Waterschapsblad van Waterschap De Dommel

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Waterschap De DommelWaterschapsblad 2018, 12592Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel houdende herziening algemene regels Tweede partiële herziening Algemene regels Waterschap De Dommel

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing om de regeling te consolideren op overheid.nl. De oorspronkelijke bekendmaking is op 24-12-2018 beschikbaar via Waterschapsblad 2018, 12591]

 

Algemeen

1. Inleiding

Op grond van hoofdstuk 3 van de Keur, is het verboden zonder vergunning iets te doen dat verboden is in dit hoofdstuk. Op grond van artikel 1.4 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regels is hiervan gebruik gemaakt.

 

Opbouw van de Algemene regels

In deze algemene regels wordt onder het kopje criteria aangegeven wanneer de algemene regel geldt. Onder het kopje voorschriften wordt vervolgens aangegeven waaraan voldaan moet worden bij toepassing van de algemene regel. Daar waar de mogelijkheid bestaat maatwerkvoorschriften te stellen is dit aangegeven volgend op de voorschriften. Indien er sprake is van een meldplicht dan wel mededelingsplicht is dit in de algemene regel afzonderlijk aangegeven. Tenslotte is onder het kopje toelichting de vrijstelling gemotiveerd en verder uitgewerkt. Ook zijn hier de begrippen, naast de begrippen uit de Keur, die in deze algemene regels onveranderd van kracht blijven, per algemene regel specifiek toegelicht.

 

Privaatrechtelijke toestemming

De toepassing van de algemene regels staat los van de privaatrechtelijke toestemming die benodigd is om gebruik te maken van eigendommen van het waterschap.

 

Wat melden

Per activiteit is afgewogen of een melding nodig is. Alleen bij bepaalde activiteiten is er daarom een meldplicht of mededelingsplicht opgenomen. In de melding wordt beschreven wat initiatiefnemer gaat doen, hoe het werk wordt uitgevoerd en wanneer het wordt uitgevoerd. De gegevens zijn altijd nodig. Ze worden gebruikt om te toetsen of maatwerkvoorschriften nodig zijn. In de meeste gevallen zal dit niet nodig zijn, maar in sommige gevallen kan het waterschap met aanvullende eisen komen om wateroverlast of –schaarste te voorkomen.

 

Leeswijzer

De algemene regels zijn per activiteit en/of soort werk beschreven en zijn opgebouwd uit verschillende onderdelen welke tezamen de algemene regel vormen. Er kunnen verschillende algemene regels van toepassing zijn op een werk en/of activiteit.

 

Het is ook mogelijk dat voor één of meerdere onderdelen van het werk en/of activiteit ook een watervergunning dient te worden aangevraagd. Voor een werk en/of activiteit in of nabij een oppervlaktewater is dan ook altijd de Keur, algemene regels, beleidsregels en legger relevant.

2. Overgangsrecht

Indien activiteiten direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een vergunning krachtens artikel 3.1 van de Keur is verleend, worden de voorschriften van die vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 1.4, vierde lid, van de Keur.

3. Bijkomende tijdelijke werken en werkzaamheden in b-wateren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3 van de Keur voor bijkomende werken en werkzaamheden in b- wateren voor zover deze niet langer dan 2 weken duren en nodig zijn voor het realiseren van activiteiten die genoemd zijn in de algemene regels Keur.

 

2. Voorschriften

  • 1.

    De waterafvoer van de aangrenzende/omliggende percelen moet te allen tijde gewaarborgd blijven, en

  • 2.

    Alle materialen die vrijkomen bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden moeten verwijderd worden.

3. Toelichting

Motivering

Onder dit artikel wordt vrijstelling gegeven voor tijdelijke werkzaamheden van geringe omvang die nodig zijn om andere algemene regels te kunnen uitvoeren. Een voorbeeld hiervan is het tijdelijk afdammen van een watergang om een dam met duiker aan te kunnen leggen.

De algemene regel geldt ook voor b-wateren die in de beschermingszone van de keringen liggen.

Oppervlaktewaterlichamen

4. Activiteiten en werken in en nabij c-wateren

1. Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor handelingen en werken in c-wateren, met uitzondering van het verwijderen van peil regulerende werken binnen de beschermde gebieden Keur

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het geheel of gedeeltelijk dempen van c-wateren.

  • 3.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen, verbreden en/of verdiepen van c-wateren, voor zover:

    • a.

      deze handeling plaatsvindt in overig gebied, en

    • b.

      door het graven geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken, en

    • c.

      deze niet plaatsvindt in een beschermingszone.

  • 4.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen van een poel in beschermd gebied Keur voor zover:

    • a.

      de poel een oppervlakte heeft van max. 5.000 m², en;

    • b.

      de poel niet dieper is dan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) en max. 1,20 meter diep, en;

    • c.

      de poel een taludhelling heeft van: aan de noordzijde minimaal 1:5; overige taludhellingen minimaal 1:3.

2. Toelichting

Begripsbepaling

Overig gebied: gebied niet aangewezen als beschermd op de Keurkaarten

 

Beschermd gebied Keur: gebied zoals aangewezen op de Keurkaarten, waaronder begrepen beschermde gebieden, attentiegebieden, wijstgronden, beperkt beschermde gebieden en beekdalen.

 

Poel: een relatief klein oppervlakte water met een natuurdoelstelling, in hoofdzaak een ecologische functie ten behoeve van amfibieën. Een poel als geïsoleerd water heeft weinig invloed op de waterhuishouding als geheel. Het maximale oppervlak wordt bepaald van insteek tot insteek.

 

Motivering

Het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een werk in een c-water heeft een zeer gering effect op de waterhuishouding. Daarom is voor het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een zodanig werk geen vergunning op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur vereist, en hoeft ook geen melding te worden gedaan. Het aanleggen, verbreden of verdiepen van een C-watergang kan echter wel dermate hydrologische effecten tot gevolg hebben dat de afvoernorm wijzigt. Dit kan invloed hebben op de categorisering in de legger. Het kan zijn dat sprake is van de aanleg van een b- of zelfs a-watergang. Dit is mogelijk vergunningplichtig. De legger zal hier ook op aangepast worden.

 

Dit artikel is niet van toepassing op waterkeringen en bijbehorende beschermingszones A en B.

 

Daar komt bij dat niet alleen de Keur regels stelt. Iemand die een c-water aanlegt, wijzigt, dempt of heeft, heeft ook te maken met het Burgerlijk Wetboek, en dan vooral met het burenrecht. Burenrecht gaat over de bevoegdheden en verplichtingen van eigenaren van naburige erven, buren dus. Het burenrecht kent een aantal regels over water en waterlopen. Zo moeten bv lagere erven het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt. Een andere regel is dat buren niet in een mate of op een wijze veranderingen mogen aanbrengen in een waterloop, wanneer dit een onrechtmatige daad tot gevolg heeft. Dat wil zeggen een inbreuk op een recht die schade veroorzaakt en die schade toerekenbaar is aan de veroorzaker. In dat geval kan degene die schade meent te lijden door het handelen van de buren, de burgerlijke rechter verzoeken die buren te verplichten om bv de aangebrachte verandering in de waterloop ongedaan te maken, of om een schadevergoeding te betalen.

 

De aanleg van poelen komt frequent voor in het beheergebied van het waterschap. Het accent ligt hierbij op de natuurfunctie. Een poel als geïsoleerd water heeft weinig invloed op de waterhuishouding als geheel. Om die reden wordt, onder bepaalde voorwaarden, vrijstelling verleend voor de aanleg van poelen.

4A. Gewoon onderhoud aan c-wateren en (kunst)werken in c-wateren

1. Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het gebod, bedoeld in artikel 2.3 van de Keur, tot het onderhouden van c-wateren.

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het gebod, bedoeld in artikel 2.4, derde lid van de Keur, tot het onderhouden van kunstwerken en werken in, op, aan, onder of boven c-wateren.

2. Toelichting

Motivering

C-wateren hebben een zeer gering effect op de waterhuishouding. Activiteiten en werken in en nabij c-wateren zijn daarom vrijgesteld in algemene regel 4. Het verrichten van onderhoud aan c-wateren en (kunst)werken in c-wateren is, parallel aan algemene regel 4, nu ook vrijgesteld.

Deze vrijstelling houdt in dat het waterschap geen algemeen belang ziet in het laten verwijderen van begroeiing en afval uit c-wateren, het laten herstellen van beschadigingen aan oevers en het onderhouden van begroeiingen in c-wateren en het in goede staat van onderhoud houden van (kunst)werken in, op, aan, onder of boven c-wateren.

Gespiegeld hieraan kunnen derden hiervoor geen beroep meer doen op het waterschap. Eventuele geschillen over onderhoud moeten tussen derden onderling worden opgelost ook als er sprake is van schade door wateroverlast.

5. Kortdurende activiteiten en werken in en nabij wateren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor tijdelijke activiteiten en werken in en nabijwateren en daarbij behorende beschermingszones, indien en voor zover: deze werken voor de duur van ten hoogste één week aanwezig zijn.

 

Voorschriften

  • 1.

    Degene die werken maakt als bedoeld in het eerste artikel brengt na uitvoering daarvan het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone terug in de staat zoals deze voor uitvoering van de activiteiten en/of werken aanwezig was, en

  • 2.

    De waterafvoer van de aangrenzende/omliggende percelen moet te allen tijde gewaarborgd blijven, en

  • 3.

    Alle materialen die vrijkomen bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden moeten verwijderd worden, en

  • 4.

    Het bestuur kan aanwijzing geven ten aanzien van uitvoering en locatie van de werken als bedoeld in het eerste artikel.

3. Melding

Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste artikel, waarbij de activiteit langer duurt dan 1 uur, meldt dit ten minste acht weken voor aanvang aan het bestuur.

 

4. Toelichting

Motivering

Dit artikel bevat algemene regels voor kortdurende activiteiten in of langs wateren. Deze activiteiten kunnen, naast tijdelijke werken, ook bestaan uit ‘evenementen’ in of langs het water. Het waterschap heeft daartegen geen bezwaar gezien het beperkte effect op de watergang en de bijbehorende doelstellingen van de watergang. Hierbij is het wel van belang dat de watergang en de beschermingszones na afloop in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht.

 

In verband met doelmatig beheer en onderhoud is een meldplicht opgenomen. Indien het noodzakelijk is kan het waterschap aanwijzingen geven ten aanzien van de uitvoering en locatie van de werken. Hiermee wordt eventueel negatief effect op de watergang en de daarbij behorende doelstellingen beperkt. Het waterschap zal de initiatiefnemer naar aanleiding van een melding tevens nader informeren over eventuele veiligheidsaspecten (met name in het geval van een evenement).

 

Onder een vaarevenement wordt verstaan iedere vorm van georganiseerde groepsactiviteit waarbij gebruik gemaakt wordt van één of meerdere vaartuigen, vlotten of drijvende voorwerpen, zowel eenmalig als wederkerend van aard. Varen met bijvoorbeeld een roeiboot of een kano wordt door dit artikel niet verboden. In die gevallen waar het wenselijk is varen geheel te verbieden, kan dat verboden worden door het nemen van een verkeersbesluit op grond van de Scheepvaartverkeerswet. Hieronder wordt kort uitgelegd hoe de bevoegdheidsverdeling is geregeld.

 

Het waterschap is bevoegd regels te stellen in het belang van het waterbeheer; dat doet het waterschap in de Keur en in deze algemene regels. Daarnaast kan het waterschap op grond van de Scheepvaartverkeerswet regels stellen voor wateren die tevens scheepvaartwegen zijn in de zin van de Scheepvaartverkeerswet. Die regels zien niet op het waterbeheer maar bijvoorbeeld op de instandhouding van de vaarweg als verkeersroute, de bescherming van de waterhuishouding, de oevers en waterkeringen en op de bescherming van in of boven de vaarweg aanwezig werken tegen schade door scheepvaart.

 

De bevoegdheden van het waterschap ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de bevoegdheid als waterbeheerder kunnen elkaar op dit punt overlappen. Bij strijdigheid prevaleert de Scheepvaartverkeerswet.

 

Een aantal oppervlaktewaterlichamen heeft naast een functie voor de water aan- en afvoer ook een scheepvaartfunctie. Met betrekking tot scheepvaart moet onderscheiden worden: het vaarwegbeheer en het nautisch beheer.

 

Vaarwegbeheer: Onder vaarwegbeheer wordt verstaan: de aanleg en het in stand houden van de infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor gebruik van het water door de scheepvaart. In de Verordening Water Noord-Brabant heeft de provincie het waterschap belast met het vaarwegbeheer over de daarin opgenomen vaarwegen.

 

Nautisch beheer: Nautisch beheer is het reguleren van het scheepvaartverkeer op basis van de Scheepvaartverkeerswet. De Scheepvaarverkeerswet en het daarop gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement regelen het verkeer op vaarwegen. De nautisch beheerder is bevoegd regels te stellen.

De aanwijzingen zoals vermeld in lid 2 van deze algemene regel kunnen derhalve ook betrekking hebben op scheepvaartaspecten (veiligheid, geen belemmering, etc.).

6. Profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, derde lid van de Keur voor het plaatsen, wijzigen of behouden van werken binnen het profiel van vrije ruimte, voor zover deze werken eenvoudig ongedaan te maken zijn of het werkzaamheden betreft aan een bestaand object en dat daardoor niet in vorm en afmeting verandert

 

2. Voorschriften

Degene die werken plaatst, wijzigt of behoudt als bedoeld in het eerste artikel, verwijdert deze op eigen kosten op eerste aanzegging door of namens het bestuur.

 

3. Toelichting

 

Motivering

Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die het uit te voeren beekherstel ernstig belemmeren of onmogelijk maken.

Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.

 

De vrijstelling is slechts van toepassing voor ingrepen die eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone.

Als een werk eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt bijvoorbeeld het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

 

In ieder geval worden de volgende werken niet aangemerkt als eenvoudig ongedaan te maken:

  • -

    nutsleidingen;

  • -

    bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten;

  • -

    infrastructurele werken.

Dergelijke werken vallen dan ook niet onder de vrijstelling.

 

Op het moment dat het waterschap beekherstel gaat uitvoeren, zal de eigenaar van de werken verplicht worden om de werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.

7. Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 3.1 eerste lid voor het aanleggen en behouden en verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of een overhangend bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

  • 1.

    het een b-water betreft, of;

  • 2.

    het een a-water betreft dat:

    • a.

      geen vaarweg is, en

    • b.

      waarvan het onderhoud van de betrokken oppervlaktewaterlichamen blijkens de legger uitsluitend vanaf het water gebeurt, en

    • c.

      geen vastgestelde ecologische functie heeft, en

      • d.

        het werk vrijstaand is en niet rust op – of geen steun vindt aan - oeverwerken, schanskorven, beschoeiing en dergelijke.

2. Voorschriften

  • 1.

    De steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in a –en b-water, mag geen belemmering veroorzaken van de waterafvoer.

  • 2.

    T.a.v. de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in a-water, zoals genoemd in lid 2 geldt tevens:

    • a.

      De steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk belemmeren het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet, en

    • b.

      onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en (dierlijk) afval , en

    • c.

      de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk verkeert voortdurend in goede staat van onderhoud, en

    • d.

      Ter ondersteuning van de steiger of vlonder, boothelling boven het oppervlaktewaterlichaam mogen alleen palen in het oppervlaktewaterlichaam aangebracht zijn, waarbij ten hoogste één paal per strekkende meter is aangebracht, en

    • e.

      er is een minimale doorvaarbreedte gewaarborgd van 3,50 meter in het midden van het oppervlaktewaterlichaam, en

    • f.

      de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is ten behoeve van groot onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk op aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur, door de eigenaar/gebruiker verwijderd.

  • 3.

    De steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk die niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeerd, wordt terstond verwijderd.

  • 4.

    Wanneer steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is verwijderd wordt het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam vloeiend aangesloten. De taludbegroeiing wordt eveneens hersteld.

3. Toelichting

Begripsbepaling

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst.

 

Steiger: constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel.

 

Vastgestelde ecologische functie: Vastgestelde ecologische functies zijn aangegeven in de bijbehorende kaarten van het Waterbeheerplan en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

 

Vlonder: constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam.

 

Motivering

Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Voorafgaand aan plaatsing van het werk is het aan te raden contact op te nemen met het waterschap. De algemene regel geeft geen toestemming voor het aangemeerd hebben liggen van boten.

8. Bruggen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 3.1 eerste lid voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug voor zover deze:

  • a.

    Wordt aangelegd in een b-water met een maximale breedte van de brug van 15 meter;

  • b.

    Wordt verwijderd indien deze brug enkel ten behoeve van eigen gebruik functioneert.

  • c.

     

2. Voorschriften

  • 1.

    Degene die een brug aanlegtof behoudt als bedoeld in artikel 1a:

    • a.

      Plaatst de pijlers van de brug niet in het oppervlaktewaterlichaam, en

    • b.

      Tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden, en

    • c.

      Belemmert de waterdoorvoer niet.

  • 2.

    Degene die een brug verwijdert als bedoeld in artikel 1b, zorgt ervoor dat:

    • a.

      het profiel van het oppervlaktewaterlichaam is hersteld door vloeiend aan te sluiten op het bestaande talud beneden- en bovenstrooms, en

    • b.

      de nieuwe taluds zijn ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden is eerst een laag teelaarde aangebracht, en

    • d.

      eventuele verzakkingen zijn hersteld.

3. Toelichting

Begripsbepaling

Brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam.

 

Motivering

Het aanbrengen van bruggen over de b-water betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk.

 

De algemene regel is niet van toepassing op waterkeringen en bijbehorende beschermingszones A en B.

 

De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van bruggen in a-wateren blijft maatwerk noodzakelijk. Het aanbrengen van een brug in een dergelijk oppervlaktewaterlichaam valt dan ook niet onder deze algemene regel.

 

9. Peilregulerende werken

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend voor het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een peilregulerend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

  • 1.

    Het peilregulerend werk wordt aangelegd of behouden in b-wateren, en

    • a.

      het peilregulerend werk wordt verwijderd uit een b water in overig gebied, en

  • 2.

     

  • 3.

    Het peilregulerend werk in overeenstemming met belanghebbenden wordt aangelegd, beheerd of verwijderd.

     

2. Voorschriften

  • 1.

    het watersysteem blijft binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit voldoen, en

  • 2.

    degene die een peilregulerend werk aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1 zorgt ervoor dat de aan- en afvoer van water bij een hoge belasting van het watersysteem wordt gewaarborgd.

     

3. Toelichting

Overig gebied: gebied niet aangewezen als beschermd op de Keurkaarten

 

Motivering

Het plaatsen en behouden van een peilregulerend werk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

10. Dam met duiker

1. Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, geheel of gedeeltelijk verwijderen of behouden van een dam met duiker, voor zover:

    • a.

      deze wordt aangelegd verlengd, verwijderd, of behouden in een b-water, en;

    • b.

      deze wordt aangelegd op een afstand van minimaal 5 meter van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, en;

    • c.

      deze een buislengte heeft van ten hoogste 15 meter per perceelszijde en deze aantoonbaar noodzakelijk is voor de perceelsontsluiting, en;

    • d.

      deze voldoet aan de volgende maatvoeringen:

      • *

        inwendige diameter duiker minimaal 0,30 meter, en

      • *

        binnenonderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens art. 2.4 van de keur, en

      • *

        wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen of behouden van een extra dam met duiker per perceelszijde in een b-water voor zover:

    • a.

      deze verplicht is op basis van wet- of regelgeving, ofhet perceel voor meer dan 100 meter grenst aan de watergang, en;

    • b.

      deze wordt aangelegd of behouden op een afstand van minimaal 5 meter van een bestaande dam met duiker of van een ander (kunst)werk, en;

    • c.

      deze een buislengte heeft van ten hoogste 15 meter, en;

    • d.

      deze voldoet aan de volgende maatvoeringen:

      • *

        inwendige diameter duiker minimaal 0,30 meter, en

      • *

        binnenonderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens art. 2.4 van de keur, en

      • *

        wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 3.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het verwijderen van duikers uit een a-water enkel ten behoeve van eigen gebruik.

2. Voorschriften

Degene die een dam met duiker verwijdert als bedoeld in lid 3, zorgt ervoor dat:

  • c.

    het profiel van het oppervlaktewaterlichaam is hersteld door vloeiend aan te sluiten op het bestaande talud beneden- en bovenstrooms, en

  • d.

    de nieuwe taluds zijn ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden is eerst een laag teelaarde aangebracht, en

  • e.

    eventuele verzakkingen zijn hersteld.

 

3. Mededeling

Degene die een dam met duiker uit een a-water verwijdert, zoals bedoeld in lid 3, deelt dit ten minste een week voor aanvang mede aan het bestuur.

 

4. Toelichting

Motivering

Het aanleggen, behouden of verwijderen en het verlengen van een dam met duiker in b -wateren betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duiker. Om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen, worden er voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker, en het aantal dammen met duikers per perceel.

 

Wanneer het oppervlaktewaterlichaam waarin een dam met duiker wordt geplaatst, verlengd (gedeeltelijk) of vervangen wordt, niet in eigendom is van de initiatiefnemer, dient meestal privaatrechtelijk toestemming te worden gekregen van de eigenaar van deze percelen. Wanneer een dam met duiker wordt aangelegd of verlengd ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gekregen van de wegbeheerder.

 

Het toestaan van een tweede duiker komt voort uit het voldoen aan onder andere bedrijfshygiënische voorschriften.

 

Het verwijderen van een duiker in een a-water ten behoeve van eigen perceelsontsluiting heeft slechts geringe gevolgen voor het watersysteem. Daarom zijn deze werkzaamheden in een algemene regel opgenomen. Een mededeling wordt verplicht gesteld om de legger op orde te houden.

11. Drainage

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.8 van de Keur, om zonder vergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen buiten de beschermde gebieden Keur.

 

2. Voorschriften

Degene die werken als bedoeld in het eerste lid aanlegt, behoudt of verwijdert voldoet aan de voorschriften volgens de algemene regel voor “Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen”

 

3. Toelichting

Begripsbepaling

Beschermde gebieden Keur: gebied zoals aangewezen op de Keurkaarten waaronder bijvoorbeeld attentiegebieden, wijstgronden, beschermde gebieden.

 

Motivering

Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg, behoud en verwijdering van (peilgestuurde) drainage. Deze algemene regel is niet van toepassing op drainage binnen de beschermde gebieden Keur (o.a. attentiegebied en beschermd gebied waterhuishouding) omdat deze gebieden beschermd dienen te worden tegen verdroging. Het gaat hierbij om de ligging van de drainage en niet om de ligging van de uitmonding.

 

De algemene regel voor “Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen” heeft ook betrekking op het aanleggen van drainage. Omdat die moeten worden aangebracht om het drainagewater te kunnen lozen in een oppervlaktewaterlichaam.

 

Bij voorkeur worden de drainagesystemen zodanig aangelegd dat de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd, zodat een bepaald grondwaterpeil kan worden gerealiseerd, dat wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden.

Als er in de ontvangstput een pomp wordt geplaatst die peilregulerend werkt, is sprake van onderbemaling . Indien de pomp alleen zorgt voor een deugdelijke afwatering, zonder dat er een peilregulering van het drainagesysteem wordt bewerkstelligd, is sprake van drainage.

 

Zowel het draineren als het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen zijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels.

12. Brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.7 van de Keur voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur.

 

2. Voorschriften

Degene die water brengt in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    De waterloop kan de hoeveelheid water verwerken,

  • b.

    De activiteit veroorzaakt geen overlast.

3. Maatwerk

Ten aanzien van lozingen van meer dan 50 m3 per uur, kan het waterschap conform artikel 1.4, vierde lid maatwerkvoorschriften stellen.

 

4. Melding

Degene die meer dan 50 m3 per uur water in een oppervlaktewaterlichaam brengt, meldt dit ten minste vier weken voor aanvang aan het bestuur.

 

5. Toelichting

Motivering

Dit artikel bevat algemene regels voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam.

Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en, bijvoorbeeld in de agrarische sector, een veel voorkomende handeling waarvoor een permanente lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Voor de lozingsconstructie geldt algemene regel 14. Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen

 

Het brengen van meer dan 50 m3 per uur in een oppervlaktewaterlichaam, kan problemen geven in de waterafvoer van het water. Hierdoor is het mogelijk dat er wateroverlast ontstaat. Daarom is in de algemene regel een meldplicht opgenomen met een maatwerkbevoegdheid. Daar waar de watergang mogelijk problemen kan ondervinden door de lozing, kan het waterschap hier extra randvoorwaarden stellen in een dergelijk maatwerkvoorschrift.

 

Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel 15 Versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak.

 

13. Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.7 van de Keur voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur.

 

2. Toelichting

Motivering

Dit artikel bevat algemene regels voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent onttrekkingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Voor het onttrekkingswerk geldt algemene regel 14. Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen

Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 3.13, eerste lid van de Keur een onttrekkingsverbod instellen. Dit verbod geldt ook voor de onttrekkingen die onder deze algemene regel vallen.

14. Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het aanleggen, verwijderen of behouden van lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij a- en b-wateren.

 

2. Voorschriften

  • 1.

    Werken in a-wateren als bedoeld in de criteria , moeten zodanig worden aangebracht, dat het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt en geen aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt.

 

  • 2.

    Werken als bedoeld in de criteria, mogen het doorstroomprofiel niet belemmeren.

 

  • 3.

    Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de lozingsconstructies in a-wateren, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk in het talud, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

 

3. Mededeling

Degene die een lozingsconstructies en onttrekkingswerken aanlegt als bedoeld in artikel 1 in

a-wateren deelt dit tenminste 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het bestuur.

 

4. Toelichting

Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en langs oppervlaktewaterlichamen kunnen belemmerend werken voor onderhoud. Met deze algemene regel wordt een uniforme regeling geboden voor dergelijke werken. Deze moeten zodanig worden aangebracht dat hierdoor het onderhoud aan het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet belemmerd wordt of handelingen leiden tot schade aan taluds en/of waterbodem.

 

In het geval van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuizen in oppervlaktewaterlichamen kan aan het volgende worden gedacht (niet-limitatief):

  • *

    de uitmondingen van de drainagebuizen moeten zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden;

  • *

    het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de drainagebuizen moet beschermd worden door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten;

  • *

    deze uitloopgoten moeten minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden;

  • *

    (drainage)buizen moeten worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang;

  • *

    na het aanbrengen van het waterlozingspunt moet de onderhoudsstrook goed geëgaliseerd zijn en vrij van (overige) obstakels.

  • *

    Voor onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen gelden dezelfde uitgangspunten ten aanzien van de daarvoor benodigde werken;

  • *

    Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming, deze taludbescherming reikt minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam, bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner is de taludbescherming aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig; de taludbescherming strekt in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening;

 

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap effectief toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden bij a-wateren. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

 

15. Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

 

  • a.

    de waterparagraaf van het bestemmingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of;

 

Als niet wordt voldaan aan het gestelde onder lid a dan geldt de in de aanhef genoemde vrijstelling voor zover:

 

  • b.

    Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;

  • c.

    De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of;

  • d.

    De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

  • e.

    De toename van verhard oppervlak groter dan 2.000 m² tot en met 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel:

     

    benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)

    De voorziening voldoet aan de volgende eisen:

    • i.

      De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);

    • ii.

      De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

    • iii.

      Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

2. Toelichting

 

Begripsbepaling

Verhard oppervlak: Al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt naar een oppervlaktewater dan in de huidige situatie zonder verharding

Toename: Een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak. Vervangende nieuwbouw wordt niet beschouwd als toename verhard oppervlak.

 

Afkoppelen verhard oppervlak: Onder afkoppelen van verhard oppervlak wordt verstaan het onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie. In plaats daarvan wordt het hemelwater via infiltratie in de bodem of via afstroming of via hemelwaterriolering naar het oppervlaktewater afgevoerd.

 

Groen dak: dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie.

 

Gevoeligheidsfactor: nominale waarde die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt, zie kaart gevoeligheid piekafvoeren Bijlage 1 van de algemene regels.

 

0,06: is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.

 

Voorziening: Een voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. In de voorziening wordt water tijdelijk geborgen en/of geïnfiltreerd in de bodem.

 

Motivering

Het waterschap stelt criteria vast waarin is opgenomen in welke gevallen versnelde afvoer van hemelwater door toename van verhard oppervlak van compenserende maatregelen moet worden voorzien. Daarmee wordt de toename van piekafvoeren op het oppervlaktewatersysteem beperkt. Indien de compensatie voldoet aan deze criteria, is een vergunning niet noodzakelijk.

Vanuit de schaalgrootte van het waterschap is het verantwoord om de criteria uit de algemene regels te hanteren. Vanuit de gemeente kan het meerwaarde hebben om hier andere eisen aan te stellen.

Het waterschap hecht er aan dat waterbelangen zo vroeg mogelijk in bestemmingsplannen worden meegenomen. Om dat te stimuleren is een vrijstelling verantwoord daar waar de (maatregelen in) waterparagrafen van bestemmingsplannen van na 1 januari 2019 zodanig concreet zijn dat ze getoetst kunnen worden aan de richtlijnen voor een waterhuishoudkundig plan (zoals benoemd in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater’).

16. Kabels en leidingen in en nabij a-wateren en b-wateren

1. Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanleggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen onder, boven of langs b-wateren.

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het aanleggen en behouden van kabels en leidingen onder of langs a-wateren en in de daarbij behorende beschermingszone, indien de kabels en leidingen:

    • a.

      niet worden aangelegd of behouden in het profiel van vrije ruimte;

    • b.

      haaks op de watergang worden gelegd, dient de afstand te zijn:

      • -

        minimaal 1 meter onder de waterbodem, of

      • -

        minimaal 2 meter onder de waterbodem bij een watergang waar beschoeiing aanwezig is, of

      • -

        minimaal 2,5 meter onder de waterbodem van een vaarweg, en

      • -

        minimaal 1 meter, gemeten haaks op het taludvlak, en

      • -

        minimaal 1 meter onder de beschermingszone, en

      • -

        minimaal 1 meter onder een ondersteunend kunstwerk;

    • c.

      parallel aan de watergang op ten minste 1 meter afstand horizontaal en verticaal gemeten uit de insteek worden gelegd.

  • 3.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het verwijderen van kabels en leidingen onder of langs a-wateren en in de daarbij behorende beschermingszone, indien de waterafvoer ter plaatse te allen tijde gewaarborgd blijft.

  • 4.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het aanleggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen over a-wateren en de daarbij behorende beschermingszone, indien de kabels en leidingen:

    • a.

      bevestigd zijn aan, dan wel samenvallen met bestaande bruggen of stuwen over het oppervlaktewaterlichaam, of

    • b.

      bij andere ondersteunende kunstwerken dan bedoeld in vorig lid, worden aangelegd met een minimale afstand van 0,30 meter tussen ondersteunend kunstwerk en kabel of leiding en er bij een kabel een overlengte is van minimaal 1 meter, in de vorm van een lus.

2. Voorschriften

  • a.

    Degene die een kabel of leiding aanlegt als bedoeld in het tweede lid onder b, voert de kruising uit door middel van een gestuurde persing of boring.

  • b.

    De kabel of leiding onder een beschermingszone bezit voldoende draagkracht voor het dragen van machines ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam.

  • c.

    Degene die een kabel of leiding aanlegt of verwijdert als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid van de criteria herstelt na uitvoering van de werkzaamheden de beschermingszone, talud en waterbodem, zodanig dat de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd en het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd.

3. Toelichting

Begripsbepaling

Leidingen: Mediumvoerende buisconstructies, die geen lozingswerk zijn en niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

Gestuurde persing of boring: een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd.

Kabel: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.

In algemene regel 22 is het plaatsen van zinkerborden bij kabels en leidingen opgenomen.

 

Motivering

Het leggen en verwijderen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterlichamen en hun beschermingszone komt regelmatig voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Verwacht wordt dat de daarop betrekking hebbende NEN-normen worden toegepast.

Indien gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructurele werken, in eigendom van het waterschap, moet hier toestemming voor worden verkregen.

17. Beschoeiing

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een beschoeiing, voor zover:

  • a.

    deze wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een b-water, en

  • b.

    de bergings- en de doorstroomcapaciteit van dat b-water gelijk blijft.

 

2. Voorschriften

Degene die een beschoeiing verwijdert als bedoeld in artikel 1 brengt het b-water terug op de afmetingen conform het oorspronkelijk profiel.

 

3. Toelichting

Begripsbepaling

Beschoeiing: grondkerende constructie in de oeverlijn/talud om de oever/talud tegen afkalving te beschermen.

 

Motivering

Het aanbrengen van oeverbeschermende beschoeiingen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt in b-wateren een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

De algemene regel is niet van toepassing op waterkeringen en bijbehorende beschermingszones A en B.

De beschoeiing moet deugdelijk aangebracht worden, zodat er geen verzakkingen of verplaatsingen kunnen optreden. Zodat voorkomen wordt dat grond van achter de beschoeiing in het oppervlaktewaterlichaam komt, en het bergend vermogen en de doorstroom mogelijkheid niet worden aangetast.

18. Anti-worteldoek

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek voor zover deze wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een b-water.

 

2. Voorschriften

Degene die een anti-worteldoek aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1 verkleint het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet.

 

3. Toelichting

Begripsbepaling

Anti-worteldoek: kunststof doek dat wel water maar geen licht en wortelgroei doorlaat.

 

Motivering

Bij veel tuinen van particulieren en bedrijven wordt anti-worteldoek op het talud van oppervlaktewaterlichamen toegepast om de tuin ter plaatse een net afgewerkt karakter te geven en het onderhoud te vergemakkelijken. Zolang het profiel in stand blijft, is doorstroming en berging van de watergang gewaarborgd.

19. Stoffen, voorwerpen en dieren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen of voorwerpen of het houden van dieren, voor zover:

  • a.

    dit plaatsvindt in b-wateren, of;

  • b.

    het houden van dieren plaatsvindt in de beschermingszone van a-wateren.

     

2. Voorschriften

  • a.

    De onder 1 genoemde activiteiten mogen de water aan- en afvoer niet belemmeren en het onderhoud niet hinderen.

  • b.

    Voor de onder 1, sub b, genoemde activiteit moet een voorziening worden getroffen zodat de dieren de watergang en het talud niet kunnen beschadigen. Deze voorziening mag het onderhoud niet belemmeren of onmogelijk maken.

     

3. Toelichting

Motivering

Het komt voor dat er in een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone activiteiten zijn zoals begrazing. Deze activiteiten hebben nauwelijks gevolgen voor de waterhuishouding en daarom zijn ze opgenomen in deze algemene regel. Door te regelen dat dieren zonder vergunning in de beschermingszone mogen verblijven, wordt door middel van een voorziening ervoor gezorgd dat daar begraasd kan worden. Om dit mogelijk te maken, dienen er wel voorzieningen te worden getroffen om beschadigingen aan het talud of de waterloop te voorkomen. Denkbare beschadigingen zijn onder meer vertrappen van de begroeiing en afkalving. De voorziening dient te voldoen aan Algemene regel 20.

20. Afrasteringen op beschermingszone

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het plaatsen, hebben en verwijderen van afrasteringen in beschermingszones en/of profielen van vrije ruimte die evenwijdig en haaks op de insteek zijn geplaatst.

 

2. Voorschriften

  • 1.

    Degene die een afrastering evenwijdig aan de watergang plaatst of behoudt zorgt ervoor dat de afrastering:

    • a.

      het onderhoud niet belemmert of onmogelijk maakt, en

    • b.

      niet hoger is dan 1,20 meter boven het maaiveld, en

    • c.

      een eenvoudige constructie heeft, en

    • d.

      op eenvoudige wijze is te verwijderen, en

    • e.

      in deugdelijke staat van onderhoud blijft.

  • 2.

    Degene die een afrastering haaks op de watergang plaatst of behoudt, zorgt er voor dat de afrastering zonder hulpmiddelen tijdelijk kan worden weggenomen ten behoeve van het onderhoud.

  • 3.

    Degene die de afrastering verwijdert, brengt na uitvoering daarvan de beschermingszones en/of profiel van vrije ruimte terug in de oorspronkelijke staat, en

  • 4.

    Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de afrastering binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

3. Toelichting

Begripsbepaling

Afrastering: (overwegend) verticale afrastering van niet-levend materiaal van maximaal 1,20 m hoog en maximaal 20 centimeter breed, waarbij de constructie het zicht op de waterloop niet belemmert.

 

Motivering

Het komt voor dat er bij een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone een afrastering noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor het houden van vee. Afrasteringen komen voor in verschillende vormen. Ieder obstakel op de beschermingszone, dus ook een afrastering, is een mogelijke belemmering voor het beheren en onderhouden van de watergang. Met deze algemene regel wordt het plaatsen, behouden en verwijderen van eenvoudige afrasteringen op de beschermingszone mogelijk gemaakt. Onder ‘eenvoudig’ wordt verstaan een constructie die met eenvoudige hulpmiddelen (gangbaar gereedschap) snel te verwijderen en bij schade te herstellen is. Bijvoorbeeld metselwerk en speciale (maatwerk)constructies (zoals harmonicagaas) voldoen hier niet aan, maar schapengaas en de klassieke veekering met gladde of puntdraden wel.

Voorafgaand aan plaatsing van de afrastering is het aan te raden contact op te nemen met het waterschap.

21. Werken en bomen ten behoeve van openbare wegen langs a-wateren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van werken en bomen ten behoeve van openbare wegen langs a-wateren, voor zover:

  • a.

    Het werk minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst, en.

  • b.

    De afstand tussen het werk en/of bomen en andere obstakels in de beschermingszone of in a-water bedraagt minimaal 10 meter, en

  • c.

    De bomen zijn geplaatst ten behoeve van de aankleding van de openbare weg.

     

2. Voorschriften

Degene die werken als bedoeld in het eerste lid aanbrengt, voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    De werken worden zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt, en,

  • b.

    De verharding dient afdoende draagkracht en stabiliteit te hebben voor de manier van onderhoud, en

  • c.

    Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van het werk binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk in het talud, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

     

3. Toelichting

Begripsbepaling

Openbare weg: weg in beheer van een overheid;

 

Motivering

Het betreft relatief eenvoudige en veel voorkomende werken die met name veel voorkomen in stedelijk gebied. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

De werken en bomen die bedoeld zijn voor openbare wegen hebben een maatschappelijk belang, waardoor deze onder voorwaarden toegestaan kunnen worden. Hierbij moet wel het onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te waarborgen is de algemene regels alleen van toepassing als er voldoende ruimte is voor de gangbare onderhoudsmachines. Hierbij is het van belang dat tijdig overleg met het waterschap wordt gezocht.

In gevallen waar de afstanden als genoemd in deze algemene regel door ruimtegebrek niet mogelijk zijn, bestaat er een vergunningplicht. In deze vergunning kunnen specifieke voorschriften opgenomen worden om de waterhuishoudkundige belangen te borgen.

22. Bebording ten behoeve van recreatieroutes en zinkerborden bij kabels en leidingen langs a-wateren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van bebording ten behoeve van recreatieroutes en zinkerborden bij kabels en leidingen langs a-wateren.

 

2. Voorschriften

Degene die bebording als bedoeld in het eerste lid aanbrengt, voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    De bebording wordt aangebracht aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken, met uitzondering van verkeersborden ten behoeve van vaarwegen, of

  • b.

    Voor zover dit niet mogelijk is, wordt de bebording zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt, en

  • c.

    Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de bebording binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

     

3. Toelichting

Motivering

Dit artikel bevat algemene regels voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van bebording ten behoeve van recreatieroutes en zinkerborden bij kabels en leidingen langs a-wateren.

Het aanleggen van dergelijke werken betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Als voorwaarde geldt dat de bebording zo min mogelijk hinder oplevert voor het door het waterschap uit te voeren onderhoud. Hierbij is het van belang dat tijdig overleg met het waterschap wordt gezocht.

Een zinkerbord markeert waar een leiding of kabel een watergang ondergronds doorkruist.

23. Gras en eenjarige gewassen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen in de beschermingszone van a-water.

 

2. Voorschrift

Degene die gras of eenjarige gewassen in de beschermingszone aanbrengt of behoudt:

a. houdt bij diepere grondbewerkingen (dieper dan 15 centimeter) 1 meter gemeten vanaf de insteek vrij, zodat het talud niet kan afschuiven, en;

b. dicht ploegvoren en andere diepe geulen, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden.

 

3. Toelichting

Motivering

Het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen heeft een zeer gering effect op het oppervlaktewaterlichaam en is daarom met deze algemene regel vrijgesteld van de vergunningplicht.

24. Natuurvriendelijke oever

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers langs b-wateren in overig gebied. Het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers kan indien deze oevers zodanig worden aangelegd of gewijzigd en onderhouden dat het natte profiel van de watergang niet verkleint.

 

2. Toelichting

Begripsbepaling

Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd of wordt gewijzigd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen.

Overig gebied: gebied niet aangewezen als beschermd of attentiegebied op de Keurkaarten

 

Motivering

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

24A. Verharding langs a-wateren

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van verharding in de beschermingszone van een a-water voor zover:

  • a.

    de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht, en;

  • b.

    de maaiveldhoogte niet verandert.

     

2. Voorschrift

Degene die verharding in de beschermingszone aanbrengt, behoudt of verwijdert:

  • a.

    Zorgt ervoor dat de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone gewaarborgd blijft, en;

  • b.

    zorgt ervoor dat de verharding geen belemmeringen voor het onderhoud opwerpt, en;

  • c.

    houdt een strook van 0,5 meter vrij gemeten vanaf de insteek van de waterloop, en;

  • d.

    zorgt ervoor dat de verharding afdoende draagkracht en stabiliteit heeft voor de manier van onderhoud, en;

  • e.

    brengt bij verwijderen het maaiveld weer in oorspronkelijke staat en zaait in met een gras- en/of kruidenrijk zaadmengsel.

     

3. Toelichting

 

Motivering

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in de voorschriften worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op het oppervlaktewaterlichaam.

Het waterschap is niet aansprakelijk voor de eventuele schade aan de verharding door het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam die te relateren is aan onvoldoende draagkracht of stabiliteit.

24B. Verwijderen van werken en objecten in de beschermingszone

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het verwijderen van werken en objecten in de beschermingszone van een a-water voor zover de werken en objecten niet zijn geplaatst ten behoeve van het beheer, onderhoud en/of het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

 

2. Voorschriften

 

Degene die werken en objecten in de beschermingszone verwijdert:

  • a.

    zorgt ervoor dat de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone gewaarborgd blijft, en;

  • b.

    zorgt ervoor dat het onderhoud niet wordt belemmerd.

 

3. Toelichting

 

Motivering

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in de voorschriften worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op het oppervlaktewaterlichaam.

Werken en objecten die zijn geplaatst ten behoeve van het beheer, onderhoud en/of het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam zijn onder andere: (naam)bordjes, bedieningskasten, poorten die door het waterschap zijn geplaatst, grensstenen, bomen, beplanting, etc.

Waterkeringen

25A Werkzaamheden in schil compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone A

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor werkzaamheden in of op de schil van de compartimenteringskeringen inclusief bijbehorende beschermingszone A.

 

De vrijstelling geldt niet voor:

  • 1.

    kabels en leidingen;

  • 2.

    werkzaamheden waardoor een blijvende verbinding wordt gemaakt tussen de beide zijden van de compartimenteringskering;

  • 3.

    het aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting.

 

Voor leidingen die vallen onder het toepassingsbereik van de NEN3650-1 geldt beleidsregel 16: ‘Kabels en leidingen waterkeringen’. Voor overige kabels en leidingen en huisaansluitingen geldt algemene regel 31: ‘Kabels en Leidingen’.

Voor werkzaamheden waardoor een blijvende verbinding wordt gemaakt tussen de beide zijden van de compartimenteringskering gelden de bij het type werkzaamheden horende beleidsregel 16: ‘Kabels en leidingen waterkeringen’ of beleidsregel 17: ‘Bouwwerken waterkeringen’.

Voor het aanbrengen van beplanting geldt beleidsregel 21: ‘Beplanting waterkeringen’.

Voor het verwijderen en snoeien van beplanting geldt algemene regel 29A ‘Verwijderen van beplanting’ respectievelijk algemene regel 29B ‘Snoeien van beplanting’.

 

2. Voorschriften

Degene die werkzaamheden uitvoert in of op de schil van een compartimenteringskering of bijbehorende beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    brengt het profiel van de waterkering en de beschermingszone A na de werkzaamheden in oorspronkelijke toestand terug;

  • b.

    vult en verdicht ontgravingen laagsgewijs zodanig dat de oorspronkelijke bodemopbouw wordt hersteld;

  • c.

    herstelt beschadigde grasmatgedeelten met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of brengt geschikte graszoden aan;

  • d.

    zorgt ervoor dat de werkzaamheden geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering;

     

3. Mededeling

Degene die werkzaamheden uitvoert in of op de schil van een compartimenteringswaterkering of bijbehorende beschermingszone A zoals aangegeven in artikel 1 deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Schil: bovenste meter van de compartimenteringskering of bijbehorende beschermingszone A, gemeten vanaf het maaiveld (zie figuur 25A.1).

 

Figuur 25A.1: ligging schil compartimenteringskering

 

Motivering

Compartimenteringskeringen zijn door de provincie aangewezen als regionale kering zonder norm. Op basis van een analyse van overstromingsberekeningen is aangetoond dat deze keringen van nut zijn bij een eventuele doorbraak van de primaire waterkering. Zij vertragen het onderlopen van een gebied en bieden mogelijkheden tot evacuatie. Handhaving van de huidige, aanwezige keringen geschiedt door vastleggen van het huidige profiel in de legger.

Omdat in en op deze keringen functies zijn ondergebracht als bewoning, verkeer, groenvoorzieningen, nutsleidingen e.d. worden hiermee steeds nieuwe activiteiten opgeroepen. Om deze min of meer ongestoord te kunnen laten plaatsvinden kan handhaving van het huidige profiel plaatsvinden onder acceptatie van voor de waterkering in beginsel ongewenste activiteiten in de buitenste schil van de kering. De kernzone van de kering blijft daardoor zoveel mogelijk ongemoeid. Het is niet de bedoeling dat genoemde schil wordt gebruikt voor blijvende afgravingen. Met deze aanpak wordt het huidige profiel zoveel mogelijk gehandhaafd terwijl toch de inmiddels ontstane maatschappelijke functies doorgang kunnen vinden.

 

De meeste reguliere activiteiten vinden plaats in een zone tot 1 m beneden maaiveld. Hierbij kunnen vorstvrij funderingen worden aangelegd. Daarom is 1 m als uiterste maat voor de dikte van de schil genomen.

 

Bij diverse werkzaamheden die onder deze algemene regel vallen, is sprake van (tijdelijke) ontgravingen. Om de waterkerende functie van de waterkering zo min mogelijk te verstoren, zijn voorschriften opgenomen om de oorspronkelijke bodemopbouw en de grasmat te herstellen.

 

Bepaalde werkzaamheden kunnen een grotere impact hebben op het waterkerende vermogen van de compartimenteringskering, bijvoorbeeld het aanbrengen van beplanting, het maken van een blijvende verbinding tussen beide zijden van de waterkering of het aanbrengen van kabels en leidingen. Dergelijke werkzaamheden zijn daarom uitgezonderd van deze algemene regel.

 

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd en dat het waterschap weet welke objecten in een waterkering aanwezig zijn. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

25B Regulier onderhoud van percelen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur voor regulier onderhoud van percelen in beschermingszones A en B

 

2. Voorschriften

Degene die regulier onderhoud uitvoert van percelen als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    graaft niet dieper dan 0,5 m beneden maaiveld en

  • b.

    herstelt het maaiveld na graafwerkzaamheden weer in oorspronkelijke staat.

     

3. Toelichting

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Regulier onderhoud:

Periodiek uit te voeren werkzaamheden om de aan een perceel gegeven bestemming in stand te kunnen houden.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan het onderhoud van natuurterreinen, openbare ruimte, voorzieningen voor het (regen)waterbeheer, kleine bouwwerken als paaltjes, hekwerken e.d.

 

Motivering

25. Voor het instandhouden van de bestemming van een perceel is het noodzakelijk om periodiek onderhoud uit te voeren waarbij vaak ook kleine (tijdelijke) ontgravingen en aanvullingen plaatsvinden. Deze werkzaamheden hebben geen groot effect op het waterkerende vermogen van een waterkering. Daarom kan worden volstaan met het stellen van enkele voorschriften. Wanneer diepere ontgravingen plaatsvinden of permanente verlaging van het maaiveld plaatsvindt, zou wel sprake kunnen zijn van een toename van de doorlatendheid van de bodem (kwel) door verkleining van afdichtende kleilagen. In dat geval is het nodig een vergunning aan te vragen. Klein onderhoud aan openbare wegen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het uitvoeren van klein onderhoud aan openbare wegen op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die klein onderhoud aan openbare wegen uitvoert op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voert de werkzaamheden genoemd onder lid 4b en 4c op een waterkering, exclusief de compartimenteringskeringen, alleen in de periode van 1 april tot 1 oktober uit;

  • b.

    dicht de paalgaten bij verwijdering van de bebording af met klei.

     

3. Mededeling

Degene die klein onderhoud uitvoert aan openbare wegen op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A zoals aangegeven in artikel 1 deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Klein onderhoud aan een openbare weg:

  • a.

    het vervangen van de toplaag van die weg, voor zover daarbij geen sprake is van een uitbreiding van de verharding, of

  • b.

    het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV)-borden voor zover daarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is, of

  • c.

    het roven en aanvullen van de berm.

 

Motivering

Op de waterkeringen zijn vaak wegen aanwezig. Om de functie van de wegen en een veilige verkeerafhandeling te waarborgen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de wegen en bermen noodzakelijk en is het nodig bebording te plaatsen. Het is daarbij echter wel van belang dat, bij de uitvoering van die werkzaamheden, de functie van de betreffende waterkering is gewaarborgd.

.

Het plegen van klein onderhoud aan wegen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Bebording kan – wanneer noodzakelijk - eventueel eenvoudig worden verwijderd.

Bij groot onderhoud dient wel een vergunning te worden aangevraagd. Hiervan is sprake wanneer de werkzaamheden in het leggerprofiel van de waterkering plaatsvinden, zoals bij het vervangen van de complete fundering van de weg of wanneer bebording wordt geplaatst met een fundering in het leggerprofiel van de waterkering.

 

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

26. Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het plaatsen, hebben, onderhouden en verwijderen van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken binnen beschermingszone A van waterkeringen, exclusief compartimenteringskeringen.

 

2. Voorschriften

Degene die een eenvoudig verplaatsbaar bouwwerk binnen beschermingszone A van een waterkering plaatst, aanpast of verwijdert als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    graaft het te plaatsen bouwwerk inclusief fundering niet dieper in dan 30 cm;

  • b.

    brengt kleine paalvormige bouwwerken grondverdringend aan tot maximaal 1 m diepte;

  • c.

    herstelt de bodem in oorspronkelijke staat wanneer het bouwwerk wordt verwijderd;

  • d.

    vult bij verwijderen van kleine paalvormige bouwwerkende paalgaten aan met (zwel)klei;

  • e.

    verwijdert het bouwwerk op eigen kosten ten behoeve van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden op aanzeggen van het dagelijks bestuur van het waterschap.

     

3. Mededeling

Degene die eenvoudig verplaatsbare bouwwerken binnen beschermingszone A van een waterkering plaatst, aanpast of verwijdert, deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken: bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, demontabele zwembaden, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.

 

Kleine paalvormige bouwwerken: paalvormige bouwwerken met een diameter van maximaal 15 cm horend bij het reguliere gebruik van de waterkering voor functies als wonen, bedrijven, wegen, tuin, groen. Voorbeelden hiervan zijn brievenbussen, (lantaarn)palen, reclameborden e.d.

 

Motivering

Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken hebben geen effect op het functioneren van de waterkering, maar dienen wel verwijderd te kunnen worden wanneer dat noodzakelijk blijkt ten behoeve van bijvoorbeeld dijkverzwaringen. Net als bij andere veel voorkomende activiteiten, zoals tuinieren, spitten, ploegen, eggen is een diepte van 30 cm aangehouden waarbinnen plaatsen van een eenvoudig verplaatsbaar bouwwerk wordt toegestaan.

 

Kleine paalvormige bouwwerken worden veel gebuikt voor afrasteringen, brievenbussen, schuttingen, (verkeers)borden e.d. Wanneer deze grondverdringend worden aangebracht is het effect op de waterkering minimaal.

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

27. Beweiden met schapen en geiten

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 van de Keur, voor het beweiden met schapen en/of geiten op een waterkering of in beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die met schapen en/of geiten beweidt op de waterkering of in beschermingszone A als bedoeld in artikel 1 moet zijn schapen en/of geiten op eerste aanzegging door of namens het bestuur verwijderen indien de instandhouding van een goede grasmat in gevaar is of dreigt te komen.

 

3. Toelichting

Motivering

Het waterschap verpacht delen van de waterkering voor beweiding met schapen en/of geiten als onderhoud van de grasmat. In de pachtcontracten zijn de voorwaarden geregeld waaronder beweiding van de waterkering met schapen en/of geiten kan plaatsvinden.

28. Afrastering

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het plaatsen, hebben, onderhouden en verwijderen van een afrastering op een waterkering, exclusief een compartimenteringskering of in de bijbehorende beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die een afrastering op de waterkering of in de bijbehorende beschermingszone A plaatst, heeft, onderhoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voert de afrastering voldoende veekerend uit;

  • b.

    brengt rasterpalen grondverdringend aan tot maximaal 1 m diepte;

  • c.

    brengt palen en draad /gaas zodanig aan dat het onderhoud van de waterkering niet wordt belemmerd;

  • d.

    houdt de afrastering in goede staat;

  • e.

    dicht bij verwijdering van de afrastering de paalgaten af met klei.

     

3. Mededeling

Degene die een afrastering op de waterkering of bijbehorende beschermingszone A plaatst of verwijdert, deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Begripsbepaling

Afrastering: eenvoudig te verwijderen, (overwegend) verticale afscheiding inclusief eventuele toegangspoort van in de grond aangebrachte rasterpalen met daartussen staaldraad, of schapengaas, met een maximale hoogte van 1,20 m.

 

Motivering

Afrasteringen kunnen gezien worden als objecten die het doelmatig onderhoud aan waterstaatswerken kunnen belemmeren terwijl ze, in de vorm van een veekering, juist voorkomen dat vee de gesteldheid van de waterstaatswerken aantast. Wanneer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, komt het doelmatig onderhoud niet in gevaar. Bovendien kunnen afrasteringen, indien nodig, vrij eenvoudig verwijderd worden. Het plaatsen van een afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

 

De afrastering dient zodanig ‘open’ te zijn dat water vrijwel ongehinderd kan passeren.

 

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

29. Gebruik van percelen als tuin en bouwland

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het gebruik van percelen als tuin of bouwland op een compartimenteringskering of overige kering en in beschermingszone A van een waterkering.

 

2. Voorschriften

Degene die percelen als tuin of bouwland gebruikt op een compartimenteringskering of overige kering of in beschermingszone A van een waterkering als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    a voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

    • i

      spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen ( e en/of;

    • ii

      bemesten, en/of;

    • iii

      zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen, en/of;

    • iv

      aanbrengen en hebben van gras, en/of;

    • v

      planten, hebben en verwijderen van struiken en/of;

    • vi

      planten, hebben en verwijderen van bomen die van nature lager blijven dan 5,0 m boven maaiveld.

  • b.

    zorgt ervoor dat de gewassen en beplantingen geen belemmering vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

  • c.

    plant nieuwe bomen en struiken op een afstand verder dan 10 m uit de buitenteen en verder dan 4 m uit de binnenteen van de primaire en regionale waterkering.

     

3. Toelichting

Motivering

Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering. Afhankelijk van de diepte en locatie waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou bijvoorbeeld kwelwerking kunnen optreden en wateroverlast kunnen ontstaan of de erosiebestendigheid van de waterkering worden aangetast. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.

29A. Verwijderen van beplanting

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het verwijderen van beplanting op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die beplanting verwijdert op een waterkering of in een beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    freest de wortelresten uit, verwijdert het uitgefreesde materiaal uit de wortelgaten en verwerkt deze buiten de waterkering of beschermingszone A.

  • b.

    brengt in de wortelgaten op de waterkering kleigrond van dezelfde samenstelling aan als de dijkbekleding en verdicht deze kleigrond zorgvuldig laagsgewijs.

  • c.

    brengt in de wortelgaten in de beschermingszone A kleigrond van dezelfde samenstelling aan als het omliggend maaiveld en verdicht deze kleigrond zorgvuldig laagsgewijs.

  • d.

    moet de wortelgaten op de waterkering voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september inzaaien met graszaad “Natuurdijk II” of gelijkwaardig.

  • e.

    voert de werkzaamheden op een primaire of regionale waterkering, exclusief de compartimenteringskeringen, alleen uit in de periode van 1 april tot 1 oktober uit.

     

3. Mededeling

Degene die beplanting verwijdert op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beplanting: bomen, struiken en planten, uitgezonderd gras.

 

Motivering

Het verwijderen van beplanting is een relatief eenvoudige werkzaamheid die – mits goed uitgevoerd – geen negatief effect heeft op het functioneren van de waterkering.

 

Bij het verwijderen van bomen, struiken en planten op of nabij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering.

Doorsnijding van de waterkering en aanliggende gronden door wortelgaten en/of wortelresten van een boom of struik, maakt de waterkering minder stabiel. Ook de kans op piping kan toenemen.

 

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

29B. Snoeien van beplanting

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het snoeien van beplanting op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die beplanting snoeit op een waterkering of in beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    moet de bomen op de waterkering zodanig snoeien, dat zich een takvrije stamlengte van 4 meter hoog kan ontwikkelen.

  • b.

    moet het snoeihout en bladval verwijderen en afvoeren.

  • c.

    mag op de waterkering geen schade aan de grasmat veroorzaken.

  • d.

    mag in de beschermingszone A geen schade aan het maaiveld veroorzaken door bijvoorbeeld het rijden van sporen.

     

3. Mededeling

Degene die beplanting snoeit op een waterkering of in bijbehorende beschermingszone A deelt dit minimaal 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het waterschap.

 

4. Toelichting

Motivering

Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering.

 

30. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in de voorschriften worden op relatief beperkte schaal werkzaamheden boven de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.Erfverharding

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het aanbrengen, onderhouden en verwijderen van erfverhardingen op een overige kering of binnen beschermingszone A van een waterkering.

 

2. Voorschriften

Degene die een erfverharding aanbrengt, onderhoudt of verwijdert op een overige kering of binnen beschermingszone A van een waterkering als bedoeld in artikel 1 voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

  • 1.

    oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;

  • 2.

    aanbrengen open verharding zoals klinkers, stelconplaten e.d., en/of;

  • 3.

    aanbrengen zandbed ten behoeve van open verharding;

  • 4.

    vult bij verwijderen de ontstane ruimte aan tot aan maaiveld.

     

3. Toelichting

Motivering

Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in de voorschriften worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.

 

31. Kabels en leidingen

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, voor het leggen, hebben, onderhouden, vervangen en verwijderen van:

  • 1.

    kabels en leidingen in een overige kering, met uitzondering van leidingen die vallen onder het toepassingsgebied van de NEN3650-1;

  • 2.

    kabels en leidingen in de schil van een compartimenteringskering en bijbehorende beschermingszone A met uitzondering van de leidingen die vallen onder het toepassingsgebied van de NEN3650-1;

  • 3.

    huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de primaire en regionale waterkering, bijbehorende beschermingszones A en B en profiel van vrije ruimte .

2. Voorschriften

Degene die kabels of leidingen of huisaansluitingen legt, heeft, onderhoudt, vervangt of verwijdert als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voert de werkzaamheden in het buitentalud van primaire en regionale keringen, exclusief de compartimenteringskeringen uit tussen 1 april en 1 oktober van elk jaar;werkzaamheden op andere locaties mogen ook tussen 1 oktober en 1 april uitgevoerd worden;

  • b.

    kruist de waterkering of waterkerende constructies (zoals bijvoorbeeld damwanden en coupures) niet;

  • c.

    staakt de werkzaamheden bij hoge rivierwaterstanden op last van het waterschap, waarbij voor de waterkering beschermende maatregelen kunnen worden opgelegd;

  • d.

    graaft eventueel noodzakelijke proefsleuven ter vaststelling van de juiste ligging van bestaande kabels en/of leidingen met de hand;

  • e.

    voert het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen uit zoals in de meest recente en vastgestelde NEN 3650-serie is gesteld;

  • f.

    legt kabels en/of leidingen in de waterkering en in de beschermingszones alleen aan door middel van een open ontgraving;

  • g.

    moet de kabel en/of leiding binnen de waterkering en binnen de beschermingszones van de waterkering uit één stuk uitvoeren en trekvast verbinden;

  • h.

    voert kunststof leidingen uit in HDPE (PE80 of PE100) SDR11;

  • i.

    past leidingen toe met een diameter kleiner dan of gelijk aan 125 mm;

  • j.

    koppelt de toe te passen HDPE-leidingen door middel van spiegellassen of electrolasmoffen (flensstukken, huisaansluitingsmoffen en andere appendages);

  • k.

    past bij verruiming van de diameter verlooplasmoffen toe;

  • l.

    graaft een sleuf niet dieper en breder uit dan noodzakelijk is, met een maximum van 1 meter diep en 0,5 meter breed;

  • m.

    voert ontgravingen laagsgewijs uit, waarbij verschillende grondsoorten gescheiden moeten worden. Deze grondsoorten dienen bij het aanvullen weer gebruikt en verdicht te worden, zodanig dat de opbouw, draagkracht en waterdichtheid nagenoeg hetzelfde zijn als voor de werkzaamheden;

  • n.

    moet zowel voor het einde van de dagelijkse werktijd als na de voltooiing van het werk de sleuf afdichten met de uitkomende grond;

  • o.

    moet huisaansluitingen voor binnendijkse nieuwbouw bij de primaire waterkering vanaf het achterland aanleggen en binnenvoeren;

  • p.

    zaait beschadigde grasmatgedeelten vóór 1 september in met graszaad “Natuurdijk II” of vergelijkbaar of brengt geschikte graszoden aan.

  • q.

     

  •  

3. Maatwerk

Het waterschap kan conform artikel 1.4, vierde lid van de Keur, maatwerkvoorschriften stellen en ruimere maatvoeringen of andere uitvoeringswijzen toestaan dan in de voorschriften uit vorige lid, indien het geen belemmering vormt voor het beheer, onderhoud en instandhouden van de kering.

 

4. Melding

Degene die een kabel of leiding danwel huisaansluiting aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het waterschap.

 

5. Toelichting

Begripsbepaling

Buitentalud: het buitentalud is de helling van de buitenkant van de dijk, oftewel de kant van de dijk waar de rivier stroomt.

 

Huisaansluiting: Een huisaansluiting is het deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het distributienet van de netbeheerder.

 

Motivering

Aan het aanleggen, hebben, onderhouden, vervangen en verwijderen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen risico’s zijn verbonden, welke worden afgewogen in het kader van de beoordeling van vergunningsaanvragen. Met het vaststellen van een algemene regel, waarmee een vrijstelling van de vergunningsplicht wordt bereikt, moet er vooral zekerheid bestaan over de omvang van die risico’s die het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen veroorzaken. De werkzaamheden worden veelal uitgevoerd door of namens nutsbedrijven.

 

Trafo- en elektrakastjes e.d. vallen niet onder deze algemene regel.

 

Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte melding in deze algemene regel opgenomen. Deze melding geeft het waterschap tevens de mogelijkheid eventuele extra voorschriften aan de melder mee te geven (maatwerkvoorschrift).

32. Interne verbouwingen van bestaande panden

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden op een waterkering en binnen beschermingszone A.

 

2. Voorschriften

Degene die een interne verbouwing in een bestaand pand uitvoert op een waterkering en binnen beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voert geen constructieve wijziging aan een kelder, fundering of vloerpeil uit.

     

3. Toelichting

Motivering

Bij een interne verbouwing van een bestaand pand vindt geen uitbreiding van dat pand plaats. Er is dan ook geen risico dat het profiel van vrije ruimte wordt verkleind. Het risico met betrekking tot het functioneren van de waterkering blijft daarnaast ook op een gelijk niveau.

Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden op het waterstaatswerk betreft een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

33. Grondmechanisch onderzoek beschermingszone A en B

1. Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor de uitvoering van sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone A van een waterkering.

 

2. Voorschriften

Degene die sonderingen en/of grondboringenin beschermingszone A van een waterkering uitvoert als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    vult de boor- en sondeergaten zodanig met bentoniet dat de waterdichtheid van de doorbroken grondlagen wordt hersteld;

  • b.

    voert de boringen en sonderingen niet uit tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij hoogwater).

     

3. Maatwerk

Ten aanzien het uitvoeren van boringen of sonderingen kan het waterschap conform artikel 1.4, vierde lid van de Keur, een maatwerkvoorschrift stellen.

 

4. Melding

Degene die sonderingen en/of boringen uitvoert in beschermingszone A van een waterkering als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het waterschap.

 

5. Toelichting

Motivering

Het uitvoeren van boringen en sonderingen is een veel voorkomende activiteit. De impact daarvan op de waterkering en beschermingszones is over het algemeen gering. Om die reden kan worden volstaan met een algemene regel. Het is wel van belang dat de werkzaamheden goed worden uitgevoerd en de boorgaten op de juiste wijze worden aangevuld. Daarvoor kan het noodzakelijk zijn dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is degene die de werkzaamheden uitvoert verplicht hiervan melding te doen aan het waterschap. Deze melding geeft het waterschap tevens de mogelijkheid eventuele extra voorschriften aan de melder mee te geven (maatwerkvoorschrift).

Grondwater

34. Algemene regels Grondwater

Artikel 1 Gebiedsaanwijzing

  • 1.

    Op de kaart “Grondwaterdeelgebieden” behorende bij deze algemene regels, zijn grondwaterdeelgebieden aangewezen met het oog op gebiedsspecifieke toepassing van algemene regels.

  • 2.

    Per grondwaterdeelgebied gelden in de algemene regels de gebiedsspecifieke voorwaarden die opgenomen zijn in de onderstaande tabel.

  • 3.

    De put voor onttrekking of infiltreren is niet dieper dan noodzakelijk en strekt zich maximaal tot in het watervoerende pakket dat in de onderstaande tabel is aangegeven.

  • 4.

    De uitgangspunten op grond van lid 2 gelden niet indien en voor zover in een algemene regel specifiek andere voorwaarden zijn opgenomen.

 

Gebied

Naam

Kleine onttrekkingen en beregening van grasland

(artikel 34.3 en 34.4)

Akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt en brandblusvoorzieningen (artikel 34.5 en 34.6)

Max. diepte minus maaiveld bij afwezigheid van afscheidende lagen

I

Westelijke zandgronden

wak2/kik1

kik1/ook1/msk1/wak2

30 meter

II

Centrale Slenk

syk1/syk2/wak1

syk1/syk2/wak1

30 meter

III

Peelhorst

brk1/brz2

brk1/brz2

30 meter

IV

Polders

kik1/ook1/msk1/wak2

kik1/ook1/msk1/wak2

30 meter

Artikel 2 Algemene voorschriften voor onttrekking en infiltratie

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt, onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

  • 2.

    Een put die niet langer gebruikt wordt of niet langer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

     

Artikel 3 Algehele vrijstellingen van vergunningplicht (kleine onttrekkingen)

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist ten aanzien van:

  • 1.

    onttrekkingsinrichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en;

    • b.

      de onttrekkingsinrichting gelegen is buiten Beschermde gebieden en;

    • c.

      de putten zijn niet dieper dan bepaald in artikel 34.1.

  • 2.

    veedrenkputten, voor zover de put niet dieper dan bepaald in artikel 34.1.

     

Artikel 4 Beregening van grasland

  • 1.

    Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor beregening van grasland:

    • a.

      voor zover de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten de Beschermde gebieden en attentiegebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart beschermde gebieden en buiten de invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden Natura 2000, die zijn aangewezen op de kaart behorende bij deze algemene regels en;

    • b.

      per onttrekkingsinrichting is de maximale pompcapaciteit 70 m3 per uur en;

    • c.

      er niet meer dan 1 put per 5 hectare aanwezig is en;

    • d.

      de putten zijn niet dieper dan in artikel 34.1 is bepaald en;

    • e.

      de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 2.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a.

      het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor graslandberegening en;

    • b.

      er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik en;

    • c.

      de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 3.

    Vergunningen verleend voor activiteiten als bedoeld in dit artikel vervallen met ingang van 1 januari 2018.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste lid, onder e, vervalt per 1 januari 2018.

  • 5.

    Het bepaalde in het tweede lid, onder c, treedt eerst in werking per 1 januari 2018.

  • 6.

    Degene die grondwater onttrekt conform dit artikel meldt dit tenminste 4 weken voor start van de werkzaamheden. De melding bevat tenminste de locatie van de put(ten), de maximale pompcapaciteit, de diepte van de put en het bedrijfswaterplan. Ten aanzien van booractiviteiten is tevens artikel 34.9 van toepassing. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door deze onttrekking geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

     

Artikel 5 Beregening van akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt

  • 1.

    Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor gebruik ten behoeve van akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt:

    • a.

      voor zover de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten de Beschermde gebieden en attentiegebieden zoals die zijn aangegeven op de Keurkaart “Beschermde gebieden” en buiten de invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden Natura 2000 die zijn aangewezen op de keurkaart behorende bij deze algemene regels en;

    • b.

      per onttrekkingsinrichting is de maximale pompcapaciteit 100 m3 per uur en;

    • c.

      er is niet meer dan 1 put per 5 hectare aanwezig en;

    • d.

      de putten zijn niet dieper dan in artikel 34.1 is bepaald en;

    • e.

      de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 2.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorschriften:

    • a.

      het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor beregening van gewassen voor de akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt;

    • b.

      er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik;

    • c.

      de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 3.

    Vergunningen verleend voor activiteiten als bedoeld in dit artikel vervallen met ingang van 1 januari 2018.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste lid, onder e, vervalt per 1 januari 2018.

  • 5.

    Het bepaalde in het tweede lid, onder c, treedt eerst in werking per 1 januari 2018.

  • 6.

    Degene die grondwater onttrekt conform dit artikel meldt dit tenminste 4 weken voor start van de werkzaamheden. De melding bevat tenminste de locatie van de put(ten), de maximale pompcapaciteit, de diepte van de put en het bedrijfswaterplan. Ten aanzien van booractiviteiten is tevens artikel 34.9 van toepassing. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door deze onttrekking geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

     

Artikel 6 Brandblusvoorzieningen

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor brandblusvoorzieningen als is voldaan aan de volgende regels:

  • 1.

    De brandblusvoorziening is noodzakelijk op grond van de bepalingen voor brandbestrijding van het Bouwbesluit 2012, en er is geen andere redelijk alternatief om aan die bepalingen te kunnen voldoen dan het gebruik van grondwater.

  • 2.

    De brandblusvoorziening is een geboorde put die is voorzien van een aansluitstuk ten behoeve van gebruik door de brandweer, danwel onderdeel uitmaakt van een brandblusinstallatie, conform de daarvoor geldende (landelijke) normen en voorschriften.

  • 3.

    Er wordt alleen water onttrokken ten behoeve van de bluswatervoorziening en voor het vereiste periodieke onderhoud van de put.

  • 4.

    De brandblusvoorziening is niet dieper dan bepaald in artikel 34.1.

     

Artikel 7 Bronbemalingen van tijdelijke aard

  • 1.

    Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor een onttrekkingsinrichting die voldoet aan de volgende regels:

    • a.

      Bronbemaling waarbij:

      • (1)

        de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 70 m3 per uur en;

      • (2)

        de onttrekking niet langer dan 5 dagen op één locatie plaatsvindt.

         

    • b.

      Bronbemaling, die uitsluitend gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en/of ten behoeve van bodemsanering, waarbij:

      • (1)

        de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden, en;

      • (2)

        bij Bronbemaling in Beschermd gebied het onttrokken grondwater volledig wordt teruggebracht in de bodem.

 

  • 2.

    Voorschrift

Degene die grondwater onttrekt met behulp van een onttrekkingsinrichting als bedoeld in het eerste lid is gehouden ervoor te zorgen de verlaging van de grondwaterstand, alsmede de hoeveelheid en duur van de onttrekking, niet meer is dan strikt noodzakelijk voor de uitvoering van het werk.

 

Artikel 8 Grondwatersanering

  • 1.

    Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor een onttrekkingsinrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor:

    • a.

      grondwatersanering, en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 20.000 m3 per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 30 maanden, en

    • b.

      bij een grondwatersanering in Beschermd gebied het onttrokken grondwater volledig wordt teruggebracht in de bodem.

  • 2.

     

  • 3.

    Degene die grondwater onttrekt met behulp van een onttrekkingsinrichting als bedoeld in het eerste lid is gehouden ervoor te zorgen de verlaging van de grondwaterstand, alsmede de hoeveelheid en duur van de onttrekking, niet meer is dan strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van het werk.

     

Artikel 9 Meldplicht

  • 1.

    Voor alle boringen en afdichtingen van putten waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is, behalve die bedoeld in artikel 34.3 en 34.7 en 34.8 geldt:

    • a.

      De booractiviteit dient minimaal 2 weken voor aanvang schriftelijk te worden gemeld bij het bestuur.

    • b.

      Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit bodemkwaliteit, eveneens aan het bestuur te worden gestuurd.

    • c.

      Bij afdichting van een put dient door de houder van de onttrekkingsinrichting binnen 4 weken na uitvoering, het veldwerkverslag zoals die vereist is krachtens het Besluit bodemkwaliteit, eveneens aan het bestuur te worden gestuurd.

       

Artikel 10 begripsomschrijvingen

In deze algemene regels wordt verstaan onder:

  • *

    Attentiegebieden: gebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart beschermde gebieden;

  • *

    Beschermde gebieden: gebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart “Beschermde gebieden”;

  • *

    Bedrijfswaterplan: plan van waterconserverende en/of waterbesparende maatregelen welke worden genomen door of namens de houder van een onttrekkingsinrichting, door de houder van de onttrekkingsinrichting opgesteld conform een door het bestuur vastgesteld model;

  • *

    bodemsanering: activiteit gericht op het beperken c.q. verwijderen van verontreinigingen van de bodem;

  • *

    bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;

  • *

    grondwatersanering: activiteit gericht op het beperken c.q. verwijderen van verontreinigingen van grondwater;

  • *

    pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur

  • *

    put: alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat en doorlatende filters;

  • *

    scheidende laag: een afdichtende of slecht waterdoorlatende bodemlaag;

  • *

    sleufbemaling: bronbemaling ten behoeve van een smalle, meestal voortschrijdende bouwput;

  • *

    watervoerend pakket: een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensd wordt door een scheidende laag of door een vrije waterspiegel.

35. Toelichting bij de algemene regels grondwater

Algemene toelichting

Verhouding tussen algemene regels en de keur

Met de vaststelling van de keur wordt er ook voor het grondwaterbeheer meer met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie regelt de keur alleen nog het meest noodzakelijke. De nadere afbakeningen van vergunningplichten, etc. vindt thans plaats via algemene regels. Daarnaast zijn de algemene voorschriften (in feite al een vorm van algemene regels) komen te vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving in de plaats gekomen is. Het doel van algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.

 

Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer

Gelet op de kaders en doelstellingen van de Waterwet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers:

  • *

    Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.

  • *

    Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.

  • *

    Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.

  • *

    Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of –infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.

 

Adequaat voorraadbeheer

Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.

Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden, dat wil zeggen de diepere lagen blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:

  • 1.

    zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);

  • 2.

    benutten gebiedseigen water;

  • 3.

    wateraanvoer;

  • 4.

    en dan pas grondwater.

In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurd.

 

Bescherming grondwaterkwaliteit

Bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt, net als voorheen, vormgegeven door het doorboren van de scheidende lagen in de bodem zo veel mogelijk tegen te gaan. De kwalitatief hoogwaardige diepere lagen blijven primair voor de drinkwatervoorziening bestemd. Een bijzonder onderdeel vormt het drinkwaterbeschermingsbeleid. Dit is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Waterwet en Provinciale milieuverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Het waterschap doet dit door haar regelgeving aan te laten sluiten op de Provinciale milieuverordening.

 

Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen

Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.

 

Lokale nadelige effecten tegengaan

Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.De algemene regels geven een vrijstelling van de vergunningplicht op basis van een goede borging van de taken van het waterschap. De wijze van uitvoering van een grondwateronttrekking kan schade veroorzaken, ook aan bezit van derden. De verordening van het waterschap is niet het middel om dit te regelen. Het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor voldoende aanknopingspunten. Wij raden initiatiefnemers aan om goed met de omgeving om te gaan en af te stemmen.

 

Beschermde gebieden Keur, inclusief attentiegebieden

Voor de beschermde gebieden die in de keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid (Provinciaal Milieu- en Waterplan). Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de algemene regels dat voor diverse handelingen de algemene regel alleen geldt buiten de beschermde gebieden en attentiegebieden. Uitzonderingen zijn ingrepen die een dermate beperkt en tijdelijk effect hebben dat deze geen bedreiging vormen voor het beoogde doel van het standstill-beleid, niet op zichzelf en ook niet cumulatief. Dit geldt uiteraard wel zolang voldaan wordt aan de kaderstellende regels die als waarborg in de algemene regels zijn opgenomen. Sommige van deze handelingen waren al toegestaan zoals brandblusvoorzieningen (voorheen noodvoorzieningen genoemd), sommige handelingen zijn nieuw zoals sleufbemaling.

 

Bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Waterwet en Besluit Bodemkwaliteit

Vanuit het oogpunt van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, stuurt het waterschap niet alleen op de hoeveelheden grondwater die onttrokken wordt (of de hoeveelheid water die geïnfiltreerd wordt), maar ook op de plaats en de diepte waarop dit gebeurt. Dit betekent dat het waterschap op grond van de Waterwet ook regels stelt aan putten die deel uitmaken van een onttrekkingsinrichting. Op putten is tevens het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Beide kaders hebben een andere achtergrond en andere aangrijpingspunten, maar liggen wel in elkaars verlengde. Aangezien krachtens het Besluit Bodemkwaliteit al landelijke regels gelden voor het boren, beheren en verwijderen van putten alsmede regels waaraan de bedrijven die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, hoeft en kan het waterschap daar geen nadere regels over op te nemen. De regels die het waterschap krachtens de Waterwet stelt hebben dan ook louter tot doel te sturen op de diepte en locatie(s) waarop grondwater wordt onttrokken vanwege adequaat grondwatervoorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater conform artikel 2.1 van de Waterwet. Dat er een zeker raakvlak kan zijn tussen beide wettelijke kaders is daarbij noch onvermijdelijk noch onoverkomelijk. Immers, ook op andere vlakken binnen het waterstaatsrecht komt een dergelijke situatie voor, bijvoorbeeld ten aanzien van bouwwerken op waterkeringen (Woningwet juncto Wet ruimtelijke ordening en de Waterwet).

 

Gebiedsgericht grondwaterbeleid

Het grondwater in Brabant kende voorheen geen gebiedsspecifieke invulling, behalve dan de beschermde gebieden en attentiegebieden. Zodoende gold er bijvoorbeeld één norm voor de maximaal gewenste diepte van onttrekkingen voor de hele provincie (30 meter resp. maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten. Het grondwater werd feitelijk benaderd als één groot watervoerend pakket in 2 delen, die homogeen is over de hele provincie. In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht deed aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). Daarnaast was er geen relatie met het oppervlaktewaterbeheer. In het huidige beleid is wel een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige

watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. Daarbij is getracht de gebiedsindeling nog steeds zo eenvoudig mogelijk te houden met het oog op de toepassing van algemene regels. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrijafwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal ook een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.

Ten behoeve van de duidelijkheid van regelgeving, zijn de aldus ontstane grenzen vervolgens op perceelsniveau begrenst, aan de hand van herkenbare grenzen aan het maaiveld zoals wegen of kadastrale grenzen. Een ieder die een handeling voornemens is te gaan doen, moet immers eenvoudig kunnen vaststellen in welk gebied die handeling valt en dus welke (algemene) regels van toepassing zijn.

 

Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Dit komt in de plaats van de vaste 30 meter en 80 meter die in het provinciaal beleid zijn opgenomen. Het doel is echter nog steeds hetzelfde. De grenzen 30 meter en 80 meter waren immers door de provincie gekozen als een makkelijk na te meten vertaling van de beoogde watervoerende pakketten. Het gevolg was echter wel dat door een gemiddelde aan te houden deze diepten niet aansloten bij wat er regionaal daadwerkelijk aanwezig was. Daarnaast is de doorlatendheid van watervoerende pakketten steeds verschillend. Voor sommige gebruiksfuncties, zoals brandblusvoorzieningen, is de ondiepe laag niet doorlatend genoeg om de wettelijk vereiste debieten bluswater te kunnen leveren. Voor brandblusvoorzieningen bijvoorbeeld betekende dat er dan vaak alsnog gemotiveerd afgeweken moest worden in de vergunning. Door echter uit te gaan in de regelgeving van de watervoerende pakketten in plaats van vaste diepten wordt nog steeds het beoogde doel nagestreefd volgens de oorspronkelijk achterliggende redenatie, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. Bovendien gelden ondertussen landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. De noodzaak om via vaste, ook voor leken makkelijk na te meten diepten te reguleren en handhaven, is daarmee afgenomen. Bovendien gaan landelijke regels en richtlijnen ook steeds meer uit van watervoerende pakketten als referentie, in plaats van vaste diepten. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het provinciale kaderstellende beleid.

 

Bij het toekennen van watervoerende pakketten is het voor sommige gebruiksfuncties in sommige deelgebieden nodig toch nog een nader onderscheid te maken, met name vanwege de doorlatendheid van de bodem zoals hierboven aangegeven. Het uitgangspunt blijft echter nog steeds dat er zo ondiep mogelijk onttrokken moet worden en diepere lagen voor de meer hoogwaardige functies te reserveren. Dit komt tot uiting door in sommige gevallen twee diepten aan te wijzen in een gebied. De meest ondiepe laag voor kleine onttrekkingen, graslandberegening en dergelijke, en een iets diepere laag voor de andere functies zoals brandblusvoorzieningen. De ondiepere laag heeft over het algemeen een lagere doorlatendheid die deze minder geschikt maakt voor onttrekkingen met een hoger debiet zoals een brandblusvoorziening. Deze lagere doorlatendheid is in het algemeen echter niet te zeer beperkend voor onttrekkingen met een laag debiet zoals kleine onttrekkingen en graslandberegening. Overigens is deze redenatie niet geheel nieuw, want ook in het vorige stelsel van keur en beleidsregels kwam dit onderscheid terug via een maximale diepte van 30 meter voor bijvoorbeeld kleine onttrekkingen en maximaal 80 meter voor bijvoorbeeld industrie.

 

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel regelt het vaststellen van de kaart waarop de gebiedsindeling voor het grondwaterbeleid is weergegeven. Dit artikel regelt niet de aanwijzing van de Beschermde gebieden en de attentiegebieden, want dat is in de keur geregeld, omdat die kaart de basis vormt voor een onderscheid in twee soorten vergunningplicht (grondwater resp. oppervlaktewaterlichamen).

Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. In de algemene regels en beleidsregels sluit het waterschap aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens artikel 25 Besluit Bodemkwaliteit.

 

Artikel 2

Dit artikel omvat regels die gelden voor alle onttrekkingen en het infiltreren van water die daarna in de algemene regels worden genoemd. Voorheen golden veel meer algemeen geldende regels via de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. Ondertussen is er landelijke regelgeving gekomen die deze aspecten regelt, namelijk het Protocol Mechanisch boren, krachtens artikel 25 van het Besluit Bodemkwaliteit. Elders in het land komen in algemene regels nog voorschriften voor zoals de regel dat bij de aanleg en het beheer van een onttrekkingsinrichting uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten voorkomen moet worden. Ook daarin voorziet het Protocol Mechanisch boren reeds. Voor een uitgebreidere beschrijving over de verdeling van bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Waterwet en Besluit Bodemkwaliteit wordt verwezen naar de algemene toelichting hierboven.

 

Artikel 3

Dit artikel regelt enkele algehele vrijstellingen van de vergunningplicht, zonder nadere bijzondere voorwaarden. De strekking van de leden 1 en 2 zijn niet nieuw. Deze komen overeen met bestaande vrijstellingen uit de vorige keur die nog teruggaan tot de periode voor 2009, toen deze regels nog in de provinciale verordening opgenomen waren. Lid 3 is opgenomen met het oog op deregulering.

 

Artikel 4

Met graslandberegening wordt bedoeld het beregenen van percelen met gras die bedoeld zijn voor het houden of weiden van vee en daarmee vergelijkbaar agrarische gebruik. Graslandberegening is in die bedrijfsvoering bedoeld als een manier om voldoende ruwvoer voor vee te produceren.

Een bijzondere gebruiksvorm voor gras is het telen van graszoden. Deze teelt wordt vanwege zijn bijzondere aard niet als grasland beschouwd, maar wordt benaderd als een bijzondere vorm van akkerbouw. Het gaat daar immers niet om de productie voldoende gras voor ruwvoer (waar overigens ook alternatieven voor beschikbaar zijn), of voor het weiden van vee, maar om de teelt van een meer ‘hoogwaardig gewas’.

 

Voorheen gold voor graslandberegening een vergunningplicht met een zeer terughoudend vergunningenbeleid. Met deze algemene regel wordt nieuw beleid voor beregening uit grondwater ingevoerd. De pompcapaciteit en het gebied waarin wordt onttrokken zijn bepalend of een onttrekking wel of niet is vrijgesteld van de vergunningplicht. Voor de beschermde gebieden, attentiegebieden en zones rondom N2000-gebieden blijft het bestaande regime onverkort van kracht, dit betekent dat de bestaande vergunningen en de bestaande vergunningplicht met het bestaande vergunningenbeleid daar ongewijzigd blijven. Voor de overige gebieden wordt nieuw beleid ingevoerd waarbij meer flexibiliteit en meer gebruik van algemene regels centraal staat. De pompcapaciteit is medebepalend voor de vrijstelling van vergunningplicht en is zodanig gekozen dat deze nog steeds uitnodigt tot verantwoord grondwatergebruik. Immers, een agrariër zal een pomp niet langer in werking laten dan nodig is gezien de (brandstof)kosten en men zal dus naar verwachting niet langer beregenen dan noodzakelijk is.

 

Daarnaast zijn in de algemene regels enkele voorschriften opgenomen waaraan moet worden voldaan om ongewilde excessen of andere ongewenste effecten (zie ook artikel 7.18 Waterwet) te voorkomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een beperking van het aantal putten, gelet op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater via de bescherming van de scheidende lagen in de bodem. De hier gestelde grenswaarden zijn enerzijds afgestemd op wat in de praktijk bij een goede landbouwpraktijk past qua waterbehoefte. Er is gekeken naar de hoeveelheid water die men normaal gesproken voor een teelt zou onttrekken, met een marge voor verschillen in bedrijfsvoering. Omdat een onttrekkingsinrichting nooit een rendement van 100% kan hebben, is dit vervolgens verhoogd naar een pompcapaciteit die in de praktijk, gegeven de voorgeschreven grondwaterpakketten, in verreweg de meeste gevallen dat debiet kan leveren. Een agrariër met een normale en verantwoorde bedrijfsvoering kan hiermee uit de voeten. Aan de andere kant is de gestelde grens voor de pompcapaciteit wel zodanig gekozen dat deze nog steeds uitnodigt tot verantwoord grondwatergebruik. Immers, een agrariër zal een pomp niet langer in werking laten dan nodig is gezien de (brandstof)kosten en men zal dus naar verwachting niet langer beregenen dan noodzakelijk is. Afwijkingen van de algemene regel blijven zoals voorheen vergunningplichtig. Hierdoor blijft toetsing (en dus maatwerk) in afwijkende gevallen mogelijk.

 

Op de kaart bij de algemene regels als bedoeld in artikel 1 van de algemene regels zijn tevens invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden Natura 2000 aangewezen waarvoor de algemene regels niet gelden (en die dus vergunningplichtig blijven op grond van de keur). Dit zijn gebieden rond Natura 2000-gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet kan worden uitgesloten. In deze gebieden kan een agrariër die grondwater wil gaan onttrekken naast een watervergunning, tevens een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig hebben. Hiervoor is het waterschap echter geen bevoegd gezag.

 

Voor de overige gebieden word nieuw beleid ingevoerd waarbij meer flexibiliteit en meer gebruik van algemene regels centraal staat. Een overgangsregeling stimuleert vergunninghouders (grasland maar ook akker- en tuinbouw en boomteelt) om op termijn een keuze te maken over hoe zij omgaan met water op hun bedrijf.

Bij het van toepassing worden van de algemene regel blijven de rechtsgevolgen van de vergunning gewoon bestaan en houdt de vergunning voor de houder daarvan betekenis. Dit is alleen anders als dat bij wettelijk voorschrift wordt geregeld/bepaald. Dit pleit voor het opnemen van een overgangsregeling waarin een termijn is opgenomen waarna een vergunning van rechtswege komt te vervallen. De leden 3, 4 en 5 voorzien in een dergelijke overgangsregeling.

 

Artikel 5

Gelijk aan het nieuwe beleid voor graslandberegening wordt ook meer flexibiliteit per algemene regel ingevoerd voor de akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt. Dit artikel volgt dezelfde opbouw en redenatie, maar is aangepast aan de landbouwpraktijk behorende bij akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt. Onder akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt wordt niet verstaan glastuinbouw, substraatteelten (zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer), en dergelijke. Onder onttrekkingen voor beregening wordt in dit artikel ook verstaan onttrekking ten behoeve van nachtvorstbestrijding.

 

Artikel 6

Tot op heden waren brandblusvoorzieningen (voorheen ‘noodvoorzieningen’ geheten en in richtlijnen voor de brandweerzorg ook wel bluswatervoorziening geheten) vrijgesteld van de vergunningplicht, mits de put niet dieper was dan 30 meter. Bij die vrijstelling gelden wel twee kanttekeningen. De eerste is dat brandblusvoorzieningen nog steeds onder de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen vielen. Er was dan wel geen vergunning nodig, maar er golden toch nog steeds regels. Ten tweede werd toen deze regels opgesteld werden nog beduidend minder vaak naar grondwater uitgeweken voor de bluswatervoorziening dan thans. De oorzaak ligt in aangescherpte landelijke regelgeving voor bluswatervoorzieningen. Die aangescherpte regels leiden in de praktijk al langer tot een toename van het aantal noodvoorzieningen die dieper dan 30 meter moeten zijn, omdat anders de wettelijk voorgeschreven debieten bluswater niet gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent op zijn beurt dat het aantal diepe putten en daarmee doorboringen van scheidende lagen verder zal toenemen. Voortzetting van de vergunningplicht zoals deze voorheen gold, heeft geen meerwaarde omdat, gezien de landelijke regelgeving, het weigeren van een vergunning na een eenvoudige toetsing eigenlijk niet meer aan de orde is. Het is dan ook effectiever om betere randvoorwaarden te stellen via algemene regels dan tot nu toe gebruikelijk was. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het tegengaan van misbruik van brandblusvoorzieningen voor ander gebruik. Een brandblusvoorziening is immers alleen bedoeld voor incidenteel gebruik door de brandweer of voor een sprinklerinstallatie, waarbij het regulier spuien ten behoeve van het onderhoud van de put is inbegrepen. Een brandblusvoorziening is echter nadrukkelijk niet bedoeld voor bijv. beregening. Misbruik wordt ondervangen door aan te sluiten bij de landelijk geldende normen voor brandblusvoorzieningen. Die normen zijn bedoeld om het gebruik door de brandweer of een sprinklerinstallatie, en om de leveringszekerheid van voldoende bluswater te waarborgen. Deze eisen omvatten onder andere het soort aansluiting voor brandslangen, bereikbaarheid, afdichting en het beheer en onderhoud van de put. Deze eisen zorgen er bijna vanzelf voor dat een ander gebruik niet mogelijk is. In de algemene regels is dan ook een clausule opgenomen dat een onttrekkingsput bedoeld voor de brandweer of een sprinklerinstallatie slechts een brandblusvoorziening is als bedoeld in de algemene regels, als deze ook daadwerkelijk aan die landelijke regels voldoet.

 

Mocht een brandblusvoorziening toch anders aangelegd moeten worden dan de algemene regels toestaan, met name een grotere diepte dan in de algemene regels is opgenomen (om aan de leveringszekerheid te kunnen voldoen van de wettelijk voorgeschreven debieten bluswater), dan geldt nog steeds een vergunningsplicht zodat specifieke toetsing naar de noodzakelijkheid mogelijk is.

In vergunningen en algemene regels is veelal bepaald dat een onttrekkingsinrichting (en daar maakt de put deel van uit) alleen voor het doel aangewend mag worden waarvoor deze bedoeld was. Bijvoorbeeld een beregeningsput mag alleen voor beregening gebruikt worden. Dit betekent echter niet dat bijvoorbeeld een beregeningsput niet als brandblusvoorziening gebruikt mag worden door de brandweer, ook al is hier niet specifiek in voorzien in de algemene regels of vergunningsvoorwaarden. De wettelijke basis is dan artikel 62 lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s die bepaald dat de brandweer bevoegd is alle benodigde uitrustingsstukken en hulpmiddelen ter plaatse zodanig te gebruiken als zij noodzakelijk achten voor een goede vervulling van hun taak. In de algemene regels is hiervoor dan ook geen nadere regel opgenomen.

 

Artikel 7

Dit artikel regelt vrijstelling van vergunningplicht voor tijdelijke bronbemalingen in beginsel zoals dat voorheen in de keur en daarvoor in de provinciale verordening geregeld was. Ook lid 2 kent zijn oorsprong in de voormalige keur en de daarvoor geldende provinciale verordening. Onttrekkingen met een langere duur en/of een groter debiet en met een ander doel dan in de algemene regel is aangegeven, blijven vergunningplichtig. . Bij het formuleren van de algemene regel is voor het debiet en de tijdsduur aansluiting gezocht bij wat in de praktijk gangbaar en acceptabel is qua werkdruk en grondwatergebruik. In lid 1 onder a is specifiek bronbemaling geregeld met een maximum aan hoeveelheid en tijdsduur. Hierbij kan gedacht worden aan sleufbemaling, bronbemaling van korte duur ten behoeve van reparatie of inspectie van ondergrondse leidingen en installaties en bemalingen ten behoeve van onderzoek voor het bepalen van o.a. de doorlatendheid of funderingsonderzoek. In lid 1 onder b worden bronbemalingen voor het droog houden van een bouwput of ten behoeve van bodemsanering geregeld. Hierin wordt vrijstelling gegeven voor bronneringen in Beschermd gebied mits het water ter plaatse wordt teruggebracht in de bodem. Dit wordt verantwoord geacht gezien het feit er volledige retournering in de bodem van het onttrokken water dient te geschieden waardoor de onttrekking effectief geen invloed heeft. Hiermee is de beoogde standstill ten behoeve van verdrogingsbestrijding in deze gebieden nog steeds afdoende geborgd.

 

Artikel 8

Dit artikel regelt volgens dezelfde opbouw als artikel 7 de vrijstelling van vergunningplicht specifiek voor grondwatersaneringen. De enige noviteit ten opzichte van de regels zoals deze voorheen in de keur opgenomen waren, is het gebruik van het begrip grondwatersaneringen in plaats van grondsanering omdat dit duidelijker en landelijk gebruikelijk is. Bodemsaneringen vallen onder artikel 7.

 

Artikel 9

Lid 1 en 2 zijn een omzetting van de bestaande regels uit de keuren en de voorgaande algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. Wat in deze leden anders is dan voorheen, is dat aansluiting gezocht is bij de wettelijke eisen krachtens het Besluit Bodemkwaliteit. Voorheen werden via de algemene voorschriften regels gesteld voor de wijze waarop putten aangebracht, beheerd en verwijderd moesten worden, inclusief regels voor de te overleggen gegevens in de melding. Ondertussen voorziet het Protocol mechanisch boren krachtens het Besluit Bodemkwaliteit daar in. Zo is geregeld dat putten alleen door een erkend bedrijf aangelegd mogen worden en dat er boorstaten aangeleverd dienen te worden, voorzien van nadere gegevens over bijvoorbeeld de exacte plaats van de put. In het Protocol mechanisch boren wordt deze rapportage (die bij de melding krachtens het Besluit bodemkwaliteit moet worden ingediend) aangeduid met de term ‘beschrijving van het veldwerk’. Het volstaat dan ook om hier als regel te stellen dat de melding die men krachtens het Besluit bodemkwaliteit bij het bevoegd gezag dient in te dienen, tevens bij het waterschap moet worden ingediend.

 

Artikel 10

  • *

    Scheidende laag: deze begripsbepaling sluit aan op de begrippen die krachtens het Besluit Bodemkwaliteit gebruikt worden.

  • *

    Watervoerend pakket: dit wordt in de bodemkunde ook wel aquifer genoemd.

  • *

    Veldwerkverslag: dit begrip is overgenomen uit het Protocol Mechanisch Boren welke krachtens het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing is op het slaan van putten. In dit veldwerkverslag behoord onder andere opgenomen te zijn, de XY-coördinaten van de boorlocatie en bereikte boordiepte, de bodemopbouw (boorstaat) en de toegepaste aanvullingsmaterialen en de diepte waarop deze zijn toegepast.

  • *

    Sleufbemaling: Sleufbemalingen worden meestal uitgevoerd in het kader van de aanleg van kabels of leidingen.