Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Voorschriften ten behoeve van de instroom van leraren in het primair en voortgezet onderwijs (Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs) (27015).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Gezien de spreektijden is het onmogelijk om de eerste termijn van de Kamer voor de lunchpauze af te ronden. Ik zal de vergadering daarom nog tijdens de eerste termijn van de Kamer schorsen en wel tussen 12.45 en 13.00 uur.

De heer Poppe (SP):

Mijnheer de voorzitter! Ons land kent een hardnekkig lerarentekort. Dat is slecht voor de toekomst van onze jeugd en de huidige leerkrachten, maar zeker ook een schandaal voor een land dat zo rijk is als Nederland.

Met deze interim-wet zij-instroom wil de minister dit tekort aanpakken door het mogelijk te maken dat mensen uit het bedrijfsleven zich laten omscholen tot leraar. Na een geschiktheidsonderzoek kunnen deze leerkrachtrekruten direct onbevoegd voor de klas gaan staan. Het is de bedoeling dat zij vervolgens middels een op maat gesneden, korte opleiding binnen twee jaar een bevoegdheid halen. Dit is wel het toppunt van liberale flexibilisering.

In de kranten zijn berichten verschenen over experimenten met dit soort leraren. In sommige gevallen is het heel goed gegaan, maar in andere gevallen zijn mensen om uiteenlopende redenen na enige tijd gestopt. Dit geeft wel aan dat deze oplossing niet zaligmakend is. De minister heeft gezegd dat de interim-wet als instrument niet ter discussie staat, omdat er in algemene zin waardering voor bestaat. Ik wijs de minister er dan wel op dat uit het onderwijsveld heel wat kritiek op zijn voorstellen is gekomen. Zo algemeen is die waardering dus niet.

De vraag die centraal staat, is of met dit wetsvoorstel kan worden gegarandeerd dat de zij-instromer zowel een goede leerling als een goed leraar zal zijn. Biedt, met andere woorden, de opleiding die onderdeel uitmaakt van het voorstel, daartoe wel voldoende garanties? Mijn fractie twijfelt sterk of dit mogelijk is.

De minister kampt net als wij allemaal met een groot dilemma als hij een oplossing zoekt voor het lerarentekort. Er is een groot tekort aan leraren, hetgeen goed wordt geïllustreerd door het krantenbericht dat iemand van 72 jaar terug voor de klas is gezet. Dit is de ene kant van de zaak, maar de andere kant is dat de minister moet oppassen met het aandragen van oplossingen die het probleem in het onderwijs op de lange termijn kunnen verergeren. Dat laatste punt is onze grote zorg. Wij zijn namelijk bang dat de invoering van deze wet de problemen op termijn alleen maar zal versterken. Ik zal dat in de loop van mijn betoog toelichten.

Voor het voortgezet onderwijs acht ik deze vorm van leerkrachtrekru- tering mogelijk, mits er daadwerkelijk voldoende scholing en begeleiding wordt geboden. De leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn ouder, zijn zelfstandiger en zijn over het algemeen wat "leerbaarder". Bovendien bieden de universitaire lerarenopleidingen vergelijkbare opleidingen die soms zelfs korter duren. Volgens de VSNU is de wet overbodig voor diegenen die een eerstegraads bevoegdheid hebben.

Voor het primair onderwijs vind ik het wetsvoorstel voor de zij-instroom, net als de Onderwijsraad, een te kwetsbaar instrument. Ik durf zelfs wel te zeggen dat het eigenlijk een slecht instrument is. Als kandi- daat-leerkrachten zonder bevoegdheid in de basisschool voor de klas komen te staan, is er natuurlijk een aanzienlijk kwaliteitsrisico. Hoe is het mogelijk dat een opleiding met een duur van maar twee jaar wordt gestart, terwijl de eisen die aan leraren worden gesteld, de afgelopen jaren alleen maar hoger zijn komen te liggen? Van de huidige leerkrachten worden immers niet alleen pedagogische vaardigheden verlangd. Hij moet ook kunnen functioneren als manager, taalspecialist, maatschappelijk werker en "integratiebevorderaar". Hij moet dus een duizendpoot zijn. Over al die vaardigheden zou de kandidaat-leerkracht – ik vind zij-instromer een vreselijk woord – eigenlijk al moeten beschikken op het moment dat hij zonder bevoegdheid voor de klas komt te staan. Hier mogen toch wel een aantal heel stevige vraagtekens bij worden gezet. Ik vraag mij af waarom de PABO's niet voldoen. Duurt de opleiding te lang? Ik kies voor de duurzaamheid in plaats van korte termijn hapsnapoplossingen. Wij hebben op dit punt een amendement ingediend. In de memorie van toelichting staat dat het niet de bedoeling is dat zij-instro- mers die naar het speciaal onderwijs gaan, meer tijd krijgen. Ik kan dat niet aanvaarden gezien de bijzondere eisen die worden gesteld aan het lesgeven aan kinderen met grote leerproblemen. Is de minister nu werkelijk van mening dat met deze kwetsbare groep leerlingen zo geëxperimenteerd kan worden?

Voorzitter! Ik wil voorkomen dat deze wet de geschiedenis ingaat als de wet die de naam van het boekje Het sprookje van de statusdaling heeft bewaarheid. De globale criteria van het assessment, het feitelijk geschiktheidsonderzoek om het maar in goed Nederlands te zeggen, geven geen aanleiding te stellen dat de kwaliteit voldoende gewaarborgd wordt. De gestelde eisen deugen voor geen meter. Net als de onderwijsbond vind ik dat er ook vergaande concessies zijn gedaan aan de kwaliteitsborging van het assessment. Wat is er gebeurd met wat de kerncompetitie wordt genoemd in de uitvoeringsregeling? Ondanks de goede voornemens kan ik ze niet terugvinden. Zijn het soms de beoordelingsterreinen geworden? Zo ja, klopt het dan dat specifiek voor het basisonderwijs de eisen beperkt zijn tot vakdeskundigheid, taal en rekenen? Dat is veel te summier. De basisschooljaren zijn voor het kind zeer elementair. Om die reden ben ik er ook niet voor dat het wetsvoorstel de mogelijkheid biedt om op deze manier directeur op een basisschool te worden. Als wij zeggen dat het wetsvoorstel ongeschikt is voor leraren van de basisschool, dan is het ook ongeschikt voor directeuren aangezien die ook voor de klas staan. De jaren op school kun je niet overdoen. Wat de juf of de meester zegt, is waar.

Voorzitter! Dan de opleiding. Wij weten dat er veel scholen zijn die al moeite hebben om de leerlingen elke week het verplichte aantal lesuren te geven. Het is een schrijnend probleem in een rijk land. Wij weten ook dat scholen er alles aan doen om lesuitval te voorkomen. Wie kan ons garanderen dat deze wet er niet voor gaat zorgen dat de zogenaamde zij-instromers op scholen te werk worden gesteld waar absoluut geen tijd is, laat staan mankracht om de nieuwkomers echt goed te begeleiden? Ik zie het beeld dat de zij-instromer, uit het bedrijfsleven gerekruteerde leerkrachten in opleiding, bij aanvang op school aan zijn lot wordt overgelaten want de zittende leraren hebben het al druk genoeg. Is het niet aannemelijk, misschien wel te verwachten, dat scholen met veel bezettingsproblemen te gemakkelijk naar het middel van de zij-instroom zullen grijpen? Dat zou wel buitengewoon onverantwoord zijn ten opzichte van de kwaliteit van het onderwijs en onze jeugd. Mensen in het nauw maken soms rare sprongen.

Ik heb nog een vraag over de kosten voor de scholing die gedeeltelijk op het bord van de school en van de kandidaat terechtkomen. Ik heb daarover een amendement ingediend. Ik voorzie een situatie waarin scholen het geld dat zij hebben voor de bijscholing van het zittende personeel gaan inzetten voor de zij-instromers. Is het om die reden niet beter als de minister zorgt voor voldoende extra financiering? Ik heb al gezegd dat wij in een rijk land leven. Ook de Onderwijsraad merkt op dat er "in plaats van een tijdelijke subsidieregeling middelen moeten worden toegevoegd aan het reguliere bekostigingsbudget". Het idee is geopperd om een opleidings- en scholingsfonds op te richten. Dat zou een oplossing kunnen zijn. Graag een reactie van de minister daarop. Kan de minister ook aangeven of er een landelijke standaard komt zodat assessoren, de leraren van de leraren, weten wat zij moeten overbrengen? Nu laat de minister wel heel veel vrijheid over aan de instellingen. Door de globale eisen is het nu zo dat je moeilijker lasser kunt worden dan leraar, zoals de onderwijsbond al suggereert.

De minister zegt dat hij de opleiding niet geheel wil overlaten aan de lerarenopleidingen. Andere instellingen zouden dus hogeronderwijstaken uit de wet kunnen uitvoeren. Het gaat dus om commerciële instellingen. Kan de minister aangeven wat hij hier bedoelt met taken? Gaan commerciële instellingen bepalen welke scholing de kandidaat-leerkracht nodig heeft? Daar voelen wij niets voor. De commercie moet zich verre van het onderwijs houden omdat de positie van de lerarenopleiding moet worden versterkt in plaats van verzwakt. De kwaliteit zou kunnen worden aangetast omdat het bij commerciële instellingen om financiële belangen gaat en niet alleen om de kwaliteit van het onderwijs. Uiteindelijk heeft dit negatieve gevolgen voor de status van het beroep leraar.

Dat brengt mij bij het volgende onderwerp. De minister schrijft dat hij er niet van uitgaat dat de zijstroom schadelijk zal zijn voor het beroep leraar. Waarop baseert hij dit? Ziet hij werkelijk niet dat de wet van weinig respect voor de zittende leraren getuigt? Volgens mij leidt deze wet tot een verdere afkalving van het imago van het beroep leraar. Dit is slecht voor de beeldvorming met betrekking tot het onderwijs in het algemeen. De indruk wordt gewekt dat nu iedereen wel eventjes leraar kan worden.

Voorzitter! Het gaat onzes inziens hierbij om een onverantwoorde kortetermijnvisie op een serieus probleem; bij de minister ontbreekt een langetermijnvisie. In de Volkskrant van 27 maart 2000 stond een artikel, waaruit ik citeer: "Ik heb al 15 jaar een diploma, maar mijn salaris is lager dan dat van een beginnende collega. Deze collega komt uit het bedrijfsleven, heeft geen ervaring, maar volgt een stoomcursus. Hij is dus onbevoegd en heeft nauwelijks ervaring. Mijn advies aan toekomstige studenten voor de lerarenopleiding: ga niet naar deze school maar kies voor het bedrijfsleven. Ga na drie jaar onbevoegd lesgeven en volg dan de stoomcursus. Het financiële gewin loopt in de honderdduizenden guldens." Ook citeer ik het Onderwijsblad van deze week: "Je krijgt nu de absurde situatie dat je als ervaren docent een nieuwe collega mag inwerken en begeleiden tot leraar, wetende dat hij jouw salarisschaal inpikt."

Voorzitter! Uit deze citaten komt een cynische toon naar voren. Ik onderschrijf deze kritiek. De kans dat zij-instromers meer gaan verdienen dan zittende leraren is reëel, omdat de minister wat dit betreft de instellingen nogal wat ruimte laat. De brief is daarvan een sprekend voorbeeld. Het lijkt mij toch niet de bedoeling te zijn dat het scenario dat uit de citaten naar voren komt, wordt bewaarheid.

De minister geeft weliswaar aan dat op zij-instromers de gebruikelijke CAO-afspraken van toepassing zijn, maar hij verzet zich niet tegen loondifferentiatie wanneer die door de instellingen wordt ingevoerd. De kans is dus aanwezig dat zij-instromers, de nieuwe rekruten voor het onderwijs, bevoordeeld worden ten opzichte van zittende, wel bevoegde leraren. Anders zullen zij zich niet laten verleiden om een baan in het onderwijs te accepteren. Het inkomen moet wel hoger zijn, wil men mensen uit het bedrijfsleven aantrekken. Is de minister op de hoogte van het feit dat potentiële zij-instromers op grond van loonderving de overstap niet zullen maken? Zijn hierover gegevens beschikbaar? Valt niet te verwachten dat scholen stunts zullen gaan uithalen om deze mensen toch binnen te halen?

Al deze zaken kunnen een negatief effect hebben op de sfeer en de collegialiteit in het schoolgebouw. Immers, dit kan tot frustraties leiden. Vandaag staat in een artikel in Trouw vermeld: "Eén op de acht leraren is opgebrand." Dat heeft onder meer met frustraties te maken. Wij zien enerzijds nieuwe onbevoegde leerkrachten instromen en anderzijds bevoegde leerkrachten die er om gezondheidsredenen mee moeten stoppen. Kan de minister aangeven hoe hij over de zojuist gegeven citaten denkt? Is de kans niet groot dat jongeren inderdaad overwegen om de reguliere lerarenopleiding die vier jaar duurt, zonder noemenswaardige inkomsten, te laten voor wat die is omdat dit wetsvoorstel op latere leeftijd een veel aantrekkelijker traject mogelijk maakt? Zo ja, zijn wij dan niet veel verder van huis? Daarop doelde ik toen ik het had over het ontbreken van een langetermijnvisie. Volgens de onderwijsbond dreigt hierdoor het gevaar van een ongelooflijke concurrentievervalsing, waardoor de weg van de reguliere lerarenopleidingen volledig failliet gaat. Dit schrijft men in een brief. Kan de minister aangeven welke verschillen in rechtspositie er zijn tussen zittende leraren en nog niet bevoegde zij-instromers? Ik verneem graag de reactie van de minister op deze ernstige twijfels en behoorlijk kritische opmerkingen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ook ik zie het gevaar dat u schetst. Ik denk dat wij daar allemaal mee zitten. Het is eerder een grijs pad waar wij over lopen. Vindt u het gevaar dat kleeft aan de mogelijkheid om uit de vijver te putten om het lerarentekort aan te vullen zo groot dat u deze kans, wat het toch is, niet wilt benutten?

De heer Poppe (SP):

U hebt natuurlijk al gehoord dat wij een onderscheid maken tussen de basisvorming en het voortgezet onderwijs.

Mevrouw Lambrechts (D66):

U bedoelt waarschijnlijk het basisonderwijs.

De heer Poppe (SP):

Ja, het primair onderwijs, de lagere school. Wij vinden dit een volstrekt ongeschikt middel, als het om de jongere leerlingen gaat. Ik heb de redenen al aangegeven.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Dat is helder. Uw bezwaar betreft dus alleen nog het basisonderwijs.

De heer Poppe (SP):

Niet alleen maar, want ik heb nog veel meer kritische opmerkingen gemaakt, waarop ik graag het antwoord van de minister verneem. Een van de belangrijkste kritische opmerkingen is dat men in het bedrijfsleven gaat werken en in een later stadium via het volgen van een spoedcursus in het onderwijs. Daar heeft men een financieel groot voordeel van. Men volgt dan dus geen reguliere opleiding. Dat is een kritisch moment, want op termijn kan dit inhouden dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het onderwijs. Ik wil graag van de minister weten of hij ook die gevaren ziet en, zo ja, hoe hij die denkt te keren.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Het zou toch goed zijn als u als verte- genwoordiger van de SP aangaf op welke wijze u de branden op de korte termijn, alsook op de lange termijn wilt blussen.

De heer Poppe (SP):

U begrijpt dat ik vooralsnog met mijn eerste termijn bezig ben. Ik wil eerst graag antwoord van de minister hebben op mijn kritische vragen. Vervolgens maken wij onze "mind" op voor ons definitieve besluit. Het mag echter wel alvast duidelijk zijn dat wij kritisch zijn.

Mevrouw Barth (PvdA):

Door de reactie van de heer Poppe op een vraag van mevrouw Lambrechts begrijp ik zijn verhaal niet meer helemaal. Hij zei namelijk eerst: mensen uit het bedrijfsleven gaan niet naar het onderwijs, omdat je in het bedrijfsleven veel meer verdient en anders zou het financiële nadeel veel te groot zijn. Nu zegt hij evenwel: mensen moeten vooral eerst in het bedrijfsleven gaan werken en als zij vervolgens een spoedcursus volgen, hebben zij een financieel voordeel. Wat is het nu?

De heer Poppe (SP):

Ik heb uit een brief geciteerd van iemand die er verstand van heeft. Die persoon heeft geschreven dat dit een optie is. In plaats van een vierjarige opleiding te volgen, gaat men eerst werken. Als men die vierjarige opleiding volgt, heeft men nauwelijks een inkomen. Ik hoef daarvoor maar naar mijn dochter te kijken. Gaat men direct aan het werk, dan heeft men dus wel een inkomen. Later kan men met een vergelijkbaar inkomen na het volgen van een spoedcursus, leraar worden. Dat kan wel eens de reden zijn dat de reguliere opleidingen een tekort aan instroom krijgen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens dit wetsvoorstel mag je echter alleen maar zo'n assessment in als je een opleiding uit het hoger onderwijs hebt afgerond. Dan heb je toch geen financieel voordeel? Je moet namelijk twee jaar langer studeren om uiteindelijk je bevoegdheid te halen!

De heer Poppe (SP):

Maar dan heeft men wel een inkomen. Zeker voor het primair onderwijs hoeft men niet naar de PABO; men kan er via een spoedcursus komen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Je moet wél een opleiding uit het hoger onder- wijs gevolgd hebben, bijvoorbeeld HBO jeugdwerk. Dan heb je toch ook een opleiding gevolgd?

De heer Poppe (SP):

Daarna krijg je in het bedrijfsleven een goed inkomen, zeker op dit moment. Als je als leerkracht wilt gaan werken, mis je de daarvoor benodigde opleiding. Vandaar die spoedcursus; anders hoefde die cursus er niet te zijn. Je wordt dan wel volledig betaald.

Mevrouw Barth (PvdA):

Bij die spoedcursus wordt van de studenten ook een bijdrage gevraagd. Bovendien hebben zij al een HBO-opleiding gevolgd. Is het nu voor hen een financieel voordeel of nadeel? Ik kom er niet uit.

De heer Poppe (SP):

Het hangt van de opleiding af, maar elke hogere opleiding houdt niet in dat men pedagoog is en dat men pedagogische kennis en managementkennis heeft, alsook beschikt over de rest wat nodig is om voor de klas te kunnen staan. Op dit moment zijn de eisen, de zware eisen die gesteld worden aan een onderwijskracht, heel anders dan de eisen bij het met een opleiding in het bedrijfsleven gaan werken.

Voorzitter! Zoals gezegd, ik ben niet tegen zij-instroom als zodanig. Mensen die al een loopbaan gevolgd hebben en later alsnog voor de klas willen gaan staan, moeten daartoe de gelegenheid krijgen, maar dan wel met een fatsoenlijke opleiding: een opleiding gericht op mensen opleiden en niet gericht op een vak uitoefenen alleen. Waar ik ernstige bezwaren tegen maak, is wanneer mensen onbevoegd voor de klas komen te staan, zonder de garantie dat de persoon in kwestie voldoende begeleiding krijgt in dat moeilijke werk. Ik vind dat risico zeker onaanvaardbaar, wanneer we spreken over het basisonderwijs. Voor het voortgezet onderwijs acht ik het aanvaardbaar, mits alles op alles wordt gezet om de kandidaat te ondersteunen in de specifieke taken die van een leraar verwacht worden: onze jongeren opleiden.

Overigens moeten we niet vergeten dat zij-instroom via de deeltijdse lerarenopleiding nog altijd een prima alternatief is. Via dat traject staan kandidaten pas na enige tijd voor de klas en daarom kan ik mij daar ook veel beter in vinden. Het verkleint de risico's op onverantwoorde stappen.

Voorzitter! De minister probeert oplossingen te vinden voor het lerarentekort, dat een kwalijk probleem is in het onderwijs. Dat is goed en daar moet hij vooral in gesteund worden. Ik wil net zo graag als de minister, dat alle kinderen goed onderwijs kunnen volgen en misschien kan ik hem daar ook bij helpen. Ik denk dat we het meer moeten zoeken in de stille reserve, bijvoorbeeld mensen met een onderwijsbevoegdheid die nu in de WAO zitten. Voor hen wordt een terugkeer naar het onderwijs vaak zeer onaantrekkelijk gemaakt. Zij worden gekort op hun uitkering, wanneer zij weer, in deeltijd, gaan werken: de armoedeval. We hebben ook allemaal daar brieven over gekregen die voorbeelden daarvan geven. Zij gaan nu als het ware nog liever voor een boekenbon een uurtje in de pauze surveilleren op school dan werken voor een echt salaris, ook mensen die in de bijstand zitten. Als zij voor een aantal uren terug naar de klas willen, kunnen ze met hoge onkosten geconfronteerd worden: reiskosten, enz. Er is een mevrouw uit Sneek, het betreft een van de ontvangen brieven, die geen baan als vervanger aanneemt, omdat haar reiskostenvergoeding slechts 12 cent per kilometer bedraagt! Dat kunnen we toch niet accepteren, dat mensen met een bevoegdheid daarom niet terugstromen in het onderwijs. Een verzoek derhalve aan de minister om daarnaar te kijken en met zijn collega van Sociale Zaken mogelijk naar oplossingen te zoeken voor deze armoedeval, om te voorkomen dat mensen daardoor niet terugkeren in het onderwijs. We moeten voorkomen dat mensen om die reden afhaken, als het ware gestraft worden, omdat zij de minister willen helpen met zijn probleem wat betreft het gebrek aan leerkrachten.

Voorzitter! Resumerend heb ik vier bezwaren tegen de wet zij-instroom.

  • 1. Deze is slecht voor de kwaliteit, want onbevoegd voor de klas staan is slecht voor de kwaliteit.

  • 2. Zij is slecht voor de status van het vak; dat heb ik omschreven: vanwege de verkorte opleiding.

  • 3. Zij is slecht voor de sfeer en de collegialiteit op school door de verschillende afkomst en mogelijkerwijs zelfs de verschillende inkom sten.

  • 4. Zij is demotiverend voor studenten aan de reguliere lerarenopleiding en vormt een veel te riskant experiment voor onze jeugd, met name de jongsten.

Zoals ook de VSNU zegt: zij-instroom is geen echte oplossing, want het echte probleem is het imago. Eén op de acht raakt afgebrand; dat is geen goed imago. Net als bij de invoering van de tweede fase is overleg met het veld achterwege gelaten. De bonden zijn niet geraadpleegd en de scholen evenmin. Leden bellen de bond boos op om te vragen waarom zij zoveel energie staken in een opleiding die nu zoveel eenvoudiger is geworden. Opnieuw is er een onnodige kloof tussen wetgever en uitvoerders gegroeid. Heeft de minister, zo zou ik haast willen vragen, niets geleerd van het debacle met de tweede fase?

Ik zou de minister willen vragen, mocht hij toch tot invoering overgaan, de wet in ieder geval zeer grondig te evalueren, voordat deze wordt opgenomen in de nieuwe Wet op het leraarschap. Daarmee wordt voorkomen dat we later de dupe zijn van een wet die te snel, te "gres" en te ondoordacht, wat betreft de problemen in de toekomst, is ingevoerd. Ik hoor de minister graag een antwoord geven.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter! Het wetsvoorstel waarover wij vandaag met elkaar spreken, heeft inderdaad tot veel emoties in het onderwijsveld geleid. Ik denk dat al die emoties vooral één ding duidelijk maken, namelijk dat het ontzettend belangrijk is dat wij stevig gaan investeren in goed personeelsbeleid in het onderwijs. Ik kom daar straks op terug.

De fractie van de PvdA steunt dit wetsvoorstel. Daarover wil ik geen misverstand laten bestaan. Wij denken niet alleen dat dit wetsvoorstel kan bijdragen aan de oplossing van het lerarentekort, maar wij beschouwen het ook als een verrijking van het personeelsbestand op scholen. Het kan heel goed zijn voor een organisatie als er iemand binnenkomt die met een frisse blik naar de gang van zaken kijkt en dan vraagt: waarom doen jullie dat eigenlijk zo?

Dit is een tijdelijke wet, met veel haast. Wij steunen dat snelle traject. Juist vanwege het lerarentekort is het belangrijk dat deze mogelijkheid met spoed wordt gecreëerd, maar wij zien van de minister graag dezelfde spoed wat betreft de komst van de Wet op het leraarschap. Wij hebben die afgesproken in het regeerakkoord. Het regeerakkoord is inmiddels bijna twee jaar oud. De minister schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag dat deze wet nog vóór het eind van de kabinetsperiode komt. De ervaring leert dat dat moment er sneller zal zijn dan wij allemaal denken, niet omdat het kabinet voortijdig zal vallen, maar omdat de tijd zo snel gaat. Wij hebben nog maar twee jaar. Als het parlement in deze kabinetsperiode ook nog wat wil bijdragen aan de wet, dan zal er toch echt enige spoed moeten worden betracht. Mijn fractie wacht overigens nog veel langer dan deze kabinetsperiode, met smart, op het register op het leraarschap, dat onderdeel zal uitmaken van deze wet. Wanneer komt de wet? Ik hoor dat graag iets concreter dan: vóór het eind van de kabinetsperiode.

Wij zijn blij met de toezegging van de minister in de nota naar aanleiding van het verslag dat hij bereid is de inhoud van de assessments in een AMvB vast te leggen. Dat scheelt een amendement. Wij wijzen er wel op – dat is meer een boodschap aan mijn collega's – dat wij voor deze AMvB een voorhangprocedure in werking zullen stellen als het moment daar is. Het lijkt ons heel belangrijk dat de Tweede Kamer kan praten over de inhoud van die assessments.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Voorzitter! Ik deel het gestelde over de voorhangprocedure, maar er moet in het wetsvoorstel worden geregeld op welke manier die procedure wordt ingevoerd, want anders gebeurt het niet.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dan moeten wij daar nog even goed naar kijken. Misschien kan de minister dat ook doen. Als daar een nota van wijziging voor nodig is, dan lijkt mij dat de koninklijke weg.

In dit wetsvoorstel moet de kwaliteit centraal staan. Dat is heel belangrijk, niet alleen voor het onderwijs. Ouders en leerlingen moeten blind kunnen varen op de kwaliteit van het onderwijzend personeel. Het is ook heel erg belangrijk voor het draagvlak van dit wetsvoorstel in het veld, want dat is kritisch. Daar heeft de heer Poppe zojuist al uitgebreid aan gerefereerd. Wat ons betreft moet deze discussie daarom niet alleen gaan over de bevoegdheid van een leraar, maar vooral ook over de bekwaamheid van een leraar. Wij weten allemaal dat dit niet altijd hetzelfde is. Wat ons betreft is kwaliteit bekwaamheid. Dat is een goede leraar. Zij-instro- mers die via dit wetsvoorstel voor de klas komen te staan, zijn wel bekwaam – dat moet in een assess- ment worden vastgesteld – maar ze zijn nog niet bevoegd. Wij spreken daarom liever niet van onbevoegden, maar van voorwaardelijk bevoegden. De minister schrijft in de nota steeds over de voorwaardelijke bevoegdheid als een leuke uitvinding van de PvdA-fractie, maar ik had gehoopt dat de minister dit zou overnemen. Misschien dat hij daar alsnog toe bereid is, want volgens mij maakt dit veel helderder wat het wetsvoorstel precies beoogt.

De heer Poppe (SP):

Voorzitter! Ziet mevrouw Barth geen overeenkomst tussen bevoegdheid en bekwaamheid? Als je bevoegd bent, dan is je bekwaamheid getest en getoetst. Je bent daarvoor opgeleid. Gaat dit betekenen dat de PvdA straks zoveel ruimte aan het onderwijs wil geven dat mensen met een zekere bekwaamheid onbevoegd het onderwijs in kunnen?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb het niet over onbevoegd, want dit wetsvoorstel gaat daar niet over. Ik heb het ook niet over een beetje bekwaam. Ik heb het over erg bekwaam.

De heer Poppe (SP):

Mevrouw Barth had het over bevoegdheid en bekwaamheid en dat dit niet altijd hetzelfde is.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ben erg slecht in jaartallen, maar in 1991 verscheen het rapport van de tijdelijke commissie leraarschap, de commissie-Van Es. Die commissie heeft een buitengewoon grondige en rake analyse gegeven van het onderscheid tussen bevoegd en bekwaam. Een bevoegde leraar is niet altijd een heel goede leraar en is niet altijd iemand die kinderen graag voor de klas zien. Tegelijkertijd kan het heel goed zijn dat mensen die het vak echt in hun vingers hebben, nooit een onderwijsbevoegdheid hebben verkregen. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat dit soort bekwame mensen toch voor de klas kan komen.

De heer Poppe (SP):

De PvdA blijft dus wel op alle niveaus kwaliteitseisen stellen voor de leraar, waaruit uiteindelijk de bevoegdheid moet voortkomen. Waarom heeft iemand dan in het ene geval een vierjarige specifieke opleiding nodig om aan al de eisen te voldoen die ik net heb opgenoemd en die in de afgelopen jaren alleen maar zwaarder zijn geworden, terwijl iemand in het andere geval, bijvoorbeeld iemand uit het bedrijfsleven, nu maar een paar jaar nodig heeft? Die persoon kan zelfs al onbevoegd voor de klas staan.

Mevrouw Barth (PvdA):

Nogmaals, er moet getoetst worden of iemand bekwaam is. Misschien is het verschil met de SP-fractie dat onze fractie gelooft in natuurtalent. De heer Poppe heeft nooit een opleiding tot Kamerlid gehad, maar hij is een prima Kamerlid. Hij is dus een natuurtalent. Op die manier moet het ook mogelijk zijn dat een leraar natuurtalent voor de klas terechtkomt.

De heer Poppe (SP):

Zo krijgt mevrouw Barth mij niet bij de microfoon weg. Natuurlijk zijn er natuurtalenten, maar het onderwijs kan niet uitsluitend uit natuurtalenten bestaan, dus uit mensen die het helemaal in de vingers hebben en die overigens om de een of andere reden veelal uit Friesland komen. Zij hebben het voortouw in het onderwijs als het om verbeteringen gaat. Het gaat echter ook om de mensen die gewoon hun dagelijkse werk moeten doen, die niet zo uitblinken maar wel hun leerlingen goed kunnen begeleiden naar hun verdere leven. Daarvoor moet iemand een bevoegdheid hebben die getoetst moet zijn. De eisen worden zwaarder, want de maatschappij wordt ingewikkelder en er zijn nogal wat probleemwijken waar zich moeilijke situaties voordoen. Er wordt dus veel verwacht van een leraar. Nu kan iemand echter ineens in twee jaar leraar worden. Ik vat dat niet helemaal.

Mevrouw Barth (PvdA):

Men start niet vanuit punt nul aan dat tweejarige traject. Eerst wordt bekeken of iemand bekwaam genoeg is om meteen voor de klas te kunnen. De minister heeft in een eerder debat over dit onderwerp wel eens gezegd: wij laten niet elke patatbakker voor de klas. Dat is hem komen te staan op een enorme reprimande van de patatbakkers, dus dat zal ik niet herhalen. In ieder geval komt niet zomaar Jan en alleman door dit wetsvoorstel voor de klas terecht. Er wordt zeer goed getoetst of iemand bekwaam genoeg is om meteen voor de klas te kunnen. Die bekwaamheid moet binnen twee jaar verzilverd kunnen worden in een officiële bevoegdheid. Ik ben het zeer met de heer Poppe eens dat de kwaliteit van de mensen een punt van grote aandacht voor de Tweede Kamer moet zijn. Daarom heb ik gezegd dat het assessment vastgelegd moet worden in een algemene maatregel van bestuur, die bij ons voorgehangen moet worden, zodat wij als volksvertegenwoordiging het laatste oordeel hebben over de waarborg van kwaliteit via dat assessment.

Voorzitter! Wat mijn fractie betreft moeten de assessments ruimte bieden voor maatwerk. Ik zeg er meteen bij dat dit maatwerk niet op alle terreinen direct met deze tijdelijke wet moet worden geregeld. Wij vinden wel dat de toekomstige Wet op het leraarschap, waarin dit wetsvoorstel uiteindelijk zal opgaan, daar wel de ruimte voor zou moeten bieden. Ik kom daar straks nog op terug. Dat maatwerk moet nu reeds wel volkomen helder zijn ten aanzien van het onderscheid tussen het voortgezet en het primair onderwijs. Onze fractie deelt niet de analyse van de Onderwijsraad dat dit wetsvoorstel ongeschikt is voor het primair onderwijs. Dat gaat te ver. Het moet echter wel volkomen helder zijn dat in het assessment voor het primair onderwijs de afweging wordt gemaakt of iemand specifiek geschikt is om les te geven aan deze groep kinderen.

De minister geeft in de nota ook toe dat er sprake is van kwetsbaarheid op dit dossier, en geeft aan dat die kwetsbaarheid geneutraliseerd kan worden door de vorm van assessment voor het primair onderwijs. Dat ben ik helemaal met hem eens, maar als wij vervolgens in de samenvatting van de algemene maatregel van bestuur die achter de nota zat, nagaan op welke wijze er uitvoering aan wordt gegeven, dan leidt dat bij mijn fractie tot een heleboel vragen. Er staat namelijk dat de extra toets die zal plaatsvinden in het assessment voor het primair onderwijs betrekking heeft op "kennis van het onderwijs en een basishouding ten aanzien van het beroep". Daar schiet ik voor het primair onderwijs helemaal niets mee op. Het lijkt mij dat het ook voor iemand die in het voortgezet onderwijs wil gaan lesgeven, belangrijk is dat hij kennis heeft van het onderwijs en een goede basishouding ten aanzien van het beroep heeft. Ik vind het een vaag criterium en ik vind het een merkwaardig criterium. Volgens mij schieten wij er meer mee op als wij kijken naar de criteria A, B en C in de samenvatting van het assessment, namelijk het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Het is beter dat die drie elementen in het assessment voor het primair onderwijs worden toegespitst op het lesgeven aan deze groep kinderen. Er moet gekeken worden naar de specifieke vaardigheden en kennis van iemand om met jonge kinderen aan de slag te gaan. Ik zit dus niet te wachten op criterium D. Ik heb liever de aparte criteria A, B en C voor het primair onderwijs. Ik hoor hierop graag een grondige reactie van de minister.

Voorzitter! Ik kom te spreken over de rest van de functies in het onderwijs. Als een van de doelstellingen van dit wetsvoorstel is om het lerarentekort op te heffen, vinden wij dat mensen niet nodeloos moeten worden buitengesloten. Wij hebben iedereen immers hard nodig. De minister schrijft in de nota dat hij ervan uitgaat dat een assessment bedoeld is om de geschiktheid voor groepsleerkracht te beoordelen. Een directeur of een remedial teacher moet deze drempel dus ook nemen om tot de procedure te worden toegelaten. In het kader van deze tijdelijke wet kan mijn fractie dat billijken. Wij zeggen: goed, laten wij dat maar zo doen voor deze beperkte periode. Maar eigenlijk moeten wij toch bekijken of wij in de toekomst in de Wet op het leraarschap niet meer ruimte kunnen creëren voor deze assessments. Een directeur is immers niet altijd groepsleerkracht. Er zijn bovenschoolse directeuren die fulltime manager zijn. Voor die groep is het vooral van belang dat zij goede managers zijn. Voor alle duidelijkheid zeg ik daar maar even bij dat iemand die geen voeling met de werkvloer heeft, een slechte manager is. Dat aspect zou altijd onderdeel van de toetsing moeten uitmaken. Maar een goede manager zijn, is heel iets anders dan lesgeven aan een klas met kinderen. De vaardigheden die een directeur nodig heeft, zouden toch in een assessment tot uitdrukking moeten kunnen komen. Hetzelfde geldt voor een remedial teacher. Mensen kunnen uitstekend in staat zijn om aan een individueel kind of aan een klein groepje kinderen kennis over te dragen, maar zij zijn misschien niet in staat om een hele groep van dertig kinderen te "managen". Het moet toch mogelijk zijn dat er een apart assessment voor remedial teachers komt, bedoeld voor mensen die graag met kinderen willen werken, maar alleen in een kleinschaliger verband. Mijn fractie wil in de discussie over investeren in onderwijs graag af van het beeld dat het in deze sector alleen maar draait om een leraar die voor een klas met kinderen staat. Wie wil dat scholen volwaardige organisaties worden, zal moeten erkennen dat daarvoor ook andere functionarissen nodig zijn. Die functionarissen zullen allemaal aan eigen eisen moeten voldoen en over specifieke kwaliteiten moeten beschikken. Ik verzoek de minister om dit soort flexibiliteit te verankeren in de Wet op het leraarschap, zodat de betrekkelijke starheid van de eisen voor een groepsleerkracht in deze tijdelijke wet ook wel degelijk tijdelijk is.

Voorzitter! Deze flexibiliteit is dus iets voor de toekomst. Maar ik maak hierbij een uitzondering voor het speciaal basisonderwijs. Mijn fractie vindt dat hiervoor wel een apart assessment moet komen, en wel nu. Als men afstudeert aan de PABO, heeft men immers geen bevoegdheid voor het speciaal basisonderwijs. Daar moet nog een extra opleiding voor gevolgd worden. Ik vind dat de kwetsbare groep kinderen in het speciaal basisonderwijs het nodig maakt dat er extra eisen worden gesteld aan de leraar. Ik verzoek de minister in deze tijdelijke wet daar al een voorziening voor te creëren. Het speciaal basisonderwijs verdient een aparte positie.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! Eigenlijk geldt voor iedere leerling dat die kwetsbaar is, dus dan moet er altijd een goede leraar voor de klas komen. De lerarenopleidingen zullen toch samen met het bevoegd gezag hun verantwoordelijkheid wel nemen? Men stelt toch niet zomaar iemand aan die niet voldoet aan de kwaliteitseisen?

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat is wel zo, maar voor de duidelijkheid – alleen al naar buiten toe – mag geen onderscheid gemaakt geworden tussen de eisen die aan een zij-instromer worden gesteld en de eisen die worden gesteld aan iemand die van de PABO komt. Ik heb net al aangegeven dat het assessment voor het primair onderwijs een duidelijk eigen gezicht moet hebben ten opzichte van het voorgezet onderwijs. Voor het speciaal basisonderwijs geldt dat eveneens. Ik kan mij voorstellen dat voor leraren in het speciaal basisonderwijs niet dezelfde criteria gelden als voor leraren voor dezelfde leeftijdsgroep in het gewoon onderwijs – de eisen voor PO en VO waarover ik net sprak – maar dat er voor het speciaal basisonderwijs nog een aantal eisen bijkomt.

De heer Cornielje (VVD):

Zoals nu ook gebeurt bij de reguliere opleiding?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ja. Ik wil daar geen onderscheid maken.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter! Ik deel op zich het inzicht van mevrouw Barth dat je op verschillende plekken in dat onderwijs verschillende vaardigheden nodig hebt. Ik heb mede daarom samen met de heer Cornielje een amendement laten voorbereiden om dat "meten waar het telt" in de specifieke onderwijssituatie waar iemand komt te werken een zwaar accent in het hele assessment te geven. Wat vindt u daarvan? Denkt u dat dat tegemoet kan komen aan het probleem dat u terecht schetst?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb alle amendementen die zijn ingediend van tevoren bestudeerd. Ik zal daar straks nog iets over zeggen. Ik heb met uw amendement nogal zitten worstelen, omdat daar specifiek het woord "lesgeven" staat. Ik heb net gezegd dat je met woorden als groepsleerkracht en lesgeven misschien de remedial teachers en de directeuren weer buitenboord zet. Wij hebben uiteindelijk besloten dat wij uw amendement toch zullen steunen, omdat het een wijziging is op deze tijdelijke wet en wij dat maatwerk straks graag verankerd willen zien in de Wet op het leraarschap. Wij vinden het punt dat u in het amendement neerlegt belangrijk genoeg om onze handtekening daaronder te zetten, als het mag.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Graag.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter! Ik kom bij de lerarenopleidingen. Kwaliteit is essentieel voor de legitimiteit van dit wetsvoorstel en het vertrouwen in de assessments. Als ik de nota naar aanleiding van het verslag lees, vind ik dat de minister daar net iets te gemakkelijk over denkt. Het zal wel weer te maken hebben met mijn Amsterdamse en zijn Nijmeegse school – dat begint zo langzamerhand een lopende grap te worden tussen ons – maar ik zal aan de hand van een aantal citaten mijn zorg weergeven. De minister schrijft bijvoorbeeld dat hij ervan uitgaat dat "assessoren in professionele onafhankelijkheid komen tot goede adviezen". Hij schrijft verder dat "de lerarenopleidingen in staat moeten zijn om kwalitatief goede assessments te doen uitvoeren". Ik zeg er voor alle helderheid bij dat hij dat niet normatief bedoelt. Hij bedoelt daarmee dat aan de voorwaarden is voldaan om de lerarenopleiding daartoe in staat te stellen. Hij schrijft ook dat een slecht assessment zich wel tegen de instelling zal keren en hij gaat ervan uit dat de lerarenopleidingen professioneel genoeg zijn om te voorkomen dat belangenverstrengeling zal plaatsvinden tussen het assessment en de behoefte aan een opleiding.

Voorzitter! Als kwaliteit essentieel is, en daar zijn wij het volgens mij allemaal over eens, dan is dit toch net iets te veel meedobberen op de golven en iets te veel vertrouwen op de werking van de markt. Wij vinden dat hier vanuit de overheid, al is het maar voor het beeld naar buiten, sturing nodig is. Het is noodzakelijk dat de volksvertegenwoordiging de kwaliteit van A tot Z in de gaten kan houden en dat de minister daar voluit verantwoording over kan afleggen. Om die reden, voorzitter, hebben wij de twee – inmiddels drie – amendementen van mevrouw Lambrechts medeondertekend. We zijn ervan overtuigd dat dat een grote stap in de goede richting is. Een aanpak die maakt dat het mogelijk is om van tevoren eisen te stellen aan de assessments en aan de lerarenopleidingen die dat allemaal gaan uitvoeren, past prima in het model dat de minister en de staatssecretaris hebben neergelegd in hun beleidsbrief. Die brief spreekt niet alleen van sterke instellingen maar ook van een verantwoordelijke overheid. Wat ons betreft is de eerste en grootste verantwoordelijkheid van de overheid voor het onderwijs het toezicht op de kwaliteit. Wij willen dat niet laten afhangen van de marktwerking of het "wij vertrouwen erop dat het goed zit". Wij moeten van tevoren zeker weten dat het goed zit.

Voorzitter! Ik kom op de organisatie van het wetsvoorstel. De minister schrijft in de nota dat hij niet wil dat lerarenopleidingen op dit terrein een monopoliepositie krijgen. Wij zijn dat van harte met hem eens. Als iets prikkelt tot kwaliteit dan is dat concurrentie. Wij vragen de minister hoe hij die concurrentie uiteindelijk vorm wil geven. Wij stemmen ermee in dat deze taak voorlopig alleen bij de lerarenopleidingen terechtkomt. Dat lijkt ons zolang de wet nog tijdelijk is heel goed. Maar we zullen daar uiteindelijk toch een andere vorm voor moeten verzinnen. Wij vragen de minister wat hij daarbij in gedachten heeft. Wij denken daarbij ook aan het belang van een laagdrempelige aanmelding voor de toetsingsprocedure. Hoe dat kan en moet blijft nu onduidelijk. De minister zegt dat dit meestal bij de school zal gebeuren. Iemand heeft belangstelling voor werken bij een bepaalde school en die school sluist iemand dan verder. Daar stel ik tegenover dat betrokkene, als hij geen concrete school in zijn hoofd heeft, ergens anders heel gemakkelijk terecht moet kunnen. Ik denk dan als eerste aan het arbeidsbureau, want daar loop je heen als je een andere baan wil. De minister schrijft in de nota dat matching tussen vraag en aanbod ontzettend belangrijk is. Voor de opheffing van het lerarentekort is dat sowieso essentieel. Hij streeft daarom naar een voorziening van regionale bases. Ook dan is weer het eerste wat in mijn hoofd naar boven komt, het arbeidsbureau. Graag een reactie hierop van de minister. Dat geldt ook voor de rol die uitzendbureaus hierin kunnen spelen. Zij krijgen tenslotte een steeds belangrijker rol ten behoeve van het onderwijs.

Voorzitter! Ik kom op de ontheffingen die nu al in het voortgezet onderwijs kunnen worden gegeven om zonder onderwijsbevoegdheid voor de klas te staan. Op initiatief van de heer Cornielje is er een samenvatting van de regelingen die daarvoor bestaan aan ons gezonden. Dat was buitengewoon nuttig in de voorbereiding van het debat. Wij hebben hierover ook gisteren in het gesprek met de inspecteur-generaal aandacht aan besteed. Ik heb in de nota gevraagd of de minister een beeld kan geven van het onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs. Dat kon de minister niet. Helaas bleek gisteren dat ook de inspecteur-generaal dat maar in zeer beperkte mate kan. Hij kon aangeven dat er een flinke stijging heeft plaatsgevonden. In 1998 waren het er nog 3000, inmiddels zijn het er 4000. Dat is een forse stijging, geheel verklaarbaar vanuit het lerarentekort, waardoor scholen allerlei andere wegen zoeken.

Maar er zijn toch nog wel wat vragen bij te stellen. De inspecteur-generaal gaf namelijk ook aan dat het voor de inspectie bij een forse stijging van het aantal wel buitengewoon ingewikkeld wordt, omdat zij de menskracht niet heeft om al die onbevoegde leraren te toetsen op hun kwaliteit, terwijl het verlenen van ontheffing goed onderbouwd moet worden.

De minister is ook niet in staat om aan te geven hoe lang iemand soms op basis van zo'n ontheffing voor de klas staat. Zij moet elk jaar worden vernieuwd, maar het komt voor dat iemand vijf, zes jaar op basis van een tijdelijke ontheffing onbevoegd voor de klas staat. Je kunt van mening zijn dat het erom gaat dat iemand bekwaam is, maar dat moet wel getoetst worden. Wij moeten dat zeker weten en dat is niet het geval. Het is ook voor de rechtspositie van betrokkenen niet goed dat zij zo lang op een tijdelijke, onzekere basis in een arbeidsorganisatie werkzaam zijn. Om die reden hebben wij de minister gevraagd op welke wijze deze situatie ingepast kan worden in dit wetsvoorstel. Hij zegt dat er op twee manieren naar gekeken kan worden. Voor grote banen biedt het wetsvoorstel een prima oplossing. Dat is prachtig. Ik teken daar wel even bij aan dat de minister verwacht dat dit wetsvoorstel in het voortgezet onderwijs 650 extra leraren zal opleveren. Maar als dat vooral het vastleggen van de huidige praktijk is, vraag ik mij af of het ook echt iets oplevert in de vorm van meer leraren voor de klas. Ik vraag de minister daarop in te gaan.

De minister stelt vervolgens dat het onbevoegd zijn een rol kan spelen bij de kleine banen en dat dit allemaal nog maar eens bekeken moet worden in het kader van de Wet op het leraarschap. Het zijn maar kleine banen, dus nou ja, aldus de minister. Daar blijft zijn opmerking eigenlijk in steken. Op mijn beurt vind ik dat bij kleine banen kwaliteit toch ook van belang is. Het is op een of andere manier noodzakelijk dat wij een keurige oplossing bedenken.

Ik wil scholen niet meer beperken in hun creativiteit dan strikt noodzakelijk is, maar wij hebben het wel over de arbeidsrechtelijke positie van betrokkenen en over de kwaliteit van het onderwijs. Ik stel het bijzonder op prijs als de minister daar nog eens verder op wil ingaan, zo niet vandaag, dan schriftelijk. Ik vraag hem aan te geven op welke wijze hij dit punt in de Wet op het leraarschap wil oplossen. Het zou goed zijn als hij ons wat meer empirisch materiaal levert over hoe dit in de praktijk allemaal in zijn werk gaat. Waar ligt bijvoorbeeld de grens tussen een kleine en een grote baan?

Voorzitter! Ik kom op een ander heikel punt, het geld. Het veld twijfelt eraan of het geld dat de minister hiervoor beschikbaar heeft gesteld, wel voldoende is en wij doen dat ook. De minister heeft in de nota naar aanleiding van het verslag die twijfels niet weg kunnen nemen, want hij schrijft dat er uiteraard een plafond zit aan het bedrag dat hij hiervoor heeft uitgetrokken. Dat is toch wel jammer, want het lijkt ons niet goed dat wij, gesteld dat het voor het primair onderwijs niet 400 leraren oplevert maar 600, wij tegen die 200 moeten zeggen: sorry, dat kan niet, want het geld is op. Er moet voldoende geld zijn om allen die via dit traject het onderwijs in willen, de mogelijkheid te geven om die opleiding te volgen. Anders houden wij zelf het lerarentekort in stand en dat lijkt mij niet goed. Bovendien is het geld dat er nu ligt incidenteel. Wij zeggen: met dit wetsvoorstel, dat wij straks zullen vastleggen in de Wet op het leraarschap, krijgt het onderwijs er een taak bij, namelijk het inwerken, begeleiden en op de werkvloer opleiden van zij-instromende leraren. Misschien moeten wij er, zeker in de huidige financiële omstandigheden, met ons allen maar eens vanaf dat wij het onderwijs nieuwe taken geven zonder dat er geld tegenover staat. Dat is een onderwerp waar heel veel mensen in het onderwijs erg onder lijden. Daar krijgen wij heel veel brieven over. Het gaat niet om veel geld. Daarom pleit ik ervoor dat de minister ernaar streeft dit budget structureel te maken.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! Het is een taak van leraren om toekomstige collega's op te leiden. Ik spreek uit eigen ervaring. Als de groep stagiairs kleiner wordt en er een groep zij-instromers komt, dan is dat wel een andere groep die opgeleid moet worden, maar dan is er geen sprake van taakverzwaring.

Mevrouw Barth (PvdA):

Waarop baseert u dat er minder stagiairs komen? Volgens mij rijst het studentenaantal van lerarenopleidingen de pan uit.

De heer Cornielje (VVD):

Een leraar zal niet meer mensen behoeven op te leiden. Er zullen misschien wel meer leraren zijn die toekomstige collega's opleiden. Het is ook een taak van de leraar om daarin te investeren.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het is nu al een taak, maar ik denk dat die door dit wetsvoorstel binnen de organisatie van de school groter zal worden. Ik vind dat daar voldoende armslag voor moet komen. Nogmaals, wij hebben het ook over het draagvlak voor een wetsvoorstel, dat wij niet alleen als noodmaatregel, maar ook inhoudelijk steunen. Wij willen graag dat het veld hetzelfde voorzichtige enthousiasme over het wetsvoorstel krijgt als wij hebben. Ervoor zorgen dat het veld uitzicht heeft op structurele bekostiging, kan daaraan een enorme bijdrage leveren.

De heer Cornielje (VVD):

Onderscheid makend tussen de tijdelijke wet nu en de structurele Wet op het leraarschap, denk ik dat voor de komende tijd een belangrijk punt is dat er voldoende geld is om mensen op te leiden. Er is geld voor begroot. Als er meer mensen komen, komen de minister en wij elkaar weer tegen en zal de minister moeten bekijken of hij er meer geld voor kan uittrekken. Naar mijn mening gaat van op voorhand meer geld inboeken, een verkeerd signaal uit.

Mevrouw Barth (PvdA):

Daar kunnen we over redetwisten. U heeft gelijk dat het een tijdelijke wet is, maar in het onderwijs bestaat het gevoelen dat men zelfs als het in Nederland goed gaat, altijd afhankelijk blijft van de kruimels die op het tafelkleed achterblijven. Ik was maandag jongstleden nog op een school op werkbezoek. Men ziet wel weer een prachtig investeringsplan voor de harde infrastructuur voor een periode van tien jaar, maar nooit voor het onderwijs. Men vraagt waarom de leerkrachten nooit perspectief wordt geboden op de manier waarop zij met hun werk omgaan. Volgens mij betekent dit wetsvoorstel een nieuwe taak voor het onderwijs. Het veld beschouwt het als een flinke belasting en staat niet te trappelen van ongeduld om het te doen. Wij denken dat het toch belangrijk is. Daarom moeten wij er in elk geval voor zorgen dat de twijfels worden weggenomen bij de mensen die het zullen moeten gaan doen.

De minister kan straks wel zeggen dat er net een schoolbudget is afgesproken in de CAO en dat de scholen daarmee aan de slag kunnen, maar ik vrees dat ik dat argument sinds de afsluiting van de CAO, en dat is nog niet zo lang geleden, alweer bij een stuk of vier, vijf thema's heb gehoord. Wij moeten natuurlijk voorkomen dat wij dat schoolbudget al vijf keer hebben uitgegeven nog voordat het de scholen heeft bereikt. Daar komen wij een andere keer nog op terug.

De heer Poppe (SP):

Voorzitter! Ik neem aan dat ik bij de behandeling van de Voorjaarsnota concrete voorstellen met concrete bedragen kan verwachten van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Barth (PvdA):

Daar gaan wij concreet over nadenken, mijnheer Poppe.

De heer Poppe (SP):

Nadenken schiet niet op. U komt met voorstellen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het begint altijd met denken.

De heer Poppe (SP):

Ja, dat snap ik, maar dat leidt tot voorstellen bij de Voorjaarsnota, begrijp ik.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter! Ik kom terug op de Wet op het leraarschap. De minister heeft in de nota naar aanleiding van het verslag de rol van uitzendbureaus besproken. Ik heb hem al gevraagd om dat wat verder uit te werken. Ik heb er nog een andere vraag over die misschien een klein beetje buiten de orde valt, maar ik vind het belangrijk dit punt nu op te voeren. Ik heb begrepen dat als een school via een uitzendbureau een vervanger wil aantrekken voor een zieke, het vervangingsfonds die vervanging niet goedkeurt. Ook dat lijkt mij in een tijd van een nijpend lerarentekort een rare gang van zaken. Ik verzoek de minister hierop in te gaan. Misschien kan hij dan ook iets zeggen over de positie van freelancers. Waarom zouden er geen zelfstandige onderwijsondernemers kunnen bestaan die zichzelf verhuren aan een school? Het kan nu allemaal niet. Er is geen ruimte in de CAO. Er bestaat geen regelgeving voor. Mensen die dat zouden willen, hebben geen positie. In mijn vorige bestaan was freelance werk heel normaal en dit was in de CAO goed geregeld. Dit zouden wij toch eigenlijk in het onderwijs ook moeten kunnen doen. Wij moeten alles doen om ervoor te zorgen dat het onderwijs open genoeg is om mensen die daarin willen werken, dit op hun eigen prettige manier kunnen doen.

Ik wil de minister in dit kader vragen nog eens in te gaan op de positie van flexwerkers. Ook daarover krijg ik de laatste week plotseling weer brieven. Er worden toch weer problemen gesignaleerd van mensen die wel op een school willen werken, maar er door de flexwet uitvliegen, en dat terwijl wij al die mensen toch hard nodig hebben.

Voorzitter! Ik kom op mijn laatste punt: de problemen die zouden kunnen ontstaan met de inschaling van zij-instromers, het salaris en de fricties die binnen de school kunnen optreden. Wij moeten dit probleem niet onderschatten. Er zijn bezwaren geuit; wij krijgen daarover allemaal brieven. Ik vind echter ook dat wij het niet moeten overdrijven, want het gaat hier niet om dik verdienende pakken met dassen uit het bedrijfsleven. Als wij kijken naar de eisen die worden gesteld aan het assessment, verwacht ik dat de mensen die een overstap willen maken, vooral afkomstig zullen zijn uit bijvoorbeeld het welzijnswerk of het jeugdwerk. Dit zijn mensen die al over de kennis en vaardigheden beschikken om voor de klas te gaan staan. Iemand die jarenlang alleen maar als bijvoorbeeld implementator in een informatiseringbedrijf heeft gewerkt, zal een assessment voor het primair onderwijs in ieder geval nooit halen. Die is gewoon niet geschikt. Voor mensen die zullen overstappen uit aanpalende sectoren van het onderwijs als de zorg en het welzijnswerk, is het onderscheid in salaris niet zo groot. Sterker nog, zij zouden er in het onderwijs wel eens behoorlijk op vooruit kunnen gaan. Dit neemt niet weg dat dit probleem wordt gesignaleerd en dat daarvoor op de een of andere manier een oplossing moet worden gevonden.

Wat mij betreft benadrukt dit wetsvoorstel voor de zoveelste keer hoe belangrijk het is dat de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs aantrekkelijk worden. Je kunt dan kijken naar het salaris, maar misschien moeten ook de andere grote voordelen breder worden uitgemeten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de goede combinatie van arbeid en zorg die mogelijk is. Jonge mensen hechten hieraan steeds meer waarde. Kijk bijvoorbeeld naar de CAO's die worden afgesloten in informatiseringbedrijven die toch de trekkers op de arbeidsmarkt zijn.

Voorzitter! Dit wetsvoorstel drukt ons nog eens op de feiten en laat zien hoe belangrijk het is dat wij komen tot modernisering van de arbeidsvoorwaarden, dat beloning op maat en personeelsbeleid op maat mogelijk worden in de scholen. Als dit veel eerder het geval was geweest – en ik durf dit te zeggen, omdat mijn partij inmiddels bijna tien jaar pleit voor die modernisering – dan hadden nu misschien niet zoveel zittende leraren zich bedreigd gevoeld door de komst van deze zij-instromers. De protesten daarover vind ik vooral een uiting van dat gevoel van bedreiging. Wij moeten af van die rotsvaste inschaling in het BPRO en komen tot een goede functiewaardering voor het onderwijs die is gebaseerd op onderwijsgevende taken en niet is afgeleid van ambtelijke schalen. Ik hoor hierop graag de reactie van de minister.

De heer Poppe (SP):

Mevrouw Barth sprak de wens uit dat er meer kans wordt geboden voor freelance arbeid in het onderwijs. Is zij het met mij eens dat het voor leerlingen erg belangrijk is dat zij een vast aanspreekpunt hebben en dat hun klas geen duiventil wordt?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ben blij dat de heer Poppe mij deze vraag stelt, want dit biedt mij de gelegenheid een noodzakelijke nuancering aan te brengen. Hij heeft groot gelijk. Zeker in het primair onderwijs is het ontzettend belangrijk dat de leerlingen een vast aanspreekpunt hebben. Maar als mensen op freelance basis – dat wil zeggen als eigen baas – het onderwijs in willen, omdat zij geen zin hebben in een hiërarchische arbeidsorganisatie vast te zitten, kunnen zij ook heel langdurig op dezelfde plaats werken. Bij de omroep bijvoorbeeld is dit schering en inslag. Ik vind niet dat wij dit bij voorbaat moeten uitsluiten, maar wij moeten natuurlijk wel de risico's in het oog houden.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Voorzitter! Laat ik beginnen met te zeggen dat ik de bedoelingen van de minister zeer waardeer om de aanpak van het lerarentekort structureel vorm te geven. Dit wil niet zeggen dat ik geen problemen heb met het wetsvoorstel, maar die komen zo dadelijk wel. De insteek vind ik goed. Het is verder een goede zaak dat een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de problematiek van de vervanging en anderzijds de problematiek van het tekort aan leraren in het algemeen. Over dat laatste punt praten wij nu. De problemen rond de vervanging – laat ik daarover helder zijn – moeten op een andere manier worden opgelost. Wellicht kunnen die wel worden opgelost door de regelgeving voor uitzendarbeid en freelancers nog eens goed tegen het licht te houden.

Mevrouw Barth (PvdA):

Als wij zorgen dat de krapte op de arbeidsmarkt minder wordt, wordt de vervangingsproblematiek toch zeker ook minder nijpend?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Dat kan op termijn een effect van het wetsvoorstel zijn. Het wetsvoorstel biedt echter geen oplossing voor de huidige problemen. De vervangingsproblematiek waar de scholen mee worden geconfronteerd, is ad-hocproblematiek. Voor een oplossing van de vervangingsproblematiek zullen andere middelen moeten worden gevonden, zoals een heroriëntatie op de regelgeving die door het vervangingsfonds wordt gehanteerd. Die regeling is op dit moment namelijk bij de wilde spinnen af.

Voorzitter! Een ander positief punt is dat elders geworven kwalificaties in beeld kunnen worden gebracht en ook kunnen worden gebruikt om een bevoegdheid in het onderwijs te verkrijgen.

Dit waren een aantal positieve punten, maar al met al verdient het voorstel zeker niet de schoonheidsprijs. Er zijn veel zaken niet helder en ondanks alle goede bedoelingen is er toch sprake van haastwerk. Het gevolg hiervan is dat de controleerbaarheid – ik sta zeker niet alleen met deze kritiek – niet wordt vergroot. Dat is een probleem en mijn fractie heeft dan ook niet voor niets vragen gesteld over de vormgeving van het wetsvoorstel. Moet het nu wel zo? Waarom wordt er niet op een creatieve manier gebruik gemaakt van de bestaande regelgeving en de ontheffingsmogelijkheden?

Het wetsvoorstel heeft een heel tijdelijke werking. Men richt zich met dit wetsvoorstel immers op de periode tot aan de inwerkingtreding van de Wet op het leraarschap. Dat betekent dat moet worden opgepast dat er geen nieuwe regelgeving in het leven wordt geroepen en aan de bestaande regelgeving wordt toegevoegd, waarvan niet duidelijk is of zij wel in de Wet op het leraarschap kan worden ingevoegd. Met het oog hierop vraagt mijn fractie zich af waarom niet voor een oplossing is gekozen die meer in lijn ligt met de al in voorbereiding zijnde beleidsvoornemens ten aanzien van het leraarschap.

Vanuit het veld zijn terecht zorgen geuit over de werking van het wetsvoorstel. Ik kan die zorg in één vraag samenvatten. Is het wetsvoorstel een voorschot op de Wet op het leraarschap of is het een fuik? Alles wat in deze interim-wet wordt geregeld, wordt waarschijnlijk niet teruggedraaid in de Wet op het leraarschap. Dat betekent dat wij er echt voor moeten zorgen dat deze interim-wet heel zorgvuldig wordt afgehandeld. Uiteindelijk zal de Wet op het leraarschap alle instroommogelijkheden omvatten. De wet zal dan min of meer de werking van een kaderwet hebben, hetgeen betekent dat de uiteindelijke vormgeving van het instrument van de zij-instroom nog niet vaststaat. De wijze waarop de maatregelen van dit wetsvoorstel straks in die kaderwet worden ingebracht, staat dus ook niet vast. Ik vind dat dit op enigszins gespannen voet staat met het begrip "zorgvuldige voorbereiding en invoering".

De heer Rabbae (GroenLinks):

Ik deel grotendeels de zienswijze van mevrouw Van der Hoeven. Is zij het echter met mij eens dat de werking van dit wetsvoorstel ook tijdelijk moet zijn, omdat wij eerst zicht moeten hebben op de werking van dit voorstel in de praktijk? Als blijkt dat wij op deze manier het lerarentekort niet hebben kunnen verkleinen, moeten wij eerst de reden daarvoor weten. Voorkomen moet worden dat deze als tijdelijke bedoelde maatregel een structureel karakter krijgt.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

De heer Rabbae slaat de spijker op de kop. Een tijdelijke wet is, is een tijdelijke wet. In dit land is het echter niet ongebruikelijk dat een tijdelijke regeling uiteindelijk een blijvende regeling blijkt te zijn. Ik wil daar nu voor waarschuwen, want het is zeer wel mogelijk dat wij na enige tijd tot de conclusie komen dat bepaalde elementen uit dit wetsvoorstel op een andere manier moeten worden geregeld. Ik wil dat wij de mogelijkheid houden om die veranderingen aan te brengen.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Mevrouw Van der Hoeven is het dus met mij eens dat dit wetsvoorstel moet worden geëvalueerd, voordat wij het inpassen in de Wet op het leraarschap?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Ik verwacht van de minister dat hij te zijner tijd beargumenteerd aangeeft welke elementen van dit wetsvoorstel hij in de Wet op het leraarschap wil opnemen. Ik denk dat het daarvoor niet nodig is om dit wetsvoorstel te evalueren. Dit wetsvoorstel kan straks echter niet zonder meer worden ingepast in de Wet op het leraarschap.

Voorzitter! Er is sprake van een interim-wet. Op een nader te bepalen tijdstip vervalt die en dat tijdstip wordt bij koninklijk besluit bepaald. Het is wel een open formulering. Er wordt al jaren gesproken over de voorbereiding van de Wet op het leraarschap. Het zou mij wat waard zijn als in dit wetsvoorstel ook een horizonbepaling werd opgenomen waarin wordt aangegeven dat over drie jaar deze wet vervalt. Dan laat de minister zien dat hij haast wil maken met de Wet op het leraarschap en dat de nu voorliggende wet inderdaad een interim-wet is.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb het amendement gezien dat mevrouw Van der Hoeven over dit onderwerp heeft ingediend. Ik vind het merkwaardig dat het amendement de minister oproept tot traagheid. De minister heeft gezegd: voor het einde van de kabinetsperiode heeft u de Wet op het leraarschap. Zelfs als wij in de coalitie ontzettend veel van elkaar blijven houden duurt deze kabinetsperiode niet langer dan twee jaar. U geeft de minister drie jaar de tijd.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Mevrouw Barth loopt hier langer mee dan een dag. Zij weet verdraaid goed dat het indienen van een wetsvoorstel nog niet betekent dat het is behandeld en ingevoerd. Ik wil het binden aan de termijn van drie jaar. Het moet niet vooruitgeschoven worden. Als mevrouw Barth zegt dat wij die wet voor het einde van de kabinetsperiode hebben, dan wijs ik haar erop dat wij dan een stuk papier hebben. Ik wil die wet ingevoerd hebben binnen nu en drie jaar. Als mevrouw Barth hier nog een langere periode wil blijven zitten, dan zien wij dat wel na de verkiezingen.

De minister geeft aan dat deze interim-wet een spoedeisend karakter heeft. Wij zijn het met hem eens dat het lerarentekort een enorm probleem is voor de school, de leerlingen, de ouders en de samenleving als geheel. Het betekent dat wij pas later de effecten van deze wet zullen merken. Het is dus zaak om aan oplossingen te werken die ook eerder soelaas kunnen bieden. Het gaat om naar verwachting 1050 zij-instromers per jaar. Dat is een respectabel aantal, maar het is nog niet eenderde van de aantallen mensen die nu met een tijdelijke ontheffing werkzaam zijn in het onderwijs. Het is nog maar de vraag of die aantallen worden gehaald. Er liggen ook nog andere plannen. Er ligt een plan van de BPCO in samenwerking met Windesheim om een aantal extra mensen in de klas te krijgen. Dat wordt gerealiseerd binnen de huidige ontheffingsmogelijkheden van artikel 33, derde lid, van de WVO in combinatie met de vrijstellingen. Er zijn veel aanmeldingen voor. Het project start per 1 augustus 2000. Op elk niveau van de lerarenopleiding zijn verkorte trajecten op maat mogelijk. Waarom het huidige stelsel, dat blijkbaar werkt, gelet op alle initiatieven uithollen door iets in te voeren wat eigenlijk binnen het huidige stelsel al voor een heel groot deel kan? Waarom iets optuigen en gehaast vooruitlopen op die Wet op het leraarschap zonder te overzien wat de consequenties van de interim-wet zijn? Uit het veld blijkt dat men dit wetsvoorstel niet nodig heeft om creatief met de huidige mogelijkheden om te gaan. Is het niet wenselijker om de huidige regelingen te stroomlijnen en van een financiële basis te voorzien in plaats van weer iets nieuws te bedenken? Wordt het voorschot van de minister op de Wet op het leraarschap niet straks de fuik waar wij ongewild niet meer uitkomen? Dat willen deze minister en deze Kamer ook niet.

Ik geef een paar voorbeelden van wat in ieder geval gestroomlijnd moet worden. Ik heb begrip voor de politieke realiteit en ik weet dat er een meerderheid voor dit voorstel is. Die stroomlijning moet sowieso gebeuren ook als het voorstel wordt aangenomen. De regelgeving van het vervangingsfonds staat op een aantal punten een adequate aanpak in de weg. Ik denk aan de vergoeding van vervanging door uitzendkrachten en interne vervanging door bijvoorbeeld het schoolhoofd. Verder denk ik aan de wachtgelders die een korte periode gaan vervangen. Ze vervangen een vol lesrooster. Het bedrag dat men krijgt wordt niet over maanden uitgesmeerd, maar wordt in een keer afgerekend. De mensen doen zich zelf dan tekort in de periode erna. Zij zijn dan niet beschikbaar voor vervanging. Voorts zijn de deeltijders al genoemd.

Daarnaast is er het percentage van PABO-afgestudeerden dat binnen twee jaar het onderwijs weer vaarwel zegt. Dat zijn er altijd nog 20%. Die mensen hebben op 21-jarige leeftijd een baan in het onderwijs gekregen maar ze haken binnen twee jaar af. De minister laat ons weten dat de oorzaken hiervan onbekend zijn. Dan moet dat toch verdorie worden onderzocht? Wij moeten weten waarom ze afhaken. Wij kunnen het ons niet veroorloven om mensen op te leiden enz. terwijl ze twee jaar later al uit het onderwijs zijn. Intussen zitten wij hier mogelijkheden te bedenken om mensen weer in het onderwijs te krijgen. De minister dient ons toe te zeggen dat hij dit probleem oplost en ervoor zorgt dat deze jonge mensen in het onderwijs blijven. Ze hebben voor het onderwijs gekozen en wij moeten ervoor zorgen dat zij daar hun toekomst in vinden.

De heer Cornielje (VVD):

Ik verbaas mij over deze opmerkingen. Wij hebben op 31 mei 1999 een uitvoerig debat gehad over Maatwerk voor morgen. Wij hebben voorts een voortgangsrapportage gehad. Er wordt op allerlei terreinen voortgang geboekt, maar de vragen die u al eerder heeft gesteld, stelt u nu opnieuw. U kunt hetzelfde antwoord weer krijgen. U werkt nu een beetje mee aan het creëren van het beeld: wat wij ook met z'n allen doen, het helpt allemaal niet. Dat is een verkeerd signaal aan het onderwijs. Het is niet of-of, maar en-en-en-en. Zo moeten wij het doen. De problematiek is te ernstig om het op deze manier voor te stellen.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Wat is dit nu voor flauwekul? Natuurlijk is het een oplossing van en-en-en-en. Mij heeft u niet horen zeggen dat het of-of-of zou moeten zijn. Ik constateer samen met u dat een grote groep jonge mensen kiest voor het onderwijs, een baan krijgt in het onderwijs en binnen twee jaar het onderwijs verlaat. Ik vind dat de oorzaken daarvan moeten worden onderzocht en die vraag heb ik al tweemaal gesteld, maar ik heb er geen goed antwoord op gekregen. Het antwoord dat ik kreeg was: het is er wel. Ik wil dat de minister dit onderzoekt. Ik vind dat ook uw fractie die onderzoeksresultaten moet kennen. Met u vind ik dat wij datgene wat wij op dit terrein hebben, niet verloren mogen laten gaan. Juist omdat ik ervan doordrongen ben dat dit een belangrijk probleem is, kom ik erop terug.

De heer Cornielje (VVD):

Dan zijn wij het eens, maar wij waren het al eens, namelijk bij het AO over de voortgangsrapportage en bij de discussie op 31 mei 1999. Mijn bezwaar is dat opmerkingen worden herhaald en dat daardoor het beeld ontstaat dat er sprake is van chaos: we weten het niet, het kan allemaal niet, we beheersen het niet. Zo is het niet. Er worden een heleboel maatregelen getroffen, ook al kennen wij niet precies alle oorzaken. Dat die maatregelen succesvol zijn, hebben wij een week of zes geleden met z'n allen vastgesteld. Laten wij nu eens een positief beeld uitstralen. Dat mis ik in uw betoog.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Dat komt misschien dadelijk wel, maar ik herhaal dat het antwoord van de minister op mijn verzoek om onderzoek, onvoldoende is. Er is slechts geconstateerd dat ik hiermee een punt heb en niet is gezegd: wij gaan dit onderzoeken. De jonge mensen die voor het onderwijs kiezen, moeten voor het onderwijs worden behouden. Wij moeten weten waarom ze uit het onderwijs weggaan.

Voorzitter! Bij de door de minister gegeven antwoorden komt het begrip "marktwerking" naar voren. Daarbij gaat het om de rol van de lerarenopleidingen bij het assessment en het opleidingstraject voor zij-instromers. Mijn fractie is van mening dat deze rol onmisbaar is. De taken die uit de wet voortvloeien, zijn eigen aan de lerarenopleiding als zodanig. Bovendien zijn er genoeg en dus is er voldoende onderlinge concurrentie. Ik zie op dit moment geen reden om hieraan nog andere instellingen toe te voegen.

Een kernprobleem van dit wetsvoorstel is dat de uitvoeringsregeling, waarin alle zaken verder aan de orde dienen te komen – ik denk aan de kwaliteitscriteria, de criteria voor de beoordeling van de relevantie van de genoten vooropleiding, de criteria voor het assessment en het geschiktheidsonderzoek – er nog niet is. Het is nog altijd niet duidelijk welke kerncompetenties in het geschiktheidsonderzoek worden gemeten. Daarover moet duidelijkheid komen. Dat geldt ook met betrekking tot de vragen die zijn gesteld over de uitvoeringsgevolgen. In dat verband wordt verwezen naar een AMvB die er nog moet komen. Tot nu toe zijn de uitvoerings gevolgen slechts "met de hand gewogen"; ik citeer nu de minister. Het overleg met de besturenorganisaties heeft aangegeven dat de feitelijke uitvoerbaarheid geen probleem behoeft te zijn mits de scholen en de instellingen voldoende middelen ontvangen. Maar hoe komt dit er macro-economisch uit te zien? Hoeveel geld komt er straks ter beschikking? Hoe wordt dit geld op schoolniveau verdeeld?

Slechts gedurende vier schooljaren is extra geld beschikbaar voor de begeleiding. Gelet op de kleine aantallen, zal er in veel gevallen sprake zijn van maatwerk. Op dit moment is niet duidelijk hoe en op welke manier dit op werkvloerniveau zal worden uitgevoerd. Ik heb daar eerder in mijn betoog over gesproken toen ik sprak over scholing en begeleiding. Ik kan mij goed voorstellen dat werkgeversorganisaties zich zorgen maken over de financiële randvoorwaarden. Die moeten er immers voor zorgen dat de voorstellen goed binnen de school- en de opleidingsorganisatie belanden. Zonder dat gaat het niet! Dit wetsvoorstel kan niet budgettair neutraal worden uitgevoerd. Er worden nu bedragen genoemd, maar dit zijn beschikbare bedragen en dat is iets anders dan de bedragen die nodig zijn. Op welke manier dekken de beschikbare bedragen het bedrag af dat nodig is?

Er ligt een conceptuitvoeringsbesluit dat nog met het veld besproken moet worden. Ik heb begrepen dat dit traject nu loopt, maar daarna komt nog een wettelijke procedure. Hoe gaat het daarmee verder? De minister heeft een bepaald tijdpad in gedachten en hij stelt dat het uitvoeringsbesluit nog voor 1 augustus a.s. moet worden vastgelegd en gepubliceerd. Nu hoeven wij onszelf niets wijs te maken, maar dat lukt waarschijnlijk niet. Dit betekent dat, met artikel 13 van het wetsvoorstel in de hand, een voorziening wordt getroffen die inhoudt dat tijdelijk – hoogstens zes maanden – de onderwerpen van het uitvoeringsbesluit kunnen worden geregeld bij ministeriële regeling. Er kan ook een tijdelijke voorziening worden getroffen voor degenen die met ingang van 1 augustus als zij-instromer willen beginnen.

Dit alles komt de duidelijkheid niet ten goede, maar het betekent ook dat na aanvaarding van het wetsvoorstel de Kamer geen mogelijkheid meer heeft om in deze regeling nog iets te wijzigen, terwijl het hier eigenlijk om een algemene maatregel van bestuur gaat die, wat het CDA betreft, moet worden voorzien van een voorhangprocedure. Het gaat per slot van rekening om de kwaliteit en de wijze waarop die wordt gewaarborgd tijdens het zij-instroomtraject. Wij zijn kritisch op dit punt en dit betekent dat wij er eigenlijk voor moeten kiezen dat dit niet per ministeriële regeling moet worden geregeld, maar altijd met een algemene maatregel van bestuur. Op dat punt hebben wij een amendement ingediend.

De heer Cornielje (VVD):

U neemt alle consequenties voor uw rekening. U zegt dat de datum van 1 augustus niet kan worden gehaald en dat dus niet kan worden begonnen met die zij-instroom. U wilt het probleem van de lerarentekorten eigenlijk niet snel oplossen.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is, zie het voorstel van de minister, dat de uitvoeringsregeling bij KB vastgesteld wordt. De minister geeft echter in zijn beantwoording een alternatief aan. Er kan een tijdelijke voorziening worden getroffen voor degenen die met ingang van 1 augustus als zij-instromer willen beginnen. Ik geef de voorkeur aan het treffen van zo'n tijdelijke voorziening. Voor de uitvoeringsregeling, waarin wij de zaak vastleggen, willen wij de algemene maatregel van bestuur behouden.

Ik wil enige opmerkingen maken over de verruiming van de toegang tot het beroep. Er mogen geen concessies aan het eindniveau worden gedaan. Op dit moment staat in de wet dat ook mensen met een MBO-diploma de mogelijkheid moeten hebben om via de zij-instroom praktijkgerichte vakken te geven in het voortgezet onderwijs. Dat spreekt ons niet aan. Het is namelijk ook mogelijk dat dit voor mensen met een MBO-getuigschrift geldt. Wel kunnen wij ons voorstellen dat je in de komende tijd via een experiment met deze doelgroep onderzoekt of MBO-gediplomeerden met relevante werk- en maatschappelijke ervaring in de komende Wet op het leraarschap deze mogelijkheid kunnen krijgen. Wij voelen er echter weinig voor om het voorstel in het wetsvoorstel op dit punt te volgen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Het is niet bekend wanneer de Wet op het leraarschap in werking treedt. Wel weten wij waarover wij nu beschikken en ook is het duidelijk dat op korte termijn dringend maatregelen moeten worden getroffen. Acht mevrouw Van der Hoeven het mogelijk dat in de assessments, zeker als je het meetbaar hertellen zwaar laat wegen, mensen met een MBO-diploma die relevante werkervaring hebben en misschien nog bijgeschoold kunnen worden, worden opgenomen, omdat uiteindelijk kan blijken dat ze een adequate leraar kunnen zijn?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Ik zie dat punt en dat is ook de reden waarom ik het uit de wet zou willen hebben, omdat het daar namelijk voor iedereen geregeld wordt. Ik zie in dat in een aantal gevallen dit soort voorbeelden zich kunnen voordoen en daarom wil ik het via een experiment onderzocht hebben. Maar zoals het nu in de wet staat – ik verwijs naar artikel 4, met name de onderdelen b en c van lid 3 – gaat het mij te ver. Daar staat namelijk dat hierbij een diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding kan gelden of een daaraan gelijkwaardig buitenlands getuigschrift. Dat gaat mij te ver en dat is de reden waarom ik er die dingen graag uit wil hebben. Ik ben wel met u van mening dat je die mensen niet buiten de deur moet houden en vandaar dat ik het wil completeren met een motie, waarin gevraagd wordt om via een experiment te onderzoeken hoe we die groep kunnen benoemen en wat beter kunnen beschrijven.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Bent u het met mij eens dat het onderzoek en het experiment dat u vraagt, toch weer de nodige tijd zal vergen, terwijl het voordeel van het amendement dat er ligt, van de leden Lambrechts en Cornielje en inmiddels ook gesteund door mevrouw Barth, is dat het onmiddellijk opgenomen kan worden en dat de werking daarvan zal zijn, dat het meten waar het telt, in combinatie met wat er staat, uiteindelijk hetzelfde effect heeft als wat u beoogt te onderzoeken in het experiment?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Ik ben dat niet helemaal met u eens, maar ik ben wel bereid om met name ook naar de tekst van uw amendement te kijken en te bezien in hoeverre een en ander zich goed tot elkaar verhoudt en zich misschien in elkaar laat passen. Daar wil ik graag in tweede termijn op terug komen. Ik wil die opening graag even houden, als u het goed vindt.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter! Wat is er nu mooier dan een echte vakman die met liefde voor het werk aan jonge mensen kan overbrengen hoe je dat vak zo goed mogelijk kunt doen? Waarom is mevrouw Van der Hoeven hier zo aarzelend over?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Kijk, voorzitter, het is natuurlijk heel mooi als je een goede vakman hebt die dat zou kunnen doen. We hebben ook zo'n mogelijkheid: daar zijn we mee bezig bij de WEB. Bij de WEB doen we dat, maar het gaat mij te ver om datzelfde ook te doen binnen het voortgezet onderwijs in de brede zin van het woord. Ik erken dat ik met name dat vakmanschap graag wil hebben binnen de WEB. Ik ben het ook met mevrouw Lambrechts eens dat het voor een aantal vakken in het voortgezet onderwijs – ik denk bijvoorbeeld aan het VMBO – een oplossing zou kunnen bieden, maar dit gaat niet in zijn algemeenheid op. Deze wet is echter generiek en niet voor een bepaald onderdeel; dat is waar mijn bezwaar zich op richt.

De heer Rabbae (GroenLinks):

Voorzitter! Ik begrijp dat mevrouw Van der Hoeven de mogelijkheid wel waardeert dat een leraar bij een bedrijfsschool overstapt naar het onderwijs, naar de WEB-structuur. Betekent dat, in haar woorden, dat het eigenlijk zou moeten worden gelimiteerd tot alleen maar het in het kader van de WEB-structuur werkzaam zijn?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

We regelen nu niet de WEB; dat is elders. Maar zoals het nu in het wetsvoorstel staat – dat is mijn bezwaar; het is eigenlijk hetzelfde antwoord als ik aan mevrouw Barth gaf – is het generiek en dat betekent dat het voor allen geldt. Ik wil toe naar een specificatie daarvan en dat is de reden waarom ik het er hier uit wil hebben en het via een experiment geregeld wil hebben. Dan wil ik best bekijken, als we straks de Wet op het leraarschap hebben, hoe je het specifieker gaat regelen.

De voorzitter:

De heer Poppe mag nog één korte vraag stellen en daarna zal ik geen interrupties meer toestaan tot aan de lunchpauze.

De heer Poppe (SP):

Bedoelt mevrouw Van der Hoeven dat het niet een zaak is van alleen een goede vakman in het onderwijs halen, maar dat het het vak van leraar is om kennis – die je dan wel moet hebben; dat is een primaire voorwaarde – over te dragen, waarbij het zo is dat elke vakman nog niet een goede overdrager van kennis hoeft te zijn? Vindt zij dat het leraarsvak eigenlijk een kennisoverdrachtsvak is en niet primair rust op het kennis hebben van wat je in een vooropleiding of in het bedrijf hebt opgenomen?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Het zijn twee dingen die je moet hebben. Je moet kunnen overdragen, maar je moet ook iets hebben óm te kunnen overdragen. Dat is de vakkennis die je moet hebben. Maar ik ben het met u eens dat het specifieke van het vak van leraar juist is het overdragen van kennis ofwel het leren leren. Dat kun je misschien van nature, als je een natuurtalent hebt, maar ik geef u op een briefje dat dat er niet zoveel zijn.

De heer Poppe (SP):

Dus u vindt...

De voorzitter:

Nee, één is één. Dat heeft u op de basisschool geleerd!

De heer Poppe (SP):

Is dat zo?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA):

Zo is dat, zegt de voorzitter, en de voorzitter heeft de orde in handen.

Voorzitter! Ik ga iets indikken, want anders heb ik nog heel wat tijd nodig. Ik mis in het verhaal en ook in de CAO-onderhandelingen alles wat te maken heeft met het scholingsfonds. Binnen de CAO-onderhan- delingen krijgen scholen wel een eigen budget, maar dat eigen budget is voor werkdrukverlaging, aannemen van conciërges, reiskostenvergoeding en dat soort dingen meer. Mijn vragen en de vragen van de CDA-fractie waren erop gericht om een soort scholingsfonds te hebben, gevuld door werkgevers en werknemers, om op die manier ook ervoor te zorgen dat je vergoedingen die gegeven moeten worden en toeslagen die eventueel gegeven moeten worden, daaruit kunt bekostigen. Daar kunnen dan ook stagiairs en LIO's uit bekostigd worden.

Ik kom even terug op de financiën in het algemeen, de financiering van de zij-instroom, los van dit wetsvoorstel. Die financiering is niet structureel en eigenlijk is het traject ingegeven door de huidige situatie op de arbeidsmarkt. Op zich is dat terecht, want het gaat om tekorten en daar moeten wij iets aan doen, terwijl de kwaliteit behouden blijft. Daar is inderdaad geld voor nodig. Maar hoe gaat dat straks, als er een andere situatie is zonder personeelstekorten? Dan is die zij-instroom weg, want die wordt niet gefinancierd. Dan zal men alleen overstappen naar het onderwijs, als het de moeite en het geld waard is. Daarom is het zo belangrijk dat het onderwijs wat de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden betreft, kan concurreren met andere sectoren. Ik sluit mij dan ook aan bij de vragen die daarover zijn gesteld. Immers, als je zorgt voor goed concurrerende primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, is de zij-instroom ook straks wat logischer dan nu, wanneer die wat gekunsteld gemaakt moet worden. Er is dus alle reden om daar nog eens goed naar te kijken. Ik weet dat het niet bij deze CAO-onderhan- delingen kan; immers, de minister kan niet alles in één keer. Dat komt de volgende keer wel, maar het moet wél meegenomen worden.

Er wordt weliswaar gesteld dat dit wetsvoorstel de mobiliteit vergroot, maar dat gebeurt wel in één richting: het beroep van onderwijsgevende in. Het gaat niet in de andere richting: het beroep van onderwijsgevende uit. Als je echt wilt profiteren van zij-instroom, gaat het erom dat stukje mobiliteit ook in de toekomst mogelijk te maken. Er zal dus inderdaad iets moeten worden gedaan aan de dichtgetimmerde rechtspositie. Dat ben ik eens met degenen die dat zeggen. Dan kan bereikt worden dat je mensen, geen onderwijsgevenden, uit de arbeids- marktsectoren die iets met het onderwijs te maken hebben, kunt binnenhalen. Het gaat er ook en vooral om dat mensen uit het onderwijs elders op de arbeidsmarkt een baan kunnen vinden. Nogmaals, dit is heel erg belangrijk.

De zij-instroom komt nu uit twee situaties gebeuren. De ene is die van werkloosheid. Daar ik mij niet weer een interruptie van de heer Cornielje op de hals wil halen, beperk ik mij tot de vraag om de bestaande problemen voor degenen die uit een werkloosheidssituatie instromen, op te lossen. De andere situatie is werk. Hierbij zijn nog een aantal onbeantwoorde vragen. Ik noem de opgebouwde rechten, zoals werkloosheids- en wachtgeldrechten en het terugkeerrecht of de terugkeermogelijkheid. Hoe zit het met de toeslagen die zij-instromers krijgen, als er een verschil is tussen het salaris in de huidige werkkring en in het onderwijs? Wordt dat een arbeidsmarkttoeslag en, zo ja, houdt men die? Of geldt dat voor een bepaalde periode? Als men de arbeidsmarkttoeslag houdt, heeft dat geen salarisopdrijvende werking voor al het personeel? Een extra betaling, buiten de normale onderwijsschalen om, aan zij-instromers leidt tot problemen! Die problemen willen wij niet. Een verschil in beloning dat alleen maar is gebaseerd op het feit dat men een zij-instromer is, leidt niet tot verhoging van de arbeidssatisfactie bij degenen die nu al in het onderwijs werkzaam zijn.

Er zijn ook vragen gesteld over een zij-instromer die geen bevoegd gezag heeft die hem wil aanstellen. Daar moet een oplossing voor gevonden worden. Ik weet niet op welke manier dat precies kan. Het wetsvoorstel is daar namelijk niet helder over. Het CDA voelt er echter weinig voor om een nieuwe matchingvoorziening met een regionale basis in het leven te roepen. Sluit maar aan bij hetgeen er op dit punt is en creëer daar iets additioneels, maar begin niet weer met iets nieuws. Dat lijkt mij helemaal niet goed.

Het assessment moet leiden tot een geschiktheidverklaring met scholingsvoorwaarden. Die geschiktheidverklaring is niet alleen verzilverbaar bij de school die bij het assessment was betrokken. Maar het is toch ook niet zo dat een zij-instromer rechten kan ontlenen aan het feit dat een bepaalde school bij het assessment was betrokken? Ik heb hier kortheidshalve de volgende vragen over, toegespitst op de bezwaar- en beroepsprocedure. Wat gebeurt er als men er niet doorheen komt of na twee jaar toch niet geschikt wordt verklaard? Zowel mensen uit een werkloosheidssituatie als uit een werksituatie moeten inzicht hebben in de rechten, ook wat de uitkering betreft, op dat moment. En hoe zit het met degenen die al bezig zijn met een verkorte opleiding? De minister zegt wel dat die mensen gewoon kunnen meedoen aan het assessment, maar die mensen volgen al een lerarenopleiding met een assessment. Zij hebben stagemappen en beoordelingen. Is het niet beter om voor hen een vereenvoudigd assessment mogelijk te maken, wat minder tijd en minder geld kost?

Er wordt tot benoeming overgegaan en er wordt een overeenkomst gesloten. In de memorie van toelichting staat: het ligt voor de hand dat in de overeenkomst tussen school, leraar en lerarenopleiding wordt vastgelegd wat de aard en omvang van de lesgevende taken van de betreffende kandidaat tijdens de scholingsperiode zullen zijn. Dat is mij te vaag. Waarom wordt er niet in de wet vastgelegd dat deze zaken moeten worden geregeld? Dus niet hoe ze moeten worden geregeld, maar dat ze moeten worden geregeld. Wat is daarop tegen? Op dat punt heb ik een amendement ingediend. Daar hoort bij de vraag of ook niet in de wet moet worden vastgelegd wie de eindverant- woordelijke is voor het handelen van de tijdelijk bevoegde leraar. Dat hebben wij ook zo geregeld in het kader van de LIO. Dit kan worden vastgelegd in dezelfde overeenkomst. Wat is de reactie van de minister hierop?

De minister verwijst op een aantal andere punten ook naar de conceptuitvoeringsregeling, ook wat betreft de specifieke hogeronderwijsgetuigschriften die relevant zijn voor de zij-instroom in het basisonderwijs. Als het gaat om elders verworden competenties, dan verwijst hij naar datgene wat nog komt. Dat hebben wij echter nog niet. Dat betekent dat ik terugkom op het gestelde van zojuist, namelijk dat wij daarvoor een oplossing moeten vinden, zodat de Kamer daarover kan discussiëren.

Ik heb twee opmerkingen tot slot. In het MDW-traject wordt terecht gestreefd naar een stroomlijning van de regelgeving en niet naar extra regels. Deze regelgeving moet dus niet leiden tot extra ingewikkelde regels, want dan handelen wij in strijd met ons eigen traject. De Wet op het leraarschap is in ontwikkeling. De noodzaak van het aanpakken van het lerarentekort is urgent, maar het is de vraag of het doel alle middelen heiligt. De poging van de minister is uitstekend. De insteek om ervoor te zorgen dat elders verworven competenties een rol krijgen in het leraarschap is ook prima, maar het stroomlijnen van procedures en het verbeteren van bestaande mogelijkheden zou wel eens meer kunnen opleveren dan deze wet. De vraag of deze interim-wet een voorschot is op de Wet op het leraarschap of een fuik zie ik graag door de minister beantwoord. Wij hebben nog wel enkele uren de tijd, voordat ik de eindconclusie van mijn fractie duidelijk hoef te maken.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.52 uur tot 14.10 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Naar boven