Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2011, 374AMvB

Besluit van 8 juli 2011, houdende wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft in verband met de uitvoering van Richtlijn nr. 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 juni 2011, kenmerk FM/2011/8944 M;

Gelet op de artikelen 3:259, derde lid, onderdeel b, en 3:261, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht,

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2011, No. W06.0199/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 1 juli 2011, kenmerk FM/2011/9267 M.

Hebben goed gevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, belegerscompensatie en depositogarantie Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschriftvan § 6.3 komt te luiden:

§ 6.3 Procedure uitkering beleggerscompensatiestelsel

B

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24

  • 1. De Nederlandsche Bank doet de mededeling, bedoeld in artikel 3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant zo spoedig mogelijk na het nemen van het in het eerste lid van dat artikel bedoelde besluit tot het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.

  • 2. Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij betalingsonmacht heeft vastgesteld mededeling door middel van advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:

    • a. zij het beleggerscompensatiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, van de wet, in werking geeft gesteld; en

    • b. de personen, bedoeld in artikel 9, binnen vijf maanden na de datum van de bekendmaking in de Staatscourant met gebruikmaking van een daartoe door de Nederlandsche Bank vast te stellen formulier een aanvraag tot vergoeding van de in artikel 10 bedoelde vorderingen bij haar kunnen indienen.

  • 3. De Nederlandsche Bank verzoekt de bewindvoerders of curatoren van de betalingsonmachtige financiële onderneming om in hun correspondentie met de personen, bedoeld in artikel 9, te wijzen op het in werking stellen van het beleggerscompensatiestelsel.

  • 4. De Nederlandsche Bank neemt aanvragen die na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn ingediend niet in behandeling, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is.

C

Artikel 25, eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «ingediende» wordt ingevoegd: en ingevolge artikel 10 voor vergoeding in aanmerking komende.

2. Het woord «boekhouding» wordt vervangen door: administratie.

D

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede « of artikel 20, eerste lid,».

2. In het vierde lid vervalt de zinsnede «en vorderingen tot maximaal € 100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige onderneming».

3. In het vijfde lid vervalt de zinsnede « of 19, onderdeel b,».

4. In het zesde lid vervalt de zinsnede « of 19, onderdeel c,».

E

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde en vierde lid worden verummerd tot het tweede en derde lid.

F

In artikel 28 wordt de zinsnede «het eerste lid en in artikel 27, tweede lid» vervangen door: artikel 27, eerste lid.

G

Artikel 29, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De komma na «11« wordt vervangen door: en.

2. De zinsnede « of 21» vervalt.

H

Na artikel 29 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 6.3a Procedure uitkering depositogarantiestelsel

Artikel 29.01
  • 1. De Nederlandsche Bank doet de mededeling, bedoeld in artikel 3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant zo spoedig mogelijk na het nemen van het in het eerste lid van dat artikel bedoelde besluit tot het in werking stellen van het depositogarantiestelsel.

  • 2. Tevens doet de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk nadat zij betalingsonmacht heeft vastgesteld mededeling door middel van advertenties in door haar te bepalen landelijke nieuwsbladen dat:

    • a. zij het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, in werking heeft gesteld;

    • b. de personen, bedoeld in artikel 19, gedurende drie maanden na de datum van de bekendmaking in de Staatscourant

      • kunnen inloggen op een internetfaciliteit van de Nederlandsche Bank om de Nederlandsche Bank het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening wordt aangehouden, alsmede hun elektronische adres mede te delen en te bewerkstelligen dat de in het besluit vastgestelde waarde van de vordering wordt overgemaakt naar die rekening; of

      • de Nederlandsche Bank schriftelijk het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de vergoeding zal worden uitgevoerd, en de bank waarbij de rekening wordt aangehouden, kunnen mededelen; en

    • c. het waarschijnlijk is dat degenen die verzoeken hun aanspraken schriftelijk af te handelen later over de vergoeding zullen kunnen beschikken dan degenen die gebruik maken van de mogelijkheid, bedoeld in onderdeel b, onder 1°, om in te loggen.

  • 3. De Nederlandsche Bank verzoekt de bewindvoerders of curatoren van de betalingsonmachtige financiële onderneming om in hun correspondentie met de personen, bedoeld in artikel 19, te wijzen op het in werking stellen van het depositogarantiestelsel.

Artikel 29.02
  • 1. De Nederlandsche Bank stelt vast wie de depositohouders zijn, alsmede het bestaan en de hoogte van de ingevolge artikel 20 voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen, aan de hand van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de administratie van de betalingsonmachtige bank en eventuele andere relevante documenten.

  • 2. De Nederlandsche Bank baseert zich bij de waardevaststelling van deposito’s in vreemde valuta op de referentiekoersen van de Europese Centrale Bank zoals deze golden op de dag waarop de Nederlandsche Bank de betalingsonmacht constateerde.

Artikel 29.03
  • 1. Vorderingen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, die door de Nederlandsche Bank zijn vastgesteld, worden voldaan in de vorm van terugbetaling tot het in het vierde lid genoemde maximum.

  • 2. Voor voldoening komen in aanmerking vorderingen tot maximaal € 100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige onderneming.

  • 3. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in artikel 19, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen.

  • 4. Is er meer dan een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel c, dan wordt het aandeel van elk van hen berekend op de voet van het vierde lid van dit artikel.

Artikel 29.04

In afwijking van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt voor een persoon als bedoeld in artikel 19, die overeenkomstig artikel 29.01, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, heeft ingelogd de bekendmaking van een besluit tot vaststelling van de waarde van de vordering door middel van publicatie door de Nederlandsche Bank op een internetfaciliteit waarop de desbetreffende persoon heeft ingelogd.

Artikel 29.05
  • 1. De Nederlandsche Bank is zo spoedig mogelijk in staat, doch in elk geval binnen twintig werkdagen nadat een van de volgende tijdstippen zich als eerste heeft voorgedaan tot het honoreren van aanspraken van personen als bedoeld in artikel 19:

    • a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de depositogarantieregeling in werking heeft gesteld ingevolge artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet;

    • b. het tijdstip waarop de rechtbank de noodregeling heeft uitgesproken;

    • c. het tijdstip waarop de rechtbank het faillissement heeft uitgesproken.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan in zeer uitzonderlijke gevallen deze termijn ten hoogste een keer verlengen met ten hoogste tien werkdagen. Nog toelichten

Artikel 29.06
  • 1. De in artikel 19 bedoelde personen kunnen gedurende drie maanden na de mededeling, bedoeld in artikel 3:260, derde lid, van de wet, in de Staatscourant, inloggen op een internetfaciliteit van de Nederlandsche Bank om aan de Nederlandsche Bank het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening wordt aangehouden, alsmede hun elektronische adres mede te delen en opdracht te geven de in het besluit vastgestelde waarde van de vordering over te maken naar die rekening.

  • 2. De in artikel 19 bedoelde personen verklaren tevens dat zij geen gebruik hebben gemaakt, maken of zullen maken van hun bevoegdheden om hun vordering, voor zover deze voor een vergoeding op grond van artikel 9 of 20 in aanmerking komt, te verrekenen. Bij gebreke van een dergelijke verklaring wordt de opdracht om de in het besluit vastgestelde waarde van de vordering over te maken naar de door de in artikel 19 bedoelde personen opgegeven rekening niet uitgevoerd.

Artikel 29.07

Indien een persoon als bedoeld in artikel 19 wordt vervolgd ter zake van een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld kan de Nederlandsche Bank de termijnen, bedoeld in artikel 29.06 opschorten. Deze opschorting eindigt zodra de vervolging is beëindigd of de beslissing van de bevoegde rechterlijke instantie onherroepelijk is.

Artikel 29.08
  • 1. De Nederlandsche Bank verhaalt, voor zover mogelijk, de rechten waarin zij overeenkomstig artikel 3:261, derde lid, van de wet is getreden, op de betalingsonmachtige financiële onderneming.

  • 2. De baten die door de Nederlandsche Bank worden ontvangen ingevolge het in het eerste lid bedoelde verhaal, worden door haar uitgekeerd aan de financiële ondernemingen die op grond van artikel 21 een bijdrage hebben gedaan. Bij de uitkering zal het vastgestelde omslagpercentage worden gebruikt.

ARTIKEL II

Dit besluit is van toepassing op depositogarantieregelingen die in werking worden gesteld op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 8 juli 2011

Beatrix

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager

Uitgegeven de negenentwintigste juli 2011

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

NOTA VAN TOELICHTING

Op grond van de richtlijn depositogarantiestelsels (hierna ook: DGS-richtlijn)1 is er een depositogarantiestelsel, dat aan depositohouders2 een vergoeding voldoet ingeval, kort gezegd, de toezichthouder de betalingsonmacht heeft geconstateerd dan wel de rechter een insolventieprocedure heeft geopend. In Nederland wordt het depositogarantiestelsel uitgevoerd door de Nederlandsche Bank (hierna: DNB). Deze richtlijn is gewijzigd bij een latere richtlijn (hierna ook: de Wijzigingsrichtlijn)3. Een van de wijzigingen betreft de termijn waarbinnen het depositogarantiestelsel in staat moet zijn aanspraken van depositohouders te honoreren. In de oorspronkelijke DGS-richtlijn bedroeg die termijn drie maanden, in zeer uitzonderlijke omstandigheden ten hoogste drie keer te verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze termijn is in twee stappen verkort. Vanaf 30 juni 2009 bedroeg de termijn nog steeds drie maanden, maar de verlengingsmogelijkheid is met ingang van die datum vervallen. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat de maximale uitkeringstermijn vanaf 31 december 2010 twintig werkdagen is, in zeer uitzonderlijke omstandigheden ten hoogste een keer te verlengen met ten hoogste tien werkdagen. Met de thans voorliggende algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) wordt dit voorschrift geïmplementeerd.

Met deze AMvB wordt toepassing gegeven aan artikel 3:261, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft), zoals dat artikel is gewijzigd bij Wijzigingswet Wfm 2010.4 In artikel 3:261, tweede lid, Wft wordt bepaald dat DNB zorg draagt voor de betaling van de vergoedingen binnen een bij AMvB te bepalen termijn.

De belangrijkste wijziging die met de thans voorliggende AMvB wordt bewerkstelligd, is dat de maximale termijn waarbinnen DNB in staat moet zijn aanspraken van depositohouders te honoreren wordt teruggebracht tot de in de Wijzigingsrichtlijn genoemde termijn van twintig werkdagen, ten hoogste eenmaal te verlengen met ten hoogste tien werkdagen.

Om een dergelijke wijziging in de praktijk uitvoerbaar te maken, zijn vier additionele wijzigingen nodig; de eerste, derde en vierde wijziging worden bij de thans voorliggende AMvB doorgevoerd.

  • 1. Niet langer wordt ervan uitgegaan dat de depositohouder een vergoeding moet aanvragen. Aanspraken van depositohouders worden geëffectueerd zonder dat een daartoe strekkende aanvraag is gedaan. Een aanvraag is niet langer nodig noch mogelijk. Door de afschaffing van de aanvraag wijzigen de aanspraken die de depositohouders jegens DNB hebben niet.

  • 2. De administratie van banken is zodanig dat DNB op basis van die administratie binnen zeer korte tijd kan vaststellen welke deposito’s voor vergoeding in aanmerking komen, wat de omvang van die deposito’s is en wie de depositohouders zijn. DNB stelt aan de hand van de administratie van de probleembank vast wie de depositohouders zijn, welke deposito’s voor vergoeding in aanmerking komen en wat de hoogte van de vergoedingen is. DNB heeft hierbij geen beleidsvrijheid; zij is gebonden aan de bij wet en AMvB gestelde regels. Om mogelijk te maken dat DNB aan de hand van de administratie van de probleembank de aanspraken vaststelt, is bij de Wijzigingswet Wfm 2010 aan artikel 3:17, tweede lid van de Wft een onderdeel toegevoegd.

  • 3. Mogelijk wordt gemaakt dat de afhandeling door DNB van een aanspraak van een depositohouder elektronisch, door middel van internet, geschiedt.

  • 4. Bij het vaststellen van de hoogte van de vordering van de depositohouder op zijn bank houdt DNB niet langer rekening met de verrekeningsbevoegdheden van de depositohouder.

gang van zaken

De gang van zaken is als volgt. DNB maakt kenbaar door middel van massamedia dat zij het depositogarantiestelsel in werking heeft gesteld, en dat depositohouders zich kunnen melden bij DNB. Niet wordt voorgeschreven dat DNB daarbij vermeldt dat depositohouders zowel de elektronische weg als de papieren weg kunnen bewandelen, maar wel dat zij vermeldt dat degenen die de elektronische weg bewandelen eerder over de vergoeding kunnen beschikken dan degenen die de papieren weg bewandelen.

In dit verband wordt gewezen op artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin is bepaald dat een bericht elektronisch aan het bestuursorgaan kan worden gezonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Door de mededeling in de massamedia dat de depositohouders de elektronische weg kunnen bewandelen, heeft DNB kenbaar gemaakt dat de elektronische weg is geopend.

De elektronische weg is in lijn met het kabinetsbeleid en heeft als voordeel voor de depositohouders dat de elektronische weg sneller is dan de papieren weg. Met betrekking tot de elektronische weg is artikel 2:14, eerste lid, Awb van belang, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Degenen die inlogt op de website (in de AMvB «internetfaciliteit» genoemd) van DNB maakt daarmee kenbaar dat hij langs de elektronische weg voldoende bereikbaar is. In dit verband kan worden gewezen op de memorie van toelichting bij Artikel 2:14, eerste lid, Awb, waarin is opgemerkt dat deze bepaling geen eisen stelt aan de wijze van kenbaarmaking; de kenbaarmaking kan meer of minder uitdrukkelijk geschieden.5 Bovendien laat artikel 2:14, eerste lid, Awb in het midden of de depositohouder langs de papieren weg dan wel ektronisch aan DNB kenbaar maakt dat hij elektronisch voldoende bereikbaar is.

DNB kan ervoor kiezen in de mededeling in de massamedia op te nemen dat de depositohouders die inloggen op de internetfaciliteit van DNB daarmee voldoende kenbaar maken dat zij langs de elektronische weg voldoende bereikbaar zijn.

Nadat DNB het DGS in werking heeft gesteld, neemt zij aan de hand van de administratie van de probleembank besluiten met betrekking tot de aanspraken van de respectieve depositohouders. DNB stelt het bedrag dat overeenkomt met het in het besluit genoemde bedrag tot een maximum van € 100.000 beschikbaar op een bijzondere rekening die door haar op naam van de depositohouder is gesteld.

De depositohouders die inloggen op de internetfaciliteit van DNB dienen daarbij gebruik te maken van hun zogeheten DigiD, een soort digitaal paspoort. De depositohouders die inloggen op de internetfaciliteit van DNB nemen kennis van het eerder door DNB genomen besluit. DNB heeft dit besluit al eerder genomen, maar het ingevolge artikel 3:40 treedt in werking door de bekendmaking. [Als bekendmaking heeft te gelden het tijdstip waarop de depositohouder inlogt en kennis neemt van het besluit.] Voorts delen zij aan DNB het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening wordt aangehouden, en hun elektronische adres mede. Ten slotte bewerkstelligen zij elektronisch dat het reeds beschikbaar gestelde bedrag wordt overgemaakt naar de rekening die de depositohouder aan DNB heeft opgegeven, ook wel de tegenrekening genoemd.

Het bewerkstelligen door de depositohouder dat het bedrag wordt overgemaakt naar de tegenrekening betekent niet dat de depositohouder ook akkoord gaat met de hoogte van het bedrag. Wanneer hij meent aanspraak te hebben op een hoger bedrag, kan hij tegen het besluit bezwaar maken en eventueel beroep instellen. Wanneer dit bezwaar of beroep gegrond wordt verklaard, zal DNB het ontbrekende bedrag alsnog ter beschikking stellen. Wanneer de depositohouders meent dat hij aanspraak op een hoger bedrag heeft, zijn DNB en de depositohouder het wel erover eens dat de depositohouder in ieder geval een aanspraak heeft ten belope van het in het besluit genoemde bedrag. Het zou dan ook niet juist zijn van de depositohouder te verlangen dat hij met het bewerkstelligen van de overmaking wacht totdat op het beroep en bezwaar is beslist, of uit het bewerkstelligen van de overmaking af te leiden dat de depositohouder zijn recht op beroep en bezwaar prijs zou geven.

Aandacht verdienen de tekst van de huidige DGS-richtlijn en de tekst van de huidige Wft. In artikel 10, eerste lid van de DGS-richtlijn is bepaald dat het depositogarantiestelsel «in staat [moet] zijn om (...) aanspraken (...) te honoreren binnen een termijn van twintig werkdagen (...)». Deze richtlijnbepaling is omgezet in artikel 3:161, tweede lid van de Wft, waarin is bepaald dat DNB «zorg [draagt] voor betaling (...) binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn». De bewoordingen van de richtlijn zijn dus niet letterlijk overgenomen in de Wft; in plaats van «in staat zijn aanspraken te honoreren» luidt de Wft «zorg dragen voor betaling». In die situatie waarin DNB nog werkte met aanvragen van depositohouders en een daadwerkelijke overboeking, was de richtlijnterminologie minder gepast. In de huidige situatie, waarin er geen aanvraag meer is, DNB het bedrag beschikbaar stelt en het de depositohouder is die de overmaking naar zijn rekening bewerkstelligt, is de richtlijnterminologie meer geschikt. De huidige tekst van artikel 3:261, tweede lid van de Wft, zal op korte termijn worden aangepast en meer in lijn met artikel 10, eerste lid van de DGS-richtlijn worden gebracht. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat met de huidige tekst van artikel 3:261, tweede lid van de Wft hetzelfde onder woorden wordt gebracht als met artikel 10, eerste lid van de DGS-richtlijn. Een en ander betekent dat DNB aan haar verplichting heeft voldaan wanneer zij binnen twintig werkdagen het bedrag op een bijzondere rekening beschikbaar heeft gesteld, welke rekening door haar op naam van de depositohouder is gesteld, ook wanneer de depositohouder eerst na de twintig werkdagen de overmaking naar zijn rekening bewerkstelligt. Beeldend uitgedrukt: DNB legt het geld klaar voor de depositohouder en de depositohouder kan het geld komen ophalen. Wanneer DNB het geld binnen twintig werkdagen heeft klaargelegd, heeft zij aan haar verplichting voldaan, ook wanneer de depositohouder het geld later komt ophalen. Een en ander is in de thans voorliggende AMvB tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat DNB zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen twintig werkdagen, in staat moet zijn tot het honoreren van aanspraken.

Met betrekking tot de depositohouders die niet de elektronische weg maar de papieren weg bewandelen, wordt het volgende opgemerkt. Depositohouders worden niet verplicht de elektronische weg te bewandelen. Een dergelijke verplichting zou in de huidige tijd nog te ver gaan. Wel worden depositohouders aangemoedigd de elektronische weg te bewandelen doordat de depositohouders die dat doen eerder over de vergoeding kunnen beschikken dan de depositohouders die de papieren weg bewandelen. Depositohouders die de papieren weg bewandelen, hadden ook ervoor kunnen kiezen de elektronische weg te bewandelen. Dat zij dat niet doen, kan DNB niet worden aangerekend. Ook voor deze groep depositohouders geldt dat DNB binnen de voorgeschreven termijn in staat is de aanspraak te honoreren. In de beeldspraak van zojuist kan worden gezegd dat DNB ook voor hen het geld heeft klaarliggen, maar dat zij er niet voor kiezen het te komen ophalen en aan DNB vragen het te komen brengen. Dat staat hun vrij, maar dan dienen zij wel het gevolg te accepteren dat zij later over de vergoeding kunnen beschikken.

Dat geldt ook voor depositohouders die voor de schriftelijke weg kiezen omdat zij niet zijn aangesloten op het internet of omdat zij geen DigiD hebben. Het huidige tijdsgewricht is een overgangsfase, namelijk de overgang van de situatie waarin niemand elektronisch bereikbaar is naar de situatie waarin zeer velen dat zijn. Deze overgang is in Nederland zeer ver gevorderd; Nederland behoort tot de landen met de hoogste percentages internet-gebruikers. De bewoordingen van de DGS-richtlijn vergen niet van DNB dat zij het geld binnen twintig dagen aan deze steeds kleiner wordende groep depositohouders «komt brengen». Voor deze groep geldt dat zij aan DNB het nummer en de tenaamstelling van de rekening waarnaar de overboeking van de vergoeding zal worden uitgevoerd, de bank waarbij de rekening wordt aangehouden, alsmede hun postadres langs de papieren mee dienen te delen. DNB zendt aan een dergelijke depositohouder het besluit dat DNB reeds heeft genomen op basis van de administratie van de probleembank. Op verzoek van de depositohouder boekt DNB het bedrag over van de bijzondere rekening die door DNB op naam van de depositohouder is gesteld naar de door de depositohouder opgegeven rekening. Ook hier geldt dat uit het verzoek van de depositohouders niet mag worden afgeleid dat de depositohouder akkoord gaat met de hoogte van het bedrag; hij kan aanvoeren aanspraak te maken op een hoger bedrag.

verrekening

Op grond van artikel 26, derde lid, Besluit bpmbd, zoals dat gold tot aan de inwerkingtreding van het thans voorliggende besluit, had DNB de verplichting om bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding rekening te houden met de verrekeningsbevoegdheid van de depositohouder. Het voldoen aan die verplichting was voor DNB bewerkelijk en dus tijdrovend. Per geval moest worden beoordeeld of de depositohouder zich op een verrekeningsbevoegdheid kan beroepen, en zo ja, wat dit voor consequenties heeft voor de berekening van het door DNB uit te keren bedrag. Doordat dit voor elk geval moest worden beoordeeld, leverde de verplichting ook vertraging op voor die gevallen waarin na onderzoek bleek dat de depositohouder geen verrekeningsbevoegdheid had.

Die vertraging leidde in de oorspronkelijke situatie, waarin de maximale termijn nog betrekkelijk lang was, niet tot overschrijding van die termijn. Doordat de maximale termijn bij de wijzigingsrichtlijn tot 20 werkdagen wordt beperkt, is het aannemelijk dat een ongewijzigde regeling op dit punt in de toekomst wel tot overschrijding van de maximale termijn zal leiden. Door de verkorting tot 20 werkdagen komt de regel dat DNB rekening moet houden met de bestaande verrekeningsbevoegdheid in een ander daglicht te staan: wanneer DNB rekening moet houden met de bestaande verrekeningsbevoegdheid, wordt het voor haar in de praktijk problematisch om te voldoen aan de verplichting om uit te keren binnen de door de richtlijn voorgeschreven maximale termijn. Het is voor dit probleem dat het laten vervallen van die verplichting een oplossing dichterbij beoogt te brengen.

In dit verband zij voorts opgemerkt dat een van de doelen van het DGS is de kans op een «bankrun» te verkleinen doordat depositohouders weten dat zij slechts met een zo kort mogelijke onderbreking weer over hun geld kunnen beschikken. Elke vertraging in de uitbetaling van de vergoedingen ondermijnt het bereiken van dat doel.

In artikel 1, eerste lid, DGS-richtlijn luidt de laatste zin van de definitie van «deposito»:

Met het oog op de berekening van een creditsaldo passen de Lid-Staten de regels en voorschriften betreffende de verrekening en tegenvorderingen toe overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden die op het deposito van toepassing zijn.

Ofschoon een grammaticale interpretatie van de bepaling in de richtlijn depositogarantiestelsels daartoe mogelijkerwijs niet dwingt, is zowel in Nederland als in de andere lidstaten en tijdens bijeenkomsten in het kader van de Europese Unie de vaste uitleg van deze bepaling dat de uitvoerder van DGS bij de berekening van de vergoeding die hij dient uit te keren, moet uitgaan van de veronderstelling dat de depositohouder een schuld die hij aan zijn bank heeft, verrekent met de vordering die hij op de bank heeft op grond van een wettelijke of contractuele verrekeningsbevoegdheid. Deze de facto verrekeningsplicht was in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 26, derde lid, van het Besluit bpmbd Wft.

Een voorbeeld moge een en ander verduidelijken. Een persoon heeft een deposito, dus een vordering op de bank, van € 20.000. Tegelijkertijd heeft hij een schuld aan de bank, bijvoorbeeld een geldlening die is gedekt door hypotheek, van € 100.000. De gangbare interpretatie van de richtlijnbepaling komt erop neer dat de uitvoerder van het DGS (in Nederland dus DNB) gehouden is te doen alsof deze persoon zijn schuld aan de bank en de vordering op de bank met elkaar verrekent. Zijn schuld daalt daardoor tot € 80.000 en zijn vordering op de bank daalt tot € 0. Het gevolg daarvan is dat de persoon geen aanspraak kan maken op een vergoeding van het DGS. De netto schuldenpositie van de depositohouder verandert hierdoor niet: zowel in de situatie voorafgaand aan de deconfiture van zijn bank als in de situatie daarna is het netto bedrag dat hij aan zijn bank is verschuldigd € 80.000. Wel verandert zijn liquiditeitspositie. Voorafgaand aan de deconfiture van zijn bank kon hij € 20.000 opnemen, daarna niet meer.

Zoals opgemerkt, zou het voor DNB problematisch worden om binnen de nieuwe termijn van 20 dagen de vergoeding te betalen indien de huidige verplichting om rekening te houden met de bestaande verrekeningsbevoegdheid was gehandhaafd. In theorie lijken zich verschillende oplossingen voor dit probleem aan te dienen. In de eerste plaats zou kunnen worden bepaald dat DNB geen rekening houdt met de bestaande verrekeningsbevoegdheden van de depositohouder. Op dit moment zou dat nog in strijd zijn met de vaste uitleg van artikel 1, eerste lid, laatste zin, van de DGS-richtlijn. In Brussel wordt thans gesproken over het laten vervallen van die bepaling.

Mede in het licht van de waarschijnlijk aanstaande wijziging van de DGS-richtlijn op dit punt is gekozen voor een andere oplossing, namelijk te bepalen dat degene die inlogt op de internetfaciliteit van DNB, verklaart dat hij geen gebruik maakt van zijn verrekeningsbevoegdheid voor dat gedeelte van zijn vordering dat overeenkomt met de uitkering onder het DGS. Bij gebreke van een dergelijke verklaring wordt de door de depositohouder gegeven opdracht om de vergoeding over te maken naar de tegenrekening, niet uitgevoerd. Dit heeft tot gevolg dat een bepaling die zegt dat DNB rekening houdt met de verrekeningsbevoegdheid van de depositohouder niet gehandhaafd dient te worden; een dergelijke bepaling zou immers verwijzen naar een verrekeningsbevoegdheid waarvan geen gebruik wordt gemaakt. Een bepaling als het toenmalige artikel 26, derde lid, is daarom niet teruggekeerd in de nieuwe regeling.

De depositohouder is derhalve niet langer verplicht te accepteren dat DNB ervan uitgaat dat hij zijn vordering verrekent wanneer hij een beroep doet op het depositogarantiestelsel. Zijn liquiditeitspositie verbetert daardoor, en aan hem wordt eerder uitbetaald. Daar staat tegenover dat hij niet langer gebruik kan maken van zijn verrekeningsbevoegdheid indien hij een beroep doet op het DGS. Gegeven de inkorting van de termijn van uitbetaling, en gelet op de aanstaande wijziging van de richtlijn, acht ik de inperking van de verrekeningsbevoegdheid op deze wijze gerechtvaardigd.

De verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van de verrekeningsbevoegdheid is beperkt tot de vorderingen die voor vergoeding op grond van het depositogarantiestelsel in aanmerking komen. Dat is in tweeërlei opzicht een beperking. In de eerste plaats betreft de afstand slechts die vorderingen van de depositohouder op de probleembank die voortvloeien uit zijn deposito. De afstand van de verrekeningsbevoegdheid heeft geen betrekking op andere vorderingen op de probleembank, die niet voor vergoeding ingevolge het depositogarantiestelsel in aanmerking komen. In de tweede plaats heeft de afstand van de verrekeningsbevoegdheid bij deposito’s groter dan € 100.000 slechts betrekking op het gedeelte tot € 100.000. Deze beperkingen van de afstand van de verrekeningsbevoegdheid zijn onder woorden gebracht door de zinsnede «voor zover deze voor een vergoeding op grond van artikel 20 in aanmerking komt».

Voor de goede orde wordt nog het volgende opgemerkt. Bij het Wijzigingsbesluit financiële markten 2010 is onder vernummering van het toenmalige tweede en derde lid tot het derde en vierde lid van artikel 27, na het eerste lid een nieuw lid toegevoegd, het nieuwe tweede lid. Dat nieuwe tweede lid bepaalde de termijn waarbinnen betalingen op grond van het depositogarantiestelsel dienden te worden betaald. Op de datum waarop het Wijzigingsbesluit financiële markten tot stand kwam, 27 november 2009, was de verwachting dat dat Besluit spoedig in werking zou treden. Doordat de Wijzigingswet financiële markten 2010 later in werking is getreden dan destijds was voorzien, is ook het Wijzigingsbesluit financiële markten 2010 later in werking getreden. Het bij dat besluit ingevoerde nieuwe lid van artikel 27 vervalt nu weer, en de oorspronkelijke nummering van de laatste twee leden wordt hersteld. De termijn waarbinnen de vergoeding op grond van het depositogarantiestelsel dient te worden betaald, wordt nu geregeld in § 6.3a.

Administratieve lasten

De enkele verkorting van de termijn tot 20 werkdagen brengt geen verandering van de lasten voor het bedrijfsleven met zich mee. De eveneens bij dit besluit door te voeren additionele wijzigingen om deze verkorting in de praktijk mogelijk te maken, brengen evenmin veranderingen voor de lasten voor het bedrijfsleven met zich mee. In dat verband merk ik op dat bij het Wijzigingsbesluit financiële markten 2011 artikel 26a is ingevoerd teneinde de additionele wijzigingen mogelijk te maken is. Dat artikel bepaalt kortweg dat banken over procedures beschikken die waarborgen dat de voor de uitvoering van de vangnetregelingen noodzakelijker gegevens voortdurend actueel worden bijgehouden en adequaat zijn vastgelegd. De administratieve lasten die dat met zich meebrengt zijn reeds in de toelichting op het Wijzigingsbesluit financiële markten 2011 opgenomen. Een verandering ten opzichte van dat Wijzigingsbesluit is dat thans de verplichting van DNB om rekening te houden met de verrekeningsbevoegdheid van de depositohouder, wordt afgeschaft. Banken behoeven dus niet langer ten behoeve van het depositotarantiestelsel gegevens bij te houden die betrekking hebben op vorderingen van banken op depositohouders. Bij de berekening van de administratieve lasten van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2011 is hier reeds stilzwijgend vanuit gegaan, zodat het thans voorliggende besluit niet leidt tot een verandering, en zeker geen verhoging, van de administratieve lasten van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2011.

In dit verband merk ik nog op dat de kosten die DNB maakt ter uitvoering van het DGS (dus niet de vergoedingen zelf, maar de uitvoeringskosten) minder zullen worden doordat depositohouders de elektronische weg zullen bewandelen.

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager


X Noot
1

Richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijnen betreft 1994, PbEGL 135).

X Noot
2

Kortheidshalve wordt in deze toelichting het woord «depositohouder» gebruikt voor de in artikel 19 bedoelde personen.

X Noot
3

Richtlijn nr. 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijnen betreft, PbEUL 68.

X Noot
4

Vindplaats PM

X Noot
5

Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 38.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.