Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55072181, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar flexibele vakanties in het kader van de onderwijstijd in het primair onderwijs (Beleidsregel experiment vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd)

De Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

experiment:

experiment vervolg en verfijning van ruimte in;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

school:

school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

WMS:

Wet medezeggenschap op scholen;

WPO:

Wet op het primair onderwijs;

WPO BES:

Wet primair onderwijs BES.

HOOFDSTUK 2. HET EXPERIMENT

Artikel 2. Het doel van het experiment

Het doel van het experiment is om bij deelnemende scholen te onderzoeken:

  • a. wat het afwijken van de in artikel 3 genoemde regels over de invulling en organisatie van de onderwijstijd bij de deelnemende scholen voor effecten heeft op in ieder geval de thema’s: onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid;

  • b. welke randvoorwaarden voorwaardelijk waren om positieve effecten te verkrijgen; en

  • c. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving en onder welke voorwaarden.

Artikel 3. Het experiment verlenging en uitbreiding ruimte in onderwijstijd

  • 1. Met het experiment verlenging en uitbreiding van ruimte in onderwijstijd wordt vervolg gegeven aan het experiment ruimte in onderwijstijd1.

  • 2. Het experiment bevat twee groepen deelnemers:

    • a. maximaal 40 scholen in de interventiegroep; en

    • b. maximaal 20 scholen in de controlegroep.

  • 3. Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan de interventiegroep mag op die school afwijken van:

    • a. de bij ministeriële regeling vastgestelde zomer-, kerst- en meivakantie2 en;

    • b. het bepaalde ten aanzien van het aantal vierdaagse schoolweken in artikel 8, zevende lid, onderdeel b subonderdelen 1 en 2 van de WPO, artikel 10, vijfde lid, onderdeel b van de WPO BES en artikel 12, eerste lid, onderdeel b van de WEC, met dien verstande dat leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen.

  • 4. Het bevoegd gezag mag voor een school die deelneemt aan de controlegroep niet afwijken van de wettelijke eisen, genoemd in het derde lid.

  • 5. Bij een lagere hoeveelheid deelnemers, als bedoeld in het tweede lid, worden deze aantallen naar rato aangepast en indien nodig afgerond naar boven.

  • 6. Indien in totaal minder dan 30 scholen een aanvraag indienen voor deelname aan het experiment, komt de controlegroep te vervallen.

Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname

  • 1. Het bevoegd gezag dat met een school wil deelnemen aan het experiment kan bij de minister een aanvraag doen.

  • 2. De aanvraag voor deelname aan het experiment kan worden gedaan in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 13:00 uur. De aanvraag kan worden ingediend via het digitale aanvraagformulier dat te vinden is op de website van DUS I: www.dus-i.nl. Aanvragen ingediend na 30 april 2026 13:00 uur worden afgewezen.

  • 3. Een school kan slechts aan één experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd deelnemen.

  • 4. Een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs, blijkens de lijst gepubliceerd op https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-2017/zeer-zwakke-scholen/bo op 1 april 2026, is beoordeeld als ‘zeer zwak’ kan niet deelnemen aan het experiment, genoemd in artikel 3.

  • 5. Het bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school;

    • c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;

    • d. een verklaring dat de medezeggenschapsraad van de school die wil deelnemen, genoemd in artikel 3 van de WMS, instemt met deelname of verlenging van deelname aan het experiment;

    • e. een verklaring dat bij het niet geselecteerd zijn voor deelname in de controlegroep, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, de school deel zal nemen in de groep bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • f. een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan het experiment Vervolg andere dag- en weekindeling of een ander experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd; en

    • g. een verklaring dat de kwaliteit van het onderwijs op de school waarvoor de aanvraag wordt gedaan niet door de Inspectie van het Onderwijs is beoordeeld als ‘zeer zwak’.

  • 6. Bij de aanvraag voor deelname aan het experiment kan tevens een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 12 worden ingediend.

Artikel 5. Selectie en beslistermijn

  • 1. Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden uit artikel 4.

  • 2. De aanvragen worden door middel van loting gerangschikt.

  • 3. De minister beslist door middel van de rangschikking welke scholen deelnemen in de interventiegroep en welke scholen deelnemen in de controlegroep, en bij meer dan 60 aanvragen welke scholen niet kunnen deelnemen aan het experiment.

  • 4. In afwijking van het tweede lid komen scholen met de nummers 17OF, 17NR, 17OV, 13JJ, 30UX, 30KD, 29YJ, 16IQ, 18VV, 18TV, 16WT, 31DF, 13RY, 23UB, 06PG, 07BZ, 30XD, 08VV, 05AI en 17ZG komen in ieder geval in de interventiegroep.

  • 5. De minister besluit uiterlijk binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 6. Looptijd en beëindiging van het experiment

  • 1. Het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. De datalevering ten behoeve van het experiment eindigt uiterlijk op 31 december 2030.

  • 2. Scholen die deelnemen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2.

  • 3. Een school heeft tot uiterlijk 31 juli 2027 om zich voor te bereiden op de praktische uitvoering van het experiment en melding te doen. Als niet uiterlijk op 31 juli 2027 melding is gedaan als bedoeld in artikel 7, trekt de minister het besluit tot toekenning van deelname in.

  • 4. De minister kan een besluit tot toekenning van deelname aan het experiment intrekken op de gronden, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Experimentenwet onderwijs.

  • 5. De minister trekt een besluit tot toekenning van deelname aan het experiment, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onverwijld in als de Inspectie van het Onderwijs, blijkens een rapport als bedoeld in artikel 20 van de Wet op het onderwijstoezicht, oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs op de deelnemende school ‘zeer zwak’ is.

Artikel 7. Melding plan gereed en beëindiging van deelname aan het experiment

  • 1. Een school van een bevoegd gezag die deelneemt aan de interventiegroep kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat het bevoegd gezag melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau, genoemd in artikel 8, van het gereed zijn van het plan voor de deelname en na de instemming van de medezeggenschapsraad. Indien het plan op schoolniveau inhoudelijk wordt gewijzigd, is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

  • 2. De melding, genoemd in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school;

    • c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;

    • d. een experimenteerplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°. de gekozen invulling van de geboden ruimte, zoals voortvloeiend uit artikel 2, met daarbij in ieder geval een beschrijving van het doel, de voorgenomen activiteiten en de beoogde opbrengsten van het experiment zoals vormgegeven;

      • 2°. de didactische visie en filosofie van het onderwijs, waarbij in ieder geval ook wordt ingegaan op de visie op de organisatie en invulling van de onderwijstijd;

      • 3°. de regels voor en planning van de schooltijden, de vakanties en, indien van toepassing, de individuele roosters van leerlingen gedurende de looptijd van het experiment;

      • 4°. het beleid betreffende de inzet van personeel tijdens het experiment en de wijze waarop het team bij totstandkoming en de uitvoering van dit beleid betrokken wordt;

      • 5°. het toelatingsbeleid, dat voldoet aan artikel 40, eerste lid, van de WPO; en

      • 6°. een toelichting per onderwerp bedoeld in de subonderdelen 2° tot en met 5°, hoe de ten aanzien van die onderwerpen gemaakte keuzes samenhangen met de gekozen invulling, bedoeld in subonderdeel 1°.

    • e. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.

  • 3. Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, dan wel indien een school de deelname aan het experiment beëindigt, meldt het bevoegd gezag dit per ommegaande bij het onderzoeksbureau. Het onderzoeksbureau geeft dit door aan de minister.

  • 4. De wijziging of afmelding, genoemd in het derde lid, bevat:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school waarop de afmelding betrekking heeft;

    • c. bij afmelding: de reden voor afmelding; en

    • d. bij afmelding: of de datalevering doorgang vindt na de afmelding.

Artikel 8. Onderzoek en evaluatie

  • 1. Scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.

  • 2. Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan:

    • a. de frequentie van de afwijkingen en het type afwijkingen; en

    • b. de impact van het onder a bedoelde op de kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, de omgang met de personeelstekorten, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.

  • 3. De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, genoemd in artikel 7 en het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 3. SUBSIDIE

Artikel 9. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 10. Te subsidiëren activiteiten

De minister kan aan een bevoegd gezag subsidie verstrekken als tegemoetkoming in de kosten voor het leveren van de data ten behoeve van het onderzoek in het kader van het experiment.

Artikel 11. Subsidieplafond en verdeling

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is een bedrag beschikbaar van maximaal € 999.840.

  • 2. Per deelnemende school is een bedrag beschikbaar van € 16.664.

Artikel 12. Aanvraag subsidie

Een subsidieaanvraag kan gelijktijdig met de aanvraag tot deelname tot het experiment, genoemd in artikel 4, worden gedaan.

Artikel 13. Verplichtingen subsidie

De subsidieontvanger is verplicht tot datalevering ten behoeve van het experiment, genoemd in artikel 10.

Artikel 14. Betaling

De minister betaalt het subsidiebedrag in vier jaarlijkse termijnen.

Artikel 15. Vaststelling, besteding en verantwoording subsidie

  • 1. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, wordt de subsidie verleend binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn en wordt de subsidie vastgesteld binnen 22 weken na het moment van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de besteding van de activiteiten.

  • 2. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in bijlage 4 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

  • 3. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 16. Intrekken beleidsregel

De Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd wordt ingetrokken per 1 augustus 2027.

Artikel 17. Verlenging van het experiment

Indien naar aanleiding van het onderzoek naar het experiment wordt besloten tot aanpassing van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2, kan de minister besluiten de termijn waarop scholen weer dienen te voldoen aan de wettelijke vereisten, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, te verlengen tot de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke voorschriften.

Artikel 18. Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 17, dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 2027.

  • 2. Deze beleidsregel vervalt met ingang van 31 december 2031.

Artikel 19. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel experiment verlenging en verfijning ruimte in onderwijstijd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking

TOELICHTING

Algemene toelichting

Deze beleidsregel vormt de basis voor de verlenging en uitbreiding van het Experiment Ruimte in Onderwijstijd. In deze beleidsregel staat van welke wet- en regelgeving kan worden afgeweken door scholen die onderdeel zijn van de interventiegroep van het experiment. De beleidsregel regelt aan welke voorwaarden en waarborgen moet worden voldaan voor scholen die deelnemen aan het experiment. Het regelt tevens hoe ze de aanvraag voor deelname kunnen doen, hoe de loting voor interventie- en controlegroep plaatsvindt, wat de looptijd van het experiment is en welke vergoeding aan scholen beschikbaar wordt gesteld.

Gebruik term schoolbestuur

Formeel is het bevoegd gezag, en niet de school, drager van rechten en plichten op grond van de onderwijswetgeving. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze toelichting het ‘bevoegd gezag van een school’ ook wel aangeduid als ‘schoolbestuur’.

1. Inleiding

In juli 2025 zijn drie experimenten op het gebied van onderwijstijd in het primair onderwijs aangekondigd.3 Aanleiding hiervoor is het regelmatig terugkerende politieke en maatschappelijke debat over de huidige wettelijke eisen voor invulling van de onderwijstijd in het primair onderwijs. Met het oog op de aanhoudende schaarste op de arbeidsmarkt komt de vraag op of de huidige wettelijke eisen, die in de kern gelijk zijn gebleven sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw, nog aansluiten bij de maatschappelijke behoefte en toekomstbestendig zijn.

De wettelijke eisen rond onderwijstijd bestaat uit een viertal kernelementen, te weten a) het aantal uren onderwijs, b) gegeven door een bevoegd docent, c) met een beperkt aantal vierdaagse schoolweken en d) met vooraf vastgestelde schoolvakanties. In de drie aangekondigde experimenten zullen alle kernelementen van onderwijstijd onderzocht worden, zodat een zo goed als mogelijk zicht komt op de relatie tussen de wettelijke eisen aan onderwijstijd in het primair onderwijs en de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid van het onderwijs. Het experiment Onderwijstijd in Balans ziet toe op kernelement a), het experiment Andere dag- en weekindeling op kernelement b en het Experiment Ruimte in Onderwijstijd op kernelement c en d. Deze beleidsregel heeft betrekking op het Experiment Ruimte in Onderwijstijd (vanaf hierna: ERiO).

2. Vervolg experiment Ruimte in Onderwijstijd

In 2011 startte het experiment flexibiliseren onderwijstijd4, waarmee een aantal scholen in het basisonderwijs kon experimenteren met het afwijken van de schoolvakanties en de 4-daagse schoolweek. In 2019 werd het experiment door de Minister van OCW beëindigd, vanwege tegenvallende resultaten met betrekking tot de onderwijskwaliteit. Een meerderheid van de Tweede Kamer verzocht de minister daarna in de motie Heerema c.s.5 om flexibiliseren van de onderwijstijd onder voorwaarden toch mogelijk te maken. Naar aanleiding van deze motie is in 2020 het experiment Ruimte in Onderwijstijd (hierna: ERiO) gestart.

Met ERiO werd verder onderzocht wat de effecten zijn van het geven van de ruimte met betrekking tot de schooltijden op gebied van schoolvakanties, het maximum aantal vierdaagse schoolweken en het inzetten van andere professionals binnen de onderwijstijd. Daarbij werd vooraf aangegeven dat het bieden van ruimte positief uit moest pakken, niet alleen met betrekking tot randvoorwaarden en waarborgen zoals onderwijskwaliteit, kansengelijkheid en onderwijsfilosofie, maar ook op bijvoorbeeld doelmatigheid en werkdruk. Als de in ERiO geboden ruimte zou leiden tot negatieve gevolgen op een van die aspecten, zou de wet- en regelgeving niet worden aangepast. Uiteindelijk konden 20 scholen deelnemen aan ERiO, waarvan er bij het einde van het experiment nog 17 deelnamen.

De verschillende onderzoeken naar de experimenten flexibiliseren onderwijstijd en ERiO laten een diffuus beeld van het effect van deze afwijking op de onderwijskwaliteit. Uit het onderzoek naar Flexibiliseren onderwijstijd kwamen duidelijke zorgen over de onderwijskwaliteit naar voren, die ook reden hebben gegeven om destijds ervoor te kiezen te stoppen met het experiment. In het onderzoek naar ERiO wordt juist gesteld dat de effecten op de onderwijskwaliteit voor de meeste scholen positief lijken te zijn, zij het met de juiste randvoorwaarden. Verder komt uit beide onderzoeken naar voren dat het afwijken van deze wettelijke eisen veel vraagt van scholen, met een mogelijk negatief effect op de werkdruk. Daarnaast is het onderzoek bij beide experimenten gebaseerd op een kleine groep scholen en met name gericht op de ervaring van de scholen en ouders zelf. Onderzoek op basis van een grotere groep scholen op basis van meetbare data, met daarbij een controlegroep, is wenselijk en ontbreekt op dit moment nog. Daarom wordt ERiO met deze beleidsregel verlengd, inclusief aanvullend onderzoek, en opengesteld voor meer scholen.

3. Doel experiment

Doel van het vervolgexperiment is om te onderzoeken wat de effecten zijn wanneer scholen afwijken van de gegeven ruimte zoals bedoeld in artikel 2 van de beleidsregel. Het experiment is geslaagd als duidelijk is wat de effecten van dit experiment zijn op onder andere de onderwijskwaliteit, continuïteit van onderwijs en kansengelijkheid, ten opzichte van andere scholen die geen gebruik maken van de ruimte die deze regeling biedt. Als er negatieve effecten optreden op de onderwijskwaliteit, al dan niet in combinatie met negatieve effecten op één van de andere thema’s, zal niet worden overgegaan tot wijziging van de wet. Tezamen met de inzichten uit de experimenten Onderwijstijd in Balans en Andere dag- en weekindeling wordt bezien hoe de wettelijke eisen voor onderwijstijd toekomstbestendig kunnen worden vormgegeven.

4. Nadere beschrijving opzet experiment

Hieronder volgt een nadere beschrijving van de opzet van het experiment met een interventie- en controlegroep en de ruimte die op basis van deze beleidsregel geboden wordt aan de interventiegroep. Daarbij moet aangetekend worden dat deze beleidsregel niet de mogelijkheid geeft om af te wijken van andere wet- en regelgeving, dan bedoeld in artikel 2. De overige wet- en regelgeving (en de daarmee samenhangende regels en voorschriften, zoals bijvoorbeeld uit de cao primair onderwijs) blijven onverkort gelden. Ook de andere eisen, zoals het minimaal aantal uren onderwijs blijven gelden.

4.1 Wijzigingen ten opzichte van eerdere experiment

Ten opzichte van het eerdere experiment wordt een aantal wijzigingen doorgevoerd. Allereerst hadden scholen in het eerdere ERiO ook de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen rondom onderwijsbevoegdheid. Deze mogelijkheid is niet langer onderdeel van het experiment. Reden daarvoor is dat door de scope van het experiment te verkleinen naar verwachting de validiteit van de resultaten vergroot. Daarnaast loopt gelijktijdig met dit experiment het experiment Andere dag- en weekindeling, waarin scholen voor 22 uur per maand een andere professional dan een bevoegd leraar kunnen inzetten. Scholen zullen daarmee wel moeten kiezen aan welk experiment ze willen deelnemen.

Het vervolg Experiment Ruimte in Onderwijstijd wordt daarnaast opengesteld voor een groter aantal scholen dan ERiO, zodat meer scholen de mogelijkheid hebben om flexibele vakanties of vrije dagen te organiseren. Ook dit zorgt naar verwachting van een grotere validiteit van de resultaten van het experiment.

4.2 Interventie- en controlegroep

Ten behoeve van de effectmeting worden scholen die een aanvraag indienen voor het experiment door middel van loting ingedeeld in de interventie- of de controlegroep van het experiment. De interventiegroep mag afwijken van de wettelijke eisen genoemd in artikel 2 van de beleidsregel. De controlegroep wordt gevraagd om gedurende de looptijd van het experiment mee te werken aan het onderzoek. Zij mogen niet afwijken van de wettelijke eisen genoemd in artikel 2 van de beleidsregel. Zowel de interventie- als de controlegroep ontvangt subsidie als vergoeding voor de tijd die het kost om de informatie te leveren, die benodigd is voor het onderzoek.

Loting interventie- en controlegroep

Of een school deelneemt aan de interventie- of controlegroep, wordt bepaald op basis van loting, waarbij een verhouding wordt aangehouden van 40 scholen in de interventiegroep en 20 scholen in de controlegroep. Op deze manier kunnen de meeste scholen die zich aanmelden voor het experiment deelnemen aan de interventiegroep terwijl tegelijkertijd de controlegroep groot genoeg blijft om de effectmeting uit te kunnen voeren.

Als zich minder dan 60 scholen aanmelden, wordt de verdeling naar rato aangepast, waarbij het aantal deelnemende scholen aan de interventiegroep naar boven wordt afgerond. Bijvoorbeeld als zich in totaal 40 scholen aanmelden, zullen 27 scholen deelnemen aan de interventiegroep en 13 scholen aan de controlegroep. Op het moment dat minder dan 30 scholen een aanvraag tot aanmelding indienen, zal de controlegroep komen te vervallen. Alle deelnemende scholen zijn dan dus onderdeel van de interventiegroep.

Bij meer dan 60 aanvragen tot deelname aan het experiment selecteert de minister op basis van loting de rangorde van de aanvragen. De eerste 40 aanvragen op de rangorde mogen deelnemen aan het experiment in de interventiegroep. Indien na de rangschikking blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan de eisen, wordt de volgende op de rangorde beoordeeld aan de eisen en zo verder. Vervolgens worden de volgende 20 scholen op de rangorde geselecteerd, deze mogen deelnemen aan het experiment in de controlegroep.

Vanuit het oogpunt van het onderzoek is het van belang dat de interventiegroep en controlegroep met elkaar vergelijkbaar zijn. De verwachting is dat scholen die zich aanmelden voor het experiment vergelijkbaar met elkaar zullen zijn. Hierdoor wordt door middel van zelfselectie al een steekproef getrokken onder de populatie van alle scholen. Vervolgens zorgt de loting voor het toewijzen van scholen aan interventie- of controlegroep voor een aselecte steekproef binnen de scholen die zich hebben aangemeld voor het experiment. Op deze manier wordt de betrouwbaarheid van het onderzoek verhoogt.

Scholen die eerder deelgenomen hebben aan het experiment Ruimte in Onderwijstijd 2020–2025 komen, wanneer zij een aanvraag indienen voor dit experiment, in ieder geval in de interventiegroep. Zij vormen vanwege het feit dat ze al langer experimenteren met deze afwijking een interessante subgroep voor het onderzoek en zijn omdat ze al langer experimenteren met deze afwijkingen niet zuiver als controlegroep mee te nemen.

4.3 Centraal vastgestelde vakanties

De Regeling vaststelling schoolvakanties 2022–2025 stelt de data van een drietal schoolvakanties vast.6 Deze regeling is vastgesteld op grond van artikel 15, tweede lid, van de WPO, artikel 20, tweede lid van de WPO BES en artikel 26, tweede lid van de WEC. Op grond van de onderhavige beleidsregel mogen scholen afwijken van artikel 15, tweede lid, van de WPO, artikel 20, tweede lid van de WPO BES en artikel 26, tweede lid van de WEC en daarmee van de centraal vastgestelde zomervakantie, de kerstvakantie en de centraal vastgestelde week meivakantie. Dit betekent dat onderwijstijd in de centraal vastgestelde vakanties kan meetellen voor de minimale onderwijstijd van 7.520 uren onderwijs, zoals bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b, aanhef, van de WPO, artikel 10, vijfde lid onderdeel b van de WPO BES en artikel 12, eerste lid onderdeel b van de WEC.

Zoals eerder benadrukt geeft de onderhavige beleidsregel niet de mogelijkheid om af te wijken van andere wettelijk bepalingen. In het kader van de ruimte die wordt geboden omtrent vakanties is het belangrijk te wijzen op de verplichting voor scholen om het onderwijs zo in te richten dat leerlingen de vastgestelde minimale onderwijstijd ontvangen. Dit is en blijft minimaal 7.520 uur per leerling in 8 jaar (gemiddeld 940 uur per jaar). Verder is de Regeling vaststelling schoolvakanties ook verankerd in de cao primair onderwijs. Op grond van de onderhavige beleidsregel kan niet worden afgeweken van de cao. Over afwijking van de cao dient overeenstemming te worden bereikt met de vakbonden, via het Decentraal Georganiseerd Overleg of via mogelijke ruimte die de cao primair onderwijs biedt voor het maken voor individuele afspraken met werknemers of anderszins.

Daarnaast worden de regio-indeling en daaraan verbonden data, onder andere die van de eerste schooldag, zoals volgend uit de Regeling vaststelling schoolvakanties 2022–2022 wel gewoon gehanteerd in het kader van de bekostiging en de bekostigingssystematiek.

4.4 Vijfdaagse schoolweken

Mochten scholen ervoor kiezen om 50 tot en met 52 weken per jaar open te zijn, dan moet een school de mogelijkheid geven rust in de schoolweken in te bouwen. Dit met het oog op een evenwichtige verdeling van de onderwijstijd voor de leerlingen. Daarom mogen zij bijvoorbeeld ook afwijken van het maximum van zeven vierdaagse schoolweken. Om deze reden biedt de beleidsregel de scholen die deelnemen aan het experiment de gelegenheid om van dit voorschrift, dat wil zeggen artikel 8, zevende lid, aanhef, onder b, onder 1° en 2°, van de WPO, artikel 10, vijfde lid, onderdeel b van de WPO BES en artikel 12, eerste lid, onderdeel b van de WEC, af te wijken. Ook voor scholen die niet het aantal weken dat ze open zijn uitbreiden, biedt de beleidsregel ruimte om vaker af te wijken van de bepaling die het maximum van zeven vierdaagse schoolweken regelt. Daarbij is het van belang te expliciteren dat ook de evenwichtige verdeling van de onderwijsactiviteiten over de dag overeind blijft (artikel 8, zevende lid, onder c, van de WPO, artikel 10, vijfde lid onderdeel b en c van de WPO BES, en artikel 11, vijfde lid van de WEC).

5. Voorwaarden voor deelname aan het experiment

Aan deelname van het experiment worden een aantal voorwaarden gesteld. Deze zijn er ter waarborg van de onderwijskwaliteit, het draagvlak in de school en ten behoeve van het onderzoek.

5.1 Deelname aan maximaal één onderwijstijdexperiment

Voor een zo zuiver mogelijk onderzoek kunnen scholen aan maximaal één experiment dat ziet op onderwijstijd tegelijkertijd deelnemen. Scholen kunnen daarom niet tegelijkertijd meedoen aan de Andere dag- en weekindeling en het Experiment Ruimte in Onderwijstijd. De aanvraagtermijn voor de Andere dag- en weekindeling en Ruimte in Onderwijstijd vindt gelijktijdig plaats. Het bevoegd gezag dat de aanvraag doet mag daarom maar voor één betreffende school voor één experiment één aanvraag indienen. Mochten er in de toekomst nog andere, nieuwe experimenten rondom onderwijstijd gestart worden, dan geldt ook daarvoor dat scholen niet tegelijkertijd aan meerdere experimenten die zien op onderwijstijd mogen meedoen.

5.2 Scholen met oordeel ‘zeer zwak’ uitgesloten

Met het oog op de onderwijskwaliteit worden scholen met het inspectieoordeel ‘zeer zwak’ uitgesloten van deelname aan het experiment Ruimte in Onderwijstijd. Dit geldt zowel voor de interventie- als controlegroep. De reden hiervan is dat scholen met het oordeel ‘zeer zwak’ een jaar de tijd hebben om de kwaliteit van onderwijs te herstellen. Dat jaar moet de focus volledig daarop liggen, deelname aan het experiment leidt hiervan teveel af. Bij het beoordelen van de aanvragen wordt uitgegaan van de lijst gepubliceerd op https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-2017/zeer-zwakke-scholen/bo op 1 april 2026, inclusief eventuele scholen die bij herstelonderzoek hun kwaliteit voldoende verbeterd hebben per 1 april 2026, maar waarvan het rapport van deze onderzoeken nog niet is vastgesteld of nog niet op internet staat.

Als scholen tijdens de looptijd van het experiment het oordeel ‘zeer zwak’ krijgen, trekt de minister het besluit tot toekenning van deelname aan het experiment in. Daarmee mag de school niet langer afwijken. Het leveren van data is in deze situatie nog steeds waardevol voor het onderzoek. Als de datalevering niet wordt voortgezet, kan ook de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is namelijk een vergoeding voor het leveren van de data, en het leveren van data is een subsidieverplichting (artikel 13).

5.3 Experimenteerplan

Van scholen in de interventiegroep wordt gevraagd om een experimenteerplan op te stellen. Het experimenteerplan dient twee doelen. Het eerste doel is om ervoor te zorgen dat de scholen uit de interventiegroep bedacht en onderbouwd hebben hoe ze het experiment willen invullen. Het tweede doel van het experimenteerplan is om informatie op te halen ten behoeve van het onderzoek. Voor het onderzoek is van belang om te weten hoe de scholen uit de interventiegroep van plan zijn het experiment invulling te geven, zodat in de loop van de tijd ook gemeten kan worden of en waarom dat wel of niet gelukt is.

Didactische visie en onderwijsfilosofie

In het experimenteerplan van de scholen in de interventiegroep dient in ieder geval de didactische visie en onderwijsfilosofie te worden beschreven. Bij de beschrijving hiervan wordt duidelijk dat (en hoe) het gebruik van de vrijstellingen, zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel zijn van deze visie en filosofie, en in dienst staat van de onderwijskwaliteit. Hiermee wordt gewaarborgd dat de deelname aan het experiment voor de school een verandering vormt met een duurzaam karakter waar goed is over nagedacht en die goed kan worden ingebed in het onderwijs van de betreffende school. Dit is een belangrijke randvoorwaarde voor het gebruik maken van de geboden ruimte.

Toelatingsbeleid en schoolgids

In artikel 13, eerste lid, onder e, van de WPO staat dat in de schoolgids uitgeschreven moet zijn dat de geldelijke ouderbijdrage, zoals bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WPO, vrijwillig is en dat leerlingen niet van activiteiten worden uitgesloten als de ouderbijdrage niet is voldaan. Dit betekent dat toelating tot de school niet afhankelijk mag worden gesteld van een geldelijke bijdragen van de ouders. Scholen uit de interventiegroep dienen hun toelatingsbeleid in het experimenteerplan op te nemen en dit beleid moet rekening houden met de vrijwilligheid van de ouderbijdrage. Ook dienen scholen, zoals bepaald in artikel 13 van de WPO, jaarlijks in de schoolgids melding te maken van de indeling van de onderwijstijd.

5.4 Instemming medezeggenschapsraad

Voor een andere indeling van de onderwijstijd moet voldoende draagvlag zijn bij personeel (schoolteam), ouders, leerlingen en het schoolbestuur. Het experiment maakt geen uitzondering op de Wet medezeggenschap op scholen (WMS). Dit betekent dat de medezeggenschapsraad (alle geledingen) adviesbevoegdheid heeft ten aanzien van de regeling van de vakantie (artikel 11, aanhef en onder l, WMS) en dat de oudergeleding instemmingsrecht heeft ten aanzien van de onderwijstijd (artikel 13, aanhef en onder h, WMS). Vanwege het belang van draagvlak en betrokkenheid van ouders en personeel wordt voor deelname aan het experiment ook een verklaring van instemming van de medezeggenschapsraad verlangd.

5.5 Melding en afmelding

De verwachting is dat scholen in de interventiegroep enige tijd nodig hebben om de invulling van het experiment ook praktisch te organiseren binnen de school. Daarom krijgen de scholen in de interventiegroep een jaar de tijd om zich praktisch voor te bereiden. De scholen uit de interventiegroep dienen binnen dit jaar een melding te maken bij het onderzoeksbureau dat ze het experiment daadwerkelijk starten. Een school in de interventiegroep heeft tot uiterlijk 31 juli 2027 om zich voor te bereiden op de praktische uitvoering en de melding te doen bij het onderzoeksbureau. Wanneer zij de melding niet uiterlijk 31 juli 2027 doen, wordt het besluit tot toekenning van deelname ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat scholen in de interventiegroep het grootste deel of de gehele periode bezig zijn met de voorbereiding en het daadwerkelijke experiment niet van de grond komt. Met het oog op het onderzoek is dit onwenselijk, omdat daardoor de effecten van het experiment niet gemeten kunnen worden.

Een school uit de interventie- of controlegroep kan gedurende het experiment om verschillende redenen willen stoppen met het experiment. De school dient zich in dat geval af te melden bij het onderzoeksbureau met opgaaf van de reden voor afmelding. Het stoppen van het experiment en de redenen waarom zijn belangrijke informatiepunten voor het begeleidend onderzoek.

Subsidieverplichting bij afmelding

Als een school uit de interventiegroep zich afmeldt van het experiment, is het leveren van data daarna nog steeds waardevol voor het onderzoek. Als de datalevering niet wordt voortgezet, kan de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is namelijk een vergoeding voor het leveren van de data, en het leveren van data is een subsidieverplichting.

6. Subsidie

Voor zowel scholen in de interventiegroep als scholen in de controlegroep wordt een subsidie van € 16.664,– per school beschikbaar gesteld. Deze wordt in één keer verstrekt en in vier jaarlijkse termijnen betaald. Uiterlijk zes weken na de beschikking vindt de eerste betaling plaats. In volgende jaren vindt de betaling plaats in juni.

De subsidie wordt ter beschikking gesteld als tegemoetkoming in de kosten en inspanningen voor de deelname aan het onderzoek naar het experiment. De subsidieaanvraag wordt gelijktijdig met de aanvraag voor deelname aan het experiment gedaan. Er hoeft geen activiteitenplan of begroting ingediend te worden.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie gedurende de experimenteerperiode bij nog uit te betalen termijnen lager worden vastgesteld wanneer de subsidieontvanger niet aan de verplichtingen voldoet. Daarbij geldt voor deze regeling dat bij scholen die zich afmelden van het experiment niet per definitie een lagere subsidie wordt vastgesteld. De school kan ervoor kiezen om ondanks afmelding van het experiment door te gaan met het leveren van data ten behoeve van het onderzoek. In dit geval blijft de subsidie aan de school onveranderd. Hiermee wordt bevorderd dat ook de data van scholen die om welke reden dan ook besluiten te stoppen met het experiment meegenomen kunnen worden in de eindresultaten.

7. Handhaving van overige regelgeving

Met deze beleidsregel wordt geen ruimte gecreëerd om het stelsel van onderwijs en kinderopvang samen te voegen. Indien basisonderwijs en kinderopvang in één organisatie zijn ondergebracht, dient rekening te worden gehouden met de regels van beide stelsels.

De deelnemende scholen mogen enkel afwijken van hetgeen bepaald in artikel 3, vierde lid, van deze beleidsregel. De inspectie houdt toezicht op alle schoolbesturen en scholen in Nederland. Dat blijft zij ook doen voor de deelnemende besturen die gebruik maken van deze beleidsregel. Zij houdt daarbij wel rekening met de geboden ruimte die deelnemende besturen en scholen hebben.

8. Uitvoering en handhaving

De Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) zal deze beleidsregel uitvoeren. Een school kan in de periode van 1 januari 2026 tot en met 28 februari 2026 via www.dus-i.nl een aanvraag indienen voor deelname aan het experiment en subsidie. Mochten er vooraf vragen zijn, dan kunnen deze via onderwijstijdpo@minocw.nl gesteld worden. DUS-I zorgt voor een zorgvuldige behandeling van de aanvragen op basis van de gestelde criteria. De loting zal worden uitgevoerd door een notaris. Per 1 augustus 2026 start het experiment. De Inspectie van het Onderwijs is dan op de hoogte van de scholen in de interventiegroep van het experiment en zal op de reguliere wijze toezicht houden.

9. Regeldruk

In dit hoofdstuk worden de (verwachte) effecten van de onderhavige regeling op de regeldruk beschreven. Daartoe wordt het ervaren nut van deze beleidsregel, de kwalitatieve regeldruk, de werkbaarheid van het voorstel en de regeldrukkosten besproken.

9.1 Ervaren nut

Doel van de voorliggende regeling is om te onderzoeken wat het effect is van het afwijken van de wettelijke regels met betrekking tot schoolvakanties en het maximum aantal vierdaagse schoolweken en of de uitkomsten voldoende grond bieden voor het aanpassen van de wet- en regelgeving en onder welke voorwaarden. Deze regeling is een vervolg op de beleidsregel ‘Experiment Ruimte in Onderwijstijd’7.

Uit gesprekken met (vertegenwoordigers van) bevoegde gezagen, directeuren en leraren en op basis van de resultaten van het eerdere, soortgelijke experiment, blijkt dat de wens bestaat voor aanpassing van de wetgeving op gebied van schoolvakanties en het aantal vierdaagse schoolweken. Een groot deel van de scholen die deelnamen aan het ERiO wat tot 1 augustus 2025 liep, is van mening dat de gegeven ruimte met dit experiment van toegevoegde waarde is voor het onderwijs dat zij geven. Daarbij vindt ten minste een deel van hen dat een wetswijziging een effectiever instrument zou zijn dan een nieuw experiment. Tegelijkertijd maakt het kleine aantal deelnemende scholen aan het vorige experiment (17 scholen) en de verscheidenheid aan uitvoering van het experiment, dat op basis van de resultaten nog onvoldoende duidelijk wordt wat het effect zou zijn als alle scholen op andere manier vorm zouden kunnen geven aan hun onderwijstijd. De resultaten laten bijvoorbeeld ook zien dat het flexibeler omgaan met de onderwijstijd veel vraagt van de schoolorganisaties en in sommige gevallen negatief effect kan hebben op de werkdruk, of dat flexibele onderwijstijden niet alle leerlingen ten goede komt – er zijn immers ook leerlingen die juist meer gebaat zijn bij rust en structuur. Met name in het licht van een dalende onderwijskwaliteit en veel ervaren werkdruk onder leraren is het van belang hier eerst helderheid over te krijgen voordat de wet gewijzigd wordt. Daarom is een vervolgexperiment wenselijk.

Deze regeling biedt deelnemende scholen verschillende voordelen/opbrengsten, waarbij er verschil zit in of zij onderdeel uitmaken van de interventiegroep of de controlegroep. Scholen die deelnemen aan het experiment in de interventiegroep kunnen flexibeler hun vakanties inrichten en mogen ook vaker vierdaagse schoolweken aanbieden door het jaar heen. Scholen die deelnemen aan het experiment in de controlegroep dragen bij aan onderzoek, wat er in de toekomst mogelijk toe kan leiden dat de eisen met betrekking tot schoolvakanties en vierdaagse schoolweken wordt aangepast. Alle scholen ontvangen ook een vergoeding van € 4.166 per jaar voor deelname aan het onderzoek.

9.2 Werkbaarheid

Scholen dienen bij de start van het experiment een experimenteerplan in van hoe zij het experiment op hun school vormgeven. Daarmee is ingebouwd dat scholen het afwijken van de in de regeling beschreven artikelen op werkbare manier vormgeven. Met de doorlooptijden van het experiment is daarnaast rekening gehouden met de tijd die het kost om het op school georganiseerd te krijgen. Ook hebben scholen na afloop van het experiment een jaar de tijd om de organisatie weer terug te veranderen als wetgeving niet wordt aangepast.

Met vragen over het onderzoek kunnen scholen terecht bij de onderzoekers of bij de contactpersoon bij het Ministerie van OCW via onderwijstijdpo@minocw.nl. Voor vragen rondom de aanvraag kunnen scholen terecht bij DUS-I als uitvoeringsorganisatie.

9.3 Regeldrukkosten

De regeldrukkosten die deze beleidsregel met zich brengt, zijn in kaart gebracht. De kosten zijn berekend volgens het standaardkostenmodel (SKM) dat is opgesteld door het Ministerie van Financiën. Aangezien de verplichting, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, voor het aanleveren van informatie door de scholen die willen deelnemen aan dit experiment verandert, heeft deze beleidsregel gevolgen voor de administratieve lasten van deze scholen. In totaal bedragen de administratieve lasten € 624.000,00. Dit is het gevolg van het indienen van de aanvraag, het deelnemen aan bijeenkomsten en het meewerken aan de monitoring en evaluatie van dit experiment.

Voor het ontvangen van de subsidie bij deelname aan het experiment wordt geen verdere verantwoording van scholen gevraagd, behalve het indienen van een volledige aanvraag, een experimenteerplan en het aanleveren van de door het onderzoeksbureau gevraagde informatie. Het onderzoeksbureau communiceert met DUS-i wanneer scholen tijdens het experiment niet meer aan het leveren van de data voldoen. Daarom zijn hier geen aanvullende kosten voor opgenomen in de regeldruktabel.

Doelgroep

Handeling

Structurele kosten per handeling (P)

Aantal handelingen (Q)

Totaal (PxQ)

Instellingen

 

Tijds

besteding

Uurtarief

Totaal

Aantal

Frequentie

Totaal Q

 

Scholen

Plan maken en indienen

24

€ 50,00

€ 1.200,00

40

1

40

€ 48.000,00

 

Informatie aanleveren voor de monitoring

20

€ 50,00

€ 1.000,00

60

8

480

€ 480.000,00

 

Bijeenkomsten bijwonen

12

€ 50,00

€ 600,00

40

4

160

€ 96.000,00

Totaal

             

€ 624.000,00

9.4 Advies ATR

Op 8 december 2025 is het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) om advies gevraagd voor een eerdere versie van de beleidsregel (dit is gecombineerd met een adviesaanvraag voor het experiment ‘andere dag en weekindeling). Het ATR beoordeelt de regeldrukgevolgen van de regeling aan de hand van het volgende toetsingskader:

  • 1. Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest aangewezen instrument?

  • 2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?

  • 3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving moeten naleven?

  • 4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht?

Het college adviseert om toe te lichten welke toegevoegde waarde het verlengde experiment heeft, uitgaande van de bekende resultaten van eerdere experimenten naar schoolvakanties en afwijking van het aantal vierdaagse schoolweken, en bij welke resultaten het experiment geslaagd is. Dit is in de toelichting verwerkt. Verder adviseert het college om na te gaan of de monitorings- en evaluatieverplichtingen voor scholen werkbaar zijn. Dat is gedaan, onder andere via scholen die aan het eerdere experiment hebben deelgenomen. Het college adviseert ook om de regeldrukberekeningen aan te vullen met een inschatting van de verantwoordingskosten, conform de Rijksbrede methodiek. Ook dat is verwerkt in de toelichting.

Overige opmerkingen uit het ATR-advies hadden betrekking op een eerdere versie van de beleidsregel of op het experiment ‘Andere dag en weekindeling’.

10. Financiële gevolgen

Het ministerie betaalt de kosten voor het monitoren en onderzoeken van dit experiment. Scholen in de interventiegroep én in de controlegroep ontvangen een vergoeding voor de dataverzameling voor het (wetenschappelijk) onderzoek.

11. Monitoring en evaluatie

Voor de monitoring en evaluatie van deze beleidsregel wordt een onafhankelijk onderzoeksbureau geworven. De onderzoekers zullen een nulmeting verrichten, het experiment gedurende de gehele looptijd volgen en monitoren en tegen het einde van het experiment een eindrapport uitbrengen met de evaluatie van het experiment. Op basis van dit onderzoek, in combinatie met het onderzoek bij de experimenten Andere dag- en weekindeling en Onderwijstijd in Balans, kan worden bepaald of de uitkomsten aanleiding geven voor wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van onderwijstijd. Ten behoeve van de monitoring en evaluatie zullen gegevens uit verschillende bronnen worden gecombineerd. Voor de onderzoeksthema’s kwaliteit, kansengelijkheid en continuïteit kan gebruik gemaakt worden van onder andere leerlingenprestatiegegevens en ontwikkelingsgegevens (bijv. onderbouwsucces VO), verzuimgegevens en gegevens over de school (bijv. schoolweging). De invulling van het onderzoek zal in overleg met het onderzoeksbureau vorm krijgen, waarbij een belangrijk aspect van het onderzoeksdesign gegeven geven is namelijk het gebruik maken van interventie- en controlegroepen. Bij de aanvraag voor deelname aan het experiment geven scholen aan dat zij mee zullen werken aan het onderzoek en hiertoe informatie zullen verstrekken. Deze voorwaarde zal ook in het besluit worden opgenomen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Het doel van het experiment is om te onderzoeken welke invloed de mogelijkheid om af te wijken van de voorschriften omtrent vakanties en het bepaalde ten aanzien van aantal dagen en uren onderwijs aan leerlingen heeft op de onderwijskwaliteit, en met welke voorwaarden. Er wordt een onderzoeksbureau ingeschakeld dat onderzoekt wat het afwijken voor effecten heeft op het onderwijs van de deelnemende scholen. Verder heeft dit experiment tot doel om te onderzoeken of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

Artikel 3

Het experiment maakt het mogelijk voor schoolbesturen om af te wijken van voorschriften omtrent vakanties en het bepaalde ten aanzien van het aantal dagen en uren onderwijs aan leerlingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat leerlingen in acht schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen.

In dit artikel wordt toegelicht dat een deel van de deelnemers aan het experiment in de interventiegroep worden geplaatst, zij mogen afwijken van het bepaalde in het vierde lid. Het overige deel wordt in de controlegroep geplaatst en mag niet afwijken van het bepaalde in het derde lid.

Artikel 4

Eerste en tweede lid

Een bevoegd gezag doet namens een school een aanvraag tot deelname van het experiment. De aanvraag kan worden ingediend via het digitale aanvraagformulier dat te vinden is op de website van DUS I: www.dus-i.nl. De aanvraagperiode loopt van 9 april 2026 tot en met 30 april 2026.

Derde lid

In dit lid is opgesomd welke informatie er bij een aanvraag moet worden gevoegd. Het is van belang dat een experimenteerplan wordt aangeleverd. Ook moet de medezeggenschapsraad hebben ingestemd met deelname aan het experiment. Verder is het van belang dat bij de aanvraag een verklaring zit dat een school ook mee blijft doen aan het experiment indien zij worden geselecteerd voor de controlegroep. Dit is een vereiste omdat de data van de controlegroep cruciaal is voor de uitvoering van het onderzoek naar het experiment. Daarnaast verklaart de aanvrager dat de school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan een ander experiment van de minister dat ziet op onderwijstijd. Tot slot verklaart de aanvrager dat de kwaliteit van het onderwijs voor de school waarvoor de aanvraag wordt gedaan niet door de Inspectie van het Onderwijs is beoordeeld als ‘zeer zwak’.

Artikel 5

Eerste lid

De minister beoordeelt of de aanvraag aan de voorschriften uit artikel 4 voldoet.

Tweede, derde en vierde lid

De aanvragen worden door middel van loting gerangschikt. Op deze manier wordt bepaald welke scholen meedoen aan de interventiegroep, aan de controlegroep, en welke scholen bij meer dan 60 aanvragen worden uitgesloten van deelname.

Scholen zoals vermeld in het vierde lid die eerder hebben deelgenomen aan het experiment ERiO, worden bij aanmelding automatisch in de interventiegroep geplaatst. Zij vormen vanwege het feit dat ze al langer experimenteren met deze afwijking een interessante subgroep voor het onderzoek en zijn, omdat ze al langer experimenteren met deze afwijkingen, niet zuiver als controlegroep mee te nemen.

Artikel 6

Eerste lid

De verlenging van het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. Het experiment duurt vier schooljaren. Het experiment is een verlenging van het eerdere experiment Ruimte in Onderwijstijd. Dit experiment begon op 1 augustus 2020 en duurde vijf schooljaren. De datalevering eindigt uiterlijk 31 december 2030.

Tweede lid

Scholen dienen vanaf de start van schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften te voldoen. Op die manier hebben scholen een jaar na afloop van het experiment om hun organisatie weer in lijn te brengen met de wettelijke voorschriften.

Derde lid

Scholen hebben één schooljaar de tijd om zich voor te bereiden op de deelname aan het experiment, namelijk tot 31 juli 2027. Zodra een school van deze voorbereiding overgaat naar deelname doet zij een melding. Als een school eerder dan 31 juli 2027 gereed is om deel te nemen, kunnen zij eerder deelnemen. Als een school na 31 juli 2027 nog geen melding heeft gedaan, wordt het besluit tot toekenning van deelname teruggetrokken.

Vierde en vijfde lid

De minister kan gedurende het experiment het besluit tot toekenning van deelname intrekken indien een school niet meer voldoet aan de vereisten uit de Experimentenwet of als zij gedurende het experiment wordt geoordeeld dat de kwaliteit op de deelnemende school ‘zeer zwak’ is.

Artikel 7

Eerste lid

Scholen moeten voor zij gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 2 melding doen bij het onderzoeksbureau. Het kan dus voorkomen dat niet elke school op hetzelfde moment begint met het afwijken. De ene school zal sneller administratief en organisatorisch klaar zijn om deel te nemen dan de andere.

Tweede lid

De melding aan het onderzoeksbureau bevat in ieder geval de contactgegevens van het bevoegd gezag, de instellingscode van de school, gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om op te treden met betrekking tot de aanvraag, een experimenteerplan en een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.

Vierde lid

Indien een school eerder stopt met het experiment, maakt deze hier melding van bij het onderzoeksbureau. Deze afmelding bevat de contactgegevens van het bevoegd gezag, de dagtekening, de reden voor afmelding en of de datalevering doorgang vindt.

Artikel 8

Eerste lid

Het experiment zal begeleid worden door een onderzoek en evaluatie ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid. Deelnemers aan dit experiment zijn verplicht mee te werken aan door of namens de minister hiertoe ingestelde onderzoeken.

Tweede lid

Het onderzoek zal onder meer gericht zijn op de wijze en de mate waarin scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij in ieder geval aandacht besteed wordt aan de impact op de kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, de omgang met de personeelstekorten, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen. Hiertoe zullen ook persoonsgegevens verwerkt moeten worden, waaronder de leerresultaten van leerlingen.

Derde lid

De minister schakelt een onderzoeksbureau in om het onderzoek en de procedure rond de meldingen uit te voeren.

Artikelen 10, 11, 12 en 13

Op grond van deze artikelen kan de minister aan een bevoegd gezag subsidie verstrekken als tegemoetkoming voor het leveren van de data ten behoeve van het onderzoek naar het experiment als bedoeld in artikel 9. Dit is een vast bedrag per school en is op aanvraag.

Deze aanvraag doet het bevoegd gezag gelijktijdig met de aanvraag voor de deelname aan het experiment. Omdat het gaat om een tegemoetkoming en het een vast bedrag betreft hoeft de subsidieaanvraag niet vergezeld te gaan van een activiteitenplan en begroting.

Artikel 14

De minister betaalt het subsidiebedrag in vier jaarlijkse termijnen.

Artikel 15

Als een bevoegd gezag een school afmeldt van deelname aan het experiment kan de subsidie lager worden vastgesteld. Dit kan gebeuren wanneer het bevoegd gezag geen data meer levert ten behoeve van het experiment. De subsidie ziet immers op de tegemoetkoming in de kosten van het leveren van deze data.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking


X Noot
1

Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 februari 2020, nr. PO/BenS/17873009, houdende regels voor een experiment ruimte in onderwijstijd in het basisonderwijs (Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd).

X Noot
2

Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 7 juni 2024, nr. 46071358, houdende regels voor de vaststelling van de kerstvakantie 2025, 2026, 2027, 2028, en 2029, de meivakantie in 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 en de spreiding en vaststelling van de zomervakantie 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 (Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030).

X Noot
3

Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025. https://open.overheid.nl/documenten/57c7b137-973d-4554-a04d-bba6138891e9/file

X Noot
5

Kamerstukken II, 2018/19, 31 293, nr. 469


X Noot
1

Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 februari 2020, nr. PO/BenS/17873009, houdende regels voor een experiment ruimte in onderwijstijd in het basisonderwijs (Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd).

X Noot
2

Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 7 juni 2024, nr. 46071358, houdende regels voor de vaststelling van de kerstvakantie 2025, 2026, 2027, 2028, en 2029, de meivakantie in 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 en de spreiding en vaststelling van de zomervakantie 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 (Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030).

X Noot
3

Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025. https://open.overheid.nl/documenten/57c7b137-973d-4554-a04d-bba6138891e9/file

X Noot
5

Kamerstukken II, 2018/19, 31 293, nr. 469

Naar boven