Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Huis der Koningin (I) voor het jaar 2004 (29200 I);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Algemene Zaken (III) voor het jaar 2004 (29200 III).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng in eerste termijn. Er zijn veel opmerkingen gemaakt en suggesties gedaan. De inbreng van de kant van de Kamer laat zien dat er heel wat omgaat bij het ministerie van Algemene Zaken, het kleinste ministerie in Den Haag met zeer relevante taken. Algemene Zaken is immers bij uitstek het ministerie dat in het hart staat van de besluitvorming van de regering. Zowel inhoudelijk als wat betreft de communicatie coördineert Algemene Zaken het regeringsbeleid. Tevens verzorgt het ministerie de woordvoering van het Koninklijk Huis en ondersteunt het ministerie bij mijn verantwoordelijkheid voor het onschendbare staatshoofd en leden van het Koninklijk Huis. Daarnaast is de onafhankelijke Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid onderdeel van AZ. Sedert vorig jaar geldt dat ook voor de onafhankelijke commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Al met al een brede oriëntatie vanuit dit coördinerend ministerie, dat derhalve minder gemakkelijk in VBTB-termen te vangen is dan de vakministeries. Bij het overigens grootste onderdeel van AZ, dat de uitvoering van de communicatie richting burgers verzorgt, publiek en communicatie, wordt er met streefcijfers, outputdoelstellingen en kengetallen gewerkt. Daarmee laten wij zien dat die werkwijze ook bij AZ heel goed mogelijk is en overigens ook zeer nuttig is voor de verantwoording.

Binnen die brede oriëntatie leg ik volgend jaar drie politiekinhoudelijke accenten. In de eerste plaats de stimulering van het waarden- en normendebat. In de tweede plaats het leiden van het recent opgerichte Innovatieplatflorm. In de derde plaats het succesvol voorbereiden en afronden van het voorzitterschap van de Europese Unie. In de begrotingshoofdstukken en in de nadere schriftelijke vragen en antwoorden is daar reeds het nodige over gewisseld. Ook bij de algemene politieke beschouwingen, die recent zijn gehouden, zijn die onderwerpen aan de orde geweest.

Ik kom toe aan specifieke behandeling van de diverse thema's die zijn opgebracht langs de volgende lijnen. In de eerste plaats sta ik stil bij het onderwerp waarden en normen, vervolgens bij het Innovatieplatform, daarna bij het Europees voorzitterschap, de overheidscommunicatie, de discussie over het Kabinet van de Koningin en meer in het bijzonder over hoofdstuk III en ten slotte bij de resterende punten zoals de VBTB-discussie en de politiek assistent.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Ik heb vragen gesteld over de situatie van primus inter pares en dergelijke.

Minister Balkenende:

Het eerste onderwerp kent drie onderdelen. Het eerste onderdeel zal ik aan het einde van mijn betoog behandelen.

Het onderwerp waarden en normen is door verschillende sprekers naar voren gebracht. Ik noem mevrouw Smilde, de heer Rouvoet, de heer Van der Vlies en de heer Dittrich. De overdracht en handhaving van waarden en normen blijft voor het kabinet en mijzelf persoonlijk belangrijke thema's. Wij moeten niet alleen over waarden en normen praten. Wij moeten vooral ook de daad bij het woord voegen. Dat betekent dat waarden en normen herkenbaar terug moeten komen in het beleid, vooral op een aantal terreinen dat zich daarvoor bij uitstek leent, zoals onderwijs, veiligheid, justitie, jeugdbeleid en integratie. In de begrotingshoofdstukken worden juist op deze terreinen concrete maatregelen getroffen in relatie tot de versterking en handhaving van de waarden en normen. Mevrouw Smilde maakte de opmerking dat hier inderdaad een regierol ligt voor de minister-president. De individuele bewindspersonen zijn verantwoordelijk voor de maatregelen die op hun beleidsterreinen worden genomen. De Kamer wordt hiervan op de hoogte gehouden, onder andere via de begrotingsstukken. De overheid neemt op deze manier haar verantwoordelijkheid. Dat neemt niet weg dat mensen in het land primair zelf verantwoordelijk zijn voor een fatsoenlijke en respectvolle omgang met elkaar, voor de opvoeding van hun kinderen en voor de leefbaarheid van straat en buurt. Gelukkig voelen veel burgers en organisaties die verantwoordelijkheid, blijkens tal van initiatieven die vanuit de samenleving zijn opgekomen ter ondersteuning van waarden en normen. De communicatieaanpak onder leiding van de RVD is er mede op gericht deze maatschappelijke initiatieven te ondersteunen en te stimuleren en het debat hierover gaande te houden. Dit in antwoord op de vraag van de heer Rouvoet. De uitnodiging om aan het debat deel te nemen, geldt uiteraard ook voor de kerken die daartoe overigens al de nodige initiatieven hebben genomen. U kunt daarbij denken aan het uitwisselen van ervaringen en het uitlichten van goede voorbeelden. De beste plek voor het publieke debat over waarden en normen is natuurlijk het lokale niveau, daar waar het samenleven van mensen het meest concreet aan de orde is. Naast de landelijke activiteiten zou ik ook voorstander zijn van zogenaamde townhall meetings om de problemen in buurten en wijken te bespreken. Ik wil daar zelf ook een stimulerende en participerende rol in spelen tijdens werkbezoeken. De kerken kunnen daar veel bij betekenen, bijvoorbeeld ook in het plaatselijk jongerenbeleid en daarnaast natuurlijk ook tal van andere organisaties. Landelijk is weinig aansporing nodig omdat de verschillende kerken zich inmiddels al duidelijk hebben laten horen, zoals onlangs nog bleek in Hardinxveld-Giessendam, waar ook de leden Rouvoet en Van der Vlies bij aanwezig waren.

De heer Dittrich ging in meer algemene zin in op het vraagstuk van waarden in de samenleving. Hij sprak bijvoorbeeld over onderwerpen als de vrijheid van partnerkeuze, beroepskeuze en geloof, het principe van vrije meningsuiting. Al die waarden kan ik natuurlijk zonder meer onderschrijven. In het kader van waarden en normen sprak hij ook over de nationale identiteit en deed hij de suggestie om daar bij het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie aandacht aan te besteden, bijvoorbeeld in de vorm van een internationale conferentie en betrokkenheid van de WRR. Ik zeg hem graag toe dat het kabinet in het kader van dat voorzitterschap aandacht voor waarden en normen zal vragen. De gedachte van een conferentie was overigens ook al bij mijzelf ontstaan, vooral toen ik een gesprek had met de hoogleraren Amitai Etzione en Benjamin Barber die in Washington zeer betrokken zijn bij waarden in de samenleving en die ook sterk de betekenis onderlijnden van de wijze van omgaan met die gedeelde waarden en normen in een multiculturele samenleving. Het lijken mij in ieder geval heel interessante aanknopingspunten om in het kader van het voorzitterschap daar aandacht voor te vragen.

Voorzitter. Al met al kunt u ervan uitgaan dat dit onderwerp hoog op de agenda blijft staan, zoals de burgers ook van ons verlangen. Dat blijkt ook wel uit de belevingsmonitor. Het thema waarden en normen staat hoog op de agenda bij de mensen in Nederland.

Enkele opmerkingen over het Innovatieplatform. Ook hierbij gaat het om geen woorden maar daden. Het is dus een actiegericht platform, acties die aansluiten bij de knelpunten in de gehele innovatieketen. Het gaat daarbij om de ontwikkeling van kennis, de overdracht van kennis, de transfer, en het commercieel aanwenden van kennis. Enerzijds gaat het om maatregelen die de overheid zelf kan nemen, anderzijds betreft het een katalyserende rol richting bedrijven en kennisinstellingen. De vraag is natuurlijk ook welke bijdrage zij kunnen leveren. Het gaat om vraagstukken waarbij overheid, kennisinstellingen en bedrijven voor een gemeenschappelijke inspanning staan. Het is dan ook goed om daar gemeenschappelijk de schouders onder te zetten. Er is duidelijk een gezamenlijk enthousiasme om daar werk van te maken. De heer Dittrich vroeg hoe dat vervolgens doorwerkt naar de samenleving. Daarbij kan gedacht worden aan verwerking in het beleid van de ministeries, het uitdragen van de conclusies door de leden in hun eigen netwerken en het betrekken van anderen via diverse werkvormen, werkbezoeken, brainstorms en werkgroepen.

De heren Van Bommel en Vendrik hebben gelijk als zij zeggen dat de BVE-sector niet in het platform is vertegenwoordigd en dat ook veel anderen er niet in zitten. Het lijstje van de heer Vendrik was nogal indrukwekkend. Er is echter ook niet gestreefd naar een representatieve samenstelling, wel naar een zo evenwichtig mogelijke samenstelling. Bovendien geldt dat kennis die niet rechtstreeks in het platform voorhanden is op tal van manieren kan worden aangeboord. De leden van het platform hebben immers contacten met veel anderen, er zijn brainstorms en werkgroepen. Natuurlijk zal op zich veel aandacht worden besteed aan het beroepsonderwijs. De heer Leijnse heeft al op de eerste bijeenkomst zeer nadrukkelijk over dat onderwerp gesproken. Mevrouw Smilde sprak over de agro-voedselcluster dat niet vertegenwoordigd zou zijn. Mevrouw prof. Ivonne Rietjens, hoogleraar toxicologie in Wageningen heeft op dat punt echter haar sporen verdiend. In die zin kan zij die kennis dus ook inbrengen. Als het gaat om de dienstensector wijs ik nog op de heer Rinnooy Kan. Ik noem maar een aantal leden van het platform dat zeer veel affiniteit heeft met de zaken die daarin naar voren komen.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. De minister-president verwijst naar de gehele hierbij betrokken innovatieketen. Hij noemt de voorzitter van de HBO-raad die gesproken zou hebben over de BVE-sector, dus mbo en vmbo. Dat is toch raar, want juist het mbo en het vmbo hebben te maken met het midden- en kleinbedrijf, een belangrijke sector en een belangrijk deel van het onderwijsproces. Waarom is die kennisinstelling niet expliciet zelf vertegenwoordigd? De BVE-raad is daar uitermate goed voor toegerust.

Minister Balkenende:

Ik verwijs naar de zojuist door mij gemaakte opmerking dat wij niet hebben gestreefd naar een representatieve samenstelling van het platform. Wij hebben wel gezocht naar een zodanige bemensing van het platform, dat de verschillende componenten zijn vertegenwoordigd en dat wij genoeg knowhow hebben. Die componenten zijn de kennisinstellingen, het bedrijfsleven en de overheid. Vervolgens gaat het om wat er wordt besproken en hoe verder wordt gegaan. Er is al afgesproken om met name de situatie in de hele sector van het beroepsonderwijs, dus van het vmbo tot het hbo, op heel korte termijn nader te bespreken. Los van de aanwezigheid van een representant van de instelling die de heer Van Bommel noemt, komt dit thema aan de orde. Wij hebben namelijk allemaal het gevoel dat wij problemen krijgen als daar niet beter wordt gepresteerd op het vlak van schooluitval en vele andere zaken. Het probleem is dus onderkend. Ook is er al afgesproken om tijdens de volgende bijeenkomst in november over dit onderwerp te spreken.

De heer Van Bommel (SP):

De minister-president benadrukt zelf het belang. Wij zijn het daarover dus helemaal met elkaar eens en staan niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Mijns inziens zijn de heer Leijnse en de HBO-raad juist níet de aangewezen instellingen. Het gaat mij niet om representativiteit in brede zin, maar expliciet om de hele beroepskolom in het onderwijs. Ik roep de minister-president derhalve op om echt te kijken naar de mogelijkheid om iemand uit die sector aan het platform toe te voegen.

Minister Balkenende:

Ik ben geen voorstander van een discussie over toe te voegen mensen. Ik heb heel duidelijk gezegd dat de samenstelling is zoals zij is. Wij zullen echter door middel van diverse werkvormen, brainstorms, conferenties en werkbezoeken proberen om zoveel mogelijk kennis te genereren en mensen bij elkaar te brengen teneinde te komen tot inhoudelijke vooruitgang. Het lijkt mij dat het parlement suggereert om de hele sector van het beroepsonderwijs duidelijk in kaart te brengen, te bespreken en met voorstellen te komen. Dat zal ik in overweging nemen en daarom heb ik gezegd dat dit punt bij de kennismakingsbijeenkomst al duidelijk is onderstreept en dat bij de eerstvolgende bijeenkomst er al over wordt gepraat. Ik denk dat wij zodoende in ieder geval materieel tegemoetkomen aan hetgeen de Kamer terecht naar voren brengt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik ben het met de minister-president eens dat de aanwezigheid van bepaalde mensen uit bepaalde kringen nog geen garantie biedt voor een wervende inhoud. Dat zien wij ook aan dit kabinet. De bewindslieden zijn stuk voor stuk best aardige mensen, maar het beleid dat zij voorstaan, is tegenstrijdig. Ik hoef geen representatieve afspiegeling van de kenniseconomie in het Innovatieplatform te zien, maar het valt mij op dat één aspect van de kenniseconomie zwaar oververtegenwoordigd is, namelijk de bètakant. Ik zie verder weinig jonge honden, afgezien van de heer Nauta – dank overigens dat hij secretaris van het platform is geworden. Het platform is dus sterk geconcentreerd op één kant van de kenniseconomie. Ik mis diversiteit en ook een soort springerigheid, terwijl zo'n Innovatieplatform dat mijns inziens goed kan gebruiken.

Minister Balkenende:

Ik heb heel goed geluisterd naar de heer Vendrik en naar zijn opmerking over de bètaoriëntatie. Hij heeft gewezen op de culturele kant van het vraagstuk en hij heeft gesproken over het thema duurzaamheid.

Het is misschien goed om in algemene zin te zeggen waarom het Innovatieplatform is opgericht. Eerst werd verwacht dat dit platform heel breed zou worden opgetuigd en tal van sectoren erin zouden zijn vertegenwoordigd. Daarna hebben wij besloten om met een zekere focus te beginnen. Wij hebben toen gekozen voor de hardere kant van de economie, omdat wij daar tekortkomingen zien. In de overdracht van beschikbare kennis aan het bedrijfsleven lopen zaken niet goed. Wij hebben dus besloten om daarmee te beginnen en in de loop van het proces verder te kijken. Het thema duurzaamheid is bijvoorbeeld al met de heer Wijffels besproken en zal zeker nog besproken worden. De bètaoriëntatie hangt samen met de noodzaak om het productieve vermogen van onze economie te versterken. Dit belang staat voorop. Wij staan aan het begin van de rit. Het platform zal niet slechts enkele maanden bestaan, maar de hele kabinetsperiode. Wij hebben dus tal van mogelijkheden, maar wij willen doelgericht en actiegericht te werk gaan. Wij willen een concrete agenda hanteren en niet te veel praten, maar vooral resultaten boeken. Dat is de houding van de leden van het platform. Tegen de heer Van Bommel kan ik zeggen dat mij is opgevallen dat er al is gesproken over het beroepsonderwijs en over de vraag of het halen van kenniswerkers uit andere landen door iets wordt belemmerd. Ook dat thema is aan de orde gesteld. Zo zijn er meer onderwerpen die nu al worden bekeken. Over de financiering van onderzoek wordt al gesproken. Daarnaast moet het platform ook een appèlfunctie krijgen, mede in het licht van de internationale vergelijking van de uitgaven aan onderwijs. Het Nederlandse bedrijfsleven schiet eigenlijk tekort ten aanzien van research and development. Het Innovatieplatform zal proberen ervoor te zorgen dat het bedrijfsleven hieraan meer aandacht besteedt.

De heer Vendrik verwees naar de heer Nauta, de secretaris van het platform, als een van de weinige "jonge honden". Met zijn stichting Nederland kennisland timmert hij aan de weg bij het bevorderen van innovatie. Hij is echter niet de enige "jonge hond". Zo maakt de heer De Jager, een jonge ondernemer van begin 30 met veel ervaring in de ICT-wereld, deel uit van het platform. Hij heeft veel contacten met leeftijdsgenoten en heeft op basis daarvan een mening over tekortkomingen, het stimuleren van ondernemerschap en het wegnemen van belemmeringen. Het is overigens niet de bedoeling dat het een "Haagse club" wordt, die alleen maar vergaderingen organiseert; wij willen het land in en dingen entameren. Als ik de heer Vendrik en andere sprekers hoor, proef ik een engagement om er echt iets van te maken. In dat kader hoop ik hierover regelmatig met de Kamer te spreken, mede om de voortgang te bewaken. Overigens is dat niet alleen mijn verantwoordelijkheid; ook de bewindslieden van OCW en van EZ hebben daarin een taak. De signalen uit de Kamer, die ik zal overbrengen aan het platform, weerspiegelen de hier bestaande interesse, betrokkenheid en oriëntatie. Uiteraard ben ik altijd bereid om over dit onderwerp met de Kamer van gedachten te wisselen en verantwoording af te leggen. Dit is een buitengewoon belangrijk onderwerp in het licht van de Nederlandse bijdrage aan de Lissabon-strategie. Daarbij spelen naast de overheid ook de sociale partners een belangrijke rol. In dat licht ben ik zeer ingenomen met de stimulerende opmerkingen van de Kamer.

Het voorzitterschap van de Europese Unie is een volgend speerpunt in mijn werkzaamheden bij het ministerie. De heer Van Beek heeft gevraagd hoe de regering tijdens het voorzitterschap van de EU zal omgaan met tegengestelde belangen van het voorzitterschap en van de lidstaat Nederland. In algemene zin zal de regering hetzelfde opereren als andere voorzitterschappen van de EU en als voorgaande Nederlandse voorzitterschappen. De Kamer weet hoe er wordt gewerkt. De Nederlandse delegatie zal in alle onderhandelingen tijdens het Nederlandse voorzitterschap het Nederlandse belang verdedigen. Daarnaast heeft Nederland als voorzitter de opdracht in het algemene belang het besluitvormingsproces van de EU in goede banen te leiden en in het voorkomende geval te zoeken naar een aanvaardbaar compromis. Het is denkbaar dat Nederland als voorzitter bij het zoeken naar een compromis voorrang moet geven aan het algemene belang. Dit zal de regering niet doen dan na uiterst zorgvuldige afweging. Ook dat hoort bij de combinatie van staan voor je eigen belangen en het tegelijkertijd vervullen van het voorzitterschap. Juist om een zorgvuldig proces te verzekeren worden in het voorbereidingstraject en in het onderhandelingstraject de functies van voorzitter en van Nederlandse delegatie van elkaar gescheiden. Daarbij moet goed worden aangegeven wat er gebeurt en namens wie wordt gesproken. De behandeling van de financiële perspectieven ligt genuanceerder. Wij verwachten niet dat die voor 2005 zal worden afgerond. Tijdens ons voorzitterschap zullen wij ervoor proberen te zorgen dat de wensen van lidstaat Nederland goed worden begeleid, zodat een effectief eindspel in 2005 mogelijk is. Ik hoef de Kamer niet te vertellen hoe belangrijk het is dat het debat over de financiële perspectieven voor 2007-2013 in goede banen wordt geleid.

Mevrouw Smilde heeft een belangrijke vraag gesteld over de implementatie van de EU-richtlijnen: hoe zorgt Nederland ervoor dat de achterstand bij de implementatie van de richtlijnen wordt ingelopen? Ook ik maak mij zorgen over de bestaande achterstanden. De coördinatie van de tijdige implementatie van richtlijnen berust bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in samenwerking met het ministerie van Justitie. Binnenkort zal de ministerraad zich buigen over een plan van aanpak met diverse concrete voorstellen om op korte termijn de achterstanden zoveel mogelijk weg te werken. Mevrouw Smilde heeft daarmee terecht een belangrijk onderwerp aangesneden en het kabinet zet zich ervoor in dit probleem op te lossen. Ik verwijs dus naar dat binnenkort te verschijnen plan van aanpak.

Mevrouw Smilde, maar ook de heer Herben hebben een vraag gesteld over de communicatie rondom het Europees voorzitterschap. Het is vaker gewisseld in dit huis dat het Europees voorzitterschap zal worden aangegrepen om de communicatie over Europa te intensiveren en te bundelen. Er komt een gezamenlijk communicatieplan voor alle ministeries met als doel de burgers zo goed mogelijk te informeren over belangrijke thema's, zoals de toekomst van Europa en de verkiezingen voor het Europees Parlement. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zorgt voor de coördinatie.

Voorzitter. Ik kom toe aan een volgend blok van vragen. Dit blok betreft het communicatiebeleid. Een eerste vraag van mevrouw Smilde heeft betrekking op het uitdragen van de boodschap van de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Ik kan deze vraag zeer goed plaatsen, omdat de bevordering van de eigen verantwoordelijkheid een van de kernelementen is bij de beleidsoriëntatie van dit kabinet. Men zal bij de interviews tot nu toe, bij de presentatie van de Miljoenennota en in het debat over de algemene politieke beschouwingen gemerkt hebben dat alle bewindslieden de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid op het eigen beleidsterrein actief uitdragen. Daarbij staat centraal dat de overheid en de burger elk hun eigen verantwoordelijkheid hebben bij het oplossen van de problemen. De bewindslieden geven op hun beleidsterrein steeds aan waarvoor de overheid dient te zorgen en waar het gebied begint waar de burger een eigen verantwoordelijkheid heeft. Ik geef een voorbeeld. Ik draag zelf de verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van waarden en normen. Op een website zullen interessante en aansprekende voorbeelden uit de praktijk van gemeenten, organisaties en instellingen worden geplaatst. Andere geïnteresseerden kunnen van deze goede voorbeelden kennisnemen en zich erdoor laten inspireren. Als informatiemakelaar vervult de overheid hierbij dus een stimulerende rol. Het daadwerkelijk nemen van concrete initiatieven op lokaal en sectoraal niveau is echter een verantwoordelijkheid die bij gemeenten, scholen, organisaties, instellingen, bedrijven en individuele burgers ligt.

De heer Van Beek heeft een vraag gesteld die velen van ons bezighoudt, namelijk een vraag over het lekken van informatie. Hij heeft zijn punt duidelijk gebracht. Ik kan zijn opmerkingen eigenlijk alleen maar onderschrijven. Het is van groot belang dat de informatievoorziening vanuit de regering gecoördineerd verloopt. Daarom heb ik vanaf de start van dit kabinet veel geïnvesteerd in goede onderlinge verhoudingen, juist omdat de eenheid van het kabinetsbeleid, van het regeringsbeleid cruciaal is. Overigens blijft het een permanente opdracht, zowel voor het kabinet als voor de Tweede Kamer, om lekken zoveel mogelijk tegen te gaan, al was het maar om te voorkomen dat burgers het spoor bijster raken. Daarom zullen we het proces van begrotingsbesprekingen en de publiciteit daar omheen nog eens tegen het licht houden. We zullen de manier waarop het nu weer is gegaan evalueren. De boodschap is helder: het komt de eenheid van beleid niet ten goede wanneer steeds in partjes over zaken wordt gesproken. Daardoor ontbreekt het zicht op het totaal. Dat is niet goed. Er is wat dat betreft een verantwoordelijkheid voor alle betrokkenen, te beginnen bovenaan de trap, bij de top van het ambtelijk apparaat en de top van de politiek met een uitwaaiering naar onderen. Dit is een gemeenschappelijk proces. Door anders te handelen zou je een ordentelijk debat over het beleid frustreren. Dit was de boodschap van de geachte afgevaardigde en die nemen wij ons ter harte. Ik heb aangegeven dat wij het proces nog eens op ons zullen laten inwerken en daarbij zullen wij zeker nagaan welke verbeteringen moeten worden aangebracht, want die zijn nodig.

De heer Dittrich heeft vragen gesteld over de coproducties. Meer in het bijzonder heeft hij een vraag gesteld over de programma's waaraan door de rijksoverheid en anderen is meebetaald. Het Commissariaat voor de media heeft aangekondigd te zullen onderzoeken of de Mediawet is overtreden. De uitkomsten kunnen voor het eind van het jaar worden verwacht. Het debat daarover kan met de staatssecretaris van OCW worden gevoerd. De overheid heeft ook zelf regels voor coproducties waarbij ministeries en omroepen samenwerken bij het tot stand brengen van voorlichtende programma's op radio en tv. Als minister-president draag ik daarvoor een coördinerende verantwoordelijkheid. Die komt onder meer tot uitdrukking in het overzicht dat de Kamer jaarlijks bereikt. Op de merites van afzonderlijke plannen zijn de verantwoordelijke ministers aanspreekbaar. Laat er geen misverstand over bestaan: ik ben tegen stiekeme beïnvloeding met gebruikmaking van gemeenschapsgeld. Duidelijke regels en goed toezicht zijn nodig. De afgelopen jaren is er in deze Kamer uitgebreid van gedachten gewisseld over de coproducties. Mijn ambtsvoorganger heeft aangekondigd dat de bestaande richtlijn zou worden aangescherpt. Dat is gebeurd. Het kabinet buigt zich daar binnenkort over. Zonder op die besluitvorming vooruit te lopen, schets ik een aantal kernpunten van de voorgestelde regeling.

De bijdrage van de overheid en de reden waarom wordt bijgedragen moeten duidelijk in beeld worden gebracht. De maximaal toegestane bijdrage van de overheid of via de overheid gesubsidieerde organen mag niet meer dan 50% van de kosten bedragen. De regeling is van toepassing op ministeries en tot de overheid behorende bestuursorganen. Alle voorgenomen coproducties moeten tijdig worden gemeld bij en getoetst door de RVD. Ook coproducties met een educatief karakter moeten worden gemeld. De programmatische verantwoordelijkheid ligt bij de omroepen. Na de besluitvorming in de ministerraad zal de regeling uiteraard aan de Kamer worden gestuurd, zodat wij daarover nader met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

De heer Dittrich vroeg naar de voortgang van het actieprogramma overheidscommunicatie en de voortgang van de modernisering van de communicatiefunctie bij de ministeries. Het actieprogramma overheidscommunicatie heeft tot doel structurele verbeteringen te bewerkstelligen in het bereik, de methodiek, de organisatie en de infrastructuur van de overheidscommunicatie. Een aantal projecten van het actieprogramma is al afgerond en onderdeel geworden van de staande praktijk. Ik noem als voorbeeld de regeringswebsite, regering.nl, de belevingsmonitor waarvan de Kamer de rapporten heeft ontvangen, en de uitbouw van Postbus 51 tot contactcentrum waar burgers zowel telefonisch als via e-mail terechtkunnen en waar zij ook zelf via internet alle antwoorden kunnen vinden. Voor de projecten die in 2004 zullen worden opgepakt en verder uitgevoerd, verwijs ik graag naar de antwoorden op de schriftelijke vragen.

De heer Dittrich heeft ook een vraag gesteld over niet aanvaard beleid. Hij onderschrijft de beleidslijn in dezen. Ik herinner mij dat wij ook vorig jaar hierover hebben gesproken. Hij vraagt om evaluatie van de richtlijn als enige tijd ervaring is opgedaan. Ik neem die suggestie graag over.

De heer Dittrich heeft in verband met de professionalisering van de overheidscommunicatie verwezen naar de academie voor overheidscommunicatie. Deze academie is een jaar geleden opgericht om kennis en expertise op het gebied van communicatie met de rijksoverheid te bundelen, toegankelijk te maken, over te dragen en verder te ontwikkelen. Dat is een belangrijke stap in de verdere professionalisering van de communicatie op rijksniveau. Deze academie organiseert cursussen en trainingen en maandelijkse bijeenkomsten rond actuele thema's. De academie richt zich op communicatiemedewerkers, beleidsambtenaren en managers bij de rijksoverheid. Er wordt gewerkt aan een systeem voor rijksbreed kennismanagement en aan innovatie op het gebied van overheidscommunicatie. Hierbij wordt nauw samengewerkt met het hoger onderwijs; zo is er bijvoorbeeld programmatische samenwerking met het lectoraat overheidscommunicatie van de Hogeschool Utrecht.

Mevrouw Smilde heeft gevraagd naar de experimenten op internet om de dialoog tussen politici en burgers te bevorderen. Het gebruik van internet om rechtstreeks met burgers in contact te komen juich ik toe. Het is een goede methode om de afstand tussen overheid en burger te overbruggen. Daarom zijn wij gestart met de website regering.nl, waaraan binnenkort audio-, video en interactieve mogelijkheden worden toegevoegd. Initiatieven zoals van de collega's Remkes, De Graaf en Zalm zijn interessante voorbeelden. Natuurlijk bereik je met internet niet iedereen en daarom zullen wij ook aan de meer traditionele voorlichtingsmiddelen aandacht blijven besteden. Wij moeten proberen iedereen te bereiken.

Mevrouw Smilde heeft ook gevraagd om een verbetering van de afstemming tussen diensten rond voorlichting. Op het gebied van voorlichting wordt intensief samengewerkt tussen de verschillende ministeries, vooral bij het coördineren en ontwikkelen van het algemeen voorlichtingsbeleid. In de voorlichtingsraad worden campagnes en grote voorlichtingsprojecten op elkaar afgestemd. Een ander voorbeeld is de media-inkoop, waar door bundeling van krachten duidelijk inkoopvoordelen kunnen worden gerealiseerd. Samenwerking tussen ministeries wordt verder geïntensiveerd. Zo zal de beantwoording van vragen van burgers verder worden geconcentreerd bij Postbus 51.

Ik kom op de notitie over het Kabinet van de Koningin. De aanleiding voor deze notitie was de motie-Kalsbeek van 12 maart jl. Daarin werd gevraagd ten spoedigste al het nodige te doen opdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet van de Koningin ten volle tot gelding kan worden gebracht. Als voorbeeld werd genoemd het in hoofdstuk III van de rijksbegroting onderbrengen van dit kabinet. Het is goed om ook in dit debat nog eens op te merken dat de context van de notitie natuurlijk ook wordt bepaald door de notitie Beschouwingen over het koningschap van 15 september 2000 waarover door de Kamer met het toenmalige kabinet is gedebatteerd. Daar waar in de notitie die vandaag voorligt wordt gesproken over de positie van het constitutioneel koningschap, is dit geheel conform de eerder met deze Kamer besproken beschouwing. Ook de Raad van State heeft in zijn advies het belang aangegeven om de consistentie en continuïteit van deze beschouwing als context vast te houden. De heer Van der Vlies sprak in dezen van de staatsrechtelijke punten op de i. Ik sluit mij bij zijn woorden aan.

Het hoofdthema, dat ook in de motie besloten zit en onderdeel vormde van eerdere debatten, is dat van de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik complimenteer mevrouw Kalsbeek voor haar historische exposé op dit punt, waarbij zij aangaf hoe het debat zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld. Steeds zien wij dat het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid daarbij aan de orde is. Die verantwoordelijkheid is er, is er volledig en heeft sinds 1848 ook altijd bestaan. In de notitie wordt dit onomwonden gesteld. De Raad van State bevestigt dit ook.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Het grappige is echter dat zij ook altijd betwist is geweest. Er wordt steeds gesteld dat die verantwoordelijkheid bestaat, maar dat wordt vervolgens ook steeds betwist.

Minister Balkenende:

Ik dank u voor deze aanvulling. Ik weerspreek u niet, want u heeft daarin gelijk. Feit is wel dat wij sinds 1848 bezig zijn met het debat over de ministeriële verantwoordelijkheid. Het is goed om te memoreren dat de Raad van State instemt met de omschrijving van de staatsrechtelijke positie van het Kabinet van de Koningin en de daaraan verbonden conclusies. Als afgeleide van dit algemene punt zijn de nodige vragen gesteld, die ik nu beantwoord.

De heer Dittrich vroeg bij wie de ministeriële verantwoordelijkheid ligt. Wij moeten dan kijken naar de staatsrechtelijke situatie van ons land. In beginsel ligt die verantwoordelijkheid bij alle ministers, want de Grondwet bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn voor de Koning. In de praktijk effectueer ik als minister-president die veelal in eerste instantie, mede gezien mijn verantwoordelijkheid voor het optreden in algemene zin van de Koning. Dat geldt vanzelfsprekend geheel en al ook richting het Kabinet van de Koningin. In artikel 3 van de proeve van het koninklijk besluit en de toelichting is dat ook onderlijnd. Ingeval van twijfel moet de directeur van het kabinet te allen tijde de minister-president informeren.

De heer Vendrik stelde de vraag: wie heeft het laatste woord? Hij gaf een voorbeeld met betrekking tot de AIVD. Het antwoord is helder. In het geval van dat voorbeeld heeft de minister van BZK het laatste woord. De minister van BZK doet dat uiteraard in overleg met de minister-president. In gevallen waarin het concrete voorbeeld niet op het terrein van een andere minister ligt, ligt dat laatste woord bij mij, zoals dat ook geldt voor algemene vragen betreffende de koninklijke functie en het Kabinet van de Koningin.

Ik kom dan op het daarmee samenhangende punt betreffende de thematiek van de invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid. In de notitie is aangegeven dat als volgt ten volle invulling wordt gegeven aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Er verandert wel degelijk iets. Dan kom ik op de vraag rond hoofdstuk III, wat een van de kernpunten in het debat was. Bij de instrumentering van de ministeriële verantwoordelijkheid zijn drie punten van belang. In de eerste plaats is er een regeling, een proeve van een KB, waarin de taken worden bepaald. Mevrouw Kalsbeek vond het goed dat die taken nu worden opgesomd en neergelegd in een document. Dat maakt helder dat het Kabinet van de Koningin alleen ondersteunende taken heeft: het archiveren van stukken, het doorzenden van verzoekschriften, het regelen van externe contacten en van het verkeer binnen de Kroon. In de tweede plaats is er de inlichtingenplicht. De formulering van deze inlichtingenplicht is nieuw. Dat is ook een feitelijke verandering. Om elk misverstand te voorkomen, heeft de regering gekozen voor een zware formulering, namelijk: de directeur moet tijdig de ministers informeren, dat wil zeggen voorafgaand aan externe contacten, zodat indien nodig heroverweging kan plaatsvinden. Dat klinkt misschien wat onvriendelijk, maar het is wel duidelijk. In antwoord op wat mevrouw Smilde over de helderheid van de formulering heeft gezegd, deel ik mede dat wij de toelichting van het KB naar aanleiding van haar opmerking zullen aanpassen. Wij zullen zorgen dat dit goed wordt geformuleerd. In de derde plaats is er de bevestiging dat de directeur van het Kabinet van de Koningin op voordracht van mij kan worden benoemd en ontslagen in overleg met de minister van BZK. Dat is uiteraard een uiterste middel.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Ik weet niet zeker of ik u kan overtuigen, maar ik doe een poging. U geeft zelf de argumenten waarom het goed is om het Kabinet van de Koningin onder hoofdstuk III te brengen. U zegt zelf dat de directeur wordt benoemd door de minister van Algemene Zaken. Op pagina 11 van uw notitie staat over de inlichtingenplicht dat de daarbij genoemde bepalingen gelet op diens eerste verantwoordelijkheid voor de Koning de minister-president in het bijzonder betreffen. Wederom ligt dus weer de prioriteit bij Algemene Zaken. Ik begrijp niet hoe dit punt, waarmee ik het op zichzelf eens ben, zich verhoudt tot uw verzet tegen het overbrengen van het Kabinet van de Koningin naar hoofdstuk III.

Minister Balkenende:

Ik begrijp uw vraag. De discussie over hoofdstuk III wil ik aan het slot van dit onderdeel aan de orde stellen. Eerst wil ik aangeven hoe ik aankijk tegen de ministeriële verantwoordelijkheid, waarna ik als sluitstuk wil komen bij uw suggestie.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het antwoord is klip en klaar: de minister terzake, dan wel de minister-president, heeft gewoon het laatste woord over het functioneren van het Kabinet van de Koningin. Waarom staat dat dan bijvoorbeeld niet in de artikelsgewijze toelichting op de proeve van een nieuw KB? Waarom laat u daarover op papier toch twijfel ontstaan?

Minister Balkenende:

Dit raakt de hele discussie over hoofdstuk III. Ik stel daarom voor, daarop dan terug te komen. Ik kom dan ook toe aan de verhouding tussen de minister-president en anderen, en de reden waarom wordt gekozen voor hoofdstuk II, dan wel hoofdstuk III.

De vraag is, wie nu eigenlijk beoordeelt. Is het instrumentarium voldoende om te gebieden?Balkenende Uiteraard beoordelen de verantwoordelijke ministers of de inlichtingenplicht wordt nageleefd. Ministers, en medewerkers namens hen, hebben zeer regelmatig contact met de directeur van het Kabinet van de Koningin. Er is dus een voortdurend proces van elkaar op de hoogte brengen. In de staatsrechtelijke verhoudingen zijn ministers, en met name de minister-president, in hun frequent en regulier contact met de Koningin goed in staat aan te geven indien inlichtingen nopen tot heroverweging. Aangezien de ministeriële verantwoordelijkheid geldt, zijn zulke verzoeken van ministers uiteraard niet betekenisloos. Ik wijs in dit verband op een eerdere vraag van de heer Vendrik. Het laatste woord ligt bij mij. Ook het feit dat de minister-president in overeenstemming met de minister van BZK over benoeming en ontslag van de directeur van het Kabinet gaat, bevestigt dit. Heel belangrijk: de Kamer kan ministers in het algemeen en de minister-president in het bijzonder te allen tijde ter verantwoording roepen in de Kamer, ook over de naleving en invulling van de inlichtingenplicht.

De heer Van Bommel (SP):

De minister-president zei dat hij in de keten van inlichtingen verschaffen en het afleggen van verantwoording het laatste woord heeft. Maar in de artikelsgewijze toelichting wordt dat niet zo gesteld. Daar wordt verwezen naar ministers die opmerkingen kunnen maken aan het adres van de Koningin. Zo staat het ook in het artikel zelf. Ligt het laatste woord als het gaat om ge- en verbieden wel bij de minister-president? Dat is dan niet aan de orde.

Minister Balkenende:

Uw vraag is terecht, en wij moeten haar in samenhang zien met de grondwettelijke bepalingen, waarin staat dat de Koning onschendbaar is, en de ministers verantwoordelijk zijn. Wij hebben het dus over een collectieve verantwoordelijkheid van de ministers voor het functioneren van de Koning. Als je praat over de Koning, kun je dus ook praten over de functie van het Kabinet van de Koningin. In het feitelijk functioneren is de rol van de minister-president een bijzondere, omdat het toch een soort overkoepelende rol is. Ik heb net een voorbeeld aangegeven: als sprake is van onduidelijkheid, komt dat bij de minister-president terecht. Als het gaat om benoeming en ontslag, is dat een verantwoordelijkheid van de minister-president in overleg met BZK. Er is dus een soort laatste instantie waarbij je terechtkunt, namelijk de minister-president. Dat geldt in de reguliere contacten met de Koningin, met de Koning, maar dat sluit andere contacten natuurlijk niet uit. De discussie gaat over de vraag, hoe de ministeriële verantwoordelijkheid van afzonderlijke ministers zich verhoudt tot het Kabinet van de Koningin. Die verantwoordelijkheid blijft natuurlijk overeind. Maar dat neemt niet weg dat de ministers en de minister-president kunnen worden aangesproken op het geheel. Die totaliteit moet onder ogen worden gezien. Je moet daartoe ook een sluitend stelsel hebben van ministeriële verantwoordelijkheid. Dat is precies de reden waarom ik heb aangegeven dat de ministeriële verantwoordelijkheid volledig is. Waar eerdere debatten wellicht nog aanleiding gaven tot onduidelijkheid, hebben wij gezegd dat die onduidelijkheid moet verdwijnen. Volledige ministeriële verantwoordelijkheid, inlichtingenplicht, omschrijving van de taken, dat samenspel maakt dat sprake is van een sluitend geheel. Dat is beoogd aan te geven in de notitie, en dat is de strekking waarmee de proeve van een KB moet worden gelezen.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Mijn vraag blijft dezelfde. Het gat zit daar waar u zegt dat het laatste woord bij u ligt. Op het moment dat een minister via de inlichtingenplicht geïnformeerd wordt over contacten met derden, waarvan die minister zegt dat dit hem niet bevalt, kan de minister op dat punt rechtstreeks naar het staatshoofd gaan en dan kan hij ook uw hulp inroepen, maar dan ligt nog steeds het laatste woord niet bij u. U kunt dan naar het staatshoofd gaan en dan is de vraag aan de orde wie de beslissing neemt over het contact met derden. Volgens mij bieden de artikelen u niet de ruimte om op dat moment tegen de directeur van het Kabinet van de Koningin te zeggen: dit is ongewenst, dit gaat niet door.

Minister Balkenende:

Wij komen later nog te spreken over het onderwerp eenheid van kabinetsbeleid aan de hand van de opmerkingen van mevrouw Kalsbeek. Waar het gaat om de inlichtingenplicht en het functioneren van afzonderlijke ministers, wijs ik erop dat niet alleen gekeken moet worden naar de afzonderlijke minister voor een bepaald beleidsterrein, maar dat die ook gezien moet worden als onderdeel van de totaliteit. Bij complexe vraagstukken kan men er zeker van zijn dat een afzonderlijke minister zo nodig contact zal opnemen met de minister-president wanneer daartoe aanleiding bestaat. In veel gevallen zal dat niet nodig zijn, omdat de zaken zich eenvoudig laten oplossen. Bij meer complexe zaken zal de minister-president dus worden ingeschakeld. Daarom moet wat in de notitie en in de proeve van het KB staat, steeds in relatie worden gezien met de eenheid van het regeringsbeleid. Zoals gezegd, zijn de ministers verantwoordelijk voor de totaliteit. En daar mag de Kamer mij dan als eerste op aanspreken. In het systeem van de inlichtingenplicht, het tijdig informeren zodat de directeur van het Kabinet van de Koningin weet dat alles wat er gebeurt, onder het regime valt van de volledige ministeriële verantwoordelijkheid, zit een duidelijke rem om te voorkomen dat moeilijke situaties ontstaan. Dat is de achtergrond om te kiezen voor een sluitend stelsel van ministeriële verantwoordelijkheid. Ik meen dat wij met de eerder aangegeven bepalingen oplossingen hebben aangedragen.

De heer Van Bommel (SP):

Mijn probleem blijft hetzelfde. Ik begrijp wel dat binnen het geheel van de eenheid van kabinetsbeleid de positie van de minister-president bijzonder is. Echter, dit KB biedt de minister-president niet die bijzondere positie wanneer er een probleem is. Dat probleem proberen wij nu juist te voorkomen. Als de minister-president een bijzondere bevoegdheid zou hebben in de richting van de directeur van het Kabinet van de Koningin dan was het probleem opgelost. Dat is nu echter niet het geval.

Minister Balkenende:

Dat ben ik niet met u eens. Over de essentie zijn we het eens: er behoort sprake te zijn van volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Er moet ook aandacht zijn voor de instrumentering. Dat is ook de reden waarom er taken zijn neergelegd in de proeve. Er is een inlichtingenplicht waarbij nog eens duidelijk onderlijnd wordt dat er sprake is van volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat is het gehele raamwerk van waaruit wordt gewerkt. Daarin spelen de ministers, inclusief de minister-president, een eigen rol. Op basis van de notie van eenheid van regeringsbeleid kan er ook geen hiaat ontstaan. De heer Van Bommel zegt dat er hiaten zouden kunnen ontstaan omdat ik in een bepaald geval bijvoorbeeld van niets zou weten. Welnu, men kan er verzekerd van zijn dat in het functioneren van deze regels er altijd afstemming zal plaatsvinden tussen de minister-president en de bewindslieden wanneer daartoe aanleiding bestaat. We kunnen echter niet voorbijgaan aan het feit dat de Grondwet aangeeft dat niet alleen de minister-president maar de ministers verantwoordelijk zijn. Dat behoort dan ook terug te komen in de regeling. Daarmee hebben wij volgens mij voorzien in een sluitend stelsel.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Hetgeen de minister-president hier zegt over het handen en voeten geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid is wat mij betreft helder. Hij heeft het laatste woord. Waar het Kabinet van de Koningin op verzoek van de majesteit een verzoek doet aan een departement en daarover een meningsverschil bestaat, is de minister-president hier heel helder over. Hij heeft het laatste woord. Dat is precies wat wij willen horen. Het punt is nu dat dit in het bewuste artikel 3 dan wel in de andere artikelen van de proeve van het KB en in de toelichting nog niet zo helder is neergezet. Ik verzoek de minister-president dan ook om hetgeen hij hier zegt één op één terug te laten komen in de artikelsgewijze toelichting.

Minister Balkenende:

Het lijkt mij goed dat wij de formulering nog eens bekijken. Dit zal gebeuren binnen het raamwerk dat ik zojuist heb geschetst. Ik heb gesproken over de eenheid van regeringsbeleid en over de collectieve verantwoordelijkheid. Uw voorbeeld van de AIVD was zeer treffend. In dat geval is de minister van BZK als laatste aan zet, maar dit zal ongetwijfeld in overleg met de minister-president gebeuren. De minister-president heeft zeker niet in alle gevallen het laatste woord, maar dat is afhankelijk van het onderwerp waarop de zaak betrekking heeft.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

In de toelichting op artikel 3 staat glashelder dat de ministers die het aangaat aldus in de gelegenheid zijn om, indien nodig, nader in overleg te treden met de Koning – hier is de minister-president dus niet in beeld – en de Koning kan vervolgens de directeur overeenkomstig opdragen. Die zinsnede moet aangevuld worden met een passage over de verantwoordelijkheid van de minister-president.

Minister Balkenende:

Het is zeker niet nodig dat de minister-president in alle gevallen wordt ingeschakeld.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Dat bepleit ik ook niet. U zegt echter dat de eindverantwoordelijkheid bij de minister-president ligt en ik wil dat dit in deze toelichting wordt vastgelegd.

Minister Balkenende:

Er is volledige ministeriële verantwoordelijkheid. De ministers zijn verantwoordelijk. Je kunt niet zomaar zeggen dat de eindverantwoordelijkheid bij de minister-president ligt. Soms ligt die bij het collectief en soms bij individuele ministers, afhankelijk van het onderwerp. Ik heb gesproken over de bijzondere positie van de minister-president omdat hij bijvoorbeeld de meest directe contacten onderhoudt met de Koningin.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Het was zo helder, maar nu maakt u het weer onduidelijk. De toelichting op het KB klopt kennelijk ook naar uw mening niet helemaal. Wij vragen u om die toelichting te verhelderen. Daartoe kunt u een woord kiezen dat u bevalt. "Eindverantwoordelijkheid" ligt mijns inziens voor de hand. Dit betekent heus niet dat ministers over elk wissewasje met u moeten bellen. Als u een ander, beter begrip wilt gebruiken, is dat prima. Het gaat erom dat hetgeen u nu zegt ook neerslaat in de toelichting op het KB.

Minister Balkenende:

Ik ben graag bereid nog eens te kijken naar de helderheid van de formuleringen in de toelichting, mede naar aanleiding van de opmerkingen van mevrouw Smilde. De Grondwet verbiedt dat wordt gesteld dat de eindverantwoordelijkheid bij de minister-president ligt. In de Grondwet staat namelijk dat de ministers verantwoordelijk zijn en dan kun je niet zomaar zeggen, ook niet in een toelichting, dat de minister-president eindverantwoordelijk is. Dat zou te ver gaan.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Sorry, maar u zegt niet anders. Het zijn uw eigen woorden. Als u een andere term geschikter vindt, is dat prima. Het gaat erom dat hetgeen u zojuist verwoordde en waar de Kamer het mee eens is, neerslaat in de toelichting op het KB. Het moet tot uitdrukking komen dat de minister-president een bijzondere positie in dezen heeft.

Minister Balkenende:

Het begrip "bijzondere verantwoordelijkheid" vind ik al een stuk beter dan "eindverantwoordelijkheid". Wij zullen zoeken naar een formulering die daaraan recht doet. Ik zal de toelichting nader bezien, conform hetgeen wij zojuist hebben besproken.

Sinds 1848 is er volledige ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet. De heer Rouvoet heeft terecht opgemerkt dat de plaats op de begroting niet uitsluitend antwoord geeft op de vraag naar de ministeriële verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid is niet kleiner omdat het Kabinet op hoofdstuk II staat. De ministeriële verantwoordelijkheid kan ook niet groter worden – zij is nu al volledig – door plaatsing op hoofdstuk III. Om die reden wordt in de notitie uitgelegd dat het niet nodig en niet wenselijk is om het Kabinet op hoofdstuk III te plaatsen.

Gelet op de vele vragen die hierover zijn gesteld en de suggestie van mevrouw Kalsbeek, lijkt het mij goed om dieper in te gaan op het voorgestelde amendement. Ik merk dat de Kamer niet betwist dat er thans al een volledige ministeriële verantwoordelijkheid is, maar desalniettemin wenst een aantal fracties het Kabinet van de Koningin toch op hoofdstuk III te plaatsen. Ik sluit mij aan bij de redenering van de heer Van Beek terzake. De beheersbevoegdheden van de minister van BZK kunnen naar de minister-president overgaan door plaatsing van het Kabinet op hoofdstuk III. Daarbij moet geregeld worden dat ambtelijke verhoudingen van de twee organisaties niet door elkaar lopen. Daarmee kom ik tegemoet aan de opmerking van de heer Rouvoet over de verschillende functies. Ter vermijding van misverstanden: plaatsing van het Kabinet op hoofdstuk III vermindert niet de noodzaak om de taken en de inlichtingenplicht vast te leggen, dus om het voorgestelde KB in te voeren. Dat betekent dat de regering aanname van het amendement-Kalsbeek niet zal ontraden. Ik verzoek de Kamer, de regering wel enige tijd te geven om de technische uitvoering van het amendement – wanneer het wordt aangenomen – nader te bezien. Het is onder andere de vraag of overplaatsing van het Kabinet wijziging van de Comptabiliteitswet vereist. Daarin zijn immers de begrotingsindelingen gegeven. Bezien moet worden of bijvoorbeeld begrotingsadministraties al voor 1 januari a.s. kunnen worden overgeheveld. Als het langer duurt, zal het amendement volgend jaar bij nota van wijziging moeten worden geëffectueerd. Ik neem aan dat mevrouw Kalsbeek mij voor de uitvoering, waarover ik de Kamer voor het eind van het jaar zal informeren, enige ruimte wil geven. Ik zal daarbij de opmerking van de heer Rouvoet over de Kabinetten van de gouverneurs betrekken.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Ik wil u uiteraard graag die ruimte geven, maar ik vraag mij af of daarin al niet is voorzien in mijn toelichting, waarin wordt gewezen op overheveling bij Voorjaarsnota naar de begroting van Algemene Zaken. Dat lijkt mij de benodigde tijd op te leveren.

Minister Balkenende:

Ik heb aangegeven dat het kabinet positief staat ten opzichte van het amendement. Vervolgens heb ik gevraagd om voldoende tijd voor een zorgvuldige voorbereiding en om ruimte voor een nadere toelichting bij brief. Wij kunnen daarbij de vraag van de heer Rouvoet betrekken en aangeven langs welke lijnen wij de begrotingsstukken kunnen aanpassen. Uw suggestie van overheveling bij Voorjaarsnota is daarbij behulpzaam. Ik zeg toe dat ik de Kamer hierover voor het eind van het jaar nader informeer, zodat dit tijdig wordt geregeld.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Voor de helderheid: wij stemmen over het amendement en vervolgens bekijkt u hoe het concreet in begrotingstechnische zin wordt uitgewerkt. Voor het eind van het jaar krijgen wij daarover bericht, tenzij de toelichting op mijn amendement voldoende is.

Minister Balkenende:

Ik heb gezegd aanneming van het amendement niet te zullen ontraden, maar ik vraag om tijd voor een zorgvuldige uitwerking, zodat een goede uitvoering mogelijk is.

De heer Van der Vlies (SGP):

Wij moeten de nadere uitwerking afwachten, maar in de stukken die wij bespreken, is gesteld dat overbrenging van het Kabinet van de Koningin van hoofdstuk II naar III niet nodig en niet gewenst is. Niet nodig, is in die zin neutraal dat daaruit kan worden begrepen dat het ook wel anders kan. Niet gewenst, gaat echter verder. Er waren redenen om dat niet te doen en om daar niet voor te pleiten. Legt u die argumenten naast u neer of voorziet u in een nadere precisering zodat daar een regeling voor getroffen kan worden?

Minister Balkenende:

Ik heb de primaire positie van het Kabinet aangegeven. In de notitie staat hoe wij aankijken tegen de discussie over de hoofdstukken I, II en III. Daar doe ik niets aan af. Ik beluister echter dat er behoefte bestaat, ook in het licht van het eerder gehouden debat, om te kijken naar de plaatsing van het Kabinet van de Koningin onder hoofdstuk III. Dat is een gegeven. Om die reden heb ik gezegd, dat op mij in te zullen laten werken. Ik heb aangegeven hoe het sluitende stelsel van ministeriële verantwoordelijkheid zich verhoudt tot deze discussie. De redenering van de heer Van Beek, ook ten aanzien van de beheersmatige aspecten, heb ik onderlijnd. Ik heb tegelijkertijd aangegeven dat het ministerie van Algemene Zaken naar zijn aard anders is dan het Kabinet van de Koningin. Binnen die context respecteren wij het gevoel dat leeft bij een meerderheid van het parlement om het op deze manier te doen.

De heer Van der Vlies (SGP):

De vraag is dan of in de nadere regeling de negatieve overwegingen die leidden tot het ongewenst verklaren ervan kunnen worden weerlegd.

Minister Balkenende:

Wij kunnen de discussie voortzetten over de argumentatie, die zowel in de notitie als in het advies van de Raad van State is aangegeven. Maar de uitkomst van dit debat is duidelijk. Wij moeten dit goed regelen. Er mogen geen misverstanden ontstaan over de implicaties van het voorstel van mevrouw Kalsbeek. De redenering houd ik wel staande, maar wij moeten met elkaar verder, wetend hoe een meerderheid in het parlement over dit vraagstuk, dat al langere tijd speelt, denkt.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat begrijp ik. Dat is de politieke conclusie uit dit debat. Mijn fractie voelde zich juist bij al die overwegingen zo thuis. Wij zijn van mening dat het op dit punt moet blijven zoals het is, erop gelet dat in de ministeriële verantwoordelijkheid afdoende is voorzien en er nog een KB komt over de informatieplicht.

Minister Balkenende:

Ja, maar wij hoeven de zaak niet te herhalen. De behoefte om de discussie nog verder te voeren, is op dit punt niet helemaal noodzakelijk. U kent onze argumentatie en ik heb ook aangegeven hoe wij nu verder zouden kunnen opereren.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik begrijp dat wel, maar daarmee gaat de minister-president natuurlijk voorbij aan het feit dat hij wel kan zeggen dat hij zich er, gelet op de meerderheid, bij neerlegt, maar dat mijn fractie nog wel moet stemmen over het amendement-Kalsbeek. Daarom heb ik die vraag gesteld die u nu in die brief wilt meenemen, maar die heb ik bij die standpuntbepaling wel nodig. U hebt in de notitie even aangestipt dat een Kabinet van de Koningin een andere, eigensoortige positie heeft dan bijvoorbeeld adviesorganen en planbureaus, ook als zij onder AZ zouden komen te hangen. Dat hebt u echter niet verder ingevuld, maar dat is voor mij wel van belang om te zien waarop de verschillen betrekking hebben en of het uit dien hoofde wenselijk is voor mijn fractie om het amendement van mevrouw Kalsbeek wel of niet te steunen. Dat is een belangrijk argument, maar niet het enige. Ik ben er voor de stemmingen niet mee gediend als wij die brief over een aantal maanden van u krijgen.

Minister Balkenende:

Ik begrijp de opmerking van de heer Rouvoet zeer goed. Hij wil een nadere weging maken ten aanzien van het amendement van mevrouw Kalsbeek. Hij heeft inderdaad in het midden gelaten of hij daaraan steun zal verlenen. Ik verwijs naar de discussie die ik zojuist heb gevoerd met de heer Van der Vlies: de redenering is aangegeven in de stukken. Tegelijkertijd zie ik ook wel dat er, ook gelet op de bijzondere rol van de minister-president, een aanknopingspunt gevonden kan worden om dit onder hoofdstuk III te voegen. Dat is een van de punten die in het debat scherp naar voren zijn gekomen. Dan nog zijn er plussen en minnen in de hele discussie. Ik zeg op mijn beurt dat het in deze discussie, ook voortvloeiend uit het debat van 12 maart, essentieel is dat er helderheid moet bestaan over de volledige werking van de ministeriële verantwoordelijkheid en de instrumentering daarvan. Dat is één deel van de discussie. Dat is ook een deel van de motie van destijds. De tweede discussie is de "hoofdstuk II/hoofdstuk III"-discussie. Er zijn verschillende argumenten naar voren gebracht en ik heb aangegeven wat onze positie is. Men kan datgene wat gezegd wordt door de Raad van State en datgene wat in de notitie is neergelegd, naast elkaar zetten; men kan ook de argumentatie van mevrouw Kalsbeek en anderen volgen. Die afweging zal men zelf moeten maken.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Dat is wel waar, maar daarvoor heb ik ook de informatie nodig die ik aan u heb gevraagd. Ik wil niet moeilijk doen. Ik kan wel vragen om uitstel van de stemmingen, maar daar gaat het mij natuurlijk helemaal niet om. Misschien komen wij eruit als u in staat bent om in tweede termijn een enkele opmerking te maken over waar voor u het belangrijke verschil zit tussen enerzijds de positie van de minister van Algemene Zaken ten opzichte van de andere organisaties die niet tot de ambtelijke structuur van AZ behoren, maar wel onder zijn verantwoordelijkheid vallen en anderzijds diens positie ten opzichte van het Kabinet van de Koningin, dat daarbij zou komen. Als u daar in tweede termijn een opmerking over zou kunnen maken, zou dat mij helpen bij de stemming.

Minister Balkenende:

Misschien kan ik al direct één opmerking maken. Ik heb aangegeven dat de rol van het ministerie van Algemene Zaken een heel andere is dan de rol van het Kabinet van de Koningin, omdat het ministerie van Algemene Zaken de minister-president ondersteunt bij alle activiteiten die nodig zijn. Het Kabinet van de Koningin heeft een andere functie.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik moet even een misverstand wegnemen. Ik verwees naar de notitie waarin u stelt dat bij plaatsing in hoofdstuk III de indruk zou kunnen worden gewekt dat het Kabinet van de Koningin onder de ambtelijke structuur van AZ valt. Dat is niet het punt dat ik nu aan de orde stel. U wijst er terecht op dat er meer organisaties zijn die niet in de ambtelijke structuur van AZ passen, maar wel daaronder ressorteren; u noemde als voorbeeld adviesraden en planbureaus. Dan schrijft u dat het niet voor de hand ligt om het Kabinet van de Koningin daarbij te voegen, want dat heeft een heel andere eigensoortige positie. Als u dat voor mij in tweede termijn kunt inkleuren, zou dat mij helpen bij de stemming.

Minister Balkenende:

Dan zullen wij het op die manier doen.

Dan een onderwerp dat het Koninklijk Huis betreft, maar los staat van de discussie over het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betreft een bijdrage in een artikel in de ESB, waar de heer Van Bommel op heeft gewezen. Ik neem aan dat de heer Van Bommel bedoelt dat de toelichting bij de begroting van hoofdstuk I zou moeten worden uitgebreid. In dat hoofdstuk zijn immers de uitgaven geraamd die voortvloeien uit het statuut van het Koninklijk Huis zelf. Daarnaast worden door de Koningin op basis van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis de zogenaamde functionele declarabele kosten in rekening gebracht. Dat betreft de kosten van de bedrijfsvoering, het gebruik van paleizen en vervoer. Die kosten worden geraamd en verantwoord via de begrotingen van BZK, VROM en Verkeer en Waterstaat. In de toelichting van de begroting van het Koninklijk Huis is een raming van deze kosten opgenomen. Verder spreekt dit artikel in de ESB over verborgen uitgaven. Niets is echter minder waar. Het gaat hier om uitgaven die door de ministeries zelf worden gedaan en die dus ook in de desbetreffende begrotingen zijn geraamd. Zij zijn dus geenszins verborgen en worden ook in de jaarrekening verantwoord. Het is niet goed mogelijk om deze uitgaven in de toelichting van hoofdstuk I op te nemen. Dat komt omdat deze uitgaven onderdeel zijn van grotere begrotingsposten van de desbetreffende ministeries. Het zou tot te veel bureaucratie leiden indien daarbinnen splitsingen zouden moeten worden aangebracht en detailadministraties zouden moeten worden bijgehouden. Ik zal bij de betreffende ministers bevorderen dat zij in hun begrotingen, eventueel extracomptabel, op dit punt zoveel mogelijk informatie verschaffen. Als hierover meer specifieke vragen zijn, kunnen die het best aan de orde worden gesteld bij de behandeling van het desbetreffende begrotingshoofdstuk.

Dit brengt mij bij een aantal andere onderwerpen. Het eerste is een vraag die mevrouw Smilde heeft gesteld over het rapport van de Nationale ombudsman inzake de behandeling van burgercorrespondentie door de rijksdienst. Tijdens de behandeling van de AZ-begroting vorig jaar heeft mevrouw Kalsbeek een motie ingediend waarin zij de regering verzocht om een plan van aanpak, inhoudende dat elke burger die de rijksoverheid een brief schrijft, binnen zes weken een inhoudelijk antwoord krijgt. De minister van BZK heeft naar aanleiding van deze motie een brief naar de Kamer gezonden waarin hij schreef dat de motie overbodig was. Aan de ene kant krijgen veel mensen al binnen zes weken antwoord. Aan de andere kant zijn er ingewikkelde gevallen waarbij de inhoudelijke beantwoording meer tijd vergt dan de genoemde zes weken. Naar aanleiding van de motie van mevrouw Kalsbeek heeft de minister van BZK het algemeen kader dat de Nationale ombudsman eind jaren tachtig heeft ontwikkeld voor de beantwoording van burgerbrieven nog eens onder de aandacht van alle ministers gebracht.

De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van de motie van mevrouw Kalsbeek een grootschalig onderzoek verricht naar de behandeling van burgercorrespondentie door de rijksdienst. Zijn onderzoek heeft geresulteerd in een lijvig rapport dat gisteren door minister De Graaf in ontvangst is genomen. Ik ben blij dat de ombudsman constateert dat het onderwerp beantwoording van burgerbrieven bij veel ministeries hoog op de agenda staat. Hoewel het beeld per ministerie verschilt, geldt in het algemeen dat de meeste aanvragen binnen de wettelijke termijnen worden behandeld. Bij bezwaarschriften worden de termijnen vaker niet gehaald. De afhandeling van brieven en e-mails verloopt in het algemeen behoorlijk. Wel kan, voor het geval de beantwoording langer op zich laat wachten, de tussentijdse informatieverstrekking aan de briefschrijver worden verbeterd, zodat deze weet wanneer een antwoord kan worden verwacht. Bij het ministerie van Algemene Zaken is de situatie in het algemeen goed, vooral bij de afhandeling van brieven en e-mails van burgers.

Een interessant punt in het onderzoeksrapport van de ombudsman vind ik de vraag of hetgeen wettelijk van overheidsorganen wordt gevergd, steeds voldoende realistisch is. De ombudsman heeft deze vraag zelf opgeworpen. Het is wellicht zinvol om de wettelijke beslistermijnen kritisch te bezien tegen de achtergrond van dit soort onderzoek. Deze vraag zal worden meegenomen in de kabinetsreactie op het rapport. De minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties die, zoals ik al aangaf, het rapport ook in ontvangst heeft genomen, zal vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het project modernisering overheid het voortouw nemen in de kabinetsreactie. Naar verwachting kan deze reactie voor het einde van dit kalenderjaar tegemoet worden gezien. Daarnaast doet de ombudsman in zijn rapport aan iedere minister afzonderlijk aanbevelingen om de behandeling van burgercorrespondentie te verbeteren. Ik ga ervan uit dat iedere minister deze aanbeveling ter harte zal nemen. Ik zal dat ook doen.

De heer Dittrich heeft gesproken over het halen van de gestelde doelstellingen. Dit kabinet werkt meer dan vroeger met zo concreet mogelijke doelen voor de periode. Het beleidsprogramma van dit kabinet is daarvan een voorbeeld. Ik vind echter niet dat er direct gesproken moet worden over sorry-democratie en afrekenen. Iedere minister of staatssecretaris maakt tevoren helder wat hij of zij wil bereiken. De bewindspersoon werkt daaraan met veel ambitie. In het kabinet willen wij dat ook zo gezamenlijk doen. Het geeft helderheid aan Kamer en samenleving. Iedere minister verantwoordt zich in de Kamer over zowel de doelstelling als de realisatie ervan. Ook gedurende de rit is bespreking mogelijk en zelfs gewenst. Vanzelfsprekend horen daarbij alle omstandigheden die een rol spelen en relevant zijn, ook voor de weging in de Kamer van de behaalde resultaten. Uiteindelijk zal ook de burger dat doen bij de volgende verkiezingen. Op die wijze is ook in de ministerraad over dit onderwerp gesproken.

Mevrouw Kalsbeek heeft gesproken over de informatievoorziening tussen ministers. Zij heeft gevraagd of geheimhouding tussen bewindspersonen geen inbreuk is op de eenheid van het kabinetsbeleid. Staatsrechtelijk heeft eenheid van beleid betrekking op het algemeen regeringsbeleid. Het reglement van orde voor de ministerraad specificeert dit in de onderwerpen die in elk geval in de ministerraad aan de orde moeten komen. Er bestaat dus geen verplichting voor ministers om alle informatie waarover zij de beschikking krijgen altijd volledig met elkaar te delen. Vanuit eenheid van beleid is het wezenlijk dat de essentie van de informatie waarover een bewindspersoon beschikking krijgt met het oog op het algemeen regeringsbeleid gedeeld wordt tussen de betrokken bewindspersonen. Dat gebeurt ook altijd.

Mevrouw Kalsbeek heeft ook gesproken over het doen van een beroep op vertrouwelijke bronnen zoals inlichtingendiensten en het belang van de Staat. Zij heeft in dit verband gesproken over artikel 68 van de Grondwet.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

U zegt dat een bewindspersoon geen informatie mag achterhouden als het algemeen regeringsbeleid betreft. Laat ik het maar concreter maken. Stel dat u als minister-president in het Europese circuit iets te horen krijgt en dat het van degene die u dat zegt niet de bedoeling is dat u dat verder vertelt. Uw collega-ministers in Nederland bereiden beleid voor dat, als zij die informatie ook zouden hebben, er anders uit zou zien. Dan kunt u als minister-president – maar dat geldt natuurlijk ook voor andere ministers – die informatie toch niet onder u houden?

Minister Balkenende:

Neen, de essentie van de informatie waarover een bewindspersoon de beschikking krijgt, moet met het oog op het algemeen regeringsbeleid worden gedeeld met de betrokken bewindspersonen. Dat betreft natuurlijk zaken van het algemeen regeringsbeleid, want ik heb al gezegd dat het geen verplichting is om alle informatie te wisselen.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Algemeen regeringsbeleid vind ik in dit geval een verhullende term alsof er regeringsbeleid en algemeen regeringsbeleid zou zijn. Volgens mij is alle beleid regeringsbeleid. Het kan departementen overstijgend zijn of ministeriële verantwoordelijkheden overstijgen, maar alle beleid is uiteindelijk kabinetsbeleid. Wat in dit verband dan algemeen regeringsbeleid is, snap ik niet zo goed. Het lijkt mij te verhullen dat die informatie moet worden gedeeld.

Minister Balkenende:

Wij hebben vandaag al eerder gesproken over de eenheid van kabinetsbeleid en dat houdt in dat relevante informatie met elkaar gedeeld moet worden. Wij kunnen dan wel gaan twisten over de vraag wat nu specifiek en algemeen regeringsbeleid is, maar de essentie blijft eenheid van het kabinetsbeleid. Dat veronderstelt niet dat alle informatie moet worden gedeeld, maar wel dat men ongeveer weet waarover het gaat. Dat zou ik dus in meer algemene zin op uw vraag willen antwoorden.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Het is belangrijk dat u zegt dat relevante informatie altijd moet worden gedeeld. Nu zou u informatie kunnen krijgen van een regeringsleider die een andere staatsrechtelijke positie heeft dan u, die geen primus inter pares maar echt staatshoofd is. Dan geldt dat toch ook, want u hebt dan toch gewoon rekening te houden met uw Nederlandse verantwoordelijkheden?

Minister Balkenende:

Wij draaien een beetje om de discussie heen, want u doelt eigenlijk op de Irak-kwestie...

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Het gaat mij echt niet om Irak specifiek, want niet voor niets heb ik ook Lubbers, Van den Broek en Bolkestein aangehaald. Het speelde toen ook al.

De voorzitter:

Overigens is de heer Blair ook geen staatshoofd!

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Inderdaad!

Minister Balkenende:

Ik heb u de algemene redenering gegeven en daar zult u het ongetwijfeld mee eens zijn. Als het relevante onderdelen van kabinetsbeleid betreft, moet informatie worden gewisseld. Inderdaad kan de positie van de Nederlandse premier anders zijn dan van die in andere landen. De kwestie-Irak hoeven wij nu niet te bespreken, want ik heb al gezegd dat toen mij daarover relevante informatie bereikte ik wist dat dezelfde informatie langs dezelfde lijnen anderen zou bereiken. Dat lijkt mij een relevant gegeven, want er was toen geen sprake van achterstand in kennis. Ik heb inderdaad te maken met de Nederlandse constitutionele traditie, met Nederlandse staatsrechtelijke regels en met eenheid van kabinetsbeleid. Wat ik nu heb gezegd over het delen van informatie past daarbij. Dit zijn de algemene regels die worden gehanteerd!

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Dus relevante informatie moet worden gedeeld. Het is belangrijk om die hoofdlijn vast te houden omdat daarover eerlijk gezegd toch enige onduidelijkheid is ontstaan.

Minister Balkenende:

Dit is in ieder geval de algemene lijn!

Voorzitter. Mevrouw Kalsbeek meende dat een beroep op vertrouwelijke bronnen als inlichtingendiensten geen beroep op het belang van de Staat in de zin van artikel 68 zou rechtvaardigen. Ik ben het met haar eens dat openbaarheid de regel is bij het verstrekken van inlichtingen op grond van dat artikel 68. Een beroep op het belang van de Staat kan echter gerechtvaardigd zijn op verschillende gronden. In de notitie van voormalig minister De Vries van BZK zijn die nog eens nader aangegeven. Daarin is ook gesteld dat een beroep op het belang van de Staat gerechtvaardigd is om inlichtingenbronnen te beschermen, zoals dat ook het geval is in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur. Ik mag in dat verband verwijzen naar een eerdere nota over dit onderwerp.

De heer Dittrich merkte op dat de reacties van het kabinet op de rapporten van de WRR soms per vakdepartement worden gegeven. De reacties zelf worden altijd vastgesteld door het kabinet.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Voorzitter. De minister gaat zo snel dat hij bij het volgende onderwerp is als ik nog even nadenk over een vraag.

Het ging mij om de inlichtingenplicht die het kabinet heeft richting de Kamer en ik heb daarbij gerefereerd aan het antwoord dat het kabinet heeft gegeven op een vraag van de heer Dittrich bij de algemene politieke beschouwingen waarin werd gesteld dat een reden om de Kamer niet te informeren bijvoorbeeld kan zijn de belangen van Nederlandse troepen in het buitenland of het feit dat de informatie afkomstig is van buitenlandse inlichtingendiensten. Daar heb ik kritiek op geuit, want dat is dus niet per definitie te vatten onder het belang van de Staat. Als het kabinet meent dat de Kamer informatie moet worden onthouden of dat informatie niet openbaar moet worden, moet dat worden gemotiveerd op basis van het belang van de Staat; niet van troepen in het buitenland.

Minister Balkenende:

Aan de ene kant vormen de troepen in het buitenland het inhoudelijk onderwerp. Aan de andere kant gaat het om informatie gekregen van inlichtingendiensten. Hierover is vaak gesproken met de Kamer, zoals u weet. Ik herinner mij een opmerking van minister Kamp. Wanneer inlichtingendiensten met elkaar informatie delen, moet die vertrouwelijk blijven. Verder geldt dat de informatie ons niet bereikt indien de vertrouwelijkheid niet kan worden verzekerd aan andere inlichtingendiensten. Dat is de consequentie ervan. Wanneer informatie van inlichtingendiensten op een vertrouwelijke manier moet worden besproken, dient dat te gebeuren in de Kamercommissie en niet publiekelijk. Dit raakt dus de werkwijze van de Kamer.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Daarop heb ik nu kritiek. Het enkele feit dat inlichtingendiensten in het buitenland niet meer bereid zullen zijn om ons meer inlichtingen te verstrekken, u ontslaat niet van de verplichting om de Kamer te informeren. U hebt de informatieverplichting wel. Er is maar één grond en die moet u goed beargumenteren waarop u dat niet hoeft te doen en dat is het belang van de Staat. Er is overigens ook nog een tussenweg, want u kunt de Kamer vertrouwelijk informeren. U kunt echter niet zeggen dat u de Kamer niet informeert, omdat anders de inlichtingenstroom vanuit het buitenland stopt. Dat gaat echt niet.

Minister Balkenende:

Wanneer het de belangen van de Staat betreft en wanneer wij vertrouwelijke informatie krijgen van een inlichtingendienst, is die informatie naar haar aard vertrouwelijk. Het is onbegonnen werk om informatie uit vertrouwelijke bron, bedoeld voor afwegingen die een regering heeft te maken, prijs te geven. Dat is onverstandig, omdat de consequentie ervan is dat die informatie ons zal worden onthouden. Dat is niet in het belang van de Nederlandse Staat.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Het spijt me, u moet het echt zorgvuldig beargumenteren. Als u op vragen van een Kamerlid antwoordt dat de belangen van de troepen in het buitenland en het feit dat wij anders geen informatie meer krijgen van buitenlandse inlichtingendiensten, u ertoe brengen dat lid helemaal niet te informeren, dus ook niet vertrouwelijk, handelt u in strijd met artikel 68 van de Grondwet.

Minister Balkenende:

Ik ben het niet met u eens, want in de notitie van de minister van BZK wordt opgemerkt dat het beroep op het belang van de Staat gerechtvaardigd is om, bijvoorbeeld, inlichtingenbronnen te beschermen. Als ons vertrouwelijke informatie van inlichtingendiensten bereikt, kan dat zeer wel een reden te zijn om te beslissen dat die informatie vertrouwelijk moet blijven. Aangegeven is dat het een argument is om op een bepaald moment het doorspelen van informatie af te remmen.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

U moet altijd zo redeneren dat het belang van de Staat aantoonbaar in het geding is als u bepaalde informatie niet aan de Eerste en de Tweede Kamer wilt verstrekken. Dat is de redenering. U kunt niet stellen dat bepaalde informatie per definitie in strijd is met de informatieplicht aan de Kamer. U kunt namelijk ook vertrouwelijk informeren.

Minister Balkenende:

De heer De Vries, voormalige minister van BZK, heeft duidelijk gemaakt dat ter bescherming van inlichtingenbronnen, de Kamer informatie kan worden onthouden, omdat ook dat in het belang van de Staat is. Die redenering volg ik volledig. Het is onbegonnen werk om die lijn niet te volgen. Als je dat wel doet, krijg je die informatie niet.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Die redenering volg ik ook, maar zij stemt niet overeen met wat u schrijft. Op inlichtingenbronnen baseren de inlichtingendiensten zich. Daaruit komt de informatie voort. Dat is iets anders dan uw beslissing om informatie van buitenlandse inlichtingendiensten niet aan de Kamer te geven, omdat dit in strijd zou zijn met het belang van de Staat.

Minister Balkenende:

Informatie van inlichtingendiensten hangt direct samen met de inlichtingenbronnen. Ik kan er niets anders van maken. In die zin is de redenering van minister De Vries sluitend en daarom deel ik die.

De heer Dittrich merkt op dat de reacties van het kabinet op de rapporten van de WRR soms per vakdepartement worden gegeven. De reacties op deze rapporten worden altijd door het kabinet vastgesteld. Recente reacties op rapporten van de WRR over biotechnologie en de Europese Unie zijn inderdaad ondertekend door vakministers. Dat wekt misschien een verkeerde indruk, maar het gaat hier altijd om integrale standpunten, vastgesteld door de ministerraad. Voor de duidelijkheid zeg ik de Kamer toe dat in de toekomst kabinetsreacties door de minister-president zullen worden ondertekend.

De heer Herben heeft een opmerking gemaakt over de openstelling van paleizen en het Catshuis. Ik wijs erop dat Paleis Het Loo en het Paleis op de Dam open zijn voor het publiek. De woon- en werkpaleizen van leden van het Koninklijk Huis worden om reden van veiligheid en privacy niet opengesteld. Wel zal het aantal rondleidingen in de Koninklijke Stallen en het Koninklijk Huisarchief beperkt worden uitgebreid. Voor het Catshuis, dat binnen enkele maanden weer gereed zal zijn voor gebruik, gelden dezelfde argumenten als voor de woon- en werkpaleizen van het Koninklijk Huis; openstelling is dus niet mogelijk. Graag wil ik de Kamerleden in het gerenoveerde Catshuis als volksvertegenwoordigers een keer ontvangen, als zij daar prijs op stellen.

De heer Herben (LPF):

Deze uitnodiging zal ik als volksvertegenwoordiger niet afslaan. Het stoort mij dat in de Verenigde Staten het Witte Huis – dat toch ook zwaar is beveiligd – gewoon kan worden bezocht door het Amerikaanse volk, maar dat (delen van) het Catshuis, Huis ten Bosch en werkpaleis Noordeinde niet voor Nederlandse burgers toegankelijk zijn. Wellicht komt niet iedereen in aanmerking en moet er worden geloot; ik neem aan dat er overweldigende belangstelling is voor de werkkamers van de minister-president en van Hare Majesteit. Het moet toch mogelijk zijn om de transparantie in onze democratie te bevorderen met het openstellen van deze heilige plaatsen.

Minister Balkenende:

Ik zal de redenering uit de begrotingsstukken niet helemaal herhalen. Er is goed gekeken naar wat wel en niet kan. Ik heb al gewezen op veiligheid, privacy en het intensieve gebruik van sommige paleizen. Daarmee is er een grens aan de openstelling. Die conclusie is getrokken door de commissie die zich hiermee heeft beziggehouden.

De heer Herben (LPF):

De veiligheid van de minister-president en Hare Majesteit de Koningin gaat mij zeer ter harte, maar de redenering is niet sluitend. Op basis daarvan zouden ook het Paleis op de Dam en Paleis Het Loo niet opengesteld mogen worden, want ook daar kun je een bom met een tijdontsteking achterlaten. Ik blijf bij mijn klemmende verzoek om de mogelijkheden te verruimen binnen de bestaande veiligheidsnormen, zodat het Catshuis en Paleis Noordeinde voor het publiek kunnen worden opengesteld.

Minister Balkenende:

De situatie van het Paleis op de Dam of Paleis Het Loo is van een andere orde dan die van bijvoorbeeld Huis ten Bosch of Paleis Noordeinde. De verschillende functies kunnen niet zomaar op een grote hoop worden gegooid. De situaties zijn daarvoor te verschillend, en op basis daarvan zijn afwegingen gemaakt.

Door de heer Van Bommel is gevraagd naar de normering en maximering van appartementen van bewindslieden. Deze vraag kan ik mij goed voorstellen, maar de praktijk maakt normering lastig. De appartementen moeten immers plotsklaps en op ad-hocbasis worden gehuurd, direct nadat bekend is geworden wie de nieuwe bewindspersoon is. Veelal zal de markt voor huurappartementen de prijs dicteren. Ook beveiligingsaspecten spelen hierbij een rol. In dat licht acht ik normering en maximering niet zinvol. Het parlement mag er echter op vertrouwen dat de bewindspersonen zorgvuldig en met mate omgaan met het beroep op de voorzieningen die voor hen gelden. Eventueel kunnen hierover concrete vragen worden gesteld bij de behandeling van de diverse begrotingen.

De heer Van Bommel heeft zijn pleidooi van vorig jaar over de politiek assistenten herhaald: zij zouden niet meer ten laste moeten komen van de rijksbegroting. De heer Rouvoet sloot zich hierbij aan. Net als vorig jaar breng ik daartegen in dat deze ambtenaren ondersteuning bieden aan een bewindspersoon in zijn of haar functie als minister of staatssecretaris. De focus is daarbij met name gericht op de partijpolitieke kant van het werk van de bewindspersoon. Ik zie niet in waarom dat niet onder de begroting van het desbetreffende ministerie zou kunnen vallen. Het maakt bovendien dat een regulier ambtelijk toezicht kan plaatsvinden via de beheersverantwoordelijkheid van de secretaris-generaal. Verder worden medewerkers van de fracties van de Tweede Kamer ook uit overheidsmiddelen bekostigd, net als medewerkers van wetenschappelijke instituten en politieke jongerenorganisaties. Er is geen principiële scheiding die inhoudt dat partijpolitiek gekleurde medewerkers enkel uit contributies mogen worden betaald.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik zou bijna zeggen: protest! De minister-president maakt hier volgens mij een cruciale denkfout, en anders heb ik ernstige kritiek op zijn wijze van denken. Hij vergelijkt nu medewerkers van dienaren van de Kroon – dat zijn ministers en staatssecretarissen – met medewerkers van politieke fracties in het parlement. Dat is precies de reden dat ik er moeite mee heb. Met deze vergelijking wordt onrecht gedaan aan de bijzondere positie van ministers en staatssecretarissen; deze is juist niet partijpolitiek omdat zij dienaren van de Kroon zijn.

Minister Balkenende:

Het is onmiskenbaar zo dat de positie van ministers en staatssecretarissen, als dienaren van de Kroon, anders is dan die van Kamerleden. Een bewindspersoon opereert echter in een politieke werkelijkheid waarin hij of zij te maken heeft met een eigen politieke groepering. Je bent lid van een kabinet, maar tegelijk heb je ook een eigen politieke kleur. Om het werk dat vanuit de ministeries breed wordt ondersteund goed te kunnen doen, is het goed dat er een component is die te maken heeft met die meer partijpolitieke dimensie. Dat is goed voor het functioneren van de bewindspersoon. Het is een fascinerende taak. In die zin kun je wel een vergelijking maken en je afvragen: wat bekostigt de overheid? De bekostiging van fractiemedewerkers, politiek wetenschappelijke bureaus en jongerenorganisaties is een financiële facilitering van bepaalde activiteiten. Ik meen dat het goed is dat, ook ter wille van contacten in partijpolitieke zin, er enige – het gaat maar om één persoon per bewindspersoon en die valt toch in het niet op het totaal van het aantal medewerkers op een ministerie – facilitering is voor het werk dat bewindslieden doen en waarbij altijd sprake is van een partijpolitieke component. Dat is onloochenbaar.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik hoef deze minister-president niet uit te leggen dat als het om een principekwestie gaat het aantal er niet toe doet. Dit argument zou hij niet moeten willen gebruiken. Wat mij betreft gaat het dus om een principiële zaak. De minister-president weet dat onze fractie al jaren dit punt aanvecht. Tot nu toe tevergeefs. Ik vind dat de minister-president appels met peren blijft vergelijken. Ik laat graag aan hem om te bepalen of de ministers de appels dan wel de peren zijn. Uit de overheidspot worden ook de medewerkers van fracties betaald. Dat gebeurt om het partijpolitieke werk van een fractie op grond van een partijprogramma te ondersteunen. Dat is een keus en heeft te maken met de werking van de democratie. Als hij dat idee ook laat gelden voor ministers, maakt de minister-president een ernstige denkfout, waartegen ik bezwaar maak. Voor ministers hoort de ondersteuning namelijk anders te zijn. Bij ministers staat de partijpolitiek niet voorop en daarvoor zou niet een aparte functionaris moeten worden aangesteld die ook nog eens wordt bekostigd uit de overheidspot. Dit is voor mij echt een heel principieel punt.

Minister Balkenende:

Ik ben het met u eens dat bij een minister de partijpolitiek niet voorop mag staan. Dat heb ik ook niet betoogd. Geen misverstand, de minister is een dienaar van de Kroon en hij heeft een andere rol dan een lid van het parlement. Het werk van een minister houdt echter verband met het zijn van een lid van een politieke groepering en in die zin speelt de minister ook een rol. Dat is onloochenbaar. Partijpolitiek is niet de hoofdmoot van het werk van de minister, maar het is wel een component. Ik meen dat wij elkaar niet overtuigen. De heer Rouvoet is al enkele jaren bezig met dit punt, maar het kabinet denkt er anders over dan hij.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Laat ook ik een poging wagen. In de brief die wij over dit onderwerp vorige week hebben ontvangen, wordt het verschil door de minister-president duidelijk uitgelegd. Overigens, ik ben ook blij dat er politiek assistenten zijn. Als zij er niet waren, zouden wij ze bij het werk van sommige bewindspersonen missen. De politiek assistent valt hiërarchisch onder de bewindspersoon, maar beheersmatig onder de secretaris-generaal. Daarin is nu precies het grote verschil gelegen met bijvoorbeeld fractiemedewerkers of medewerkers van een wetenschappelijk bureau. Zij worden weliswaar ook betaald uit de gemeenschapskas, maar zij vallen hiërarchisch en beheersmatig onder een Kamerlid of de directeur van het wetenschappelijk bureau. In die zin worden hier inderdaad appels met peren vergeleken. Ziet de minister-president niet het verschil en ziet hij niet dat er sprake is van een spagaat: enerzijds hiërarchisch onder de bewindspersoon en anderzijds beheersmatig onder de secretaris-generaal?

Minister Balkenende:

Zojuist heb ik aangegeven wat de rol van de secretaris-generaal is. Die houdt precies in wat u aangeeft: de beheersmatige kant. Wat de functionele relatie betreft is er natuurlijk een directe band tussen de bewindspersoon en de politiek assistent. Ik heb de reden aangegeven waarom ik het van belang vind dat deze activiteiten kunnen worden verricht. Wat het overige betreft meen ik te moeten refereren aan het debatje dat ik zo-even met de heer Rouvoet had.

Er is door mevrouw Kalsbeek een gedetailleerde vraag gesteld over politiek assistenten en hun beloning. Ik zal die vraag schriftelijk beantwoorden. Ik heb nu niet precies paraat hoeveel politiek assistenten in schaal 11, 12, 13 en 14 zijn gewaardeerd. Wel weet ik dat die inschaling gebeurt volgens de reguliere richtlijnen die voor de functiewaardering bij het Rijk gelden. Derhalve wordt eerst een precieze beschrijving gemaakt van de te verrichten werkzaamheden in de functie en daarna volgt een waardering van die functie. De aard en de inhoud van het werk zijn bepalend. In die zin geldt geen andere werkwijze dan die er is voor beleidsmedewerkers die in de genoemde schalen zijn ingedeeld. Toelagen kunnen altijd in bijzondere omstandigheden worden toegekend en ook hierbij gelden de vigerende regels voor personeelsbeheer en rechtspositie. Zoals gezegd, zal ik de Kamer de toegezegde informatie zo spoedig mogelijk toezenden.

Voorzitter. Hiermee ben ik gekomen aan het eind van mijn beantwoording in eerste termijn. Ik heb geprobeerd de vragen van de Kamer zo goed mogelijk te beantwoorden aan de hand van de verschillende onderwerpen die vandaag de revue zijn gepasseerd.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA):

Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn antwoord. Ik dank hem er ook voor dat hij gevoelig bleek voor hetzij de argumentatie, hetzij de krachtsverhouding in de Kamer waar het gaat om mijn amendement betreffende het Kabinet van de Koningin. Misschien het laatste meer dan het eerste, maar het resultaat is gelijk. Het is goed dat dit aan het oordeel van de Kamer wordt overgelaten.

De minister-president heeft toegezegd, toegegeven, heel scherp geformuleerd dat alle relevante informatie die hem ter ore komt, moet worden gedeeld. Het lijkt mij goed dat wij dat hier nog eens expliciet vaststellen. De keuze had overigens ook een andere geweest kunnen zijn. Als het gaat om het functioneren van de minister-president in het buitenland, had ook gekozen kunnen worden voor het versterken van zijn positie. Daar is tot nu toe nooit voor gekozen. De minister-president doet dat nu ook niet. Dat betekent dat hij primus inter pares is en dat alle relevante informatie moet worden gedeeld.

Artikel 68 van de Grondwet betreft de inlichtingenplicht van het kabinet aan de Kamer. Ik moet zeggen dat ik het debat op dit punt niet bevredigend vond verlopen. Het niet informeren van de Kamer kan alleen als het belang van de Staat aan de orde is en dat moet beargumenteerd worden. Dat is in dit geval onvoldoende gebeurd. Er is ook onvoldoende rekening gehouden met het vertrouwelijk informeren van de Kamer, hetgeen ook nog een mogelijkheid is. Natuurlijk kom ik niet met een motie. Dat zou flauwekul zijn, want het gaat om een grondwettelijke verplichting. Het betekent: Kamer, let op uw zaak! Het kabinet mag ons alleen informatie weigeren, indien dat in het belang van de Staat is.

Ik dank de minister-president voor zijn toezegging met betrekking tot een notitie over de salarissen van politiek assistenten.

Ik ben blij met het rapport van de Nationale ombudsman en zal de kabinetsreactie afwachten. Ik heb er nu geen aandacht aan geschonken, omdat ik dat graag uitgebreider op een later moment doe.

Mevrouw Smilde (CDA):

Voorzitter. De minister-president heeft zeer uitvoerig geantwoord, waarvoor hartelijk dank. Hij heeft vrijwel al mijn vragen beantwoord. Ik heb een vraag gesteld over de voortgang met het waarden- en normendebat en de terugkoppeling naar de Kamer. Om het debat levendig en voortdurend in de aandacht te houden, moet het niet alleen concreet worden gemaakt, maar ook naar de Kamer worden teruggekoppeld. Wil de minister-president dat jaarlijks bij de begroting van Algemene Zaken doen? Of wordt het een nadrukkelijk genoemd aandachtspunt bij de vakministeries?

Ik heb in eerste termijn aangegeven dat wij uitstekend konden leven met de formulering van het kabinet over de plaatsing van het Kabinet van de Koningin in hoofdstuk II. De argumentatie van de Kamer en de reactie van de minister-president gehoord hebbend, zullen wij in de fractie een afweging maken over het amendement van mevrouw Kalsbeek.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Het amendement van mevrouw Kalsbeek over het Kabinet van de Koningin zal onze steun krijgen. Er zal nog een uitgebreide toelichting op artikel 3 volgen. Mogelijk zal dit onderdeel van debat worden. Ik wacht de ontwikkeling af. In dit debat met dit thema kun je slechts kleine stapjes zetten. Naar mijn gevoel wordt nu een klein stapje gezet. Wij zullen later bepalen of dat inderdaad het geval is.

Over het Innovatieplatform zegt de minister-president dat wij materieel krijgen wat wij willen. Het middelbaar beroepsonderwijs en het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs worden er op de een of andere wijze bij betrokken. Dit zal althans onderwerp van gesprek zijn. Ik vind dat niet wat ik gevraagd heb. Ik heb echt gevraagd om deelname van de sector in het Innovatieplatform.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het voorzitten van het Innovatieplatform onderdeel is van de beleidsagenda van de minister-president;

constaterende dat de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (BVE) geen vertegenwoordiger heeft in het Innovatieplatform;

constaterende dat de BVE-sector dit ziet als een groot gemis gezien de omvang van de sector en de innoverende rol die de sector speelt;

verzoekt de minister-president, alsnog een vertegenwoordiger uit de BVE-sector uit te nodigen om zitting te nemen in het Innovatieplatform,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Bommel. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9(29200 III).

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Gezien de eenstemmigheid in deze Kamer en ook met de regering over het belang van het Innovatieplatform en het belang van de BVE-sector als zodanig, denk ik dat daar wel uit te komen moet zijn, vooral ook omdat het Innovatieplatform net begonnen is. Als wij te lang wachten, wordt het moeilijker om te vragen later in te stappen.

Ik heb twee bezuinigingsvoorstellen gedaan. Ik had niet verwacht dat de minister-president mij zou feliciteren met dat goede idee, maar wel dat hij zou zeggen dat er serieus naar zou worden gekeken. Hij zou toch blij moeten zijn met iedere bezuinigingsmogelijkheid die hier wordt aangereikt zonder dat daardoor grote maatschappelijke schade ontstaat, maar niets van dat alles. Vandaar dat ik het aan de Kamer voorleg, omdat zij ook wel eens op zoek is naar extra geld dat bijvoorbeeld kan worden besteed aan al dan niet kleine verenigingen die straks hun subsidie zien sneuvelen of aan andere terreinen waarmee misschien een groot maatschappelijk belang wordt gediend terwijl dat maar een klein bedrag hoeft te kosten.

Dat betreft allereerst de politiek assistenten, die volgens mij ten laste moeten komen van de politieke partijen zelf. Hun activiteiten staan in het kader van die politieke bewegingen. Dat is de uitleg, waaraan vandaag iets werd toegevoegd. Daarover dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,Van Bommel

constaterende dat de regering ingrijpende bezuinigingsvoorstellen heeft ingediend bij de Tweede Kamer;

constaterende dat politiek assistenten van bewindspersonen zich richten op ondersteuning in het kader van de politieke partij van de desbetreffende bewindspersoon;

constaterende dat politieke partijen van de overheid subsidie ontvangen voor tal van ondersteunende activiteiten;

van mening dat de aard van de werkzaamheden van politiek assistenten het rechtvaardigt dat dezen ten laste worden gebracht van de politieke partij waar de desbetreffende bewindspersoon deel van uitmaakt;

verzoekt de regering, erin te voorzien dat de bekostiging van bedoelde politiek assistenten niet meer ten laste van de rijksbegroting komt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Bommel. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10(29200 III).

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Mijn tweede en vandaag laatste bezuinigingsvoorstel betreft de werkkamer en pied à terre van bewindspersonen. Wij hebben het daarover gehad. Ook daarover dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering ingrijpende bezuinigingsplannen heeft die grote groepen burgers, hun organisaties en de overheidsorganisaties raken;

constaterende dat daarbij uitgaven van ministeries voor personeel en materieel niet worden ontzien;

constaterende dat de kosten voor werkkamer en pied à terre voor bewindspersonen ter eigen beoordeling zijn en op geen enkele wijze zijn genormeerd of aan een maximum gebonden;

verzoekt de regering, nadere regels op te stellen voor de bekostiging van werkkamer en pied à terre voor bewindspersonen met als uitgangspunt het instellen van een normering en een maximum,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Bommel. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(29200 III).

De heer Van der Vlies (SGP):

Voor wie dient de heer Van Bommel deze motie in?

De heer Van Bommel (SP):

Bedoelt u of ik een bepaalde bewindspersoon in gedachten heb? Ik dien de motie in als voorstel aan de Tweede Kamer, maar dat bedoelt u waarschijnlijk niet.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat was mij wel duidelijk.

De voorzitter:

U dient de motie in als verzoek aan de regering.

De heer Van Bommel (SP):

Ik begrijp de vraag van de heer Van der Vlies werkelijk niet.

De heer Van der Vlies (SGP):

Moet de Tweede Kamer hier nu een opvatting over hebben? Waar begint onze controlerende taak en waar vinden wij echt dat het moet worden uitgezocht op een departement of binnen de ministerraad? Wij gaan toch ook niet over potloden en ballpoints? Misschien doen ze daar ook wel te kwistig mee.

De heer Van Bommel (SP):

Daar gaat deze Kamer dus wel over, dus ook over potloden en ballpoints op het ministerie. Als op dat punt enorme bedragen zouden worden uitgegeven, zou uw fractie daar misschien ook wel een punt van maken. Ik heb helemaal geen aanleiding om dat te veronderstellen. Ik merk wel dat er voor werkkamer en pied à terre geen normering en maximering zijn, zoals is gesteld in het antwoord op de schriftelijke vragen. Ik vind dat raar in een tijd waarin regering en Kamer steeds het belang van beleidsverantwoording in financiële zin benadrukken. Ik denk dus dat verantwoording kan worden afgelegd, bijvoorbeeld in de begroting. Dat doe je het makkelijkst door te zeggen: daar is een normering voor en daar zit een maximum aan.

De heer Van der Vlies (SGP):

Het verschil tussen de heer Van Bommel en mij is dat ik vind dat ik vertrouwen moet geven aan mensen die een zware verantwoordelijkheid dragen om met 's Rijks schatkist zo zorgvuldig mogelijk om te gaan en dat zij die verantwoordelijkheid zo verstaan, dat zij zich geen overbodige en luxe dingen toe-eigenen waarvan anderen al dan niet gedwongen afstand doen. Ik wens dus een beetje moreel besef.

De voorzitter:

Ik verklaar deze discussie voor geëindigd!

De heer Van Bommel (SP):

Die wens leeft ook bij mij. Vertrouwen is goed, maar controle is beter. Zoals bekend, gaat de SP voor goud.

De heer Van Beek (VVD):

Voorzitter. Het is goed om na te denken over de vraag wanneer je begint te onderhandelen en wanneer het verstandig is om het zoveel mogelijk te objectiveren en in de onderzoekssfeer te laten. In die fase zijn onze kansen nog goed. Als je gaat onderhandelen en tevens voorzitter moet zijn, wordt het veel moeizamer. Vandaar dat ik het onderwerp graag wilde agenderen.

Ik wil geen lippendienst bewijzen als ik het onderwerp "lekken" aan de orde stel. Ik ben het volstrekt eens met alles wat de minister-president heeft gezegd, en hij waarschijnlijk met alles wat ik heb gezegd. We moeten er echter naar toe werken dat dat lekken minder wordt, zodat we volgend jaar kunnen constateren dat Prinsjesdag meer nieuws brengt, omdat de feiten zijn gebleven waar dat hoorde.

Ik complimenteer de minister-president met de wijze waarop hij het debat heeft gevoerd over de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat gebeurde buitengewoon scherp, waarbij hij buitengewoon goed weergaf hoe de verantwoordelijkheden liggen. Hij was beter dan de teksten in de toelichting! Ik ben blij dat hij heeft toegezegd, dat nog eens te bekijken. Met dit debat, en het verslag daarvan, is het onderwerp nu goed weergegeven, zodat er geen misverstanden meer kunnen rijzen.

Wat de wijze betreft waarop het kabinet is omgegaan met het ingediende amendement, en het feit dat gevraagd is of dat zorgvuldig kan gebeuren, kan ik zeggen dat wij dat amendement steunen. Wij zijn heel blij dat de minister-president het niet ontraadt, en het zorgvuldig zal implementeren.

De heer Herben (LPF):

Voorzitter. Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag waarom er rechtstreeks contact tussen het Kabinet van de Koningin en de AIVD bestaat als het gaat om het aanvragen van antecedentenonderzoek. Waarom kan het niet in afschrift, dezes lezende? Ik wil zekerstellen dat de informatie de minister tijdig bereikt. Tijdig en van belang kunnen zijn, zijn twee waardeoordelen die mij te vrijblijvend zijn. In iedere ambtelijke richtlijn staat dat de minister maandelijks op de hoogte wordt gehouden, of dat de directeur van het Kabinet van de Koningin maandelijks rapporteert. Ik vraag kortom om een meer imperatieve formulering.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Dit debat ging beter dan gedacht. Ik deel de conclusie van de heer Van Beek als het gaat om de positie van het Kabinet van de Koningin. De minister-president was veel helderder dan de tekst, wat beter is dan andersom. Volgens mij moet nu de tekst nog wat helderder. Ik zou denken dat het KB daartoe moet worden aangepast, wellicht met een nieuw artikel 4: onze minister heeft het laatste woord. Dat zal juridisch misschien niet in de haak zijn, maar dan zijn we daar meteen mee klaar.

Ik zou het op prijs stellen als de minister-president in de loop van dit jaar met een kort pittig verslag komt van de werkzaamheden rond het Innovatieplatform. Als het gaat om geen woorden maar daden, heb ik hem juist in dit debat gevraagd hoe het zit. Waarom 4% extra uitgaven infrastructuur, en 1 à 1,5% voor onderwijs? Waar blijven de daden dan? Hoe zit het met de aandacht voor al het andere buiten de bèta's, et cetera et cetera? Daar valt nog veel over te zeggen, wat ik nu niet zal doen. Wellicht kan dat via een mooie brief van de minister-president. Ik waardeer zijn initiatief.

Ik deel de zorg van de heer Van Beek over lekkages. Mij kwam een overigens een bericht ter ore dat een oud-bewindspersoon ooit heeft gezegd: er is maar één schip dat van boven lekt en dat is het "schip van Staat". Ik vraag de minister-president of hij het daarmee eens is.

De voorzitter:

Op zijn verzoek, geef ik de heer Herben het woord in het kader van een verlengde tweede termijn.

De heer Herben (LPF):

Voorzitter. Dank voor deze coulance. Het betreft een omissie mijnerzijds, het voorlezen van een motie binnen de voorgestelde toegestane tijd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Catshuis en het Paleis Noordeinde niet geopend zijn voor het publiek;

overwegende dat openstelling een goede manier zou zijn om de door velen gesignaleerde kloof tussen politiek en publiek te dichten;

verzoekt de regering, zorg te dragen voor een opening op geregelde tijden van genoemde objecten voor het publiek,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Herben. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(29200 III).

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Voorzitter. De minister-president en mijn fractie delen het belang dat wij hechten aan het debat over normen en waarden. Ik heb hem gevraagd of er concrete nieuwe impulsen voor dat debat te verwachten zijn. Wellicht kan hij daarop alsnog ingaan, omdat het nu vooral gaat om het volgen van het debat op lokaal niveau.

Met betrekking tot het Kabinet van de Koningin is in dit debat een resultaat bereikt dat niet helemaal verwacht was. Ik heb er in eerste termijn nog een specifieke vraag over gesteld waarop ik in tweede termijn graag antwoord krijg. Gelet op de houding van de minister-president, vermoed ik dat mijn fractie ertoe neigt om voor het amendement van mevrouw Kalsbeek te stemmen. Dat neemt niet weg dat ik de beantwoording van de minister-president graag zou krijgen, ook omdat wij dit een belangrijk punt voor de toekomst vinden.

Ten aanzien van de politiek assistenten hebben de minister-president en ik een verschil van mening. Mijn fractie vindt het merkwaardig dat er 20 partijfunctionarissen op staatskosten als zodanig functioneren. Onze lof gaat dan ook uit richting de bewindslieden die het zonder kunnen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn beantwoording. Over de normen en waarden komen we in de nabije toekomst ongetwijfeld nog verder te spreken.

Vervolgens wil ik nog kort iets zeggen over het Kabinet van de Koningin. Dan zal ik het niet meer hebben over de ministeriële verantwoordelijkheid, want daar zijn wij het eigenlijk over eens gebleven. Het gaat nog om de aanhechting op de rijksbegroting via hoofdstuk II of hoofdstuk III. De notitie die we bespraken, noemde de verhuizing van II naar III niet nodig en ongewenst. De SGP-fractie kon zich daarin vinden. Ik had mij kunnen voorstellen dat de minister-president mevrouw Kalsbeek gevraagd had om haar amendement nog even terug te nemen teneinde hem in de gelegenheid te stellen om uit te schrijven hoe een en ander binnen hoofdstuk III geregeld kan worden. Hij heeft echter het hoofd in de schoot gelegd van een zich aftekenende Kamermeerderheid. Wat de SGP-fractie betreft was dat iets te snel; laat dat geen maat zijn voor toekomstige gedragingen in vak K ten opzichte van de Kamer. Je kunt wat langer strijden en dan wellicht, net voordat je ten onder gaat, het hoofd opheffen en zeggen: dan doen wij het anders. Dit ging mij echter toch wat te vlug.

Kortom, niet nodig; dan zeg je dat het ook anders kan. Ongewenst, dat ging mij toch wat dieper. Daar was over nagedacht. En dan wordt een en ander uitgeschreven om te bekijken hoe het kan. Welnu, dat zou ik liever eerst hebben voordat ik over het amendement moet stemmen. Dat is de positie van de SGP-fractie.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Het is goed, te horen dat mevrouw Kalsbeek ons erkentelijk is voor de wijze waarop wij met haar amendement zijn omgesprongen. Op dat punt zijn wij gezamenlijk verder gekomen.

Het debat over het delen van informatie heeft tot een zekere verheldering geleid. Mevrouw Kalsbeek was wat kritischer over de regel op grond van artikel 68 van de Grondwet. De hoofdregel is dat de informatie aan de Tweede Kamer openbaar is. Er moet sprake zijn van een uitzonderingsgrond om die regel niet te hanteren. Per geval moet dit steeds worden bezien. In dat kader heb ik gewezen op de notitie van voormalig minister De Vries. In deze gevallen is het belang van de Staat in het geding. Daarbij gaat het vrijwel altijd om informatie van buitenlandse inlichtingendiensten en hun bronnen. Vertrouwelijke informatievoorziening is mogelijk, maar hangt af van de omstandigheden en van het standpunt van de Kamer. Mevrouw Kalsbeek weet dat bij zeer hoge uitzondering met een beroep op bescherming van het belang van de Staat in het geheel geen informatie wordt verstrekt. Dit zal ook exceptioneel moeten blijven. Het is goed dat wij dit vandaag hebben gewisseld.

De rol van de minister-president komt in meer algemene zin aan de orde in de notitie terzake. In dat kader kan ook een vergelijking worden gemaakt tussen de positie van de Nederlandse minister-president en zijn collega's in andere landen. Dat debat zal later plaatsvinden. Ik heb al toegezegd dat wij zullen bezien op welke wijze het amendement van mevrouw Kalsbeek op een zorgvuldige wijze geïmplementeerd kan worden.

Mevrouw Smilde heeft gesproken over de terugkoppeling van het debat over waarden en normen. Zij suggereerde de behandeling van de begroting van Algemene Zaken en informatie van vakministers. Ik zeg graag toe dat wij de Kamer op deze wijze zullen informeren. Ik sluit echter niet uit dat ook op andere momenten informatie hierover zal worden gegeven. Ik noem het rapport van de WRR dat betrekking heeft op het vraagstuk van waarden en normen. De kabinetsreactie zal uiteraard aan de Kamer worden gezonden zodat daarover een nader gesprek mogelijk is.

De heer Van Bommel heeft de discussie over de samenstelling van het Innovatieplatform met een motie belegd. In eerste termijn waren wij het daarover niet eens. Dit platform is weliswaar niet representatief samengesteld, maar dat neemt niet weg dat alle benodigde kennis is aangeboord. Het beroepsonderwijs krijgt inhoudelijk al veel aandacht. Ik ben zeer tevreden met de huidige samenstelling van het platform. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik aanneming van deze motie ontraad.

De heer Van Bommel heeft vervolgens een motie ingediend over maximering en normering van werkkamers en appartementen van bewindspersonen. In eerste termijn heb ik gesproken over ad-hocoplossingen, de werking van de markt en de huurontwikkeling. In dit kader speelt echter ook veiligheid een rol. Op basis van deze argumentatie wijs ik een dergelijke regeling af. De Kamer kan trouwens per geval controleren. Ik heb al verwezen naar de verschillende begrotingshoofdstukken. Ik ontraad ook aanneming van deze motie.

Ik ben het eens met de opmerkingen van de heer Van Beek over de financiële perspectieven en de zorgvuldige voorbereiding daarvan. Daar hangt zeer veel vanaf. Wij zijn ons er zeer van bewust dat wij op dit punt niet alert genoeg kunnen zijn. In een vroeg stadium moeten inderdaad alle consequenties onder ogen gezien worden.

Ik ben het ook met de heer Van Beek eens over het lekken van stukken. Ik kom straks te spreken over de beeldspraak die de heer Vendrik gebruikt. De boodschap van de heer Van Beek is helder. Het is niet alleen het delen van de kritiek, maar er moet ook worden bezien op welke wijze hierin verandering gebracht kan worden. Uiteindelijk is dit niet goed voor de werking van de democratie.

De heer Herben heeft gevraagd naar de contacten tussen de directeur van het Kabinet van de Koningin en de AIVD. Wij moeten twee zaken goed onderscheiden. Bij het aanstellen van personeel heeft de DKK de ruimte om contact op te nemen met de AIVD in verband met screening van kandidaten. Dat lijkt mij een normale zaak. Wat betreft de leden van het Koninklijk Huis is inmiddels duidelijk geworden dat dit via de minister-president loopt en AZ, mede op basis van hetgeen hier eerder dit jaar is gewisseld.

De heer Herben heeft een motie ingediend over de openstelling van het Catshuis en Paleis Noordeinde. Ik heb de argumenten gegeven waarom wij dit niet moeten doen ten aanzien van Paleis Noordeinde, namelijk privacy en veiligheid. Bij het onderzoek van de commissie-Jesserun is het Catshuis niet betrokken, maar daarvoor gelden dezelfde argumenten. Om die reden ontraad ik aanvaarding van de motie.

De heer Vendrik heeft het nodige gezegd over het Innovatieplatform. Hij wil een kort, pittig verslag, om daarmee te onderlijnen dat het platform actiegericht bezig moet zijn. Als zaken te melden zijn, zullen wij dat zeker doen, ook in samenwerking met de ministers van EZ en OCW. Zijn pleidooi om niet alleen te praten, maar vooral ook dingen te bereiken, hebben wij goed in onze oren geknoopt. Dat is ook de essentie van het werk van dit platform.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het debat over de betekenis van het Innovatieplatform en de consequenties die daaraan verbonden kunnen worden, verdient meer aandacht. Ik ga op één punt nog in, niet praten maar doen. Ik heb juist aangegeven dat de instelling van een Innovatieplatform onder andere terug te vinden moet zijn in de begroting. Het stelt ons bijzonder teleur dat er 4% extra geld is voor infrastructuur en een kleine 1,5% voor onderwijs. Dat is strijdig met de geest, die ik met u deel, van waaruit u het Innovatieplatform hebt opgericht.

Minister Balkenende:

Dat lijkt mij een meer algemene discussie, die voor een deel voortbouwt op de algemene politieke beschouwingen. Wij kunnen debatteren over wat er aan infrastructuur en wat er aan kennis besteed moet worden, maar te midden van alle financiële moeilijkheden springen onderwijs en kennis er in ieder geval in positieve zin uit. Er zijn gelden gevoteerd, een kleine 200 mln, waaraan een nadere bestemming zal worden gegeven na het debat in het Innovatieplatform. In het platform is gezegd dat niet alleen naar de extra middelen, maar ook naar de bestaande middelen gekeken moet worden. Langs die lijnen wordt er geopereerd. Het debat hierover moeten wij maar in een later stadium voortzetten in het kader van de concrete acties die door het platform worden geïnitieerd en de beleidsaspecten in meer algemene zin.

Ik ben de heer Rouvoet nog een antwoord schuldig op de vraag hoe het precies zit met de verschillende instanties die onder het derde begrotingshoofdstuk vallen. Waarin verschilt bijvoorbeeld de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid van het Kabinet van de Koningin? De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid is geen onderdeel van de hiërarchie van AZ, maar staat wel op de begroting. Staatsrechtelijk gaat het om verschillende posities. Het Kabinet van de Koningin ondersteunt de constitutionele Koning als lid van de regering, maar is niet onafhankelijk. De planbureaus en adviesraden hebben een wettelijke grondslag, die juist nodig is om hen een onafhankelijke positie te geven op het punt van advisering. In die zin hebben wij te maken met ongelijksoortige grootheden.

De heer Rouvoet heeft ook gesproken over nieuwe impulsen in het waarden- en normendebat. Ik wijs op het starten van de website, op het te verschijnen rapport van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid en op de nog af te leggen werkbezoeken. Wij waren samen in Hardinxveld-Giessendam. Dat was een goed voorbeeld van hoe van onderop initiatieven worden genomen. Ik hoop dat deze zaken zich verbreden, zodat nadere invulling kan worden gegeven aan het vraagstuk van de wijze waarop mensen met elkaar omgaan; wat respect betekent in de samenleving. Voor het overige zal het kabinet in verschillende begrotingshoofdstukken het nodige entameren. Ik hoop dat wij gezamenlijk in concrete zin een verdere vertaling geven aan het belangrijke onderwerp versterking van waarden en normen in de Nederlandse samenleving.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Het was voor mij een feitelijke, informatieve vraag of er nieuwe impulsen te verwachten waren van het publieke debat. Vorig jaar is vaak gezegd dat er een commissie moet komen, maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan, al wilde u, maar ook wij, dat aanvankelijk wel. Dat zou een soort continue nieuwe impuls hebben betekend voor het publieke debat, maar ik begrijp uit uw antwoord dat er nu vooral bekeken wordt wat er van onderop komt. Dat lijkt mij op zichzelf overigens ook heel positief, maar er zijn van regeringszijde dus geen concrete voornemens voor nieuwe impulsen aan het publieke debat.

Minister Balkenende:

De minister van BZK zal in zijn contacten, ook met burgemeesters, ongetwijfeld spreken over de betekenis van waarden en normen; daar kunnen misschien werkvormen voor worden gevonden. De bevordering van het spreken over dit onderwerp op lokaal niveau zal ongetwijfeld leiden tot initiatieven. Ik heb aangegeven dat wij een debat zullen krijgen over het binnenkort verwachte WRR-rapport. U weet dat ik al een tijd bezig ben met werkbezoeken. Ook in dat kader zullen wij aandacht vragen voor onderwerpen die te maken hebben met waarden en normen. Dat staat los van wat de verschillende departementen gaan doen. Kortom: ik zou bepaald niet willen zeggen dat er geen impulsen worden gegeven of geen initiatieven worden genomen. Het is juist de bedoeling om dat wel te doen. Daar waar wij kunnen aansluiten bij decentrale initiatieven, moeten wij dat zeker niet nalaten.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

U hoeft er absoluut geen verwijt in te beluisteren; dit was echt informatief. Nog één nieuwsgierig vraagje: wanneer komt dat WRR-rapport? Is daar concreet zicht op?

Minister Balkenende:

Volgens mij eind dit jaar. De precieze datum heb ik niet paraat, maar dat rapport zit er nu snel aan te komen. Daarna komt de reactie van het kabinet.

Ik dank de heer Van der Vlies voor zijn laatste opmerking. De heer Vendrik heeft gevraagd of ik een bevestiging kon geven van de uitspraak dat er maar één schip is dat van boven lekt, namelijk het schip van Staat. Ik wil niet uitsluiten dat dit het geval kan zijn, maar in algemene zin gaat die uitspraak mij te ver. Dat had de heer Vendrik echter wel verwacht.

Tot slot is er de lof van de heer Rouvoet voor de bewindslieden die geen politiek assistent hebben. Ik zal die lof overbrengen, maar ik zal mijn leven wat dat betreft niet veranderen.

De voorzitter:

Ik zie één opgelucht gezicht in de ambtenarenloge.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen zullen volgende week dinsdag plaatsvinden.

De vergadering wordt van 16.07 uur tot 16.10 uur geschorst.

Naar boven