Vragen van de leden Recourt en Ypma (beiden PvdA) aan de staatssecretarissen van Veiligheid en Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het geadopteerde Chinese meisje dat na drie weken bij een pleeggezin is ondergebracht (ingezonden 15 februari 2013).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie), mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 9 april 2013). Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1629.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht dat adoptiefouders na drie weken hun geadopteerde dochter al weer hebben overgedragen aan een pleeggezin? Bent u bekend met het onderzoek dat Inspectie Jeugdzorg heeft gedaan?1

Antwoord 1

Ja, van beide ben ik op de hoogte.

Vraag 2 en 3

Was de Centrale Autoriteit (CA) op de hoogte van de overplaatsing van het Chinese meisje van de adoptiefouders naar het pleeggezin? Zo nee, had dat wel moeten gebeuren en wie had dat moeten melden?

Als de CA op de hoogte gebracht had moeten worden, waarom is dat niet gebeurd? Wat doet de CA vervolgens met dergelijke informatie?

Antwoord 2 en 3

Zoals uit het rapport van de Inspectie jeugdzorg blijkt, is het in deze casus anders gelopen dan normaliter het geval is. De adoptiefouders hebben gemeend de vergunninghouder, Stichting Kind en Toekomst, niet te hoeven informeren over de overplaatsing van het meisje naar het pleeggezin. Zij wilden de regie behouden uit angst dat de Raad voor de Kinderbescherming zou worden ingeschakeld en het kind in verscheidene pleeggezinnen terecht zou komen. Hierdoor zijn zowel Stichting Kind en Toekomst als de CA pas later op de hoogte gesteld van de overplaatsing.

Met de landen die partij zijn bij het Haags Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (hierna: Haags Adoptieverdrag) is de afspraak gemaakt dat de CA’s elkaar op de hoogte houden van de adoptieprocedure en de maatregelen die worden genomen om deze af te wikkelen. Op grond van deze afspraak houden de CA’s elkaar op de hoogte van het verdere verloop van de adoptieprocedure door middel van postplacement rapportages. Indien blijkt dat een plaatsing in een adoptiegezin niet langer in het belang van het kind wordt geacht, worden passende maatregelen genomen om het kind te beschermen en wordt de CA van het zendende land daarover geïnformeerd.

In het licht hiervan is aan de vergunninghouders gevraagd om direct melding te maken aan de CA wanneer een adoptie mislukt ofwel geen doorgang vindt. In overleg tussen de vergunninghouder en de CA wordt vervolgens bepaald welke stappen ondernomen dienen te worden.

In het onderhavige geval is de CA van China door de CA van Nederland geïnformeerd over de uithuisplaatsing. De CA van China zal ook op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten van het onderzoek van de Inspectie jeugdzorg en de naar aanleiding van het onderzoek gedane aanbevelingen en verbeterpunten.

Vraag 4

Hoe vaak is de afgelopen tien jaar een geadopteerd kind onder het toezicht van jeugdzorg geplaatst?

Antwoord 4

De Raad voor de Kinderbescherming is in 2006 overgegaan op de registratie van maatregelen op kindniveau. Hierdoor kan dus niet tot 10 jaar terug worden gekeken.

Uit de gegevens van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat in de periode 2007–2012 in gemiddeld 12 zaken per jaar om uiteenlopende redenen een ondertoezichtstelling is geadviseerd. In hoeveel zaken de rechter op basis van de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming een ondertoezichtstelling heeft uitgesproken is niet bekend omdat de rechtbanken niet apart registreren wanneer sprake is van een uit het buitenland geadopteerd kind. Uit een over 2010 door de Raad voor de Kinderbescherming over alle OTS’en gehouden steekproef blijkt echter dat in het algemeen gemiddeld 95% van de adviezen door de rechter wordt gevolgd.

Vraag 5

Wat is uw mening over het oordeel van de Inspectie Jeugdzorg dat Stichting Kind en Toekomst steken heeft laten vallen ten aanzien van de «matching» tussen adoptiefouders en het geadopteerde kind? Zijn er verbeteringen mogelijk om een «matchings»-procedure beter te laten verlopen?

Antwoord 5

De Inspectie jeugdzorg geeft in haar rapport als verbeterpunten voor de Stichting Kind en Toekomst aan dat zij het adoptieproces zo dient in te richten dat:

  • de bemiddeling altijd is gebaseerd op betrouwbare, volledige en actuele informatie over de sociaal-emotionele ontwikkeling (hechtingsproblemen) van het adoptiekind; en

  • de inschatting dat de speciale behoeften van een adoptiekind aansluiten bij de door de Raad voor de Kinderbescherming vastgestelde vaardigheden van aspirant-adoptiefouders altijd zichtbaar en concreet is.

Momenteel wordt het kwaliteitskader voor de vergunninghouders interlandelijke adoptie geëvalueerd. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 12 februari 20132 heb aangegeven, zie ik de verbeterpunten en de voorgestelde acties van de Inspectie jeugdzorg dan ook als een ondersteuning van de reeds ingeslagen weg. Ik zal deze aanbevelingen dan ook betrekken bij de evaluatie van het kwaliteitskader en bezien waar aanscherping noodzakelijk is.

Vraag 6

Wat is uw mening ten aanzien van het oordeel van de Inspectie Jeugdzorg dat Stichting Kind en Toekomst en Stichting adoptievoorziening heeft gefaald bij het verlenen van nazorg? Wat verstaat u onder «een gestructureerde vorm van nazorg»? Komt de definitie van wat u onder «een gestructureerde vorm van nazorg» verstaat overeen met de definitie van de Inspectie Jeugdzorg? Wordt deze «gestructureerde vorm van nazorg» in principe bij alle adoptie gegeven? Zo nee waarom niet?

Antwoord 6

De Inspectie jeugdzorg constateert in haar rapport dat er geen sluitende afspraken zijn tussen vergunninghouders en de Stichting Adoptievoorzieningen omtrent nazorg. De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) schrijft voor dat vergunninghouders tot één jaar na aankomst van het adoptiekind nazorg verlenen. Vergunninghouders geven hier in de praktijk elk op hun eigen wijze invulling aan. De Stichting Adoptievoorzieningen biedt opvoedingsondersteuning aan adoptiegezinnen op basis van vrijwilligheid.

Indien ouders niet zelf hulp zoeken en de situatie in een zeer korte tijd escaleert, zoals in de door de Inspectie jeugdzorg onderzochte casus het geval was, kan geen enkele inrichting van de nazorg volledig voorkomen dat de situatie leidt tot onomkeerbare ontwikkelingen die de gezinssituatie onhoudbaar maken. Het is primair aan de ouders zelf om hulp te zoeken in een dergelijke situatie. Dit laat onverlet dat een gestructureerde vorm van nazorg bijdraagt aan het zoveel mogelijk voorkomen van problemen zoals deze zich hebben voorgedaan in de door de Inspectie jeugdzorg onderzochte casus. Het gaat de Inspectie jeugdzorg en ons hierbij om meer zicht houden op de ontwikkeling van het adoptiekind en de omstandigheden binnen het gezin.

Om op een zo kort mogelijke termijn invulling te geven aan de eerdere aanbeveling van de Inspectie jeugdzorg om beter zicht te houden op het adoptiekind na plaatsing in het gezin, is het ministerie van VWS in gesprek met onder meer de Stichting Adoptievoorzieningen en de Inspectie jeugdzorg. De Staatssecretaris van VWS zal uw Kamer hierover in de eerste helft van 2013 nader kunnen informeren. Uw Kamer is daar eerder over geïnformeerd op 19 december 20123 en 12 februari 20134.


X Noot
2

Kamerstukken II, 2012/13, 31 265, nr. 46

X Noot
3

Kamerstukken II, 2012–2013, 33 400 XVI, nr. 24

X Noot
4

Kamerstukken II, 2012–2013, 31 265, nr. 46

Naar boven