Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 3291 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 3291 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Bedrijfstakeigen Regelingen 2024/2026
Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland VEBIDAK mede namens de overige partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij ter ener zijde: Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland VEBIDAK;
Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:
A
De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:
Artikel 3 lid 3 komt te luiden:
‘3. Werkgever en werknemer betalen hetgeen zij aan bijdragen zijn verschuldigd aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde stichting aan APG, het uitvoeringsorgaan van bedoelde stichting.
De werknemersbijdrage bedraagt vanaf 1 januari 2026 1,07% van het brutoloon SV op jaarbasis. De werkgeversbijdrage bedraagt van 1 januari 2026, inclusief de bijdrage van 1,2% voor de regeling vervroegd uittreden in verband met zwaar werk, 3,83% van het brutoloon SV op jaarbasis.
De bijdrage van de werkgever, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, bedraagt 2,22% van deze arbeidskosten.’
Artikel 6 lid 1 en lid 2 komen te luiden:
‘1. Onder ‘werkingssfeeronderzoeken’ worden verstaan onderzoeken naar de vraag of ondernemingen werkzaamheden verrichten die al dan niet onder de werkingssfeer vallen van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
2. SF BIKUDAK stelt namens CAO-partijen werkingssfeeronderzoeken in indien gerede twijfel over de toepasselijkheid van de CAO’s bestaat, zulks ter beoordeling aan SF BIKUDAK. Een melding wordt schriftelijk ingediend bij CAO-partijen (Postbus 1248, 3430 BE Nieuwegein).’
Artikel 2 lid 4 komt te luiden:
‘4. De bijdrage als bedoeld in lid 2, categorie a. is vanaf 1 januari 2026 1,07% van het brutoloon SV op jaarbasis. De bijdrage als bedoeld in lid 2, categorie b. is vanaf 1 januari 2026, inclusief de bijdrage van 1,2% voor de regeling vervroegd uittreden in verband met zwaar werk, 3,83% van het brutoloon SV op jaarbasis.
De bijdrage als bedoeld lid 2, categorie c. is vastgesteld op 2,22% van de in categorie c. bedoelde arbeidskosten op jaarbasis.’
Artikel 2 lid 1 komt te luiden:
‘1. De werkgever heeft tegenover de stichting aanspraak op (een) bijdrage(n) in kosten verbonden aan het volgen van (bijscholings)cursussen bij een opleidingsinstituut dat voldoet aan de door het bestuur gestelde criteria. De (bijscholings)cursus moet verband houden met het beroep van de (UTA-)werknemer. Voor een UTA-werknemer geldt verder dat de cursus branchespecifiek moet zijn. Vanaf 1 januari 2026 vervalt genoemde aanspraak voor zover het bijscholingscursussen van UTA-werknemers betreft.’
De titel van hoofdstuk 6 komt te luiden:
Artikel 2 lid 6 komt te luiden:
‘6. Een werknemer komt alleen in aanmerking voor de eenmalige uitkering als hij zich daarvoor meldt bij een vertegenwoordiger van FNV Bouwen & Wonen of CNV. Daarbij dient hij een ontslagbewijs en een toekenningsbeschikking WW of ZW van UWV te overleggen en verder alle gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op de eenmalige uitkering.
De werknemer dient zich te melden binnen negen maanden na het einde van zijn dienstverband.’
Artikel 3 lid 3 en lid 4 komen te luiden:
‘3. De hoogte van de aanvulling pensioenpremie was van 1 januari 2006 tot 1 januari 2014 49%, in 2014 59%, van 1 januari 2015 tot 1 januari 2023 65% en vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2026 69% van de premie voor middelloonregeling bij deelname in het bedrijfstakpensioenfonds.
Als de werknemer geen deelnemer is in het bedrijfstakpensioenfonds, maar in een ander pensioenfonds, wordt de werknemer voor de vaststelling van de hoogte van de aanvulling pensioenpremie geacht over de periode waarover de WW- en/of ZW-uitkering is ontvangen deelnemer te zijn in het bedrijfstakpensioenfonds.
4. Een werknemer komt alleen in aanmerking voor de aanvulling pensioenpremie op zijn WW- en/of ZW-uitkering als hij zich daarvoor meldt bij een vertegenwoordiger van FNV Bouwen & Wonen of CNV. De melding door de werknemer dient plaats te vinden binnen negen maanden na beëindiging van zijn dienstverband. Als al een melding als genoemd in artikel 2 lid 6 heeft plaatsgevonden, kan een melding voor de aanvulling pensioenpremie achterwege blijven. Werknemer dient alle gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de aanvulling.’
Artikel 3a wordt ingevoegd en komt te luiden:
1. Degene die direct voorafgaand aan zijn recht op WW-uitkering werknemer was en die recht heeft op een uitkering op basis van artikel 17 van de WW, heeft recht op betaling van een bedrag aan een pensioenuitvoerder voor voortzetting van pensioenopbouw.
2. Degene die direct voorafgaand aan zijn recht op ZW-uitkering werknemer was, heeft gedurende de ZW-uitkering recht op betaling van een bedrag aan een pensioenuitvoerder voor voortzetting van pensioenopbouw.
Degene die direct voorafgaand aan zijn recht op WW-uitkering werknemer was, vervolgens ziek wordt en na 13 weken een ZW-uitkering ontvangt, heeft gedurende de ZW- of WW-uitkering recht op betaling van een bedrag aan een pensioenuitvoerder voor voortzetting van pensioenopbouw.
3. De hoogte van de aanvulling pensioenpremie is vanaf 1 januari 2026 100% van de pensioenpremie voor de solidaire premieregeling bij deelname in het bedrijfstakpensioenfonds.
Als de werknemer geen deelnemer is in het bedrijfstakpensioenfonds, maar deelneemt aan de regeling van een andere pensioenuitvoerder, is de hoogte van de aanvulling pensioenpremie vanaf 2026 100% van de pensioenpremie voor de regeling waaraan hij deelnam.
4. Een werknemer komt alleen in aanmerking voor de aanvulling pensioenpremie op zijn WW- en/of ZW-uitkering als hij zich daarvoor meldt bij een vertegenwoordiger van FNV Bouwen & Wonen of CNV. De melding door de werknemer moet plaatsvinden tussen zes en negen maanden na beëindiging van zijn dienstverband. Een werknemer kan dat eerder doen als zijn uitkering eerder eindigt en hij weer werkt. Werknemer moet alle gegevens verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de aanvulling.
5. De hoogte van de aanvulling pensioenpremie wordt bij deelname in het bedrijfstakpensioenfonds vastgesteld door dat pensioenfonds. Neemt de werknemer niet deel aan het bedrijfstakpensioenfonds, dan stelt de uitvoerder van de pensioenregeling waaraan hij deelnam de hoogte van de aanvulling pensioenpremie vast.
6. Het recht op de aanvulling pensioenpremie bestaat niet als voor dezelfde periode van werkloosheid de pensioenopbouw op enigerlei wijze wordt voortgezet.
7. De vastgestelde aanvulling pensioenpremie wordt door de stichting betaald aan betreffende pensioenuitvoerder.
8. Geen recht op aanvulling pensioenpremie bestaat als de werknemer zich voor die aanvulling later meldt dan negen maanden na beëindiging van zijn dienstverband.’
Artikel 5 lid 2 komt te luiden:
‘2. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt ieder jaar door CAO-partijen vastgesteld en hangt af van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op 1 november van het kalenderjaar. De bedragen zijn als volgt vastgesteld:
|
bruto bedrag |
|
|---|---|
|
Vanaf 1 december 2025 |
|
|
bij 80% of meer arbeidsongeschiktheid |
€ 880,85 |
|
bij 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid |
€ 704,74 |
|
bij 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid |
€ 573,27 |
|
bij 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid |
€ 485,15 |
|
bij 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid |
€ 397,09 |
|
bij 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid |
€ 308,98 |
|
bij 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid |
€ 220,90’ |
Artikel 6 lid 2 en lid 5 komen te luiden:
‘2. De eindejaarsuitkering bedraagt € 880,85 vanaf 1 december 2025.
5. Een werknemer komt alleen in aanmerking voor de eindejaarsuitkering als hij zich daarvoor meldt bij een vertegenwoordiger van FNV Bouwen & Wonen of CNV. Daarbij dient hij alle gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de vaststelling van het recht op de eindejaarsuitkering. De werknemer dient zich te melden binnen 3 maanden na het kalenderjaar waarin hij recht had op de eindejaarsuitkering. Daarna hoeft de werknemer zich niet meer te melden.’
De titel van hoofdstuk 8 komt te luiden:
Artikel 3 lid 2 komt te luiden:
Artikel 1 komt te luiden:
In dit reglement wordt verstaan onder:
de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
de werkgever als bedoeld in de CAO’s;
de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
onderzoeken naar de vraag of een werkgever de bepalingen van de CAO’s naleeft;
‘de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven’. Zij wordt bij afkorting ook genoemd: SF BIKUDAK (Postbus 1248, 3430 BE Nieuwegein);
de ondernemingen onder leiding van de te Heerlen gevestigde naamloze vennootschap: APG Groep N.V.’
Artikel 3 lid 4 komt te luiden:
‘4. De melding dient ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de melder;
b. ondertekening door de melder;
c. naam en adres van de werkgever waarop de melding betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van de bedrijfsactiviteiten, vergezeld van de argumenten waaruit blijkt dat de CAO BIKUDAK en CAO BTER niet worden nageleefd;
e. de dagtekening.’
Artikel 1 komt te luiden:
In dit reglement wordt verstaan onder:
de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
de werkgever als bedoeld in de CAO’s;
de werknemer als bedoeld in de CAO’s;
de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en de CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven;
onderzoeken naar de vraag of ondernemingen werkzaamheden verrichten of gaan verrichten die al dan niet onder de werkingssfeer van de CAO’s vallen;
‘de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven’. Zij wordt bij afkorting ook genoemd: SF BIKUDAK (Postbus 1248, 3430 BE Nieuwegein);
de ondernemingen onder leiding van de te Heerlen gevestigde naamloze vennootschap: APG Groep N.V.’
Artikel 2 lid 1 komt te luiden:
‘1. SF BIKUDAK stelt namens partijen werkingssfeeronderzoeken in indien een redelijk vermoeden bestaat dat de werkzaamheden van een onderneming vallen onder de werkingssfeer van de CAO’s. SF BIKUDAK is bevoegd de onderzoeken te laten verrichten door een uitvoerende organisatie, zo nodig geassisteerd door een daartoe aan te wijzen extern bureau.’
Artikel 3 lid 3 komt te luiden:
‘3. Een melding wordt slechts in behandeling genomen indien deze bevat:
a. naam en adres van de melder;
b. ondertekening door de melder;
c. naam en adres van de onderneming waarop de melding betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van de bedrijfsactiviteiten, vergezeld van de argumenten waaruit blijkt dat in redelijkheid kan worden vastgesteld dat de werkzaamheden onder de werkingssfeer van de CAO’s vallen;
e. de dagtekening.’
Artikel 5 lid 5 komt te luiden:
‘5. De onderneming dient te allen tijde mee te werken aan een werkingssfeeronderzoek. Indien de aangeschreven onderneming weigert medewerking te verlenen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt is er sprake van een gegrond vermoeden dat de werkzaamheden van de onderneming onder de werkingssfeer van de CAO’s vallen.’
Artikel 7 lid 5 komt te luiden:
‘5. De termijn voor het indienen van bezwaar bedraagt 6 weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak schriftelijk bekend is gemaakt als bedoeld in artikel 6. Een bezwaar is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Een na afloop van deze termijn ingediend bezwaar, is niet ontvankelijk en wordt dus niet in behandeling genomen.’
De titel van hoofdstuk 11 komt te luiden:
Artikel 2 komt te luiden:
1. Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de werknemer of UTA-werknemer die:
a. op de uittredingsdatum een leeftijd heeft bereikt die maximaal drie jaar voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt,
b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum werknemer is, of direct voorafgaand aan de uittredingsdatum uta-werknemer was en een uta-functie is gaan vervullen in de tien jaar direct voorafgaand aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, en
c. in de periode van 25 jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum ten minste 20 jaar werkzaam is geweest in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer, dan wel in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de CAO Bouw & Infra als bouwplaatswerknemer in de zin van de CAO Bouw & Infra bijlage 1.1 en 1.2, dan wel dakwerkzaamheden heeft verricht in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van de CAO Metaal en Techniek, mits uitsluitend als dakdekker. Hierbij telt de periode mee waarin hij in de laatste tien jaar direct voorafgaand aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd werkzaam was als uta-werknemer. Per refertejaar tellen perioden van maximaal 3 maanden niet of elders werken mee als gewerkte tijd.
Indien de periode van twee jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum is onderbroken door perioden of is samengevallen met een aaneengesloten periode waarin de werknemer als uitzendkracht heeft gewerkt in een functie als genoemd in bijlage I van deze cao bij een werkgever zoals bedoeld in artikel 1A sub b van deze cao, telt deze gewerkte tijd mee voor de referteperiode. Bij een aaneengesloten periode van uitzendarbeid gedurende twee jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum geldt als nadere voorwaarde dat de werknemer direct voorafgaand aan deze periode in loondienst was van een werkgever zoals bedoeld in artikel 1a sub b van deze cao.
2. Geen recht op uitkering heeft de (voormalige) werknemer of UTA-werknemers die recht heeft op een IVA-uitkering, WW-uitkering of ZW-uitkering.
3.
a. Het is de uitkeringsgerechtigde die gebruikmaakt van de RVU niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten zoals omschreven in artikel 1B CAO BIKUDAK, noch als werknemer, noch als zelfstandig ondernemer, noch als uitzendkracht of in willekeurig welke andere flexibele arbeidsrelatie, een en ander noch in loondienst of in opdracht van een werkgever zoals bedoeld in artikel 1A sub b. CAO BIKUDAK, noch van een werkgever in de zin van de CAO Bouw & Infra (bouwplaatswerkzaamheden zoals omschreven in bijlage 1.1 en 1.2) of Metaal en Techniek (werkzaamheden van dakdekker). Handelen in strijd met dit verbod heeft tot gevolg dat de hoedanigheid van uitkeringsgerechtige met onmiddellijke ingang vervalt.
b. Vrijwilligerswerk naast gebruikmaking van de RVU is toegestaan. Een vrijwilliger is iemand die:
– voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet in echte of fictieve dienstbetrekking is;
– die niet 'bij wijze van beroep' werkt voor:
• een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen,
• een sportorganisatie of
• een algemeen nut beogende instelling (ANBI); en
– alleen een beloning krijgt die binnen de grenzen blijft van de vrijwilligersvergoeding zoals genoemd in artikel 2 lid 6 Wet op de loonbelasting 1964.’
Artikel 3 lid 2 komt te luiden:
‘2. De RVU-uitkering bedraagt per 1 januari 2026 het geldende drempelbedrag waarin begrepen de maximaal toegestane verhoging van € 300,00 bruto per maand. Het geldende drempelbedrag per 1 januari 2026 volgt (in zijn totaliteit) de collectieve loonontwikkeling volgens de CAO BIKUDAK doch uitsluitend voor zover het loonsverhogingen met een ingangsdatum na 1 januari 2026 betreft. De RVU-uitkering is nimmer hoger dan het op dat moment geldende wettelijk maximum voor RVU-uitkeringen. Reeds lopende RVU-uitkeringen worden per 1 januari 2026 verhoogd met € 300,00 bruto per maand en volgen met ingang van die datum de collectieve loonontwikkeling volgens de CAO BIKUDAK, voor zover dit binnen de wettelijke grenzen en de fiscale regelgeving mogelijk is.’
Artikel 4 lid 2 komt te luiden:
‘2. Het recht op uitkering eindigt terstond indien de uitkeringsgerechtigde werkzaamheden gaat verrichten zoals omschreven in artikel 1B CAO BIKUDAK, hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandig ondernemer, hetzij als uitzendkracht of willekeurig welke arbeidsrelatie, een en ander hetzij in loondienst of in opdracht voor een werkgever zoals bedoeld in artikel 1A, sub B CAO BIKUDAK, hetzij van een werkgever in de zin van de cao Bouw & Infra of Metaal en Techniek.’
Stcrt. 2022 nr. 20523 (rectificatiebesluit 2022, nr. 20523-n1), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 augustus 2024 (Stcrt. 2024, nr. 23589).
Stcrt. 2022 nr. 20523 (rectificatiebesluit 2022, nr. 20523-n1), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 augustus 2024 (Stcrt. 2024, nr. 23589).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-3291.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.