feite twee verhalen over deze wet. Het eerste is een Europees verhaal. Dat gaat over de onvermijdelijke ontwikkeling van een Noordwest-Europese markt, waar de Nederlandse markt in op zal gaan. Op de volgende pagina wordt echter een specifiek Nederlands verhaal verteld. Daarbij gaat het niet meer om een level playing field of al die andere argumenten die altijd bij het creëren van Europese markten horen, maar over het feit dat de voorgestelde splitsing niet een Europese, maar een op zichzelf staande Nederlandse aangelegenheid is waarbij Nederland zijn eigen afwegingen met betrekking tot zijn eigen markt moet maken. Dan lijkt de Europese markt waar Nederland naartoe moet, ineens vergeten en is splitsing goed voor de Nederlandse afnemers. Punt.

Mijn fractie heeft dit vanaf het begin van de behandeling in deze Kamer een vreemde redenering gevonden. Er komt een Noordwest-Europese markt, maar Nederland gaat nu even zijn eigen gang. Die twee constateringen heeft mijn fractie nooit kunnen rijmen en ik moet zeggen dat de regering mijn fractie tot op dit moment ook na herhaald vragen op dit punt niet heeft kunnen overtuigen. Wij stappen ineens op redeneringen over waar wij bij andere markten niet eens aan zouden beginnen. Het heeft toch iets vreemds dat wij meewerken aan een situatie waarin een West-Europees geïntegreerd bedrijf met al zijn kapitaalvoordelen uit het netwerk en zijn kruissubsidiemogelijkheden binnenkort de afgesplitste commerciële delen van NUON of Essent kan opkopen. Wat wij hier voor die bedrijven onmogelijk maken, mogen anderen wel. Dan moet er op zijn minst in Europa, als daar op termijn algehele splitsing wordt nagestreefd, sprake zijn van een soort beschermingsconstructie die het geïntegreerde bedrijven verbiedt om gesplitste bedrijven op te kopen. Zo'n constructie is er alleen niet en de vraag is of die er ooit komt. Sterker nog, het is volkomen onduidelijk hoe het toezicht hierop nu is geregeld. Is dat de Nederlandse toezichthouder? Wat is in dit verband "aanmerkelijke marktmacht"? Met andere woorden, het Nederlandse splitsingsbesluit en de Noordwest-Europese markt horen wel degelijk in één verhaal thuis, maar dat verhaal is nog lang niet af. En dan kun je de reële vraag stellen of nu splitsen wel zo'n verstandige optie is. Daarvoor moet veel meer Europese duidelijkheid komen.

Die Europese duidelijkheid is nu ver te zoeken. De Europese Commissie is momenteel aan het onderzoeken hoe de administratieve ontvlechtingrichtlijn, waar Nederland allang aan voldoet, in de lidstaten is geïmplementeerd. De resultaten van dit onderzoek worden binnen niet al te lange termijn gepubliceerd. In de voorbereiding heb ik al eerder aangegeven dat dit tamelijk relevante informatie als je tot een precies oordeel wilt komen over de Europese context van dit wetsvoorstel. De regering vindt dat niet nodig, want splitsing is een puur Nederlandse beslissing. Dat is een buitengewoon vreemde reactie, want over een maand kunnen er – en dat is niet onwaarschijnlijk – heldere aanwijzingen op tafel liggen dat Nederland met zijn absolute voorhoedepositie niet alleen nu een roepende in de woestijn is, maar dat de komende jaren ook zal blijven.

En dan is er het juridische verhaal, zoals dat onder meer is verwoord door prof. Slot. Anderen hebben daar al naar verwezen, zodat ik kort kan zijn. Volgens hem geeft artikel 295 van het EG-verdrag als zodanig voldoende instrumenten om te verzekeren dat bij eventuele overname door buitenlandse bedrijven de Nederlandse netten niet kunnen worden meegenomen, maar hij beargumenteert ook dat een verdergaande implementatie verzwaard getoetst moeten worden en dat het zeer de vraag of de splitsing deze Europees-rechtelijke toets kan doorstaan. Kortom: waarom willen wij zo ver voor de troepen uitlopen? Wat schieten wij daar eigenlijk mee op?

En dan hebben wij de CBL-contracten. Eigenlijk is dat een tamelijk absurd verhaal, zij het met een mogelijk hoog prijskaartje. Als het niet zo treurig was, zou je het komisch kunnen noemen dat een kapitalistische constructie in Europa een rem op privatisering zet. Het is een feit dat het deze Kamer nog niet voldoende duidelijk is dat met de nieuwe overgangsbepalingen de risico's voldoende zijn weggenomen. De Tweede Kamer had te elfder ure een vertrouwelijk overleg nodig om overtuigd te worden. Ik sluit niet uit dat zoiets ook in deze Kamer noodzakelijk is, want tot nu toe heeft de regering de onzekerheid allerminst kunnen wegnemen. Het lijkt mij niet direct van wijs beleid getuigen dat Nederland zich als testcase opwerpt voor Amerikaanse jurisprudentie.

Als laatste ongewisheid is het voor ons de vraag in welke mate dit wetsvoorstel echt een garantie biedt voor een versnelde verduurzaming van de energievoorziening in Europa. Als ik daarvan overtuigd zou zijn, zou ik meteen "ja" zeggen, want volgens mijn partij is de verduurzaming van onze energie het grote politieke probleem van de komende decennia. Daarom moeten wij nu een structuur tot stand brengen die de beste potentie in zich draagt om een versnelling mogelijk te maken in de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Ik denk dat zo'n transitie publieke sturing en aanjaging behoeft. Dat raakt aan de hamvraag van dit debat: hoe kunnen wij de energievoorziening publiek aansturen, controleren en duurzaam veranderen? Ik ben er vooralsnog niet van overtuigd dat splitsing in publieke infrastructuur aan de ene kant en commerciële handel en productie aan de andere kant ons in de beste uitgangspositie brengt om deze versnelde verduurzaming op gang te brengen.

Wat is de conclusie van dit alles? Hoe wegen wij de beoogde voordelen van deze wet af tegen de voorziene problemen? Het is, nogmaals, van groot belang om in politieke zin vast te stellen dat de netten in publieke handen moeten blijven en onafhankelijk moeten worden aangestuurd. Dat betekent ook dat, mochten buitenlandse bedrijven een belang willen nemen in een geïntegreerd energiebedrijf, dit alleen kan als er op dat moment gesplitst wordt. In plaats van de gedwongen splitsing nu, is er dan in feite sprake van zelfgekozen splitsing. Er dient echter vast te staan dat er van de nu nog geïntegreerde bedrijven niets kan worden overgenomen, zonder dat het publieke belang van de netwerkinfrastructuur geborgd is.

Ik denk dat wij er niet aan ontkomen de Nederlandse splitsingswet in een Europees verhaal onder te brengen. Het is heel goed dat Nederland het splitsingsperspectief in Europa boven de markt houdt, maar je kunt je wel degelijk de vraag stellen of het verstandig is, vooruitlopend op wat er elders in Europa gebeurt, om nu in Nederland verder te gaan. De argumentatie daarvoor is in alle fasen van de behandeling zeer dun gebleken. Er moet in Europees verband duidelijkheid komen over een aantal cruciale kwesties.

Hoe is, ten eerste, het toezicht geregeld? Wat is in Europees opzicht eigenlijk aanmerkelijke marktmacht? Hoe wordt er eigenlijk toegezien op die Europese markt en hoe verhouden zich de nationale toezichthouders tot de Europese markt? Nationale toezichthouders moeten toch niet de Europese markt gaan besturen?

Als, ten tweede, splitsing een Europees eindstation is, kan het niet zo zijn dat de landen die daarin vooroplopen als het ware leeggehaald worden door kapitaalintensieve geïntegreerde energiebedrijven die splitsing op de lange baan schuiven. Daar moet een Europese beschermingsconstructie voor komen. Anders slaat het hele beleid nergens op.

Er moet, ten derde, een reëel inzicht komen in het tempo waarin Europa splitsing verplicht stelt. Er moet in ieder geval worden gewacht wat het aangekondigde onderzoek van de Europese Commissie naar de implementatie van de huidige richtlijn oplevert en op de operationele conclusies die de Europese Commissie daaraan verbindt.

Ik zou het graag anders zien, maar dat alles neemt tijd. Dat is ook de reden waarom mijn fractie een kanttekening heeft geplaatst in het eindverslag van de commissie. De tijd kan overigens ook goed gebruikt worden om de zogeheten cross-borderleaserisico's nog nauwgezetter te kunnen inschatten. Collega's hebben daar al de nodige suggesties voor gedaan.

Ondertussen moeten wij ons ook afvragen of de voordelen van de Splitsingswet met betrekking tot het onafhankelijk netbeheer niet toch kunnen worden gerealiseerd. Mij maak je niet wijs dat onder de huidige wettelijke kaders de toegankelijkheid van de netwerken niet geoptimaliseerd kan worden. Dat geldt voor nieuwe toetreders, maar is net zo belangrijk voor het decentraal opwekken van energie. Dat is, zoals gezegd, een van de drijfveren van de verduurzaming van de energiehuishouding. De verspreiding van de nieuwe energiebronnen mag dan ook op geen enkele belemmering stuiten. Het moet toch mogelijk zijn om via ombudsmanachtige constructies of via een strenge mededingingswet elke obstructie van de huidige netbeheerders na te jagen en onmogelijk te maken? Dat moet gegarandeerd kunnen worden zonder dat de Splitsingswet noodzakelijk is.

Ook het toezicht op de kruissubsidiëring door de DTe zal zich verder moeten ontwikkelen. Er zijn al verschillende opmerkingen over gemaakt. De geïntegreerde bedrijven zeggen zelf niet te willen splitsen. Daar staat dan tegenover dat zij op dit punt echt volledige openheid van zaken zullen moeten geven. Dat is niet optimaal, maar wij kunnen het nog steeds optimaliseren.

Onvermijdelijk is ook dat de minister het initiatief neemt om met de geïntegreerde energiebedrijven en hun publieke aandeelhouders aan tafel te gaan zitten. Het onderwerp is het KPN-syndroom, anders gezegd: hoe voorkomen wij dat op basis van een vermogenspositie die bestaat bij de gratie van het bezit van de netwerken, geïntegreerde energiebedrijven onverantwoorde risico's nemen waarvan bij mislukking de rekening bij de aandeelhouders oftewel de Nederlandse overheid wordt gelegd? En wat is eigenlijk publiek aandeelhouderschap? Zijn de provincies daar wel toe in staat?

Vijf jaar geleden wilden de meeste provincies hun aandelen nog cashen. Nu zijn zij daarvan teruggekomen. Wat is in dit opzicht een langetermijnstrategie? Dat lijkt mij genoeg voor een stevig gesprek, waarbij wat ons betreft de versnelling van de verduurzaming ook nog aan de lijst van onderwerpen moet worden toegevoegd.

Om kort te gaan: er is nog huiswerk te doen, door de regering, door de aandeelhouders en door de bedrijven. Daarbij hoeven ze niet opnieuw te beginnen, want de richting is de afgelopen jaren duidelijk geworden. Er zit een slot op de privatisering van de netten en dat is een onomkeerbaar gegeven. Het lijkt mij tegen deze achtergrond van bestuurlijke en politieke wijsheid te getuigen om nu pas op de plaats te maken, wat overigens heel wat anders is dan stil gaan zitten. De winst die hangende de discussie de afgelopen jaren is gemaakt, moet wat ons betreft met de energiesector worden ingeboekt, terwijl met de verschillende publieke aandeelhouders nog eens goed moet worden nagegaan wat nu precies publieke sturing voor hen betekent, wat zij daarmee willen bereiken, vooral op het terrein van de verduurzaming en welke risico's zij daarbij kunnen en mogen nemen. Het gesprek daarover is al begonnen. Ik vrees dat het nieuwe kabinet dit werk zal moeten afmaken.

De heer Ketting (VVD):

De heer Van der Lans noemt een gesprek met de vier bedrijven. Ik heb getracht uiteen te zetten, kennelijk niet helder genoeg, dat het belang van de vier bedrijven natuurlijk groot is, maar niet het volledige belang van de sector en van de klanten weerspiegelt. Hoe denkt hij, als hij wil uitstellen en dus de spelregels van de sector – niet alleen van de vier bedrijven, maar ook van nieuwe toetreders, voor bedrijven die zijn ontstaan, voor grote en kleine bedrijven, belangenorganisaties, financiers et cetera – wil veranderen, hen bij de overwegingen te betrekken? Het is dan toch de verantwoordelijkheid van de wetgever om op een bepaald moment een afweging te maken? Die kan toch aangeven dat hij op basis van een politieke of andere overtuiging een balans in het wetsvoorstel ziet? Het is een goede wet of het is geen goede wet. Maar er is nu jarenlang gediscussieerd, er is flink getamboereerd en alle argumenten zijn op tafel gelegd, dus welke toegevoegde waarde zou uitstel kunnen opleveren? Zelfs de bedrijven hebben er bij mij op aangedrongen, nu toch eens een besluit te nemen. Ik denk dat het ook heel prudent is om dit nu te doen.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Wij hebben veel woorden nodig om te proberen, elkaar iets duidelijk te maken, maar het is toch niet helemaal gelukt. Ik kan als voorbeeld de Europese dimensie noemen, een probleem dat niet opgelost is. U kunt zeggen dat deze dimensie niet belangrijk is, maar ik vind dit in de context van de Noordwest-Europese energiemarkt een ongewisse factor. Ik zie nog niet echt een reden waarom Nederland voorop zou moeten lopen, ik zie hier risico's in. Zolang er risico's zijn, vind ik een gesprek met de energiesector helemaal niet zo vreemd. En dan gaat het natuurlijk niet alleen om de vier geïntegreerde bedrijven, ik kan me voorstellen dat er voor deze vraagstukken een nationaal convenant tot stand wordt gebracht dat een aantal langetermijnperspectieven mogelijk maakt, ook op het terrein van verduurzaming. Ik zou bijna zeggen: dat zou een typisch Nederlandse oplossing zijn, een beetje polderen, een beetje convenanten maken en de goede kant op gaan. Lijkt mij geweldig, morgen beginnen! Trouwens, laat ik mij correct uitdrukken, de minister is er al mee begonnen. Laat hem zijn werk afmaken!

De heer Ketting (VVD):

Dan wordt u een meesterpolderaar. Als ik het goed begrijp, wilt u een convenantachtige constructie met vier elektriciteitsbedrijven.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

En alle andere bedrijven.

De heer Ketting (VVD):

Goed, met alle andere bedrijven, met de belangenorganisaties en met een interactieve discussie met de Europese Commissie. Maar ik dacht dat wij voor zo'n afweging nu juist een parlement hadden. De Tweede Kamer heeft allerlei hoorzittingen gehouden, zij heeft een afweging gemaakt en zij heeft op een gegeven moment een besluit genomen. Eenieder heeft hiervan kennis kunnen nemen, het is allemaal in dikke boeken opgeschreven. Natuurlijk weten wij niet wat er in de toekomst verscholen ligt, maar wij weten wel dat er op een gegeven moment in dit huis een besluit moet worden genomen, vóór of tegen. Een moesjawara met tientallen, duizenden of misschien wel miljoenen mensen helpt dan toch niets?

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Wij hebben toch een zeer lange geschiedenis van twee processen tegelijkertijd, namelijk het overleg tussen de sociale partners of belangrijke partners in het veld aan de ene kant en de politiek aan de andere kant? Deze twee dingen zijn toch niet strijdig met elkaar, ze kunnen elkaar toch in een voortdurende interactie verrijken? Ik zou zeggen: daarmee is de Nederlandse geschiedenis, de Nederlandse polder groot geworden. Ik ben niet de grootste fan van het poldermodel, maar op dit onderdeel toevallig wel, gelet op de Europese context en de onduidelijkheid.

De heer Ketting (VVD):

Nu lopen er twee dingen door elkaar. Laten wij ons even beperken tot het Nederlandse poldertje. U heeft heel duidelijk aangegeven dat u wilt dat de minister met de sector gaat praten. Ik heb aangegeven dat u dan een blik met wormen opentrekt, omdat er dan nog heel wat andere partijen zijn die daar ten minste evenveel belang bij hebben. Waartoe moet dit dan leiden? Moet er een soort nieuwe grondwet voor de elektriciteitssector worden gemaakt? Wie wordt er door wie gemachtigd? Hoe stelt u zich dit in de praktijk voor? Er ontstaat dan toch alleen maar een kakofonie, waarbij de een naar links en de ander naar rechts wil? Op een gegeven moment moet er toch een besluit genomen worden, en wel hier.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Ik denk dat er onderwerpen genoeg zijn die besproken kunnen worden. Heel veel bedrijven zullen wel over de toegang tot het net en over onafhankelijk netbeheer willen praten, althans netbeheer dat niet op belemmeringen stuit. Het is heel goed om daar goede afspraken over te maken, de wettelijke mogelijkheden daarvoor in kaart te brengen en stipte afspraken te maken over het onmiddellijk aanpakken van overtredingen. Ook de verduurzaming lijkt mij een fantastisch onderwerp; u bent zelf een groot voorstander van versnelling van de verduurzaming. Ik kan ook nog de kruisbestuiving noemen, waarmee wij veel verder kunnen gaan. Misschien moet de minister mij maar inhuren.

De heer Ketting (VVD):

Ik wil nog één duidelijke vraag stellen aan de heer Van der Lans. Stel dat hij "overeenstemming" heeft met al die partijen. Hoe is dat afdwingbaar en hoe is dat handhaafbaar? Hoe kan hij garanderen dat ook werkelijk gebeurt wat is afgesproken? Welk instrumentarium wil hij daarvoor ontwerpen?

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Dat lijkt mij interessant, want dan komt de rol van het parlement in zicht. Dat gaan wij dan sanctioneren, met wetgeving en dergelijke. Dat is het spel. Ik zie dus het probleem niet.

De heer Schouw (D66):

Ik val de heer Ketting bij op een ander punt. Ik voorvoel een beetje dat een aantal fracties om hen moverende redenen de besluitvorming rondom dit wetsvoorstel willen uitstellen. Het punt van de heer Ketting, waarin ik hem van harte steun, is dat wij niet voor niets een parlement hebben. Dat dient gewoon een beslissing te nemen. Wij moeten ons niet verschuilen achter van alles en nog wat. Aan het eind van het debat bent u voor of tegen het wetsvoorstel. Wij zullen in welke richting dan ook geen motie steunen om iets uit te stellen. Er is lang genoeg over gepraat. Wij kennen alle voors en tegens. U bent ook in staat om die te wegen. Ik roep de heer Van der Lans, die ik ken als een karakterpersoon, op om zich niet te laten gebruiken door de fracties die op dat punt gewoon twijfelen.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Het is de heer Schouw misschien ontgaan, maar ik twijfel ook. Daar sluit ik mij dan nauw bij aan. Verder ken ik D66 als een partij die de interactie met de samenleving hoog in het vaandel heeft staan. Ik vind het dus een beetje raar dat het tot de onmogelijkheden zou behoren op het moment dat dit aan de orde kan zijn en tot verheldering kan leiden bij een aantal wezenlijke problemen die deze wet niet oplost.

De heer Schouw (D66):

Dit is een betrekkelijk goedkope argumentatie. Dat ben ik niet van u gewend. U kent het voortraject van dit wetsvoorstel. Dat duurt al jaren. U hebt in de commissie tot in den treure de kans gehad om over van alles en nog wat te praten. U loopt gewoon weg voor uw verantwoordelijkheid.

De heer Van der Lans (GroenLinks):

Dat is niet waar, mijnheer Schouw. Ik kan u precies vertellen op welk moment ik heb gezegd dat er een Europees onderzoek komt. Uit dat Europese onderzoek zijn heel belangrijke conclusies te trekken die zeer van belang zijn voor een precies oordeel over de context van deze wet. Ik wilde daarop wachten, maar andere commissieleden hebben het mij onmogelijk gemaakt om daarop te wachten. Ik vind het relevante informatie. Als ik een fatsoenlijk besluit wil nemen over deze wet, moet ik die informatie hebben. Die heb ik nu niet. Een gedachte om nu pas op de plaats te maken, vind ik dan helemaal niet zo vreemd. Het zou wel van wijs beleid kunnen getuigen.

De heer Van den Berg (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik voer het woord namens de SGP en de ChristenUnie.

Voor twee energiemarkten is de Europese integratie een uitdaging, te weten voor gas en elektriciteit. Vanwege het grote belang van deze energiebronnen hebben de lidstaten van de Europese Gemeenschap ervoor gekozen deze sector in sterke mate te reguleren, veelal door gas- en elektriciteitsbedrijven als overheidsbedrijven in te richten. Zo was het. Deze bevoorrechte positie van nutsbedrijven staat al een behoorlijk aantal jaren ter discussie. In het kader van de opening van de binnengrenzen van de EG na "1992" wordt er door de Europese Commissie hard gewerkt om deze protectionistische marktstructuur te doorbreken. Er bestaat de indruk dat de ondernemingen in deze bedrijfstak niet voldoende efficiënt functioneren en dat hun tarieven zodanig hoog zijn dat sprake is van ongewenste winstneming. Om het prestatievermogen van gas- en elektriciteitsbedrijven te stimuleren is ervoor gekozen om meer concurrentie tussen deze nutsbedrijven mogelijk te maken. Technisch is dit mogelijk door het Europese leidingnetwerk voor gas en elektriciteit beter toegankelijk te maken voor verschillende groepen van afnemers.

Vervolgens zien wij dat de internationalisering van de nationale energiemarkten een logisch gevolg is van de opening van de binnengrenzen. Opening van de energiemarkt betekent vestigingsvrijheid van gas- en elektriciteitsbedrijven binnen de lidstaten van de EU. Ook bij dit wetsvoorstel wordt ervan uitgegaan dat de trend in Europa van fusies en concentraties in de energiewereld goed is. De markt kan dan zijn werk doen. Nederlandse energiebedrijven zullen in de visie van het kabinet deel gaan uitmaken van internationale ondernemingen die met elkaar concurreren op verschillende markten binnen Europa. Dit zal leiden tot bevordering van de efficiency, hetgeen van belang is voor de prijsvorming. Teneinde concurrentie tussen energieproducenten te realiseren, wordt de verticale desintegratie van gas- en elektriciteitsbedrijven bevorderd. Dit houdt in dat productie, transport en distributie van energie in beginsel onafhankelijk van elkaar worden geëxploiteerd.

Bij de beoordeling van dit wetsvoorstel merken wij allereerst op dat marktwerking voor onze fracties nooit een doel op zichzelf is. Uiteindelijk moet de totale samenleving erop vooruitgaan. Hierbij tekenen wij aan dat energie op fundamentele punten afwijkt van doorsnee-marktproducten. Allereerst vormt energie een maatschappelijk goed dat van vitale betekenis voor de samenleving is. Het is een belangrijke levensbehoefte. Voorzieningszekerheid vinden onze fracties dan ook van grote betekenis. Wij vragen de minister hoe hij deze voorzieningszekerheid toereikend kan waarborgen in een stelsel van marktwerking. Daarnaast spelen bij energie veelal zeer grote kapitaalintensieve projecten die alleen zullen worden gerealiseerd indien de investeerder voldoende zekerheid aanwezig acht. Bepaalde voorzieningen zullen anders niet doorgaan. Voor gas en elektriciteit komt hierbij nog het leidinggebonden karakter en het daarmee samenhangende gegeven dat opslag slechts zeer beperkt mogelijk is. Om de zojuist genoemde aspecten tot hun recht te laten komen, is een goed gedefinieerd energiebeleid nodig, zo vinden onze fracties. Dit wetsvoorstel biedt in dit kader onvoldoende inzicht. Waarheen zal de nieuwe vormgeving leiden? Wat is het eindbeeld? Welk voordeel kan Nederland verwachten van een open energiemarkt?

Het wetsvoorstel beoogt splitsing. Of dat een goede oplossing van de bestaande problemen is, is voor ons de vraag. Nog niet zo lang geleden zijn wij overgegaan tot een juridische splitsing. Kan de minister helder aangeven waarom deze vorm van splitsing onvoldoende is? Wat zijn de knelpunten waarmee hij is geconfronteerd? Een belangrijk argument is dat het concurrentiemechanisme ongewenste kruissubsidiëring tegengaat. Natuurlijk zijn wij het met de minister eens dat dit zoveel mogelijk moet worden voorkomen, maar om die reden is indertijd juist gekozen voor juridische splitsing.

Ik kom op een aantal specifieke onderwerpen, allereerst een onafhankelijk en betrouwbaar netwerkbeheer. Op de pagina's 1 en 2 van de nadere memorie van antwoord schrijft de minister dat het doel van de afsplitsing van netbeheer een middel tot een doel is, namelijk het verzekeren van een betaalbare en betrouwbare Nederlandse energievoorziening door borging van een onafhankelijk publiek netbeheer. Op pagina 2 schrijft hij dat splitsing noodzakelijk is om te voorkomen dat financiële middelen uit netbeheer elders binnen een geïntegreerd concern worden ingezet. Dat zou kruissubsidiëring of kruisbelasting inhouden. Splitsing zou transparante besluitvorming bevorderen rond de middelen uit de netten. Op pagina 3 stelt de minister dat na splitsing en het onderbrengen van de hoogspan­ningsnetten bij TenneT onderinvestering onmogelijk is. Een publieke en onafhankelijke netbeheerder zou zich moeten laten leiden door het algemeen belang en niet door commerciële belangen, zoals winstmaximalisatie of het bevoordelen van bepaalde marktpartijen bij de toegang tot het net. In zoverre draagt een publieke netbeheerder bij aan de borging van een voor burgers en bedrijven betaalbare en betrouwbare energievoorziening.

De praktijk lijkt evenwel weerbarstiger te zijn. Zo zou een publieke netbeheerder ook een bijdrage moeten leveren aan het waarborgen van een betrouwbare energievoorziening voor Nederlandse burgers en bedrijven. Dit lijkt niet op te gaan voor de landelijke beheerder van het gastransportnet (Gasunie Transport Services, afgekort GTS). GTS heeft met de minister als ambitie van Nederland een zogeheten "gasrotonde" te maken. Deze ambitie brengt met zich mee dat GTS bij de uitvoering van zijn werkzaamheden transitgasstromen niet wenst te belemmeren, zelfs als dit betekent dat de Nederlandse burger niet langer van gastransport en daarmee van gas verzekerd is. GTS heeft naar wij inmiddels hebben begrepen een kort geding aangespannen tegen de NMa met als doel te voorkomen dat zij op last van de NMa voorzieningen moet treffen die de transportzekerheid voor binnenlandse gasverbruikers, zowel burgers als bedrijven, moeten waarborgen. Een publieke netbeheerder is klaarblijkelijk geen waarborg voor een betrouwbare energievoorziening voor burgers en bedrijven! Hoe verhoudt deze gang van zaken zich tot de uitspraak van de minister dat een publieke, onafhankelijke netbeheerder, zoals GTS, een betrouwbare energievoorziening voor burgers en bedrijven verzekert? Welke positie neemt de minister in jegens enerzijds de NMa, die voorzieningen in verband met de transportzekerheid van burgers en bedrijven aan GTS wil opleggen, en anderzijds GTS die klaarblijkelijk haar internationale ambitie laat prevaleren boven een betrouwbare energievoorziening van burgers en bedrijven?

In de toelichting spreekt de minister over een "betaalbare energievoorziening" voor burgers en bedrijven. Wat moet in dit verband onder een "betaalbare" energievoorziening voor burgers en bedrijven worden verstaan? Doelt de minister op kostenoriëntatie? Hoe wordt bepaald wat onder "kosten" wordt verstaan? Hoe wordt verzekerd dat de burger niet te veel betaalt? Een betaalbare energievoorziening wordt afgezet tegen een betrouwbare energievoorziening. Hoe verhouden deze zaken zich tot elkaar? Wordt bij de bepaling van de nettarieven rekening gehouden met investeringen in het net? Als dit zo mocht zijn, hoe wordt dan verzekerd dat het deel van de door burgers en bedrijven betaalde nettarieven bestemd voor investeringen in de netten door de netbeheerder ook daadwerkelijk wordt aangewend voor het doen van investeringen in de netten?

De minister heeft verschillende wettelijke instrumenten om een betrouwbaar net af te dwingen. Zo kan hij onder meer bestuursdwang toepassen, indien naar zijn oordeel noodzakelijke netinvesteringen uitblijven. Verwezen wordt naar de artikelen 22 Elektriciteitswet 1998 en 9 Gaswet. Kan de minister nader aangeven wanneer het moment is bereikt wanneer deze instrumenten zullen worden ingezet? Is de minister bereid omwille van de rechtszekerheid van de energiebedrijven en afnemers deze criteria in een beleidsregel nader uit te werken?

De minister merkt in de toelichting op het wetsvoorstel op dat er "signalen" zijn waaruit zou blijken dat sprake is van onvoldoende investeringen in de netten met als gevolg desintegratie van de netten en een verminderde betrouwbaarheid. Een analyse van TenneT zou het beeld bevestigen dat sprake is van achterstallig onderhoud. Kan de minister nader duiden wat het door TenneT bevestigde beeld precies inhoudt en wat de door de minister verkregen "signalen" precies zijn?

De uitspraken van de minister dat sprake zou zijn van achterstallig onderhoud impliceren dat inkomsten uit nettarieven niet zijn gebruikt voor investeringen in netten, maar dat deze inkomsten door de netbeheerder als winstuitkering zijn uitgekeerd aan de holding van het energiebedrijf. Is dit een juiste constatering? Wordt deze praktijk in de toekomst met dit wetsvoorstel voorkomen? Erkent de minister eigenlijk met het indienen van dit wetsvoorstel dat burgers en bedrijven in het verleden te veel aan nettarieven hebben betaald? Zo ja, welke omissie in de bestaande wettelijke regeling inzake tariefregulering heeft het mogelijk gemaakt dat gelden, bestemd voor netinvestering als winstuitkeringen hun weg naar de holding van het energiebedrijf hebben gevonden? Is de minister bereid de wetgeving op korte termijn, bijvoorbeeld in het kader van de evaluatie van de Elektriciteits- en Gaswet, zodanig aan te passen dat inkomsten uit nettarieven bestemd voor netinvesteringen ook daadwerkelijk voor netinvesteringen worden gebruikt?

Vervolgens wil ik nog iets zeggen over het functioneren van het toezicht. Op de pagina's 1 en 2 van de memorie zegt de minister onder verwijzing naar brieven van de DTe, dat "Voor de toezichthouder ... het in de praktijk vrijwel ondoenlijk (is) mogelijke kruissubsidiëring of kruisbelasting tussen onderdelen van geïntegreerde energiebedrijven onweerlegbaar bloot te leggen, ongeacht omvang van de personele bezetting of beschikbare middelen." Op pagina 6 van de memorie stelt de minister: "Als gevolg van de huidige geïntegreerde structuur en de afwezigheid van structurele onafhankelijkheid van de netwerken is toezicht evenwel buitengewoon ingewikkeld en zeer arbeidsintensief. (...) Het lopende onderzoek naar de winsten van de energiebedrijven onderstreept nogmaals de nadelen daarvan." En op pagina 9 van de memorie geeft de minister aan: "Zoals reeds eerder is vermeld, heeft de DTe aangegeven dat toezicht houden op de onafhankelijkheid van het netbeheer binnen geïntegreerde concerns erg lastig is." Op pagina 10 van de memorie concludeert de minister: "Slechts door tijdrovend en diepgravend onderzoek, waarvoor gespecialiseerde kennis noodzakelijk is, dat met een zekere regelmaat moet worden herhaald en ertoe leidt dat de energiebedrijven geconfronteerd worden met een zware toezichtlast, is het mogelijk betrouwbaarder inzicht te krijgen in de vraag of er sprake is van bevoordeling vanuit netbeheer van de concernonderdelen die op de vrije markt opereren." Bij indiening van het wetsvoorstel was de minister nog een andere mening toegedaan. Zo stelde hij het volgende in de memorie van toelichting op pagina 21: "De DTe ziet er op toe dat de netbeheerders zich aan de wet houden en beschikt over het noodzakelijke handhavinginstrumentarium om overtreding van de wet adequaat te sanctioneren." Dan begrijpen wij het niet meer, zo'n geweldige tegenstelling. Ik hoop dat de minister er in zijn beantwoording uitgebreid op zal ingaan.

Op diverse plaatsen trekt de minister de onafhankelijkheid van de huidige netbeheerders in twijfel. Zo stelt hij in de toelichting dat volgens de DTe tijdens audits is geconstateerd dat de vertrouwelijkheid van commerciële gegevens door netbeheerders onvoldoende is gewaarborgd. Ook is geconstateerd dat de interne verrekenprijzen bij een aantal netbeheerders onvoldoende waren onderbouwd. Tevens was geen sprake van een adequate controlecyclus voor de uitbesteding van wettelijke taken, waardoor de wettelijke verantwoordelijkheid van de netbeheerder voor de uitvoering daarvan niet kon worden waargemaakt. Deze constateringen zijn opmerkelijk. Immers, de DTe is reeds sinds 1998 belast met het toezicht op de naleving van de Elektriciteitswet 1998 en sinds 2000 op de naleving van de Gaswet. Hoe kan het dat deze misstanden pas op dit moment voor het eerst zichtbaar worden? Was er voorheen geen onderzoek gedaan naar deze praktijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren dan de uitkomsten van deze eerdere onderzoeken? Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat de door de minister genoemde kwalijke inbreuken op de wet zich pas recentelijk zouden hebben voorgedaan. Welke conclusies kunnen in dit verband over het functioneren van de toezichthouder worden getrokken? Voor een goede uitvoering van zijn wettelijke taken is de toezichthouder toch in belangrijke mate afhankelijk van de informatie van de netbeheerders? In dit verband kan worden gedacht aan de vaststelling van codes (tariefstructuren en technische voorwaarden) en informatie over de betrouwbaarheid van de netten. Kan het zo zijn dat de toezichthouder te dicht bij de netbeheerders is komen te staan en daardoor onvoldoende kritisch naar het functioneren van de netbeheerders heeft gekeken? De toezichthouder dient voldoende afstand tot de netbeheerders te hebben en te houden. Welke maatregelen kan en zal de minister nemen als blijkt dat de toezichthouder onvoldoende afstand heeft tot de energiebedrijven?

Ik kom nu te spreken over de bescherming van kleine spelers en afnemers in oligopolistische markt. In de memorie van antwoord stelt de minister onder het kopje Belang afnemer: "De afnemer profiteert van een markt die werkt. Dit wetsvoorstel stimuleert de marktwerking." Vervolgens lezen wij op pagina 13: "De consolidatie op de Europese energiemarkt is zowel onvermijdelijk als noodzakelijk." En even verderop: "De consolidatie zal naar verwachting leiden tot een markt waarop een beperkt aantal grote aanbieders actief zal zijn met belangen in de hele keten van winning of productie tot levering, naast een groter aantal kleine ondernemingen die zich richten op één of enkele schakels in de keten." Als voorwaarden voor een "voldoende mate van mededinging op de voor Nederland relevante energiemarkt" verwijst de minister naar een onafhankelijke infrastructuur, een goede regulering, een transparante en open markt en een scherp mededingingstoezicht. Wat dat laatste betreft, schrijft de minister: "De Nederlandse en Europese mededingingsautoriteiten zullen daarbij waken over de concurrentie op de markt in ontwikkeling. Ze doen dat met behulp van het beproefde mededingingsinstrumentarium, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de energiemarkt. Ik heb daarin het volste vertrouwen."

Terecht benadrukt de minister in de nadere memorie de noodzaak en wenselijkheid van grote kapitaalkrachtige energiebedrijven met een grote inkoopmacht op de Europese en zelfs internationale energiemarkt. In toenemende mate zal energie uit verafgelegen en in een aantal gevallen instabiele regio's moeten worden betrokken. Hierbij kan worden gedacht aan landen zoals Rusland en aan landen in het Midden-Oosten en noordelijk Afrika. Daarnaast brengt het kapitaalintensieve karakter van de energiesector, waarbij kan worden gedacht aan de hoge kosten voor de bouw van elektriciteitscentrales en netwerken, een ontwikkeling naar grote, kapitaalkrachtige energiebedrijven met zich. Grote energiebedrijven met het noodzakelijke kapitaal en inkoopmacht op de Europese en internationale energiemarkt zijn noodzakelijk en wenselijk. Deze grote energiebedrijven hebben evenwel ook een keerzijde. Een grote inkoopmacht gaat veelal ook gepaard met een grote economische machtspositie op de Europese of nationale energiemarkten. Het gevaar bestaat dat deze grote energiebedrijven hun marktmacht gebruiken om kleinere, concurrerende bedrijven – in eerste instantie nieuwkomers, maar op termijn ook grote reeds gevestigde nationale bedrijven als Essent en NUON – van de markt te drukken.

De minister onderkent in de nadere memorie dit gevaar. Naar zijn mening volstaat het instrumentarium van de huidige Europese en nationale mededingingswetgeving. De effectiviteit van dit instrumentarium ter bescherming van de kleinere energiebedrijven betwijfelen onze fracties. Procedures op grond van de algemene mededingingswetgeving duren erg lang, zijn erg kostbaar en kennen een zeer onvoorspelbare uitkomst. Daar komt bij dat deze wetgeving is gericht op bestrijding van misbruik van monopolies en kartels, maar niet is afgestemd op de bijzondere kenmerken van een energiemarkt met een oligopolistische marktstructuur.

In dit verband wordt overigens opgemerkt dat de regering inmiddels zelf in verschillende rapporten de noodzaak van sectorspecifieke wetgeving voor netwerksectoren als de energiesector, heeft onderschreven. Ik herinner aan het rapport "Zicht op toezicht". Teneinde te verzekeren dat sprake zal zijn van eerlijke concurrentieverhoudingen tussen grote en kleine(re) energiebedrijven op de nationale energiemarkt is het noodzakelijk te komen tot sectorspecifieke regels waarbij op voorhand normen worden vastgesteld die misbruik van economische machtsposities en marktondermijnende praktijken voorkomen. De Europees commissaris voor mededinging, mevrouw Kroes, heeft laten weten dat zij uitbreiding en versterking van het mededingingsinstrumentarium noodzakelijk acht. Deelt de minister haar mening?

Het is tevens van belang dat het ontstaan van grote, kapitaalkrachtige energiebedrijven geen belemmeringen opwerpt voor het ontstaan van een zogeheten secundaire markt. Kleinere bedrijven die niet zelf in staat zijn energie te betrekken uit ver weg gelegen gebieden, zullen hun toevlucht moeten zoeken tot energieproducten die worden aangeboden op de secundaire markt. Grote kapitaalkrachtige energiebedrijven kunnen er belang bij hebben, de ontwikkeling van deze secundaire markten te belemmeren. Dit kunnen deze grote bedrijven eenvoudig doen door te weigeren de door hen ingekochte energieproducten te verkopen. Illustratief is de opstelling van Gas Terra, dat tot op heden afziet van het aanbieden van substantiële hoeveelheden gas op de gasbeurs. Deze opstelling van Gas Terra is een serieuze belemmering voor handel op de beurs en daarmee voor het ontstaan van een secundaire markt. Ook overeenkomsten die een verbod tot doorverkoop van gas inhouden of die bepaalde clausules bevatten, zijn instrumenten die de grote, kapitaalkrachtige energiebedrijven ter beschikking staan om de ontwikkeling van een secundaire markt te voorkomen.

Er is een groot aantal vragen gesteld aan de minister, maar hij heeft nog een hele nacht te gaan. Ik ga afronden. Er is stevig gediscussieerd door collega's over de CBL-contracten en ik haak daar even bij aan. De minister is van mening dat er wel risico's bestaan, maar dat deze minimaal zijn. Deskundigen echter – ook niet de eerste de beste, waarmee ik niets ten nadele van de minister wil zeggen – beweren het tegendeel. Onze fracties hanteren altijd als uitgangspunt: bij twijfel niet inhalen. Daarom bestaan wij nog als ChristenUnie en SGP. Wij vrezen enorme schadeclaims. Waar zitten de zwakke of onzekere factoren, zo vragen wij de minister. Vervolgens vragen we aandacht voor de juridische risico's, waar de collega's ook over hebben gesproken. Daar kan ik dus kort over zijn. Hoe wij het ook wenden of keren, het wetsvoorstel brengt inbreuken mee op het vrije verkeer van kapitaal. Waarom zijn deze inbreuken gerechtvaardigd, willen wij dan van de minister weten.

Ten slotte is er nog steeds de vraag waarom het kabinet het nodig vindt om met een wetsvoorstel te komen dat niet alleen ingrijpend is, maar ook verder gaat dan de Europese richtlijn. De minister zal dit ongetwijfeld duidelijk uiteenzetten en ook al onze andere vragen grondig beantwoorden.

De beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 22.04 uur

Naar boven