Besluit van 11 juli 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met de vaststelling van de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs en het herstel van enkele technische gebreken

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 juni 2014, nr. 639160 (10260), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 7.25a, 7.45a, derde lid, en 7.47, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juni 2014, nr. W05.14.0195/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 juli 2014, nr. WJZ/646295 (10260), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008

Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel j wordt vervangen door een nieuw onderdeel j, luidende:

j. basisregister onderwijs:

basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;.

2. In onderdeel s wordt «30 september» vervangen door: 1 oktober.

3. In onderdeel t wordt «1 oktober» vervangen door «2 oktober» en wordt «30 september» vervangen door: 1 oktober.

4. In de onderdelen r en w, wordt CRIHO telkens vervangen door: basisregister onderwijs.

B

Artikel 2.3a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «CRIHO» vervangen door: basisregister onderwijs.

2. In het tweede lid, onder b, wordt de zinsnede «door de betrokkene wordt gevolgd zonder tussentijdse beëindiging van de inschrijving voor die opleiding als bedoeld in de artikelen 7.42 en 7.42a van de wet» vervangen door: door de betrokkene wordt gevolgd in de vorm van aaneengesloten studiejaren.

C

In artikel 2.4 wordt «artikel 7.47» vervangen door: artikel 7.47, tweede lid,.

D

Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt.

E

Hoofdstuk 3, afdeling 2, vervalt.

F

Na Hoofdstuk 3, afdeling 1, wordt een nieuwe afdeling 2 ingevoegd, luidende:

AFDELING 2. BIJZONDERE NADERE VOOROPLEIDINGSEISEN LERAAR BASISONDERWIJS

Artikel 3.6. Reikwijdte
Artikel 3.7. Kennisgebieden en kennisniveaus
  • 1. De bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.25a van de wet, hebben betrekking op de kennisgebieden aardrijkskunde, geschiedenis en de natuur, waaronder biologie, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a, b, onderscheidenlijk c, van de Wet op het primair onderwijs.

  • 2. Bij ministeriële regeling wordt het vereiste niveau, bedoeld in artikel 7.25a, derde lid, tweede volzin, van de wet, op de kennisgebieden, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 3.8. Corresponderende vakken

Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld met welke vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 7.24 van de wet, een persoon kan aantonen te voldoen aan het niveau, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid.

G

In de artikelen 4.3, zesde lid, 4.8, eerste lid, en 5.2, tweede lid, wordt «CRIHO» telkens vervangen door: basisregister onderwijs.

H

Bijlage 2 vervalt.

ARTIKEL II WIJZIGING VAN HET BESLUIT VAN 26 SEPTEMBER 2012 TOT WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WHW 2008 (STB. 461)

Het besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2012, 461) wordt als volgt gewijzigd:

De artikelen VI, onderdelen D tot en met G, en VII, zevende lid, vervallen.

ARTIKEL III INWERKINGTREDING

  • 1. Artikel I, onderdelen A, onder 1 en 4, B, onder 1, D, E, G en H, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014.

  • 2. Artikel I, onderdeel A, onder 2 en 3, treedt inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2015.

  • 3. Artikel I, onderdelen B, onder 2, en C, treedt in werking met ingang van ingang van 1 september 2014.

  • 4. Artikel I, onderdeel F, treedt in werking met ingang van 1 september 2015.

  • 5. Artikel II treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 11 juli 2014

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Uitgegeven de achttiende juli 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen

Dit besluit strekt ertoe de bijzondere vooropleidingseisen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs op hoofdlijnen te regelen en daarnaast enkele technische wijzigingen door te voeren, zowel in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 zelf als in Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2012, 461).

De bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de genoemde opleiding hebben gevolgen voor diverse onderwijssectoren. De relevante sectorraden (Vereniging Hogescholen, MBO Raad en VO-raad) zijn betrokken bij het ontwerp van dit besluit en bij de uitwerking daarvan in de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs.

Het besluit leidt niet tot verhoging van administratieve lasten en heeft geen financiële gevolgen.

II Artikelen

Artikel I Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008

Onderdeel A (artikel 1.1)

In artikel VI van het Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2012, 461) zijn enkele kleine technische fouten gemaakt. Bepaalde onderdelen van dat artikel zijn bovendien inmiddels achterhaald en kunnen dus vervallen. De desbetreffende wijzigingen zijn nog niet in werking getreden. In artikel VII, zevende lid, van het besluit van 26 september 2012 is namelijk geregeld dat zij op een bij koninklijk besluit te bepalen datum in werking treden. Er is voor gekozen de technisch gebrekkige dan wel achterhaalde bepalingen niet in werking te laten treden, maar voor zover nog relevant in verbeterde vorm in het onderhavige wijzigingsbesluit op te nemen. Onderdeel A behelst de overheveling en de (terminologische) verbetering van de onderdelen D en E van artikel VI van genoemd besluit van 2012.

Onderdeel B (artikel 2.3a)

In de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs (wet van 4 december 2013, Stb. 2013, 558) is voor het hoger onderwijs met ingang van 1 januari 2014 het basisregister onderwijs geïntroduceerd. Het CRIHO bestaat dus niet langer. Artikel 2.3a wordt in verband hiermee terminologisch aangepast (onderdeel 1).

Het besluit van 13 februari 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met een uitbreiding van de categorie studenten die wettelijk collegegeld is verschuldigd (Stb. 2013, 96) beoogt studenten die meer studies tegelijk volgen financieel tegemoet te komen in die zin dat zij onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op wettelijk collegegeld. Eén van die voorwaarden is dat zij die andere opleiding ononderbroken volgen. Dat wil zeggen dat de jaarlijkse inschrijvingen voor het vastgestelde aantal studiejaren elkaar zonder onderbreking opvolgen. Daarnaast mag er geen sprake zijn van een tussentijdse beëindiging van de inschrijving voor die opleiding als bedoeld in de artikelen 7.42 en 7.42a van de wet. Deze bedoeling blijkt duidelijk uit de toelichting: het gaat immers om een tegemoetkoming aan studenten die excellent en bovengemiddeld ambitieus zijn en die dus daadwerkelijk in staat zijn om meer dan één opleiding tegelijk te volgen. Wat precies met «ononderbroken» wordt bedoeld, was echter onvoldoende helder in de tekst van artikel 2.3a tot uitdrukking gebracht. Artikel 2.3a is daarom aangepast (onderdeel 2). Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Onderdeel C (artikel 2.4)

Als gevolg van de Wet technische verbeteringen WHW (33 840) dient de verwijzing naar artikel 7.47 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), dat de gespreide betaling van collegegeld betreft, te worden aangepast.

Onderdeel D (hoofdstuk 2, afdeling 3)

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet versterking kwaliteitswaarbogen hoger onderwijs (Stb. 2013, 558) zijn de voorschriften met betrekking tot het CRIHO met ingang van 1 januari 2014 komen te vervallen. De wettelijke grondslag voor afdeling 3 van hoofdstuk 2 is daarmee eveneens komen te vervallen. Het vervallen van deze afdeling was reeds in artikel VI, onderdeel F, van het Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 461) geregeld. Het desbetreffende onderdeel is overgeheveld naar dit besluit (zie ook de toelichting bij onderdeel A).

Onderdeel E (Hoofdstuk 3, afdeling 2; oud)

De bestaande afdeling 2 van hoofdstuk 3 (aanvullende eisen met het oog op inschrijving) heeft in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2014 van de Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs (Stb. 2013, 298) geen bestaansrecht meer. Er is ook geen wettelijke grondslag meer voor een regeling bij algemene maatregel van bestuur. De desbetreffende eisen maken inmiddels deel uit van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs. Afdeling 2 van hoofdstuk 3 dient dus te vervallen. Daarvoor in de plaats komt ingevolge dit wijzigingsbesluit een nieuwe afdeling 2 waarin de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs nader worden geregeld. De wettelijke basis daarvoor is gelegen in artikel 7.25a van de wet. In de toelichting op onderdeel F zal worden ingegaan op de achtergronden van deze nieuwe vooropleidingseisen.

Onderdeel F (Hoofdstuk 3, afdeling 2; nieuw)

In haar advies «Een goede basis» dat begin 2012 werd gepubliceerd, adviseert de Commissie Kennisbases Pabo (hierna: commissie) over het vereiste niveau van de startende leraar in het basisonderwijs. Om het gewenste eindniveau te kunnen behalen is de commissie van oordeel dat kandidaat-pabostudenten voor aanvang van de opleiding moeten beschikken over voldoende kennis op het gebied van de algemeen vormende vakken Nederlands, Engels, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis en natuur&techniek. Voor de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en natuur&techniek moet het niveau hoger zijn dan het niveau van de huidige entreetoets Mens en Wereld, een niveau dat de beste leerlingen uit groep acht ook kunnen behalen. Tegelijkertijd wordt het niet realistisch geacht om voor deze vier vakken het examenniveau havo te eisen. De aanbeveling is daarom om de toelatingseisen vast te stellen op een niveau dat vergelijkbaar is met havo-3 of vmbo-t4.

Het advies van de commissie is door de pabo’s, de Vereniging Hogescholen en het kabinet positief ontvangen. De wetgever heeft als reactie op het advies in de WHW de bevoegdheid geïntroduceerd om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor pabo’s bijzondere nadere vooropleidingseisen te stellen aan instromende studenten (artikel 7.25a, geïntroduceerd bij de Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs; Stb. 2013, 298). In dit besluit wordt invulling gegeven aan dat nieuwe wettelijke voorschrift.

Vanaf studiejaar 2015–2016 moeten havisten en mbo-studenten die toegelaten willen worden tot de pabo, naast een diploma havo of mbo-4 ook over voldoende kennis beschikken op de gebieden aardrijkskunde, geschiedenis en natuur&techniek. De pabo’s zijn verplicht om voor deze vakken toelatingstoetsen aan te bieden waarmee kandidaat-studenten die geen eindexamen hebben gedaan in de corresponderende vakken in de gelegenheid worden gesteld om aan te tonen dat zij over de vereiste kennis beschikken.

Nederlandse taal, rekenen en Engels maken geen deel uit van de bijzondere nadere vooropleidingseisen. Om het kennisniveau op deze vakken te verhogen in het vo en mbo is namelijk reeds veel in gang gezet. Op termijn zullen alle leerlingen in vo en mbo examen doen in deze vakken, waarmee de kennis van de startende student op de pabo wordt geborgd door zijn diploma.

Uit een oogpunt van zorgvuldigheid wordt invoering van de bijzondere nadere vooropleidingseisen niet eerder voorzien dan met ingang van september 2015. Scholieren en mbo-studenten die in september 2015 starten met studeren in het hoger onderwijs maken echter al enkele jaren eerder de keuze voor een eindexamenpakket of opleiding. Zij zullen desgewenst worden ondersteund bij de voorbereidingen op de toelatingstoets(en).

In het nieuwe artikel 3.6 wordt tot uitdrukking gebracht dat de bijzondere nadere vooropleidingseisen niet gelden voor kandidaat-studenten met een vwo-diploma. Hetzelfde geldt voor kandidaat-studenten die in het bezit zijn van een hbo- of wo-diploma. Van deze studenten wordt verwacht dat zij voldoen aan de gestelde kennisvereisten en dat zij eventuele lacunes zelfstandig kunnen wegwerken.

In het nieuwe artikel 3.7 wordt overeenkomstig artikel 7.25a, tweede lid, van de WHW geregeld voor welke specifieke kennisgebieden bijzondere eisen gelden. Het kennisgebied «de natuur, waaronder biologie», is het wettelijke begrip volgens de Wet op het primair onderwijs (artikel 9, tweede lid, onderdeel c). Het is het equivalent van wat op de pabo’s onder «natuur&techniek» wordt verstaan. In de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs (Stcrt. 2014, 11514) zal worden vastgesteld wat het kennisniveau dient te zijn waarover kandidaat-studenten moeten beschikken om tot de pabo te worden toegelaten. In deze ministeriële regeling zijn alle overige toelatingseisen tot het hoger onderwijs geregeld. Het gaat daarbij om vooropleidingseisen, nadere vooropleidingseisen en aanvullende eisen. In het kader van harmonisering van wet- en regelgeving is het logisch om de uitwerking van de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor toelating tot de opleiding voor leraar basisonderwijs ook in deze regeling op te nemen. De gedetailleerde en betrekkelijk uitvoerige regeling van de kennisniveaus leent zich bovendien niet voor regeling bij algemene maatregel van bestuur. Zij zullen daarom in genoemde ministeriële regeling worden vastgesteld.

In deze regeling zal tevens worden vastgelegd welke vakken op de eindexamenlijst leiden tot directe toelating tot de opleiding, dat wil zeggen toelating zonder dat een toelatingstoets hoeft te worden afgelegd. Het gaat daarbij om vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 7.24 van de wet. Het zal daarbij niet gaan om vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een vwo-diploma. De bijzondere nadere vooropleidingseisen gelden immers niet voor vwo’ers. In artikel 3.8 is hiervoor een grondslag gecreëerd. Om dit meer gedetailleerde aspect van de bijzondere nadere vooropleidingseisen flexibel te kunnen regelen is er namelijk voor gekozen de vakken niet op het niveau van een algemene maatregel van bestuur, maar op het niveau van een ministeriële regeling vast te stellen. Als de opvattingen over de inhoud van de vereiste kennis voor toelating tot de pabo wijzigen en dus de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs aangepast zal moeten worden, kan het ook zo zijn dat de vakken waarmee de aspirant-student kan aantonen te beschikken over de kennis, moeten worden aangepast. Dat kan dan in dezelfde wijzigingsregeling geregeld worden.

Onderdeel G en H

Deze wijzigingen houden verband met het verdwijnen van het CRIHO en de introductie van het basisregister onderwijs (zie ook de toelichtingen bij de onderdelen A, B en D). De wijzigingen waren al eerder doorgevoerd in de onderdelen E en F van het Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2012, 461). Die onderdelen komen echter te vervallen (zie artikel II). Zij zijn overgeheveld naar het onderhavige wijzigingsbesluit.

Artikel II Wijziging van het Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2012, 461)

In artikel VI, onderdelen D tot en met G, van het Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 461) zijn enkele kleine technische, vooral terminologische, fouten gemaakt. Onderdeel G is achterhaald als gevolg van het intrekken van de Langstudeerdersmaatregel (Wet van 28 januari 2013 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het intrekken van de langstudeerdersmaatregel; Stb. 2013, 70).

De desbetreffende wijzigingen zijn nog niet in werking getreden. In artikel VII, zevende lid, van dat besluit is namelijk geregeld dat zij op een bij koninklijk besluit te bepalen datum in werking treden. Er is voor gekozen de onjuiste bepalingen niet in werking te laten treden, maar, voor zover nog relevant, te verbeteren en in het onderhavige wijzigingsbesluit op te nemen. Zie in dat verband ook de toelichting bij artikel I, onderdeel A. Artikel II regelt de intrekking van de onderdelen waarin de desbetreffende bepalingen waren opgenomen.

Artikel III Inwerkingtreding

Eerste lid

Voor artikel I, onderdeel E, geldt dat de bestaande afdeling 2 van hoofdstuk 3 (aanvullende eisen met het oog op inschrijving) in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2014 van de Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs (Stb. 2013, 298) geen bestaansrecht meer heeft. Er is vanaf dat tijdstip geen wettelijke grondslag meer voor een regeling van aanvullende eisen bij algemene maatregel van bestuur. Om die reden wordt de desbetreffende afdeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De desbetreffende eisen maken inmiddels deel uit van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs.

Voor de overige onderdelen die in het eerste lid worden genoemd, geldt het volgende. Met de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs (Stb. 2013, 588) is een aantal aanpassingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aangebracht in verband met de invoering van het gebruik van het persoonsgebonden nummer in het hoger onderwijs. Per 1 januari 2014 is dit nummer namelijk ook in het hoger onderwijs in gebruik en verstrekken instellingen niet langer gegevens aan het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, maar aan het basisregister onderwijs, zoals dat voor alle andere onderwijssectoren al gold. De gegevens die voordien aan het Centraal register inschrijving hoger onderwijs zijn geleverd, zijn nu opgenomen in het basisregister onderwijs. Op grond van de gewijzigde Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens bedoeld in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de wet, en kan worden bepaald welke van deze gegevens niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in artikel 7.52b, tweede lid. Dit alles is geregeld in een ministeriële regeling van 6 februari 2014 (Stct. van 25 februari 2014, nr. 5081).

Sinds 1 januari 2014 bestaat het Centraal register inschrijving hoger onderwijs dus niet meer, noch in juridische, noch in praktische zin. Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 is echter nog niet gewijzigd in verband met de nieuwe situatie. Dit dient alsnog te gebeuren. Genoemde onderdelen strekken daartoe. Om te voorkomen dat de onjuiste conclusie zou worden getrokken dat de gegevensverstrekking aan het basisregister onderwijs vanaf 1 januari onrechtmatig is geweest, is aan bedoelde onderdelen terugwerkende kracht verleend. Omdat het hier om een technische reparatie gaat, bestaat daartegen geen bezwaar.

Tweede lid

Als gevolg van het functioneel worden van het basisregister onderwijs voor het hoger onderwijs met ingang van 1 januari 2014 moeten in verband met de bekostiging ook de peildata worden aangepast. Om uitvoeringstechnische redenen (aanpassing geautomatiseerde systemen) wordt de inwerkingtreding van deze wijziging uitgesteld tot 1 januari 2015.

Derde lid

Onderdeel B, onder 2, betreft een reparatie van artikel 2.3a, tweede lid, onder b. Artikel 2.3a, tweede lid, onder b, is geïntroduceerd bij het Besluit van 13 februari 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met een uitbreiding van de categorie studenten die wettelijk collegegeld is verschuldigd (Stb. 2014, 96). Dit besluit treedt eveneens met ingang van 1 september 2014 in werking. Indien twee of meer algemene maatregelen van bestuur op hetzelfde tijdstip in werking treden, is voor de volgorde van inwerkingtreding in de eerste plaats de datum van vaststelling bepalend (aanwijzing 173a van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Het onderhavige besluit is later vastgesteld dan eerdergenoemd besluit van 13 februari 2014 en doet aldus de eerdere – technisch onjuiste – formulering van artikel 2.3a, tweede lid, onder b, teniet.

De inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, is afgestemd op de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging van artikel 7.47 ingevolge de Wet technische verbeteringen WHW (Stb 2014, 219).

Vierde lid

Scholen en leerlingen moeten zich kunnen voorbereiden op de nieuwe toelatingseisen voor de Pabo. Om die reden is de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, uitgesteld tot 1 september 2015.

Vijfde lid

Het gaat hier om een reparatie. De desbetreffende bepalingen kunnen onmiddellijk vervallen.

Deze toelichting wordt mede gegeven namens de Minister van Economische Zaken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven