Waterschapsblad van Waterschap Noorderzijlvest
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Noorderzijlvest | Waterschapsblad 2026, 17961 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Noorderzijlvest | Waterschapsblad 2026, 17961 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur,
Overwegende dat,
• de juridische regels in de Waterschapsverordening zijn gebaseerd op in de Waterschapswet en Omgevingswet opgenomen functionele taken van het waterschap en de daaruit afgeleide doelen;
• de juridische regels in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) worden ontsloten via ‘Regels op de Kaart’ en moeten voldoen aan de daaraan gestelde digitale en technische vereisten;
• het in verband met de implementatie van nieuwe plansoftware voor het beheer en de publicatie van de Waterschapsverordening en andere Omgevingsdocumenten noodzakelijk is de regeling technisch en redactioneel aan te passen;
• deze aanpassingen onder meer zien op het uniformeren van structuur, verwijzingen en technische metadata, zodat de Waterschapsverordening correct kan worden ingelezen, beheerd en ontsloten binnen het nieuwe systeem en het DSO;
• de inhoud van de juridische regels daarbij niet wordt gewijzigd anders dan strikt noodzakelijk voor het herstellen van omissies, het verhelderen van bepalingen en het oplossen van tegenstrijdigheden;
• de juridische regels niet in strijd mogen zijn met het Nederlands- of internationaal recht;
• onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de juridische regels voorkomen dienen te worden;
• omissies in de juridische regels hersteld dienen te worden;
• juridische regels in de Waterschapsverordening geactualiseerd dienen te worden wanneer nieuwe of verbeterde regels nodig zijn vanuit het oogpunt van het watersysteem- en/of zuiveringsbeheer;
• de thans voorliggende bekendmaking een beleidsneutrale actualisatie betreft van de Waterschapsverordening;
• op grond van artikel 2, derde lid, van het Delegatiebesluit waterschap Noorderzijlvest 2023 het dagelijks bestuur daarom gebruikmaakt van haar bevoegdheid om de Waterschapsverordening gewijzigd vast te stellen;
Maakt, na beraadslaging tijdens zijn vergadering d.d. 23 juni 2026, bekend de hiernavolgende onderdelen van de Waterschapsverordening te wijzigen:
De regeling 'Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023' wordt gewijzigd zoals aangegeven in Bijlage A.
Deze wijziging treedt in werking op de eerste dag nadat die bekend is gemaakt in het Waterschapsblad van waterschap Noorderzijlvest op officielebekendmakingen.nl.
A
Afdeling 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
de activiteit waarbij een initiatiefnemer overgaat tot het aanbrengen, plaatsen, maken, bouwen, realiseren, construeren of (significant) wijzigen van een (waterstaats)werk of object, niet zijnde wijzigingen die plaatsvinden ten behoeve van het beheer en onderhoud van het werk of het object
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk bij het waterschap ingediend verzoek om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een activiteit
een bepaalde werkzaamheid of verrichting
uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap algemeen bepaalde verplichtingen van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige geldend voor het gehele beheergebied ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
een geometrisch begrensd gebied, dat bij waterschapsverordening is aangewezen, waar (algemene) regels en plichten gelden voor activiteiten die in deze gebieden plaatsvinden (en) voor de instandhouding en ter bescherming van de in of nabij deze gebieden aanwezige waterstaatswerken, zuiveringtechnische werken en grondwaterlichamen
een door de provincie aangewezen gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat in tijden van hoge waterstanden ingezet kan worden ter verruiming van de waterbergingscapaciteit van het watersysteem
aan een waterstaats- of zuiveringtechnisch werk grenzende zone, aan te wijzen als beperkingengebied, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden
het algemeen of dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest
een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen
al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat
een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen
de verplichting om het waterschap op de hoogte te brengen van een aangelegenheid die het waterschap aangaat
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
het gebied dat gerekend wordt tot de waterkering, zijnde een dijklichaam, dat wordt begrensd door de binnenteen en de buitenteen van het dijklichaam
openbaar register van waterstaatswerken in beheer van het waterschap, gepubliceerd als een digitale kaart
openbaar register van door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen, gepubliceerd als een digitale kaart
het brengen van (afval)water of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
een kunstmatige of natuurlijke afvoer van (afval)water of andere stoffen
een neerslagsituatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt waarbij een afvoer ontstaat waarop het watersysteem is ingericht
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
de verplichting om van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap melding te doen
een beschikking inhoudende een besluit met daarin toestemming voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in een beperkingengebied van het waterschap
een civiel technisch werk of grondlichaam dat in zijn functie ten dienste staat van het watersysteembeheer
het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen
een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna
een door het waterschap aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een begrensd gebied waarbinnen eenzelfde waterpeil geldt
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam met een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water en in de waterberging dat:
in een maatgevende situatie een afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde; of
voorziet in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat.
een door het Rijk aangewezen, door mensen aangelegde verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door zeewater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de vrij te houden ruimte bij een waterstaatwerk, aan te wijzen als beperkingengebied, die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
een door de provincie aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door boezemwater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam, dat direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de:
activiteitgebonden uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap bepaalde activiteitgebonden verplichtingen van een initiatiefnemer geldend voor de uitvoering van een activiteit in de daartoe aangewezen beperkingengebieden ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de na te streven waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, waarvoor een peilbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is verleend
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat:
direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de afvoer van water van percelen van één belanghebbende; of
geen functie heeft in de aan- en afvoer van water en in de waterberging, maar wel van enig substantiële omvang is voor een doelmatige bescherming en verbetering van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.
een activiteit die mag worden uitgevoerd zonder melding of omgevingsvergunning
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand die jaarrond hetzelfde is, zijnde een streefpeil of praktijkpeil
de verplichting om voordat tot uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap wordt overgegaan, hiervoor toestemming te verkrijgen van het waterschap in de vorm van een omgevingsvergunning
een door mensen aangelegde of een natuurlijke verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand al dan niet met een bandbreedte, zijnde een streefpeil dat is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning of een praktijkpeil dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning, nader te onderscheiden in een zomer- of winterpeil of in een vast peil
openbaar lichaam welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft
de (waterschaps)verordening van het waterschap Noorderzijlvest die op grond van de Waterschapswet en Omgevingswet is vastgesteld
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies
alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of lichamen met eventuele toebehoren
het gebied, zoals dat geometrisch wordt begrensd, waar een regel of plicht uit deze verordening werking heeft
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de exploitatie van zuiveringtechnische werken, die in beheer zijn van het waterschap, gericht op het zuiveren van stedelijk afvalwater
een werk voor het transport van of het zuiveren van afvalwater, dat in beheer is bij het waterschap
In deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
de activiteit waarbij een initiatiefnemer overgaat tot het aanbrengen, plaatsen, maken, bouwen, realiseren, construeren of (significant) wijzigen van een (waterstaats)werk of object, niet zijnde wijzigingen die plaatsvinden ten behoeve van het beheer en onderhoud van het werk of het object
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk bij het waterschap ingediend verzoek om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een activiteit
een bepaalde werkzaamheid of verrichting
uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap algemeen bepaalde verplichtingen van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige geldend voor het gehele beheergebied ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
een geometrisch begrensd gebied, dat bij waterschapsverordening is aangewezen, waar (algemene) regels en plichten gelden voor activiteiten die in deze gebieden plaatsvinden (en) voor de instandhouding en ter bescherming van de in of nabij deze gebieden aanwezige waterstaatswerken, zuiveringtechnische werken en grondwaterlichamen
een door de provincie aangewezen gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat in tijden van hoge waterstanden ingezet kan worden ter verruiming van de waterbergingscapaciteit van het watersysteem
aan een waterstaats- of zuiveringtechnisch werk grenzende zone, aan te wijzen als beperkingengebied, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden
het algemeen of dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest
een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen
al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat
een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen
de verplichting om het waterschap op de hoogte te brengen van een aangelegenheid die het waterschap aangaat
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
het gebied dat gerekend wordt tot de waterkering, zijnde een dijklichaam, dat wordt begrensd door de binnenteen en de buitenteen van het dijklichaam
openbaar register van waterstaatswerken in beheer van het waterschap, gepubliceerd als een digitale kaart
openbaar register van door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen, gepubliceerd als een digitale kaart
het brengen van (afval)water of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
een kunstmatige of natuurlijke afvoer van (afval)water of andere stoffen
een neerslagsituatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt waarbij een afvoer ontstaat waarop het watersysteem is ingericht
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
de verplichting om van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap melding te doen
een beschikking inhoudende een besluit met daarin toestemming voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in een beperkingengebied van het waterschap
een civiel technisch werk of grondlichaam dat in zijn functie ten dienste staat van het watersysteembeheer
het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen
een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna
een door het waterschap aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een begrensd gebied waarbinnen eenzelfde waterpeil geldt
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam met een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water en in de waterberging dat:
een door het Rijk aangewezen, door mensen aangelegde verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door zeewater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de vrij te houden ruimte bij een waterstaatwerk, aan te wijzen als beperkingengebied, die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
een door de provincie aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door boezemwater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam, dat direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de:
activiteitgebonden uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap bepaalde activiteitgebonden verplichtingen van een initiatiefnemer geldend voor de uitvoering van een activiteit in de daartoe aangewezen beperkingengebieden ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de na te streven waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, waarvoor een peilbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is verleend
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat:
direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de afvoer van water van percelen van één belanghebbende; of
geen functie heeft in de aan- en afvoer van water en in de waterberging, maar wel van enig substantiële omvang is voor een doelmatige bescherming en verbetering van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.
een activiteit die mag worden uitgevoerd zonder melding of omgevingsvergunning
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand die jaarrond hetzelfde is, zijnde een streefpeil of praktijkpeil
de verplichting om voordat tot uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap wordt overgegaan, hiervoor toestemming te verkrijgen van het waterschap in de vorm van een omgevingsvergunning
een door mensen aangelegde of een natuurlijke verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand al dan niet met een bandbreedte, zijnde een streefpeil dat is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning of een praktijkpeil dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning, nader te onderscheiden in een zomer- of winterpeil of in een vast peil
openbaar lichaam welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft
de (waterschaps)verordening van het waterschap Noorderzijlvest die op grond van de Waterschapswet en Omgevingswet is vastgesteld
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies
alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of lichamen met eventuele toebehoren
het gebied, zoals dat geometrisch wordt begrensd, waar een regel of plicht uit deze verordening werking heeft
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de exploitatie van zuiveringtechnische werken, die in beheer zijn van het waterschap, gericht op het zuiveren van stedelijk afvalwater
een werk voor het transport van of het zuiveren van afvalwater, dat in beheer is bij het waterschap
In bijlage 1 van deze verordening is, voor de toepassing van deze verordening, de uitleg van het specifiek begrippenkader opgenomen.
Voor de regels in deze verordening geldt dat het begrip ‘’waterschap’’ betekent: waterschap Noorderzijlvest, het dagelijks bestuur en/of het algemeen bestuur van waterschap Noorderzijlvest.
In bijlage 1 van deze verordening is, voor de toepassing van deze verordening, het specifiek begrippenkader opgenomen.
Voor de uitleg van overige begrippen, voor zover die niet zijn opgenomen in artikel 1.1 of bijlage 1, van deze verordening, geldt dat de volgende bijlagen van toepassing zijn: bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling.
Voor de regels in deze verordening geldt dat het begrip ‘’waterschap’’, bedoeld in artikel 1.1, betekent: waterschap Noorderzijlvest, het dagelijks bestuur en/of het algemeen bestuur van waterschap Noorderzijlvest.
B
Artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, eerste en tweede lid, artikel 56, eerste lid, in samenhang met artikel 78, van de Waterschapswet, zijn de regels van hoofdstuk 2 van deze verordening van toepassing op: de door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtige; de vergunninghouder; of de initiatiefnemer.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 2.10, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de regels van hoofdstuk 3 en bijlage 5 van deze verordening ook van toepassing op: de initiatiefnemer; de informatieplichtige; de melder; degene voor wie de melding wordt gedaan; de vergunninghouder; of degene voor wie de vergunning wordt aangevraagd.
C
Artikel 1.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van deze waterschapsverordening worden, ingevolge artikel 1.9, de volgende beperkingengebieden aangewezen:
het door de provincies Groningen, Drenthe en Friesland geometrisch begrensde gebied dat krachtens Titel I, van de Waterschapswet en bij het Reglement voor het waterschap Noorderzijlvest, in beheer is gegeven aan het waterschap, waarin specifieke beperkingengebieden kunnen worden aangewezen en waarin grondwaterlichamen zijn gelegen, wordt aangeduid als beperkingengebied A.
de waterstaatswerken, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, die in beheer zijn of in beheer komen bij het waterschap, met inbegrip van de daarbij aangewezen beschermingszones, die krachtens artikel 1.2 van deze verordening hoofdzakelijk gelegen zijn in beperkingengebied A, worden tezamen aangeduid als beperkingengebied B en als beperkingengebied nader onderscheiden in:
beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van tertiaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van primaire waterkeringen, met inbegrip van de daarin of daarbij aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van regionale waterkeringen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van overige waterkeringen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;
beperkingengebied I van bergingsgebieden, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken.
de zuiveringtechnische werken, die krachtens artikel 1.2 van deze verordening hoofdzakelijk gelegen zijn in beperkingengebied A, die in beheer zijn of in beheer komen bij het waterschap, worden tezamen aangeduid als beperkingengebied C en als beperkingengebied nader onderscheiden in:
D
Artikel 1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de geometrische begrensde weergave van de in artikel 1.10, aanhef en onder b, aangewezen beperkingengebieden, die zijn gevisualiseerd in bijlage 2 van deze verordening, geldt dat:
beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaambeperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:
beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaambeperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:
beperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaambeperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:
beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam het geometrisch begrensde gebied is tot 5 meter gemeten aan weerszijden van of rondom beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken en met uitzondering van het Paterswoldsemeer.
beperkingengebied I van een primaire waterkeringbeperkingengebied I van een primaire waterkering een geometrisch begrensde weergave is van het feitelijk voorkomend profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken:
vanaf de binnendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot tot de buitendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot; of
vanaf de binnendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot tot de buitendijks gelegen buitenteen van de waterkering; of
vanaf de binnendijks gelegen binnenteen van de waterkering tot de buitendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot; of
vanaf de binnendijks gelegen binnenteen van de waterkering tot de buitendijks gelegen buitenteen van de waterkering.
beperkingengebied II van een primaire waterkering:
het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde stedelijk gebied tot 5 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering;
het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde landelijk gebied tot 75 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.
beperkingengebied III van een primaire waterkering:
het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde stedelijk gebied tot 95 meter gemeten vanaf beperkingengebied II van de waterkering;
het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde landelijk gebied tot 25 meter gemeten vanaf beperkingengebied II van de waterkering.
beperkingengebied I van een regionale waterkeringbeperkingengebied I van een regionale waterkering de door de provincie aangewezen en geometrisch begrensde weergave is van het genormeerde profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.
beperkingengebied I van een overige waterkeringbeperkingengebied I van een overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het genormeerde profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.
beperkingengebied II van een regionale waterkering of overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het gebied aan weerszijden van beperkingengebied I van de waterkering tot 4 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.
beperkingengebied III van een regionale waterkering of overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het gebied aan weerszijden van beperkingengebied I van de waterkering tot 25 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.
beperkingengebied I van een bergingsgebiedbeperkingengebied I van een bergingsgebied de door de provincie aangewezen en geometrisch begrensde weergave is van het bergingsgebied, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken.
E
Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor activiteiten in beperkingengebieden, bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening, die leiden tot de aanleg van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk kan het waterschap, op grond van artikel 1, eerste en tweede lid en artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet, in samenhang met het bepaalde in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, een onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting aanwijzen.
Het waterschap kan voor de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, een onderhoudsplichtige aanwijzen die geheel of gedeeltelijk onderhoudsplichtig is van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk.
Voor een reeds aangelegdeaangelegd waterstaats-, zuiveringtechnischezuiveringtechnisch-, of overigeoverig (kunst)werk, waarvoor geen onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting is aangewezen, kan het waterschap alsnog een onderhoudsplichtige en een onderhoudsverplichting vaststellen en aanwijzen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
AlsDe onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 en in het eerste, tweede en derde lid, wordt aangewezen:is de belanghebbende, zijnde het waterschap, de initiatiefnemer of één of meerdere eigenaren van (aangrenzende) percelen of de daartoe gerechtigde(n) in wiens belang een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk, mede gelet op de functie van dat werk, wordt aangelegd of in stand wordt gehouden.
AlsDe onderhoudsverplichting wordt aangewezen:is een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk of een deel daarvan waarvoorwaarop een onderhoudsplicht rust, bedoeld in artikel 2.4, en door een onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 in samenhang met het vierde lid, is of wordt aangewezen om dat werk in stand te houdenwordt gehouden.
Voor het aanwijzen van deDe onderhoudsplichtige en de onderhoudsverplichting beoordeelt, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt door het waterschap vastgesteld op basis van de functie van het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of het overig (kunst)werk en de mate van belang dat één of meerdere van de in het vierde lid bedoelde belanghebbenden heeft bij de instandhouding van het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of het overig (kunst)werk.
F
Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 geldt dat het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk in stand wordt gehouden overeenkomstig de functie van het werk en voor zover van toepassing, overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover daarin opgenomen, vorm, afmeting en constructie en met inachtneming van de in afdeling 2.2, van deze verordening opgenomen onderhoudsvoorschriften.
Voor dehet in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk diedat op grond van een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit zijnis aangelegd of gewijzigd, geldt, zolang het waterschap (een wijziging van) de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, niet heeft vastgesteld, de ligging, vorm, afmeting of constructie van het werk, zoals aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit.
Voor dehet in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk diedat niet in een legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet zijnis opgenomen en waarvan de ligging, vorm, afmeting en constructie niet zijnis aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit, geldt dat, zolang het waterschap (een wijziging van) de hiervoorgenoemde leggers, niet heeft vastgesteld, het waterschap de ligging, vorm, afmeting of constructie ambtshalve bepaalt.
Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in afdeling 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften ambtshalve of op aanvraag van een initiatiefnemer, een maatwerkvoorschrift opleggen en daarin of in een besluit tot aanwijzing van een onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.2, nadere onderhoudsvoorschriften opnemen.
Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in afdeling 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften, ambtshalve of op aanvraag van een onderhoudsplichtige geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van een onderhoudsplicht.
G
Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onderhoudsplichtigen van waterstaats- zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werken zijn vrijgesteld van de regels en plichten opgenomen in hoofdstuk 3 van deze verordening, ingeval uitvoering wordt gegeven aan de beheer- en onderhoudsplichten, bedoeld in artikel 2.4 in samenhang met afdeling 2.2, en de verplichte handelingen, bedoeld in afdeling 2.3.
H
Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor toepassing van de regels opgenomen in dit hoofdstuk wordt als aangrenzend eigenaar van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 1.10, beschouwd:
de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel (geheel of gedeeltelijk) grenst aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die, naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik of de aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam of de instandhouding van het daarin aanwezige oeververdedigingswerk, bedoeld in paragrafen 3.2.16 en 3.3.10 in samenhang met paragrafen 2.2.3 en 2.2.4, van deze verordening;
de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel grenst aan één of meerdere kadastrale percelen die (geheel of gedeeltelijk) grenzen aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die, naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik of aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam of de instandhouding van het daarin aanwezige oeververdedigingswerk, bedoeld in paragrafen 3.2.16 en 3.3.10 in samenhang met paragrafen 2.2.3 en 2.2.4, van deze verordening.
Voor toepassing van de regels opgenomen in dit hoofdstuk wordt in ieder geval niet als aangrenzend eigenaar van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam beschouwd, de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel (geheel of gedeeltelijk) grenst aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs geen belang heeft bij het (gebruik of aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam.
I
Artikel 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, bedoeld in artikel 2.7, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze waterstaatswerken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige en waterhuishoudkundige functies van deze waterstaatswerken.
Voor de onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:
afval, voorwerpen, materialen, (exotische) beplanting worden verwijderd;
(invasief exotische) dieren worden bestreden;
met uitzondering van natuurvriendelijke oevers, deze zodanig worden gemaaid dat verruiging van het talud wordt voorkomen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de instandhouding van de waarde van het ecologische watersysteem; en
beschadigingen aan taluds als gevolg van uitspoeling, afkalving of inzakking, worden hersteld.
voor droge oevergebieden van beperkingengebied I van oppervlaktewaterlichamen, beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen en de droge delen van beperkingengebied I van bergingsgebieden, het maaiveld in stand wordt gehouden;
afval, voorwerpen, materialen en beplanting die het beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam (kunnen) belemmeren uit beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen worden verwijderd;
tijdig onderhoud wordt uitgevoerd.
Voor de onderhoudsplichtigen voor het buitengewoon onderhoud van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:
deze in stand worden gehouden overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover daarin opgenomen, vorm, afmeting of constructie of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening;
tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;
ingeval van baggeren en indien de afmetingen niet in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, zijn opgenomen of onvoldoende bepaald kunnen worden, tot aan de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam of bij afwezigheid daarvan voor zover de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam voldoende geborgd is, in afdoende mate baggerspecie wordt verwijderd.
J
Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De onderhoudsplichtige van steigers, vlonders en (andere) voorzieningen ten behoeve van vaartuigen die een ligplaats innemen, die in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen langs de oever of in het talud zijn aangelegd, zijn in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, rondom dat werk onderhoudsplichtige voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.
De onderhoudsplichtige van ondersteunende en overige (kunst)werken, bedoeld in artikel 2.13 en artikel 2.16, anders dan die bedoeld in het eerste lid, die in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam in lengteligging langs de oever of in het talud zijn aangelegd, kunnen, indien door de aanwezigheid van dat werk het voor het waterschap redelijkerwijs onmogelijk of onwenselijk is om als onderhoudsplichtige van beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen met materieel via beperkingengebied II of varend het gewoon onderhoud van beperkingengebied I volledig uit te voeren, in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, over de gehele lengte van het werk en voor zover van toepassing rondom dat werk als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.
De aangrenzend eigenaar, bedoeld in artikel 2.6, kan, indien het voor het waterschap redelijkerwijs onmogelijk of onwenselijk is om als onderhoudsplichtige van beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen met materieel via beperkingengebied II of varend het gewoon onderhoud van beperkingengebied I volledig uit te voeren, in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.
Degene(n) die op grond van een omgevingsvergunning een ligplaats innemen in beperkingengebied I, van een primair oppervlaktewaterlichaambeperkingengebied I, van een primair oppervlaktewaterlichaam, zijn in afwijking van het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, onder a, onderhoudsplichtig voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het betreft het gedeelte oppervlaktewaterlichaam dat gelegen is tussen het vaartuig en de oever.
K
Paragraaf 2.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10, het onderhoud van overige (kunst)werkwerken, die aangelegd zijn in de beperkingengebieden I, II en III van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen, bij de belanghebbende van het werk of indien geen belanghebbende kan worden aangewezen, bij de (aangrenzend) eigenaar of (aangrenzend) eigenaren van de kadastrale percelen waar het werk gelegen is of de daartoe gerechtigde(n).
De onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werkwerken, bedoeld in artikel 2.16, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige-, waterhuishoudkundige-, en waterveiligheidsfuncties van waterstaatswerken.
Voor de onderhoudsplichtigen voor het onderhoud van overige (kunst)werkwerken geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:
beplanting, afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn en de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, worden verwijderd;
de constructie, voor zover de actuele onderhoudsstaat de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, in goede staat en toestand wordt gehouden;
tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;
de werken in stand worden gehouden overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde en voor zover daarin opgenomen omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening.
Voor de onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werkwerken die in beperkingengebied I van een waterkering of voor zover sprake is van een dijktalud in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering, zijn aangelegd, geldt dat ingeval voor het onderhoud aan de werken ontgravingen verricht worden, het waterschap tenminste drie werkdagen voordat het onderhoud plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de datum, de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd.
Het waterschap kan op basis van de overgelegde informatie, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen of aanwijzingen geven over de datum en de wijze van uitvoering van de ontgraving, indien dit nodig wordt geacht ter waarborging van het waterkerend vermogen van de waterkering.
L
Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor alle activiteiten die plaatsvinden in een beperkingengebied, bedoeld in artikel 1.10, die het waterschap op grond van algemene regels toestemmingsvrij, na een melding of middels een omgevingsvergunning toestaat dan wel hiervoor een projectbesluit heeft vastgesteld, geldt, tenzij anders wordt vermeld, dat:
de initiatiefnemer, die een melding heeft gedaan, een omgevingsvergunning of een projectbesluit heeft voor een activiteit:
ten minste 5 dagen voor de datum waarop de activiteit aanvangt, het waterschap informeert over de start van de activiteit;
het waterschap informeert over hulpconstructies en hulpwerken die ten behoeve van de activiteit worden aangelegd of geplaatst;
direct na afronding van de activiteit, het waterschap informeert over de afronding van de activiteit;
het waterschap direct informeert over schade aan waterstaatswerken of zuiveringtechnische werken als gevolg van zijn handelen of nalaten;
direct na afronding van de activiteit, zorgt voor het opruimen en afvoeren van alle gebruikte werktuigen, materialen, (hulp)werken en afval;
het waterschap informeert over ongewone voorvallen, bedoeld in artikel 2.27;
die, door ongewone voorvallen, calamiteiten of bijzondere omstandigheden, niet aan de door het waterschap gestelde algemene en specifieke uitvoeringsregels en maatwerk- of vergunningvoorschriften kan voldoen, het waterschap direct hierover informeert.
ingeval een omgevingsvergunning is verleend of een projectbesluit is vastgesteld, een exemplaar van de vergunning of het projectbesluit, voor zover mogelijk, aanwezig is op de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;
de initiatiefnemer die een (ondersteunend) (kunst)werk aanlegt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, primaire, regionale- of overige waterkering of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, het risico aanvaart dat het werk op aanzegging van het waterschap (tijdelijk) aangepast of verwijderd moet worden indien dit nodig is in het belang van het watersysteem- of zuiveringsbeheer.
Voor de activiteiten, bedoeld in afdeling 3.5 en bijlage 5afdeling 3.7, geldt ingeval van bemonstering dat voor zover het een lozing van effluent afkomstig van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam betreft, dat bij het analyseren van het monster, in afwijking van artikel 4.608 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik, bedoeld in Tabel 4.608a van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelijkgesteld wordt aan drie keer de gemeten waarde van totale organische koolstof.
M
Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift is een besluit met daarin één of meerdere aanvullende of afwijkende specifieke uitvoeringsregels voor de uitvoering van een activiteit.
Een vergunningvoorschrift is een specifieke uitvoeringsregel die in een omgevingsvergunning wordt opgenomen ter aanvulling op of in afwijking van de in hoofdstuk 1, afdeling 1.4, opgenomen algemene zorgplichten, de in afdeling 3.1 tot en met afdeling 3.63.7 en de in bijlage 5 opgenomen specifieke zorgplichten, algemene of specifieke uitvoeringsregels.
In aanvulling op of in afwijking van de in hoofdstuk 1, afdeling 1.4, opgenomen algemene zorgplichten, de in afdeling 3.1 tot en met afdeling 3.63.7 en de in bijlage 5 opgenomen specifieke zorgplichten, algemene of specifieke uitvoeringsregels, kan het waterschap, ambtshalve of op aanvraag van een initiatiefnemer, met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 1.4 tot en met artikel 1.8, van deze verordening en ingeval van een meldingsplichtige activiteit of in het kader van haar toezichthoudende- en handhavingstaken, een maatwerkvoorschrift opleggen of ingeval van een vergunningplichtige activiteit, vergunningvoorschriften opnemen in een te verlenen omgevingsvergunning.
Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een activiteit waarvoor op grond van hogere regelgeving of een bepaling opgenomen in afdeling 3.2 tot en met afdeling 3.63.7 en bijlage 5 van deze verordening een meldingsplicht geldt, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;
indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de aanvraag wordt gedaan;
naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;
een opgave van de zorgplichten of uitvoeringsregels waarop de aanvraag om maatwerk is gericht;
een opgave van de reden voor de aanvraag om maatwerk toe te passen;
adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;
een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;
een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;
een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;
inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
In een maatwerkvoorschrift of in een omgevingsvergunning kan voor bepaalde specifieke of algemene uitvoeringsregels een uitvoeringstermijn worden opgenomen.
N
Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in afdeling 3.2 tot en met afdeling 3.63.7 en bijlage 5 van deze verordening een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
naam, adres en telefoonnummer van de melder;
indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de melding wordt gedaan;
naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;
adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;
een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;
een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;
een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;
inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;
de verwachte datum van het begin van de activiteit; en
de verwachte duur ervan.
Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in afdeling 3.3 een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap, in aanvulling op de gegevens en bescheiden bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;
voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het werkterrein in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.
O
Artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een andere activiteit, niet zijnde een activiteit waarvoor regels zijn gesteld in hogere regelgeving of waarvoor in dit hoofdstuk en in bijlage 5 regels zijn gesteld, die plaatsvindt in beperkingengebied B of beperkingengebied C geldt een vergunningplicht.
De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:
het lozen van stoffen of een warmtevracht op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
het lozen van stoffen of een warmtevracht afkomstig van wonen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit, bedoeld in het eerste lid:
zijn de artikelen: 3.1, 3.2, 3.5 en 3.6 onverkort van toepassing;
worden de in artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met j, opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt;
voor zover die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een waterkering worden de in artikel 3.4, tweede lid, onder a tot en met c, opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt;
voor zover het een lozingsactiviteit betreft, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied C-I van rioolwaterzuiveringsinstallaties, in beperkingengebied C-II van rioolgemalen, of in beperkingengebied C-III van persleidingen worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;
de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;
een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;
een riooltekening;
de locaties van de lozingspunten;
de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in afdeling 1.4 niet geschonden worden;
de activiteit niet buiten de in artikel 1.10 bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Het waterschap kan voor een activiteit, bedoeld in afdeling 3.2 tot en met afdeling 3.63.7 en in bijlage 5, en voor een andere dan de hierin bedoelde activiteiten, die plaatsvindt in een door het waterschap in artikel 1.10 aangewezen beperkingengebied, een algeheel verbod opleggen, dat geldt voor één of meerdere beperkingengebieden of specifiek aangewezen gebieden binnen één of meerdere beperkingengebieden.
Het opleggen van een algeheel verbod, bedoeld in het vijfde lid, geschiedt bij deze verordening, mits sprake is van een calamiteit, bedoeld in artikel 2.28.
P
Artikel 3.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.29, niet geschonden worden;
de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;
voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van brug of overkluizing voldoen aan de daartoe geldende normen voor de aangewezen doorvaarthoogten en -breedten;
voor oppervlaktewaterlichamen met een maatschappelijke functie, de doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van brug of overkluizing voor die functie passend zijn;
voor oppervlaktewaterlichamen die varend worden onderhouden door het waterschap, de brug of overkluizing een doorvaarthoogte en -breedte hebben die toereikend zijn voor het varend onderhoud;
voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap niet varend worden onderhouden, die geen maatschappelijke functie vervullen en waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, tussen brug of overkluizing en het waterpeil een afstand van minimaal 50 centimeter is voorzien;
aan de onder c, d, e en f genoemde eisen wordt voldaan bij zomerpeil of vast peil;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap varend worden onderhouden, de brug of overkluizing een minimale doorvaarthoogte heeft van 1,251,50 meter (of 50 centimeter ingeval van een beweegbare brug) en een minimale doorvaartbreedte van 2,5 meter;
voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap niet varend worden onderhouden, die geen maatschappelijke functie vervullen en waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, de afstand tussen brug of overkluizing en het waterpeil minimaal 50 centimeter is.
Q
Artikel 3.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
voor zover een bestaande dam zonder duiker verbreed wordt, dat een duiker wordt aangelegd die voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;
voor zover een bestaande dam met duiker verbreed wordt, dat de duiker voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem;
ingeval beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist en onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt:
de dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;
de kruinhoogte van de dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;
de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de duiker zonder knikpunten of bochten wordt aangelegd of verlengd;
de duiker zo wordt aangelegd of verlengd dat deze niet kan vervormen of verzakken;
de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd;
ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van de dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van het nieuwe talud, de dam en duiker van het oppervlaktewaterlichaam voldoende geborgd is;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen;
ingeval de dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;
ingeval de activiteit leidt tot één of meerdere extra dammen naar een aaneengesloten perceel dat reeds door een dam ontsloten wordt, de door de aanleg van de extra dam of dammen verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;
ingeval de activiteit leidt tot een dam ten behoeve van een ander doel dan het ontsluiten van een perceel, de door de aanleg van de dam verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de afstand tussen twee duikers gemeten in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 5 meter bedraagt.
R
Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in:
beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam; of
beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam; of
beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het:
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.36, niet geschonden worden;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, de aanleg van de dam noodzakelijk is;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam:
de aanleg van de dam noodzakelijk is;
voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de inwendige binnenmaatafmetingen van de duiker overeenkomen met de daartoe geldende normen voor de aangewezen doorvaarthoogten en -breedten;
voor oppervlaktewaterlichamen die varend worden onderhouden door het waterschap, de inwendige binnenmaatafmetingen van de duiker toereikend zijn voor het varend onderhoud;
aan de onder 2 en 3 genoemde eisen wordt voldaan bij zomerpeil of vast peil.
voor oppervlaktewaterlichamen met een maatschappelijke functie, de inwendige binnenmaatafmetingen van de duiker voor die functie passend zijn en voor zover de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, aan de genoemde eis wordt voldaan bij zomerpeil of vast peil;
dat de duiker voldoende doorstroomcapaciteit en de juiste hoogteligging heeft om de door het waterschap gewenste doorstroming te waarborgen;
voorzieningen zijn getroffen van waaruit de duiker doorgespoten kan worden;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de activiteit in den droge wordt uitgevoerd;
de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter;
een duiker langer dan 70 meter is voorzien van minimaal één voorziening van waaruit de duiker doorgespoten kan worden;
voor duikers van 70 meter of langer, voor elke 70 meter een voorziening wordt gerealiseerd van waaruit de duiker doorgespoten kan worden.
die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de activiteit in den droge wordt uitgevoerd;
de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter;
een duiker langer dan 70 meter is voorzien van minimaal één voorziening van waaruit de duiker doorgespoten kan worden;
voor duikers van 70 meter of langer, voor elke 70 meter een voorziening wordt gerealiseerd van waaruit de duiker doorgespoten kan worden.
die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap varend worden onderhouden, de duiker een minimale inwendige binnenmaathoogte heeft van 1500 millimeter en een minimale inwendige binnenmaatbreedte heeft van tenminste 2500 millimeter.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
een duiker langer dan 12 meter tot en met 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 400 millimeter;
een duiker langer dan 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 500 millimeter;
de duiker die een openbare weg of spoorweg kruist, een inwendige diameter heeft van tenminste 600 millimeter.
S
Artikel 3.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, geldt dat:
ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft in de aan- en afvoer van water van percelen van één of meerdere belanghebbenden en in de waterberging:
de bodembreedte minimaal 0,50 meter is;
ingeval van een bodembreedte tot 1,50 meter, de waterdiepte minimaal 0,50 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
ingeval van een bodembreedte vanaf 1,50 meter tot 3 meter, de waterdiepte minimaal 0,75 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
ingeval van een bodembreedte vanaf 3 meter, de waterdiepte minimaal 1 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn.
ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft om tenminste 50 liter water per seconde af te voeren in een maatgevende situatie of gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer.
ingeval het nieuwe oppervlaktewater in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en voor zover beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist, waarbij onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:
ter plaatse aanwezige (kunst)werken worden verplaatst of aangepast en buiten functie geraakte (kunst)werken uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.
ingeval van verbreding ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, het oppervlaktewaterlichaam met tenminste 25 centimeter wordt verbreed.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam:
de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer;
de taluds die reeds een hoogte-breedte verhouding van 1:1,5 hebben of flauwer zijn, niet steiler worden;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:
ter hoogte van de aansluiting op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, er een graduele overgang ofwel een nette en geleidelijke aansluiting op het bestaande oppervlaktewaterlichaam wordt gerealiseerd.
T
Artikel 3.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.66, niet geschonden worden;
het aanleggen van de inlaat voor het beheer van het watersysteem noodzakelijk is;
ingeval de inlaat wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waarin zich een prioritaire of niet-prioritaire vismigratieroute bevindt, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de migratie van vis;
de inlaat visveilig is;
ingeval in afwijking van artikel 3.66, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;
de inlaatconstructie deugdelijk is ontworpen;
het leverende peilgebied over voldoende aanvoercapaciteit beschikt;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam:
de inlaat voldoende doorstroomcapaciteit en de juiste hoogteligging heeft;
beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
de inlaat zodanig wordt aangelegd dat er geen lekkage langs de inlaatconstructie kan optreden;
de inlaat zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;
deze beschermd wordt tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam;
ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied II in de lengte- en in de breedterichting horizontaal wordt afgewerkt en ingezaaid met graszaad;
aan de instroomzijde van de inlaat een damwand tot aan maaiveldhoogte wordt aangelegd;
het profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan de uitstroomzijde van de inlaat wordt beschermd tegen uitspoeling.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
U
Artikel 3.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, geldt dat:
de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van het talud in plaats van een oeververdedigingswerk onwenselijk of onmogelijk is;
geen verkleining van het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt;
ingeval een bestaand oeververdedigingswerk vervangen dient te worden:
het bestaande oeververdedigingswerk wordt verwijderd; of
wanneer verwijdering van het bestaande oeververdedigingswerk, vanwege zwaarwegende belangen, onmogelijk is, het nieuwe oeververdedigingswerk mogelijk in afwijking van het bepaalde onder b, direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd.
ingeval een nieuw oeververdedigingswerk direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd, de bestaande gordingen zoveel mogelijk worden verwijderd;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
ter plaatse van het oeververdedigingswerk in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen.
V
Artikel 3.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.94, niet geschonden worden;
in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever of een flauw talud met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer onmogelijk of onwenselijk is; en
de activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken; of
substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden; of
een risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat; of
ingeval de activiteit niet noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken, er geen substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden en er geen risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat, het doorstroomprofiel ruim genoeg is, beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet buitensporig worden belemmerd en voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan; of
ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, de verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is en het natte profiel, in afwijking van artikel 3.95, aanhef en onder b, verkleind kan worden.
ingeval sprake is van een situatie, bedoeld onder b, het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de beoogde constructie van het oeververdedigingswerk voldoet.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
het oeververdedigingswerk, met inachtneming van dit lid, onder d, zoveel mogelijk aansluit op andere in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam aanwezige oeververdedigingswerken;
oever en talud mechanisch worden verdicht en afgewerkt, zodat geen ingesloten laagten ontstaan;
ingeval het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de activiteit met toepassing van een adequate techniek wordt uitgevoerd;
ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn, voor elke 100 meter oeververdedigingswerk een fauna-uitstapplaats wordt aangelegd.
W
Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, die plaatsvindt in beperkingengebied A, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2 geldt dat de daardoor ontstane negatieve effecten van versnelde afvoer van hemelwater worden opgeheven door:
hemelwater, al dan niet met een voorziening, in de bodem te infiltreren; of
hemelwater, al dan niet met een voorziening, vertraagd in een oppervlaktewaterlichaam te lozen; of
ingeval hemelwater direct middels een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, oppervlaktewater van tenminste 10% van het toegenomen verharde of af te koppelen oppervlak wordt gegraven of een bestaand oppervlaktewaterlichaam wordt vergroot in het peilgebied binnen een straal van 2,5 kilometer van waar op het oppervlaktewaterlichaam geloosd wordt, tenzij dit al aantoonbaar is uitgevoerd in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of
compenserende afname van verharding plaatsvindt of dat dit al aantoonbaar heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of
een geschikte combinatie van de onder a tot en met d genoemde maatregelen wordt toegepast.
X
Artikel 3.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.131, niet geschonden worden;
de stremming noodzakelijk is;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, de stremming van de doorstroming gedurende die periode noodzakelijk is;
ingeval de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is:
de vaarwegfunctie niet buitensporig wordt aangetast;
de stremming van de doorvaart (tijdig) wordt aangekondigd.
de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;
indien ten behoeve van de activiteit het oppervlaktewaterlichaam, al dan niet met een pompvoorziening, moet worden omgeleid, dat de omleiding voldoet aan de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april:
een pompvoorziening met voldoende pompcapaciteit op het werkterrein beschikbaar is;
de activiteit bij overvloedige regen of verhoogde waterstanden onmiddellijk wordt opgeschort en de stremming wordt opgeheven als het waterschap dat aanzegt.
de initiatiefnemer een informatieplicht heeft, waarbij tenminste 48 uur voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit het waterschap in kennis wordt gesteld van de feitelijke stremming van het oppervlaktewaterlichaam;
ingeval de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, tenminste vier weken voorafgaand aan de activiteit het stremmen en de duur ervan publiekelijk bekend wordt gemaakt.
Y
Artikel 3.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.137, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.138, niet geschonden worden;
de stuw noodzakelijk is;
ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, de stuw vispasseerbaar is;
ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute;
ingeval in afwijking van artikel 3.138, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de stuw, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;
ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam:
dat de overstortbreedte van de stuw voldoet aan de afvoernormen van het waterschap;
de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;
beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd.
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
de stuw zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;
de stuw zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden;
de kruinhoogte van de stuw minimaal 25 cm hoger is dan het winterpeil of vast peil aan de hoogwaterzijde van de stuw;
ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Z
Artikel 3.146 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de wijziging van het waterpeil langer duurt dan een half jaar, of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.142, niet geschonden worden;
de activiteit noodzakelijk is;
de geohydrologische effecten acceptabel zijn of ingeval van te verwachten negatieve effecten in voldoende mate zijn ondervangen door beheersmaatregelen;
ingeval de activiteit plaatsvindt in een primair oppervlaktewaterlichaam, voldaan wordt aan de hydraulische normen van het waterschap;
ingeval van een onderbemaling:
geen koppeling aan een peilgebied met een lager waterpeil mogelijk is; of
indien het te onderbemalen gebied door afgraven van een wierde of door aftichelen substantieel lager ligt dan de rest van het peilgebied, er reeds sprake is van een significante inundatie van het te onderbemalen gebied.
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
indien uit een geohydrologische analyse blijkt dat er negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, deze op basis van een, door het waterschap vastgesteld, monitoringsplan gemonitord worden;
voor zover de activiteit een onderbemaling betreft, bedoeld in het derde lid, onder e:
de onderbemalingsinstallatie is voorzien van een peilschaal die de waterstand aan de laagwaterzijde ten opzichte van NAP aangeeft;
storingen aan de onderbemalingsinstallatie direct aan het waterschap worden gemeld.
AA
Artikel 3.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.146, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een opgave van het beoogde waterpeil;
een situatietekening met daarop de locatie en omvang van het gebied dat onder invloed staat van het te wijzigen waterpeil en de locatie(s) waar de eventuele voorzieningen of kunstwerken worden geplaatst om het waterpeil te wijzigen;
informatie over het type voorziening of kunstwerk dat ten behoeve van de activiteit wordt gebruikt;
een geohydrologische analyse met een beschouwing van de te verwachten negatieve geohydrologische effecten van de activiteit, een opgave van de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden en een monitoringsplan;
voor zover het een onderbemaling betreft:
ingeval het te onderbemalen gebied door afgraven van een wierde of door aftichelen substantieel lager ligt dan de rest van het peilgebied, een hydrologische analyse waaruit blijkt dat er reeds sprake is van een significante inundatie van het te onderbemalen gebied;
de pompcapaciteit van de onderbemalingsinstallatie in m3 per uur.
informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt;
ingeval van een tijdelijke peilwijziging:
een aanduiding of de tijdelijke wijziging van het waterpeil eenmalig of bij herhaling gedurende meerdere toekomstige periodes op dezelfde locatie plaatsvindt;
die bij herhaling tot stand wordt gebracht, het aantal periodes in een jaar waarin dit plaatsvindt;
een aanduiding van de duur van de periodes waarin de tijdelijke peilwijziging in stand wordt gehouden;
die eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.
BB
Artikel 3.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
gerooide beplanting buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot drie jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering,beperkingengebied I van een overige waterkering geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
CC
Artikel 3.178 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
het bouwwerk zo wordt aangelegd dat het niet kan vervormen of verzakken;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
DD
Artikel 3.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat taluds zodanig worden aangelegd, dat ze robuust zijn.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
ingeval van het aanbrengen van grond, de grond, mits geschikt, wordt aangebracht in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
de ophoging of ontgraving wordt voorzien van een erosiebestendige bekleding;
in geval van grasbekleding:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
EE
Artikel 3.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen tegen uitspoeling van de waterkering.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen ingeval van een risico op uitspoeling van de waterkering.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de inlaat of lozingsvoorziening met toepassing van een adequate techniek wordt aangelegd;
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
de constructie van de inlaat of de lozingsvoorziening tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van de waterkering wordt beschermd;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
FF
Artikel 3.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, geldt dat leidingen met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
voordat de ontgraving wordt aangevuld, drukleidingen aangelegd in een open sleuf worden afgeperst;
bij opbarsting of kwelvorming ingeval van een boring, onmiddellijk telefonisch melding wordt gedaan bij het waterschap en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
als die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat ingeval van kruising van de waterkering, mantelbuizen na het invoeren van de kabel of leiding aan de uiteinden worden voorzien van een waterdichte afsluiting.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
GG
Artikel 3.203 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in:
beperkingengebied I of beperkingengebied II of beperkingengebied III van een primaire waterkering; of
beperkingengebied I of beperkingengebied II van een regionale waterkering of beperkingengebied I of beperkingengebied II van een overige waterkering, voor zover de kabel of leiding:
de waterkering middels een horizontaal gestuurde boring kruist, waarbij de uitwendige diameter van de leiding of mantelbuis groter is dan 0,3 meter, of ingeval van een drukleiding, de ontwerpdruk in de leiding groter is dan 10 bar, of ingeval van een elektriciteitskabel, de spanning op de kabel hoger is dan 100 kV;
de waterkering middels een open ontgraving of middels een andere boortechniek dan de horizontaal gestuurde boring kruist;
parallel in of langs de waterkering wordt aangelegd.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.199, niet geschonden worden;
de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;
ingeval van een open ontgraving, het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;
het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;
als in de periode van 1 oktober tot 1 april de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.
HH
Artikel 3.224 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.222.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.223, niet geschonden worden;
het waterkerend vermogen van bestaande waterkeringen niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;
de waterkering gedurende de levensduur over voldoende waterkerend vermogen beschikt, wat onder meer inhoudt dat:
de kruin voldoende hoog is;
de waterkering voldoende overhoogte heeft;
de waterkering voldoende waterdicht is;
de stabiliteit geborgd is;
de weerstand tegen belasting door voertuigen van het waterschap voldoende is;
indien van toepassing, de waterkering voldoende bestand is tegen bodembeweging;
de bekleding van de waterkering voldoende erosiebestendig is; en
de waterkering efficiënt en effectief te beheren en te onderhouden is.
een door het waterschap te onderhouden waterkering geschikt is voor voertuigen van het waterschap;
een ten gevolge van de activiteit te wijzigen begrenzing van de beperkingengebieden niet tot onacceptabele situaties leidt;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;
als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op bestaande waterkeringen;
de grond onder een nieuwe waterkering wordt ontdaan van puin, hout, stronken, explosieven en vuil tot een diepte van 1 meter beneden het maaiveld;
toe te passen grond, mits geschikt, wordt aangebracht in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot een proctordichtheid van minimaal 97%;
wanneer een nieuwe waterkering wordt aangesloten op een bestaande waterkering:
ingeval van grasbekleding op het aansluitpunt van de bestaande waterkering, deze wordt verwijderd, waarna deze plek wordt gefreesd;
bij het aansluitpunt van de bestaande waterkering, inkassing wordt toegepast;
het profiel van de waterkering gradueel wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel van de bestaande waterkering;
de bekleding van bestaande waterkeringen wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel en een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van onvoorziene nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
een te vervangen waterkering pas verwijderd wordt als de nieuwe waterkering gereed is;
tenminste 14 dagen voorafgaand aan de oplevering van een nieuwe waterkering contact wordt opgenomen met het waterschap;
tenminste 14 dagen voorafgaand aan verwijdering van een waterkering contact wordt opgenomen met het waterschap.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
II
Artikel 3.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
het werk, met uitzondering van funderingspalen, in zijn geheel wordt verwijderd;
de eventueel aanwezige funderingspalen tot een diepte van anderhalve meter onder het bestaande maaiveld of profiel van de waterkering verwijderd worden.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
verwijderde werken buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
JJ
Artikel 3.243 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, met uitzondering van het aanleggen van een put voor een brandblusvoorziening en het daaruit onttrekken van grondwater en het onttrekken van grondwater, bedoeld in artikel 16.3, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die niet plaatsvindt in een beperkingengebied van het Rijk, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als:
het onttrekken van grondwater verschillende doeleinden betreft, behalve menselijke consumptie, waarbij de activiteit:
het onttrekken van grondwater voor menselijke consumptie plaatsvindt; en
hoogstens 80 m3 per uur wordt geïnfiltreerd.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, binnen twee weken na beëindiging van de activiteit aan het waterschap worden doorgegeven;
ingeval de activiteit langer duurt dan een jaar, de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, jaarlijks in de maand januari aan het waterschap worden doorgegeven;
ingeval van infiltratie van oppervlaktewater, de kwaliteit van het te infiltreren water wordt gemeten door het nemen van representatieve monsters die worden geanalyseerd conform bijlage 4, van de Drinkwaterregeling aan de hand van de in de volgende tabel opgenomen parameters met de daarin aangegeven frequentie:
Tabel Parameters en meetfrequentie
Parameter | Afkorting | Frequentie |
bacteriën van de coligroep | vierwekelijks | |
kleur | vierwekelijks | |
zwevende stof | SS | vierwekelijks |
geleidingsvermogen voor elektriciteit | vierwekelijks | |
temperatuur | T | vierwekelijks |
zuurgraad | pH | vierwekelijks |
opgelost zuurstof | O2 | vierwekelijks |
totaal organisch koolstof | TOC | vierwekelijks |
bicarbonaat | HCO3 | vierwekelijks |
nitriet | NO2 | vierwekelijks |
nitraat | NO3 | vierwekelijks |
ammonium | NH4 | vierwekelijks |
totaal fosfaat | Totaal P | vierwekelijks |
fluoride | F | driemaandelijks |
chloride | Cl | vierwekelijks |
sulfaat | SO4 | driemaandelijks |
natrium | Na | driemaandelijks |
ijzer | Fe | driemaandelijks |
mangaan | Mn | driemaandelijks |
chroom | Cr | driemaandelijks |
lood | Pb | driemaandelijks |
koper | Cu | driemaandelijks |
zink | Zn | driemaandelijks |
cadmium | Ca | driemaandelijks |
arseen | As | driemaandelijks |
cyanide | CN | driemaandelijks |
minerale olie | vierwekelijks | |
adsorbeerbaar organisch halogeen | AOX | vierwekelijks |
vluchtig organisch gebonden chloor | VOC | vierwekelijks |
vluchtige aromaten | vierwekelijks | |
polycyclische aromaten | PAK | driemaandelijks |
fenolen | driemaandelijks |
voor ingeval het onttrekken van grondwater plaatsvindt in samenhang met het infiltreren van oppervlaktewater, het te infiltreren water in lagere concentraties aanwezig is dan voor die stoffen is aangegeven in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, dat die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten;
voorvallen die plaatsvinden tijdens de activiteit, die van negatieve invloed zijn op de meting, binnen 48 uur onder opgave van datum en met bijbehorende toelichting worden doorgegeven aan het waterschap;
ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten voor derden kunnen worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen om die te ondervangen.
KK
Artikel 3.244 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De melding, bedoeld in artikel 3.243, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:
een situatietekening met de locatie(s) van de put(ten);
het aantal put(ten) dat wordt gebruikt voor het onttrekken of infiltreren van grondwater;
de coördinaten van de put(ten);
informatie waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot bodem- en grondwaterverontreiniging;
een geohydrologische analyse ingeval van te verwachten negatieve geohydrologische effecten;
indien een geohydrologische analyse wordt overgelegd, een opgave van:
ingeval van infiltratie:
de diepte in meters ten opzichte van NAP waarop het water in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd; en
voor zover sprake is van infiltratie van oppervlaktewater, de herkomst, de kwaliteit en samenstelling van het water dat in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd.
indien het onttrekken van grondwater in samenhang plaatsvindt met het infiltreren van oppervlaktewater ter aanvulling van het grondwater, een beschrijving van de samenhang van de onttrekking en de infiltratie;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I, in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een waterkering, een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht;
de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van de put(ten) ten opzichte van het maaiveld en het NAP;
de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters van de put(ten);
de capaciteit van de pomp in m3 per uur waarmee het grondwater wordt onttrokken of geïnfiltreerd;
de hoeveelheid water die in m3 per uur, etmaal, maand en jaar, ten hoogste wordt onttrokken of geïnfiltreerd;
een aanduiding of de onttrekking of infiltratie van grondwater continu of niet-continu plaatsvindt;
ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater, een opgave of dit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;
ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater die bij herhaling plaatsvindt, een opgave van de regelmaat waarmee dit plaatsvindt;
ingeval de onttrekking of infiltratie van grondwater eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.
LL
Artikel 3.246 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.245, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een situatietekening met de locatie(s) van de put(ten);
het aantal put(ten) dat wordt gebruikt voor het onttrekken of infiltreren van grondwater;
de coördinaten van de put(ten);
informatie waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot bodem- en grondwaterverontreiniging;
een geohydrologische analyse met een opgave van:
de geohydrologische effecten die tot negatieve gevolgen kunnen leiden;
de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden;
een monitoringsplan.
ingeval van infiltratie:
de diepte in meters ten opzichte van NAP waarop het water in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd; en
voor zover sprake is van infiltratie van oppervlaktewater, de herkomst, de kwaliteit en samenstelling van het water dat in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd.
indien het onttrekken van grondwater in samenhang plaatsvindt met het infiltreren van oppervlaktewater ter aanvulling van het grondwater, een beschrijving van de samenhang van de onttrekking en de infiltratie;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I, in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een waterkering, een rapportage van de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht;
de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van de put(ten) ten opzichte van het maaiveld en het NAP;
de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters van de put(ten);
de capaciteit van de pomp in m3 per uur waarmee het grondwater wordt onttrokken of geïnfiltreerd;
de hoeveelheid water die in m3 per uur, etmaal, maand en jaar, ten hoogste wordt onttrokken of geïnfiltreerd;
een aanduiding of de onttrekking of infiltratie van grondwater continu of niet-continu plaatsvindt;
ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater, een opgave of dit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;
ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater die bij herhaling plaatsvindt, een opgave van de regelmaat waarmee dit plaatsvindt;
ingeval de onttrekking of infiltratie van grondwater eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.
MM
Artikel 3.250 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, die plaatsvindt invoor zover het beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap niet is aangewezen als:
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het te lozen afvalwater, gemeten in de bemonsteringsvoorziening en ter plaatse van het lozingspunt, voldoet aan de grenswaarden van de in de tabel genoemde stoffen/parameters:
Stof/Parameter | Grenswaarde in enig steekmonster |
Minerale oliën | 20 mg/l |
Onopgeloste stoffen | 60 mg/l |
Zuurgraad (pH) | 6,5 – 9,0 |
Gewasbeschermingsmiddelen (totaal) | 150 μg/l |
Gewasbeschermingsmiddelen: Cypermethrin, Deltamethrin, Dichloorvos, Esfenvaleraat, Fenpropathrin, Fipronil, Imidacloprid, Lambda-cyhalothrin, Methylpirimifos, Teflubenzuron | 0,1 μg/l |
NN
Artikel 3.252 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, die plaatsvindt invoor zover het beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, dat door het waterschap is aangewezen als:
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.248, niet geschonden worden;
alternatieve lozingsroutes zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk;
de activiteit niet kan plaatsvinden in een ander oppervlaktewaterlichaam, dan het oppervlaktewaterlichaam bedoeld in het eerste lid;
ingeval er overige stoffen of preparaten voorkomen in het afvalwater, deze in het oppervlaktewater geloosd mogen worden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat de noodzakelijke beheersmaatregelen worden getroffen om (te verwachten) negatieve effecten op de waarde van het ecologische watersysteem te ondervangen.
OO
Artikel 3.257 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.256, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
de aard en omvang van de lozingsactiviteit;
een rapportage, waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot negatieve effecten op de waarde van het ecologische watersysteem en waarin in ieder geval is opgenomen:
een ondergrens en bovengrens voor de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewater;
de omvang van de mengzone die passend is voor het type oppervlaktewaterlichaam waarin de activiteit plaatsvindt;
de gemiddelde en maximale hoeveelheid te lozen koude- en warmtevracht in m3 per uur;
de gemiddelde, minimale en maximale temperatuur van de te lozen koude- of warmtevracht;
eventuele beheersmaatregelen die getroffen moeten worden.
informatie over overige stoffen of preparaten die mogelijk in het te lozen koud water voorkomen en zo ja, een opgave van of er toestemming is voor de aanwezigheid van die stoffen of preparaten in het te lozen afvalwater;
informatie over het type lozingsvoorziening;
informatie over het type bemonsteringsvoorziening;
indien van toepassing, de verwachte einddatum van de activiteit.
PP
Artikel 3.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.258, voor zover die het verplaatsen van vis betreft die lijdt aan visflauwte, geldt dat:
zo spoedig mogelijk contact wordt opgenomen met het waterschap;
het waterschap, voor zover mogelijk, wordt geïnformeerd over:
vis die alsnog sterft, wordt verwijderd uit het oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.270.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.271, niet geschonden worden;
de activiteit noodzakelijk is;
het zuiveringtechnisch werk waarop geloosd wordt:
voor de te lozen vracht voldoende hydraulische capaciteit heeft;
de in het afvalwater aanwezige vuilvracht in voldoende mate kan opvangen en door de rioolwaterzuiveringsinstallatie gezuiverd kan worden;
de in het afvalwater aanwezige verstorende stoffen kan opvangen en door de rioolwaterzuiveringsinstallatie gezuiverd kan worden.
er voldoende maatregelen of voorzieningen worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
ingeval het afvalwater per as wordt aangevoerd, de lozing plaatsvindt door middel van een pompvoorziening;
ingeval het afvalwater per as wordt aangevoerd, dit wordt geloosd op het dichtstbijzijnde zuiveringtechnische werk, voor zover dit beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of beperkingengebied C-II van een rioolgemaal betreft;
voordat de lozing wordt uitgevoerd, zoveel mogelijk verstorende stoffen uit het te lozen afvalwater worden verwijderd;
op aanzegging van het waterschap het aanvangstijdstip van de lozing onmiddellijk wordt opgeschort;
op aanzegging van het waterschap de hoeveelheid te lozen afvalwater onmiddellijk wordt beperkt.
RR
Artikel 3.276 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.274, voor zover de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding en de persleiding een EV-leiding betreft.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om schade aan zuiveringtechnische werken te voorkomen;
door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld;
ingeval hoogspanningssystemen (> 1 kV) of lijnen en spoorwisselstroomtractie worden aangelegd, de onderlinge beïnvloeding aantoonbaar niet groter mag zijn dan volgens daarvoor geldende actuele NEN-normen toelaatbaar is;
ingeval van het aanleggen van leidingen, dit wordt uitgevoerd met toepassing van een adequate techniek;
ingeval van een gestuurde boring, het boorplan op het werkterrein voor toezicht en inspectie ingezien kan worden;
ingeval van heiwerkzaamheden, het sonderingsplan op het werkterrein voor toezicht en inspectie ingezien kan worden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
de feitelijke werkzaamheden eerst plaatsvinden nadat zekerheid is verkregen over de feitelijke ligging van de persleiding en (het tracé van) de persleiding middels markeringen is aangewezen;
ingeval van machinaal graven of heiwerkzaamheden die plaatsvinden boven en binnen 10 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-IV en boven en binnen 30 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-V, dat:
de persleiding eerst wordt gelokaliseerd aan de hand van een proefsleuf en zichtbaar wordt gemaakt;
een graafbak zonder tanden wordt gebruikt;
de persleiding niet wordt aangeprikt met een prikstang;
de persleiding wordt beschermd door middel van draglineschotten;
de activiteit op minimaal 0,50 meter afstand van de bovenkant en weerszijden van de persleiding plaatsvindt en voor zover het heiwerkzaamheden betreft op minimaal 1 meter afstand van de bovenkant en weerszijden van de persleiding.
opslag van materiaal en materieel is toegestaan aan weerszijden van de persleiding mits tijdelijk;
ingeval van het aanbrengen van een gesloten verharding of bij het mechanisch in- en uitdrijven van voorwerpen in de grond boven en binnen10 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-IV en boven en binnen 30 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-V, dat deze voldoet aan een zettings- en/of sterkteberekening uitgevoerd conform de daarvoor geldende actuele NEN-normen.
ingeval van een open ontgraving, de persleiding waar nodig doelmatig en stabiel ondersteund wordt tegen doorhangen of schuiven, waarvoor geldt dat leidingen met een inwendige diameter van 150 mm of groter een vrije overspanning hebben van maximaal 4 meter en leidingen met een inwendige diameter die kleiner is dan 150 mm een vrije overspanning hebben van maximaal 2 meter;
ingeval kabels met een spanning van 1 kV en hoger, gekruist ten opzichte van de persleiding worden aangelegd:
dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 1 meter van de bovenkant van de persleiding; of
indien een neopreen slab, een PE-plaat of een mantelbuis met oversteek van 1 meter wordt toegepast, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding.
ingeval kabels en leidingen door middel van een open ontgraving worden aangelegd, deze haaks op de persleiding worden aangelegd op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding;
ingeval kabels en leidingen door middel van een gestuurde boring worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 5 meter rondom de persleiding;
ingeval kabels en leidingen door middel van overige sleufloze kruisingstechnieken worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 1 meter rondom de persleiding, onder voorwaarde dat de persleiding zichtbaar is;
ingeval kabels en leidingen parallel worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal twee meter aan weerszijden van de persleiding;
ingeval drainageleidingen gekruist ten opzichte van de persleiding worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding;
ingeval drainageleidingen gekruist ten opzichte van de persleiding, in afwijking van het vijfde lid, onder k, binnen een afstand van 0,50 meter van de persleiding worden aangelegd, moet het gedeelte binnen een strook van 1 meter aan weerszijden van de persleiding met de hand worden ontgraven en de drainage met de hand worden aangebracht;
ingeval oppervlaktewater wordt aangelegd, dit gebeurt met een gronddekking van minimaal 1 meter tussen de bodem van het oppervlaktewater en de bovenkant van de persleiding en een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht;
indien de bovengrond boven een persleiding is ingericht om transport plaats te laten vinden, ingeval van (tijdelijke) zware transporten, een vrijdragende constructie wordt aangebracht.
SS
Artikel 3.277 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De melding, bedoeld in artikel 3.276, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:
een plan van aanpak bestaande uit:
een specifieke omschrijving van de werkzaamheden;
een opgave van het materiaal dat wordt toegepast;
een opgave van het materieel dat wordt gebruikt;
een opgave van de omvang van de activiteit in vierkante meters en in kubieke meters;
de voorzorgsmaatregelen die getroffen worden om schade aan zuiveringtechnische werken te voorkomen.
ingeval van het aanleggen van hoogspanningssystemen (> 1 kV) of lijnen en spoorwisselstroomtractie, informatie waaruit blijkt dat de onderlinge beïnvloeding niet groter is dan volgens de daarvoor geldende actuele NEN-normen toelaatbaar is;
ingeval van een gestuurde boring, een door het waterschap goedgekeurd boorplan;
ingeval van heiwerkzaamheden, een door het waterschap goedgekeurd sonderingsplan;
ingeval van het aanbrengen van een gesloten verharding of bij het mechanisch in- en uitdrijven van voorwerpen in de grond boven een persleiding, in beperkingengebied C-IVbeperkingengebied C-IV of in beperkingengebied C-V van een persleiding, een zettings- en/of sterkteberekening;
ingeval de bovengrond is ingericht om transport plaats te laten vinden en er sprake is van (tijdelijke) zware transporten boven een persleiding in beperkingengebied C-IVbeperkingengebied C-IV of in beperkingengebied C-V van een persleiding, een opgave van:
de uitvoeringswijze;
het transport type en aantal bewegingen;
de maximale belasting over het tracé;
de te verwachten zettingen op het niveau van de leiding(en);
de te treffen maatregelen tegen ongeoorloofd (werk)verkeer over het tracé.
TT
Na afdeling 3.6 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Deze afdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten, bedoeld in paragraaf 3.7.2 tot en met 3.7.18, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.
De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, van deze waterschapsverordening, die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in artikel 3.278, houden in elk geval in dat:
de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam geborgd is;
het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;
negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt en indien dit niet mogelijk is, de activiteit te staken of niet uit te voeren;
visuele verontreiniging van het oppervlaktewater zoveel mogelijk wordt voorkomen;
ingeval van een warmte- of koudevracht, verandering van de temperatuur van het oppervlaktewater ter hoogte van het lozingspunt zo geleidelijk mogelijk plaatsvindt;
afvalwater doelmatig moet kunnen worden bemonsterd;
het doelmatig functioneren van zuiveringtechnische werken niet wordt aangetast;
het zuiveringsrendement, als gevolg van de activiteit, niet negatief wordt beïnvloed;
de hoeveelheid vuilvracht in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;
de hoeveelheid afwijkende en verstorende stoffen in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;
grenswaarden of signaleringswaarden van bepaalde in het afvalwater voorkomende stoffen niet worden overschreden;
de bereikbaarheid van de zuiveringtechnische werken voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;
onderhoudswerkzaamheden door of namens het waterschap niet worden belemmerd;
verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;
vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem wordt voorkomen;
verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.
Dit artikel is van toepassing op de activiteiten, bedoeld in artikel 3.278, met uitzondering van paragraaf 3.7.3, paragraaf 3.7.9 en paragraaf 3.7.18.
Voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden tenminste de gegevens en bescheiden overgelegd bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van deze waterschapsverordening.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.1, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.1 Emissiegrenswaarden in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
BTEX | 50 μg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 μg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 μg/l |
Minerale olie | 500 μg/l |
Cadmium | 4 μg/l |
Kwik | 1 μg/l |
Koper | 11 μg/l |
Nikkel | 41 μg/l |
Lood | 53 μg/l |
Zink | 120 μg/l |
Chroom | 24 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.2 Emissiegrenswaarden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
Minerale olie | 50 μg/l |
Cadmium | 0,4 μg/l |
Kwik | 0,1 μg/l |
Koper | 1,1 μg/l |
Nikkel | 4,1 μg/l |
Lood | 5,3 μg/l |
Zink | 12 μg/l |
Chroom | 2,4 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 20 mg/l |
Benzeen | 2 μg/l |
Tolueen | 7 μg/l |
Ethylbenzeen | 4 μg/l |
Xyleen | 4 μg/l |
Tetrachlooretheen | 3 μg/l |
Trichlooretheen | 20 μg/l |
1,2-dichlooretheen | 20 μg/l |
1,1,1-trichloorethaan | 20 μg/l |
Vinylchloride | 8 μg/l |
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen | 20 μg/l |
Monochloorbenzeen | 7 μg/l |
Dichloorbenzenen | 3 μg/l |
Trichloorbenzenen | 1 μg/l |
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:
niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.282 en in artikel 3.283, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 3.282 en in artikel 3.283, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:
niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.285, voor zover dit betreft de lozing van afvloeiend hemelwater in verband met de aanleg, reconstructie of ingrijpende wijziging van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 6 maanden voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.286, worden, ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het een vervuilingswaarde heeft van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
100 meter bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
600 meter bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
1.500 meter bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid via een zuiveringsvoorziening voor Individuele Behandeling van Afvalwater, waarvoor geldt dat NEN-EN 12566-1 of de NEN-uitgave die deze vervangt, voorziet in de certificering voor septictanks en de NEN-EN 12566-3 of de NEN-uitgave die deze vervangt, geldt voor de certificering van andere zuiveringsvoorzieningen.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 1.3.
Tabel 1.3 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 1.4.
Tabel 1.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.288, gegevens en bescheiden verstrekt over:
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;
de wijze van behandeling van het afvalwater.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 3.288, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.291, gegevens en bescheiden verstrekt over de maximale warmtevracht.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 3.291, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om:
afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigings- en conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 3.294.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en
welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.
Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.293 tot en met artikel 3.295, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.294; of
voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.295.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 3.293 tot en met artikel 3.295, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.
In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 meter is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.5 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink | 1 mg/l |
Minerale olie | 20 mg/l |
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 50 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Som van stikstofverbindingen | 10 mg/l |
Som van fosforverbindingen | 2 mg/l |
Totaal organische koolstof (TOC) | 66,7 mg/l |
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.301 en in artikel 3.302, gegevens en bescheiden verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 3.301 en in artikel 3.302, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1º tot en met 3º, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.306 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.306, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;
als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.307.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 3.306, in artikel 3.308 en in artikel 3.309, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.312, gegevens en bescheiden verstrekt over:
In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.6, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.6 Emissiegrenswaarden
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.7, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.7 Emissiegrenswaarden
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.8, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.8 Emissiegrenswaarden
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.314 tot en met 3.318, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 3.314 tot en met 3.318, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikel 4.140, eerste lid, en artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:
Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.321 in samenhang met artikel 3.322, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 3.321 in samenhang met artikel 3.322, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 3.280, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.281, voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.324, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 3.324, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as van een mens of dier door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.
UU
Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een onherroepelijk geworden vergunning, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment vanvanaf de inwerkingtreding van deze verordening als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.:
een omgevingsvergunning, mits de activiteit waarvoor vergunning is verleend bij of krachtens deze verordening nog steeds vergunningplichtig is;
een maatwerkvoorschrift, mits de activiteit waarvoor vergunning is verleend niet meer vergunningplichtig is en maatwerk voor de betreffende activiteit bij of krachtens deze verordening is toegestaan.
Een onherroepelijk geworden vergunning, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.
Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een maatwerkvoorschrift, mits maatwerk voor de betreffende activiteit bij of krachtens deze verordening is toegestaan.
Het vervallen van de vergunning, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.
Een onherroepelijk geworden vergunning of maatwerkbeschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, komt geheel of gedeeltelijk te vervallen voor zover de daarin opgenomen voorschriften:
in strijd zijn met de bij of krachtens de Omgevingswet- en regelgeving of de bij of krachtens deze verordening gestelde algemene- en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten;
naar hun inhoud en strekking overeenkomen met of niet verder gaan dan de bij of krachtens deze verordening gestelde algemene- en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten voor die activiteit.
Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.
Van overeenkomen als bedoeld in het derde lid, onder b, is sprake indien het voorschrift, gelet op doel, materieel geen aanvullende of afwijkende verplichtingen bevat ten opzichte van de van toepassing zijnde algemene- en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten in deze verordening.
Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, bedoeld in het vierde lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.
Ingeval een voorschrift gedeeltelijk vervalt op grond van het derde lid, blijft, overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid, het voorschrift voor het overige als vergunning- of maatwerkvoorschrift in stand.
Het geheel of gedeeltelijk vervallen van de vergunning of de maatwerkbeschikking, bedoeld in het vijfdederde lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.
Voor een activiteit waarvoor op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening bij het waterschap een melding is gedaan, door het waterschap een maatwerkbeschikking of een vergunning is verleend of die enkel wordt uitgevoerd op grond van algemene regels, geldt dat voor zover die activiteit op het moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt uitgevoerd op grond van de toentertijd van toepassing zijnde algemene regels of voorschriften die vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten, dat tot de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden geen sprake is van een overtreding in de zin van artikel 5:1, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de activiteit onevenredige waterveiligheidsrisico’s oplevert, onevenredig waterbezwaarlijk is of de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken in gevaar wordt gebracht.
Het bepaalde in het eerste lid tot en met het zesde lid is met terugwerkende kracht van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
VV
Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Een melding van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt, ingeval voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een meldingsplicht geldt, als een melding van die activiteit op grond van deze verordening.
Een melding van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, wordt, ingeval die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening toestemmingsvrij uitgevoerd mag worden, niet in behandeling genomen.
Een aanvraag om een vergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt, ingeval voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een meldingsplicht geldt, als een melding van die activiteit op grond van deze verordening.
Een aanvraag om een vergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, wordt, ingeval die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening toestemmingsvrij uitgevoerd mag worden, niet in behandeling genomen.
WW
Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, waarvoor een bestuurlijke sanctie is opgelegd, zal het nieuwe recht van rechtswege van toepassing zijn, voor zover de overtreden norm gewijzigd is.
XX
Het opschrift van artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
De krachtens artikel 22.14 en artikel 22.15, van de Omgevingswet bedoelde waterschapsverordening, zoals die gold direct voor inwerkingtreding van deze verordening, wordt ingetrokken, met uitzondering van de regels en plichten voor een activiteit die een lozing van stoffen of afvalwater betreft, bedoeld in afdeling 7.2, hoofdstuk 2, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
ZZ
Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Bijlage 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze bijlage van de verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
toereikende techniek, telkens gedefinieerd in de toelichting
verwijderen van bodemlagen van een stuk grond
kunstmatig opdelingobjecten ten behoeve van scheiding van vastgoedobjecten of virtuele gebieden
het transport van water uit een bepaald (stroom-)gebied
het afgraven van grond ten behoeve van kleiwinning voor steenfabrieken
de hoogste afvoer die onder bepaalde omstandigheden een waterloop of kunstwerk kan passeren
afvoer van gezuiverd afvalwater naar oppervlaktewater OF: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater
bezonken sediment boven gewenste bodemhoogte
het gehele proces van ontgraven, transport en storten van materiaal onder water met als doel het verdiepen of winnen van mineralen
door uitgraven of baggeren verkregen grond
werksoort waarbij het gaat om de verkeersbeheersing in de verkeerbeheersingcentrales, de bediening en controle van tunnels en bruggen in rijkswegen en de bediening van objecten (bruggen, stuwen, stormvloedkeringen en sluizen)
het plantenkleed van een locatie (concreet)
werksoort waarbij het functioneren van het watersysteem, zuiveringtechnische werken en overige werken in kwalitatieve en kwantitatieve zin in stand wordt gehouden
plan met maatregelen voor herstel, inrichting en onderhoud van een object
gebied waarvoor geldt dat één organisatie dit beheert
een strategisch plan voor een watersysteem waarop de wijze waarop beheerd wordt inzichtelijk gemaakt wordt, zowel voor de eigen organisatie als voor derden
de bovenlaag eventueel in combinatie met een filter en de onderlaag van de waterkering ter hoogte van en onder het maatgevende hoogwaterpeil
het verwijderen van overtollig water door middel van een gemaal
het verkrijgen van een representatief monster ten behoeve van het analyseren van het afvalwater of slib
een monsterafnamevoorziening of monsternemingstoestel om hetzij met tussenpozen, hetzij continu een monster te verkrijgen met het doel een aantal duidelijk omschreven eigenschappen van het afvalwater of slib te kunnen onderzoeken
kleimineraal met hoog zwel- en absorptievermogen en een zeer lage doorlatendheid
gewassen, beplanting en struiken OF: natuurlijke vastgoedobjecten in lijnvormig en/of puntvormig voorkomen
bereikbaarheid is één van de vier thema’s binnen Wegbeheer. De mate waarin een bepaald gebied bereikbaar is vanuit andere gebieden. De voornaamste kenmerken hebben betrekking op de verplaatsingen (relaties) tussen de gebieden, de snelheid en betrouwbaarheid van die relaties en de toegankelijkheid. De kwaliteit van de bereikbaarheid wordt bepaald met het criterium trajectsnelheid
de hoeveelheid oppervlaktewater die maximaal in de boezem of in de polder kan worden geborgen tussen het peil en de maximaal toelaatbare waterstand
horizontale of licht hellende strook grond langs een weg, spoorweg, sloot of dijk
een oeververdedigingswerk in de vorm van materiaal dat is aangebracht op de grens van water en land, of langs de waterkant, om de oever tegen afkalving te beschermen, of om te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling
bestemming van gronden zoals opgenomen in een bestemmingsplan. Onder grond valt ook (oppervlakte-)water
gemeentelijk plan voor de ruimtelijke ordening, waarin de bestemming, ofwel de toegestane wijze van gebruik (en inrichting), van land (en water) wettelijk bindend zijn of kunnen worden vastgelegd
doorbraak van dijk of duin (einde waterkerende functie)
de overgang (snijlijn) van de taludhelling van een waterkering (dijklichaam) naar het maaiveld aan de binnendijkse- (binnenteen) en aan de buitendijkse (buitenteen) kant van de waterkering
aanwijzing voor de (streef)breedte op bodemniveau
daling van het grondoppervlak door oxidatie van veen, zetting of geologische processen
onderzoek en studie van de bodem die in het veld (ter plekke) worden uitgevoerd
het stelsel van met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen dat dient voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
(water in) een stelsel van gemeen liggende, met elkaar in openverbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
het onttrekken van grondwater met als doel het kunnen uitvoeren van werkzaamheden in de bodem
voorziening die permanent in de fysieke leefomgeving aanwezig is voor noodsituaties en is aangelegd in combinatie met een put waaruit grondwater wordt onttrokken. Als een brandblusvoorziening ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, wordt de voorziening niet als een brandblusvoorziening aangemerkt
het uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp
het wegpompen van grondwater om een stuk grond droger te maken
een civielkundige constructie, zijnde een vaste of beweegbare verbinding van de ene kant van het water naar de andere kant van het water, aangelegd boven obstakels of tussen twee punten op een hoogte boven de grond, die doorgang verschaft voor voetgangers, dieren, voertuigen en diensten
omstandigheden waaronder de goede staat van één of meer waterstaatswerken onmiddellijk en ernstig in het ongerede is of dreigt te komen
het al dan niet met hemelwater gemengde afvalwater afkomstig van huishoudens, bedrijven en instellingen, dat met behulp van het communale afvalwatersysteem (riolering, persleidingen, rioolgemalen, rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi)) ingezameld, getransporteerd, behandeld en op het oppervlaktewater wordt geloosd
bestuursorgaan waarvan de leden worden gekozen uit het algemeen bestuur (het hoogste, democratisch gekozen bestuursorgaan van het waterschap) en dat onder voorzitterschap staat van de dijkgraaf
een wal in een watergang die het water tegenhoudt OF: in en dwars over een water opgeworpen aarden wal die dient om het water te keren, te leiden of te verdelen (in tegenstelling tot dijk: die langs het water ligt)
dam in een primair, secundair of tertiair oppervlaktewaterlichaam met een buis of koker, waar water doorheen kan stromen
een oeververdedigingswerk bestaande uit verticale constructiedelen die in een opeenvolgende rij in de grond worden gedreven, meestal om weerstand te bieden tegen zijkrachten
het volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt
de onder de waterspiegel gelegen dwarsdoorsnede van een watergang
de kleinste breedte onder een brug of in een sluis die bij de maatgevende waterstand volledig door het maatgevende schip kan worden benut, gemeten loodrecht op de vaarwegas
de verticale afstand tussen de maatgevende hoogwaterstand en de onderkant van een overspanning boven de vaarweg bij volbelasting die te allen tijde beschikbaar is voor de scheepvaart
afvoer van water over en door de grond om de grondwaterstand kunstmatig te beïnvloeden
water bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of voedsel te bereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering van warm tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikking wordt gesteld aan consumenten of andere afnemers
het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een waterloop en het aangrenzende grondoppervlak
een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken
bodemprofiel in een dwarsdoorsnede van een kust, rivier of dijk
de gewenste ecologische toestand van een water wordt bepaald door het watertype en de gewenste levensgemeenschap van planten en dieren die daarbij hoort, en de factoren die hiervoor bepalend zijn, zoals de inrichting, de wijze van onderhoud, het doorzicht en zuurstofgehalte en de gewenste concentraties van bepaalde stoffen die van nature in het water aanwezig zijn, zoals (onder meer) zuurstof, stikstof- en fosfaatverbindingen, chloride, bicarbonaat en sulfaat
kwaliteit van het water die voldoet aan de eisen van de plaatselijke flora en fauna
het proces waarbij grond, gesteente en dergelijke verplaatst worden door c.q. wegspoelen onder invloed van wind, stromend water of bewegende ijsmassa's
een persleiding waarop een Eis Voorzorgsmaatregel rust. Dat zijn persleidingen die doorgaans kwetsbaar en/of risicovol zijn en waarvoor extra voorschriften (eisen) gelden om te voorkomen dat er milieuschade kan optreden (bijvoorbeeld bij graafschade)
een georganiseerde gebeurtenis of groepsactiviteit zoals roei-, vis- en zwemwedstrijden, survivals, triatlons en fiets- en schaatstoertochten
de opeenvolging van gebeurtenissen die leidt tot falen
de dierenwereld van een regio
een voorziening langs een steile oever van een waterweg, waar (te water geraakte) dieren aan land kunnen komen
de plantenwereld van een regio
het stijgen en dalen van de grondwaterstand. Soms wordt deze term in kwantitatieve zin gebruikt als het verschil tussen GLG en GHG
een gemaal dient in principe om water van een laag peil naar een hoog peil te brengen, waarvan de noodzaak kan liggen in wateroverschot aan de lage kant (afvoer) of in waterbehoefte in het gebied aan de hoge kant (aanvoer)
op basis van de wetenschap die het grondwater onderzoekt
de oppervlakte van de gesloten verharding van het afvoerend oppervlak dat op de vrijvervalleiding loost
smal en meestal diep water, smal kanaal
een balk of ligger, aangebracht in de lengterichting van een oeververdedigingswerk met als doel de stabiliteit van het oeververdedigingswerk te verhogen
aanduiding die betrekking heeft op in de bodem aanwezig materiaal, waarvan de naam afhankelijk is van de onderlinge verhouding tussen de verschillende korrelfracties en eventueel aanwezige bijmengsels als kalk en humus
het verplaatsen van grond OF: het geheel van ontgraven, transport, inrijden/spuiten, spreiden en onder profiel brengen van grond
het verwijderen van verontreinigende componenten uit een grondwaterlichaam door middel van onttrekking (en zuivering) van verontreinigd grondwater
de hoogte van een punt waar het grondwater een drukhoogte gelijk nul heeft (de absolute waterdruk is dan gelijk aan de druk van de atmosfeer) ten opzichte van een referentieniveau
aaneengesloten rij struiken met als doel het scheiden van ruimte
afscheiding met vrij doorzicht
het intreden van water aan het grondoppervlak OF: de voeding door middel van infiltratiebassins of andere kunstmatige middelen OF: de voeding vanuit het oppervlaktewater, opgewekt door onttrekking in de omgeving OF: de aanvulling van water onder het grondoppervlak door middel van een slotenstelsel of buizenstelsel
houdt in dat grond trapsgewijs wordt ontgraven met treden waarvan zowel de hoogte als diepte doorgaans tussen de 0,3 en 0,5 meter ligt. Op deze manier wordt bij het terugplaatsen van grond een robuuste aansluiting van geroerde en ongeroerde grond gerealiseerd
constructie toegang gevend tot het ondergrondse leidingenstelsel
snijlijn van het talud van een oppervlaktewaterlichaam met het maaiveld
het laten overstromen OF: het via een waterkering binnendringen van water in een dijkring in een zodanige hoeveelheid dat het gebied de functie(s) waarvoor het is ingericht niet meer kan vervullen OF: het onder water zetten van lage gronden, (als middel tot verdediging)
zwaar driestrengtouw
omlaaggerichte wrijvingskracht op een paal door zetting van omringende grond, waardoor het nuttig draagvermogen van een paal wordt verkleind
natuurlijk door of in water afgezet materiaal dat is ontstaan door verwering van gesteenten, behorende tot de fijnste groep afzettingsgesteenten
door verwering en ontleding van gesteenten en de mineralen waaruit deze bestaan, vallen vooral door de invloed van water, deze uiteen in elementaire zouten, hydroxiden en kiezelzuur
verzameling korrels die de grootste van twee nader aangeduide zeven (nominale fractiegrenzen) passeert en blijft liggen op de kleinste. De ondergrens kan daarbij ook nul zijn
daling van het grondoppervlak veroorzaakt door uitdroging van de grond OF: de relatieve vermindering van het volume van de grond, veroorzaakt door uitdroging eventueel met scheurvorming, uitgedrukt in het huidige volume grond ten opzichte van het oorspronkelijke volume grond
strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn OF: het hoogst gelegen deel van een waterkering
hoogte van de waterkering OF: de momentane hoogte van het waterkerende element in een kunstwerk waar het water overheen stroomt bij een hogere waterstand
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf
in het algemeen: het diffuus uittreden van grondwater. In het bijzonder: het uittreden van grondwater onder invloed van grotere stijghoogten elders in het hydrologische systeem OF: water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt
alle gebieden die gelegen zijn buiten stedelijke en glastuinbouwgebieden
overgang van een grondlichaam naar een brug OF: steunpunt van een brug in oever of talud
door de waterbeheerder vastgestelde dwarsdoorsnede waarop de minimale vereiste afmeting van een waterkering is aangegeven
buis of kabel bestemd voor voortgeleiding van energie, materie of data
lozingen van afvalwater vanuit een huishouden
een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen
beschermingsbuis
een paal in het water, die meestal gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen
(niet) natuurlijke rechtspersoon of instantie die een mededeling doet omtrent een gebeurtenis
maatregel die negatieve effecten vermindert of wegneemt
een plan waarin beschreven is hoe bijvoorbeeld de geohydrologische effecten gemonitord worden
onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam
oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen
NEN is een zelfstandige, onafhankelijke stichting die voor verschillende maatschappelijke thema’s aan de hand van een normalisatieproces op basis van consensus tussen belanghebbenden op nationaal en internationaal niveau afspraken (normen/’best practices’) vastlegt in documenten en in richtlijnen
water in vaste of vloeibare vorm dat uit de atmosfeer op het aardoppervlak valt
het Nederlands standaard vergelijkingsvlak voor de hoogteligging
door de mens geproduceerd of gerealiseerd voorwerp, constructie, bouwwerk
het gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt
materiaal dat aangebracht is op de grens van water en land, ofwel langs de waterkant, om ofwel de oever tegen afkalving te beschermen, dan wel te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
civiel technische kunstwerken zoals (paalschot)beschoeiingen, damwanden en kade- en keermuren met een grondkerende en/of waterkerende functie, die bedoeld zijn om afkalving en afschuiving van talud en oever te voorkomen
het plaatselijk lager houden van het waterpeil, dan het waterpeil dat het waterschap voor het betreffende peilgebied heeft vastgesteld of hanteert
de laag bestaande uit moedermateriaal die direct onder het gedeelte ligt wat bodem heet
dam met of zonder duiker die gelegen is haaks op een primair oppervlaktewaterlichaam en die door het waterschap gebruikt wordt voor het beheer en onderhoud van het primaire oppervlaktewaterlichaam
vorm van hydraulische grondbreuk waarbij een cohesieve afdekkende laag wordt opgelicht ten gevolge van wateroverspanning in de onderliggende watervoerende laag
het door middel van een onttrekkingsvoorziening kunstmatig halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater uit een grondwaterlichaam
locatie waar water gewonnen wordt uit het oppervlaktewater of grondwater
de afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
het middels drainagebuizen of pompsystemen gecontroleerd verwijderen van overtollig grond- of oppervlaktewater om de bodem droger of stabieler te maken en met als doel de grondwaterstand te verlagen, vaak toegepast in de bouw (bemaling), de landbouw en het waterbeheer
de druk die maximaal in de leiding zal optreden
bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken
voorziening voor de inzameling en het transport van communaal afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast, die is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk
afmetingen van een tweedimensionaal gebied
levend biologisch wezen
het passeren van watermoleculen door een semi-permeabel membraan die twee waterige oplossingen met verschillende concentratie scheidt
civielkundige constructie waarmee een weg, plein of waterloop (waterweg) wordt overwelfd
een inzamelknooppunt, uitgevoerd als voorziening met drempel, van waaruit onder bepaalde omstandigheden afvalwater uit het rioleringsnetwerk wordt geloosd naar een ander rioleringsnetwerk of op het oppervlaktewater
onder water raken van ofwel de begrenzingen van een stroom of een ander oppervlaktewaterlichaam, ofwel van gebieden die normaal niet onder water staan
vaststellen en handhaven van waterstanden in rivieren, beken en sloten
bestuurlijk besluit met betrekking tot de te handhaven waterhoogte in waterlopen
gegradueerde schaal die gebruikt wordt voor het aangeven van de waterstand in een waterlichaam
een stuk grond bedoeld om op te wonen of voor het uitoefenen van een (landbouw)bedrijf of een combinatie daarvan
een kolom of steunpilaar met een dragende functie in een bouwwerk of een onderdeel van een brug dat voor ondersteuning van de brug zorgt
het verschijnsel waarbij tijdens hoogwater op het scheidingsvlak van een kleilaag en een zandpakket tunnels ontstaan en zand van onder de waterkering wegspoelt, waardoor langzaam maar zeker de waterkering ondermijnd wordt
een gebied, dat door een waterkering beschermd is tegen water van buiten en waarbinnen het peil beheerst kan worden
werktuig dat door middel van een verschil in druk vloeistoffen of gassen verplaatst
verzameling van individuen van dezelfde soort, die in een bepaalde omschreven ruimte woont
het onttrekken van grondwater met als doel het onderzoeken van de hoeveelheid grondwater dat tijdens toekomstige werkzaamheden moet worden onttrokken. Een proefbemaling is veelal kortdurend
doorsnede van een object in lengterichting, in dwarsrichting of langs een verticaal, waarbij kenmerken van het object langs de doorsnede worden vastgelegd
groep van personen of een organisatievorm die volgens de wet bevoegd is om zelf rechtshandelingen te verrichten, zoals bijvoorbeeld het sluiten van een contract
recreatieve activiteiten zoals wandelen, fietsen, varen en schaatsen, al dan niet in de vorm van een evenement
waterrecreatie of watersport met gebruikmaking van een pleziervaartuig
afvalwater dat met een rioolstelsel is verzameld
een bedrijf waar het rioolwater wordt gezuiverd tot effluentkwaliteit dat geloosd mag worden op een oppervlaktewaterlichaam
het verwijderen van de vervuilingsbron om ecologische redenen en/of volksgezondheid
verzamelnaam voor het verkeer te water
elk vaartuig met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer over water
perceelscheidende constructie bestaande uit overwegend dichte delen OF het geheel van handelingen, die verricht moeten worden om een vaartuig van het vaarwater aan de ene kant van de sluis, naar de andere kant te brengen
onderzoek naar de bodemopbouw door kunstmatig opgewekte trillingen
dicht bebouwd gebied; het kan gaan om woongebieden en bedrijventerreinen of een mengvorm daarvan
een constructie boven het water, meestal langs een oever, die dient voor het afmeren van schepen of woonschepen
doorstroming van het vaarwegverkeer plaatselijk geblokkeerd als gevolg van een incident
de gemiddelde stroomsnelheid van het water, zijnde het quotiënt van de cumulatieve aanvoerhoeveelheid en de natte oppervlakte
een houtige plant, die zich onmiddellijk boven of al in de grond vertakt
vaste of beweegbare constructie die dient om het peil bovenstrooms van de constructie te verhogen c.q. te regelen
een stuk kanaal of rivier tussen minimaal één stuw en een volgend kunstwerk
onder helling gelegen vlak
de bij deze verordening horende toelichting
uitholling door spoeling ontstaan OF: transport van materiaal vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten OF: het weglopen via het grondwater in het oppervlaktewater van bepaalde stoffen, zoals fosfaat en stikstof
een aansluiting van een perceel op de openbare weg. Ook wel in-, op-, af-, toe- of uitrit genoemd
het deel van de (breedte van de) bodem van de vaarweg dat voor de scheepvaart door baggeren op een bepaalde minimale diepte gehouden moet worden OF: een relatief smal gebaggerd en/of betond vaarwater
een zee- of binnenvaartuig, tot de vaart gebruikt of bestemd, daaronder begrepen drijvende werktuigen, zoals baggerwerktuigen, kranen, bokken, elevators, alsmede woonschepen, glijboten, jachten, kano's en veerponten
een aaneengesloten stuk oppervlaktewater, dat als vaarweg in de Wegwijzer voor de binnenscheepvaart is gedefinieerd
de zorg voor het in stand houden van de scheepvaartwegen, de daartoe behorende kunstwerken en de daarlangs gelegen oevers en oeverwerken
de overheid of instantie die is belast met het op het vereiste profiel houden van de vaargeul voor het gebruik door vaartuigen
het plantenkleed van een bepaalde locatie
daken, bestrating, kassen etc., waarvan het regenwater wordt afgevoerd naar de riolering en/of het oppervlaktewater
in de afvoer hydraulica, de stroming waarvan de snelheid toeneemt in de stroomrichting
het toenemen van het zoutgehalte in oppervlaktewater, in de grond of het grondwater
aangewezen vissen + delen + kuit en broed, aangewezen schaal-, schelp- en weekdieren + delen + broed en zaad, zeesterren, zee- of koraalmos
het stroomopwaarts trekken van vissen om zich voort te planten
een vervoermiddel dat zich over het land verplaatst
de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan (H2O)
het geheel van onderzoekingen, plannen, technische werken en bestuurlijke maatregelen, dat dient om te komen tot een zo doelmatig mogelijk integraal beheer van het aanwezige grond- en oppervlaktewater
de instantie die verantwoordelijk is voor de zorg om (een deel van) een watersysteem
als functie van wateren: het tijdelijk of langdurig bergen van (regen)wateroverschotten uit de omgeving
verticale afstand tussen waterspiegel en waterbodem
zie oppervlaktewater
een langgerekte verlaging in het terrein van natuurlijke of kunstmatige oorsprong met permanent of periodiek stromend water
de wijze waarop water in een bepaald gebied wordt opgenomen, zich verplaatst, en gebruikt, verbruikt en afgevoerd (enz.) wordt
de kwaliteit van water in sloten en rivieren wordt bepaald door de stoffen die in het water zitten
verzamelterm voor schade, ongemak en ontreddering door hoge waterstanden ten gevolge van overvloedige neerslag en/of onvoldoende ontwatering
de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het waterpeil met de aangrenzende gronden, tevens het grensvlak tussen water en lucht
bodemdaling als gevolg van inklinking, krimp en door het aanbrengen van een bovenbelasting
BBB
Bijlage 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Bijlage 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling en bijlage 1 van deze waterschapsverordening zijn ook van toepassing op afdeling 1.2 van deze bijlage 5 bij deze waterschapsverordening.
Deze afdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten, bedoeld in paragraaf 1.2.2 tot en met 1.2.18, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.
De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, van deze waterschapsverordening, die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, houden in elk geval in dat:
de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam geborgd is;
het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;
negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt en indien dit niet mogelijk is, de activiteit te staken of niet uit te voeren;
visuele verontreiniging van het oppervlaktewater zoveel mogelijk wordt voorkomen;
ingeval van een warmte- of koudevracht, verandering van de temperatuur van het oppervlaktewater ter hoogte van het lozingspunt zo geleidelijk mogelijk plaatsvindt;
afvalwater doelmatig moet kunnen worden bemonsterd;
het doelmatig functioneren van zuiveringtechnische werken niet wordt aangetast;
het zuiveringsrendement, als gevolg van de activiteit, niet negatief wordt beïnvloed;
de hoeveelheid vuilvracht in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;
de hoeveelheid afwijkende en verstorende stoffen in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;
grenswaarden of signaleringswaarden van bepaalde in het afvalwater voorkomende stoffen niet worden overschreden;
de bereikbaarheid van de zuiveringtechnische werken voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;
onderhoudswerkzaamheden door of namens het waterschap niet worden belemmerd;
verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;
vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem wordt voorkomen;
verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.
Dit artikel is van toepassing op de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, met uitzondering van paragraaf 1.2.3, paragraaf 1.2.9 en paragraaf 1.2.18.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden tenminste de gegevens en bescheiden overgelegd bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van deze waterschapsverordening.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.1, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.1 Emissiegrenswaarden in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
BTEX | 50 μg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 μg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 μg/l |
Minerale olie | 500 μg/l |
Cadmium | 4 μg/l |
Kwik | 1 μg/l |
Koper | 11 μg/l |
Nikkel | 41 μg/l |
Lood | 53 μg/l |
Zink | 120 μg/l |
Chroom | 24 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.2 Emissiegrenswaarden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
Minerale olie | 50 μg/l |
Cadmium | 0,4 μg/l |
Kwik | 0,1 μg/l |
Koper | 1,1 μg/l |
Nikkel | 4,1 μg/l |
Lood | 5,3 μg/l |
Zink | 12 μg/l |
Chroom | 2,4 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 20 mg/l |
Benzeen | 2 μg/l |
Tolueen | 7 μg/l |
Ethylbenzeen | 4 μg/l |
Xyleen | 4 μg/l |
Tetrachlooretheen | 3 μg/l |
Trichlooretheen | 20 μg/l |
1,2-dichlooretheen | 20 μg/l |
1,1,1-trichloorethaan | 20 μg/l |
Vinylchloride | 8 μg/l |
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen | 20 μg/l |
Monochloorbenzeen | 7 μg/l |
Dichloorbenzenen | 3 μg/l |
Trichloorbenzenen | 1 μg/l |
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:
niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.6 en in artikel 1.7, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 1.6 en in artikel 1.7, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:
het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of
het lozen plaatsvindt bij wonen.
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:
niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 1.9, voor zover dit betreft de lozing van afvloeiend hemelwater in verband met de aanleg, reconstructie of ingrijpende wijziging van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 6 maanden voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, worden, ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het een vervuilingswaarde heeft van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
100 meter bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
600 meter bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
1.500 meter bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid via een zuiveringsvoorziening voor Individuele Behandeling van Afvalwater, waarvoor geldt dat NEN-EN 12566-1 of de NEN-uitgave die deze vervangt, voorziet in de certificering voor septictanks en de NEN-EN 12566-3 of de NEN-uitgave die deze vervangt, geldt voor de certificering van andere zuiveringsvoorzieningen.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 1.3.
Tabel 1.3 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 1.4.
Tabel 1.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.12, gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 1.12, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.15, gegevens en bescheiden verstrekt over de maximale warmtevracht.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 1.15, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om:
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en
welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.17 tot en met artikel 1.19, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 1.17 tot en met artikel 1.19, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.
In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 meter is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.5 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink | 1 mg/l |
Minerale olie | 20 mg/l |
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 50 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Som van stikstofverbindingen | 10 mg/l |
Som van fosforverbindingen | 2 mg/l |
Totaal organische koolstof (TOC) | 66,7 mg/l |
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.25 en in artikel 1.26, gegevens en bescheiden verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 1.25 en in artikel 1.26, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1º tot en met 3º, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 1.30 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.30, gegevens en bescheiden verstrekt over:
de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;
als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 1.31.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 1.30, in artikel 1.32 en in artikel 1.33, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.36, gegevens en bescheiden verstrekt over:
In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.6, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.6 Emissiegrenswaarden
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.7, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.7 Emissiegrenswaarden
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.8, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.8 Emissiegrenswaarden
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.38 tot en met 1.42, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteiten, bedoeld in artikel 1.38 tot en met 1.42, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikel 4.140, eerste lid, en artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:
Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.45 in samenhang met artikel 1.46, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 1.45 in samenhang met artikel 1.46, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.4, worden ter aanvulling van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.5, voor de activiteit, bedoeld in artikel 1.48, gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van de lozing.
Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in artikel 1.48, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as van een mens of dier door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.
DDD
Bijlage 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/01e52141-fdd2-4937-bfdf-3464402b08e5/nld@2025‑12‑16;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/2ba7caac-0fcd-4f86-a108-cda031718175/nld@2025‑12‑16;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/58828cd4-285b-400f-bde9-e817fbc03b0d/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/6a9e6cf5-d44b-49ce-b81d-f001d0955fc1/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/84c90fc4-98ca-458d-a910-2e7ee6f92bb1/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/1459fa8f-2594-4655-8ab6-f9826b71e0b4/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/59203cac-ca80-407a-b911-b40cc91914a6/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/3f1bf58f-874c-4157-8c4e-3a32789b82e4/nld@2025‑05‑21;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/8b029eca-3667-441d-a723-18464b915db3/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/941eb5e3-9395-4b2c-94cb-364977f03368/nld@2026‑01‑16;5
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/252e5424-20bc-4c41-9deb-bd8d221b26aa/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/1b8d09e7-ef3e-4a37-9e90-0b34d12d3ac4/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/ddf5f546-e0e8-461e-b976-0086625530d2/nld@2026‑01‑16;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/b59be2c8-bdad-4a79-add8-e900a31d7f5d/nld@2026‑01‑16;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/972e9f18-29ea-4db1-a557-6bdff638d863/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/da39f6e9-80e4-4fb7-bf88-fb4624326c29/nld@2026‑01‑16;5
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/babd4e94-ca7a-4515-a6c7-fe97c1548604/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/4e318f68-9fa6-4823-ae8e-b15cc3702c84/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/523db201-cfa4-4c37-b268-6d4f513d157a/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/752dd162-7e69-4ab7-85a9-6d5385ceaff5/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/81b66004-bc5c-479a-91a5-306fca0c5964/nld@2024‑10‑28;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/b7b8593a-1a6f-4550-ba43-c36385b96e24/nld@2025‑09‑10;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/679776d0-6413-42e5-8078-7ab6e6e4287e/nld@2025‑12‑16;4
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/e8efa47b-9eae-40c2-8e24-07e1c9b44c4a/nld@2023‑12‑14;1
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/60b2329c-14dc-4769-811c-0e8f104a1646/nld@2025‑12‑16;3
/join/id/regdata/ws0647/2024‑10‑25/8fa37c3a-966b-4135-b259-094dbbed0b3f/nld@2025‑12‑16;3
/join/id/regdata/ws0647/2024‑10‑25/8fa37c3a-966b-4135-b259-094dbbed0b3f/nld@2026‑07‑07;4
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/0af136d5-aaf6-47a1-842c-325924854e9e/nld@2025‑09‑10;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/8d8de61e-6dc2-458e-a6bb-0f92835847d3/nld@2025‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/0d2bba59-92b1-4594-ba19-ac3a91ef0587/nld@2025‑12‑16;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/c03397a2-9e99-4078-b5bf-a829e0712e82/nld@2025‑12‑16;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/9e043fcb-4fca-4fd4-a5be-825f9787db4f/nld@2025‑09‑10;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/0f05c1bc-3003-4003-985e-a2c62a6e2585/nld@2026‑07‑07;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/0f05c1bc-3003-4003-985e-a2c62a6e2585/nld@2025‑09‑10;2
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/9e043fcb-4fca-4fd4-a5be-825f9787db4f/nld@2025‑09‑10;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/5e61aaa8-17a7-4dcd-8353-d8ab101c3651/nld@2025‑09‑10;3
/join/id/regdata/ws0647/2023‑12‑14/447d8501-63f5-47b3-9962-3b2d346f3433/nld@2025‑12‑16;3
EEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.1 – Algemeen begrippenkader
In artikel 1.1 wordt uitleg gegeven aan bepalingen die in deze waterschapsverordening zijn opgenomen en die als zodanig dienen te worden geïnterpreteerd, die voor de toepassing van deze verordening van betekenis zijn. Er is daarbij bewust voor gekozen om enkele bepalingen die reeds in de Omgevingswet- en regelgeving zijn toegelicht tevens in deze bepaling van de verordening op te nemen en mogelijk te verduidelijken, aangezien ze bepalend zijn voor de regels die zijn opgesteld in deze verordening. Ten behoeve van de leesbaarheid en de toegankelijkheid van de verordening is ervoor gekozen een groot deel van de uitleg van meer specifieke begrippen, die ook van belang zijn voor de toepassing van deze verordening, in bijlage 1 op te nemen.
Artikel 1.1 – Uitleg algemeen begrippenkader
In artikel 1.1 wordt uitleg gegeven aan bepalingen die in deze waterschapsverordening zijn opgenomen en die als zodanig dienen te worden geïnterpreteerd, die voor de toepassing van deze verordening van betekenis zijn. Er is daarbij bewust voor gekozen om enkele bepalingen die reeds in de Omgevingswet- en regelgeving zijn toegelicht tevens in deze bepaling van de verordening op te nemen en mogelijk te verduidelijken, aangezien ze bepalend zijn voor de regels die zijn opgesteld in deze verordening. Ten behoeve van de leesbaarheid en de toegankelijkheid van de verordening is ervoor gekozen een groot deel van de uitleg van meer specifieke begrippen, die ook van belang zijn voor de toepassing van deze verordening, in bijlage 1 op te nemen.
FFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.3 – normadressaat
Regels zijn (bijna) altijd gericht tot een bepaalde doelgroep. Een ander begrip van deze groep is een normadressaat. Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht moet voldoen aan de regels over activiteiten uit deze verordening. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of een opdrachtnemer. In deze verordening wordt hiermee de initiatiefnemer bedoeld, zoals uitgelegd in artikel 1.1, eerste lid. Dit kan derhalve ook de melder zijn van een activiteit, degene die namens een ander een melding doet of degene zijn die een activiteit verricht die toestemmingsvrij uitgevoerd mag worden. Overigens is in artikel 5.37a, eerste lid, van de Omgevingswet opgenomen, dat in afwijking van het voorgaande het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning kan bepalen dat een vergunninghouder alleen zorgdraagt voor de naleving van de vergunningvoorschriften voor de activiteit of het deel van de activiteit dat hij verricht, voor zover de activiteit of het deel van de activiteit te onderscheiden is. Dit kan het geval zijn wanneer de melding of de vergunningaanvraag wordt ingediend door een (onder)aannemer namens een opdrachtgever voor de activiteit.
Naast de normadressaat voor de regels uit hoofdstuk 3 voor het uitvoeren van activiteiten kent de verordening ook een normadressaat voor de regels opgenomen in hoofdstuk 2 van de verordening. Daar waar in afdeling 2.1 en 2.2 van dit hoofdstuk de normadressaat hoofdzakelijk de aangewezen onderhoudsplichtige is, geldt dat de normadressaat voor de regels in afdeling 2.3 ook de initiatiefnemer of vergunninghouder kan zijn.
GGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.4 – doelen
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en specifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
HHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.5 – doelen oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en specifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
III
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.6 – doelen waterkeringen
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en specifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
JJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.7 – doelen grondwater
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en specifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
KKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.8 – doelen zuiveringtechnische werken
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en specifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
LLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.11 – nadere uitwerking beperkingengebied B
Beperkingengebied A, dat het beheergebied en de grondlichamen in het beheergebied omvat, behoeft geen nadere uitwerking. Dit geldt wel voor de beperkingengebieden B, de waterstaatswerken en C, de zuiveringtechnische werken. In deze bepaling is beperkingengebied B nader uitgewerkt, waarbij de geometrische begrenzing wordt gespecificeerd. De geometrische begrenzing is bepaald door de fysieke kenmerken en de feitelijke ligging of de normatieve afmeting van de waterstaatswerken. Dit is inclusief de ruimte die in ieder geval nodig is om ingeval van activiteiten in de fysieke leefomgeving te borgen dat risico’s op schade aan deze werken verkleind kunnen worden en negatieve effecten op deze werken kunnen worden voorkomen met het stellen van algemene regels en plichten. De specifieke begrenzing van de verschillende waterstaatswerken zal terug te vinden zijn in de digitaal ontsloten werkingsgebieden (kaarten) van deze beperkingengebieden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Voor een aantal waterstaatswerken zijn in bijlage 2 bij deze verordening een aantal visualisaties opgenomen om de in artikel 1.11 gespecificeerde begrenzingen visueel inzichtelijk te maken. Opvallende keuzes voor de aanwijzing van deze beperkingengebieden zijn de volgende:
Voor oppervlaktewaterlichamen, beperkingengebied I, wordt voor de begrenzing een feitelijk voorkomende insteek (doorgaans bij watergangen/waterlopen) gehanteerd aan weerszijden van het oppervlaktewaterlichaam. Voor de wateren zonder duidelijke insteek (zoals meren, vennen, plassen en pingoruïnes) geldt voor de begrenzing de overgang van oppervlaktewater naar droge oever onder normale (weers)omstandigheden.
Ondersteunende kunstwerken kennen geen eigen beperkingengebied, omdat er doorgaans enkel onderhouds- of vervangingswerkzaamheden plaatsvinden. De functionele werking van ondersteunende kunstwerken dient echter wel beschermd te worden. Ze maken daarom onderdeel uit van de meest relevante beperkingengebieden van de andere waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en bergingsgebieden).
De beschermingszones zoals die onder de Waterwet onderdeel uitmaakten van de legger zijn in de waterschapsverordening als beperkingengebied opgenomen. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen geldt een beschermingszone van 5 meter (beperkingengebied II), die het waterschap tevens kan gebruiken voor het beheer en onderhoud. Voor het Paterswoldsemeer is een uitzondering gemaakt, omdat het Paterswoldsemeer voor waterdoorvoer ruim gedimensioneerd is, het onderhoud varend wordt uitgevoerd (en niet door middel van materieel rijdend langs de kant) en een veelvoud aan (recreatief) medegebruik plaatsvindt direct langs de oevers van het meer. Dit medegebruik heeft geen invloed op het beheer van het Paterswoldsemeer door het waterschap. Activiteiten die mogelijk negatieve invloed kunnen hebben op het Paterswoldsemeer dienen wel te voldoen aan de zorgplichten, zoals opgenomen in deze waterschapsverordening.
Voor primaire waterkeringen wordt het feitelijk voorkomend profiel van de waterkering als uitgangspunt genomen voor beperkingengebied I. De specifieke begrenzing is afhankelijk van de locatie van de binnen- en buitenteen van de waterkering (de kernzone), behalve daar waar sprake is van een binnendijks en/of buitendijks liggende dijksloot. In het laatste geval wordt voor beperkingengebied l de insteek van de dijksloot aangehouden voor de begrenzing van het beperkingengebied. In tegenstelling tot de primaire waterkeringen worden voor de regionale- en overige waterkeringen de normatieve uitgangspunten genomen voor het bepalen van het beperkingengebied. Hierdoor kan het voorkomen dat de begrenzing van beperkingengebied I ligt op het feitelijk (in het veld) voorkomende dijktalud. Automatisch ligt dan in die gevallen een deel van beperkingengebied II van de regionale- en overige waterkeringen ook nog (gedeeltelijk) in het dijktalud. Daar waar nodig zullen regels in deze verordening, die primair zien op bescherming van het feitelijk aanwezige dijklichaam naast het feit dat ze van toepassing zullen zijn in beperkingengebied I van de regionale- en overige waterkeringen ook van toepassing zijn in beperkingengebied II van deze keringen, voor zover dit het dijktalud betreft.
De regionale- en overige waterkeringen kennen een beschermingszone van 4 meter (beperkingengebied II), die primair dient ter bescherming van beperkingengebied l, daarnaast gebruikt kan worden om beheer en onderhoud van beperkingengebied l uit te voeren en die tevens als ruimtelijke reserveringszone dient om de waterkering in de toekomst te versterken. Door de gekozen begrenzing van beperkingengebied I, gebaseerd op het normatieve profiel van de waterkering, kan deze zone gedeeltelijk op het feitelijk voorkomend dijktalud gelegen zijn.
De regionale- en overige waterkeringen kennen een nieuwe beschermingszone (beperkingengebied III) van 25 meter, gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering. De zone van 25 meter dient twee doelen:
Het bewustmaken van initiatiefnemers dat er vlakbij de locatie waar een activiteit wordt uitgevoerd een waterkering ligt, waarvan de primaire functie (het keren van water) niet in gevaar mag komen. Waar mogelijk kunnen initiatiefnemers, die buiten de 4 meter zone een activiteit uitvoeren hier rekening mee houden.
Daarnaast is er bij keringen die een hoog waterstandsverschil keren ook buiten de 4 meter-zone een risico op piping. Bijvoorbeeld bij het heien of het aanleggen van parkeergarages, hoge drukleidingen of kelders. In de praktijk zijn er voorbeelden bekend waarbij het waterschap tijdens werkzaamheden gevraagd is om opborrelend water te onderzoeken. Door deze zone aan te wijzen, kan het waterschap regels en plichten aan activiteiten in die zone opleggen, waardoor de waterkering beter beschermd kan worden.
N.B. Voor alle in deze verordening gereguleerde activiteiten, die plaatsvinden in beperkingengebied III gelden enkel algemene en specifieke zorgplichten en in voorkomende gevallen een enkele algemene en specifieke uitvoeringsregel. Er zijn geen meldings- en vergunningplichten opgelegd voor activiteiten in dit beperkingengebied.
Het bewustmaken van initiatiefnemers dat er vlakbij de locatie waar een activiteit wordt uitgevoerd een waterkering ligt, waarvan de primaire functie (het keren van water) niet in gevaar mag komen. Waar mogelijk kunnen initiatiefnemers, die buiten de 4 meter zone een activiteit uitvoeren hier rekening mee houden.
Daarnaast is er bij keringen die een hoog waterstandsverschil keren ook buiten de 4 meter-zone een risico op piping. Bijvoorbeeld bij het heien of het aanleggen van parkeergarages, hoge drukleidingen of kelders. In de praktijk zijn er voorbeelden bekend waarbij het waterschap tijdens werkzaamheden gevraagd is om opborrelend water te onderzoeken. Door deze zone aan te wijzen, kan het waterschap regels en plichten aan activiteiten in die zone opleggen, waardoor de waterkering beter beschermd kan worden.
De primaire waterkeringen hebben beschermingszones (beperkingengebieden II en III) die voor de omvang afhankelijk zijn van de ligging in stedelijk (bebouwd) of landelijk (buiten) gebied. Voor de geometrische begrenzing van die beperkingengebieden wordt gebruik gemaakt van de door de Provincie Groningen gemaakte kaart met de aangewezen stedelijke- en landelijke gebieden, die bij de Provinciale Omgevingsverordening is gevoegd.
Voor zuiveringtechnische werken is een differentiatie aangebracht in de typen persleidingen, waarbij geldt dat hoe groter de persleiding, hoe groter het gebied waar de regels van het waterschap van toepassing zullen zijn. Dit omdat bij grotere persleidingen er grotere risico’s zijn. Schade aan die leidingen kan namelijk verstrekkende gevolgen hebben.
N.B. Voor alle in deze verordening gereguleerde activiteiten, die plaatsvinden in beperkingengebied III gelden enkel algemene en specifieke zorgplichten en in voorkomende gevallen een enkele algemene en specifieke uitvoeringsregel. Er zijn geen meldings- en vergunningplichten opgelegd voor activiteiten in dit beperkingengebied.
De primaire waterkeringen hebben beschermingszones (beperkingengebieden II en III) die voor de omvang afhankelijk zijn van de ligging in stedelijk (bebouwd) of landelijk (buiten) gebied. Voor de geometrische begrenzing van die beperkingengebieden wordt gebruik gemaakt van de door de Provincie Groningen gemaakte kaart met de aangewezen stedelijke- en landelijke gebieden, die bij de Provinciale Omgevingsverordening is gevoegd.
Voor zuiveringtechnische werken is een differentiatie aangebracht in de typen persleidingen, waarbij geldt dat hoe groter de persleiding, hoe groter het gebied waar de regels van het waterschap van toepassing zullen zijn. Dit omdat bij grotere persleidingen er grotere risico’s zijn. Schade aan die leidingen kan namelijk verstrekkende gevolgen hebben.
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.2 – aanwijzingvaststelling en aanwijzen onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting
In deze bepaling is de juridische grondslag vastgelegd voor de aanwijzing en het vaststellen van een onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting. De aanwijzing van de onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting gebeurt bij besluit, maar kan ook blijken uit het belang dat bijvoorbeeld een rechtsopvolger heeft bij de instandhouding van een werk, mede gelet op de functie van dat werk. De onderhoudsplichtige is dus doorgaans degene die een belang heeft bij de functie van een waterstaatswerk, een zuiveringtechnisch werk of een overig (kunst)werk. Dit kunnen ook meerdere belanghebbenden zijn. De aangewezen onderhoudsverplichting is het werk of een deel van een werk waarop een onderhoudsplicht rust, dus het werk of een deel van een werk dat door een onderhoudsplichtige in stand gehouden moet worden. Beide aanwijzingen worden opgenomen in eenDe vastgestelde of aangewezen onderhoudsplichtigen en besluit en dat vormtonderhoudsverplichtingen worden opgenomen in de basis voor opname in de Onderhoudslegger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
NNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.3 – rechtsopvolging onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting
Ingevolge artikel 5.37, tweede lid, van de Omgevingswet geldt een informatieplicht voor de aanvrager of houder van de omgevingsvergunning om binnen vier weken aan het waterschap te laten weten dat de omgevingsvergunning is gaan gelden voor een ander. Deze bepaling borgt echter niet dat er ook een informatieplicht rust op de aangewezen onderhoudsplichtige van een waterstaatswerk, zuiveringtechnisch werk of overig (kunst)werk om het waterschap te informeren dat de onderhoudsplicht is gaan gelden voor een ander. Deze bepaling voorziet erin dat ingeval er sprake is van rechtsopvolging, de aangewezen onderhoudsplichtige(n) het waterschap binnen vier weken nadat een ander onderhoudsplichtige is geworden het waterschap daarover in kennis stelt. Het niet informeren van het waterschap levert een overtreding op van de Wet op de economische delicten. De informatieplicht is echter geen constitutief vereiste voor de rechtsopvolging van een onderhoudsplicht. De wijziging van de onderhoudsplicht die rust op een hierboven genoemd werk (de onderhoudsverplichting) zal van rechtswege overgaan. Dit gebeurt bijvoorbeeld door verkoop van een kadastrale perceel waarvan de verkopende eigenaar houder is van een vergunning, waarin de vergunninghouder is aangewezen als onderhoudsplichtige. De rechtsopvolger van de perceeleigenaar, dus bijvoorbeeld een nieuwe eigenaar, wordt van rechtswege onderhoudsplichtige. Het komt voor rekening en risico van de nieuwe onderhoudsplichtige dat het waterschap hem kan aanspreken op het verrichten van onderhoud. Deze bepaling geldt ongeacht het eigendom waarin het werk is aangelegd. Dus de onderhoudsplicht van een werk kan ook van rechtswege overgegaan zijn naar een rechtsopvolger die te maken krijgen met een werk dat mede gelet op de functie van het werk ten behoeve van het betreffende perceel of althans in het belang van de rechtsvoorganger is aangelegd en redelijkerwijs nog immer in het belang van de rechtsopvolger in stand gehouden moet worden.
OOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.4 – onderhoudsplicht
In artikel 2.4 wordt de omvang van de onderhoudsplicht bepaald. Voor waterstaatswerken geldt dat het werk zodanig in staat wordt gehouden dat het voldoet aan de eisen die gesteld zijn aan de ligging, vorm, afmeting en constructie van het werk. Dit is ofwel vastgelegd in de LeggerLegger waterstaatswerkenWaterstaatswerken van het waterschap (dit is de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet) of in een vergunning, projectplan of projectbesluit die is verleend of vastgesteld voor de aanleg of wijziging van een werk. Ingeval er geen duidelijkheid gegeven kan worden over de omvang van de onderhoudsplicht kan het waterschap ambtshalve die omvang bepalen en daartoe een maatwerkvoorschrift opleggen. Een maatwerkvoorschrift met aanvullende onderhoudsvoorschriften kan ook opgelegd worden indien er bijvoorbeeld dringende redenen zijn in verband met het watersysteembeheer of zuiveringsbeheer. Daarnaast kan het waterschap ook voor bepaalde onderhoudsvoorschriften vrijstelling verlenen wanneer het niet (kunnen) voldoen aan die voorschriften geen risico’s met zich brengt voor het watersysteembeheer of zuiveringsbeheer.
PPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.8, 2.11, 2.14, 2.17 en 2.20 – onderhoudsvoorschriften c.q. onderhoudsplichten
In deze bepalingen wordt voorgeschreven waaraan de onderhoudsplichtige voor het uitvoeren van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken moet voldoen. Voor de waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (kunst)werken) geldt in algemene zin de regel dat de werken zodanig onderhouden moeten worden dat de waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige functies van deze werken niet in gevaar komen, waarbij voor het buitengewoon onderhoud in het algemeen geldt dat de werken in stand worden gehouden overeenkomstig de ligging, vorm, afmeting en constructie, voor zover opgenomen in de Legger waterstaatswerken van het waterschap. Voor zover het onderhoud van oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden betreft, zal voor het bestrijden van (exotische) beplanting (zoals brandnetels, distels, Japanse duizendknoop, pitrus en ridderzuring ) en (invasief exotische en/of schadelijke) dieren (zoals de rode Amerikaanse rivierkreeft en beverratten), de Wet natuurbescherming in acht genomen moeten worden.
Voor het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen geldt dat de onderhoudsplichtige van die beperkingengebieden ervoor moet zorgen dat ze obstakelvrij blijven. Voor deze gebieden, droge oevergebieden en de droge delen van bergingsbieden geldt daarnaast dat het maaiveld in stand gehouden moet worden. Daarbij hoeft echter geen rekening gehouden te worden met autonome bodemdaling. Voor zuiveringtechnische werken geldt dat die zodanig in stand gehouden moeten worden dat het doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken geborgd worden en blijven.
Overtreding van deze onderhoudsplichten kan leiden tot strafrechtelijke handhaving. Dit is geregeld in artikel 4.4, van deze verordening, op grond van artikel 81 van de Waterschapswet.
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.8, 2.11, 2.14, 2.17 en 2.20 – onderhoudsvoorschriften c.q. onderhoudsplichten
In deze bepalingen wordt voorgeschreven waaraan de onderhoudsplichtige voor het uitvoeren van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken moet voldoen. Voor de waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (kunst)werken) geldt in algemene zin de regel dat de werken zodanig onderhouden moeten worden dat de waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige functies van deze werken niet in gevaar komen, waarbij voor het buitengewoon onderhoud in het algemeen geldt dat de werken in stand worden gehouden overeenkomstig de ligging, vorm, afmeting en constructie, voor zover opgenomen in de Legger waterstaatswerken van het waterschap. Voor zover het onderhoud van oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden betreft, zal voor het bestrijden van (exotische) beplanting (zoals brandnetels, distels, Japanse duizendknoop, pitrus en ridderzuring ) en (invasief exotische en/of schadelijke) dieren (zoals de rode Amerikaanse rivierkreeft en beverratten), de Wet natuurbescherming in acht genomen moeten worden.
Voor het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen geldt dat de onderhoudsplichtige van die beperkingengebieden ervoor moet zorgen dat ze obstakelvrij blijven. Voor deze gebieden, droge oevergebieden en de droge delen van bergingsbieden geldt daarnaast dat het maaiveld in stand gehouden moet worden. Daarbij hoeft echter geen rekening gehouden te worden met autonome bodemdaling. Voor zuiveringtechnische werken geldt dat die zodanig in stand gehouden moeten worden dat het doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken geborgd worden en blijven.
Overtreding van deze onderhoudsplichten kan leiden tot strafrechtelijke handhaving. Dit is geregeld in artikel 4.4, van deze verordening, op grond van artikel 81 van de Waterschapswet.
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerkenwaterstaatswerken, overige (kunstkunst)werkwerken en zuiveringtechnische werkenzuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werk (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (art 2.19). Met “(kunst)werk” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.8, 2.11, 2.14, 2.17 en 2.20 – onderhoudsvoorschriften c.q. onderhoudsplichten
In deze bepalingen wordt voorgeschreven waaraan de onderhoudsplichtige voor het uitvoeren van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaatswerken, overige (kunst)werk en zuiveringtechnische werken moet voldoen. Voor de waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (kunst)werken geldt in algemene zin de regel dat de werken zodanig onderhouden moeten worden dat de waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige functies van deze werken niet in gevaar komen, waarbij voor het buitengewoon onderhoud in het algemeen geldt dat de werken in stand worden gehouden overeenkomstig de ligging, vorm, afmeting en constructie, voor zover opgenomen in de Legger waterstaatswerken van het waterschap. Voor zover het onderhoud van oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden betreft, zal voor het bestrijden van (exotische) beplanting (zoals brandnetels, distels, Japanse duizendknoop, pitrus en ridderzuring ) en (invasief exotische en/of schadelijke) dieren (zoals de rode Amerikaanse rivierkreeft en beverratten), de Wet natuurbescherming in acht genomen moeten worden.
Voor het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen geldt dat de onderhoudsplichtige van die beperkingengebieden ervoor moet zorgen dat ze obstakelvrij blijven. Voor deze gebieden, droge oevergebieden en de droge delen van bergingsbieden geldt daarnaast dat het maaiveld in stand gehouden moet worden. Daarbij hoeft echter geen rekening gehouden te worden met autonome bodemdaling. Voor zuiveringtechnische werken geldt dat die zodanig in stand gehouden moeten worden dat het doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken geborgd worden en blijven.
Overtreding van deze onderhoudsplichten kan leiden tot strafrechtelijke handhaving. Dit is geregeld in artikel 4.4, van deze verordening, op grond van artikel 81 van de Waterschapswet.
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.17, tweede en derde lid – onderhoudsplichtigen van secundaire oppervlaktewaterlichamen
Voor secundaire oppervlaktewaterlichamen zijn in het tweede en derde lid van artikel 2.7 bijzondere regels opgenomen om te bepalen wie onderhoudsplichtig is. Deze regels vormen de codificatie van een bestendige praktijk van het waterschap bij handhaving op de onderhoudsplicht. Het toezicht op de naleving van de onderhoudsplicht rust op (een belangrijk deel van de) secundaire wateren (de schouw). Deze wateren worden op een schouwkaart weergegeven. Afhankelijk van het belang bij het gebruik en/of gebruiksfuncties van het aanwezige oppervlaktewater, bijvoorbeeld voor de afwatering van de aangrenzende percelen of voor veedrenking zal het waterschap een onderhoudsplichtige aanspreken op het onderhoud. Hiervoor worden de regels in acht genomen zoals opgenomen in artikel 2.7, tweede en derde lid. Daarbij wordt in bijlage 3 van de verordening aan de hand van enkele illustraties visueel inzichtelijk gemaakt wat precies wordt bedoeld. Het belang bij het gebruik en/of de gebruiksfunctie van het oppervlaktewater wordt groter geacht bij de aangrenzend eigenaren, dan bij een mogelijke derde eigenaar van de sloot. In alle gevallen geldt dat van de algemene regels voor het bepalen van de onderhoudsplichtige van secundaire wateren afgeweken kan worden, wanneer degene die voor het onderhoud wordt aangesproken, kan aantonen redelijkerwijs geen enkel belang te hebben bij het aanwezige oppervlaktewater. Voor het waterschap is het belangrijkste dat de secundaire wateren ‘schoon’ blijven zodat de doorstroming niet belemmerd wordt en de waterbergingsfunctie in stand blijft. Indien het onderhoud goed wordt uitgevoerd op basis van afspraken die (aangrenzend) eigenaren zelf met elkaar maken, zullen deze regels in de praktijk niet toegepast hoeven worden om via handhaving het onderhoud af te dwingen.
Artikel 2.8, 2.11, 2.14, 2.17 en 2.20 – onderhoudsvoorschriften c.q. onderhoudsplichten
In deze bepalingen wordt voorgeschreven waaraan de onderhoudsplichtige voor het uitvoeren van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaatswerken, overige (kunst)werk en zuiveringtechnische werken moet voldoen. Voor de waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (kunst)werken) geldt in algemene zin de regel dat de werken zodanig onderhouden moeten worden dat de waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige functies van deze werken niet in gevaar komen, waarbij voor het buitengewoon onderhoud in het algemeen geldt dat de werken in stand worden gehouden overeenkomstig de ligging, vorm, afmeting en constructie, voor zover opgenomen in de Legger waterstaatswerken van het waterschap. Voor zover het onderhoud van oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden betreft, zal voor het bestrijden van (exotische) beplanting (zoals brandnetels, distels, Japanse duizendknoop, pitrus en ridderzuring ) en (invasief exotische en/of schadelijke) dieren (zoals de rode Amerikaanse rivierkreeft en beverratten), de Wet natuurbescherming in acht genomen moeten worden.
Voor het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen geldt dat de onderhoudsplichtige van die beperkingengebieden ervoor moet zorgen dat ze obstakelvrij blijven. Voor deze gebieden, droge oevergebieden en de droge delen van bergingsbieden geldt daarnaast dat het maaiveld in stand gehouden moet worden. Daarbij hoeft echter geen rekening gehouden te worden met autonome bodemdaling. Voor zuiveringtechnische werken geldt dat die zodanig in stand gehouden moeten worden dat het doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken geborgd worden en blijven.
Overtreding van deze onderhoudsplichten kan leiden tot strafrechtelijke handhaving. Dit is geregeld in artikel 4.4, van deze verordening, op grond van artikel 81 van de Waterschapswet.
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.8, 2.11, 2.14, 2.17 en 2.20 – onderhoudsvoorschriften c.q. onderhoudsplichten
In deze bepalingen wordt voorgeschreven waaraan de onderhoudsplichtige voor het uitvoeren van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken moet voldoen. Voor de waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (kunst)werken) geldt in algemene zin de regel dat de werken zodanig onderhouden moeten worden dat de waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige functies van deze werken niet in gevaar komen, waarbij voor het buitengewoon onderhoud in het algemeen geldt dat de werken in stand worden gehouden overeenkomstig de ligging, vorm, afmeting en constructie, voor zover opgenomen in de Legger waterstaatswerken van het waterschap. Voor zover het onderhoud van oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden betreft, zal voor het bestrijden van (exotische) beplanting (zoals brandnetels, distels, Japanse duizendknoop, pitrus en ridderzuring ) en (invasief exotische en/of schadelijke) dieren (zoals de rode Amerikaanse rivierkreeft en beverratten), de Wet natuurbescherming in acht genomen moeten worden.
Voor het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen geldt dat de onderhoudsplichtige van die beperkingengebieden ervoor moet zorgen dat ze obstakelvrij blijven. Voor deze gebieden, droge oevergebieden en de droge delen van bergingsbieden geldt daarnaast dat het maaiveld in stand gehouden moet worden. Daarbij hoeft echter geen rekening gehouden te worden met autonome bodemdaling. Voor zuiveringtechnische werken geldt dat die zodanig in stand gehouden moeten worden dat het doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken geborgd worden en blijven.
Overtreding van deze onderhoudsplichten kan leiden tot strafrechtelijke handhaving. Dit is geregeld in artikel 4.4, van deze verordening, op grond van artikel 81 van de Waterschapswet.
VVV
Voor sectie 'Toelichting op artikel 3.1: Algemene uitvoeringsregels voor toegestane activiteiten in beperkingengebieden' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.7 – vangnetvergunning en algehele verboden
In afdeling 3.2 tot en met afdeling 3.63.7 en bijlage 5 zijn voor de meeste voorkomende activiteiten in het beheergebied van het waterschap algemene regels, zorg-, meldings-, en vergunningplichten opgesteld. Voor de activiteiten die niet zijn gereguleerd in deze waterschapsverordening, noch in hogere regelgeving, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt de vangnetvergunningplicht, opgenomen in artikel 3.7. Deze vergunningplicht geldt niet in de gevallen, opgenomen in het tweede lid. Niettemin gelden wel de door het waterschap in afdeling 1.4 opgenomen zorgplichten.
Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, dan die geregeld zijn in de afdeling 3.2 t/m afdeling 3.63.7 en bijlage 5, gelden de indieningsvereisten opgenomen in artikel 3.4 en aanvullende indieningsvereisten afhankelijk van de specifieke activiteit die wordt verricht.
Deze bepaling regelt, tot slot, ook de bevoegdheid van het waterschap (ontleend uit de Waterschapswet en Omgevingswet) om in hoofdstuk 3 algehele verboden op te leggen voor specifieke activiteiten in bepaalde beperkingengebieden of in specifiek aangewezen gebieden binnen deze beperkingengebieden. Zo geldt er voor de activiteit ‘’onttrekken van oppervlaktewater’’ een algeheel verbod om water te onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen waarnaar geen wateraanvoer mogelijk is.
XXX
Voor sectie 'Toelichting op paragraaf 3.2.1: Afrasteringen, schuttingen en hekwerken' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.37, eerste lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – bestaande dam zonder duiker verbreden Artikel 3.37, eerste lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – bestaande dam zonder duiker verbreden
Het beleidsuitgangspunt van het waterschap is dat alle dammen niet zijnde peilscheidingen een duiker bevatten. Dus bij verbreding van bestaande dammen vereist het waterschap dat tevens een duiker wordt aangelegd conform de in deze paragraaf opgenomen regels. Hiermee wordt de doorstroming verbeterd en blijft de ecologische waarde van het watersysteem in stand.
Artikel 3.37, eerste lid, onder c - specifieke uitvoeringsregel – bestaande dam met duiker verbreden Artikel 3.37, eerste lid, onder c - specifieke uitvoeringsregel – bestaande dam met duiker verbreden
Ingeval een dam met duiker verbreed wordt en de bestaande duiker heeft bijvoorbeeld een diameter die kleiner is dan 300 millimeter, dan moet die vervangen worden door een duiker waarvan de diameter voldoet aan de daarvoor opgestelde specifieke regels voor duikers opgenomen in deze paragraaf.
Artikel 3.37, eerste lid, onder d – specifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen Artikel 3.37, eerste lid, onder d – specifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van dammen met duiker. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.37, eerste lid, onder e – specifieke uitvoeringsregel – bovenbreedte, kruinhoogte dam en gronddekking duiker bij doorkruising beperkingengebied II van primair oppervlaktewater De minimale bovenbreedte van 4 meter en de voorgeschreven kruinhoogte zijn vereist vanwege door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud van het primair oppervlaktewater. De halve meter gronddekking op de duiker is doorgaans voldoende om schade aan de duiker bij het overrijden van de dam te voorkomen.
Artikel 3.37, eerste lid, onder e – specifieke uitvoeringsregel – bovenbreedte, kruinhoogte dam en gronddekking duiker bij doorkruising beperkingengebied II van primair oppervlaktewater
De minimale bovenbreedte van 4 meter en de voorgeschreven kruinhoogte zijn vereist vanwege door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud van het primair oppervlaktewater. De halve meter gronddekking op de duiker is doorgaans voldoende om schade aan de duiker bij het overrijden van de dam te voorkomen.
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.40, derde lid, onder b, 1. – beoordelingsregel – noodzakelijkheid
Als uitgangspunt geldt in primaire oppervlaktewaterlichamen dat zo weinig mogelijk dammen worden toegestaan. Elke (extra) dam met duiker werkt namelijk in zekere mate belemmerend voor de waterdoorvoer. Primaire oppervlaktewaterlichamen zijn dermate belangrijk voor de waterhuishouding dat onnodig veel belemmeringen van de waterdoorvoer moet worden voorkomen. Beoordeeld wordt daarom of de beoogde dam noodzakelijk is voor de initiatiefnemer en of dit belang opweegt tegen de belangen die gemoeid zijn bij een goede waterhuishouding. De noodzaak zou onder meer kunnen liggen in de bedrijfsvoering en/of bewoning op of in nabijheid van het perceel waar de activiteit wordt uitgevoerd, de verkeersveiligheid en/of de aanwezigheid van kabels en leidingen.
Artikel 3.40, derde lid, onder b, 2. – beoordelingsregel – minimale inwendige binnenmaatafmetingen bij primaire oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is
Waterschappen worden voor sommige wateren als vaarwegbeheerder aangewezen door de provincie. Dit geldt voor vaarwegen die bestemd zijn voor recreatief vaarwegverkeer en niet voor beroepsvaart. Het vaarwegbeheer houdt in dat het waterschap verantwoordelijk is voor instandhouding van het voor het vaarwegverkeer benodigde profiel. Recente versies van de Richtlijnen Vaarwegen van het Rijk en de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN) geven richting aan de doorvaarthoogten en -breedten. Uit de provinciale omgevingsverordening volgt de norm voor het doorvaartprofiel voor de aangewezen vaarwegen.
Artikel 3.40, derde lid, onder b, 3. – beoordelingsregel – minimale inwendige binnenmaatafmetingen bij primaire oppervlaktewaterlichamen waar varend onderhoud wordt gepleegd
Het waterschap voert het onderhoud bij voorkeur uit vanaf de kant van de watergang. Als dat niet mogelijk is, wordt de watergang varend onderhouden. Duikers in deze watergangen mogen hiervoor geen belemmering vormen. Daarom worden hiervoor minimale afmetingen gesteld, waaraan het ontwerp van de duiker wordt getoetst.
Artikel 3.40, derde lid, onder b, 4. – beoordelingsregel – zomerpeil of vast peil bepalend voor afmetingen
Initiatieven worden getoetst aan de situatie van het ter plaatse gevoerde zomerpeil of heersende vast peil onder normale omstandigheden. Voor zomerpeil is gekozen omdat dit het hoogste streefpeil of praktijkpeil is. In de praktijk kan het waterpeil hoger zijn. Het wordt daarom geadviseerd enige marge in acht te nemen voor de inwendige binnenmaathoogte.
Artikel 3.40, derde lid, onder c – beoordelingsregel – minimale inwendige binnenmaatafmetingen bij oppervlaktewaterlichamen die een maatschappelijke functie vervullen
Duikers moeten breed en hoog genoeg zijn voor de eventuele maatschappelijke functie van de watergang. De initiatiefnemer onderzoekt zelf of de watergang waarin de duiker zou moeten worden aangelegd een maatschappelijke functie heeft. In het kader van deze regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan recreatie in de vorm van schaatsen en varen. De initiatiefnemer informeert het waterschap hierover met een gedegen onderbouwing (zie aanvraagvereisten). Als de watergang een maatschappelijke functie heeft, moet ook onderbouwd zijn welke afmetingen voor de duiker passend zijn. In sommige gevallen doet de initiatiefnemer er verstandig aan zich te laten adviseren door een deskundige of een expert-organisatie. Dit kan het waterschap zo nodig ook verplicht stellen.
Artikel 3.40, derde lid, onder cd – beoordelingsregel – voldoende doorstroomcapaciteit en juiste hoogteligging van de duikerduiker
Het waterschap toetst bij de beoordeling van het initiatief of de duiker voldoet aan de daarvoor geldende norm om de doorstroming te borgen. De aanwezigheid van een dam met duiker mag er niet toe leiden dat onder omstandigheden water onvoldoende kan worden afgevoerd of teveel opstuwing optreedt. Het waterschap regelt via vergunningvoorschriften dat de doorstroomcapaciteit geborgd is, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat de duiker een juiste hoogteligging moet hebben.
Artikel 3.40, derde lid, onder de – beoordelingsregel – doorspuitvoorziening
Het waterschap beoordeelt of lange duikers zijn voorzien van één of meerdere voorzieningen (bijvoorbeeld inspectieputten) die gebruikt kunnen worden om de duiker te inspecteren en te onderhouden. Middels deze voorzieningen kunnen duikers doorgespoten worden zodat de doorstroming van het oppervlaktewater geborgd blijft.
Artikel 3.40, derde lid, onder ef – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor dammen met duikers moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.40, vierde lid, onder a, 1. – algemene uitvoeringsregelalgemene uitvoeringsregel – in den droge aanleggenaanleggen
Als uitvoeringsregel is opgenomen dat de activiteit in den droge wordt uitgevoerd. Dit houdt in dat de watergang plaatselijk wordt drooggelegd. Om het werkterrein droog te houden kan het nodig zijn bemaling toe te passen. Het in den droge aanleggen van de dam met duiker leidt tot een tijdelijke stremming van het oppervlaktewaterlichaam waarvoor de regels uit de paragraaf over stremmen van toepassing zijn. Zo kan aanvullend verplicht worden gesteld een voorziening te treffen, zoals een noodbemaling voor het verpompen van opstuwend water of het tijdelijk omleiden van een watergang.
Artikel 3.40, vierde lid, onder ba, 2. – algemene uitvoeringsregelalgemene uitvoeringsregel – halve meter gronddekking duikerduiker
De halve meter gronddekking op de duiker is doorgaans voldoende om schade aan de duiker bij het overrijden van de dam te voorkomen.
Artikel 3.40, vierde lid, onder ca, 3. en d4. – algemene uitvoeringsregelalgemene uitvoeringsregel – voorzieningen voor doorspuiten voor elke 70 meter
Duikers langer dan 70 meter worden verplicht voorzien van een voorziening (bijvoorbeeld een inspectieput) met een doorspuitmogelijkheid. Voor langere duikers moeten om de 70 meter inspectieputten worden geplaatst. De afstandmaat van 70 meter is gekozen omdat met de huidige technieken duikers over deze afstand doorgespoten kunnen worden.
Artikel 3.40, vierde lid, onder b – algemene uitvoeringsregel – minimale inwendige binnenmaatafmetingen bij primaire oppervlaktewaterlichamen waar varend onderhoud wordt gepleegd
Het waterschap voert periodiek onderhoud langs primaire oppervlaktewaterlichamen. Op sommige locaties is het fysiek niet mogelijk om met materieel langs de oppervlaktewaterlichamen te rijden. Het waterschap voert op die locaties het onderhoud varend uit en gebruikt daarvoor maaiboten van een bepaalde omvang. Duikers moeten op die locaties waar het waterschap varend onderhoud uitvoert voldoen aan een minimale binnenmaat zodat de boten van het waterschap door de duiker kunnen varen.
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.41, aanhef en onder c – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – effecten op maatschappelijke functievervulling van het watersysteem
Zie ‘Artikel 3.39, aanhef en onder dc – specifiek meldingsvereiste – effecten op maatschappelijke functievervulling van het watersysteem’.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.47, vierde lid – algemene uitvoeringsregelalgemene uitvoeringsregel – compensatie waterbergend vermogen\ Vanwege het risico op wateroverlast mag het waterbergend vermogen van het watersysteem niet achteruitgaan. Omdat demping in de meeste gevallen leidt tot een afname van de waterbergingscapaciteit, is compensatie doorgaans verplicht. Dit betekent dat er in het betreffende peilgebied waar de demping of versmalling van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt, een minstens even groot wateroppervlak moet worden gegraven. Dit mag gepaard gaan met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Voor het graven gelden de regels uit de paragraaf voor het graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever gelden de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.
De benodigde locatie voor de compensatie van demping in het hetzelfde peilgebied is sterk gerelateerd aan de locatie van de benodigde bergingscapaciteit. Het compenseren van de verloren gegane waterbergingscapaciteit dient daarom zo dicht mogelijk plaats te vinden bij de locatie waar gedempt is. De waterbergingscapaciteit ter plaatse blijft hiermee zo goed mogelijk in stand. Soms valt de compensatie niet binnen de vereiste 2,5 kilometer te realiseren of is het fysiek onmogelijk om binnen hetzelfde peilgebied te compenseren. In dergelijke gevallen kan het waterschap, mits goed onderbouwd door de initiatiefnemer, via een voorschrift van deze uitvoeringsregels afwijken, bijvoorbeeld door compensatie toe te staan in een benedenstrooms gelegen peilgebied binnen hetzelfde bemalingsgebied/stroomgebied.
Om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gecompenseerd, zijn de oppervlakten op de waterlijn leidend. Voor het te compenseren oppervlaktewater geldt als uitgangspunt dat de taluds robuust worden aangelegd of in ieder geval niet steiler dan het bestaande talud (afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam). Doorgaans wordt een robuust talud gerealiseerd door uit te gaan van een hoogte-breedteverhouding van 1:1,5. Echter, wanneer ter compensatie oppervlaktewateren worden aangelegd met flauwere taluds van 1:3 of nog flauwer, bijvoorbeeld ingeval van een natuurvriendelijke oever, dan kan de initiatiefnemer voor het te compenseren water, anders dan hiervoor aangegeven, uitgaan van een fictief waterpeil dat 25 centimeter hoger is dan de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand. Het wateroppervlak dat bij die fictieve waterstand zou kunnen worden gemeten, mag dan worden opgevoerd als compenserende waterbergingscapaciteit.
Ingeval sprake is van het opbrengen van grond in een droge oevergebied of in een bergingsgebied, zal het aantal kubieke meters grond dat in een maatgevende situatie zou leiden tot verlies van bergingscapaciteit moeten worden gecompenseerd. Dit kan door het verlagen van het maaiveld (afgraven van grond) in de betreffende bergings- of droge oevergebieden waarmee nieuwe bergingscapaciteit ontstaat of eventueel door het graven van nieuw oppervlaktewater of vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen binnen hetzelfde peilgebied.
Als het compenseren in de drie jaar voorafgaand aan de activiteit al aantoonbaar is gebeurd, kan de compensatieplicht vervallen. De termijn van drie jaar is gekozen vanwege wijzigingen die, onder meer door klimaatveranderingen en tussentijdse beheertechnische veranderingen, kunnen optreden in het watersysteem waardoor het opvoeren van compenserende maatregelen van voor die periode redelijkerwijs niet meer doelmatig is.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.51, derde lid, onder b – beoordelingsregel – noodzakelijkheid
Een vergunning wordt alleen verleend als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en als het water niet op een betere manier beheerst kan worden. Het is namelijk erg kostbaar om gemalen te beheren en te onderhouden.
Artikel 3.51, derde lid, onder c en d – beoordelingsregel – doorkruising vismigratieroute
Vispasseerbaar betekent dat vissen kunstwerken onbelemmerd in stroomop- en -afwaartse richting kunnen passeren. Een vispassage of andere passende maatregel die stroomop- en afwaartse migratie van vis faciliteert, is nodig als het gemaal op een prioritaire vismigratieroute ligt. Dit zijn vispassages aangelegd met behoud van de natuurlijke stroomrichting van lager stroomopwaarts gelegen gebied naar het hoger stroomafwaarts gelegen gebied. Als het gemaal op een niet-prioritaire vismigratieroute ligt, dan wordt de noodzaak voor het vispasseerbaar maken van het kunstwerk van geval tot geval bekeken. In dat geval weegt het waterschap af of de vismigratie ter plaatse op onaanvaardbare wijze zal worden doorkruist en indien daar sprake van is, zal ook in dat geval het gemaal vispasseerbaar gemaakt moeten worden. Of er sprake is van onaanvaardbare doorkruising hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de hoeveelheid en samenstelling van de vis en of sprake is van een incidentele vismigratie of de verwachting is dat de vismigratie meer permanent van aard is. Met ‘samenstelling’ wordt bedoeld, de samenstelling van de in het oppervlaktewater aanwezige vispopulatie naar lengte, levensstadium en gewicht van de soort.
Artikel 3.51, derde lid, onder e – beoordelingsregel – visveilig
Visveilig betekent dat vissen niet beschadigd kunnen worden door het gemaal door de aanzuigende werking en de draaiende onderdelen van het gemaal die namelijk kunnen leiden tot beschadiging of sterfte van de vis. Een gemaal wordt bij nieuwbouw of renovatie visveilig gemaakt, zodanig dat bij voorkeur minimaal 95% van de vissen die in het gemaal terechtkomen, levend en onbeschadigd uit het gemaal komen. Dit kan gedaan worden door visveilige pompen toe te passen. Bij renovatie of nieuwbouw kunnen bestaande pompen of pompwaaiers worden vervangen door visveiligere oplossingen.
Artikel 3.51, derde lid, onder f – beoordelingsregel – aanvoer–, afvoer– en bergingscapaciteit
Aan- en afvoerende oppervlaktewaterlichamen moeten over voldoende capaciteit beschikken en ontvangende en leverende peilgebieden moeten groot genoeg zijn om het water te ontvangen en te bergen. Het waterschap neemt dit mee in de beoordeling van de aanvraag.
Artikel 3.51, derde lid, onder g – beoordelingsregel – afvoernormen
Het waterschap hanteert minimale afvoernormen voor primaire oppervlaktewateren. Bij de afvoernormen en de oppervlakte van het afstromend gebied hoort een bepaald debiet in maatgevende situaties. Samen met de verhang/stroomsnelheidsnormen die het waterschap hanteert is een minimaal benodigd doorstroomprofiel van de ontvangende oppervlaktewaterlichamen benodigd. Het waterschap toetst bij de beoordeling van het initiatief voor het aanleggen van een gemaal of het oppervlaktewater ter plaatse blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel en of de stroomsnelheden niet te hoog kunnen oplopen
Artikel 3.51, derde lid, onder h – beoordelingsregel – passende pompcapaciteit
Het waterschap beoordeelt of het gemaal een voor het oppervlaktewatersysteem passende pompcapaciteit heeft. Dit is maatwerk afhankelijk van het type gemaal en het peilgebied dat onderhevig zal zijn aan de functie van het gemaal. Daarbij moet bijvoorbeeld bij afvoergemalen voldaan worden aan de afvoernormen van het waterschap, zoals opgenomen in het beleid peilbeheer en peilbesluiten. Daarnaast zullen ook eventueel aanwezige vispassages meegenomen worden in deze beoordeling om de wateraanvoer naar het peilgebied te borgen en zodat de vispassage kan functioneren.
Artikel 3.51, derde lid, onder i – beoordelingsregel – aantasting waterpeil
Het aanleggen van een gemaal hoeft niet ook te leiden tot het wijzigen van het waterpeil, bijvoorbeeld bij het één op één vervangen van het gemaal. Als dat wel gebeurt, zal voordat vergunning verleend kan worden voor het aanleggen van gemaal, het waterschap tevens akkoord moeten zijn met een aan de activiteit gekoppelde wijziging van het waterpeil. De initiatiefnemer moet hier bewust van zijn en bij het waterschap ook tijdig een vergunning aanvragen voor het wijzigen van het waterpeil, tenzij de wijziging van het waterpeil verdisconteerd is in een maatregel voortvloeiend uit een peilbesluit. Voor het wijzigen van het waterpeil zijn de regels uit de paragraaf voor het wijzigen van het waterpeil van toepassing.
Artikel 3.51, derde lid, onder j – beoordelingsregel – bereikbaarheid vanaf openbare weg
De initiatiefnemer dient bij de aanleg van het gemaal ervoor te zorgen dat het gemaal bereikbaar is vanaf de openbare weg. Hiermee borgt het waterschap dat het gemaal op een efficiënte manier bereikbaar is voor het beheer van het watersysteem.
Artikel 3.51, derde lid, onder k – beoordelingsregel – doelmatig beheer, onderhoud en telemetrische bediening
Met doelmatigheid wordt bedoeld dat beheer, onderhoud en bediening op een voor het watersysteembeheer efficiënte en effectieve manier kunnen worden uitgevoerd. Met telemetrische bediening wordt bedoeld dat het gemaal op afstand beheerd c.q. bediend en gecontroleerd kan worden.
Artikel 3.51, derde lid, onder l – beoordelingsregel – beheerbeheer – en onderhoudsplanonderhoudsplan
Voor een soepel verloop van beheer, onderhoud en periodieke inspectie is een beheer- en onderhoudsplan vereist. Dit beheer- en onderhoudsplan moet voldoende doelmatig zijn. Daarmee wordt bedoeld dat het plan voldoet aan de eisen die het waterschap hieraan stelt.
Artikel 3.51, derde lid, onder m – beoordelingsregel – objectbedieningsplan
Het objectbedieningsplan is bedoeld als handleiding voor de beheerder van het gemaal (het waterschap). Daarnaast dient het plan om in geval van calamiteiten snel en adequaat te kunnen handelen en eventuele schade zoveel mogelijk te beperken. Dit objectbedieningsplan moet voldoende doelmatig zijn. Daarmee wordt bedoeld dat het plan voldoet aan de eisen die het waterschap hieraan stelt.
Artikel 3.51, derde lid, onder n – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor gemalen moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.59, aanhef en onder c – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – opgave aantal vierkante meter oppervlaktewater
Zie ‘Artikel 3.57, aanhef en onder c - specifiek meldingsvereiste – opgave aantal vierkante meter oppervlaktewater’.
Artikel 3.59, aanhef en onder d – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – activiteit om te voldoen aan compensatieplicht in hetzelfde peilgebied
Zie ‘Artikel 3.57, aanhef en onder d – specifiek meldingsvereiste – activiteit om te voldoen aan compensatieplicht in hetzelfde peilgebied’
Artikel 3.59, aanhef en onder c – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – opgave aantal vierkante meter oppervlaktewater
Het waterschap eist dat daar waar water wordt aangelegd of vergroot, de initiatiefnemer een opgave doet van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat wordt gerealiseerd. Het aantal vierkante meters dat gegraven of vergroot wordt, wordt gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden. Hiermee bedoelen we dat dit plaatsvindt tijdens omstandigheden waarbij de waterstand van het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet onderhevig is aan extreme weersomstandigheden.
Wanneer de activiteit plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, zoals in ieder geval bedoeld in paragrafen 3.2.6, 3.2.7, 3.2.17 en 3.2.19, en taluds worden aangelegd van 1:3 of nog flauwer, dan kan de initiatiefnemer voor het te compenseren water, dus de opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater, uitgaan van een fictief waterpeil dat 25 centimeter hoger is dan de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand. Het wateroppervlak dat bij die fictieve waterstand zou kunnen worden gemeten, mag dan worden opgevoerd als compenserende waterbergingscapaciteit.
Artikel 3.59, aanhef en onder d – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – activiteit om te voldoen aan compensatieplicht in hetzelfde peilgebied
Voor een aantal activiteiten die plaatsvinden in oppervlaktewaterlichamen, waarbij de waterbergingscapaciteit significant afneemt, wordt de initiatiefnemer verplicht om het verlies te compenseren door het graven van nieuw oppervlaktewater of het vergoten van bestaande oppervlaktewaterlichamen. Dit dient doorgaans plaats te vinden in hetzelfde peilgebied. Het waterschap wil van de initiatiefnemer bij deze activiteit weten of met de activiteit wordt beoogd om te voldoen aan de compensatieplicht en zo ja, of de activiteit dan plaatsvindt in hetzelfde peilgebied. De initiatiefnemer kan voor het uitzoeken of hij de activiteit uit gaat voeren in hetzelfde peilgebied de waterschapskaart met peilgebieden raadplegen op www.noorderzijlvest.nl/waterschapskaart.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.96, derde lid, onder b – beoordelingsregel – natuurvriendelijke oever of verflauwen van talud
Vanuit het hiervoor genoemde streven ter verbetering van de waterkwaliteit en in het kader van doelmatig beheer en onderhoud van het watersysteem beoordeelt het waterschap in alle gevallen:
of in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever aangelegd kan worden;
of oever en talud aangelegd kunnen worden met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer. Door toepassing van deze alternatieven zou een oeververdedigingswerk niet meer nodig zijn. Deze alternatieven krijgen voorrang boven de aanleg van een oeververdedigingswerk tenzij ze onmogelijk en/of onwenselijk zijn.
Artikel 3.96, derde lid, onder b 1º1. – beoordelingsregel – ondersteuning van waterstaatswerkenwaterstaatswerken
Voor het beheer van het watersysteem kan het noodzakelijk zijn om oeververdedigingswerken aan te leggen ter ondersteuning van oppervlaktewateren, waaronder vaarwegen en waterkeringen. Voor oppervlaktewaterlichamen geldt dat dit het geval kan zijn wanneer het doorstroomprofiel krap is en het waterschap wil voorkomen dat door afkalving van een talud het doorstroomprofiel nog krapper wordt. Ingeval het waterschap aangewezen is als vaarwegbeheerder kan een oeververdedigingswerk noodzakelijk zijn om een vaarwegprofiel, het profiel dat minimaal voor de vaarweg benodigd is ten behoeve van de vaarwegfunctie, in stand te houden. Tot slot kan een oeververdedigingswerk voor het waterschap nodig zijn als het oeververdedigingswerk een waterkering in stand moet houden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 2º2. – beoordelingsregel – substantiële niet te herstellen afkalving
Onder afkalving wordt verstaan het instorten, afschuiven of uitspoelen van oevers en taluds van een oppervlaktewaterlichaam. Substantiële afkalving ontstaat door een combinatie van natuurlijke erosie met factoren die te maken hebben met risico’s op versnelde afkalving (zie hieronder) en met het gebruik en de belasting van aangrenzende percelen. Het waterschap beoordeelt aan de hand van de door initiatiefnemer ingediende beeldende weergave en eventueel een bezoek ter plaatse (een schouw) of sprake is van substantiële niet herstelbare afkalving.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 3º3. – beoordelingsregel – risico op versnelde afkalving
Van een risico op versnelde afkalving kan sprake zijn als onder meer één of een combinatie van de volgende factoren in een bepaalde mate aan de orde zijn:
bij taluds met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of steiler;
bij onbeklede/onbegroeide taluds;
bij taluds die hiervoor vanwege de grondsoort extra vatbaar zijn, zoals in het geval van loopzand in het boven- en/of onderwatertalud;
als een oppervlaktewaterlichaam gedurende langere tijd te maken krijgt met bovengemiddelde doorstroomsnelheden;
als oever of talud zich al in gevorderde staat van afkalving bevinden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 4º4. – beoordelingsregel – ruim doorstroomprofieldoorstroomprofiel, geen buitensporige belemmering van het beheerbeheer en onderhoudonderhoud, geen buitenproportionele meerkosten
In veel gevallen bestaat er een wens bij initiatiefnemers om een oeververdedigingswerk aan te leggen, terwijl er geen sprake is van substantiële afkalving of een risico op versnelde afkalving. Bijvoorbeeld in het geval van gebiedsinrichtingsinitiatieven van overheden of in het geval van particulieren die voor hun tuininrichting (wonen aan water) een oeververdedigingswerk wensen. Voor deze initiatieven speelt vaak enkel het belang om de grond te keren: ten behoeve van het gebruik van het aangrenzende perceel, om het onderhoud van het aangrenzende perceel te beperken of om esthetische redenen. Dergelijke initiatieven kunnen alleen worden toegestaan als het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse ruim genoeg is en het beheer en onderhoud ter plaatse niet onaanvaardbaar wordt belemmerd. Het waterschap dat in de meeste gevallen het primair water, inclusief oevers en taluds van insteek tot insteek, in onderhoud heeft, moet goed bij oever en talud kunnen om het onderhoud te kunnen uitvoeren. De activiteit mag niet leiden tot buitensporige bemoeilijking van het onderhoud van primaire oppervlaktewateren, want dit leidt mogelijk tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap. Dit betekent in principe dat deze activiteit niet mag leiden tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Door de onderhoudsplichtige van het oeververdedigingswerk ook aan te wijzen als onderhoudsplichtige van de oever en bovenwatertalud, bedoeld in artikel 2.9, van deze verordening, zou buitensporige belemmering van het beheer en onderhoud en daarmee buitenproportionele meerkosten voor het waterschap ondervangen kunnen worden, waardoor de vergunning verleend kan worden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 5º5 – beoordelingsregel – vervanging oeververdedigingswerkenoeververdedigingswerken zonder verwijdering
Het natte profiel van het oppervlaktewater mag niet worden verkleind. Alleen ingeval de initiatiefnemer kan aantonen dat het onwenselijk is vanuit doelmatig watersysteembeheer of, gelet op de aan de orde zijnde belangen, buitenproportioneel is dat het bestaande werk bij vervanging wordt verwijderd, kan afgeweken worden van deze regel. Dit wordt bij de aanvraag van de vergunning beoordeeld door het waterschap. Zie ook ‘Artikel 3.95, aanhef en onder c - specifieke uitvoeringsregel – nieuw oeververdedigingswerk tegen bestaand werk’.
Artikel 3.96, derde lid, onder c – beoordelingsregel – ondersteuning van weg of bebouwing
Het waterschap beoordeelt of het beoogde oeververdedigingswerk voldoende sterk en stabiel is om de potentiële belasting van de naastgelegen percelen aan te kunnen. De initiatiefnemer moet dit middels een sterkteberekening van de constructie aantonen. Zie ook ‘Artikel 3.96, vierde lid, onder c – specifieke uitvoeringsregel – adequate techniek’.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.106, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – waterschaarste voorkomen
Met het onttrekken van oppervlaktewater vervult het watersysteem doorgaans een maatschappelijke functie. Er moet echter voldoende water in oppervlaktewateren aanwezig blijven ten behoeve van de instandhouding van verschillende andere functies van het (grond)watersysteem, zoals een gezond aquatisch-ecologisch leefmilieu, goede waterkwaliteit en een evenwichtig grondwaterpeil.
Artikel 3.106, aanhef en onder b – specifieke zorgplichtspecifieke zorgplicht – waterpeilwaterpeil niet buitensporig wordt verlaagd;
Het waterschap heeft voor sommige peilgebieden in zijn beheergebied peilbesluiten genomen waarin een streefpeil is vastgelegd. Voor andere gebieden geldt het door het waterschap vastgelegde praktijkpeil (zomer-, dan wel winterpeil of vast peil) of een vergunning waarin een (permanente) wijziging van het waterpeil is toegestaan. De heersende waterpeilen zijn opgenomen op een overzichtskaart met peilgebieden die via de Waterschapskaart op noorderzijlvest.nl/waterschapskaart kan worden ingezien.
Over het algemeen is het in praktijk goed zichtbaar of het actuele waterpeil ter hoogte van de onttrekkingslocatie niet te laag is ten opzichte van het streefpeil of het praktijkpeil. Bij twijfel of het waterpeil toereikend is om tot onttrekking over te gaan, kan de initiatiefnemer contact opnemen met het waterschap.
Het onttrekken van oppervlaktewater kan kleine fluctuaties van het waterpeil tot gevolg hebben. Het waterpeil mag echter niet buitensporig worden verlaagd. Dit wil zeggen dat fluctueringen in waterpeil andere functies van het watersysteem niet mogen aantasten, zoals de aanwezigheid van een gezond aquatisch-ecologisch leefmilieu of de maatschappelijke functievervulling van het watersysteem (daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld recreatie- en beroepsvaart). Of er sprake is van buitensporigheid is afhankelijk van het type oppervlaktewater (ven, meer, kanaal, beek, sloot), de wateraanvoermogelijkheden, het plaatselijk aanwezige aquatisch-ecologisch leefmilieu, de eventuele maatschappelijke functie(s) die het oppervlaktewater heeft en de mate van verlaging ten opzichte van het gestelde streefpeil of het heersende praktijkpeil.
Artikel 3.106, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – waterverspilling
Hiermee wordt bedoeld dat er met name ten tijde van droogte niet meer water wordt onttrokken dan nodig. Het waterschap ziet immers als één van zijn taken te zorgen voor het behoud van de zoetwatervoorraad. Waterverspilling kan daarnaast leiden tot waterschaarste, hetgeen tevens voorkomen dient te worden.
Artikel 3.106, aanhef en onder f – specifieke zorgplicht – maatschappelijke functievervulling
In het kader van deze regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan recreatie in de vorm van schaatsen en varen maar ook aan beroepsvaart. Het onttrekken van oppervlaktewater kan de eventuele maatschappelijke functievervulling van het watersysteem hinderen. Met ‘’onaanvaardbaar’’ wordt bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor dient te zorgen dat, als er enige hinder is, de hinder niet buitensporig van aard zal zijn en tot een minimum beperkt blijft. De initiatiefnemer onderzoekt zelf of het betreffende water een maatschappelijke functie vervult en of de onttrekking hiervoor niet buitensporig bezwaarlijk is of dat er maatregelen getroffen moeten worden om eventuele bezwaren te ondervangen.
Artikel 3.106, aanhef en onder i en j – specifieke zorgplicht – waarde ecologisch watersysteem niet verminderen en verbetering ecologische waarde niet afremmen
Voor deze activiteit geldt dat de initiatiefnemer zich ervan bewust moet zijn dat de activiteit kan leiden tot aantasting van de waarde van het ecologische watersysteem of de verbetering van de ecologische waarde (door maatregelen die getroffen worden) kan remmen. In het bijzonder in ecologisch waardevolle wateren dient de initiatiefnemer bewust te zijn van het ter plaatse voorkomende aquatisch-ecologisch leefmilieu en mogelijk beheersmaatregelen treffen om schade daaraan te voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan het opschorten van de activiteit of het treffen van andere mogelijke maatregelen indien de activiteit kan leiden tot verstoring van de ter plaatse aanwezige fauna die onderdeel uitmaakt van het ecologisch watersysteem.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.127, eerste lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van de in deze paragraaf bedoelde werken. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.127, eerste lid, onder d – specifieke uitvoeringsregelspecifieke uitvoeringsregel – doelmatige faunafauna –uitstapplaatsen
Fauna-uitstapplaatsen zijn als voorziening vereist in primaire oppervlaktewaterlichamen ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn (zie de paragraaf over de regels voor het aanleggen van oeververdedigingswerken). Voor elke 100 meter oeververdedigingswerk moet een fauna-uitstapplaats worden gerealiseerd, waarvoor de regels uit deze paragraaf van toepassing zijn. Een fauna-uitstapplaats moet doelmatig zijn. Dat wil zeggen dat de voorziening ervoor moet zorgen dat daarmee kan worden voorkomen dat, door menselijk toedoen, te water geraakte dieren verdrinken. Door het aanleggen van een fauna-uitstapplaats wordt voldaan aan de zorgplicht opgenomen in artikel 1.11, van de Wet natuurbescherming. Voor het waterschap hebben fauna-uitstapplaatsen ook een belang bij verbetering van de waterkwaliteit. Uit onderzoek van Wanink en Gorter uit 2011 blijkt immers dat fauna-uitstapplaatsen een positief ecologisch effect hebben op de waarde van het ecologisch watersysteem (Zie: J.H. Wanink en G. Wolters, Visonderzoek bij twintig fauna uittreedplaatsen (FUP’s) in het Oranjekanaal, Rapport 2011-090, https://www.researchgate.net/publication/337823710_Visonderzoek_bij_twintig_fauna_uittreedplaatsen_FUP's_in_het_Oranjekanaal).
De volgende varianten zijn onder meer toegestaan:
Begroeide fauna-uitstapplaats:
Dit is een ‘mini’-natuurvriendelijke oever. Over een breedte van enkele meters wordt een flauw talud aangelegd (met een hoogte-breedteverhouding van minimaal 1:3) met daarachter beplanting van bomen en struiken. Te water geraakte dieren zullen naar de behulpzame begroeiing toe zwemmen. Als de aanplant van bomen en struiken niet mogelijk is, kan er ook gekozen worden voor riet of lisdodde. Hoe breder hoe beter, maar een breedte van 1 meter voldoet meestal.
Naar beneden duwen van bestaande oeververdedigingswerken:
Door de ontstane laagte kunnen dieren in- en uitstappen. Het oeververdedigingswerk moet onder de laagste waterstand worden geduwd (bij winterpeil of vast peil).
Aanleggen van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:
Dit kunnen bijvoorbeeld stalen u-vormige bakken zijn van tenminste 50 centimeter breed met stortsteen of beton gevuld die hellend zijn aangelegd tegen de bestaande constructie.
Bij voorkeur worden fauna-uitstapplaatsen op een doeltreffende en logische positie in het oeververdedigingswerk aangelegd. Rekening houdend met de plekken waar de grootste kans is dat dieren te water raken, bijvoorbeeld bij houtwallen of bosranden. Overleg hierover met de lokale wildbeheereenheden wordt aanbevolen. De wildbeheereenheden weten bijvoorbeeld waar wildwissels lopen.
Voorbeelden van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:




IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.139, derde lid, onder b – beoordelingsregel – noodzakelijkheid
Het reguleren van het waterpeil is een taak van het waterschap. Omdat het kostbaar is om stuwen te beheren en te onderhouden, moet de noodzaak van het aanleggen van een stuw aangetoond worden. Het is wenselijk om zo min mogelijk stuwen in hetzelfde peilgebied te hebben waardoor doelmatig en efficiënt peilbeheer geborgd blijft.
Artikel 3.139, derde lid, onder c en d – beoordelingsregel – doorkruising vismigratieroute
Vispasseerbaar betekent dat vissen kunstwerken onbelemmerd in stroomop- en -afwaartse richting kunnen passeren. Een vispassage of andere passende maatregel die stroomop- en afwaartse migratie van vis faciliteert, is nodig als de stuw op een prioritaire vismigratieroute ligt. Dit zijn vispassages aangelegd met behoud van de natuurlijke stroomrichting van lager stroomopwaarts gelegen gebied naar het hoger stroomafwaarts gelegen gebied. Als de stuw op een niet-prioritaire vismigratieroute ligt, dan wordt de noodzaak voor het vispasseerbaar maken van het kunstwerk van geval tot geval bekeken. In dat geval weegt het waterschap af of de vismigratie ter plaatse op onaanvaardbare wijze zal worden doorkruist en indien daar sprake van is, zal ook in dat geval de stuw vispasseerbaar gemaakt moeten worden. Of er sprake is van onaanvaardbare doorkruising hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de hoeveelheid en samenstelling van de vis en of sprake is van een incidentele vismigratie of de verwachting is dat de vismigratie meer permanent van aard is. Met ‘samenstelling’ wordt bedoeld, de samenstelling van de in het oppervlaktewater aanwezige vispopulatie naar lengte, levensstadium en gewicht van de soort.
Artikel 3.139, derde lid, onder e – beoordelingsregel – aantasting waterpeil aan hoogwaterzijde
Het aanleggen van een stuw hoeft niet ook te leiden tot het wijzigen van het waterpeil, bijvoorbeeld bij het één op één vervangen van de stuw. Als dat wel gebeurt, zal voordat vergunning verleend kan worden voor het aanleggen van de stuw, het waterschap tevens akkoord moeten zijn met een aan de activiteit gekoppelde wijziging van het waterpeil. De initiatiefnemer moet hier bewust van zijn en bij het waterschap ook tijdig een vergunning aanvragen voor het wijzigen van het waterpeil, tenzij de wijziging van het waterpeil verdisconteerd is in een maatregel voortvloeiend uit een peilbesluit. Voor het wijzigen van het waterpeil zijn de regels uit de paragraaf voor het wijzigen van het waterpeil van toepassing.
Artikel 3.139, derde lid, onder f, 1º1. – beoordelingsregel – overstortbreedte stuwstuw
De overstortbreedte van een stuw is het deel van de stuw waarover het water stroomt. Dit wordt gemeten in de breedte, haaks op de stroming. De overstortbreedte moet voldoen aan de afvoernormen van het waterschap, opgenomen in het beleid peilbeheer en peilbesluiten.
Artikel 3.139, derde lid, onder f, 2º2. – beoordelingsregel – doorstroomcapaciteit
De aanwezigheid van een stuw mag er niet toe leiden dat onder omstandigheden water onvoldoende kan worden afgevoerd. Een stuw kan daarnaast de doorvoer naar een benedenstrooms deel van het watersysteem belemmeren. Met name als er benedenstrooms van de stuw geen inlaatmogelijkheid is vanuit een hoger gelegen peilgebied. Alleen neerslag kan dan zorgen voor aanvoer, wat in tijden van droogte onwenselijk is. Het waterschap regelt via vergunningvoorschriften dat de doorstroomcapaciteit geborgd is, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat de stuw een variabele overstorthoogte moet hebben.
Artikel 3.139, derde lid, onder f, 3º3. – beoordelingsregel – beheerbeheer, onderhoudonderhoud en bedieningbediening
Met doelmatigheid wordt bedoeld dat beheer, onderhoud en bediening op een voor het watersysteembeheer efficiënte en effectieve manier kunnen worden uitgevoerd. In sommige gevallen dient de stuw op afstand beheerd c.q. bediend en gecontroleerd te kunnen worden door het waterschap en moet daarom geschikt gemaakt worden voor bediening via Aquaview. Dat is een telemetrisch systeem dat door het waterschap wordt gebruikt.
Artikel 3.139, derde lid, onder g – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor stuwen moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.146, derde lid, onder b – beoordelingsregel – noodzakelijkheid peilwijziging
Het waterschap beoordeelt of de peilwijziging noodzakelijk is. Het waterpeil heeft een substantieel doel in het watersysteem. Het waterschap toetst of het initiatief voldoet aan het beleid voor peilbeheer en peilbesluiten en weegt dit af tegen het belang van de initiatiefnemer bij de activiteit. Daarbij beoordeelt het waterschap onder meer of de activiteit voldoet aan de vastgestelde droogleggingsnormen en of de activiteit niet leidt tot een buitenproportionele toename van kosten voor het beheer en onderhoud (zie ‘Artikel 3.146, derde lid, onder f - beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten’).
Artikel 3.146, derde lid, onder c – beoordelingsregel – geohydrologische effecten
De initiatiefnemer moet voordat de aanvraag wordt ingediend een analyse opstellen waarin de geohydrologische effecten van de activiteit in beeld worden gebracht en daarbij een beschouwing op de toename van kwel, wegzijging en verzilting van het (grond)watersysteem. Het waterschap beoordeelt of die effecten acceptabel (niet buitensporig zijn) en ingeval van negatieve effecten dat de eventuele voorgestelde beheersmaatregelen in voldoende mate de negatieve effecten kunnen ondervangen. Uit de conclusie van een dergelijke analyse en beschouwing kan ook blijken, dat ingeval van negatieve effecten monitoring van de effecten wordt aanbevolen en de initiatiefnemer daartoe een monitoringsplan moet overleggen. Het waterschap kan afhankelijk van de locatie, de mate van peilwijziging en eigen inzichten in de omgevingsvergunning nadere eisen stellen aan de monitoring.
Artikel 3.146, derde lid, onder d – beoordelingsregel – voldoen aan hydraulische normen in primaire oppervlaktewaterlichamen
Het waterschap beoordeelt of de hydraulische normen niet worden overschreden in het ontvangende en het leverende oppervlaktewaterlichaam. Dit houdt in dat kunstwerken en watergangen van voldoende afmeting zijn zodat opstuwing beperkt blijft en de doorstroomsnelheden niet te hoog oplopen. Hiertoe kan het waterschap een hydrologische berekening uitvoeren. Hiermee borgt het waterschap dat bij overvloedige neerslag wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen. Om water vast te houden kan het lokaal wenselijk zijn om een knijpconstructie toe te passen waarbij bijvoorbeeld een kleinere constructie (doorstroomopening) van het (peilregulerende) kunstwerk wordt toegepast. Hiertoe kan het waterschap een specifiek vergunningvoorschrift opnemen.
Artikel 3.146, derde lid, onder e, 1º1. – beoordelingsregel – onderbemalingonderbemaling niet afgegraven wierde of afgeticheld perceelperceel indien geen koppeling peilgebiedenpeilgebieden mogelijk
In de provincie Groningen zijn van oudsher steenfabrieken actief, waarvoor klei wordt gewonnen. De percelen waar klei wordt gewonnen liggen door afgraving substantieel lager dan de omringende percelen, terwijl het waterpeil gelijk is. Hetzelfde geldt voor de gebieden waar in het verleden een wierde is afgegraven. Ingeval in het te onderbemalen gebied geen sprake is van een afgegraven wierde of afgeticheld perceel beoordeelt het waterschap of een permanente peilverlaging middels een onderbemalingsinstallatie kan worden toegestaan. Daarbij toetst het waterschap of het onder te bemalen gebied niet eenvoudig gekoppeld kan worden aan een peilgebied met een lager peil. Met dit principe wordt beoogd geen onnodig nieuwe peilgebieden en bijbehorende kunstwerken te creëren en versnippering tegen te gaan. Als eenvoudig koppelen met een peilgebied met een lager peil mogelijk blijkt te zijn, wordt geen vergunning verleend voor een permanente peilwijziging middels een onderbemaling.
Artikel 3.146, derde lid, onder e, 2º2. – beoordelingsregel – onderbemalingonderbemaling afgegraven wierde of afgeticheld perceelperceel
In de provincie Groningen zijn van oudsher steenfabrieken actief, waarvoor klei wordt gewonnen. De percelen waar klei wordt gewonnen liggen door afgraving substantieel lager dan de omringende percelen, terwijl het waterpeil gelijk is. Hetzelfde geldt voor de gebieden waar in het verleden een wierde is afgegraven. In die gevallen kan een vergunning verleend worden voor het plaatsen en in werking hebben van een onderbemalingsinstallatie waarmee een permanente peilverlaging wordt gerealiseerd, mits wordt aangetoond dat er in het betreffende onder te bemalen gebied reeds sprake is van significante inundatie.
Artikel 3.146, derde lid, onder f - beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang en duur van de peilwijziging, de aard van de peilwijziging (onderbemaling of anders), de locatie van de peilwijziging en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.146, vierde lid, onder b, 1º1. – specifieke uitvoeringsregelspecifieke uitvoeringsregel – peilschaalpeilschaal bij onderbemalingsinstallatie
Het waterschap vereist dat de initiatiefnemer bij de onderbemalingsinstallatie een peilschaal plaatst zodat inzichtelijk is welk peil in het betreffende onder te bemalen gebied wordt gehanteerd. De peilschaal kan tegen een vergoeding bij het waterschap opgehaald worden en door het waterschap op de juiste hoogte worden opgehangen.
LLLL
Voor sectie 'Toelichting op paragraaf 3.3.1: Afrasteringen, schuttingen en hekwerken' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
MMMM
Voor sectie 'Toelichting op artikel 3.161: Specifieke uitvoeringsregels' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 3.160, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – niet onaanvaardbare belemmering van onderhoudswerkzaamheden
Het waterschap zal door het aanleggen van de werken enigszins belemmerd worden in het onderhoud, bijvoorbeeld bij het maaien van de waterkering. Dit leidt tot hogere onderhoudskosten. Deze zorgplicht borgt dat de kosten van het onderhoud voor het waterschap niet buitensporig toenemen. De initiatiefnemer moet voor de constructie van deze werken hiermee rekening houden.
Artikel 3.160, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – bereikbaarheid van beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap
Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat ingeval de werken de waterkering kruisen dat ter waarborging van de toegankelijkheid van onderhoudspaden op en langs de waterkering een door het waterschap eenvoudig te openen toegangshek of toegangspoort wordt gerealiseerd. Dit kan het waterschap ook als maatwerkvoorschrift opleggen.
Artikel 3.160, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding te allen tijde in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit meestal niet mogelijk, bijvoorbeeld als werken worden aangelegd in de waterkering. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt. En in tijden van slecht weer dienen maatregelen te worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek).
Artikel 3.160, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – borgen stabiliteit van de waterkering
Ter waarborging van de stabiliteit van de waterkering dient de initiatiefnemer bijvoorbeeld rekening te houden met de windbelasting van het werk. Bij de meeste hekwerken zal de stabiliteit niet in geding kunnen komen. Alleen bij hogere dichte constructies zouden mogelijk extra risico’s kunnen ontstaan ten aanzien van de stabiliteit van de waterkering. Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.159, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – niet onaanvaardbare belemmering van onderhoudswerkzaamheden
Het waterschap zal door het aanleggen van de werken enigszins belemmerd worden in het onderhoud, bijvoorbeeld bij het maaien van de waterkering. Dit leidt tot hogere onderhoudskosten. Deze zorgplicht borgt dat de kosten van het onderhoud voor het waterschap niet buitensporig toenemen. De initiatiefnemer moet voor de constructie van deze werken hiermee rekening houden.
Artikel 3.159, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – bereikbaarheid van beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap
Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat ingeval de werken de waterkering kruisen dat ter waarborging van de toegankelijkheid van onderhoudspaden op en langs de waterkering een door het waterschap eenvoudig te openen toegangshek of toegangspoort wordt gerealiseerd. Dit kan het waterschap ook als maatwerkvoorschrift opleggen.
Artikel 3.159, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding te allen tijde in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit meestal niet mogelijk, bijvoorbeeld als werken worden aangelegd in de waterkering. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt. En in tijden van slecht weer dienen maatregelen te worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek).
Artikel 3.159, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – borgen stabiliteit van de waterkering
Ter waarborging van de stabiliteit van de waterkering dient de initiatiefnemer bijvoorbeeld rekening te houden met de windbelasting van het werk. Bij de meeste hekwerken zal de stabiliteit niet in geding kunnen komen. Alleen bij hogere dichte constructies zouden mogelijk extra risico’s kunnen ontstaan ten aanzien van de stabiliteit van de waterkering. Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
[Vervallen]
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.165, aanhef en onder b en c – specifieke zorgplicht – beheer en onderhoud
Het waterschap wil alle waterkeringen goed kunnen inspecteren. Waterkeringen in beheer en onderhoud van het waterschap dienen goed toegankelijk te zijn waardoor beheer en onderhoudstaken op doelmatige wijze kunnen worden uitgevoerd. Uitgangspunt hierbij is dat het onderhoud bij voorkeur machinaal uitgevoerd kan worden en dat handwerk beperkt blijft. Waterkeringen in beheer en onderhoud van derden dienen goed toegankelijk te zijn, omdat medewerkers van het waterschap periodiek ter plaatse komen kijken naar de toestand van de waterkering (keringschouw). Bijvoorbeeld door uitspoeling door regen of overslaand water of door graafactiviteiten van dieren kan er schade ontstaan zijn. Het talud van een waterkering is over het algemeen bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking zoals van bomen en/of struiken is controle door medewerkers niet (goed) of beperkt mogelijk.
Artikel 3.165, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding te allen tijde in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit meestal niet mogelijk, bijvoorbeeld als beplanting in de waterkering wordt aangeplant. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt. In tijden van slecht weer dienen maatregelen te worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek). Deze zorgplicht houdt ook in dat door bladval en schaduwwerking het gras onder bomen en struiken minder goed kan groeien. Hierdoor kan de bekleding zijn erosiebestendigheid verliezen. Dit dient te worden voorkomen.
Artikel 3.165, aanhef en onder e – specifieke zorgplicht – borgen stabiliteit van de waterkering
Om de stabiliteit van een waterkering te garanderen, is een bepaalde normatieve afmeting (hoogte en breedte) van die waterkering nodig. Dit heet het ‘leggerprofiel’. Doorsnijding van dit leggerprofiel met bijvoorbeeld boom- en struikwortels maakt de waterkering minder stabiel (en dus minder veilig). De initiatiefnemer dient hier bij het kiezen van de locatie van de aanplant rekening mee te houden zodat dit zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
Artikel 3.165, aanhef en onder g – specifieke zorgplicht – pipingspecifieke zorgplicht – piping voorkomen
Bij het planten van bomen en struiken is het vooral belangrijk dat de stabiliteit van de waterkering is gegarandeerd en dat er door de groei van wortels van beplanting geen piping ontstaat. Piping is het verschijnsel dat tijdens hoogwater op het scheidingsvlak van een kleilaag en een zandpakket tunnels ontstaan waardoor zand van onder de waterkering wegspoelt. In de loop der tijd kan de tunnel uitgroeien richting de waterkant en kan er uiteindelijk een open verbinding ontstaan tussen de waterzijde en landzijde van de waterkering. Door uitspoeling van zand aan de landzijde van de waterkering wordt langzaam maar zeker de waterkering ondermijnd waardoor mogelijk verzakking zo niet doorbraak van de waterkering plaats kan vinden. Het moet worden voorkomen dat door het ontgraven van grond de weerstand tegen piping vermindert of dat bij aantasting van afdichtende kleilagen kwelstromen kunnen ontstaan waarbij het risico op piping wordt vergroot.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.170, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – borgen stabiliteit van de waterkering
De activiteit kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering, bijvoorbeeld door het afgraven van grond ten behoeve van het rooien van beplanting. Ook kan bij een forse toename van de bovenbelasting, veroorzaakt door materieel, dat nodig is om beplanting te rooien, de stabiliteit van de waterkering in het geding komen. Initiatiefnemers dienen zich daarvan bewust te zijn en indien nodig beheersmaatregelen te treffen. Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
Artikel 3.170, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding te allen tijde in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit niet mogelijk als beplanting wordt gerooid. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt. Deze zorgplicht houdt ook in dat de waterkering na verwijdering van beplanting ter plaatse van een erosiebestendige bekleding moet worden voorzien en dat er in tijden van slecht weer maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek).
Artikel 3.170, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – pipingspecifieke zorgplicht – piping voorkomen
Wortelstelsels van bomen en planten kunnen piping veroorzaken. Als een boom omwaait, kan namelijk een ontgrondingskuil ontstaan, waardoor kwelstromen een kans kunnen krijgen. Piping is het verschijnsel dat tijdens hoogwater op het scheidingsvlak van een kleilaag en een zandpakket tunnels ontstaan waardoor zand van onder de waterkering wegspoelt. In de loop der tijd kan de tunnel uitgroeien richting de waterkant en kan er uiteindelijk een open verbinding ontstaan tussen de waterzijde en landzijde van de waterkering. Door uitspoeling van zand aan de landzijde van de waterkering wordt langzaam maar zeker de waterkering ondermijnd waardoor mogelijk verzakking zo niet doorbraak van de waterkering plaats kan vinden. Het moet worden voorkomen dat door het ontgraven van grond de weerstand tegen piping vermindert of dat bij aantasting van afdichtende kleilagen kwelstromen kunnen ontstaan waarbij het risico op piping wordt vergroot.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.188, tweede lid, onder a – specifieke uitvoeringsregel – verdichten van grond
Bij het aanbrengen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.188, tweede lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – erosiebestendige bekleding
Hieronder verstaat het waterschap een goede grasmat of een harde bekleding zoals asfalt of bestrating.
Artikel 3.188, tweede lid, onder c – specifieke uitvoeringsregel)specifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoek
Deze specifieke uitvoeringsregel bevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
RRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.206, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap en onderhoudswerkzaamheden niet belemmeren
Het waterschap voert onderhoud vaak uit met behulp van groot materieel. Dit moet te allen tijde mogelijk blijven. Een circa 1 meter brede, verharde strook rondom een bankje bijvoorbeeld, kan voorkomen dat de inzet van extra (klein) materieel nodig is. Daarom stelt het waterschap de aanleg van verharding bij het kleine object in sommige gevallen verplicht via een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift.
Artikel 3.206, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – borgen stabiliteit van de waterkering
Met name bij ontgravingen ten behoeven van het aanleggen van kleine objecten kan de stabiliteit van de waterkering in het geding komen. De initiatiefnemer dient zich hier bewust van te zijn en zo nodig maatregen treffen om dit te voorkomen. Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
Artikel 3.206, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding te allen tijde in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit meestal niet mogelijk, bijvoorbeeld als objecten worden aangelegd in de waterkering. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt. En in tijden van slecht weer dienen maatregelen te worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek).
Artikel 3.206, aanhef en onder f – specifieke zorgplicht – pipingspecifieke zorgplicht – piping voorkomen
Piping is het verschijnsel dat tijdens hoogwater op het scheidingsvlak van een kleilaag en een zandpakket tunnels ontstaan waardoor zand van onder de waterkering wegspoelt. In de loop der tijd kan de tunnel uitgroeien richting de waterkant en kan er uiteindelijk een open verbinding ontstaan tussen de waterzijde en landzijde van de waterkering. Door uitspoeling van zand aan de landzijde van de waterkering wordt langzaam maar zeker de waterkering ondermijnd waardoor mogelijk verzakking zo niet doorbraak van de waterkering plaats kan vinden. Het moet worden voorkomen dat door het ontgraven van grond de weerstand tegen piping vermindert of dat bij aantasting van afdichtende kleilagen kwelstromen kunnen ontstaan waarbij het risico op piping wordt vergroot.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, vierde lid, onder d – specifieke uitvoeringsregel – verdichten van grond
Bij het toepassen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot een proctordichtheid van minimaal 97%. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.224, vierde lid, onder e, 5º5. – specifieke uitvoeringsregelspecifieke uitvoeringsregel – graszaad en weefseldoek
Deze specifieke uitvoeringsregel bevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
Artikel 3.224, vierde lid, onder f, g en h – specifieke uitvoeringsregel – verwijderen van een vervangen waterkering, gereedmelding nieuwe waterkering en melding verwijdering vervangen waterkering
Het waterschap beoordeelt nieuwe waterkeringen voordat ze in gebruik en in beheer worden genomen. Daarom moet ruim voor het gereed zijn van het werk contact worden opgenomen met het waterschap. Een vervangen waterkering mag pas verwijderd worden als het waterschap groen licht heeft gegeven. Het waterschap controleert of de nieuw aangelegde waterkering voldoet aan het bij de aanvraag overgelegde ontwerp en/of is voldaan aan de in deze paragraaf opgenomen voorschriften. Het waterschap kan naar aanleiding van een opleveringscontrole aanwijzingen geven voor de ingebruikname.
TTTT
Voor sectie 'Toelichting op paragraaf 3.4.1: Grondwater onttrekken of infiltreren' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.243, vierde lid, onder a t/m d – specifieke uitvoeringsregel – meet– en registratieplicht kwantiteit en kwaliteit grondwater en voldoen aan normen van het Besluit kwaliteit leefomgeving
Aan het begin van elk kalenderjaar moet de meetstaat van de put(ten), ongeacht of het een meldings- of een vergunningplichtige activiteit betreft aan het waterschap worden toegestuurd zodat dit geregistreerd kan worden. Dit gaat over de kwantiteit van de onttrekkingen aan en infiltraties in grondwaterlichamen. Het jaarlijks melden van de meetstaat blijft vereist totdat de put(ten) opgeheven wordt. Het waterschap registreert dit op instructie van de provincies. De provincie kan met deze gegevens belasting heffen over het onttrokken grondwater en eventuele beleidswijzigingen doorvoeren.
Daarnaast vereist het waterschap ingeval oppervlaktewater wordt geïnfiltreerd ter aanvulling van het grondwater dat de kwaliteit van het oppervlaktewater dat geïnfiltreerd wordt, gemeten, geanalyseerd en aan het waterschap gerapporteerd wordt. Voor de analysemethodiek wordt verwezen naar de Drinkwaterregeling. Het waterschap kan deze gegevens gebruiken om te beoordelen of de infiltratie mogelijk kan leiden tot gevaar voor de verontreiniging van het grondwater waarbij de normen uit [bijlage XIX](bijlage XIX), van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden toegepast. De initiatiefnemer dient op basis van de meetgegevens zich ervan te vergewissen dat het te infiltreren oppervlaktewater voldoet aan de normen uit [bijlage XIX](bijlage XIX ) , van het Besluit Kwaliteit leefomgeving. Het waterschap kan in voorkomende gevallen bij te hoge concentraties van bepaalde aanwezige stoffen een maatwerkvoorschrift opstellen.
Artikel 3.243, vierde lid, onder f – specifieke uitvoeringsregel – maatregelen bij negatieve geohydrologisch effecten
Initiatiefnemers kunnen zowel bij de melding als bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een geohydrologische analyse overleggen. Ingeval van de meldingsplicht wordt dit enkel vereist indien negatieve effecten verwacht worden. Bij vergunningplichtige activiteiten is het indienen van een geohydrologische analyse verplicht. Indien nodig kan het waterschap op basis van de geohydrologische analyse maatwerkvoorschriften opleggen of specifieke vergunningsvoorschriften in de omgevingsvergunning opnemen, bijvoorbeeld de verplichting om maatregelen te treffen, die de negatieve effecten wegnemen, zoals het aanbrengen van waterkerende wanden. Hierdoor stroomt minder grondwater in de bouwput. Een ander voorbeeld van een mitigerende maatregel is het retourneren van grondwater (=infiltratie) bij kwetsbare objecten.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.245, derde lid, onder b – beoordelingsregel – verenigbaarheid met dragende functie watersysteem
Grondwater kan beperkend of noodzakelijk zijn voor het gebruik van de grond erboven in verband met de draagkracht voor bouwwerken. Deze functie behoort niet primair tot wat het waterschap beoordeelt. Om te voorkomen dat de functie van grondwater onbedoeld genegeerd wordt, wordt met deze beoordelingsregel geborgd dat het waterschap bij de beoordeling van de aanvraag rekening houdt met de gevolgen die de grondwateronttrekkingsactiviteit kan hebben voor de dragende functie van het watersysteem. Het bieden van een dragende functie aan bouwwerken is immers een functie van de bodem en daarmee ook van het grondwater.
Artikel 3.245, derde lid, onder c – beoordelingsregel – samenhang tussen onttrekking en infiltratie
Deze beoordelingsregel is van toepassing op een grondwateronttrekkingsactiviteit die in samenhang plaatsvindt met het infiltreren van oppervlaktewater ter aanvulling van het grondwater. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als vaststaat dat er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater. Artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt wanneer van gevaar voor de verontreiniging van het grondwater sprake is. Hierbij wordt verwezen naar [bijlage XIX](bijlage XIX) van het Bkl.
Artikel 3.245, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geohydrologische effecten acceptabel of voldoende ondervangen door maatregelen
De initiatiefnemer moet voordat de aanvraag wordt ingediend een analyse opstellen waarin de geohydrologische effecten van de activiteit in beeld worden gebracht en daarbij een opgave van de geohydrologische effecten die mogelijk tot negatieve gevolgen zullen leiden. Het waterschap beoordeelt of die effecten acceptabel (niet buitensporig zijn) en ingeval van negatieve effecten dat de eventuele voorgestelde maatregelen in voldoende mate de negatieve effecten kunnen ondervangen. Daarnaast dient de initiatiefnemer een monitoringsplan te overleggen. Het waterschap kan afhankelijk van de locatie, de mate van onttrekking of infiltratie en eigen inzichten in de omgevingsvergunning nadere eisen stellen aan de monitoring.
Artikel 3.245, derde lid, onder e – beoordelingsregel – permanente onttrekkingen
Permanente onttrekkingen zijn niet duurzaam, gelet op de huidige stand van de techniek niet noodzakelijk en zijn daarom in principe niet toegestaan, zoals voor het droog houden van ondergrondse civieltechnische en bouwkundige werken. Om in deze constructies het waterpeil lager te houden dan dat van de omgeving, worden namelijk permanente bronbemalingen gebruikt. Zulke bemalingen tasten de grondwaterstand en –stroming aan. Ook worden riolering, rioolwaterzuiveringsinstallatie en het oppervlaktewater onnodig belast. De aanwezige bodemlaag - van bijvoorbeeld klei - moet de toestroming van grondwater zoveel mogelijk remmen, maar blijkt soms minder waterdicht dan gedacht. De hoeveelheid grondwater dat vrijkomt bij de onttrekking is hierdoor aanzienlijk hoger dan vooraf ingeschat. Ondergrondse constructies moeten daarom volledig waterdicht worden ontworpen.
WWWW
Voor sectie 'Toelichting op paragraaf 3.5.1: Afvalwater vanaf een agrarische wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.249, onder a – specifieke uitvoeringsregels – alternatieve lozingsroutes
Er zijn twee voorkeursroutes voor wasplaatshouders om zich te doen van hun afvalwater:
lozen op een vuilwaterriool: hiervoor stelt het waterschap geen regels.
lozen op de bodem; hiervoor stelt het waterschap geen regels. Ingeval deze alternatieven niet kunnen worden toegepast, mag de initiatiefnemer onder de voorwaarden die het waterschap in deze paragraaf stelt het afvalwater lozen op het oppervlaktewater.
Artikel 3.249, onder b – specifieke uitvoeringsregels – geen werktuigen en voertuigen die in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen
Op de wasplaats mogen geen werktuigen en voertuigen, zoals veldspuiten en mestverspreiders, worden gereinigd die (mogelijk) in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen. Immers, het risico op verontreiniging van het oppervlaktewater neemt daarmee toe.
Artikel 3.249, onder e – specifieke uitvoeringsregels – emulgerende werking van was- en reinigingsmiddelen
Deze regel heeft als gevolg dat de initiatiefnemer bij het wassen geen emulgerende wasmiddelen mag gebruiken, tenzij ze biologisch afbreekbaar zijn. De emulgerende werking van bepaalde was- en reinigingsmiddelen zorgt er namelijk voor dat de olie uit de olieafscheider, waarin het afvalwater op een wasplaats wordt opgevangen, (mee)geloosd kan worden op het oppervlaktewaterlichaam. Hierdoor zal een achteruitgang van de waterkwaliteit optreden en kan dit leiden tot negatieve effecten voor de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige flora en fauna, waardoor de waarde van het ecologische watersysteem zal verminderen.
Artikel 3.249, onder f – specifieke uitvoeringsregels – afvalwater dat overige stoffen en/of preparaten bevat
Indien de initiatiefnemer kennis heeft of het vermoeden heeft dat het afvalwater ook andere stoffen en/of preparaten bevat die mogelijk waterbezwaarlijk zijn, dan volgt hij de volgende procedure:
hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;
hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;
afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;
de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.
hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;
hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;
afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;
de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.
Artikel 3.249, onder g – specifieke uitvoeringsregels)specifieke uitvoeringsregels – toegankelijke bemonsteringsvoorzieningbemonsteringsvoorziening
Met deze uitvoeringsregel beoogt het waterschap dat de initiatiefnemer bij het lozingspunt een bemonsteringsvoorziening plaatst die te allen tijde in ieder geval voor het waterschap toegankelijk is. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen hekwerken geplaatst mogen worden, omdat het waterschap daarmee gehinderd zou worden in het bemonsteren van het afvalwater.
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.256, derde lid, onder b – beoordelingsregel – het dichtstbijzijnde meest geschikte oppervlaktewaterlichaam
Het waterschap beoordeelt aan de hand van een door de initiatiefnemer ingediend rapport of het oppervlaktewaterlichaam waar de activiteit plaatsvindt het meest geschikte is voor een koude- of warmtelozing. De kans op optreden van negatieve ecologische effecten als gevolg van koude- of warmtelozingen zal verschillen tussen verschillende typen oppervlaktewateren. Deze kans is afhankelijk van de habitatgeschiktheid van het watersysteem, die mede wordt bepaald door de kenmerken van het watersysteem waaronder waterdiepte, oeverinrichting en stroomsnelheid. Het thermische effect van een koude- of warmtelozing wordt bepaald door de morfologie van het ontvangende water, de mate van doorstroming en de hoeveelheid koudevracht of warmtevracht die er wordt geloosd. De kans op het optreden van nadelige ecologische effecten als gevolg van een koude- of warmtelozing neemt toe naarmate het temperatuurverschil tussen geloosd water en ontvangend water toeneemt en naarmate de omvang van het gebied dat door de koude- of warmtelozing beïnvloed wordt toeneemt. In stagnante systemen is het risico op ophoping van koude of warmte groter dan in stromende wateren. In stromende wateren vindt actieve menging plaats.
Vanwege de hogere dichtheid verspreidt de koudepluim, ingeval van een koudevracht, zich voornamelijk langs de waterbodem. In lijnvormige watersystemen met stroming kan daarbij verwacht worden dat de koude zich overwegend in de lengterichting van de watergang verspreidt. De verspreiding over de breedte van de watergang (haaks op de stromingsrichting) hangt samen met de stroomsnelheid. In de lijnvormige watergangen met stroming zijn ecologische effecten vooral direct stroomafwaarts van het lozingspunt te verwachten.
Stroming en turbulentie, bijvoorbeeld door scheepvaart, kunnen zorgen voor een snelle menging, waardoor koude- en warmtepluimen minder sterk aanwezig zijn en snellere opwarming of afkoeling van het water plaatsvindt. In lijnvormige wateren met weinig tot geen doorstroming zal de koude of warmte zich, afhankelijk van de relatie tussen lozingsdebiet en dimensies van de watergang, in de lengte en breedte over de waterbodem verdelen. Door het (vrijwel) ontbreken van afvoer, kan de koude of warmte langdurig aanwezig blijven. Daardoor bestaat er in stilstaande systemen een grotere kans op negatieve ecologische effecten dan in watersystemen met stroming.
Artikel 3.256, derde lid, onder c – beoordelingsregel – een passende mengzone
De mengzone is het gebied waarin het temperatuurverschil met de achtergrondtemperatuur groter is dan de opgegeven grenswaarde. Het is afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam waar de activiteit gaat plaatsvinden wat de omvang van de mengzone zou moeten zijn om negatieve effecten op de waarde van het ecologisch watersysteem te voorkomen. Om te voorkomen dat koude- of warmtepluimen een thermische barrière voor migrerende vissen vormen, is het wenselijk dat de mengzone niet de gehele natte doorsnede van watergangen bestrijkt. Veel vis migreert langs de waterbodem. De diepere delen van watergangen zijn daarom van belang voor vismigratie. Juist in deze delen kan met name geloosde koude zich ophopen, zeker in watersystemen met weinig stroming. Zo zou voor watergangen waarin geen of weinig stroming van het water plaatsvindt de eis gesteld kunnen worden dat ter hoogte van het lozingspunt de mengzone een maximale lengte heeft van 500 meter en niet meer dan 50 % van de natte doorsnede van het oppervlaktewaterlichaam bestrijkt of indien dit niet mogelijk is, dat uit onderzoek is gebleken dat in de specifieke omstandigheden de activiteit niet leidt tot een barrièrewerking voor de vismigratie. Voor oppervlaktewateren, niet zijnde watergangen, waarin wel substantiële stroming van het water aanwezig is, zal een minder strenge eis gesteld kunnen worden. Het waterschap beoordeelt wat een passende mengzone is op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde rapportage.
Bij de verspreiding van koude- en warmtepluimen moet rekening gehouden worden met vier aspecten:
momentum en blijven hangen van koude of warmte dicht bij het lozingspunt (‘near-field entrainment’);
drijfvermogen van de koude- of warmtepluim;
menging;
opwarming of afkoeling op grotere afstand van het lozingspunt (‘far field’). Daarnaast moeten de kenmerken van het ontvangende water worden meegenomen:
momentum en blijven hangen van koude of warmte dicht bij het lozingspunt (‘near-field entrainment’);
drijfvermogen van de koude- of warmtepluim;
menging;
opwarming of afkoeling op grotere afstand van het lozingspunt (‘far field’).
Daarnaast moeten de kenmerken van het ontvangende water worden meegenomen:
Artikel 3.256, derde lid, onder d – beoordelingsregel – ondergrens en bovengrens temperatuur ontvangende oppervlaktewaterlichaam
De meeste koudelozingen zullen een maximale verlaging van de watertemperatuur met 3-6 ⁰C tot gevolg hebben, waarbij geen lozingen zullen mogen plaatsvinden in de wintermaanden maar vooral in de zomer. Voor koudelozingen in de periode mei-september, die starten bij een watertemperatuur van minimaal 15 ⁰C en waarbij de verlaging van de watertemperatuur in het voorjaar maximaal 3 ⁰C en in de zomer maximaal 6 ⁰C is aannemelijk dat deze hoogstwaarschijnlijk geen negatief effect zullen hebben op de ecologische waterkwaliteit. Uit onderzoek van STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) blijkt dat in kleine watergangen ecologische schade kan optreden als de watertemperatuur als gevolg van koudelozingen lager wordt dan 10 °C. Het is zeer afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam, de mate van doorstroming, het lozingsdebiet en de temperatuur van de koudelozing welke ondergrens gehanteerd kan worden voor deze activiteit. Dit moet blijken uit het door de initiatiefnemer te overleggen rapport. Hetzelfde geldt voor de bovengrens ingeval van een warmtelozing.
ZZZZ
Voor sectie 'Toelichting op paragraaf 3.6.1: Aansluiten openbaar riool(stelsel) en afvalwaterleidingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
AAAAA
Sectie 'Toelichting op afdeling 1.2: LOZINGSACTIVITEITEN OP EEN OPPERVLAKTEWATERLICHAAM OF EEN ZUIVERINGTECHNISCH WERK' wordt verplaatst van sectie 'Toelichting op bijlage 5: Lozingsactiviteiten uit de bruidsschat voor de waterschapsverordening' naar sectie 'Toelichting op hoofdstuk 3: ACTIVITEITEN IN BEPERKINGENGEBIEDEN'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels voor lozingsactiviteiten op en nabij oppervlaktewaterlichamen of zuiveringtechnische werken. De regels in deze afdeling, die afkomstig zijn uit de zogenoemde bruidschat voor de waterschappen, hebben met name tot doel dat de functie van oppervlaktewaterlichamen of zuiveringtechnische werken vanuit het perspectief van waterkwaliteit en het doelmatig kunnen zuiveren van (stedelijk) afvalwater in stand blijft. Het betreft lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in deze afdeling kunnen ook van toepassing zijn op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.
Deze paragraaf bevat algemene bepalingen die specifiek gelden voor de activiteiten die gereguleerd zijn in deze afdeling 3.7. Deze algemene bepalingen gelden als aanvulling op de algemene bepalingen opgenomen in afdeling 3.1, van deze verordening.
Deze afdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in deze afdeling zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.
Artikel 1.63.282 – LozenLozen van grondwatergrondwater bij saneringensaneringen
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel. 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd. Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht, opgenomen in artikel 1.33.279 van deze bijlage 5afdeling 3.7.
Artikel 1.73.283 – LozenLozen van grondwatergrondwater bij ontwateringontwatering
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt. De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht, opgenomen in artikel 1.33.279 van deze bijlage 5afdeling 3.7.
Artikel 1.83.284 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: ten minste 5 werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken.
Artikel 1.93.285 – LozenLozen van afvloeiend hemelwater
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht (artikel 1.33.279) worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn aangelegd. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. De regels hierover staan in het omgevingsplan. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Als laatste mogelijkheid is het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam aangegeven. Dit is alleen toegestaan wanneer het lozen via een andere route niet mogelijk is.
Artikel 1.103.286 – MeldingsplichtMeldingsplicht
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken worden aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig, ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg of wijziging, op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
Artikel 1.123.288 – LozenLozen van huishoudelijk afvalwater
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct in het oppervlaktewater te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden in het oppervlaktewater.
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.
Artikel 1.133.289 – Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in niet-aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW- rapport ‘Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen’ van januari 1999 ten grondslag.
Om een bepaalde mate van zuivering te garanderen worden de meeste IBA-systemen gecertificeerd aan de hand van de Europese CE-markeringsregels. Hiermee wordt ieder systeem getest op een aantal parameters zoals de zuivering van suspended solids (SS) bij een IBA Klasse 1 en 2 en worden IBA's met de klasse 3a en 3b getest op de zuivering van stikstof totaal (N-totaal). Voor septic tanks wordt de certificering NEN-EN 12566-1 gebruikt en voor IBA-systemen (tot 50 I.E.) geldt de CE-certificering NEN-EN 12566-3. In artikel 2.14, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is vastgelegd dat bouwproducten moeten voldoen aan CE-markeringsregels. Een bouwproduct is volgens het Bbl een product of bouwsysteem dat permanent in een bouwwerk wordt verwerkt. Een bouwwerk is een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties. Een zuiveringsvoorziening c.q. IBA-systeem kan daarom beschouwd worden als een bouwproduct waarvoor de CE-markeringsregels van toepassing zijn.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 1.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo’n voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
Artikel 1.143.290 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals het aantal inwonerequivalenten en de wijze van behandelen van het afvalwater. Eveneens moeten gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt worden als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.153.291 – Koelwater
Deze paragraaf is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. Voor de aangewezen oppervlaktewaterlichamen geldt een strengere norm dan de niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s)
ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ per m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
Artikel 1.163.292 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verschaft over de maximale warmtevracht. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.173.293 – Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen
Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater.
De regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (paragraaf 3.1.6) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.5) schreven voor dat bij het reinigen en conserveren maatregelen getroffen dienden te worden om het op het oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen. Deze regels betroffen gedetailleerde instructies waaraan de lozer moest voldoen. Hierdoor mocht slechts afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd bij het afwassen met water en het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigings- en conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 1.183.294.
Artikel 1.183.294 – Werkinstructie bij reinigen en conserveren
Het onderhouden van bouwwerken houdt veelal in dat de bouwwerken van verontreinigingen worden ontdaan, dat roest en oude verflagen worden verwijderd en dat een nieuwe verflaag wordt aangebracht. Bij de werkzaamheden worden reinigings- en/of conserveringstechnieken toegepast en komen stoffen vrij of worden stoffen gebruikt die emissies veroorzaken naar oppervlaktewaterlichaam. Om deze emissies te voorkomen of te beperken zijn milieubeschermende maatregelen nodig. In het algemeen gebeurt dit door het afschermen van de ruimte waarin wordt gewerkt en opvangen en verwerken van vrijkomende stofdeeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de te verwijderen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen milieubeschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor het milieu beperkt worden.
Voor de reinigings- en conserveringswerkzaamheden moet een werkinstructie opgesteld worden waarin in ieder geval de maatregelen staan die getroffen worden om het lozen te voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De werkinstructie kan de maatregelen bevatten die onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen worden beschreven, maar het is ook mogelijk om andere maatregelen of technieken te treffen. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.23 van het Bal.
Artikel 1.193.295 – Werkinstructie bij bouwen en slopen
Als bouwwerken worden gesloopt, gerenoveerd of gebouwd is het bijna onvermijdelijk dat vaste delen in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Het is daarom van belang dat bij deze werkzaamheden aan bouwwerken, die in de buurt van of boven het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden, verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. De werkwijze en een zorgvuldige bedrijfsvoering zijn daarbij van doorslaggevend belang. Daarom moet een werkinstructie worden opgesteld waarin naast de werkwijze in ieder geval is aangegeven welke preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Er moet worden gehandeld conform deze werkinstructie en de daarin genoemde maatregelen moeten worden getroffen.
Artikel 1.203.296 – Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaamoppervlaktewaterlichaam
Als het bij het reinigen of conserveren nodig is om te werken met een gesloten hulpconstructie en afzuiging, geldt een emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid stof die naar de buitenlucht wordt afgevoerd. Deze eis is bedoeld om te voorkomen dat het stof alsnog in het oppervlaktewater terecht kan komen. Als de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam zodanig groot is dat een lozing redelijkerwijs niet te verwachten is, geldt dit artikel niet.
Artikel 1.213.297 – Specifieke meldingsvereisten
Op grond van dit artikel moeten aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor aanvang van de reinigings- of conserveringswerkzaamheden of de bouw- of sloopwerkzaamheden de in het eerste lid van dit artikel genoemde gegevens en bescheiden verstrekt worden. Daarbij moet de werkinstructie worden toegestuurd. Het derde lid bevat een uitzondering op deze plicht voor periodieke reinigingswerkzaamheden waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld gevelreiniging.
Artikel 1.223.298 – Inerte goederen
Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting. Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om ‘het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen’. Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De afdeling heeft geen betrekking op ‘opslaan’. Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal.
Artikel 1.233.299 – LozenLozen bij opslaan van inerte goederen
Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd in oppervlaktewater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt voordat het wordt geloosd. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was bepaald dat de lozing geen visuele verontreiniging mag veroorzaken. Die bepaling keert niet terug, want het voorkomen van visuele verontreiniging is onderdeel van de specifieke zorgplicht, opgenomen in artikel 1.33.279 van deze bijlage 5afdeling 3.7.
Artikel 1.243.300 – LozenLozen bij overslaan van inerte goederen
Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (bijvoorbeeld zand of grind op een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.
De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.
Artikel 1.253.301 – LozenLozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
Dit artikel heeft betrekking op goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Dit artikel geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is dus een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden ‘uitgezet’. Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan.
Lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 meter aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel 1.5. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel 1.5 relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen de totaal organische koolstof (TOC), onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang. Vanaf 1 januari 2026 mogen laboratoria niet meer analyseren op chemisch zuurstofverbruik (CZV) omdat daarvoor zeer toxische verbindingen worden gebruikt. De emissiegrenswaarde voor Chemisch Zuurstofverbruik (CZV) is daarom vervangen door een emissiegrenswaarde voor Totaal organische koolstof (TOC). De correlatie tussen CZV en TOC is voorlopig gesteld op een factor 3. Dit betekent dat de emissiegrenswaarde die gold bij CZV is gedeeld door drie. Indien in een concreet geval deze factor ter discussie staat, kan het waterschap besluiten van deze grenswaarde af te wijken.
Artikel 1.263.302 – Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het:
bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;
overslaan van zout voor het strooien op wegen;
overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en
overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
Met ‘bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen’ wordt het overslaan bedoeld wat in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld voor inrichtingen.
De andere overslaghandelingen (strooizout, niet-inerte goederen die vrijkomen bij of nodig zijn in een werk) hebben betrekking op wat in het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld voor het overslaan buiten een inrichting. Bij ‘niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk’ kan gedacht worden aan het vervangen of aanleggen van een walbeschoeiing in het oppervlaktewater, het aanbrengen of vervangen van kabels in de bodem of oppervlaktewater en andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Dit materiaal kan van allerlei aard zijn, zoals beschadigde walbeschoeiing en oude kabels. Ook het nieuwe materiaal kan worden overgeslagen voordat het in het werk wordt aangebracht. In dit geval betreft het dus de nieuwe walbeschoeiing, nieuwe kabels en soortgelijk materiaal die nodig zijn in een werk.
Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (op bijvoorbeeld een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.
De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.
Artikel 1.273.303 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag bepaalde gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.283.304 – Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven. Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast verplichtte het voormalige artikel 3.8 van de Waterwet tot afstemming van taken en bevoegdheden over de afvalwaterketen. Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. Ook het nieuwe stelsel gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Ongetwijfeld zal het college het waterschap daarbij betrekken. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam ‘rioleringsprogramma’ is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Artikel 1.293.305 – LozenLozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Voor lozingen vanuit ‘overheids-IBA’s’ geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1.283.304.
Artikel 1.303.306 – LozenLozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden
Dit artikel heeft betrekking op baggerwerkzaamheden en ontgravingen en geldt alleen voor de lozingen bij het baggeren en ontgraven zelf. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een eventuele toepassing van de bagger of de opgegraven materie. Het artikel is niet alleen van toepassing op waterbeheerders die baggerwerkzaamheden en ontgravingen verrichten. Ook als die werkzaamheden door derden worden verricht (zoals de onderhoudsplichtigen), is het artikel van toepassing.
Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan als die plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewater waar ook het baggeren of ontgraven plaatsvindt.
Artikel 1.313.307 – Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.
Artikel 1.323.308 – LozenLozen bij werkzaamheden door de waterbeheerderwaterbeheerder
Dit artikel heeft betrekking op lozingen afkomstig van andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Bijvoorbeeld het aanleggen van een natuurvriendelijke oever. Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan zonder verdere voorwaarden. Vanzelfsprekend geldt wel de specifieke zorgplicht.
Artikel 1.333.309 – LozenLozen van algen en bacteriën
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van algen en bacteriën op een oppervlaktewaterlichaam wat door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvindt in het kader van oppervlaktewaterbeheer.
Het artikel bepaalt dat algen en bacteriën afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam geloosd mogen worden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Daarbij geldt de voorwaarde dat beide oppervlaktewaterlichamen in beheer zijn bij dezelfde waterbeheerder. Het artikel maakt mogelijk dat de waterbeheerder, in het kader van het oppervlaktewaterbeheer, algen en bacteriën naar eigen inzicht in het eigen beheersgebied kan verplaatsten.
Artikel 1.343.310 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.353.311 – Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bestaat geen bezwaar, voor zover het afvalwater geen chemicaliën zoals desinfecteermiddelen bevat. Een lozing die wel zulke middelen bevat, is alleen mogelijk als het bevoegd gezag daarvoor een maatwerkvoorschrift heeft gesteld.
Artikel 1.363.312 – LozenLozen bij calamiteitenoefeningen
Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip ‘calamiteitenoefening’. Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloei-eigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.
Om overlap met regels uit het Bal te voorkomen, is een afstemmingsbepaling opgenomen in dit artikel. Het artikel heeft geen betrekking op afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
Artikel 1.373.313 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt en welke stoffen dat blusschuim bevat.
Artikel 1.383.314 – LozenLozen vanuit andere gebouwen dan een kas Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt. Deze uitzondering is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. Vanaf 1 januari 2026 mogen laboratoria niet meer analyseren op chemisch zuurstofverbruik (CZV) omdat daarvoor zeer toxische verbindingen worden gebruikt. De emissiegrenswaarde voor Chemisch Zuurstofverbruik (CZV) is daarom vervangen door een emissiegrenswaarde voor Totaal organische koolstof (TOC). De correlatie tussen CZV en TOC is voorlopig gesteld op een factor 3. Dit betekent dat de emissiegrenswaarde die gold bij CZV is gedeeld door drie. Indien in een concreet geval deze factor ter discussie staat, kan het waterschap besluiten van deze grenswaarde af te wijken.
Artikel 1.393.315 – LozenLozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
Artikel 1.403.316 – LozenLozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. Vanaf 1 januari 2026 mogen laboratoria niet meer analyseren op chemisch zuurstofverbruik (CZV) omdat daarvoor zeer toxische verbindingen worden gebruikt. De emissiegrenswaarde voor Chemisch Zuurstofverbruik (CZV) is daarom vervangen door een emissiegrenswaarde voor Totaal organische koolstof (TOC). De correlatie tussen CZV en TOC is voorlopig gesteld op een factor 3. Dit betekent dat de emissiegrenswaarde die gold bij CZV is gedeeld door drie. Indien in een concreet geval deze factor ter discussie staat, kan het waterschap besluiten van deze grenswaarde af te wijken.
Artikel 1.413.317 – LozenLozen bij omgekeerde osmoseosmose en ionenwisselaars
Op grond van de artikel 4.801 en artikel 4.804 van het Bal mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden voor dit afvalwater.
Artikel 1.423.318 – LozenLozen bij ontijzeren grondwatergrondwater
Het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten is niet geregeld in het Bal. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
Artikel 1.433.319 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.443.320 – Uitzondering voorgeschreven lozingsroute
Volgens de artikel 4.140, eerste lid, en artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
Artikel 1.453.321 – Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving
Deze paragraaf is van toepassing op lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze paragraaf is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.
Artikel 1.463.322 – LozenLozen bereiden van voedingsmiddelen
Het afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding wordt in het algemeen geloosd op een vuilwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Als er geen vuilwaterriool aanwezig is, kan het afvalwater ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater wordt behandeld in een zuiveringsvoorziening zoals een IBA. Die zuiveringsvoorziening moet wel berekend zijn op de verwerking van het afvalwater afkomstig van de voedselbereiding.
Artikel 1.473.323 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, aan het bevoegd gezag te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.483.324 – LozenLozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.
Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.
Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.
De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.
Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam of elders geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan.
Artikel 1.493.325 – Specifieke meldingsvereisten
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 1.503.326 – LozenLozen van spoelwater
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van een tweetal afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig.
Onderdeel a regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport ervan, is toegestaan. Het zoute zeezand wordt meestal tijdens het varen naar de plaats waar het zand wordt toegepast, met steeds zoeter wordend oppervlaktewater gespoeld, om de zoutvracht naar beneden te brengen. Als voorwaarde is opgenomen dat het lozen tijdens het varen plaatsvindt.
Onderdeel b regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het scheiden van zand en grind, is toegestaan.
De regels over het lozen van spoelwater van zeezand in brak oppervlaktewater en het lozen van organismen en slib veroorzaakt door het kweken en verwerken van mosselen en oesters zijn niet overgenomen uit het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Deze lozingen komen in de praktijk alleen voor in de rijkswateren.
Artikel 1.513.327 – Asverstrooiing De toegestane lozing betreft het incidenteel verstrooien van as van een mens of een dier op een voor de overledene of de nabestaanden bijzondere plek. Het artikel heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien.
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
*Artikel 5.1 – Overgangsrecht (omgevings)vergunningen, maatwerkbeschikkingen en algemene regels
Het eerste en vierde lid bevatten de gelijkschakeling van onherroepelijk geworden vergunningen en maatwerkbeschikkingen met respectievelijk vergunningen en maatwerkvoorschriften op grond van de nieuwe waterschapsverordening. De overige leden bepalen dat er een redelijke overgangstermijn van een jaar geldt voor wanneer voorschriften uit deze vergunningen en maatwerkbeschikkingen in strijd zijn met de regels uit deze verordening. Hetzelfde geldt voor activiteiten die enkel op grond van algemene regels uit het oude recht werden uitgevoerd. Degene die de activiteit uitvoert, zal binnen een jaar aanpassingen moeten doorvoeren om te voldoen aan de regels uit deze verordening. Tot die tijd zal overtreding van de regels uit verordening niet beschouwd worden als een overtreding waarop gehandhaafd zal kunnen worden mits er geen waterveiligheidsrisico’s worden gelopen, de activiteit niet onevenredig waterbezwarend is of de doelmatige werking van de zuivering van afvalwater niet wordt belemmerd.
Voor activiteiten die onder het oude recht plaatsvinden op grond van strengere regels dan die in deze verordening zijn opgenomen, daarvoor geldt dat degene die de activiteit uitvoert op grond van een maatwerkbeschikking of vergunning, een herbeoordeling kan laten uitvoeren door het waterschap door in het Digitaal Stelsel een melding te doen van de activiteit of een vergunning aan te vragen (tenzij de activiteit bij inwerkingtreding van deze verordening toestemmingsvrij is), afhankelijk van de van toepassing zijnde verplichting (meldingsplicht of vergunningplicht). Voor activiteiten die enkel plaatsvonden op grond van algemene regels geldt dat indien de algemene regels voor dezelfde activiteit soepeler zijn geworden, dat deze soepelere regels uit de verordening van rechtswege gelden op het moment dat de verordening in werking treedt.
Artikel 5.1 – Overgangsrecht (omgevings)vergunningen, maatwerkbeschikkingen en algemene regels
Het eerste en tweede lid bevatten, onder bepaalde voorwaarden, de gelijkschakeling van onherroepelijk geworden vergunningen en maatwerkbeschikkingen die zijn verleend op grond van de wet- en regelgeving die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet- en regelgeving met respectievelijk vergunningen en maatwerkvoorschriften die op grond van deze waterschapsverordening zouden kunnen worden verleend. Voorschriften uit deze vergunningen en maatwerkbeschikkingen die nu in strijd zijn met de Omgevingswet- en regelgeving of deze waterschapsverordening of die naar aard en inhoud gelijk zijn aan de algemene regels die zijn opgenomen in deze waterschapsverordening komen te vervallen. Met ‘’in strijd zijn’’ worden zowel voorschriften bedoeld die onder het huidige recht soepeler zijn als onder het huidige recht strenger zijn geworden.
Voor activiteiten die plaatsvinden op grond van voorschriften of algemene regels die thans in strijd zijn met de Omgevingswet- en regelgeving of de in deze verordening opgenomen algemene regels en zorgplichten, daarvoor geldt dat degene die de activiteit uitvoert een herbeoordeling kan laten uitvoeren door het waterschap door in het Digitaal Stelsel Omgevingswet een vergunningencheck te doorlopen en naar aanleiding daarvan een melding te doen van de activiteit of een vergunning aan te vragen (tenzij de activiteit toestemmingsvrij is), afhankelijk van de van toepassing zijnde verplichting (meldingsplicht of vergunningplicht). Deze toets wordt eveneens ambtshalve door het waterschap uitgevoerd indien het waterschap een overtreding van het huidige recht constateert en er aanleiding kan zijn om te handhaven.
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.2 – Overgangsrecht meldingen en aanvragen (omgevings)vergunningen
In dit artikel wordt geregeld hoe het waterschap om zal gaan met meldingen en aanvragen om een vergunning die ingediend zijn voordat deze verordening in werking is getreden en die nog niet in behandeling zijn genomen of waarop nog geen besluit is genomen, waarbij voor die activiteit de verordening een soepeler regime toepast. Dus dit betreft situaties waarbij onder het oude recht bijvoorbeeld sprake was van een vergunningplicht en de verordening voor dezelfde activiteit enkel een meldingsplicht vereist of aangeeft dat de activiteit toestemmingsvrij uitgevoerd mag worden. Ook regelt deze bepaling dat meldingen die gedaan zijn onder het oude recht en ingeval voor dezelfde activiteit de verordening ook een meldingsplicht vereist, dat de melding die gedaan is voordat de verordening in werking is getreden, wordt beschouwd als een melding op grond van deze verordening. Dit geldt niet naar analogie voor vergunningen die nog onder het oude recht zijn aangevraagd. Die worden nog beslist op grond van het oude recht.
[Vervallen]
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.4 – Overgangsrecht beleidHiervoor kan gedacht worden aan beleidsnota’s, beleidsregels, beleidsnotities en beheerplannen van het waterschap.
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.5 – Intrekking waterschapsverordening
In deze bepaling wordt geregeld dat de waterschapsverordening die van rechtswege van kracht wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ingetrokken, zodat die plaats kan maken voor deze verordening. Dit met uitzondering van de regels en plichten die gelden voor de lozingsactiviteiten, zoals die zijn opgenomen in afdeling 7.2, van hoofdstuk 2, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
[Vervallen]
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
.Geconsolideerde versie 03‑06‑2022
Dit document bevat een geconsolideerde versie van de bruidsschat en wordt gevormd door de volgende publicaties in het Staatsblad:
In dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippen van de wet en de AMvB’s, bevat bijlage 1 bij deze waterschapsverordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze waterschapsverordening.
[Vervallen]
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-17961.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.