Vragen van het lid Karabulut (SP) aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
over het bereiken van de allerarmsten (ingezonden 1 augustus 2018).
Antwoord van Minister Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) (ontvangen
30 augustus 2018).
Vraag 1
Deelt u de mening dat om de wereldwijde ongelijkheid te bestrijden het beleid expliciet
gericht moet zijn op het bereiken van de allerarmsten?
Antwoord 1
Ja. Om wereldwijde ongelijkheid te bestrijden moet allereerst het nationale beleid
van overheden erop gericht zijn om brede lagen van de bevolking mee te laten profiteren
van economische vooruitgang binnen een land. Zonder adequaat overheidsbeleid kan ongelijkheid
juist toenemen bij economische ontwikkeling, doordat vooral de laagste inkomensgroepen
van het land niet of nauwelijks meeprofiteren. Dit patroon heeft zich over de afgelopen
decennia in veel regio’s van de wereld afgetekend, zowel in rijke landen als in (opkomende)
ontwikkelingslanden. Zie ook de recente kabinetsreactie op het World Inequality Report 2018 (Kamerstuk 33 625, nr. 262).
Naast ongelijkheid binnen landen is er nog altijd sprake van grote inkomensverschillen tussen landen. Sommige ontwikkelingslanden zijn simpelweg nog erg arm, ook al is de kloof
de afgelopen 25 jaar kleiner geworden en zijn er wereldwijd grote verbeteringen in
leefomstandigheden gerealiseerd. Zo was het nationale inkomen per inwoner in Ethiopië
in 2017 nog geen zestigste deel van dat in Nederland, ondanks sterke Ethiopische groeicijfers
in de afgelopen decennia. Adequaat overheidsbeleid is ook in deze armste landen van
cruciaal belang, maar zeker als er nog zo weinig middelen van bestaan zijn, kan ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
een belangrijke bijdrage leveren aan beter perspectief voor de bevolking.
Vraag 2
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw beleid op alle vlakken telkens ten goede komt aan
de allerarmsten?
Antwoord 2
De SDGs (Sustainable Development Goals) vormen de leidraad van het BHOS-beleid. Deze
doelen behelzen bij uitstek de ambitie om verbeteringen te realiseren voor de meest
achtergestelde groepen. Alle leden van de VN hebben zich verbonden aan de SDGs, waardoor
deze doelen wereldwijd een belangrijk referentiepunt vormen voor nationaal beleid.
Het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking is vooral gericht op SDGs waarop
de achterstand groot is en waarop we vanuit Nederland meerwaarde kunnen bieden.
Nu in veel ontwikkelingslanden de extreme armoede is teruggedrongen, bepalen instabiliteit
en conflicten in steeds sterkere mate in welke landen de allerarmsten wonen. De verwachting
is dat zonder gerichte actie in 2030 zo’n tachtig procent van de extreme armoede geconcentreerd
zal zijn in fragiele en conflictlanden, met name in Sub-Sahara Afrika.1 Dat is een belangrijke reden waarom het voorkomen van conflict en instabiliteit een
hoofddoel is van het vernieuwde BHOS-beleid, in nauwe samenhang met het andere hoofddoel:
verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid.
De verschuiving van de geografische focus van het Nederlandse beleid naar de instabiele
regio’s Sahel/West-Afrika, Hoorn van Afrika en Midden-Oosten & Noord-Afrika (MENA)
sluit hierop aan. Landen in de Sahel en de Hoorn behoren tot de armste ter wereld.
De landen in de MENA-regio behoren weliswaar niet tot de allerarmste, maar het Nederlandse
beleid is daar in hoofdzaak gericht op het toekomst bieden aan de vele berooide vluchtelingen
in de door conflicten verscheurde regio.
De verwachting is verder dat klimaatverandering grote gevolgen zal hebben juist voor
arme groepen in ontwikkelingslanden die weinig buffers hebben om zich tegen de effecten
te weren. Het bevorderen van duurzame inclusieve groei en wereldwijde klimaatactie
is mede daarom het derde hoofddoel van het BHOS-beleid.
Voor de verdere invulling verwijs ik graag naar de BHOS-nota Investeren in Perspectief (Kamerstuk 34 952, nr. 1).
Vraag 3
Bent u bereid het meten en rapporteren over verschillen in gender, geografische locatie,
leeftijd en inkomensklasse deel te maken van uw beleid, zodat bezien kan worden in
hoeverre uw beleid impact heeft op de allerarmsten?
Antwoord 3
Voor een deel doen we dat al. Als onderdeel van het nieuwe BHOS-beleid en naar aanleiding
van de bespreking met uw Kamer tijdens het Wetgevingsoverleg van 20 juni 2018, worden
de resultaatgebieden en de bijbehorende indicatoren en streefwaarden in de BHOS-begroting
aangepast en uitgebreid. Dit kader vormt de basis voor het meten van en rapporteren
over de resultaten van het beleid in de jaarlijkse resultatenrapportage (www.osresultaten.nl) en het jaarverslag BHOS. In de onderliggende Theories of Change (ToCs) wordt de relatie gelegd met de SDGs en aangegeven hoe deze interventies direct
of indirect bijdragen aan onder meer armoedebestrijding en versterking van de positie
van vrouwen. De kennis en ervaring van de afgelopen decennia over wat het beste werkt
in internationale samenwerking ligt in deze ToCs besloten.
Op deze manier wordt nu kwalitatief en kwantitatief goede informatie gegeven over
de resultaten van het Nederlandse BHOS-beleid. Verdergaande uitsplitsing van data
en indicatoren zou een onevenredig beslag leggen op mensen en middelen, omdat veel
van deze data wereldwijd niet of nauwelijks beschikbaar zijn en het aantal indicatoren
sterk zou stijgen.
X Noot
1Zie bijvoorbeeld het rapport States of Fragility van OESO-DAC van juli 2018.