Besluit van 8 augustus 2011 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met het aanpassen van de asielprocedure

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 mei 2011, nr. 5695285/11/6;

Gelet op de artikelen 12, derde lid, en 37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 juli 2011, nr. W03.11.0205/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 augustus 2011, nr. 5704522/11/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «procedure:» wordt voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Het laatste gedachtestreepje komt te luiden:

  • de Minister voor Immigratie en Asiel in het kader van het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:

    • 1. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;

    • 2. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel

    • 3. een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken.

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 2. de behandeling door de Minister voor Immigratie en Asiel van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000, waaronder mede wordt begrepen de aan de aanvraag voorafgaande termijn, bedoeld in artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

B

Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

  • 1. In afwijking van artikel 5 wordt aan een procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 een vergoeding toegekend van:

    • a. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde termijn tot en met het in artikel 3.113, derde lid, van dat besluit bedoelde ter kennis brengen van een afschrift van het verslag nader gehoor;

    • b. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde verstrekking van nadere gegevens tot en met het in artikel 3.114, eerste lid, van dat besluit bedoelde uitreiken van het schriftelijk voornemen tot afwijzen;

    • c. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in artikel 3.114, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde zienswijze tot en met de in artikel 3.114, zesde lid, van dat besluit bedoelde bekendmaking van de beschikking.

  • 2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.116, eerste lid, onderdeel a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een aanvullende vergoeding wordt toegekend van twee punten.

  • 3. De vergoeding op grond van het eerste lid wordt telkens met twee punten verlaagd, indien de in de onderdelen a, b of c van dat lid bedoelde rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk is verleend in de vorm van rechtshulp door een ander dan de toegevoegde rechtsbijstandverlener.

  • 4. Indien de procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt beëindigd door een beslissing op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt in afwijking van het eerste en tweede lid een vergoeding van vier punten toegekend.

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid worden aan een procedure in het kader van een tweede of volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 zeven punten toegekend. Indien deze procedure wordt beëindigd door een beslissing op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, worden hieraan evenwel twee punten toegekend.

  • 6. In afwijking van artikel 13 wordt in een procedure als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, waarin de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven de 24 uur, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld artikel 31, eerste lid, heeft goedgekeurd.

C

In artikel 23, eerste lid, onderdeel e, wordt na «Vreemdelingenwet» telkens ingevoegd: 2000.

D

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: in een onderzoeks- of opvangcentrum.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt het tijdverlet in verband met deze reis slechts eenmaal vergoed.

E

Artikel 25, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «met toestemming van het bestuur» vervalt: in een onderzoeks- of opvangcentrum.

2. Na «Vreemdelingenwet» wordt ingevoegd: 2000.

3. De tekst «voor reizen naar het onderzoeks- of opvangcentrum» wordt vervangen door: voor reizen naar de vreemdeling.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt in verband met deze reis slechts eenmaal een kilometervergoeding toegekend.

F

Aan artikel 27, tweede lid, wordt na «het bestuur» toegevoegd: , alsmede in geval van een procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL II

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria komt te luiden:

  • a. het indienen van aanvragen om toelating tot Nederland op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij de rechtzoekende met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd;.

ARTIKEL III

  • 1. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  • 2. Op aanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, om een toevoeging voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 waarin de eerste verrichting op of na 1 juli 2010 is gedaan, zijn, voor zover dit leidt tot een hogere puntentoekenning, in afwijking van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 van toepassing de regels van de op 1 juli 2010 krachtens artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht vastgestelde Beleidsregel vergoedingen voor rechtsbijstand in de nieuwe asielprocedure van de raad voor rechtsbijstand, gepubliceerd in Staatscourant 2010, 10659.

ARTIKEL IV

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2011.

  • 2. Artikel III, tweede lid, werkt terug tot en met 1 juli 2010.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 8 augustus 2011

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

Uitgegeven de negentiende augustus 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Aanleiding

Dit besluit strekt tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt) in verband met het aanpassen van de asielprocedure. Het aanpassen van de asielprocedure vloeit onder meer voort uit de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 24 juni 2008 over een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid (Kamerstukken II 2008/09, 29 344, nr. 67). Om deze aanpassing te realiseren zijn de Vreemdelingenwet 2000 (wetsvoorstel 31 994) en het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) gewijzigd. Deze aanpassing heeft ook een wijziging tot gevolg voor de verlening van rechtsbijstand aan vreemdelingen. In de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 7 oktober 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 19 637, nr. 1305) is aangekondigd dat de rechtsbijstand in de nieuwe asielprocedure alsmede de toevoeging van en de vergoeding voor rechtsbijstandverleners opnieuw wordt vormgegeven. Dit besluit strekt tot uitvoering hiervan. Met deze regeling stijgt gemiddeld genomen de vergoeding voor verleende rechtsbijstand in asielprocedures. Dit is redelijk aangezien in de nieuwe asielprocedure gemiddeld genomen de inspanningen door advocaten toenemen.

De nieuwe asielprocedure

De nieuwe asielprocedure is erop gericht asielzoekers zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De nieuwe algemene asielprocedure voorziet in een procedure van in beginsel acht dagen, waarbinnen de vreemdeling een beslissing moet hebben gekregen op diens aanvraag. Aan deze termijn gaat een rust- en voorbereidingstijd van tenminste zes dagen vooraf (artikel 3.109 Vb). In deze tijd wordt de vreemdeling rust gegund, kan er medisch advies worden uitgebracht en wordt hem gelegenheid geboden te worden voorgelicht over het verloop van de asielprocedure.

Nadat de vreemdeling op de eerste dag van de procedure de aanvraag voor de verblijfsvergunning heeft ingediend bij de Minister voor Immigratie en Asiel, wordt hij diezelfde dag aan een eerste gehoor onderworpen (artikelen 3.111 en 3.112 Vb). Gedurende de tweede dag wordt de vreemdeling in staat gesteld zich voor te bereiden op het nader gehoor, dat op de derde dag plaatsvindt (artikel 3.113, eerste en tweede lid, Vb). Op de derde dag ontvangt de vreemdeling een afschrift van het verslag van het nader gehoor, waarop hij uiterlijk op de vierde dag nadere gegevens kan verstrekken (artikel 3.113, derde en vierde lid, Vb). Een eventueel voornemen van de minister tot het afwijzen van de aanvraag wordt op de vijfde dag aan de vreemdeling uitgereikt (artikel 3.114, eerste lid, Vb). Zijn zienswijze op dat voornemen kan de vreemdeling op de zesde dag naar voren brengen (artikel 3.114, tweede lid, Vb). De uiteindelijke beschikking van de minister op de aanvraag wordt uiterlijk op de achtste dag bekendgemaakt (artikel 3.114, zesde lid, Vb). De termijnen die gelden voor de algemene asielprocedure kunnen in bepaalde gevallen worden verlengd (artikel 3.115 Vb). In dat geval beloopt de procedure maximaal veertien dagen.

Op verschillende momenten in de procedure kan blijken dat de algemene asielprocedure ongeschikt of niet langer geschikt is om de aanvraag te behandelen. Het gaat in dat geval om de situatie dat de ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure, behoudens de mogelijkheid van verlenging op grond van artikel 3.115 Vb, onvoldoende zijn om de aanvraag af te ronden. De vreemdeling komt in dat geval terecht in de verlengde asielprocedure (artikel 3.116, eerste lid, onderdeel a, Vb).

Nieuwe regeling van de vergoeding voor rechtsbijstand in asielprocedures

Een goede rechtsbijstandverlening tijdens de asielprocedure is van wezenlijk belang voor de rechtspositie van de vreemdeling. Een vreemdeling moet in staat worden gesteld om in vertrouwen en zonder terughoudendheid te kunnen spreken met een advocaat. Alle risico’s en mogelijkheden moeten in volle vrijheid kunnen worden geïnventariseerd en afgewogen. Op die manier kan de vreemdeling komen tot een verantwoorde en weloverwogen beslissing over de aanpak van zijn zaak. Door goede rechtsbijstand kunnen bovendien nodeloze procedures en opvolgende asielaanvragen worden voorkomen. Om hieraan bij te dragen moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat rechtsbijstand versnipperd wordt aangeboden. Het heeft daarom de voorkeur een vreemdeling gedurende de gehele procedure te doen bijstaan door één en dezelfde advocaat. Continuïteit van rechtsbijstand bevordert de vertrouwensband tussen de vreemdeling en de advocaat. Omdat er minder overdrachtsmomenten zijn (waardoor het risico op fouten vermindert) en de advocaat bekend raakt met de vreemdeling en diens zaak, kan rechtsbijstand efficiënter en zorgvuldiger worden verleend.

Ten behoeve van het realiseren van een goede rechtsbijstandverlening tijdens de asielprocedure, heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie de Projectgroep Urenvergoeding gevraagd om hierover te adviseren. Van deze projectgroep maakten onder meer enkele asieladvocaten, een wetenschapper en medewerkers van de raad voor rechtsbijstand deel uit. De projectgroep adviseerde om voor de rechtsbijstand in de nieuwe algemene asielprocedure (in dit kader met inbegrip van de rust- en voorbereidingstijd) een vergoeding van in totaal maximaal 12 punten toe te kennen. Dit maximum geldt voor zaken die in beginsel de gehele algemene asielprocedure doorlopen en waarbij door de advocaat op alle relevante momenten rechtsbijstand wordt verleend aan de vreemdeling. Voor rechtsbijstand in zaken die in een eerder stadium worden doorverwezen naar de verlengde asielprocedure dan wel worden ingewilligd, wordt een aangepaste vergoeding toegekend. Het voorstel heeft tot gevolg dat in beginsel de gehele asielprocedure – zowel de algemene asielprocedure als de verlengde asielprocedure – binnen het bereik van één toevoeging wordt gebracht. In de hierboven aangehaalde brief van 7 oktober 2009 is het advies van de projectgroep over de maximale vergoeding van 12 punten overgenomen. Daarbij is tevens ingegaan op de vergoedingenstructuur in geval de vreemdeling terecht komt in de verlengde asielprocedure.

De projectgroep is tot het advies over de vergoeding voor de verleende rechtsbijstand in de herziene asielprocedure gekomen op basis van een inschatting van de verwachte tijdsbesteding in een zaak. De projectgroep heeft zich daarbij onder meer gebogen over de vraag hoeveel tijd nodig zal zijn voor rechtsbijstandactiviteiten in de nieuwe procedure. Men heeft zich daarbij mede gebaseerd op ervaringen met de vroegere procedure. Voor vervolgprocedures is de oorspronkelijke toevoegingenpraktijk gehandhaafd. Voor beroep en hoger beroep worden afzonderlijke toevoegingen verleend, die in principe los staan van de nieuwe asielprocedure. De daaraan toe te kennen punten zijn daarom ook niet met dit besluit gewijzigd.

Met dit besluit is invulling gegeven aan het advies van de projectgroep alsmede de brief van 7 oktober 2009 om een maximale vergoeding toe te kennen van in beginsel 12 punten. Bij de uitwerking hiervan is vervolgens rekenschap gegeven aan de wens om de uitvoering van de nieuwe vergoedingsregeling in de praktijk zo eenvoudig mogelijk vorm te geven, ten behoeve van zowel de advocatuur als de raad voor rechtsbijstand. Daarbij is onder meer van belang dat het weliswaar kan voorkomen dat een vreemdeling op enig moment gedurende de algemene asielprocedure in de verlengde asielprocedure terecht kan komen, doch dat de stappen die worden doorlopen in de procedure daarmee niet anders worden. De overgang van de algemene asielprocedure naar de verlengde asielprocedure heeft met name effect voor de termijnen waarbinnen de stappen doorlopen moeten worden (vergelijk artikel 3.116 Vb). Om die reden ligt het bij nadere beschouwing voor de hand om voor rechtsbijstand die is verleend in het kader van een procedure rond de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in beginsel maximaal 12 punten toe te kennen, ongeacht of nu alleen de algemene asielprocedure is doorlopen, of dat gedurende de algemene asielprocedure de vreemdeling in de verlengde asielprocedure terecht is gekomen. Tevens dient geconstateerd te worden dat het feit dat een vreemdeling in de verlengde asielprocedure terecht komt, in bepaalde gevallen tot aanvullende werkzaamheden voor advocaten kan leiden. Het kan hierbij onder meer gaan om het in de brief van 7 oktober 2009 bedoelde aanvullend nader gehoor. Om die reden is het gerechtvaardigd om in geval van overgang van de algemene asielprocedure naar de verlengde asielprocedure te voorzien in een aanvullende forfaitaire vergoeding. Dit besluit voorziet hierin.

Met dit besluit is er tevens rekenschap van gegeven dat het regelmatig voorkomt dat een asielprocedure niet eindigt in een afwijzende beschikking op grond van artikel 3:114, zesde lid, Vb. Een procedure – of het nu de algemene asielprocedure is of de verlengde asielprocedure – kan ook eerder eindigen, bijvoorbeeld omdat aan de vreemdeling in een eerder stadium al een toewijzende beschikking wordt toegekend of omdat de vreemdeling zijn aanvraag gedurende de procedure intrekt. In zulke gevallen verricht de advocaat doorgaans ook minder werkzaamheden (voor het resterende deel van de procedure hoeft hij immers geen inspanningen te plegen), waardoor het redelijk is om een lagere vergoeding toe te kennen. Tevens komt het voor dat op bepaalde momenten in de procedure de rechtsbijstand niet wordt verleend door de aan hem toegevoegde advocaat, doch in de vorm van rechtshulp via een spreekuurvoorziening die wordt aangeboden in het aanmeldcentrum of de opvangvoorziening. Ook hierin voorziet dit besluit. Voor een nadere uiteenzetting van een en ander zij verwezen naar het artikelsgewijs deel van de toelichting.

Financiële gevolgen

In de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is rekening gehouden met een toename van de kosten van de in asielzaken verleende rechtsbijstand. De verwachte financiële effecten van de nieuwe vergoedingsregeling blijven binnen deze begroting, mede door de gekozen modulaire opbouw.

Consultatie en voorhang

Een concept van dit besluit is ter consultatie voorgelegd aan de Nederlandse orde van advocaten (hierna: de Orde) en de raad voor rechtsbijstand. De Orde heeft aangegeven geen aanleiding te zien advies uit te brengen. De raad voor rechtsbijstand heeft instemmend gereageerd, onder aantekening van enkele aandachtspunten.

Een ontwerp van dit besluit is overeenkomstig de op grond van artikel 49 Wrb voorschreven voorhangprocedure aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd en in de Staatscourant bekendgemaakt (Stcrt. 18 januari 2011, nr. 702). Naar aanleiding van deze voorhang heeft een schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II 2010/11, 31 753, nr. 26).

Administratieve lasten

Aan dit besluit zijn naar verwachting geen noemenswaardige bedrijfseffecten, administratieve lasten of andere nalevingskosten voor het bedrijfsleven of voor burgers verbonden. Overeenkomstig het Convenant over het beëindigen van de ex ante toetsing voorgenomen wet- en regelgeving Justitie van 24 september 2009 is dit besluit niet ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1, onderdeel b, Bvr)

Met de aangepaste definitiebepaling is het begrip «procedure» zodanig uitgebreid dat hieronder alle zaken vallen die betrekking hebben op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De oude tekst bij het laatste gedachtestreepje onder onderdeel b van het eerste lid van artikel 1 Bvr was te beperkt om voldoende grondslag te bieden voor vergoedingen voor rechtsbijstand in de nieuwe asielprocedure. Daarbij is de behandeling door de Minister voor Immigratie en Asiel van de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd opgenomen als een afzonderlijke categorie van zaken die onder het begrip «procedure» valt. Dit is gedaan om deze categorie systematisch te onderscheiden van zaken die uitsluitend zien op het inbrengen van zienswijzen tegen voorgenomen besluiten. In geval van een enkele aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is immers niet op voorhand reeds sprake van een geschil.

Op grond van dit wijzigingsbesluit geldt in zaken met betrekking tot de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 5a, eerste lid, Bvr een bijzondere vergoedingsregeling, in afwijking van artikel 5 Bvr (en daarmee in afwijking van de bijlage bij het Bvr). De vergoeding voor verleende rechtsbijstand in het kader van het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een beslissing te nemen over de weigering van een verlenging of de intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd alsmede het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een beslissing te nemen over de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan wel tot intrekking daarvan is niet veranderd met dit besluit, en blijft geregeld in artikel 5 juncto de bijlage bij het Bvr.

Artikel I, onderdeel B (nieuw artikel 5a Bvr)

Algemeen

Deze bepaling geeft een bijzondere regeling voor vergoedingen in zaken over de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze regeling geldt in afwijking van de in artikel 5 Bvr neergelegde hoofdregel, op grond waarvan de vergoeding wordt bepaald aan de hand van het aantal punten dat in de bijlage bij het Bvr voor een zaak is bepaald. In de bijlage bij het Bvr wordt onder de kop «Bestuursrechtelijke zaken» onder de categorie «asiel» onderscheid gemaakt tussen de subcategorieën «voornemen», «beroep» en «hoger beroep». Vóór de inwerkingtreding van dit besluit vielen procedures tot aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor wat betreft de vergoedingsregeling onder de subcategorie «voornemen». Met de nieuwe regeling op grond van artikel 5a is dit niet langer het geval. Onder de subcategorie «voornemen» in de bijlage vallen in de toekomst bijvoorbeeld nog wel zaken met betrekking tot een voornemen tot het afwijzen van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Om die reden is met dit besluit de bijlage op dit punt ook niet gewijzigd.

In de regeling zoals neergelegd in artikel 5a is er rekenschap van gegeven dat het mogelijk is dat niet de gehele asielprocedure wordt doorlopen, doch slechts een deel ervan, en dat het mogelijk is dat gedurende de algemene asielprocedure de vreemdeling in de verlengde asielprocedure terecht komt. Hierop wordt telkens de hoogte van de aan de advocaat toe te kennen vergoeding afgestemd.

Eerste lid; modulaire opbouw vergoeding

In het eerste lid van artikel 5a is de vergoeding voor de advocaat modulair opgebouwd. Daarbij wordt telkens per doorlopen module (onderdeel) van de procedure een forfaitair puntenaantal toegekend. Indien meerdere modules worden doorlopen, worden de daaraan toegekende puntenaantallen bij elkaar geteld, op basis waarvan de totale vergoeding voor de advocaat wordt vastgesteld. In bepaalde situaties worden aanvullende vergoedingen toegekend of kan aftrek van punten plaatsvinden. Alle modules en toegekende vergoedingen vallen onder het bereik van een en dezelfde toevoeging. Hierdoor hoeft slechts eenmaal een toevoeging te worden verleend, terwijl bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wel rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk door de advocaat verrichtte inspanningen. De regeling is daarmee voor zowel de advocatuur als de raad voor rechtsbijstand uitvoeringstechnisch relatief eenvoudig. De administratieve lasten blijven tot een minimum beperkt.

Het aantal punten dat aan een advocaat wordt toegekend voor de door hem verleende rechtsbijstand is afhankelijk van de stappen die in de asielprocedure zijn doorlopen wanneer deze eindigt. Daarbij geldt een vergoeding van vier punten voor de verleende rechtsbijstand in de periode vanaf de rust- en voorbereidingstermijn tot en met het ter kennis brengen van het verslag van het nader gehoor op de derde dag (onderdeel a). Eveneens vier punten worden toegekend voor de verleende rechtsbijstand gedurende de periode van het verstrekken van nadere gegevens op de vierde dag tot en met het moment waarop de minister het schriftelijk voornemen tot afwijzen van de aanvraag uitreikt aan de vreemdeling op de vijfde dag (onderdeel b). Tot slot worden vier punten toegekend voor de verleende rechtsbijstand in de periode van de zienswijze op het voornemen op de zesde dag tot en met het moment dat de minister de beschikking uitreikt op de achtste dag (onderdeel c).

De rechtvaardiging voor de modulaire opbouw van de vergoeding is gelegen in het feit dat de advocaat op verschillende momenten in de procedure betrokken is bij de voorbereiding van c.q. advisering over bepaalde (proces)handelingen. De toekenning van vier punten op grond van onderdeel a voorziet in een redelijke vergoeding voor de verleende rechtsbijstand aan de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn en in het kader van het eerste gehoor en de voorbereiding op het nader gehoor. Ook het verstrekken van nadere gegevens door de vreemdeling brengt mee dat de advocaat handelingen moet verrichten waarvoor een aanvullende vergoeding gerechtvaardigd is. Om deze reden ligt het omslagpunt voor het toekennen van de volgende vier punten dan ook bij het verstrekken van deze nadere gegevens. Om dezelfde redenen is het omslagpunt voor de toekenning van de laatste vier punten gelegd bij het naar voren brengen van zienswijzen door de vreemdeling op het voornemen tot afwijzen van de aanvraag. Ook dan wordt namelijk van de advocaat een aanvullende inspanning verwacht. Wanneer in de procedure alle modules zijn doorlopen, wordt in de algemene asielprocedure een vergoeding toegekend van in totaal 12 punten, hetgeen overeenkomt met het advies van de projectgroep. Wordt slechts een deel van een module doorlopen, dan ontvangt de advocaat op grond van dit systeem het volledige voor deze module geldende puntenaantal. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat in een bepaald deel van een module de rechtsbijstand niet is verleend door de advocaat van de vreemdeling, maar deze in de vorm van rechtshulp is verleend via een op een aanmeldcentrum of opvangcentrum aangeboden spreekuurvoorziening. In dat geval wordt een vermindering aangebracht op de voor die module toe te kennen vergoeding. Hierop wordt hieronder nader ingegaan, bij de toelichting op het derde lid van artikel 5a.

Ter illustratie enkele voorbeelden: wordt een aanvraag in de algemene asielprocedure ingewilligd na het verstrekken van nadere gegevens op de vierde dag, dan ontvangt de advocaat een vergoeding van 4 punten voor de module als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, alsmede een vergoeding van 4 punten wegens het deels doorlopen van de module als bedoeld in onderdeel b; derhalve een totale vergoeding van 8 punten. Wordt de aanvraag ingewilligd na het inbrengen van zienswijzen op de zesde dag, dan bedraagt de totale vergoeding 12 punten. Door in die situatie 12 punten toe te kennen, wordt er rekenschap van gegeven dat de advocaat in dat geval nagenoeg dezelfde inspanningen heeft verricht als wanneer de gehele procedure wordt doorlopen.

Door op deze wijze te differentiëren in de toe te kennen puntenaantallen ontvangt de advocaat een redelijke vergoeding die zoveel mogelijk aansluit bij de daadwerkelijk door hem verrichtte inspanningen, terwijl tevens recht wordt gedaan aan het forfaitaire stelsel van het Bvr. Opgemerkt zij dat de in de artikelen 3.112 tot en met 3.114 Vb genoemde termijnen, binnen de algemene asielprocedure, kunnen worden verlengd op grond van artikel 3.115 Vb. De procedure wordt dan in plaats van binnen acht dagen binnen 14 dagen afgerond. Deze eventuele tijdsverlenging heeft verder geen invloed op het aantal toe te kennen punten. De werkzaamheden voor de advocaat nemen met deze tijdsverlenging niet toe en de stappen in de algemene asielprocedure worden niet anders. De werkzaamheden worden verricht over een langere periode.

Tweede lid; overgang naar de verlengde asielprocedure

Het eerste lid gaat als hoofdregel uit van het doorlopen van de algemene asielprocedure. In de praktijk komt het echter regelmatig voor dat een vreemdeling gedurende algemene asielprocedure in de verlengde asielprocedure terecht komt. Hiervoor biedt het tweede lid van artikel 5a een regeling. In dat geval geldt dezelfde modulair opgebouwde vergoedingensystematiek als in de algemene asielprocedure. Aanvullend wordt een vergoeding toegekend van 2 punten, aangezien het regelmatig voorkomt dat een advocaat in de verlengde asielprocedure inspanningen moet verrichten die (doorgaans) niet voorkomen in de algemene asielprocedure. Het gaat dan bijvoorbeeld om een aanvullend nader gehoor. Wanneer een aanvraag om een verblijfsvergunning eerst een deel van de algemene asielprocedure doorloopt, en vervolgens overgaat in de verlengde asielprocedure, die eindigt in een afwijzende beschikking, dan ontvangt de advocaat voor de verleende rechtsbijstand maximaal 14 punten: 12 punten voor het doorlopen van alle modules van de procedure, aangevuld met 2 punten voor de overgang van de algemene asielprocedure naar de verlengde asielprocedure. Eindigt de verlengde asielprocedure in een eerdere stap dan een afwijzende beschikking, dan wordt de modulaire vergoedingensystematiek overeenkomstig het eerste lid van artikel 5a toegepast.

Enkele voorbeelden ter verduidelijking. Indien een aanvraag direct na het uitreiken van het verslag van het nader gehoor van de algemene asielprocedure in de verlengde asielprocedure belandt, en de aanvraag direct na het verstrekken van nadere gegevens wordt ingewilligd, ontvangt de advocaat een vergoeding van 4 punten voor de eerste module (eerste lid, onderdeel a), 4 punten voor het deels doorlopen van de tweede module (eerste lid, onderdeel b) en 2 punten aanvullende vergoeding op grond van het tweede lid derhalve in totaal 10 punten. Belandt de aanvraag na het verstrekken van nadere gegevens in de verlengde asielprocedure en wordt de aanvraag na het indienen van zienswijzen op de zevende dag ingetrokken door de vreemdeling, dan ontvangt de advocaat een vergoeding van 4 punten voor de eerste module, 4 punten voor de tweede module, 4 punten voor het deels doorlopen van de derde module (eerste lid, onderdeel c) en 2 punten op grond van het tweede lid; derhalve in totaal 14 punten.

Derde lid; rechtshulp door een ander dan de toegevoegde rechtsbijstandverlener

In de praktijk komt het regelmatig voor dat op bepaalde momenten in de asielprocedure rechtsbijstand aan de vreemdeling niet wordt verleend door de aan hem toegevoegde advocaat, doch via een spreekuurvoorziening die wordt aangeboden op het aanmeldcentrum of de opvangvoorziening. De aard van de asielprocedure en de – veelal gemengde – praktijkvoering van de advocaat brengt in de praktijk mee dat de advocaat niet op alle procesdagen in staat is de vereiste rechtsbijstand te verlenen. De spreekuurvoorziening biedt in dat geval uitkomst. De spreekuurvoorziening wordt verzorgd in de vorm van rechtshulp door juristen waarmee de raad voor rechtsbijstand een overeenkomst is aangegaan tot het verlenen van rechtshulp. Indien rechtshulp wordt verleend via de spreekuurvoorziening, verleent de toegevoegde advocaat op een onderdeel van een module geen rechtsbijstand. Daarmee dient in de aan de advocaat toe te kennen vergoedingen rekening te worden gehouden. In plaats daarvan ontvangt degene die tijdens de spreekuurvoorziening rechtshulp heeft verleend via de overeenkomst met de raad voor rechtsbijstand een vergoeding. Dit wordt geregeld in het derde lid van artikel 5a. Indien op enig moment in een module rechtsbijstand wordt verleend aan een vreemdeling in de vorm van rechtshulp door een ander dan de toegevoegde advocaat, worden op de vergoeding van de advocaat voor de betreffende module 2 punten in mindering gebracht.

In de praktijk gaat de raad voor rechtsbijstand als volgt om met de modulaire opbouw van de vergoeding. Bij aanvang van de procedure ontvangt de advocaat een toevoeging waarop een indicatie staat vermeld van de minimale vergoeding. Dit is noodzakelijk in verband met de subsidieverlening. Na afloop van de rechtsbijstandverlening wordt de subsidie door het bestuur van de raad vastgesteld. Omdat de hoogte van de subsidievaststelling afhankelijk is van de vraag welke modules zijn doorlopen, kan de subsidie achteraf ten gunste van de rechtsbijstandverlener hoger worden bijgesteld.

Vierde lid; Dublinzaken c.a.

Het vierde lid van artikel 5a ziet op de gevallen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. In de praktijk betreft het hierbij onder meer beslissingen in de zogenoemde Dublinzaken (artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000). In die zaken gaat het om een asielaanvraag die in Nederland is gedaan, maar waarbij op grond van internationale afspraken een ander land aangewezen is om de aanvraag inhoudelijk te behandelen. Doorgaans kan reeds bij binnenkomst worden vastgesteld dat de vreemdeling onder artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 valt. In dat geval kan Nederland een verzoek (claim) indienen bij een ander land om overdracht, zonder dat het asielverzoek in Nederland inhoudelijk in behandeling hoeft te worden genomen. Wordt deze claim door het andere land ingewilligd, zal de asielprocedure slechts zien op de voorgenomen Dublin-overdracht. In deze zaken kan de aanvraag in Nederland in de meeste gevallen zonder inhoudelijke beoordeling worden afgehandeld. Het betreft in deze zaken dan ook veelal een sterk vereenvoudigde rechtsvraag. Om die reden geldt voor deze zaken op grond van het vierde lid een afwijkende vergoeding van vier punten. Dezelfde vergoeding geldt voor de andere in artikel 30, eerste lid, bedoelde gevallen, waarin een aanvraag veelal zonder inhoudelijke beoordeling snel kan worden afgehandeld.

Indien het de aanvraag betreft van een vreemdeling, waarbij op grond van de Dublinverordening Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan, zal betrokkene – gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens1 (EHRM) – voorlopig niet aan Griekenland worden overgedragen. De aanvraag zal in dat geval voorlopig inhoudelijk worden behandeld, waarna de rechtsbijstandverlener een vergoeding ontvangt conform het eerste tot en met derde lid van artikel 5a Bvr.

Vijfde lid; tweede of volgende aanvraag

Het vijfde lid ziet op gevallen waarin er sprake is van een tweede of volgende aanvraag. In veel gevallen zal de raad voor rechtsbijstand een verzoek om een toevoeging in een dergelijk geval kunnen afwijzen op grond van artikel 3 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Indien een toevoeging wel wordt verleend, dan wordt aan de in dat kader verleende rechtsbijstand een vergoeding van zeven punten toegekend. Daarbij doet het niet ter zake of de vreemdeling op enig moment van de algemene asielprocedure in de verlengde asielprocedure terecht komt en in welke module de procedure eindigt. Een lagere vergoeding is in dit geval gerechtvaardigd aangezien het dossier van de vreemdeling doorgaans al bekend is of eenvoudig toegankelijk is. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat lichtvaardig herhaalde aanvragen om een verblijfsvergunning worden ingediend. De regeling van het vijfde lid geldt in afwachting van een definitieve regeling over vergoedingen voor rechtsbijstand in vervolgprocedures, zoals aangekondigd in het regeerakkoord en gedoogakkoord van 30 september 2010.

Zesde lid; bewerkelijke zaken

Het zesde lid geeft tot slot een afwijkende regeling voor bewerkelijke zaken bij de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Volledige aansluiting bij de regeling van artikel 13 (drie maal het aantal uren dat voor de betreffende procedure is bepaald) is niet goed mogelijk, aangezien dit als gevolg van de modulaire opbouw van de vergoedingsregeling voor rechtsbijstand in asielzaken en de systematiek van de regeling voor bewerkelijke zaken tot complexe uitvoeringstechnische problemen zou leiden. Om deze reden is voor bewerkelijke zaken bij de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het zesde lid voorzien in een bijzondere regeling. Deze is ontleend aan het tweede lid van artikel 13.

Voor een rechtsbijstandverlener bestaat overigens de mogelijkheid om een lichte adviestoevoeging aan te vragen, wanneer dit nodig is in het kader van rechtsbijstandverlening aan een vreemdeling die na het intakegesprek met de rechtsbijstandverlener, maar nog voor de verlening van de toevoeging in de asielprocedure, met onbekende bestemming is vertrokken. De aanvraag en verlening van een toevoeging verloopt in dat geval via de gebruikelijke weg. Wanneer voor rechtsbijstandverlening aan een vreemdeling een toevoeging voor de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure kan worden verleend, wordt geen adviestoevoeging verleend.

Artikel I, onderdeel C (artikel 23 Bvr)

Met deze wijziging is een onjuiste verwijzing naar de Vreemdelingenwet 2000 hersteld.

Artikel I, onderdelen D en E (artikelen 24 en 25 Bvr)

De wijziging van deze artikelen houdt verband met het achterhaald gebruik van het begrip «onderzoeks- of opvangcentrum». Voorts is in artikel 25, tweede lid, een onjuiste verwijzing naar de Vreemdelingenwet 2000 hersteld. Het nieuwe vijfde lid van de artikelen 24 en 25 Bvr beoogt te expliciteren dat een rechtsbijstandverlener die een reis aflegt om rechtsbijstand te verlenen aan meerdere rechtszoekenden slechts eenmaal het reistijdverlet vergoed krijgt en ook slechts eenmaal een kilometervergoeding krijgt toegekend. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een advocaat naar een aanmeldcentrum afreist om achtereenvolgens aan meerdere asielzoekers op dezelfde dag en op dezelfde plaats ondersteuning te bieden. De werking van het nieuwe vijfde lid strekt zich overigens ook uit tot andere rechtsgebieden dan het vreemdelingenrecht. De regel dat in genoemde gevallen slechts eenmaal wordt gedeclareerd in verband met de reis, vloeit ook voort uit het gedrag dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt.

Artikel I, onderdeel F (artikel 27 Bvr)

Op grond van artikel 27 Bvr wordt aan rechtsbijstandverleners per toevoeging een forfaitaire vergoeding toegekend. Deze vergoeding beoogt de kosten te dekken die rechtsbijstandverleners maken bij de aanvraag van een toevoeging. In geval van een toevoeging in het kader van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd hoeft de rechtsbijstandverlener in de praktijk geen of nauwelijks administratieve handelingen te verrichten. Aan vreemdelingen wordt aan het begin van de nieuwe asielprocedure standaard rechtsbijstandverlening aangeboden, waarna het bestuur van de raad zorg draagt voor de toevoeging van een rechtsbijstandverlener. Deze toevoegingen lopen daardoor feitelijk op dezelfde wijze als ambtshalve toevoegingen. Aangezien de toegevoegde advocaat in dit geval geen administratieve handelingen hoeft te verrichten voor de aanvraag om een toevoeging, wordt met een wijziging van het tweede lid van artikel 27 Bvr de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd uitgezonderd van een vergoeding voor administratieve kosten.

Artikel II (artikel 8 Brt)

De oude formulering het eerste lid, onderdeel a, van artikel 8 Brt was niet meer correct omdat werd verwezen naar de Vreemdelingenwet, die inmiddels is vervangen door de Vreemdelingenwet 2000. De oorspronkelijke bepaling beoogde te bereiken dat aanvragen om regulier verblijf in Nederland buiten het bereik van een toevoeging blijven. De gewijzigde formulering van deze bepaling is ook hierop toegespitst.

Artikel III en IV

De nieuwe asielprocedure is inwerking getreden op 1 juli 2010. In de periode van 1 juli 2010 tot aan de inwerkingtreding van dit besluit zijn de vergoedingen voor de rechtsbijstandverlening in het kader van de nieuwe asielprocedure toegekend op grond van een tijdelijke beleidsregel van de raad voor rechtsbijstand (Beleidsregel vergoedingen voor rechtsbijstand in de nieuwe asielprocedure van de raad voor rechtsbijstand, Stcrt. 8 juli 2010, nr. 10659). De vergoedingen voor verleende rechtsbijstand op grond van deze beleidsregel zijn in de praktijk nagenoeg altijd gunstiger voor de advocaat dan de oude vergoedingsregeling. Mocht in individuele gevallen de vergoeding op grond van het Bvr zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor de rechtsbijstandverlener gunstiger uitpakken dan de beleidsregel, dan geldt de vergoeding op grond van de oude tekst van het Bvr. Om die reden bepaalt artikel III, eerste lid, dat op aanvragen om een toevoeging die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit het oude recht van toepassing blijft.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven


X Noot
1

EHRM 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven