U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Technisch inbeheername Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer

Door middel van deze publicatie neemt de gemeente het omgevingsplan technisch in beheer. Met dit document worden uitsluitend enige technische aanpassingen doorgevoerd.

Het bevat geen wijzigingen in de juridische inhoud van de regels en de aanpassingen hebben geen rechtsgevolg. Dit document is daarom geen besluit in de zin van de Awb en tegen deze technische aanpassingen staat geen beroep open.

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer" opgenomen in Bijlage A wordt technisch gepubliceerd.

Artikel II

Deze technische publicatie is doorgevoerd op 11‑06‑2026

Aldus uitgevoerd door Gemeente Haarlemmermeer.

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Meldingsplichtige activiteit

  • 1.

    Het is verboden zonder melding een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin hiervan te melden.

  • 2.

    Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht;

    d. de dagtekening; en

    e. als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel Artikel 5.11, tweede lid,  tweede lid, Artikel Artikel 5.11, derde lid, derde lid, enArtikel 5.11, vierde lid Artikel 5.11, vierde lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 3.

    In aanvulling op Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 4.

    In aanvulling op Artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 5.

    Artikel 5.8, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat:

    a. de locatie onverdacht is; of

    b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.

  • 6.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in:

    a. PDF-formaat; en

    b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

  • 7.

    Artikel 5.8 geldt niet als voor het bouwen een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.10 nodig is.

B

Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Aanvraagvereisten

  • 1.

    In aanvulling op Artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel Artikel 5.11, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 5.11, derde lid, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en

    c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 4.

    Artikel 5.13, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat:

    a. de locatie onverdacht is; of

    b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in:

    a. PDF-formaat; en

    b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

C

Artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.16 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing

  • 1.

    Artikel 22.27 onder a, sub 3⁰, is niet van toepassing bij een woning.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; en

    • b.

      hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.

  • 3.

    In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 5 meter;

    • b.

      afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 meter; en

    • c.

      hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.

  • 4.

    Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning.

  • 5.

    In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;

    • b.

      op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.

       

  • 6.

    In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      gelegen aan de oorspronkelijke gevel van een woning;

    • b.

      op de grond staand;

    • c.

      niet dieper dan 2,50 m;

    • d.

      niet breder dan het bijbehorend bouwwerk;

    • e.

      niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw;

    • f.

      voorzien van een plat dak.

  • 7.

    In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • b.

      niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • c.

      niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • d.

      afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m;

    • e.

      niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.

  • 8.

    In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied.

  • 9.

    In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden;

    • b.

      niet meer dan één bouwlaag;

    • c.

      niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein.

  • 10.

    In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      a. gelegen in het achtererfgebied;

    • b.

      niet hoger dan 5 m;

    • c.

      de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond;

    • d.

      een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en wordt voldaan aan de eisen bedoeld in Artikel 5.16tweede lid en Artikel 5.16derde lid; en

    • e.

      voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16negende lid.

D

Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning, en die in strijd is met dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning ook verleend als:

    • a.

      het bouwwerk niet op een bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst;

    • b.

      het gaat om een standaardoptie; of

    • c.

      het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en

      1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en

      2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een verbindend bouwwerk als bedoeld in  Artikel 5.16 , zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.16, zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als:

    • a.

      het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing; en

      1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en

      2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden

E

Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a, sub 3⁰, gestelde eis niet bij woningen.

  • 2.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    1°. voorzien van een plat dak;

    2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

     

  • 3.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erfafscheiding of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • b.

      op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat;

    • c.

      haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.

  • 4.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      gelegen aan de oorspronkelijke gevel van de woning;

    • b.

      op de grond staand;

    • c.

      diepte niet meer dan 2,50 m;

    • d.

      breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk;

    • e.

      niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw;

    • f.

      voorzien van een plat dak.

  • 5.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, gelegen in het voorerfgebied bij een woning als voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • a.

      gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • b.

      niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • c.

      niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;

    • d.

      afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m;

    • e.

      niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.

  • 6.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan een activiteit die betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied.

  • 7.

    In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii gestelde eis niet voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken die worden gebouwd bij een vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woning.

  • 8.

    In afwijking van Artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 3⁰, onder iii, bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied groter dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m².

  • 9.

    In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a sub 6°, gestelde eis voor zover deze ziet op dakterrassen niet als het dakterras voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning;

    • b.

      afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder 2 m; en

    • c.

      hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.

  • 10.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • b.

      afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m;

    • c.

      hoogte niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.

  • 11.

    In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden;

    • b.

      oppervlakte niet meer dan 50 m²;

    • c.

      niet meer dan één bouwlaag

    • d.

      diepte niet meer dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein bedoeld in artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw;

    • e.

      er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen.

  • 12.

    In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

F

Artikel 5.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.32 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.

  • 2.

    Artikel Artikel 5.32, eerste lid , eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.32, eerste lid , eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

G

Artikel 5.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.32 verstrekt.

  • 2.

    Artikel Artikel 5.33, eerste lid , eerste lid , geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.33, eerste lid, worden verstrekt in:

    a. PDF-formaat; en

    b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

H

Artikel 5.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.38 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.

  • 2.

    Artikel Artikel 5.38, eerste lid , eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.38, eerste lid , eerste lid , geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

I

Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45 Toepassing

  • 1.

    Paragraaf 5.2.11.6 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.

  • 2.

    Graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.45, eerste lid, omvat ook:

    a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    b. het tijdelijk opslaan van grond; en

    c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.45, eerste lid , eerste lid , geldt niet voor:

    a. het graven in de waterbodem;

    b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of

    c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

  • 4.

    In Paragraaf 5.2.11.6wordt verstaan onder:

    a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

J

Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.46 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.46, eerste lid , eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 4.

    In afwijking van Artikel 5.46, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van Paragraaf 5.2.11.7.

  • 5.

    Artikel Artikel 5.46, tweede lid , tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

  • 6.

    Artikel 5.46 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

K

Artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.54 Toepassing

  • 1.

    Paragraaf 5.2.11.7 gaat over het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven maximaal 25 m3 is.

  • 2.

    Kleinschalig graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.54, eerste lid, omvat ook:

    a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    b. het tijdelijk opslaan van grond; en

    c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.54, eerste lid , eerste lid , geldt niet voor:

    a. het graven in de waterbodem;

    b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of

    c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

  • 4.

    In Paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan onder:

    a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en

    d. afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.

L

Artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.55 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.54, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.

  • 3.

    Artikel Artikel 5.55, eerste lid , eerste lid , geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 4.

    In afwijking van Artikel 5.55, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden wel alle overige regels van Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 5.

    Artikel Artikel 5.55, tweede lid , tweede lid , geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

  • 6.

    Artikel 5.55 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

M

Artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.70 Melding grondstabilisatie

  • 1.

    Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Artikel Artikel 5.70, eerste lid , eerste lid , geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2.

  • 3.

    De melding bevat:

    a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt;

    b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid;

    c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over het stabilisaat;

    d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen;

    e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast;

    f. de dimensionering van de stabilisatie;

    g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie;

    h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en

    i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toevoegen van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt, beïnvloeden of op een andere manier in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  • 4.

    Artikel 5.70, derde lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  • 5.

    Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

N

Artikel 11.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.4 Overgangsrecht: vergunning van rechtswege

  • 1.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en door een wijziging van dit omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.

  • 2.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 11.4, eerste lid, vervalt van rechtswege als de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in Artikel Artikel 11.4, eerste lid,eerste lid na inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken.

O

Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Voor de toepassing van het Artikel Artikel 22.28, eerste lid en, eerstelid en Artikel Artikel 22.28, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

P

Lid 1. wordt verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. Lid 2. wordt verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. Artikel 22.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: overgangsrecht, maatregelen en informatieplicht

  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

  • [Red: Lid 1. verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. ]

  • 1 5.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • [Red: Lid 2. verplaatst van artikel 22.52a naar artikel 22.52. ]

  • 2 6.

    Op een activiteit waarop het eerste  vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel 22.52 niet van toepassing.

Q

Artikel 22.52a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

[Vervallen]

[Vervallen]

R

Lid 1. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 2. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 3. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 4. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 5. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • [Red: Lid 1. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 1 3.

    Dit artikel is Het derde t/m zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • [Red: Lid 2. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 2 4.

    Dit artikel is Het derde t/m zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • [Red: Lid 3. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 3 5.

    Dit artikel is Het derde t/m zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • [Red: Lid 4. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 4 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • [Red: Lid 5. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]

  • 5 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

S

Artikel 22.61a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

[Vervallen]

T

Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

U

Artikel 22.62a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

[Vervallen]

V

Artikel 22.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lidArtikel22.63, eerste lid , Artikel Artikel 22.63, derde lid,derde lid en Artikel 22.63, vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 - 21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

W

Artikel 22.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in Artikel Artikel 22.63, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.64, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.65, eerste lid,eerste lid en Artikel 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

X

Artikel 22.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in Artikel 22.63, eerste lid, en Artikel Artikel 22.64, eerste lid,eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Y

Artikel 22.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in Artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.119, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel Artikel 22.114, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.115, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.116, derde lid, derde lid, of Artikel 22.119, derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.117, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel Artikel 22.114, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.115, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.116, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 22.117, tweede lid, tweede lid, of Artikel 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

Z

Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen

[Vervallen]

Artikel 22.133 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.134 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.135 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Artikel 22.136 Gereserveerd

[Gereserveerd]

[Vervallen]

AA

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

bodemfunctieklasse industrie

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio45230d5f-33eb-48a6-875f-bf04b31a3479/nld@2025‑06‑04;22

Bodemfunctieklasse Industrie

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio45230d5f-33eb-48a6-875f-bf04b31a3479/nld@2026‑06‑10;12401779

bodemfunctieklasse landbouw-natuur

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio2d910484-5f43-41fd-b2c5-957bbb7b9648/nld@2025‑06‑04;20

Bodemfunctieklasse Landbouw-Natuur

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio2d910484-5f43-41fd-b2c5-957bbb7b9648/nld@2026‑06‑10;12401779

bodemfunctieklasse wonen

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio49320b60-448c-4c9d-a1db-fb390b96c200/nld@2025‑06‑04;18

Bodemfunctieklasse Wonen

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio49320b60-448c-4c9d-a1db-fb390b96c200/nld@2026‑06‑10;12401779

informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio0684f20f-51f7-4206-b972-12d2ac5c5fba/nld@2025‑06‑04;10

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio0684f20f-51f7-4206-b972-12d2ac5c5fba/nld@2026‑06‑10;12401779

verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio8bb2d81d-fd3a-4f8d-96c4-2529e8fd2fa1/nld@2025‑06‑04;12

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio8bb2d81d-fd3a-4f8d-96c4-2529e8fd2fa1/nld@2026‑06‑10;12401779

verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio3b62f11f-a52d-41bf-81e4-d4bbc57b9894/nld@2025‑06‑04;14

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio3b62f11f-a52d-41bf-81e4-d4bbc57b9894/nld@2026‑06‑10;12401779

verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio09dbd392-72ff-4700-947a-2844ec0671a0/nld@2025‑06‑04;16

/join/id/regdata/gm0394/2025/gio09dbd392-72ff-4700-947a-2844ec0671a0/nld@2026‑06‑10;12401779

BB

Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting

CC

Algemene toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Algemene toelichting

[Gereserveerd]

[Vervallen]

DD

Het opschrift van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikelsgewijze toelichtingToelichting

EE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In Artikel 1.1, eerste lid zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 . Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s (Bkl, Bbl, Bal en Omgevingsregeling) geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in de genoemde hoofdstukken.

Bijlage  Bijlage I Begripsbepalingen    bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor ge-voelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds - als omgevingswaarde - vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden - als onderdeel van het omgevingsplan - geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

FF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Specifieke zorgplicht

Artikel 5.5, eerste lid

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de in Artikel 5.2 benoemde doelen, waaronder de veiligheid, het milieu en gezondheid, te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet degene die de activiteit verricht ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor de benoemde doelen in de fysieke leefomgeving zijn. Deze zorgplicht is een nadere specificering van de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 kan daarvoor als een vangnetbepaling gezien worden.

Als activiteiten in Hoofdstuk 5 niet nader zijn geregeld maar wel ongewenste nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben, kan op basis van dit artikel opgetreden worden. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan Artikel 5.2, waarin de doelen zijn opgenomen. De specifieke zorgplicht heeft dus geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van de doelen in Artikel 5.2

Handhavend optreden is mogelijk bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Stb. 2018, 293, p. 526-527).

 Artikel Artikel 5.5, tweede lid, tweede lid

Voor zover geen omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, geldt een meldplicht. Voor deze meldplicht is deze nadere concretisering van de specifieke zorgplicht relevant.

Als er wel een vergunningplicht geldt voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, is via het samenstel van indieningsvereisten, beoordelingsregels en vergunningvoorschriften voldoende geborgd dat wordt voorkomen dat onaanvaardbare gezondheidsrisico’s optreden door blootstelling aan een verontreiniging in de bodem.

Artikel 5.5, derde lid

De inhoud van Artikel 5.5, eerste lid, sluit aan bij de formulering van de specifieke zorgplichten in Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 22.44 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van dit omgevingsplan. Om samenloop tussen de verschillende zorgplichten te voorkomen is in Artikel 5.5, derde lid, bepaald dat dit artikel alleen geldt als een van twee andere specifieke zorgplichten niet van toepassing is.

GG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.11 Beoordelingsregels

In Artikel 5.11 zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen die gelden als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 5.11 komt in de plaats van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, en Artikel 22.30, zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan.

Artikel 5.11, eerste lid

In Artikel 5.11, eerste lid, is het beoordelingskader opgenomen waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt getoetst.

Volgens Artikel 5.11, eerste lid, onder a, kan een omgevingsvergunning worden verleend als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.11, eerste lid, onder b). De waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is in Artikel Artikel 5.11, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 5.11, derde lid, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid, opgenomen.

In Artikel 5.11, eerste lid, onder a, is geregeld dat bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem een omgevingsvergunning ook kan worden verleend als aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.11, eerste lid, onder b). De sanerende maatregel wordt genomen voorafgaand aan of tijdens de bouw en in ieder geval voor het in gebruik nemen van het bodemgevoelige gebouw. Het gaat om een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2, of een sanering onder het overgangsrecht.

In de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 was opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften konden worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk voorschrift in het omgevingsplan te creëren is onderdeel b toegevoegd aan Artikel 5.11, eerste lid.

Volgens Artikel 5.11, eerste lid, onder b, sub 1°, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is (anders dan bedoeld in Artikel 5.11, eerste lid, onder a, sub 2°) die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.11, eerste lid, onder a). Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in Artikel 5.11, eerste lid, onder a, sub 2°) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning ook worden verleend onder het voorschrijven van die maatregelen of voorzieningen (zolang ook wordt voldaan aan Artikel 5.11, eerste lid, onder a). De maatregelen en voorzieningen staan in Artikel 5.12 genoemd. Artikel 5.12 werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen, voor stoffen die in bepaalde situaties gezondheidsrisico’s geven onder de waarde toelaatbare kwaliteit bodem of een verontreiniging van het grondwater die gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft. Genormeerde stoffen zijn in de meeste gevallen voldoende geregeld met Artikel 5.11, eerste lid, onder a.

Artikel 5.11, tweede lid

In Artikel 5.11, tweede lid, onder a, staat net als onder de voormalige Wet bodembescherming, dat sprake is van een overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voor de waarde toelaatbare kwaliteit bodem wordt voor de meeste gevallen de interventiewaarden bodemkwaliteit aangehouden. Deze interventiewaarden staan in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het voor de beoordeling van de aanvraag niet nodig om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van heel kleine verontreinigingen. Er zijn alleen maatregelen nodig als het gaat om een verontreiniging in meer dan 25 m3 bodemvolume boven de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem.

Voor PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) zijn geen interventiewaarden bodemkwaliteit vastgesteld en zijn dus ook geen interventiewaarden voor PFAS opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de bescherming van de gezondheid van de gebruikers van het gebouw is het nodig om voor PFAS waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen. Dit is in Artikel 5.11, tweede lid, onder b, geregeld. Ook bij een verontreiniging met PFAS geldt de ondergrens van 25 m3 bodemvolume.

Voor PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten.

Artikel 5.11, derde lid

De ondergrens van 25 m3 bodemvolume, zoals die in Artikel 5.11, tweede lid, wordt aangehouden, geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Bij het aantreffen van asbest in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, ongeacht het volume, moeten sanerende maatregelen worden genomen. De uitzondering op het volumecriterium van 25 m3 voor asbest is een voortzetting van het beleid uit de Circulaire bodemsanering onder de voormalige Wet bodembescherming.

Artikel 5.11, vierde lid

In Artikel 5.11, vierde lid, worden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood vastgesteld om inwoners in de gemeente aanvullend te beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood. Het RIVM en de GGD hebben in 2016 (https://www.rivm.nl/publicaties/diffuse-loodverontreiniging-in-bodem-advies-voor-gemeenschappelijk-beleidskader) bepaald dat de interventiewaarde voor lood onvoldoende bescherming biedt voor met name de ontwikkeling van de hersenen van jonge kinderen. Daarom volgt de gemeente het advies van het RIVM en de GGD op: op locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school), wordt een afwijkende waarde voor lood gehanteerd op basis van de risicowaardes van het RIVM en de GGD. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Voor het toetsen of sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood.

Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden (met bodemtypecorrectie) conform bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

In de onderstaande tabel zijn voor een beter begrip voor verschillende bodemgevoelige gebouwen de waarden toelaatbare kwaliteit bodem voor de stoffen lood en PFAS weergegeven.

Tabel: Waarden toelaatbare kwaliteit bodem voor lood en PFAS voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties

Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood

(in mg/kg ds)

Waarden PFOA en som-waarden PFAS-mengsels

(in µg/kg ds)

Waarden PFOS en overige PFAS (in µg/kg ds)

Ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte:

- woning

- kinderdagverblijf

- school

 

370

60

59

Ter plaatse van het gebouw:

- woning

- kinderdagverblijf

- tuin

 Ter plaatse van het gebouw inclusief eventuele tuin of andere buitenruimte:

- overige bodemgevoelige gebouwen zoals winkel, kantoor

(geen wijziging: Interventiewaarde conform bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving)

60

59

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Aanvraagvereisten

Artikel 5.13 is een aanvulling op afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling, waarin een aantal algemene aanvraagvereisten zijn opgenomen.

In Artikel 5.13 staan de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel Artikel 5.13, eerste lid , eerste lid , komt in de plaats van Artikel 22.35, onder j, van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.

Aanvullend daarop zijn Artikel 5.13, tweede lid,Artikel Artikel 5.13, derde lid, derde lid, Artikel Artikel 5.13, vierde lid, vierde lid, en Artikel Artikel 5.13, vijfde lid,vijfde lid toegevoegd voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem in artikel 8 van de Woningwet en onder de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023.

Artikel 5.13, eerste lid

Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht Artikel 5.13, eerste lid, onder a, om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden, of om eventueel vast te stellen of er andere verontreinigingen aanwezig zijn, die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen, maar waarvoor wel een interventiewaarde bodem is vastgesteld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Er kan ook sprake zijn van niet-genormeerde stoffen, waarvoor wel een detectiegrens is bepaald, maar geen interventiewaarde. In dat geval kunnen sanerende maatregelen of de maatregelen of voorzieningen bedoeld in Artikel 5.11, eerste lid, onder b, sub 2°, een voorwaarde zijn voor het bouwen.

Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanering zal plaatsvinden (Artikel 5.13, eerste lid, onder b). Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie (Artikel 5.13, eerste lid, onder c), eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in Artikel 5.12, tweede lid. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) in potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox bodem van het RIVM.

Artikel 5.13, tweede lid

In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal (juridisch is dan geen sprake van bodem), wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.

Artikel 5.13, derde lid

Voordat de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt uitgevoerd, moet eerst worden onderzocht of de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, verdacht is op het voorkomen van een specifieke bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem blijkt dat sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek (en eventueel een asbestonderzoek) moet worden uitgevoerd. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.

In de BKK-zones 1, 2, 1A en 1B van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer volstaat het om - overeenkomstig de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving - alleen bij een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Dit is een versoepeling ten opzichte van de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023. In zone 3, in niet-gezoneerde gebieden en in gebieden met te weinig gegevens is een verkennend onderzoek standaard verplicht gesteld, ook als er geen verdenking is op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In deze zones kan onder meer een diffuse verontreiniging met lood voorkomen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem.

Artikel 5.13, vierde lid

De verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt, geldt niet bij tijdelijke bouwwerken, waarbij er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke bodemverontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek.

Onder een ‘tijdelijk bouwwerk’ wordt volgens bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van maximaal 15 jaar op dezelfde locatie verstaan. Deze begripsomschrijving geldt ook voor dit omgevingsplan (Artikel 1.1).

Artikel 5.13, vijfde lid

Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport na beoordeling, geautomatiseerd en efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag, regelt Artikel 5.13, vijfde lid, dat de resultaten van een bodemonderzoek (gegevens over de bodem en het grondwater) ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) als de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven.

Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2025 Gemeente Haarlemmermeer.

II

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.16 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing

Algemeen

Artikel Artikel 5.16 verhoudt zich tot Artikel 5.19 zoals Artikel 22.27 zich verhoudt tot Artikel 22.36 . Voor de bouwwerken in Artikel 5.16 geldt weliswaar niet de vergunningplicht uit Artikel 22.26 , maar de overige regels uit het omgevingsplan, en ook de welstandseisen, blijven onverminderd van kracht. Net als het geval was bij artikel 3 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn de betreffende bouwwerken dus alleen maar vergunningsvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit het omgevingsplan wordt voldaan. Pas als de betreffende bouwwerken uit Artikel 5.16 , al dan niet met extra (rand) voorwaarden, ook zijn aangewezen in Artikel 5.19 dan leidt dit er toe dat voor deze bouwwerken, mits deze (ook) voldoen aan de in Artikel 5.19 gestelde voorwaarden, in het geheel geen vergunning nodig is. De aangewezen bouwwerken worden dan van rechtswege in overeenstemming geacht met het omgevingsplan.

Artikel Artikel 5.16, eerste lid ,   eerste lid

Dit lid bepaalt dat de eis dat bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied op een meter afstand van het openbaar gebied moeten worden gebouwd, niet geldt. Dit betekent dat ook als een bijbehorend bouwwerk op de erfgrens met het openbaar gebied wordt gebouwd, maar wel aan de overige eisen van Artikel 22.27 onder a, voldoet, de vergunningplicht van Artikel 22.26 van het omgevingsplan niet geldt. Hiermee is een dakterras nog niet geheel vergunningsvrij.

De achterliggende gedachten hiervan is dat Artikel 22.27 onder a van het omgevingsplan een voortzetting is van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht (Bor) waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3°, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Dit is dus strenger dan onder de Bor het geval was. Er is hiervoor van Rijkswege geen overgangsrecht opgenomen. Op grond van artikel 6r, tweede lid van het Besluit Chw, de wettelijke basis van het Besluit ‘Meer bouwwerken vergunningsvrij in Haarlemmermeer (2022.0000507) (hierna: Aanwijzing vergunningsvrij) was de eis dat een aangevraagd bouwwerk aan redelijke eisen van welstand moet voldoen, niet van toepassing op bouwwerken die op grond van het Besluit Chw zijn aangewezen als vergunningsvrij. In combinatie met het ontbreken van overgangsrecht is er voor gekozen om bij woningen de eis dat een bijbehorend bouwwerk tenminste een meter van het openbaar toegankelijk gebied moeten staan, te laten vervallen. Hiermee zijn de bestaande regels beleidsneutraal opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel Artikel 5.16, tweede lid , tweede lid

Dit lid komt voort uit artikel 4 onder G van de beleidsregels afwijking bestemmingsplan 2021 (2021.0001765) (hierna: Afwijkingenbeleid). Als een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied wordt gebouwd dat voldoet aan de in Artikel 22.27 , aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰ genoemde eisen, en dat bijbehorende bouwwerk wordt voorzien van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid vermelde eisen dan geldt de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet. Hiermee is de eis van Artikel 22.27 onder a sub 6 niet van toepassing in die situatie.

Artikel Artikel 5.16, derde lid ,   derde lid

Dit lid komt ook voort uit artikel 4 onder G van het Afwijkingenbeleid. De regels in het Afwijkingenbeleid maken geen onderscheid tussen dakterrassen in het achtererfgebied of het voorerfgebied. Dit lid bepaalt dat ook op aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied, maar uitsluitend gelegen achter de voorgevel van de woning, een dakterras mag worden gemaakt mits dat voldoet aan de in dit lid vermelde eisen. Er dient hierbij rekening te worden gehouden dat het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied nooit vergunningsvrij is. Dus het aangebouwde bijbehorende bouwwerk waarop het dakterras wordt gerealiseerd, moet met een vergunning zijn gebouwd.

Artikel Artikel 5.16, vierde lid ,   vierde lid

Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid bepaalt dat de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet van toepassing is als een dakkapel wordt gebouwd in het voordakvlak of een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak in een gebied waar redelijke eisen van welstand gelden, mits deze dakkapel voldoet aan alle overige eisen zoals gesteld in Artikel 22.27 , aanhef, en onder c, sub 2 tot en met 6. De onder sub 2 tot en met 6 genoemde eisen zijn gelijk aan de voor een dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar gebied gekeerde zijdakvlak geldende sneltoetscriteria zoals vastgesteld in de Welstandsnota (2020.0002340).

Artikel Artikel 5.16, vijfde lid ,   vijfde lid

Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid bepaalt dat voor groene erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 meter de vergunningenplicht uit Artikel 22.26 niet geldt, mits deze erfafscheiding achter de voorgevel wordt geplaatst, het een haag ondersteunende constructie is welke bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten, en op het perceel al een woning staat waarmee de erfafscheiding in functionele relatie staat. Feitelijk komt het er op neer dat groene erfafscheidingen onder de gestelde voorwaarden zonder vergunning mogen worden gebouwd ter afscheiding van een zijerf, ook als dat zijerf tot het voorerfgebied wordt gerekend.

Artikel Artikel 5.16, zesde lid , zesde lid

Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Het bouwen van een gebouw, of een uitbreiding daarvan, in het voorerfgebied is in principe op grond van de landelijk geldende regels voor vergunningsvrij bouwen nooit vergunningsvrij. Dit lid behelst een uitzondering op die regel, en bepaalt dat voor een bouwwerk dat een woning verbindt met een in het voorerfgebied gelegen (legaal) bijbehorend bouwwerk, bijvoorbeeld een vrijstaand schuurtje/berging, de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet geldt mits aan alle in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel Artikel 5.16, zevende lid ,   zevende lid

Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Ook hiervoor geldt dat het bouwen van bijbehorend bouwwerk (of de uitbreiding daarvan) in het voorerfgebied in principe op grond van de landelijk geldende regels voor vergunningsvrij bouwen nooit vergunningsvrij is. Deze zogenaamde “erkerbepaling” bepaalt dat de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet geldt voor een aanbouw aan de woning aan de voorzijde als deze voldoet aan de in dit lid genoemde eisen.

Artikel Artikel 5.16, achtste lid ,   achtste lid

Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. De vergunningsplicht van Artikel 22.26 geldt niet voor het veranderen of nieuw plaatsen van kozijnen of gevelpanelen in een gevel van woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied.

Op grond van artikel 2.29 aanhef en onder e van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel, isolatieplaat of boeideel, of stucwerk, bij plaatsing in of aan de achtergevel of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied, geheel vergunningsvrij. Er is geen bouwtechnische vergunning vereist, en ook geen ruimtelijke vergunning (vergunning voor omgevingsplanactiviteit). Hiermee is in het achtererfgebied meer volledig vergunningsvrij dan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was.

Voor het veranderen, of nieuw plaatsen van een isolatieplaat of boeideel, of stucwerk in een gevel die in het voorerfgebied ligt, geldt de vergunningplicht van Artikel 22.26 onverkort.

Artikel Artikel 5.16, negende lid ,   negende lid

Dit lid komt voort uit artikel 4 onder H van het Afwijkingenbeleid. De vergunningplicht van Artikel 22.26 geldt niet voor het bouwen van een kelder of souterrain als aan de gestelde eisen in dit lid wordt voldaan. Ten aanzien van de wijze van meten, negende lid onder c, is aangesloten bij het Afwijkingenbeleid. Dit om te voorkomen dat er per locatie een andere manier van meten wordt toegepast, omdat niet in alle bestemmingsplannen, die nu van rechtswege onderdeel zijn van het omgevingsplan, dezelfde wijze van meten is opgenomen.

Artikel Artikel 5.16, tiende lid ,   tiende lid

Dit lid regelt dat voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk de vergunningplicht van Artikel 22.26 ook niet geldt als tegelijkertijd met dit bijbehorend bouwwerk een ondergronds gebouw en/of een dakterras wordt gebouwd dat voldoet aan de gestelde eisen. Dit is nodig omdat anders alsnog een vergunning vereist is voor een bijbehorend bouwwerk dat in beginsel aan alle voorwaarden/eisen voldoet om als vergunningsvrij te kunnen worden aangemerkt, maar dat door het ondergrondse gebouw of het dakterras dat tegelijkertijd wordt gerealiseerd, toch vergunningplichtig wordt, terwijl, als deze volgtijdelijk worden gebouwd, en niet tegelijkertijd, voor de verschillende bouwwerken de vergunningplicht van Artikel 22.26 niet geldt. Dit komt omdat een bijbehorend bouwwerk op de grond moet staan (een ondergronds gebouw staat niet op, maar in de grond), geen dakterras, balkon, of ander niet op de grond gelegen buitenruimte mag hebben, en verblijfsgebieden alleen op de eerste bouwlaag mogen liggen.

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Algemeen

Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Dit staat in artikel 8.0a, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als de aanvraag voldoet aan die beoordelingsregels, wordt de vergunning verleend. In Artikel 22.29 zijn van rechtswege (via de Bruidsschat) beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Eén van die beoordelingsregels betreft het omgevingsplan. Er wordt alleen een vergunning verleend als het aangevraagde bouwplan binnen het omgevingsplan past. Als de aanvraag niet voldoet aan de deze beoordelingsregels van Artikel 22.29 dan wordt het vanzelf een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In Artikel 5.18 zijn beoordelingsregels opgenomen voor dakopbouwen en gelijksoortige uitbreidingen van een woning (eerste lid), en in het tweede lid voor verbindende bouwwerken en bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied. Als aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, dan wordt de vergunning toch verleend, ook als het aangevraagde bouwplan in strijd is met het omgevingsplan. Hiermee worden deze categorieën bouwwerken binnenplans vergunningplichtig. Het voordeel hiervan is dat de legeskosten lager zijn, en dat inwoners wat meer zekerheid hebben over de vraag of het zinvol is een aanvraag in te dienen. De overige regels van Artikel Artikel 22.29, eerste lid,eerste lid , onder b en c, en Artikel Artikel 22.29, tweede lid,tweede lid gelden onverkort. Dat betekent onder andere dat het aangevraagde bouwplan wel nog steeds moet voldoen aan redelijke eisen van welstand als deze voor de betreffende locatie gelden, en aan voorwaarden over bouwen van een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie.

Artikel Artikel 5.18, eerste lid ,   eerste lid

Dit lid komt voort uit artikel 6A en B van het Afwijkingenbeleid.

Artikel Artikel 5.18, tweede lid ,   tweede lid

Dit lid komt voort uit artikel 4E, vijfde lid en artikel 6A, derde lid van het Afwijkingenbeleid.

KK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Algemeen

Zie voor de algemene toelichting op dit artikel de algemene toelichting op Artikel 5.16 .

Artikel  Artikel 5.19, eerste lid   eerste lid

Artikel 
Artikel 5.19, eerste lid   eerste lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 aanhef en onder a, de eis dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27 , onder a, dat op een afstand van meer dan 1 meter van het openbare toegankelijke gebied moet worden gebouwd, niet geldt.

In combinatie met Artikel 22.27 en Artikel 5.16eerste lid leidt het eerste lid er toe dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan is toegelaten op grond van het omgevingsplan indien het bijbehorend bouwwerk aan alle overige eisen van Artikel 22.27 onder a, en de aanvullend eisen van Artikel 22.36 onder a voldoet. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.

Artikel  Artikel 5.19, tweede lid   tweede lid

In combinatie met Artikel 5.16vierde lid , leidt Artikel 5.19tweede lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlakgeen omgevingsvergunning nodig is als aan de eisen van dit lid wordt voldaan.

Artikel  Artikel 5.19, derde lid   derde lid

In combinatie met Artikel 5.16vijfde lid , leidt Artikel 5.19derde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding in het voorerfgebied geen omgevingsvergunning nodig is als aan de eisen van dit lid wordt voldaan.

Artikel  Artikel 5.19, vierde lid   vierde lid

In combinatie met Artikel 5.16zesde lid , leidt Artikel 5.19vierde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een verbindend bouwwerk in het voorerfgebied dat aan de eisen van dit lid voldoet, geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel  Artikel 5.19, vijfde lid   vijfde lid

In combinatie met Artikel 5.16zevende lid , leidt Artikel 5.19vijfde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied dat aan de eisen van dit lid voldoet, geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel  Artikel 5.19, zesde lid   zesde lid

In combinatie met Artikel 5.16achtste lid , leidt Artikel 5.19zesde lid er toe dat voor het veranderen of nieuw plaatsen van een kozijn, kozijninvulling, of gevelpaneel in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied, geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel  Artikel 5.19, zevende lid   zevende lid

Artikel 
Artikel 5.19, zevende lid   zevende lid komt voort uit het Besluit aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 aanhef en onder a, de eis van Artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van de woning functioneel ondergeschikt moet zijn, niet geldt. Als een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan niet functioneel ondergeschikt hoeft te zijn op een afstand van meer dan 4 meter dan betekent dat dat in dit bouwwerk primaire woonfuncties (dus bijvoorbeeld keuken, huiskamer, badkamer) aanwezig mogen zijn.

Artikel  Artikel 5.19, achtste lid   achtste lid

Artikel 
Artikel 5.19, achtste lid   achtste lid komt voort uit het Besluit aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid regelt dat de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in een bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m² mag zijn.

Artikel  Artikel 5.19, negende lid   negende lid

Artikel 
Artikel 5.19, negende lid   negende lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 , onder a, de eis van Artikel 22.27 , onder a sub 6⁰, niet geldt als sprake is van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen.

Artikel  Artikel 5.19, tiende lid   tiende lid

In combinatie met Artikel 5.16derde lid , leidt Artikel 5.19tiende lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel 5.19, elfde lid    lid

In combinatie met Artikel 5.16, negende lidArtikel 5.16, leidt  negende lid , leidt Artikel 5.19, elfde lid lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel 5.19, twaalfde lid    lid

In combinatie met Artikel 5.16, tiende lidArtikel 5.16, leidt  tiende lid , leidt Artikel 5.19, twaalfde lid lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan welke tegelijkertijd wordt gebouwd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.49 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak van korte duur. Er kunnen meerdere informatie- of meldplichten (voor het uitvoeren van verschillende activiteiten) zijn gedaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in Artikel 5.49 een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.47, op locatie beschikbaar te hebben.

Artikel Artikel 5.47, tweede lid , tweede lid , onder b, over het verstrekken van de resultaten van een verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende.

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.69 Melding toepassen staalslakken

Artikel 5.69, eerste lid

Artikel Artikel 5.69, eerste lid , eerste lid , bepaalt dat het toepassen van staalslakken gemeld moet worden. De reden hiervoor is dat bij het toepassen van staalslakken mogelijk nadelige effecten op de fysieke leefomgeving kunnen ontstaan, zoals een verhoging van de pH-waarde in grondwater of oppervlaktewater. Er zijn ook bouwstoffen met 5-20% staalslak zoals hydraulisch menggranulaat. Deze vallen niet onder de meldplicht voor het toepassen van staalslakken, omdat de genoemde mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant is. Bij staalslakken of bouwstoffen met meer dan 20 gewichtsprocenten staalslakken kunnen die nadelige effecten wel aan de orde zijn. De meldplicht bevat onder meer het indieningsvereiste dat beschreven moet worden welke voorzieningen en maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden toegepast (Artikel 5.69, tweede lid, onder h).

Deze meldplicht, waaraan vier weken voor de start van de activiteit moet worden voldaan, is nodig om het bevoegd gezag voldoende gelegenheid te geven om de bij de melding verstrekte informatie te beoordelen en zo nodig een controle in te plannen. Eventueel kan het bevoegd gezag (bij voorkeur voorafgaand aan de toepassing) een maatwerkvoorschrift stellen op grond van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Op basis van de gegevens bij de melding is het bevoegd gezag in de gelegenheid om toepassingen met staalslakken te registreren. Bij eventuele (onvoorziene) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, zoals een verhoogde zuurgraad van het oppervlaktewater met dode vissen tot gevolg, kan dan eerder de relatie worden gelegd met de toepassing en kunnen de te nemen maatregelen daarop worden afgestemd. Zo nodig kan alsnog een maatwerkvoorschrift door het bevoegd gezag worden gesteld ter invulling van de zorgplicht in Artikel 5.5.

Artikel 5.69, tweede lid

Artikel 5.69, tweede lid, onder a en b: Informatie over de verwachte data waarop het toepassen zal beginnen en eindigen is van belang voor het houden van fysiek toezicht. Het bevoegd gezag kan langsgaan op de locatie waar het werk wordt gerealiseerd.

Artikel Artikel 5.69, tweede lid , tweede lid ,onder c, schrift een milieuverklaring voor. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is afgegeven op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, volgt onder meer informatie over de kwaliteit van de toe passen staalslakken.

Informatie over de herkomst van de staalslakken geeft inzicht waar deze bouwstof is geproduceerd en is nodig voor de ketenhandhaving (Artikel 5.69, tweede lid, onder d). Als deze informatie is opgenomen in de milieuverklaring, dan voldoet het verstrekken van de milieuverklaring.

Het is van belang dat bekend is hoeveel staalslakken in totaal in het werk wordt toegepast (Artikel 5.69, tweede lid, onder e). Zo kan het bevoegd gezag beoordelen of sprake is van een functionele toepassing, die voldoet aan de eis van functionele hoeveelheid (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Ook kan zij haar toezichtcapaciteit afstemmen op de omvang van de toepassing. Het toepassen kan eventueel in fasen plaatsvinden, maar de hoeveelheid van al deze fasen samen moet bekend zijn.

Ook de dimensionering moet worden gemeld (Artikel 5.69, tweede lid, onder f). Hieruit kan worden opgemaakt of er inderdaad sprake is van een functionele toepassing en niet meer staalslakken wordt toepast dan noodzakelijk is voor het realiseren van de functionele toepassing (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving).

In de melding wordt volgens Artikel 5.69, tweede lid, onder g, aangegeven welke functionele toepassing (werk) wordt gerealiseerd met een onderbouwing waarom de initiatiefnemer de toepassing als functioneel ziet (zoals bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Het gaat bij de onderbouwing om de vraag of de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats of onder de omstandigheden waar deze plaatsvindt. Veelal is het realiseren van een functionele toepassing het gevolg van een ruimtelijk besluit, zoals bij de aanleg van een weg.

In artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn algemene gegevens opgenomen die steeds bij het verstrekken van gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd. Daarin is al opgenomen dat het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verricht moet worden verstrekt. Locaties waar bouwstoffen worden toegepast, bevinden zich vaak in het buitengebied en hebben niet altijd een adres. Daarom zullen in aanvulling daarop de coördinaten van de ontvangende landbodem moeten worden verstrekt (Artikel 5.69, tweede lid, onder h). Mocht van de ontvangende landbodem het adres vermeld zijn, dan kunnen de coördinaten achterwege worden gelaten.

De informatie over de locatie waar de bouwstoffen zullen worden toegepast stelt het bevoegd gezag in staat zich een beeld vormen of de voorgenomen toepassing van bouwstoffen op de beoogde locatie is toegestaan. Het kan bijvoorbeeld niet toegestaan zijn bepaalde bouwstoffen toe te passen als in het omgevingsplan de functie natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen. De omgevingsverordening van de provincie kan beperkingen opleggen aan het toepassen van bouwstoffen.

Voor de toelichting bij Artikel 5.69, tweede lid, onder h, wordt verwezen naar de toelichting bij Artikel 5.69, tweede lid.

Artikel 5.69, derde lid

In een werk kunnen verschillende partijen staalslakken worden toegepast. Een volledige melding is niet vereist als al eerder een melding is gedaan voor de functionele toepassing waarin de staalslakken worden toegepast. Dezelfde gegevens hoeven niet iedere keer opnieuw te worden gemeld als in het kader van dezelfde functionele toepassing meerdere partijen staalslakken worden toegepast. Er kan dan worden volstaan met specifieke informatie die op die partijen betrekking heeft, zoals opgenomen in het tweede lid onder a (start van de toepassing) en c (milieuverklaring).

Artikel 5.69, vierde lid

Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Zo kan het bevoegd gezag onder meer beoordelen of nog steeds sprake is van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid.

NN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in Artikel Artikel 22.28, eerste lid, eneerstelid, en Artikel Artikel 22.28, tweede lid, tweede lid, Artikel Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van Artikel 22.28, Artikel 22.38, Artikel 22.276, Artikel 22.277, Artikel 22.279 tot en met Artikel 22.282 en Artikel 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

OO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als Artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

 Voor de toepassing van de Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat - zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt - die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van Artikel 22.2 en Artikel 22.3 vergelijkbaar is, heeft Artikel 22.3 een iets andere opzet dan Artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in Artikel 22.3 voor gekozen om de Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.

PP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en-keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl1toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl.

Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.

In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m2 bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in Artikel 22.27, onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van Artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar Artikel 22.28, vierde lid, van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.

QQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal2de nota van toelichting bij het Bal.

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

-de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

-de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

-de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

-de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

-de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

-de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij Artikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van Artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

RR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Het Artikel Artikel 22.47, eerste lid,eerste lid regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in Artikel 22.52vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van Artikel Artikel 22.52a22.52, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van Artikel Artikel 22.52 of Artikel 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

 De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52 Energie: maatregelen Artikel 22.52 Energie: overgangsrecht, maatregelen en informatieplicht

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen. 

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52zesde lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het Artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het Artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

[Vervallen]

VV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. De voorrangsbepaling van Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

WW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Immissiewaarden versus emissiebeperkende maatregelen

Deze paragraaf bevat regels die zien op de immissie van het geluid, veroorzaakt door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Voor enkele milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat dat besluit regels om geluidemissie te voorkomen. Bijvoorbeeld een verplichting om de werkzaamheden binnen uit te voeren. Voor de milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in het Bal, zijn in dit omgevingsplan geen emissiebeperkende maatregelen opgenomen. Als het opleggen van (extra) maatregelen ter voorkoming van geluidemissie nodig is, dan kan dit met een maatwerkvoorschrift.

Vergunningplichtige activiteiten en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening

De geluidparagraaf geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen. Wel is er in Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan een voorrangsbepaling opgenomen voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geluidnormen en andere geluidvoorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.

Voor het vaststellen van geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning werd meestal de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gebruikt. Voor zowel vergunningverlening als het stellen van maatwerkvoorschriften bevat deze handreiking informatie. De handreiking bevat (onder meer in hoofdstuk 4) ook nu nog informatie die kan helpen bij het stellen van regels in het omgevingsplan of voorschriften voor activiteiten.

XX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij Artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Derde lid, onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

Derde lid, onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf. Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit Artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

-elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco's); of

-stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden. Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

YY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in Artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.



Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

 

Geluidgevoelig gebouw

 

Activiteiten

 

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

ZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in Artikel Artikel 22.44, derde lid,derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij Artikel 22.44, derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

AAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in Artikel 22.46 worden verstrekt.

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

[Vervallen]

CCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het in Artikel Artikel 22.63, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.64, eerste lid, eerste lid, Artikel Artikel 22.65, eerste lid,eerste lid en Artikel Artikel 22.66, eerste lid,eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingsplan zijn toegelaten én voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van Artikel Artikel 22.1, tweede lid,tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

EEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

-het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

 

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

FFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel Artikel 22.202, eerste lid,eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

GGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

-het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

 

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

HHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 artikel 5 van het verdrag van Granadavoorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de water toe -en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij Artikel 22.288.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

3 Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Naar boven