Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2000-2001nr. VV, pagina 15-27

Aan de orde is de behandeling van:

het voorstel van (rijks)wet Het verlenen van toestemming aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg om een huwelijk aan te gaan met Máxima Zorreguieta (9, R1684).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Melkert (PvdA):

Mijnheer de voorzitter. De democratische staat is in de verschijningsvorm van zijn instituties uitdrukking van de algemene opvatting van de staatsburgers. De vorm en beleving van de democratie zijn een product van strijd, traditie en evolutie. Geschiedenis en actualiteit vloeien samen in de wijze waarop steeds opnieuw staatsrecht wordt geschreven en herschreven. Het is een teken van worteling en kracht als het mogelijk blijkt om de enorme veranderingen die zich in het dagelijks leven voltrekken, te verzoenen met feiten en gebruiken die voortkomen uit de cruciale momenten die de oorsprong van de Nederlandse Staat hebben bepaald.

De ontworsteling aan de Spaanse dwingelandij, de Franse overheersing en de Duitse bezetting waren steeds ten nauwste verbonden met de bindende rol van het Huis van Oranje als symbool van eenheid en onafhankelijkheid. De Grondwet van 1848 heeft de grondslag gelegd voor de erkenning van het primaat van de democratie zonder hiermee de wortels van de staatsevolutie door te snijden. Daarmee houdt onvermijdelijk verband dat voortdurend aandacht en soms ook kritische aandacht wordt gegeven aan de voorwaarden waaronder het koningschap fungeert.

De natuurlijke spanning tussen erfopvolging en democratie is ondervangen in een steeds weer blijkend breed maatschappelijk draagvlak voor de plaats van het koningschap, dat zich met de tijd aanpast en vernieuwt onder ministeriele verantwoordelijkheid. Dat draagvlak is er, omdat mensen voelen dat maatschappelijke voorspoed gediend is bij overeenstemming over de fundamenten van onze gemeenschappelijke orde en dat daarin de plaats van het Koninklijk Huis symbool staat voor vrijheid in verbondenheid. Dat maakt 2 februari 2002 een nieuw moment van bevestiging van de vitaliteit van ons staatsbestel.

De Partij van de Arbeid wil haar verantwoordelijkheid nemen voor de aanvaarding van de voorgelegde toestemmingswet. Enkele leden van mijn fractie zijn tot een andere afweging gekomen. Ik wil in het navolgende toelichten door welke overwegingen wij zijn geleid.

De voorbereiding heeft veel discussie en emotie teweeggebracht. De bijzondere wijze waarop het voornemen tot het indienen van de voorliggende toestemmingswet moest worden aangekondigd, onderstreept dat permanente aandacht nodig is voor het noodzakelijke evenwicht om het wezen van het koningschap naar algemeen aanvaarde maatstaven te dienen. Ook in de toekomst zal dit niet anders zijn. Met de steeds verdergaande integratie binnen de Europese Unie weegt ook de opgave zwaarder om het uniek Nederlandse van onze staatsvorm in deze ontwikkeling te verankeren. Juist om vertrouwen te vestigen in de weg naar die nog onbekende toekomst is het van groot belang om de waarden uit de gezamenlijke geschiedenis die in onze instellingen zijn belichaamd, recht te blijven doen.

De regering heeft er blijk van gegeven het noodzakelijk evenwicht tussen het staatsbelang en de persoonlijke kanten verbonden aan het huwelijksvoornemen op juiste waarde te schatten. Het debat in de Tweede Kamer op 5 april jl. heeft opheldering verschaft over alle hoofdzaken die van belang waren om te kunnen beoordelen of uiteindelijk het brede draagvlak voor de toestemming verworven zou kunnen worden dat aansluit bij de tradities en vereisten. De uitkomst van dat debat heeft hierover geen twijfel laten bestaan, met inachtneming van de ruimte voor een uiteindelijke individuele afweging door ieder van de leden. Door allen is diepgaand en vaak in grote emotionele beleving gesproken over de plotselinge hernieuwde confrontatie met het ook door veel Argentijnen nog niet verwerkte verleden. Daarin zijn ook de waarden opnieuw bevestigd die ons het diepst raken: de overtuiging dat democratie en mensenrechten boven alles gaan en dat er geen gescheiden werelden bestaan.

In het waardevolle en waardige debat op 5 april is tussen regering en Kamer de overeenstemming bereikt die nu het kader voor aanvaarding van de toestemmingwet bepaalt. In verband hiermee is te begrijpen dat de regering nu niets meer toe te voegen acht aan hetgeen op 5 april is geantwoord over in de toekomst gelegen momenten waarop de kwestie van aanwezigheid van de heer Zorreguieta actueel zou kunnen zijn. Mijn fractie beschouwt dat als een bevestiging van de mededelingen die toen zijn gedaan. Voorop blijft staan dat een kind niet met de verantwoordelijkheid voor de daden of opvattingen van zijn of haar ouders mag worden belast. Daarom kan de toestemming worden verleend in het vertrouwen dat de wijsheid die door alle direct betrokkenen in maart is opgebracht ook voor de toekomst zal gelden.

Sta mij toe nog in te gaan op een tweetal aspecten die meer het dagelijks leven raken. Het eerste betreft de vraag die voor iedereen telt: hoe word je genoemd? De regering heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt door de staatsrechtelijke redenering los te willen koppelen van het gevoel hoe de praktijk haar eigen weg wijst. Op de redenering dat de titel "Prins van Oranje" of "Prinses van Oranje" toekomt aan de vermoedelijke troonopvolger, valt niets af te dingen. De aanspreektitel van de echtgenoot of echtgenote behoeft dan niet per se een andere te zijn. Wat ons betreft, mag Máxima na het huwelijk als Prinses van Oranje worden aangesproken, volgens het algemeen geldende maatschappelijk gebruik. De PvdA-fractie is ook van mening dat hetzelfde gebruik van toepassing mag zijn op het moment van troonopvolging door de kroonprins: dan zal zijn echtgenote worden aangesproken als koningin Máxima.

Het tweede aspect betreft de inburgering. Dat is iets om even bij stil te staan in een samenleving die nog te vaak zichtbaar worstelt met haar multiculturele samenstelling. Een familielijn van Spanje naar Latijns-Amerika en nu weer terug naar Europa voegt zich bij de waarlijk internationale stamboom van het Huis van Oranje. De eerste ervaringen in de afgelopen tijd geven alle aanleiding om te kunnen vertrouwen op een snelle en overtuigde inburgering van Máxima in onze samenleving. Het is begrijpelijk dat de op zichzelf correcte wijze waarop in dit geval de wet is toegepast, tot reacties heeft geleid, omdat veel mensen nogal eens tegen onnodige problemen oplopen als het gaat om inburgering en naturalisatie. Laat daarom het warme welkom aan Máxima een aansporing zijn om vanuit dezelfde gezindheid eenieder in onze kring op te nemen die aanspraak kan maken op burgerschap in Nederland.

Ten slotte is mijn fractie van mening dat met de keuze van Amsterdam voor de huwelijksvoltrekking de vanzelfsprekende keuze is gedaan die past bij de positie van de hoofdstad. De Partij van de Arbeid wenst kroonprins Willem-Alexander en Máxima wijsheid in zaken van openbaar belang en veel persoonlijk geluk toe.

De heer Dijkstal (VVD):

Voorzitter. Op 5 april jl. vond het debat in de Tweede Kamer plaats over de brief van de regering naar aanleiding van de verloving van Prins Willem-Alexander en mevrouw Máxima Zorreguieta. Namens de leden van de VVD-fractie in de Tweede Kamer heb ik hen beiden toen gelukgewenst met hun verloving en derhalve met hun voornemen om in het huwelijk te treden. Vandaag heb ik de eer en het genoegen om namens de VVD-fractie in de Verenigde vergadering die gelukwensen te herhalen én onze vreugde uit te spreken over het kennelijke voornemen van de Prins van Oranje om in aanmerking te blijven komen voor de troonopvolging. Dat vloeit immers vandaag zichtbaar voort uit de behandeling van de toestemmingswet in de Verenigde vergadering.

De wetstekst, de toelichting en het gevoerde schriftelijke overleg geven de leden van de VVD-fractie geen aanleiding tot enig bezwaar. Derhalve kan ik mededelen dat wij eensgezind en met overtuiging voor het wetsvoorstel zullen stemmen.

Naar het oordeel van de VVD-fractie staat een modern koningshuis midden in de samenleving en ontleent het zijn betekenis mede aan die situering. Ons land mag zich gelukkig prijzen dat dit zeker geldt voor het Huis van Oranje. Dat mag ook uitdrukkelijk een verdienste worden genoemd van onze huidige koningin Beatrix. Ik wil daar gaarne vandaag aan toevoegen dat de VVD-fractie ook in dit opzicht er veel vertrouwen in heeft dat de Prins van Oranje daartoe bij een eventuele troonsopvolging evenzeer in staat is.

De vraag dient echter wel gesteld te worden welke inhoud moet worden gegeven aan het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid zoals dat in onze parlementaire democratie en constitutionele monarchie in de Grondwet verankerd is. Wordt van de leden van het Koninklijk Huis immers niet verwacht dat zij zich vrij kunnen en willen bewegen in de samenleving, mede om aldus uiting te geven aan hun betrokkenheid bij de samenleving? Hebben zij volgens de moderne opvattingen ook niet recht op privacy? Dat zou ervoor pleiten om aan de ministeriële verantwoordelijkheid een beperkte invulling te geven.

Tevens is de vraag aan de orde welke personen van de koninklijke familie tot het Koninklijk Huis moeten worden gerekend en tot wie de ministeriële verantwoordelijkheid zich zou moeten uitstrekken. De regering is voornemens om daarop in te gaan bij gelegenheid van de voorgenomen wijziging van de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis. Het lijkt de VVD-fractie beter om de gedachtewisseling over de ministeriële verantwoordelijkheid in dat kader te doen plaatshebben.

Mede op verzoek van de VVD-fractie heeft de regering een notitie over naamgeving en titulatuur opgesteld en gevoegd bij de memorie van antwoord. De VVD-fractie is de regering daar erkentelijk voor. De notitie munt echter niet geheel uit in helderheid. Ook daarover wil zij nader met de regering van gedachten wisselen, maar ook dat kan beter in het kader van de zojuist genoemde wetswijziging.

Net als velen in het land ziet de VVD-fractie reikhalzend uit naar de huwelijksplechtigheid op 2 februari 2002 in Amsterdam. Zij heeft er alle vertrouwen in dat alle betrokkenen er het hunne aan bij zullen dragen dat het een waarlijk feestelijke gebeurtenis zal worden. Intussen bereiden de Prins van Oranje en mevrouw Máxima Zorreguieta zich op de komende plechtigheden en nieuwe plichten voor. Ik wens hen daarbij veel succes én veel plezier. Dat houdt vanzelfsprekend in dat het letsel dat mevrouw Máxima Zorreguieta heeft opgelopen, zeer voorspoedig geneest.

Ten slotte herhaal ik namens de VVD-fractie de wens die ik op 5 april jl., toen namens de VVD-fractie in de Tweede Kamer, heb uitgesproken: mogen de families van het aanstaande koninklijk paar in het geluk van Willem-Alexander en Máxima delen!

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Mijnheer de voorzitter. Het was zeer koud op 13 december 1815, de eerste maal dat de Staten-Generaal toestemming gaven voor het huwelijk van de Prins van Oranje. Volgens een voetnoot in de Handelingen verhinderde de kou verscheidene leden zelfs om naar Den Haag te komen. Volgens de Staatscourant van 15 december 1815 passeerde men het ijs op de Lek bij Vianen en de Merwede bij Gorinchem te voet en met schietschouwen. Die goedkeuring betrof het voorgenomen huwelijk van de Prins van Oranje, de latere koning Willem II, met grootvorstin Anna Paulowna, zuster van Alexander, keizer aller Russen. Zo koud als toen was het niet op de vijver van Huis ten Bosch in januari 2001!

Vandaag is het de tweede keer dat de Staten-Generaal toestemming geven voor het huwelijk van een Prins van Oranje. Deze plenaire behandeling is vooral een vreugdevolle gebeurtenis. De CDA-fractie zal van harte instemmen met het wetsvoorstel. Het doet mij genoegen dat de beide Kamers na dit debat de gelukwensen met het aanstaande huwelijk persoonlijk aan het bruidspaar kunnen overbrengen.

Toestemming geven voor een huwelijk heeft iets ongemakkelijks. Is de keuze voor de levenspartner niet de meest persoonlijke keuze die een mens kan maken? Wij moeten dan ook de gedachte dat wij hier toestemming geven voor een huwelijk van twee mensen, nader preciseren. De Staten-Generaal kan – gelukkig – geen huwelijk verbieden. Wat wij vandaag formeel beoordelen, is of er iets over dit huwelijk valt op te merken dat de troonopvolging van de kroonprins in de weg kan staan. Dat er ook maatschappelijk behoefte was aan de mogelijkheid om over dit aanstaand huwelijk te discussiëren, heeft met name de periode voorafgaande aan de verloving aangetoond.

Máxima Zorreguieta heeft op en sinds dat moment veel enthousiasme losgemaakt onder de Nederlandse bevolking. Het CDA is daar verheugd over. Wat zeker ook van gewicht is om haar te aanvaarden als echtgenote van onze toekomstige Koning, is de overtuigende wijze waarop zij afstand heeft genomen van de dictatuur in Argentinië onder het regime van generaal Videla, waarvan ook haar vader deel uitmaakte. Bij het beoordelen van anderen is het echter altijd relevant te bezien welk gezag men zelf in de schaal legt: de balk in het eigen oog. Een van de heel positieve wezenskenmerken van de Nederlander is vrijheidlievend heid, zo zal ook Máxima overal merken waar zij komt tijdens haar kennismaking met de mensen in Nederland. Vrijheidlievendheid wringt in elk opzicht met dictatuur en met het schenden van mensenrechten. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat bij menigeen de haren recht overeind gingen staan toen een zwarte bladzijde in de Argentijnse historie leek te worden gekoppeld aan onze eigen vaderlandse geschiedenis. Zo'n koppeling zou immers een negatieve invloed kunnen hebben op het democratisch karakter van de overheid in Nederland en de uitstraling ervan bezoedelen, zo luidde de vrees.

Het CDA is van oordeel dat Máxima als individu de toets van deze kritiek met glans heeft doorstaan. Ik noemde reeds haar persoonlijkheid en de overtuigende wijze waarop zij afstand heeft genomen van de dictatuur. Dat dan niettemin het Huis van Oranje-Nassau zou worden gekoppeld aan een fout regime, wijst het CDA als stelling af. Voor de staatsrechtelijke en democratische beoordeling van nu geldt immers de vraag of hier sprake is van een structureel defect. Die vraag wordt door de CDA-fractie nadrukkelijk ontkennend beantwoord. Daarom ook zeggen wij met alle overtuiging dat de daden van de vader niet mogen worden toegerekend aan de dochter. Daarom ook is het CDA volgaarne bereid om Máxima het volle vertrouwen te geven dat zij samen met Willem-Alexander de juiste invulling zal geven aan de plaats die de monarchie inneemt in onze constitutie. Daarom waarderen wij het persoonlijk offer dat Máxima brengt door te aanvaarden dat haar vader bij haar bruiloft niet aanwezig kan zijn.

Ook wij kijken uit naar 2 februari 2002 en hopen dat de hoofdstad er een feestdag van zal maken. Uiteraard gunt het CDA iedereen zijn vrijheid van meningsuiting, maar wij benadrukken toch dat, naar het ons voorkomt, de overgrote meerderheid van de mensen in ons land zich verheugt op die gebeurtenis en daar graag een echte nationale feestdag van wil maken. Ook internationaal zal de belangstelling voor de bruiloft groot zijn. Het CDA hoopt van ganser harte dat die dag een prachtig visitekaartje wordt van een feestend en blij Nederland.

Welk geloof de aanstaande prinses heeft, is in onze moderne monarchie gelukkig nauwelijks meer een punt van discussie. Geloof laat zich leiden door innerlijke overtuiging. Het CDA is er zeer mee ingenomen dat het huwelijk kerkelijk wordt bevestigd en dat het bruidspaar uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de inspiratie van Christus belangrijk te vinden voor de inrichting van hun leven. De kerkelijke richting is daarbij een persoonlijke keuze.

Mijnheer de voorzitter. De naar ik verwacht zeer grote instemming die dit wetsvoorstel zal krijgen in deze Verenigde vergadering van de Staten-Generaal weerspiegelt de grote aanhang die ons vorstenhuis heeft in de Nederlandse samenleving. Dat de monarchie op zo'n grote steun mag rekenen, is in de eerste plaats de verdienste van het Huis van Oranje-Nassau zelf. Oranje is het symbool van eenheid in dit land van minderheden. Boven het niveau van de politieke en maatschappelijke discussie van alledag is er altijd nog de onpartijdigheid en de continuïteit van de Koning. In onze moderne samenleving, waarin het individuele belang meer en meer verabsoluteert en dreigt te werken ten koste van dat van de gemeenschap, is dat ene symbool van eenheid zelfs van toenemende waarde. Ook de persoonlijke invulling van de regerende Oranjes en hun directe omgeving heeft een buitengewoon diepe worteling van gehechtheid en waardering gegeven.

Om in de jongste geschiedenis te blijven, noem ik de onverminderd warme betrokkenheid van koningin Beatrix en prins Claus bij de Nederlander en zijn of haar bezigheden en zorgen, met name in tijden van rampspoed. Dan wil ik ook nadrukkelijk prinses Margriet noemen, die zich in de schaduw van het Hof met grote inzet en discipline kwijt van haar taken en plichten voor het Koninklijk Huis.

Maar de monarchie in Nederland is meer dan een beschikbare schouder of eenheidssymbool. Het staatshoofd heeft ook een staatsrechtelijke taak als lid van de regering, als voorzitter van de Raad van State, en bij kabinetsformaties. Ook deze kant van het vak, om het zo maar eens te noemen, is door de Oranjes steeds vakbekwaam en met grote inzet gedaan. Het is zeker niet uitgesloten – en in het verleden is het op wezenlijke momenten ook inderdaad voorgekomen – dat hier conflicten kunnen ontstaan tussen het staatshoofd en de voor diens optreden verantwoordelijke minister-president en/of de volksvertegenwoordiging. Steeds, en passend in de actuele tijdgeest, is de verhouding tussen Oranje en de politiek zo geweest dat men, ook als de posities over en weer geprononceerd waren, er samen is uitgekomen onder het uiteindelijk gezag van de Staten-Generaal. En daarmee vindt de monarchie telkens haar legitimatie – en heeft die steeds gevonden – in de steun van de volksvertegenwoordiging.

Mijnheer de voorzitter. De rol van de Koning bij kabinetsformaties, zoals die in de afgelopen decennia vorm en inhoud heeft gekregen, heeft waarde voor ons staatsbestel en voor de stabiliteit van onze democratie. Deze wil het CDA dan ook zo houden, ook onder koning Willem-Alexander. De kritiek dat de bemoeienis van het staatshoofd zich onttrekt aan openbaarheid en democratische controle verliest aan gewicht als men zich realiseert dat het gehele formatieproces sowieso niet uitvoerbaar is in de volle openbaarheid. Met andere woorden: ook de betrokken politici leggen niet steeds al hun kaarten op de publieke tafel. Bovendien is de vorstelijke bemoeienis steeds ingebed geweest in adviezen en uitkomsten waarbij de politiek na afloop in de Staten-Generaal steeds het laatste woord heeft gehad. Met andere woorden: de democratische legitimatie voor de bemoeienis van de Koning is feitelijk nooit in het geding geweest. Waarom zouden wij iets dat over het algemeen zeer bevredigend functioneert dan afschaffen, zo is het CDA van mening?

Intussen is de positie van de echtgenoot of echtgenote van de Koning niet eenvoudiger geworden. De staatsrechtelijke positie, dus het in afgeleide functioneren onder ministeriële verantwoordelijkheid, compliceert, en daarbij komt de publicitaire aantrekkingskracht.

Deze twee elementen tezamen kunnen licht leiden tot een als het ware gevangen zitten in een gouden of, zo u wilt, oranje kooi. Anderszins wil en moet men toch ruimte kunnen geven aan de eigen ontplooiing en de eigen verantwoordelijkheid. Het CDA heeft steeds met grote bewondering het doen en laten en het grote gevoel voor zuiverheid van prins Claus gadegeslagen. Intussen is de aandacht en waardering voor individuele ontplooiing verder toegenomen, en dit stelt vragen met betrekking tot de ruimte die Máxima zal houden om haar eigen leven in te vullen.

Ongeacht het aantal leden van het Koninklijk Huis geldt volgens onze wetgeving de ministeriële verantwoordelijkheid uitdrukkelijk de Koning. Het CDA ontwaart een tendens dat steeds meer elk doen en laten van een lid van het Koninklijk Huis in verband wordt gebracht met de ministeriële verantwoordelijkheid. Om die materie niet te complex te maken, leeft bij het kabinet de gedachte om het aantal leden van het Koninklijk Huis terug te brengen. Het CDA geeft er de voorkeur aan om de ministeriële verantwoordelijkheid weer strikt te interpreteren, en deze zoveel mogelijk te beperken tot de Koning, zodat de persoonlijke en vrije ruimte voor diens omgeving kan worden vergroot. De ministeriële verantwoordelijkheid dient voor anderen dan de Koning alleen te gelden, indien en voorzover hun optreden raakt aan het openbaar belang. Hoe ziet de regering dit? Welke zelfstandige invulling kan Máxima geven aan haar positie als gemalin van de kroonprins en te zijner tijd van de Koning?

Mijnheer de voorzitter! Tegenover de ruimhartigheid waarmee de bevolking Máxima als toekomstige koningin in de armen heeft gesloten, staat een niet goed te begrijpen benepenheid van de regering ten opzichte van de verlening van de bijbehorende titels. De CDA-fractie kan niet begrijpen waarom het zo moeilijk is, hier uit te spreken dat Máxima de titel zal krijgen die bij haar status hoort als echtgenote van de kroonprins, en haar derhalve "Prinses van Oranje" te noemen. Is de regering werkelijk bang dat de mensen zouden kunnen denken dat zij ons toekomstig staatshoofd is?

Evenmin kunnen wij goed begrijpen waarom de regering het antwoord op de vraag niet geeft of Máxima, als gemalin van de Koning, koningin zal heten. Op de betreffende CDA-vraag in de schriftelijke voorbereiding op dit debat antwoordt premier Kok: "De regering zal dan alle relevante factoren en overwegingen in beschouwing nemen". Betekent dit dat de regering er werkelijk serieus rekening mee houdt dat Máxima de betiteling "koningin" zal worden onthouden? Wat zijn toch de overwegingen die ertoe zouden kunnen leiden dat Máxima, tegen alle tradities in, na de inhuldiging van haar echtgenoot prinses zou moeten blijven? Voor het CDA is duidelijk dat Máxima door haar huwelijk met de Prins van Oranje, Prinses van Oranje kan worden genoemd. Na de inhuldiging van prins Willem-Alexander tot Koning wordt zij dus onze koningin.

Ik wens, namens de CDA-fractie in deze Verenigde vergadering der Staten-Generaal, het paar een gelukkig huwelijk toe. Moge Gods zegen hen daarbij vergezellen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Mijnheer de voorzitter! Je maakt in al die jaren wat mee. Wat ik nog niet heb meegemaakt, is de eer die mij vandaag ten deel valt om in deze Verenigde vergadering namens de negentien leden van de GroenLinks-fractie te mogen spreken. Op een zonovergoten dag praten over een huwelijk: mooier kan bijna niet!

Het gaat hier om iets meer dan alleen praten over een huwelijk. Het gaat over de parlementaire goedkeuring van het voorgenomen huwelijk van de kroonprins, die de weg vrijmaakt voor de erfelijke troonopvolging. Van GroenLinks is bekend dat het niet zoveel ziet, in dit tijdsgewricht, in erfelijke troonopvolging. GroenLinks vindt het beter, het staatshoofd te kiezen, bij voorkeur door de Staten-Generaal. Net is ook gebleken, dat nu de meerderheid van de volksvertegenwoordiging en de Nederlandse bevolking kiest voor het staatsbestel zoals wij dat tot op dit moment kennen, ons slechts de keuze rest om de noeste parlementaire arbeid aan te pakken of om een snipperdag te nemen. Dat laatste hebben wij niet gedaan, ook omdat wij graag ons oordeel over het voorliggende wetsvoorstel zouden willen geven.

Voorzitter. De minister-president, en ook wijzelf, wij hebben het maar druk met die goedkeuringswetten. Na prins Maurits, prins Bernhard en prins Constantijn is het in korte tijd de vierde keer dat wij een goedkeuringswet ter gelegenheid van het huwelijk van een lid van het Koninklijk Huis moeten beoordelen. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Paars ook hier marktwerking heeft geïntroduceerd en dat de hoogste bieder er met de hoofdprijs van doorgaat. Ik zeg erbij: als je niet beter zou weten. Wat ik ermee wil zeggen, is dat hiermee het aantal leden van het Koninklijk Huis uitdijt. De ministeriële verantwoordelijkheid voor al die leden, middels een bepaalde gradatie volgens de notitie van vorig jaar, valt daarmee ook nauwelijks meer serieus te nemen. Ik vraag de minister-president of de regering in de wijziging van de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis komt met voorstellen om het aantal leden te beperken. Kan de minister-president zijn denklijn hier verwoorden en wanneer kunnen wij dit wetsvoorstel tegemoet zien? Wil de minister-president bij de voorbereiding hiervan ook kijken naar de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis? Dat de echtgenote van de kroonprins een uitkering ontvangt, is natuurlijk zeer redelijk. Een uitkering van ƒ 1.647.000 per jaar moet toch ook voor een sobere marathonloper zonder ideologische veren wat aan de ruime kant zijn.

Voorzitter. Veel vragen zijn reeds schriftelijk afdoende beantwoord. Bijvoorbeeld de keuze van Amsterdam als plaats van handeling van het huwelijk op 2 februari volgend jaar. Ook voor een aangepast inburgeringsprogramma is op zich goed beargumenteerd de noodzaak aangegeven.

Het besluit tot naturalisatie op 17 mei jl. roept een enkele vraag op. De snelheid waarmee dat is geschied, staat immers in schril contrast met de situatie voor vele anderen met een verloofde of huwelijkspartner over de grens en die nog zitten te wachten op een machtiging voor verblijf of naturalisatie. Ik wil geen afbreuk doen aan de snelheid die hier is betracht. Dat legt echter de dure plicht op het kabinet, en de minister-president in eerste instantie, om in voorkomende gevallen de trage en vaak bureaucratische afhandeling van dit soort procedures te versnellen, niet om in formele zin rechtsongelijkheid te voorkomen maar om in materiële zin het gevoel weg te nemen dat de een niet anders wordt behandeld dan de ander.

Voorzitter. Voor de aankondiging van de verloving op 30 maart jl. ging het publieke debat vooral over de rol van vader Zorreguieta. Wetende dat men de dochter niet kan aanspreken op de verantwoordelijkheden van de vader, gingen wij in die periode op zoek naar twee zekerheden. Ten eerste de democratische gezindheid van onze waarschijnlijk aanstaande koningin en haar ondubbelzinnige afkeer van het Videla-regime. Ik denk dat Máxima Zorreguieta voor die klus zeer is geslaagd. Het andere aspect betrof geen aanwezigheid van de vader bij publieke bijeenkomsten. Dat is voor het huwelijk verzekerd. De wijze waarop de minister-president die zaak heeft aangepakt, vinden wij goed. In het debat op 5 april jl. hebben wij de complimenten aan de regering, en meer in het bijzonder de minister-president, overhandigd. Ik zeg dat hier wederom en welgemeend. Is dat dan geen offer, zo zou de vraag kunnen luiden? Jazeker, maar de minister-president had zeer gelijk toen hij zei dat dit offer afgezet moet worden tegen het offer van vele Argentijnen in een donkere periode en van wie velen het niet meer kunnen navertellen. Dat zou dan toch ook voor toekomstige publieke bijeenkomsten de lijn moeten zijn? Ik heb natuurlijk kennisgenomen van de beleidslijn die op 5 april is uitgezet en besproken. Ik vraag de minister-president nog eenmaal om dat wat te concretiseren.

Ongeacht het antwoord op deze vraag, en met inachtneming van het voorgaande, leeft er bij ons een gevoel van onbehagen dat het Koninklijk Huis zich verbindt met een familie waarin de vader, volgens prof. Baud, zich "vijf jaar lang in een hoge politieke functie actief en met overtuiging heeft ingezet voor een regime dat in binnen- en buitenland veroordeeld is voor het uitschakelen van democratische grondrechten en het op grote schaal schenden van mensenrechten." De vraag is hoe zwaar men dit gevoel van onbehagen laat wegen. Enkele leden van mijn fractie vinden het doorslaggevend. De meerderheid vindt het niet doorslaggevend, vanwege het feit dat een dochter niet aangesproken kan worden op de verantwoordelijkheden van de vader. In de voorbereiding is door de regering bovendien, ook door de rol van het parlement, goed geopereerd.

Voorzitter. De vraag aan de minister-president in dit debat is of hij dit gevoel van onbehagen herkent of dat het hem totaal vreemd is. Is hij bovendien voldoende zeker dat dit voor de uitoefening van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van Máxima, zeker in een latere situatie, geen probleem zal opleveren?

Voorzitter. Na dit wat zware, maar onvermijdelijke onderdeel van mijn betoog rond ik maar wat luchtigjes af. Wordt Máxima straks koningin of prinses? Dat was de kernvraag bij het presenteren van het wetsvoorstel in de loop van mei dit jaar. Anno 2001 lijkt het eenvoudig. Als wij nu een koningin hebben en wij haar man prins noemen, noemen wij als er straks een Koning is zijn vrouw prinses. Honderd jaar geleden werd er echter met de koningen van toen anders omgegaan. Ik zeg het maar eerlijk en ronduit: het kan ons allemaal niet zoveel schelen. Wij vinden het van ondergeschikt belang. De minister-president zei: het komt later aan de orde. In de dagen na de presentatie van het wetsvoorstel zwengelde de koningin de kwestie aan. De premier moest iets bijsturen. Willen zij een koningin, dan krijgen zij een koningin, zo leek de dominante gedachte, met een knipoog naar een van onze voormalige collega's. De Rijksvoorlichtingsdienst haastte zich daarop te verklaren: premier Kok vindt dat Máxima koningin kan worden. Het dan zittende kabinet beslist daarover. Graag duidelijkheid hierover.

Voorzitter. Ik heb geprobeerd het duidelijk te maken. De meerderheid van de fractie van GroenLinks, hier in de Verenigde vergadering, zal het wetsvoorstel steunen. Acht leden zullen hun goedkeuring niet hechten aan het wetsvoorstel. Ik ben van mening dat wij die moeten noemen. Het gaat om de collega's Van Gent, Van der Lans, Pitstra, Platvoet, Pormes, Van Schijndel, De Wolff en Zwerver.

Ik rond af. Mijn vragen en kritische kanttekeningen gaan geenszins over de twee personen die vandaag in het middelpunt staan. Ik doel vooral op het systeem en de omgeving waarin zij zich begeven. Namens de negentien leden van GroenLinks in de Verenigde vergadering wens ik hen persoonlijk een, welgemeend, zonnige toekomst.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Dat de regering en de Verenigde vergadering zich buigen over het voorgenomen huwelijk van een lid van het Koninklijk Huis, komt de laatste jaren zo vaak voor, dat het bijzondere karakter daarvan een beetje lijkt te verbleken. De vierde en waarschijnlijk niet de laatste keer in deze generatie. Men kon zich afvragen of voor elk van de eerder gesloten huwelijken een toestemmingswet met het oog op de troonopvolging noodzakelijk en zinvol was. Onweerlegbaar is dat wel zo met het huidige wetsvoorstel. Het bijzondere van dit moment is niet alleen dat regering en parlement plotseling bemoeienis hebben met iets dat normaliter alleen twee mensen zelf aangaat, maar vooral dat het hier gaat om de enige echte vermoedelijke troonopvolger. Het gaat om de toekomstige Koning en zijn echtgenote. Ik had bijna gezegd: de toekomstige Koning en koningin, maar over die naamgeving schijnen wij nog jaren te kunnen denken en debatteren.

Het ambt van staatshoofd is in een constitutionele monarchie geen zelfgekozen bestemming, al kan men het wel ontvluchten. Het is veeleer een opdracht die je overkomt. Een opdracht die samenvalt met een inperking van de persoonlijke vrijheid, die wij elk ander mens niet snel zouden aandoen. Behalve dan de echtgenoot of echtgenote. Die functie is staatsrechtelijk weliswaar onvindbaar, maar niettemin veelomvattend en beperkend tegelijk. De levenspartner van de Koning deelt in diezelfde opdracht en dus in diezelfde insnoering van vrijheid en persoonlijke keuze. In een monarchie lijkt dit onvermijdelijk. De mogelijkheden voor een eigen invulling, een eigen persoonlijke ruimte naast het staatshoofd zijn dus beperkt. Dat dit voor de echtgenoten niet altijd makkelijk is, hebben wij in het verleden kunnen zien. Misschien wordt dat in de toekomst anders naarmate de monarchie zich aanpast aan de moderne, democratische samenleving. D66 vindt onverminderd dat daar alle reden voor is. Modern koningschap op afstand van het politieke bestuur geeft ook mogelijkheden voor een grotere eigen ruimte, zonder dat voortdurend het staatsbelang wordt geraakt. In ieder geval ga ik ervan uit dat prins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta zelf ook zullen zoeken naar een passende hedendaagse invulling van hun toekomstige positie.

De persoonlijke keuze van de toekomstige Koning kan een maatschappelijke en politieke dimensie krijgen. Dat is het afgelopen jaar voorafgaande aan de verloving ook wel gebleken. Ik heb al eerder namens de Tweede-Kamerfractie van D66 waardering voor de opstelling van de regering en voor de woorden van Máxima Zorreguieta zelf laten blijken. Ik herhaal dat hier graag namens alle D66-leden in de Verenigde vergadering. De betrokkenheid van vader Zorreguieta bij de militaire junta blijft een kwetsbare kant van dit voorgenomen huwelijk. In het Argentinië van toen gebeurde letterlijk wat de dichter Borges eerder in een somber visioen beschreef, namelijk "dat elke onmiddellijke stap van ons over Golgotha's van anderen gaat".

Dat verleden en de rol van de vader van Máxima daarbij is voor twee D66-leden een reden om hun stem aan de toestemmingswet te onthouden. De overige zestien leden van mijn fractie steunen de wet wel, al erkennen ook zij dat het pijnlijke verleden een rol speelt en wellicht zal blijven spelen. De open en zorgvuldige wijze waarop het bruidspaar en vooral Máxima tot op heden en hopelijk ook in de toekomst met dit verleden omgaat, kan de gemengde gevoelens in een deel van de samenleving over deze verbintenis verzachten en misschien wegnemen.

Tijdens de voorbereiding van de behandeling van de toestemmingswet is uitvoerig van gedachten gewisseld over naamgeving en titulatuur. Ik heb er geen behoefte aan, dat hier over te doen. De onduidelijkheid over een consistente lijn is bij ons echter wel gebleven. De Prins van Oranje heeft nu zijn prinses, maar niet zijn Prinses van Oranje, zegt de regering. Of wel? Wie dat toch in het maatschappelijk gebruik hanteert, weet in ieder geval van de prins geen kwaad. En dat lijkt ons hierbij een voordeel.

Tot slot. 2 februari 2002 is een heel mooie dag voor het koninklijk huwelijk, waarmee ik het bruidspaar ook feliciteer. Het leek ook zo'n mooie dag voor een verkiezingscongres van mijn partij in een hotel op de Dam in Amsterdam. Na rijp beraad hebben wij besloten, het prinselijk paar deze potentiële ordeverstoring niet aan te doen. Een enkele keer moet de politiek voor de monarchie willen wijken...

De heer Veling (ChristenUnie):

Mijnheer de voorzitter. Voor de fractie van de ChristenUnie is de behandeling van de toestemmingswet voor het huwelijk van prins Willem-Alexander en mevrouw Máxima Zorreguieta een ronduit feestelijke gebeurtenis. Er is alle reden om blij te zijn nu de Prins van Oranje, als God het wil, de toekomstige Koning der Nederlanden, een huwelijkspartner heeft gevonden. Natuurlijk zijn wij blij voor de betrokkenen zelf, maar ook voor Nederland en voor de Nederlandse samenleving.

Mijn fractie hecht veel waarde aan het koningschap en aan de band van het Huis van Oranje met Nederland. Het is in onze dynamische tijd niet zo gewoon om historische overwegingen te betrekken bij de oordeelsvorming over actuele onderwerpen, maar wij doen dat met overtuiging wel. Mijn fractie is blij, getuige te mogen zijn van de voortzetting van een eeuwenoude traditie, van de voortgang van een geschiedenis van vrijheid en zelfstandigheid waarin Nederland en het Huis van Oranje zo nauw verbonden zijn.

Vrijheid en zelfstandigheid zijn hierbij heel bewust gekozen begrippen. De band tussen Oranje en Nederland moeten wij niet versmallen tot een aangelegenheid van symbolische, gevoelsmatige of romantische aard. De band is ontstaan in een tijd van strijd voor geestelijke vrijheid en nationale zelfstandigheid. En in de loop van de geschiedenis zijn vertegenwoordigers van het Oranjehuis keer op keer voorop gegaan in het verzet tegen bedreigingen van de vrijheid. Zij hebben de Nederlandse samenleving, juist in moeilijke tijden, gemobiliseerd en bemoedigd, opziend naar God als "schild ende betrouwen" en in het besef dat strijd tegen tirannie voortvloeit aan dienst aan God, om het Wilhelmus maar eens te citeren. Dit is vandaag natuurlijk niet minder actueel dan voorheen.

De vraag om parlementaire goedkeuring van het huwelijk van een mogelijke troonopvolger is voor de fractie van de ChristenUnie geen formaliteit. Dit moge blijken uit wat ik zei over de waarde die wij toekennen aan de band van Oranje met Nederland. Om die reden vinden wij ook de opvattingen van de toekomstige echtgenote van de kroonprins over democratie en over sociale rechtvaardigheid belangrijk, zoals wij al in het voorlopig verslag hebben laten blijken. De regering spreekt in dit verband vertrouwen uit in de toekomst van het Koninklijk Huis, ook met Willem-Alexander en Máxima. Het eerste optreden van mevrouw Máxima Zorreguieta geeft ons ook alle reden voor vertrouwen.

De ChristenUnie heeft waardering voor het voornemen van het prinselijke paar om positie te kiezen "in de protestantse traditie" en daaraan ook consequenties te verbinden voor de opvoeding van eventuele kinderen, zoals de regering ons heeft doen weten. Dat deze keuze echt inhoud heeft, bleek ook uit het antwoord van mevrouw Zorreguieta op vragen van journalisten op 30 maart jl., toen zij liet weten het protestantse geloof serieus te onderzoeken. De uitkomst van haar bezinning is niet doorslaggevend voor onze houding tegenover goedkeuring van het huwelijk, maar wij zijn er wel blij mee. Ik herhaal het, er is alle reden om blij te zijn. De fractie van de ChristenUnie zal graag voor haar deel meewerken aan de parlementaire toestemming voor het huwelijk.

Graag kom ik nu, bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel, nog terug op een punt dat wij ook in het voorlopig verslag aan de orde stelden. Het gaat om de adellijke titels die mevrouw Zorreguieta zal krijgen. De regering wil haar bij haar huwelijk persoonlijke adellijke titels verlenen, onder andere een titel uit het Huis van Oranje-Nassau. Dit spreekt niet vanzelf. Toen in 1816 de kroonprins, de latere koning Willem II, trouwde met Anna Paulowna, kreeg zij geen nieuwe adellijke titels. Ook prinses Sophie kreeg geen nieuwe persoonlijke adellijke titels toen zij trouwde met de latere koning Willem III, die toen overigens nog geen kroonprins was. Beiden hebben wel, als echtgenotes van vermoedelijke troonopvolgers, de titel Prinses van Oranje gedragen. Dit laatste is in overeenstemming met de in adellijke kring heel algemene gewoonte dat echtgenotes de titel van hun man dragen.

De regering kiest nu voor een andere lijn. Máxima Zorreguieta krijgt bij haar huwelijk persoonlijke adellijke titels. Op zichzelf kan onze fractie daarmee zeker instemmen, maar er rijzen dan wel twee vragen. De eerste is of het wel zo logisch is om in een dergelijke situatie titels te kiezen die Máxima ook zonder expliciete toekenning zou zijn gaan voeren, namelijk als echtgenote van Willem-Alexander. Met de persoonlijke titel Prinses van Oranje-Nassau wordt Máxima, in formele zin dus onafhankelijk van haar huwelijk, opgenomen in het Huis van Oranje-Nassau. Dat is dus ook anders dan wat er destijds bij prins Bernhard en prins Claus is gedaan. Tenzij dat nog anders geregeld gaat worden, blijft Máxima deze titel dus voeren, ook als zij – vergeef me dat ik op deze feestelijke dag dit onheilsscenario noem – om welke reden dan ook geen lid van het Koninklijk Huis meer zou zijn. Mij komt deze gekozen weg wat tweeslachtig voor. Enerzijds verkrijgt de echtgenote van de Prins van Oranje persoonlijk adellijke titels, anderzijds blijven deze titels gekoppeld aan haar huwelijk.

De beslissing om mevrouw Máxima Zorreguieta persoonlijke adellijke titels te verlenen roept nog een andere vraag op, namelijk over de titels die zij niet persoonlijk krijgt, maar die zij naar oud gebruik na haar huwelijk wel zou mogen dragen. Ik bedoel natuurlijk in het bijzonder de titel Prinses van Oranje. De regering schrijft in de notitie Titels en namen leden Koninklijk Huis dat zij dit oude gebruik bij wet wil ombuigen. De regering wil in de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis opnemen dat de titel Prinses van Oranje alleen aan een vermoedelijke troonopvolgster zelf toekomt en niet aan de echtgenote van een Prins van Oranje. Of dat zo moet, zal nog aan de orde komen wanneer een wetsvoorstel met die strekking behandeld wordt. In ieder geval vindt mijn fractie het ongelukkig dat deze voorgenomen inbreuk op de heel algemene gewoonte dat vrouwen de titels van hun adellijke echtgenoten dragen, ook heeft geleid tot discussie over de vraag of Máxima te zijner tijd als echtgenote van de Koning koningin zal zijn. Naar het oordeel van mijn fractie is dit vanzelfsprekend. Als ergens traditie belangrijk is, dan is het wel in de adel. De op zichzelf begrijpelijke wens om ook hierbij de gelijkheid van man en vrouw als uitgangspunt te nemen moet niet leiden tot geforceerde constructies.

Maarten 't Hart vertelt in zijn pamflet "De vrouw bestaat niet" dat hij zich als kleine jongen bij een bezoek van koningin Juliana aan Maassluis ervan bewust werd dat hij "in één opzicht op beslissende wijze was achtergesteld bij meisjes". "Toen koning Ahasveros Esther had gevonden en hij met haar trouwde, werd zij koningin. Waarom is prins Bernhard dan geen koning geworden toen hij met koningin Juliana trouwde?", vroeg de achtjarige Maarten aan juffrouw Van der Meulen. En hij verzuchtte: "Het is niet eerlijk." Maarten wist blijkbaar niet dat Bernhard al met Juliana getrouwd was toen zij koningin werd. Maar wat hij bedoelde was duidelijk: "Het is niet eerlijk."

Naar mijn mening moeten dit soort gekwetste mannelijke gevoelens maar wijken. Hoe dit ook zij, de serieuze vraag kan toch gesteld worden waarom over deze toch niet onbelangrijke kwestie nog langer gespeculeerd moet worden. Kan de minister-president dit uitleggen? Ik sluit mij graag aan bij de vraag van mijn collega's Melkert en De Hoop Scheffer, waarom hierover vandaag geen duidelijkheid geschapen zou worden. En het viel mij op dat de heer Rosenmöller, toen hij een beetje improviserend sprak over Máxima in de toekomst, natuurlijk over "koningin Máxima" sprak.

Voorzitter, laat ik mijn bijdrage wat minder formeel afsluiten. Máxima heeft als verloofde van prins Willem-Alexander een uitstekende entree gemaakt in de Nederlandse samenleving. De wijze waarop zij zich presenteerde, in goed Nederlands, heeft bewondering afgedwongen. Ik herinner me nog hoe ik destijds kennismaakte met mijn aanstaande schoonfamilie. Dat was toch wel een beetje spitsroeden lopen. Hoe dat in de familiekring met Máxima is gegaan, is een privé-aangelegenheid. Maar voor de verloofde van een kroonprins is, bij wijze van spreken, de schoonfamilie een heel volk. Je moet je dat even voorstellen. Je zult maar moeten wennen aan een schoonfamilie van 16 miljoen eigenwijze Nederlandse burgers, met allemaal hun eigen mening en voorkeur. En dan moet de familieraad in Verenigde vergadering je huwelijk goedkeuren!

Maar Máxima heeft haar plaats in de Nederlandse samenleving al gevonden. Een verplichting tot inburgering lijkt dan ook al volledig achterhaald. En de aanvaarding van het goedkeuringswetsvoorstel zal vandaag bevestigen dat zij welkom is als aanstaande echtgenote van de Nederlandse kroonprins.

De leden van fractie van de ChristenUnie wensen Willem-Alexander en Máxima Gods zegen toe, zowel in hun persoonlijke leven als in hun bijzondere positie binnen de Nederlandse samenleving.

De heer Holdijk (SGP):

Mijnheer de voorzitter. De Grondwet van 1922 en zelfs die van 1972 – ik verwijs naar artikel 17, eerste lid – maakte nog een onderscheid tussen een koninklijk huwelijk dat was aangegaan "buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal", het huwelijk van de Koning, en het huwelijk "buiten bij de wet verleende toestemming", dat van een prins of prinses. Dat belette de wetgever echter niet om in 1936 het huwelijk van prinses Juliana aan wettelijke goedkeuring te onderwerpen, al werd dat door de letter dus niet voorgeschreven.

Het onderscheid tussen de gevallen waarin het een huwelijk van de Koning en die waarin het dat van iemand die de kroon kan beërven betreft, is eerst in 1983 vervallen. Oud had al in 1967 te kennen gegeven dat er voor dit verschil onvoldoende reden was; "De wet is de meest voor de hand liggende vorm van gemeen overleg tussen de Koning en de Staten-Generaal.", zo betoogde hij. In de enige gevallen waarbij het voorschrift van artikel 17 is toegepast bij het aangaan van een huwelijk door de Koning – het tweede huwelijk van koning Willem III van 1878 en dat van koningin Wilhelmina in 1906 – is ook voor het gemeen overleg de vorm van een wet gekozen.

Gerekend vanaf 11 februari 1998 is het nu voorliggende toestemmingsvoorstel voor het aangaan van een huwelijk door een lid van het Koninklijk Huis het vierde in successie dat in een tijdsbestek van ruim drie jaar is ingediend. De kring van leden van het Koninklijk Huis en potentiële erfopvolgers is groter dan in eeuwen het geval was. Welk een verschil met de eerste helft van de 20ste eeuw! Toen was er vrees dat het geslacht zou uitsterven en er was dan ook grote vreugde in 1908 bij het bericht dat koningin Wilhelmina in verwachting was. Vervolgens begroette Nederland, na jaren van rouw en van eenzaamheid, in 1936 de verloving van de kroonprinses.

Hoogtepunten in de geschiedenis van onze dynastie waren ook altijd hoogtepunten in het leven van ons volk, en dat is nog steeds zo. Wij verheugen ons in het geluk van ons vorstenhuis en wij delen in zijn rouw. Zo mochten wij op 30 maart jl., weliswaar midden in voor vele veehouders in ons land uitermate trieste omstandigheden, het officiële bericht van de verloving van de eerste erfopvolger van de troon, de kroonprins, met Máxima Zorreguieta vernemen. Het verblijdde ons dat het paar voor het wettig burgerlijk huwelijk koos om hun levensverbintenis vorm te geven. Bij het debat over de brief van de minister-president terzake op 5 april jl. heeft de Tweede-Kamerfractie van de SGP reeds doen weten, de conclusie van de regering te delen dat er in de gegeven omstandigheden en gelet op de getroffen regelingen voldoende redenen waren om een voorstel voor een toestemmingswet in te dienen. Dat voorstel ligt er nu. Op zichzelf is het zeer verheugend te noemen dat het voorgenomen huwelijk van de kroonprins en Máxima geen oorzaak heeft behoeven te zijn om van het vragen van toestemming af te zien. De inzet van de minister-president en anderen om tot een aanvaardbaar arrangement te komen voor de huwelijkssluiting is terecht geprezen. Van onze kant hebben wij ons daarbij laten leiden door de bijbelse notie dat een dochter niet mag worden afgerekend op de daden van de vader. Respect verdient ook de wijze waarop Máxima afstand heeft genomen. Maar behalve respect past ons minstens evenzeer mededogen met een dochter die het offer heeft te brengen dat haar ouders niet bij haar huwelijk tegenwoordig zullen zijn.

Niettemin kon en kan de fractie niet heen om het feit dat het Nederlandse Koninklijk Huis geparenteerd raakt aan een in ons land op dit moment omstreden familie; een feit dat, naar wij helaas moeten vrezen, ons zou kunnen blijven achtervolgen ook na de huwelijkssluiting. Het is een gegeven dat – laten wij hopen van niet – van buiten af en van binnen uit spanningen zou kunnen oproepen die de hechtheid van de band tussen de echtgenoten en/of de band tussen volk en vorstenhuis op de proef zou kunnen stellen. Naarmate de eerste band hechter blijkt, zal de tweede minder gevaar lopen, aannemende dat voor de gehuwden het belang van de laatste voorop blijft staan. Het huidige koningspaar heeft bewezen dat een ooit omstreden verleden noch het één noch het ander schade hoeft te berokkenen. Máxima zou een voorbeeld kunnen nemen aan haar schoonvader. Tot zover over de politieke aspecten van het voorgenomen huwelijk.

Sinds 1815 geniet, grondwettelijk beschouwd, de Koning en zeker ook zijn echtgenote vrijheid van godsdienst. Dat betekent onder andere dat zij in de keuze van hun kerk vrij zijn. Wij hebben nimmer een staatskerk gekend en sinds de staatsrechtelijke scheiding van kerk en staat is zelfs geen sprake meer van een bevoorrechte kerk.

Dat tradities echter soms machtiger zijn dan wetten, werd nog in 1964 bewezen, toen een prinses van Oranje overging van de Nederlandse hervormde kerk naar de rooms-katholieke kerk, vervolgens geen toestemming voor haar huwelijk met een Spaanse prins vroeg en dientengevolge afstand deed van haar erfelijke aanspraken op de troon. Deze gang van zaken kan, ook objectief bezien, niet losgemaakt worden van het feit dat deze prinses koos voor een kerk waarvan geen vorst uit haar geslacht sinds de Reformatie ooit lid was geweest, sterker, waartegen meer dan één Oranje had gestreden. Zij had gekozen voor een kerk die in het verleden de vrijheid van godsdienst en geweten ernstig had bedreigd. Duidelijk moge overigens zijn dat men een kerk of stroming niet altijd mag blijven herinneren aan haar verleden, vooral niet als zij zich daarvan heeft gedistantieerd.

Ook in de geschiedenis van het calvinisme zijn feiten op te halen die menige calvinist thans niet meer zou verdedigen, maar het ontstaan van de Nederlandse Staat is nu eenmaal verweven met de strijd tegen de roomse kerk, zeker voor het bewustzijn van het volk, dat zich niet afvraagt of de Nederlanders in de Tachtigjarige Oorlog soms ook uit andere dan religieuze motieven hebben gehandeld, of zij bijvoorbeeld ook voor politieke vrijheid hebben gevochten, of zij hebben gestreden libertatis ergo – voor de vrijheid – of religionis ergo – voor de godsdienst – of beide, en hoe de verhouding tussen politieke en religieuze redenen was; men vindt dat de historici dat maar moeten uitzoeken. Voor het besef van het gereformeerde deel van het Nederlandse volk was én is de Tachtigjarige Oorlog een geloofsstrijd geweest.

Terug naar 1964. In de toen ontstane commotie speelde uiteraard ook een belangrijke rol dat de prinses koos voor een politieke beweging waarvan de principes indruisten tegen de beste tradities van het Nederlandse volk. Beide feiten, zowel de kerkelijke als de politieke keuze, maken duidelijk dat het daarbij, naar vrij algemene opvatting, niet slechts ging om privé-aangelegenheden die de constitutionele verhoudingen onberoerd zouden kunnen laten. Zo is het, in weerwil van de grondwettelijke scheiding van kerk en staat, ook bij deze gelegenheid alleszins gepast te noemen om aandacht te schenken aan het feit dat de memorie van toelichting, behalve over het burgerlijk huwelijk, ook over de kerkelijke bevestiging daarvan Deo volente op 2 februari a.s. in de Hervormde Gemeente van Amsterdam spreekt.

Wij hebben daarnaast met erkentelijkheid kennisgenomen van de mededeling van de kroonprins dat het Huis van Oranje niet katholiek zal worden en dat, mocht het aanstaande echtpaar kinderen krijgen, deze in de Nederlandse hervormde kerk zullen worden gedoopt. De regering gaf in de memorie van antwoord te kennen dat de gedane mededelingen naar haar oordeel de conclusie wettigen dat het de intentie van het aanstaande echtpaar is dat het Huis van Oranje in de protestantse traditie blijft en dat eventuele kinderen ook in die traditie zullen worden opgevoed.

De aanstaande echtgenote van de kroonprins heeft bovendien te kennen gegeven dat zij, behorend tot de volkskerk van Argentinië, serieus onderzoekt of zij zich kan aansluiten bij de keus die haar aanstaande man reeds heeft gemaakt door belijdenis van het geloof af te leggen in de Nederlandse hervormde kerk. Wij verbinden hieraan de opmerking dat, naar onze overtuiging, een persoonlijke en weloverwogen keuze van de aanstaande bruid de huwelijksband slechts kan versterken, het belang van de opvoeding van eventuele kinderen zou dienen en de band tussen koningshuis en volk zou bevestigen. Het effect daarvan zou wel eens spiegelbeeldig kunnen zijn aan dat van de handelwijze van de eerder genoemde prinses.

Bovengenoemde gegevenheden en overwegingen in samenhang genomen, hebben ons tot het standpunt gebracht dat het in het licht hiervan niet te verantwoorden zou zijn om in de gegeven omstandigheden, ervan uitgaande dat wij ons niet aan stemming willen onttrekken, onze steun aan het voorliggende wetsvoorstel te onthouden. Onze instemming doen wij vergezeld gaan van hartelijke gelukwensen en van de verzekering dat wij ons niet zullen onttrekken aan onze dure plicht om het aanstaande bruidspaar te vergezellen met onze gebeden, niet alleen op de dag van de huwelijkssluiting, maar ook daarna.

Minister Kok:

Mijnheer de voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng in eerste termijn, waarin zij een oordeel hebben willen geven over het op grond van artikel 25 van de Grondwet door de regering ingediende voorstel van (rijks)wet, waarmee toestemming wordt gevraagd voor het huwelijk van onze kroonprins Willem-Alexander met zijn verloofde Máxima Zorreguieta. Dit is ook voor de regering een bijzonder moment, omdat hiermee toestemming wordt gevraagd en aan het eind van deze bijeenkomst hopelijk zal zijn gegeven, niet voor het in het huwelijk treden – dat zou ook zonder toestemming kunnen gebeuren – maar voor het volledig blijven bestaan van de erfopvolging en het recht op erfopvolging. Dat is met het oog op onze toekomst en de toekomst van het Koninklijk Huis in ons bestel van enorme betekenis.

Het is inderdaad niet de eerste, maar reeds de vierde maal in deze kabinetsperiode dat wij een toestemmingswet behandelen. Dat gebeurde echter nimmer in deze zaal. Dat is, gegeven de bijzondere omstandigheid, thans natuurlijk gerechtvaardigd. De heer De Graaf vroeg of het die vorige keren wel nodig was. Ik respecteer natuurlijk ieders oordeel over de vraag of dat tot en met huwelijken in de derde graad nodig zou moeten blijven, maar gegeven de inhoud van de Grondwet, de wens van de betrokkenen en het oordeel van de regering is die handelwijze in het verleden gevolgd.

Diverse geachte afgevaardigden hebben gememoreerd dat over een aantal relevante aspecten al uitvoerig van gedachten is gewisseld tijdens een plenair debat in de Tweede Kamer op 5 april naar aanleiding van een brief van de regering van 30 maart jl. met bijlagen. Aan een herhaling van dat op 5 april gevoerde debat heeft ook de regering geen behoefte. Natuurlijk zeg ik hier dat ik niets heb af te doen of toe te voegen aan alles wat namens de regering in dat debat is gezegd, ook verband houdend met misschien lastige en in de toekomst te maken afwegingen met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van de vader van Máxima Zorreguieta bij gelegenheden waaromtrent de regering een oordeel toekomt. Een aantal van de daar gemaakte opmerkingen waren ook onvermijdelijk procedureel van aard, omdat het immers in voorkomende gevallen aan de regering van dat moment is – in de samenstelling van dat moment – om daaromtrent tot een oordeel te komen en zich daarover tegenover de Staten-Generaal te verantwoorden.

Voorzitter. Ik heb met veel erkentelijkheid en waardering kennisgenomen van de inbreng in eerste termijn, waaruit blijkt dat het onderhavige wetsvoorstel in deze Verenigde vergadering op een ruime steun lijkt te kunnen rekenen. Ik heb heel goed kennisgenomen van verwijzingen naar of toelichtingen op standpunten van leden van deze Verenigde vergadering die mogelijk hun steun aan het wetsvoorstel zouden kunnen onthouden. Mij is door enkele geachte afgevaardigden gevraagd of ik daarvoor begrip kan opbrengen. Ook degenen die mij daar niet naar hebben gevraagd, zijn daar misschien belangstellend naar. Natuurlijk respecteert de regering overwegingen, soms ook van zeer emotionele en persoonlijke aard, die door leden van de Verenigde vergadering worden gemaakt. Ik zeg alleen – en dat zal men mij niet kwalijk nemen – dat de regering heeft geprobeerd, in een uiterste poging op weg naar 30 maart, 5 april en daarna, bij het uitoefenen van haar werkzaamheden, in overleg met de direct betrokkenen zoveel mogelijk rekening te houden met dergelijke gevoelens. Wij kunnen natuurlijk nimmer treden in het individuele afwegings- en beoordelingskader zoals dat aan de leden van de Verenigde vergadering van de volksvertegenwoordiging toekomt. Ik hoop dat degenen die moeite zijn blijven houden, en misschien meer dan dat, met het geven van toestemming voor dit huwelijk, de toewijding en de gewetensvolheid willen respecteren waarmee zijdens de regering in deze moeilijke kwestie te werk is gegaan.

Voorzitter. Ik ga op enkele onderwerpen iets specifieker in. Ik kan mij beperken tot enkele punten. Ten aanzien van de plaats van het huwelijk zijn nauwelijks opmerkingen gemaakt. Als die zijn gemaakt, waren het blijken van instemming. Uiteraard neemt de regering met voldoening van die instemming kennis.

Wat betreft de gevoelige kwestie verwijs ik in het bijzonder naar de woorden die door de heer Veling en de heer Holdijk zijn gesproken, in diverse bewoordingen, over geloofsovertuiging, doop en opvoeding van eventuele kinderen. In dit verband verwijs ik naar wat hierover in de memorie van antwoord is geschreven, in het verlengde van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. De fracties waarvan ik de woordvoerders zojuist aanhaalde, hebben hun conclusies getrokken en hun analyses gemaakt met betrekking tot hetgeen in de lijn der verwachtingen ligt, ook met betrekking tot de protestantse traditie waarin het Huis van Oranje zal blijven. Ik heb, zo zal men begrijpen, geen enkele aanleiding om daar op enigerlei wijze dan ook enige nuancering op aan te brengen, laat staan afstand van te nemen. Ik heb heel veel waardering voor het feit dat, in de woorden van de heer Holdijk, uitgesproken namens de SGP, een en ander leidt tot de conclusie dat de steun aan het wetsvoorstel niet zal worden onthouden.

Voorzitter. Het aantal opmerkingen over de nationaliteit en de inburgering is zeer beperkt gebleven. Ik meen dat zelfs de geachte afgevaardigden die een enkel woord over de gevolgde procedure spraken, niet hebben gezegd dat van een onjuiste, oneerlijke of unfaire behandeling sprake is. Dat spreekt vanzelf, omdat het beschikken over de Nederlandse nationaliteit een vereiste is voor lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Dat maakte deze bijzondere handelwijze nodig. Er zijn opmerkingen gemaakt van meer algemene aard. Ik begrijp die goed. Zonder deze situatie met een andere situatie te willen vergelijken, waarbij mensen vaak met enig ongeduld en vaak met teleurstelling kennisnemen van het feit dat aanvragen of procedures te langzaam of onbevredigend verlopen, heb ik goed kennisgenomen van deze opmerkingen. Het ligt uiteraard in het voornemen van de regering, niet in het bijzonder omdat Máxima Zorreguieta nu de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen en op haar wijze een inburgering doormaakt, luisterend naar dit soort opmerkingen, die ook breder vanuit de samenleving worden gemaakt, alles te doen en te blijven doen wat recht doet aan hetgeen waarop mensen met een potentieel Nederlands staatsburgerschap menen te kunnen rekenen. Wij moeten daarover goede informatie verschaffen, zodat men hierover niet in het onzekere behoeft te blijven. Over de inburgering komt ik overigens nog te spreken.

Voorzitter! Enkele vragen zijn gericht op de titels en de aanspreektitels van de aanstaande echtgenote van de Prins van Oranje. Op grond van haar bijzondere positie in het Koninklijk Huis, als echtgenote van de kroonprins, zullen haar bij koninklijk besluit op grond van de Wet op de adeldom de titels Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau worden verleend. Zij zal die titels niet dragen op grond van het maatschappelijk gebruik, maar krachtens eigen recht. Er zal zeker een gelegenheid zijn, als de wettelijke behandeling van het wetsvoorstel inzake het Koninklijk Huis op een later moment aan de orde is, hierover van gedachten te wisselen. Ik kom hierover laten nog te spreken. Ik wijs erop dat het verlenen van persoonlijke titels ook heeft plaatsgevonden bij prins Bernhard en prins Claus, zij het dat bij een zorgvuldige analyse verschillen zijn vast te stellen. Dat is zojuist ook aangegeven.

Het andere punt waarover blijkbaar behoefte bestaat aan enige nadere opheldering is de vraag waarom de aanstaande echtgenote van onze kroonprins straks niet in formele zin de titel Prinses van Oranje zou mogen dragen. De titel Prins van Oranje is sedert het van kracht worden van onze eerste Grondwet een functionele en tijdelijke titel. Daarin onderscheidt deze titel zich van alle andere gangbare erfelijke titels. In ons stelsel is de titel Prins van Oranje altijd exclusief verbonden geweest aan de persoon met de functie van kroonprins, de vermoedelijke opvolger van het mannelijk geslacht. De regering is voornemens om deze historische en exclusieve relatie vast te leggen in de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis. De Kamer krijgt uiteraard de gelegenheid om daarover te oordelen en hierover met de regering van gedachten te wisselen. De bedoeling is om geen onderscheid naar geslacht meer te maken. Een kroonprinses zal derhalve voortaan Prinses van Oranje zijn, naar analogie van de titel van de kroonprins.

Dat is geenszins nieuw, doch reeds bij de grondwetswijziging van 1983 aangekondigd. Wij hebben daar dus lang over gedaan. De exclusieve relatie tussen de titel en de tijdelijke hoedanigheid van vermoedelijke opvolger verdraagt zich niet met het dragen van de titel krachtens eigen recht door de echtgenote van de kroonprins, zoals ook het geval zou zijn met de echtgenoot van de kroonprinses. Een echtgenote van de kroonprins of de echtgenoot van de kroonprinses is immers geen vermoedelijke opvolger in de zin van de Grondwet.

Is daarmee alles gezegd over de aanspreektitel in het maatschappelijk gebruik? Nee. Dat is duidelijk gebleken in de schriftelijke voorbereiding en tijdens de ronde vandaag in deze warme en fraaie zaal. Het is vooral warm. Ik hou het er immers op dat de vele wuivende gebaren die worden gemaakt niet moeten worden verstaan als wegwerpgebaren, maar als uitingen van het bijna niet meer kunnen verdragen van de in deze zaal ontstane warmte. Is het maatschappelijk spraakgebruik voorgeschreven door de regering? Nee. Ik meen er wel goed aan te hebben gedaan, nog eens duidelijk aan te geven wat in formele zin bij de bepaling, handhaving en bevordering van constitutioneel juiste aanspreektitels de drijfveren van de regering zijn en zijn geweest.

Dit brengt mij bijna vanzelf bij de aanspreektitel van de aanstaande echtgenote van onze kroonprins na een op enig moment mogelijke troonswisseling. Daaromtrent heeft zich ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel iets merkwaardigs voorgedaan. Hoewel het wetsvoorstel daarop nadrukkelijk geen betrekking heeft – het gaat immers om de toestemming voor het huwelijk, niet meer en niet minder – is er op het moment van indiening over de eventuele aanspreektitel van de aanstaande echtgenote van de kroonprins spontaan een publieke discussie ontstaan. Het zou mij te ver voeren om de aanleidingen daartoe op te sporen, maar ik heb daar voor mijzelf wel een kleine analyse van gemaakt. Ik begrijp het op zichzelf wel dat die spontane discussie is ontstaan, want men wil weten waar het straks naar toe gaat, men wil een klein beetje vertrouwd raken met de toekomstige omstandigheden. Ik wijs er toch op dat dit met de formele titelverlening – de Prins van Oranje heeft de formele titel Prins van Oranje en zijn aanstaande echtgenote heeft niet de formele titel Prinses van Oranje – niets van doen heeft. Het misverstand is voor een deel ontstaan doordat men misschien heel snel heeft gedacht dat de regering met het heel snel formeel regelen van deze zaak zou anticiperen op een mogelijk niet besluiten om Máxima koningin te laten zijn. Dit heeft daarmee – ik zeg het in alle duidelijkheid – niets van doen. Ik hoop dat dit ook uit mijn toelichting van zojuist is gebleken.

De tweede reden waarom ik de opwinding nog steeds wat voorbarig vind – ik vorm een kleine minderheid in dit verband – is dat daaruit blijkt dat er echt vooruitgelopen wordt op een ander moment. Ik zie hier en daar natuurlijk vragende ogen: heeft de minister-president misschien iets in de mouw of is men ineens zo krenterig geworden dat men niet ruiterlijk wil toegeven dat het die kant op kan gaan? Ik meen dat de heer Rosenmöller ook gezegd heeft dat ik bij navraag na de indiening van het wetsvoorstel gezegd heb dat het natuurlijk heel goed in de rede kan liggen dat wij die weg straks gaan volgen. Maar ik vind wel – en dit lijkt misschien wat precies en formeel, maar dat is af en toe ook nodig – dat het echt aan de regering is op het moment waarop zich die troonswisseling zal aandienen, daaromtrent een duidelijk standpunt tegenover de Staten-Generaal in te nemen. De opvattingen die in deze vergadering naar voren zijn gebracht, zijn voor de regering op dat moment natuurlijk ook een heel belangrijk gegeven. Maar dit is een van de onderwerpen waarbij ik geleidelijkaan heb geleerd dat het credo "alles op z'n tijd" toch zo slecht nog niet is. Toen de situatie zeer hectisch leek te worden in verband met de vraag hoe het straks met het eventueel verlenen van toestemming zou moeten gaan, of het wel kon in verband met de veel genoemde achtergrond en het verleden van de vader en of er wel sprake was van voldoende eensgezindheid. Nee, alles op z'n tijd, rustig en in de goede volgorde. En als het tijdstip van de troonswisseling is aangebroken, is er alle gelegenheid voor degenen die dan de verantwoordelijkheid dragen, tot een bepaald inzicht te komen en daarover van gedachten te wisselen. Daar is niets geheimzinnigs aan. Maar als ik let op de opvattingen die nu al naar voren zijn gebracht en als ik ernaast leg wat ik erover heb gezegd, wat ook terecht is geciteerd, dan heb ik hier weinig sombere gevoelens bij. Het zal echt allemaal wel op z'n pootjes terechtkomen, maar op het goede moment en in de juiste context. Kortom, alles op z'n tijd.

Dan wil ik nog even ingaan op de kwestie titels en namen in meer algemene zin. De heer Dijkstal heeft gezegd dat de door de regering aan de Kamer aangeboden notitie niet in alle opzichten uitmunt door helderheid. Dit kan te maken hebben met het feit dat men bepaalde onderdelen ervan niet helemaal apprecieert, maar het kan ook echt zo zijn dat er hier en daar enige nadere toelichting, uitleg en gedachtewisseling nodig is. Wel, daartoe zal natuurlijk volop gelegenheid zijn zodra de Kamer de wetswijziging zal behandelen over de omvang van het Koninklijk Huis in relatie tot de kwestie van de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik heb de indruk dat wat wij nu hebben voorgesteld voor Máxima Zorreguieta, wel degelijk helder is, dat al het andere wat voor een deel betrekking heeft op het recente verleden, ook helder is en dat er vooral goed is aangegeven, welke afwegingen er zijn gemaakt en welke beslissingen er zijn genomen, maar de regering is graag bereid tot een verdere toelichting en tot het aanhoren van opvattingen hieromtrent uit de Kamer.

Dan een aantal onderwerpen die verband houden met de toekomst, in de eerste plaats het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Ik had al eerder aangegeven, het is ook in de memorie van toelichting vermeld en het is in de memorie van antwoord nog herhaald, dat de regering waarschijnlijk in het komende najaar een wetsvoorstel zal indienen dat de voornemens van het kabinet omtrent de toekomstige omvang van het Koninklijk Huis zal bevatten. Daaraan is een aantal vragen gerelateerd, de ministeriële verantwoordelijkheid betreffende. Ik zal in de memorie van toelichting bij de begroting van Algemene Zaken proberen, enige aanduiding te geven van hoe wij ons dit qua tijdsverloop en procedureel voorstellen. Ik zal proberen, de uitnodiging om thans reeds vooruit te lopen op de inhoud van deze voorstellen het hoofd te bieden, omdat het mij goed lijkt om hierover in alle rust en zeer zorgvuldig in het kabinet te spreken alvorens er hardop uitspraken over te doen, zeker als het gaat om zo'n plechtige vergadering als deze. De reden om hier aandacht aan te besteden is bij vorige gelegenheden al voldoende uiteengezet, zo meen ik.

De ministeriële verantwoordelijkheid heeft eigenlijk een paar aspecten. In het bijzonder de heer Dijkstal heeft iets gezegd over de functie hiervan in ons bestel. Het spreekt vanzelf dat het in een zekere vrijheid invulling kunnen geven aan het eigen leven, het tot uitdrukking kunnen brengen van betrokkenheid bij het wel en wee in de Nederlandse samenleving en het kunnen beschikken over een zekere privacy een groot goed is. Tegelijkertijd weten wij dat voor het onschendbare staatshoofd en degenen die zeer dicht bij het uitoefenen van de koninklijke functie staan, die hieraan met grote regelmaat zelfs ook deel hebben, de ministeriële verantwoordelijkheid zwaar moet wegen. Het is uiteraard steeds aan de volksvertegenwoordiging, als men de regering vanuit de Staten-Generaal aanspreekt op de wijze waarop deze verantwoordelijkheid ingevuld wordt, de grenzen daarvan te bepalen. Het is niet aan mij om dit van analyses te voorzien, maar het is mij in een wat grijzer verleden, maar ook in de afgelopen jaren niet ontgaan dat er niet altijd sprake was van één en dezelfde gedragslijn op dit punt. De ene keer is men meer geneigd om in detail te gaan, op kleinigheden te letten, dan de andere keer.

Maar hoe het ook zij, de ministeriële verantwoordelijkheid is voor het staatshoofd en degenen die daar in de uitoefening van de koninklijke functie dichtbij staan, in ons bestel uiteraard van grote betekenis. Het is aan de regering, aan de minister die daarvoor als eerste de verantwoordelijkheid draagt, en aan de samenleving en de volksvertegenwoordiging om te bezien hoe daarmee in wijsheid kan worden omgegaan. Als wij komen te spreken over voornemens omtrent de toekomstige omvang van het Koninklijk Huis, zullen wij ook afzonderlijke beschouwingen wijden aan de ministeriële verantwoordelijkheid, de mate waarin deze geldt en de wijze waarop deze moet worden toegepast als het gaat om leden van het Koninklijk Huis die verder van de directe uitoefening van de koninklijke functie staan. Er is, ook bij ons, grote behoefte aan om een aantal uitgangspunten daarbij nader op papier te zetten, deels gebruikmakend van eerder eigen werk of van datgene wat door anderen is gedaan of geadviseerd. Het is een belangrijk onderwerp.

Het is mij opgevallen dat een aantal geachte afgevaardigden, sprekend over de ministeriële verantwoordelijkheid, een relatie hebben gelegd met de wijze waarop de aanstaande echtgenote van de kroonprins haar leven kan invullen. Dat leven bestaat tot 2 februari uit het gegeven dat zij de aanstaande echtgenote zal zijn, waarbij intussen de toestemming voor het huwelijk straks hopelijk zal zijn verleend. Daarna is er natuurlijk het nieuwe leven na 2 februari, waarbij zij werkelijk de echtgenote is. Dan is de verantwoordelijkheid uiteraard ook in formele zin nog zwaarder dan op weg naar 2 februari.

Het is de Verenigde vergadering bekend dat er heel veel in gang is gezet om in de komende maanden de kennismaking met en de inburgering in de Nederlandse samenleving gestalte te geven. Dat heeft verschillende aspecten: een meer formele kant via werkprogramma's en werkbezoeken, maar ook op een andere manier, bijvoorbeeld via sociale contacten. Ook daarna zal de – dan – echtgenote van de kroonprins op een wijze die wij ook in de huidige situatie en in vorige situaties hebben gekend, in staat moeten zijn om, binnen de onvermijdelijke beperkingen die nu eenmaal gelden vanuit het moeten nemen en dragen van verantwoordelijkheid, een eigen invulling te geven aan datgene wat men aan prioriteiten kiest en aan belangstellingssfeer organiseert. Dat zal in goed overleg gebeuren en daar zal, wanneer nodig en waar mogelijk, uiteraard transparantie bij worden betracht. Wij hoeven daar immers geen kiekeboe over te spelen; het komt iedereen toe om daar de nodige informatie over te mogen hebben en om, daar waar dat op basis van de controlefunctie van het parlement nodig is, een oordeel over te geven. Het voornemen van het kabinet is om alles te doen wat mogelijk is om, met inachtneming van de ministeriële verantwoordelijkheid – die weegt dichtbij de uitoefening van de koninklijke functie immers zwaar – mogelijkheden te creëren en ruimte te bieden voor een eigen invulling en een eigen zingeving aan datgene wat op die eervolle, maar ook lastige en veel verantwoordelijkheden met zich brengende plaats moet worden gedaan en soms – dat is dikwijls misschien nog moeilijker – moet worden nagelaten.

Ik wil hiermee deze eerste termijn afsluiten. Het zal moeten blijken of dit ook de laatste termijn is. Laat ik het zekere voor het onzekere nemen, want ik zag zojuist een bode rondgaan en die heeft ijverig geturfd; op zijn briefje staat misschien wel zeven keer dat er geen behoefte is aan een tweede termijn. Als dit niet de laatste termijn is, zal ik het volgende straks nogmaals zeggen. Van de kant van de regering zeg ik recht uit mijn hart heel graag nogmaals dank voor de wijze waarop de fracties in de Tweede en Eerste Kamer medeverantwoordelijkheid hebben genomen en nemen in de afwegingen en de positiebepaling, waaraan de regering sturing heeft proberen te geven. Dat wordt uiteraard van de regering verwacht. Ik ben buitengewoon verheugd dat in deze bijeenkomst de te verwachten instemming met het voorgenomen huwelijk zo duidelijk en heel goed toegelicht is aangekondigd. Dat betekent dat wij hiermee een zeer belangrijke stap zetten op weg naar het huwelijk op 2 februari 2002.

Ik constateer met zeer velen dat de prins en zijn verloofde Máxima zich als paar en als twee individuen naast elkaar een bijzondere plaats in onze samenleving hebben verworven. Daar is de presentatie op 30 maart heel belangrijk bij geweest. Ook de presentatie en de verschijning in de dagen en weken daarna is daarbij van groot belang geweest. Dat betekent dat ook de regering alle reden heeft om de prins en Máxima heel veel geluk te wensen en om de hoop uit te spreken dat wij het paar met het oog op hun positie in ons staatsbestel in de toekomst vaak in de jaarlijkse bijeenkomst van de Verenigde vergadering in deze Ridderzaal zullen mogen begroeten.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

Het voorstel van (rijks)wet wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De leden Herrebrugh, Jaarsma, Meidertsma, Molenaar, Le Poole, Van Gent, Van der Lans, Pitstra, Platvoet, Pormes, Van Schijndel, De Wolff, Zwerver, Giskes en Van Walsem wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend, dat zij geacht willen worden zich niet met het voorstel van (rijks)wet te hebben kunnen verenigen.

Namens de Staten-Generaal wens ik het prinselijk paar van harte geluk. Ik spreek de hoop uit dat het komende huwelijk het prinselijk paar veel geluk en voorspoed brengt, in wederzijdse verbondenheid met het Nederlandse volk.

Sluiting 14.10 uur