Mededeling over de implementatie van de Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333), van het Ministerie van Justitie en Veiligheid

De Minister van Justitie en Veiligheid deelt mee dat de bovengenoemde richtlijn voor het grootste deel wordt geïmplementeerd met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (hierna: Wwke).1 Voor het overige deel is de richtlijn reeds geïmplementeerd in bestaande wetgeving, te weten de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Wet veiligheidsonderzoeken en afdeling 5 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en onderliggende regelgeving.

Het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten2 (hierna: Bwke) bevat regels ter uitvoering van de Wwke en regelt dat de Wwke en het Bwke in werking treden met ingang van 15 augustus 2026.

De richtlijn is geïmplementeerd op de wijze als aangegeven in de transponeringstabel die als bijlage bij deze mededeling is opgenomen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze, E.D.G. Kiersch Directeur Wetgeving en Juridische Zaken

BIJLAGE: TRANSPONERINGSTABEL

Bepaling uit de Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333)

Bepaling in implementatieregeling (Stb. 2026, 188) of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting

Artikel 1, eerste lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het een uitleg betreft van de inhoud van de richtlijn.

Artikel 1, tweede lid

Artikel 4 Wwke

Artikel 1, derde lid

Artikel 16 Wwke

Artikel 1, vierde lid

Artikel 34 Wwke

Artikel 1, vijfde lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het een uitleg betreft van hetgeen de richtlijn lidstaten nadrukkelijk niet belet.

Artikel 1, zesde lid

Artikel 5 Wwke

Artikel 1, zevende lid

Artikel 24, eerste lid, Wwke

Artikel 1, zevende lid, CER-richtlijn bepaalt dat lidstaten kunnen besluiten dat bepaalde bepalingen (over verplichtingen voor kritieke entiteiten) uit de CER-richtlijn geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op specifieke kritieke entiteiten die activiteiten uitvoeren op het gebied van nationale veiligheid, openbare veiligheid, defensie of rechtshandhaving.

Artikel 24, eerste lid, Wwke voorziet in de bevoegdheid van de vakminister tot het ontheffen van bepaalde kritieke entiteiten van bepaalde verplichtingen. Die bevoegdheid strekt tot de kritieke entiteiten en verplichtingen, bedoeld in artikel 1, zevende lid, CER-richtlijn.

Artikel 1, achtste lid

Artikel 35 Wwke

Artikel 1, negende lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het een uitleg betreft van waar de richtlijn geen afbreuk aan doet.

Artikel 2

Artikel 1 Wwke, voor zover de begrippen in de Wwke voorkomen

Artikel 3

De mogelijkheid om – vanwege minimumharmonisatie – nationale bepalingen te treffen of te handhaven om het weerbaarheidsniveau van kritieke entiteiten te verhogen.

Er is geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Artikel 4, eerste lid

De artikelen 13, eerste en vierde lid, en 45 Wwke

Artikel 4, tweede lid

Artikel 13, tweede, derde en vierde lid, Wwke

Artikel 4, derde lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 5, eerste lid

De artikelen 6, derde lid, 9, eerste, vierde en vijfde lid, en 44 Wwke

Artikel 5, tweede lid

Artikel 9, tweede en derde lid, Wwke

Artikel 5, derde lid

Artikel 9, zesde lid, Wwke

Artikel 5, vierde lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 5, vijfde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 6, eerste lid

Artikel 43 Wwke

Artikel 6, tweede lid

Artikel 6, eerste en derde lid, Wwke

Artikel 6, derde lid

De artikelen 6, vijfde lid, 11, 15, zesde lid, en 17, zevende lid, Wwke

Artikel 6, vierde lid

Artikel 27, tweede lid, Wwke

Artikel 6, vijfde lid

De artikelen 6, zevende lid, en 11, tweede lid, Wwke

Artikel 6, zesde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 7, eerste lid

Artikel 6, tweede lid, Wwke

Artikel 7, tweede lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 7, derde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 8

Artikel 23 Wwke

Artikel 9, eerste lid

De artikelen 8 en 25 Wwke

De mogelijkheid om meer dan één bevoegde autoriteit aan te wijzen of op te richten.

Er is gekozen voor de aanwijzing van de vakminister als de bevoegde autoriteit voor de sector waar hij verantwoordelijk voor is.

Artikel 9, tweede lid

Artikel 12 Wwke

De mogelijkheid om een centraal contactpunt aan te wijzen binnen een bevoegde autoriteit en om te bepalen dat het centrale contactpunt een verbindingsfunctie vervult in de samenwerking met de Europese Commissie en derde landen.

Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een centraal contactpunt aan te wijzen binnen een bevoegde autoriteit. Er is wel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te bepalen dat het centrale contactpunt een verbindingsfunctie vervult in de samenwerking met de Europese Commissie en derde landen.

Artikel 9, derde lid

De eerste volzin behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid. De tweede volzin betreft een mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten dat niet hoeft te worden geïmplementeerd in nationale wetgeving.

Artikel 9, vierde lid

De artikelen 8 tot en met 12, 18, 21, 25 tot en met 31, en 36 tot en met 40 Wwke

Deze bepaling behoeft voor wat betreft de bevoegdheden wel implementatie in nationale wetgeving. De rest van de bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat dat ziet op feitelijke handelingen van de centrale overheid.

Artikel 9, vijfde lid

Artikel 28 Wwke

Artikel 9, zesde lid

Artikel 27, eerste lid, Wwke

Artikel 9, zevende lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 9, achtste lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 10, eerste lid

Artikel 10 Wwke en artikel 2 Bwke

De lidstaten mogen zelf bepalen hoe zij de ondersteuning vormgeven.

Artikel 10, tweede lid

Artikel 10 Wwke en artikel 2 Bwke

Artikel 10, derde lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 11, eerste lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 11, tweede lid

Deze bepaling ziet op een uitleg van het doel van het eerste lid.

Artikel 12, eerste lid

Artikel 14, eerste en derde lid, Wwke, uitgewerkt in artikel 3 Bwke

Artikel 12, tweede lid

Artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, Wwke, uitgewerkt in artikel 3 Bwke

Artikel 13, eerste lid

Artikel 15, eerste en tweede lid, Wwke, uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 13 Bwke

Artikel 13, tweede lid

Artikel 15, derde lid, Wwke

Artikel 13, derde lid

Artikel 19 Wwke

Artikel 13, vierde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 13, vijfde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 13, zesde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 14, eerste, tweede en derde lid

Reeds geïmplementeerd in de Wet veiligheidsonderzoeken en afdeling 5 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en onderliggende regelgeving

In het onderzoek in het kader van de aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt ook het Europees Strafregisterinformatiesysteem geraadpleegd.

Artikel 15, eerste lid

De artikelen 17, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en 18, derde lid, Wwke, uitgewerkt in de artikelen 16 en 17 Bwke, en artikel 15 Bwke

De lidstaten kunnen rekening houden met meer parameters dan in artikel 15, eerste lid, CER-richtlijn zijn gegeven om uit te maken of de verstoring aanzienlijk is.

In artikel 17, vijfde lid, Wwke is bepaald dat bij of krachtens amvb de criteria worden vastgesteld op basis waarvan wordt bepaald of een verstoring aanzienlijk is als bedoeld in artikel 17, derde lid, Wwke.

Artikel 15, tweede lid

Artikel 17, tweede lid, Wwke

Artikel 15, derde lid

Artikel 18, vierde en vijfde lid, Wwke

Artikel 15, vierde lid

Artikel 18, eerste en tweede lid, Wwke

Artikel 16

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een aanmoediging.

Artikel 17, eerste lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op de gevallen waarin de Europese Commissie een entiteit beschouwt als een zogeheten kritieke entiteit van bijzonder Europees belang.

Artikel 17, tweede lid

De artikelen 20 en 21, eerste lid, Wwke

De laatste volzin van artikel 17, tweede lid, CER-richtlijn behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 17, derde lid

Artikel 21, tweede lid, Wwke

Artikel 17, vierde lid

De artikelen 20 en 21 Wwke

Artikel 18, eerste lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, tweede lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, derde lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving, omdat het ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid.

Artikel 18, vierde lid

De artikelen 21, derde lid, en 22 Wwke (voor wat betreft de laatste volzin van artikel 18, vierde lid, CER-richtlijn)

Alleen de laatste volzin behoeft implementatie in nationale wetgeving. De eerste volzin is gericht op de adviesmissie. De tweede volzin ziet op een feitelijke handeling van de centrale overheid. De derde volzin is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, vijfde lid

De eerste alinea ziet op de samenstelling van de adviesmissie. De tweede alinea is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, zesde lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, zevende lid

Reeds geïmplementeerd in artikel 5:15, derde lid, Awb

Artikel 18, achtste lid

Artikel 18, negende lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 18, tiende lid

Deze bepaling behoeft geen implementatie in nationale wetgeving. Deze bepaling ziet immers deels op een feitelijke handeling van de centrale overheid en is voor het andere deel gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 19, eerste lid

Deze bepaling ziet op de oprichting van de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten en de taken van deze groep.

Artikel 19, tweede lid

Deze bepaling ziet op de samenstelling van Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten.

Artikel 19, derde en vierde lid

Deze bepalingen zijn gericht aan de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten.

Artikel 19, vijfde lid

Deze bepaling is gericht aan de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten en de NIS2-samenwerkingsgroep.

Artikel 19, zesde lid

Deze bepaling betreft een bevoegdheid van de Europese Commissie.

Artikel 19, zevende lid

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 20, eerste, tweede en derde lid

Deze bepalingen zijn gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 21, eerste lid

Reeds geïmplementeerd in titel 5.2 Awb (voor wat betreft onderdeel a), voorts artikel 37 Wwke (voor wat betreft onderdeel b)

Artikel 21, tweede lid

Reeds geïmplementeerd in de artikelen 5:16, 5:17 en 5:20 Awb, voorts artikel 37, eerste lid, onderdeel b, Wwke

Artikel 5:16 Awb verschaft aan toezichthouders een algemene bevoegdheid om inlichtingen te vorderen. De toezichthouder moet zijn vordering motiveren en daarbij de wettelijke grondslag noemen.1 Onderdeel van die motiveringsplicht is dat de toezichthouder motiveert waarom de gevorderde informatie noodzakelijk is voor het uitoefenen van de toezichthoudende taak.2

De vordering van de toezichthouder moet voldoende concreet zijn.3

Artikel 21, derde lid

De artikelen 38 en 39 Wwke, voorts artikel 5:32, eerste lid, Awb

Op grond van artikel 5:32, eerste lid, Awb is een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, bevoegd om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen.

Artikel 21, vierde lid

Zie toelichting

Deze waarborgen zijn reeds aanwezig in het Nederlandse rechtsstelsel en zijn onder meer gecodificeerd in de Awb.

Artikel 21, vijfde lid

Artikel 27, eerste, derde en vijfde lid, Wwke

Artikel 22

Artikel 40 Wwke

Artikel 23, eerste en tweede lid

Deze bepalingen betreffen bevoegdheden van de Europese Commissie.

Artikel 23, derde lid

Deze bepaling betreft een bevoegdheid van het Europees Parlement en de Europese Raad.

Artikel 23, vierde en vijfde lid

Deze bepalingen zijn gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 23, zesde lid

Deze bepaling ziet op de inwerkingtreding van een gedelegeerde handeling.

Artikel 24, eerste en tweede lid

Deze bepalingen zien op bijstand aan de Europese Commissie door een comité.

Artikel 25

Deze bepaling is gericht aan de Europese Commissie.

Artikel 26, eerste lid

Zie toelichting

De CER-richtlijn wordt geïmplementeerd in de Wwke.

Artikel 26, tweede lid

Deze bepaling ziet op een feitelijke handeling.

Artikel 27

Zie toelichting

Deze bepaling vereist geen wijziging van bestaande wet- en regelgeving, omdat de in deze bepaling genoemde richtlijn niet is geïmplementeerd in wetgeving.4

Artikel 28

Deze bepaling ziet op de inwerkingtreding van de CER-richtlijn.

Artikel 29

Deze bepaling ziet op de adressaten van de CER-richtlijn.

X Noot
1

Kamerstukken II 2004/05, 29 708, nr. 7, p. 11.

X Noot
2

Zie ook ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1674, rechtsoverweging 4.2: “Gelet op artikel 5:13 van de Awb maakt een toezichthouder slechts van zijn bevoegdheden gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. De inspectie kan dus geen inzage vorderen van andere informatie dan die welke verband houden met de wettelijke voorschriften waarop het toezicht in het concrete geval betrekking heeft. Daarnaast moet zij motiveren waarom de gevraagde informatie noodzakelijk is voor het uitoefenen van het toezicht.”

X Noot
3

Zie ook ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:378, rechtsoverweging 2.5: “Zoals de Afdeling [bestuursrechtspraak van de Raad van State] eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201110374/1/V6), moeten uit het oogpunt van rechtszekerheid hoge eisen worden gesteld aan de kenbaarheid van een vordering tot het verlenen van medewerking.”

X Noot
4

Zie Stcrt. 2010, 20996.


X Noot
1

Wet van 8 juli 2026, houdende regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) (Stb. 2026, 188).

X Noot
2

Besluit van 8 juli 2026, houdende regels ter uitvoering van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten) (Stb. 2026, 190).


X Noot
1

Wet van 8 juli 2026, houdende regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) (Stb. 2026, 188).

X Noot
2

Besluit van 8 juli 2026, houdende regels ter uitvoering van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten) (Stb. 2026, 190).

Naar boven