Vragen van de leden Gesthuizen (SP), Voordewind (ChristenUnie), Van Ojik (GroenLinks), Schouw (D66) en Krol (50PLUS) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over het bericht dat uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers weer op straat zijn gezet (ingezonden 5 december 2012).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 20 december 2012).

Vraag 1

Is het waar dat naast de Somaliërs uit het voormalig tentenkamp in Amsterdam, die na hun verwijdering uit dat kamp alsnog door de politie op straat zijn gezet, ook vrijwel alle andere bewoners van het voormalig tentenkamp in de avond van 30 november op straat zijn gezet? Zo ja, hoe groot is de groep dan in totaal?

Antwoord 1

Het klopt dat het merendeel van de vreemdelingen na hun aanhouding is heengezonden. Hierbij is hen gemeld dat ze onderdak konden krijgen in een vrijheidsbeperkende locatie, wat uiteraard wel vereist dat ze bereid zijn om aan hun terugkeer mee te werken. Geen enkele vreemdeling is hier echter op ingegaan.

Vraag 2

Vindt u het verantwoord om deze groep in het huidige winterweer op straat te laten leven? Zo nee, gaat u zorgen voor menswaardige opvang voor de vreemdelingen?

Antwoord 2

Er is deze groep vreemdelingen een alternatief aangeboden door het Rijk. Daarover heb ik uw Kamer bij brief van 15 november 20121 geïnformeerd. Het merendeel van de vreemdelingen uit het voormalige tentenkamp heeft echter geweigerd om van dit alternatief gebruik te maken.

Ik ben bereid om onderdak te bieden aan deze vreemdelingen, maar onder de voorwaarde dat wordt meegewerkt aan terugkeer. Dat is ook logisch want het perspectief voor deze vreemdelingen is terugkeer. Het aanbieden van onderdak zonder het stellen van deze voorwaarde vind ik allerminst een structurele oplossing en zou bovendien onterechte verwachtingen wekken bij deze vreemdelingen. Als een afgewezen asielzoeker ervoor kiest om geen gevolg te geven aan de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag en de bijhorende vertrekplicht, kan het niet zo zijn dat de Nederlandse overheid onderdak moet (blijven) verstrekken. De vreemdeling maakt hierin een bewuste keuze waar hij dan ook zelf verantwoordelijkheid voor moet dragen.

Protestacties zoals in Amsterdam en Den Haag waarbij vreemdelingen hun onvrede uiten over het Nederlandse asielbeleid en de beslissing in hun individuele zaak, kunnen nooit aanleiding zijn om het geldende asiel- en opvangbeleid dat zorgvuldig tot stand is gekomen, aan de kant te schuiven.

Vraag 3

Deelt u de mening dat – ook voor deze groep – deze situatie voorkomen had kunnen worden als u de motie-Gesthuizen c.s.2 had uitgevoerd? Hebt u zich conform het rijksakkoord maximaal ingezet om te voorkomen dat uitgeprocedeerde asielzoekers op straat zouden komen zonder te worden uitgezet?

Antwoord 3

In mijn brief van 28 november 20123 aan uw Kamer heb ik beschreven hoe ik uitvoering geef aan deze motie. Ik heb toegelicht dat deze motie aansluit bij het huidige buitenschuldbeleid. Ik ben bereid om vreemdelingen opvang te bieden wanneer de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) positief heeft geadviseerd over de afgifte van een verblijfsvergunning op basis van het buitenschuldbeleid zolang de beoordeling bij de IND loopt.

Uw tweede vraag verwijst naar het Rijksakkoord, maar ik neem aan dat hier het Bestuursakkoord met de VNG uit 2007 wordt bedoeld. Het bestuursakkoord bevat inderdaad een inspanningsverplichting voor het Rijk om het daadwerkelijke vertrek uit Nederland van vreemdelingen die geen recht (meer) hebben op verblijf in Nederland zo veel mogelijk te faciliteren en te realiseren. Het faciliteren van een uitgeprocedeerde vreemdeling bij het realiseren van zijn vertrek is sinds 2007 steeds verder uitgebreid. Zo bestaat de mogelijkheid om onderdak te krijgen in een vrijheidsbeperkende locatie. Daarnaast wordt opvang verstrekt gedurende de vertrektermijn van 28 dagen na een afwijzing in de algemene asielprocedure. Door deze maatregelen heeft de uitgeprocedeerde vreemdeling een dak boven zijn hoofd terwijl hij meewerkt aan terugkeer.

Sinds medio 2011 kunnen gezinnen met minderjarige kinderen terecht in gezinslocaties voor zover bij gebrek aan onderdak van het Rijk een humanitaire noodsituatie dreigt te ontstaan en zolang het vertrek uit Nederland nog niet is gerealiseerd. Al deze maatregelen dragen ertoe bij om zoveel mogelijk te voorkomen dat gemeenten worden geconfronteerd met uitgeprocedeerde asielzoekers in hun gemeente. Een volledig sluitende aanpak kan echter niet worden gegarandeerd omdat de bereidheid van de vreemdeling om actief mee te werken aan zijn terugkeer ook van belang is.

De vreemdeling moet bereid zijn om mee te werken aan zijn terugkeer als na een zorgvuldige asielprocedure is geoordeeld dat hij geen bescherming in Nederland nodig heeft. Het is immers primair aan de vreemdeling zelf om zijn vertrek uit Nederland vorm te geven. Dat betekent niet dat hij er daarbij alleen voor staat. Hij heeft de mogelijkheid om de hulp van de DT&V in te roepen of zich te wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en andere ngo’s. De voornoemde organisaties hebben tot doel om vreemdelingen perspectief te bieden op een duurzame terugkeer naar het land van herkomst. Diverse projecten in het kader van vrijwillige, duurzame terugkeer en herintegratie van organisaties, zoals Maatwerk bij Terugkeer, Stichting WereldWijd, Stichting Nieuwkomers, Vluchtelingenwerk Brabant-Centraal en IOM worden door het Rijk gesubsidieerd. Ook in het kader van de pilots «Alternatieven voor Vreemdelingenbewaring» worden organisaties gefinancierd die een bijdrage leveren aan duurzame zelfstandige terugkeer.

Vraag 5

Blijft u bij uw mening dat noodopvang door de gemeenten in principe overbodig is?

Antwoord 5

Ja. Ik zie geen aanleiding voor het inrichten van structurele noodopvang. Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb beschreven, spant het Rijk zich maximaal in om uitgeprocedeerde vreemdelingen te faciliteren bij het realiseren van de terugkeer. Gemeenten kunnen met de DT&V contact opnemen als ze worden geconfronteerd met uitgeprocedeerde vreemdelingen die in hun gemeente op straat leven.

Daarnaast vind ik structurele noodopvang ook onwenselijk. Structurele noodopvang geeft een dubbelzinnig signaal aan de vreemdeling omdat deze opvang veelal niet gekoppeld is aan de voorwaarde van het meewerken aan vertrek en in die zin allerminst een duurzame oplossing is.

Vraag 6

Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden?

Antwoord 6

Ik heb deze Kamervragen zo snel beantwoord als de zorgvuldigheid van de beantwoording mij toelaat.


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 92.

X Noot
2

Kamerstuk 29 344 nr 103

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 106.

Naar boven