Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 16 maart 2026, nr. WJZ/104041440, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij vanwege de uitvoering van verordeningen betreffende vangstmogelijkheden voor 2026 [KetenID WGK028788]

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op;

  • Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202;

  • Verordening (EU) 2026/266 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee;

  • de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De begripsbepaling ‘vissersvaartuigen van derde landen’ komt te luiden:

vissersvaartuig van een derde land:

vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van de basisverordening dat de vlag voert van of geregistreerd is in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie;.

b. Na de begripsbepaling ‘visvergunning’ wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

Unievissersvaartuig:

vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van de basisverordening dat de vlag voert van of geregistreerd is in een lidstaat van de Europese Unie;.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De begripsbepalingen ‘verordening nr. 1936/2001’ en ‘verordening nr. 1198/2006’ vervallen.

b. De omschrijving van het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden’ komt te luiden:

Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202;.

c. De omschrijving van het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee’ komt te luiden:

Verordening (EU) 2026/266 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

B

Artikel 10, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt ‘Europese vissersvaartuigen’ vervangen door ‘Unievissersvaartuigen’.

2. In onderdeel c wordt ‘de artikelen 52, 53 en 55 van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘de artikelen 53, 54 en 56 van de verordening vangstmogelijkheden’.

C

In artikel 13 wordt ‘de artikelen 19a, eerste lid, en 25 van de verordening vangstmogelijkheden 2025’ vervangen door ‘de artikelen 19bis, eerste lid, en 25 van de verordening vangstmogelijkheden 2025’.

D

In artikel 18 wordt ‘artikel 16 van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 17, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden’.

E

In artikel 20 wordt ‘hoofdstuk III van bijlage II’ vervangen door ‘hoofdstuk I van bijlage II’ en wordt ‘hoofdstuk I van die bijlage’ vervangen door ‘dat hoofdstuk’.

F

In artikel 140p, tweede lid, wordt het tweede onderdeel f verletterd tot g.

G

In paragraaf 1 van bijlage b1 wordt ‘Alle Europese vissersvaartuigen’ vervangen door ‘Alle Unievissersvaartuigen’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel I, onderdeel A, onder 2, subonderdelen b en c, werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 16 maart 2026

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

TOELICHTING

1. Aanleiding en inhoud

In de Uitvoeringsregeling zeevisserij worden onder meer Europese verordeningen, die in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) zijn vastgesteld, uitgevoerd. In het kader van het GVB worden jaarlijks de vangstmogelijkheden en de daaraan gerelateerde aanvullende voorschriften door de Raad van de Europese Unie (hierna: Raad) vastgesteld.

In december 2025 heeft de Raad politieke akkoorden bereikt, die zijn vastgelegd in geconsolideerde conceptteksten van de verordening vangstmogelijkheden voor 2026 tot en met 2028 en van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee voor 2026. Bij de Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 23 december 2025, nr. WJZ/102888623, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij en de Uitvoeringsregeling visserij in verband met de vaststelling van diverse vangstrechten voor 2026, 2027 en 2028 en de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de herziening van de controleverordening visserij (Stcrt. 2025, 45335) zijn deze verordeningen omgezet in de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Dit was dus nog op basis van niet definitief vastgestelde en niet gepubliceerde teksten.

Op 26 januari 2026 zijn de verordeningen officieel vastgesteld en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.1 In deze wijzigingsregeling zijn de opschriften van deze verordeningen in de Uitvoeringsregeling zeevisserij opgenomen (artikel I, onderdeel A, onder 2, onder b en c). Daarnaast is gebruik gemaakt van de gelegenheid om enkele technische wijzigingen door te voeren. Zo zijn onjuiste verwijzingen naar verordeningen in de artikelen 10, derde lid, onderdeel c, en 20, gecorrigeerd. Daarnaast is een redactionele verbetering aangebracht in artikel 140p, tweede lid. Verder zijn in de artikelen 13 en 18 onjuiste verwijzingen naar de verordening vangstmogelijkheden gecorrigeerd. Tot slot is in artikel 1 de definitie van ‘vissersvaartuigen van derde landen’ aangepast en is een definitie van ‘Unievissersvaartuig’ ingevoegd. In deze definities is een onderscheid gemaakt ten opzichte van het begrip ‘vissersvaartuig’, dat in de Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt gebruikt voor Nederlandse vissersvaartuigen.

2. Regeldruk en uitvoering

Deze wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. Er volgen geen nieuwe of gewijzigde informatieverplichtingen uit deze regeling. Ook brengt deze wijzigingsregeling geen relevante nalevingskosten met zich mee. RVO is geconsulteerd over de uitvoerbaarheid van deze wijziging. De wijziging is door RVO uitvoerbaar geacht.

3. Inwerkingtreding en kabinetsbeleid vaste verandermomenten

De inwerkingtreding van deze regeling wijkt af van het beleid inzake vaste verandermomenten ten aanzien van het moment van inwerkingtreding en de minimuminvoeringstermijn van twee maanden. Deze afwijking is te rechtvaardigen omdat deze regeling strekt tot uitvoering van bindende EU-regelgeving en reparatie. Artikel I, onderdeel A, onder 2, onder b en c, werkt terug tot en met 1 januari 2026 omdat dit onderdeel verordeningen uitvoert die reeds in werking zijn getreden, waarvoor de juiste aanduiding in de Nederlandse regelgeving noodzakelijk is.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens


X Noot
1

Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 (verordening vangstmogelijkheden voor 2026) en Verordening (EU) 2026/266 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee).


X Noot
1

Verordening (EU) 2026/249 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 (verordening vangstmogelijkheden voor 2026) en Verordening (EU) 2026/266 van de Raad van 26 januari 2026 tot vaststelling, voor 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee).

Naar boven