Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2018, 2Verdrag

4 (1994) Nr. 5

A. TITEL

Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens;

Brussel, 9 februari 1994

Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummers 005378 en 013408 in de Verdragenbank.

B. TEKST

Op 6 december 2017 is te Brussel een Protocol tot wijziging van het Verdrag tot stand gekomen. De Nederlandse en de Franse tekst1) van het Protocol luiden als volgt:


Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens overeenkomstig Richtlijn 2011/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden,

Partijen bij het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, zoals gewijzigd bij het Protocol van 18 september 1997 inzake de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot bovengenoemd Verdrag, het Protocol van 22 maart 2000 ter uitvoering van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, en het Protocol van 21 oktober 2010 ter voldoening aan Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen en de introductie van een papierloos vignetsysteem, hierna te noemen „het Verdrag”;

Gelet op het aannemen van Richtlijn 2011/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, hierna te noemen „de Richtlijn”;

Gelet op de diplomatieke nota van 25 juni 2015 van het Koninkrijk België betreffende de beslissing het heffen van het gemeenschappelijk gebruiksrecht op het Belgische grondgebied te beëindigen en de diplomatieke nota’s betreffende de verdeling van inkomsten die de Regeringen van Denemarken, Luxemburg, Nederland en Zweden bij de Europese Commissie hebben ingediend op respectievelijk 30 maart 2016, 16 februari 2016, 24 februari 2016 en 15 december 2015;

Gelet op de diplomatieke nota van 27 maart 2017 van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de opzegging van het Verdrag met ingang van 1 januari 2018, waardoor de Bondsrepubliek Duitsland geen verdragsluitende partij meer is vanaf 1 januari 2018;

Overwegend dat het de intentie is van het Koninkrijk Denemarken, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden de maximumtarieven in rekening te brengen zoals voorzien in bijlage II bij de Richtlijn met bijzondere bepalingen voor EURO V en EURO VI;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

In de eerste overweging van de preambule bij het Verdrag worden de woorden „zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006” vervangen door de woorden „zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn 2011/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011”.

Artikel 2

Artikel 2 van het Verdrag wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid worden de woorden „zoals gewijzigd bij Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006” vervangen door de woorden „zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn 2011/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011”.

2. Het tweede lid wordt vervangen als volgt:

  • „2. In dit Verdrag hebben de onderstaande begrippen de volgende betekenis:

    „grondgebied van de verdragsluitende partijen”: het onderscheiden Europese grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden;

    „voertuig”: een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer over de weg van goederen en waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht minimaal 12 ton bedraagt, overeenkomstig artikel 2, punt d, en artikel 7, vijfde lid, van de Richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2011/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011.”.

Artikel 3

In artikel 3, eerste lid, van het Verdrag worden de woorden „artikel 7, tweede lid, punt (a)” vervangen door de woorden „artikel 7, vijfde lid”.

Artikel 4

In de artikelen 4, 6, 11 en 14 van het Verdrag worden de woorden „Commissie van de Europese Gemeenschappen” telkens vervangen door de woorden „ Europese Commissie”.

Artikel 5

In artikel 8 van het Verdrag worden de leden 1 tot en met 4 vervangen als volgt:

  • „1) Tot en met 31 december 2019 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één jaar voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      1.407 euro

      b. EURO I

      1.223 euro

      c. EURO II

      1.065 euro

      d. EURO III

      926 euro

      e. EURO IV

      842 euro

      f. EURO V of schoner

      750 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      2.359 euro

      b. EURO I

      2.042 euro

      c. EURO II

      1.776 euro

      d. EURO III

      1.543 euro

      e. EURO IV

      1.404 euro

      f. EURO V of schoner

      1.250 euro

    Vanaf 1 januari 2020 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één jaar voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      1.407 euro

      b. EURO I

      1.223 euro

      c. EURO II

      1.065 euro

      d. EURO III

      926 euro

      e. EURO IV

      842 euro

      f. EURO V

      796 euro

      g. EURO VI of schoner

      750 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      2.359 euro

      b. EURO I

      2.042 euro

      c. EURO II

      1.776 euro

      d. EURO III

      1.543 euro

      e. EURO IV

      1.404 euro

      f. EURO V

      1.327 euro

      g. EURO VI of schoner

      1.250 euro

  • 2) Tot en met 31 december 2019 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één maand voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      140 euro

      b. EURO I

      122 euro

      c. EURO II

      106 euro

      d. EURO III

      92 euro

      e. EURO IV

      84 euro

      f. EURO V of schoner

      75 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      235 euro

      b. EURO I

      204 euro

      c. EURO II

      177 euro

      d. EURO III

      154 euro

      e. EURO IV

      140 euro

      f. EURO V of schoner

      125 euro

    Vanaf 1 januari 2020 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één maand voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      140 euro

      b. EURO I

      122 euro

      c. EURO II

      106 euro

      d. EURO III

      92 euro

      e. EURO IV

      84 euro

      f. EURO V

      79 euro

      g. EURO VI of schoner

      75 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      235 euro

      b. EURO I

      204 euro

      c. EURO II

      177 euro

      d. EURO III

      154 euro

      e. EURO IV

      140 euro

      f. EURO V

      132 euro

      g. EURO VI of schoner

      125 euro

  • 3) Tot en met 31 december 2019 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één week voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      37 euro

      b. EURO I

      32 euro

      c. EURO II

      28 euro

      d. EURO III

      24 euro

      e. EURO IV

      22 euro

      f. EURO V of schoner

      20 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      62 euro

      b. EURO I

      54 euro

      c. EURO II

      47 euro

      d. EURO III

      41 euro

      e. EURO IV

      37 euro

      f. EURO V of schoner

      33 euro

    Vanaf 1 januari 2020 bedraagt het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één week voor voertuigen:

    • 1. met ten hoogste drie assen:

      a. NIET-EURO

      37 euro

      b. EURO I

      32 euro

      c. EURO II

      28 euro

      d. EURO III

      24 euro

      e. EURO IV

      22 euro

      f. EURO V

      21 euro

      g. EURO VI of schoner

      20 euro

    • 2. met vier of meer assen:

      a. NIET-EURO

      62 euro

      b. EURO I

      54 euro

      c. EURO II

      47 euro

      d. EURO III

      41 euro

      e. EURO IV

      37 euro

      f. EURO V

      35 euro

      g. EURO VI of schoner

      33 euro

  • 4) Het gebruiksrecht met inbegrip van administratiekosten voor één dag is gelijk voor alle voertuigklassen en bedraagt 12 euro.”.

Artikel 6

Artikel 13, derde lid, derde alinea, van het Verdrag wordt vervangen als volgt:

„De aldus vastgestelde inkomsten uit het gebruiksrecht worden als volgt onder de verdragsluitende partijen verdeeld:

  • Het Koninkrijk Denemarken ontvangt 20,456 % van de inkomsten.

  • Het Groothertogdom Luxemburg ontvangt 5,226 % van de inkomsten.

  • Het Koninkrijk der Nederlanden ontvangt 45,989 % van de inkomsten.

  • Het Koninkrijk Zweden ontvangt 28,329 % van de inkomsten.”

Artikel 7

In artikel 15 van het Verdrag worden de woorden „overeenkomstig artikel 182 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen” vervangen door de woorden „overeenkomstig artikel 273 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie”.

Artikel 8

In artikel 20 van het Verdrag wordt het jaartal „2019” vervangen door het jaartal „2029”.

Artikel 9

  • 1. Aangezien het Koninkrijk België afziet van het heffen van het gemeenschappelijk gebruiksrecht overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag, zal de ondertekening van de Belgische regering niet langer van toepassing zijn op de bepalingen die rechtstreeks verband houden met het gemeenschappelijk gebruiksrecht zelf.

  • 2. De ondertekening van het Koninkrijk België is niet van toepassing op artikel 5.

Artikel 10

  • 1. Met uitzondering van artikel 5, treedt dit Protocol in werking op de eerste dag van de maand na de laatste van de data waarop de onderscheiden Regeringen het Secretariaat-generaal van de Raad langs diplomatieke weg schriftelijk hebben medegedeeld dat de in hun onderscheiden staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld.

  • 2. De Depositaris doet de Regeringen van alle verdragsluitende partijen de in het eerste lid bedoelde mededelingen toekomen en deelt hun de datum van de inwerkingtreding van dit Protocol mede.

  • 3. Artikel 5 treedt in werking op 1 januari of 1 juli, naargelang van welke datum eerder valt, na het verstrijken van een termijn van ten minste twee maanden na de datum waarop dit Protocol in werking treedt, evenwel niet eerder dan 1 juli 2018. De in artikel 5 vermelde tarieven zijn niet met terugwerkende kracht van toepassing.

GEDAAN te Brussel 6 december 2017 in de Deense, de Duitse, de Franse, de Nederlandse en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn, in één oorspronkelijk exemplaar, dat wordt nedergelegd in het archief van het Secretariaat-generaal van de Raad; het Secretariaat-generaal doet iedere verdragsluitende partij een voor eensluidend gewaarmerkte kopie toekomen.



Protocole modifiant l’Accord du 9 février 1994 relatif à la perception d’un droit d’usage pour l’utilisation de certaines routes par des véhicules utilitaires lourds conformément à la Directive 2011/76/UE du Parlement européen et du Conseil du 27 septembre 2011 modifiant la Directive 1999/62/CE relative à la taxation des poids lourds pour l’utilisation de certaines infrastructures

Les Gouvernements du Royaume de Belgique, du Royaume du Danemark, du Grand-Duché de Luxembourg, du Royaume des Pays-Bas et du Royaume de Suède ;

Parties contractantes à l’Accord du 9 février 1994 relatif à la perception d’un droit d’usage pour l’utilisation de certaines routes par des véhicules utilitaires lourds, tel que modifié par le Protocole du 18 septembre 1997 relatif à l’adhésion du Royaume de Suède à l’accord précité, le Protocole du 22 mars 2000 visant à appliquer la Directive 1999/62/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 1999 relative à la taxation des poids lourds pour l’utilisation de certaines infrastructures, et le Protocole du 21 octobre 2010 visant à appliquer la Directive 2006/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 modifiant la directive 1999/62/CE relative à la taxation des poids lourds pour l’utilisation de certaines infrastructures et à introduire un système de « paperless vignette », ci-après dénommé « l’Accord » ;

Vu l’adoption de la Directive 2011/76/UE du Parlement européen et du Conseil du 27 septembre 2011 modifiant la Directive 1999/62/CE relative à la taxation des poids lourds pour l’utilisation de certaines infrastructures, ci-après dénommée « la Directive » ;

Vu la note diplomatique notifiée le 25 juin 2015 par le Royaume de Belgique concernant la décision de renoncer à la perception du droit d’usage commun sur le territoire belge et les notes diplomatiques concernant la répartition du produit que les Gouvernements du Danemark, du Luxembourg, des Pays-Bas et de la Suède ont soumises à la Commission européenne respectivement les 30 mars 2016, 16 février 2016, 24 février 2016 et 15 décembre 2015 ;

Vu la note diplomatique de la République fédérale d’Allemagne du 27 mars 2017 concernant la dénonciation de l’Accord qui prend effet au 1er janvier 2018, par laquelle la République fédérale d’Allemagne ne sera plus partie signataire de l’Accord à partir du 1er janvier 2018 ;

Considérant que l’intention du Royaume du Danemark, du Grand-Duché de Luxembourg, du Royaume des Pays-Bas et du Royaume de Suède est d’appliquer les taux maximaux fixés à l’Annexe II de la Directive avec des dispositions particulières pour EURO V et EURO VI ;

sont convenus de ce qui suit :

Article 1er

Au premier considérant du préambule de l’Accord, les mots « telle que modifiée en dernier lieu par la Directive 2006/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 » sont remplacés par les mots « telle que modifiée en dernier lieu par la Directive 2011/76/UE du Parlement européen et du Conseil du 27 septembre 2011 ».

Article 2

L’article 2 de l’Accord est modifié comme suit :

1. Au premier paragraphe, les mots « telle que modifiée par la Directive 2006/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 » sont remplacés par les mots « telle que modifiée en dernier lieu par la Directive 2011/76/UE du Parlement européen et du Conseil du 27 septembre 2011 ».

2. Le deuxième paragraphe est remplacé par le texte suivant :

  • « 2. Aux fins du présent Accord, on entend par :

    « territoires des parties contractantes » : les territoires européens respectifs du Royaume du Danemark, du Grand-Duché de Luxembourg, du Royaume des Pays-Bas et du Royaume de Suède ;

    « véhicule » : un véhicule à moteur ou un ensemble de véhicules articulés prévu ou utilisé pour le transport par route de marchandises et d’un poids maximal en charge autorisé de 12 tonnes ou plus, conformément à l’article 2, alinéa d), et à l’article 7, paragraphe 5, de la Directive tel que modifiée par la Directive 2011/76/UE du Parlement européen et du Conseil du 27 septembre 2011. ».

Article 3

A l’article 3, paragraphe 1), de l’Accord, les mots « article 7, paragraphe 2, point a) » sont remplacés par les mots « article 7, paragraphe 5 ».

Article 4

Aux articles 4, 6, 11 et 14 de l’Accord, les mots « Commission des Communautés européennes » sont chaque fois remplacés par les mots « Commission européenne ».

Article 5

A l’article 8 de l’Accord, les paragraphes 1) à 4) sont remplacés par le texte suivant :

  • « 1) Jusqu’au 31 décembre 2019, le droit d’usage annuel, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      1.407 euros

      b. EURO I

      1.223 euros

      c. EURO II

      1.065 euros

      d. EURO III

      926 euros

      e. EURO IV

      842 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      750 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      2.359 euros

      b. EURO I

      2.042 euros

      c. EURO II

      1.776 euros

      d. EURO III

      1.543 euros

      e. EURO IV

      1.404 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      1.250 euros

    A partir du 1er janvier 2020, le droit d’usage annuel, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      1.407 euros

      b. EURO I

      1.223 euros

      c. EURO II

      1.065 euros

      d. EURO III

      926 euros

      e. EURO IV

      842 euros

      f. EURO V

      796 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      750 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      2.359 euros

      b. EURO I

      2.042 euros

      c. EURO II

      1.776 euros

      d. EURO III

      1.543 euros

      e. EURO IV

      1.404 euros

      f. EURO V

      1.327 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      1.250 euros

  • 2) Jusqu’au 31 décembre 2019, le droit d’usage mensuel, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      140 euros

      b. EURO I

      122 euros

      c. EURO II

      106 euros

      d. EURO III

      92 euros

      e. EURO IV

      84 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      75 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      235 euros

      b. EURO I

      204 euros

      c. EURO II

      177 euros

      d. EURO III

      154 euros

      e. EURO IV

      140 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      125 euros

    A partir du 1er janvier 2020, le droit d’usage mensuel, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      140 euros

      b. EURO I

      122 euros

      c. EURO II

      106 euros

      d. EURO III

      92 euros

      e. EURO IV

      84 euros

      f. EURO V

      79 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      75 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      235 euros

      b. EURO I

      204 euros

      c. EURO II

      177 euros

      d. EURO III

      154 euros

      e. EURO IV

      140 euros

      f. EURO V

      132 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      125 euros

  • 3) Jusqu’au 31 décembre 2019, le droit d’usage hebdomadaire, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      37 euros

      b.EURO I

      32 euros

      c. EURO II

      28 euros

      d. EURO III

      24 euros

      e. EURO IV

      22 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      20 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      62 euros

      b. EURO I

      54 euros

      c. EURO II

      47 euros

      d. EURO III

      41 euros

      e. EURO IV

      37 euros

      f. EURO V ou moins polluants

      33 euros

    A partir du 1er janvier 2020, le droit d’usage hebdomadaire, y compris les frais administratifs, s’élève pour les véhicules :

    • 1. jusqu’à trois essieux :

      a. NON-EURO

      37 euros

      b. EURO I

      32 euros

      c. EURO II

      28 euros

      d. EURO III

      24 euros

      e. EURO IV

      22 euros

      f. EURO V

      21 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      20 euros

    • 2. à quatre essieux ou plus :

      a. NON-EURO

      62 euros

      b. EURO I

      54 euros

      c. EURO II

      47 euros

      d. EURO III

      41 euros

      e. EURO IV

      37 euros

      f. EURO V

      35 euros

      g. EURO VI ou moins polluants

      33 euros

  • 4) Le droit d’usage journalier, y compris les frais administratifs, est fixé à 12 euros pour toutes les catégories de véhicules. ».

Article 6

L’article 13, paragraphe 3, alinéa trois, de l’Accord, est remplacé par le texte suivant :

« Le produit du droit d’usage ainsi déterminé est réparti de la façon suivante entre les parties contractantes :

  • Le Royaume du Danemark obtient 20,456 % de ce produit ;

  • Le Grand-Duché de Luxembourg obtient 5,226 % de ce produit ;

  • Le Royaume des Pays-Bas obtient 45,989 % de ce produit ;

  • Le Royaume de Suède obtient 28,329% de ce produit. ».

Article 7

A l’article 15 de l’Accord, les mots « Cour de justice des Communautés européennes, conformément à l’article 182 du Traité instituant la Communauté européenne » sont remplacés par les mots « Cour de justice de l’Union européenne, conformément à l’article 273 du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne ».

Article 8

A l’article 20 de l’Accord, le millésime « 2019 » est remplacé par le millésime « 2029 ».

Article 9

  • 1. Etant donné que le Royaume de Belgique renonce au prélèvement du droit d’usage commun conformément à l’article 17 de l’Accord, la signature du Gouvernement belge ne s’appliquera plus aux dispositions directement relatives au droit d’usage commun proprement dit.

  • 2. La signature du Royaume de Belgique ne s’applique pas à l’article 5.

Article 10

  • 1. A l’exception de l’article 5, le présent Protocole entre en vigueur le premier jour du mois suivant la dernière date à laquelle les Gouvernements respectifs ont notifié par écrit au Secrétariat général du Conseil par voie diplomatique que les exigences constitutionnelles nécessaires à son entrée en vigueur dans leurs Etats respectifs sont remplies.

  • 2. Le dépositaire transmet aux Gouvernements de toutes les parties contractantes à l’Accord les notifications visées au paragraphe 1er et les informe de la date d’entrée en vigueur du présent Protocole.

  • 3. L’article 5 entre en vigueur le 1er janvier ou le 1er juillet, selon la première date qui se présente à l’expiration d’un délai de deux mois au moins suivant l’entrée en vigueur du présent Protocole, et au plus tôt le 1er juillet 2018. Les taux prévus à l’article 5 ne s’appliquent pas de manière rétroactive.

FAIT à Bruxelles, le 6 décembre 2017 en langues danoise, néerlandaise, allemande, française et suédoise, chaque texte faisant également foi, dans un original qui sera déposé aux archives du Secrétariat général du Conseil ; le Secrétariat général transmet à chacune des Parties à l’Accord une copie certifiée conforme.


D. PARLEMENT

Het Protocol van 6 december 2017 behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Protocol kan worden gebonden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Protocol van 6 december 2017, met uitzondering van artikel 5, zullen ingevolge artikel 10, eerste lid, in werking treden op de eerste dag van de maand na de laatste van de data waarop de onderscheiden regeringen het Secretariaat-generaal van de Raad langs diplomatieke weg schriftelijk hebben medegedeeld dat de in hun onderscheiden staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld. Artikel 5 zal in werking treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, derde lid, van het Protocol.

Uitgegeven de elfde januari 2018.

De Minister van Buitenlandse Zaken, H. ZIJLSTRA


X Noot
1)

De Deense, de Duitse en de Zweedse tekst zijn niet opgenomen.