Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019

Het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest:

gelet op de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet (Stb. 2007, nr. 208) en het

Reglement voor het waterschap Noorderzijlvest;

 

B E S L U I T :

 

Vast te stellen de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019:

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    kosten: netto-kosten van de kostendrager watersysteembeheer zoals opgenomen in de begroting van het waterschap en die gedekt worden met behulp van de watersysteem-heffing;

  • b.

    gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciaal regle-ment behorende kaart waarin het waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen;

  • c.

    ingezetenen: degenen die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats hebben in het gebied van het waterschap en aldaar gebruik hebben van woonruimte;

  • d.

    zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn in het gebied van het waterschap;

  • e.

    zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het waterschap het genot hebben van natuurterreinen;

  • f.

    zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

  • g.

    buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen.

 

Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer

  • 1.

    De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt toegedeeld:

  • a.

    30,00% aan de ingezetenen;

  • b.

    19,10% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

  • c.

    0,30% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;

  • d.

    50,60% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.

  • 2.

    De waarde van de onroerende zaken bedoeld in het vorige artikellid, onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde die de onroerende zaken op de waardepeildatum hebben naar de staat en hoedanigheid waarin zij op die datum verkeren.

  • 3.

    De waardepeildatum is 1 januari 2017.

 

Artikel 3  Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing

In afwijking van het bepaalde in artikel 2, worden de kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en de kosten van de verkiezing van de leden van het Algemeen Bestuur, voor zover die worden toegerekend aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in de begroting van enig belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken kosten. 

 

Artikel 4  Tariefdifferentiatie Buitendijks gelegen onroerende zaken

Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor gebouwde onroerende zaken wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd dat 75% lager is dan het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor elk van deze categorieën geldt. 

 

Artikel 5  Tariefdifferentiatie Verharde openbare wegen

Voor verharde openbare wegen wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd dat 100% hoger is dan het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, geldt. 

 

Artikel 6  Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

  • 1.

    De kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid van deze bepaling genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking.

  • 3.

    Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2019.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019

  •  

Aldus besloten in de vergadering

van het Algemeen Bestuur van het

waterschap Noorderzijlvest, gehouden

op 19 September 2018 te Groningen.

 

Het Algemeen Bestuur:

 

Bert Middel, dijkgraaf

Wim Brenkman, secretaris-directeur

 

Toelichting op de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019.

ALGEMEEN

  • 1.

    Wettelijke basis

    Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet (Stb. 2007, 208) moet het algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening vast-stellen,waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Het waterschap kan bij deze kostentoedelingsverordening bepalen dat kosten van heffing en invordering en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van heffingplichtigen. Het waterschap kan ook gebruik maken van de mogelijkheid om tarieven te differentiëren. Deze mogelijkheid is in artikel 122 van de Waterschapswet opgenomen. Een eventuele tariefdifferentiatie moet in de kostentoedelingsverordening worden geregeld. De kostentoedelingsverordening moet ten minste eenmaal in de vijf jaren worden herzien. De kostentoedelingsverordening van waterschap Noorderzijlvest wordt ter kennisname verstuurd aan de provincies Friesland, Groningen en Drenthe.

     

  • 2.

    Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven

    De wijze waarop de kosten van de taakuitoefening aan de categorieën van heffingplichtigen worden toegedeeld, is wettelijk vastgelegd. Ingevolge het tweede lid van artikel 120  Waterschapswet wordt de toedeling van het kostendeel aan de categorie ingezetenen bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap.

    De toedeling van kosten aan de overige drie heffingplichtige categorieën (ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken) vindt ingevolge het vierde lid van deze bepaling plaats aan de hand van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. Deze wijze van kostentoedeling staat bekend als de methode Delfland.

     

  • 3.

    Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen.

    De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer. Afhankelijk van de inwonerdichtheid wordt aan de ingezetenen tenminste 20% en ten hoogste 50% van de kosten van het watersysteembeheer toegedeeld.

    De toedeling is als volgt:

  • -

    bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;

  • -

    bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan 1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%;

  • -

    bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. 

    Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap.

     

3.1 Ingezetenenaandeel

Het algemeen bestuur van een waterschap kan de hiervoor genoemde maximale kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is in het derde lid van artikel 120 van de Waterschapswet geregeld. Blijkens de wetsgeschiedenis kan verhoging in bijzondere omstandigheden plaatsvinden.

Als voorbeeld zijn daarbij twee situaties genoemd, namelijk de situatie waarin in het gebied van het waterschap een relatief groot aantal natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het gebied van het waterschap sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. De Waterschapswet zegt echter in beide gevallen niet wat hieronder moet worden verstaan. Tot natuurterreinen worden in verband met het bepaalde in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet, ook bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare gerekend. Het verhogen van het maximale ingezetenenaandeel behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. Bij de besluitvorming over een eventuele ophoging van het ingezetenenaandeel kunnen ook andere bestuurlijke overwegingen een rol spelen.

 

Noorderzijlvest kent een inwonerdichtheid van circa 246/km2. Daarnaast heeft het bestuur de wettelijke vrijheid om het genoemde maximale kostentoedelingspercentage, met maximaal 10% te verhogen. Volgens een uitspraak van de Raad van State ) hebben de waterschappen een vrij grote autonomie als het om het verhogen van het kostenaandeel voor de ingezetenen gaat. Waterschappen zullen de eventuele extra verhoging wel altijd moeten motiveren.

Met deze kostentoedelingsverordening wordt het aandeel ingezetenen verhoogd van 25% naar 30%. Aan de hand van de inwonerdichtheid komt het aandeel ingezetenen rekenkundig gezien (binnen de gegeven bandbreedte van 20%-30%) uit op circa 25%. Het argument voor een hoger aandeel is dat er door het waterschap steeds meer kosten worden gemaakt die het algemeen belang dienen en daardoor direct zijn te relateren aan inwoners i.c. ingezetenen. Bij de ingezetenen gaat het dus om een algemeen taakbelang, dat wordt gekenmerkt doordat het subject– of persoonsgericht is. Dit belang bestaat hierin dat een ingezetene ongestoord kan wonen, werken en recreëren, en zich vrijelijk kan verplaatsen in het gebied van het waterschap. De werkzaamheden die het waterschap uitvoert en de kosten die hiermee gemoeid zijn dragen dus steeds meer bij aan dit algemene taakbelang. Dit algemeen taakbelang komt tot uitdrukking in het feit dat alle huishoudens een gelijk bedrag betalen aan deze voorzieningen. De maatregelen van het waterbeheer richten zich in toenemende mate op de waterveiligheid (versterken en verhogen waterkeringen, aanleg waterbergingsgebieden, vergroten van gemalen), het klimaatbestendig waterbeheer, innovatie en duurzaamheid. Dit is een belangrijk argument om het kostentoedelingspercentage voor ingezetenen te verhogen.

 

4. Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke categorieën

Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald, worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt ingevolge het bepaalde in artikel 120, vierde lid, Waterschapswet, plaats op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. In het Waterschapsbesluit (Stb. 2007, 497) zijn over de waardebepaling nadere regels gesteld. De onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën is bepalend voor de kostentoedeling.

   

4.1 Waardebepaling en waardepeildatum

De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de

staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10, eerste lid, van het

Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en voor andere ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, uitdrukkelijk bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken was een dergelijke expliciete regeling in het Waterschapsbesluit niet nodig, omdat voor de waardebepaling van deze categorie wordt aangesloten bij de WOZ-gegevens en in de Wet WOZ al geldt dat de waarde naar de hoedanigheid en de staat van de onroerende zaken

op de waardepeildatum moet worden bepaald.

 

Ingevolge artikel 6.10, tweede lid, van het Waterschapsbesluit, ligt de waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft.

 

In de onderhavige kostentoedeling is uit praktische overwegingen gekozen voor de waardepeildatum 1 januari 2017. Zo moet rekening worden gehouden met het feit dat de waardegegevens van gebouwde onroerende zaken via de WOZ-gegevensleveringen van de gemeenten beschikbaar komen. Deze gegevens ‘ijlen’ één jaar na. De WOZ-waarden die naar de waardepeildatum 1 januari 2018 zijn vastgesteld, komen naar verwachting aan het eind van het 2e kwartaal van 2018 beschikbaar. Dit is met het oog op een ordentelijke vaststelling en goedkeuring van de onderhavige kostentoedelingsverordening te laat. Een soortgelijke redenering geldt voor de waardegegevens van landbouwgronden die via de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van LNV beschikbaar komen.

Daarom wordt voor de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019 van de waardepeildatum 1 januari 2017 uitgegaan. De waardepeildatum is voor alle categorieën (ongebouwd, natuur en gebouwd) gelijk.

 

De waardepeildatum is het moment waarnaar de waarde van de onroerende zaken ten behoeve van de kostentoedeling wordt bepaald. Dat wil zeggen dat in het proces van kostentoedeling geen rekening wordt gehouden met wijzigingen die zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken hebben voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum (in dit geval 1-1-2017) en het begin van het eerste belastingjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft (1-1-2019). Bouwpercelen die na de waardepeildatum worden bebouwd, worden voor de kostentoedeling als ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterrein) in aanmerking genomen en zal landbouwgrond die na de waardepeildatum is omgevormd tot natuur of tot bouwgrond, nog wel als landbouwgrond in de waardebepaling worden meegenomen.  

 

5. Natuurterreinen

Natuurterreinen vormen vanaf 2009 binnen de kostentoedeling (en de belastingheffing) een afzonderlijke categorie. Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake is van een natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren worden bij wetsfictie mede als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat deze objecten een oppervlakte van ten minste één hectare hebben.

 

6. Relatie met het Jaarplan (begroting) van het waterschap

In het jaarplan van het waterschap worden de te maken kosten geraamd en gegroepeerd naar de taken van het waterschap: Watersysteembeheer en Zuiveringsbeheer. Alle kosten van Watersysteembeheer worden gefinancierd door middel van watersysteemheffingen. In deze kostentoedelingsverordening wordt vastgelegd welk percentage van de kosten van de watersysteemtaak door welke van de vier categorieën moet worden opgebracht.

 

7. De watersysteemtaak

De watersysteemtaak omvat de taken van het waterschap op het gebied van het waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren, voor zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het transporteren en/of behandelen van afvalwater.

De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap in het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet het reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het waterschap derhalve, inclusief eventuele buiten-dijkse gebieden. Omdat de watersysteemtaak in het gehele waterschapsgebied wordt

uitgeoefend, komen gebieden zonder enig belang niet voor.

 

8. Tariefdifferentiatie

In artikel 122 van de Waterschapswet wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie geboden. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever deze regeling opgenomen omdat zij niet voorbij heeft willen gaan aan het feit dat het belang bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende zaken duidelijk anders kan liggen dan dat van andere onroerende zaken. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen inzake de tariefdifferentiatie een bestuurlijke vrijheid hebben.

Het uitgangspunt dat in artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per heffingsmaatstaf gelijk is. De regeling van de tariefdifferentiatie brengt hierin verandering, omdat in dat geval geen sprake meer is van gelijke tarieven per heffingsmaatstaf, maar van tarieven die naar gelang de situatie hoger of lager kunnen zijn vastgesteld. De situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief in de Waterschapswet genoemd. Ook de mate waarin kan worden gedifferentieerd is in de Waterschapswet vastgelegd.

Tariefdifferentiatie is ingevolge artikel 122 uitsluitend in de volgende gevallen en binnen de volgende marges mogelijk:

  • 1.

    buitendijks gelegen onroerende zaken (maximaal 75% lager tarief);

  • 2.

    onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als waterberging worden gebruikt (maximaal 75% lager tarief);

  • 3.

    onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden (maximaal 100% hoger tarief);

  • 4.

    onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan (maximaal 100% hoger tarief);

  • 5.

    verharde openbare wegen (maximaal 100% hoger tarief).  

     

De tariefdifferentiatie wegen is door waterschap Noorderzijlvest per 1 januari 2014 ingevoerd. De verhoging van de tariefdifferentiatie wegen tot 400 % is alleen toegestaan voor waterschappen die deze tariefdifferentiatie voor 1 juli 2012 al hadden ingevoerd. Dit behoort voor Noorderzijlvest dus niet tot de mogelijkheid.

Het algemeen bestuur is niet tot differentiëren van tarieven verplicht. De differentiaties kunnen blijkens het vierde lid van artikel 122 Waterschapswet naast elkaar worden toegepast.

 

In de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Noorderzijlvest 2019 is vastgelegd dat er twee tariefdifferentiaties worden toegepast, te weten

  • 1.

    voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen natuur terreinen zijn en voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende zaken;

  • 2.

    voor verharde openbare wegen.

 

Naar boven