Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 5 |
Bent u bekend met twee recente publicaties op LinkedIn van dhr. Lieuwe Koopmans?1
Kunt u bevestigen dat de informatie die dhr. Koopmans hier deelt in het kader van de implementatie van de Omgevingswet inderdaad gepresenteerd is?
De informatie die in beide berichten is gedeeld is onderdeel van een presentatie die recentelijk gegeven is aan softwareleveranciers. Beide LinkedIn-posts belichten onderdelen uit deze presentatie zonder daarbij de context van de presentatie en de volledige inhoud weer te geven.
Kunt u de presentatie met deze Kamer en met de Tweede Kamer delen? De vragenstelster wijst u er voor de zekerheid op dat de presentatie via meerdere bezorgde softwarebouwers gedeeld is en reeds in haar bezit is gekomen en hoopt dat u zwartlakken van informatie overbodig acht.
De presentatie is als bijlage toegevoegd aan de beantwoording. Graag geef ik daarbij kort de context weer van de bijeenkomst waar de betreffende presentatie is gegeven. De presentatie is gehouden tijdens een technische briefing van de tactische en operationele beheerorganisaties (TBO en de OBO’s) aan softwareleveranciers in de planketen. Deze technische briefing had daarbij twee doelen:
– Wat speelt er op technisch vlak? en;
– Welke richting wil de planketen op gaan bewegen.
De technische briefing en presentatie hadden gelet op de doelgroep en beoogde doelen een hoog technisch jargon, welke eenvoudig verkeerd kan worden geïnterpreteerd, wanneer slechts «losse» aspecten worden belicht.
In de presentatie wordt gesteld dat «Release A (bezien vanuit de keten) niet zo stabiel is als we willen dat ze zijn». Wat wordt hier bedoeld met «niet zo stabiel is»?
Zoals u weet wordt hard gewerkt aan de verdere afbouw, uitbouw en doorontwikkeling van het DSO. De volledige tekst in de presentatie, waar u naar verwijst, is: «Daarnaast zijn de voorzieningen op release A (vanuit de gehele keten bezien) niet zo stabiel als we willen dat ze zijn». Deze tekst is gebruikt in het kader van het werken aan de afbouw, uitbouw en doorontwikkeling van de voorzieningen in de planketen bij bevoegde gezagen, plansoftwareleveranciers en de landelijke voorziening van het DSO (DSO-LV) in de pre-productieomgeving. Met de betrokken partijen wordt momenteel gewerkt aan het vervolg. Daarbij wordt ook gekeken aan het steeds verder verbeteren van de stabiliteit en performance van het DSO als geheel. Bij het verdere verbeteren geven de partijen aan dat ze hier graag al verder in hadden willen zijn. In bijlage 1 bij de voortgangsbrief van 9 oktober jl. ga ik verder in op het verschil tussen de afspraken die er zijn richting 1 januari 2024 en de verwachtingen die daarnaast leven richting de toekomst.2
In hoeverre komt dit overeen met de meermaals eerder geuite zorgen van het Adviescollege ICT-toetsing over de stabiliteit van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)?
Het Adviescollege ICT Toetsing (AcICT) heeft in 2022 aangeven dat de wijze waarop het ketentesten destijds werd ingevuld en uitgevoerd te weinig zekerheid gaf over de stabiliteit, betrouwbaarheid en technische werking van de DSO-keten.3 In reactie daarop is een stevige kwaliteitsimpuls aan het indringend ketentesten en de samenwerking met softwareleveranciers gegeven.4 Ik heb in januari jl. met de bestuurlijke partners geconcludeerd dat het DSO technisch voldoende gereed was om een besluit over de inwerkingtreding te nemen.5 Hierover heb ik u bericht en uitvoerig met u gesproken. Een besluit waar uw Kamer op 14 maart 2023 positief over heeft besloten.
AcICT benadrukte sterk dat de partijen in de DSO-keten goed moeten blijven samenwerken om knelpunten op te lossen en ook verder te werken aan de verdere afbouw, uitbouw en doorontwikkeling van het DSO als geheel. Over deze verdere afbouw, uitbouw en doorontwikkeling heb ik u eerder geïnformeerd (zie ook het antwoord op vraag 4).6 De bijeenkomst waar de presentatie is gegeven moet u in het licht van die kwaliteitsimpuls in de samenwerking zien.
Hoe kan het dat er drie maanden voor invoering van de Omgevingswet nog gesproken wordt over een kwetsbare stabiliteit van de ketenfunctionaliteit in het DSO?
In mijn antwoord op vraag 4 ben ik ingegaan op in welk technisch kader er gesproken is en welke richting het technische op gaat bewegen. Het gaat om het continu verbeteren in lijn met de afspraken over afbouw, uitbouw en doorontwikkeling na de datum van inwerkingtreding.7 Zoals bij u bekend is het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) geen «systeem» maar een samenhangend stelsel van digitale voorzieningen, standaarden, gegevens, bronnen en onderlinge afspraken.8 Het bevat een centraal deel, waaronder de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB) en de DSO-LV onderdelen en daarnaast de decentrale onderdelen. In het stelsel bevinden zich een drietal deelketens die inhoudelijk samenhangen: van plan tot publicatie, van idee tot afhandeling en van vraag tot informatie.
De presentatie gaat niet over de twee laatstgenoemde deelketens, of het DSO als geheel. De presentatie verkent de technische vraagstukken die spelen bij de overgang van «Release A» naar «Release B» in de planketen. Zoals bij u bekend is de ontwikkeling van het DSO-LV lange tijd stabiel gehouden zodat met name in deze planketen softwareleveranciers de stappen in de ontwikkeling mee konden zetten. De stabiliteit waar in de presentatie naar wordt gerefereerd is één van de aspecten waar in de verdere ontwikkeling van de planketen aandacht voor moet zijn. Het is bekend dat in de planketen, in vergelijking met de andere twee deelketens, door de betreffende partijen nog stappen gezet moeten worden. Dit zoals met u besproken en terugkomt in de verschillende IKT-rapportages9, welke na inwerkingtreding doorlopen. Daarbij merk ik ten overvloede op dat wanneer een bevoegd gezag onverhoopt in de planketen niet tijdig over alle functionaliteiten kan beschikken zij kan terugvallen op de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM’s).
Welke risico’s worden er genomen bij invoering per 1 januari 2024 met een minder stabiel systeem?
Hier is geen sprake van, zie de beantwoording op vraag 4 en 6 die de mogelijk ontstane verwarring over het kader waarin de uitspraken zijn gedaan weergeeft.
Bent u, met de kennis van nu, van mening dat het parlement in de aanloop naar het vaststellen van het koninklijk besluit betreffende inwerkingtreding van de Omgevingswet zorgvuldig geïnformeerd is over de stabiliteit van het DSO?
Ja, ik ben van mening dat het parlement in de aanloop naar de vaststelling van het koninklijk besluit tot inwerkingtreding op een zorgvuldige manier is geïnformeerd over de werking en stabiliteit van het DSO. Ik heb u in mijn voortgangsbrieven in aanloop naar de vaststelling van het koninklijk besluit telkens geïnformeerd over de werking, stabiliteit en performance van het DSO.10 Ook in mijn recente voortgangsbrief van 9 oktober jl. heb ik u geïnformeerd over de stabiliteit en performance van het DSO en aangegeven dat dit in lijn is met de gemaakte afspraken hierover.11 Informatie over de stabiliteit en performance van het DSO wordt actief openbaar gemaakt en is voor eenieder raadpleegbaar.12
In de presentatie wordt gesproken over de resultaten van het publiceren van plannen via het DSO. In een overzicht wordt aangegeven dat meer dan 50% van de plannen die aan het DSO aangeboden worden, niet gepubliceerd worden omdat ze afgebroken worden, mislukken of niet-valide worden verklaard. Kunt u vanuit uw systeemverantwoordelijkheid op deze cijfers reflecteren?
De 50% waar u naar refereert betreft cijfers over de planketen in de zogenaamde pre-productieomgeving, over de periode januari 2023 tot en met heden. In deze omgeving kunnen softwareleveranciers (nieuwe) functionaliteiten in hun software testen en kunnen bevoegde gezagen oefenen. Voordat ik mijn, door u gevraagde, reflectie geef op deze cijfers, wil ik u vooraf nogmaals meenemen in het functioneren van de planketen binnen het DSO-stelsel.
In de planketen werken bevoegde gezagen (vooral gemeenten), ten behoeve van gebiedsontwikkelingen en andere ruimtelijke opgaven, aan bijvoorbeeld het (wijzingen van het) omgevingsplan. In de planketen maken bevoegde gezagen gebruik van lokale software – van meestal externe leveranciers – die bevoegde gezagen zelf hebben aangeschaft. Er zijn een aantal actoren die samen de planketen vormen: het bevoegd gezag, de leverancier(s) en de beheerder(s) van de landelijke voorziening DSO (DSO-LV) en de LVBB. Samen zorgen deze partijen ervoor dat plannen uiteindelijk zichtbaar worden in het DSO. Omdat veel gemeenten een technische afhankelijkheid hebben van leveranciers wordt er tussen deze partijen informatie uitgewisseld. De betreffende presentatie is daar onderdeel van.
Om dit inhoudelijk met een voorbeeld nader te duiden: om uiteindelijk een «voor inspraak vrijgegeven» ontwerpwijziging of een «vastgestelde» wijziging daadwerkelijk vrij te geven voor inspraak of in werking te laten treden na vaststelling is publicatie noodzakelijk. Voorafgaand aan de publicatie zullen gemeenten hun plannen (voorgenomen wijzigingen) vaak eerst valideren. Dit valideren is belangrijk, omdat op die manier gekeken wordt of de plannen voldoen aan de eisen (standaarden) die zijn afgesproken. Eisen (standaarden) die van belang zijn om te zorgen dat de plannen uiteindelijk goed worden gepubliceerd en dat deze plannen voor eenieder raadpleegbaar zijn (via de LVBB) in het DSO-LV.
Ik constateer, en dat laten de cijfers – waaronder de door u genoemde 50%, – ook zien, dat gemeenten de afgelopen periode druk bezig zijn geweest met het oefenen in de planketen. Daarnaast zijn softwareleveranciers druk bezig met het (verder) testen van – deels nieuwe – functionaliteiten in hun software. Het veelvuldig oefenen door gemeenten en het testen door leveranciers is noodzakelijk om verbeteringen in beeld te brengen. Daarvoor is de pre-productieomgeving ook bedoeld. Hoe meer kennis en ervaring er nu ontstaat, hoe beter het straks in de daadwerkelijke productieomgeving zal verlopen. De cijfers laten daarmee vooral zien hoe zorgvuldig alle partijen zich voorbereiden. De feedback die uit de presentatie komt is daarbij zeer relevant voor het verder inregelen, oefenen en testen.
Inderdaad kunnen er aspecten beter. Dat is ook logisch aangezien het een nieuw stelsel betreft, waarbij hard gewerkt wordt aan de verdere afbouw, uitbouw en doorontwikkeling. De presentatie verkent die aspecten. Het is van belang de 50% waar u aan refereert niet op één noemer te plaatsen en in het juiste perspectief te zien. Het zijn plannen die in de oefenomgeving van het DSO-LV niet – in één keer – succesvol gepubliceerd zijn. De oorzaak van het niet (direct) succesvol publiceren kan samengevat op drie plekken in de gehele DSO-planketen gevonden worden:
– Inhoudelijke (content) vraagstukken bij de gebruiker (lees: degene die in de lokale software, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan opstelt);
– Technische vraagstukken in de lokale software (bij gemeenten);
– Technische vraagstukken in het DSO-LV.
Kijkend naar het totaalbeeld aan publicatie opdrachten in de periode januari 2023 tot en met heden zijn de, door u aangehaalde, cijfers als volgt uiteen te zetten over de drie plekken in de planketen. In totaal zijn, dit jaar tot op heden, 2646 publicatieopdrachten verstuurd. Rond de 50%13 hiervan is (goed) gepubliceerd. De andere 50%14 is niet – in één keer – goed gegaan en een klein aandeel is voortijdig door het betreffende bevoegd gezag afgebroken (gestopt).15 Van de 50% die niet – in één keer – goed is gegaan is ongeveer 91%16 terug te leiden naar inhoudelijke, content gerelateerde, vraagstukken bij de gebruiker en/of technische vraagstukken in de lokale software. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat niet alle plannen die nu, in het kader van oefenen, gepubliceerd worden daarvoor zijn gevalideerd. Ongeveer 9%17 is terug te herleiden tot deels technische vraagstukken in de lokale software, maar voornamelijk technische vraagstukken in het DSO-LV.
Alle partijen werken hard aan het verder oefenen, testen en daarmee beproeven van de planketen, zodat de vraagstukken waar partijen nu (nog) tegenaan lopen bij inwerkingtreding zijn opgelost. Daarbij geldt uiteraard als een bevoegd gezag onverhoopt in de planketen niet tijdig over alle functionaliteiten kan beschikken zij kan terugvallen op de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM’s) en/of bij meer inhoudelijke (content) problemen ook een beroep kan doen op de (versterkte) serviceketen.
Gelet op het bovenstaande is het dus belangrijk om met begrip van de bovenstaande context steeds goed te kijken naar de verschillende partijen en de stappen in de planketen als geheel. Voor een verder begrip, licht ik de genoemde drie plekken in de DSO-planketen graag inhoudelijk verder toe:
Inhoudelijke (content) vraagstukken bij de gebruiker:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen er voor bevoegde gezagen in de planketen diverse aspecten. Zo werken gemeenten straks met het omgevingsplan en niet meer met een bestemmingsplan. Dat vraagt inhoudelijke aanpassingen waar gemeenten zich de afgelopen periode op hebben voorbereid. Dat geldt ook voor de bijbehorend (nieuwe) standaarden en (nieuwe) software. Met ondersteuning vanuit het interbestuurlijk programma Aan de Slag en de daarin samenwerkende interbestuurlijke partners oefenen gemeenten dan ook al geruime tijd om ervaring op te doen met deze veranderingen. Met vaak nieuwe inhoud, op onderdelen veranderde processen en procedures en andere techniek. Het is vanzelfsprekend, en niet meer dan menselijk, dat in deze fase (onbedoeld) zaken nog niet helemaal goed gaan. Het is wenselijk dat in deze fase inhoudelijk, technisch en bij alle partijen de gebruikerservaringen in de planketen naar voren komen. In het oefenen in de planketen wordt daarom vaak bewust gezocht naar de grenzen van wat wel en niet kan. Dit maakt dat alle partijen juist aangemoedigd worden om zo vaak als mogelijk op de validatie- en publicatie knop te drukken om zo te bezien wat goed en fout gaat en zo ervaring op te doen met de nieuwe manier van werken. Bij validatie en/of publicatie komt aan het licht of datgene waar mee geoefend is c.q. wat inhoudelijk (de content) is gemaakt, ook daadwerkelijk voldoet aan de gestelde – technische – eisen (standaarden).
Het is goed en belangrijk dat gemeenten hun plannen voor publicatie eerst valideren. Dit valideren doen gemeenten in de lokale software. Daarbij wordt decentraal gekeken of de voorgenomen wijziging (invoer) voldoet aan de technische eisen (standaarden) en gereed c.q. correct is voor publicatie (via de LVBB) naar het DSO-LV. Na valideren krijgt een gemeente in zijn software een zogenaamd «validatierapport» te zien. Een dergelijk rapport kent twee uitkomsten, namelijk valide, of niet valide. Als de uitkomst valide is kan de voorgenomen wijziging zonder (technische) problemen gepubliceerd worden. Wanneer de uitkomst niet valide is ontvangt de gebruiker in het rapport een lijst met oorzaken. Hoe dit rapport is vormgeven en welke inhoudelijke toelichting daarbij gegeven hangt voor een groot deel af van de lokale software. Op basis van een validatierapport kan een gemeente, al dan niet met behulp van de leverancier, de onvolkomenheden herstellen, waarna de voorgenomen wijziging alsnog gepubliceerd kan worden.
Technische vraagstukken bij de lokale software:
Naast inhoudelijke vraagstukken waarbij door de gebruiker van de lokale software (onbedoeld) nog zaken misgaan in het opstellen van de voorgenomen wijziging, kan het voorkomen dat een publicatie niet (direct) succesvol is, omdat er in de lokale software technische vraagstukken spelen die dit belemmeren. Om voorgenomen wijzigingen te kunnen publiceren stelt het DSO-LV immers niet alleen eisen aan de inhoud, maar ook aan de techniek. Deze eisen zijn gesteld om plannen voor de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB) en het DSO-LV in een machine-leesbaar formaat te ontvangen en navolgend te kunnen publiceren. Zo worden ze toonbaar in de viewer van het DSO-LV en voor het bevoegd gezag bruikbaar bij het maken van toepasbare regels in de vergunningcheck van het DSO-LV.
Technische vraagstukken in het DSO-LV:
Het komt tenslotte ook voor dat een technisch vraagstuk in het landelijk deel van de keten (DSO-LV) wordt geïdentificeerd en de oorzaak is van het mislukken van een publicatie. Dergelijke bevindingen worden uiteraard direct opgepakt en zo spoedig mogelijk opgelost. Als een dergelijk voorval (vraagstuk) zich voordoet volgt altijd berichtgeving aan de betreffende partijen, zoals de softwareleveranciers. Deze (operationele) transparantie van en naar leveranciers voorkomt dat partijen naar elkaar gaan wijzen. Voor de planketen waarop uw vraag, en de gememoreerde 50%, betrekking heeft wordt dit voor eenieder bijgehouden en is ook voor eenieder openbaar raadpleegbaar.18 Op deze webpagina staat een (dynamische) lijst die continu de dagelijkse stand van zaken weergeeft.
Kortom, dat 50% van de publicaties niet in één keer goed gaat, zegt mij zonder bovenstaande context weinig meer dan dat tijdens het oefenen en testen zaken aan het licht komen. Dat beschouw ik als positief. Het laat immers zien dat alle partijen zich serieus voorbereiden op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Belangrijker nog, in deze fase identificeren ze zaken en wordt kennis en ervaring opgedaan, waar ze straks na 1 januari in de productieomgeving, profijt van hebben.
Daar voeg ik nog een laatste waarneming aan toe: ik zie dat partijen constructief samenwerken en als vraagstukken optreden, de partijen deze actief en voortvarend oppakken. Precies zoals door AcICT geadviseerd is. Het laat dus vooral zien dat in deze fase met alle partijen waardevolle ervaring en kennis opgedaan wordt die vervolgens benut wordt in de verdere vervolgstappen en eventueel (noodzakelijke) oplossingen. De technische briefing waar de, in uw vraagstelling, betreffende presentatie is verzorgd is daar een mooi voorbeeld van. We monitoren met elkaar wat goed en fout gaat, kijken waar verbeterpunten zijn en pakken dit gezamenlijk op.
Hoe kan het dat, drie maanden voor invoering van de wet, deze prestatie geen aanleiding is tot het proactief informeren van het parlement over deze resultaten?
In vraag 4 en 6 heb ik aangegeven dat de presentatie gaat over toekomstige verbeteringen.
In mijn voortgangsbrieven informeer ik over de stand van zaken van de implementatie, waaronder de stabiliteit en performance. Evenals de afbouw, uitbouw en doorontwikkeling en het continu werken aan verbeteringen. Dit doe ik op hoofdlijnen. Dat betekent dat u deze presentatie aan leveranciers bedoelt om te kijken welke verbeteringen gewenst zijn en aan verder gewerkt kan worden niet specifiek heeft ontvangen. Dit klopt ook met de fase waarin deze voorbereidingen zich bevinden. Specifiek over valideren en publiceren heb ik u meegenomen in hoe dit nu loopt via de rapportage Indringend Ketentesten fase 419, 5 en 620:
Kunt u aangeven of en waarom het, na alle rapporten over de haperende uitvoeringspraktijk, verantwoord is om met deze resultaten per 1 januari 2024 live te gaan?
In mijn brief van 26 januari 2023 waarmee ik het Ontwerp koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 bij u in voorhang heb gebracht heb ik u aangegeven waarom ik het verantwoord acht om de Omgevingswet per 1 januari 2024 inwerking te laten treden.21 Navolgend heb ik hierover diepgaand met uw Kamer gesproken tijdens het debat op 7 maart 2023, waarna uw Kamer op basis van alle argumentatie heeft ingestemd met de datum van inwerkingtreding.
Indien u het verantwoord acht om met deze resultaten per 1 januari 2024 live te gaan, waarop baseert u dit?
Kunt u aangeven hoeveel tijd het een gemeente kost om een niet-geaccepteerd plan opnieuw geaccepteerd te krijgen in het DSO? Met andere woorden: hoeveel extra inzet moet verwacht worden na 1 januari 2024 om deze tegenslag op te vangen?
De duur is afhankelijk van diverse factoren, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9. Daardoor kan ik dit niet specifiek voor u kwantificeren. Zodra de bevindingen zijn opgelost, op basis van het validatierapport, kan het bevoegd gezag het betreffende wijzigingsbesluit per ommegaande opnieuw aanbieden voor validatie en publicatie. Deze systematiek is vergelijkbaar met de huidige manier van werken. Onder de Wet ruimtelijke ordening worden bestemmingsplannen door de gemeente, voorafgaand aan publicatie op ruimtelijkeplannen.nl, ook eerst gevalideerd. Ook nu geldt dat gemeenten soms eerst nog bevindingen moeten oplossen voordat een publicatie succesvol is.
In de presentatie wordt tevens aangeven dat er nog steeds slechts één plan per dag gepubliceerd kan worden. Is dit inclusief of exclusief de her-indiening van plannen die eerder niet-gevalideerd of geweigerd zijn? Met andere woorden: kunnen er maximaal 365 plannen ingediend worden of 365 plus her-ingediende plannen?
Omgevingsdocumenten, waaronder het omgevingsplan, worden onder de Omgevingswet altijd gewijzigd door middel van een wijzigingsbesluit. Het wijzigingsbesluit wordt gevalideerd en gepubliceerd en maakt na publicatie dat er een nieuwe geconsolideerde regeling ontstaat. Per type omgevingsdocument kan er door het betreffende bevoegd gezag één wijzigingsbesluit per dag worden gepubliceerd. In totaal kan een gemeente op jaarbasis dus 365 omgevingsplanwijziging publiceren.
Daarbij is het niet zo dat een niet valide plan hierin blokkerend werkt. Wanneer een gemeente een omgevingsplanwijziging wil publiceren en dit gaat niet goed, kan de gemeente ervoor kiezen om die dag een andere omgevingsplanwijziging eventueel te publiceren of later een nieuwe poging te wagen. Een niet-valide plan telt dus niet als publicatie mee in het aantal van 365.
Het betreft hier enkel wijzigingsbesluiten die zien op het wijzigen van omgevingsdocumenten, welke een geconsolideerde regeling kennen, zijnde bijvoorbeeld het omgevingsplan.
Indien het hier besluiten betreft, hoe kunnen gemeenten die (ruimschoots) meer dan 365 besluiten per jaar moeten nemen dat met het DSO blijven doen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 15 aangegeven geldt het kunnen publiceren van één besluit per dag enkel voor wijzigingsbesluiten die zien op het wijzigen van omgevingsdocumenten, welke een geconsolideerde regeling kennen. Voor een gemeente betreffen dit de omgevingsvisie en het omgevingsplan, welke beide 365 keer per jaar gewijzigd kunnen worden. Voor alle andere besluiten die een gemeente verder neemt speelt dit niet.
Bij het wijzigen van omgevingsplannen wordt onderzoek gedaan naar de effecten daarvan. Deze onderzoeken worden over het algemeen in PDF’s aangeleverd en zouden via het instrument «Plooi» toegankelijk gemaakt worden. De vragenstelster krijgt signalen dat dit instrument niet geïmplementeerd wordt en dat gemeenten daarom gevraagd wordt om deze onderzoeken via de website van de gemeente te publiceren. Kunt u bevestigen dat dit zo is?
Het Programma PLOOI (Platform Open Overheidsinformatie) voorzag inderdaad een digitale infrastructuur waarmee bestuursorganen – en onder de Wet open overheid (Woo) gelijkgestelde organisaties – documenten actief openbaar kunnen maken. Mede op advies van AcICT22 en scenario-onderzoek23 is destijds door de Minister van Binnenlandse Zaken besloten om de ontwikkeling van PLOOI in de voorziene variant stop te zetten.24 In lijn met advies van AcICT wordt inmiddels gewerkt aan een eenvoudiger platform. Totdat de realisatie van dit platform gereed is blijft het uiteraard van belang dat overheidsorganisaties documenten actief openbaar blijven maken.
Voor onderzoeksrapporten, of andere bijlagen bij omgevingsplannen, geldt dat het stukken zijn die het te nemen besluit onderbouwen, maar niet daadwerkelijk door de gemeenteraad (of het college van burgemeester & Wethouders) worden vastgesteld. Formeel gezien zijn dit stukken die geen onderdeel uitmaken van het vastgestelde besluit en daarom niet bekendgemaakt worden, maar ter inzage worden gelegd. Aanvankelijk was voorzien dat ook voor de terinzagelegging van deze stukken gebruik gemaakt zou worden van PLOOI, maar omdat hiervoor – zoals hierboven aangegeven – gewerkt wordt aan een alternatief is voor dergelijke stukken ook voor een andere oplossing gekozen.
Gemeenten kunnen voor het ontsluiten van dergelijke stukken kiezen uit twee methoden:
– ontsluiting van de stukken op een zelf te bepalen elektronische wijze, bijvoorbeeld via de eigen gemeentelijke website; of,
– ontsluiting van de stukken door ze aan de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB) aan te leveren, als onderdeel van het wijzigingsbesluit. In een dergelijk geval is de bijlage te raadplegen op officielebekendmakingen.nl.
Indien een gemeente kiest voor de eerste methode, kan zij in het besluit een link opnemen naar de eigen website. Wanneer een gemeente kiest voor deze laatste methode, hoeft ze hiervoor geen eigen website in te richten. De keuzemogelijkheid tussen beide methoden is ook beschreven in de STOP/TPOD-standaard, welke ook voor het omgevingsplan van toepassing is. Bij het omgevingsplan zelf kunnen ook bijlagen worden gevoegd. Dat zijn bijlagen die vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de bijlagen bij de Omgevingsregeling van het Rijk. Gemeenten zullen voor die bijlagen doorgaans hetzelfde formaat gebruiken als de regels van het omgevingsplan (het zgn. STOP-XML-formaat). Als het echt niet anders kan, mogen die bijlagen ook het Pdf-formaat hebben. Het STOP-XML-formaat heeft de voorkeur, juist omdat ze dan volgens de richtlijnen van digitale toegankelijkheid worden ontsloten.
Indien u dit kunt bevestigen, hoe worden gemeenten gecompenseerd voor het extra werk dat hierbij komt kijken?
De twee, bij vraag 17, benoemde methoden om dergelijke stukken te ontsluiten kosten gemeenten geen extra werk. Het stopzetten van de voorziene ontwikkeling van PLOOI en het inzetten op een eenvoudigere variant, maakt de facto dat gemeenten bijlagen – voorlopig – op dezelfde manier (kunnen) blijven publiceren als dat ze nu gewend zijn te doen, namelijk bij het besluit en/of op de eigen gemeentelijke website.
Daarnaast geldt in algemene zin dat, zoals in het «Hoofdlijnenakkoord financiële afspraken stelselherziening omgevingsrecht»25 interbestuurlijk is vastgelegd, dat bevoegde gezagen zelf de invoeringskosten voor de implementatie van de Omgevingswet dragen. Bevoegde gezagen bekostigen dit uit de baten die zij in het nieuwe stelsel kunnen behalen. Hoe eerder bevoegde gezagen gebruik maken van het instrumentarium van de Omgevingswet, hoe sneller de baten zullen ontstaan.
Kunt u aangeven hoe u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid garandeert dat burgers toegang hebben tot de onderzoeken die de onderbouwing vormen van een (wijziging van een) omgevingsplan?
Elk bevoegd gezag is op basis van de wettelijke bevoegdheidsverdeling zelf verantwoordelijk voor de eigen besluitvorming inclusief de volledigheid daarvan en de uiteindelijke manier van ontsluiting. Elk bevoegd gezag zal er dus zelf zorg voor dienen te dragen dat naast het besluit, de zogeheten op het besluit betrekking hebbende stukken, en ook eventuele aanvullende bijlagen, bij het besluit worden toegevoegd en alle (relevante) stukken – op de daarvoor vastgelegde manier – worden ontsloten. Zoals u in mijn antwoord op vraag 17 hebt kunnen lezen, zijn er verschillende manieren om zogenaamde onderzoeksbijlagen, behorend bij een omgevingsplan, te ontsluiten en daarmee openbaar en toegankelijk te maken. De toegankelijkheid van dergelijke stukken zal dan ook als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en/of het DSO niet verminderen.
Welke vormeisen worden hierbij gesteld zodat gemeenten blijven voldoen aan het verdrag van Aarhus en de toegankelijkheidseisen van publieke websites?
Het Verdrag van Aarhus26 (hierna: Verdrag) ziet op het recht op toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden. Het Verdrag bepaalt dat informatie toegankelijk moet zijn, dat er inspraak moet kunnen plaatsvinden en dat er toegang tot de rechter moet zijn. Het Verdrag stelt echter geen directe vormvereisten ten aanzien van de toegankelijkheid van informatie. Voor wat betreft de toegankelijkheidseisen van publieke websites gelden de eisen conform de WCAG. Daarbij merk ik nog op dat deze «vereisten» uit het Verdrag en de WCAG, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet wijzigen en ook niet leidt tot wezenlijke veranderingen.
Bent u zich ervan bewust dat steeds meer gemeenten, juist in het kader van het voldoen aan de toegankelijkheidseisen, het gebruik van PDF’s aan het terugdringen zijn omdat deze juist slecht toegankelijk zijn?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Dit is een goede ontwikkeling in het kader van de digitale inclusie. Desalniettemin is het nu nog zo dat gemeenten bij besluiten vaak nog met (minder toegankelijke) pdf-bijlagen werken. Het veranderen van deze werkwijze vraagt nog tijd. De onderzoeksrapporten, waar u in vraag 17 ook naar verwijst, worden doorgaans opgesteld door onderzoeks- of stedenbouwkundige bureaus en in Pdf-formaat aan de gemeente aangeleverd. Het vraagt aandacht in de samenwerking en opdrachtverlening om hier betere afspraken tussen partijen over te gaan maken.
Wat zou een oplossing kunnen zijn voor het probleem van publicatie van onderbouwende onderzoeken via PDF’s en hoe is dit te bereiken?
Kunt u uitvoerig aangeven of de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen afhankelijk is van een goed functionerend DSO en of daarvoor de randvoorwaarden en minimale eisen op dit moment functioneel zijn?
Voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) wordt gebruik gemaakt van de standaard functionaliteit van het DSO-LV. In de pre-productieomgeving van het DSO-LV kan geoefend worden met de formulieren om meldingen onder de Wkb in te dienen. De formulieren zijn functioneel in het DSO-LV en hier wordt ook al mee geoefend in de proefprojecten. Hiermee voldoet het DSO-LV aan de randvoorwaarden en minimale eisen voor de invoering van de Wkb.
U hebt aangegeven niet op 26 september aanstaande voor een kennismakingsgesprek naar de Eerste Kamer te kunnen komen vanwege de drukte die de herverdeling van de portefeuilles in het kabinet met zich meebrengt. Het baart de vragenstelster zorgen dat de invoering van de Omgevingswet zonder een dedicated Minister voor VRO moet plaatsvinden. Het gaat immers om een zware en ingrijpende stelselherziening, waarbij nog grote vraagstukken in de uitvoering liggen. Hoe gaat u als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties garanderen dat er voldoende bestuurlijke aandacht en capaciteit in het kabinet beschikbaar zijn voor het geval dat de Omgevingswet na 1 januari 2024 onverhoopt tot grote problemen gaat leiden?
De inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft mijn volle aandacht. Zo blijven, op weg naar inwerkingtreding, de bestuurlijke overleggen met de bestuurlijke partners gewoon doorgaan. Deze overleggen worden zorgvuldig voorbereid, bijvoorbeeld via de interbestuurlijke programmaraad en het Opdrachtgevend beraad (OGB). Ook laat ik mij wekelijks inlichten over de stand van de implementatie en over de vele activiteiten die vanuit het interbestuurlijk programma Aan de Slag met de Omgevingswet in uitvoering worden gebracht in aanloop naar inwerkingtreding. Tot slot ga ik zelf met werkbezoeken het land in om te horen en te zien wat de stand van zaken is, en tegen welke uitdagingen bevoegde gezagen aan lopen. Ook na 1 januari 2024 laat ik niet los, en zal ik mij samen met de bestuurlijke partners met volle toewijding inzetten voor de Omgevingswet.
Zou het niet een idee zijn om tenminste een Staatssecretaris aan te stellen die voor de uitvoeringspartijen toegankelijk en beschikbaar is en die zo nodig snel kan handelen om de problemen op te lossen?
Met de val van het kabinet is een uitbreiding van het aantal bewindspersonen nu niet aan de orde.
Kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen gelijktijdig aan de Eerste en Tweede Kamer doen toekomen, gezien de relevantie van de geuite kritiek en de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024?
Kunt u, gelet op de start van het verkiezingsreces van de Tweede Kamer en het belang van de aangekaarte problematiek, bovenstaande vragen vóór 26 september 2023 beantwoorden?
Zoals in mijn uitstelbrief aan u aangegeven was beantwoording vóór 26 september helaas niet haalbaar.
Lieuwe Koopmans op LinkedIn: Stand van zaken DSO | 21 commentaren en Lieuwe Koopmans op LinkedIn: #secondsfromdisaster | 33 commentaren.
Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, EG, bijlage 1, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EK, bijlage 4, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EU, bijlage 3, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, FK, bijlage 4 en de voortgangsbrief implementatie Omgevingswet oktober 2023, van 9 oktober 2023, bijlage 2.
Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, EG, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EK, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, ET en Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EU.
1266 gepubliceerd (PublicatieOpdrachten 2023), sheet 5 van de betreffende presentatie, zie bijlage 1.
1178 niet-valide en 110 mislukt (PublicatieOpdrachten 2023), sheet 5 van de betreffende presentatie, zie bijlage 1.
92 afgebroken (PublicatieOpdrachten 2023), sheet 5 van de betreffende presentatie, zie bijlage 1.
1178 niet-valide (PublicatieOpdrachten 2023), sheet 5 van de betreffende presentatie, zie bijlage 1.
110 mislukt (PublicatieOpdrachten 2023), sheet 5 van de betreffende presentatie, zie bijlage 1.
Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986 en de voortgangsbrief implementatie Omgevingswet oktober 2023, van 9 oktober 2023, bijlage 2.
Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Trb. 1998, 289, en Trb. 2001, 73).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-ek-20232024-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.