Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met het wijzigen van de spijtoptantenregeling en enkele andere wijzigingen [KetenID WGK028068]

Nader Rapport

13 oktober 2026

IENW/BSK-2026/190770

Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken,

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met het wijzigen van de spijtoptantenregeling en enkele andere wijzigingen [KetenID WGK028068]

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 juli 2026, nr. 2026001529, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 juli 2026, nr. W17.26.00206/IV, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele tekstuele verbeteringen aan te brengen in het ontwerpbesluit en het artikelsgewijs deel van de toelichting.

Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek u overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans.

Advies Raad van State

No. W17.26.00206/IV

's-Gravenhage, 15 juli 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2026, no.2026001529, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met het wijzigen van de spijtoptantenregeling en enkele andere wijzigingen, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State, G.J.J. Heerma van Voss.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van .......... tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met het wijzigen van de spijtoptantenregeling en enkele andere wijzigingen [KetenID WGK028068]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz.enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur van 2 juli 2026, nr. IenW/BSK-2026/104764, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 116, eerste lid en 132a, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van PM .........., nr. PM ..........);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van [PM datum], [PM nr. IenW/BSK-], Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Reglement rijbewijzen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt ‘geen verklaring van rijvaardigheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zolang hij niet aan die verplichting heeft voldaan’ vervangen door ‘, een verklaring van rijvaardigheid slechts in het rijbewijzenregister geregistreerd indien hij aan die verplichting heeft voldaan’.

b. Aan het artikel worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt, indien het niet-verlenen van de vereiste medewerking bestond uit het niet, niet binnen een gestelde termijn of niet op de aangegeven wijze voldoen van de kosten, een verklaring van rijvaardigheid slechts in het rijbewijzenregister geregistreerd indien die kosten alsnog volledig zijn voldaan.

  • 4. Een registratie van een verklaring van rijvaardigheid op grond van het tweede of derde lid vindt plaats zonder het in het eerste lid bedoelde onderzoek.

B

Artikel 97 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede lid wordt ‘geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zolang hij niet aan die verplichting heeft voldaan’ vervangen door ‘een verklaring van geschiktheid slechts in het rijbewijzenregister geregistreerd indien hij aan die verplichting heeft voldaan’.

b. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt, indien het niet-verlenen van de vereiste medewerking bestond uit het niet, niet binnen een gestelde termijn of niet op de aangegeven wijze voldoen van de kosten, een verklaring van geschiktheid slechts in het rijbewijzenregister geregistreerd indien die kosten alsnog volledig zijn voldaan.

c. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘derde lid’ vervangen door ‘vierde lid’.

C

Na artikel 119 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 120
  • 1. De met de afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers, die ressorteren onder een met een afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit, reiken een rijbewijs in persoon uit aan een aanvrager van een rijbewijs bij een met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer rijbewijzen afgeven op grond van artikel 105, tweede lid door deze per post te versturen naar een bij de Dienst Wegverkeer opgegeven of bekend adres in Nederland als de aanvraag van een rijbewijs zonder tussenkomst van de burgemeester van een gemeente is ingediend.

Artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘betrokken functionarissen’ vervangen door ‘betrokken medewerkers’.

2. Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de uitreiking van rijbewijzen in persoon bij een met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘functionarissen’ vervangen door ‘medewerkers’.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Het CBR kan na een melding van de politie een educatieve maatregel (verplichte cursus) opleggen aan een bestuurder die in het verkeer een overtreding heeft gepleegd door gevaarlijk te rijden of door te rijden onder invloed van alcohol of drugs. Bestuurders zijn verplicht om mee te werken aan de maatregel door (tijdig) de opleggings- en uitvoeringskosten te betalen en deel te nemen aan de cursus. Als die bestuurder niet de verplichte medewerking verleent, schrijft de wet voor dat het CBR het rijbewijs ongeldig verklaart. Op grond van de regelgeving, zoals die luidde tot het inwerkingtreden van dit besluit, kon de desbetreffende bestuurder gedurende de drie jaren na het ongeldig verklaren slechts een nieuw rijbewijs verkrijgen door de maatregel volledig af te ronden. Die regeling wordt de spijtoptantenregeling genoemd.

Dit besluit wijzigt het Reglement rijbewijzen om de spijtoptantenregeling aan te passen voor de personen die in eerste instantie niet tijdig de opleggings- en/of uitvoeringskosten voor de maatregel hebben betaald. Door deze wijziging van de spijtoptantenregeling kan deze groep spijtoptanten voortaan een nieuw rijbewijs aanvragen, als zij alsnog de kosten hebben betaald. Het is niet langer vereist dat zij daarvoor ook de gehele cursus met goed gevolg hebben afgerond. Voor spijtoptanten die op een andere wijze niet hebben meegewerkt, blijft de huidige spijtoptantenregeling ongewijzigd.

Daarnaast wijzigt dit besluit het Reglement rijbewijzen in verband kleine andere wijzigingen. Deze wijzigingen dienen ter verduidelijking van het geldend recht over het uitreiken van rijbewijzen. Dit is nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting van onderdelen C en D.

2. Achtergrond
2.1 Educatieve maatregelen en medewerking

Het CBR kan een educatieve maatregel opleggen aan een bestuurder die in het verkeer een overtreding heeft gepleegd door gevaarlijk te rijden of door te rijden onder invloed van alcohol of drugs. De cursus gaat over de gevolgen en risico’s van het onverantwoorde rijgedrag en is gericht op veiliger gedrag in het verkeer. Het CBR kan de volgende educatieve maatregelen opleggen:

  • • Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA);

  • • Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA);

  • • Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG);

  • • Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (LEMG) en

  • • Educatieve Maatregel Drugs en verkeer (EMD).

Een bestuurder is wettelijk verplicht om mee te werken aan de educatieve maatregel door de opleggings- en uitvoeringskosten te betalen en deel te nemen aan de cursus. De totale kosten per maatregel variëren in 2026 van € 857,– tot circa € 1.359,–, inclusief € 417,– opleggingskosten. Een bestuurder die tijdig de kosten betaalt en de cursus volgt, behoudt het rijbewijs en kan de opgedane kennis meteen in de praktijk toepassen.

Als een bestuurder niet meewerkt aan de educatieve maatregel, schrijft de Wegenverkeerswet 19941 voor dat het CBR het rijbewijs ongeldig verklaart. Het niet-meewerken aan de educatieve maatregel kan onder meer bestaan uit2:

  • • de opleggings- en/of uitvoeringskosten niet (tijdig) of niet op de aangegeven wijze betalen;

  • • tijdens de cursus onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen verschijnen;

  • • niet (binnen de gestelde termijn) aan de cursus deelnemen zonder een geldige reden van verhindering op te geven;

  • • demonstratief niet deelnemen aan de cursus;

  • • zich tijdens de cursus agressief gedragen, of

  • • tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoren.

2.2 Opnieuw verkrijgen van een rijbewijs na ongeldigverklaring door niet-meewerken

Na de ongeldigverklaring van het rijbewijs moet de betrokkene drie jaar wachten of de educatieve maatregel alsnog volledig afronden. Vervolgens kan het CBR een nieuwe verklaring van rijvaardigheid of van geschiktheid registreren in het rijbewijzenregister. Op grond van artikel 42 van het Reglement rijbewijzen is een verklaring van geschiktheid vereist voor het verkrijgen van een nieuw rijbewijs indien het rijbewijs ongeldig is verklaard in verband met het niet meewerken aan een educatieve maatregel gericht op de geschiktheid (lid 1) en een verklaring van rijvaardigheid indien het rijbewijs ongeldig is verklaard in verband met het niet meewerken aan een educatieve maatregel gericht op de rijvaardigheid (lid 2). Nadat de relevante verklaring is geregistreerd kan een aanvraag voor een nieuw rijbewijs worden ingediend.

3. Hoofdlijnen van het besluit
3.1 Aanleiding

Het CBR heeft onder andere in het rapport Stand van de Uitvoering in 2023 geconstateerd dat de huidige regelgeving een specifieke groep spijtoptanten onredelijk zwaar benadeelt.3 In dat rapport is tevens gemeld dat tijdens de coronaperiode een pilot is uitgevoerd om voor die groep meer coulance mogelijk te maken. Door de lockdowns kon het CBR tijdelijk geen cursussen organiseren en was het onzeker vanaf welk moment deze cursussen weer konden worden hervat. Dit terwijl het met goed gevolg afronden van de cursus volgens de spijtoptantenregeling een voorwaarde was om, binnen drie jaar na ongeldigverklaring, een nieuw rijbewijs te kunnen aanvragen bij de gemeente.

Volgens de tijdelijke regeling konden spijtoptanten die in eerste instantie niet, maar later alsnog de opleggings- en/of uitvoeringskosten hadden voldaan al een nieuw rijbewijs aanvragen, ook al konden zij door de lockdown nog geen cursus volgen. De resultaten van deze tijdelijke coulanceregeling waren positief. Het CBR constateerde dat deze regeling meer oog had voor de menselijke maat in de publieke dienstverlening en dat er geen aanwijzingen waren dat de coulanceregeling negatieve gevolgen had voor de verkeersveiligheid.

Het ongeldig verklaren van het rijbewijs is niet bedoeld als straf voor de gepleegde overtreding, maar als stok achter de deur om te zorgen dat deze personen (tijdig) de opleggings- en uitvoeringkosten betalen. Wanneer deze kosten eenmaal betaald zijn, dient de ongeldigverklaring geen doel meer, terwijl de betrokken personen nog wel de gevolgen van die ongeldigverklaring ondervinden. Dat is onwenselijk.

Daarom is met dit besluit onderscheid geïntroduceerd tussen de behandeling van personen die niet (tijdig) de opleggings- en uitvoeringkosten hebben betaald en personen die op andere wijze niet hebben meegewerkt aan een educatieve maatregel.

In dit besluit is voor de eerstgenoemde groep een aanpassing doorgevoerd in de rijbewijsregels, waardoor zij sneller een rijbewijs kunnen aanvragen. Dit is de aanleiding geweest om het Reglement rijbewijzen te wijzigen en de huidige spijtoptantenregeling aan te passen voor deze specifieke groep spijtoptanten.

3.2 Inhoud van het besluit

Dit besluit wijzigt het Reglement rijbewijzen. Met de wijzigingen in dit besluit wordt de spijtoptantenregeling aangepast voor de spijtoptanten die eerder niet hebben meegewerkt aan de educatieve maatregel door niet (tijdig) de opleggings- en/of uitvoeringskosten te betalen. Door deze wijziging kunnen deze spijtopanten voortaan direct een rijbewijs aanvragen, nadat zij alsnog de opleggings- en uitvoeringskosten hebben betaald. Het is niet langer vereist dat zij daarvoor eerst nog de gehele cursus met goed gevolg hebben afgerond. Uiteraard moeten zij vervolgens wel alsnog de cursus afronden. Doen zij dat niet, dan wordt hun rijbewijs weer ongeldig verklaard. Het CBR kan de voor de afgifte van een nieuw rijbewijs vereiste verklaring (van geschiktheid of rijvaardigheid) alsnog registreren in het rijbewijzenregister, nadat de kosten zijn betaald. De spijtoptant kan vervolgens een nieuw rijbewijs aanvragen. Indien de betrokkene vervolgens later op een andere wijze niet meewerkt aan de maatregel, verklaart het CBR opnieuw het rijbewijs ongeldig op grond van artikel 132a van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor de spijtoptanten die op andere wijze niet hebben meegewerkt aan de educatieve maatregel, blijft de regeling ongewijzigd. De verplichting om drie jaar te wachten of eerst de volledige maatregel af te ronden blijft dus gelden voor degene van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard vanwege het:

  • • tijdens de cursus onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen verschijnen;

  • • niet (binnen de gestelde termijn) aan de cursus deelnemen zonder een geldige reden van verhindering op te geven;

  • • demonstratief niet deelnemen aan de cursus;

  • • zich tijdens de cursus agressief gedragen, of

  • • tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoren.

Deze spijtoptanten kunnen pas een nieuw rijbewijs aanvragen nadat zij zowel de opleggings- en uitvoeringskosten hebben betaald als de gehele cursus met goed gevolg hebben afgerond.

4. Gevolgen

Dit besluit heeft positieve gevolgen voor regeldruk voor spijtoptanten die in eerste instantie niet hebben meegewerkt door de opleggings- en/of uitvoeringskosten niet (tijdig) te betalen. Deze spijtoptanten kunnen eerder beschikken over een geldig rijbewijs en ondervinden niet langer dan nodig de negatieve gevolgen van het niet kunnen beschikken over een rijbewijs. Het gaat om ongeveer 2000 gevallen per jaar waarin spijtoptanten die niet (tijdig) betaalden eerder een nieuw rijbewijs kunnen aanvragen. De positieve gevolgen per geval zijn echter niet verder te kwantificeren. Het gaat immers telkens om gevolgen in de persoonlijke levenssfeer, zoals het effect van het kunnen beschikken over autovervoer voor persoonlijke en werkgerelateerde aangelegenheden. De kosten voor het aanvragen van een rijbewijs blijven hetzelfde.

5. Uitvoering

Dit besluit wordt uitgevoerd door het CBR. Het CBR is verantwoordelijk voor het registeren van verklaringen van rijvaardigheid of rijgeschiktheid in het rijbewijzenregister. Deze verklaringen heeft eenieder nodig om een nieuw rijbewijs te kunnen aanvragen bij de gemeente.

Door dit besluit wordt voortaan onderscheid gemaakt tussen twee groepen spijtoptanten: 1) spijtoptanten die eerder niet hebben meegewerkt aan de educatieve maatregel door niet (tijdig) de kosten te voldoen en 2) spijtoptanten die op andere wijze niet hebben meegewerkt aan de educatieve maatregel. Voor de eerstgenoemde groep kan een verklaring van rijvaardigheid of rijgeschiktheid worden geregistreerd na het voldoen van de kosten van de educatieve maatregel, voor de tweede groep na het voldoen van de kosten en het met goed gevolg afronden van de gehele maatregel.

6. Financiële gevolgen

Het CBR heeft een toets uitgevoerd naar de uitvoerbaarheid van de aanpassing van de spijtoptantenregeling. De wijziging leidt tot eenmalige financiële gevolgen voor het CBR voor het aanpassen van werkprocessen, communicatie en ICT-systemen die voor de implementatie noodzakelijk zijn.

7. Evaluatie

Het CBR monitort en evalueert de nieuwe werkwijze voor deze groep spijtoptanten. De uitkomsten hiervan zullen worden geëvalueerd in gesprekken tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het CBR.

8. Voorhangprocedure

Dit ontwerpbesluit is in het kader van de verplichte voorhangprocedure op grond van artikel 2b van de Wegenverkeerswet 1994 voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal. Dit heeft verder niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen van dit besluit.

9. Consultatie en advies
9.1 Internetconsultatie

In de periode van 19 januari 2026 tot en met 16 februari 2026 is voor dit besluit een internetconsultatie uitgevoerd. Er zijn in totaal twee reacties ingediend. Beide reacties zijn afkomstig van burgers.

De reacties waren gericht op twee thema’s:

  • 1. Het punitief karakter van een educatieve maatregel (cursus) als gevolg van de hoge kosten van een maatregel en het aanwijzen van cursusdagen.

  • 2. Het streng bestraffen van verkeerd rijgedrag met strenge maatregelen en hoge kosten.

De reacties hebben niet tot wijzigingen in het besluit geleid. De eerste reactie ziet namelijk niet op deze wijziging, maar op de oplegging van educatieve maatregelen in algemene zin. De tweede reactie is kritisch op deze wijziging, omdat gevaarlijk rijgedrag streng dient te worden bestraft. In paragraaf 3.1 is echter onderbouwd waarom de ongeldigverklaring van het rijbewijs na het niet (tijdig) betalen van de kosten, in dit geval niet is bedoeld als straf.

In lijn met het kabinetsbeleid inzake internetconsultatie4 is besloten om de bepaling over de uitreiking van de rijbewijzen niet in internetconsultatie te brengen. De bepaling is ter verduidelijking van het geldend recht en heeft daarom geen noemenswaardige gevolgen voor burgers of de uitvoering en brengt naar verwachting geen verandering in rechten en verplichtingen, administratieve lasten of uitvoeringslasten. Verder is de invoering van de bepaling wel afgestemd met de Dienst Wegverkeer (RDW) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), waarin de gemeentes zijn vertegenwoordigd.

9.2 Uitvoeringstoets CBR

Het CBR heeft in een uitvoeringstoets aangegeven dat de voorgenomen wijziging uitvoerbaar is. De wijziging leidt niet tot een structurele uitbreiding van personeel en de werkzaamheden blijven gelijk. Wel leidt de wijziging tot eenmalige werkzaamheden voor het CBR. Deze werkzaamheden omvatten aanpassingen in werkprocessen, communicatie en ICT-systemen die voor de implementatie noodzakelijk zijn.

Hoewel de beoogde wijziging aansluit bij de eerder succesvol toegepaste werkwijze tijdens de coronaperiode, betrof dit destijds een tijdelijke inrichting die niet geschikt is voor structurele uitvoering. Daarom wordt het proces op relevante onderdelen geautomatiseerd ingericht, waarmee de risico's van de tijdelijke werkwijze worden ondervangen en het werkproces uniform, controleerbaar en structureel wordt geborgd. Voor de implementatie heeft het CBR een voorbereidingstijd van circa zes maanden nodig.

9.3 Advies adviescollege toetsing regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. Die inwerkingtreding is in overeenstemming met de vaste verandermomenten die voor algemene maatregelen van bestuur zijn opgenomen in Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikelsgewijs deel

Onderdelen A

Het CBR registreert op aanvraag en tegen betaling verklaringen van rijvaardigheid en geschiktheid in het rijbewijzenregister. Deze verklaringen zijn nodig om een rijbewijs te kunnen aanvragen bij de gemeente. Artikel 42 van het Reglement rijbewijzen regelt specifiek voor personen van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard als gevolg van het niet meewerken aan een educatieve maatregel dat bij een aanvraag voor een nieuw rijbewijs een verklaring van rijvaardigheid geregistreerd moet zijn. Artikel 50 van het Reglement rijbewijzen regelt het registreren van die verklaring door het CBR.

Het CBR registreert een verklaring van rijvaardigheid ten behoeve van eenieder die voldoet aan de gestelde eisen bij een onderzoek naar rijvaardigheid voor het besturen van een motorrijtuig. Dit volgt uit artikel 50, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen. In beginsel wordt een dergelijke verklaring geregistreerd wanneer is gebleken dat aan de vereisten is voldaan. Een uitzondering vormt het tweede lid van artikel 50, waarin is geregeld dat gedurende drie jaar geen verklaring wordt geregistreerd voor personen waarvoor het CBR op grond van artikel 132, tweede lid Wegenverkeerswet 1994 het rijbewijs ongeldig heeft verklaard omdat zij niet hebben meegewerkt aan de aan hen opgelegde educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Met wijzigingsonderdeel A van dit besluit wordt deze uitzondering aangepast. Daarvoor is een nieuw derde lid toegevoegd, waarin is geregeld dat een verklaring voor rijvaardigheid wel kan worden geregistreerd voordat de maatregel is afgerond of de drie jaren zijn verstreken, in gevallen waarin het niet (tijdig) betalen de aanleiding was voor het ongeldig verklaren en de desbetreffende persoon alsnog volledig heeft betaald. Met deze wijziging is het daarom mogelijk geworden om meteen na het volledig voldoen van de kosten een nieuwe verklaring te registreren. Op de beleidsmatige achtergrond wordt ingegaan in het algemene deel van deze nota van toelichting.

Verder wordt aan artikel 50 van het Reglement rijbewijzen een nieuw vierde lid toegevoegd. Daarmee wordt verder verduidelijkt dat voor het registreren van een nieuwe verklaring van rijvaardigheid geen nieuw praktijk- en theorie-examen nodig is, indien binnen de termijn van drie jaar alsnog de maatregel wordt afgerond of betaling plaatsvindt. Daarmee wordt de bestaande praktijk niet gewijzigd, want voor spijtoptanten worden geen nieuwe examens vereist voordat een nieuwe verklaring van rijvaardigheid wordt geregistreerd. Is de termijn van drie jaren verstreken, dan geldt de hoofdregel van artikel 50, eerste lid en moet de betrokkene opnieuw een praktijk- en theorie-examen afleggen voor de registratie van een nieuwe verklaring van rijvaardigheid.

Onderdeel B

Met wijzigingsonderdeel B van dit besluit wordt dezelfde uitzondering voor spijtoptanten opgenomen voor het registreren van een nieuwe verklaring van geschiktheid. Artikel 97 van het Reglement rijbewijzen regelt de registratie van deze verklaringen en wordt daarom ook gewijzigd. De hoofdregel dat gedurende drie jaar geen nieuwe verklaring wordt geregistreerd indien de maatregel niet wordt afgerond, blijft van kracht. Een nieuw derde lid in artikel 97 van het Regelement rijbewijzen bevat een uitzondering voor spijtoptanten van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard vanwege het niet of niet tijdig betalen van de kosten voor een maatregel. Daarvoor geldt dat gedurende drie jaar slechts een nieuwe verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd indien zij alsnog de kosten betalen. Na het volledig betalen van de kosten wordt een nieuwe verklaring alsnog meteen geregistreerd.

Wanneer een rijbewijs ongeldig wordt verklaard vanwege het niet verlenen van medewerking aan een onderzoek naar geschiktheid geldt gedurende drie jaar dat het onderzoek moet worden afgerond alvorens een verklaring van geschiktheid kan worden geregistreerd, ook wanneer de oorzaak gelegen is in het niet of niet tijdig betalen van de kosten voor dat onderzoek. Die verplichting blijft onveranderd met dit besluit.

Onderdelen C en D

Met wijzigingsonderdelen C en D wordt een bepaling opgenomen ter verduidelijking van het geldend recht over de uitreiking van rijbewijzen.

Er wordt verduidelijkt dat in beginsel rijbewijzen in persoon aan de aanvrager van een rijbewijs worden uitgereikt bij een met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit. Deze autoriteit is in verreweg de meeste gevallen op grond van artikel 116 van de Wegenverkeerswet 1994 de burgemeester van de gemeente, waar de aanvrager als ingezetene staat ingeschreven in de Basisadministratie Personen. Volgens artikel 9 en de bijlage over procesbeschrijvingen van de Regeling bestelling, transport en beveiliging rijbewijzen haalt de aanvrager het rijbewijs op bij de gemeente. Een medewerker van de gemeente reikt dan het rijbewijs in persoon uit aan de aanvrager. Met wijzigingsonderdeel C wordt dit nu ter verduidelijking opgenomen in het Reglement rijbewijzen.

Op grond van artikel 128, eerste en tweede lid van het Reglement rijbewijzen, mag in beginsel de functionaris die het rijbewijs uitreikt, niet dezelfde persoon zijn als de functionaris die betrokken was bij de aanvraag. Om te verduidelijken dat het gaat om dezelfde met de afgifte van rijbewijzen belaste medewerkers, wordt de term ‘functionaris’ vervangen door ‘medewerker’.

Door nieuwe regelgeving wordt het mogelijk om digitaal een rijbewijs aan te vragen. Een burger verschijnt dan niet meer in persoon bij de gemeente om zijn rijbewijs aan te vragen. Het is daarom belangrijk te verduidelijken dat volgens het geldend recht een aanvrager in beginsel wel in persoon bij de gemeente zijn rijbewijs dient op te halen. Zo is gewaarborgd dat een aanvrager in beginsel tenminste éénmaal in persoon bij de gemeente dient te verschijnen om een rijbewijs te verkrijgen. Dit is in het belang van de veiligheid en ter bescherming tegen fraude- of ontvreemdingsrisico’s. Een rijbewijs is op grond van artikel 1, eerste lid onder 4 van de Wet op de identificatieplicht in Nederland naast een bewijs van de vereiste rijvaardigheid en rijgeschikt immers ook een identiteitsbewijs.

Op grond van artikel 116 Wegenverkeerswet en artikel 105, tweede lid Reglement rijbewijzen is in een aantal gevallen niet de burgemeester, maar de Dienst Wegverkeer (RDW) belast met de afgifte van rijbewijzen. Dit is het geval als de aanvrager niet staat ingeschreven bij een gemeente in de Basisadministratie Personen. In sommige gevallen lopen de aanvraag en de uitreiking van het rijbewijs dan alsnog via een gemeente. Als een aanvraag direct bij de RDW is ingediend, zonder tussenkomst van een gemeente, kan de RDW rijbewijzen afgeven door deze per post naar een correspondentieadres in Nederland te versturen. Te denken valt aan aanvragers die woonachtig zij buiten Europese Unie, Zwitserland en landen die partijen zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en hun rijbewijs willen vernieuwen of aan diplomatiek of consulair personeel met een identiteitsbewijs voor geprivilegieerden dat een rijbewijs aanvraagt. Het gaat dan in de praktijk om relatief weinig aanvragen in vergelijking met het aantal aanvragen dat bij of via een gemeente wordt ingediend. Voor deze bijzondere gevallen is een uitzondering opgenomen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,


X Noot
1

Wegenverkeerswet 1994, artikel 132a, tweede lid.

X Noot
2

De artikelen 9, 11, tweede lid, 14, derde lid, 17, tweede lid, en 20, tweede lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

X Noot
3

Stand van de Uitvoering van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2023, p. 17.

X Noot
4

Kamerstukken II 2010/11, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2016/17, 33 009, nr. 39.

Naar boven