HERDRUK Mededeling over de implementatie van de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’), Ministerie van Justitie en Veiligheid

De Minister van Justitie en Veiligheid deelt mee dat de bovengenoemde richtlijn wordt geïmplementeerd met artikel 224a en 237, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.1 Voor het overige deel is de richtlijn reeds geïmplementeerd in bestaande wetgeving, te weten bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Boek 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek.

De artikelen 224a en 237, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op 14 juli 2026 in werking getreden.2

De richtlijn is geïmplementeerd op de wijze als aangegeven in de transponeringstabel die als bijlage bij deze mededeling is opgenomen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze, E.D.G. Kiersch Directeur Wetgeving en Juridische Zaken

BIJLAGE: TRANSPONERINGSTABEL

Artikel, -lid of -onderdeel EU-regeling

Te implementeren in of geïmplementeerd in

Bijzonderheden

Toelichting op implementatiewijze

Artikel 1

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling geeft het onderwerp van de richtlijn aan.

 

Artikel 2

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling legt geen verplichtingen op aan de lidstaten.

Deze bepaling over het toepassingsgebied behoeft geen zelfstandige implementatie, maar is wel meegenomen bij (de toelichting op) de implementatie van artikel 10 van de richtlijn (zie hieronder).

Artikel 3, eerste lid

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling geeft aan dat de richtlijn minimumharmonisatie betreft.

 

Artikel 3, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Bepaling geeft aan dat de richtlijn-implementatie niet mag worden gebruikt om reeds geboden waarborgen voor onder de RL vallende aangelegenheden te verlagen.

 

Artikel 4, onder 1

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling betreft een definitiebepaling.

De bepaling behoeft geen zelfstandige implementatie, maar is, voor zover van belang, meegenomen bij (de toelichting op) de implementatie van artikel 10.

Artikel 4, onder 2

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling betreft een definitiebepaling.

De bepaling behoeft geen zelfstandige implementatie, maar is, voor zover van belang, meegenomen bij (de toelichting op) de implementatie van artikel 10.

Artikel 4, onder 3

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling betreft een definitiebepaling.

De bepaling behoeft geen zelfstandige implementatie, maar is, voor zover van belang, meegenomen bij (de toelichting op) de implementatie van artikel 10.

Artikel 5, eerste lid

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling legt geen verplichtingen op aan de lidstaten.

De omschrijving van de reikwijdte van de richtlijn behoeft geen zelfstandige implementatie, maar is, voor zover van belang, meegenomen bij (de toelichting op) de implementatie van de hierna te noemen bepaling.

Artikel 5, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling verwijst naar Brussel I bis Verordening m.b.t. bepaling van de woon- of vestigingsplaats.

 

Artikel 6, eerste lid, onder a

Artikel 224a Rv (nieuw)

Na artikel 224 Rv is een nieuw artikel 224a opgenomen waarin wordt bepaald dat in gevallen die onder de anti-SLAPP Richtlijn vallen zekerheid kan worden gevraagd.

 

Artikel 6, eerste lid, onder b

Artikelen 20, 111, tweede lid, onder d, 120, 128, 131, 132, 208, 209, 223 en 254 Rv en 3:303 en 3:326 BW

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Zie hieronder bij artikel 11.

Artikel 6, eerste lid, onder c

Artikelen 237, zesde lid, Rv (nieuw) en 6:162, 6;167, 3:13, 3:15, 3:296 en 3:326 BW

Artikel 237, zesde lid, Rv is ingevoerd in het kader van de implementatie. De overige bepalingen betreffen bestaande wetgeving.

Zie hieronder bij artikel 14 en 15.

Artikel 6, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Het betreft een ‘kan-bepaling’

Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 731, nr. 3, p. 14.

Artikel 7, eerste lid

Artikel 208, 209, 223 en 254 e.v. Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

De verweerder kan vragen om vorderingen tot zekerheidstelling en vroegtijdige afwijzing als incident te behandelen, opdat de rechter hierop eerst en vooraf beslist (al dan niet na een mondelinge behandeling, artikel 208 en 209 Rv). In een aanhangige bodemprocedure kan de verweerder ook om een voorlopige voorziening vragen (artikel 223 Rv). Een persoon die meent doelwit van een SLAPP te zijn kan in spoedeisende zaken te allen tijde een kort geding aanhangig maken.

Artikel 7, tweede lid

Artikel 20, 208, 209, 223 en 254 e.v. Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

De verweerder kan vragen om vorderingen tot voorzieningen in rechte als incident te behandelen, opdat de rechter hierop eerst en vooraf beslist (al dan niet na een mondelinge behandeling, artikel 208 en 209 Rv). In een aanhangige bodemprocedure kan de verweerder ook om een voorlopige voorziening vragen (artikel 223 Rv).

Ook zonder incident, waakt de rechter tegen onredelijke vertraging en zal de rechter zodra voldoende informatie beschikbaar is, de vordering afdoen (art 20 Rv).

Een persoon die meent doelwit van een SLAPP te zijn, kan in spoedeisende zaken te allen tijde een kort geding aanhangig maken.

Artikel 8

Artikel 136 Rv en 6:162 BW

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Het Nederlandse procesrecht voorziet hier al in:

– verweerder kan een eis in reconventie (‘tegenvordering’) indienen (artikel 136 Rv).

– verweerder kan er ook voor kiezen een nieuwe procedure te starten en daarin schadevergoeding te vorderen (op grond van artikel 6:162 BW).

Artikel 9

Artikelen 87, 163–192 en 217 Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord (zie artikel 87, 163–192 Rv). Ook kan eenieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen (artikel 217 Rv).

Artikel 10

Artikel 224a Rv (nieuw)

Na artikel 224 Rv is een nieuw artikel 224a opgenomen waarin wordt bepaald dat in gevallen die onder de anti-SLAPP Richtlijn vallen zekerheid kan worden gevraagd.

 

Artikel 11

Artikelen 20, 111, tweede lid, onder d, 120, 128, 131, 132, 208, 209, 223 en 254 Rv en 3:13, 3:15, 3:303 en 3:326 BW

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Het Nederlandse procesrecht is erop gericht om zo snel mogelijk de omvang van het geschil helder te krijgen, zodat daar ook zo snel mogelijk op kan worden beslist. In dat kader waakt de rechter tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen. Ook zijn partijen tegenover elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen (artikel 20 Rv).

De eiser moet de eis en alle gronden bij dagvaarding kenbaar maken (artikel 111, tweede lid, onder d, en 120 Rv). Daarop moet verweerder reageren (artikel 128 Rv). Hij kan dan ook meteen naar voren brengen dat er sprake is van een SLAPP / misbruik van procesrecht (artikel 3:13, 3:15, 3:303 en 3:326 BW).

Vervolgens bepaalt de rechter een tijdstip voor mondelinge behandeling, tenzij hij een schriftelijke ronde meer passend acht (artikel 131 en 132 Rv). De rechter kan vervolgens indien hij voldoende informatie heeft op de zaak beslissen.

De verweerder kan ook vragen om het verzoek om afwijzing als incident te behandelen, opdat de rechter hierop eerst en vooraf beslist (al dan niet na een mondelinge behandeling) (artikel 208 en 209 Rv).

In een aanhangige bodemprocedure kan de verweerder ook om een voorlopige voorziening vragen (artikel 223 Rv). Daarnaast kan de persoon die meent doelwit van een SLAPP te zijn in spoedeisende zaken een kort gedingprocedure starten met als inzet dat de partij die een SLAPP aanhangig heeft gemaakt, deze procedure intrekt en zich onthoudt van verdere juridische stappen.

Tegen dit oordeel staat hoger beroep en cassatie open.

Artikel 12, eerste lid

Artikel 150 Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

De partij die zich beroept op rechts-gevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit (artikel 150 Rv). De eiser draagt dus de bewijslast voor de gegrondheid van zijn vordering.

Artikel 12, tweede lid

Artikelen 111, tweede lid, onder d, 120, 128, 131, 132 en 150 Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Eiser moet aan het begin van de procedure zijn vordering onderbouwen en daarvoor bewijsmiddelen aandragen (artikel 111, tweede lid, onder d, en 120 Rv). Daarop moet verweerder reageren (artikel 128 Rv). Hij kan dan ook meteen met onderbouwing om afwijzing verzoeken. Vervolgens bepaalt de rechter een tijdstip voor mondelinge behandeling, tenzij hij een schriftelijke ronde meer passend acht (artikel 131 en 132 Rv). De eiser zal dan op de stelling van verweerder moeten reageren. Op de eiser rust de bewijslast van de gegrondheid van zijn stellingen en zijn vordering (artikel 150 Rv). De rechter kan vervolgens indien hij voldoende informatie heeft op de zaak beslissen.

Artikel 13

Artikel 332 Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving

Partijen kunnen van een in eerste aanleg gewezen vonnis – waaronder een ‘vroegtijdige afwijzing’ – in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Bij een SLAPP zal uit de aard van de zaak sprake zijn van vorderingen die meer dan € 1.750 bedragen.

Artikel 14, eerste lid

Artikelen 237, zesde lid, Rv (nieuw) en 3:13 en 3:15 BW

Artikel 237, zesde lid, Rv is ingevoerd in het kader van de implementatie van de richtlijn. De overige bepalingen betreffen bestaande wetgeving.

De eiser die die een kennelijk ongegronde vordering instelt of misbruik maakt van procesrecht, gericht tegen publieke participatie en die in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de volledige kosten die de wederpartij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

Artikel 14, tweede lid

Artikelen 237, zesde lid, Rv (nieuw) en 3:13 en 3:15 BW

Artikel 237, zesde lid, Rv is ingevoerd in het kader van de implementatie van de richtlijn. De overige bepalingen betreffen bestaande wetgeving.

Zie hierboven.

Artikel 15

Artikelen 6:162, 6:167, 3:13, 3:15 en 3:296 BW en artikel 611a e.v. Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Tenzij uit de wet, uit de aard van de verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, kan hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, worden veroordeeld. Verweerder kan bijvoorbeeld de eiser aansprakelijk stellen op grond van onrechtmatige daad en daarbij schadevergoeding, rectificatie of het opleggen van een dwangsom vorderen.

Artikel 16

Verordeningen en verdragen (bijv. Brussel I bis en Verdrag van Lugano) en artikel 431 Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

Verordeningen en verdragen voorzien in openbare orde exceptie waar in deze gevallen gebruik van kan worden gemaakt. Als er geen verdrag geldt, dient op grond van art. 431 Rv een geding opnieuw bij de Nederlandse rechter te worden behandeld en afgedaan. Vaste rechtspraak is dat openbare orde in dat geval een van de gronden is om een veroordeling overeenkomstig de buitenlandse beslissing te weigeren.

Artikel 17, eerste lid

Artikelen 1 en 6, onder e, Rv

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving.

De Nederlandse rechtsmachtregeling sluit aan op artikel 7, onder 2, Verordening Brussel I bis.

Op basis van vaste rechtspraak van het HvJEU ziet de bepaling van artikel 7, onder 2 (plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan) zowel op het schadebrengende feit als op de plaats waar de directe schade is ingetreden. Bij SLAPP’s in een niet EU-land gericht tegen een in Nederland woonachtig persoon mag worden aangenomen dat zich (ook) directe schade voor deze persoon voordoet in Nederland. Dit betekent dat voor de implementatie van artikel 17 richtlijn al een voorziening is getroffen.

Artikel 17, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Het betreft een ‘kan-bepaling’.

Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 731, nr. 3, p. 16–17.

Artikel 18

Behoeft geen implementatie.

Betreft verhouding van de richtlijn tot bilaterale en multilaterale overeenkomsten.

 

Artikel 19, eerste lid

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling behoeft geen implementatie in de vorm van wetgeving, hieraan wordt beleidsmatig uitvoering gegeven.

 

Artikel 19, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Is al geïmplementeerd met bestaande wetgeving

De richtlijn rechtsbijstand (Richtlijn 2003/8/EG) is op 19 februari 2005 geïmplementeerd in nationale wetgeving (Stb. 2005, 90)

Artikel 19, derde lid

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling behoeft geen implementatie in de vorm van wetgeving, hieraan wordt beleidsmatig uitvoering gegeven.

 

Artikel 20

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling behoeft geen implementatie in de vorm van wetgeving. Deze bepaling vergt beleidsmatige uitvoering voor zover de gevraagde informatie beschikbaar is. Onderzocht wordt of de betreffende informatie beschikbaar is. Indien (een deel van) de informatie beschikbaar is, zal hieraan uitvoering worden gegeven.

 

Artikel 21

Behoeft geen implementatie.

Deze bepaling behoeft geen implementatie in de vorm van wetgeving, hieraan wordt beleidsmatig uitvoering gegeven voor zover de gevraagde informatie beschikbaar is.

 

Artikel 22, eerste lid

Behoeft geen implementatie.

Betreft implementatietermijn.

 

Artikel 22, tweede lid

Behoeft geen implementatie.

Betreft uitvoering.

 

Artikel 23

Behoeft geen implementatie.

Betreft inwerkingtreding van de richtlijn.

 

Artikel 24

Behoeft geen implementatie.

Betreft de adressanten van de richtlijn.

 
Naar boven