Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 39115 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 39115 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Op grond van artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet wordt het Ontwerp-Projectbesluit KRW Maas, maatregel Geul Ossenkamp vastgesteld, zoals deze in Bijlage A is opgenomen inclusief de daarbij behorende bijlagen I en II.
Aldus besloten,
Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Namens deze de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, de heer W. Fabries
Dit projectbesluit ziet toe op de uitvoering van één KRW-maatregel: Geul Ossenkamp. Bijlage I bevat de geometrische informatie van het projectgebied waarop dit projectbesluit betrekking heeft.
Het projectgebied voor KRW-maatregel Geul Ossenkamp bevindt zich op de rechteroever van de Terrassenmaas en valt binnen de gemeente Bergen (L) en de gemeente Gennep.
De maatregel betreft de aanleg van een jaarrond stromende, stuwpasserende nevengeul. De geul gaat om stuw Sambeek heen en valt deels samen met een oude Maasgeul. De instroomopening ligt benedenstrooms van de veerstoep op circa 1 kilometer van de stuw Sambeek. De uitstroomopening ligt bovenstrooms van de Oude Maasarm. De geul heeft een totale lengte van 3,3 km inclusief meanderbochten en overbrugt een verval van 3,1 meter.
De realisatie van de geul is te verdelen in vier trajecten. Hieronder volgt een beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden in elk traject:
Traject 1 – Instroom tot en met pad naar meetpalen
Het realiseren van de instroom van de geul en deze vastleggen met stortsteen;
Het realiseren van een inlaatkunstwerk met 3 kokers inclusief afsluiters;
Het aanbrengen van een woelbak;
Het uitgraven van het eerste traject van de geul;
Het plaatsen van drie duikers circa 400 meter stroomafwaarts van de instroom van de geul;
Het verplaatsen van het veerooster aan het begin van het pad naar de westzijde van de geul;
Het aanleggen van het halfverharde beheerpad.
Traject 2 – Pad naar meetpalen – Stuwweg
Het uitgraven van het tweede traject van de geul;
Het openbreken van de bestaande asfaltverharding voor de plaatsing van drie duikers (met sponningen) ter plaatse van de kruising met de Stuwweg.
Traject 3 – Stuwweg – Ossenkamplossing
Het realiseren van een gronddam met duikers;
Het uitgraven van het derde traject van de geul;
Het dempen van de westzijde van de Ossenkamplossing tot en met het beheerpad;
Het aanbrengen van rivierhout op het stortebed achter de duikers.
Traject 4 – Ossenkamplossing – Monding
Het kruisen van de Geerhoeksweg middels een gronddam met drie duikers;
Het verlagen van de Geerhoeksweg tot 10m+NAP;
Het uitgraven van het vierde traject van de geul;
Het uitgraven van de monding en deze vastleggen met een steensortering die aansluit op de bestaande oeverbescherming;
Het aanbrengen van een boeienlijn in de monding tegen invaren;
Het aanbrengen van een invaarverbodbord op de oever van de monding.
Overige werkzaamheden omvatten het tijdelijk verwijderen van Maasheggen die worden gekruist door de te realiseren maatregel, waarna deze weer worden teruggeplaatst. In traject 1 wordt de Maasheg teruggeplaatst met uitzondering van de bomen. Daarnaast wordt er twee stuks rivierhout aangebracht op het stortebed achter de duikers. Daarnaast zal er ook struweel worden verwijderd en (deels) worden herplant, en zullen er een op meerdere locaties langs de maatregel enkele bomen worden gekapt.
In bijlage II zijn de ontwerptekeningen met afmetingen opgenomen op basis waarvan het project wordt uitgevoerd. Het is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de maatvoering zoals opgenomen in de ontwerptekeningen. Dit is inherent aan de aard van de werkzaamheden voorkomend uit de praktisch en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en machines. Voorwaarde is wel dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.
Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten op soorten en de waterveiligheid te beperken of voorkomen. De volgende maatregelen worden getroffen:
Voor vleermuizen: werkzaamheden worden buiten het paarseizoen uitgevoerd of, mits dit echt niet mogelijk is, uitsluitend uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Daarmee wordt onnodig gebruik van kunstmatig licht voorkomen, alsmede het verstorende effect op foeragerende vleermuizen.
Voor de bever: de werkzaamheden worden zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode voor de bever uitgevoerd (voortplantingsperiode van mei tot augustus en de winterperiode wanneer er ijs op het water ligt). De werkzaamheden worden tussen zonsopgang en -ondergang uitgevoerd over een zo kort mogelijk tijdsbestek. Mogelijk aanwezige individuen hebben de kans om te vluchten door werkzaamheden in één richting uit te voeren, vluchtwegen open te laten en werkzaamheden rustig op te bouwen.
Waar het niet mogelijk is de effecten met voorgaande maatregelen te mitigeren, is er sprake van compenserende maatregelen. Hier is sprake van bij de werkzaamheden omtrent het vellen van houtopstanden.
Dit projectbesluit geldt als hierna nader aangeduide omgevingsvergunning ter uitvoering van het projectbesluit, als bedoeld in artikel 5.52 tweede lid onder a van de Omgevingswet:
Als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, voor zover de uitvoering van de in dit projectbesluit beschreven maatregelen op grond van artikel 6.17, eerste lid onder g, artikel 6.29 en artikel 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. De uitvoering van de in het projectbesluit beschreven maatregel is aan te merken als vergunningplichtig onder voorgenoemde artikelen voor de volgende activiteiten:
- Het plaatsen van duikers;
- Het plaatsen van verankerd rivierhout;
- De aanleg van een instroomopening, inclusief bijbehorende werkzaamheden (oeverbescherming en steenbestorting);
- De aanleg van een uitstroomopening.
Als omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover de in dit besluit beschreven maatregelen het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden betreft, als bedoeld in artikel 22.277 van het in de gemeenten Gennep en Bergen (L) op grond van artikel 22, eerste lid onder a van de Omgevingswet geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld, tot 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit, dan wel eerder als het project (waarvoor het projectbesluit is vastgesteld) is gerealiseerd, worden in het omgevingsplan van de gemeenten Gennep en Bergen (L) en in een projectbesluit of voorbereidingsbesluit van de provincie Limburg geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren.
Als het project eerder dan 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit is gerealiseerd, wordt dit namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat door Rijkswaterstaat tegelijkertijd schriftelijk meegedeeld aan de hiervoor genoemde gemeenten en provincie.
Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement, hierna: KRW) van kracht geworden. Het doel van de KRW is het realiseren en behouden van een goede ecologische en chemische toestand van de Europese wateren. Tegen deze achtergrond is Nederland gehouden de kwaliteit van het Nederlandse oppervlakte- en grondwater te beschermen, verbeteren en (zo nodig) te herstellen. Volgens de KRW moet Nederland in 2027 voldoen aan de doelen van de KRW of moeten op zijn minst de maatregelen zijn genomen om het behalen van de KRW-doelen mogelijk te maken. De waterbeheerders in Nederland zijn verantwoordelijk voor het behalen van deze doelen. Het niet halen van de KRW-doelen kan worden beboet door het Europese Hof van Justitie.
De KRW schrijft voor dat er stroomgebiedbeheerplannen (hierna: sgbp’s) worden opgesteld met een beschrijving van de watersystemen, de doelen voor de waterkwaliteit en de maatregelen om een goede toestand in oppervlakte- en grondwaterlichamen te bereiken. Voor de Rijn, Maas, Schelde en Eem zijn de eerste sgbp’s opgesteld in 2009 en vervolgens in 2022 geactualiseerd. De sgbp’s zijn een wettelijke bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In de sgbp’s is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen de komende zes jaar worden uitgevoerd.
Rijkswaterstaat (hierna: RWS), als waterbeheerder, is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de KRW voor de rijkswateren, waaronder het Nederlandse stroomgebied van de Maas. Om de KRW doelen te behalen, neemt RWS verschillende maatregelen langs de Maas. Deze maatregelen maken onderdeel uit van het programma KRW Zuid-Nederland (hierna: KRW-ZN). De maatregelen voor KRW-ZN zijn verdeeld over drie tranches (of planperioden). De eerste tranche (2009-2015) is afgerond, en de maatregelen binnen de tweede tranche (2016-2021) zijn deels uitgevoerd. De resterende maatregelen van de tweede tranche voert RWS uit in samenhang met de maatregelen uit de derde tranche. De derde tranche is gestart in 2022 en loopt tot eind 2027. Hiertoe behoren ongeveer 50 maatregelen. Deze maatregelen zijn onderverdeeld in verschillende deelprojecten. Het project Geul Ossenkamp is daar één van. In de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving (zie referentielijst) wordt het project aangeduid met Deelgebied-8 of DP-8. Dit project is gericht op het verbeteren van de ecologische kwaliteit van de Maas. Voorbeelden van maatregelen zijn:
herstel van verbindingen om vissen ruim baan te geven;
verbeteren van geleidelijke overgangen tussen water en land en tussen zoet en zout water;
een betere uitwisseling tussen de hoofdstroom van de rivier en geulen in de uiterwaarden;
voorkomen of beperken van de afwenteling van stofstromen vanuit bovenstrooms gelegen watersystemen.
Door oevers, uiterwaarden en beekmondingen opnieuw in te richten, kunnen verdwenen leefgebieden van waterplanten en -dieren weer zoveel mogelijk worden teruggebracht.
Het programma KRW-ZN heeft betrekking op het Nederlandse stroomgebied van de Maas. Dit stroomgebied loopt van Eijsden (waar de Maas Nederland binnenstroomt) tot en met de Bergsche Maas en de Afgedamde Maas (onderdeel van de Benedenmaas), en beslaat het gebied vanaf rivierkilometer 5 tot en met rivierkilometer 240.
Het programma KRW-ZN bestaat uit verschillende typen maatregelen in een aantal waterlichamen. Langs de Maas worden zeven waterlichamen gedefinieerd (zie Figuur 1). Voor ieder waterlichaam zijn in de KRW ecologische waterkwaliteitsdoelen vastgesteld.
Voor de uitvoering van KRW-maatregelen zijn op grond van de inmiddels gedeeltelijk ingetrokken Waterwet (ontwerp-)projectplannen opgesteld en worden, vanwege de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet (hierna: Ow), (ontwerp-)projectbesluiten opgesteld. Elk besluit omvat één of meer KRW-maatregelen. Maatregelen in hetzelfde waterlichaam zijn zoveel mogelijk in hetzelfde besluit opgenomen.
De indeling van de te nemen besluiten is gebaseerd op de ligging van de maatregelen in de verschillende waterlichamen en de termijn waarop de maatregel kan worden uitgevoerd. Voor het programma KRW-ZN worden meerdere projectbesluiten vastgesteld.

Dit document bevat de motivering voor het projectbesluit KRW Maas, maatregel Geul Ossenkamp (hierna: het projectbesluit). Het projectbesluit voorziet in één maatregel, gelegen langs de Terrassenmaas (onderdeel van de Zandmaas). De ecologische kwaliteit van het waterlichaam en de manier waarop wordt beoogd deze kwaliteit te verbeteren, wordt hieronder beschreven.
De Zandmaas valt onder de categorie ‘Watertype R7: Langzaam stromende rivier/nevengeul op zand/klei’. Met de invoering van de KRW is een typologie beschikbaar gekomen die toegepast kan worden op alle oppervlaktewateren in Nederland. Aan de hand van deze typologie zijn de KRW waterlichamen onderverdeeld in KRW-watertypen of categorieën.
Uit de KRW-factsheet Zandmaas (van september 2025) blijkt dat de KRW-doelen voor de Zandmaas nog niet zijn bereikt.¹ In de KRW-factsheet is de Ecologische Kwaliteitsratio (hierna: EKR) voor de Zandmaas opgenomen. Voor de EKR worden verschillende meetwaarden gecombineerd tot één getal, en met een norm vergeleken. Hiermee is het een duidelijke maatlat voor de ecologische toestand van een waterlichaam. Voor de biologie worden vijf klassen onderscheiden, te weten: zeer goed, goed, matig, ontoereikend en slecht.
Hieronder is de EKR in de categorie biologie opgenomen met een weergave van de huidige toestand en het goed ecologisch potentieel (hierna: GEP) van de Zandmaas, zie Tabel 1. Deze tabel is overgenomen uit de KRW-factsheet Zandmaas. Uit de tabel volgt dat het leefgebied van macrofauna (of ongewervelde waterdieren, bijvoorbeeld watertorren, vlokreeftjes en poelslakken) en vissen matig scoort. Het GEP betreft het minimaal te behalen doel voor dat element.

Om invulling te geven aan de doelstelling binnen de Zandmaas wordt de maatregel Geul Ossenkamp uitgevoerd. Deze maatregel bestaat uit het realiseren van een stuwpasserende nevengeul. In de huidige toestand van het waterlichaam is er een knelpunt voor met name vis en macrofauna, zoals te zien in bovenstaande tabel. De maatregel levert permanent stromend habitat op, wat lokaal de habitatdiversiteit vergroot en meer natuurlijk en geschikt habitat biedt voor vis en macrofauna. Zie voor meer informatie over het doelbereik van de maatregel hoofdstuk 4. Het projectgebied van de maatregel is te zien in Figuur 2. Op dit figuur is ook de maatregel Monding Heijense Leijgraaf weergegeven, deze valt buiten de scope van voorliggend projectbesluit.

Dit document bevat de motivering voor het projectbesluit, een referentielijst van de specifiek voor dit besluit opgestelde documenten en een verklarende woordenlijst. Het document biedt een compleet overzicht van het besluitvormingsproces en het project. Hoofdstuk 2 bevat het wettelijk kader. In hoofdstuk 3 wordt het verkennings- en participatieproces beschreven. In hoofdstuk 4 volgt een beschrijving van het project, het projectgebied en de te treffen KRW-maatregel. Vervolgens volgt in hoofdstuk 5 een beschrijving van de impact van het project op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 staan de verschillende belangen in het gebied beschreven en wordt aandacht besteed aan de afweging van deze belangen. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van het projectbesluit beoordeeld. Hoofdstuk 8 richt zich op de projectrealisatie. Tot slot richt hoofdstuk 9 zich op de procedure van het Projectbesluit.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stelt op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (Ow) het projectbesluit vast. Voor het vaststellen van een projectbesluit is gekozen omdat de Minister van IenW op grond van de Omgevingswet daarmee op doelmatige en doeltreffende wijze uitvoering kan geven aan de doelen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er geldt een Europese, en daarmee ook een nationale, verplichting om hieraan te voldoen. Bovendien kan het projectbesluit dienen als grondslag voor onteigening als mocht blijken dat gebruikmaking van dit grondverwervingsinstrument voor het kunnen uitvoeren van dit besluit nodig is.
Volgens artikel 5.44, lid 1, Ow stelt de Minister van IenW een projectbesluit in beginsel vast in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze overeenstemming is voor dit project echter niet vereist, omdat het gaat om een project gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit (zoals volgt uit artikel 5.44, lid 2, Ow in samenhang met 10.3, aanhef, onder b, van de Omgevingsregeling).
Relatie met het omgevingsplan
Volgens artikel 5.52 Ow wijzigt het projectbesluit het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Bij de inwerkingtreding van de Ow hebben (veel) gemeenten echter nog geen omgevingsplan vastgesteld volgens de regels van de Ow. In het overgangsrecht van de Ow is daarom opgenomen dat een tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaat. Dit tijdelijke deel bestaat onder meer uit de bestemmingsplannen die golden direct voor de inwerkingtreding van de Ow. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan, in lijn met de Ow, om te zetten naar een nieuw deel. Tijdens deze overgangsfase hoeft met het projectbesluit niet ook het omgevingsplan te worden gewijzigd, zoals volgt uit artikel 22.16, lid 1, eerste zin, Ow. Voor zover het projectbesluit in strijd is met een omgevingsplan, geldt het projectbesluit op grond van artikel 22.16, lid 1, Ow van rechtswege (automatisch) als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In hoofdstuk 4 wordt beschreven dat (de uitvoering van) de KRW-maatregel in het projectbesluit (deels) strijdig is met de omgevingsplannen van de betreffende gemeenten. De KRW-maatregel is feitelijk getoetst aan de bestemmingsplannen van de betreffende gemeente(n). Deze bestemmingsplannen maken (sinds 1 januari 2024) onderdeel uit van het tijdelijke deel van het betreffende omgevingsplan (zoals volgt uit artikel 22.1 Ow). Zoals hiervoor uitgelegd, geldt het projectbesluit – voor zover in strijd met een omgevingsplan – als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Instructieregels
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) bevat verschillende instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving en de inhoud en motivering van besluiten. Een aantal instructieregels zijn van toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door de Minister. Uit artikel 9.1, eerste lid en de artikelen 9.2 en 9.3 Bkl volgt welke instructieregels dit zijn. Op grond van deze regels moet de Minister diverse aspecten van de fysieke leefomgeving in aanmerking nemen bij het vaststellen van het projectbesluit. Voor dit projectbesluit zijn deze instructieregels bij de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in acht genomen.
Afdeling 16.4 van de Ow vereist dat voor bepaalde projecten een mer-(beoordelings)procedure wordt doorlopen. In de gevallen dat een projecten een voor het project benodigd besluit, is opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (hierna: het Ob) moet worden bepaald welke procedure (een project-mer-procedure of project-mer-beoordelingsprocedure) moet worden doorlopen om de mogelijke milieueffecten te beoordelen, zoals volgt uit artikel 16.43, lid 1, Ow samen met artikel 11.6 Ob. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit volgt dat het project niet mer-beoordelingsplichtig is. Daarmee is het doorlopen van de mer-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig.
Vanuit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding heeft als onderdeel van het vaststellen van het projectbesluit wel een beoordeling plaatsgevonden van de (mogelijke) gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Dit is voor diverse relevante milieuaspecten uitgevoerd. Deze beoordeling is opgenomen in de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving, inclusief de diverse bij dit rapport gevoegde deelrapporten (zie referentielijst).
De maatregel Geul Ossenkamp bevindt zich in de Zandmaas. Om de ecologische kwaliteit van de Zandmaas te verbeteren en een bijdrage te leveren aan de KRW-opgave zijn in de verkenningsfase van het project verschillende uiterwaarden onderzocht. Deze onderzochte gebieden zijn de zogenaamde zoekgebieden.
Binnen de Zandmaas zijn verschillende type maatregelen onderzocht in verschillende zoekgebieden voor het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit (oevers, geulen, beekmondingen en uiterwaarde-vergravingen).
Binnen de Zandmaas zijn naast de maatregelen in dit projectbesluit, nog andere maatregelen onderzocht, namelijk:
De ligging van oude geulstructuren. Deze zijn bepaald op basis van geomorfologische kaarten en de hoogteligging. Op deze plekken kan een KRW-maatregel aansluiten op de vroegere functie van de rivier en wordt extra afgraven voorkomen;
Een bestaande watergang of plas, waar met aanpassingen meer ecologische diversiteit kan worden bereikt;
De aanwezigheid van beekmondingen die in het verleden zijn rechtgetrokken/ingedamd.
Dit heeft geleid tot de volgende zoekgebieden in de Zandmaas (Figuur 3), met bijbehorende maatregelen:
Monding Heijense Leigraaf: beekmonding herstel;
Geul Ossenkamp: realiseren (kwel)geulen;
Monding Kleefse Beek: beekmonding herstel en realiseren kwelgeulen;
Geul Leijgraaf-Arcen: realiseren kwelgeulen;
Monding Vorstermolenbeek: beekmonding herstel en realiseren kwelgeulen;
Oever Bergen-6: realiseren natuurvriendelijke oever.

Naar aanleiding van deze analyse is tijdens het ontwerpproces oever Bergen-6 afgevallen. In het voorbereidende werk is namelijk meer zicht gekregen op plekken waar de opgave voor natuurvriendelijke oevers onder meer werden gehaald, wat langs de Zandmaas het geval was.
Hierdoor was het niet noodzakelijk om oever Bergen-6 uit te voeren. Door oever Bergen-6 te laten vervallen, wordt het project efficiënter uitgevoerd en voorkomen dat er onnodige maatschappelijke kosten worden gemaakt.
Voor de maatregel Geul Ossenkamp en Monding Heijense Leijgraaf heeft in juni 2023 een ontwerpsessie plaatsgevonden met belanghebbenden. Tijdens de sessie klonk de oproep vanuit betrokkenen (gemeenten, delfstoffenwinners en eigenaren) om te onderzoeken of de maatregelen tezamen met de overige ideeën voor gebiedsontwikkeling, in een integrale ontwikkeling konden worden opgepakt. Het ontwerpproces is daarmee opnieuw begonnen (nieuwe zoekgebieden), en door deze vertraging zijn de maatregelen uit deelproject 5 gehaald en in een apart deelproject geplaatst (deelproject 8) dat officieel van start is gegaan in 2023.
Meer informatie over het selectieproces waarin mogelijke oplossingen zijn onderzocht en deze KRW-maatregel als voorkeursalternatief is geselecteerd is opgenomen in het MIRT2 Verkenningen rapport (zie referentielijst). Voor alle KRW-ZN-maatregelen worden zogeheten grondslagendossiers opgesteld, zo ook voor de maatregel Geul Ossenkamp. In deze dossiers wordt voor elke maatregel beschreven waarom het treffen van maatregelen in het betreffende waterlichaam noodzakelijk is, waarom voor een bepaald type maatregel is gekozen, hoe deze keuze gemaakt is, waar de maatregel wordt uitgevoerd en waarom deze locatie daarvoor geschikt is. Het grondslagdossier voor de maatregel Geul Ossenkamp is raadpleegbaar in de referentielijst bij dit projectbesluit.
Volgens de Ow start de projectprocedure (om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit) met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. Met de kennisgeving voornemen geeft het bevoegd gezag kennis van zijn voornemen om een verkenning uit te voeren naar een (toekomstige) opgave in de fysieke leefomgeving (zoals volgt uit artikel 5.47, lid 1, Ow). Met de kennisgeving participatie geeft het bevoegd gezag kennis van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken (zoals volgt uit artikel 5.47, lid 4, Ow). Zowel voor het project Geul Ossenkamp als het project Monding Heijense Leijgraaf is een (gecombineerde) kennisgeving voornemen en participatie gepubliceerd op 18 september 2023 in de Staatscourant.²
Via verschillende communicatiekanalen is de omgeving uitgenodigd mee te denken over de voorgestelde oplossingen. In totaal zijn er 12 reacties binnengekomen. De meeste daarvan gingen over Geul Ossenkamp. De reacties hadden onder meer te maken met de benodigde gronden in relatie tot het huidige agrarische gebruik en/of eigendom, het toekomstige beheer na herinrichting en de mogelijke aanleg van extra Maasheggen. Ook riepen enkele indieners op tot een bredere, gebiedsgerichte aanpak. Iedereen die een reactie heeft ingediend, heeft per brief bericht van Rijkswaterstaat gekregen over hoe zijn of haar reactie is beoordeeld en verwerkt. Een groot deel van de gronden binnen het projectgebied is in eigendom van het Rijk en van Waterschap Limburg. Voor de uitvoering van het project zijn ook gronden van derden nodig. In het participatieproces is besloten geen extra Maasheggen aan te planten. Dat bleek onder meer vanwege de verwachte opstuwing bij hoogwater niet haalbaar. Het ontwerp concentreert zich op de oorspronkelijke doelen van de Kaderrichtlijn Water voor het realiseren van waternatuur. Deze aanpassingen zijn gedaan in nauwe samenwerking met Waterschap Limburg, de beoogde beheerder van de geul.
In het proces om te komen tot het projectbesluit zijn belanghebbenden (waaronder gemeenten, provincie, grondeigenaren, waterschappen en lokale belangenverenigingen) intensief betrokken. Via verschillende kanalen is mondeling en schriftelijk aandacht besteed aan het tijdig en doelmatig verstrekken en verkrijgen van informatie van belanghebbenden.
Er is een stakeholderanalyse opgesteld bij de start van de planuitwerking van de KRW-maatregelen. Hierin is vastgelegd welke belangen spelen en hoe de verschillende belanghebbenden worden betrokken. Daarnaast is er een participatieplan opgesteld. Aan de start van en gedurende de planuitwerking zijn persoonlijke gesprekken gevoerd met de grondeigenaren, natuur beherende organisaties en gemeenten. Tijdens deze gesprekken zijn het programma KRW-ZN en de KRW maatregelen toegelicht. Vragen en belangen zijn daarnaast actief opgehaald door stakeholders te vragen om hun mening over de beoogde uitvoering van de KRW-maatregelen en ideeën daarover in te brengen. Voor de ontwerpsessies, in elke fase van het ontwerpproces, zijn belanghebbenden uitgenodigd om mee te denken over het ontwerp. In hoofdstuk 6 worden de belangen die tijdens het participatieproces naar voren zijn gekomen, beschreven.
Informatiekanalen
De omgeving is en wordt verder geïnformeerd via diverse media, zoals:
projectinformatie op www.rijkswaterstaat.nl/maasoeversen www.samenwerkenaanriviernatuur.nl;
de nieuwsbrief KRW-ZN die twee keer per jaar wordt verstuurd en waar iedereen zich op kan abonneren;
advertenties in lokale dagbladen en/of huis-aan-huisbladen;
communicatie via sociale media als Facebook en X (voorheen Twitter);
de centrale publieksinformatielijn van Rijkswaterstaat 0800-8002 voor vragen, klachten en meldingen;
en persberichten.
In het projectbesluit wordt gesproken over verschillende gebieden, die hieronder worden toegelicht:
Het projectgebied is het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft. Het projectgebied bestaat uit het gebied waarbinnen de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van de KRW-maatregelen zal plaatsvinden.
De erosielimietlijn is de begrenzing waarbinnen de berekende voortschrijdende erosie zal plaatsvinden. De zone is vastgesteld op een breedte van 0 meter bij geïsoleerde geulen, 3 meter bij aangetakte geulen, 6 meter bij meestromende geulen en tot 37 meter bij ontsteende oevers. De maatregel Geul Ossenkamp omvat een meestromende nevengeul, en kent daarmee een erosielimietlijn van 6 meter.
Als er voor het toekomstige beheer en onderhoud een strook benodigd is, zal deze beheer- en onderhoudsstrook aansluiten op het gebied waar de aanleg van de maatregelen plaatsvindt. Deze strook heeft een breedte van 4,1 meter en is onderdeel van het projectgebied. Uitzondering op deze breedte zijn beheer- en onderhoudsstroken die eigendom zijn van waterschappen of terrein beherende organisaties, hier worden de breedtes van de door die gehanteerde organisaties aangehouden. Meer detail over het beheer en onderhoud is opgenomen in paragraaf 8.4.
De grenzen van het projectgebied zijn vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet.
In het projectbesluit is de maatregel op de rechteroever van de Terrassenmaas (onderdeel van de Zandmaas) omschreven als Geul Ossenkamp. De maatregel voorziet in het realiseren van een jaarrond stromende, stuwpasserende geul.
De maatregel is gericht op het verbeteren van de ecologische omstandigheden door het realiseren van meer stromend habitat langs de Maas voor stromingsminnende soorten. Hiermee wordt de ecologische waterkwaliteit van de Zandmaas vergroot en heeft de maatregel een positieve invloed op de EKR. De EKR zal – ten opzichte van de huidige situatie – verbeteren.
Hieronder wordt de maatregel nader beschreven.
Geul Ossenkamp is een langgerekte maatregel op de rechteroever van de Terrassenmaas. Het projectgebied begint ter hoogte van rivierkilometer 145 en eindigt ter hoogte van rivierkilometer 148. Het zuidelijk deel van de maatregel ligt in de gemeente Bergen en het noordelijk deel van de maatregel valt binnen de gemeente Gennep. Het ligt in een aaneenlopende uiterwaard tussen de dorpen Afferd en Heijen in. De nevengeul is geprojecteerd als stuwpasserende geul van stuw Sambeek en valt deels samen met een oude Maasgeul. De instroomopening is voorzien even benedenstrooms de veerstoep en de monding even bovenstrooms van de Oude Maasarm.
De Geul Ossenkamp heeft raakvlak met meerdere maatregelen in de directe omgeving. Ten oosten ligt de maatregel ‘Monding Heijense Leijgraaf’. Ten noorden liggen de maatregelen ‘Oude Maasarm Heijen’ en ‘Kleefse Beek’.

De maatregel betreft de aanleg van een jaarrond stromende, stuwpasserende nevengeul. De geul gaat om stuw Sambeek heen en valt deels samen met een oude Maasgeul. De instroomopening ligt benedenstrooms van de veerstoep op circa 1 kilometer van de stuw Sambeek. De uitstroomopening ligt bovenstrooms van de Oude Maasarm. De geul heeft een totale lengte van 3,3 km inclusief meanderbochten en overbrugt een verval van 3,1 meter.
De realisatie van de geul is te verdelen in vier trajecten. Hieronder volgt een beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden in elk traject:
Traject 1 – Instroom tot en met pad naar meetpalen
Het realiseren van de instroom van de geul en deze vastleggen met stortsteen;
Het realiseren van een inlaatkunstwerk met 3 kokers inclusief afsluiters;
Het aanbrengen van een oeverbak;
Het uitgraven van het eerste traject van de geul;
Het plaatsen van drie duikers circa 400 meter stroomafwaarts van de instroom van de geul;
Het verplaatsen van het veerooster aan het begin van het pad naar de westzijde van de geul;
Het aanleggen van het halfverharde beheerpad.
Traject 2 – Pad naar meetpalen – Stuwweg
Het uitgraven van het tweede traject van de geul;
Het openbreken van de bestaande asfaltverharding voor de plaatsing van drie duikers (met sponningen) ter plaatse van de kruising met de Stuwweg;
Traject 3 – Stuwweg – Ossenkamplossing
Het realiseren van een gronddam met duikers;
Het uitgraven van het derde traject van de geul;
Het dempen van de westzijde van de Ossenkamplossing tot en met het beheerpad;
Het aanbrengen van rivierhout op het stortebed achter de duikers;
Traject 4 – Ossenkamplossing – Monding
Het kruisen van de Geerhoeksweg middels een gronddam met drie duikers;
Het verlagen van de Geerhoeksweg tot 10m+NAP;
Het uitgraven van het vierde traject van de geul;
Het uitgraven van de monding en deze vastleggen met een steenstorting die aansluit op de bestaande oeverbescherming;
Het aanbrengen van een boeienlijn in de monding tegen invaren;
Het aanbrengen van een invaerverbodsbord op de oever van de monding.
Overige werkzaamheden omvatten het tijdelijk verwijderen van Maasheggen die worden gekruist door de te realiseren maatregel, waarna deze weer worden herplant. In traject 1 wordt de Maasheg herplant met uitzondering van de bomen. Daarnaast worden er twee stuks rivierhout aangebracht op het stortebed achter de duikers. Daarnaast zal er ook struweel worden verwijderd en (deels) worden herplant, en zullen er op meerdere locaties langs de maatregel enkele bomen worden gekapt.
In de huidige toestand van het waterlichaam is er een knelpunt voor met name vis en macrofauna. De realisatie van de maatregel levert permanent stromend habitat op, wat lokaal de habitatdiversiteit vergroot en meer natuurlijk en geschikt habitat biedt voor vis en macrofauna. Daarnaast zorgt de maatregel voor een verbeterde verbinding tussen de verschillende stuwpanden in de Zandmaas bij de stuw Sambeek. Dit draagt positief bij aan de maatlatscores voor vis. Doordat de geul de stuw passeert, is het mogelijk voor vissen om vrij stroomop- en afwaarts te migreren. Ook kan macrofauna zich via drift beter verplaatsen door de stuwpasserende nevengeul.
Met de aanleg van de geul wordt ook ondiep, stromend habitat gecreëerd. Lokaal verhoogt dit de mogelijkheden voor kenmerkende en strominnende vis en macrofauna. In combinatie met voldoende habitatvariatie, zoals variatie in diepte en stroomsnelheid, de aanwezigheid van (hout)structuren, een zandbodem en grind, ontstaan hiermee geschikte habitats en mogelijk paaionstandigheden voor strominnende vissoorten. Soorten die kunnen profiteren van dit habitat in de geul zijn alver, bermpje, barbeel, serpeling, sneep, kopvoorn, riviergrondel en winde. Mogelijk kunnen ook (zeer) zeldzame soorten van het habitat profiteren, zoals rivierprik, zeeprik, salmoniden en de rivierdonderpad.
Voor macrofauna kunnen de aanwezige stromende habitats de aanwezigheid van rivierrombout, kokerjuffers, haften, zoals gele driestaart, steenvliegen en stroomminnende dansmuggen faciliteren. Voor macrofyten biedt het stromende habitat ook kansen, mogelijk zelfs voor stroomminnende soorten, zoals vlottende waterranonkel.
Doordat de geul permanent stroomt, blijft het water in de geul voorzien van voldoende zuurstof. Dit is gunstig voor stroomminnende vis en macrofauna. De aanwezige stromende en zuurstofrijke habitats in de geul leiden naar verwachting tot een toename van kenmerkende en stroomminnende soorten, wat lokaal positief werkt op de deelmaatlatten voor vis, macrofauna en macrofyten.
Bij de vaststelling van het projectbesluit is het mogelijk om regels van andere overheden buiten toepassing te laten. Omdat er is gebleken dat er geen sprake is van regels van andere overheden die de uitvoering van het projectbesluit kunnen belemmeren, hoeven er in het projectbesluit geen regels van andere overheden buiten toepassing te worden verklaard.
Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot drie jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in een omgevingsplan van de gemeenten Gennep en Bergen (L) en in een projectbesluit of voorbereidingsbesluit van de provincie Limburg geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren. Deze termijn is vastgesteld op basis van artikel 4.19a, lid 3, en artikel 5.53a, lid 3, van de Ow. Mocht het nodig zijn, kan de termijn eenmalig worden verlengd.
Het project waarvoor het projectbesluit wordt vastgesteld moet voldoen aan (inter)nationale, regionale en lokale wet- en regelgeving. Ook moet worden bezien of het project past binnen het beleid voor onderdelen van de fysieke leefomgeving van het Rijk, provincie, gemeenten of waterschappen. In dit hoofdstuk volgt de toetsing aan relevante wet- en regelgeving.
In algemene zin geldt dat het project bijdraagt aan het beschermen en verbeteren van een aantal van de volgende (algemene) doelen van de Ow, die zijn gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarden van de natuur, en;
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.
Zoals toegelicht (in paragraaf 2.1), bevat het Bkl instructieregels over de fysieke leefomgeving die bij het vaststellen van het projectbesluit van toepassing zijn en beogen bepaalde belangen te borgen en te beschermen (zoals aangegeven in het milieu- en veiligheid instructieregels golden specifiek voor dit project):
Weging van het waterbelang (artikel 5.37 Bkl);
Behoud cultureel erfgoed (artikel 5.130 Bkl);
Natuurnetwerk Nederland (artikel 9.3 Bkl).
Deze instructieregels zijn bij de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in acht genomen.
Voor de uitvoering van de KRW-maatregel in het projectbesluit zijn relevant de Kaderrichtlijn Water (KRW) (richtlijn 2000/60/EG) en de Vogel- en Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG).
Het doel van de KRW is het realiseren en behouden van een goede ecologische en chemische toestand van de Europese wateren. De KRW is gericht op het verminderen en voorkomen van verontreiniging van watersystemen, het bevorderen van duurzaam watergebruik en het beperken van de effecten van overstromingen en droogte. In de KRW staat concrete doelen voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam en voor specifiek beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden. Voor oppervlaktewater stelt de KRW-eisen aan de chemische en ecologische kwaliteit. Volgens de KRW moet Nederland in 2027 voldoen aan de doelen van de KRW of moeten op zijn minst de maatregelen zijn genomen om het behalen van de KRW-doelen mogelijk te maken.
Met de te realiseren KRW-maatregel ontstaat een groter diversiteit aan ecotypen en neemt het areaal aan geschikt habitat toe. Voor de KRW-maatregel is het doelbereik bepaald met behulp van een zogenoemde KRW-toets. De resultaten van de toetsingen zijn beschreven onder ‘doelbereik’ in hoofdstuk 4. De volledige KRW-toets is opgenomen in het KRW-MIRT formulier - Geul Ossenkamp (zie referentielijst).
De Vogel- en Habitatrichtlijn richten zich op het behouden van de Europese biodiversiteit. Dit doel wordt enerzijds nagestreefd door het beschermen van soorten en anderzijds door de bescherming van gebieden die een samenhangend netwerk (Natura 2000) vormen.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurlijke gebieden, zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een (gedeeltelijk) besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende van vogelsoorten (op basis van de Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke leefgebieden en habitat van soorten (op basis van de Habitatrichtlijn). De Ow regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden.
Het projectgebied van de maatregel Geul Ossenkamp ligt binnen de reikwijdte van verschillende Natura 2000-gebieden. De mogelijke effecten van de uitvoering van de maatregel op deze gebieden zijn onderzocht. De beoordeling is opgenomen in de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving en het daarbij gevoegde rapport “Toetsing Natura 2000” (zie referentielijst). Hieruit volgt dat significante gevolgen op de natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden op voorhand op basis van objectieve gegevens zijn uit te sluiten.
Voor de KRW-maatregel is de Nationale Omgevingsvisie 2020 (hierna: NOVI) en het Nationaal Water Programma (hierna: NWP) 2022-2027 relevant.
De NOVI is de Rijksvisie op een duurzame fysieke leefomgeving. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau. De NOVI richt zich op vier prioriteiten, te weten:
Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken;
Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
In de NOVI zijn ook nationale belangen benoemd, die op nationaal niveau moeten worden behartigd. Het “waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van water” is één van de nationale belangen. De KRW-maatregelen dragen bij aan dit nationale belang van een goede waterkwaliteit.
Landelijk en regionaal waterbeleid wordt vastgelegd in waterprogramma’s. Het Rijk doet dit voor de rijkswateren in het NWP (voorheen Nationaal Waterplan en het Beheerplan voor de Rijkswateren).
Hierin staat welke maatregelen genomen moeten worden om Nederland veilig en leefbaar te houden en om de kansen die water biedt, te benutten. Dit is nodig om voor te bereiden op klimaatverandering, om meer samenhang binnen het beleid aan te brengen, om water meer ruimte te geven en natuurlijke processen te herstellen.
Vooruitlopend op de Ow heeft het Rijk het Nationaal Waterprogramma en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren geïntegreerd tot één waterprogramma. Als wettelijke bijlagen zijn opgenomen de stgpb’s, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee 2022-2027. In het NWP ligt de focus op omgaan met de uitdagingen van klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk. Ook wil het Rijk water een leidend principe maken in de ruimtelijke inrichting van Nederland.
De KRW schrijft voor dat sgbp’s moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en KRW-maatregelen. Met het NWP voldoet Nederland aan de eisen van de KRW, de Richtlijn Overstromingsrisico’s en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Ook vormt het NWP het kader voor de regionale waterplannen. Met dit project wordt een KRW maatregel uit het sgpb voor de Maas gerealiseerd.
Voor de KRW-maatregel in onderhavig projectbesluit zijn de volgende regionale (beleids-)documenten relevant:
Algemeen
De provincie Limburg heeft de ‘Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2026’ vastgesteld op 8 mei 2026. De visie richt zich op de lange termijn, specifiek de periode 2025 tot 2050. De omgevingsvisie omschrijft hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkelingen en hoe ze daarbij de balans zoeken tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Limburg (hierna: NNL) vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Binnen het NNL streeft de provincie naar behoud en beheer van de aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Naast het NNL zijn er ook Groenblauwe mantel gebieden aangewezen. De Groenblauwe mantel maakt geen onderdeel uit van het NNN, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit daarvan. Meer informatie over de kenmerken van de Groenblauwe mantel is te vinden in de beleidsregel ecologische fysieke leefomgeving en de daarbij gevoegde rapport “Toetsing Natuurnetwerk Nederland” (zie referentielijst).
De Omgevingsverordening Limburg (2021) is vastgesteld op 17 december 2021 en is in werking getreden op 1 januari 2024, samen met de Ow. De omgevingsverordening bevat de provinciale regels op het gebied van onder andere wegen, water, grond, natuurgebieden, flora en fauna, landbouw, wonen en milieu.
De omgevingsvisie van de gemeente Gennep is vastgesteld op 23 september 2019. De omgevingsvisie beschrijft de visie voor de fysieke leefomgeving van de gemeente voor de komende 15 jaar. Hierbij ligt de omgevingsvisie zich op meerdere speerpunten van wonen- en leefklimaat, duurzame en veilige omgeving en (digitale) voorzieningen.
De omgevingsvisie van de gemeente Bergen (L) is vastgesteld op 23 april 2019. De omgevingsvisie richt zich op de gewenste ontwikkeling van landschap, kernen en buitengebieden. De gemeente kiest nadrukkelijk voor een aantrekkelijk en sterk groen landschap.
De regels gesteld in de (tijdelijke) omgevingsplannen van de gemeenten Gennep en Bergen (L) zijn relevant voor de maatregel in het projectbesluit. De omgevingsplannen zijn van rechtswege ontstaan door het in werking treden van de Ow op 1 januari 2024. Daarmee zijn de voormalige bestemmingsplannen opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 om dit tijdelijke deel om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Hierdoor zijn momenteel de omgevingsplannen van gemeenten grotendeels vergelijkbaar met de voormalige bestemmingsplannen (zie voor meer informatie in de volledige toetsing aan de omgevingsplannen de referentielijst).
De waterschapsverordening van Waterschap Limburg is in werking getreden op 1 januari 2024. De waterschapsverordening vervangt de Keur en algemene regels, en vormt de regels over de fysieke leefomgeving. Het document omvat alle regels die bepalen welke activiteiten op welk locaties of in welke gebieden mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden.
Een belangrijk maatschappelijk doel van de Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (volgens artikel 1.3 sub a Ow). Het aspect gezondheid is meegenomen in de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving (zie referentielijst). De gevolgen van het projectbesluit op de gezondheid zijn onderzocht door te toetsen aan de onderdelen geluid, luchtkwaliteit, verkeer en ruimtelijke kwaliteit. In de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving is geconcludeerd dat er geen aanzienlijke nadelige gevolgen optreden voor het thema gezondheid.
In de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving is de impact van de maatregelen op diverse aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst (zie referentielijst). Op basis van de conclusies uit deze beoordeling worden maatregelen genomen om nadelige gevolgen op de fysieke leefomgeving te voorkomen of te beperken. Onderstaande tabel biedt een overzicht van de aspecten die in de beoordeling behandeld worden, en geeft een samenvatting van de conclusie per aspect (zie voor de volledige toetsing en effectenbeoordeling de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving). De maatregelen die worden genomen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op de fysieke leefomgeving worden beschreven in paragraaf 5.3.3.
Aspect | Deel aspect | Conclusie |
Natuur | Natura 2000 | Significante gevolgen op de onderzochte Natura 2000-gebieden (Maasduinen, Zeldersche Driessen, Sint Jansberg, De Bruuk, Oeffelter Meent, Boschhuizerbergen en Deurnsche Peel & Mariapeel) kunnen op voorhand op basis van objectieve gegevens worden uitgesloten. Daarom betreft het geen Natura 2000-activiteit en is er geen aanleiding voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. |
NNN | Het projectgebied ligt gedeeltelijk binnen de NNL en de groenblauwe mantel. De KRW-maatregel draagt bij aan een positief effect op de natuur en leidt niet tot negatieve gevolgen op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNL en de groenblauwe mantel. | |
Soorten | In het projectgebied zijn verschillende soorten beschermde plant- en diersoorten waargenomen waarop mogelijk effecten kunnen optreden. Met deze soorten is in de plannen voor de werkzaamheden rekening gehouden. Voor de bever en ruige dwergvleermuis is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit geïntegreerd in dit projectbesluit. Er zijn geen negatieve gevolgen voor de fysieke leefomgeving. | |
Houtopstanden | Er worden binnen het ontwerp een aantal bomen gekapt en er wordt struweel verwijderd. De cultuurhistorische waarden van de Maasheggen die worden geveld binnen het ontwerp zijn beoordeeld onder het aspect ‘cultuurhistorie’. Buiten de kap van deze Maasheggen vindt er geen aantasting plaats van beschermde bomen of houtopstanden. De realisatie van de maatregel resulteert niet in negatieve gevolgen voor het aspect houtopstanden. | |
Archeologie | Voor het noordelijk deel van het projectgebied binnen de gemeente Gennep is proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Een groot deel van het projectgebied binnen de gemeente Bergen is vrijgegeven en voor het zuidelijk deel is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd, omdat hier loopgraven verwacht worden. De gemeente Bergen (L) heeft niet ingestemd met dit advies, en heeft aangegeven dat vervolgonderzoek op deze locatie niet noodzakelijk is. Het advies uit het bureauonderzoek voor de delen van het projectgebied binnen de gemeente Gennep blijft van toepassing. Ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting en/of de zones die reeds verstoord zijn is geadviseerd de werkzaamheden onder extensieve begeleiding uit te voeren. Voor zowel de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek als de extensieve begeleiding is een plan van eisen opgesteld. | |
Landschap en cultuurhistorie | Aardkundige waarden | Vanwege het uitgraven van de geul worden aardkundige waarden verstoord. Echter, voor zover de geul bestaande laagten en oude geulstructuren volgt, sluit het ontwerp aan op de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het gebied. |
Cultuurhistorisch landschap | De maatregel kruist onherroepelijk een aantal Maasheggen, bosschages en bomen die vanwege de realisatie van de maatregel worden geveld, en een cultuurhistorische waarde hebben. Deze worden zo veel mogelijk gecompenseerd, en waar dit niet mogelijk is worden afspraken gemaakt met de gemeente Gennep en Bergen (L) over de invulling van de compensatieplicht. | |
Bodem | Het zoekgebied omvat terraszones, een antropogene zone en een oeverzone, met variërende bodemopbouw en kwaliteit. Het algehele beeld van de analyseresultaten is dat de bodemkwaliteit overwegend geordend is. De ondergrond is overwegend van betere kwaliteit dan de bovengrond. Voordat ingrepen in de waterbodem plaatsvinden moeten waterbodemonderzoeken conform deel A van de NEN5720:2023 worden uitgevoerd zodat er een wettig bewijsmiddel is voor de kwaliteit van de vrijkomende waterbodem en de achterblijvende waterbodem. Voor bodemlagen waarin PFAS gehalten boven de generieke P95-waarden voor bagger in Rijkswateren (PFAS-OWL-NT) zijn gemeten, wordt in algehele zin aanbevolen rekening te houden met het opstellen van de te hanteren onderzoeksstrategie. Dit wordt meegenomen in het bodemonderzoek conform NEN 5720. | |
Water | Rivierkunde | Negatieve effecten zijn uitgesloten, zolang beheersmaatregelen zorgvuldig worden uitgevoerd, waaronder het inspecteren van de geul en kunstwerken na hoogwater. |
Waterveiligheid | Het realiseren van de KRW-maatregel heeft dankzij het uitvoeren van mitigerende maatregelen (in de vorm van het aanbrengen van een kleipakket) geen negatieve gevolgen op de waterveiligheid. | |
Verdroging/vernatting | Over het algemeen worden bij de KRW-maatregel geen nadelige verdrogende effecten op de omgeving verwacht. De huidige waterhuishoudkundige situatie en grondwaterdynamiek zijn als randvoorwaarden voor het ontwerp gebruikt. De maatregel is erop gericht om met de lokaal voorkomende hydrologische situatie de KRW-doelstellingen te behalen. Effecten van verdroging zijn in het ontwerp gemitigeerd. | |
Waterbodem | Op basis van de verkennende beoordeling en de lokale (water)bodemkwaliteit geeft de KRW maatregel geen aanleiding om de WIT uit te voeren. Voor een definitieve beoordeling is wel aanvullend onderzoek conform NEN 5720 nodig, inclusief de stoffen waarvoor in het oppervlaktewater normoverschrijdingen bestaan. Omdat ook de overige KRW-maatregelen binnen DP-8 geen aanleiding geven tot een WIT, is een verdere beoordeling op waterlichaamniveau niet nodig. | |
Tijdelijke achteruitgang waterkwaliteit | Er is geen sprake van (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit. Voor zowel tijdelijk ruimtebeslag als vertroebeling blijft de verwachte omvang ruim beneden de gehanteerde grenswaarden. | |
Ontplofbare Oorlogsresten | Uit het voor onderzoek blijkt dat het gehele zoekgebied van de maatregel verdacht is op OO. Ter plaatse van het opsporingsgebied is oppervlaktedetectie uitgevoerd. Tijdens de oppervlaktedetectie zijn er een aantal significante objecten geselecteerd. Deze objecten zijn vervolgens benaderd en vrijgegeven. Ook zijn er 2 stuks OO aangetroffen en vervolgens ontdmanteld. Voor de gebieden binnen het opsporingsgebied waar succesvol detectie is uitgevoerd geldt dus dat deze zijn vrijgegeven op de aanwezigheid van OO. Op deze manier treden geen negatieve gevolgen voor de fysieke leefomgeving op in het kader van ontplofbare oorlogsresten. | |
Woon en Leefomgeving | Geluid | Werkzaamheden veroorzaken tijdelijk extra geluid. Dit zal binnen de normen van de Omgevingswet vallen. |
Luchtkwaliteit | Werkzaamheden beïnvloeden tijdelijk de luchtkwaliteit. Er zijn geen negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit op lange termijn. | |
Verkeer | Het realiseren van de KRW-maatregel heeft geen verkeersaantrekkende werking. | |
Kabels en leidingen | In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met de ligging van de 10 kV kabel. Op die manier is er geen sprake van negatieve effecten. |
In bijlage Q behorende bij de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving (zie referentielijst) is getoetst of de maatregelen leiden tot (tijdelijke) achteruitgang van de ecologische en chemische waterkwaliteit. Uit de beoordeling blijkt dat de werkzaamheden hoofdzakelijk plaatsvinden in het winterbed en grotendeels buiten het ecologisch relevante areaal van KRW-waterlichaam Zandmaas. Alleen ter plaatse van de mondingen wordt nabij de Zandmaas gewerkt. Voor zowel tijdelijk ruimtebeslag als vertroebeling blijkt de verwachte omvang ruim beneden de gehanteerde grenswaarden van 25% van het natte dwarsprofiel en 1% van het ecologisch relevante areaal. Daarmee wordt geconcludeerd dat de beoogde ingreep niet leidt tot tijdelijke achteruitgang van het KRW-waterlichaam. Aanvullende vereffenende of mitigerende maatregelen zijn vanuit het kader tijdelijke achteruitgang niet nodig. Wel dienen alle werkzaamheden uitgevoerd te worden met inachtneming van de zorgplicht (artikel 6.6 Bal). Dit maakt al integraal onderdeel uit van de voorgenomen maatregelen en betreft hiermee geen (aanvullende) mitigerende maatregel.
Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten op soorten en de waterveiligheid te beperken of te voorkomen. Deze worden hieronder per thema toegelicht.
Voor vleermuizen: werkzaamheden worden buiten het paarseizoen uitgevoerd of, mits dit echt niet mogelijk is, uitsluitend uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Daarmee wordt onnodig gebruik van kunstmatig licht voorkomen, alsmede het verstorende effect op foeragerende vleermuizen.
Voor de bever: de werkzaamheden worden zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode voor de bever uitgevoerd (voortplantingsperiode van mei tot augustus en de winterperiode wanneer er ijs op het water ligt). De werkzaamheden worden tussen zonsopgang en -ondergang uitgevoerd over een zo kort mogelijk tijdsbestek. Mogelijk aanwezige individuen hebben de kans om te vluchten door werkzaamheden in één richting uit te voeren, vluchtwegen open te laten en werkzaamheden rustig op te bouwen.
Om effecten op de waterveiligheid te voorkomen zal er tijdens het hoogwaterseizoen geen materieel rijden binnen de (beschermings)zone van de waterkering van het Waterschap Limburg.
Om invulling te geven aan de opgave voor een goede connectiviteit in de Maas is besloten dat langs stuw Sambeek een lange, jaarrond stromende, stuwpasserende nevengeul moet komen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de vraag naar stromend habitat langs de Maas. Naast het stromend habitat biedt het, boven op de technische vistrap, een extra mogelijkheid voor trekvissen om te migreren naar paaigronden verder bovenstrooms langs de Maas. Voor de opgave stromend habitat bij stuw Sambeek komt de oostoever van de Maas in aanmerking. De westoever heeft een landschappelijk strikt beschermde UNESCO status vanwege het Maasheggenlandschap.
De geul is grotendeels zuid-noord georiënteerd. Vanwege de opgave voor vismigratie dient de geul in het noorden terug te buigen naar de Maas. De monding in de Oude Maasarm had landschappelijk en morfologisch beter gepast, maar in die situatie zou de geul niet vindbaar zijn voor vis. Daarnaast moet de geul lang genoeg zijn om het verval op te kunnen vangen en loopt hij daarom helemaal door tot de weerweg. Aan de oostzijde van de maatregel zit de nieuwe stuwweg, dit is ook een waterkering, deze mag niet gekruist worden. In dit gebied zijn een aantal gronden in eigendom van het Rijk en een aantal van Waterschap Limburg, particulieren en delfstofwinners. Om de stuwpasserende nevengeul te realiseren kunnen deze gronden niet ontzien worden.
In de huidige situatie is het projectgebied grotendeels in gebruik als agrarische grond. De gronden van RWS en andere eigenaren zijn veelal in gebruik door pachters.
De bereikbaarheid van de percelen is voor de pachters en eigenaren van de gronden een belangrijke wens vanwege het actieve landbouwgebruik. De percelen aan de westkant van de geul zullen bereikbaar blijven voor agrariërs door verschillende kruisingen, in de vorm van duikers met halfverharding erboven. Daarnaast kunnen agrariërs gebruik maken van de beheerstrook langs de geul om zo toegang tot hun percelen te behouden. Daarnaast zijn de relevante, vergunde beregeningsputten langs de westzijde van de stuwweg opnieuw ingepast aan de westzijde van de geul.
Tijdens het ontwerpproces is voorgesteld de Geroheeksweg te verlagen: waar dit pad de geul kruist, ligt het toekomstige waterpeil circa vier meter onder het maaiveld. Door de landschappelijke inpassing en beleving wordt het pad verlaagd. Hierdoor zijn kortere taludlijnen en duikers mogelijk en komt de weg minder hoog boven de geul te liggen.
Binnen het ontwerp is er sprake van aantasting van cultuurhistorische en landschappelijke waarden in de vorm van Maasheggen. Dit heeft sterk meegewogen in het ontwerpproces, waar mogelijk zijn de Maasheggen ontzien in het ontwerp. Dit is echter vanwege de ligging van de Maasheggen, de ligging van een voormalige geul, de benodigde lengte van de geul ten behoeve van het doelbereik en overige aspecten (waterkering, eigendomssituatie) niet volledig mogelijk. Hierdoor is de afweging gemaakt om het verlies van deze Maasheggen zo veel mogelijk te compenseren. Waar dit niet mogelijk blijkt worden afspraken gemaakt met de gemeente voor de invulling hiervan.
Het gebied wordt momenteel gebruikt door wandelaars en vissers. Dit blijft mogelijk na aanleg van de maatregel Geul Oscenkamp. Het gebied blijft toegankelijk, met uitzondering van de locatie waar de stuwpasserende geul wordt gerealiseerd.
Uitvoering binnen het projectgebied van de KRW-maatregel Geul Ossenkamp leidt niet tot een wezenlijke aantasting van de hiervoor beschreven belangen. Wel is het zo dat binnen een deel van dit gebied bestaand agrarisch gebruik hierdoor niet langer mogelijk is. Omdat de KRW-maatregel nodig is om de doelstellingen te halen van de Europese KRW wordt aantasting van bestaand agrarisch gebruik aanvaardbaar geacht. Vragen en ideeën over onder andere het ruimtebeslag door de maatregelen zijn actief opgehaald en de mogelijkheden voor agrarisch gebruik zijn onderzocht en besproken met stakeholders. De belangen vanuit het aspect recreatie vormen geen knelpunt voor de realisatie van de maatregel.
Het project wordt uitgevoerd binnen het projectgebied zoals omschreven in het projectbesluit (zie hiervoor ook hoofdstuk 4 van de motivering). Een groot deel van de gronden binnen het projectgebied is in eigendom van het Rijk. Voor de uitvoering van het project zijn ook gronden van derden nodig.
Op de kaarten eigendomssituatie (zie referentielijst) is opgenomen welke gronden – ten tijde van het vaststellen van het projectbesluit – in eigendom zijn van het Rijk en van derden.
Het kan zijn dat voor de uitvoering of instandhouding van het project (tijdelijk) gronden van derden nodig zijn – bijvoorbeeld voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk en daarmee verband houdende werkzaamheden. Als de rechthebbenden van de grond (zoals de eigenaar en/of de pachter) geen toestemming verlenen voor het gebruik van de grond, kan de Minister een gedoogplicht opleggen. Afhankelijk van de soort gedoogplicht wordt deze opgelegd bij beschikking óf geldt deze van rechtswege. Een gedoogplicht voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk (zoals hierboven als voorbeeld gebruikt) wordt opgelegd bij beschikking. De rechthebbenden van de grond hebben recht op vergoeding van de schade door een gedoogplicht, mits deze schade een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht. In afdeling 15.2 van de Ow is de schadevergoeding bij gedoogplichten geregeld.
Het kan zijn dat het instrument van de gedoogplicht niet toereikend is (bijvoorbeeld omdat er omstandigheden zijn waardoor het noodzakelijk is de grond in eigendom te verwerven) of niet geschikt is (bijvoorbeeld omdat de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen). In die gevallen streeft RWS ernaar de benodigde grond minnelijk aan te kopen. Als het minnelijk aankopen van de grond niet lukt, kan RWS, namens de Minister, het onteigeningsinstrumentarium aanwenden. Het projectbesluit kan dienen als grondslag voor onteigening (op grond van artikel 11.6 Ow).
Het onteigeningsinstrumentarium geldt als uiterste middel. RWS probeert altijd eerst minnelijke overeenstemming met de grondeigenaar te bereiken over de aankoop van de benodigde gronden door in overleg te treden met de grondeigenaar. Dit wordt het minnelijk overleg genoemd. Wanneer na redelijke onderhandelingen de benodigde gronden niet tijdig en binnen een redelijke termijn minnelijk kunnen worden verworven, wordt op enig moment de formele onteigeningsprocedure opgestart. Uitgangspunt bij onteigening is een volledige schadeloosstelling. Hieronder vallen onder andere vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade (zoals verhuiskosten).
Het kan zijn dat er schade ontstaat vanwege het rechtmatig vastgestelde projectbesluit. De vergoeding van deze schade is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad). Het kan bijvoorbeeld gaan om schade door langdurige wegonderbrekingen waardoor er sprake is van verminderde bereikbaarheid of schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak.
Nadeelcompensatie betreft een vergoeding van schade die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. Deze schade hoeft een burger of bedrijf niet geheel te dragen, maar wordt door de Minister (gedeeltelijk) vergoed. Degene die schade lijdt (de benadeelde) kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij de Minister, mits veroorzaakt door het vastgestelde projectbesluit en deze schade uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico (artikel 15, lid 1, onder l, Ow.).
De Minister behandelt aanvragen om nadeelcompensatie op basis van de ‘Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024’.³ In deze beleidsregel staat op welke wijze een verzoek om nadeelcompensatie moet worden ingediend en de manier waarop deze verzoeken worden beoordeeld en afgehandeld.⁴
Afdeling 15.1 Omgevingswet geeft aan wanneer het indienen van een aanvraag om vergoeding van schade (nadeelcompensatie) kan worden ingediend en voor welke schades dit mogelijk is. Afdeling 15.2 Omgevingswet bevat een specifieke regeling voor rechthebbenden die een verzoek om schadevergoeding kunnen indienen als er sprake is van een gedoogplicht van rechtswege of het vanwege een in het kader van de uitvoering van het project bij beschikking opgelegde gedoogplicht.⁵
Tijdens de uitvoering van het project worden voorzorgsmaatregelen genomen om schade te voorkomen. Desondanks is het mogelijk dat er tijdens de uitvoering schade ontstaat aan eigendommen van derden, bijvoorbeeld schade aan gebouwen of gewassen.
Bij gebouwschade valt te denken aan scheurvorming in muren door de uitvoering van werkzaamheden. Bij gewasschade gaat het om schade aan gewassen die groeien in de nabije omgeving van het projectgebied. Deze schade kan ontstaan door een mogelijk noodzakelijke (tijdelijke) grondwaterstandverlaging, waardoor in agrarisch gebied aanwezige gewassen kunnen verdrogen.
Als van dit soort schade sprake is, kan degene die schade lijdt een verzoek tot schadevergoeding indienen. Tijdens de uitvoering van het project wordt aan de omgeving bekendgemaakt op welke wijze een dergelijk verzoek kan worden ingediend.
Bouwschade wordt vergoed als dit het gevolg is van onrechtmatig handelen dat kan voortvloeien uit de uitvoering van het project. Bij nadeelcompensatie, zoals beschreven in de vorige paragraaf, gaat het om schade als gevolg van rechtmatig overheidshandelen die - onder bepaalde voorwaarden - voor vergoeding in aanmerking komt waarbij het kan gaan om gewasschade.
Het projectbesluit (het Regelingdeel) geeft aan dat dit besluit op basis van de daarbij gevoegde ontwerptekening wordt uitgevoerd. Het is niet uit te sluiten dat tijdens de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de maatvoering zoals op de ontwerptekening is aangegeven. Dit is inherent aan de aard van de waterstaatswerken voorkomend uit de praktische en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en -machines. Dit onder voorwaarde dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.
Voor zover het projectbesluit is strijd is met de omgevingsplannen van de gemeenten Bergen (L) en Gennep geldt dit besluit van rechtswege (automatisch) als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld onder artikel 22.16, eerste lid Ow. Hiermee worden eventuele strijdigheden met de betreffende omgevingsplannen opgeheven.
De realisatie van de KRW-maatregel zoals deze is omschreven in dit projectbesluit bevat vergunningplichtige activiteiten. Er zijn meerdere omgevingsvergunningen benodigd voor de realisatie waarvoor andere bestuursorganen – dan de Minister van IenW die het projectbesluit vaststelt – bevoegd gezag zijn. De Ow biedt de mogelijkheid in het projectbesluit te bepalen dat het projectbesluit eveneens geldt als een omgevingsvergunning, indien een dergelijke vergunning voor de uitvoering van het projectbesluit is vereist (artikel 5.52, lid 2, onder a, Ow). Daarmee krijgt het projectbesluit juridisch het karakter van een integraal besluit dat gericht is op de uitvoering omgevingsvergunningen.
In dit geval heeft bij de bevoegde bestuursorganen geen vergunningaanvraag te worden ingediend. Wel dient de Minister van IenW advies te vragen bij deze bestuursorganen over het ontwerp zoals opgenomen in het projectbesluit. Dit is bepaald in artikel 16.20 Ow.
Van de mogelijkheid om benodigde omgevingsvergunningen te integreren in het projectbesluit is gebruik gemaakt door in hoofdstuk 4 van het Regelingdeel van het projectbesluit drie omgevingsvergunningen te integreren. Daarnaast worden er twee omgevingsvergunningen aangevraagd bij het waterschap Limburg. Deze worden onder paragraaf 8.2 verder toegelicht. Het integreren van omgevingsvergunningen in een projectbesluit is alleen mogelijk wanneer wordt voldaan aan de voor vergunningverlening geldende beoordelingsregels (artikel 5.53 Ow). Na toetsing van de hand van deze beoordelingsregels zijn de volgende omgevingsvergunningen in het projectbesluit geïntegreerd.
Omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit – Rijk
Het project wordt gerealiseerd binnen een zogeheten beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk.
Als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, voor zover de uitvoering van de in dit projectbesluit beschreven maatregelen op grond van artikel 6.17, eerste lid onder g, artikel 6.29 en artikel 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. De uitvoering van de in het projectbesluit beschreven maatregel is aan te merken als vergunningplichtig onder voorgenoemde artikelen voor de volgende activiteiten:
- Het plaatsen van duikers;
- Het plaatsen van een constructief kunstwerk;
- De aanleg van een instroomopening, inclusief bijbehorende werkzaamheden (oeverbescherming en steenbestorting);
- De aanleg van een overstortvoorziening.
De Minister van IenW is bevoegd gezag om voor de uitvoering van de maatregelen een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk te verlenen.
In het projectbesluit is gebruik gemaakt van de mogelijkheid deze vergunning - op grond van artikel 5.52 tweede lid onder a van de Omgevingswet – in het projectbesluit te integreren.
Hierbij geldt als voorwaarde dat daarbij wordt voldaan aan de voor vergunningverlening geldende beoordelingsregels voor wateractiviteiten, zoals opgenomen in artikel 8.84 van het Bkl. De uitvoering van de in dit projectbesluit beschreven maatregelen zijn met deze regels niet in strijd. Zo zijn de maatregelen onder andere verenigbaar met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. En daarmee wordt voldaan aan de voor dit belang in artikel 8.84, lid 1, onder b van het Bkl opgenomen beoordelingsregel.
Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit
De realisatie van de KRW-maatregel zoals deze is omschreven in dit projectbesluit omvat onder andere het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor volgens het tijdelijk deel van de omgevingsplannen van de gemeente Bergen (L) en Gennep een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is vereist. Voor de bepaling of deze vergunning noodzakelijk is voor de realisatie van de werkzaamheden is voor beide gemeenten een omgevingsplantoets uitgevoerd (zie referentielijst). In deze omgevingsplantoets is feitelijk getoetst aan de voormalige bestemmingsplannen van beide gemeenten, aangezien deze momenteel deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor de gemeente Bergen (L) is dit het voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’ en voor de gemeente Gennep het voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied Gennep (geconsolideerde versie)’.
De vergunningplicht vloeit voort uit het feit dat de werkzaamheden bestaan uit het uitgraven van grond ten behoeve van de geul en het vellen van houtopstanden. Hiervoor geldt binnen zowel de gemeenten Gennep als de gemeente Bergen (L) binnen meerdere functies een vergunningplicht.
Om tot een gedragen ontwerp te komen voor het projectbesluit zijn – gedurende de planstudiefase – op verschillende plaatsen in het projectgebied onderzoeken uitgevoerd. Met handboringen, proefsleuven en peilbuizen is inzicht verkregen in de bodemopbouw en het grondwaterpeil. Voor de verkennende onderzoeken zijn verschillende meldingen gedaan en vergunningen zijn verleend. Voorafgaand aan de uitvoering worden de vereiste vergunningen aangevraagd en meldingen gedaan.
Voor de maatregel Geul Ossenkamp worden twee omgevingsvergunningen aangevraagd bij Waterschap Limburg. Het gaat om een omgevingsvergunning beperkingengebiedsactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk en een omgevingsvergunning beperkingengebiedsactiviteit met betrekking tot een oppervlaktewater. Voor de realisatie van de maatregel vinden uitgravingen plaats en wordt een jaarrond stromende nevengeul aangelegd. Binnen deze twee beperkingengebieden is het op basis van artikelen 3.10 en 2.80 onder de waterschapsverordening van Waterschap Limburg niet toegestaan om zonder vergunning de maatregel te realiseren.
In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen de wijze van uitvoering van de in het projectbesluit beschreven KRW-maatregelen toegelicht:
wanneer tijdens de uitvoering van de werkzaamheden grond en baggerspecie vrijkomt, wordt deze waar mogelijk weer gebruikt in de nabije omgeving. In gevallen waar dit niet kan, bijvoorbeeld vanwege bodemverontreiniging, wordt grond en baggerspecie opgeslagen in depots;
de werkzaamheden worden per KRW-maatregel in een aaneengesloten periode uitgevoerd. Zo blijft overlast in het gebied zoveel mogelijk beperkt en kan het project tijdig worden uitgevoerd;
uitgangspunt voor de uitvoering is dat overlast zoveel als mogelijk wordt voorkomen;
de werkzaamheden voor de KRW-maatregelen kunnen naar huidige verwachting starten in 2027
tijdens de uitvoering worden vrijkomende materialen afgevoerd, zoals puin of ander afval. De locaties van de werkzaamheden zijn over land en/of over water bereikbaar, waardoor de aan- en afvoer over het land of water kan worden uitgevoerd;
de vrijkomende materialen worden mogelijk binnen het projectgebied in depot geplaatst. Dit is een tijdelijke situatie tijdens de uitvoering;
voor, tijdens en na de uitvoering wordt rekening gehouden met de weers- en terreinomstandigheden. In natte perioden kan dit betekenen dat wordt gewerkt met rijplaten. Verder wordt rekening gehouden met het snel kunnen verwijderen van materieel en materiaal bij hoogwater;
terreineigenaren, -beheerders en de rivierbeheerder worden voorafgaand aan de werkzaamheden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Aanwezige afrasteringen worden in stand gehouden, of tijdelijk verplaatst in overleg met de eigenaar. Wanneer wegen tijdelijk moeten worden afgesloten, worden de omwonenden hierover tijdig geïnformeerd.
Het is de wettelijke taak van RWS om het watersysteem te beheren. Dit omvat een samenstel van taken welke zijn verbonden aan watersystemen gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en schaarste. Dit hangt samen met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van de watersystemen.
Om dit onderhoud te vergemakkelijken is de intentie van RWS om alle gronden waarop een KRW maatregel wordt gerealiseerd te verwerven (zie hierover paragraaf 7.1). Het beheer van het ‘natte deel’ wordt in principe door RWS zelf uitgevoerd. Het vegetatiebeheer (op land) wordt in principe door RWS zelf of via een openbaar aanbesteed onderhoudscontract uitgevoerd. Hierin is maatwerk mogelijk, afgestemd op locatiespecifieke omstandigheden. Mochten de gronden in eigendom zijn van een terrein beherende organisatie (zoals bijvoorbeeld Staatsbosbeheer) dan kan een overeenkomst worden gesloten tussen RWS en de betreffende organisatie. Hierbij vormen het wettelijk voorgeschreven vegetatiebeheer volgens de vegetatielegger (onderdeel van de Legger rijkswaterstaatswerken) en de daarbij behorende vergoedingen het uitgangspunt.
Instandhouding
Rijkswaterstaat is, na de aanleg van de KRW-maatregel, eigenaar en beheerder van de geul. RWS is als beheerder van de watergang verantwoordelijk voor de instandhouding van de gerealiseerde KRW-doelen en dit borgt ze in haar beheer- en onderhoudsplannen.
RWS inspecteert jaarlijks het rivierhout waarbij wordt gekeken of het rivierhout nog goed is verankerd. Om de KRW-maatregelen in stand te houden, maakt RWS ook gebruik van de beheer- en onderhoudspaden. Voor de KRW-maatregel is een ook beheer- en onderhoudsrichtlijn opgesteld.
Natuurlijke ontwikkeling
Na de aanleg van de KRW-maatregelen is er in de Zandmaas en de Grensmaas meer en beter leefgebied voor vissen, ongewervelde dieren en waterplanten gecreëerd. Door natuurlijke processen ontwikkelen deze leefgebieden. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij erosie, verruiging of te veel vegetatie, is aanvullend beheer en onderhoud nodig. Van belang is dat de ecologische ontwikkelingen (o.a. geschiktere leefgebieden voor vis, waterplanten en ongewervelde dieren) in het water van de Maas behouden blijven en zich verder kunnen uitbreiden. Daarvoor is goed beheer en onderhoud van belang. Afhankelijk van de ontwikkelingen door de natuurlijke processen vindt meer en minder actief beheer en onderhoud plaats.
Op de vaststelling van dit projectbesluit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat eerst een ontwerp-projectbesluit ter inzage wordt gelegd waarop eenieder gedurende zes weken een zienswijze kan indienen.
Het ontwerp-projectbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Van 5 november 2026 tot en met 16 december 2026 kunt u een zienswijze geven op het Ontwerp-Project- besluit.
Een zienswijze indienen kan op drie manieren. U ontvangt altijd een ontvangstbevestiging.
Digitaal: bij voorkeur ontvangen wij uw zienswijze via www.platformparticipatie.nl/geulOssenkamp.
Voor het noteren van uw mondelinge zienswijze kunt u tijdens kantooruren een afspraak maken via
het telefoonnummer 070-4569607.
Post: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, directie Participatie o.v.v. geul Coehoorn Postbus
20901 2500 EX Den Haag
Alle documenten staan op www.platformparticipatie.nl/geulOssenkamp. U kunt de stukken van 5 november
2026 tot en met 16 december 2026 bekijken bij:
telefoonnummer 088 - 797 48 80.
Het is verstandig om vooraf telefonisch contact op te nemen met de locatie over de openingstijden en
vooraf telefonisch een afspraak te maken.
Het gaat bij deze stukken naast het ontwerp-projectbesluit zelf met bijbehorende bijlagen ook om deze motivering. De motivering bevat ook een aantal referenties die specifiek voor de motivering zijn opgesteld.
Na ontvangst van alle zienswijzen worden deze verzameld en door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van een reactie voorzien. Vaak wordt hiervoor een Nota van zienswijzen opgesteld.
De reactie op een zienswijze kan zijn dat een bepaald onderwerp wordt toegelicht. Het kan ook zo zijn dat een zienswijze leidt tot een aanpassing die bij de vaststelling van het (definitieve) projectbesluit wordt meegenomen. Zo nodig wordt daartoe een onderzoeksrapport aangevuld of geactualiseerd.
Van belang is dat een zienswijze tijdig binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken wordt ingediend. Een zienswijze die later wordt ingediend kan in beginsel namelijk niet in de verdere besluitvorming worden meegenomen. Een zienswijze kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend. De wijze waarop dit kan wordt in de kennisgeving aangegeven.
Na de terinzagelegging van ontwerp-projectbesluit stelt de Minister het projectbesluit vast. Deze vaststelling wordt in ieder geval in de Staatscourant bekendgemaakt.
In de bekendmaking wordt aangegeven op welke wijze, binnen welke termijn en door wie tegen het vastgestelde projectbesluit beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het instellen van beroep is gedurende een periode van zes weken na deze bekendmaking mogelijk. De bekendmaking geeft ook aan waar het projectbesluit en alle daarbij behorende stukken, gedurende de beroepstermijn, ter inzage worden gelegd en waar stukken ook digitaal zijn te raadplegen.
Belanghebbenden kunnen direct in beroep zonder eerst een zienswijze te hebben ingediend.
Niet-belanghebbenden kunnen onder bepaalde voorwaarden tegen het projectbesluit ook in beroep als zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerp-projectbesluit of hen het niet indienen daarvan redelijkerwijs niet kan worden verweten.
Het projectbesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het vastgestelde projectbesluit bekend is gemaakt.
Onderzoeksrapporten, en andere documenten die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van dit besluit zijn als relevante achtergrondinformatie te raadplegen via de website open.rijkswaterstaat.nl en worden ook ter inzage gelegd.
Het betreft volgende onderzoeksrapporten en documenten:
[1] | Verklarende woordenlijst (niet separaat bijgevoegd) | - |
[2] | Beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving KRW Maas – Geul Ossenkamp | 5 juni 2026 |
[2A] | Ontwerpnota SO++ | 1 juni 2026 |
[2B] | Beoordelingsformulier t.b.v. KRW MIRT 3 voortoets | mei 2026 |
[2C] | Toetsing Natura 2000 | 18 juni 2026 |
[2D] | Toetsing Natuurnetwerk Nederland | 27 mei 2026 |
[2E] | Quickscan Ecologie | 9 februari 2023 |
[2F] | Activiteitenplan soortenbescherming | 16 september 2026 |
[2G] | Bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie | 18 september 2023 |
[2H] | Programma van Eisen AB | 29 mei 2026 |
[2I] | Programma van Eisen IVO-P | 29 mei 2026 |
[2J] | Rapportage karterend booronderzoek archeologie | 25 maart 2024 |
[2K] | Vooronderzoek milieuhygiënisch (water)bodem onderzoek | 23 september 2026 |
[2L] | Indicatief milieuhygiënisch (water)bodem onderzoek | 29 juli 2026 |
[2M] | Verkenning waterbodemimmissietoets (WIT) | 28 mei 2026 |
[2N] | Rivierkundige beoordeling | 24 september 2026 |
[2O] | Adviesrapportage geotechniek | 20 mei 2026 |
[2P] | Verkennend onderzoek water | 10 augustus 2026 |
[2Q] | KRW-ZN DP-8 Beoordeling tijdelijke achteruitgang | 25 april 2025 |
[2R] | Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten | 12 december 2023 |
[2S] | Rapportage detectieonderzoek OO | 5 februari 2025 |
[2T] | Knelpunten kabels & leidingen | 14 februari 2025 |
[2U] | Kaart te verwijderen groen | |
[3] | Grondslagdossier – Geul Ossenkamp | 12 september 2023 |
[4] | Ontwerpnota SO++ – Geul Ossenkamp | 22 mei 2025 |
[5] | KRW-MIRT formulier – Geul Ossenkamp | mei 2026 |
[6] | Kaarten eigendomssituatie | - |
[7] | Omgevingsplantoets – Geul Ossenkamp | 17 december 2025 |
Hieronder is de betekenis van een aantal in deze motivering gehanteerde begrippen toegelicht.
A | Agrarisch | Ander woord voor landbouw. |
Archeologie | Wetenschap van oude historie op grond van bodemvondsten en opgravingen. | |
Aspect | Aspecten zijn de onderwerpen die binnen een milieuthema worden onderzocht. Elk aspect is vertaald naar één of meerdere criteria op basis waarvan de effectbeoordeling plaatsvindt. | |
B | Baggeren | Het weghalen van zand of slib van de waterbodem. |
Beekmonding | Het deel van een beek vanaf het punt waar deze het winterbed van de Maas inkomt tot het punt waar deze uitstroomt in de Maas. | |
Bereikbaarheid | De mate waarin een locatie binnen acceptabele tijd te bereiken is. | |
Bestemmingsplan | Gemeentelijk plan waarin het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van gronden en de aanleg van allerlei andere werken en werkzaamheden wordt geregeld. Onder de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen automatisch (van rechtswege) omgezet in het omgevingsplan van elke gemeente. | |
Bodemverontreiniging | Aanwezigheid van stoffen, micro-organismen of straling op of in de bodem door, of als gevolg van menselijke activiteit, op zodanige wijze dat deze zich met de bodem kunnen vermengen, met de bodem kunnen reageren, zich in de bodem kunnen verplaatsen en/of ongecontroleerd kunnen verplaatsen, waarbij afbreuk wordt gedaan aan één of meer van de functionele eigenschappen van de bodem. | |
C | Cultuurhistorie | Geschiedenis van de ontwikkelingsgang der beschaving. |
D | Duiker | Kokervormige constructie bedoeld om watergangen te verbinden. |
E | Eenzijdig aangetakte geul | Een geul die aan één kant in directe verbinding staat met de rivier. |
EKR | Ecologische kwaliteitsratio. Een methode om de KRW-waterkwaliteit te bepalen. | |
Erosie | Erosie is het proces van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt, vooral door de werking van wind, stromend water en/of ijs. | |
F | Fauna | De dierenwereld. |
G | Geomorfologie | Een tak van de geografie die de vormen van het landschap en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld, bestudeert. |
Geïsoleerde geul | Een geul in de uiterwaard die niet in directe verbinding staat met de rivier. | |
Getijdengeul | Een geul in directe verbinding met een rivier waar sprake is van getijdewerking. | |
H | Habitatrichtlijn | Europese richtlijn die de bescherming regelt van bedreigde natuurtypen (habitats) en in het wild levende soorten planten en dieren, die op Europees niveau van belang zijn. |
I | Infrastructuur | Het geheel aan wegen, vaarwegen, spoorlijnen, leidingen, etc. waarlangs iets of iemand wordt verplaatst. |
K | Kaderrichtlijn Water (KRW) | Een Europese richtlijn die voorschrijft dat de kwaliteit van Europees grond- en oppervlaktewater aan bepaalde eisen moet voldoen. |
KRW-gebied | Het gebied binnen het projectgebied waarbinnen geen fysieke werkzaamheden plaatsvinden. | |
KRW-maatregel | Een voorgeschreven ingreep in het winterbed van de rivier met als doel de KRW-waarden te verbeteren. | |
KRW-waterlichaam | Waterlichaam waarvoor vanuit de KRW-doelen zijn gesteld voor de waterkwaliteit. | |
L | Landschap | De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna en ook door de wisselwerking met de mens. |
M | Macrofyten | Waterplanten die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals riet, eendenkroos en waterzuring. |
Macrofauna | Ongewervelde waterdieren die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals watertorren, vlokreeftjes en poelslakken. | |
Maaiveld | Hoogte van het terreinoppervlak | |
Milieueffectrapport (MER) | Milieueffectrapport. Openbaar document waarin de voorgenomen activiteit en de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven en de te verwachten gevolgen op het milieu in hun onderlinge samenhang worden beschreven en beoordeeld. Het MER wordt opgesteld ten behoeve van een of meer besluiten die over de betreffende activiteit genomen moeten worden. | |
MIRT | Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport | |
Mitigerende maatregelen | Maatregelen die worden genomen om de nadelige effecten van activiteiten of fysieke ingrepen te verminderen dan wel te voorkomen. | |
Moeraszone | Een nat gebied waarin kruidachtige plantensoorten domineren. | |
N | Natura 2000 / N2000 | Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, gebaseerd op de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. |
Natuurnetwerk Nederland (NNN) | Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Dit netwerk vormt de ecologische hoofdstructuur (EHS) van Nederland. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. | |
Natuurnetwerk Limburg (NNL) | Het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. | |
Natuurvriendelijke oever | Een oever met een geleidelijke overgang van water naar land zodat er meer uitwisseling plaats vindt tussen bovenwater en onderwater ecosystemen. | |
Niet gesprongen conventionele explosieven (NGCE) | In en op de zeebodem liggende niet gesprongen explosieven, overgebleven van de oorlogshandelingen in beide wereldoorlogen en van militaire activiteiten op zee. Voor de installatie van de kabels op zee kunnen niet gesprongen explosieven een gevaar opleveren voor de betrokkenen. | |
O | Oeverzone | De overgangszone tussen land en water. |
Overstromingsrisico | De kans dat een gebied overstroomt, doordat de waterkering rondom dat gebied op één of meer plaatsen faalt. | |
Projectgebied | Het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft. Het projectgebied bestaat uit het gebied waarbinnen de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van de KRW-maatregelen zal plaatsvinden. | |
P | PFAS | Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Deze stoffen komen van nature niet in het milieu voor. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. |
Programma KRW-ZN | Het programma met alle KRW-maatregelen die worden getroffen langs de Maas. | |
Ruimtebeslag | De fysieke ruimte die nodig is voor de aanleg en inpassing van een alternatief of variant. | |
RWS | Rijkswaterstaat. | |
S | Sediment | Sediment of afzetting is de benaming voor door wind, water en/of ijs getransporteerd materiaal. Voorbeelden van sedimenten zijn grind, zand, silt en lutum. Wanneer sediment wordt afgezet ontstaat een sedimentair gesteente. |
Stroomgebiedbeheerplan (sgbp) | Stroomgebiedbeheerplan: Plan waarin per stroomgebied de inspanningen staan van lidstaten om te voldoen aan de KRW. | |
Stroomgebied (van een rivier) | Een gebied dat het water via een rivier afvoert naar zee of naar een meer. | |
Struweel | Ook wel struikgewas genoemd. Een begroeiing waarin struiken domineren. | |
T | Talud | De schuin aflopende zijden aan de binnen- en buitenkant van een dijk. |
U | Uiterwaard | Deel van de rivierbedding tussen zomerdijk en winterdijk. |
V | Vegetatie | De ruimtelijke verschijningsvorm van planten in samenhang met de plaatsen waar zij groeien en de rangschikking die zij uit zichzelf hebben ingenomen. |
Verdroging | Verdroging treedt op wanneer de grondwaterstand te laag is voor de functie natuur en/of landbouw. | |
Verondieping | Het minder diep maken van een oppervlaktewater. | |
Vertroebeling | Het minder helder worden van water doordat sediment loskomt van de bodem en (tijdelijk) in het water blijft zweven. | |
Vogelrichtlijn | Europese Richtlijn die de bescherming van in het wild levende vogels in Europa en hun leefgebieden regelt. | |
Voorgenomen activiteit / Voornemen | Datgene, wat de initiatiefnemer voornemens is uit te voeren. Dit is een beschrijving van de activiteit, inclusief de wijze waarop de activiteit zal worden uitgevoerd en de alternatieven die redelijkerwijs daarvoor in beschouwing worden genomen. | |
W | Waterkering | Een verhoging in het landschap om het achterliggende gebied te beschermen tegen overstroming. |
Waterkwaliteit | De chemische en biologische kwaliteit van water. | |
Waterveiligheid | Beschermingsniveau tegen (grootschalige) overstromingen vanuit zee, rivieren en meren. |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-39115.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.