Reactienota Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het plan-MER Natuurplan, Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

ZK-0000155611

Inleiding

Voor u ligt de reactienota op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het plan-milieueffectrapport (plan-MER) behorend bij het Ontwerp-Natuurplan. Deze reactienota bevat de reactie op de zienswijzen die zijn ingediend naar aanleiding van de terinzagelegging van de NRD. Met deze reactienota wordt invulling gegeven aan de vereiste terugkoppeling binnen de milieueffectrapportageprocedure en wordt inzicht geboden in de wijze waarop de ingediende zienswijzen worden meegewogen bij de verdere uitwerking van het plan-MER en het Ontwerp-Natuurplan. Samen vormen de concept-NRD, deze reactienota en de gekozen aanpak de definitieve richtlijn voor het plan-MER.

De NRD heeft gedurende de periode van 27 maart 2026 tot en met 8 mei 2026 ter inzage gelegen. In deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen over de voorgestelde reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen plan-MER. In totaal hebben veertien partijen een zienswijze ingediend. Deze zienswijzen zijn afkomstig van verschillende organisaties, waaronder overheden, maatschappelijke organisaties, belangenverenigingen en andere betrokken partijen. In de bijlage staat het volledige overzicht.

De ingediende zienswijzen hebben betrekking op uiteenlopende onderwerpen. Deze variëren van opmerkingen over de inhoudelijke afbakening en de methodiek van het plan-MER tot specifieke aandachtspunten op het gebied van natuur, water, ruimtelijke ordening, landbouw en participatie.

In deze reactienota worden de zienswijzen individueel beantwoord in onderstaande tabellen. Per zienswijze wordt een samenvatting gegeven van de ingebrachte punten, gevolgd door een inhoudelijke reactie van het Ministerie van LVVN en TAUW. Daarnaast wordt, waar relevant, aangegeven hoe de zienswijze mee wordt genomen in het verdere proces.

Beantwoording zienswijzen

Zienswijze 1 – Land- en Tuinbouworganisatie Nederland

Nr.

Zienswijze

Reactie

1.1

Volgens de indiener is de NRD onduidelijk over wat er in het MER onderzocht gaat worden. De indiener maakt zich zorgen dat het MER niet objectief wordt gebruikt voor besluitvorming, maar vooral dient als bevestiging van al gemaakte keuzes.

Het MER wordt objectief en onafhankelijk opgesteld. Het doel van het MER is om de mogelijke effecten van het Ontwerp-Natuurplan op een zorgvuldige en transparante wijze in beeld te brengen en zo de besluitvorming te ondersteunen. Hierbij worden de effecten van de verschillende beleidsvarianten op consistente wijze beoordeeld en onderling vergeleken. De keuze voor het beleid dat in het Definitieve Natuurplan komt is een politieke keuze en staat vooraf niet vast.

1.2

Volgens de indiener moet het MER ook de economische, sociale en ruimtelijke gevolgen van het Ontwerp-Natuurplan meenemen. Met name de specifieke gevolgen voor de landbouw, zoals grondgebruik, waterbeheer en bedrijfsvoering, moeten worden meegenomen. Volgens de indiener komt in de NRD onvoldoende naar voren dat deze aspecten worden meegenomen in het MER.

De gevolgen voor de landbouw worden in het MER op vergelijkbaar abstractieniveau als het Ontwerp-Natuurplan in beschouwing genomen. Onder het thema economische vitaliteit wordt expliciet gekeken naar de invloed van het Ontwerp-Natuurplan op verschillende vormen van landbouw en voedselzekerheid. Effecten op grondgebruik en bedrijfsvoering worden als beoordelingscriteria opgenomen in het MER.

1.3

De indiener stelt dat de referentiesituatie voor het Ontwerp-Natuurplan onvoldoende is beschreven in de NRD. Volgens de indiener moet het helder zijn welk bestaand beleid en welke ontwikkelingen al bijdragen aan natuurherstel, welke opgaven nog overblijven en welke maatregelen daaruit voortkomen. Zonder deze duidelijkheid bestaat het risico op dubbel tellen en een onduidelijke afbakening van extra verplichtingen.

Het detailniveau van het Ontwerp-Natuurplan was ten tijde van het opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau nog onvoldoende bekend. In het MER wordt de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) beschreven. Hierbij wordt uitgegaan van vastgesteld en bestaand beleid. Het klopt dat het bestaande beleid kan bijdragen aan het behalen van de doelen van het Ontwerp-Natuurplan. Toch is er voor veel doelen in de NHV extra inzet nodig ten opzichte van het bestaande beleid. Het MER beoordeelt alleen mogelijk extra beleidsvarianten vanuit het Natuurplan.

1.4

De indiener pleit voor een integrale benadering en voor het onderzoeken van verschillende invullingen van de referentiesituatie in het MER, zodat zichtbaar wordt welke aanvullende opgaven echt voortkomen uit de Natuurherstelverordening en wat de gevolgen daarvan zijn.

In het MER worden geen scenario’s gebruikt voor de referentiesituatie (in het MER wordt dit HSAO genoemd). In de HSAO wordt uitgegaan van het vastgestelde en bestaande beleid. Hierdoor wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen bestaande beleid en bijbehorende maatregelen en het aanvullende beleid vanuit het Ontwerp-Natuurplan. Vervolgens beoordeelt het MER wat de effecten zijn van het Natuurplan ten opzichte van deze HSAO.

1.5

De indiener stelt dat de participatie rond het Ontwerp-Natuurplan onvoldoende concreet is uitgewerkt. Volgens de indiener moet participatie transparanter en sterker worden georganiseerd.

De NHV kent opgaven voor alle ecosystemen en raakt daarmee ook de belangen van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zowel in sectoren die direct met natuur werken als daarbuiten. Daarom is het van groot belang om de implementatie van de NHV samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties vorm te geven. In 2025 zijn in alle provincies bijeenkomsten georganiseerd om ambtenaren van gemeenten, waterschappen en provincies vroegtijdig te betrekken en hun kennis te benutten.

Daarnaast zijn enkele brede stakeholderbijeenkomsten georganiseerd. Deze worden in 2026 voortgezet. Ook is een driewekelijks overleg ingesteld met een vertegenwoordiging van sectoren en maatschappelijke partners. Op deze wijze worden sectorpartijen meegenomen in ontwikkelingen en belangrijke keuzes rond de implementatie van de NHV. Verslagen van bijeenkomsten zijn in te zien via Natuurherstelverordening | Levend Landschap. Het Ontwerp-Natuurplan wordt samen met het MER in het najaar van 2026 ter inzage gelegd voor het brede publiek.

1.6

De indiener spreekt de zorg uit dat het MER gebruikt wordt om de gevolgen van al gemaakte beleidskeuzes te beschrijven. Volgens de indiener moet daarom expliciet worden vastgelegd dat er nog geen voorkeursrichting wordt gekozen voordat alternatieven, effecten en uitvoerbaarheid zorgvuldig zijn onderzocht.

De doelen uit de Natuurherstelverordening en het Ontwerp-Natuurplan liggen vast. De wijze waarop hier met beleidskeuzes invulling aan wordt gegeven, staat nog niet vast. De mer-procedure en het bijbehorende MER ondersteunen de keuze tussen de verschillende beleidsvarianten. Vervolgens wordt de voorkeursrichting beoordeeld.

1.7

De indiener vindt dat er in het MER naast uitgewerkt beleid ook minder concrete maatregelen moeten worden meegenomen. Ook minder concrete maatregelen kunnen gevolgen hebben voor de landbouw en vragen daarom om beoordeling in het MER. Dit zijn volgens de indiener juist de effecten waarover duidelijkheid nodig is.

Wanneer beleidskeuzes nog onvoldoende concreet zijn uitgewerkt, worden zij niet zonder meer buiten het MER gelaten. Wanneer beleid (indirect) invloed kan hebben op bijvoorbeeld vergunningverlening, gebiedsprocessen, peilbeheer, beperkingen op bedrijfsontwikkeling en investeringsbeslissingen, is het ruimtelijk relevant en wordt dit indien mogelijk in het MER betrokken.

1.8

De indiener stelt dat de NRD onduidelijk is over het detailniveau van het MER. Volgens de indiener moet de NRD juist duidelijk aangeven welk minimumdetail nodig is om goede besluiten te kunnen nemen. Daarbij benadrukt de indiener dat het detailniveau moet aansluiten bij de inhoud van het Ontwerp-Natuurplan.

Het detailniveau van het MER sluit aan bij het detailniveau van het Ontwerp-Natuurplan. Vanwege verschil in de mate van uitwerking van de verschillende artikelen uit de Natuurherstelverordening verschilt het detailniveau in het MER per artikel. Bij vervolgbesluiten vindt in veel gevallen nadere besluitvorming plaats, waarbij effecten, al dan niet in een MER, op een gedetailleerder niveau in beeld worden gebracht.

1.9

De indiener vindt dat de NRD een onduidelijke en te brede referentiesituatie hanteert. In plaats van één helder uitgangspunt (de feitelijke toestand op een bepaald moment) wordt een mix gebruikt van huidige situatie, beleid, trends en toekomstige ontwikkelingen. Dit maakt het moeilijk om de effecten van het Ontwerp-Natuurplan goed en juridisch correct te beoordelen.

De huidige situatie beschrijft de toestand van de verschillende milieuthema's. Hiervoor wordt uitgegaan van het huidige moment als referentietijdstip. De autonome ontwikkelingen of trends beschrijven hoe de toestand van de milieuthema's zich ontwikkelt zonder het Ontwerp-Natuurplan. Aangezien in de beoordeling een doorkijk wordt gegeven naar 2050, en dit een relatief ver toekomstperspectief betreft, wordt gebruikgemaakt van trends. Daarnaast wordt rekening gehouden met meer zekere toekomstige ontwikkelingen op basis van concrete plannen en vastgesteld beleid. Deze werkwijze is gangbaar en geaccepteerd in een MER op dit abstractieniveau om de effecten van een voorgenomen activiteit inzichtelijk te maken.

1.10

De indiener vindt dat de referentiesituatie in het MER niet alleen de ecologische toestand moet beschrijven, maar ook de feitelijke uitgangspositie van de landbouw en het landelijk gebied. Dit omvat onder andere grondgebruik, bedrijfsstructuur, waterbeheer en economische omstandigheden. Zonder deze informatie kunnen de gevolgen van natuurmaatregelen voor landbouw en voedselproductie volgens de indiener niet goed worden beoordeeld.

In de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) wordt de huidige situatie van de verschillende thema's uit het Rad van de Leefomgeving beschreven. Onder het thema economische vitaliteit wordt ook de huidige situatie van de landbouw beschreven. Hierbij komen het aantal landbouwbedrijven per bedrijfssoort en het inkomen van agrarische ondernemers bijvoorbeeld aan de orde.

1.11

De indiener pleit voor het onderzoeken van meerdere referentiescenario’s, zoals een historische situatie, de huidige toestand en scenario’s met bestaande beleidsontwikkelingen. Alleen zo ontstaat volgens de indiener een duidelijke en juridisch houdbare beoordeling van de extra opgaven en de effecten van nieuwe maatregelen.

Het MER bevat keuzes op strategisch niveau, aansluitend bij het Ontwerp-Natuurplan. De huidige situatie beschrijft de huidige toestand van de verschillende milieuthema's. De autonome ontwikkelingen beschrijven hoe de milieuthema's zich ontwikkelen zonder het Ontwerp-Natuurplan. Hierbij worden ook onzekerheden benoemd. Vervolgens wordt in de effectbeoordeling van het MER beschouwd wat de effecten zijn van de verschillende beleidsvarianten op de relevante milieuthema's uit het Rad van de Leefomgeving. Voor natuur wordt de referentie van LVVN uit 2024 gehanteerd. De referentiesituatie is voor veel thema's kwalitatief beschreven. Deze informatie is van toepassing over een langere periode. In het MER wordt ook een beleidskader opgenomen waarin de relevantie van het beleid wordt beschreven. Dit kader bevat al het vigerende en relevante beleid voor het Ontwerp-Natuurplan. Indien sprake is van eventuele tegenstrijdigheden, worden deze in de robuustheidstoets in het MER nader beschouwd.

1.12

De indiener stelt dat de NRD onvoldoende duidelijk maakt welke beleidsvarianten in het MER worden onderzocht. Volgens de indiener moeten er ook varianten worden onderzocht die rekening houden met de praktijk van de landbouw.

In de NRD en in het MER wordt de term beleidsvariant gebruikt. Het opstellen van de beleidsvarianten wordt onderdeel van het MER. De wijze waarop de beleidsvarianten tot stand komen is beschreven in paragraaf 4.3 van de NRD. Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik.

1.13

De indiener vindt dat het Rad van de Leefomgeving te algemeen en onvoldoende specifiek is om de gevolgen van het Ontwerp-Natuurplan op landbouw en landelijk gebied goed inzichtelijk te maken. De indiener spreekt de zorg uit dat het risico bestaat dat brede maatschappelijke voordelen zichtbaar worden gemaakt, terwijl negatieve effecten voor individuele bedrijven en regio’s onderbelicht blijven. Volgens de indiener moet het MER daarom explicieter kijken naar de sociaaleconomische gevolgen, zoals impact op inkomens, grondgebruik, voedselproductie, werkgelegenheid en regionale economie.

Het abstractieniveau van het Ontwerp-Natuurplan is hoog. Het plan-MER sluit aan bij dit abstractieniveau. Onder het thema economische vitaliteit van het Rad van de Leefomgeving zal ook expliciet worden gekeken naar invloed op de landbouw. Het aantal agrarische bedrijven en het inkomen van agrariërs wordthier onderzocht, naar de andere indicatoren kan op dit abstractieniveau niet concreet gekeken worden.

1.14

De indiener stelt dat het beoordelen van doelbereik in het Ontwerp-Natuurplan niet alleen op basis van ecologische effecten mag gebeuren. Volgens de indiener zijn maatregelen pas echt effectief als ze ook uitvoerbaar, betaalbaar, juridisch houdbaar en proportioneel zijn.

Het voorkeursalternatief en de totstandkoming daarvan worden beschreven in het MER.

Het bepalen van een voorkeursalternatief gebeurt op basis van een brede afweging. Alle potentiële alternatieven moeten bijdragen aan doelbereik. Bij het kiezen van het voorkeursalternatief worden uitvoerbaarheid, betaalbaarheid, juridische houdbaarheid en proportionaliteit betrokken.

1.15

De indiener geeft aan dat de NRD onvoldoende concreet ingaat op cumulatieve effecten van beleid op de landbouw. Hoewel wordt aangegeven dat samenhang met andere programma’s moet worden bekeken, blijft dit volgens de indiener te oppervlakkig en procedureel.

De cumulatieve effecten worden op hetzelfde detailniveau onderzocht als het Ontwerp-Natuurplan. In de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) komt het effect van het huidige beleid op de landbouw aan de orde. Aspecten die hierbij aan de orde komen zijn het aantal landbouwbedrijven, het aantal dieren per bedrijf en het inkomen per bedrijf.

1.16

De indiener stelt dat een voorkeursalternatief pas kan worden vastgesteld als alle stappen in het MER zorgvuldig en volledig zijn uitgevoerd.

Het voorkeursalternatief komt mede tot stand op basis van de uitkomst van de effectbeoordeling van de beleidsvarianten. Deze effectbeoordeling wordt zorgvuldig uitgevoerd en wordt ook voorgelegd aan de Commissie mer

1.17

De indiener stelt dat de Voortoets en Passende Beoordeling in de NRD te beperkt zijn. Naast de directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden moet er volgens de indiener namelijk ook aandacht zijn voor indirecte gevolgen zoals de effecten van het Ontwerp-Natuurplan op vergunningverlening en ruimtelijke ontwikkelingen in en rond deze gebieden.

De Voortoets en Passende Beoordeling gaan alleen in op de negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden en worden in het plan-MER verder uitgewerkt De effectbeoordeling bekijkt per beleidsvariant wat de gevolgen zijn voor de verschillende milieuthema's. Deze effectbeoordeling gebeurt op het detailniveau van het Ontwerp-Natuurplan. Hierbij komen ook de effecten op de landbouwsector aan de orde.

1.18

De indiener vindt dat het gelijktijdig opstellen van het MER en het concept-Natuurplan risico’s met zich meebrengt. Volgens de indiener moet worden gegarandeerd dat het MER daadwerkelijk invloed heeft op de inhoud van het plan, en niet slechts achteraf aanbevelingen doet.

Het MER wordt ingezet als een strategisch instrument ter ondersteuning van de besluitvorming over het Ontwerp-Natuurplan. Daarnaast maakt het MER de (mogelijke) gevolgen voor de leefomgeving inzichtelijk voor een breed publiek. Het MER is nadrukkelijk gericht op het formuleren van bruikbare aanbevelingen voor de verdere uitwerking van het Natuurplan in de fase tussen het Ontwerp-Natuurplan en het definitieve Natuurplan, en waar nodig ook voor de langere termijn.

Dit gebeurt door te benoemen welke (milieu)thema’s in deze fase extra aandacht behoeven en door aanbevelingen te doen voor de wijze waarop hier concreet invulling aan kan worden gegeven. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het Rad van de Leefomgeving, waarin de thema’s veilige en gezonde leefomgeving, woonomgeving, economische omgeving en goede omgevingskwaliteit centraal staan.

1.19

De indiener benadrukt dat het proces beter moet worden afgestemd op de lopende stikstofaanpak. Als het Ontwerp-Natuurplan vooruitloopt op nog onzekere wetgeving en maatregelen, kan dit leiden tot inconsistente of juridisch zwakke beleidskeuzes.

Er wordt aangestuurd op samenhang tussen de maatregelen die worden uitgewerkt onder de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof en de doelstellingen van de NHV. De gecombineerde inzet uit alle pijlers van deze taskforce heeft tot doel een significante bijdrage aan natuurherstel te leveren. Sommige maatregelen zullen landelijk worden uitgewerkt; andere maatregelen richten zich op specifieke gebieden.

1.20

De indiener stelt dat stakeholders met deze NRD te weinig informatie hebben om te beoordelen of het MER dat wordt opgesteld goed en volledig is. Dit komt volgens de indiener doordat belangrijke onderdelen, zoals beleidsvarianten, maatregelen, referentiesituatie en effecten op de landbouw, nog te weinig concreet zijn uitgewerkt in deze NRD.

Op het moment van het opstellen van de NRD was de inhoud van het Ontwerp-Natuurplan nog onvoldoende bekend waardoor de NRD met name op de processtappen is gericht. Deze onderdelen zijn verder uitgewerkt na de publicatie van de NRD.

Zienswijze 2 – Nederlandse Vissersbond

Nr.

Zienswijze

Reactie

2.1

De indiener benadrukt dat duidelijk moet worden vastgelegd welke bestaande beleidskaders en reeds geldende maatregelen tot de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) worden gerekend. Deze afbakening is belangrijk voor de visserijsector omdat het vertrekpunt en de onderzoeksopzet van het MER sterk bepalend zijn voor welke beleidsopties zichtbaar en vergelijkbaar worden.

De Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkelingen. De huidige situatie beschrijft de toestand van de verschillende milieuthema's. Hiervoor wordt uitgegaan van het huidige moment als referentietijdstip. De autonome ontwikkelingen of trends beschrijft hoe de toestand van de milieuthema's zich ontwikkelt zonder het Ontwerp-Natuurplan. Dit is de gebruikelijke manier in het MER om effecten van een voorgenomen activiteit in beeld te brengen.

2.2

De indiener verzoekt om in het MER expliciet te motiveren waarom bepaalde beleidsopties wel of niet als beleidsvariant zijn onderzocht en of aannames over de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) expliciet en controleerbaar zijn vastgelegd.

In het MER wordt de totstandkoming van de beleidsvarianten beschreven. De Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) is controleerbaar doordat zo veel mogelijk bronnen zijn toegevoegd en doordat de meest recente bronnen worden gebruikt.

2.3

De indiener verzoekt om in het MER expliciet te borgen dat de beleidsvarianten ook keuzes bevatten die relevant zijn voor de visserijsector. Verschillen in aard, timing of intensiteit van de maatregelen zijn voorbeelden van dergelijke keuzes. Daarom verzoekt de indiener om niet uitsluitend één beleidsrichting per artikel van de Natuurherstelverordening te beoordelen. Dit geldt wanneer meerdere reële invullingen voor het behalen van de doelen mogelijk zijn.

Per artikel van de Natuurherstelverordening worden verschillende beleidsvarianten ontwikkeld en onderzocht op milieueffecten. Deze beleidsvarianten worden opgesteld op basis van het Ontwerp-Natuurplan en in overleg met het Ministerie van LVVN. Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik. Bij het opstellen van de beleidsvarianten geldt relevantie voor de visserij niet als zelfstandige variabele. In hoeverre de beleidsvarianten invloed hebben op de visserijsector wordt onderzocht in het MER.

2.4

De indiener waardeert dat er onder het thema economische vitaliteit expliciet wordt gekeken naar de effecten op de visserij.

De waardering van de indiener voor het meenemen van de effecten op de visserij wordt op prijs gesteld.

2.5

De indiener benadrukt dat het van belang is dat de effectbeoordeling in het MER ook moet ingaan op concrete effecten voor de visserijsector. Gevolgen voor bedrijfsvoering, vlootstructuur, regionale visserijgemeenschappen en toegang tot visgronden worden als voorbeelden genoemd.

In het MER worden de effecten van de beleidsvarianten op de visserij op het detailniveau van het Ontwerp-Natuurplan beschreven. In het MER beschrijft de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) onder het thema economische vitaliteit op hoofdlijnen de aard en omvang van visserij. Ook de ontwikkelingen en trends komen aan bod. Het gaat hier om een beschouwing van sectorspecifieke effecten. Effecten op bedrijfsvoering voor specifieke bedrijven, vlootstructuur, regiocultuur en toegangen zijn niet als separaat beoordelingscriterium opgenomen.

2.6

De indiener stelt dat de NRD onvoldoende duidelijk is over hoe het MER om zal gaan met situaties waarin het doelbereik in Nederland wordt beïnvloed door factoren van buiten Nederland. Daarom verzoekt de indiener om deze buitenlandse invloed op het doelbereik inzichtelijk en toetsbaar te maken. Deze analyse moet duidelijk maken in hoeverre het doelbereik beïnvloedbaar is door maatregelen die Nederland treft. In het geval van onvoldoende doelbereik moet het MER expliciet onderscheiden of dit komt door gebrekkig nationaal beleid of juist door invloeden uit het buitenland.

Als het doelbereik van de Nederlandse invulling van het Ontwerp-Natuurplan wordt beïnvloed door invloeden uit het buitenland, komt dit in het MER aan de orde bij de doelbereiktoets. Over het behalen van de doelen in het Ontwerp-Natuurplan en de maatregelen die daarbij horen vindt afstemming tussen landen plaats. In de NHV staat ook vermeld dat deze afstemming met het buitenland moet plaatsvinden. Dat gebeurt onder andere door de buurlanden te raadplegen via het ESPOO-verdrag.

2.7

De indiener stelt dat het MER of de Passende Beoordeling geen invulling kunnen geven aan Artikel 5 lid 1 van de Natuurherstelverordening. De invulling van dit artikel, oftewel welk percentage van de opgenomen habitattypen maatregelen vereist is namelijk een politieke afweging. De indiener verzoekt daarom om expliciet aandacht te besteden aan dit 'nog openstaande doel' in de NRD.

Het klopt dat elke lidstaat zijn eigen hersteldoel vaststelt, maar hierbij is zeer beperkt ruimte voor een politieke afweging. Artikel 5.1 geeft aan dat voor groep 7 (zachte sedimenten), een hersteldoel moet worden geformuleerd, waarbij ten minste de doelen vanuit de Kaderrichtlijn Marien (KRM) worden gehaald, specifiek de drempelwaarden onder descriptor 6, criterium 5. De drempelwaarde die onder de overleg gremia van de KRM hiervoor is vastgesteld staat toe dat maximaal 25% van de zeebodem in niet-goede staat is (oftewel negatief mag zijn beïnvloed). Dit betekent dat minstens 75% wel in goede staat moet zijn (dus niet negatief mag zijn beïnvloed), zowel voor de doelen van de KRM als voor de NHV. Over wanneer de habitats van groep 7 in een ‘goede staat’ zijn wordt nu in de gremia onder de KRM overleg gevoerd. Hiertoe wordt nog een drempelwaarde vastgesteld. Als deze vaststaat kan bepaald worden wat voor Nederland de ‘restopgave’ is qua percentage. De doelstelling zal dus reflecteren wat er additioneel aan oppervlakte (in percentage uitgedrukt) in goede staat moet worden gebracht om 75% te halen.

2.8

De indiener stelt dat het van belang is dat monitoring niet alleen gericht is op ecologische indicatoren maar ook bijdraagt aan het beoordelen van de effectiviteit van de maatregelen. Daarnaast vindt de indiener het belangrijk dat maatregelen die onvoldoende bijdragen aan het behalen van de natuurdoelen worden heroverwogen, aangepast, vervangen of beëindigd.

Artikel 20 lid 4 van de Natuurherstelverordening schrijft voor dat monitoring start zodra herstelmaatregelen zijn genomen. Uiteindelijk moeten alle maatregelen leiden tot doelbereik. Soms is de effectiviteit van maatregelen pas later in de tijd waarneembaar. De NHV schrijft voor dat elke lidstaat uiterlijk 30 juni 2032, en vervolgens uiterlijk 30 juni 2042 en daarna elke 10 jaar, het nationale herstelplan evalueert, eventueel herziet en eventueel aanvullende maatregelen opneemt. In het plan-MER komt een monitorparagraaf.

2.9

De indiener vindt dat de BISI-methodiek ongeschikt is om de toestand van mariene habitats objectief te beoordelen. Hiervoor geeft de indiener verschillende inhoudelijke redenen. De indiener roept daarom op om de maatregelen in het Ontwerp-Natuurplan niet te baseren op beoordelingen van de kwaliteitstoestand op basis van deze methodiek.

De NHV geeft aan dat het Ontwerp-Natuurplan in lijn moet zijn met de mariene strategieën van de KRM. Daarom wordt gestreefd naar geharmoniseerd gebruik van indicatoren tussen de NHV en de KRM (overweging 66 en artikel 14, lid d). De BISI is ontwikkeld voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie om de kwaliteit van de zeebodem te beoordelen en is een van de indicatoren waarover wordt gerapporteerd in de Mariene Strategie Deel 1, naast de Margalef en de BEQI2. Verschillende aandachtspunten voor de doorontwikkeling van de methodiek en het gebruik van de indicator zijn bekend en recent besproken in een sector- en kennisbijeenkomst. Hierop volgt nog een vervolg.

2.10

De indiener verzoekt om in het MER de cumulatieve effecten expliciet en systematisch in beeld te brengen. Daarbij dienen de sociaal-economische effecten van de cumulatieve effecten te worden getoetst. Ook moet het MER de samenloop met andere beleidskaders transparant maken.

Dit is onderdeel van het MER. Paragraaf 4.6 van de NRD beschrijft hoe de cumulatieve effecten in beeld zullen worden gebracht. Bij de analyse van de cumulatieve effecten wordt op hoofdlijnen geïnventariseerd hoe plannen en programma's die gelijktijdig met het Ontwerp-Natuurplan worden uitgevoerd de effecten van het Ontwerp-Natuurplan kunnen versterken of juist kunnen verminderen.

2.11

De indiener vindt dat de Voortoets en, indien nodig de Passende Beoordeling zorgvuldig en volledig dienen te worden uitgevoerd. De indiener stelt dat de mogelijke negatieve effecten niet automatisch aan één sector worden toegeschreven. Ook dienen de cumulatieve effecten van de verschillende sectoren op de Natura 2000-gebieden expliciet te worden betrokken in de Voortoets en de Passende Beoordeling.

De indiener kan ervan uitgaan dat de Voortoets en Passende Beoordeling zorgvuldig en volledig worden uitgevoerd. De Voortoets en Passende Beoordeling hebben beide als scope de beoordeling van activiteiten die het Ontwerp-Natuurplan mogelijk maakt. Dit is niet gebonden aan sectoren. De cumulatieve effecten van deze activiteiten worden, wanneer relevant, beoordeeld in de Passende Beoordeling.

2.12

De indiener stelt dat de tekst in paragraaf 3.2 over de Passende Beoordeling inaccuraat is. De indiener vindt dat er duidelijk onderscheid gemaakt dient te worden tussen 'negatieve effecten' en 'significante gevolgen'. Volgens de indiener hoeft niet ieder negatief effect namelijk te resulteren in significante gevolgen. De indiener constateert dat deze termen inclusief 'significante negatieve effecten' ook in paragraaf 4.8 onterecht als synoniemen worden gebruikt.

Bedankt voor de opmerking. Bij het opstellen van het MER worden de genoemde begrippen juist gehanteerd.

2.13

De indiener stelt dat de systematiek van Voortoets en Passende Beoordeling onjuist is beschreven in de NRD. In de tekst staat namelijk dat een Voortoets wordt uitgevoerd om te bezien of er negatieve effecten kunnen optreden en een Passende Beoordeling wordt ingeschakeld indien dit niet op basis van de Voortoets kan worden uitgesloten. De tekst stelt dat de Passende Beoordeling in meer detail onderzoekt of het Ontwerp-Natuurplan negatieve effecten kan hebben. De indiener stelt dat dit laatste onjuist is aangezien een Voortoets geen negatieve effecten mag missen en ten gevolge daarvan kan concluderen dat significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten.

De indiener verzoekt daarom om de teksten over de Voortoets en de Passende Beoordeling nauwkeuriger aan te laten sluiten bij de precieze bewoordingen uit de Habitatrichtlijn en de Omgevingswet.

Bedankt voor de opmerking. Deze opmerking wordt betrokken bij het opstellen van het MER.

2.14

De indiener stelt dat de formulering in paragraaf 4.8 over negatieve effecten op instandhoudingsdoelen onjuist is en niet aansluit op de Omgevingswet. De indiener stelt dat de huidige formulering te kort door de bocht is en kan leiden tot onjuiste conclusies over de significantie van gevolgen.

Bedankt voor de opmerking. Deze opmerking wordt betrokken bij het opstellen van het MER.

Zienswijze 3 – Cascade, vereniging van oppervlaktedelfstoffenwinners

Nr.

Zienswijze

Reactie

3.1

De indiener is positief over de brede en integrale benadering van de NRD. De indiener waardeert dat naast natuur en ecologie ook thema’s zoals water, klimaat, economie, ruimtelijke ontwikkeling en leefomgeving worden meegenomen. Ook spreekt de indiener waardering uit voor de aandacht voor maatschappelijke baten en de betrokkenheid van verschillende maatschappelijke partijen in het verdere proces.

De waardering van de indiener voor de brede en integrale benadering van de NRD wordt op prijs gesteld.

3.2

De indiener stelt dat de delfstoffenwinningssector een positieve rol kan spelen bij natuurontwikkeling en -herstel en de doelen van het Ontwerp-Natuurplan. Daarom pleit de indiener ervoor het bedrijfsleven, en specifiek deze sector, nadrukkelijk te betrekken als partner bij de uitwerking en uitvoering van het Ontwerp-Natuurplan.

Het bedrijfsleven wordt vertegenwoordigd door VNO-NCW, dat een rol heeft in het driewekelijkse sectoroverleg en actief participeert in de gehouden stakeholdersbijeenkomsten. Ook u bent als stakeholder welkom op deze stakeholdersbijeenkomsten.

3.3

De indiener vindt dat het MER moet laten zien dat grondstoffenwinning goed gecombineerd kan worden met natuurherstel en maatschappelijke ontwikkelingen.

Het MER laat zien wat de milieueffecten zijn van het Ontwerp-Natuurplan op de referentiesituatie en bevat keuzes op strategisch niveau. De koppelkansen met grondstoffenwinning worden niet nader onderzocht in het MER.

3.4

Volgens de indiener is het belangrijk dat de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen gewaarborgd blijft. De indiener wijst erop dat de delfstoffenwinningssector bijdraagt aan de economische vitaliteit, ruimtelijke ontwikkeling en leefkwaliteit.

Het is een politieke opgave om de verschillende doelen en ruimtelijke opgaven waarvoor Nederland staat tegen elkaar af te wegen. Het Ontwerp-Natuurplan brengt de opgave voor natuurherstel in beeld. De afweging vervolgens van en keuze voor maatregelen en locaties vindt plaats in samenwerking met relevante bestuurslagen. Het MER onderzoekt de effecten van het Ontwerp-Natuurplan op de thema's uit het Rad van de Leefomgeving. Onder het thema natuurlijke hulpbronnen wordt aandacht besteed aan het belang van bijvoorbeeld minerale grondstoffen voor waterveiligheid en ruimtelijke ontwikkelingen.

Zienswijze 4 – Yerseke 118 Noordland B.V.

Nr.

Zienswijze

Reactie

4.1

Volgens de indiener krijgt de beleidsvrijheid in de Natuurherstelverordening voor hersteldoelen voor mariene habitats met zacht sediment te weinig aandacht in de NRD. De indiener stelt namelijk dat de Natuurherstelverordening lidstaten veel ruimte en tijd geeft voor het herstel van mariene habitats met zacht sediment, en dat Nederland hierdoor vóór 2030 geen verplichtingen heeft.

Nederland stelt nog geen doelen in het Ontwerp-Natuurplan voor habitats van groep 7 (zachte sedimenten) voor 2030, omdat deze inderdaad pas vanaf 2040 zullen gelden.

4.2

De indiener vindt dat de besluitvorming, en dus ook het MER, gebaseerd moet zijn op objectieve en breed geaccepteerde wetenschappelijke kennis. De indiener stelt dat de negatieve effecten van visserij op de natuur overdreven worden en vooral gebaseerd zijn op aannames in plaats van wetenschappelijke onderbouwing. Volgens de indiener laten zowel wetenschappelijke literatuur als praktijkervaring zien dat visserij en een goede toestand van de natuur (zoals bodemdieren) goed samen kunnen gaan. Zij benadrukken dat duurzame visserij mogelijk is en al jarenlang wordt toegepast, maar dat deze praktijkervaring onvoldoende wordt meegenomen in beleid.

Nederland maakt bij het beleid voor de NHV gebruik van de best beschikbare wetenschappelijke kennis, zoals vereist in de NHV. Hiervoor zijn verschillende onderzoeksinstituten ingeschakeld. Effecten van gebruik op specifieke natuurgebieden worden wetenschappelijk onderbouwd.

4.3

De indiener vindt dat visserijbedrijven het recht hebben om vroegtijdig betrokken te worden bij het opstellen van het Ontwerp-Natuurplan. Volgens de indiener gebeurt dit nu onvoldoende en is het proces (zoals het MER en de Voortoets) ondoorzichtig. Er is volgens de indiener te weinig ruimte voor inhoudelijke discussie, kennisuitwisseling en inspraak van belanghebbenden zoals vissers.

De NHV kent opgaven voor alle ecosystemen en raakt daarmee ook de belangen van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zowel in sectoren die direct met natuur werken als daarbuiten. Daarom is het van groot belang om de implementatie van de NHV samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties vorm te geven. In 2025 zijn in alle provincies bijeenkomsten georganiseerd om ambtenaren van gemeenten, waterschappen en provincies vroegtijdig te betrekken en hun kennis te benutten.

Daarnaast zijn enkele brede stakeholderbijeenkomsten georganiseerd. Deze worden in 2026 voortgezet. Ook is een driewekelijks overleg ingesteld met een vertegenwoordiging van sectoren en maatschappelijke partners. Op deze wijze worden sectorpartijen meegenomen in ontwikkelingen en belangrijke keuzes rond de implementatie van de NHV. De PO Mossel is bijvoorbeeld uitgenodigd als vertegenwoordigen van de visserijsector voor deze sectortafel. Verslagen van bijeenkomsten zijn in te zien via Natuurherstelverordening | Levend Landschap. Het Ontwerp-Natuurplan wordt samen met het MER in het najaar van 2026 ter inzage gelegd voor het brede publiek.

4.4

De indiener stelt dat het opstellen van een MER voor het Ontwerp-Natuurplan niet verplicht is en daarom niet noodzakelijk wordt geacht.

Het Natuurplan wordt, in lijn met de systematiek van de Natuurherstelverordening, vastgesteld als een verplicht programma onder de Omgevingswet. De maatregelen die in het kader van het Natuurplan worden uitgewerkt, kunnen gevolgen hebben voor het milieu. Om deze mogelijke effecten zorgvuldig in kaart te brengen, is ervoor gekozen een milieueffectrapport (MER) op te stellen.

De uitvoering van de Natuurherstelverordening kan daarnaast gevolgen hebben voor de leefomgeving en voor sociaaleconomische ontwikkelingen. Het is van belang om deze effecten inzichtelijk te maken en belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Op basis van deze informatie kan het kabinet een zorgvuldige en goed onderbouwde afweging maken bij de vaststelling van het definitieve Natuurplan.

4.5

Volgens de indiener is het merproces onduidelijk en niet transparant. Er is volgens de indiener namelijk niet vooraf bekend wat er in het plan komt te staan. Het is niet transparant omdat stakeholders geen invloed hebben op de inhoud of de gekozen beleidsvarianten. De indiener vraagt zich af waarom de overheid zo’n belangrijk besluitvormingsproces uitbesteedt en afschermt van direct betrokkenen.

De NHV kent opgaven voor alle ecosystemen en raakt daarmee ook de belangen van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zowel in sectoren die direct met natuur werken als daarbuiten. Daarom is het van groot belang om de implementatie van de NHV samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties vorm te geven. In 2025 zijn in alle provincies bijeenkomsten georganiseerd om ambtenaren van gemeenten, waterschappen en provincies vroegtijdig te betrekken en hun kennis te benutten.

Daarnaast zijn enkele brede stakeholderbijeenkomsten georganiseerd. Deze worden in 2026 voortgezet. Ook is een driewekelijks overleg ingesteld met een vertegenwoordiging van sectoren en maatschappelijke partners. Op deze wijze worden sectorpartijen meegenomen in ontwikkelingen en belangrijke keuzes rond de implementatie van de NHV. De PO Mossel is bijvoorbeeld als vertegenwoordigen van de visserijsector uitgenodigd voor deze sectortafel. Verslagen van bijeenkomsten zijn in te zien via Natuurherstelverordening | Levend Landschap. Het Ontwerp-Natuurplan wordt samen met het MER in het najaar van 2026 ter inzage gelegd voor het brede publiek.

4.6

De indiener wijst erop dat het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) ten onrechte onvoldoende wordt meegenomen in de NRD. De indiener geeft aan dat het GVB juist uitgaat van een benadering waarbij visserij en natuurbeheer samen worden afgewogen en negatieve effecten op het mariene ecosysteem zoveel mogelijk worden beperkt.

Bedankt voor het onder de aandacht brengen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). De NHV stelt een aantal specifieke en concrete doelstellingen. Nederland zal beleid ontwikkelen voor deze doelstellingen, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van het GVB, zoals nu ook al het geval is.

Daarnaast wordt relevant beleid dat kaderstellend is voor ontwikkelingen meegenomen in het beleidskader van het MER. Hierin wordt bestaand beleid opgenomen dat bijdraagt aan het Natuurplan, maar ook beleid dat ervoor kan zorgen dat doelen uit het Natuurplan onder druk komen te staan. Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid wordt opgenomen in het beleidskader dat in het MER beschreven wordt.

4.7

De indiener vindt dat de belangen van de visserij zorgvuldig moeten worden meegenomen en dat een mer-proces daarvoor niet geschikt is. De indiener stelt dat bij het opstellen van het Natuurplan duidelijk moet worden of herstelmaatregelen gevolgen hebben voor de visserij en dus onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) vallen. Als maatregelen ook andere EU-landen raken, moeten ze volgens de procedures van het GVB worden genomen. Daarnaast moet Nederland bij het uitvoeren van natuurbeleid rekening houden met de doelstellingen van het GVB, waaronder het ondersteunen van de kustvisserij en het meewegen van sociaal-economische belangen.

Eventuele additionele maatregelen die onder het GVB via een gezamenlijke aanbeveling moeten verlopen, zullen inderdaad via de daarvoor geldende procedures worden ingediend. Dit is ook in lijn met de vereisten van de NHV.

In het MER worden onder het thema economische vitaliteit de effecten op de visserij onderzocht. Hierbij komen alleen de effecten van de beleidsvarianten op Nederland aan de orde.

Zie ook 4.4

4.8

De indiener stelt dat het momenteel niet mogelijk is om de staat van bepaalde mariene habitats betrouwbaar vast te stellen met de gebruikte methoden. De indiener concludeert dat de methode geen goed beeld geeft van de werkelijkheid en niet geschikt is voor beleidsbeslissingen. De indiener ziet de voorgestelde BISI-methode als ongeschikt en niet wetenschappelijk onderbouwd. Hierdoor geeft de methode volgens de indiener een te negatief beeld van de werkelijke situatie. Dit kan nadelig uitpakken voor de visserij.

De NHV geeft aan dat het Natuurplan in lijn moet zijn met de mariene strategieën van de KRM. Daarom wordt gestreefd naar geharmoniseerd gebruik van indicatoren tussen de NHV en de KRM (overweging 66 en artikel 14, lid d). De BISI is ontwikkeld voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie om de kwaliteit van de zeebodem te beoordelen en is een van de indicatoren waarover wordt gerapporteerd in de Mariene Strategie Deel 1, naast de Margalef en de BEQI2. Verschillende aandachtspunten voor de doorontwikkeling van de methodiek en het gebruik van de indicator zijn bekend en recent besproken in een sector- en kennisbijeenkomst. Hierop volgt nog een vervolg.

Zienswijze 5 – Vattenfall

Nr.

Zienswijze

Reactie

5.1

De indiener vindt dat de NRD te globaal van aard is. Dit terwijl het MER van hoog detailniveau moet zijn om aan de eisen van de Natuurherstelverordening te voldoen.

Het detailniveau van het MER sluit aan bij het detailniveau van het Natuurplan. De NRD geeft de reikwijdte en het detailniveau aan dat passend is voor dit stadium van besluitvorming.

5.2

De indiener vindt dat in de NRD onvoldoende duidelijk wordt beschreven hoe en op basis van welke gegevens het MER de huidige staat van de natuur in kaart brengt. Volgens de indiener is dit problematisch, omdat een nauwkeurige beoordeling van de staat van habitattypen essentieel is om te kunnen bepalen of beleidsvarianten aan de doelen voldoen. Daarbij moet deze beoordeling volgens de Natuurherstelverordening op lokaal niveau plaatsvinden, wat vraagt om goede bronnen en betrokkenheid van relevante partijen. Ook voor mariene gebieden, offshore windparken en stedelijke ecosystemen ontbreekt een voldoende uitgewerkte aanpak. De huidige beschrijving in de NRD, die spreekt van een globale en kwalitatieve analyse, biedt volgens de indiener te weinig inzicht.

De beschrijving van de huidige staat van de natuur in het MER wordt beschreven op basis van de huidige situatie en beleid uit het Ontwerp-Natuurplan. Deze is tot stand gekomen op basis van de meest recente, openbare en wetenschappelijke informatie.

5.3

De indiener vindt dat de beschrijving van de samenhang met andere plannen in de NRD te globaal is. Belangrijke kaders zoals de Renewable Energy Directive (RED) III en de aanwijzing van hernieuwbare-energiegebieden (RAA’s) ontbreken, terwijl deze volgens de Natuurherstelverordening juist afgestemd moeten worden met het Natuurplan. De indiener vraagt om dit aan te vullen en de wisselwerking tussen natuurbeleid en hernieuwbare energie expliciet op te nemen in het MER, inclusief een transparante beoordeling van de wederzijdse effecten op haalbaarheid en doorlooptijden.

In het MER onderzoekt de robuustheidstoets welke energie-ontwikkelingen en nationaal beleid leiden tot synergiën en strijdigheden ten opzichte van het Natuurplan. In de NRD worden ontwikkelingen op het gebied van de energietransitie als voorbeeld hiervan genoemd.

5.4

De indiener vindt dat artikel 6 van de Natuurherstelverordening, over de uitzonderingspositie van hernieuwbare energie als groot openbaar belang, in de NRD onvoldoende wordt behandeld. Er ontbreekt volgens de indiener een concrete uitwerking van hoe deze bepaling wordt toegepast en beoordeeld in het Natuurplan en het MER. De indiener vraagt aandacht voor de rol van hernieuwbare energie, inclusief duidelijke beleidskaders voor vrijstellingen en een brede interpretatie van de uitzondering die de volledige energieketen omvat.

De uitzonderingspositie van hernieuwbare energie wordt meegenomen in het proces bij de totstandkoming van het Natuurplan. Hierover vindt bijvoorbeeld afstemming plaats met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Ook is de sector duurzame energie uitgenodigd voor het sectoroverleg. Zie hiervoor ook de beantwoording bij vraag 5.6.

Daarnaast beschouwt het MER de mogelijke gevolgen van het Natuurplan op hernieuwbare energie. Dit gebeurt onder het thema natuurlijke hulpbronnen.

5.5

De indiener vindt dat de eis tot voortdurende verbetering expliciet in de NRD en het MER moet worden behandeld.

Het Natuurplan is gericht op het voldoen aan de herstel- en verbeterverplichting in de Natuurherstelverordening. De beleidsvarianten bevatten beleid dat hier op is gericht. Deze beleidsvarianten worden onderzocht in het MER.

5.6

De indiener vindt dat de NRD onvoldoende concreet is over de betrokkenheid van bedrijven en andere belanghebbenden. Volgens de Natuurherstelverordening moeten zij in alle fasen van het proces tijdig en structureel worden betrokken. Er wordt gevraagd om dit beter te borgen.

De NHV kent opgaven voor alle ecosystemen en raakt daarmee ook de belangen van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zowel in sectoren die direct met natuur werken als daarbuiten. Daarom is het van groot belang om de implementatie van de NHV samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties vorm te geven. In 2025 zijn in alle provincies bijeenkomsten georganiseerd om ambtenaren van gemeenten, waterschappen en provincies vroegtijdig te betrekken en hun kennis te benutten.

Daarnaast zijn enkele brede stakeholderbijeenkomsten georganiseerd. Deze zijn in 2026 voortgezet. Ook is een driewekelijks overleg ingesteld met een vertegenwoordiging van sectoren en maatschappelijke partners. Meer specifiek is de sector duurzame energie uitgenodigd voor het sectoroverleg. Daarmee zijn ook bedrijven in de duurzame energiesector betrokken bij de totstandkoming van het Natuurplan. Op deze wijze worden sectorpartijen meegenomen in ontwikkelingen en belangrijke keuzes rond de implementatie van de NHV. Verslagen van bijeenkomsten zijn in te zien via Natuurherstelverordening | Levend Landschap. Het Ontwerp-Natuurplan wordt samen met het MER in het najaar van 2026 ter inzage gelegd voor het brede publiek.

Zienswijze 6 – Stichting Doggerland

Nr.

Zienswijze

Reactie

6.1

Volgens de indiener moet het MER de oorspronkelijke staat van de natuur als Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) gebruiken. De indiener maakt zich namelijk zorgen dat de HSAO in de NRD het risico van het ‘shifting baseline syndrome’ creëert. Hierbij wordt volgens de indiener de huidige, al verslechterde staat van de natuur als uitgangspunt genomen.

De referentiesituatie in het MER sluit aan bij de mer-systematiek. Hierin wordt de huidige staat van de natuur als uitgangspunt genomen. Daarbij worden ook langjarige trends benoemd.

6.2

De indiener stelt dat een globale en kwalitatieve beschrijving van de huidige situatie onvoldoende recht doet aan de slechte staat van de Noordzee op veel ecologische indicatoren.

Bij het in beeld brengen van de huidige staat van de natuur wordt er aangesloten bij het detailniveau en de schaal van het Natuurplan. Hierbij worden de belangrijkste knelpunten in beeld gebracht.

6.3

Volgens de indiener moeten geplande activiteiten, zoals windparken, militaire uitbreiding, gaswinning en toenemende scheepvaart, worden meegenomen in het MER vanwege hun (mogelijke) negatieve effecten.

De negatieve impact van geplande activiteiten, zoals windparken, militaire uitbreiding, gaswinning en toenemende scheepvaart, is onderdeel van de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO).

6.4

De indiener vindt het bemoedigend dat cumulatieve effecten worden onderzocht, maar stelt dat dit in de praktijk nu onvoldoende gebeurt. Belangrijke effecten van verschillende activiteiten (zoals mijnbouw, visserij, windparken en geluidsoverlast) worden vaak niet gezamenlijk beoordeeld. Het MER moet daarom alle vormen van cumulatieve belasting en vervuiling volledig en systematisch betrekken. Bij onzekerheid of gebrek aan data zou het voorzorgsbeginsel moeten gelden en schadelijke activiteiten niet worden toegestaan.

In de analyse van de effecten in het MER worden ook de cumulatieve effecten beschouwd. Hierbij worden de gezamenlijke effecten van verschillende ontwikkelingen, maatregelen en activiteiten in kaart gebracht.

6.5

De indiener stelt dat de slechte toestand van de Noordzee het gevolg is van bestaand beleid dat schadelijke activiteiten zoals mijnbouw, visserij en verdere industrialisatie blijft toestaan. Voortzetting van dit beleid leidt volgens de indiener tot verdere verslechtering. Er zijn daarom ingrijpende beleidswijzigingen nodig om te voldoen aan nationale en internationale verplichtingen (o.a. Natuurherstelverordening, klimaatdoelen en mensenrechten).

Historisch en huidig gebruik van de Noordzee heeft inderdaad bijgedragen aan de huidige toestand. In lijn met de verplichtingen uit de NHV wordt bezien welke activiteiten in welke vorm kunnen blijven plaatsvinden en waar beperkingen nodig zijn. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar actieve herstelmaatregelen om herstel waar mogelijk te versnellen of in gang te zetten.

6.6

De indiener stelt dat het MER beleidsvarianten moet bevatten die daadwerkelijk bijdragen aan het oplossen van de ecologische problemen van de Noordzee. Volgens de indiener betekent dit bijvoorbeeld het afbouwen van mijnbouw, stoppen met schadelijke visserij en scheepvaart in natuurgebieden, en het uitstellen van nieuwe windparken totdat de ecologische draagkracht dit toelaat.

Historisch en huidig gebruik van de Noordzee heeft inderdaad bijgedragen aan de huidige toestand. In lijn met de verplichtingen uit de NHV wordt bezien welke activiteiten in welke vorm kunnen blijven plaatsvinden en waar beperkingen nodig zijn. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar actieve herstelmaatregelen om herstel waar mogelijk te versnellen of in gang te zetten. In het MER worden per artikel van de Natuurherstelverordening beleidsvarianten opgesteld. Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik.

6.7

De indiener vindt dat de maatregelen in het Natuurplan robuust genoeg moeten zijn om de negatieve effecten van bestaand beleid te compenseren. Volgens de indiener vereist dit in de praktijk ingrijpende beleidswijzigingen, zoals het terugdringen van vervuilende en verstorende activiteiten.

In de robuustheidstoets wordt gekeken welke synergieën en strijdigheden er zijn met bestaand beleid. Hierbij wordt dus ook gekeken in hoeverre het beleid in het Natuurplan strijdig is met ander beleid.

6.8

Het voorkeursalternatief in het MER moet volgens de indiener uitgaan van natuur als leidend uitgangspunt en inzetten op structurele vermindering van drukfactoren. De huidige benadering biedt volgens de indiener namelijk ruimte om noodzakelijke maatregelen uit te sluiten en zet het bestaande, ineffectieve beleid voort.

Bij het bepalen van het voorkeursalternatief spelen meerdere overwegingen een rol, waaronder welk beleid het beste werkt en welke variant de minste nadelen heeft voor de leefomgeving. Het voorkeursalternatief is in lijn met de doelen in de Natuurherstelverordening.

6.9

De indiener stelt dat bij de Passende Beoordeling alle bestaande activiteiten met schadelijke effecten op de Noordzee (zoals scheepvaart, olie- en gaswinning, windparken, zandwinning, defensie en visserij) volledig moeten worden meegenomen.

In het MER wordt bepaald of een plan of project significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.Er is sprake van significante gevolgen als het plan of project het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen bemoeilijkt. Hierbij worden andere, zoals de door u genoemde, activiteiten niet meegenomen.

Zienswijze 7 – Gemeente Montferland en gemeente Enschede

Nr.

Zienswijze

Reactie

7.1

De indiener vraagt om duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden in het Natuurplan, inclusief wie welke taken uitvoert en hoe lagere overheden financieel worden ondersteund.

We werken aan een verdeling van taken en bevoegdheden voor de uitvoering van de NHV.

7.2

De indiener benadrukt dat de uitvoering van het Natuurplan een integrale, gebiedsgerichte aanpak vereist en vraagt om duidelijkheid hoe het plan hier concreet rekening mee houdt.

De implementatie van de NHV is een complexe opgave die gefaseerd wordt uitgevoerd. In het Ontwerp-Natuurplan wordt de opgave geschetst en worden beleidsrichtingen uitgewerkt. Wij onderschrijven het standpunt van de indieners dat de uitvoering van de maatregelen om een integrale, gebiedsgerichte aanpak vraagt. Deze opmerking wordt in de volgende fase ter harte genomen We hebben hierover in de Wederkerige bestuurlijke afspraken tussen Rijk en medeoverheden nadere afspraken over gemaakt. U vindt deze afspraken hier: Staatscourant 2026, 26896 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

7.3

Bij Artikel 8 van de Natuurherstelverordening benadrukt de indiener dat gemeenten tijdig duidelijkheid moeten krijgen over welke gegevens over stedelijk groen (peiljaar 2024) moeten worden aangeleverd en hoe deze gemeten en gewogen worden, zodat dit op een uniforme manier kan gebeuren.

Monitoring van stedelijk groen en boomkroonbedekking vindt plaats op nationaal niveau. Het Rijk neemt deze taak op zich. Gemeenten hoeven hiervoor geen gegevens aan te leveren. In het Ontwerp-Natuurplan wordt gebruikgemaakt van Europese Copernicus-gegevens (satelliet-data). Richting het definitieve Natuurplan zal het Ministerie van VRO bepalen of en welke aanvullende nationale gegevens hieraan worden toegevoegd. In het PBL onderzoek ‘Monitoring groen en boomkroonbedekking’ (Monitoring groen en boomkronen | Planbureau voor de Leefomgeving) is meer informatie te vinden over de opties voor aanvullende data.

7.4

Bij Artikel 8 van de Natuurherstelverordening vraagt de indiener om duidelijkheid over de minimale schaal waarop een stedelijk ecosysteem wordt gedefinieerd, bijvoorbeeld of dit geldt op niveau van gemeente, wijk, buurt of straat.

De minimale afbakening van het stedelijk ecosysteem betreft alleen de stedelijke centra en stedelijke clusters. Stedelijke centra en stedelijke clusters worden geïdentificeerd op basis van de zogenoemde DEGRURBA-systematiek. Deze systematiek maakt gebruik van een raster van 1 x 1 km². De rastercellen worden op basis van een combinatie van inwonertal van de gemeente, bevolkingsdichtheid, geografische nabijheid en aaneengeslotenheid geclassificeerd als gebieden met hoge, gemiddelde of lage bevolkingsdichtheid. De rastercellen met hoge dichtheid (> 1.500 inwoners/km²) worden aangeduid als stedelijke centra; de rastercellen met gemiddelde dichtheid (> 300 inwoners/km²) als stedelijke clusters. Bij de minimale begrenzing gaat het vaak om een gedeelte van de gemeente. In het PBL-onderzoek (2026) (Stedelijke Ecosystemen en Nulmeting Groen | Planbureau voor de Leefomgeving) is meer informatie te vinden over de mogelijkheden voor de begrenzing van het stedelijk ecosysteem.

7.5

Bij Artikel 10 van de Natuurherstelverordening stelt de indiener dat ecologisch bermbeheer kansen biedt voor biodiversiteit, maar dat hierbij rekening moet worden gehouden met andere functies van bermen, zoals verkeersveiligheid, waterafvoer en ondersteuning van infrastructuur.

Ecologisch (berm)beheer is een effectieve maatregel om het leefgebied van bestuivers te verbeteren en de ecologische connectiviteit te bevorderen. Hierbij is inderdaad een belangrijk aandachtspunt dat het ecologisch beheer niet conflicteert met onder andere de veiligheidsvoorschriften of andere gebruiksfuncties.

7.6

De indiener pleit ervoor om bij het aanwijzen van herstel- en natuurgebieden gebruik te maken van lokale gebiedskennis binnen gemeenten, in plaats van dit vooraf top-down op te leggen vanuit landelijke of provinciale overheden.

De implementatie van de NHV is een complexe opgave die gefaseerd wordt uitgevoerd. In het Ontwerp-Natuurplan wordt de opgave geschetst en worden beleidsrichtingen uitgewerkt. Wij onderschrijven het standpunt van de indieners dat de uitvoering van de maatregelen om een integrale, gebiedsgerichte aanpak vraagt. We hebben hierover in de Wederkerige bestuurlijke afspraken tussen Rijk en medeoverheden nadere afspraken over gemaakt. U vindt deze afspraken hier: Staatscourant 2026, 26896 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

7.7

De indiener wijst erop dat herstelplannen flexibel moeten zijn vanwege nieuwe inzichten en veranderingen (zoals klimaatontwikkelingen) tot 2050. Daarom zouden doelen vooral gericht moeten zijn op randvoorwaarden, en minder op vaste doelsoorten die in de tijd kunnen veranderen.

Uit de overwegingen voorafgaand aan de NHV-tekst volgt dat de NHV moet voorzien in regels voor herstel van ecosystemen. Dat kan alleen als de juiste randvoorwaarden voor herstel worden gewaarborgd. Als via verwijzing naar de Vogel- en Habitatrichtlijn aan soorten wordt gewerkt, betreft dat herstel van hun leefgebieden. Het voorkomen van soorten kan in de tijd inderdaad schommelen.

De NHV biedt uitzonderingen op het verslechteringsverbod en het continue verbetergebod indien onvermijdelijke habitattransformaties rechtstreeks het gevolg zijn van klimaatverandering.

7.8

De indiener pleit ervoor dat monitoring in het Natuurplan niet primair gericht moet zijn op doelsoorten, maar op habitats en randvoorwaardelijke maatregelen. De focus moet liggen op inspanningen die biodiversiteit bevorderen, terwijl de ontwikkeling van soorten deels aan de natuur zelf wordt overgelaten. Monitoring van doelsoorten is kostbaar, minder stuurbaar en moet vooral door landelijke en wetenschappelijke partijen worden uitgevoerd, niet door lagere overheden.

De NHV stelt vereisten aan de monitoring van zowel soorten als habitattypen. Voor beide worden daarom bestaande meetnetten versterkt en wordt waar nodig nieuwe monitoring georganiseerd. De monitoring is dus niet beperkt tot populaties van soorten. Vanuit de NHV gelden ook rapportageverplichtingen voor soortenmonitoring, bijvoorbeeld voor boerenlandvogels, bosvogels, graslandvlinders en andere bestuivers.

7.9

De indiener benadrukt dat participatie belangrijk is, maar waarschuwt dat een sterke focus van natuurorganisaties op doelsoorten kan leiden tot te gedetailleerde en complexe regelgeving die in de praktijk slecht uitvoerbaar en ineffectief is. Het Natuurplan moet voorkomen dat het verzandt in dergelijke regels en juist ruimte houden voor effectieve, grootschalige biodiversiteitsverbetering.

Natuurorganisaties vragen vaak juist aandacht voor grootschalige biodiversiteitsverbetering en natuurherstel. De NHV-doelen staan vast, maar Nederland heeft ruimte bij de wijze waarop deze doelen worden behaald. In het Natuurplan wordt gewerkt met doelen die stapsgewijs bijdragen aan het herstel van ecosystemen. Ook worden medeoverheden, natuurorganisaties, de landbouw en andere belanghebbenden betrokken om concrete afspraken te maken over effectieve uitvoering. Er is een driewekelijks overleg ingesteld met een vertegenwoordiging van sectoren en maatschappelijke partners. Op deze wijze worden sectorpartijen meegenomen in ontwikkelingen en belangrijke keuzes rond de implementatie van de NHV. Complexe regelgeving kan het gevolg zijn van een politiek proces waarin verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen.

7.10

De indiener vindt het onderscheid tussen bestaand en nieuw beleid begrijpelijk, maar waarschuwt dat dit er niet toe mag leiden dat binnen bestaande omgevingsplannen tot 2050 geen ruimte is voor biodiversiteitsherstel. Er wordt gepleit voor regelgeving die ook binnen bestaande bestemmingen stapsgewijs herstel mogelijk maakt.

Bedankt voor deze suggestie. Dit wordt meegenomen in de nadere uitwerking.

7.11

De indiener vraagt waarom het MER en het Natuurplan alleen op het Europese deel worden gericht en pleit ervoor om ook de overzeese gebieden mee te nemen, omdat daar eveneens grote biodiversiteitsuitdagingen spelen.

Uit artikel 2 van de Natuurherstelverordening volgt dat de verordening uitsluitend van toepassing op ecosystemen op het Europese grondgebied van de lidstaten. Daarom richt het Natuurplan zich alleen op het Europese deel van Nederland. Voor Caribisch Nederland is een Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 opgesteld, waarin onder andere de biodiversiteitsuitdagingen in die regio worden besproken.

7.12

De indiener stelt dat de robuustheidstoets meer aandacht moet geven aan landbouwbeleid, omdat veel natuurmaatregelen impact hebben op het agrarisch gebied.

De cumulatieve effecten van bestaand beleid worden in beeld gebracht. Het MER besteedt onder het kopje economische effecten integraal aandacht aan de landbouw.

7.13

De indiener pleit voor een aanpak die boeren ondersteunt met aantrekkelijke en duurzame alternatieven in plaats van extra verplichtingen. Volgens de indiener moet het Natuurplan bijdragen aan een bredere transitie naar duurzame landbouw, waarbij biodiversiteit niet alleen in natuurgebieden maar ook in landbouw- en bebouwd gebied wordt versterkt, zodat de druk op beschermde natuur afneemt en meer samenhang ontstaat.

Bedankt voor deze suggestie. Dit is een aandachtspunt dat wordt meegenomen in het MER en het opstellen van het definitieve Natuurplan. Onderdeel van het MER zijn aanbevelingen hoe er samen met de agrarische sector kan worden gewerkt aan de doelen van de NHV.

Zienswijze 8 – Stichting het Wereld Natuur Fonds Nederland

Nr.

Zienswijze

Reactie

8.1

De indiener vindt dat de NRD onvoldoende basis biedt voor een goede MER-toetsing, doordat concrete beleidsvarianten en een wetenschappelijk onderbouwd referentiescenario ontbreken. Hierdoor dreigt het MER bestaande keuzes te legitimeren in plaats van deze te beoordelen. Daarnaast kunnen noodzakelijke maatregelen buiten beeld blijven. De indiener vraagt om beleidsvarianten en het referentiescenario vooraf apart uit te werken en tussentijds te laten toetsen.

De beleidsvarianten en de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) (referentiekader) worden uitgewerkt in het MER. Het detailniveau daarvan sluit aan bij dat van het Natuurplan. Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik. Daarbij wordt gekeken naar varianten, ook welke minder voor de hand liggend zijn. Hierdoor brengen de beleidsvarianten het gehele 'speelveld' om tot doelbereik te komen in kaart. Dat betekent ook dat beleidsvarianten die maatschappelijk of bestuurlijk gevoelig liggen niet worden gemeden.

8.2

De indiener stelt dat de NRD onvoldoende aandacht besteedt aan de onderliggende oorzaken van natuurachteruitgang, zoals stikstof, verdroging, pesticiden en versnippering. Deze drukfactoren moeten als aparte en verplichte beoordelingscriteria in het MER worden opgenomen, zodat per beleidsvariant duidelijk wordt in hoeverre deze de oorzaken van achteruitgang daadwerkelijk aanpakt.

De genoemde oorzaken zijn geen apart onderdeel van de NRD. In de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) van het MER komen de onderliggende oorzaken van natuurachteruitgang zoals stikstof, verdroging en versnippering aan de orde onder het thema Natuur. Vervolgens beschouwt de effectbeoordeling in hoeverre de beleidsvarianten gevolgen hebben voor de genoemde aspecten.

8.3

De indiener stelt dat de NRD onvoldoende onderscheid maakt tussen systeemmaatregelen (zoals het aanpakken van stikstof en waterkwaliteit) en locatiegerichte herstelmaatregelen. Omdat systeemmaatregelen essentieel zijn voor effectief natuurherstel, moet het MER expliciet de samenhang en afhankelijkheid tussen beide typen maatregelen beoordelen en inzichtelijk maken of doelstellingen zonder systeemmaatregelen haalbaar zijn.

In het MER komen zowel systeemmaatregelen als locatiegerichte maatregelen aan de orde. De afweging tussen beide soorten maatregelen is onderdeel van een aantal varianten.

8.4

De indiener stelt dat het verslechteringsverbod uit de Natuurherstelverordening onvoldoende wordt meegenomen in de NRD. Dit verbod is juridisch essentieel en moet als afzonderlijk en verplicht toetsingscriterium in het MER worden opgenomen, waarbij per beleidsvariant wordt beoordeeld of verslechtering daadwerkelijk wordt voorkomen en hoe dit juridisch wordt geborgd.

In het MER komt het verslechteringsverbod aan de orde bij de onderdelen doelbereik of effectbeoordeling.

8.5

De indiener stelt dat het MER naast het beleidsvoornemen en de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) ook een doelbereikscenario moet bevatten dat laat zien welke maatregelen ecologisch nodig zijn om de doelen van de Natuurherstelverordening te halen. Dit is nodig om inzicht te krijgen in de kloof tussen huidig beleid en wat daadwerkelijk vereist is voor doelbereik.

In stap 4 van het MER worden de beleidsvarianten per artikel in de Natuurherstelverordening beoordeeld op doelbereik. Hier wordt beoordeeld in hoeverre de doelen van het Natuurplan worden bereikt door per artikel beleidsvarianten op hoofdlijnen te toetsen op doelbereik. Daarbij wordt via een realiteitscheck rekening gehouden met botsende belangen, uitvoeringsuitdagingen en risico’s. Wanneer doelen niet worden gehaald, kunnen varianten worden bijgesteld en worden aanvullende maatregelen benoemd. De toetsing richt zich op de per artikel uitgewerkte doelen, afgeleid van de Natuurherstelverordening, en op de overkoepelende doelen zoals ecosysteemherstel, klimaatdoelen, voedselzekerheid en internationale verplichtingen. De beoordeling is voornamelijk kwalitatief en waar mogelijk kwantitatief.

8.6

De indiener vindt dat de doelbereiktoets in de NRD onvoldoende is uitgewerkt omdat deze vooral kwalitatief is. Gezien de concrete, kwantitatieve doelen uit de Natuurherstelverordening moet het MER zoveel mogelijk kwantitatief onderbouwen, met concrete oppervlaktes en doelwaarden per ecosysteem, gebaseerd op wetenschappelijke gegevens. Onzekerheden en kennisleemten moeten daarbij expliciet worden benoemd.

De doelbereiktoets in het MER is met name kwalitatief. Wanneer kwantitatieve informatie beschikbaar is, wordt deze gebruikt in het MER.

8.7

De indiener stelt dat financiering en duidelijke bestuurlijke verantwoordelijkheden essentieel zijn voor de uitvoerbaarheid van het Natuurplan, maar onvoldoende worden meegenomen in de NRD. Daarom moeten deze expliciet worden opgenomen in de robuustheidstoets, waarbij per beleidsvariant wordt beoordeeld of voldoende middelen en heldere verantwoordelijkheden zijn geborgd.

In het MER wordt beoordeeld in hoeverre de doelen van het Natuurplan worden bereikt. Het MER richt zich niet primair op uitvoerbaarheid. De sociaaleconomische impactanalyse gaat op hoofdlijnen in op dit soort aspecten.

8.8

De indiener stelt dat nature-based solutions (NBS) momenteel ontbreken in de NRD, terwijl ze belangrijk zijn voor klimaat, biodiversiteit en andere maatschappelijke doelen. Daarom moeten NBS expliciet worden meegenomen in het MER en per beleidsvariant worden beoordeeld op hun bijdrage en meerwaarde ten opzichte van traditionele maatregelen.

Het beoordelen van beleidsvarianten op nature-based solutions valt buiten de scope van het MER.

Zienswijze 9 – Gemeente Zeist

Nr.

Zienswijze

Reactie

9.1

De indiener stelt dat gemeenten zoals gemeente Zeist extra natuurdoelen moeten realiseren met beperkte middelen. Daarom moet in het MER expliciet worden meegenomen of de rol van gemeenten haalbaar is, gegeven de beschikbare budgetten en capaciteit.

In het MER wordt beoordeeld in hoeverre de doelen van het Natuurplan worden bereikt. In de Wederkerige bestuurlijke afspraken tussen Rijk en medeoverheden worden afspraken gemaakt die beogen bij te dragen aan een gezamenlijke, uitvoerbare en voorspelbare aanpak, waarbij helderheid wordt geboden over eenieders inzet in het proces om tot uitvoeringswetgeving, het definitieve Natuurplan en de uitvoering daarvan te komen.

9.2

De indiener geeft aan dat de gemeente Zeist al werkt aan natuur via instrumenten zoals een soortenmanagementplan en biodiversiteitsbeleid, maar dat dit afhankelijk is van tijdelijke subsidies. Voor het behalen van de doelen uit het Natuurplan zijn structurele middelen, duidelijke verwachtingen en aanvullende instrumenten nodig. Het MER zou moeten onderzoeken of bestaande aanpakken voldoende zijn of dat extra maatregelen en ondersteuning vereist zijn.

Om uiteindelijk tot een gedragen en uitvoerbaar Natuurplan te komen, is het van belang om wederkerige bestuurlijke afspraken te maken tussen het Rijk en medeoverheden over de invulling van taken, rollen en verantwoordelijkheden, te nemen maatregelen, het beschikbare instrumentarium, monitoring, evaluatie en financiering. We hebben hierover in de Wederkerige bestuurlijke afspraken tussen Rijk en medeoverheden nadere afspraken over gemaakt. U vindt deze afspraken hier: Staatscourant 2026, 26896 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

Monitoring van stedelijk groen en boomkroonbedekking vindt plaats op nationaal niveau. Het Rijk neemt deze taak op zich. Gemeenten hoeven hiervoor geen gegevens aan te leveren.

Bij de vaststelling van het Ontwerp-Natuurplan en de internetconsultatie van het wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet worden afspraken gemaakt over randvoorwaarden bij effectuering van wetgeving en de stappen die partijen zetten tot aan het definitieve Natuurplan. Deze afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat partijen ergens aan worden gehouden zonder dat de randvoorwaarden zijn ingeregeld en bestuurlijk zijn afgesproken. Vervolgens moet worden toegewerkt naar definitieve bestuurlijke afspraken om invulling te geven aan de Natuurherstelverordening. Voorzien wordt om deze definitieve afspraken samen te laten lopen met de hernieuwde afspraken in het kader van het Natuurpact voor na 2027.

Haalbaarheid voor gemeenten is onderdeel van het MER bij de doelbereiktoets. De haalbaarheid voor gemeenten heeft immers invloed op de uitvoering van het Natuurplan.

9.3

De indiener stelt dat gemeenten op projectniveau moeite hebben om natuurverlies volledig lokaal te compenseren. Daarom wordt gepleit voor een natuurcompensatiebank, zodat compensatie eventueel buiten de gemeentegrenzen kan plaatsvinden en natuurverslechtering alsnog wordt voorkomen.

Zie hiervoor het antwoord bij 9.2.

9.4

De indiener stelt dat uniforme landelijke regelgeving voor natuurinclusief bouwen wenselijk is, zodat eisen niet per regio verschillen. Dit maakt bouwprocessen volgens de indiener efficiënter, goedkoper en zorgt ervoor dat natuur in alle projecten consistent wordt meegenomen. De indiener vraagt om dit als scenario in het MER te onderzoeken.

Bedankt voor de suggestie. Dit wordt geen onderdeel van de beleidsvarianten, omdat de beleidsvarianten zijn gebaseerd op afwegingen op strategisch niveau. Mogelijk wordt deze suggestie meegenomen als aanbeveling voor de verdere uitwerking.

9.5

De indiener stelt dat binnen gemeentelijke vergunningverlening sterker op natuur gestuurd kan worden door duidelijke en haalbare kaders, zoals groennormen en regels voor behoud en compensatie van bomen. Zo wordt vergroening structureel meegenomen in plannen en budgetten, in plaats van als optionele maatregel. Dit aspect moet worden meegenomen in de scenario’s van het MER.

Bedankt voor de suggestie. Het sterker sturen op natuur binnen gemeentelijke vergunningverlening wordt geen onderdeel van de beleidsvarianten. Dit wordt onderdeel van de verdere uitwerking van het Natuurplan. Maatregelen en borging hiervan worden verder uitgewerkt richting het definitieve Natuurplan.

9.6

De indiener vindt dat het MER de alternatieven breder moet onderzoeken dan alleen beleidsvarianten voor natuurherstel. Ook de effecten op andere ruimtelijke belangen, zoals woningbouw, moeten expliciet worden meegenomen, zodat een goede integrale afweging van schaarse ruimte mogelijk is.

De beleidsvarianten zijn gericht op het halen van de doelen van de Natuurherstelverordening. De effecten van de beleidsvarianten op verschillende milieuthema's (zoals woonomgeving) worden op strategisch niveau onderzocht tijdens de effectbeoordeling De impact op andere ruimtelijke belangen nemen we mee in het ontwerpend onderzoek voor artikel 8 naar de begrenzing van stedelijke ecosystemen.

9.7

De indiener vraagt om te verduidelijken dat het niet meenemen van (nog niet uitgewerkt of zichtbaar) bestaand beleid in de effectbeoordeling geen vertekend beeld geeft, aangezien bestaand beleid onderdeel is van de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO).

Bestaand beleid wordt opgenomen in een beleidskader in het MER. De belangrijkste trends zijn opgenomen in de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO).

9.8

De indiener vindt dat het detailniveau van het MER onvoldoende is uitgewerkt. Het MER moet effecten en drukfactoren op een voldoende concreet (regionaal en provinciaal) niveau kwantificeren, zodat gemeenten deze informatie direct kunnen gebruiken voor ruimtelijke besluitvorming zonder aanvullend onderzoek.

De inhoud van het Natuurplan bepaalt het detailniveau dat wordt gehanteerd in het MER. Het detailniveau van het Ontwerp-Natuurplan was ten tijde van het opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau nog onvoldoende bekend.

9.9

De indiener stelt dat de reikwijdte van het MER onvoldoende concreet is uitgewerkt. Hoewel er mogelijk al sectorinformatie is verzameld, wordt dit niet zichtbaar vertaald naar duidelijke, toetsbare kaders en onderzoeksvragen. Hierdoor blijft de NRD te abstract en bestaat de zorg dat beschikbare data niet optimaal wordt benut voor gerichte analyses per regio of gebied.

De opgehaalde sectorinformatie is opgenomen in het Ontwerp-Natuurplan. Daarnaast is het ook benut voor het opstellen van het beleidskader en het opstellen van het MER.

9.10

De indiener stelt dat monitoring een essentieel onderdeel van het MER is, maar onvoldoende is uitgewerkt in de NRD. De indiener vraagt om een concreet monitoringsprotocol op te nemen, inclusief relevante indicatoren op gemeentelijk niveau en duidelijkheid over de verdeling van uitvoeringslasten.

In het MER wordt een hoofdstuk monitoring en evaluatie opgenomen waarin een voorstel wordt gedaan voor de gewenste monitoringsnetwerken voor het monitoren van de (positieve en negatieve) effecten van het Natuurplan. Via monitoring wordt uiteindelijk de effectiviteit van de genomen maatregelen gevolgd. Dit kan leiden tot bijsturing van het beleid. De voorgestelde monitoring sluit aan op de monitoring van het Natuurplan en bij bestaande monitoringsnetwerken.

Zienswijze 10 – Gemeente Bunschoten

Nr.

Zienswijze

Reactie

10.1

De indiener geeft aan dat gemeenten een belangrijke rol hebben bij het behalen van natuurdoelen, maar dat dit extra taken met zich meebrengt. Hiervoor zijn aanvullende middelen en instrumenten noodzakelijk om de uitvoering haalbaar te maken.

Om uiteindelijk tot een gedragen en uitvoerbaar Natuurplan te komen, is het van belang om wederkerige bestuurlijke afspraken te maken tussen het Rijk en medeoverheden over de invulling van taken, rollen en verantwoordelijkheden, te nemen maatregelen, het beschikbare instrumentarium, monitoring, evaluatie en financiering. Bij de vaststelling van het Ontwerp-Natuurplan en de internetconsultatie van het wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet worden afspraken gemaakt over randvoorwaarden bij effectuering van wetgeving en de stappen die partijen zetten tot aan het definitieve Natuurplan. Deze afspraken worden gemaakt om te voorkomen dat partijen ergens aan worden gehouden zonder dat de randvoorwaarden zijn ingeregeld en bestuurlijk zijn afgesproken. Vervolgens moet worden toegewerkt naar definitieve bestuurlijke afspraken om invulling te geven aan de Natuurherstelverordening. Voorzien wordt om deze definitieve afspraken samen te laten lopen met de hernieuwde afspraken in het kader van het Natuurpact voor na 2027.

10.2

De indiener maakt zich zorgen over de economische gevolgen van natuurdoelen in het buitengebied, zoals vernatting van veenweidegebieden, en vraagt om in de scenario’s rekening te houden met de verdienmodellen van agrarische bedrijven.

In het MER wordt bij de effectbeoordeling voor iedere beleidsvariant bekeken wat het effect is op de landbouw en voedselzekerheid.

Het beoordelen van de effecten van de beleidsvarianten op het verdienvermogen van specifieke agrarische bedrijven valt buiten de scope van dit MER. Wel worden de gevolgen voor de landbouwsector in algemene zin in beeld gebracht. Het aantal bedrijven en gemiddelde inkomsten per bedrijf komen hierbij aan de orde.

10.3

De indiener stelt dat het op projectniveau moeilijk is om natuurverlies volledig binnen het plangebied te compenseren. Daarom is een vangnet nodig voor compensatie buiten het projectgebied, zodat natuurdoelstellingen toch gehaald kunnen worden.

Zie hiervoor het antwoord bij 10.2.

10.4

De indiener vraagt om de alternatieven in het MER breder te maken dan alleen natuurherstelmaatregelen. Hierdoor kunnen ook andere ruimtelijke belangen worden meegenomen en is een integrale afweging over de schaarse ruimte mogelijk.

De beleidsvarianten zijn gericht op het behalen van de doelen van de Natuurherstelverordening. De effecten van de beleidsvarianten op verschillende milieuthema's (zoals woonomgeving) worden op strategisch niveau onderzocht in de effectbeoordeling.

Zienswijze 11 – Unie van Waterschappen

Nr.

Zienswijze

Reactie

11.1

De indiener zet vraagtekens bij de toetsbaarheid van het MER, omdat het Natuurplan nog in een vroege en weinig concrete fase zit en onduidelijk is waarop precies wordt getoetst en of er realistische alternatieven zijn. De indiener vraagt om duidelijkheid over het eventueel later herhalen of aanvullen van het MER wanneer het plan verder is uitgewerkt.

Het Natuurplan wordt, in lijn met de systematiek van de Natuurherstelverordening, vastgesteld als een verplicht programma onder de Omgevingswet. De maatregelen die in het kader van het Natuurplan worden uitgewerkt, kunnen gevolgen hebben voor het milieu. Om deze mogelijke effecten zorgvuldig in kaart te brengen, wordt een milieueffectrapport (MER) opgesteld.

De uitvoering van de Natuurherstelverordening kan daarnaast gevolgen hebben voor de leefomgeving en voor sociaaleconomische ontwikkelingen. Het is van belang om deze effecten inzichtelijk te maken en belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Op basis van deze informatie kan het kabinet een zorgvuldige en goed onderbouwde afweging maken bij de vaststelling van het definitieve Natuurplan.

Afhankelijk van de vraag of er sprake is van fundamentele wijzigingen in het definitieve Natuurplan en de mate van concretisering wordt besloten of, wanneer en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de genoemde fase 2 van het MER en daarbij de toetsbaarheid

11.2

De indiener stelt dat het MER in de NRD wordt gekoppeld aan een Ontwerp-Natuurplan dat zich nog in een vroege en weinig concrete fase bevindt. Bij de indiener roept dit vragen op over de toetsbaarheid, volledigheid en realiteitswaarde van het MER in deze fase. Het is onduidelijk waarop getoetst wordt in het MER.

Het MER beoordeelt de beleidsvarianten op milieueffecten uit het Rad van de Leefomgeving. Verder is sprake van een plan dat met name strategische richtingen bevat.

11.3

De indiener stelt dat water en bodem onvoldoende als sturende randvoorwaarden in de NRD zijn opgenomen, terwijl ze cruciaal zijn voor natuurherstel. Er wordt gevraagd om deze expliciet mee te nemen bij beleidsvarianten en om mogelijke conflicten met bijvoorbeeld waterveiligheid en waterbeheer duidelijk te analyseren.

Het thema natuurlijke systemen is onderdeel van het Rad van de Leefomgeving. Het principe water en bodem sturend komt in meerdere thema's uit het Rad van de Leefomgeving naar voren. Water en bodem sturend is niet expliciet de basis geweest voor het vormen van de beleidsvarianten. Sommige beleidsvarianten zijn wel in lijn met de principes van water en bodem sturend.

11.4

De indiener vraagt om meer duidelijkheid over de juridische doorwerking van het Natuurplan naar provincies, gemeenten en waterschappen, inclusief de gevolgen voor hun taken en bevoegdheden. Ook moet inzicht worden gegeven in de impact van het verslechteringsverbod en de risico’s voor uitvoering, met name voor waterbeheer. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de stapeling van opgaven en de uitvoerbaarheid daarvan in samenhang.

In de uitvoeringswetgeving voor de NHV worden taken, bevoegdheden en instrumenten verdeeld over de verschillende bestuursorganen, zodat duidelijk is wie bijvoorbeeld welke maatregelen neemt en in welke gebieden. Met een uitvoeringstoets bij de AMvB wordt de verdere impact op de uitvoering onderzocht. De juridische uitwerking van het verslechteringsverbod vindt eveneens plaats in de uitvoeringswetgeving. Het treffen van maatregelen vormt daar een belangrijk onderdeel van en zal in het Natuurplan en in de gebieden tot uitvoering moeten worden gebracht.

11.5

De indiener wijst op onduidelijkheden in de NRD over de beleidsvarianten: het is niet helder of deze moeten voldoen aan de doelen uit de Natuurherstelverordening of alleen worden beoordeeld op hun bijdrage daaraan. Ook is onduidelijk welk beoordelingskader wordt gebruikt, namelijk alleen het Rad van de Leefomgeving of ook een directe toetsing aan de verplichtingen van de Natuurherstelverordening.

Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik. Om de effecten van de beleidsvarianten op de leefomgeving te bepalen wordt het Rad van de Leefomgeving gebruikt. De verplichtingen van de Natuurherstelverordening bepalen het doelbereik.

11.6

De indiener stelt dat de NRD onvoldoende aandacht besteedt aan de stapeling van ruimteclaims en beleid, terwijl de druk op grond in Nederland groot is. Het MER moet daarom cumulatieve effecten beter inzichtelijk maken, duidelijk maken welke functies onder druk komen te staan en aandacht besteden aan sociaaleconomische gevolgen zoals kosten, planschade en verdienmodellen.

In de analyse van de cumulatieve effecten en de robuustheidstoets van het MER komt de stapeling van ruimteclaims aan de orde. In de cumulatieve toets wordt gekeken naar de gezamenlijke impact van meerdere nationale programma's op ruimtegebruik. De robuustheidstoets beschouwt vervolgens of het overige beleid leidt tot mogelijke knelpunten of aandachtspunten of juist tot synergie.

Zienswijze 12 – Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Nr.

Zienswijze

Reactie

12.1

De indiener geeft in vijf stappen weer hoe het thema cultureel erfgoed meegenomen dient te worden in het MER. Volgens de indiener zijn vooral de derde en daaropvolgende stappen belangrijk. De derde stap voorziet in bronnen waarmee de inventarisatie van bestaand cultureel erfgoed kan worden bepaald. In de vierde stap geeft de indiener aan dat het voor dit MER-onderzoek niet nodig is om cultureel erfgoed apart te waarderen, omdat de bestaande waarderingen van het cultureel erfgoed zijn gebaseerd op (inter)nationale criteria. Vervolgens geeft de indiener in stap vijf aan hoe de afzonderlijke artikelen invloed kunnen hebben op cultureel erfgoed.

Bedankt voor het onder de aandacht brengen van deze vijf stappen. Bij het opstellen van het MER wordt hiervan gebruikgemaakt. Bij de inventarisatie van cultureel erfgoed wordt bijvoorbeeld gebruikgemaakt van de bronnen die worden genoemd bij stap 3. In het bijzonder wordt veelvuldig gebruikgemaakt van de Erfgoedatlas. De suggesties over effecten op cultureel erfgoed die bij stap 5 worden gedaan, worden meegenomen in de effectbeoordeling.

12.2

De indiener verwijst naar een drietal handreikingen die inzicht geven in de manier waarop er bij het opstellen van het Natuurplan rekening kan worden gehouden met cultureel erfgoed.

Bedankt voor deze suggestie. De handreikingen worden gebruikt bij het opstellen van het MER en het Natuurplan.

12.3

Volgens de indiener kan het Rad van de Leefomgeving zoals dat in het MER bij de Nota Ruimte is gehanteerd het thema cultureel erfgoed beter meenemen.

Bedankt voor de aanbeveling. Er wordt onderzocht of dit mogelijk is.

Zienswijze 13 – Particulier 1

Nr.

Zienswijze

Reactie

13.1

De indiener vraagt zich af of het uitvoeren van een nulmeting ook onderdeel is van de monitoring zoals beschreven in paragraaf 2.2.

De NHV schrijft voor elke indicator voor op welk moment de monitoring moet starten. De gemeten waarde bij aanvang van de monitoring betreft de basislijn. Omdat voor diverse indicatoren momenteel aanvullende monitoring wordt geïmplementeerd, kan de basislijn (behalve voor artikel 4) pas worden vastgesteld wanneer deze monitoring is gestart.

13.2

De indiener stelt dat het iteratieve proces om het Natuurplan steeds te baseren op de meest recente input van de EU niet aan de orde is, maar slechts een formaliteit is.

LVVN legt verantwoording af aan de EU over geplande maatregelen en deelt met de EU ook de resultaten van voortdurende monitoring. Europese wetgeving heeft directe werking in de lidstaten en de opgave die daaruit voortvloeit is dus meer dan een formaliteit.

13.3

In de laatste alinea van paragraaf 2.3 van de NRD staat ‘De doelen van het Natuurplan volgen rechtstreeks uit de Europese Natuurherstelverordening. Deze doelen zijn gekoppeld aan specifieke artikelen en ecosystemen en bevatten bindende termijnen voor 2030, 2040 en 2050. Hieronder staat een beknopt overzicht (zie tabel 2.1) en in bijlage 1 staat een uitgebreid overzicht van de artikelen en de doelen per artikel.’

De indiener merkt hierbij op dat er aan de doelen uit de Natuurherstelverordening naast bindende termijnen voor 2030, 2040 en 2050 ook bindende vooruitgang uitgedrukt in procenten, oppervlakten, lengtes, aantallen of kwalitatieve indexen gekoppeld zijn. De indiener verzoekt om dit toe te voegen aan de NRD.

Bedankt voor de opmerking. Deze wordt betrokken bij het opstellen van het MER.

13.4

Bij paragraaf 3.1 van de NRD verzoekt de indiener om een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) op te nemen voor het Natuurplan. Zo’n analyse kan inzicht geven in de economische en maatschappelijke effecten van verschillende alternatieven, waaronder voordelen zoals betere luchtkwaliteit, minder gezondheidsklachten en hogere levenskwaliteit.

Het MER toetst de verschillende beleidsvarianten op effecten op de leefomgeving. Hierbij komen de thema's uit het Rad van de Leefomgeving aan de orde, waaronder het thema welzijn. In het MER wordt geen MKBA opgenomen. Wel is door Witteveen+Bos een sociaaleconomische impactanalyse opgesteld bij het Ontwerp-Natuurplan.

13.5

De indiener stelt dat de NRD onvolledig en daarmee feitelijk niet rechtsgeldig is omdat de te onderzoeken beleidsvarianten ontbreken. De indiener verzoekt om eerst een volwaardige NRD op te stellen en deze opnieuw ter inzage te leggen.

De NRD is vormvrij en is een optionele stap tot het plan-MER. Daarom leidt het ontbreken van uitgewerkte beleidsvarianten niet tot het opnieuw ter inzage leggen van de NRD.

13.6

Bij het kader onderaan paragraaf 4.3 stelt de indiener dat de huidige benadering van beleidsvarianten te weinig inhoudelijk onderscheidend is en te veel gericht lijkt op praktische overwegingen zoals kosten, tijd of eenvoud, waardoor de doelen van de Natuurherstelverordening worden ondermijnd. In plaats daarvan zouden duidelijke, inhoudelijk verschillende beleidsvarianten moeten worden onderzocht, zoals procesgerichte natuur (rewilding), beheergerichte natuurontwikkeling of een integrale combinatie daarvan. Alleen met zulke onderscheidende varianten kan het MER de milieueffecten goed en transparant toetsen ten opzichte van de doelen van de Natuurherstelverordening.

Een belangrijk criterium voor de beleidsvarianten is dat zij bijdragen aan doelbereik. Daarnaast dienen de beleidsvarianten realistisch van aard te zijn, zonder dat zij zijn gebaseerd op politieke overwegingen of gevoeligheden. Het is mogelijk om in het MER ook alternatieve of verdergaande opties te verkennen. Daarnaast hebben de varianten raakvlakken met de leefomgeving en brengen zij ruimtelijke gevolgen met zich mee. Ze richten zich op de belangrijkste keuzes die gemaakt moeten worden voor het definitieve Natuurplan. Waar relevant wordt in de uitwerking van de varianten ook aandacht besteed aan de bijbehorende sturingsmechanismen en instrumenten.

Praktische overwegingen zoals kosten, tijd en eenvoud zijn dus niet leidend bij het opstellen van de beleidsvarianten.

13.7

De indiener heeft verschillende opmerkingen over tabel 4.1. Bij de nadere uitwerking van natuurlijke systemen ontbreekt volgens de indiener bijvoorbeeld de balans in natuurlijke nutriëntenkringlopen. Daarnaast ontbreken bij de nadere uitwerking van landschap en openbare ruimte ruimtelijke kwaliteit en natuurlijkheid. Ook vindt de indiener economische vitaliteit een slecht gekozen thema, omdat economische ontwikkelingsdrang volgens de indiener juist heeft gezorgd voor slechte natuurkwaliteit.

De onderdelen die volgens de indiener ontbreken, komen gedeeltelijk terug in het MER. Ruimtelijke kwaliteit wordt bijvoorbeeld beschreven bij het onderdeel waardevolle landschappen en openbare ruimte. Daarnaast is het onderzoeken van de effecten van het Natuurplan op economische vitaliteit relevant voor het maken van een goede afweging.

Zienswijze 14 – Particulier 2

Nr.

Zienswijze

Reactie

14.1

De indiener stelt dat de naam ‘Natuurplan’ miskent dat de natuur in Nederland hersteld moet worden. Het zou volgens de indiener daarom beter zijn om te spreken van ‘Natuurherstelplan’.

De EU-verordening waaruit het Natuurplan voortvloeit, heet Nature Restoration Regulation; in de Nederlandse vertaling: Natuurherstelverordening. Het staat landen vrij om een werktitel aan het plan te geven. De NHV-tekst spreekt van nationale herstelplannen.

14.2

De indiener vraagt zich af of het wel mogelijk is om goed rekening te houden met de resultaten van het MER bij het opstellen van het Natuurplan. Dit komt doordat de NRD kort voor de publicatie van het concept Natuurplan is gepubliceerd.

Het MER wordt ingezet als strategisch instrument om de besluitvorming over het definitieve Natuurplan te ondersteunen en de mogelijke gevolgen voor de leefomgeving voor een breed publiek inzichtelijk te maken. Het MER is er expliciet op gericht bruikbare aanbevelingen te formuleren voor de verdere uitwerking in de fase tussen het Ontwerp-Natuurplan en het definitieve Natuurplan, en zo nodig ook voor de langere termijn. HHet krappe tijdpad, de brede scope en de complexiteit van de verordening vragen om een efficiënt ingerichte werkwijze.

14.3

De indiener merkt bij pagina 16 van de NRD op dat een NRD het detailniveau van het MER juist moet aangeven. “De inhoud van het Natuurplan bepaalt het detailniveau dat wordt gehanteerd in het MER. Het detailniveau is nu nog niet bekend, en wordt in het MER nader toegelicht.” Er is nu geen (tijdige) inspraak mogelijk op dit punt.

Het detailniveau van het MER sluit aan bij dat van het Natuurplan. Dat betekent dat de effectbeoordeling sectorbreed is. Hierbij wordt bijvoorbeeld niet ingezoomd op effecten op lokaal niveau. De mogelijkheid om feedback op het detailniveau te geven bestond tijdens de inzagetermijn van de NRD.

Advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage over de NRD

De minister heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over de inhoud van het op te stellen MER. Op 19 mei 2026 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage advies uitgebracht over de reikwijdte en het detailniveau van het MER voor het Natuurplan, waarmee Nederland invulling geeft aan de Europese Natuurherstelverordening. Dit advies richt zich op het MER bij het Ontwerp-Natuurplan en vormt de eerste fase van een breder mer-traject, waarin later nog een nadere uitwerking volgt voor het definitieve Natuurplan. In de kern stelt de Commissie dat het plan-MER inzicht moet bieden in de strategische keuzes en richtinggevende kaders die nodig zijn om de hersteldoelen te realiseren, waarbij een duidelijke koppeling met de doelen van de verordening centraal staat. Daarbij is het essentieel dat de restopgave helder wordt bepaald, beleidsvarianten realistisch sturen op doelbereik en de effectbeoordeling transparant en navolgbaar wordt uitgewerkt. Daarmee biedt hoofdstuk 1 van het advies vooral de hoofdlijnen en kernboodschap van het advies, terwijl in de daaropvolgende hoofdstukken de verschillende onderdelen en aanbevelingen verder worden verdiept en concreet uitgewerkt.

In onderstaande tabel is het advies van de Commissie mer samengevat en wordt aangegeven hoe dit in het plan-MER wordt verwerkt.

Plek in het advies (paragraaf, pag. nr.)

Advies

Wijze van verwerken in het MER (en waar terug te vinden)

§ 2.4

De commissie mer adviseert bij fundamentele wijzigingen het MER aan te vullen. In principe heeft een ontwerpplan dezelfde reikwijdte en detailniveau als het definitieve plan. In het geval van het Ontwerp-Natuurplan en het Natuurplan is dat mogelijk niet het geval. Na afronding van de ontwerpfase en nadat er voldoende duidelijkheid bestaat over de te treffen concrete maatregelen, kan het MER nader worden ingevuld en geheel worden afgestemd op het definitieve Natuurplan. De Commissie ziet dat als de tweede fase van het mer-traject

Afhankelijk van de vraag of er sprake is van fundamentele wijzigingen in het definitieve Natuurplan en de mate van concretisering wordt besloten of, wanneer en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de genoemde fase 2 van het MER.

§ 2.1

Herkenbaar aansluiten bij de doelen uit de Natuurherstelverordening. Maak in het MER een herkenbare koppeling met de doelen uit de Natuurherstelverordening. Door een duidelijke koppeling met deze doelen kan het MER goede informatie leveren voor de besluitvorming over strategische keuzes en richtinggevende kaders die het Ontwerp-Natuurplan vastlegt. Sluit daarom rechtstreeks aan bij hersteldoelen en -verplichtingen voor de acht artikelen uit de verordening en de fasering in de tijd voor deze artikelen.

Het MER sluit op meerdere onderdelen aan bij de doelen van de Natuurherstelverordering (NHV). De beleidsvarianten die per artikel worden onderzocht in het MER geven invulling aan de doelen van de NHV. Daarnaast is de toets op doelbereik een onderdeel van het MER. Hierbij wordt nagegaan in hoeverre de beleidsvarianten en het voorkeursalternatief ook daadwerkelijk bijdragen aan de doelen uit de NHV, en worden waar relevant aanbevelingen gegeven over hoe het doelbereik verder vergroot kan worden.

§ 3.1

Het bepalen van de restopgave is een essentiële stap in het Ontwerp-Natuurplan en het MER. De restopgave bepaalt immers het ‘doelgat’ dat het Ontwerp-Natuurplan moet overbruggen én dus ook de opgave voor de beleidsvarianten in het MER. De hersteldoelen en verplichtingen van de Natuurherstelverordening zijn concreet uitgewerkt in acht artikelen. Maak in het MER navolgbaar hoe de restopgave per artikel is bepaald. Koppel de restopgave één op één aan de hersteldoelen uit de Natuurherstelverordening. Breng onzekerheden in beeld zodat hierop gerichte monitoring, evaluatie en bijsturing kan plaatsvinden. Houd ook rekening met de gevolgen van klimaatverandering in positieve en negatieve zin.

Door het Ministerie van LVVN is ten behoeve van het Ontwerp-Natuurplan de huidige staat van de natuur per artikel, oftewel per ecosysteem, in beeld gebracht, evenals de bijdrage van het huidige beleid aan de doelen. De huidige staat van de natuur in combinatie met het huidige beleid bepaalt het ‘doelgat’ (ook wel restopgave genoemd). Deze analyse wordt in het plan-MER samengevat in het hoofdstuk ‘Huidige situatie en autonome ontwikkelingen’ (HSAO). Ook bevat de HSAO relevante trends, zoals klimaatverandering.

In het MER wordt expliciet aandacht besteed aan leemten in kennis. Mede op basis hiervan worden aanbevelingen gedaan voor het opzetten en gebruiken van een monitoringsprogramma, waarmee, indien nodig, bijsturing kan plaatsvinden. Zie specifiek voor het onderdeel natuur ook paragraaf 2.2. van de NRD.

§ 3.2

Uitgangspunten bij de uitwerking van de beleidsvarianten. Beleidsvarianten moeten zijn gericht op volledig doelbereik. Werk ook varianten uit die gebaseerd zijn op sterk verschillende keuzes en minder voor de hand liggende richtingen om het gehele ‘speelveld’ in beeld te krijgen. Werk de beleidsvarianten zo concreet uit dat het mogelijk is het doelbereik en de milieueffecten te bepalen.

De beleidsvarianten zetten in op volledig doelbereik en verkennen de hoeken van het speelveld. Dit speelveld wordt bepaald door de belangrijkste richtingen per artikel, waarbij ook buiten de bestaande beleidsruimte, financiële kaders en afspraken wordt gekeken. In hoeverre de beleidsvarianten daadwerkelijk bijdragen aan volledig doelbereik, wordt bepaald met de doelbereiktoets.

Het MER bevat een beschrijving van de totstandkoming van de beleidsvarianten.

§ 3.2, 4.2.1 en 4.2.2

Sluit aan bij de termijnen uit de Natuurherstelverordening. Sluit bij de uitwerking van de beleidsvarianten, het formuleren van de referentiesituatie en bij de beoordeling van de milieueffecten en het doelbereik aan bij de termijnen uit de Natuurherstelverordening. Beoordeel op welke termijn volledig doelbereik wordt gerealiseerd.

In het MER wordt rekening gehouden met de verschillende termijnen. In de referentiesituatie, de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO), worden de belangrijkste trends benoemd. De lange termijnen brengen weliswaar een grotere mate van onzekerheid met zich mee. Bij de uitwerking van de beleidsvarianten wordt aangegeven welke termijnen van toepassing zijn. Voor het beoordelen van doelbereik wordt voor alle drie de termijnen, waar relevant, een inschatting gemaakt van de mate waarin doelbereik wordt behaald.

§ 4.2.2

Een onderscheidend beoordelingskader. Maak het beoordelingskader uit het Rad voor de Leefomgeving specifieker, zodat het gebruik hiervan leidt tot onderscheidende beslisinformatie. Geef in het MER navolgbaar aan hoe de effectbeoordeling tot stand is gekomen zodat de toegepaste expertbeoordeling reproduceerbaar is en gevalideerd kan worden. Betrek bij de validatie van de expertbeoordeling ook externe deskundigen.

Het beoordelingskader wordt in het MER specifieker gemaakt, met indicatoren die relevant zijn voor het beoordelen van de effecten van het Natuurplan. Een indicator is relevant wanneer het Natuurplan of de beleidsvarianten direct of indirect invloed hebben op het thema of de indicator.

In het MER worden de effecten navolgbaar en transparant onderbouwd. Hierbij wordt gebruikgemaakt van bestaande kennis, ervaringsgegevens en expert judgement. Onzekerheden en aannames worden expliciet inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van een consistente beoordelingssystematiek.

Indien de beoordeling tot stand is gekomen met expert judgement, wordt dit aangegeven. Naast experts en ecologen van TAUW werken ook experts op het gebied van landbouw (CLM Onderzoek en Advies) en visserij (WUR) aan het MER.

§ 3.3

Uitwerking van de strategische keuzes en beleidsmatige kaders in het Voorkeursalternatief. Werk de strategische keuzes en beleidsmatige kaders in het voorkeursalternatief voor het Ontwerp-Natuurplan zo concreet mogelijk uit. Maak duidelijk welk kader voor de uitwerking van maatregelen in het Natuurplan geldt en hoe het kader moet worden toegepast.

Het voorkeursalternatief en de totstandkoming daarvan worden beschreven in het MER.

In het MER wordt, voor zover mogelijk en in aansluiting op het abstractieniveau van het plan, expliciet gemaakt welk inhoudelijk en beleidsmatig kader geldt voor de uitwerking van maatregelen in het Natuurplan. Dit omvat de relevante wettelijke eisen, beleidsdoelen en kwaliteitscriteria voor natuurontwikkeling. Daarnaast wordt beschreven hoe dit kader wordt toegepast bij de selectie, locatiebepaling en prioritering van maatregelen, zodat inzichtelijk is op basis van welke afwegingen maatregelen tot stand komen en hoe wordt geborgd dat deze effectief bijdragen aan de beoogde natuurdoelen.

 

Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER.

Een zelfstandig leesbare samenvatting wordt onderdeel van het MER. Deze samenvatting wordt zo veel mogelijk op B1-niveau geschreven.

§ 2.3

Beleidskader. Neem in het MER niet alleen sectoraal beleid mee, maar ook integrale beleidslijnen en relevante nationale programma's, zoals de Nota Ruimte en het programma Ruimte voor Defensie. Geef aan wat de mogelijke consequenties zijn van de uitwerking van de Nota Ruimte (bijvoorbeeld de thema’s wonen, energie en economie) waarvoor de verantwoordelijkheid bij andere ministeries dan het Ministerie van LVVN ligt, maar wat mogelijk wel impact kan hebben op de natuurhersteldoelen.

Dit wordt uitgewerkt in het beleidskader, dat wordt opgenomen in het MER.

Naar boven