Vragen van het lid Servaes (PvdA) en het lid Sjoerdsma (D66) aan de Minister van Buitenlandse
Zaken over het hoge tempo waarin Palestijnse gebouwen op de Westelijke Jordaanoever
worden gesloopt (ingezonden 21 maart 2016).
Antwoord van Minister Koenders (Buitenlandse Zaken) en Minister Ploumen (Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking) (ontvangen 28 april 2016).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Israël sloopt in hoog tempo huizen Palestijnen»?1
Vraag 2
Herkent u het zorgwekkende beeld dat plaatsvervangend VN-Gezant Robert Piper schetst
dat er in de laatste maanden sprake is van een ongekend hoog aantal vernielingen van
Palestijnse gebouwen door Israël «zoals we nog nooit gezien hebben sinds we deze statistieken
bijhouden»?
Antwoord 2
De situatie is zeer zorgwekkend. Het hoge aantal gevallen waarbij Palestijnse huizen
en gebouwen zijn gesloopt dit jaar, verslechtert de situatie ter plaatse en staat
haaks op oproepen van de internationale gemeenschap om door positieve stappen de huidige
spanningen te verminderen.
Vraag 3 en 7
Kunt u aangeven om hoeveel gesloopte gebouwen het in 2016 tot nu toe precies gaat?
Kunt u aangeven hoe groot de stijging in het tempo van de sloop is ten opzichte van
vergelijkbare periodes in 2015 en eerdere jaren?
Deelt u de stelling van plaatsvervangend VN-gezant Robert Piper dat vaak kwetsbare
mensen slachtoffer zijn van de vernielingen? Klopt het dat dit jaar, als gevolg van
de vernielingen, meer dan 500 Palestijnen dakloos zijn geraakt, van wie de helft nog
kind is? Zo ja, wat wordt er gedaan om de mensen die slachtoffer zijn van de vernielingen
onderdak en andere hulp te bieden?
Antwoord 3 en 7
Volgens de VN (OCHA) zijn in de periode van 1 januari tot en met 8 april 2016 539
gebouwen in Area C vernield door het Israëlische leger. Hierdoor zijn dit jaar 804
personen getroffen. In heel 2015 zijn 453 Palestijnse gebouwen in Area C gesloopt.
Het zijn in de regel kwetsbare gemeenschappen en personen die getroffen worden door
deze slooporders.
De EU en andere humanitaire organisaties ondersteunen deze gemeenschappen, met humanitaire
hulpgoederen om te kunnen overleven op de plek waar zij wonen. Ook deze noodvoorzieningen
(zoals tenten) zijn onderhevig aan vernieling en confiscatie. Nederland en andere
donoren ondersteunen organisaties die juridische bijstand verlenen, zodat deze personen
bij de rechter de slooporders kunnen aanvechten.
Vraag 4 en 5
Kunt u aangeven hoeveel van de in 2015 en 2016 gesloopte gebouwen zijn gefinancierd
door internationale donoren? Kunt u per donor, inclusief Nederland en de EU, uitsplitsen
hoeveel belastinggeld hiermee verloren is gegaan?
Kunt u aangeven hoeveel schade er daarnaast in 2015 en 2016 is geleden door andere
acties van de Israëlische regering zoals het uitvaardigen van zogenaamde «stop-workorders»?
Kunt u ook hierbij een uitsplitsing per internationale donor overleggen?
Antwoord 4 en 5
De schade aan lopende Nederlandse ontwikkelingsprojecten door sloop- of stop-work
orders in 2015–2016 bedraagt € 77.000. De schade aan door ECHO en EU-lidstaten gefinancierde
humanitaire projecten in deze periode bedraagt € 416.000. Hierbij moet worden aangetekend
dat niet alle lidstaten op dezelfde manier schade bijhouden of openbaar maken.
Vraag 6
Bent u bereid om te onderzoeken op welke wijze de schade door de sloop van door Nederland
of de EU gefinancierde projecten kan worden verhaald op de Israëlische autoriteiten?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Dit is al onderwerp van gesprek binnen de EU. Nederland stelt in geval van slooporders
of confiscaties schadevergoeding aan de orde. Als financierder van projecten is Nederland
echter geen eigenaar en ontbreekt er een rechtsbasis voor een schadevergoeding. Nederland
vraagt wel om een schadevergoeding voor de getroffen eigenaren. Israël keert geen
schadevergoedingen uit, omdat in Israëlische optiek de Palestijnse boeren hun grond
niet hadden mogen ontwikkelen zonder vergunningen aan te vragen. Israël beschouwt
daarom de sloop als rechtmatig.
Vraag 8
Op welke wijze heeft u invulling gegeven aan uw toezegging in het Algemeen overleg
over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 10 maart jl. om de situatie rondom de vernieling
van projecten nauwlettend te blijven volgen en om de verontwaardiging over deze onacceptabele
acties, zowel bilateraal als in Europees verband, aan de Israëlische autoriteiten
over te brengen? Bent u bereid u in te zetten voor een veroordeling van deze vernielingen
namens de EU? Bent u tevens bereid het onderwerp te agenderen voor de eerstvolgende
Raad Buitenlandse Zaken? Kunt u toelichten welke lidstaten van de EU zich eveneens
zorgen maken over de vernieling van door de EU gefinancierde projecten?
Antwoord 8
In de Raadsconclusies van 18 januari heeft de EU zich als geheel opnieuw uitgesproken
tegen slooporders.
Voor de Nederlandse inbreng bij de RBZ en discussie over de slooporders verwijs ik
u naar het Verslag van de Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken d.d. 18 maart
jl. (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1594). Het Midden-Oosten Vredesproces en de verslechterende situatie staan, mede op verzoek
van Nederland, met grote regelmaat op de agenda van de RBZ.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Kuzu (Groep
Kuzu/Öztürk), ingezonden 17 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016,
nr. 2304), en De Roon (PVV), ingezonden 17 maart 2016 (vraagnummer 2016Z05538) en Van Bommel (SP), ingezonden 18 maart 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2015–2016, nr. 2246)
X Noot
1De Volkskrant, 17 maart 2016