Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2010, 239Verdrag

92 (1995) Nr. 2

A. TITEL

Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

(met Bijlage)

Straatsburg, 31 januari 1995

B. TEKST

De Engelse en de Franse tekst van het Verdrag, met Bijlage, zijn geplaatst in Trb. 2010, 165.

In dat Tractatenblad dient in de Engelse tekst de volgende correctie te worden aangebracht.

Op blz. 18, in artikel 34, vijfde lid, dient tussen de eerste en de tweede alinea een witregel te worden ingevoegd en dient aan het begin van de tweede alinea, het nummer „6” te worden ingevoegd, voor de woorden „Any Party”.

In dat Tractatenblad dient in de Franse tekst de volgende correctie te worden aangebracht. Op blz. 38, in artikel 34, vijfde lid, dient tussen de eerste alinea en de tweede alinea een witregel te worden ingevoegd en dient aan het begin van de tweede alinea het nummer „6” te worden toegevoegd, voor de woorden „Toute Partie”.

C. VERTALING


Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

De lidstaten van de Raad van Europa, die hun instemming tot uitdrukking hebben gebracht te worden gebonden door het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, hierna te noemen „het Verdrag van Wenen”,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Overtuigd van de noodzaak een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op bescherming van de samenleving;

Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die een steeds groter internationaal probleem is geworden, een nauwe samenwerking vereist op internationaal niveau;

Geleid door de wens hun samenwerking zoveel mogelijk uit te breiden teneinde de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan, in overeenstemming met het internationale zeerecht en met volledige eerbiediging van het beginsel van vrijheid van scheepvaart;

Overwegende derhalve dat artikel 17 van het Verdrag van Wenen dient te worden aangevuld met een regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en de doeltreffendheid daarvan te vergroten,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

a. „tussenkomende staat”:

een staat die partij is en die een andere partij heeft verzocht dan wel voornemens is te verzoeken te worden gemachtigd om op grond van dit Verdrag maatregelen te nemen tegen een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van de andere staat die partij is;

b. „primaire rechtsmacht”,

wanneer een vlaggestaat alsmede een andere staat rechtsmacht heeft ten aanzien van een relevant strafbaar feit: het recht om zijn rechtsmacht bij voorrang uit te oefenen, met uitsluiting van de uitoefening van de rechtsmacht van de andere staat met betrekking tot het strafbare feit;

c. „relevant strafbaar feit”:

ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag van Wenen;

d. „vaartuig”:

een boot of schip van welke aard dan ook, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen en onderzeeërs.

HOOFDSTUK II INTERNATIONALE SAMENWERKING

TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 2 Algemene beginselen
  • 1. De partijen werken zoveel mogelijk samen om, in overeenstemming met het internationale zeerecht, de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan.

  • 2. Bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag zorgen de partijen ervoor dat hun optreden optimaal bijdraagt aan de doeltreffendheid van de dwangmiddelen ter bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee.

  • 3. Bij iedere maatregel die wordt genomen overeenkomstig dit Verdrag wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak om, in overeenstemming met het internationale zeerecht, geen inbreuk te maken op of afbreuk te doen aan de rechten en verplichtingen en de uitoefening van de rechtsmacht van kuststaten.

  • 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor inbreuk wordt gemaakt op het ne bis in idem beginsel, zoals dit in het nationale recht wordt toegepast.

  • 5. De partijen erkennen het nut van het verzamelen en uitwisselen van informatie over vaartuigen, ladingen en feiten, indien zij van mening zijn dat deze uitwisseling van informatie een andere partij zou kunnen helpen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan.

  • 6. De bepalingen van dit Verdrag laten de immuniteit van oorlogsschepen en andere staatsschepen die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt onverlet.

Artikel 3 Rechtsmacht
  • 1. Elke partij neemt de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten wanneer deze zijn begaan aan boord van een vaartuig dat haar vlag voert.

  • 2. Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert dan wel de nationaliteitskentekens toont of een andere nationaliteitsaanduiding voert van een andere partij bij dit Verdrag. Deze rechtsmacht kan slechts worden uitgeoefend in overeenstemming met dit Verdrag.

  • 3. Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig zonder nationaliteit of een vaartuig dat krachtens het internationale recht wordt gelijkgesteld met een vaartuig zonder nationaliteit.

  • 4. De vlaggestaat heeft primaire rechtsmacht met betrekking tot ieder relevant strafbaar feit dat is begaan aan boord van zijn schip.

  • 5. Elke staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dan wel op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de andere partijen bij dit Verdrag mededelen welke criteria hij voornemens is te hanteren met betrekking tot de uitoefening van zijn rechtsmacht op grond van het tweede lid van dit artikel.

  • 6. Iedere staat die geen oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen in dienst heeft, noch andere staatsschepen of -luchtvaartuigen die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt, waarmee hij zou kunnen optreden als tussenkomende staat in de zin van dit Verdrag, kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring mededelen dat hij het tweede en derde lid van dit artikel niet zal toepassen. Een staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, is verplicht deze in te trekken wanneer de omstandigheden die dit voorbehoud rechtvaardigen, niet meer bestaan.

Artikel 4 Bijstand aan de vlaggestaat
  • 1. Een partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat haar vlag voert, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, kan de bijstand van de andere partijen inroepen om een einde te maken aan het gebruik voor dat doel. De aldus aangezochte partijen verlenen deze bijstand met de middelen waarover zij beschikken.

  • 2. In zijn verzoek kan de vlaggestaat onder meer de aangezochte partij machtigen om, met inachtneming van alle voorwaarden of beperkingen die daaraan kunnen worden gesteld, alle of enkele van de in dit Verdrag genoemde maatregelen te nemen.

  • 3. Wanneer de aangezochte partij erin toestemt te handelen volgens de machtiging die haar door de vlaggestaat is verleend overeenkomstig het tweede lid, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende de rechten en plichten van de tussenkomende staat en de vlaggestaat, al naar gelang en indien niet anders is bepaald, onderscheidenlijk op de aangezochte partij en de verzoekende partij van toepassing.

Artikel 5 Vaartuigen zonder nationaliteit
  • 1. Een partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig zonder nationaliteit of dat krachtens het internationale recht wordt gelijkgesteld met een vaartuig zonder nationaliteit, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, doet hiervan mededeling aan de andere partijen die het meest rechtstreeks lijken te zijn betrokken en kan de bijstand van iedere partij inroepen om een einde te maken aan het gebruik voor dat doel. De aldus aangezochte partij verleent deze bijstand met de middelen waarover zij beschikt.

  • 2. Wanneer een partij overeenkomstig het eerste lid informatie heeft ontvangen, en optreedt, gaat zij na welke maatregelen daartoe geschikt zijn en oefent zij haar rechtsmacht uit ten aanzien van ieder relevant strafbaar feit dat eventueel is begaan door personen aan boord van het vaartuig.

  • 3. Iedere partij die maatregelen heeft genomen op grond van dit artikel, stelt de partij die de informatie heeft verstrekt of die haar bijstand heeft ingeroepen, zo spoedig mogelijk op de hoogte van de resultaten van alle maatregelen die zijn genomen ten aanzien van het vaartuig en van personen aan boord.

TITEL 2 MACHTIGINGSPROCEDURE
Artikel 6 Grondregels betreffende de machtiging

Wanneer de tussenkomende staat redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere partij dan wel een andere nationaliteitsaanduiding voert, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, kan de tussenkomende staat de vlaggestaat verzoeken te worden gemachtigd om het vaartuig aan te houden en om aan boord te gaan buiten de territoriale wateren van enige partij en enkele of alle van de andere in dit Verdrag genoemde maatregelen te nemen. Dergelijke maatregelen kunnen op grond van dit Verdrag niet worden genomen zonder de machtiging van de vlaggestaat.

Artikel 7 Besluit inzake het verzoek om machtiging

De vlaggestaat bevestigt onmiddellijk de ontvangst van het in artikel 6 bedoelde verzoek om machtiging en deelt zo spoedig mogelijk en, voor zover mogelijk binnen vier uur na ontvangst van het verzoek, mede welk besluit hij heeft genomen naar aanleiding van het verzoek.

Artikel 8 Voorwaarden
  • 1. Indien de vlaggestaat het verzoek inwilligt, kan deze machtiging worden onderworpen aan voorwaarden of beperkingen. In dergelijke voorwaarden of beperkingen kan met name worden bepaald dat de vlaggestaat uitdrukkelijk machtiging moet hebben verleend voordat de tussenkomende staat specifieke maatregelen neemt.

  • 2. Elke staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring verklaren dat hij, wanneer hij optreedt als tussenkomende staat, zijn tussenkomst afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de personen die zijn nationaliteit bezitten en die krachtens artikel 15 worden overgedragen aan de vlaggestaat en daar worden veroordeeld voor een relevant strafbaar feit, de mogelijkheid moeten hebben om te worden overgebracht naar de tussenkomende staat om de opgelegde straf te ondergaan.

TITEL 3 VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE MAATREGELEN
Artikel 9 Toegestane maatregelen
  • 1. Na de machtiging van de vlaggestaat te hebben ontvangen en met inachtneming van de eventuele krachtens artikel 8, eerste lid, daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen, kan de tussenkomende staat de volgende maatregelen nemen:

    • i.

      • a. het vaartuig aanhouden en aan boord gaan;

      • b. het vaartuig en iedere persoon aan boord onder zijn effectieve controle brengen;

      • c. alle in dit artikel onder ii) bedoelde maatregelen nemen die noodzakelijk worden geacht om vast te stellen of een relevant strafbaar feit is begaan en om het bewijsmateriaal dat daarop betrekking heeft in beslag te nemen;

      • d. het vaartuig en iedere persoon aan boord dwingen zich te doen begeleiden naar het grondgebied van de tussenkomende staat en het vaartuig vast te houden teneinde een nader onderzoek in te stellen;

    • ii. en, na het vaartuig onder zijn effectieve controle te hebben gebracht:

      • a. het vaartuig alsmede iedere persoon en ieder voorwerp aan boord, met inbegrip van de lading, aan een onderzoek onderwerpen;

      • b. iedere container openen of doen openen, testen uitvoeren en monsters nemen van alles wat zich aan boord bevindt;

      • c. iedere persoon aan boord verlangen om informatie omtrent hemzelf of omtrentiedervoorwerp dat zich aan boord bevindt;

      • d. eisen dat documenten, boeken of registers worden overgelegd die betrekking hebben op het vaartuig of personen of voorwerpen aan boord, en foto's nemen of kopieën maken van al datgene waarvan de overlegging kan worden geëist door de bevoegde autoriteiten;

      • e. alle aan boord van het vaartuig aangetroffen bewijsmiddelen of materiaal in beslag nemen, veiligstellen en bewaren.

  • 2. Iedere maatregel genomen krachtens het eerste lid van dit artikel laat onverlet ieder krachtens de wetgeving van de tussenkomende staat bestaand recht van de verdachte om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

Artikel 10 Uitvoeringsmaatregelen
  • 1. Indien, naar aanleiding van maatregelen genomen uit hoofde van artikel 9, de tussenkomende staat over bewijsmateriaal beschikt betreffende een begaan relevant strafbaar feit, welk bewijsmateriaal overeenkomstig zijn wetgeving de aanhouding van de betrokkenen of de vasthouding van het vaartuig, dan wel beide, zou rechtvaardigen, kan hij hiertoe overgaan.

  • 2. De tussenkomende staat stelt de vlaggestaat onverwijld in kennis van de ingevolge het eerste lid hierboven genomen maatregelen.

  • 3. Het vaartuig mag niet langer worden vastgehouden dan strikt noodzakelijk is om het onderzoek betreffende de relevante strafbare feiten af te ronden. Wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat de eigenaars van het vaartuig rechtstreeks zijn betrokken bij een relevant strafbaar feit, kunnen het vaartuig en de lading nog worden vastgehouden na afronding van het onderzoek. Personen die niet van een relevant strafbaar feit worden verdacht, worden in vrijheid gesteld en voorwerpen die niet als bewijsmiddel kunnen dienen, worden teruggegeven.

  • 4. Niettegenstaande de bepalingen van het voorgaande lid, kunnen de tussenkomende staat en de vlaggestaat met een derde staat die partij is bij dit Verdrag overeenkomen dat het vaartuig wordt begeleid naar het grondgebied van die derde staat; zodra het vaartuig zich op dat grondgebied bevindt, wordt de derde staat voor de toepassing van dit Verdrag als tussenkomende staat beschouwd.

Artikel 11 Tenuitvoerlegging van maatregelen
  • 1. De maatregelen genomen krachtens de artikelen 9 en 10 worden beheerst door de wetgeving van de tussenkomende staat.

  • 2. De maatregelen genomen krachtens artikel 9, eerste lid, letters a, b en d, worden slechts ten uitvoer gelegd door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, dan wel door andere vaartuigen of luchtvaartuigen die duidelijke merktekens tonen waaruit blijkt dat zij in staatsdienst zijn en dat zij hiertoe gemachtigd zijn.

  • 3.

    • a. Een ambtenaar van de tussenkomende staat mag in de vlaggestaat niet worden vervolgd wegens in de uitoefening van zijn functie verrichte handelingen. In een dergelijk geval is de ambtenaar vatbaar voor vervolging in de tussenkomende staat alsof de feiten die het strafbare feit opleveren binnen de rechtsmacht van die staat waren begaan.

    • b. In alle in de vlaggestaat ingestelde procedures worden strafbare feiten die zijn gericht tegen een ambtenaar van de tussenkomende staat met betrekking tot maatregelen die zijn uitgevoerd ingevolge de artikelen 9 en 10, geacht te zijn gericht tegen een ambtenaar van de vlaggestaat.

  • 4. De kapitein van het vaartuig dat is aangehouden in overeenstemming met dit Verdrag is gerechtigd contact op te nemen met de autoriteiten van de vlaggestaat alsmede met de eigenaars of exploitanten van het vaartuig om hen van de aanhouding van het vaartuig in kennis te stellen. De autoriteiten van de tussenkomende staat kunnen elk contact met de eigenaars of exploitanten van het vaartuig beletten of uitstellen indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat dit contact het onderzoek betreffende een relevant strafbaar feit zou kunnen belemmeren.

Artikel 12 Praktische voorzorgsmaatregelen
  • 1. Bij de toepassing van dit Verdrag houden de betrokken partijen naar behoren rekening met de noodzaak om de veiligheid van mensenlevens op zee en de veiligheid van het schip en de lading niet in gevaar te brengen en om geen handelsbelangen of juridische belangen te schaden. In het bijzonder houden zij rekening met:

    • a. de risico's verbonden aan het aanhouden van een vaartuig op zee alsook de mogelijkheid of zulks veiliger kan geschieden in de eerstvolgende haven die het schip zal aandoen;

    • b. de noodzaak om de legitieme handelsactiviteiten van een vaartuig zo min mogelijk te hinderen;

    • c. de noodzaak om onnodige vasthouding of vertraging van het vaartuig te vermijden;

    • d. de noodzaak om het gebruik van geweld te beperken tot het minimum dat noodzakelijk is om de inachtneming van de instructies van de tussenkomende staat te waarborgen.

  • 2. Het gebruik van vuurwapens tegen of aan boord van het vaartuig moet zo spoedig mogelijk aan de vlaggestaat worden gemeld.

  • 3. In geval van overlijden of letsel van een persoon aan boord van het vaartuig wordt de vlaggestaat zo spoedig mogelijk daarvan op de hoogte gebracht. De autoriteiten van de tussenkomende staat verlenen de autoriteiten van de vlaggestaat volledige medewerking bij elk onderzoek dat de vlaggestaat eventueel instelt met betrekking tot dit overlijden of letsel.

TITEL 4 BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITOEFENING VAN RECHTSMACHT
Artikel 13 Bewijsmateriaal betreffende strafbare feiten
  • 1. Teneinde de vlaggestaat in staat te stellen te besluiten of hij al dan niet zijn primaire rechtsmacht zal uitoefenen in overeenstemming met de bepalingen van artikel 14, zendt de tussenkomende staat de vlaggestaat onverwijld een samenvatting van het bewijsmateriaal betreffende alle strafbare feiten dat naar aanleiding van krachtens artikel 9 genomen maatregelen is ontdekt. De vlaggestaat dient de ontvangst daarvan terstond te bevestigen.

  • 2. Indien de tussenkomende staat bewijsmateriaal ontdekt op grond waarvan hij van oordeel is dat er strafbare feiten zijn begaan die buiten de reikwijdte van dit Verdrag vallen, of dat er verdachte personen aan boord van het vaartuig zijn die niet bij de relevante strafbare feiten zijn betrokken, stelt hij de vlaggestaat daarvan in kennis. Waar nodig plegen de betrokken partijen overleg.

  • 3. De bepalingen van dit Verdrag dienen zodanig te worden uitgelegd dat de tussenkomende staat andere maatregelen dan die welke zijn gericht op de opsporing en vervolging van relevante strafbare feiten, waaronder de detentie van personen, slechts mag nemen wanneer:

    • a. de vlaggestaat daarmede uitdrukkelijk instemt; of

    • b. deze maatregelen zijn gericht op de opsporing en vervolging van een strafbaar feit dat is begaan nadat de persoon is overgebracht naar het grondgebied van de tussenkomende staat.

Artikel 14 Uitoefening van de primaire rechtsmacht
  • 1. Een vlaggestaat die zijn primaire rechtsmacht wenst uit te oefenen, doet dat in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.

  • 2. Hij stelt de tussenkomende staat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 14 dagen na de ontvangst van de samenvatting van het bewijsmateriaal als bedoeld in artikel 13, daarvan in kennis. Indien de vlaggestaat dit nalaat, wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van het recht tot uitoefening van zijn primaire rechtsmacht.

  • 3. Wanneer de vlaggestaat de tussenkomende staat ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn primaire rechtsmacht uitoefent, wordt de uitoefening van de rechtsmacht van de tussenkomende staat opgeschort, behoudens ten behoeve van de overlevering van personen, vaartuigen, ladingen en bewijsmateriaal in overeenstemming met dit Verdrag.

  • 4. De vlaggestaat legt de zaak onmiddellijk voor aan zijn bevoegde autoriteiten met het oog op vervolging.

  • 5. Door de tussenkomende staat genomen maatregelen tegen het vaartuig en de personen aan boord kunnen worden geacht te zijn genomen in het kader van de procedure van de vlaggestaat.

Artikel 15 Overlevering van vaartuigen, ladingen, personen en bewijsmateriaal
  • 1. Wanneer de vlaggestaat de tussenkomende staat in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zijn primaire rechtsmacht uit te oefenen, en indien de vlaggestaat hierom verzoekt, worden de aangehouden personen, het vaartuig, de lading en het in beslag genomen bewijsmateriaal aan die staat overgeleverd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

  • 2. Het verzoek om overlevering van aangehouden personen dient voor iedere persoon afzonderlijk vergezeld te gaan van het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding of een andere soortgelijk bevel, gegeven door een rechterlijke autoriteit in overeenstemming met de door de wetgeving van de vlaggestaat voorgeschreven procedure.

  • 3. De partijen stellen alles in het werk om de overlevering van personen, vaartuigen, ladingen en bewijsmateriaal te bespoedigen.

  • 4. De bepalingen van dit Verdrag mogen niet zodanig worden uitgelegd dat daardoor een gedetineerde zijn recht, krachtens de wetgeving van de tussenkomende staat, wordt ontnomen om de rechtmatigheid van zijn detentie te laten toetsen door een rechterlijke instantie in die staat, in overeenstemming met de in zijn nationale wetgeving vastgelegde procedures.

  • 5. In plaats van een verzoek om overlevering van aangehouden personen of van het vaartuig, kan de vlaggestaat verzoeken om onmiddellijke invrijheidstelling c.q. vrijgave. Wanneer hierom wordt verzocht, gaat de tussenkomende staat onmiddellijk over tot invrijheidstelling c.q. vrijgave.

Artikel 16 Doodstraf

Indien het strafbare feit waarvoor de vlaggestaat besluit zijn primaire rechtsmacht uit te oefenen in overeenstemming met artikel 14, krachtens de wetgeving van die staat met de doodstraf wordt bedreigd en indien op dat strafbare feit niet de doodstraf is gesteld krachtens de wetgeving van de tussenkomende staat, of indien deze straf daar gewoonlijk niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de overlevering van een persoon worden geweigerd, tenzij de vlaggestaat naar het oordeel van de tussenkomende staat voldoende waarborgen biedt dat de doodstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Titel 5 PROCEDURELE EN ANDERE ALGEMENE REGELS
Artikel 17 Bevoegde autoriteiten
  • 1. Elke partij wijst een autoriteit aan die is belast met de verzending en beantwoording van verzoeken ingevolge de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag. Voor zover mogelijk treft elke partij voorzieningen om deze autoriteit in staat te stellen dag en nacht, op elk willekeurig tijdstip verzoeken te ontvangen en deze te beantwoorden.

  • 2. De partijen wijzen daarnaast een centrale autoriteit aan die is belast met de kennisgeving van de uitoefening van de primaire rechtsmacht krachtens artikel 14 en voor alle andere mededelingen of kennisgevingen uit hoofde van dit Verdrag.

  • 3. Elke partij deelt bij de ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de namen en adressen mede van de ingevolge dit artikel aangewezen autoriteiten, tezamen met alle andere informatie die de communicatie uit hoofde van dit Verdrag vergemakkelijkt. Een eventuele latere wijziging met betrekking tot de naam, het adres of andere relevante informatie betreffende deze autoriteiten wordt eveneens medegedeeld aan de Secretaris-Generaal.

Artikel 18 Communicatie tussen aangewezen autoriteiten
  • 1. De ingevolge artikel 17 aangewezen autoriteiten communiceren rechtstreeks met elkaar.

  • 2. Wanneer, om welke reden dan ook, rechtstreekse communicatie niet mogelijk is, kunnen de partijen overeenkomen gebruik te maken van het verbindingsnetwerk van de ICPO-Interpol of de Internationale Douaneraad.

Artikel 19 Vorm van de verzoeken en talen
  • 1. Alle mededelingen uit hoofde van de artikelen 4 tot en met 16 worden schriftelijk gedaan. Er kan gebruik worden gemaakt van moderne telecommunicatiemiddelen, zoals telefax.

  • 2. Behoudens het in het derde lid van dit artikel bepaalde, zijn vertalingen van verzoeken en andere mededelingen of ondersteunende documenten niet vereist.

  • 3. Bij de ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan elke partij, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, zich het recht voorbehouden om te verlangen dat de aan haar toegezonden verzoeken en andere mededelingen of documenten zijn gesteld in of vergezeld gaan van een vertaling in haar eigen taal of in één van de officiële talen van de Raad van Europa, dan wel in één van deze talen, welke zij aangeeft. Daarbij kan elke partij verklaren dat zij bereid is vertalingen te aanvaarden in een andere taal, welke zij aangeeft. De andere partijen kunnen de wederkerigheidsregel toepassen.

Artikel 20 Waarmerking en legalisatie

Uit hoofde van dit Verdrag toegezonden documenten zijn vrijgesteld van alle formaliteiten ter zake van waarmerking en legalisatie.

Artikel 21 Inhoud van het verzoek

In elk verzoek ingevolge artikel 6 dient te worden vermeld:

  • a. de autoriteit van wie het verzoek afkomstig is en de autoriteit die het onderzoek of de procedure uitvoert;

  • b. bijzonderheden omtrent het betrokken vaartuig, waaronder, voor zover mogelijk, de naam ervan, een beschrijving van het vaartuig, de nationaliteitskentekens of een andere nationaliteitsaanduiding, alsmede de plaats waar het zich bevindt, tezamen met een verzoek om te bevestigen dat het vaartuig de nationaliteit van de aangezochte partij heeft;

  • c. bijzonderheden omtrent de vermeende strafbare feiten alsmede de gronden waarop de verdenking berust;

  • d. de maatregelen die men voornemens is te nemen en de garantie dat deze maatregelen zouden worden genomen indien het betrokken vaartuig de vlag van de tussenkomende staat zou voeren.

Artikel 22 Informatie betreffende eigenaars en kapiteins van vaartuigen

Elke partij neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om de eigenaars en kapiteins van vaartuigen die haar vlag voeren ervan in kennis te stellen dat de staten die partij zijn bij dit Verdrag kunnen worden gemachtigd om vaartuigen buiten de territoriale wateren van enige partij aan te houden voor de in dit Verdrag omschreven doeleinden, en hen met name in kennis te stellen van hun verplichting gevolg te geven aan de instructies van de dienst van een tussenkomende staat die zijn bevoegdheid tot aanhouding uitoefent.

Artikel 23 Beperking van het gebruik

De vlaggestaat kan de in artikel 6 bedoelde machtiging afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verkregen informatie of het verkregen bewijsmateriaal niet zonder zijn voorafgaande toestemming door de autoriteiten van de tussenkomende staat zal worden gebruikt of doorgezonden ten behoeve van andere onderzoeken of procedures dan die welke betrekking hebben op relevante strafbare feiten.

Artikel 24 Vertrouwelijkheid

Voor zover zulks niet in strijd is met de grondbeginselen van hun nationale recht, behandelen de betrokken partijen het bewijsmateriaal dat en informatie die ingevolge dit Verdrag door een andere partij is verstrekt, vertrouwelijk, behalve wanneer onthulling daarvan noodzakelijk is voor de toepassing van het Verdrag of voor een onderzoek of procedure.

TITEL 6 KOSTEN EN SCHADEVERGOEDING
Artikel 25 Kosten
  • 1. Tenzij de betrokken partijen anders zijn overeengekomen, zijn de met de tenuitvoerlegging van maatregelen uit hoofde van de artikelen 9 en 10 gemoeide kosten voor rekening van de tussenkomende staat, en zijn de met de tenuitvoerlegging van maatregelen uit hoofde van de artikelen 4 en 5 gemoeide kosten gewoonlijk voor rekening van de partij die bijstand verleent.

  • 2. Wanneer de vlaggestaat zijn primaire rechtsmacht heeft uitgeoefend in overeenstemming met artikel 14, zijn de kosten van de terugkeer van het vaartuig en de kosten van het vervoer van verdachten en bewijsmateriaal voor rekening van die staat.

Artikel 26 Schadevergoeding
  • 1. Indien, in het kader van maatregelen uit hoofde van de artikelen 9 en 10 hierboven, een natuurlijk persoon of rechtspersoon verlies of schade lijdt of hem letsel wordt toegebracht ten gevolge van nalatigheid of enige andere tekortkoming die de tussenkomende staat kan worden toegerekend, is deze staat verplicht om schadevergoeding te betalen.

  • 2. Wanneer de maatregelen worden genomen op een wijze die, gelet op de bepalingen van het Verdrag, niet gerechtvaardigd is, is de tussenkomende staat verplicht om schadevergoeding te betalen voor elk daaruit voortvloeiend verlies, schade of letsel. De tussenkomende staat is ook verplicht om schadevergoeding te betalen voor elk zodanig verlies, schade of letsel, indien de verdenking ongegrond blijkt en mits het aangehouden vaartuig, de reder of de bemanning geen enkele handeling heeft verricht die deze verdenking rechtvaardigde.

  • 3. De aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van maatregelen uit hoofde van artikel 4 berust bij de verzoekende staat, die kan trachten de schade te verhalen op de aangezochte staat, wanneer de schade het gevolg was van nalatigheid of enige andere tekortkoming die deze staat kan worden toegerekend.

HOOFDSTUK III SLOTBEPALINGEN

Artikel 27 Ondertekening en inwerkingtreding
  • 1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de staten die lid zijn van de Raad van Europa die reeds hun instemming door het Verdrag van Wenen te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht. Zij kunnen hun instemming te worden gebonden door dit Verdrag tot uitdrukking brengen door:

    • a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of

    • b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  • 2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

  • 3. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie lidstaten van de Raad van Europa hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid.

  • 4. Ten aanzien van een ondertekenende staat die later zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop deze uitdrukking heeft gegeven aan zijn instemming met het feit dat hij door het Verdrag wordt gebonden in overeenstemming met de bepalingen van het eerste lid.

Artikel 28 Toetreding
  • 1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de partijen bij het Verdrag, iedere staat die geen lid is van de Raad van Europa, maar die zijn instemming door het Verdrag van Wenen te worden gebonden tot uitdrukking heeft gebracht, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, zulks bij een besluit genomen met de meerderheid bedoeld in artikel 20.d van het Statuut van de Raad van Europa en met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de verdragsluitende partijen die gerechtigd zijn zitting te nemen in het Comité.

  • 2. Ten aanzien van iedere toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 29 Territoriale toepassing
  • 1. Iedere staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aangeven waarop zijn instemming met het feit dat hij door dit Verdrag wordt gebonden van toepassing is.

  • 2. Iedere staat kan op een latere datum, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden, uitbreiden tot een ander in de verklaring aangegeven grondgebied. Ten aanzien van dat grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van deze verklaring door de Secretaris-Generaal.

  • 3. Ten aanzien van een grondgebied dat valt onder een verklaring ingevolge het eerste en tweede lid hierboven, kunnen autoriteiten worden aangewezen overeenkomstig artikel 17, eerste en tweede lid.

  • 4. Een ingevolge de voorgaande leden afgelegde verklaring kan ten aanzien van ieder in die verklaring aangegeven grondgebied worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 30 Verhouding tot andere verdragen en overeenkomsten
  • 1. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Wenen of uit hoofde van andere internationale multilaterale verdragen inzake bijzondere kwesties onverlet.

  • 2. De partijen bij het Verdrag kunnen onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake de kwesties die in dit Verdrag zijn geregeld, teneinde de bepalingen hiervan aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de beginselen die in dit Verdrag of in artikel 17 van het Verdrag van Wenen zijn neergelegd te vergemakkelijken.

  • 3. Indien twee of meer partijen reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten met betrekking tot een onderwerp dat in dit Verdrag is geregeld of hun betrekkingen ter zake anderszins hebben vastgelegd, kunnen zij overeenkomen die overeenkomst of dat verdrag toe te passen of hun betrekkingen aldus te regelen, in plaats van dit Verdrag, indien zulks de internationale samenwerking vergemakkelijkt.

Artikel 31 Voorbehouden
  • 1. Iedere staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij één of meer voorbehouden maakt als bedoeld in artikel 3, zesde lid, artikel 19, derde lid, en artikel 34, vijfde lid. Er kan geen enkel ander voorbehoud worden gemaakt.

  • 2. Iedere staat die ingevolge het voorgaande lid een voorbehoud heeft gemaakt kan dit geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

  • 3. Een partij die een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag kan geen aanspraak maken op de toepassing van die bepaling door een andere partij. Zij kan echter, indien haar voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, aanspraak maken op de toepassing van die bepaling voor zover zij deze zelf heeft aanvaard.

Artikel 32 Toetsingscommissie
  • 1. Na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt op verzoek van een partij bij het Verdrag door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een toetsingscommissie van deskundigen, die de partijen vertegenwoordigen, bijeengeroepen.

  • 2. De toetsingscommissie toetst de werking van het Verdrag en doet passende aanbevelingen om de doeltreffende uitvoering daarvan te waarborgen.

  • 3. De toetsingscommissie kan haar eigen procedureregels goedkeuren.

  • 4. De toetsingscommissie kan besluiten staten die geen partij zijn bij dit Verdrag alsmede internationale organisaties of instanties, naargelang het geval, uit te nodigen voor haar vergaderingen.

  • 5. Elke partij brengt om het jaar verslag uit over de uitvoering van het Verdrag aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in de vorm en op de wijze als bepaald door de toetsingscommissie of de Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken. De toetsingscommissie kan besluiten de verstrekte informatie of een verslag ter zake toe te zenden aan de partijen en aan de naar haar oordeel daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties of instanties.

Artikel 33 Wijzigingen
  • 1. Wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden voorgesteld door iedere partij en deze worden door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa medegedeeld aan de lidstaten van de Raad van Europa en aan iedere staat die geen lid is en die is toegetreden of is uitgenodigd om toe te treden tot het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 28.

  • 2. Een door een partij voorgestelde wijziging wordt medegedeeld aan de Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken, die haar oordeel over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.

  • 3. Het Comité van Ministers bestudeert de voorgestelde wijziging en het door de Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken voorgelegde oordeel, en kan de wijziging aannemen.

  • 4. De tekst van een in overeenstemming met het derde lid van dit artikel door het Comité van Ministers aangenomen wijziging wordt ter aanvaarding toegezonden aan de partijen.

  • 5. Een in overeenstemming met het derde lid van dit artikel aangenomen wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat alle partijen de Secretaris-Generaal in kennis hebben gesteld van hun aanvaarding daarvan.

Artikel 34 Beslechting van geschillen
  • 1. De Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de uitlegging en toepassing van dit Verdrag.

  • 2. In geval van een geschil tussen partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten zij het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen of op enige andere vreedzame wijze van hun keuze, waaronder voorlegging van het geschil aan de Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken of aan een scheidsgerecht waarvan de beslissingen bindend zijn voor de partijen, dan wel onderwerping aan bemiddeling, conciliatie of een rechtsgang, zoals overeengekomen door de betrokken partijen.

  • 3. Iedere staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op een latere datum, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, verklaren dat hij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, de onderwerping van het geschil aan arbitrage in overeenstemming met de in het aanhangsel bij dit Verdrag vervatte procedure als dwingend erkent, zulks zonder voorafgaande overeenstemming en op basis van wederkeriheid.

  • 4. Elk geschil dat niet in overeenstemming met het tweede of derde lid van dit artikel is geregeld, wordt op verzoek van één van de partijen bij het geschil ter beslissing voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.

  • 5. Iedere staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het vierde lid van dit artikel.

  • 6. Iedere partij die een verklaring heeft afgelegd ingevolge het derde of vijfde lid van dit artikel, kan die verklaring te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 35 Opzegging
  • 1. Iedere partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.

  • 2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

  • 3. Dit Verdrag blijft echter van kracht met betrekking tot handelingen of procedures op grond van aanvragen of verzoeken die zijn gedaan gedurende de geldigheidstermijn van het Verdrag ten aanzien van de partij die dit heeft opgezegd.

Artikel 36 Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad, iedere staat die tot dit Verdrag is toegetreden en de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van:

  • a. iedere ondertekening;

  • b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;

  • c. de naam van de iedere autoriteit en alle andere informatie, medegedeeld ingevolge artikel 17;

  • d. ieder voorbehoud gemaakt in overeenstemming met artikel 31, eerste lid;

  • e. de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 27 en 28;

  • f. ieder verzoek gedaan ingevolge artikel 32, eerste lid, en de datum van iedere ingevolge dat lid belegde vergadering;

  • g. iedere verklaring afgelegd ingevolge artikel 3, vijfde en zesde lid, artikel 8, tweede lid, artikel 19, derde lid, artikel 34, derde en vijfde lid;

  • h. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Straatsburg op 31 januari 1995 in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in één exemplaar dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet hiervan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa en aan iedere staat die is uitgenodigd om tot dit Verdrag toe te treden.



Aanhangsel

  • 1. De partij bij het geschil die ingevolge artikel 34, derde lid, om arbitrage verzoekt, stelt de andere partij schriftelijk in kennis van de vordering en van de gronden waarop deze is gebaseerd.

  • 2. De betrokken partijen stellen een scheidsgerecht in.

  • 3. Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden. Elke partij benoemt een scheidsman. Beide partijen wijzen in onderlinge overeenstemming de scheidsman aan die als voorzitter optreedt.

  • 4. Indien deze benoeming of deze aanwijzing in onderlinge overeenstemming niet heeft plaatsgevonden binnen vier maanden na de datum waarop om arbitrage werd verzocht, wordt de noodzakelijke benoeming of aanwijzing toevertrouwd aan de Secretaris-Generaal van het Permanente Hof van Arbitrage.

  • 5. Tenzij de partijen anders overeenkomen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast.

  • 6. Tenzij door de partijen anders is overeengekomen, beslist het scheidsgerecht op grond van de toepasselijke regels van het internationale recht of, bij gebreke van dergelijke regels, ex aequo et bono.

  • 7. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij een meerderheid van stemmen. Zijn beslissing is onherroepelijk en bindend.


D. PARLEMENT

Zie Trb. 2010, 165.

E. PARTIJGEGEVENS

Zie Trb. 2010, 165.

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 2010, 165.

J. VERWIJZINGEN

Zie Trb. 2010, 165.

Uitgegeven de zevenentwintigste september 2010.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. VERHAGEN