U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Bekendmaking wijziging Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023

Het dagelijks bestuur,

 

Overwegende dat,

- de juridische regels in de Waterschapsverordening zijn gebaseerd op in de Waterschapswet en Omgevingswet opgenomen functionele taken van het waterschap en de daaruit afgeleide doelen;

- de juridische regels in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) worden ontsloten via ‘Regels op de Kaart’;

- de juridische regels niet in strijd mogen zijn met het Nederlands- of internationaal recht;

- onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de juridische regels voorkomen dienen te worden;

- omissies in de juridische regels hersteld dienen te worden;

- juridische regels in de Waterschapsverordening geactualiseerd dienen te worden wanneer nieuwe of verbeterde regels nodig zijn vanuit het oogpunt van het watersysteem- en/of zuiveringsbeheer;

- de thans voorliggende bekendmaking een beleidsneutrale actualisatie betreft van de Waterschapsverordening;

- op grond van artikel 2, derde lid, van het Delegatiebesluit waterschap Noorderzijlvest 2023 het dagelijks bestuur daarom gebruikmaakt van haar bevoegdheid om de Waterschapsverordening gewijzigd vast te stellen;

Maakt, na beraadslaging tijdens zijn vergadering d.d. 16 december 2025, ter aanvulling op de op 17 december 2025 bekendgemaakte wijzigingen (Waterschapsblad 2025, 31205 op www.officielebekendmakingen.nl), bekend de hiernavolgende onderdelen van de Waterschapsverordening te wijzigen:

Artikel I

De regeling 'Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023' wordt gewijzigd zoals aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

Deze wijziging treedt in werking op de eerste dag nadat die bekend is gemaakt in het Waterschapsblad van waterschap Noorderzijlvest op officielebekendmakingen.nl.

Roeland van der Schaaf, dijkgraaf

 

Bas Tammes, secretaris-directeur

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1.1 Begrippen

Artikel 1.1 Uitleg van het algemeen begrippenkader
  • 1

    In deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

    aanleggen

    de activiteit waarbij een initiatiefnemer overgaat tot het aanbrengen, plaatsen, maken, bouwen, realiseren, construeren of (significant) wijzigen van een (waterstaats)werk of object, niet zijnde wijzigingen die plaatsvinden ten behoeve van het beheer en onderhoud van het werk of het object

    aanvraag

    een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk bij het waterschap ingediend verzoek om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een activiteit

    activiteit

    een bepaalde werkzaamheid of verrichting

    algemene uitvoeringsregel

    uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten

    algemene zorgplicht

    door het waterschap algemeen bepaalde verplichtingen van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige geldend voor het gehele beheergebied ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    beperkingengebied

    een geometrisch begrensd gebied, dat bij waterschapsverordening is aangewezen, waar (algemene) regels en plichten gelden voor activiteiten die in deze gebieden plaatsvinden (en) voor de instandhouding en ter bescherming van de in of nabij deze gebieden aanwezige waterstaatswerken, zuiveringtechnische werken en grondwaterlichamen

    bergingsgebied

    een door de provincie aangewezen gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat in tijden van hoge waterstanden ingezet kan worden ter verruiming van de waterbergingscapaciteit van het watersysteem

    beschermingszone

    aan een waterstaats- of zuiveringtechnisch werk grenzende zone, aan te wijzen als beperkingengebied, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden

    bestuur

    het algemeen of dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest

    droge oevergebied

    een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen

    grondwater

    al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat

    grondwaterlichaam

    een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen

    informatieplicht

    de verplichting om het waterschap op de hoogte te brengen van een aangelegenheid die het waterschap aangaat

    initiatiefnemer

    degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren

    kernzone van de primaire waterkering

    het gebied dat gerekend wordt tot de waterkering, zijnde een dijklichaam, dat wordt begrensd door de binnenteen en de buitenteen van het dijklichaam

    legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet (legger waterstaatswerken)

    openbaar register van waterstaatswerken in beheer van het waterschap, gepubliceerd als een digitale kaart

    legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet (onderhoudslegger)

    openbaar register van door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen, gepubliceerd als een digitale kaart

    lozen

    het brengen van (afval)water of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk

    lozing

    een kunstmatige of natuurlijke afvoer van (afval)water of andere stoffen

    maatgevende situatie

    een neerslagsituatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt waarbij een afvoer ontstaat waarop het watersysteem is ingericht

    melding

    een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren

    meldingsplicht

    de verplichting om van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap melding te doen

    omgevingsvergunning

    een beschikking inhoudende een besluit met daarin toestemming voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in een beperkingengebied van het waterschap

    ondersteunend (kunst)werk

    een civiel technisch werk of grondlichaam dat in zijn functie ten dienste staat van het watersysteembeheer

    oppervlaktewater

    het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen

    oppervlaktewaterlichaam

    een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna

    overige waterkering

    een door het waterschap aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    peilgebied

    een begrensd gebied waarbinnen eenzelfde waterpeil geldt

    praktijkpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning

    primair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam met een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water en in de waterberging dat:

    • 1º.

      in een maatgevende situatie een afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde; of

    • 2º.

      voorziet in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat.

    primaire waterkering

    een door het Rijk aangewezen, door mensen aangelegde verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door zeewater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    profiel van vrije ruimte

    de vrij te houden ruimte bij een waterstaatwerk, aan te wijzen als beperkingengebied, die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen

    regionale waterkering

    een door de provincie aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door boezemwater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    secundair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam, dat direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de:

    • 1º.

      aan- en afvoer van water van percelen van één of meerdere belanghebbenden; en

    • 2º.

      waterberging.

    specifieke uitvoeringsregel

    activiteitgebonden uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten

    specifieke zorgplicht

    door het waterschap bepaalde activiteitgebonden verplichtingen van een initiatiefnemer geldend voor de uitvoering van een activiteit in de daartoe aangewezen beperkingengebieden ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    streefpeil

    de na te streven waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, waarvoor een peilbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is verleend

    tertiair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat:

    • 1º.

      direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de afvoer van water van percelen van één belanghebbende; of

    • 2º.

      geen functie heeft in de aan- en afvoer van water en in de waterberging, maar wel van enig substantiële omvang is voor een doelmatige bescherming en verbetering van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.

    toestemmingsvrije activiteit

    een activiteit die mag worden uitgevoerd zonder melding of omgevingsvergunning

    vast peil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand die jaarrond hetzelfde is, zijnde een streefpeil of praktijkpeil

    vergunningplicht

    de verplichting om voordat tot uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap wordt overgegaan, hiervoor toestemming te verkrijgen van het waterschap in de vorm van een omgevingsvergunning

    waterkering

    een door mensen aangelegde of een natuurlijke verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    waterpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand al dan niet met een bandbreedte, zijnde een streefpeil dat is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning of een praktijkpeil dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning, nader te onderscheiden in een zomer- of winterpeil of in een vast peil

    waterschap

    openbaar lichaam welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft

    waterschapsverordening

    de (waterschaps)verordening van het waterschap Noorderzijlvest die op grond van de Waterschapswet en Omgevingswet is vastgesteld

    waterstaatswerk

    oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk

    watersysteem

    samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken

    watersysteembeheer

    samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies

    werken

    alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of lichamen met eventuele toebehoren

    werkingsgebied

    het gebied, zoals dat geometrisch wordt begrensd, waar een regel of plicht uit deze verordening werking heeft

    winterpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot

    zomerpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort

    zorgplicht

    verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    zuiveringsbeheer

    de exploitatie van zuiveringtechnische werken, die in beheer zijn van het waterschap, gericht op het zuiveren van stedelijk afvalwater

    zuiveringtechnisch werk

    een werk voor het transport van of het zuiveren van afvalwater, dat in beheer is bij het waterschap

  • 2

    In bijlage 1 van deze verordening is, voor de toepassing van deze verordening, de uitleg van het specifiek begrippenkader opgenomen.

  • 3

    Voor de regels in deze verordening geldt dat het begrip ‘’waterschap’’ betekent: waterschap Noorderzijlvest, het dagelijks bestuur en/of het algemeen bestuur van waterschap Noorderzijlvest.

Afdeling 1.2 Toepassingsgebied, normadressaat en doelen

Artikel 1.2 Toepassingsgebied

Deze waterschapsverordening is van toepassing op de door het waterschap in artikel 1.10 aangewezen beperkingengebieden, die hoofdzakelijk gelegen zijn in het beheergebied van het waterschap Noorderzijlvest.

Artikel 1.3 Normadressaat
Artikel 1.4 Doelen
  • 1

    De regels in deze waterschapsverordening zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.23, van de Omgevingswet, in algemene zin, gericht op het beheer van het watersysteem met als doel:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies door het watersysteem.

  • 2

    De regels in deze waterschapsverordening zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.23, van de Omgevingswet, in algemene zin, tevens gericht op het zuiveringsbeheer met als doel het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken.

Artikel 1.5 Doelen oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden

De regels in deze verordening die betrekking hebben op de beperkingengebieden in of nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, bedoeld in artikel 1.10, zijn, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

  • a.

    van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

  • b.

    van het waterbergend vermogen;

  • c.

    van de fysisch-chemische en ecologische toestand;

  • d.

    dat verbetering van de fysisch-chemische en ecologische toestand niet geremd wordt;

  • e.

    dat de beperkingengebieden worden vrijgehouden van belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

  • f.

    dat het beheer en onderhoud wordt uitgevoerd tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten; en

  • g.

    van het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.

Artikel 1.6 Doelen waterkeringen

De regels in deze verordening die betrekking hebben op de beperkingengebieden in of nabij waterkeringen, bedoeld in artikel 1.10, zijn, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

  • a.

    van de goede staat en het functioneren van de waterkering;

  • b.

    dat de beperkingengebieden worden vrijgehouden van belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en doelmatige inspectie van de staat en werking van de waterkering;

  • c.

    dat het waterkerend vermogen van de waterkering in stand wordt gehouden tegen aanvaardbare maatschappelijk lasten; en

  • d.

    van het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.

Artikel 1.7 Doelen grondwater

De regels in deze verordening die betrekking hebben op het beperkingengebied A, bedoeld in artikel 1.10, betreffende de in grondwaterlichamen aanwezig grondwater, zijn, voor zover deze het grondwaterbeheer door het waterschap betreft, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

  • a.

    van een voldoende hoeveelheid grondwater om het uitzakken van de freatische grondwaterstand te beperken.

  • b.

    dat negatieve effecten op (land)gebruiksfuncties door mogelijke veranderingen in kwel- of infiltratiestromen niet optreden of zo beperkt mogelijk blijven;

  • c.

    dat een grondwaterstand wordt gehandhaafd zodanig dat geen inbreuk op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen plaatsvindt of zo beperkt mogelijk blijft;

  • d.

    dat omvangrijke wijzigingen van de grondwaterstromen en verspreiding van aanwezige verontreinigingen of van koudebellen en warmtebellen zo beperkt mogelijk blijven;

  • e.

    dat doorboring van slecht doorlatende bodemlagen wordt hersteld;

  • f.

    dat de aanwezige grondwaterkwaliteit in stand blijft en dat verbetering ervan niet geremd wordt;

  • g.

    dat het opbarsten van de waterbodem niet plaatsvindt;

  • h.

    dat negatieve effecten op (land)gebruiksfuncties door activiteiten waarbij enige verzilting van zoet grondwater kan plaatsvinden zo beperkt mogelijk blijven; en

  • i.

    van het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies van het grondwatersysteem.

Artikel 1.8 Doelen zuiveringtechnische werken

De regels in deze verordening die betrekking hebben op beperkingengebied C, bedoeld in artikel 1.10, betreffende zuiveringtechnische werken, zijn, in algemene zin, gericht op het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken.

Afdeling 1.3 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 1.9 Aanwijzing en wijziging beperkingengebieden
Artikel 1.10 Aangewezen beperkingengebieden

Voor de toepassing van deze waterschapsverordening worden, ingevolge artikel 1.9, de volgende beperkingengebieden aangewezen:

  • a.

    het door de provincies Groningen, Drenthe en Friesland geometrisch begrensde gebied dat krachtens Titel I, van de Waterschapswet en bij het Reglement voor het waterschap Noorderzijlvest, in beheer is gegeven aan het waterschap, waarin specifieke beperkingengebieden kunnen worden aangewezen en waarin grondwaterlichamen zijn gelegen, wordt aangeduid als beperkingengebied A.

  • b.

    de waterstaatswerken, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, die in beheer zijn of in beheer komen bij het waterschap, met inbegrip van de daarbij aangewezen beschermingszones, die krachtens artikel 1.2 van deze verordening hoofdzakelijk gelegen zijn in beperkingengebied A, worden tezamen aangeduid als beperkingengebied B en als beperkingengebied nader onderscheiden in:

    • 1º.

      beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 2º.

      beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 3º.

      beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 4º.

      beperkingengebied I van tertiaire oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 5º.

      beperkingengebied I van primaire waterkeringen, met inbegrip van de daarin of daarbij aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 6º.

      beperkingengebied II van primaire waterkeringen;

    • 7º.

      beperkingengebied III van primaire waterkeringen;

    • 8º.

      beperkingengebied I van regionale waterkeringen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 9º.

      beperkingengebied II van regionale waterkeringen;

    • 10º.

      beperkingengebied III van regionale waterkeringen;

    • 11º.

      beperkingengebied I van overige waterkeringen, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunend (kunst)werken;

    • 12º.

      beperkingengebied II van overige waterkeringen;

    • 13º.

      beperkingengebied III van overige waterkeringen;

    • 14º.

      beperkingengebied I van bergingsgebieden, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • c.

    de zuiveringtechnische werken, die krachtens artikel 1.2 van deze verordening hoofdzakelijk gelegen zijn in beperkingengebied A, die in beheer zijn of in beheer komen bij het waterschap, worden tezamen aangeduid als beperkingengebied C en als beperkingengebied nader onderscheiden in:

    • 1º.

      beperkingengebied C-I van rioolwaterzuiveringsinstallaties;

    • 2º.

      beperkingengebied C-II van rioolgemalen;

    • 3º.

      beperkingengebied C-III van persleidingen;

    • 4º.

      beperkingengebied C-IV van persleidingen;

    • 5º.

      beperkingengebied C-V van persleidingen.

Artikel 1.11 Nadere uitwerking beperkingengebied B

Voor de geometrische begrensde weergave van de in artikel 1.10, aanhef en onder b, aangewezen beperkingengebieden, die zijn gevisualiseerd in bijlage 2 van deze verordening, geldt dat:

  • a.

    beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:

    • 1º.

      het oppervlaktewaterlichaam van insteek tot insteek, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken; of bij afwezigheid van een insteek;

    • 2º.

      het oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • b.

    beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:

    • 1º.

      het oppervlaktewaterlichaam van insteek tot insteek, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken; of bij afwezigheid van een insteek;

    • 2º.

      het oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • c.

    beperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaam een geometrisch begrensde weergave is van:

    • 1º.

      het oppervlaktewaterlichaam van insteek tot insteek, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken; of bij afwezigheid van een insteek;

    • 2º.

      het oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • d.

    beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam het geometrisch begrensde gebied is tot 5 meter gemeten aan weerszijden van of rondom beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken en met uitzondering van het Paterswoldsemeer.

  • e.

    beperkingengebied I van een primaire waterkering een geometrisch begrensde weergave is van het feitelijk voorkomend profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken:

    • 1º.

      vanaf de binnendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot tot de buitendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot; of

    • 2º.

      vanaf de binnendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot tot de buitendijks gelegen buitenteen van de waterkering; of

    • 3º.

      vanaf de binnendijks gelegen binnenteen van de waterkering tot de buitendijks aan de dijkzijde gelegen insteek van een dijksloot; of

    • 4º.

      vanaf de binnendijks gelegen binnenteen van de waterkering tot de buitendijks gelegen buitenteen van de waterkering.

  • f.

    beperkingengebied II van een primaire waterkering:

    • 1º.

      het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde stedelijk gebied tot 5 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering;

    • 2º.

      het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde landelijk gebied tot 75 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.

  • g.

    beperkingengebied III van een primaire waterkering:

    • 1º.

      het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde stedelijk gebied tot 95 meter gemeten vanaf beperkingengebied II van de waterkering;

    • 2º.

      het geometrisch begrensde gebied is, gelegen in het door de provincie Groningen aangewezen en geometrisch begrensde landelijk gebied tot 25 meter gemeten vanaf beperkingengebied II van de waterkering.

  • h.

    beperkingengebied I van een regionale waterkering de door de provincie aangewezen en geometrisch begrensde weergave is van het genormeerde profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • i.

    beperkingengebied I van een overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het genormeerde profiel van de waterkering, met inbegrip van de hierin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

  • j.

    beperkingengebied II van een regionale waterkering of overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het gebied aan weerszijden van beperkingengebied I van de waterkering tot 4 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.

  • k.

    beperkingengebied III van een regionale waterkering of overige waterkering de geometrisch begrensde weergave is van het gebied aan weerszijden van beperkingengebied I van de waterkering tot 25 meter gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering.

  • l.

    beperkingengebied I van een bergingsgebied de door de provincie aangewezen en geometrisch begrensde weergave is van het bergingsgebied, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken.

Artikel 1.12 Nadere uitwerking beperkingengebied C

Voor de geometrische begrensde weergave van de in artikel 1.10, aanhef en onder c, aangewezen beperkingengebieden, geldt dat:

  • a.

    beperkingengebied C-I van rioolwaterzuiveringsinstallaties een geometrisch begrensde weergave is van de rioolwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden van of rondom de rioolwaterzuiveringsinstallatie;

  • b.

    beperkingengebied C-II van rioolgemalen een geometrisch begrensde weergave is van het rioolgemaal met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden van of rondom het rioolgemaal;

  • c.

    beperkingengebied C-III van persleidingen een geometrisch begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die kleiner is dan 250 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding;

  • d.

    beperkingengebied C-IV van persleidingen een geometrische begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die groter dan of gelijk is aan 250 millimeter tot 600 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 25 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding;

  • e.

    beperkingengebied C-V van persleidingen een geometrische begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die groter dan of gelijk is aan 600 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 50 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding.

Afdeling 1.4 Algemene zorgplichten

Artikel 1.13 Algemene zorgplicht watersysteem en waterketen
  • 1

    Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Degene die handelingen verricht en een inbreuk maakt, bedoeld in het eerste lid, informeert het waterschap zo spoedig mogelijk over die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.

  • 3

    Degene aan wie het waterschap aanwijzingen geeft over die maatregelen, is gehouden die aanwijzingen op te volgen.

Artikel 1.14 Algemene zorgplicht watersysteem - waterkwantiteit
  • 1

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt ten aanzien van de waterkwantiteit van het watersysteem verstaan, het voorkomen van:

    • a.

      (grond)waterschaarste, (grond)wateroverlast, overstromingen en inundaties;

    • b.

      aantasting van ondersteunende (kunst)werken in of nabij oppervlaktewaterlichamen;

    • c.

      belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewater;

    • d.

      onaanvaardbare aantasting van de waterbergingscapaciteit in oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden;

    • e.

      belemmering van het in peilbesluiten vastgestelde streefpeil en in gebieden waar geen peilbesluit vastgesteld is; de feitelijk voorkomende waterstand, in beide gevallen onder normale omstandigheden en onder piekbelasting;

    • f.

      het belemmeren van het beheer en onderhoud, alsmede inspectiewerkzaamheden aan het watersysteem;

    • g.

      verslechtering van de fysisch-chemische of ecologische toestand van het watersysteem;

    • h.

      verzakkingen van de bodem of uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen, grondwaterinfiltraties of grondboringen;

    • i.

      belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem;

    • j.

      het hinderen van de scheep- en recreatievaart voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is;

    • k.

      nadelige effecten op de dimensionering van het watersysteem, zoals opgenomen in de legger van het waterschap, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet.

  • 2

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt ten aanzien van de waterkwantiteit van het watersysteem tevens verstaan, het zorgdragen voor:

    • a.

      het na afronding van een activiteit achterlaten van het werk en het werkterrein in dezelfde of verbeterde toestand;

    • b.

      het treffen van alle passende maatregelen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, te voorkomen.

Artikel 1.15 Algemene zorgplicht watersysteem - waterveiligheid
  • 1

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt in het kader van de waterveiligheid in ieder geval verstaan, het voorkomen van:

    • a.

      nadelige gevolgen voor de staat en het waterkerend vermogen van de waterkering waaronder in ieder geval wordt verstaan: de kerende hoogte, de stabiliteit, de normatieve afmetingen zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet en de erosiebestendigheid van de waterkering;

    • b.

      aantasting van ondersteunende (kunst)werken in of nabij een waterkering;

    • c.

      nadelige effecten op het realiseren van (toekomstige) dijkversterkingen en alle daarmee verband houdende werkzaamheden;

    • d.

      het belemmeren van het beheer en onderhoud, alsmede inspectiewerkzaamheden aan de waterkering;

    • e.

      het belemmeren van de afvoer van kwel- en regenwater;

    • f.

      belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van de waterkering.

  • 2

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt in het kader van de waterveiligheid tevens verstaan, het zorgdragen voor:

    • a.

      het na afronding van een activiteit achterlaten van het werk en het werkterrein in dezelfde of verbeterde toestand;

    • b.

      het treffen van alle passende maatregelen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, te voorkomen.

Artikel 1.16 Algemene zorgplicht watersysteem en waterketen - waterkwaliteit

B

Titel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 1.1 Begrippen

[Vervallen]

[Vervallen]

C

Titel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 1.2 Toepassingsgebied, normadressaat en doelen

[Vervallen]

[Vervallen]

D

Titel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 1.3 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

[Vervallen]

[Vervallen]

E

Titel 1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 1.4 Algemene zorgplichten

[Vervallen]

[Vervallen]

F

Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 BEHEER EN ONDERHOUD

Afdeling 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Onderhoudsplichtige van waterstaats-, zuiveringtechnische-, of overige werken

De onderhoudsplichtige van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaats-, zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werk is diegene die in de bij of krachtens artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet vastgestelde legger is aangewezen als onderhoudsplichtige, dan wel daartoe is aangewezen bij of krachtens titelafdeling 2.2, van deze verordening, mits diegene niet reeds als onderhoudsplichtige is aangewezen bij (omgevings)vergunning, aanwijzingsbesluit, projectplan, projectbesluit, overeenkomst of een andere (onderhouds)regeling.

Artikel 2.2 Aanwijzing onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting
  • 1

    Voor activiteiten in beperkingengebieden, bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening, die leiden tot de aanleg van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk kan het waterschap, op grond van artikel 1, eerste en tweede lid en artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet, in samenhang met het bepaalde in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, een onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting aanwijzen.

  • 2

    Het waterschap kan voor de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, een onderhoudsplichtige aanwijzen die geheel of gedeeltelijk onderhoudsplichtig is van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk.

  • 3

    Voor reeds aangelegde waterstaats-, zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werk waarvoor geen onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting is aangewezen, kan het waterschap alsnog een onderhoudsplichtige en een onderhoudsverplichting aanwijzen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4

    Als onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 en in het eerste, tweede en derde lid, wordt aangewezen: de belanghebbende, zijnde het waterschap, de initiatiefnemer of één of meerdere eigenaren van (aangrenzende) percelen of de daartoe gerechtigde(n) in wiens belang een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk wordt aangelegd of in stand wordt gehouden.

  • 5

    Als onderhoudsverplichting wordt aangewezen: een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk of een deel daarvan waarvoor een onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 in samenhang met het vierde lid, is of wordt aangewezen om dat werk in stand te houden.

  • 6

    Voor het aanwijzen van de onderhoudsplichtige en de onderhoudsverplichting beoordeelt het waterschap de functie van het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of het overig (kunst)werk en de mate van belang dat één of meerdere van de in het vierde lid bedoelde belanghebbenden heeft bij de instandhouding van het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of het overig (kunst)werk.

Artikel 2.3 Rechtsopvolging onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting
  • 1

    Een besluit waarin een onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk is aangewezen, bedoeld in artikel 2.1 en in artikel 2.2, geldt tevens voor de rechtsopvolgers van de houder van dat besluit, tenzij bij dat besluit anders is bepaald.

  • 2

    De houder van het in het eerste lid bedoelde besluit informeert het waterschap binnen vier weken nadat het besluit voor een ander is gaan gelden.

  • 3

    Een rechtsopvolger die belanghebbende is geworden bij de instandhouding van een waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk wordt, ingeval er geen besluit is genomen, bedoeld in het eerste lid, redelijkerwijs beschouwd als onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.2 in samenhang met titelafdeling 2.2 van deze verordening.

Artikel 2.4 Onderhoudsplicht
  • 1

    Voor de onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 geldt dat het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk in stand wordt gehouden overeenkomstig de functie van het werk en voor zover van toepassing, overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover daarin opgenomen, vorm, afmeting en constructie en met inachtneming van de in titelafdeling 2.2, van deze verordening opgenomen onderhoudsvoorschriften.

  • 2

    Voor de in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk die op grond van een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit zijn aangelegd of gewijzigd, geldt, zolang het waterschap (een wijziging van) de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, niet heeft vastgesteld, de ligging, vorm, afmeting of constructie van het werk, zoals aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit.

  • 3

    Voor de in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk die niet in een legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet zijn opgenomen en waarvan de ligging, vorm, afmeting en constructie niet zijn aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit, geldt dat, zolang het waterschap (een wijziging van) de hiervoorgenoemde leggers, niet heeft vastgesteld, het waterschap de ligging, vorm, afmeting of constructie ambtshalve bepaalt.

  • 4

    Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in titelafdeling 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften ambtshalve of op aanvraag van een initiatiefnemer, een maatwerkvoorschrift opleggen en daarin of in een besluit tot aanwijzing van een onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.2, nadere onderhoudsvoorschriften opnemen.

  • 5

    Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in titelafdeling 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften, ambtshalve of op aanvraag van een onderhoudsplichtige geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van een onderhoudsplicht.

Artikel 2.5 Vrijstelling voor plichten en uitvoeringsregels voor activiteiten

Onderhoudsplichtigen van waterstaats- zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werken zijn vrijgesteld van de regels en plichten opgenomen in hoofdstuk 3 van deze verordening, ingeval uitvoering wordt gegeven aan de beheer- en onderhoudsplichten, bedoeld in titelafdeling 2.2, en de verplichte handelingen, bedoeld in titelafdeling 2.3.

Artikel 2.6 Aangrenzend eigenaar
  • 1

    Voor toepassing van de regels opgenomen in dit hoofdstuk wordt als aangrenzend eigenaar van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 1.10, beschouwd:

    • a.

      de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel (geheel of gedeeltelijk) grenst aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die, naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik of de aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel grenst aan één of meerdere kadastrale percelen die (geheel of gedeeltelijk) grenzen aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die, naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik of aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor toepassing van de regels opgenomen in dit hoofdstuk wordt in ieder geval niet als aangrenzend eigenaar van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam beschouwd, de eigenaar van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden wiens kadastrale perceel (geheel of gedeeltelijk) grenst aan beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, die naar het oordeel van het waterschap, gelet op het gebruik en de gebruiksfuncties van dat perceel redelijkerwijs geen belang heeft bij het (gebruik of aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam.

Afdeling 2.2 Onderhoudsplichten van waterstaats-, zuiveringtechnische- en overige (kunst)werken

Paragraaf 2.2.1 Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Artikel 2.7 Onderhoudsplichtige oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
  • 1

    Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of in een (omgevings)vergunning, aanwijzingsbesluit, projectplan, projectbesluit, overeenkomst of een andere (onderhouds)regeling een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:

    • a.

      het gewoon en buitengewoon onderhoud van beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, bij het waterschap;

    • b.

      het onderhoud van beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de eigenaar of eigenaren van de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n);

    • c.

      het gewoon en buitengewoon onderhoud van beperkingengebied I van secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen, bij de (aangrenzend) eigenaar of eigenaren van de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n);

    • d.

      het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van bergingsgebieden, bij de eigenaar of eigenaren van de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n);

    • e.

      het buitengewoon onderhoud van beperkingengebied I van bergingsgebieden, bij het waterschap.

  • 2

    Voor de, in het eerste lid, onder c aangewezen onderhoudsplichtige(n) van beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen, geldt dat die, naar het oordeel van het waterschap, voor het gebruik en de gebruiksfuncties van zijn kadastraal perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik of de aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam. Voor het waterschap is hiervan, mits het tegendeel wordt aangetoond, redelijkerwijs sprake indien:

    • a.

      de kadastrale perceelgrens van één of meerdere kadastrale percelen van de aangrenzende eigenaren, bedoeld in artikel 2.6, zich aan beide kanten van het oppervlaktewaterlichaam tot maximaal 3 meter bevindt vanaf beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam, zoals gevisualiseerd in bijlage 3 van deze verordening, onder opties 1, 2 en 3. De aangrenzende eigenaren van elke kant zijn ieder voor de halve breedte van beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam onderhoudsplichtig;

    • b.

      de kadastrale perceelgrens zich aan één kant van het oppervlaktewaterlichaam meer dan 3 meter bevindt vanaf beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam en zich aan de andere kant tot maximaal 3 meter vanaf beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam, zoals gevisualiseerd in bijlage 3 van deze verordening, onder opties 4 en 5. De aangrenzend eigenaar, al dan niet tevens eigenaar van het kadastraal perceel waar beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam is gelegen, is voor de volle breedte van dit beperkingengebied, onderhoudsplichtig;

    • c.

      de kadastrale perceelgrens zich aan beide kanten van het oppervlaktewaterlichaam meer dan 3 meter bevindt vanaf beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam, zoals gevisualiseerd in bijlage 3 van deze verordening, onder optie 6. De perceeleigenaar of de daartoe gerechtigden van het perceel waar beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam is gelegen, is voor de volle breedte van dit beperkingengebied, onderhoudsplichtig.

  • 3

    Voor de, in het eerste lid, onder c aangewezen onderhoudsplichtige(n) van beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen, geldt dat indien voor de in het tweede lid, onder a, b of c bedoelde onderhoudsplichtigen redelijkerwijs geen belang bij het gebruik van of aanwezigheid van het oppervlaktewaterlichaam vastgesteld kan worden, het waterschap de onderhoudsplichtige(n) aanwijst die naar het oordeel van het waterschap voor het gebruik en de gebruiksfuncties van zijn kadastrale perceel redelijkerwijs een belang heeft bij het (gebruik van of de aanwezigheid van het) oppervlaktewaterlichaam. De aangrenzend eigenaar, bedoeld in artikel 2.6, van één of meerdere kadastrale percelen gelegen aan één of beide kanten van beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam of de daartoe gerechtigden of de perceeleigenaar of de daartoe gerechtigden van het perceel waar beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam is gelegen, zijn onderhoudsplichtige(n):

    • a.

      voor de volle breedte van beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam, wanneer het een aangrenzend eigenaar of eigenaren van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden betreft, gelegen aan één kant van het oppervlaktewaterlichaam of de perceeleigenaar of -eigenaren of de daartoe gerechtigden van het kadastrale perceel waar beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam is gelegen; of

    • b.

      van elke kant ieder voor de halve breedte van beperkingengebied I van het secundaire oppervlaktewaterlichaam, wanneer het een aangrenzend eigenaar of eigenaren van één of meerdere kadastrale percelen of de daartoe gerechtigden betreft, gelegen aan beide kanten van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.8 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, bedoeld in artikel 2.7, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze waterstaatswerken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige en waterhuishoudkundige functies van deze waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      afval, voorwerpen, materialen, (exotische) beplanting worden verwijderd;

    • b.

      (invasief exotische) dieren worden bestreden;

    • c.

      voor oevers en taluds:

      • 1º.

        met uitzondering van natuurvriendelijke oevers, deze zodanig worden gemaaid dat verruiging van het talud wordt voorkomen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de instandhouding van de waarde van het ecologische watersysteem; en

      • 2º.

        beschadigingen aan taluds als gevolg van uitspoeling, afkalving of inzakking, worden hersteld.

    • d.

      voor droge oevergebieden van beperkingengebied I van oppervlaktewaterlichamen, beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen en de droge delen van beperkingengebied I van bergingsgebieden, het maaiveld in stand wordt gehouden;

    • e.

      afval, voorwerpen, materialen en beplanting die het beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam (kunnen) belemmeren uit beperkingengebied II van primaire oppervlaktewaterlichamen worden verwijderd;

    • f.

      tijdig onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 3

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het buitengewoon onderhoud van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      deze in stand worden gehouden overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover daarin opgenomen, vorm, afmeting of constructie of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening;

    • b.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;

    • c.

      ingeval van baggeren en indien de afmetingen niet in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, zijn opgenomen of onvoldoende bepaald kunnen worden, tot aan de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam of bij afwezigheid daarvan voor zover de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam voldoende geborgd is, in afdoende mate baggerspecie wordt verwijderd.

Artikel 2.9 Wijziging gewone onderhoudsplicht oppervlaktewaterlichamen
  • 1

    De onderhoudsplichtige van steigers, vlonders en (andere) voorzieningen ten behoeve van vaartuigen die een ligplaats innemen, die in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen langs de oever of in het talud zijn aangelegd, zijn in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, rondom dat werk onderhoudsplichtige voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.

  • 2

    De onderhoudsplichtige van ondersteunende en overige (kunst)werken, bedoeld in artikel 2.13 en artikel 2.16, anders dan die bedoeld in het eerste lid, die in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam in lengteligging langs de oever of in het talud zijn aangelegd, kunnen, indien door de aanwezigheid van dat werk het voor het waterschap redelijkerwijs onmogelijk of onwenselijk is om als onderhoudsplichtige van beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen met materieel via beperkingengebied II of varend het gewoon onderhoud van beperkingengebied I volledig uit te voeren, in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, over de gehele lengte van het werk en voor zover van toepassing rondom dat werk als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.

  • 3

    De aangrenzend eigenaar, bedoeld in artikel 2.6, kan, indien het voor het waterschap redelijkerwijs onmogelijk of onwenselijk is om als onderhoudsplichtige van beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen met materieel via beperkingengebied II of varend het gewoon onderhoud van beperkingengebied I volledig uit te voeren, in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.7, eerste lid, onder a, als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het de oever en het bovenwatertalud betreft.

  • 4

    Degene(n) die op grond van een omgevingsvergunning een ligplaats innemen in beperkingengebied I, van een primair oppervlaktewaterlichaam, zijn in afwijking van het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, onder a, onderhoudsplichtig voor het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, voor zover het betreft het gedeelte oppervlaktewaterlichaam dat gelegen is tussen het vaartuig en de oever.

Paragraaf 2.2.2 Waterkeringen
Artikel 2.10 Onderhoudsplichtige waterkeringen

Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of in een (omgevings)vergunning, aanwijzingsbesluit, projectplan, projectbesluit, overeenkomst of een andere (onderhouds)regeling een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:

  • a.

    het gewoon en buitengewoon onderhoud van beperkingengebied I van primaire waterkeringen, bij het waterschap;

  • b.

    het gewoon onderhoud van beperkingengebied I van regionale en overige waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, het dijktalud in beperkingengebied II van regionale en overige waterkeringen, bij de eigenaar of eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n);

  • c.

    het buitengewoon onderhoud van beperkingengebied I van regionale en overige waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, het dijktalud in beperkingengebied II van een regionale waterkering of overige waterkering, bij het waterschap.

Artikel 2.11 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan waterkeringen
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van waterkeringen, bedoeld in artikel 2.10, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van waterkeringen, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige- en waterveiligheidsfuncties van deze waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van waterkeringen geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      afval, voorwerpen en materialen die het beheer en onderhoud kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      ingeval van grasbekleding, de waterkering tenminste jaarlijks wordt gemaaid;

    • c.

      ingeval van beweiding, dit, uitzonderingen daargelaten plaatsvindt door schapen en geiten;

    • d.

      de bekleding in stand wordt gehouden;

    • e.

      beschadigingen worden hersteld;

    • f.

      beplanting dienstig aan de waterkering in stand wordt gehouden;

    • g.

      de waterkering vrijgehouden wordt van omgewaaide bomen en struiken, opgaande beplanting en ongewenste beplanting;

    • h.

      de voor de waterkering schadelijke dieren worden bestreden;

    • i.

      tijdig onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 3

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het buitengewoon onderhoud van waterkeringen geldt, overeenkomstig het bepaalde in eerste lid, dat:

    • a.

      deze in stand worden gehouden overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover opgenomen in de legger, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening;

    • b.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd.

Artikel 2.12 Wijziging gewone onderhoudsplicht waterkeringen

De onderhoudsplichtige(n) van ondersteunende en overige (kunst)werken, bedoeld in artikel 2.13 en artikel 2.16, die in beperkingengebied I van waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, in, onder of op het dijktalud in beperkingengebied II van regionale en overige waterkeringen zijn aangelegd, kunnen in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.10, aanhef en onder a en b, over de gehele lengte van en voor zover van toepassing rondom dat werk ook als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van de waterkering, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid.

Paragraaf 2.2.3 Ondersteunende (kunst)werken
Artikel 2.13 Onderhoudsplichtige ondersteunende (kunst)werken
  • 1

    Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:

    • a.

      het gewoon en buitengewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, in beperkingengebied I van bergingsgebieden, in beperkingengebied I van primaire waterkeringen en in beperkingengebied I van regionale waterkeringen of in beperkingengebied I van overige waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, in het dijktalud in beperkingengebied II van regionale en overige waterkeringen, bij het waterschap;

    • b.

      het gewoon en buitengewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen en in beperkingengebied I van tertiaire oppervlaktewaterlichamen, bij de (aangrenzend) eigenaar of (aangrenzend) eigenaren van de kadastrale percelen waar het werk gelegen is of de daartoe gerechtigde(n).

  • 2

    In afwijking van het eerste lid en tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:

    • a.

      het gewoon onderhoud van duikers, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de onderhoudsplichtige van het primaire oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      het buitengewoon onderhoud van duikers die zijn aangelegd in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de belanghebbende(n).

Artikel 2.14 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan ondersteunende (kunst)werken
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van ondersteunende (kunst)werken, bedoeld in artikel 2.13, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige-, waterhuishoudkundige-, en waterveiligheidsfuncties van waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      beplanting, afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn, die de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      tijdig onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 3

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het buitengewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, geldt dat:

    • a.

      het werk in stand wordt gehouden overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover opgenomen in de legger, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening;

    • b.

      de constructie in goede staat en toestand wordt gehouden;

    • c.

      buiten functie geraakte ondersteunende (kunst)werken worden verwijderd;

    • d.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd.

Artikel 2.15 Ontgravingen bij onderhoud aan ondersteunende (kunst)werken in waterkeringen
  • 1

    Voor de onderhoudsplichtige(n) van ondersteunende (kunst)werken die in beperkingengebied I van een waterkering of voor zover sprake is van een dijktalud in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering, zijn aangelegd, geldt dat ingeval voor het onderhoud aan de werken ontgravingen verricht worden, het waterschap tenminste drie werkdagen voordat het onderhoud plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de datum, de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 2

    Het waterschap kan op basis van de overgelegde informatie, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen of aanwijzingen geven over de datum en de wijze van uitvoering van de ontgraving, indien dit nodig wordt geacht ter waarborging van het waterkerend vermogen van de waterkering.

Paragraaf 2.2.4 Overige (kunst)werken
Artikel 2.16 Onderhoudsplichtige overige (kunst)werken

Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10, het onderhoud van overige (kunst)werk, die aangelegd zijn in de beperkingengebieden I, II en III van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen, bij de belanghebbende van het werk of indien geen belanghebbende kan worden aangewezen, bij de (aangrenzend) eigenaar of (aangrenzend) eigenaren van de kadastrale percelen waar het werk gelegen is of de daartoe gerechtigde(n).

Artikel 2.17 Onderhoud aan overige (kunst)werken
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werk, bedoeld in artikel 2.16, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige-, waterhuishoudkundige-, en waterveiligheidsfuncties van waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het onderhoud van overige (kunst)werk geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      beplanting, afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn en de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      de constructie, voor zover de actuele onderhoudsstaat de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, in goede staat en toestand wordt gehouden;

    • c.

      buiten functie geraakte (kunst)werken worden verwijderd;

    • d.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;

    • e.

      de werken in stand worden gehouden overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde en voor zover daarin opgenomen omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening.

Artikel 2.18 Ontgravingen bij onderhoud aan overige (kunst)werken in waterkeringen
  • 1

    Voor de onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werk die in beperkingengebied I van een waterkering of voor zover sprake is van een dijktalud in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering, zijn aangelegd, geldt dat ingeval voor het onderhoud aan de werken ontgravingen verricht worden, het waterschap tenminste drie werkdagen voordat het onderhoud plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de datum, de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 2

    Het waterschap kan op basis van de overgelegde informatie, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen of aanwijzingen geven over de datum en de wijze van uitvoering van de ontgraving, indien dit nodig wordt geacht ter waarborging van het waterkerend vermogen van de waterkering.

Paragraaf 2.2.5 Zuiveringtechnische werken
Artikel 2.19 Onderhoudsplichtige zuiveringtechnische werken

Tenzij bij (omgevings)vergunning, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10, het onderhoud van zuiveringtechnische werken in beperkingengebied C van zuiveringtechnische werken, bij het waterschap.

Artikel 2.20 Onderhoud aan zuiveringtechnische werken
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van zuiveringtechnische werken, bedoeld in artikel 2.19, dragen, met in achtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover het nodig is ten behoeve van een doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het onderhoud van zuiveringtechnische werken, geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn en de functie en het beheer en onderhoud van deze werken kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      de constructie benodigd voor het functioneren van de werken in goede staat en toestand wordt gehouden;

    • c.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;

    • d.

      de werken in stand worden gehouden overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning of in het projectbesluit bepaalde en voor zover daarin opgenomen omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening.

Artikel 2.21 Ontgravingen bij onderhoud aan zuiveringtechnische werken in waterkeringen
  • 1

    Voor de onderhoudsplichtigen van zuiveringtechnische werken die in beperkingengebied I van een waterkering of voor zover sprake is van een dijktalud in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering, zijn aangelegd, geldt dat ingeval voor het onderhoud aan de werken ontgravingen verricht worden, het waterschap tenminste drie werkdagen voordat het onderhoud plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de datum, de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 2

    Het waterschap kan op basis van de overgelegde informatie, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen of aanwijzingen geven over de datum en de wijze van uitvoering van de ontgraving, indien dit nodig wordt geacht ter waarborging van het waterkerend vermogen van de waterkering.

Afdeling 2.3 Verplichte handelingen ten behoeve van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

Artikel 2.22 (Tijdelijk) aanpassen of verwijderen (ondersteunende) (kunst)werken of zuiveringtechnische werken

Voor de onderhoudsplichtige(n) van de ondersteunende (kunst)werken, overige (kunst)werken of zuiveringtechnische werken, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat deze werken op aanzegging van het waterschap en voor eigen risico (tijdelijk) aangepast of verwijderd worden, indien dit nodig is in het belang van het watersysteem- of zuiveringsbeheer.

Artikel 2.23 (Ondersteunende) (kunst)werken in of nabij waterkeringen
Artikel 2.24 Beplanting in, op of nabij waterstaatswerken en zuiveringtechnische werken

Voor de eigenaar of eigenaren van de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n), waar zich beperkingengebieden bevinden, bedoeld in artikel 1.10, geldt dat beplanting voor eigen rekening en risico op aanzegging van het waterschap verwijderd wordt, indien dit nodig is in het belang van het watersysteembeheer of zuiveringsbeheer.

Artikel 2.25 Peilregulerende kunstwerken

Voor de onderhoudsplichtige(n) van peilregulerende kunstwerken, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat deze werken op aanzegging van het waterschap direct op het door het waterschap aangegeven waterpeil worden gesteld en gehouden, indien dit nodig is in het belang van het watersysteembeheer.

Artikel 2.26 Leidingen

Voor de onderhoudsplichtige(n) van leidingen, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat bij leidingbreuk of lekkage onverwijld het waterschap, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.27, wordt geïnformeerd en maatregelen worden getroffen om verdergaande lekkage te voorkomen.

Artikel 2.27 Ongewone voorvallen

Overeenkomstig of in aanvulling op het bepaalde in afdeling 19.1, van de Omgevingswet en op het bepaalde in afdeling 2.7, van het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het waterschap door een initiatiefnemer, een vergunninghouder of een onderhoudsplichtige onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval dat plaatsvindt of heeft plaatsgevonden in een beperkingengebied, bedoeld in artikel 1.10, dat een potentieel risico kan opleveren voor het watersysteem- of zuiveringsbeheer, waarbij de volgende gegevens aan het waterschap worden verstrekt:

  • a.

    informatie over (de oorzaken van) het ongewoon voorval, de locatie waar het ongewone voorval plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  • b.

    alle gegevens die nodig (kunnen) zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het watersysteem- of zuiveringsbeheer te kunnen inschatten, waaronder, indien van toepassing, informatie over vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

  • c.

    informatie over wie en welke partij(en) betrokken zijn bij het ongewone voorval; en

  • d.

    informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.28 Calamiteiten

In geval van schaarste of een overvloed aan oppervlakte- of grondwater, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in het ongerede raken van een waterstaatswerk of zuiveringtechnisch werk, dan wel indien een zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het waterschap, overeenkomstig artikel 19.15, van de Omgevingswet, voor een bepaalde periode, mogelijk in afwijking van door het waterschap verleende (omgevings)vergunningen, door het waterschap vastgestelde projectplannen, projectbesluiten en peilbesluiten, de in hoofdstuk 3, van deze verordening bedoelde algemene en specifieke uitvoeringsregels en de in hoofdstuk 2, van deze verordening bedoelde regels voor het beheer en onderhoud:

G

Titel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 2.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

[Vervallen]

H

Titel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 2.2 Onderhoudsplichten van waterstaats-, zuiveringtechnische- en overige (kunst)werken

[Vervallen]

[Vervallen]

I

Titel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 2.3 Verplichte handelingen ten behoeve van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

[Vervallen]

[Vervallen]

J

Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 ACTIVITEITEN IN BEPERKINGENGEBIEDEN

Afdeling 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Algemene uitvoeringsregels voor toegestane activiteiten in beperkingengebieden
Artikel 3.2 Maatwerk- en vergunningvoorschriften
Artikel 3.3 Algemene meldingsvereisten
  • 1

    Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titelafdeling 3.2 tot en met titelafdeling 3.6 en bijlage 5 van deze verordening een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer van de melder;

    • b.

      indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de melding wordt gedaan;

    • c.

      naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;

    • d.

      adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;

    • f.

      een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;

    • g.

      een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;

    • h.

      inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;

    • i.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • j.

      de verwachte duur ervan.

  • 2

    Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titelafdeling 3.3 een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap, in aanvulling op de gegevens en bescheiden bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;

    • b.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het werkterrein in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.4 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  • 1

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titelafdeling 3.2 tot en met afdeling 3.6 van deze verordening een vergunningplicht geldt, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • b.

      indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de aanvraag wordt gedaan;

    • c.

      naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;

    • d.

      adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;

    • f.

      een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;

    • g.

      een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;

    • h.

      inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;

    • i.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • j.

      de verwachte duur ervan.

  • 2

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titelafdeling 3.3 een vergunningplicht geldt, worden aan het waterschap, in aanvulling op de gegevens en bescheiden bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapportage van de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht en niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • b.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;

    • c.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het werkterrein in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.5 Samenloop van meerdere activiteiten
Artikel 3.6 Rechtsopvolging omgevingsvergunning

Ingevolge artikel 5.37, tweede lid, van de Omgevingswet zal, ongeacht de daarin opgenomen informatieplicht voor de aanvrager of houder van de omgevingsvergunning, een aangevraagde of verleende omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder wanneer de ander de rechtsopvolger is van de aanvrager of de houder van een omgevingsvergunning, tenzij dit in de omgevingsvergunning anders is bepaald.

Artikel 3.7 Vangnetvergunningplicht en algehele verboden

Afdeling 3.2 Activiteiten in en nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (waterkwantiteit)

Paragraaf 3.2.1 Afrasteringen, schuttingen en hekwerken
Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van afrasteringen, schuttingen en hekwerken in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit bedoeld in artikel 3.8, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • e.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • f.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • g.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • h.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • i.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet wordt gehinderd;

  • j.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem

  • k.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.10 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.8, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, geldt dat er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.8, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.11 Vergunningplicht
Artikel 3.12 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De vergunningaanvraag, bedoeld in artikel 3.11, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen, de constructie van de afrastering, de schutting of het hekwerk en de te gebruiken materialen.

Paragraaf 3.2.2 Beplanting aanplanten
Artikel 3.13 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten van beplanting in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.14 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten waterkwantiteit, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    beplanting op korte en lange termijn geen belemmerende werking heeft op de bergingsfunctie van bergingsgebieden;

  • d.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloedt;

  • e.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • f.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • g.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • h.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet wordt gehinderd.

Artikel 3.15 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.16 Vergunningplicht
Artikel 3.17 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.16, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een uitgebreide beschrijving met daarbij de afmetingen van de beplanting.

Paragraaf 3.2.3 Beplanting rooien
Artikel 3.18 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het rooien van beplanting in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.19 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • d.

    verbetering van de ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.20 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.21 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      beplanting van 5 meter of hoger gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 2 meter tot de stam en tot een diepte van 1 meter;

    • b.

      beplanting lager dan 5 meter gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 1 meter tot de stam en tot een diepte van 0,5 meter;

    • c.

      beplanting, takken en andere resten die tijdens het rooien vrij komen, onmiddellijk worden verwijderd;

    • d.

      het profiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse van de activiteit overeenkomt met het aangrenzende profiel;

    • e.

      na afronding van de activiteit, geroerde grond ter plaatse van het talud wordt ingezaaid met graszaad.

Artikel 3.22 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.21, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het type beplanting dat gerooid moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de beplanting.

Paragraaf 3.2.4 Bouwwerken
Artikel 3.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een bouwwerk in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.24 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • c.

    het waterbergend vermogen van bergingsgebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • d.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • g.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • h.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • i.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd

  • j.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem

  • k.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.25 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      het bouwwerk zo wordt aangelegd dat het niet kan vervormen of verzakken.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, geldt dat er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.26 Vergunningplicht
Artikel 3.27 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een constructietekening met een opgave van de afmetingen van het bouwwerk.

Paragraaf 3.2.5 Bruggen en overkluizingen
Artikel 3.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een brug of overkluizing in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.29 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • e.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • f.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • g.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet wordt gehinderd;

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.30 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      de brug of de overkluizing zo wordt aangelegd dat die niet kan vervormen of verzakken;

    • c.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem

    • d.

      ingeval het oppervlaktewaterlichaam, waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, een maatschappelijke functie vervult, de brug of overkluizing een doorvaarthoogte en doorvaartbreedte heeft die passend zijn voor de maatschappelijke functie van het oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.31 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.32 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.31, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het werk;

  • b.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie vereiste minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van de brug of overkluizing.

Artikel 3.33 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.29, niet geschonden worden;

    • b.

      de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;

    • c.

      voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van brug of overkluizing voldoen aan de daartoe geldende normen voor de aangewezen doorvaarthoogten en -breedten;

    • d.

      voor oppervlaktewaterlichamen met een maatschappelijke functie, de doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van brug of overkluizing voor die functie passend zijn;

    • e.

      voor oppervlaktewaterlichamen die varend worden onderhouden door het waterschap, de brug of overkluizing een doorvaarthoogte en -breedte hebben die toereikend zijn voor het varend onderhoud;

    • f.

      voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap niet varend worden onderhouden, die geen maatschappelijke functie vervullen en waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, tussen brug of overkluizing en het waterpeil een afstand van minimaal 50 centimeter is voorzien;

    • g.

      aan de onder c, d, e en f genoemde eisen wordt voldaan bij zomerpeil of vast peil;

    • h.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap varend worden onderhouden, de brug of overkluizing een minimale doorvaarthoogte heeft van 1,25 meter (of 50 centimeter ingeval van een beweegbare brug) en een minimale doorvaartbreedte van 2,5 meter;

    • b.

      voor oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap niet varend worden onderhouden, die geen maatschappelijke functie vervullen en waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, de afstand tussen brug of overkluizing en het waterpeil minimaal 50 centimeter is.

Artikel 3.34 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.33, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een constructietekening met een opgave van de afmetingen van het werk;

  • b.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie vereiste minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van de brug of overkluizing.

Paragraaf 3.2.6 Dammen met duiker
Artikel 3.35 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en verbreden van een dam met duiker in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.36 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • d.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • h.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.37 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      voor zover een bestaande dam zonder duiker verbreed wordt, dat een duiker wordt aangelegd die voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;

    • c.

      voor zover een bestaande dam met duiker verbreed wordt, dat de duiker voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;

    • d.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem;

    • e.

      ingeval beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist en onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt:

      • 1º.

        de dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;

      • 2º.

        de kruinhoogte van de dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;

      • 3º.

        de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de dam en de duiker robuust zijn;

    • b.

      de duiker zonder knikpunten of bochten wordt aangelegd of verlengd;

    • c.

      de duiker zo wordt aangelegd of verlengd dat deze niet kan vervormen of verzakken;

    • d.

      de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd;

    • e.

      ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van de dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van het nieuwe talud, de dam en duiker van het oppervlaktewaterlichaam voldoende geborgd is;

    • f.

      in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen;

    • g.

      ingeval de dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;

    • h.

      ingeval de activiteit leidt tot één of meerdere extra dammen naar een aaneengesloten perceel dat reeds door een dam ontsloten wordt, de door de aanleg van de extra dam of dammen verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;

    • i.

      ingeval de activiteit leidt tot een dam ten behoeve van een ander doel dan het ontsluiten van een perceel, de door de aanleg van de dam verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de afstand tussen twee duikers gemeten in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 5 meter bedraagt.

Artikel 3.38 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het:

    • a.

      een dam betreft van 12 meter breed of smaller; en

    • b.

      niet leidt tot één of meerdere extra dammen naar een aaneengesloten perceel dat reeds door een dam ontsloten wordt; of

    • c.

      niet leidt tot een dam ten behoeve van een ander doel dan het ontsluiten van een perceel.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de duiker een inwendige diameter heeft van tenminste 300 millimeter;

    • b.

      de duiker die een openbare weg of spoorweg kruist, een inwendige diameter heeft van tenminste 600 millimeter;

    • c.

      ingeval toepassing wordt gegeven aan de minimaal benodigde inwendige diameter van de duiker, bedoeld in het vierde lid, onder a en b, geldt voor de hoogteligging van de duiker dat deze bij winterpeil of vast peil zodanig wordt gelegd en hierop wordt gehouden dat deze voor 90% onder de waterlijn ligt of ingeval sprake is van een beperkte waterdiepte, de binnenonderkant van de duiker op de vaste bodemhoogte van het oppervlaktewaterlichaam wordt gelegd.

Artikel 3.39 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.38, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van of de dam met duiker wordt aangelegd ten behoeve van het ontsluiten van een perceel en zo ja, een opgave van het aantal reeds aanwezige perceelontsluitingen van het perceel dat wordt ontsloten;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het werk, waaronder de lengte van de duiker in meter en de inwendige diameter in millimeter;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie noodzakelijke inwendige diameter van de duiker.

Artikel 3.40 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in:

    • a.

      beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam; of

    • b.

      beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het:

      • 1º.

        een dam betreft die breder is dan 12 meter; of

      • 2º.

        leidt tot één of meerdere extra dammen naar een aaneengesloten perceel dat reeds door een dam ontsloten wordt; of

      • 3º.

        leidt tot een dam ten behoeve van een ander doel dan het ontsluiten van een perceel.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.36, niet geschonden worden;

    • b.

      ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, de aanleg van de dam noodzakelijk is;

    • c.

      dat de duiker voldoende doorstroomcapaciteit en de juiste hoogteligging heeft om de door het waterschap gewenste doorstroming te waarborgen;

    • d.

      voorzieningen zijn getroffen van waaruit de duiker doorgespoten kan worden;

    • e.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de activiteit in den droge wordt uitgevoerd;

    • b.

      de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter;

    • c.

      een duiker langer dan 70 meter is voorzien van minimaal één voorziening van waaruit de duiker doorgespoten kan worden;

    • d.

      voor duikers van 70 meter of langer, voor elke 70 meter een voorziening wordt gerealiseerd van waaruit de duiker doorgespoten kan worden.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      een duiker langer dan 12 meter tot en met 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 400 millimeter;

    • b.

      een duiker langer dan 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 500 millimeter;

    • c.

      de duiker die een openbare weg of spoorweg kruist, een inwendige diameter heeft van tenminste 600 millimeter.

Artikel 3.41 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.40, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van of de dam met duiker wordt aangelegd ten behoeve van het ontsluiten van een perceel en zo ja, een opgave van het aantal reeds aanwezige perceelontsluitingen van het perceel dat wordt ontsloten;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het werk, waaronder de lengte van de duiker in meter en de inwendige diameter in millimeter;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie noodzakelijke inwendige diameter van de duiker.

Paragraaf 3.2.7 Dempen en opbrengen van grond
Artikel 3.42 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of het opbrengen van grond in beperkingengebied I of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.43 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de waterbergingscapaciteit van de oppervlaktewaterlichamen gelegen in het betreffende peilgebied niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • b.

    het waterbergend vermogen van bergingsgebieden en door het waterschap aangewezen droge oevergebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • c.

    de doorstroming van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet wordt belemmerd;

  • d.

    ingeval van het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam, een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • e.

    ingeval van het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam, het inzakken van nieuwe taluds wordt voorkomen;

  • f.

    (grond)wateroverlast en (grond)waterschaarste wordt voorkomen;

  • g.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • i.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • j.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • k.

    de toe te passen materialen geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • l.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • m.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.44 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, voor zover het dempen van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam betreft, geldt dat:

  • a.

    vis wordt verplaatst als de vis vanwege de demping geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de demping de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen;

  • b.

    het dempen niet leidt tot het afsluiten van andere oppervlaktewaterlichamen;

  • c.

    een doodlopend oppervlaktewaterlichaam vanaf de kopse kant wordt gedempt;

  • d.

    binnen 5 meter van de als gevolg van de demping ontstane nieuwe taluds de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie wordt verwijderd.

Artikel 3.45 Meldingsplicht

[Vervallen]

Artikel 3.46 Specifieke meldingsvereisten

[Vervallen]

Artikel 3.47 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de demping, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

Artikel 3.48 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.47, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het te dempen oppervlaktewaterlichaam;

  • b.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters te dempen water, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden of ingeval van het opbrengen van grond in een droge oevergebied of in een bergingsgebied, de grondophoging in vierkante meters en de dikte van de laag grond die wordt opgebracht;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.8 Gemalen
Artikel 3.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een gemaal in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.50 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.49, houden in elk geval in dat:

  • a.

    geen wateroverlast en –schaarste ontstaan;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen;

  • e.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.51 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.49, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.50, niet geschonden worden;

    • b.

      het aanleggen van het gemaal noodzakelijk is;

    • c.

      ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, het gemaal vispasseerbaar is;

    • d.

      ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute;

    • e.

      het gemaal visveilig is;

    • f.

      de ontvangende en leverende peilgebieden beschikken over aan- en afvoer- en bergingscapaciteit die overeenstemmen met de gemaalcapaciteit;

    • g.

      het watersysteem ter plaatse blijft voldoen aan de afvoernormen van het waterschap;

    • h.

      het gemaal een passende pompcapaciteit heeft;

    • i.

      ingeval in afwijking van artikel 3.50, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;

    • j.

      het gemaal bereikbaar is vanaf de openbare weg;

    • k.

      beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd, waaronder het telemetrisch kunnen bedienen van het gemaal;

    • l.

      een doelmatig beheer- en onderhoudsplan beschikbaar is;

    • m.

      een doelmatig objectbedieningsplan beschikbaar is;

    • n.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht;

    • c.

      ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, het gemaal vispasseerbaar wordt gemaakt;

    • d.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • e.

      het gemaal telemetrisch te bedienen is.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.52 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.51, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een constructietekening van het gemaal, met de afmetingen, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen;

  • b.

    een opgave en onderbouwing van de pompcapaciteit van het gemaal;

  • c.

    ingeval van het aanleggen van een afvoergemaal, een opgave van het waterpeil aan de laagwaterzijde van het gemaal of ingeval van het aanleggen van een opmalingsgemaal een opgave van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van het gemaal;

  • d.

    een overzicht van het bemalingsgebied;

  • e.

    een beheer- en onderhoudsplan;

  • f.

    een objectbedieningsplan;

  • g.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • h.

    ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en een tekening van een andere geschikte maatregel om het gemaal vispasseerbaar te maken;

  • i.

    een opgave van de wijze waarop het gemaal visveilig zal zijn.

Paragraaf 3.2.9 Graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen
Artikel 3.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam en het graven van nieuw oppervlaktewater in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.

Artikel 3.54 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • c.

    grondwateroverlast en grondwaterschaarste wordt voorkomen;

  • d.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • e.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • f.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • g.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • h.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • i.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.55 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, geldt dat:

  • a.

    ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft in de aan- en afvoer van water van percelen van één of meerdere belanghebbenden en in de waterberging:

    • 1º.

      de bodembreedte minimaal 0,50 meter is;

    • 2º.

      ingeval van een bodembreedte tot 1,50 meter, de waterdiepte minimaal 0,50 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;

    • 3º.

      ingeval van een bodembreedte vanaf 1,50 meter tot 3 meter, de waterdiepte minimaal 0,75 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;

    • 4º.

      ingeval van een bodembreedte vanaf 3 meter, de waterdiepte minimaal 1 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;

    • 5º.

      taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn.

  • b.

    ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft om tenminste 50 liter water per seconde af te voeren in een maatgevende situatie of gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer.

  • c.

    ingeval het nieuwe oppervlaktewater in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en voor zover beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist, waarbij onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen.

  • d.

    bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:

  • e.

    bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam:

    • 1º.

      de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer;

    • 2º.

      de taluds die reeds een hoogte-breedte verhouding van 1:1,5 hebben of flauwer zijn, niet steiler worden;

    • 3º.

      in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.

  • f.

    bij een vergroting van beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:

    • 1º.

      de taluds niet steiler worden;

    • 2º.

      de taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn.

  • g.

    ter hoogte van de aansluiting op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, er een graduele overgang ofwel een nette en geleidelijke aansluiting op het bestaande oppervlaktewaterlichaam wordt gerealiseerd.

Artikel 3.56 Meldingsplicht

[Vervallen]

Artikel 3.57 Specifieke meldingsvereisten

[Vervallen]

Artikel 3.58 Vergunningplicht
Artikel 3.59 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.58, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam);

  • b.

    een dwarsprofieltekening van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam) dat de breedte van het oppervlaktewater(lichaam) op de waterlijn inzichtelijk maakt ten opzichte van de oude situatie (ingeval van vergroten);

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters aan te leggen oppervlaktewater, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • d.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in verband met het compenseren van het verlies van waterbergingscapaciteit, een opgave van of de activiteit wordt uitgevoerd in hetzelfde peilgebied als waar de waterbergingscapaciteit afneemt.

Paragraaf 3.2.10 Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en proefsleuven
Artikel 3.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op verticale grondboringen, sonderingen, het plaatsen van peilbuizen en het maken van proefsleuven in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.61 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • d.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen;

  • e.

    grondwaterverontreiniging wordt voorkomen;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd.

Artikel 3.62 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen en grondroeringen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      ontstane gaten na afronding van de activiteit volledig worden gevuld;

    • c.

      geperforeerde slecht doorlatende grondlagen worden hersteld.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.63 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van grondboringen en van proefsleuven tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      peilbuizen na afloop van grondwateronderzoek worden verwijderd;

    • c.

      proefsleuven op minimaal anderhalve meter vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven.

Artikel 3.64 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.63, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens een opgave van de afmetingen van het werk.

Paragraaf 3.2.11 Inlaten
Artikel 3.65 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een inlaat in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, houden in elk geval in dat:

  • a.

    geen wateroverlast en -schaarste ontstaan;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen;

  • e.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • f.

    de bereikbaarheid voor onderhoud van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.67 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.66, niet geschonden worden;

    • b.

      het aanleggen van de inlaat voor het beheer van het watersysteem noodzakelijk is;

    • c.

      ingeval de inlaat wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waarin zich een prioritaire of niet-prioritaire vismigratieroute bevindt, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de migratie van vis;

    • d.

      de inlaat visveilig is;

    • e.

      ingeval in afwijking van artikel 3.66, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;

    • f.

      de inlaatconstructie deugdelijk is ontworpen;

    • g.

      het leverende peilgebied over voldoende aanvoercapaciteit beschikt;

    • h.

      ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam:

      • 1º.

        de inlaat voldoende doorstroomcapaciteit en de juiste hoogteligging heeft;

      • 2º.

        beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd;

      • 3º.

        voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      de inlaat zodanig wordt aangelegd dat er geen lekkage langs de inlaatconstructie kan optreden;

    • d.

      de inlaat zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;

    • e.

      deze beschermd wordt tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam;

    • f.

      ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied II in de lengte- en in de breedterichting horizontaal wordt afgewerkt en ingezaaid met graszaad;

    • g.

      aan de instroomzijde van de inlaat een damwand tot aan maaiveldhoogte wordt aangelegd;

    • h.

      het profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan de uitstroomzijde van de inlaat wordt beschermd tegen uitspoeling.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.68 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.67, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een weergave van het gebied dat onder invloed is van de inlaat;

  • b.

    een constructietekening waarop de inlaat, de afmetingen van de inlaat, de hoogtematen van de constructie ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van de inlaat zijn weergegeven;

  • c.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen doorstroomcapaciteit van de inlaat;

  • d.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • e.

    een opgave van de wijze waarop de inlaat visveilig zal zijn.

Paragraaf 3.2.12 Kabels en leidingen
Artikel 3.69 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, uitgezonderd lozingsvoorzieningen.

Artikel 3.70 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • b.

    door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud van (kunst)werken niet belemmerd worden;

  • c.

    kabels en leidingen over voldoende gronddekking beschikken;

  • d.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen;

  • e.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • f.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • g.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet wordt gehinderd;

  • h.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • i.

    verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.71 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de afstand van de kabel of leiding tot duikers tenminste een halve meter bedraagt;

    • b.

      de afstand van de kabel of leiding tot kunstwerken anders dan duikers, inclusief eventueel aanwezige fundering, tenminste vijf meter bedraagt tenzij de kabel of leiding ten behoeve van het betreffende kunstwerk wordt aangelegd;

    • c.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • d.

      voor zover de activiteit middels een boring plaatsvindt, bij opbarsting of kwelvorming, het waterschap onmiddellijk wordt geïnformeerd en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam tenminste een halve meter onder de vaste bodem worden gelegd.

Artikel 3.72 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam tenminste 1,5 meter onder de vaste bodem worden gelegd;

    • b.

      de afstand tussen ontgraving en insteek van het oppervlaktewaterlichaam tenminste 1,5 meter bedraagt;

    • c.

      drainagebuizen en andere leidingen die gekruist worden door een parallel aan het oppervlaktewaterlichaam aan te leggen kabel of leiding, waar nodig door de initiatiefnemer worden verlegd of aangepast;

    • d.

      ingeval het waterschap vaarwegbeheerder is, dat kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd.

Artikel 3.73 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.72, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van de afmetingen en de technische specificaties van de kabel(s) of leiding(en);

  • b.

    ingeval van een boring: een lengteprofieltekening van de boring;

  • c.

    ingeval van een open ontgraving: een dwarsprofieltekening van de sleuf.

Paragraaf 3.2.13 Kleine objecten
Artikel 3.74 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kleine objecten in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.75 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • e.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • f.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • g.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.76 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      het object zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen, verzakken of op drift raakt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied geldt dat:

    • a.

      het object een functie heeft;

    • b.

      het object duidelijk en blijvend is gemarkeerd.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.77 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het geen zonnepanelen betreft.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.78 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.77, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een omschrijving van de functie van het object;

  • b.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het object;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.79 Vergunningplicht
Artikel 3.80 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.79, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het object;

  • c.

    een rapportage waaruit blijkt dat de ecologische waarde van het watersysteem als gevolg van de activiteit niet onaanvaardbaar vermindert en een opgave van de eventuele beheersmaatregelen die daartoe worden getroffen;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.14 Lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid
Artikel 3.81 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een lozingsvoorziening, lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.82 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, houden in elk geval in dat:

  • a.

    wateroverlast wordt voorkomen;

  • b.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • c.

    het waterbergend vermogen van bergingsgebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • d.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • e.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • f.

    uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen;

  • g.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • h.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • i.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • j.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • k.

    de functionaliteit van ter plaatse aanwezige oeververdedigingswerken niet wordt aangetast;

  • l.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • m.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waarde van het watersysteem niet geremd wordt.

Artikel 3.83 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de uiteinden van de lozingsvoorzieningen in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden;

    • b.

      ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht;

    • c.

      de lozingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer heeft.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld;

    • b.

      ingeval van het plaatsen van een separate bemonsteringsvoorziening, dit geen obstakel vormt voor het machinaal onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.84 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, waarbij 30 m3 water per uur of meer wordt geloosd.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat ingeval van niet-continue lozing van water op dezelfde lozingslocatie die bij herhaling plaatsvindt, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat feitelijk geloosd wordt, geïnformeerd wordt over de locatie van de lozing, de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur en de periode van het jaar waarin de lozing van water plaatsvindt.

Artikel 3.85 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.84, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening waarop de lozingslocatie in beeld is gebracht;

  • b.

    informatie over het type lozingsvoorziening;

  • c.

    een opgave van de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur;

  • d.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • e.

    ingeval van niet-continue lozing van water vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • f.

    ingeval van niet-continue lozing van water die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave van de regelmaat waarmee de lozingen plaatsvinden;

  • g.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • h.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

  • i.

    ingeval de activiteit eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Paragraaf 3.2.15 Natuurvriendelijke oevers
Artikel 3.86 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.87 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de doorstroming van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet wordt belemmerd;

  • b.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • e.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • f.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • g.

    geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaat;

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.88 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      voor de aansluiting van de natuurvriendelijke oever op bestaande oppervlaktewaterlichamen een graduele overgang wordt aangelegd;

    • d.

      niet door een peilgrens wordt gegraven.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

Artikel 3.89 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      het talud een hoogte-breedte verhouding heeft die flauwer is dan 1:1,5;

    • b.

      in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.

Artikel 3.90 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.89, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;

  • b.

    een dwarsprofieltekening van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud;

  • c.

    ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.

Artikel 3.91 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.87, niet geschonden worden;

    • b.

      de natuurvriendelijke oever voldoet aan het minimaal vereiste profiel;

    • c.

      de natuurvriendelijke oever zodanig is ontworpen dat er vegetatie kan ontstaan;

    • d.

      ingeval de natuurvriendelijke oever als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, dat de activiteit voldoet aan de daarvoor gestelde eisen;

    • e.

      machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden of, als dit niet mogelijk is, voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      het talud een hoogte-breedte verhouding heeft die flauwer is dan 1:1,5 of ingeval de natuurvriendelijke oever als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, deze ten minste voldoet aan een onderwaterprofiel met een minimale taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:4, ingezet op een diepte van minimaal 70 centimeter onder het winterpeil of vast peil en een bovenwaterprofiel met een minimale taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:3;

    • b.

      de natuurvriendelijke oever zo wordt aangelegd dat geschikte vegetatie kan ontstaan;

    • c.

      ingeval machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden, het beperkingengebied II obstakelvrij wordt gemaakt;

    • d.

      in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort en in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden.

Artikel 3.92 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.91, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;

  • b.

    een dwarsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud inclusief eventueel toe te passen hulpconstructies;

  • c.

    ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.

Paragraaf 3.2.16 Oeververdedigingswerken
Artikel 3.93 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een oeververdedigingswerk in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.94 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • d.

    het waterbergend vermogen niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • e.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • g.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • h.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • i.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.95 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, geldt dat:

  • a.

    de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van het talud in plaats van een oeververdedigingswerk onwenselijk of onmogelijk is;

  • b.

    geen verkleining van het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt;

  • c.

    ingeval een bestaand oeververdedigingswerk vervangen dient te worden:

    • 1º.

      het bestaande oeververdedigingswerk wordt verwijderd; of

    • 2º.

      wanneer verwijdering van het bestaande oeververdedigingswerk, vanwege zwaarwegende belangen, onmogelijk is, het nieuwe oeververdedigingswerk mogelijk in afwijking van het bepaalde onder b, direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd.

  • d.

    ingeval een nieuw oeververdedigingswerk direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd, de bestaande gordingen zoveel mogelijk worden verwijderd;

  • e.

    er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

  • f.

    ter plaatse van het oeververdedigingswerk in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen.

Artikel 3.96 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.94, niet geschonden worden;

    • b.

      in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever of een flauw talud met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer onmogelijk of onwenselijk is; en

      • 1º.

        de activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken; of

      • 2º.

        substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden; of

      • 3º.

        een risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat; of

      • 4º.

        ingeval de activiteit niet noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken, er geen substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden en er geen risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat, het doorstroomprofiel ruim genoeg is, beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet buitensporig worden belemmerd en voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan; of

      • 5º.

        ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, de verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is en het natte profiel, in afwijking van artikel 3.95, aanhef en onder b, verkleind kan worden.

    • c.

      ingeval sprake is van een situatie, bedoeld onder b, het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de beoogde constructie van het oeververdedigingswerk voldoet.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      het oeververdedigingswerk, met inachtneming van dit lid, onder d, zoveel mogelijk aansluit op andere in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam aanwezige oeververdedigingswerken;

    • b.

      oever en talud mechanisch worden verdicht en afgewerkt, zodat geen ingesloten laagten ontstaan;

    • c.

      ingeval het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de activiteit met toepassing van een adequate techniek wordt uitgevoerd;

    • d.

      ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn, voor elke 100 meter oeververdedigingswerk een fauna-uitstapplaats wordt aangelegd.

Artikel 3.97 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.96, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een motivering waarom de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van een talud onwenselijk of onmogelijk is;

  • b.

    een beeldende weergave van de actuele staat van oever en talud van de locatie waar het oeververdedigingswerk wordt aangelegd;

  • c.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;

  • d.

    een dwarsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend het beoogde oeververdedigingswerk;

  • e.

    ingeval het oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, een sterkteberekening van de constructie van het aan te leggen oeververdedigingswerk, waaruit blijkt dat het werk op basis van adequate techniek is ontworpen en met toepassing daarvan wordt uitgevoerd;

  • f.

    ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, een onderbouwing waaruit blijkt dat verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is.

Paragraaf 3.2.17 Oppervlakken verharden en afkoppelen hemelwaterafvoerleidingen
Artikel 3.98 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verharden van onverharde en half-verharde oppervlakken en het afkoppelen van hemelwaterafvoerleidingen van verharde oppervlakken van gemengde rioolstelsels in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.

Artikel 3.99 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.100 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, die plaatsvindt in beperkingengebied A, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2 geldt dat de daardoor ontstane negatieve effecten van versnelde afvoer van hemelwater worden opgeheven door:

  • a.

    hemelwater, al dan niet met een voorziening, in de bodem te infiltreren; of

  • b.

    hemelwater, al dan niet met een voorziening, vertraagd in een oppervlaktewaterlichaam te lozen; of

  • c.

    ingeval hemelwater direct middels een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, oppervlaktewater van tenminste 10% van het toegenomen verharde of af te koppelen oppervlak wordt gegraven of een bestaand oppervlaktewaterlichaam wordt vergroot in het peilgebied binnen een straal van 2,5 kilometer van waar op het oppervlaktewaterlichaam geloosd wordt, tenzij dit al aantoonbaar is uitgevoerd in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of

  • d.

    compenserende afname van verharding plaatsvindt of dat dit al aantoonbaar heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of

  • e.

    een geschikte combinatie van de onder a tot en met d genoemde maatregelen wordt toegepast.

Artikel 3.101 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 100.000 m2.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.102 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.101, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en);

  • b.

    een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e;

  • c.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • d.

    indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b;

  • e.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot als bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c;

  • f.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.

Artikel 3.103 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.99, niet geschonden worden;

    • b.

      ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e, worden getroffen;

    • c.

      ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan voorziet in voldoende maatregelen om negatieve effecten als gevolg van de activiteit te voorkomen of te compenseren.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, de initiatiefnemer de maatregel(en) treft die voorvloeien uit het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan.

Artikel 3.104 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.103, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en);

  • b.

    als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e;

  • c.

    als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudingsplan;

  • d.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • e.

    indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b;

  • f.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c;

  • g.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.

Paragraaf 3.2.18 Oppervlaktewater onttrekken
Artikel 3.105 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een wateronttrekkingsvoorziening, onttrekken van oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.106 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, houden in elk geval in dat:

  • a.

    waterschaarste wordt voorkomen;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt verlaagd;

  • c.

    waterverspilling wordt voorkomen;

  • d.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • g.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • h.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de ecologische waarde van het watersysteem niet geremd wordt.

Artikel 3.107 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      in gestuwde peilgebieden, alleen water wordt onttrokken wanneer er water over de dichtstbijzijnde benedenstroomse stuw stroomt;

    • b.

      de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan iedere feitelijke onttrekking van oppervlaktewater, die gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de locatie van de onttrekking en de tijdsvensters van de onttrekking.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      een onttrekkingslocatie wordt gemarkeerd;

    • b.

      na afronding van de activiteit en verwijdering van de wateronttrekkingsvoorziening, de locatie waar de wateronttrekkingsvoorziening was geplaatst, wordt hersteld.

Artikel 3.108 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een aangewezen waardevol ecologisch oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een aangewezen waardevol ecologisch oppervlaktewaterlichaam, waarbij 10 m³ per uur of meer wordt onttrokken vanaf een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie waarvoor nog geen melding is gedaan als hier bedoeld.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.109 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.108, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur;

  • b.

    als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend;

  • c.

    een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt;

  • d.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • e.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt;

  • f.

    ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit;

  • g.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.110 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, dat is aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam, waarbij 1 m³ per uur of meer wordt onttrokken vanaf een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.106, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit niet kan plaatsvinden in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, die niet zijn aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      de ecologische effecten acceptabel zijn.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat de wateronttrekkingsvoorziening zodanig wordt geplaatst en het onttrekkingsdebiet zodanig wordt ingesteld dat het risico op schade aan het ecologische watersysteem wordt geminimaliseerd.

Artikel 3.111 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.110, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een onderbouwing waarom niet uit een niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam onttrokken kan worden;

  • b.

    ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur;

  • c.

    als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend;

  • d.

    een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt;

  • e.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • f.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt;

  • g.

    ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit;

  • h.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.112 Algeheel verbod

Het is verboden water te onttrekken uit een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap is aangewezen als oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is.

Paragraaf 3.2.19 Peilscheidingen
Artikel 3.113 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een peilscheiding, niet zijnde een gemaal, stuw of inlaat, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.114 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de doorstroming van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet wordt belemmerd;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • c.

    de aan- en afvoer van oppervlaktewater is geborgd;

  • d.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • e.

    het functioneren van (andere) kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • h.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • i.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • j.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • k.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.115 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, geldt dat:

    • a.

      ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;

    • b.

      de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden;

    • c.

      een peilscheidende dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;

    • d.

      de minimale kruinhoogte van een peilscheidende dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;

    • e.

      de kruinhoogte van een houten, betonnen of stalen peilscheiding minimaal 25 cm hoger is dan het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de peilscheiding;

    • f.

      een betonnen peilscheiding bestaat uit een massieve (niet doorlatende) plaat;

    • g.

      ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van een peilscheidende dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van de peilscheidende dam voldoende geborgd is;

    • h.

      ingeval een peilscheidende dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;

    • i.

      ingeval een tijdelijke peilscheiding bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan het aanleggen van de peilscheiding wordt geïnformeerd over de locatie van de peilscheiding en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat indien het een tijdelijke peilscheiding betreft, het oppervlaktewaterlichaam en eventueel aangepaste kunstwerken direct na afloop van het tijdelijk gebruik van de peilscheiding worden hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.116 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de peilscheiding tijdelijk van aard is voor maximaal een half jaar en bedoeld is om een tijdelijke wijziging van het waterpeil in stand te houden.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.117 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.116, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening waarop zijn weergegeven: de locatie van de werkzaamheden, de afmetingen van de peilscheiding, de hoogten van de peilscheiding ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen;

  • b.

    ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;

  • c.

    een aanduiding of de tijdelijke peilscheiding eenmalig of bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden;

  • d.

    ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder h, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • e.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.118 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de peilscheiding langer duurt dan een half jaar, of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

Artikel 3.119 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.118, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een constructietekening met de afmetingen van de peilscheiding, de hoogten van de peilscheiding ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen;

  • b.

    ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;

  • c.

    ingeval van een tijdelijke peilscheiding in een primair oppervlaktewaterlichaam, een aanduiding of de tijdelijke peilscheiding eenmalig of bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden;

  • d.

    ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder h, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • e.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.20 Recreatie en evenementen
Artikel 3.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op recreatie en evenementen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.121 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • d.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • g.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • h.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • i.

    verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt;

  • k.

    ingeval van sportvisserij, verlies van vislood zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 3.122 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, geldt dat er geen afval wordt achtergelaten.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

Artikel 3.123 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, die een evenement betreft en plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het evenement alleen plaatsvindt in het aangegeven tijdvak.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat het evenement onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden en dreigende inzet van het bergingsgebied als gevolg. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het evenemententerrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.124 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.123, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening waarop de locatie van het evenement in beeld is gebracht;

  • b.

    een omschrijving van het evenement;

  • c.

    voor de activiteit die plaatsvindt in beperkingengebied I van een bergingsgebied, een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het evenemententerrein in passende staat kan worden gebracht.

Paragraaf 3.2.21 Steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen
Artikel 3.125 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.126 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, houden in elk geval in dat:

  • a.

    een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • d.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • e.

    een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast;

  • f.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief beïnvloed wordt;

  • g.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • h.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;

  • k.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.127 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      de in artikel 3.125 bedoelde werken zo worden aangelegd dat die niet kunnen vervormen of verzakken;

    • d.

      ingeval van het aanleggen van een fauna-uitstapplaats, dat deze doelmatig wordt ontworpen en aangelegd.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat ingeval van herstel van graafwerkzaamheden tot een jaar na afronding van de activiteit het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.128 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken inclusief het mogelijk daaraan te leggen vaartuig niet meer dan een derde van de waterbreedte van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse innemen;

    • b.

      de afstand tussen de in artikel 3.125 bedoelde werken en peilregulerende kunstwerken tenminste 25 meter bedraagt;

    • c.

      ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, de afstand tussen twee van de in artikel 3.125 bedoelde werken in de lengterichting gemeten van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 5 meter bedraagt.

Artikel 3.129 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.128, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een constructietekening met een opgave van de afmetingen en het te gebruiken materiaal;

  • b.

    ingeval van een fauna-uitstapplaats, een toelichting op de werking van deze voorziening;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.22 Stremmingen
Artikel 3.130 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een stremmingsvoorziening, stremmen van het oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.131 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de duur van de activiteit tot een minimum wordt beperkt;

  • b.

    de activiteit niet langer duurt dan nodig is voor het doel van de activiteit;

  • c.

    geen wateroverlast en – schaarste ontstaan;

  • d.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • e.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • f.

    ingeval van een gedeeltelijke stremming, een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd;

  • g.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • i.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • j.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • k.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • l.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • m.

    vermindering van de ecologische waarde van het omliggende water zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • n.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.132 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

  • a.

    vis wordt verplaatst als de vis vanwege de stremming geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de stremming de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen;

  • b.

    voor stremmingsvoorzieningen er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

  • c.

    het oppervlaktewaterlichaam direct na afloop van de activiteit weer in oorspronkelijke staat wordt hersteld.

Artikel 3.133 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.134 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.133, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    informatie over het type stremmingsvoorziening(en);

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de stremming;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.135 Vergunningplicht
Artikel 3.136 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.135, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;

  • b.

    informatie over het type stremmingsvoorziening(en);

  • c.

    een opgave van de afmetingen van de stremming;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.23 Stuwen
Artikel 3.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een stuw in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.138 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.137, houden in elk geval in dat:

  • a.

    geen wateroverlast en -schaarste ontstaan;

  • b.

    het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast;

  • c.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • d.

    uitspoeling van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan de laagwaterzijde van de stuw wordt voorkomen;

  • e.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • g.

    het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • h.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • i.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • j.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • k.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.139 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.137, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.138, niet geschonden worden;

    • b.

      de stuw noodzakelijk is;

    • c.

      ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, de stuw vispasseerbaar is;

    • d.

      ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute;

    • e.

      ingeval in afwijking van artikel 3.138, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de stuw, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;

    • f.

      ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam:

      • 1º.

        dat de overstortbreedte van de stuw voldoet aan de afvoernormen van het waterschap;

      • 2º.

        de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;

      • 3º.

        beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd.

    • g.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      de stuw zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;

    • c.

      de stuw zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden;

    • d.

      de kruinhoogte van de stuw minimaal 25 cm hoger is dan het winterpeil of vast peil aan de hoogwaterzijde van de stuw;

    • e.

      ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;

    • f.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • g.

      ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht.

    • h.

      Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.140 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.139, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een weergave van het gebied dat onder invloed is van de stuw;

  • b.

    een constructietekening met de afmetingen van de stuw, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen;

  • c.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een opgave en onderbouwing van de bandbreedte van het in te stellen waterpeil;

  • d.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen overstortbreedte van de stuw;

  • e.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • f.

    ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen

  • g.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.24 Waterpeil wijzigen
Artikel 3.141 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op, het middels één of meerdere voorzieningen of kunstwerken, wijzigen van het waterpeil van het oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.142 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het waterpeil niet meer wordt verhoogd of verlaagd dan noodzakelijk is voor het doel van de activiteit;

  • b.

    een tijdelijke peilwijziging niet langer duurt dan nodig is voor het doel van de activiteit;

  • c.

    het afwentelen van wateroverlast wordt voorkomen;

  • d.

    negatieve geohydrologische effecten zoveel mogelijk worden voorkomen;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    de stabiliteit van oevers en taluds wordt geborgd;

  • g.

    de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt;

  • h.

    voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd;

  • i.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • j.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • k.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • l.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • m.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.143 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

  • a.

    de voorziening(en) of kunstwerk(en) benodigd voor de uitvoering van de activiteit zodanig worden ingesteld, gebruikt of bediend dat de wijziging van het waterpeil geleidelijk plaatsvindt;

  • b.

    voor de voor deze activiteit benodigde voorzieningen of kunstwerken er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

  • c.

    ingeval van een tijdelijke peilwijziging die herhaaldelijk plaatsvindt op dezelfde locatie, de feitelijke wijziging van het waterpeil ten opzichte van het door het waterschap gevoerde winterpeil of vast peil telkens gelijk is aan de wijziging die reeds gemeld is of waarvoor een vergunning is afgegeven;

  • d.

    ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het wijzigen van het waterpeil telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil feitelijk wordt gewijzigd, geïnformeerd wordt over de begintijd en de locatie van de activiteit, de mate van wijziging en de periode waarin de wijziging van het waterpeil in stand wordt gehouden;

  • e.

    ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil wordt teruggebracht op het oorspronkelijke niveau, geïnformeerd wordt over de locatie en de begintijd van het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau;

  • f.

    ingeval de activiteit plaatsvindt middels een stuw, het verschil tussen de kruin- en overstorthoogte van de stuw tenminste 25 centimeter bedraagt;

  • g.

    ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen die nodig zijn om de negatieve geohydrologische effecten te ondervangen.

Artikel 3.144 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de wijziging van het waterpeil tijdelijk van aard is voor maximaal een half jaar.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.145 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.144, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het beoogde waterpeil;

  • b.

    een situatietekening met daarop de locatie en omvang van het gebied dat onder invloed staat van het te wijzigen waterpeil en de locatie(s) waar de eventuele voorzieningen of kunstwerken worden geplaatst om het waterpeil te wijzigen;

  • c.

    informatie over het type voorziening of kunstwerk dat ten behoeve van de activiteit wordt gebruikt;

  • d.

    ingeval van te verwachten negatieve geohydrologische effecten, een geohydrologische analyse met een beschouwing van de geohydrologische effecten van de activiteit en een opgave van de beheersmaatregelen die getroffen worden;

  • e.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt;

  • f.

    een aanduiding of de tijdelijke wijziging van het waterpeil eenmalig of bij herhaling gedurende meerdere toekomstige periodes op dezelfde locatie plaatsvindt;

  • g.

    ingeval de tijdelijke peilwijziging bij herhaling tot stand wordt gebracht, de periodes in een jaar waarin dit plaatsvindt;

  • h.

    een aanduiding van de duur van de periodes waarin de tijdelijke peilwijziging in stand wordt gehouden;

  • i.

    ingeval de activiteit eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Artikel 3.146 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de wijziging van het waterpeil langer duurt dan een half jaar, of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      indien uit een geohydrologische analyse blijkt dat er negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, deze op basis van een, door het waterschap vastgesteld, monitoringsplan gemonitord worden;

    • b.

      voor zover de activiteit een onderbemaling betreft, bedoeld in het derde lid, onder e:

      • 1º.

        de onderbemalingsinstallatie is voorzien van een peilschaal die de waterstand aan de laagwaterzijde ten opzichte van NAP aangeeft;

      • 2º.

        storingen aan de onderbemalingsinstallatie direct aan het waterschap worden gemeld.

Artikel 3.147 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.146, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het beoogde waterpeil;

  • b.

    een situatietekening met daarop de locatie en omvang van het gebied dat onder invloed staat van het te wijzigen waterpeil en de locatie(s) waar de eventuele voorzieningen of kunstwerken worden geplaatst om het waterpeil te wijzigen;

  • c.

    informatie over het type voorziening of kunstwerk dat ten behoeve van de activiteit wordt gebruikt;

  • d.

    een geohydrologische analyse met een beschouwing van de te verwachten negatieve geohydrologische effecten van de activiteit, een opgave van de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden en een monitoringsplan;

  • e.

    voor zover het een onderbemaling betreft:

    • 1º.

      ingeval het te onderbemalen gebied door afgraven van een wierde of door aftichelen substantieel lager ligt dan de rest van het peilgebied, een hydrologische analyse waaruit blijkt dat er reeds sprake is van een significante inundatie van het te onderbemalen gebied;

    • 2º.

      de pompcapaciteit van de onderbemalingsinstallatie in m3 per uur.

  • f.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt;

  • g.

    ingeval van een tijdelijke peilwijziging:

    • 1º.

      een aanduiding of de tijdelijke wijziging van het waterpeil eenmalig of bij herhaling gedurende meerdere toekomstige periodes op dezelfde locatie plaatsvindt;

    • 2º.

      die bij herhaling tot stand wordt gebracht, het aantal periodes in een jaar waarin dit plaatsvindt;

    • 3º.

      een aanduiding van de duur van de periodes waarin de tijdelijke peilwijziging in stand wordt gehouden;

    • 4º.

      die eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Paragraaf 3.2.25 Wegen en paden
Artikel 3.148 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van wegen en paden in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.149 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast;

  • b.

    de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd;

  • c.

    versnelde afvoer van hemelwater tot een minimum wordt beperkt;

  • d.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • e.

    onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • f.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • g.

    het waterbergend vermogen van bergingsgebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast

  • h.

    de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • i.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • j.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.150 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      de wegen en paden zo worden aangelegd dat ze niet kunnen verzakken;

    • c.

      de wegen en paden zo worden aangelegd dat na afronding van de activiteit bij gebruik van de wegen en paden de stabiliteit van oevers en taluds niet wordt aangetast;

    • d.

      er geen materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • e.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.151 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.150, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de weg of het pad;

  • c.

    een dwarsprofieltekening van de weg of het pad waarop de eventuele fundering is aangegeven en een opgave van de te gebruiken materialen voor de constructie van de weg of het pad;

  • d.

    een opgave van het voorziene gebruik van de weg of het pad;

  • e.

    een beschouwing van de effecten van de activiteit op de stabiliteit van oever en talud.

Paragraaf 3.2.26 Werken verwijderen
Artikel 3.152 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken en voorzieningen uit beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en uit beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of uit beperkingengebied I van bergingsgebieden.

Artikel 3.153 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.154 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat:

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      het profiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse van de activiteit in overeenstemming wordt gebracht met het aangrenzende profiel;

    • b.

      ingeval van een tijdelijke peilscheiding, die al dan niet herhaaldelijk in stand wordt gehouden, de initiatiefnemer bij het verwijderen telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat de tijdelijke peilscheiding feitelijk wordt verwijderd, geïnformeerd wordt over het tijdstip en de locatie van de activiteit.

  • 4

    In geval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.155 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I of II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het afrasteringen, hekwerken, schuttingen, kabels, leidingen, kleine objecten, bouwwerken, steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen, fauna-uitstapplaatsen en oeververdedigingswerken die geen ondersteunend kunstwerk zijn, betreft.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.156 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.155, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het type werk dat verwijderd wordt;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk.

Artikel 3.157 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het:

    • a.

      gemalen, stuwen, inlaten, dammen met duikers, sluizen, onderleiders (sifons), vispassages, helofytenfilters, bruggen, overkluizingen en natuurvriendelijke oevers betreft;

    • b.

      peilscheidingen betreft, die langer dan een half jaar in het beperkingengebied hebben gelegen, die niet zijn aangelegd ten behoeve van het tijdelijk wijzigen van het waterpeil, bedoeld in paragraaf 3.2.24 in samenhang met paragraaf 3.2.19;

    • c.

      oeververdedigingswerken betreft, die een ondersteunend kunstwerk zijn.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

Artikel 3.158 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.157, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het type werk dat verwijderd moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk;

  • c.

    ingeval een peilregulerend kunstwerk of een peilscheiding wordt verwijderd, een opgave van het gewijzigde waterpeil van de aanliggende oppervlaktewaterlichamen.

Afdeling 3.3 Activiteiten in en nabij waterkeringen (waterveiligheid)

Paragraaf 3.3.1 Afrasteringen, schuttingen en hekwerken
Artikel 3.159 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van afrasteringen, schuttingen of hekwerken in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.160 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, houden in elk geval in dat:

  • a.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • b.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • c.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • d.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • e.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen.

Artikel 3.161 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat:

    • a.

      de constructie van de afrastering, de schutting of het hekwerk die aangelegd wordt aan de buitenzijde van de waterkering, bestand is tegen golfbelasting en ophopend drijfvuil en aanspoelsel;

    • b.

      de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.162 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de afrastering, de schutting of het hekwerk een functie heeft;

    • b.

      bevestigingspalen worden aangebracht tot een maximale diepte van 0,60 meter;

    • c.

      onder bevestigingspalen geen verzwaarde voet wordt aangebracht;

    • d.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

Artikel 3.163 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.162, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van de constructie van de afrastering, de schutting of het hekwerk;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de afrastering, de schutting of het hekwerk, inclusief de afmetingen van de bevestigingspalen.

Paragraaf 3.3.2 Beplanting aanplanten
Artikel 3.164 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten van beplanting in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.165 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, houden in elk geval in dat:

  • a.

    niet meer beplanting wordt aangeplant dan nodig is;

  • b.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • c.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • d.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • e.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • f.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • g.

    piping wordt voorkomen.

Artikel 3.166 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.167 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.165, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;

    • c.

      het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • d.

      het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • e.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • f.

      als in de periode van 1 oktober tot 1 april de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      in plantgaten geen voorzieningen voor beluchting of watertoevoer worden aangebracht;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

Artikel 3.168 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.167, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een uitgebreide beschrijving met daarbij de afmetingen van de beplanting.

Paragraaf 3.3.3 Beplanting rooien
Artikel 3.169 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het rooien van beplanting in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.170 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • b.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    piping wordt voorkomen;

  • e.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.171 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      gerooide beplanting buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot drie jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.172 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      ingeval van beplanting van 5 meter of hoger, dat deze gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 2 meter rondom de stam en tot een diepte van 1 meter;

    • b.

      ingeval van beplanting lager dan 5 meter, dat deze gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 1 meter rondom de stam en tot een diepte van 0,5 meter;

    • c.

      ontstane gaten worden gevuld met grond van dezelfde samenstelling als de omliggende grond;

    • d.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.173 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.162, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van het type beplanting dat gerooid moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de beplanting.

Artikel 3.174 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.170, niet geschonden worden;

    • b.

      het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • c.

      als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.175 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.174, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    een opgave van het type beplanting dat gerooid moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de beplanting.

Paragraaf 3.3.4 Bouwwerken
Artikel 3.176 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een bouwwerk in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.177 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • b.

    ongelijkmatige zetting van de waterkering wordt voorkomen;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    piping wordt voorkomen;

  • e.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • f.

    de grondwaterspanning niet buitensporig toeneemt door verhoging van de stand van het grondwater of door overdruk in het grondwater;

  • g.

    de afwatering van de waterkering niet belemmerd wordt;

  • h.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed.

  • i.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • j.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.178 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      het bouwwerk zo wordt aangelegd dat het niet kan vervormen of verzakken;

    • c.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • d.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.179 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.177, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;

    • c.

      het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • d.

      het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • e.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • f.

      als in de periode van 1 oktober tot 1 april de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      bij het plaatsen van funderingspalen, grondverdringende palen zonder verzwaarde voet worden gebruikt;

    • b.

      de fundering bestand is tegen negatieve kleef en horizontale gronddruk.

Artikel 3.180 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.179, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het bouwwerk;

  • c.

    een tekening van het ontwerp van de fundering en een beschrijving van de manier van het aanbrengen van de fundering.

Paragraaf 3.3.5 Grondboringen, sonderingen, (peil)buizen en proefsleuven
Artikel 3.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op verticale grondboringen, sonderingen, het plaatsen van (peil)buizen en het maken van proefsleuven in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering, uitgezonderd activiteiten ten behoeve van seismisch bodemonderzoek en proefheiingen.

Artikel 3.182 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • b.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen;

  • e.

    piping wordt voorkomen;

  • f.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • g.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • h.

    voor zover de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I van een waterkering, niet meer grondboringen plaatsvinden of proefsleuven worden gemaakt dan nodig zijn.

Artikel 3.183 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      (peil)buizen zonder gebruik van een spuitlans worden aangebracht;

    • b.

      (peil)buizen één week na plaatsing worden gecontroleerd en bij constatering van opkomend water daarvan melding wordt gemaakt bij het waterschap en beheersmaatregelen worden getroffen.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt, ingeval van het aanvullen van een ontgraving ten behoeve van een proefsleuf of een groot boorgat, dat:

    • a.

      de vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • c.

      ingeval van een grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

    • d.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat ontstane gaten, uitgezonderd proefsleuven en grote gaten die met de uitkomende grond aangevuld kunnen worden, na afronding van de activiteit volledig worden gevuld met bentoniet of een vergelijkbaar middel.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat (peil)buizen worden verwijderd ingeval ze geen functie hebben.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 7

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.184 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van grondboringen en van proefsleuven tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      peilbuizen worden gemarkeerd en beschermd;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

Artikel 3.185 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.184, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de grondboring, sondering of de proefsleuf;

  • c.

    ingeval van het plaatsen van een (peil)buis, de periode van gebruik van de (peil)buis.

Paragraaf 3.3.6 Grondverzet
Artikel 3.186 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondverzet in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering, voor zover het geen ontgravingen zijn ten behoeve van activiteiten, bedoeld in paragrafen: 3.3.1 tot en met 3.3.5 en 3.3.7 tot en met 3.3.14, van deze verordening.

Artikel 3.187 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • b.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    piping wordt voorkomen;

  • e.

    de grondwaterspanning niet buitensporig toeneemt door verhoging van de stand van het grondwater of door overdruk in het grondwater;

  • f.

    de afwatering van de waterkering niet belemmerd wordt;

  • g.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • h.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.188 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat taluds zodanig worden aangelegd, dat ze robuust zijn.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      ingeval van het aanbrengen van grond, de grond, mits geschikt, wordt aangebracht in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      de ophoging of ontgraving wordt voorzien van een erosiebestendige bekleding;

    • c.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.189 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied III van een primaire waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.190 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.189, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van de omvang van de activiteit in vierkante meters en in kubieke meters;

  • b.

    een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 3.191 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en de bijbehorende beheersmaatregelen.

Artikel 3.192 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.191, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

Paragraaf 3.3.7 Inlaten en lozingsvoorzieningen
Artikel 3.193 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een inlaat of lozingsvoorziening in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.194 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • b.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • c.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • d.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • e.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.195 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen tegen uitspoeling van de waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen ingeval van een risico op uitspoeling van de waterkering.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de inlaat of lozingsvoorziening met toepassing van een adequate techniek wordt aangelegd;

    • b.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • c.

      de constructie van de inlaat of de lozingsvoorziening tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van de waterkering wordt beschermd;

    • d.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • e.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 7

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.196 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.194, niet geschonden worden;

    • b.

      het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • c.

      het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • d.

      de inlaat of lozingsvoorziening, indien nodig, beschikt over één of meerdere deugdelijke keermiddelen;

    • e.

      er geen lekkage langs de constructie van de inlaat of de lozingsvoorziening kan plaatsvinden;

    • f.

      ingeval van een lozingsvoorziening, de activiteit bij verhoogde oppervlaktewaterstanden niet leidt tot wateroverlast;

    • g.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • h.

      als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat in de inlaat of in de lozingsvoorziening één of meerdere keermiddelen worden geplaatst.

Artikel 3.197 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.196, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    een opgave van de constructie, het materiaal en de afmetingen van de inlaat of de lozingsvoorziening;

  • b.

    indien van toepassing, een opgave van het aantal en type keermiddelen.

Paragraaf 3.3.8 Kabels en leidingen
Artikel 3.198 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.199 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • b.

    kabels en leidingen over voldoende gronddekking beschikken;

  • c.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • d.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen;

  • e.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • f.

    piping wordt voorkomen;

  • g.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • h.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.200 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, geldt dat leidingen met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      voordat de ontgraving wordt aangevuld, drukleidingen aangelegd in een open sleuf worden afgeperst;

    • b.

      bij opbarsting of kwelvorming ingeval van een boring, onmiddellijk telefonisch melding wordt gedaan bij het waterschap en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • c.

      als die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat ingeval van kruising van de waterkering, mantelbuizen na het invoeren van de kabel of leiding aan de uiteinden worden voorzien van een waterdichte afsluiting.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 7

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 8

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.201 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, voor zover de kabel of leiding de waterkering middels een horizontaal gestuurde boring kruist; en

    • a.

      de uitwendige diameter van de leiding of mantelbuis niet groter is dan 0,3 meter; en

    • b.

      ingeval van een drukleiding, de ontwerpdruk in de leiding niet groter is dan 10 bar; of

    • c.

      ingeval van een elektriciteitskabel, de spanning op de kabel niet hoger is dan 100 kV.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.202 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.201, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een lengteprofieltekening van de boring;

  • b.

    een opgave van de afmetingen en de technische specificaties van de kabel(s) of leiding(en);

  • c.

    ingeval van aanleg van leidingen, inclusief mantelbuizen, een rapportage waarmee wordt aangetoond dat de leiding c.q. mantelbuis conform een adequate techniek wordt ontworpen en aangelegd.

Artikel 3.203 Vergunningplicht
Artikel 3.204 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.203, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    ingeval van een boring: een lengteprofieltekening van de boring;

  • c.

    ingeval van een open ontgraving: een dwarsprofieltekening van de sleuf;

  • d.

    een opgave van de afmetingen en de technische specificaties van de kabel(s) of leiding(en);

  • e.

    ingeval van aanleg van leidingen, inclusief mantelbuizen, een rapportage waarmee wordt aangetoond dat de leiding c.q. mantelbuis conform een adequate techniek wordt ontworpen en aangelegd;

  • f.

    in afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onder a, enkel in geval van een open ontgraving, een rapportage van de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.

Paragraaf 3.3.9 Kleine objecten
Artikel 3.205 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kleine objecten in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.206 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, houden in elk geval in dat:

  • a.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • b.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • c.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • d.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • e.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • f.

    piping wordt voorkomen;

  • g.

    de afwatering van de waterkering niet belemmerd wordt.

Artikel 3.207 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.208 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      het object een functie heeft;

    • b.

      het object zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken en voor zover nodig wordt gefundeerd;

    • c.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • d.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • e.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

Artikel 3.209 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.208, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een omschrijving van de functie van het object;

  • c.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het object.

Paragraaf 3.3.10 Oeververdedigingswerken, steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen
Artikel 3.210 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van oeververdedigingswerken, steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.211 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • b.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    piping wordt voorkomen;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • f.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd.

Artikel 3.212 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      deze werken zo worden aangelegd dat deze niet kunnen vervormen of verzakken en voor zover nodig worden gefundeerd;

    • c.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • d.

      bij het aanbrengen van bevestigingspalen, grondverdringende palen zonder verzwaarde voet worden gebruikt;

    • e.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.213 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van de primaire waterkering en voor zover de activiteit het aanleggen van een steiger, vlonder, meerpaal, remmingswerk of fauna-uitstapplaats betreft in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.214 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.213, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een ontwerptekening van het werk;

  • b.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen.

Artikel 3.215 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering en, voor zover de activiteit het aanleggen van een oeververdedigingswerk of trailerhelling betreft, in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.211, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;

    • c.

      het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • d.

      het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • e.

      indien van toepassing, de constructie bestand is tegen (toekomstige) horizontale gronddruk;

    • f.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • g.

      als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.216 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.215, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een ontwerptekening van het werk;

  • c.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen.

Paragraaf 3.3.11 Recreatie en evenementen
Artikel 3.217 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op recreatie en evenementen in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.218 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt;

  • b.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • c.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • d.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • e.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed.

Artikel 3.219 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat (rijwiel)voertuigen enkel zijn toegestaan op de daartoe ingerichte verharde wegen en paden.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat:

    • a.

      dieren zijn toegestaan, mits het hulp- en werkhonden betreffen;

    • b.

      dieren in de door het waterschap daartoe aangewezen gebieden zijn toegestaan, mits het huisdieren betreffen die zijn aangelijnd;

    • c.

      dieren zijn toegestaan tussen 15 november en 15 maart, mits het huisdieren betreffen die zijn aangelijnd.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      bereden dieren enkel zijn toegestaan op de verharde wegen en paden;

    • b.

      dieren zijn toegestaan, mits het huisdieren, hulp- of werkhonden betreffen, die zijn aangelijnd en de waterkering niet in opdracht van het waterschap wordt beweid.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      er niet gegraven wordt;

    • b.

      de bekleding van de waterkering zoveel mogelijk wordt ontzien;

    • c.

      het aanbrengen van voorwerpen in de waterkering tot een minimum wordt beperkt;

    • d.

      na afloop van de activiteit, indien nodig, het profiel en de bekleding van de waterkering wordt hersteld.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat er geen afval wordt achtergelaten.

Artikel 3.220 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die een evenement betreft en plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat de activiteit plaatsvindt in het aangegeven tijdvak.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het evenemententerrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 7

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het evenemententerrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.221 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.220, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    in afwijking van artikel 3.3, eerste lid, onder f, een situatietekening waarop de locatie van het evenement in beeld is gebracht;

  • b.

    in afwijking van artikel 3.3, eerste lid, onder g, een omschrijving van het evenement.

Paragraaf 3.3.12 Waterkering, waterkerende kunstwerken of waterkering ondersteunende werken
Artikel 3.222 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een waterkering, waterkerende kunstwerken of waterkering ondersteunende werken in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.

Artikel 3.223 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.222, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • b.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig is of blijft;

  • c.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • d.

    de grondwaterspanning niet buitensporig toeneemt door verhoging van de stand van het grondwater of door overdruk in het grondwater;

  • e.

    er geen onaanvaardbare vervorming of zetting van omliggende gronden optreedt;

  • f.

    de toe te passen materialen geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;

  • g.

    werkzaamheden door of namens het waterschap niet worden belemmerd;

  • h.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap wordt geborgd of niet wordt belemmerd;

  • i.

    de afwatering van de waterkering wordt geborgd of niet wordt belemmerd.

Artikel 3.224 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.222.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.223, niet geschonden worden;

    • b.

      het waterkerend vermogen van bestaande waterkeringen niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • c.

      de waterkering gedurende de levensduur over voldoende waterkerend vermogen beschikt, wat onder meer inhoudt dat:

      • 1º.

        de kruin voldoende hoog is;

      • 2º.

        de waterkering voldoende overhoogte heeft;

      • 3º.

        de waterkering voldoende waterdicht is;

      • 4º.

        de stabiliteit geborgd is;

      • 5º.

        de weerstand tegen belasting door voertuigen van het waterschap voldoende is;

      • 6º.

        indien van toepassing, de waterkering voldoende bestand is tegen bodembeweging;

      • 7º.

        de bekleding van de waterkering voldoende erosiebestendig is; en

      • 8º.

        de waterkering efficiënt en effectief te beheren en te onderhouden is.

    • d.

      een door het waterschap te onderhouden waterkering geschikt is voor voertuigen van het waterschap;

    • e.

      een ten gevolge van de activiteit te wijzigen begrenzing van de beperkingengebieden niet tot onacceptabele situaties leidt;

    • f.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • g.

      als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op bestaande waterkeringen;

    • c.

      de grond onder een nieuwe waterkering wordt ontdaan van puin, hout, stronken, explosieven en vuil tot een diepte van 1 meter beneden het maaiveld;

    • d.

      toe te passen grond, mits geschikt, wordt aangebracht in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot een proctordichtheid van minimaal 97%;

    • e.

      wanneer een nieuwe waterkering wordt aangesloten op een bestaande waterkering:

      • 1º.

        ingeval van grasbekleding op het aansluitpunt van de bestaande waterkering, deze wordt verwijderd, waarna deze plek wordt gefreesd;

      • 2º.

        bij het aansluitpunt van de bestaande waterkering, inkassing wordt toegepast;

      • 3º.

        het profiel van de waterkering gradueel wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel van de bestaande waterkering;

      • 4º.

        de bekleding van bestaande waterkeringen wordt hersteld;

      • 5º.

        in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel en een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is;

      • 6º.

        direct na afronding van de activiteit en ingeval van onvoorziene nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

    • f.

      een te vervangen waterkering pas verwijderd wordt als de nieuwe waterkering gereed is;

    • g.

      tenminste 14 dagen voorafgaand aan de oplevering van een nieuwe waterkering contact wordt opgenomen met het waterschap;

    • h.

      tenminste 14 dagen voorafgaand aan verwijdering van een waterkering contact wordt opgenomen met het waterschap.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 7

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 8

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.225 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.224, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    een omschrijving van de fases van uitvoering;

  • b.

    een situatietekening waarop de afmetingen van het werk in beeld zijn gebracht;

  • c.

    een tekening of tekeningen van het ontwerp van de nieuwe of te wijzigen waterkering en informatie over het toe te passen materiaal;

  • d.

    een toelichting op het ontwerp waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de nieuwe of te wijzigen waterkering voldoet en er geen onaanvaardbare vervorming en zetting van omliggende gronden kunnen optreden.

Paragraaf 3.3.13 Wegen en paden
Artikel 3.226 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van wegen en paden in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.227 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • b.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • c.

    de afwatering van de waterkering niet belemmerd wordt;

  • d.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • e.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.228 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving langs de weg of het pad dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.229 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied III van een primaire waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.230 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.229, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van de afmetingen van de weg of het pad;

  • b.

    een dwarsprofieltekening van de weg of het pad waarop de eventuele fundering is aangegeven en een opgave van de te gebruiken materialen voor de constructie van de weg of het pad;

  • c.

    een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 3.231 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.227, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;

    • c.

      het waterkerende vermogen van de waterkering door de aanleg en het beoogde gebruik van de weg of het pad niet in gevaar wordt gebracht, waartoe beoordeeld worden: de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen;

    • d.

      het initiatief niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • e.

      de weg of het pad geschikt is voor voertuigen van het waterschap;

    • f.

      beheersmaatregelen worden getroffen ter voorkoming van te zware belasting van de weg of het pad;

    • g.

      voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;

    • h.

      als de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, het werkterrein binnen een acceptabele termijn in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

Artikel 3.232 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.231, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de weg of het pad;

  • c.

    een dwarsprofieltekening van de weg of het pad waarop de eventuele fundering is aangegeven en een opgave van de te gebruiken materialen voor de constructie van de weg of het pad;

  • d.

    een opgave van het voorziene gebruik en de maximale belasting van de weg of het pad;

  • e.

    een opgave van de voorziene beheersmaatregelen ter voorkoming van te zware belasting van de weg of het pad.

Paragraaf 3.3.14 Werken verwijderen
Artikel 3.233 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken en voorzieningen uit beperkingengebied I, uit beperkingengebied II en uit beperkingengebied III van een waterkering.

Artikel 3.234 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;

  • b.

    de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft;

  • c.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • d.

    piping wordt voorkomen;

  • e.

    onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd;

  • f.

    de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.235 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      het werk, met uitzondering van funderingspalen, in zijn geheel wordt verwijderd;

    • b.

      de eventueel aanwezige funderingspalen tot een diepte van anderhalve meter onder het bestaande maaiveld of profiel van de waterkering verwijderd worden.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      verwijderde werken buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;

    • c.

      als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:

    • a.

      de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • b.

      een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;

    • c.

      het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;

    • d.

      de bekleding van de waterkering wordt hersteld;

    • e.

      in geval van grasbekleding:

      • 1º.

        de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;

      • 2º.

        een geschikt weefseldoek wordt aangebracht als de grasbekleding tussen 1 oktober en 1 april nog onvoldoende erosiebestendig is.

    • f.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.

  • 6

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.

Artikel 3.236 Meldingsplicht
Artikel 3.237 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.236, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een opgave van het type werk dat verwijderd moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk;

  • c.

    een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 3.238 Vergunningplicht
Artikel 3.239 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.238, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, tevens:

  • a.

    een opgave van het type werk dat verwijderd moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk.

Afdeling 3.4 Activiteiten in grondwaterlichamen (grondwaterkwantiteit/grondwaterkwaliteit)

Paragraaf 3.4.1 Grondwater onttrekken of infiltreren
Artikel 3.240 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een put met een voorziening en het onttrekken van grondwater uit of het infiltreren van grondwater in een grondwaterlichaam in beperkingengebied A van het waterschap.

Artikel 3.241 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, in artikel 1.14 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, houden in elk geval in dat:

  • a.

    uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen;

  • b.

    verplaatsing van grondwaterverontreiniging wordt voorkomen;

  • c.

    de activiteit geen ontoelaatbare invloed heeft op andere reeds bestaande grondwateronttrekkingen en grondwaterinfiltraties;

  • d.

    waterverspilling wordt voorkomen;

  • e.

    niet meer wordt onttrokken dan noodzakelijk is voor het doel van de activiteit;

  • f.

    de activiteit niet langer duurt dan nodig is voor het doel van de activiteit;

  • g.

    indien van toepassing, opbarsten van de bodem van een bouwput wordt voorkomen;

  • h.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I, in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een waterkering, het waterkerend vermogen van de waterkering niet wordt aangetast;

  • i.

    negatieve geohydrologische effecten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Artikel 3.242 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, geldt dat:

  • a.

    ingeval van het aanleggen van een put, geperforeerde slecht doorlatende grondlagen worden hersteld met bentoniet;

  • b.

    een overbodig geworden put volledig wordt gevuld met bentoniet;

  • c.

    ingeval van het onttrekken van grondwater, elke week de onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95% wordt gemeten, tenzij de pompcapaciteit kleiner dan of gelijk is aan 1 m3 per uur.

Artikel 3.243 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, met uitzondering van het aanleggen van een put voor een brandblusvoorziening en het daaruit onttrekken van grondwater en het onttrekken van grondwater, bedoeld in artikel 16.3, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die niet plaatsvindt in een beperkingengebied van het Rijk, bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als:

    • a.

      het onttrekken van grondwater verschillende doeleinden betreft, behalve menselijke consumptie, waarbij de activiteit:

      • 1º.

        korter duurt dan 183 dagen per jaar; en

      • 2º.

        meer dan 10 m3 per uur; of

      • 3º.

        meer dan 5000 m3 per kwartaal; en

      • 4º.

        hoogstens 80 m3 per uur wordt onttrokken; of

    • b.

      het onttrekken van grondwater voor menselijke consumptie plaatsvindt; en

      • 1º.

        meer dan 10 m3 per dag; en

      • 2º.

        hoogstens 10 m3 per uur wordt onttrokken; of

    • c.

      hoogstens 80 m3 per uur wordt geïnfiltreerd.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, binnen twee weken na beëindiging van de activiteit aan het waterschap worden doorgegeven;

    • b.

      ingeval de activiteit langer duurt dan een jaar, de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, jaarlijks in de maand januari aan het waterschap worden doorgegeven;

    • c.

      ingeval van infiltratie van oppervlaktewater, de kwaliteit van het te infiltreren water wordt gemeten door het nemen van representatieve monsters die worden geanalyseerd conform bijlage 4, van de Drinkwaterregeling aan de hand van de in de volgende tabel opgenomen parameters met de daarin aangegeven frequentie:

    Tabel Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    Cl

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

    • d.

      voor ingeval het onttrekken van grondwater plaatsvindt in samenhang met het infiltreren van oppervlaktewater, het te infiltreren water in lagere concentraties aanwezig is dan voor die stoffen is aangegeven in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, dat die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten;

    • e.

      voorvallen die plaatsvinden tijdens de activiteit, die van negatieve invloed zijn op de meting, binnen 48 uur onder opgave van datum en met bijbehorende toelichting worden doorgegeven aan het waterschap;

    • f.

      ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten voor derden kunnen worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen om die te ondervangen.

Artikel 3.244 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.243, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie(s) van de put(ten);

  • b.

    het aantal put(ten) dat wordt gebruikt voor het onttrekken of infiltreren van grondwater;

  • c.

    de coördinaten van de put(ten);

  • d.

    informatie waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot bodem- en grondwaterverontreiniging;

  • e.

    een geohydrologische analyse ingeval van te verwachten negatieve geohydrologische effecten;

  • f.

    indien een geohydrologische analyse wordt overgelegd, een opgave van:

    • 1º.

      de negatieve geohydrologische effecten;

    • 2º.

      de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden.

  • g.

    ingeval van infiltratie:

    • 1º.

      de diepte in meters ten opzichte van NAP waarop het water in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd; en

    • 2º.

      voor zover sprake is van infiltratie van oppervlaktewater, de herkomst, de kwaliteit en samenstelling van het water dat in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd.

  • h.

    indien het onttrekken van grondwater in samenhang plaatsvindt met het infiltreren van oppervlaktewater ter aanvulling van het grondwater, een beschrijving van de samenhang van de onttrekking en de infiltratie;

  • i.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I, in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een waterkering, een opgave van de verwachte effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht;

  • j.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van de put(ten) ten opzichte van het maaiveld en het NAP;

  • k.

    de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters van de put(ten);

  • l.

    de capaciteit van de pomp in m3 per uur waarmee het grondwater wordt onttrokken of geïnfiltreerd;

  • m.

    de hoeveelheid water die in m3 per uur, etmaal, maand en jaar, ten hoogste wordt onttrokken of geïnfiltreerd;

  • n.

    een aanduiding of de onttrekking of infiltratie van grondwater continu of niet-continu plaatsvindt;

  • o.

    ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater, een opgave of dit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • p.

    ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater die bij herhaling plaatsvindt, een opgave van de regelmaat waarmee dit plaatsvindt;

  • q.

    ingeval de onttrekking of infiltratie van grondwater eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Artikel 3.245 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, met uitzondering van het aanleggen van een put voor een brandblusvoorziening en het daaruit onttrekken van grondwater en grondwateronttrekkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 16.3, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die niet plaatsvindt in een beperkingengebied van het Rijk als bedoeld in artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als:

    • a.

      het onttrekken van grondwater 183 dagen per jaar of langer duurt en meer dan 10 m3 per uur wordt onttrokken; of

    • b.

      meer dan 80 m3 per uur wordt onttrokken of geïnfiltreerd.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt in elk geval verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, in artikel 1.14 en in artikel 1.16, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.241, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit, voor zover het een onttrekkingsactiviteit betreft, verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem als bedoeld in artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • c.

      de activiteit, voor als het een grondwateronttrekkingsactiviteit betreft dat in samenhang plaatsvindt met een infiltratieactiviteit van oppervlaktewater, in overeenstemming is met de regels als bedoeld in artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de geohydrologische effecten acceptabel zijn of ingeval van negatieve effecten in voldoende mate door maatregelen zijn ondervangen.

    • e.

      van permanente onttrekking van grondwater, anders dan voor industriële toepassing, geen sprake is.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, binnen twee weken na beëindiging van de activiteit aan het waterschap worden doorgegeven;

    • b.

      ingeval de activiteit langer duurt dan een jaar, de hoeveelheid onttrokken of geïnfiltreerd grondwater wekelijks wordt geregistreerd en de meetresultaten, alsmede de kwaliteit van eventueel geïnfiltreerd oppervlaktewater, jaarlijks in de maand januari aan het waterschap worden doorgegeven;

    • c.

      ingeval van infiltratie van oppervlaktewater, de kwaliteit van het te infiltreren water wordt gemeten door het nemen van representatieve monsters die worden geanalyseerd conform bijlage 4, van de Drinkwaterregeling aan de hand van de in de volgende tabel opgenomen parameters met de daarin aangegeven frequentie:

    Tabel Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    Cl

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

    • d.

      voor ingeval het onttrekken van grondwater plaatsvindt in samenhang met het infiltreren van oppervlaktewater, het te infiltreren water in lagere concentraties aanwezig is dan voor die stoffen is aangegeven in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, dat die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten;

    • e.

      voorvallen die plaatsvinden tijdens de activiteit die van negatieve invloed zijn op de meting worden binnen 48 uur onder opgave van datum en met bijbehorende toelichting doorgegeven aan het waterschap;

    • f.

      conform het voor deze activiteit vereiste monitoringsplan de effecten van de activiteit worden gemonitord;

    • g.

      ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten voor derden kunnen worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen om die te ondervangen.

Artikel 3.246 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.245, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie(s) van de put(ten);

  • b.

    het aantal put(ten) dat wordt gebruikt voor het onttrekken of infiltreren van grondwater;

  • c.

    de coördinaten van de put(ten);

  • d.

    informatie waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot bodem- en grondwaterverontreiniging;

  • e.

    een geohydrologische analyse met een opgave van:

    • 1º.

      de geohydrologische effecten die tot negatieve gevolgen kunnen leiden;

    • 2º.

      de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden;

    • 3º.

      een monitoringsplan.

  • f.

    ingeval van infiltratie:

    • 1º.

      de diepte in meters ten opzichte van NAP waarop het water in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd; en

    • 2º.

      voor zover sprake is van infiltratie van oppervlaktewater, de herkomst, de kwaliteit en samenstelling van het water dat in het grondwaterlichaam wordt geïnfiltreerd.

  • g.

    indien het onttrekken van grondwater in samenhang plaatsvindt met het infiltreren van oppervlaktewater ter aanvulling van het grondwater, een beschrijving van de samenhang van de onttrekking en de infiltratie;

  • h.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I, in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een waterkering, een rapportage van de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht;

  • i.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van de put(ten) ten opzichte van het maaiveld en het NAP;

  • j.

    de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters van de put(ten);

  • k.

    de capaciteit van de pomp in m3 per uur waarmee het grondwater wordt onttrokken of geïnfiltreerd;

  • l.

    de hoeveelheid water die in m3 per uur, etmaal, maand en jaar, ten hoogste wordt onttrokken of geïnfiltreerd;

  • m.

    een aanduiding of de onttrekking of infiltratie van grondwater continu of niet-continu plaatsvindt;

  • n.

    ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater, een opgave of dit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • o.

    ingeval van niet-continue onttrekking of infiltratie van grondwater die bij herhaling plaatsvindt, een opgave van de regelmaat waarmee dit plaatsvindt;

  • p.

    ingeval de onttrekking of infiltratie van grondwater eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Afdeling 3.5 Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)

[Red: Paragraaf 3.5.1.1 verplaatst van afdeling 3.5.1 naar afdeling 3.5. ]

Paragraaf 3.5.1.1 3.5.1 Afvalwater vanaf een agrarische wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 3.247 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het op grond van artikel 4.894, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, lozen van afvalwater vanaf een agrarische wasplaats in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.248 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, houden in elk geval in dat:

  • a.

    visuele verontreiniging van het oppervlaktewater zoveel mogelijk wordt voorkomen;

  • b.

    de aanwezige hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen in het te lozen afvalwater nihil is;

  • c.

    de op een agrarische wasplaats te gebruiken wasmiddelen niet waterbezwaarlijk zijn;

  • d.

    verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;

  • e.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem wordt voorkomen;

  • f.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.249 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, geldt dat:

  • a.

    alternatieve lozingsroutes voor het lozen van het afvalwater zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk;

  • b.

    het te lozen afvalwater afkomstig is van een wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen;

  • c.

    de beste beschikbare technieken worden toegepast;

  • d.

    het afvalwater door een goed onderhouden bemonsteringsvoorziening stroomt;

  • e.

    mits biologisch afbreekbaar, het te lozen afvalwater geen wasmiddelen bevat die een emulgerende werking hebben;

  • f.

    ingeval het te lozen afvalwater overige stoffen of preparaten bevat, de activiteit enkel uitgevoerd wordt, wanneer kan worden aangetoond dat de aanwezigheid van die stoffen of preparaten in het afvalwater middels algemene regels of een omgevingsvergunning is toegestaan;

  • g.

    het lozingspunt inclusief bemonsteringsvoorziening te allen tijde toegankelijk zijn voor het waterschap;

  • h.

    ingeval de lozingsactiviteit wijzigt, de gewijzigde gegevens terstond worden verstrekt aan het waterschap.

Artikel 3.250 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap niet is aangewezen als:

    • a.

      oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is;

    • b.

      ecologische waardevol oppervlaktewaterlichaam.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het te lozen afvalwater, gemeten in de bemonsteringsvoorziening en ter plaatse van het lozingspunt, voldoet aan de grenswaarden van de in de tabel genoemde stoffen/parameters:

    Stof/Parameter

    Grenswaarde in enig steekmonster

    Minerale oliën

    20 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    60 mg/l

    Zuurgraad (pH)

    6,5 – 9,0

    Gewasbeschermingsmiddelen (totaal)

    150 μg/l

    Gewasbeschermingsmiddelen: Cypermethrin, Deltamethrin, Dichloorvos, Esfenvaleraat, Fenpropathrin, Fipronil, Imidacloprid, Lambda-cyhalothrin, Methylpirimifos, Teflubenzuron

    0,1 μg/l

Artikel 3.251 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.250, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een onderbouwing waarom alternatieve lozingsroutes of het zuiveren van het afvalwater zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk worden geacht;

  • b.

    de aard en omvang van de lozingsactiviteit in m3 per uur;

  • c.

    een situatietekening, waarop de locatie waar de activiteit plaatsvindt ten opzichte van de omgeving is aangegeven en waarop de indeling en uitvoering van de wasplaats, de ligging en de indeling van de gebouwen, de functie van de te onderscheiden ruimten en de ligging van de bedrijfsriolering, de plaats van de zuiveringtechnische voorziening en de plaats van het lozingspunt inclusief bemonsteringsvoorziening, in beeld is gebracht;

  • d.

    informatie over de was- en reinigingsmiddelen die gebruikt worden;

  • e.

    informatie over overige stoffen of preparaten die mogelijk in het afvalwater voorkomen en zo ja, een opgave van of er toestemming is voor het lozen van die stoffen of preparaten in het oppervlaktewater;

  • f.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de onder e genoemde stoffen of preparaten die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • g.

    informatie over de lozingsvoorziening;

  • h.

    informatie over de zuiveringtechnische voorziening;

  • i.

    informatie over het type lozingsvoorziening;

  • j.

    informatie over het type bemonsteringsvoorziening;

  • k.

    ingeval van een wijziging van de inrichting van de agrarische wasplaats, het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking treedt, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn;

  • l.

    indien van toepassing, de verwachte einddatum van de activiteit.

Artikel 3.252 Vergunningplicht
Artikel 3.253 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.252, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een onderbouwing waarom alternatieve lozingsroutes zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk worden geacht;

  • b.

    een opgave van de maatregelen die worden getroffen om mogelijke negatieve effecten op de waarde van het ecologische watersysteem te voorkomen;

  • c.

    de aard en omvang van de lozingsactiviteit in m3 per uur;

  • d.

    een situatietekening, waarop de locatie waar de activiteit plaatsvindt ten opzichte van de omgeving is aangegeven en waarop de indeling en uitvoering van de wasplaats, de ligging en de indeling van de gebouwen, de functie van de te onderscheiden ruimten en de ligging van de bedrijfsriolering, de plaats van de zuiveringtechnische voorziening en de plaats van het lozingspunt inclusief bemonsteringsvoorziening, in beeld is gebracht;

  • e.

    informatie over de was- en reinigingsmiddelen die gebruikt worden;

  • f.

    informatie over overige stoffen of preparaten die mogelijk in het afvalwater voorkomen en zo ja, een opgave van of er toestemming is voor het lozen van die stoffen of preparaten in het oppervlaktewater;

  • g.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de onder f genoemde stoffen of preparaten die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • h.

    informatie over de lozingsvoorziening;

  • i.

    informatie over de zuiveringtechnische voorziening;

  • j.

    informatie over de bemonsteringsvoorziening;

  • k.

    ingeval van een wijziging van de inrichting van de agrarische wasplaats, het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking treedt, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn;

  • l.

    indien van toepassing, de verwachte einddatum van de activiteit.

[Red: Paragraaf 3.5.1.2 verplaatst van afdeling 3.5.1 naar afdeling 3.5. ]

Paragraaf 3.5.1.2 3.5.2 Koud of warm water uit een TEO-systeem
Artikel 3.254 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van een koude- of warmtevracht, afkomstig uit een systeem dat voorziet in de winning van thermische energie uit het oppervlaktewater, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.255 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.254, houden in elk geval in dat:

  • a.

    verandering van de temperatuur van het oppervlaktewater ter hoogte van het lozingspunt zo geleidelijk mogelijk plaatsvindt;

  • b.

    de vismigratie niet belemmerd wordt;

  • c.

    de visstand niet negatief wordt beïnvloed;

  • d.

    verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen;

  • e.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem wordt voorkomen;

  • f.

    verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.256 Vergunningplicht
Artikel 3.257 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.256, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de aard en omvang van de lozingsactiviteit;

  • b.

    een rapportage, waaruit blijkt dat de activiteit niet leidt tot negatieve effecten op de waarde van het ecologische watersysteem en waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1º.

      een ondergrens en bovengrens voor de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewater;

    • 2º.

      de omvang van de mengzone die passend is voor het type oppervlaktewaterlichaam waarin de activiteit plaatsvindt;

    • 3º.

      de gemiddelde en maximale hoeveelheid te lozen koude- en warmtevracht in m3 per uur;

    • 4º.

      de gemiddelde, minimale en maximale temperatuur van de te lozen koude- of warmtevracht;

    • 5º.

      eventuele beheersmaatregelen die getroffen moeten worden.

  • c.

    informatie over overige stoffen of preparaten die mogelijk in het te lozen koud water voorkomen en zo ja, een opgave van of er toestemming is voor de aanwezigheid van die stoffen of preparaten in het te lozen afvalwater;

  • d.

    informatie over het type lozingsvoorziening;

  • e.

    informatie over het type bemonsteringsvoorziening;

  • f.

    indien van toepassing, de verwachte einddatum van de activiteit.

[Red: Paragraaf 3.5.2.1 verplaatst van afdeling 3.5.2 naar afdeling 3.5. ]

Paragraaf 3.5.2.1 3.5.3 Uitzetten en verplaatsen van vis
Artikel 3.258 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitzetten en verplaatsen van vis in en naar beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.259 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.258, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam geborgd is;

  • b.

    het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;

  • c.

    het ontvangende oppervlaktewaterlichaam de hoeveelheid uit te zetten of te verplaatsen vis kan dragen;

  • d.

    het ontvangende oppervlaktewaterlichaam de te ontstane samenstelling van de vispopulatie kan dragen;

  • e.

    vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem wordt voorkomen;

  • f.

    verbetering van de ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.

Artikel 3.260 Specifieke uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.258, voor zover die het verplaatsen van vis betreft die lijdt aan visflauwte, geldt dat:

  • a.

    zo spoedig mogelijk contact wordt opgenomen met het waterschap;

  • b.

    het waterschap, voor zover mogelijk, wordt geïnformeerd over:

    • 1º.

      de locatie waar de vis is aangetroffen;

    • 2º.

      welke soort of soorten het betreft;

    • 3º.

      de hoeveelheid vis en de samenstelling van de vispopulatie;

    • 4º.

      op welk tijdstip en naar welke locatie de vis wordt verplaatst.

  • c.

    vis die alsnog sterft, wordt verwijderd uit het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.261 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.258, voor zover die het uitzetten van vis betreft of het verplaatsen van vis die niet aan visflauwte lijdt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de activiteit overeenkomstig een door het waterschap goedgekeurd uitzet- of verplaatsingsplan wordt uitgevoerd;

    • b.

      de uitgezette of verplaatste vis middels een door het waterschap goedgekeurd monitoringsplan wordt gemonitord;

    • c.

      ingeval het uitzetten van vis betreft, de initiatiefnemer beschikt over een gezondheidsverklaring van de vissoort(en);

    • d.

      ingeval het uitzetten van vis betreft, de vis duurzaam verkregen is;

    • e.

      ingeval, overeenkomstig het uitzet- of verplaatsingsplan, bij herhaling op meerdere momenten vis wordt uitgezet of verplaatst, geldt voor de initiatiefnemer telkens een informatieplicht, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat de initiatiefnemer overgaat tot de feitelijke uitzetting of verplaatsing, wordt geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de locatie van de uitzetting of verplaatsing van de vis.

Artikel 3.262 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.261, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een aanduiding of de activiteit eenmalig of bij herhaling wordt uitgevoerd en in het laatste geval, het aantal uitzet- of verplaatsingsmomenten;

  • b.

    ingeval de activiteit bij herhaling wordt uitgevoerd, een opgave van de beoogde data waarop de activiteit wordt uitgevoerd;

  • c.

    een door het waterschap goedgekeurd uitzet- of verplaatsingsplan;

  • d.

    een door het waterschap goedgekeurd monitoringsplan;

  • e.

    ingeval het uitzetten van vis betreft, een gezondheidsverklaring;

  • f.

    indien van toepassing, de verwachte einddatum van de activiteit.

Afdeling 3.6 Activiteiten in en op zuiveringtechnische werken

Paragraaf 3.6.1 Aansluiten openbaar riool(stelsel) en afvalwaterleidingen
Artikel 3.263 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aansluiten van een openbaar riool(stelsel) of een afvalwaterleiding op een zuiveringtechnisch werk in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.

Artikel 3.264 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.263, houden in elk geval in dat:

  • a.

    het doelmatig functioneren van zuiveringtechnische werken niet wordt aangetast;

  • b.

    het zuiveringsrendement, als gevolg van de activiteit, niet negatief wordt beïnvloed;

  • c.

    het aan te sluiten openbaar riool(stelsel) enkel communaal afvalwater op het zuiveringtechnisch werk loost;

  • d.

    de hoeveelheid afwijkende en verstorende stoffen in het afvalwater afkomstig uit het aan te sluiten openbaar riool(stelsel) of de aan te sluiten afvalwaterleiding tot een minimum wordt beperkt;

  • e.

    grenswaarden of signaleringswaarden van bepaalde in het afvalwater voorkomende stoffen, afkomstig uit het aan te sluiten openbaar riool(stelsel) of de aan te sluiten afvalwaterleiding, niet worden overschreden;

  • f.

    ingeval van aansluiting op een persleiding, de stroomsnelheid van het afvalwater in de persleiding niet hoger dan 1,25 m/s zal zijn;

  • g.

    de hoeveelheid en de samenstelling van het aan te voeren afvalwater voldoet aan de door het waterschap vooraf afgegeven maximale aanvoerhoeveelheid in m3 per uur;

  • h.

    de bereikbaarheid van de zuiveringtechnische werken voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.265 Specifieke uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.263, geldt dat:

    • a.

      de datum en het tijdstip van uitvoering van de activiteit is afgestemd met het waterschap;

    • b.

      de buffercapaciteit van een nieuwe aansluiting bij droog weer tenminste acht uur bedraagt;

    • c.

      na uitvoering van de activiteit, de locatie van aansluiting wordt ingemeten volgens de rijksdriehoekmeting en de meetgegevens binnen twee weken aan het waterschap worden verstrekt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, geldt dat de aansluiting afsluitbaar wordt gemaakt middels een deugdelijke dienstafsluiter.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding, geldt dat:

    • a.

      de activiteit wordt uitgevoerd overeenkomstig de door het waterschap opgestelde ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’;

    • b.

      voordat de aansluiting plaatsvindt, het aan te sluiten openbaar riool of de afvalwaterleiding wordt afgeperst;

    • c.

      voor het inprikpunt de aansluiting afsluitbaar wordt gemaakt middels een deugdelijke dienstafsluiter;

    • d.

      na afronding van de activiteit en wanneer er geen lekkages zijn geconstateerd, de persleiding weer voldoende gronddekking bevat en het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.266 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.263, voor zover de aansluiting een openbaar riool(stelsel) betreft.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      er voorafgaand aan de activiteit overeenstemming tussen de initiatiefnemer en het waterschap bestaat over het inzamelen van (communaal) afvalwater en de aansluitconstructie overeenkomstig het vigerende rioleringsplan;

    • b.

      er voorafgaand aan de activiteit, op grond van een hydraulische berekening, overeenstemming is tussen de initiatiefnemer en het waterschap over de locatie van aansluiting;

    • c.

      het aansluiten via een aansluitpunt in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding, enkel uitgevoerd mag worden wanneer de initiatiefnemer heeft aangetoond dat aansluiting in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk is;

    • d.

      de hoeveelheid en samenstelling van het aan te voeren afvalwater voldoet aan de afspraken die tussen de initiatiefnemer en het waterschap zijn gemaakt.

Artikel 3.267 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.266, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    het rioleringsplan dat van toepassing is op de betreffende activiteit;

  • b.

    een ondertekende overeenkomst waaruit blijkt dat tussen de initiatiefnemer en het waterschap overeenstemming is over de hoeveelheid en samenstelling van het in te zamelen afvalwater (de afnameverplichting), de locatie van aansluiting, de wijze van aansluiting en de aansluitconstructie;

  • c.

    een opgave of de aansluiting plaatsvindt in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, of via een aansluitpunt in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding en ingeval van aansluiting in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding, een opgave van de reden waarom het uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk is om aan te sluiten in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal;

  • d.

    een door het waterschap goedgekeurd werkplan, bedoeld in de door het waterschap opgestelde ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’;

  • e.

    de technische gegevens van het riool(stelsel), waaronder mede begrepen de verschillende aansluitpunten en een overzichtstekening van het rioleringsgebied;

  • f.

    het aantal particuliere huishoudens per aansluitpunt en het aantal en de aard van de bedrijven per aansluitpunt die zijn en zullen worden aangesloten op het aan te sluiten openbaar riool(stelsel);

  • g.

    een raming van de per aansluitpunt af te voeren hoeveelheid afvalwater uitgedrukt in m³ per uur, gedifferentieerd naar hoeveelheden droogweerafvoer en regenweerafvoer alsmede gegevens over de pompovercapaciteit uitgedrukt in m³ per uur;

  • h.

    een raming van de per aansluitpunt af te voeren hoeveelheden afvalstoffen per aansluitpunt, uitgedrukt in vervuilingseenheden en gedifferentieerd naar het aantal inwoners en aantal bedrijven dat aangesloten wordt;

  • i.

    per aansluitpunt het aantal hectare verhard oppervlak waarvan het afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd via het aan te sluiten openbaar riool(stelsel);

  • j.

    gegevens over het beheer en onderhoud van het aan te sluiten openbaar riool(stelsel).

Artikel 3.268 Vergunningplicht
Artikel 3.269 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.268, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van de reden waarom het uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk is om aan te sluiten op een openbaar riool(stelsel);

  • b.

    een opgave of de aansluiting plaatsvindt in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, of via een aansluitpunt in beperkingengebied C-III van een persleiding en ingeval van aansluiting in beperkingengebied C-III van een persleiding, een opgave van de reden waarom het uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk is om aan te sluiten in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal;

  • c.

    een door het waterschap goedgekeurd werkplan, bedoeld in de door het waterschap opgestelde ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’;

  • d.

    een opgave van de af te voeren hoeveelheid afvalwater uitgedrukt in m³ per uur;

  • e.

    een opgave van de samenstelling van het te lozen afvalwater met, indien mogelijk, hierbij de concentraties van de stoffen/parameters;

  • f.

    een opgave van de titel op grond waarvan de lozing van het afvalwater op het zuiveringtechnische werk is toegestaan;

  • g.

    gegevens over het beheer en onderhoud van de aan te sluiten afvalwaterleiding.

Paragraaf 3.6.2 Lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid
Artikel 3.270 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van een hoeveelheid afvalwater per tijdseenheid op een zuiveringtechnisch werk in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.

Artikel 3.271 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.270, houden in elk geval in dat:

  • a.

    de hoeveelheid te lozen afvalwater tot een minimum wordt beperkt;

  • b.

    het doelmatig functioneren van zuiveringtechnische werken niet wordt aangetast;

  • c.

    het zuiveringsrendement, als gevolg van de activiteit, niet negatief wordt beïnvloed;

  • d.

    de hoeveelheid afwijkende en verstorende stoffen in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;

  • e.

    de hoeveelheid vuilvracht in het afvalwater tot een minimum wordt beperkt;

  • f.

    de bereikbaarheid van de zuiveringtechnische werken voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.272 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.270.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.271, niet geschonden worden;

    • b.

      de activiteit noodzakelijk is;

    • c.

      het zuiveringtechnisch werk waarop geloosd wordt:

      • 1º.

        voor de te lozen vracht voldoende hydraulische capaciteit heeft;

      • 2º.

        de in het afvalwater aanwezige vuilvracht in voldoende mate kan opvangen en door de rioolwaterzuiveringsinstallatie gezuiverd kan worden;

      • 3º.

        de in het afvalwater aanwezige verstorende stoffen kan opvangen en door de rioolwaterzuiveringsinstallatie gezuiverd kan worden.

    • d.

      er voldoende maatregelen of voorzieningen worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      ingeval het afvalwater per as wordt aangevoerd, de lozing plaatsvindt door middel van een pompvoorziening;

    • b.

      ingeval het afvalwater per as wordt aangevoerd, dit wordt geloosd op het dichtstbijzijnde zuiveringtechnische werk, voor zover dit beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of beperkingengebied C-II van een rioolgemaal betreft;

    • c.

      voordat de lozing wordt uitgevoerd, zoveel mogelijk verstorende stoffen uit het te lozen afvalwater worden verwijderd;

    • d.

      op aanzegging van het waterschap het aanvangstijdstip van de lozing onmiddellijk wordt opgeschort;

    • e.

      op aanzegging van het waterschap de hoeveelheid te lozen afvalwater onmiddellijk wordt beperkt.

Artikel 3.273 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.272, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een onderbouwing van de noodzaak om deze activiteit uit te voeren;

  • b.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • c.

    de locaties van de lozingspunten;

  • d.

    informatie over het type lozingsvoorziening;

  • e.

    indien door middel van een (eigen) afvalwaterleiding wordt geloosd, een tekening waarop de leiding en het aansluitpunt zichtbaar is;

  • f.

    informatie over de stoffen of preparaten die mogelijk in het afvalwater voorkomen en zo ja, een opgave van of er toestemming is voor de aanwezigheid van die stoffen of preparaten in het afvalwater;

  • g.

    een opgave van de hoeveelheid te lozen afvalwater in m3 per uur;

  • h.

    een opgave van de samenstelling van het te lozen afvalwater met hierbij, indien mogelijk, de concentraties van de stoffen/parameters;

  • i.

    de regelmaat waarmee de lozing plaatsvindt;

  • j.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt.

Paragraaf 3.6.3 Grondroeringen en overige activiteiten
Artikel 3.274 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondroeringen en overige activiteiten in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.

Artikel 3.275 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.274, houden in elk geval in dat:

  • a.

    schade aan zuiveringtechnische werken wordt voorkomen;

  • b.

    grondroeringen en overige activiteiten zo ver mogelijk van de zuiveringtechnische werken plaatsvinden;

  • c.

    de kathodische bescherming van stalen persleidingen niet verstoord wordt;

  • d.

    de (coating van een) persleiding te allen tijde beschermd wordt tegen uitdroging, beschadiging en UV-straling;

  • e.

    het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen;

  • f.

    er geen onaanvaardbare vervorming of zetting van omliggende gronden optreedt;

  • g.

    de grondwaterspanning niet buitensporig verandert door wijziging van de stand van het grondwater of door overdruk in het grondwater;

  • h.

    onderhoudswerkzaamheden door of namens het waterschap niet worden belemmerd;

  • i.

    de bereikbaarheid van de zuiveringtechnische werken voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt.

Artikel 3.276 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.274, voor zover de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding en de persleiding een EV-leiding betreft.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;

    • b.

      alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om schade aan zuiveringtechnische werken te voorkomen;

    • c.

      door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;

    • d.

      direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld;

    • e.

      ingeval hoogspanningssystemen (> 1 kV) of lijnen en spoorwisselstroomtractie worden aangelegd, de onderlinge beïnvloeding aantoonbaar niet groter mag zijn dan volgens daarvoor geldende actuele NEN-normen toelaatbaar is;

    • f.

      ingeval van het aanleggen van leidingen, dit wordt uitgevoerd met toepassing van een adequate techniek;

    • g.

      ingeval van een gestuurde boring, het boorplan op het werkterrein voor toezicht en inspectie ingezien kan worden;

    • h.

      ingeval van heiwerkzaamheden, het sonderingsplan op het werkterrein voor toezicht en inspectie ingezien kan worden.

  • 5

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      de feitelijke werkzaamheden eerst plaatsvinden nadat zekerheid is verkregen over de feitelijke ligging van de persleiding en (het tracé van) de persleiding middels markeringen is aangewezen;

    • b.

      ingeval van machinaal graven of heiwerkzaamheden die plaatsvinden boven en binnen 10 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-IV en boven en binnen 30 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-V, dat:

      • 1º.

        de persleiding eerst wordt gelokaliseerd aan de hand van een proefsleuf en zichtbaar wordt gemaakt;

      • 2º.

        een graafbak zonder tanden wordt gebruikt;

      • 3º.

        de persleiding niet wordt aangeprikt met een prikstang;

      • 4º.

        de persleiding wordt beschermd door middel van draglineschotten;

      • 5º.

        de activiteit op minimaal 0,50 meter afstand van de bovenkant en weerszijden van de persleiding plaatsvindt en voor zover het heiwerkzaamheden betreft op minimaal 1 meter afstand van de bovenkant en weerszijden van de persleiding.

    • c.

      opslag van materiaal en materieel is toegestaan aan weerszijden van de persleiding mits tijdelijk;

    • d.

      ingeval van het aanbrengen van een gesloten verharding of bij het mechanisch in- en uitdrijven van voorwerpen in de grond boven en binnen10 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-IV en boven en binnen 30 meter aan weerszijden van de persleiding in beperkingengebied C-V, dat deze voldoet aan een zettings- en/of sterkteberekening uitgevoerd conform de daarvoor geldende actuele NEN-normen.

    • e.

      ingeval van een open ontgraving, de persleiding waar nodig doelmatig en stabiel ondersteund wordt tegen doorhangen of schuiven, waarvoor geldt dat leidingen met een inwendige diameter van 150 mm of groter een vrije overspanning hebben van maximaal 4 meter en leidingen met een inwendige diameter die kleiner is dan 150 mm een vrije overspanning hebben van maximaal 2 meter;

    • f.

      ingeval kabels met een spanning van 1 kV en hoger, gekruist ten opzichte van de persleiding worden aangelegd:

      • 1º.

        dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 1 meter van de bovenkant van de persleiding; of

      • 2º.

        indien een neopreen slab, een PE-plaat of een mantelbuis met oversteek van 1 meter wordt toegepast, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding.

    • g.

      ingeval kabels en leidingen door middel van een open ontgraving worden aangelegd, deze haaks op de persleiding worden aangelegd op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding;

    • h.

      ingeval kabels en leidingen door middel van een gestuurde boring worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 5 meter rondom de persleiding;

    • i.

      ingeval kabels en leidingen door middel van overige sleufloze kruisingstechnieken worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 1 meter rondom de persleiding, onder voorwaarde dat de persleiding zichtbaar is;

    • j.

      ingeval kabels en leidingen parallel worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal twee meter aan weerszijden van de persleiding;

    • k.

      ingeval drainageleidingen gekruist ten opzichte van de persleiding worden aangelegd, dit plaatsvindt op een afstand van minimaal 0,50 meter van de bovenkant van de persleiding;

    • l.

      ingeval drainageleidingen gekruist ten opzichte van de persleiding, in afwijking van het vijfde lid, onder k, binnen een afstand van 0,50 meter van de persleiding worden aangelegd, moet het gedeelte binnen een strook van 1 meter aan weerszijden van de persleiding met de hand worden ontgraven en de drainage met de hand worden aangebracht;

    • m.

      ingeval oppervlaktewater wordt aangelegd, dit gebeurt met een gronddekking van minimaal 1 meter tussen de bodem van het oppervlaktewater en de bovenkant van de persleiding en een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht;

    • n.

      indien de bovengrond boven een persleiding is ingericht om transport plaats te laten vinden, ingeval van (tijdelijke) zware transporten, een vrijdragende constructie wordt aangebracht.

Artikel 3.277 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.276, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, tevens:

  • a.

    een plan van aanpak bestaande uit:

    • 1º.

      een specifieke omschrijving van de werkzaamheden;

    • 2º.

      een opgave van het materiaal dat wordt toegepast;

    • 3º.

      een opgave van het materieel dat wordt gebruikt;

    • 4º.

      een opgave van de omvang van de activiteit in vierkante meters en in kubieke meters;

    • 5º.

      de voorzorgsmaatregelen die getroffen worden om schade aan zuiveringtechnische werken te voorkomen.

  • b.

    ingeval van het aanleggen van hoogspanningssystemen (> 1 kV) of lijnen en spoorwisselstroomtractie, informatie waaruit blijkt dat de onderlinge beïnvloeding niet groter is dan volgens de daarvoor geldende actuele NEN-normen toelaatbaar is;

  • c.

    ingeval van een gestuurde boring, een door het waterschap goedgekeurd boorplan;

  • d.

    ingeval van heiwerkzaamheden, een door het waterschap goedgekeurd sonderingsplan;

  • e.

    ingeval van het aanbrengen van een gesloten verharding of bij het mechanisch in- en uitdrijven van voorwerpen in de grond boven een persleiding, in beperkingengebied C-IV of in beperkingengebied C-V van een persleiding, een zettings- en/of sterkteberekening;

  • f.

    ingeval de bovengrond is ingericht om transport plaats te laten vinden en er sprake is van (tijdelijke) zware transporten boven een persleiding in beperkingengebied C-IV of in beperkingengebied C-V van een persleiding, een opgave van:

    • 1º.

      de uitvoeringswijze;

    • 2º.

      het transport type en aantal bewegingen;

    • 3º.

      de maximale belasting over het tracé;

    • 4º.

      de te verwachten zettingen op het niveau van de leiding(en);

    • 5º.

      de te treffen maatregelen tegen ongeoorloofd (werk)verkeer over het tracé.

K

Titel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

[Vervallen]

L

Titel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.2 Activiteiten in en nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (waterkwantiteit)

[Vervallen]

[Vervallen]

M

Titel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.3 Activiteiten in en nabij waterkeringen (waterveiligheid)

[Vervallen]

[Vervallen]

N

Titel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.4 Activiteiten in grondwaterlichamen (grondwaterkwantiteit/grondwaterkwaliteit)

[Vervallen]

[Vervallen]

O

Titel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.5 Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)

Afdeling 3.5.1 Lozingsactiviteiten

[Vervallen]

Afdeling 3.5.2 Overige activiteiten

[Vervallen]

[Vervallen]

P

Titel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 3.6 Activiteiten in en op zuiveringtechnische werken

[Vervallen]

[Vervallen]

Q

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 TOEZICHT EN HANDHAVING

Afdeling 4.1 Toezicht

Artikel 4.1 Aanwijzen toezichthouders onderhoudsplichten

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in of krachtens hoofdstuk 2 van deze waterschapsverordening zijn, overeenkomstig artikel 85, eerste lid, van de Waterschapswet, belast de daartoe door het dagelijks bestuur, op grond van artikel 18.6 Omgevingswet, aangewezen ambtenaren of andere personen.

Artikel 4.2 Algemene bepaling schouw
Artikel 4.3 Schouw van secundaire oppervlaktewaterlichamen, regionale en overige waterkeringen

Afdeling 4.2 Handhaving

Artikel 4.4 Strafbepaling onderhoudsplichten
  • 1

    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 81 , van de Waterschapswet is overtreding van de in hoofdstuk 2, titelafdeling 2.2, opgenomen onderhoudsplichten strafbaar.

  • 2

    Overtreding van de in hoofdstuk 2, titelafdeling 2.2, opgenomen bepalingen en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 3

    Met de opsporing van strafbare feiten bedoeld in het eerste lid zijn belast de daartoe bevoegde personen, al dan niet, krachtens artikel 4.1, door het waterschap aangewezen.

R

Titel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 4.1 Toezicht

[Vervallen]

[Vervallen]

S

Titel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 4.2 Handhaving

[Vervallen]

[Vervallen]

T

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Afdeling 5.1 Overgangsbepalingen

Artikel 5.1 Overgangsrecht (omgevings)vergunningen, maatwerkbeschikkingen en algemene regels
  • 1

    Een onherroepelijk geworden vergunning, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.

  • 2

    Een onherroepelijk geworden vergunning, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.

  • 3

    Het vervallen van de vergunning, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.

  • 4

    Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.

  • 5

    Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, bedoeld in het vierde lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.

  • 6

    Het vervallen van de maatwerkbeschikking, bedoeld in het vijfde lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.

  • 7

    Voor een activiteit waarvoor op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening bij het waterschap een melding is gedaan, door het waterschap een maatwerkbeschikking of een vergunning is verleend of die enkel wordt uitgevoerd op grond van algemene regels, geldt dat voor zover die activiteit op het moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt uitgevoerd op grond van de toentertijd van toepassing zijnde algemene regels of voorschriften die vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten, dat tot de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden geen sprake is van een overtreding in de zin van artikel 5:1, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de activiteit onevenredige waterveiligheidsrisico’s oplevert, onevenredig waterbezwaarlijk is of de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken in gevaar wordt gebracht.

Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en aanvragen (omgevings)vergunningen
Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
  • 1

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

      • 1º.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2º.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3º.

        de last is opgeheven.

  • 2

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, waarvoor een bestuurlijke sanctie is opgelegd, zal het nieuwe recht van rechtswege van toepassing zijn, voor zover de overtreden norm gewijzigd is.

Artikel 5.4 Overgangsrecht handhavingsprocedures

Voor rechtsgeldige beleidsdocumenten van het waterschap of onderdelen daarvan geldt, zolang het waterschap na inwerkingtreding van deze verordening een wijziging van deze documenten niet heeft vastgesteld, dat het waterschap die documenten of onderdelen daarvan, voor zover die in strijd zijn met de verordening, buiten beschouwing kan laten of onverbindend kan verklaren.

Artikel 5.5 Inwerkingtreding

De krachtens artikel 22.14 en artikel 22.15, van de Omgevingswet bedoelde waterschapsverordening, zoals die gold direct voor inwerkingtreding van deze verordening, wordt ingetrokken, met uitzondering van de regels en plichten voor een activiteit die een lozing van stoffen of afvalwater betreft, bedoeld in afdeling 7.2, hoofdstuk 2, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Afdeling 5.2 Slotbepalingen

Artikel 5.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking één dag na de dag waarop die is bekendgemaakt nadat de Omgevingswet in werking is getreden.

Artikel 5.7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: 'Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023’.

U

Titel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 5.1 Overgangsbepalingen

[Vervallen]

[Vervallen]

V

Titel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel 5.2 Slotbepalingen

[Vervallen]

[Vervallen]

W

Binnen bijlage 5 wordt het volgende opschrift op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel Afdeling 1.1 ALGEMENE BEPALINGEN

X

Binnen bijlage 5 wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling en bijlage 1 van deze waterschapsverordening zijn ook van toepassing op titelafdeling 1.2 van deze bijlage 5 bij deze waterschapsverordening.

Y

Binnen bijlage 5 wordt het volgende opschrift op de aangegeven wijze gewijzigd:

Titel Afdeling 1.2 LOZINGSACTIVITEITEN OP EEN OPPERVLAKTEWATERLICHAAM OF EEN ZUIVERINGTECHNISCH WERK

Z

Binnen bijlage 5 wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze titelafdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten, bedoeld in paragraaf 1.2.2 tot en met 1.2.18, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding.

AA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.1: Begrippen

BB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.2: Toepassingsgebied, normadressaat en doelen

CC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op artikel 1.3: Normadressaat

Artikel 1.3 – normadressaat

Regels zijn (bijna) altijd gericht tot een bepaalde doelgroep. Een ander begrip van deze groep is een normadressaat. Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht moet voldoen aan de regels over activiteiten uit deze verordening. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of een opdrachtnemer. In deze verordening wordt hiermee de initiatiefnemer bedoeld, zoals uitgelegd in artikel 1.1, eerste lid. Dit kan derhalve ook de melder zijn van een activiteit, degene die namens een ander een melding doet of degene zijn die een activiteit verricht die toestemmingsvrij uitgevoerd mag worden. Overigens is in artikel 5.37a, eerste lid, van de Omgevingswet opgenomen, dat in afwijking van het voorgaande het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning kan bepalen dat een vergunninghouder alleen zorgdraagt voor de naleving van de vergunningvoorschriften voor de activiteit of het deel van de activiteit dat hij verricht, voor zover de activiteit of het deel van de activiteit te onderscheiden is. Dit kan het geval zijn wanneer de melding of de vergunningaanvraag wordt ingediend door een (onder)aannemer namens een opdrachtgever voor de activiteit.

Naast de normadressaat voor de regels uit hoofdstuk 3 voor het uitvoeren van activiteiten kent de verordening ook een normadressaat voor de regels opgenomen in hoofdstuk 2 van de verordening. Daar waar in titelafdeling 2.1 en 2.2 van dit hoofdstuk de normadressaat hoofdzakelijk de aangewezen onderhoudsplichtige is, geldt dat de normadressaat voor de regels in titelafdeling 2.3 ook de initiatiefnemer of vergunninghouder kan zijn.

DD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.3: Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

EE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.4: Algemene zorgplichten

FF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 2.1: Algemene bepalingen

GG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 2.2: Onderhoudsplichten van waterstaats-, zuiveringtechnische- en overige (kunst)werken

HH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 2.3: Verplichte handelingen ten behoeve van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

II

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.1: Algemene bepalingen

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op artikel 3.7: Vangnetvergunningplicht en algehele verboden

Artikel 3.7 – vangnetvergunning en algehele verboden

In titelafdeling 3.2 tot en met titelafdeling 3.6 en bijlage 5 zijn voor de meeste voorkomende activiteiten in het beheergebied van het waterschap algemene regels, zorg-, meldings-, en vergunningplichten opgesteld. Voor de activiteiten die niet zijn gereguleerd in deze waterschapsverordening, noch in hogere regelgeving, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt de vangnetvergunningplicht, opgenomen in artikel 3.7. Deze vergunningplicht geldt niet in de gevallen, opgenomen in het tweede lid. Niettemin gelden wel de door het waterschap in titelafdeling 1.4 1.4 opgenomen zorgplichten.

Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, dan die geregeld zijn in de titelsafdeling 3.2 t/m afdeling 3.6 en bijlage 5, gelden de indieningsvereisten opgenomen in artikel 3.4 en aanvullende indieningsvereisten afhankelijk van de specifieke activiteit die wordt verricht.

Deze bepaling regelt, tot slot, ook de bevoegdheid van het waterschap (ontleend uit de Waterschapswet en Omgevingswet) om in hoofdstuk 3 algehele verboden op te leggen voor specifieke activiteiten in bepaalde beperkingengebieden of in specifiek aangewezen gebieden binnen deze beperkingengebieden. Zo geldt er voor de activiteit ‘’onttrekken van oppervlaktewater’’ een algeheel verbod om water te onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen waarnaar geen wateraanvoer mogelijk is.

KK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.2: Activiteiten in en nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (waterkwantiteit)

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Deze paragraaf beoogt het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebieden te waarborgen door het aanleggen van kabels en leidingen te regelen. Onder het aanleggen van kabels en leidingen wordt mede het verleggen of wijzigen van kabels en leidingen verstaan. Hiervoor zijn de regels voor de in deze titelafdeling opgenomen paragraaf over verwijderen van werken ook van toepassing. Kabels en leidingen kunnen de watergang kruisen en parallel aan de watergang worden aangelegd. Leidingen die worden aangelegd voor het lozen van water (lozingsvoorzieningen) vallen onder de regels van de in deze titelafdeling opgenomen paragraaf over het lozen van een hoeveelheid water. Ingeval bij de aanleg van kabels en leidingen watergangen worden gekruist en daarbij tijdelijk drooggelegd moeten worden, zijn de regels uit de paragraaf voor het stremmen van oppervlaktewater van toepassing.

De specifieke zorgplichten zien onder meer op behoud en eventueel verbetering van de bestaande situatie en het voorkomen van nazakkingen en erosie van oever en talud. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen geldt een meldingsplicht vanwege het belang van deze wateren. Het waterschap kan zo inzichtelijk houden waar primaire oppervlaktewaterlichamen gekruist worden. De bijbehorende regels voor bijvoorbeeld diepteligging en afstand dienen om beheer- en onderhoudswerkzaamheden zoals herprofileren, maaien, baggeren en het functioneren van (kunst)werken te waarborgen.

Voor alle oppervlaktewaterlichamen gelden algemene en specifieke uitvoeringsregels naast de zorgplicht. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen gelden daarnaast strengere algemene regels vanwege het grotere belang van instandhouding ervan en het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater.

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Deze paragraaf beoogt het waterpeil en de doorstroming van het watersysteem te waarborgen door regels te stellen over het, middels een lozingsvoorziening (al dan niet voorzien van een bemonsteringsvoorziening), lozen van water, zoals: grondwater, hemelwater, spoelwater, koelwater, koud water (na onttrekking van een warmtevracht uit het oppervlaktewater) en afvalwater. Deze regels zien op de kwantiteit (een hoeveelheid) van de lozing. De regels over kwaliteit van het te lozen water zijn ondergebracht in titelafdeling 3.5 van deze verordening over activiteiten in oppervlaktewaterlichamen die effecten hebben op de waterkwaliteit. Met de regels uit deze paragraaf voor het lozen van water wordt niet bedoeld het aan- en afvoeren van water, bijvoorbeeld via een inlaat, ten behoeve van het op peil houden van het oppervlaktewater.

Deze activiteit kan enkel worden uitgevoerd door middel van een lozingsvoorziening. Dit zijn bijvoorbeeld leidingen zoals (hemelwater)afvoerleidingen, uitlaten en drainage. Ook mobiele voorzieningen (bijvoorbeeld een pompvoorziening) kunnen beschouwd worden als lozingsvoorziening. De lozingsvoorziening kan tevens dienst doen als bemonsteringsvoorziening of aan de lozingsvoorziening kan een bemonsteringsvoorziening worden aangesloten, die gebruikt wordt voor de bemonstering van het te lozen water met het oog op de waterkwaliteit (zie hiervoor de regels in titelafdeling 3.5, van de verordening). Als een lozingsvoorziening in een waterkering wordt aangelegd, zijn de regels uit de paragraaf over inlaten en lozingsvoorziening die aangelegd worden in en nabij waterkeringen (ook) van toepassing.

Het lozen van water is een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit. De specifieke zorgplicht en enkele algemene en specifieke uitvoeringsregel voldoen voor kleine lozingen en voor lozingen op tertiaire wateren, omdat de effecten op het watersysteem doorgaans gering zijn. Lozingen van 30 m3 of meer per uur kunnen eerder aanleiding geven tot wateroverlast, bijvoorbeeld wanneer het ontvangende oppervlaktewaterlichaam te klein is voor een lozing van deze omvang. Voor deze lozingen geldt dan ook een meldingsplicht voor enkel secundaire en primaire oppervlaktewateren. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen gelden extra specifieke uitvoeringsregels, die voornamelijk op beheer en onderhoud zijn gericht.

NN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.3: Activiteiten in en nabij waterkeringen (waterveiligheid)

OO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.4: Activiteiten in grondwaterlichamen (grondwaterkwantiteit/grondwaterkwaliteit)

PP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.5: Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)

QQ

Sectie 'Toelichting op paragraaf 3.5.1.1: Afvalwater vanaf een agrarische wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen' wordt verplaatst van sectie 'Toelichting op afdeling 3.5.1: Lozingsactiviteiten' naar sectie 'Toelichting op titel 3.5: Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op paragraaf 3.5.1.13.5.1: Afvalwater vanaf een agrarische wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen

Deze paragraaf bevat maatwerkregels in de zin van artikel 2.12 in samenhang met artikel 2.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het lozen van afvalwater vanaf een agrarische wasplaats waar geen voertuigen en werktuigen worden gewassen die in aanraking zijn gekomen met gewasbeschermingsmiddelen. Deze regels geven verdere invulling aan de regels die voor deze activiteit zijn gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Deze regels worden gesteld met het oog op het voorkomen van achteruitgang van de waterkwaliteit. Het afvalwater is afkomstig van een agrarische wasplaats voor het inwendig of uitwendig reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur. Ook al gaat het bij deze activiteit om voertuigen en werktuigen die niet in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen, zullen er hoogstwaarschijnlijk wel gewasbeschermingsmiddelen in het afvalwater aangetroffen worden. Gewasbeschermingsmiddelen, die in het verleden of elders zijn gebruikt kunnen zich namelijk hechten aan mobiele gronddeeltjes die door het berijden of bewerken van de bodem op, aan of onder het voer- en werktuig achterblijven. Met gewasbeschermingsmiddelen wordt bedoeld de gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309). Gewasbeschermingsmiddelen beschermen gewassen tegen schadelijke organismen of bestrijden onkruid. Ze worden vooral in de landbouw gebruikt, maar ook in tuinen. Voorbeelden zijn herbiciden, fungiciden en insecticiden.

Het waterschap wil middels deze meldingsplicht en algemene regels het mogelijk maken voor inwoners van het beheergebied die een agrarische wasplaats hebben om, bij afwezigheid van alternatieve lozingsroutes, afvalwater, afkomstig van de wasplaats, te kunnen lozen op het oppervlaktewater zonder dat daarmee de waterkwaliteit verslechtert. Daarmee vervult het oppervlaktewater een maatschappelijke functie. Middels algemene regels geeft het waterschap de voorwaarden aan wanneer, ingeval alternatieve lozingsroutes niet aanwezig zijn, op het oppervlaktewater geloosd mag worden. De belangrijkste eisen die het waterschap hiervoor stelt, zijn de volgende:

  • alternatieve lozingsroutes die het mogelijk maken het afvalwater vanaf een agrarische wasplaats te lozen, zoals het lozen op een vuilwaterriool of het gelijkmatige verspreiden van het afvalwater over landbouwgronden zijn uitgesloten ofwel redelijkerwijs onmogelijk om toe te passen;

  • het afvalwater, gemeten vanaf het lozingspunt, bevat ten hoogste 150 μg werkzame stof/liter gewasbeschermingsmiddelen;

  • in het afvalwater, gemeten vanaf het lozingspunt, mag voor de volgende gewasbeschermingsmiddelen, zijnde insecticiden, niet meer dan 0,1 μg/liter worden aangetroffen: Cypermethrin, Deltamethrin, Dichloorvos, Esfenvaleraat, Fenpropathrin, Fipronil, Imidacloprid, Lambda-cyhalothrin, Methylpirimifos en Teflubenzuron;

Met deze eisen is het mogelijk dat de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam niet achteruit gaat en zijn de risico’s kleiner op verontreiniging van ecologisch waardevolle oppervlaktewateren (die direct of indirect in verbinding kunnen staan met het oppervlaktewater waarop geloosd wordt).

Ingeval de activiteit plaatsvindt in een door het waterschap aangewezen ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam of een oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is, geldt een vergunningplicht. De aanvrager moet in dat geval goed onderbouwen welke maatregelen getroffen worden om mogelijke schade aan de aquatische ecologie te voorkomen.

Aangezien er een hoeveelheid afvalwater wordt geloosd middels een lozingsvoorziening zijn ook de regels uit paragraaf 3.2.14 over het lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid van toepassing. Deze regels zijn ook van toepassing op het plaatsen van de lozings- en bemonsteringsvoorziening.

Toelichting op artikel 3.249: Specifieke uitvoeringsregels

Artikel 3.249, onder a – specifieke uitvoeringsregels – alternatieve lozingsroutes

Er zijn twee voorkeursroutes voor wasplaatshouders om zich te doen van hun afvalwater:

Artikel 3.249, onder b – specifieke uitvoeringsregels – geen werktuigen en voertuigen die in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen

Op de wasplaats mogen geen werktuigen en voertuigen, zoals veldspuiten en mestverspreiders, worden gereinigd die (mogelijk) in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen. Immers, het risico op verontreiniging van het oppervlaktewater neemt daarmee toe.

Artikel 3.249, onder e – specifieke uitvoeringsregels – emulgerende werking van was- en reinigingsmiddelen

Deze regel heeft als gevolg dat de initiatiefnemer bij het wassen geen emulgerende wasmiddelen mag gebruiken, tenzij ze biologisch afbreekbaar zijn. De emulgerende werking van bepaalde was- en reinigingsmiddelen zorgt er namelijk voor dat de olie uit de olieafscheider, waarin het afvalwater op een wasplaats wordt opgevangen, (mee)geloosd kan worden op het oppervlaktewaterlichaam. Hierdoor zal een achteruitgang van de waterkwaliteit optreden en kan dit leiden tot negatieve effecten voor de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige flora en fauna, waardoor de waarde van het ecologische watersysteem zal verminderen.

Artikel 3.249, onder f – specifieke uitvoeringsregels – afvalwater dat overige stoffen en/of preparaten bevat

Indien de initiatiefnemer kennis heeft of het vermoeden heeft dat het afvalwater ook andere stoffen en/of preparaten bevat die mogelijk waterbezwaarlijk zijn, dan volgt hij de volgende procedure:

  • hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;

  • hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;

  • afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;

  • de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.

Artikel 3.249, onder g – specifieke uitvoeringsregels) – toegankelijke bemonsteringsvoorziening

Met deze uitvoeringsregel beoogt het waterschap dat de initiatiefnemer bij het lozingspunt een bemonsteringsvoorziening plaatst die te allen tijde in ieder geval voor het waterschap toegankelijk is. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen hekwerken geplaatst mogen worden, omdat het waterschap daarmee gehinderd zou worden in het bemonsteren van het afvalwater.

Toelichting op artikel 3.250: Meldingsplicht

Toelichting op artikel 3.250, vierde lid

Artikel 3.250, vierde lid – meldingsplicht – ≤150 μg/liter gewasbeschermingsmiddelen en ≤ 0,1 μg/l schadelijke insecticiden

Deze ondergrenzen van enerzijds een totaal aan verschillende voorkomende gewasbeschermingsmiddelen en anderzijds voor een aantal zeer schadelijke insecticiden wordt gesteld omdat een volledig gewasbeschermingsmiddelvrije wasplaats niet realistisch is. Afgelopen jaren is aangetoond dat wanneer de voorziening op een wasplaats wordt leeggemaakt en daarna goed gereinigd met een hogedrukreiniger, de belasting van gewasbeschermingsmiddelen tot onder de 150 μg werkzame stof/l wordt gereduceerd. Daarom is een voorlopige ondergrens aangehouden van 150 μg werkzame stof/l voor het totaal aanwezige gewasbeschermingsmiddelen in een monster. Voor Cypermethrin, Deltamethrin, Dichloorvos, Esfenvaleraat, Fenpropathrin, Fipronil, Imidacloprid, Lambda-cyhalothrin, Methylpirimifos en Teflubenzuron geldt in het bijzonder echter een strengere norm. Hiervoor stelt het waterschap een ondergrens van 0,1 μg/l per stof. Dit omdat deze insecticiden zeer schadelijk zijn voor het (aquatisch) (leef)milieu en/of zelfs verboden voor agrarisch gebruik. Deze middelen mogen daarom dus niet (substantieel) aantoonbaar zijn in het afvalwater, dat geloosd wordt vanaf een agrarische wasplaats. De meeste laboratoria zijn in staat om dergelijke stoffen tot een minimum concentratie van 0,1 μg/l te detecteren. Vandaar dat de grenswaarde voor de hierboven genoemde insecticiden op deze waarde is vastgesteld.

Toelichting op artikel 3.252: Vergunningplicht

Toelichting op artikel 3.252, eerste lid

Artikel 3.252, eerste lid – vergunningplicht – ecologisch waardevolle wateren en wateren waar geen wateraanvoer mogelijk is

Aangezien voor de één geldt dat we die extra willen beschermen (de ecologisch waardevolle wateren) en voor de ander geldt dat uitspoeling van mogelijk schadelijke stoffen minimaal zal zijn (de wateren waar geen wateraanvoer mogelijk is), is het wenselijk om te beoordelen of de activiteit vergund kan worden. Anders dan bij de meldingsplichtige activiteit zal de aanvrager moeten onderbouwen waarom de activiteit niet in een ander oppervlaktewaterlichaam, dat niet voldoet aan deze kenmerken, uitgevoerd kan worden. Ook zal hij moeten opgeven welke maatregelen getroffen worden om schade aan de aquatische ecologie te voorkomen. Ingeval de vergunning wordt verleend, zullen, op basis van maatwerk, specifieke voorschriften opgesteld worden voor de grenswaarden aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, onopgeloste stoffen en minerale oliën.

RR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op afdeling 3.5.1: Lozingsactiviteiten

[Vervallen]

[Vervallen]

SS

Sectie 'Toelichting op paragraaf 3.5.1.2: Koud of warm water uit een TEO-systeem' wordt verplaatst van sectie 'Toelichting op afdeling 3.5.1: Lozingsactiviteiten' naar sectie 'Toelichting op titel 3.5: Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op paragraaf 3.5.1.23.5.2: Koud of warm water uit een TEO-systeem

Deze paragraaf bevat regels voor het lozen van koud en warm water uit een TEO-systeem. De regels hebben met name betrekking op het borgen van de ecologische waterkwaliteit. Voor de regels en onderstaande toelichting is gebruik gemaakt van het STOWA-rapport 2023-40: Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen, versie 2 | STOWA.

De activiteit komt voornamelijk voor bij de winning van thermische energie uit het oppervlaktewater (TEO). Een TEO-systeem zorgt ervoor dat warmte wordt gewonnen uit oppervlaktewater, dat is onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, maar naast warmte kan ten behoeve van de verkoeling van leefruimtes ook koelte gewonnen worden. Het residu wordt geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Dit is het door de warmteonttrekking overgebleven koudere water of de door koelteonttrekking overgebleven warmere water. De lozing van een koude- of warmtevracht kan leiden tot een thermische verontreiniging met mogelijk negatieve effecten op de waarde van het ecologisch watersysteem. Een koudelozing heeft immers een lokale verlaging van de watertemperatuur tot gevolg en een warmtelozing heeft een lokale verhoging van de watertemperatuur tot gevolgd. De temperatuurverlaging of temperatuurverhoging is het grootst op het lozingspunt. Met toenemende afstand tot het lozingspunt zal de invloed van de koude- of warmtelozing afnemen. Afhankelijk van het type oppervlaktewater, de mate van doorstroming, de temperatuur van de koude- of warmtelozing, de temperatuur van het ontvangende water en het lozingsdebiet kan de koude- of warmtelozing een negatief effect hebben op de waarde van het ecologisch watersysteem.

N.B. Voor de fysische chemie van het oppervlaktewater hebben koudwaterlozingen, mits het lozingswater niet is verontreinigd, positieve effecten. Door klimaatverandering stijgt de gemiddelde watertemperatuur. Een hoge watertemperatuur kan leiden tot een te hoge zuurgraad (pH) en een lage zuurstofconcentratie. Dit laatste is niet alleen slecht voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam, maar kan ook tot nalevering van fosfaat uit de waterbodem leiden en daarmee veel maatregelen om de fosforconcentratie in het water te verminderen teniet doen. Een koude lozing kan de opwarming van het water tegengaan en zal daarom normaal gesproken een positief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit.

Aangezien er nog weinig bekend is over de effecten van koude- en warmtelozingen uit TEO-systemen op het oppervlaktewatersysteem, in het bijzonder ingeval van cumulatie van koude- en warmtelozingen en overige lozingen die in de nabije omgeving mogelijk plaatsvinden, stelt het waterschap een vergunningplicht. Het waterschap beoordeelt op basis van een door de initiatiefnemer ingediend (ecologisch) onderzoeksrapport of een koude- of warmtelozing op de beoogde locatie kan worden toegestaan.

Toelichting op artikel 3.255: Specifieke zorgplicht

Artikel 3.255, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – geleidelijke wijziging van temperatuur

Oppervlaktewateren kennen een duidelijke seizoensgebonden variatie in temperatuur. Aan het begin en eind van het groeiseizoen ligt de watertemperatuur rond 10-12°C, terwijl deze midden in de zomer rond de 20°C ligt voor de meeste wateren. Het temperatuurverloop verschilt tussen de jaren onder invloed van de meteorologie. Om de effecten van koude- en warmtelozingen op de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam te beperken, is het wenselijk om het oppervlak waarbinnen de watertemperatuur als gevolg van koude- of warmtelozing verder daalt of stijgt de jaar-tot-jaar variatie van 4°C zo klein mogelijk te houden, waarbij de temperatuurwijziging als gevolg van de activiteit zo geleidelijk mogelijk plaatsvindt. Bij de uitvoering dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden.

Artikel 3.255, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – vismigratie niet belemmeren

Als de koude- of warmtevracht in de lozing in de vorm van een koude- of warmtepluim een significant deel van de natte doorsnede van een watergang bestrijkt, kan dit door vissen als migratiebarrière worden ervaren. Hiervoor bestaat met name in smalle watergangen een risico. Om te voorkomen dat thermische migratiebarrières optreden als gevolg van koude- of warmtelozingen, mag de koude- of warmtepluim niet het gehele profiel van de watergang bestrijken. Hier dient de initiatiefnemer rekening mee te houden. Ingeval de activiteit plaatsvindt in oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen als priotaire vismigratieroutes zal de vergunning mogelijk daarom worden afgewezen.

Artikel 3.255, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – afname visstand voorkomen

In het ergste geval kan een koude- of warmtepluim leiden tot een vertragend effect op de voortplanting en ontwikkeling van fauna, waaronder vis. Daarnaast kan de habitatgeschiktheid van oevers voor paai en opgroei van vissen verminderen. Hierdoor zou er een onaanvaardbare afname van de visstand kunnen plaatsvinden. Dit dient te worden voorkomen.

Toelichting op artikel 3.256: Vergunningplicht

Toelichting op artikel 3.256, derde lid

Artikel 3.256, derde lid, onder b – beoordelingsregel – het dichtstbijzijnde meest geschikte oppervlaktewaterlichaam

Het waterschap beoordeelt aan de hand van een door de initiatiefnemer ingediend rapport of het oppervlaktewaterlichaam waar de activiteit plaatsvindt het meest geschikte is voor een koude- of warmtelozing. De kans op optreden van negatieve ecologische effecten als gevolg van koude- of warmtelozingen zal verschillen tussen verschillende typen oppervlaktewateren. Deze kans is afhankelijk van de habitatgeschiktheid van het watersysteem, die mede wordt bepaald door de kenmerken van het watersysteem waaronder waterdiepte, oeverinrichting en stroomsnelheid. Het thermische effect van een koude- of warmtelozing wordt bepaald door de morfologie van het ontvangende water, de mate van doorstroming en de hoeveelheid koudevracht of warmtevracht die er wordt geloosd. De kans op het optreden van nadelige ecologische effecten als gevolg van een koude- of warmtelozing neemt toe naarmate het temperatuurverschil tussen geloosd water en ontvangend water toeneemt en naarmate de omvang van het gebied dat door de koude- of warmtelozing beïnvloed wordt toeneemt. In stagnante systemen is het risico op ophoping van koude of warmte groter dan in stromende wateren. In stromende wateren vindt actieve menging plaats.

Vanwege de hogere dichtheid verspreidt de koudepluim, ingeval van een koudevracht, zich voornamelijk langs de waterbodem. In lijnvormige watersystemen met stroming kan daarbij verwacht worden dat de koude zich overwegend in de lengterichting van de watergang verspreidt. De verspreiding over de breedte van de watergang (haaks op de stromingsrichting) hangt samen met de stroomsnelheid. In de lijnvormige watergangen met stroming zijn ecologische effecten vooral direct stroomafwaarts van het lozingspunt te verwachten.

Stroming en turbulentie, bijvoorbeeld door scheepvaart, kunnen zorgen voor een snelle menging, waardoor koude- en warmtepluimen minder sterk aanwezig zijn en snellere opwarming of afkoeling van het water plaatsvindt. In lijnvormige wateren met weinig tot geen doorstroming zal de koude of warmte zich, afhankelijk van de relatie tussen lozingsdebiet en dimensies van de watergang, in de lengte en breedte over de waterbodem verdelen. Door het (vrijwel) ontbreken van afvoer, kan de koude of warmte langdurig aanwezig blijven. Daardoor bestaat er in stilstaande systemen een grotere kans op negatieve ecologische effecten dan in watersystemen met stroming.

Artikel 3.256, derde lid, onder c – beoordelingsregel – een passende mengzone

De mengzone is het gebied waarin het temperatuurverschil met de achtergrondtemperatuur groter is dan de opgegeven grenswaarde. Het is afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam waar de activiteit gaat plaatsvinden wat de omvang van de mengzone zou moeten zijn om negatieve effecten op de waarde van het ecologisch watersysteem te voorkomen. Om te voorkomen dat koude- of warmtepluimen een thermische barrière voor migrerende vissen vormen, is het wenselijk dat de mengzone niet de gehele natte doorsnede van watergangen bestrijkt. Veel vis migreert langs de waterbodem. De diepere delen van watergangen zijn daarom van belang voor vismigratie. Juist in deze delen kan met name geloosde koude zich ophopen, zeker in watersystemen met weinig stroming. Zo zou voor watergangen waarin geen of weinig stroming van het water plaatsvindt de eis gesteld kunnen worden dat ter hoogte van het lozingspunt de mengzone een maximale lengte heeft van 500 meter en niet meer dan 50 % van de natte doorsnede van het oppervlaktewaterlichaam bestrijkt of indien dit niet mogelijk is, dat uit onderzoek is gebleken dat in de specifieke omstandigheden de activiteit niet leidt tot een barrièrewerking voor de vismigratie. Voor oppervlaktewateren, niet zijnde watergangen, waarin wel substantiële stroming van het water aanwezig is, zal een minder strenge eis gesteld kunnen worden. Het waterschap beoordeelt wat een passende mengzone is op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde rapportage.

Bij de verspreiding van koude- en warmtepluimen moet rekening gehouden worden met vier aspecten:

  • 1.

    momentum en blijven hangen van koude of warmte dicht bij het lozingspunt (‘near-field entrainment’);

  • 2.

    drijfvermogen van de koude- of warmtepluim;

  • 3.

    menging;

  • 4.

    opwarming of afkoeling op grotere afstand van het lozingspunt (‘far field’). Daarnaast moeten de kenmerken van het ontvangende water worden meegenomen:

  • mate van doorstroming;

  • mate van gelaagdheid;

  • aanwezigheid van getijde;

  • temperatuur en zoutgehalte.

Artikel 3.256, derde lid, onder d – beoordelingsregel – ondergrens en bovengrens temperatuur ontvangende oppervlaktewaterlichaam

De meeste koudelozingen zullen een maximale verlaging van de watertemperatuur met 3-6 ⁰C tot gevolg hebben, waarbij geen lozingen zullen mogen plaatsvinden in de wintermaanden maar vooral in de zomer. Voor koudelozingen in de periode mei-september, die starten bij een watertemperatuur van minimaal 15 ⁰C en waarbij de verlaging van de watertemperatuur in het voorjaar maximaal 3 ⁰C en in de zomer maximaal 6 ⁰C is aannemelijk dat deze hoogstwaarschijnlijk geen negatief effect zullen hebben op de ecologische waterkwaliteit. Uit onderzoek van STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) blijkt dat in kleine watergangen ecologische schade kan optreden als de watertemperatuur als gevolg van koudelozingen lager wordt dan 10 °C. Het is zeer afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam, de mate van doorstroming, het lozingsdebiet en de temperatuur van de koudelozing welke ondergrens gehanteerd kan worden voor deze activiteit. Dit moet blijken uit het door de initiatiefnemer te overleggen rapport. Hetzelfde geldt voor de bovengrens ingeval van een warmtelozing.

Toelichting op artikel 3.256, vierde lid

Artikel 3.256, vierde lid, onder a – specifieke uitvoeringsregel – ondergrens verlaging temperatuur van het oppervlaktewater

Op basis van het door de initiatiefnemer uitgevoerde onderzoek wordt een ondergrens bepaald voor de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam om de activiteit te kunnen uitvoeren. Het waterschap beoordeelt of dit een acceptabele ondergrens is. De door het waterschap in de vergunning opgenomen ondergrens is leidend voor de uitvoering van de activiteit.

Artikel 3.256, vierde lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – bovengrens verhoging temperatuur van het oppervlaktewater

Op basis van het door de initiatiefnemer uitgevoerde onderzoek wordt een bovengrens bepaald voor de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam om de activiteit te kunnen uitvoeren. Het waterschap beoordeelt of dit een acceptabele bovengrens is. De door het waterschap in de vergunning opgenomen bovengrens is leidend voor de uitvoering van de activiteit.

Artikel 3.256, vierde lid, onder c – specifieke uitvoeringsregel – toegankelijke bemonsteringsvoorziening

Met deze uitvoeringsregel beoogt het waterschap dat de initiatiefnemer bij het lozingspunt een bemonsteringsvoorziening plaatst die te allen tijde in ieder geval voor het waterschap toegankelijk is. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen hekwerken geplaatst mogen worden, omdat het waterschap daarmee gehinderd zou worden in het bemonsteren van het afvalwater.

Artikel 3.256, vierde lid, onder d – specifieke uitvoeringsregel – afvalwater dat overige stoffen en/of preparaten bevat

Indien de initiatiefnemer kennis heeft of het vermoeden heeft dat het afvalwater ook andere stoffen en/of preparaten bevat die mogelijk waterbezwaarlijk zijn, dan volgt hij de volgende procedure:

  • hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;

  • hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;

  • afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;

  • de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.

Toelichting op artikel 3.257: Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Artikel 3.257, aanhef en onder b – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – effecten op de waarde van het ecologisch watersysteem

De te verwachten effecten van de activiteit op de waterkwaliteit zijn klein, maar moeten wel onderzocht worden. Ecologische effecten zijn afhankelijk van meerdere variabelen. Zoals het type oppervlaktewaterlichaam, het lozingspunt in combinatie met het lozingsdebiet en de temperatuur van de koud- of warmwaterlozing. De initiatiefnemer is verplicht op eigen kosten een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de voorwaarden die gesteld kunnen worden om te voorkomen dat de waarde van het ecologische watersysteem door de activiteit wordt verminderd.

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op afdeling 3.5.2: Overige activiteiten

[Vervallen]

[Vervallen]

UU

Sectie 'Toelichting op paragraaf 3.5.2.1: Uitzetten en verplaatsen van vis' wordt verplaatst van sectie 'Toelichting op afdeling 3.5.2: Overige activiteiten' naar sectie 'Toelichting op titel 3.5: Activiteiten in oppervlaktewaterlichamen (fysisch-chemische/ecologische waterkwaliteit)'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op paragraaf 3.5.2.13.5.3: Uitzetten en verplaatsen van vis

In deze paragraaf zijn het uitzetten en verplaatsen van vis in en naar oppervlaktewaterlichamen in beheer van het waterschap geregeld. Deze regels ontslaan de initiatiefnemer niet van de verplichting om voor de uitzet van vis schriftelijke toestemming te verkrijgen van de visrechthebbende in de zin van artikel 17 van de Visserijwet.

Onder vis verstaat het waterschap hetzelfde als de Visserijwet. Ook schaal- en schelpdieren en hun kuit, broed en zaad vallen hieronder. Onder het uitzetten van vis wordt verstaan: het uitzetten van één of meerdere vissoorten in een oppervlaktewaterlichaam. Visuitzet heeft als primair doel de minimale omvang van een soort te herstellen. Vis kan onder meer worden uitgezet als sprake is geweest van vissterfte of als blijkt dat een soort zich niet duurzaam in stand kan houden. Visuitzet is subsidiair mogelijk als daartoe een kennelijke behoefte bestaat vanuit de sport- of beroepsvisserij. Onder verplaatsing van vis wordt verstaan: het verplaatsen van één of meerdere soorten van het ene oppervlaktewaterlichaam naar het andere oppervlaktewaterlichaam. Verplaatsing van vis vindt enkel plaats vanuit het oogpunt van het welzijn van de vis en heeft als doel om acute of verwachte schade aan de waarde van het ecologische watersysteem te voorkomen. Verplaatsing van vis kan acuut noodzakelijk zijn ingeval van visflauwte of kan noodzakelijk zijn ingeval van beoogde ingrepen in het watersysteem om te borgen dat één of meerdere soorten daar geen hinder van ondervinden.

De in oppervlaktewaterlichamen aanwezige vissen zijn het natuurlijke resultaat van de waterkwaliteit en fysieke inrichting van het watersysteem. Het waterschap streeft, als visstandbeheerder, naar een watersysteem dat zo veel mogelijk op een natuurlijke manier functioneert met een bijbehorende, natuurlijke visstand. Een goede, gezonde en evenwichtige visstand zou zichzelf in stand moeten kunnen houden. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat ze niet zomaar overgaan tot het uitzetten of verplaatsen van vis. Meldingen worden dan ook kritisch beoordeeld door het waterschap.

Uitzetting van vis is onder meer mogelijk in het geval van:

  • 1.

    Vissterfte

    Bij vissterfte wordt de uit te zetten vis zoveel mogelijk uitgezet in het oppervlaktewaterlichaam waar de gestorven vis is aangetroffen. Dit gebeurt pas als een eventueel aangetroffen oorzaak van de vissterfte is weggenomen. De hoeveelheid en samenstelling van de uit te zetten vis moeten zoveel mogelijk overeenkomen met het gestorven deel.

  • 2.

    Een vissoort die zich niet duurzaam in stand kan houden

    De populatie van een vissoort past zich normaal gesproken voortdurend aan de fysieke omstandigheden van het watersysteem aan. Een populatie heeft daarbij een minimale omvang nodig om in stand te blijven. De minimale omvang van een vissoort kan met behulp van de literatuur en aan de hand van monitoringsgegevens worden vastgesteld. Soms blijkt uit onderzoek dat een vissoort zichzelf niet in stand kan houden. Er worden dan ecologische maatregelen op maat getroffen zoals het creëren van een passend leefgebied en het opheffen van vismigratiebarrières. Als deze maatregelen op zichzelf niet voldoende zijn, kan het uitzetten van vis een goede oplossing zijn.

  • 3.

    Een inheemse vissoort die geherintroduceerd kan worden

    Herintroductie is het uitzetten van dieren met als doel populaties van soorten die zijn verdwenen, te herstellen. Het uitzetten (introductie) van uitheemse soorten valt niet onder herintroducties. Er zijn verscheidene criteria waaraan een soort wil voldoen om voor herintroductie in aanmerking te komen. Hierbij zijn de richtlijnen die in 1998 zijn uitgegeven en in 2013 (2013-009) geactualiseerd door de International Union for Conservation of Nature (IUCN) een leidraad. In ieder geval moet de oorzaak van het verdwijnen bekend en in voldoende mate weggenomen zijn voordat een herintroductie zinvol kan zijn. Een belangrijke overweging is ook of er een kans is op spontane terugkeer van de soort. Als dat het geval is, zal meestal niet tot herintroductie besloten worden. De genetische samenstelling van de populatie moet zoveel mogelijk overeenkomen met de verdwenen populatie.

  • 4.

    Kennelijke behoefte van de sport- en beroepsvisserij

    Het uitzetten van vis in het belang van de sport- en beroepsvisserij is in uitzonderlijke gevallen mogelijk.

Verplaatsing van vis is onder meer mogelijk in het geval van wijzigingen in de inrichting van het watersysteem: als oppervlaktewaterlichamen bijvoorbeeld worden gedempt of omgelegd, kan het nodig zijn om vissen te verplaatsen. De regels in deze paragraaf gelden dan naast de regels in de paragrafen over het dempen of aanleggen van nieuwe oppervlaktewateren en vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen.

Voor deze activiteit geldt een meldingsplicht, voor zover het gaat om het uitzetten of verplaatsen van vis die niet lijdt aan visflauwte. Voor het uitvoeren van de activiteit gelden algemene en specifieke uitvoeringsregels en specifieke zorgplichten. De specifieke zorgplichten beogen onder meer verslechtering en het afremmen van verbetering van de waterkwaliteit tegen te gaan.

Toelichting op artikel 3.259: Specifieke zorgplicht

Artikel 3.259, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – borgen doorstroming oppervlaktewater

Sommige schaal- en schelpdieren kunnen een probleem vormen voor de doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam en het functioneren van kunstwerken zoals inlaten. Initiatiefnemers moeten daarmee rekening houden.

Artikel 3.259, aanhef en onder c en d – specifieke zorgplichtoppervlaktewater moet hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie kunnen dragen

Twee belangrijke zorgplichten houden in dat het oppervlaktewater waarin de vis wordt uitgezet of waarnaar de vis wordt verplaatst, voldoende capaciteit c.q. draagkracht moet hebben om de hoeveelheid van de uit te zetten vis of de te verplaatsen vis en de samenstelling van de vispopulatie op te kunnen nemen. Met “samenstelling” wordt bedoeld de samenstelling van de vispopulatie naar lengte, levensstadium en gewicht van de soort.

Toelichting op artikel 3.260: Specifieke uitvoeringsregels

Artikel 3.260, aanhef en onder a, b en c – specifieke uitvoeringsregel – verplaatsing van vis met visflauwte

Visflauwte ontstaat door een zuurstoftekort in het water, veroorzaakt door bijvoorbeeld mestlozingen, langdurige ijsbedekking en riooloverstorten. Als vissen in het beheergebied ogenschijnlijk lijden aan visflauwte, dan is er sprake van een calamiteit en geldt er geen meldingsplicht voor de verplaatsing naar een ander oppervlaktewaterlichaam. Vissen die de verplaatsing niet overleven, worden door de initiatiefnemer (de waterbeheerder, de visrechthebbende of degene die namens de visrechthebbende handelt of het visrecht huurt) verwijderd. Voor de initiatiefnemer gelden enkel de zorgplichten. Daarnaast moet hij het waterschap zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van de calamiteit en het waterschap zoveel als mogelijk informeren over: de locatie, het tijdstip van de verplaatsing, de betreffende soort(en), de hoeveelheid en samenstelling daarvan. Dit kan telefonisch. Het waterschap is 24/7 telefonisch te bereiken via 050-304 8911.

Toelichting op artikel 3.261: Meldingsplicht

Toelichting op artikel 3.261, vierde lid

Artikel 3.261, vierde lid, onder a – specifieke uitvoeringsregel – uitzet– of verplaatsingsplan

Het waterschap kijkt bij de beoordeling van het uitzet- of verplaatsingsplan, monitoringsplan en de gezondheidsverklaring naar de effecten op het behalen van de waterkwaliteitsdoelen die gesteld worden in de Kaderrichtlijn Water (KRW), algemene ecologische parameters en waterkwantiteitsbeleid. Een uitzet- of verplaatsingsplan is gebaseerd op een door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd objectief en onafhankelijk onderzoek, waaruit blijkt dat de uitzet of verplaatsing geen negatieve gevolgen heeft voor met name de ecologische waarde van het watersysteem. Daarnaast bevat het uitzet- of verplaatsingsplan zoveel mogelijk informatie over de hoeveelheid, de herkomst van de uit te zetten of te verplaatsen vissoort(en) en de samenstelling van de vispopulatie. Het uitzet- of verplaatsingsplan dient voorafgaand aan de melding met het waterschap afgestemd te worden en door het waterschap goedgekeurd te worden. Het waterschap gaat in beginsel alleen akkoord met het uitzetten van inheemse of ingeburgerde vissoorten die voorkomen in het beheergebied van het waterschap (kolom 4). Inheemse vissoorten zijn vissoorten die van nature voorkomen (zie bijlage 4). Ingeburgerde vissoorten zijn soorten die zich al geruime tijd gevestigd hebben en niet schadelijk zijn voor de ecologische waarde van het watersysteem. Voor de uitzet van exoten en niet-ingeburgerde soorten kan het waterschap alleen akkoord geven op de uitzet wanneer er geen negatieve fysisch-chemische en ecologische gevolgen kunnen ontstaan. Voor het uitzetten van exoten moet daarnaast de provincie toestemming afgeven. De provincie is namelijk op grond van de Wet natuurbescherming verantwoordelijk voor het exotenbeheer. Bij uitzet ten behoeve van herintroductie van een verdwenen vissoort worden de IUCN (International Union for Conservation of Nature)-richtlijnen voor uitzet gehanteerd. Voor de uitzet van karper (Cyprinus carpio) vormen de landelijke richtlijnen voor karperuitzet een leidraad om het uitzetplan te beoordelen.

Artikel 3.261, vierde lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – monitoringsplan

Het monitoringsplan geeft aan op welke wijze de initiatiefnemer de uit te zetten of de te verplaatsen vis voor een bepaalde periode gaat monitoren, waarbij met name gekeken wordt naar de effecten op de ecologische toestand van het watersysteem. Het monitoringsplan dient ook voorafgaand aan de melding met het waterschap afgestemd te worden en door het waterschap te worden goedgekeurd.

Artikel 3.261, vierde lid, onder c – specifieke uitvoeringsregel – gezondheidsverklaring

Het waterschap vraagt om een gezondheidsverklaring van de uit te zetten vissen om te voorkomen dat ze als gevolg van de uitzet ziek worden en mogelijk andere vissen ziek maken. De gezondheidsverklaring is een verklaring van de initiatiefnemer waarin hij of zij verklaart dat de uit te zetten vis geen (besmettelijke) ziektes bij zich draagt.

Als de uitzet of verplaatsing van vis leidt tot negatieve effecten voor het watersysteem, kan het waterschap de initiatiefnemer opdragen het uitzet- of verplaatsingsplan bij te stellen of de uitzet of verplaatsing te stoppen. Kosten als gevolg van vissterfte als blijkt dat de vis bij uitzet reeds ongezond was, kunnen op de initiatiefnemer worden verhaald.

Artikel 3.261, vierde lid, onder d – specifieke uitvoeringsregel – duurzaam verkregen

De uit te zetten vis moet duurzaam verkregen zijn. Dit houdt in dat de vis afkomstig is van een duurzame viskwekerij overeenkomstig bedrijfsmiddelcode F2410 van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) of dat de soort is onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam waarbij geen afbreuk is gedaan aan de instandhouding van die soort in dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.261, vierde lid, onder e – specifieke uitvoeringsregelinformatieplicht bij herhaaldelijk uitzetten of verplaatsen

Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat, ingeval van herhaaldelijk uitzetten of verplaatsen van vis, elke feitelijke uitzetting of verplaatsing van vis, tenminste 48 uur van tevoren, moet worden afgestemd met het waterschap. Dit kan schriftelijk, per e-mail via info@noorderzijlvest.nl of telefonisch. Het waterschap is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij de datum, het tijdstip en de locatie van de uitzetting of verplaatsing doorgeeft aan het waterschap. Wanneer de initiatiefnemer in afwijking van het uitzet- of verplaatsingsplan vis wil gaan uitzetten of verplaatsen, dient hij opnieuw goedkeuring te verkrijgen op het uitzet- of verplaatsplan en een melding te doen overeenkomstig de regels uit deze paragraaf.

Toelichting op artikel 3.262: Specifieke meldingsvereisten

Artikel 3.262, aanhef en onder a en b – specifiek meldingsvereiste – eenmalig of bij herhaling uitzetten of verplaatsen van vis en de data voor het herhaaldelijk uitzetten of verplaatsen

De vereiste gegevens geven in samenhang met de overige gegevens die worden aangeleverd enig inzicht in de omvang van de activiteit en het aantal momenten waarop het watersysteem in bepaalde periodes een nieuwe hoeveelheid uit te zetten of te verplaatsen vis in ontvangst neemt. Op basis hiervan kan het waterschap bijvoorbeeld een maatwerkvoorschrift opleggen.

VV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 3.6: Activiteiten in en op zuiveringtechnische werken

WW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 4.1: Toezicht

XX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 4.2: Handhaving

YY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 5.1: Overgangsbepalingen

ZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.1: ALGEMENE BEPALINGEN

AAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op titelafdeling 1.2: LOZINGSACTIVITEITEN OP EEN OPPERVLAKTEWATERLICHAAM OF EEN ZUIVERINGTECHNISCH WERK

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting op artikel 1.2: Toepassingsbereik

Deze titelafdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in deze titelafdeling zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.

Naar boven