Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20112467

Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het verbieden van een rechtspersoon die zich bezighoudt met pedoseksualiteit en waarvan een bestuurder schuldig is aan kinderporno (ingezonden 4 april 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 11 mei 2011).

Vraag 1

Herinnert u zich de eerdere schriftelijke Kamervragen over het verbieden van de stichting Martijn?1 Kent u het bericht op de site van de Vereniging Martijn, opgesteld door de voorzitter van die vereniging?2

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Herinnert u zich de eerst vraag over de voorwaarden waaronder iemand bij wie kinderporno wordt aangetroffen zich effectief kan verweren met het argument dat dit materiaal wetenschappelijke doeleinden dient? Zo ja, deelt u de mening dat het voorhanden hebben van kinderporno op geen enkele manier gerechtvaardigd kan worden door een doelstelling zoals wetenschappelijk onderzoek of het nodig hebben voor het verweer tegen een beschuldiging van kinderporno?

Antwoord 2

Bij wet van 13 juli 2002 is de bijzondere strafuitsluitingsgrond ter zake het bezit van kinderpornografie wegens educatieve, wetenschappelijke of therapeutische doeleinden in artikel 240b Wetboek van Strafrecht vervallen.3 Met deze wijziging heeft de wetgever willen voorkomen dat personen het bezit van kinderpornografie onder het mom van één van die doeleinden zouden kunnen rechtvaardigen. Een verweer dat met het bezit van kinderpornografie een wetenschappelijk doel werd gediend – afgezien van het geval waarin de ongeschreven strafuitsluitingsgrond ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid van toepassing is – zal dan ook geen kans van slagen hebben.4

Vraag 3

Kan een eventuele veroordeling van een bestuurslid van een vereniging of een rechtspersoon bijdragen tot het doen verbieden van die vereniging? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Een vereniging bezit rechtspersoonlijkheid op grond van artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechter verboden worden verklaard en worden ontbonden. Artikel 2:20 BW biedt daarvoor de grondslag. De omstandigheid dat een bestuurder van een rechtspersoon is veroordeeld, kan relevant zijn in het kader van de beoordeling van een verzoek van het openbaar ministerie tot verbodenverklaring van een rechtspersoon. Dit voor zover de desbetreffende veroordeling bijdraagt aan de vaststelling dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. Er zal dan ook sprake moeten zijn van een verband tussen het strafbare feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en de rechtspersoon.

Vraag 6

Sluit het vervolgen van een bestuurder van een vereniging de vervolging van die vereniging zelf uit? Zo nee, kan een veroordeling van de vereniging bijdragen aan het verbieden van die vereniging?

Antwoord 6

Wanneer bij een strafbaar feit een rechtspersoon en een natuurlijke persoon zijn betrokken, is het op grond van artikel 51, tweede lid, Wetboek van Strafrecht mogelijk om de rechtspersoon, de feitelijk leidinggever of beide tezamen te vervolgen. Zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor hun eigen betrokkenheid bij het strafbare feit.

Ook in het geval van een veroordeling van een rechtspersoon voor een strafbaar feit kan dit relevant zijn voor een vordering tot verboden verklaring en ontbinding op grond van artikel 2:20 BW. De desbetreffende veroordeling kan bijdragen aan de vaststelling dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde.

Vraag 4, 5, 7

Kunnen strafbare feiten begaan door een bestuurder van een vereniging worden toegedicht aan die vereniging zelf? Maakt het daarbij uit dat de feiten waarvoor een bestuurder wordt veroordeeld direct te maken hebben met de doelstelling van de vereniging waarvan hij bestuurder is? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Maakt het daarbij uit of de bestuurder de website van de vereniging gebruikt om zich te uiten over de zaak waarvoor hij werd verdacht of eventueel veroordeeld? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

In hoeverre kan een bestuurder van een vereniging feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit begaan door de rechtspersoon?

In hoeverre zijn de zogenaamde «IJzerdraadcriteria» over de toerekenbaarheid van strafbare gedragingen aan een rechtspersoon nog maatgevend in de jurisprudentie? Welke andere relevante jurisprudentie is er omtrent het toerekenen van strafbare feiten aan rechtspersonen?

Antwoord 4, 5, 7

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2003 de jurisprudentie over het daderschap van de rechtspersoon samengevat en aangevuld.5 De Hoge Raad heeft hierin overwogen dat een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening aan een rechtspersoon is of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. Daarvan kan volgens de Hoge Raad sprake zijn als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen (waarbij de zogenoemde IJzerdraadcriteria onder het laatste gedachtestreepje worden vermeld):

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Daarnaast blijkt uit voormeld arrest dat indien opzet of schuld als bestanddeel van het delict is vereist, dat bestanddeel ook moet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De vraag of een gedraging aan een rechtspersoon kan worden toegerekend is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De doelstelling van de rechtspersoon is in zoverre relevant dat de vraag of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is. Dat kan ook een gedraging zijn van een natuurlijke persoon die binnen de rechtspersoon een rol vervult.

Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging van een rechtspersoon, dient het daderschap van de rechtspersoon te zijn vastgesteld. De voorwaarden voor strafbaarheid van feitelijk leidinggeven zijn eveneens in de jurisprudentie ontwikkeld. Uit de zogenoemde Slavenburg-rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging sprake is indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van de gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.6


X Noot
1

Vragen van het lid Arib (PvdA), 27 mei 2010 en 22 december 2011 (vraagnummers: 2010Z08867 en 2010Z20078).

X Noot
2

http://www.martijn.org/blog/?p=5854

X Noot
3

Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 12.

X Noot
4

Vgl. Rechtbank Arnhem 29 april 2005, LJN AT4918.

X Noot
5

Arrest van 21 oktober 2003, LJN AF 7 938 (NJ 2006, 328).

X Noot
6

HR 16 december 1986, NJ 1987, 321.