Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 30 januari 2026, nr. WJZ/101782902, tot wijziging van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking houdende enkele technische wijzigingen

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van ‘aansluiting’ wordt ‘aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.

2. In de begripsomschrijving van ‘elektriciteitsnet’ wordt ‘net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘transmissiesysteem of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1. van de Energiewet'.

3. In de begripsomschrijving van ‘minister’ wordt ‘Minister van Economische Zaken en Klimaat als bedoeld in artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies' vervangen door ‘Minister van Klimaat en Groene Groei als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies'.

4. In de begripsomschrijving van ‘netbeheerder’ wordt ‘netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1. van de Energiewet’.

B

In artikel 7, onderdeel a, vervalt 'en de onbalanskosten’.

C

In artikel 9, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, vervalt telkens ‘en onbalanskosten'.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie met een vermogen van minder dan 1 MWp, waarbij sprake is van plaatsing op daken of bevestiging aan gevels, gaat de aanvraag vergezeld van een verklaring van de aanvrager dat het dak of de gevel geschikt is of wordt gemaakt voor de plaatsing volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld, tenzij sprake is van een aanvraag als bedoeld in het vijfde lid.

  • 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie met een vermogen van 1 MWp of meer, waarbij sprake is van plaatsing op daken of bevestiging aan gevels, gaat de aanvraag vergezeld van een verklaring van een constructeur over de belastbaarheid van het dak of de gevel volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie, waarbij het dak van een bestaand gebouw constructief wordt aangepast of een draagconstructie wordt toegepast die het dak ontlast en waarbij deze constructieve aanpassing noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie, dan wel bij het gebruik van het dak van een bestaand gebouw gebruik wordt gemaakt van een productie-installatie met een maximaal gewicht van 10 kilogram per vierkante meter bedekt dakoppervlak, wordt een verklaring aangeleverd van een constructeur over de belastbaarheid van het dak of de gevel volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

E

In artikel 14, eerste lid, wordt ‘artikel 74 van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 2.58, vijfde lid, van de Energiewet.’

F

Artikel 18, tweede lid, onderdeel e vervalt, onder verlettering van onderdeel f tot onderdeel e.

G

In artikel 20, eerste lid, wordt ‘artikel 18, eerste lid, onderdeel f’ vervangen door ‘artikel 18, eerste lid, onderdeel e’.

H

In artikel 22, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 1°, wordt ‘of’ aan het slot van het subonderdeel vervangen door ‘en’.

I

In artikel 24, derde lid, wordt ‘500 kWp’ vervangen door ‘1 MWp’ en wordt ‘, windenergie of waterkracht’ vervangen door ‘of windenergie’.

J

In artikel 29 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

K

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel c, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b van dat lid door een punt.

2. In het tweede lid vervalt onderdeel c, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b van dat lid door een punt.

L

In artikel 41 wordt ‘een rekening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, subonderdeel y, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘een rekening voor garanties van oorsprong als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.

M

Na artikel 47a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 47b (overgangsbepaling onbalanskosten in de elektriciteitsprijs en correctiebedragen)

Op beschikkingen tot subsidieverlening die zijn afgegeven op aanvragen voor subsidie die zijn ontvangen voor inwerkingtreding van het Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026 zijn artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, en 9, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van toepassing zoals die luidden voor 1 maart 2026.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2026, met uitzondering van artikel I, onderdeel J, dat op 1 januari 2027 in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 januari 2026

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

TOELICHTING

I. ALGEMEEN DEEL

1. Doel en aanleiding

Deze regeling strekt tot wijziging van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking (hierna: SCE). De SCE is op 3 maart 2021 gepubliceerd (Stcrt. 2021, 11080) en is op 1 april 2021 in werking getreden. De SCE wordt sinds 2021 jaarlijks opengesteld. In 2026 zal de SCE voor de zesde keer worden opengesteld.

Onderhavige wijzigingsregeling is erop gericht de SCE aan te passen naar aanleiding van wensen uit de praktijk. Daarnaast bevat de wijzigingsregeling enkele aanpassingen naar aanleiding van het advies van het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: PBL) voor de openstelling van de SCE in 20261. Tot slot bevat de regeling enkele wetstechnische wijzigingen naar aanleiding van het vervallen van de Elektriciteitswet 1998 en de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026. De wijzigingen worden hieronder nader toegelicht.

2. Inhoud van de regeling

Onbalanskosten (Artikel I, onderdelen B, C en M)

Op grond van de Elektriciteitsmarktrichtlijn2 moeten producenten de volledige financiële verantwoordelijkheid dragen voor hun onbalanskosten. Het is daarom niet toegestaan de onbalanskosten binnen de SCE te vergoeden middels het correctiebedrag. Met de wijzigingen in artikel 7 en 9 wordt de SCE met dit principe in lijn gebracht. De wijziging geldt alleen voor beschikkingen die zijn afgegeven vanaf 2026. Om die reden is een overgangsbepaling (artikel 47b) toegevoegd.

Verruiming vermogensgrens zon-PV (Artikel I, onderdeel D)

Op basis van het advies van PBL over de basisbedragen van de SCE voor 2026 zijn de categorieën zon-pv met een vermogen tot 500 kWp verruimd tot 1 MWp. De eisen zoals gesteld in artikel 13, derde en vierde lid, van de SCE worden hierop aangepast, zodat de eis om bij de aanvraag een ‘verklaring geschiktheid dak of gevel’ mee te sturen voortaan van toepassing is op projecten tot 1 MWp en de eis van het meesturen van een dakconstructieverklaring die gold voor projecten vanaf 500 kWp, voortaan geldt voor projecten vanaf 1 MWp.

Toevoeging eis dakconstructieverklaring bij zwakke daken (Artikel I, onderdeel D)

Indien subsidie wordt aangevraagd in een van de categorieën voor zon-PV op zwak dak, is het aanleveren van een verklaring van een constructeur over de belastbaarheid van het dak of de gevel volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving verplicht. Deze verplichting voor het aanleveren van een verklaring bestond al voor grootschalige zon-PV op dak (voorheen vanaf 500 kWp, nu vanaf 1 MWp). De verplichting geldt nu ook voor kleinschalige dakprojecten indien de aanvrager gebruik wil maken van de categorieën voor zon-PV op zwak dak. In dat geval moet uit de verklaring van de constructeur blijken dat sprake is van een zwak dak, waardoor de aanvrager in aanmerking komt voor deze categorie. Het aanleveren van een ‘verklaring geschiktheid dak of gevel’ van de aanvrager zelf is in dit geval niet meer nodig. Het is ook mogelijk een aanvraag in te dienen voor zon-PV tot 1 MWp in een categorie die niet voor zwakke daken bestemd is, ook al is er in werkelijkheid wel sprake van een zwak dak. De aanvrager dient dan wel een eigen verklaring aan te leveren dat het dak geschikt zal worden gemaakt voor zon-PV, zoals blijkt uit artikel 13, derde lid.

Versoepeling eisen bij vervangende windmolen (Artikel I, onderdeel H)

Ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel k, werd vereist dat de te vervangen windmolen er op het moment van vervanging minimaal 15 jaar heeft gestaan en het vermogen van de vervangende windmolen minimaal 1 MW hoger is. Met de wijziging van dit artikel hoeft maar aan één van beide eisen te worden voldaan. Met deze wijziging zijn de eisen bij vervanging van een bestaande windmolen gelijkgetrokken met de SDE++.

Vervallen eis zuiver terugleverallocatiepunt (Artikel I, onderdeel J, Artikel II)

De eis van een zuiver terugleverallocatiepunt uit artikel 29, tweede lid, vervalt vanaf 2027 voor zowel bestaande als nieuw af te geven beschikkingen. Die eis is vanaf 2027 niet meer nodig, omdat het risico op overstimulering vervalt zodra de salderingsregeling wordt afgeschaft.

Wijzigingen naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Energiewet (Artikel I, onderdelen A, E en L)

Per 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden en is de Elektriciteitswet komen te vervallen. Enkele verwijzingen naar de Elektriciteitswet 1998 in de begripsbepalingen van de SCE zijn omgezet naar verwijzingen naar de Energiewet. Het betreft beleidsneutrale omzettingen.

3. Regeldruk

De regeldruk die voortvloeit uit deze wijzigingsregeling is slechts in samenhang te zien met de SCE zelf. In de toelichting op het openstellingsbesluit 2026 wordt uitgebreid ingegaan op de regeldrukeffecten die voortvloeien uit onderhavige wijzigingsregeling. Samengevat is er sprake van een afname van structurele administratieve lasten voor subsidieontvangers. De geschatte eenmalige en structurele administratieve lasten bedragen in totaal 56.610 euro.

4. Notificatie

Een ontwerp van deze regeling is gemeld aan de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Het gaat hier om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen. Hiervoor geldt op grond van artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn 2015/1335 geen standstill-termijn.

5. Staatssteun

De coöperatie of VvE is in deze regeling de subsidieontvanger. Zowel leden van een VvE als deelnemende leden van een coöperatie zullen veelal particuliere huishoudens maar kunnen ook kleine ondernemingen (en eventueel middelgrote ondernemingen) zijn. De meerderheid zal echter geen onderneming zijn maar zal bestaan uit particuliere huishoudens. Omdat ondernemingen steun op grond van deze regeling kunnen ontvangen, kan er ten aanzien van die ondernemingen sprake zijn van staatsteun. Waar er ingevolge deze regeling sprake is van steun aan een onderneming, betreft het geoorloofde staatssteun onder de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV). Onder de AGVV zijn veel steuncategorieën vrijgesteld van aanmeldingsplicht bij de Europese Commissie. Er wordt aan de Europese Commissie een kennisgeving gedaan.

6. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2026, met uitzondering van artikel I, onderdeel J, dat op 1 januari 2027 in werking treedt. Hiermee wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn, bedoeld in aanwijzing 4.17, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dat is in dit geval gerechtvaardigd, omdat de doelgroep baat heeft bij snelle inwerkingtreding van de wijzigingsregeling.

Artikel I, onderdeel J, treedt later in werking dan de overige bepalingen van deze regeling omdat de bepaling samenhangt met de afschaffing van de salderingsregeling per 1 januari 2027.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans


X Noot
1

Planbureau voor de leefomgeving, ‘Advies subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026’. Raad te plegen op: https://www.pbl.nl/publicaties/advies-subsidieregeling-cooperatieve-energieopwekking-2026.

X Noot
2

Artikel 5 van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.


X Noot
1

Planbureau voor de leefomgeving, ‘Advies subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026’. Raad te plegen op: https://www.pbl.nl/publicaties/advies-subsidieregeling-cooperatieve-energieopwekking-2026.

X Noot
2

Artikel 5 van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.

Naar boven