Wederkerige Bestuurlijke Afspraken tussen Rijk en Medeoverheden

Partijen / ondergetekenden,

  • De Rijksoverheid, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen, handelend als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden.

    • Hierna te noemen ‘Rijk’

  • Het Interprovinciaal Overleg, vertegenwoordigd door voorzitter BAC, J.C.J. Beemsterboer

    • Hierna te noemen ‘Provincies’

  • De Vereniging Nederlandse Gemeenten, vertegenwoordigd door RWM-commissievoorzitter VNG, J.M. van Rees

    • Hierna te noemen ‘Gemeenten’

  • De Unie van Waterschappen, vertegenwoordigd door bestuurslid UvW, E. den Hertog

    • Hierna te noemen ‘Waterschappen’

Maken afspraken, onder voorbehoud van bestuurlijke instemming door de ledenvergaderingen van de medeoverheden.

Aanleiding:

Voorliggende wederkerige bestuurlijke afspraken hebben tot doel om de samenwerking tussen het Rijk en medeoverheden bij de (voorbereiding van de) implementatie van de Natuurherstelverordening binnen het stelsel van de Omgevingswet te optimaliseren en gezamenlijk het Natuurplan op te stellen. Daarbij is voortgebouwd op de bestaande samenwerkingsafspraken uit de Code Interbestuurlijke Verhoudingen, de Financiële-verhoudingswet ‘97 en het rapport ‘Samen Bouwen aan Resultaten’ van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen (Polman et al., 2025).

Gelet op de omvang en urgentie van de benodigde samenhangende aanpak van de opgaven die voortvloeien uit de natuurherstelverordening, achten partijen het wenselijk om aanvullende wederkerige bestuurlijke afspraken te maken. Deze afspraken beogen bij te dragen aan een gezamenlijke, uitvoerbare en voorspelbare aanpak, waarbij helderheid wordt geboden over eenieders inzet in het proces om tot uitvoeringswetgeving, het definitieve Natuurplan en de uitvoering daarvan te komen.

Partijen bevestigen het volgende:

  • Op 18 augustus 2024 is de Europese Natuurherstelverordening (hierna: NHV) in werking getreden, welke rechtstreeks bindend is voor alle lidstaten van de Europese Unie;

  • Deze verordening beoogt bij te dragen aan het herstel en de bescherming van ecosystemen en leefgebieden van soorten, en daarmee aan bredere maatschappelijke opgaven, waaronder voedselzekerheid, bodemkwaliteit, klimaatmitigatie en adaptatie en het nakomen van internationale verplichtingen, waaronder het VN-Biodiversiteitsverdrag;

  • Het Rijk en de medeoverheden onderschrijven de gelding van de NHV en erkennen dat de uitvoering daarvan, gericht op het realiseren van de daarin opgenomen doelen, inzet van alle overheidslagen vergt;

  • De uitvoering van de NHV gaat gepaard met onzekerheden bij het Rijk, medeoverheden en maatschappelijke partners ten aanzien van de omvang van de opgave, het tempo van de invoering, de uitvoerbaarheid, de haalbaarheid, de uitlegbaarheid, en de samenhang met reeds bestaande verplichtingen voortvloeiend uit nationale en Europese wet- en regelgeving. Daarbij is er in het bijzonder zorg over de ruimtelijke consequenties, in het licht van het geheel aan ruimtelijke opgaven in zowel stedelijk als landelijk gebied;

  • Uiterlijk op 1 september 2027 is een definitief Natuurplan (Nationaal Herstelplan) opgesteld en ingediend bij de Europese Commissie, waarin beleidskeuzes en voorgenomen maatregelen worden vastgelegd ter invulling van de opgaven tot 2030, met een strategische doorkijk naar 2040 en 2050. Dit Natuurplan is de basis voor de uitvoering van de te nemen maatregelen;

  • Het Rijk is aan zet om EU-verplichtingen om te zetten naar nationale wet- en regelgeving en om het Natuurplan op te stellen. Het Natuurplan bevat de NHV-opgave en werkt in samenwerking met medeoverheden de benodigde maatregelen uit. Daartoe maakt het Rijk, in goed overleg met medeoverheden, wederzijdse afspraken die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Voor de beschikbaarstelling van middelen wordt een artikel 2-onderzoek van de Financiële-verhoudingswet doorlopen. Voor de waterschappen, die niet in de Financiële-verhoudingswet (Fvw) worden genoemd, geldt dat op grond van artikel 5 van de Code interbestuurlijke verhoudingen ook voor hen conform de Fvw wordt gehandeld. Ook voor waterschappen zal de omvang van de taak en de daarbij passende afspraken over financiering van de uitvoering inzichtelijk gemaakt worden, zowel voor het deel dat via de provincie/ gemeente bij waterschappen landt als voor het deel dat rechtstreeks bij hen komt.

  • Ook heeft het Rijk de verantwoordelijkheid om zelf bij te dragen aan de NHV-opgaven. Daarom biedt het Rijk duidelijkheid over de wijze waarop het de eigen instrumenten (zoals wet- en regelgeving, normering en beleid) inzet om de generieke opgaven, zoals stikstof en gewasbescherming, te realiseren en welke bijdrage deze aan de opgave levert. Het Rijk acteert hier als één overheid;

  • Het Rijk en de medeoverheden hechten belang aan een gezamenlijke aanpak die leidt tot een samenhangend, haalbaar, uitvoerbaar en uitlegbaar systeem voor natuurbehoud en herstel;

  • Het Rijk en de medeoverheden maken afspraken over het proces van totstandkoming en de inhoud van het definitieve Natuurplan, de wetgeving en onderliggende regelgeving. Ook maken zij afspraken om te komen tot implementatie en uitvoering van het definitieve Natuurplan, bijvoorbeeld door middel van (provinciale) uitvoeringsplannen;

  • Bij de uitvoering van de NHV in Nederland hebben het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen ieder eigen verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden, die in samenhang dienen te worden bezien en ingezet;

  • Als er sprake is van knelpunten of nieuwe inzichten worden, waar nodig, aanvullende afspraken gemaakt;

  • Deze afspraken doen geen afbreuk aan de formele rollen, bevoegdheden, reguliere taken en inspraakmogelijkheden van medeoverheden, noch aan hun reguliere (bestuurlijke) activiteiten in het kader van belangenbehartiging en hebben geen negatieve impact op de uitvoering van reguliere taken;

  • Deze bestuurlijke afspraken zijn uitsluitend bindend voor die partijen waarop deze betrekking hebben.

Partijen spreken het volgende af:

  • 1. Het Rijk heeft als vertegenwoordiger van de lidstaat de eindverantwoordelijkheid voor de implementatie en uitvoering van de NHV. Unierechtelijke verplichtingen gelden voor de lidstaten als geheel. Het Rijk heeft als systeemverantwoordelijke voor het natuurbeleid taken en bevoegdheden in belangrijke mate toebedeeld aan provincies, maar blijft Unierechtelijk verantwoordelijk voor de uitoefening daarvan. Het realiseren van de NHV-doelen is daarmee ook een gezamenlijke opdracht aan het Rijk en medeoverheden, waarbij iedere overheid vanuit haar eigen rol en verantwoordelijkheid werkt. Dit betekent dat de internationaalrechtelijke verplichtingen uit de NHV gelden voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen.

  • 2. De toedeling van aanvullende taken, bevoegdheden en instrumenten vindt plaats op het moment dat er door middel van een uitvoeringstoets is aangetoond dat de taken haalbaar en uitvoerbaar zijn, deze uitlegbaar zijn en medeoverheden financieel in staat zijn of zijn gesteld om deze uit te voeren. Medeoverheden zijn pas gehouden aan de uitvoering van nieuwe taken als aan voorgaande is voldaan;

  • 3. Voor het zetten van vervolgstappen bij de wetgeving geldt dat uit het advies van de Raad van State op de voorstellen van wetgeving moet blijken dat er geen serieuze bedenkingen tegen de voorstellen zijn, danwel dat aan de opmerkingen van de Raad van State op bevredigende wijze tegemoet zal kunnen worden gekomen;

  • 4. Het Rijk is verantwoordelijk om in samenspraak en goede afstemming binnen het Rijk en met medeoverheden te komen tot doorvertaling van de nationale NHV-opgaves op gebiedsniveau. Er vindt geen klassieke top-down verdeling van de nationale doelen over de gebieden plaats, maar er wordt een proces gevolgd waarbij top-down (nationale doelen en strategische keuzes/prioriteiten tussen regio’s of gebieden) en bottom-up (kennis van de gebieden en haalbaarheid van maatregelen) samenkomen. Het Rijk is verantwoordelijk voor de nationale opgaven en het daartoe opstellen en uitvoeren van het Natuurplan en de monitoring, rapportage en evaluatie hiervan. Inzicht in optelling van de bijdrage van regionale opgaven tot nationale opgave is hiervoor benodigd;

  • 5. Het kabinet beperkt zich bij de implementatie en uitvoering van de NHV tot de benodigde maatregelen om te voldoen aan de eisen van de verordening. Dit betekent dat er geen nationale koppen worden toegevoegd;

  • 6. Er wordt ingezet op het nemen van actieve maatregelen ter voorkoming van verslechtering van habitattypen buiten Natura 2000 om nieuwe vergunningssystematiek en impact op andere opgaven zoveel mogelijk te vermijden. Bij de maatregeleninzet voor het uitvoeren van de NHV wordt, binnen de bestaande wettelijke kaders, ook een bredere afweging gemaakt met andere belangen zoals woningbouw, economie, woningbouw, defensie, energie, ruimte en de klimaatopgave waarbij multifunctioneel ruimtegebruik het uitgangspunt is. De ruimtelijke implicaties vanuit de NHV worden meegenomen in de Nota Ruimte en daarin in samenhang met andere ruimtelijke opgaven bezien.

  • 7. Er wordt een extra consultatiemoment voor medeoverheden afgesproken van maximaal vier weken (rond mei 2027) op basis van een conceptversie van het definitieve Natuurplan met daarin de op hoofdlijn uitgewerkte generieke en gebiedsgerichte maatregelen. Alle maatregelen voortkomend uit de MTF LNS ten behoeve van het Natuurplan, die vervolgens landen in regelgeving, doorlopen een zelfstandig UDO-proces. Maatregelen worden toegevoegd aan het definitieve Natuurplan als zij haalbaar, betaalbaar, uitvoerbaar en uitlegbaar zijn. Ook voor het stedelijk ecosysteem geldt dat er toetsing plaatsvindt op maatregelen die in het Natuurplan landen. Het is belangrijk dat er een zo volledig mogelijk Natuurplan ligt ten tijde van de consultatie;

  • 8. Het Rijk heeft op zowel de korte als langere termijn een taak als systeemverantwoordelijke voor generieke opgaven zoals stikstofreductie, vermindering van gewasbeschermingsmiddelen en hydrologie en maakt zijn rol hieromtrent inzichtelijk en zet hiervoor instrumenten in. Medeoverheden hebben hierin ook een taak en verantwoordelijkheid op gebiedsniveau waarbij wordt ingezet op het behalen van de doelen, met inzet van alle noodzakelijke, effectieve maatregelen voor zover deze beschikbaar en in redelijkheid inzetbaar zijn;

  • 9. Medeoverheden krijgen taken, bevoegdheden en instrumenten om hun deel van de doorvertaalde nationale NHV-opgaves uit te voeren. Medeoverheden zijn gehouden aan het uitoefenen van de hen toebedeelde taken en bevoegdheden voor zover deze haalbaar, uitvoerbaar en gedekt zijn met de daar bijbehorende financiële middelen en (wettelijk) instrumentarium;

  • 10. In de uitvoeringswetgeving van de NHV wordt onder meer voorzien in de uitzonderingsgronden voor duurzame energie en nationale defensie. Verder wordt de ‘natuurherstelverordeningsactiviteit’ in dit stadium in de amvb onder het voorstel voor de wijziging van de Omgevingswet (uitvoeringswet NHV) niet uitgewerkt. Er wordt thans volstaan met het bieden van een voldoende wettelijke grondslag in artikel 4.3 van de Omgevingswet voor het in de toekomst zo nodig kúnnen vaststellen van algemene regels. Gezien de mogelijke impact op doelbereik vraagt de effectuering hiervan een goede afstemming met medeoverheden;

  • 11. Nadat de uitvoeringstoetsen op de amvb zijn uitgevoerd, worden deze ter bestuurlijke advisering voorgelegd aan de leden van het BO Natuur+. Deze inzichten en adviespunten worden vervolgens meegenomen in de amvb, voordat ze naar de Eerste en Tweede Kamer worden gestuurd in het kader van de voorhangprocedure. Vanuit de onderscheidende rollen en verantwoordelijkheden ligt de besluitvorming over de amvb bij het Rijk;

  • 12. Structurele bestuurlijke afspraken worden in ieder geval met provincies gemaakt met de actualisatie van het Natuurpact. Voor gemeenten en waterschappen wordt bezien in welke vorm structurele afspraken gemaakt kunnen worden. Bestaande afspraken vinden onverminderd doorgang. Hierbij zijn partijen gehouden aan de uitvoering van hun bestaande taken, rollen en verantwoordelijkheden. Waar er zicht is op de opgave tot 2030 en de maatregelen die binnen dit kader moeten worden uitgevoerd, wordt hier vanuit eenieders rol en verantwoordelijkheid directe opvolging aan gegeven wanneer dit past binnen de financiële kaders;

  • 13. Deze bestuurlijke afspraken hebben een tijdelijk en adaptief karakter zodat indien nodig tijdig bijgestuurd kan worden. De afspraken gelden in ieder geval tot de vaststelling van het definitieve Natuurplan op uiterlijk 1 september 2027 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet en amvb, dan wel tot het moment waarop deze afspraken geheel of gedeeltelijk worden vervangen door nieuwe interbestuurlijke afspraken. Voor 1 september 2027 spreken partijen af de afspraken gezamenlijk te evalueren en te bezien of de afspraken moeten worden herzien en de termijn moet worden verlengd. Hiervoor kan het bestuurlijk overleg Natuur voor de zomer 2027 gebruikt worden;

  • 14. Wederkerige bestuurlijke afspraken zijn niet vrijblijvend. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen committeren zich aan de naleving van de voor hen geldende afspraken. Bij de totstandkoming van het Natuurplan en wetgeving houden partijen zich aan de Code Interbestuurlijke Verhoudingen, de bouwstenen van het rapport ‘Samen bouwen aan resultaten’ geschreven door de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen onder leiding van Han Polman en aan de Financiële-verhoudingswet;

  • 15. Na bestuurlijke instemming van de ledenvergaderingen van de koepels van de medeoverheden worden de wederkerige bestuurlijke afspraken met de stukken bij de Omgevingswetswijziging meegestuurd naar de Raad van State en ter informatie gedeeld met de Tweede Kamer.

De bijlage bij deze bestuurlijke afspraken waarin deze op onderdelen verder zijn uitgewerkt, maakt integraal onderdeel uit van de afspraken.

Aldus overeengekomen, ondertekend en in viervoud opgemaakt te:

Den Haag, 18 juni 2026

De Rijksoverheid J. van Essen

Interprovinciaal Overleg J.C.J. Beemsterboer

Vereniging van Nederlandse Gemeenten J.M. van Rees

Unie van Waterschappen E. den Hertog

BIJLAGE BIJ WEDERKERIGE BESTUURLIJKE AFSPRAKEN TUSSEN RIJK EN MEDEOVERHEDEN

Aanleiding en doelen

De NHV is een Europese verordening die rechtstreeks doorwerkt in het Nederlandse rechtsstelsel. Voor verordeningen is echter vaak aanpassing van nationale wetgeving nodig, in ieder geval in de vorm van uitvoeringswetgeving omdat de EU vereist dat lidstaten regelgeving effectief uitvoeren en inpassen in hun nationale rechtsstelsel. Dat resulteert erin dat voor de uitvoering van verordeningen minimaal nodig is dat taken binnen het systeem van de lidstaat worden toebedeeld. In het geval van de NHV is dit aan de orde. Daarnaast is ook nadere invulling van de verplichtingen nodig, omdat de verordening zelf ruimte laat voor nationale invulling op zowel de toekenning van taken- en bevoegdheden als de manier waarop de NHV tot uitvoering kan worden gebracht. Volledige implementatie vereist immers dat de nodige voorschriften op het gebied van toepassing-, handhaving-, en rechtsbescherming worden vastgesteld. Ook medebewindstaken van andere overheden moeten wettelijk worden geregeld. Voor de instrumenten en bevoegdheden die bestuursorganen moeten kunnen inzetten geldt hetzelfde als voor autonome nationale wetgeving, namelijk dat deze moeten berusten op een adequate wettelijke grondslag. Omdat in de Nederlandse decentrale eenheidsstaat op het beleidsterrein van natuur taken en verantwoordelijkheden zijn verdeeld over verschillende bestuurslagen en bestuursorganen is het maken van wederkerige bestuurlijke afspraken bij deze uitvoeringswetgeving wenselijk en noodzakelijk. Met het maken van wederkerige bestuurlijke afspraken kan de onduidelijkheid ten aanzien van de opgave uit het Natuurplan en de taken die hieruit volgen voor verschillende partners ondervangen worden.

Het doel van deze bestuurlijke afspraken is het vastleggen van wederkerige afspraken tussen het Rijk en medeoverheden over de implementatie van de NHV binnen het stelsel van de Omgevingswet. Deze afspraken zien op de beoogde wijzigingen in wet- en regelgeving (waaronder de Omgevingswet en amvb), alsmede op de kaders en uitgangspunten voor de uitvoering. De bestuurlijke afspraken beogen daarbij voldoende duidelijkheid te bieden door middel van SMART-geformuleerde afspraken tussen partijen over de overgang van regelgeving op het niveau van de Omgevingswet naar lagere regelgeving, evenals over de stappen en verantwoordelijkheden die nodig zijn om te komen van een ontwerp-Natuurplan in 2026 tot een definitief Natuurplan in 2027. Daarbij hebben de bestuurlijke afspraken tot doel om, in lijn met de afspraken in de stuurgroep NHV, de gezamenlijke inzet te borgen gericht op het tijdig behalen van de verplichtingen uit de NHV voor 2030.

Deze bestuurlijke afspraken hebben geen betrekking op de afspraken tussen Rijksdepartementen onderling en de afspraken die toezien op wie binnen het Rijk welke stappen zet om van het Ontwerp-Natuurplan naar het definitieve Natuurplan te komen. Een eventuele doorvertaling van de nationale opgave via provincies naar waterschappen en gemeenten maakt ook geen onderdeel uit van deze afspraken en is aan de provincies zelf. Daarbij worden taken en verantwoordelijkheden van medeoverheden bij wet geregeld en niet in deze bestuurlijke afspraken

Verantwoordelijkheden

Het realiseren van de NHV-doelen is een gezamenlijke opdracht aan het Rijk en medeoverheden, waarbij iedere overheid vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid werkt. Het op te stellen Natuurplan is als programma onder de Omgevingswet zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk heeft als systeemverantwoordelijke voor het natuurbeleid verantwoordelijkheden en bevoegdheden toebedeeld aan provincies. Internationaalrechtelijke verplichtingen gelden ook voor die bestuursorganen1.

Het Rijk heeft op korte en langere termijn een taak als systeemverantwoordelijke voor Natuur. Met name wat betreft de generieke opgaven zoals stikstofreductie, gewasbescherming, verdroging, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Ook in andere specifieke opgaven dient het Rijk een faciliterende rol spelen en medeoverheden in staat te stellen hun hun taken en toebedeelde verantwoordelijkheden uit te kunnen voeren. Mede overheden hebben voor een effectieve invulling van hun taken en verantwoordelijkheden een adequate invulling van de nationale opgave en de inzet van het Rijks-instrumentarium op de generieke opgaven nodig.

De Ministeriele Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof (MTF LNS) levert een belangrijke bijdrage aan de oplossing van de hiervoor genoemde opgaves. De invulling van de systeemverantwoordelijkheid op het gebied van de natuur en de NHV betekent dat het Rijk verantwoordelijk is voor de afspraken in internationaal verband en door andere landen en de EU daarop aanspreekbaar is. Het Rijk is (en blijft) daarmee verantwoordelijk voor de nationale opgaven en het daartoe opstellen, implementeren en uitvoeren van het Natuurplan en de opvolgende Natuurplannen (2032, 2042). Het Rijk bepaalt de spelregels door bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor taken en maatregelen te nemen en te verdelen over medeoverheden en door te zorgen voor de noodzakelijke voorzieningen. De systeemverantwoordelijke organiseert monitoring en stuurt bij waar nodig maar wel altijd in overleg met medeoverheden en partners.

Medeoverheden krijgen taken, bevoegdheden en instrumenten toebedeeld om hun deel van de hiervoor genoemde opgaves uit te voeren. Medeoverheden zijn gehouden aan het uitoefenen van de hen toebedeelde taken en bevoegdheden voor zover deze haalbaar en uitvoerbaar zijn. Dit moet blijken uit de constateringen uit het UDO proces en een uitvoeringstoets, waarbij ook rekening is gehouden met de voorzieningen die beschikbaar worden gesteld vanuit het Rijk. Het Rijk is tevens aan zet om EU-verplichtingen om te zetten naar uitvoeringswet- en regelgeving. Voor middelen wordt een artikel 2-onderzoek van de Financiële verhoudingswet doorlopen, zoals hieronder nader is toegelicht onder ‘bestuurlijke verhoudingen’. Voor de waterschappen, die niet in de Financiële Verhoudingswet (Fvw) worden genoemd, geldt dat op grond van artikel 5 van de Code interbestuurlijke verhoudingen ook voor hen conform de Fvw wordt gehandeld. Ook voor waterschappen zal de omvang van de taak en de daarbij passende afspraken over financiering van de uitvoering inzichtelijk gemaakt worden, zowel voor het deel dat via de provincie/ gemeente bij waterschappen landt als voor het deel dat rechtstreeks bij hen komt. Het Rijk biedt daarnaast duidelijkheid over de wijze waarop het de eigen instrumenten (zoals wet- en regelgeving, normering) inzet om de opgaven te realiseren en wat haar bijdrage daaraan is.

Het Rijk is ervoor verantwoordelijk dat bij de uitvoering van de maatregelen conform wettelijke kaders wordt gehandeld en wordt voldaan aan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en andere internationale verplichtingen zoals de NHV. Met de instrumenten voor het interbestuurlijk toezicht als verankerd in de Provinciewet en de Wet Naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten (Wet-NErpe) zijn de provincies door het Rijk aanspreekbaar op een goede uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden, en op handelen in overeenstemming met het algemeen belang en het recht.

Uiteraard ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de borging van rechtsconform handelen de provincies zelf en zijn het de provinciale staten die de democratische controle uitvoeren op het handelen van gedeputeerde staten. Gebruikmaking van de genoemde interbestuurlijke instrumenten door het Rijk zal niet aan de orde zijn als de provincies de wettelijke taken overeenkomstig de wettelijke en internationaalrechtelijke kaders uitoefenen en – in het licht van de middelen en instrumenten die hen ter beschikking staan – een reële inspanning plegen om bij te dragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de NHV en de Verdragen van Bern en van Bonn in hun provincie.

Bestuurlijke verhoudingen

Partijen hechten eraan dat bij de implementatie en uitvoering van de NHV en de daartoe op te stellen wet- en regelgeving goede interbestuurlijke verhoudingen en eerder gemaakte samenwerkingsafspraken als uitgangspunt worden genomen. Hierbij staan de volgende documenten centraal:

  • 1. De Code Interbestuurlijke Verhoudingen

  • 2. Het rapport ‘Samen Bouwen aan Resultaten’ van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen (Polman et al., 2025)

  • 3. Financiële Verhoudingswet – artikel 2.1

Daarnaast hechten zij belang aan staande (ambtelijke) afspraken zoals die gemaakt zijn in het kader van N2000 tussen Rijk en provincies wat de basis legde onder de totstandkoming van de landelijke doelen. Alsmede de bestaande afspraken tussen Rijk en provincies voor uitvoering van de bossenstrategie.

Alle partijen hechten eraan de UDO handleiding te volgen in het UDO proces.

Partijen benadrukken dat de CIV, het rapport Polman en de Financiële-verhoudingswet leidend zijn voor de wijze waarop zij invulling geven aan de bestuurlijke afspraken. Partijen handelen bij de uitvoering van de afspraken in overeenstemming met de samenwerkingsafspraken uit deze kaders en dragen er zorg voor dat hiernaar wordt verwezen en gehandeld bij de uitwerking, toepassing en interpretatie van de gemaakte afspraken. Partijen erkennen daarbij ook dat de doelen uit de Natuurherstelverordening dusdanig dichtbij zijn dat sommige processtappen zoals beschreven in bovenstaande documenten, mogelijk niet binnen de termijnen die daar normaal gesproken voor staan, ingevuld kunnen worden. Partijen maken de afspraak dat wanneer er knelpunten ontstaan in het doorlopen van een zorgvuldig proces, deze tijdig geadresseerd worden in de daarvoor bestemde gremia. Dit proces wordt nader toegelicht bij ‘de escalatieladder’.

Verdeling van de nationale NHV-opgave tussen Rijk en medeoverheden

Het Rijk is verantwoordelijk om in samenspraak en goede afstemming binnen het Rijk en met medeoverheden ervoor te zorgen dat de opgaven op gebiedsniveau optellen tot wat nodig is op nationaal niveau. Partijen spreken daarom niet over een klassieke top-down verdeling van de nationale doelen over de gebieden, maar over een proces waarbij top-down (landelijke doelen en strategische keuzes/prioriteiten tussen regio’s of gebieden) en bottom-up (kennis van gebieden en de haalbaarheid van maatregelen) samenkomen.

Inzicht in optelling regionale opgaven tot nationale opgave

Het Rijk is verantwoordelijk om in samenspraak en goede afstemming met voortouwnemers (Provincies, RWS en Def.) te komen tot doorvertaling van de landelijke opgaves naar gebiedsniveau.

Partijen erkennen dat het bepalen van opgaves voor gebieden gevoelig ligt en dat deze aanpak een goed doordachte, afgestemde procesaanpak vraagt met een heldere onderlinge rolverdeling. Het wetgevingssysteem biedt hierin ambiguïteit doordat er op verschillende manieren naar deze rolverdeling in de wet wordt verwezen. Partijen spreken daarom af om dit proces in gezamenlijkheid uit te werken en bestuurlijk te laten bekrachtigen. Bij die uitwerking wordt zo veel mogelijk aangesloten bij het al door het BO-natuur vastgestelde proces voor de concretisering van uitbreidingsdoelen voor habitattypen binnen Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft de stelselverantwoordelijkheid om waar mogelijk te komen tot een uniforme inhoudelijke aanpak, het proces te leiden en uiteindelijk de doelen toe te delen aan verschillende voortouwnemers en gebieden. De voortouwnemers leveren daartoe vooral ook gebiedskennis in relatie tot de haalbaarheid en potentie voor verschillende doelen in hun gebieden. Het Rijk heeft de regie om op basis van haalbare potenties in gebieden te komen tot een totaal dat de landelijke opgave dekt. In dit proces wordt zo goed mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten zoals geformuleerd in het Natuurplan, waarbij de moeilijkste opgaven het eerst worden opgepakt.

Partijen erkennen dat de regierol van het Rijk belangrijker is wanneer habitattypen algemener voorkomend en dus provincie overstijgend zijn. Daarentegen is de kennisrol vanuit provincies belangrijker wanneer het specifieke, regionale natuurtypen betreft.

Verdeling nationale NHV-opgave naar gemeenten

Momenteel wordt nader onderzocht welke maatregelen het meest doelmatig zijn voor het behalen van de doelen voor deze herstelopgave zoals bedoeld in artikel 8 van de NHV, en of deze invulling vraagt om een verduidelijking van taken en bevoegdheden van de verschillende overheidslagen bij of krachtens de Omgevingswet. Daarbij worden verschillende opties voor de uitvoering van artikel 8 bezien, met inbegrip van de optie om geen nadere verduidelijking op te nemen, nader onderzocht voordat de wet naar de Raad van State gaat. Als uit onderzoek is gebleken dat voor de invulling van artikel 8 een wijziging van de Omgevingswet of van een amvb noodzakelijk is, zal de uitwerking hiervan – als onderdeel van deze wijziging van de Omgevingswet of de onderhangende amvb – ter uitvoering van de Natuurherstelverordening worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor advies.

Gemeentelijke opgaven – in het bijzonder de stedelijke groenopgave – worden in samenhang bezien met andere ruimtelijke opgaven die binnen de bebouwde omgeving en de geografische afbakening van de stedelijke ecosysteemgebieden een plek moeten krijgen, waaronder woningbouw, economie, energie, ruimte en klimaatadaptatie. Daar waar deze ruimtelijke opgaven tezamen de beschikbaarheid van die ruimte en/of de bruikbaarheid ervan te boven gaan, vraagt dit om een prioritering van deze opgaven met betrokken overheden, om gemeenten niet voor een onmogelijke taak te stellen en uitvoerbaarheid te borgen.

Verdeling nationale NHV-opgave naar waterschappen

Natuurdoelen van Rijk, provincies en gemeenten worden door vertaald naar gebiedsgerichte maatregelen. Deze zullen landen in beheergebieden van waterschappen. Natuurherstel is alleen mogelijk als het watersysteem passend ingericht is of kan worden, waarbij voldoende (zoet-) waterbeschikbaarheid en goede waterkwaliteit randvoorwaardelijk zijn.

Deels zullen opgaven doorwerken naar waterschappen via gebiedsprocessen – en daarmee via provincie/ gemeente –, deels zullen opgaven/ maatregelen ook direct de waterschappen/ de waterschapstaken raken, zoals bij artikel 9 (wegnemen van barrières en herstellen van overstromingsvlaktes) of artikel 11.4 (vernatting van veenweiden) of impact kunnen hebben op uitvoering en/of beheer & onderhoud en/of vergunningverlening.

Koppelkansen

Partijen zetten zich gezamenlijk in voor het identificeren van koppelkansen met bestaande beleidsopgaves en middelen om zo maatregelen uit te voeren die bijdragen aan de NHV-doelen zonder aanvullende kosten en die kunnen leiden tot effectief natuurbehoud en -herstel. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bestaande maatregelen die bijdragen aan klimaatdoelen of natuurinclusief bouwen die ook bijdragen aan NHV-doelen zoals het bos-ecosysteem of de bestuivers. De vraag is daarom dan ook of deze bestaande maatregelen ‘NHV-proof’ gemaakt kunnen worden, zodat ze direct ook de NHV-doelen dienen zonder aanvullende investering.

Defensie

Defensie levert een grote bijdrage aan het behoud van diverse habitattypen in Nederland. Ten aanzien van de Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten blijkt dat in de meeste Natura 2000-gebieden defensieterreinen een bijdrage leveren die te verwachten is op basis van de totale oppervlakte, of zelfs groter is. Daarnaast zijn in de NHV activiteiten die enkel defensie of nationale veiligheid tot doel hebben aangemerkt als hoogste prioriteit. Om die reden is in artikel 7, eerste lid, van de NHV bepaald dat de lidstaten bij het treffen van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 4, leden 1, 4 of 7, of artikel 5, leden 1, 2 of 5, vrijstelling kunnen verlenen voor gebieden die worden gebruikt voor activiteiten die uitsluitend nationale defensie tot doel hebben, indien die maatregelen onverenigbaar worden geacht met het voortgezette militaire gebruik van de betrokken gebieden.

Binnen de uitvoeringswetgeving van de NHV zal de uitzonderingsgrond van artikel 7 expliciet worden vastgelegd. Daarbij worden ook de knelpunten ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling tussen het Rijk en de decentrale overheden bij toegangsbeperkende maatregelen en natuurvergunningverlening binnen het wetgevingstraject meegenomen en uitgewerkt, zowel in concrete artikelen als in de toelichting. Defensie heeft deze knelpunten mede op bestuurlijk niveau geadresseerd vanwege de gevolgen hiervan voor de uitvoeringspraktijk van Defensie.

Internetconsultatie en Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO)

Internetconsultatie is verplicht bij alle wetsvoorstellen, algemene maatregelen van bestuur (amvb) en ministeriële regelingen, tenzij het bijvoorbeeld om puur technische wijzigingen of de één-op-één implementatie van EU-regelgeving gaat – dan is internetconsultatie optioneel. Partijen spreken af dat in het kader van de NHV beoogde Omgevingswetswijziging en bijbehorende amvb een zorgvuldig UDO-proces en internetconsultatie worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de wijzigingen van de Omgevingsregeling voor het aanwijzen van de stedelijke ecosystemen en het Natuurplan. Voor de wijziging van de Omgevingswet, de amvb en Omgevingsregeling ter uitvoering van de Natuurherstelverordening zal een periode van minimaal zes weken worden gehanteerd om de voorstellen te consulteren.

De UDO-handleiding dient als kader voor het doorlopen van het UDO-proces en refereert naar alle relevante wetgeving en afspraken omtrent interbestuurlijke samenwerking. Partijen onderschrijven de uitgangspunten die in de UDO-handleiding zijn uitgewerkt tenzij anders overeengekomen (bijvoorbeeld in dit bestuursconvenant), o.a. ten aanzien van de gebruikelijke consultatietermijnen, de totstandkoming van de juiste financieringssystematiek en de vereisten ten aanzien van instrumentarium en monitoring.

Partijen committeren zich aan het gezamenlijke UDO-proces waarbij de intentie vanuit alle partijen is dat deze zo goed als mogelijk doorlopen wordt. Dit betekent onder andere dat er tijdig ingezet wordt op de instrumenten die het UDO-proces mogelijk maken (uitvoeringsscan of uitvoeringstoets), en dat de uitkomsten (het oordeel) over haalbaarheid en uitvoerbaarheid worden benut bij het opstellen van (uitvoerings)wetgeving en het definitieve Natuurplan.

In het UDO-proces wordt een planning uitgewerkt om – vanuit de UDO-vereisten bezien (cf. UDO-handleiding) – procesmatige en inhoudelijke knelpunten in kaart te brengen die van alternatieve en/of aanvullende afspraken moeten worden voorzien. Deze afspraken kunnen via het UDO proces worden uitgewerkt, waarna indien nodig via de reguliere besluitvormingsroute bestuurlijk geaccordeerd kunnen worden.

Het vergt goede coördinatie en continue afstemming om een zorgvuldig UDO-proces te doorlopen. Zo is een redelijk stabiele, navolgbare planning vereist, zodat tijdig in beeld is welke documenten, wanneer kunnen worden getoetst én welke inhoud deze documenten zal omvatten die toetsing gewenst en mogelijk maken. De UDO-werkgroep signaleert bij het plannen van scans- en toetsen of alle informatie inzichtelijk is voor toetsing of dat hier aanvullende informatie voor nodig is (en zo ja, welke informatie aanvullend nodig is). Daar waar de planning en/of de inhoud van bepaalde producten verder naar achter schuift, moet dit tijdig kenbaar worden gemaakt zodat hier in het kader van de scans en toetsen op geanticipeerd kan worden.

Tevens staat bij de UDO gelijkwaardige samenwerking en co-creatie centraal, waarbij het Rijk in het beleidskompas inzichtelijk maakt hoe de verschillende keuzes vanaf de probleemanalyse tot aan de totstandkoming van de voorkeursoptie zijn gemaakt, op basis van welke informatie deze keuzes tot stand zijn gekomen en hoe dit proces en deze afwegingen op basis van gezamenlijkheid zijn vormgegeven. De UDO-werkgroep dient als gremium waar eventuele knelpunten ten aanzien van het UDO-proces worden gesignaleerd en de benodigde voorwaarden in beeld worden gebracht. Eventuele knelpunten worden vervolgens eerst ambtelijk en wanneer nodig later bestuurlijk besproken. Partijen committeren zich aan het zorgvuldig doorlopen van dit proces, dat naast de uitvoering van toetsen dient als handvat om de naleving van de principes omtrent interbestuurlijke samenwerking van begin tot eind te borgen en afspraken omtrent de UDO te concretiseren en in te bedden in het proces.

Partijen hanteren in het gehele proces gezamenlijk als uitgangspunt dat de toedeling van taken, bevoegdheden en instrumenten pas formeel plaatsvindt op het moment dat er door middel van een uitvoeringstoets is aangetoond dat de taken haalbaar en uitvoerbaar zijn, deze uitlegbaar zijn en uit het advies van de Raad van State geen serieuze bedenkingen tegen de voorstellen voor wijziging van wetgeving en amvb zijn gebleken danwel is vastgesteld dat aan de opmerkingen van de Raad op bevredigende wijze tegemoet zal worden gekomen. Lagere regelgeving wordt nader uitgewerkt op basis van richtinggevende beleidskeuzes.

De doorlooptijd van de wijziging van de Omgevingswet, een wet in formele zin, is langer dan de doorlooptijd van een algemene maatregel van bestuur. Het wetsvoorstel wordt, in tegenstelling tot de amvb, achtereenvolgens behandeld in de Tweede en Eerste Kamer. Daarbij zit er een volgtijdelijkheid tussen de wet en amvb, aangezien de amvb een uitwerking is van het wetsvoorstel. Dit is de reden dat het, wat betreft de openstelling van de internetconsultatie, niet wenselijk en gebruikelijk is om een parallel proces te volgen. Om de samenhang tussen het wetsvoorstel en de amvb goed te beoordelen, zullen deze tegelijkertijd in werking treden bij koninklijk besluit.

Om de uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving verder te borgen wordt er op de wijziging van de Omgevingswet en de uitwerking van de amvb een invoeringstoets uitgevoerd. Met deze toets wordt relatief kort na invoering van nieuwe wet- en regelgeving (meestal na één of twee jaar) geëvalueerd of de wet- en regelgeving in de praktijk uitvoerbaar is. Partijen spreken af deze toets te koppelen aan de eerste (beleids)evaluatiecyclus en gelijktijdig te laten plaatsvinden met de totstandkoming van de bevredigende niveaus die na 2030 zullen gelden, zodat de uitvoerbaarheid van de wet- en regelgeving in het licht van deze nu nog onbekende opgaven kan worden bezien.

Partijen maken de afspraak te borgen dat de Financiële-verhoudingswet leidend is bij een eventuele taakverzwaring die voortvloeit uit het Natuurplan, de Omgevingswetwijziging of lagere regelgeving t.b.v. de NHV. Dit betekent dat de bijbehorende artikel 2-onderzoeken (of vergelijkbare onderzoeken voor waterschappen) worden uitgevoerd. Het is belangrijk dat middelen en opgaven voor medeoverheden met elkaar in balans worden gebracht om de uitvoerbaarheid te borgen. Bij nieuwe taken als gevolg van de NHV kunnen nieuwe middelen horen. Het betekent niet per definitie dat er additionele middelen door het Rijk beschikbaar worden gesteld, omdat ook bestaande afspraken en maatregelen kunnen bijdragen aan de doelen van de NHV. Het is belangrijk dat alle partijen in gesprek blijven over de te nemen maatregelen en de concretisering van de opgave. Dit is een continu proces waarin stapsgewijs onzekerheden worden weggenomen, en waarbij deze bestuurlijke afspraken trachten bij te dragen aan de zekerheid van een gedegen gezamenlijk proces. Partijen zijn gehouden aan de uitvoering van hun bestaande taken, rollen en verantwoordelijkheden. De eventuele aanvullende werkzaamheden die de NHV met zich mee kan brengen, worden uitgevoerd wanneer de middelen die beschikbaar worden gesteld overeenkomen met het benodigde budget om deze werkzaamheden tot uitvoering te kunnen brengen, conform de resultaten die naar voren komen in de artikel 2-onderzoeken, of wanneer medeoverheden zelf voldoende middelen beschikbaar hebben of kunnen maken doormiddel van een vergelijking met reeds bestaande middelen als onderdeel van de uitvoeringstoets.

Natuurplan

Het Ontwerp-Natuurplan bevat bij het indienen bij de Europese Commissie inzicht in de nationale opgave, de bijdrage van bestaand beleid en mogelijke beleidskeuzes, maar bevat nog geen maatregelenpakket om invulling te geven aan de opgave, noch de definitieve beleidskeuzes. Een groot deel van het maatregelenpakket voor het definitieve Natuurplan wordt in verschillende pijlers uitgewerkt door de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur & Stikstof (MTF LNS) en wordt op hoofdlijnen voor de zomer van 2026 in de Taskforce vastgesteld. Op basis hiervan worden de beleidskeuzes in het definitieve Natuurplan gemaakt en in lagere regelgeving uitgewerkt.

Het is voor medeoverheden belangrijk om zicht te krijgen op de daadwerkelijke (gebiedsgerichte) doorvertaling van maatregelen, welke landen in het definitieve Natuurplan, met betrekking tot de haalbaarheid, uitvoerbaarheid en (ruimtelijke) impact van maatregelen voor medeoverheden en de weging hiervan voor bestuurders en uitvoerders. Medeoverheden kunnen taken uitvoeren in het ruimtelijk domein, maar om de NHV doelstellingen te bereiken zullen ook generieke maatregelen vanuit het Rijk nodig zijn gericht op het verminderen van drukfactoren zoals voor bijvoorbeeld bestuiverpopulaties, hydrologie, stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten.

Daarom wordt afgesproken om het definitieve Natuurplan in een extra formele consultatieronde te brengen bij de bestuurders van medeoverheden, zoals beschreven in de code interbestuurlijke verhoudingen (CIV). Omdat wordt voorzien dat in mei 2027 nog niet alle maatregelpakketten vanuit de MTF LNS die zullen landen in het definitieve Natuurplan getoetst, formeel geconsulteerd en de uitkomsten hiervan verwerkt kunnen zijn voorafgaand aan de indiening van het definitieve Natuurplan en aan eventueel benodigde wetwijziging (lagere regelgeving), spreken partijen het volgende af:

  • 1. Alle maatregelen voortkomend uit de MTF LNS ten behoeve van het Natuurplan, en die landen in lagere regelgeving, doorlopen per pijler een zorgvuldig UDO-proces. Het Rijk neemt hiervoor het initiatief waarbij oog is voor de behoeften van de medeoverheden om tot een betekenisvolle consultatie te komen.

  • 2. Er wordt door het Rijk inzichtelijk gemaakt wat haar rol is als systeemverantwoordelijke. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan de drukfactoren die een generieke aanpak vereisen zoals stikstof en gewasbescherming. Het Rijk maakt inzichtelijk wat haar bijdrage is aan de generieke opgaven.

  • 3. Er wordt een extra consultatiemoment voor medeoverheden afgesproken van maximaal 4 weken (rond mei 2027) op basis van een conceptversie van het definitieve Natuurplan met daarin de op hoofdlijn uitgewerkte generieke en gebiedsgerichte maatregelen. Daarbij worden eveneens de beschikbare uitvoeringstoetsen ten behoeve van deze maatregelenpakketten benut. De resultaten hiervan kunnen dan besproken worden in het BO Natuur+ voor de zomer van 2027. Daarna zullen waar nodig aanpassingen worden gedaan voorafgaand aan het indienen van het definitieve Natuurplan in Brussel. Om een helder beeld te krijgen of deze stappen tijdig en volledig doorlopen kunnen worden, dient een concrete planning te worden uitgewerkt met de data van oplevering én de benodigde termijnen voor de reactie van de koepels en de verwerking hiervan. Dit wordt reeds uitgewerkt en zal als input worden aangeleverd voor de bredere planning die in het kader van het UDO proces nog wordt uitgewerkt.

  • 4. Hierna wordt het Natuurplan op basis van deze resultaten daar waar nodig gewijzigd. Dit wordt meegenomen in de totstandkoming van het definitieve Natuurplan. Structurele afspraken worden gemaakt in de actualisatie van het Natuurpact en een soortgelijke systematiek voor de inbedding van structurele afspraken met gemeenten en waterschappen over financiën en uitvoering.

  • 5. Uitvoering van bestaande maatregelen vinden onverminderd doorgang. Hierbij zijn partijen gehouden aan de uitvoering van hun bestaande taken, rollen en verantwoordelijkheden. Waar er zicht is op de opgave tot 2030 en de maatregelen die binnen dit kader moeten worden uitgevoerd, wordt hier vanuit eenieders rol en verantwoordelijkheid directe opvolging aan gegeven mits financiering beschikbaar is.

Partijen zetten zich gezamenlijk in voor het identificeren van maatregelen vanuit andere beleidsopgaven zoals klimaat, die zonder aanvullende kosten kunnen leiden tot effectief Natuurherstel in het kader van de NHV.

Inwerkingtreding (lagere) regelgeving

De manier van doorwerking van het Natuurplan naar gebiedsprogramma's, gebiedsprocessen en instrumenten wordt in lagere regelgeving vormgegeven.

De wijzigingen in de Omgevingswet en lagere regelgeving treden in werking nadat het Rijk het definitieve Natuurplan uiterlijk op 1 september 2027 heeft vastgesteld én nadat een onderzoek conform artikel 2 (of vergelijkbaar onderzoek voor waterschappen) van de Financiële verhoudingswet is uitgevoerd. Dit onderzoek vindt in ieder geval plaats voorafgaand aan advisering aan de Raad van State en de uitkomsten ervan worden tijdig met de koepels besproken. Na het advies van de Raad van State wordt gezamenlijk bezien of eventueel naar aanleiding van het advies doorgevoerde wijzigingen tot actualisatie van de uitkomsten van het onderzoek leiden. Hiernaast is het belangrijk dat de toedeling van aanvullende taken, bevoegdheden en instrumenten plaatsvindt op het moment dat er door middel van een uitvoeringstoets is aangetoond dat de taken haalbaar en uitvoerbaar zijn, deze uitlegbaar zijn en medeoverheden financieel in staat zijn of zijn gesteld om deze uit te voeren. Medeoverheden zijn pas gehouden aan de uitvoering van nieuwe taken als aan voorgaande is voldaan.

Financiële onderzoeken hebben betrekking op alle beleidsvoornemens die leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door medeoverheden, waaronder de uitwerking in lagere regelgeving, zoals instructieregels die aanvullende werkzaamheden bij medeoverheden beleggen. In de toelichting bij die regelgeving legt het Rijk uit wat de extra inspanningen voor medeoverheden betekenen en hoe die worden bekostigd en worden tevens de bevindingen uit de uitvoeringstoetsen en -scans in het kader van het UDO-proces betrokken.

NHV-activiteiten

Partijen spreken af dat de natuurherstelverordeningsactiviteit nog niet wordt uitgewerkt bij de wijziging van amvb. Indien het noodzakelijk is dat voor bepaalde drukfactoren algemene regels gesteld moeten worden in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan gelden bovenstaande afspraken over de inwerkingtreding van lagere regelgeving.

Geldigheid afspraken

De in dit convenant neergelegde afspraken zijn in beginsel bindend. Dit betekent dat partijen gehouden zijn deze afspraken na te komen. De verplichtingen die uit het convenant voortvloeien zijn niet in rechte afdwingbaar.

Deze bestuurlijke afspraken hebben een tijdelijk en adaptief karakter en gelden ten minste tot de vaststelling van het definitieve natuurplan op uiterlijk 1 september 2027, er zicht is op uitvoeringsplannen en de inwerkingtreding van de Omgevingswet en amvb, dan wel tot het moment waarop de in deze bestuurlijke afspraken opgenomen afspraken geheel of gedeeltelijk worden vervangen door nieuwe interbestuurlijke afspraken. Partijen spreken hierbij een adaptief proces af.

Uiterlijk vóór 1 september 2027 spreken partijen af de afspraken gezamenlijk te evalueren en te bezien of de afspraken moeten worden herzien en de termijn moet worden verlengd.

Bijsturing, geschillenregeling, escalatieladder en evaluatie

Wederkerige bestuurlijke afspraken zijn niet vrijblijvend. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen committeren zich aan de naleving van de voor hen geldende afspraken.

Er wordt in gezamenlijkheid tussen partijen uiterlijk in Q4 2026 een escalatieladder opgesteld en interbestuurlijk voorgelegd zodat partijen elkaar kunnen aanspreken op de voor hen geldende afspraken en tijdens het proces te zoeken naar een gedragen oplossing in het geval er knelpunten ontstaan. Partijen zullen zich tot het uiterste inspannen; zij zijn echter niet tot het onmogelijke gehouden.

Ondertekening

Deze afspraken kunnen worden ondertekend in verschillende exemplaren, die samengevoegd hetzelfde rechtsgevolg hebben als wanneer deze afspraken zouden zijn ondertekend door alle ondertekenaars in één exemplaar.

Publicatie

De publicatie van de afspraken door middel van een openbare bekendmaking2 vindt zo snel mogelijk plaats nadat de ledenvergaderingen van de VNG, IPO en UvW hebben plaatsgevonden.

Definities

Haalbaarheid:

taken en bevoegdheden worden als haalbaar beschouwd indien deze geheel of gedeeltelijk, binnen de gestelde termijn realiseerbaar zijn, gelet op de geldende ecologische, ruimtelijke en maatschappelijke randvoorwaarden. De haalbaarheid binnen de fysieke leefomgeving wordt aantoonbaar gemaakt met behulp van uitwerking in een omgevingsvisie en een uitvoeringstoets (o.a. door middel van een Milieu Effect Rapportage). Partijen bepalen vooraf aan een (randvoorwaardelijke) uitvoeringstoets gezamenlijk de aspecten waaraan getoetst dient te worden.

Invoeringstoets:

een evaluatie kort na de inwerkingtreding van beleid of regelgeving, gericht op de vraag of deze in de praktijk werkt zoals bedoeld. Hiermee kunnen onvoorziene knelpunten of effecten worden geïdentificeerd in de uitvoering.

Medeoverheden:

decentrale overheden (provincies, gemeenten en waterschappen) die naast het Rijk publieke taken uitvoeren en daar (gedeeltelijk) zelfstandig bevoegd voor zijn.

Natuurherstelverordening:

verordening (EU) nr. 1991/2024 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 betreffende natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/289 (PbEU 2024/1991).

Natuurplan:

lidstaten moeten een Nationaal Herstelplan (in de Nederlandse context ‘Natuurplan’ genoemd) opstellen om aan te tonen hoe de verordening geïmplementeerd wordt. De Europese Commissie heeft door middel van uitvoeringshandelingen een uniform format vastgesteld voor het Nationale Herstelplan.

Systeemverantwoordelijkheid:

systeemverantwoordelijkheid op het gebied van de natuur en de natuurherstelverordening betekent dat het Rijk verantwoordelijk is voor de afspraken daarover in internationaal verband en door andere landen en de EU daarop aanspreekbaar is. Het Rijk bepaalt binnen de geldende bestuurlijke verhoudingen en CIV de spelregels door verantwoordelijkheden en bevoegdheden te verdelen over medeoverheden en door te zorgen voor de noodzakelijke voorzieningen. De systeemverantwoordelijke monitort en stuurt bij waar nodig3.

Taakverzwaring:

nieuwe taak of een wijziging van een bepaalde taak met eventuele financiële gevolgen als bedoeld in de Financiële-verhoudingswet.

Uitvoerbaarheid:

taken en bevoegdheden worden als uitvoerbaar beschouwd indien medeoverheden deze geheel of gedeeltelijk kunnen realiseren (vastgelegd in een uitvoeringsplan) binnen de bestaande dan wel expliciet toegekende voorzieningen, zoals aantoonbaar gemaakt met een uitvoeringstoets en deze taken en bevoegdheden geschieden in overeenstemming met de principes van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen. Partijen bepalen vooraf aan een uitvoeringstoets gezamenlijk de aspecten waaraan getoetst dient te worden.

Uitvoeringstoets:

een beoordeling door uitvoerende en handhavende instanties van een voorgenomen beleids- of regelgevingsvoorstel, waarbij wordt vastgesteld of het voorstel in de praktijk uitvoerbaar en handhaafbaar is, en welke gevolgen het heeft voor de betrokken organisaties. De toets vindt plaats wanneer een beleids- of wetsvoorstel in concept gereed is en gevolgen heeft voor uitvoerende partijen.

Voortouwnemers:

de voortouwnemer is het bevoegd gezag dat over het algemeen de grootste eigenaar in het Natura 2000-gebied vertegenwoordigt. De voortouwnemer is verantwoordelijk voor het hele proces om tot een beheerplan te komen en is hét aanspreekpunt voor het beheerplan voor de buitenwereld. In de grote wateren is dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in de rest van de gebieden de provincie (met het grootste aandeel).

Voorzieningen:

het geheel aan middelen, instrumenten en organisatorische condities dat noodzakelijk is om voorgenomen beleid of regelgeving uitvoerbaar te maken.

Wederkerige afspraken:

afspraken tussen het Rijk en medeoverheden waarin partijen zich over en weer committeren aan het leveren van specifieke prestaties, het beschikbaar stellen van voorzieningen en het nemen van verantwoordelijkheden, gericht op het gezamenlijk realiseren van een beleidsdoel.


X Noot
1

Onderzoek naar natuurtaken en middelen van provincies (Berenschot, april 2026).

X Noot
2

In de Staatscourant

X Noot
3

Puttend uit Rli, 2016. Systeemverantwoordelijkheid in de Fysieke Leefomgeving


X Noot
1

Onderzoek naar natuurtaken en middelen van provincies (Berenschot, april 2026).

X Noot
2

In de Staatscourant

X Noot
3

Puttend uit Rli, 2016. Systeemverantwoordelijkheid in de Fysieke Leefomgeving

Naar boven