Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 25865 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 25865 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
beschikking waarin het UWV heeft vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend, als bedoeld in artikel 2;
het dagloon, bedoeld in artikel 13 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
loon als bedoeld in artikel 14 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;
kalendermaand in de referteperiode waarin de werknemer geen loon heeft genoten als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
referteperiode voor de dagloonvaststelling van een WIA-uitkering als bedoeld in artikel 13 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 68 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon ten aanzien van wie ambtshalve, of na een aanvraag tot herziening van de WIA-uitkering die is ingediend voor 1 september 2028, door het UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend door:
a. een onjuiste toepassing van hoofdstuk 3, 3a en 4 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, of een onjuiste toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024;
b. een onjuiste indexering van het dagloon als bedoeld in artikel 14 van de WIA, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2022;
c. toepassing van artikel 33, eerste lid, van de Werkloosheidswet waardoor een loonloos tijdvak in de referteperiode is ontstaan en dit een verlagend effect heeft op de hoogte van de WIA-uitkering op of na 29 november 2023, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 april 2026;
d. om andere redenen dan bedoeld in onderdeel c een of meerdere loonloze tijdvakken in de referteperiode zijn ontstaan en dit een verlagend effect heeft op de hoogte van de WIA-uitkering op of na 30 juli 2024, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 april 2026;
1. Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, als door het UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend als gevolg van een te hoge vaststelling van het dagloon en artikel 2, onderdeel b, c of d, niet van toepassing is.
2. Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wiens WIA-uitkering is beëindigd voor 1 januari 2020.
3. Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon wiens WIA-uitkering met terugwerkende kracht is herzien wegens een van de in artikel 2 bedoelde situaties.
4. Het derde lid is niet van toepassing als het UWV heeft vastgesteld dat de herziening met terugwerkende kracht heeft geleid tot een onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in artikel 2.
1. De hoogte van de eenmalige vergoeding bedraagt de uitkomst van de volgende formule:
(Nieuw – Oud + V) x 0,65 + R
hierbij staat:
Nieuw voor het totaalbedrag van de WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de persoon, bedoeld in artikel 2, zou hebben genoten gedurende de periode, bedoeld in het tweede of derde lid, als de onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering, bedoeld in artikel 2, niet had plaatsgevonden;
Oud voor het totaalbedrag van de WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de persoon, bedoeld in artikel 2, heeft genoten gedurende de periode, bedoeld in het tweede of derde lid;
V voor 0,08 x (Nieuw – Oud);
R voor 0,125 x (Nieuw – Oud + V).
2. De periode waarover de hoogte van de eenmalige vergoeding wordt berekend is:
a. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, de periode van 1 januari 2020 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft;
b. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, de periode van 29 november 2023 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft;
c. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, de periode van 30 juli 2024 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft.
3. Als het recht op de WIA-uitkering is beëindigd voorafgaand aan de vaststelling van het recht op de vergoeding, is in afwijking van het tweede lid, de periode waarover de hoogte van de eenmalige vergoeding wordt berekend:
a. voor de persoon bedoeld in artikel 2, onderdelen a, c of d, een periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd;
b. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, voor wie het recht op de WIA-uitkering is beëindigd op of na 1 januari 2020, een periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd.
4. Als meerdere onderdelen van artikel 2 voor een persoon van toepassing zijn, is de periode waarover de hoogte van de vergoeding wordt berekend, de ruimste periode die voor die persoon op grond van het tweede of derde lid van toepassing is.
1. De minister kent het recht op de eenmalige vergoeding ambtshalve toe, nadat:
a. het UWV een beschikking tot herziening heeft genomen; en
b. de persoon ten aanzien van wie het voornemen bestaat om het recht op de eenmalige vergoeding ambtshalve toe te kennen, in de gelegenheid is gesteld om te kennen te geven niet in aanmerking te willen komen voor de eenmalige vergoeding.
2. De minister kent het recht op de eenmalige vergoeding niet ambtshalve toe ten aanzien van de persoon die te kennen heeft gegeven niet in aanmerking te willen komen voor de eenmalige vergoeding.
De minister betaalt de eenmalige vergoeding binnen zes weken na de toekenning daarvan uit.
De minister herziet beschikkingen op grond van deze regeling of trekt dergelijke beschikkingen in, als:
a. de eenmalige vergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend;
b. na de toekenning van de eenmalige vergoeding een herziening van de hoogte van de WIA-uitkering heeft plaatsgevonden vanwege een onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in artikel 2.
1. De eenmalige vergoeding die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 7 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de minister teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid ziet de minister af van terugvordering voor zover de onverschuldigde betaling het gevolg is van een handelen of nalaten van de minister, tenzij het aan de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan vergoeding werd betaald.
De minister kan afzien van een herziening, intrekking of terugvordering als de nadelige gevolgen voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
1. De minister verleent de voorzitter van de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:
a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;
b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en
c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
2. De Raad van Bestuur van het UWV is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat als bedoeld in artikel 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het UWV werkzame functionarissen.
3. Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling en tevens op de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend.
1. De minister is de verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.
2. De voorzitter van de Raad van Bestuur van het UWV is verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de aan hem gemandateerde taken.
3. De persoonsgegevens die worden verwerkt ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden.
1. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.
2. Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
3. In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV, maandelijks een periodiek voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 12, derde lid, van:
a. de geraamde vergoedingen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en
b. de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
1. Het UWV brengt aan de minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 13, uitgesplitst naar de eenmalige vergoedingen en de uitvoeringkosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.
3. Op de in het tweede lid bedoelde eenmalige vergoedingen komen in mindering de eenmalige vergoedingen die zijn teruggevorderd en de bedragen die anderszins zijn terugbetaald.
4. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten op grond van artikel 13, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Aan artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel hh door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
ii. de eenmalige vergoeding, bedoeld in de Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
Inhoudsogave
|
ALGEMEEN |
|||
|
Hoofdstuk 1 – Inleiding |
|||
|
1.1 |
Aanleiding |
||
|
1.2 |
Nut en noodzaak van de regeling |
||
|
1.3 |
Doel van de regeling |
||
|
1.4 |
Verhouding tot wettelijk kader |
||
|
Hoofdstuk 2 – Toekenning eenmalige vergoeding |
|||
|
2.1 |
WIA op hoofdlijnen |
||
|
2.2 |
Vormgeving regeling |
||
|
2.3 |
Technische uitwerking |
||
|
2.4 |
Afbakening |
||
|
2.5 |
Effecten |
||
|
2.6 |
Misbruik- en ondermijningsrisico’s |
||
|
Hoofdstuk 3 – Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen |
|||
|
3.1 |
Internetconsultatie |
||
|
3.2 |
Uitvoeringstoetsen |
||
|
Hoofdstuk 4 – Financiële gevolgen en regeldruk |
|||
|
4.1 |
Financiële gevolgen |
||
|
4.2 |
Regeldruk |
||
|
4.3 |
Advies ATR |
||
|
Hoofdstuk 5 – Gegevensverwerking |
|||
|
Hoofdstuk 6 – Monitoring en evaluatie |
|||
|
Hoofdstuk 7 – Inwerkingtreding |
|||
|
ARTIKELSGEWIJS |
|||
De Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA1 (hierna: de regeling) regelt de wijze waarop betrokkenen een eenmalige vergoeding ontvangen voor verschillende situaties waarbij het dagloon te laag was vastgesteld. Het gaat hier om dagloonfouten in de periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024 en indexatiefouten in de periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) heeft gemaakt bij de vaststelling van WIA-uitkeringen. Daarnaast voorziet deze regeling in een eenmalige vergoeding voor betrokkenen bij wie het dagloon in de periode 1 juli 2015 t/m 30 april 2026 is vastgesteld met inachtneming van loonloze tijdvakken in de referteperiode voor hun WIA-dagloon en voor wie het dagloonverlagende effect voortduurde nadat de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) hier uitspraken over heeft gedaan (29 november 2023 en 30 juli 2024). In deze regeling is opgenomen wie voor de vergoeding in aanmerking komt, hoe de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld en op welke wijze de vergoeding wordt verstrekt.
Dagloonfouten
Tot en met 2019 vonden er maandelijks steekproeven plaats op de kwaliteit van de vaststelling van WIA-daglonen. Door middel van deze steekproeven werden duizenden nieuw toegekende WIA-uitkeringen gecontroleerd op juistheid.2 In 2020 heeft UWV het aantal kwaliteitscontroles afgeschaald wegens de coronapandemie. Op deze manier kon UWV zoveel mogelijk medewerkers inzetten om daglonen en daaruit volgende WIA-uitkeringen vast te stellen. Doel hiervan was te voorkomen dat reeds bestaande achterstanden door de pandemie verder zouden oplopen. Na de coronapandemie kreeg UWV te maken met een toenemend tekort aan capaciteit. Het aantal steekproeven is daardoor structureel op een lager niveau gebleven dan voor 2020.3 Door de vermindering van het aantal kwaliteitscontroles zijn dagloonfouten in de periode 2020 t/m 2024 grotendeels niet ontdekt en daardoor niet hersteld. In 2025 heeft UWV structurele controles, zoals de Meting Operationele Kwaliteit, heringevoerd.4
In juni 2024 berichtten diverse media dat UWV veel fouten heeft gemaakt bij de vaststelling van WIA-uitkeringen.5 Evaluaties van UWV in 20236 en 20247 bevestigden dat de vermindering van het aantal controles uiteindelijk heeft geleid tot een hoger aantal foutieve dagloonvaststellingen in de periode 2020 t/m 2024 dan in de jaren voor 2020.8 Op 4 september 2024 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat in de jaren vanaf 2020 een substantieel aantal onjuistheden in WIA-uitkeringen is aangetroffen als gevolg van verkeerde dagloonberekeningen. Dit kan voor betrokkenen die een WIA-uitkering hebben of hebben gehad met een ingangsdatum in de periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024 impact hebben (gehad) op de hoogte van hun uitkering vanaf de datum van toekenning. Deze impact kan zowel in het voordeel als in het nadeel van de betrokkene zijn.9 Door de herinvoering van de kwaliteitscontroles is het percentage dagloonfouten in 2025 gedaald tot een lager niveau dan voor 2020.
Om de fouten in de periode 2020 t/m 2024 te herstellen, heeft UWV een herstelactie opgezet. Het herstel richt zich hierbij op fouten in de vaststelling van het dagloon door onjuiste toepassing van de (reken)regels zoals opgenomen in hoofdstuk 3, 3a en 4 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: Dagloonbesluit) en op fouten in de vaststelling van het dagloon door onjuiste toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI). Met de tweede situatie wordt gedoeld op de beleidsregels van UWV over het gebruik van gegevens in de Polisadministratie bij de vaststelling van uitkeringen.10 In de genoemde periode is verschillend omgegaan met de werkinstructies bij die beleidsregels en dat heeft mogelijk geleid tot onjuiste vaststellingen van daglonen. Voorbeelden hiervan zijn een onjuiste interpretatie van gegevens in de Polisadministratie of een nalaten om nader onderzoek te doen als daar concrete aanleiding voor was.
Voor betrokkenen bij wie dagloonfouten zijn vastgesteld, wordt hun huidige WIA-uitkering opnieuw berekend met inachtneming van het juiste dagloon. Vervolgens wordt de uitkering herzien door middel van een beschikking tot herziening. Het gaat daarbij om een herziening zonder terugwerkende kracht. Dat wil zeggen dat de uitkering alleen naar de toekomst toe wordt gewijzigd, en dat de uitkering naar het verleden toe ongewijzigd blijft.11 Dit kunnen zowel aanpassingen naar een lagere toekomstige uitkering als aanpassingen naar een hogere toekomstige uitkering zijn. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat betrokkenen voortaan de WIA-uitkering krijgen waar zij recht op hebben.
Als een betrokkene in het verleden een te hoog bedrag aan WIA-uitkering heeft ontvangen, gaat UWV het teveel betaalde bedrag niet terugvorderen.12 De herziening van de uitkering werkt immers niet terug naar het verleden. Met de keuze om in deze herstelactie niet terug te vorderen, wordt opvolging gegeven aan de Kamerbreed gesteunde motie Ceder13, die verzoekt niet terug te vorderen bij betrokkenen die te goeder trouw waren. In de Kamerbrief van 11 juli 2025 is toegelicht dat voor betrokkenen in deze herstelactie in beginsel aangenomen kan worden dat zij te goeder trouw waren.14 Daarom is besloten voor de hele groep af te zien van terugvordering. UWV behoudt wel de mogelijkheid om op te treden in geval van misbruik. Als er sprake is van misbruik, wordt de WIA-uitkering van de betrokkene met terugwerkende kracht herzien en wordt het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.
Een ander effect van de keuze om geen terugwerkende kracht te verlenen aan de herzieningen van de uitkeringen, is dat betrokkenen geen nabetaling ontvangen als zij in het verleden een te laag bedrag aan WIA-uitkering hebben ontvangen. Om deze betrokkenen tegemoet te komen wordt door middel van deze regeling aan hen een vergoeding toegekend. Deze vergoeding beoogt het ontbrekende bedrag dat een betrokkene ontvangen zou hebben als het WIA-dagloon in het verleden juist was vastgesteld zonder dagloonfouten, zo dicht mogelijk te benaderen.
Door deze wijze van vergoeden zijn er, met toepassing van de eindheffing door UWV, voor de betrokkene geen, dan wel zeer beperkte, keteneffecten. Onder keteneffecten wordt verstaan: effecten in andere (overheids)regelingen, zoals inkomensafhankelijke regelingen en te betalen belastingen of kwijtschelding van belastingen, die een direct gevolg zijn van een verstrekte betaling van UWV. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 1.3. Doel van de regeling. Hiermee wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de toezegging die in november 2024 aan de Tweede Kamer is gedaan15 en de Kamerbreed gesteunde motie Saris, die onder meer verzoekt om betrokkenen tegemoet te komen en daarbij keteneffecten te voorkomen16.
In Figuur 1 wordt schematisch weergegeven hoe UWV handelt als de WIA-uitkering van een betrokkene te laag of te hoog is vastgesteld.

Figuur 1: Handelingswijze UWV bij te laag of te hoog dagloon
De herstelactie dagloonfouten toont overeenkomsten met de herstelactie indexatiefouten en de actie loonloze tijdvakken. Ook bij deze (herstel)acties is sprake van een te lage vaststelling van het WIA-dagloon. Betrokkenen kunnen naast een dagloonfout te maken hebben met een indexatiefout en/of een loonloos tijdvak. Het betreft dus in bepaalde mate overlappende doelgroepen die, als de uitkering nog loopt, na herziening in de toekomst een hogere WIA-uitkering zullen ontvangen.
Om betrokkenen zo min mogelijk te belasten met verschillende herzieningsbeschikkingen, worden de correcties die volgen uit de (herstel)acties dagloonfouten, indexatiefouten en loonloze tijdvakken samengevoegd in één beschikking tot herziening. Daarom is ervoor gekozen om ook de vergoedingen samen te voegen in deze regeling.
Indexatiefouten
De daglonen van de werknemersverzekeringen die UWV uitvoert, worden elk jaar in januari en juli geïndexeerd. Een WIA-uitkering wordt ongeveer vijftien weken vóór het eindigen van de wachttijd van 104 weken aangevraagd. Het kan zijn dat tussen het aanvraagmoment en de eerste uitkeringsdag het indexatiecijfer en de daarop gebaseerde rekenregels voor UWV-uitkeringen nog niet bekend zijn. Met de Stand van de Uitvoering van december 2023 is de Tweede Kamer geïnformeerd dat de indexering van daglonen van nieuwe WIA-rechten per 1 januari en per 1 juli 2023 in bepaalde gevallen onjuist heeft plaatsgevonden.17 In deze gevallen was het indexeringspercentage op het moment van de WIA-dagloonvaststelling nog niet bekend en daardoor niet verwerkt in het WIA-dagloon, waardoor een te lage uitkering is vastgesteld. Herstel van de gevallen per 1 januari 2023 is in december 2023 afgerond; in juni 2024 zijn ook de gevallen per 1 juli 2023 hersteld. UWV heeft systeemaanpassingen doorgevoerd om deze fout te voorkomen. Hierdoor zijn er na 2023 bij UWV voor zover bekend geen indexatiefouten meer gemaakt.
Na ontdekking van de fout met indexering in 2023 heeft UWV onderzoek gedaan naar de jaren daarvoor. Uit dit onderzoek is gebleken dat sinds de invoering van de WIA in 2006 in circa 5% van de gevallen de indexering niet (goed) is toegepast bij de vaststelling van nieuwe WIA-uitkeringen.18 Bij een aantal indexatiemomenten tussen 2006 en 2013 heeft UWV deze fouten binnen afzienbare tijd ontdekt en gecorrigeerd. In Tabel 1 is opgenomen welke indexatiemomenten UWV al hersteld heeft. Deze betrokkenen hebben een nabetaling ontvangen. Zij komen daarom niet in aanmerking voor een vergoeding op grond van deze regeling.
|
Tabel 1: Overzicht gecorrigeerde en niet-gecorrigeerde indexatiemomenten 2006 t/m 2013 |
|
|---|---|
|
Indexatiemoment |
Gecorrigeerd ja/nee |
|
01-01-2006 |
Ja |
|
01-07-2006 |
Nee |
|
01-01-2007 |
Ja |
|
01-07-2007 |
Nee |
|
01-01-2008 |
Ja |
|
01-07-2008 |
Nee |
|
01-01-2009 |
Nee |
|
01-07-2009 |
Nee |
|
01-01-2010 |
Nee |
|
01-07-2010 |
Ja |
|
01-01-2011 |
Nee |
|
01-07-2011 |
Nee |
|
01-01-2012 |
Ja |
|
01-07-2012 |
Nee |
|
01-01-2013 |
Ja |
|
01-07-2013 |
Ja |
Als de eerste indexering gemist wordt, werkt dit ook bij latere indexeringen door in de hoogte van de WIA-uitkering. Lopende uitkeringen die zijn toegekend in de periode 2006 t/m 2022 worden ambtshalve gecontroleerd. Als bij de controle blijkt dat er sprake is van een indexatiefout, dan wordt deze gecorrigeerd. Betrokkenen die een te lage WIA-uitkering hebben ontvangen doordat de indexering in de periode 2006 t/m 2022 onjuist is verwerkt, krijgen hiervoor door middel van deze regeling een vergoeding. Deze vergoeding wordt beperkt tot een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf peildatum 1 januari 2025. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3. Technische uitwerking. Net als bij de herstelactie dagloonfouten geldt dat de in het verleden ontvangen uitkeringen niet opnieuw worden vastgesteld. Betrokkenen krijgen dus geen nabetaling van de uitkering zelf, maar een vergoeding op grond van deze regeling. Door introductie van een eindheffing over de vergoeding zijn er voor betrokkenen geen, dan wel zeer beperkte, keteneffecten.
Beëindigde uitkeringen worden ambtshalve gecontroleerd als de uitkering is beëindigd op of na 1 januari 2020. Betrokkenen in deze groep die een te lage WIA-uitkering hebben ontvangen, krijgen eveneens een vergoeding. Deze vergoeding wordt beperkt tot een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf de beëindigingsdatum. Uitkeringen die meer dan vijf jaar geleden beëindigd zijn, kunnen in principe niet worden gecontroleerd. UWV heeft de dossiers van deze uitkeringen verwijderd wegens het einde van de geldende bewaartermijn.19 De keuze om beëindigde uitkeringen te controleren die minder dan vijf jaar geleden beëindigd zijn, is in lijn met het regulier beleid in individuele gevallen van UWV.
De periode van 2023 t/m heden behoeft geen ambtshalve controle, omdat UWV de WIA-daglonen van uitkeringen die zijn toegekend in 2023 reeds heeft hersteld en in 2023 de benodigde systeemaanpassingen heeft gedaan om dit soort fouten te voorkomen (zoals hierboven toegelicht).
Loonloze tijdvakken
Op 29 november 202320 en 30 juli 202421 heeft de CRvB uitspraken gedaan over de WIA-dagloonvaststelling in situaties waarin de werknemer in de WIA-referteperiode in een kalendermaand geen inkomen heeft genoten. De CRvB heeft in die uitspraken geoordeeld dat, in tegenstelling tot hetgeen het Dagloonbesluit voorschrijft, het WIA-dagloon moet worden vastgesteld zonder loonloze tijdvakken mee te nemen in de referteperiode. Deze uitspraken hebben ertoe geleid dat bij betrokkenen aan wie na de datum van de van toepassing zijnde uitspraak een WIA-uitkering wordt toegekend, het WIA-dagloon moet worden vastgesteld zonder inachtneming van loonloze tijdvakken in de referteperiode. Dit resulteert in een hoger WIA-dagloon en daarmee een hogere WIA-uitkering.
De uitspraken hebben geen effect op uitkeringen van betrokkenen die op de data van de uitspraken reeds liepen, tenzij deze betrokkenen een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij UWV indienen. Meer informatie over het herzieningsverzoek staat in paragraaf 2.2. Vormgeving regeling. Hoewel de uitspraken van de CRvB UWV niet verplichten om lopende uitkeringen aan te passen, is vanuit het oogpunt van burgergerichtheid besloten om uitkeringen van betrokkenen wier recht op een WIA-uitkering is ontstaan op of na 1 juli 2015 en waarbij het dagloonverlagende effect door het loonloos tijdvak voortduurt na de datum van de van toepassing zijnde uitspraak, ambtshalve te herzien. De in het verleden ontvangen uitkeringen worden niet opnieuw vastgesteld. Betrokkenen ontvangen geen nabetaling, maar krijgen een eenmalige vergoeding door middel van deze regeling. Door introductie van een eindheffing over de vergoeding zijn er voor betrokkenen geen, dan wel zeer beperkte, keteneffecten.
Betrokkenen ontvangen een vergoeding voor de periode vanaf de datum van de voor de betrokkene relevante uitspraak t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. De ingangsdatum van de herziene uitkering is vermeld in de beschikking tot herziening. Bij betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben als gevolg van de toekenning van een WW-uitkering in de WIA-referteperiode, wordt de vergoeding berekend voor de periode van 29 november 2023 t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Bij betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben door een andere oorzaak, wordt de vergoeding berekend voor de periode van 30 juli 2024 t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Bij betrokkenen die te maken hebben met loonloze tijdvakken om beide redenen, wordt de vergoeding berekend aan de hand van de ruimste periode. De vergoeding wordt dan berekend voor de periode vanaf 29 november 2023 t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft.
Het is mogelijk dat WIA-uitkeringen van betrokkenen binnen de doelgroep reeds zijn beëindigd. Indien de WIA-uitkering van de betrokkene op de datum van de voor de betrokkene relevante uitspraak lopend was, ontvangt deze betrokkene ook een vergoeding op grond van deze regeling. De periode waarover de vergoeding wordt berekend, wordt in dat geval beperkt tot de datum waarop de uitkering is beëindigd.
Het reguliere proces bij nabetalingen is als volgt. Als de beschikking waarin het te lage dagloon is vastgesteld formele rechtskracht heeft gekregen, bestaat er op basis van de huidige wet- en regelgeving in beginsel geen aanspraak op herziening van de uitkering met terugwerkende kracht (correctie voor het verleden). UWV bekijkt in bepaalde situaties of gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve uitkeringen te herzien als blijkt dat een uitkering te laag is vastgesteld. Die herziening kan met terugwerkende kracht plaatsvinden. Daar volgt dan een nabetaling van de uitkering uit. Deze nabetaling veroorzaakt een eenmalige piek in het inkomen in het jaar van de nabetaling en het vermogen en kan daardoor invloed hebben op het recht op en de hoogte van inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen, en op te betalen belastingen. Een nabetaling kan hierdoor financiële keteneffecten hebben voor de betrokkene.
Dat is het gevolg van de wijze waarop het huidige systeem van inkomensondersteuning en belastingen is ingericht. De wetgever heeft daarbij inkomensafhankelijke regelingen bewust gekoppeld aan de hoogte van het inkomen, omdat een stijging van het inkomen de draagkracht verhoogt.
Kanttekening is echter dat een nabetaling of vergoeding ertoe kan leiden dat in het jaar van de betaling minder recht bestaat op inkomensafhankelijke regelingen en/of in één of meerdere jaren na de betaling minder recht bestaat op vermogensafhankelijke regelingen, waardoor de betrokkene onder de streep minder kan ontvangen dan wanneer het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld. Dit is het zogenoemde negatieve keteneffect en heeft tot gevolg dat er een terugvordering van bijvoorbeeld toeslagen kan ontstaan. Keteneffecten kunnen in individuele situaties groter zijn dan de nabetaling zelf, waardoor de betrokkene er in totaal ook op achteruit kan gaan. Naast mogelijke financiële problemen kan een nabetaling leiden tot inkomensonzekerheid en een hoge administratieve last voor de betrokkene.22
Als de nabetaling ontstaat door een fout van UWV, kan de betrokkene een schadevergoeding bij UWV aanvragen voor eventuele negatieve keteneffecten. Dit vraagt echter veel inspanning van de betrokkene: betrokkene moet aantonen dat de negatieve keteneffecten hebben geleid tot schade, dat deze schade het directe gevolg is van de onrechtmatige handeling van UWV23 en dat hij er alles aan gedaan heeft om de schade zoveel mogelijk te beperken24. Het aantonen van de schade kan bovendien pas als de betrokkene beschikt over onder meer de definitieve belastingaanslagen en de definitieve beschikkingen over het recht op toeslag(en). Dit is op zijn vroegst in het belastingjaar volgend op het jaar waarin is nabetaald, waardoor er altijd geruime tijd zit tussen de nabetaling en het moment waarop de schade en de vergoeding daarvan kunnen worden vastgesteld.
Scenario’s om betrokkenen tegemoet te komen
Sinds bekendwording van de fouten bij de vaststelling van WIA-daglonen is een aantal scenario’s uitgewerkt voor het beperken van keteneffecten, gezamenlijk met UWV, het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), het Centraal Administratie Kantoor (hierna: CAK), de Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO). Deze scenario’s zijn uiteengezet in de bijlage bij de Kamerbrief van 11 juli 2025.25 Twee scenario’s zijn als haalbaar beoordeeld: het dienstverleningsscenario en het compensatiescenario met eindheffing.
Bij het dienstverleningsscenario volgt UWV zijn reguliere proces zoals hierboven uiteengezet: UWV herstelt de te laag vastgestelde uitkering met terugwerkende kracht en de betrokkene krijgt een nabetaling van de uitkering. Deze nabetaling maakt onderdeel uit van het inkomen in het jaar waarin de nabetaling wordt uitbetaald, waardoor keteneffecten kunnen ontstaan. UWV ondersteunt betrokkenen bij het in kaart brengen van deze keteneffecten, door een onafhankelijk financieel adviseur aan te bieden en waar mogelijk met de ketenpartners gegevens te delen.
Belangrijkste voordeel is dat het dienstverleningsscenario aansluit op het huidige proces. Nieuwe regelgeving en aanpassing van ICT-systemen zijn niet noodzakelijk. Belangrijkste nadeel is dat de uitvoeringslast van dit scenario voor UWV en de meeste ketenpartners hoog is. UWV zal een groot aantal claims voor vergoeding van gevolgschade moeten beoordelen. Dit zet de uitvoering van UWV onder druk en zorgt voor lange wachttijden: normaliter beoordeelt UWV zo’n 100 verzoeken tot schadevergoeding per jaar. Veel ketenpartners zullen voor een grote groep correcties op inkomensafhankelijke regelingen moeten doorvoeren. Deze correcties kunnen vervolgens leiden tot terugvorderingen, die weer geïnd moeten worden. Bijkomend nadeel is dat dit scenario veel doenvermogen26 van betrokkenen vraagt: zij moeten eventuele schade van opgetreden keteneffecten zelf in kaart brengen en voor deze gevolgschade bij UWV een schadevergoeding aanvragen.
Het compensatiescenario met eindheffing betreft aanpassing van de WIA-uitkering voor de toekomst en toekenning van een vergoeding voor het verleden op basis van een ministeriële regeling. Belangrijkste voordeel van dit scenario is dat de meeste (negatieve) keteneffecten voorkomen worden, doordat UWV de belastingheffing over de vergoeding door middel van een eindheffing voor zijn rekening neemt. De vergoeding maakt daardoor geen onderdeel uit van het toetsingsinkomen in het jaar waarin de vergoeding wordt betaald. Hierdoor hoeven betrokkenen geen actie(s) te ondernemen. Daarnaast vermindert het compensatiescenario de impact van de (herstel)acties voor de meeste ketenpartners. Het grootste nadeel is dat UWV later met het herstel kan starten, omdat nieuwe regelgeving en implementatie daarvan noodzakelijk is, zoals aanpassing van ICT-systemen.
Met het oog op de uitvoerbaarheid voor UWV en de ketenpartners is het toekennen van een vergoeding middels deze regeling de meest haalbare en passende optie om betrokkenen tegemoet te komen voor de te lage dagloonvaststellingen. Als betrokkenen geen vergoeding op grond van deze regeling zouden ontvangen, zou de uitvoering bij UWV en de ketenpartners onder druk komen te staan.
Belangrijk voordeel is dat het toekennen van een vergoeding geen actie van betrokkenen vraagt, omdat zij ambtshalve de vergoeding ontvangen, waarbij er weinig tot geen keteneffecten optreden. Hierdoor geeft deze regeling uiting aan het burgerperspectief. Ook is dit in lijn met de politieke en maatschappelijke wens om voor deze groep de meeste keteneffecten te voorkomen. De drie (herstel)acties waar deze regeling betrekking op heeft, omvatten een groot aantal betrokkenen. De hoogte van de gelden die de betrokkene door de onjuiste vaststelling van het WIA-dagloon in het verleden niet heeft ontvangen, kan aanzienlijk zijn. Zeker voor lagere inkomens zou een nabetaling van deze gelden aanzienlijke financiële keteneffecten teweeg kunnen brengen. Daar komt bij dat de mensen die het betreft zich veelal in een kwetsbare positie bevinden. Het gaat om mensen die arbeidsongeschikt zijn geworden en daardoor niet meer (volledig) kunnen werken. De vaststelling van het WIA-dagloon is daarnaast dermate complex dat niet van betrokkenen verwacht kan worden dat zij wisten, of in het geval van de actie loonloze tijdvakken sinds de uitspraak weten, dat zij een te laag bedrag aan WIA-uitkering (hebben) ontvangen.
Verhouding tot Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM)
Keteneffecten door nabetalingen doen zich in de reguliere uitvoering van UWV en andere bestuursorganen geregeld voor. Vanuit het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (hierna: VIM)27, dat tot 1 juli 2025 gelopen heeft, is in kaart gebracht hoe dit probleem structureel opgelost kan worden. De voorgestelde oplossingsrichting van VIM richt zich op de lange termijn en vergt een wetswijziging en diverse procesmatige aanpassingen bij de ketenpartners. Deze oplossing is daarom niet geschikt voor vergoeding van de te lage dagloonvaststellingen die opgenomen zijn in deze regeling. Het is immers van belang voortvarend vergoedingen toe te kennen voor gelden die betrokkenen in het verleden niet hebben ontvangen. Betrokkenen moeten niet langer dan nodig in onzekerheid blijven.
Doel van deze regeling is om op een uitvoerbare wijze aan betrokkenen van wie het dagloon te laag is vastgesteld een passende eenmalige financiële vergoeding te verstrekken, waarbij negatieve keteneffecten voor deze betrokkenen zoveel mogelijk worden voorkomen. Betrokkenen ontvangen een financiële vergoeding omdat zij in het verleden een te lage WIA-uitkering hebben gekregen door een te lage vaststelling van het dagloon.
Keteneffecten zijn negatief als de betrokkene onder de streep een lager bedrag heeft ontvangen dan de betrokkene had ontvangen als het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld en/of de terugvordering die in de keten door de betaling ontstaat hoger is dan de nabetaling zelf. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief keteneffect als de betrokkene door een nabetaling in het jaar van nabetalen een hoger toetsingsinkomen heeft en daardoor in dat jaar minder recht heeft op toeslagen.
In incidentele gevallen kan een nabetaling van UWV ook resulteren in positieve keteneffecten. De nabetaling leidt dan tot een gunstigere situatie dan de situatie die had bestaan als het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld. Een nabetaling kan voor een betrokkene bijvoorbeeld tot een hoger bedrag aan verzilverbare heffingskorting leiden. Verwachting is dat een nabetaling voor de te lage dagloonvaststellingen slechts voor een minimaal aantal mensen tot positieve keteneffecten zou kunnen leiden. Daarom wordt geaccepteerd dat deze positieve keteneffecten door toekenning van een vergoeding op grond van deze regeling, in plaats van een nabetaling conform het regulier proces van UWV, niet optreden.
Tabel 2 toont de meest voorkomende keteneffecten die bij de doelgroep van deze regeling optreden bij een nabetaling van UWV volgend uit een herziening van het WIA-dagloon. De tabel is geen limitatieve opsomming van keteneffecten. De meeste keteneffecten in Tabel 2 worden voorkomen door toekenning van een vergoeding op grond van deze regeling, waarop de eindheffing wordt toegepast.
|
Tabel 2: Keteneffecten per organisatie |
|
|---|---|
|
Uitvoeringsorganisatie |
Nabetaling UWV heeft effect op |
|
CAK |
Eigen bijdrage Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning & basiszorg buitenland |
|
Dienst Toeslagen |
Hoogte van het recht op toeslagen (lager/geen voorschot en/of (hoge) terugvordering) |
|
DUO |
Hoogte ouderlijke bijdrage & aanvullende beurs |
|
Hoogte maandtermijn aflossing studieschuld |
|
|
Gemeenten |
Hoogte uitkering op grond van Participatiewet, Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) |
|
Recht op collectieve zorgverzekering, kwijtschelding lokale lasten & minimaregelingen |
|
|
Pensioenuitvoerders |
Hoogte arbeidsongeschiktheidspensioen & premievrije pensioenopbouw (hierna: PVO) |
|
SVB |
Hoogte uitkering Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (hierna: AIO), Algemene nabestaandenwet, Overbruggingsuitkering of AOW-partnertoeslag |
|
UWV |
Hoogte toeslag op grond van Toeslagenwet |
|
Verzekeraars |
Hoogte aanvullende WIA-verzekeringen |
|
Waterschappen |
Hoogte verschuldigde waterschapsbelasting |
De wettelijke grondslag voor deze regeling is gelegen in de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel 9 geeft de Minister van SZW de bevoegdheid om spoedeisende tijdelijke aanspraken op financiële middelen te verstrekken, niet zijnde subsidies. Artikel 3, eerste lid, van die wet is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de invulling van de bevoegdheid van de minister kan worden geregeld bij ministeriële regeling. De verstrekking van de vergoedingen op grond van deze regeling is spoedeisend, omdat betrokkenen in onzekerheid zitten en mogelijk financiële problemen hebben doordat (langdurig) een te laag bedrag aan WIA-uitkering verstrekt is. Voortvarend herstel is noodzakelijk. Daarom is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om een ministeriële regeling te treffen. Bovendien past het de overheid om betrokkenen op passende, eenduidige en eenvoudige wijze tegemoet te komen voor gelden die zij als gevolg van fouten van de overheid niet gekregen hebben. Tot slot zou het regulier proces van nabetalingen door de gezamenlijke omvang van de (herstel)acties dagloonfouten, indexatiefouten en loonloze tijdvakken, tot uitvoeringsproblemen in de keten leiden. Zie ook paragraaf 1.2. Nut en noodzaak van de regeling. Concreet zou dit betekenen dat zowel ketenpartners als betrokkenen jaren bezig zijn met (het oplossen van) de gevolgen van de door UWV verstrekte nabetaling.
Deze regeling is van tijdelijke aard en vervalt op 1 september 2031. De primaire afhandeling is sneller voorzien. Om uitloop van de toekenning van de eenmalige vergoedingen door onvoorziene omstandigheden mogelijk te maken, zonder de regeling aan te hoeven passen, is een ruimere einddatum gekozen. Daarnaast blijft deze regeling na de einddatum van toepassing op de afhandeling van besluiten genomen op grond van deze regeling in het kader van bezwaar- en beroepsprocedures.
Deze regeling zal in mandaat worden uitgevoerd door UWV. De mandaatverlening is geregeld in artikel 10 van deze regeling. UWV zal namens de minister ambtshalve de vergoedingen toekennen en uitbetalen. UWV is als uitvoerende instantie gekozen, omdat de te lage WIA-uitkeringen het gevolg zijn van foutieve dagloonvaststellingen door UWV. UWV heeft de benodigde gegevens in huis om deze fouten te herstellen. Het is daarom het meest efficiënt om deze regeling door UWV uit te laten voeren. Artikel 10 voorziet ook in een volmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen. Hierbij kan gedacht worden aan het in behandeling nemen van beslagleggingen. Een eventueel beslag op de vergoeding kan bij de staat worden gelegd. Op basis van de in deze regeling verleende volmacht kan UWV de beslaglegging wel namens de minister in behandeling nemen. De volmacht omvat ook het invullen van het formulier namens de minister en het retourneren aan de deurwaarder.
De eenmalige vergoedingen voortvloeiend uit deze regeling zijn belast als loon uit vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 10, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). De vergoedingen kwalificeren immers als loon dat niet een onmiddellijke tegenprestatie vormt voor verrichte arbeid, maar slechts meer algemeen zijn oorzaak vindt in een vroegere dienstbetrekking. UWV is als gemandateerd uitvoerder van de regeling de verstrekker van de vergoeding en inhoudingsplichtige voor de loonbelasting.
De eenmalige vergoeding leidt in beginsel tot belast loon bij de betrokkenen, met gevolgen voor inkomensafhankelijke regelingen. Zonder aanvullende maatregelen maakt de eenmalige vergoeding dan ook onderdeel uit van het verzamelinkomen. Door toepassing van de eindheffing wordt de loonbelasting geheven van de inhoudingsplichtige en niet van de betrokkene. Het loon maakt dan geen onderdeel uit van het verzamelinkomen van de betrokkene. Om dit te realiseren is een wijziging nodig van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Die wijziging zal gelijktijdig plaatsvinden met de inwerkingtreding van deze regeling. Daarmee worden de vergoedingen op grond van deze regeling in artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Daarmee wordt bewerkstelligd dat de eenmalige vergoeding kwalificeert als een uitkering van publiekrechtelijke aard op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964, waarop de eindheffing van toepassing is. UWV betaalt als inhoudingsplichtige de eindheffing over de eenmalige vergoeding, waarna de eenmalige vergoeding geen onderdeel uitmaakt van het verzamelinkomen van de betrokkene en daardoor niet belast is in de inkomstenbelasting.
Figuur 2 toont het proces dat UWV bij de eindheffingssystematiek zal doorlopen.

Figuur 2: Proces eindheffingssystematiek
Betrokkenen kunnen tegen de toekenning van de eenmalige vergoeding op grond van deze regeling bezwaar indienen bij de Minister van SZW. UWV handelt deze bezwaren in mandaat af. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de CRvB. Hierbij is sprake van verlaagd griffierecht.
Indien in een onderzocht dossier geconcludeerd wordt dat het WIA-dagloon van de betrokkene te laag is vastgesteld, worden het WIA-dagloon en de daaruit volgende WIA-uitkering voor de toekomst gecorrigeerd met een beschikking tot herziening.28 Er vindt geen correctie plaats met terugwerkende kracht. Betrokkenen die een te lage WIA-uitkering hebben ontvangen en binnen de doelgroep van deze regeling vallen (zie verder paragraaf 2.4. Afbakening), komen wel in aanmerking voor een eenmalige vergoeding conform deze regeling wegens de gelden die zij in het verleden niet hebben ontvangen. Hierbij is een maximale terugkijktermijn van vijf jaar van toepassing, teruggerekend vanaf de peildatum 1 januari 2025. Dit wordt in paragraaf 2.3. Technische uitwerking nader toegelicht.
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) biedt inkomensbescherming voor (ex)werknemers die door ziekte of gebrek, na 104 weken, niet meer (volledig) kunnen werken. Er zijn 2 soorten WIA-uitkeringen:
• De uitkering in verband met Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (hierna: WGA). De WGA is voor (ex-)werknemers die deels kunnen werken (35% – 80% arbeidsongeschikt) en voor (ex-) werknemers die volledig arbeidsongeschikt zijn (80% – 100% arbeidsongeschikt), maar kans hebben om te herstellen.
• De Inkomensverzekering Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (hierna: IVA). De IVA is voor (ex-)werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (80% – 100% arbeidsongeschikt). Een betrokkene met een IVA-uitkering ontvangt een uitkering ter hoogte van 75% van het maandloon. Inkomsten worden gekort op de uitkering.
WGA-uitkering: gebaseerd op het dagloon of vervolguitkering
Als een betrokkene voldoet aan de voorwaarden, bestaat eerst recht op een loongerelateerde uitkering gebaseerd op het maandloon, dat op het dagloon is gebaseerd. De loongerelateerde uitkering is de eerste twee maanden 75% van het WIA-maandloon. Vanaf de derde maand is de uitkering 70% van het WIA-maandloon. Eventuele inkomsten worden gekort op het maandloon.
Als geen recht bestaat op een loongerelateerde uitkering of na afloop van de loongerelateerde uitkering, is de hoogte van de WGA-uitkering afhankelijk van de vraag of de betrokkene een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit of aan de inkomenseis. De inkomenseis is de helft van de resterende verdiencapaciteit: het bedrag dat de betrokkene nog kan verdienen, rekening houdend met diens beperkingen in arbeid.
De loonaanvullingsuitkering is gelijk aan de hoogte van de loongerelateerde uitkering als betrokkene volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is of als betrokkene een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit. De loonaanvullingsuitkering bedraagt het WIA-maandloon minus de resterende verdiencapaciteit als het inkomen lager is dan de resterende verdiencapaciteit maar nog wel ten minste gelijk is aan de inkomenseis.
Als de betrokkene niet aan de inkomenseis voldoet, ontvangt deze persoon een vervolguitkering. De hoogte van deze vervolguitkering bedraagt een percentage van het minimumloon en hangt af van het arbeidsongeschiktheidspercentage. De arbeidsdeskundige bepaalt dit percentage.
In de meest ideale situatie zou de vergoeding gelijk zijn aan het ontbrekende bedrag dat een betrokkene aan WIA-uitkering ontvangen zou hebben als het WIA-dagloon in het verleden juist was vastgesteld. Dat is echter niet mogelijk, omdat de berekening van de gemiste uitkeringsgelden zal plaatsvinden buiten het reguliere proces en vanwege de afwijkende systematiek van de eindheffing. Het bedrag aan vergoeding beoogt dit bedrag wel zo dicht mogelijk te benaderen en wordt dan ook op dit bedrag gebaseerd. Verwachting is dat het merendeel van de betrokkenen een (iets) hogere vergoeding krijgt. Hierdoor zal in de meeste gevallen niet alleen het bedrag aan WIA-uitkering, maar ook het bedrag aan eventueel andere misgelopen inkomsten in de periode waar de vergoeding op ziet, in de vergoeding van de betrokkene verdisconteerd zijn.
Het is niet mogelijk te garanderen dat voor iedere betrokkene het bedrag aan vergoeding minstens gelijk is aan de gemiste WIA-uitkering. Dit is het gevolg van de keuze in deze regeling om de vergoeding met een rekenformule – die voor iedereen hetzelfde is – te berekenen. Zie ook paragraaf 2.3. Technische uitwerking. Onderdeel van de rekenformule is een factor van 0,65. Met deze factor wordt het bedrag benaderd dat de betrokkene zou hebben ontvangen na inhouding van belasting en premie als sprake was geweest van een reguliere nabetaling. In bijzondere omstandigheden kunnen betrokkenen met een WIA-uitkering een lagere belastingdruk hebben. Bijvoorbeeld als hun inkomen lager is dan 70% van het minimumloon: vanwege de algemene heffingskorting betalen zij geen belasting. De voordelen van deze regeling voor de hele groep wegen zwaarder dan dit nadeel.
Vergoeding na indiening herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb
Betrokkenen van wie het dossier niet ambtshalve opgepakt wordt, maar die vermoeden dat ze ook binnen de afbakening van deze regeling vallen, kunnen een herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb indienen. Dit geldt ook voor betrokkenen van wie de uitkering wel is onderzocht, maar waar geen fout geconstateerd is. In dit herzieningsverzoek dient de betrokkene te onderbouwen waarom hij vermoedt dat het eerdere dagloon onjuist is vastgesteld.
UWV zal deze herzieningsverzoeken in beginsel op dezelfde manier afhandelen als de dossiers die het ambtshalve controleert. De mogelijkheid om op deze manier aanspraak te maken op een vergoeding is in de regeling afgebakend met een indieningstermijn. Als een herzieningsverzoek is ingediend voor 1 september 2028, wordt eerst beoordeeld of de betrokkene behoort tot een van de in artikel 2 van deze regeling opgenomen doelgroepen. Vervolgens wordt de WIA-uitkering herzien en naar de toekomst toe aangepast. Er wordt geen terugwerkende kracht verleend aan de herziening en er volgt dan ook geen nabetaling op grond van de WIA. In plaats daarvan wordt een vergoeding toegekend op grond van deze regeling. UWV beoordeelt de aanvraag van de betrokkene binnen de geldende wettelijke termijnen.
Voor het toekennen van de vergoeding geldt dezelfde werkwijze als in het geval van ambtshalve toekenning. Zie hiervoor paragraaf 2.3. Technische uitwerking. Indien de betrokkene de vergoeding weigert, kan UWV op verzoek van de betrokkene de oorspronkelijke beslissing herzien met terugwerkende kracht en een nabetaling verstrekken. Deze nabetaling kan keteneffecten tot gevolg hebben. In de volgende alinea wordt beschreven hoe een vergoeding op grond van deze regeling zich verhoudt tot een nabetaling op grond van een herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb.
Reguliere nabetaling in plaats van een vergoeding op grond van een herzieningsverzoek
Het is niet de bedoeling dat een betrokkene tweemaal gecompenseerd wordt, enerzijds met een vergoeding op grond van deze regeling en anderzijds met een reguliere nabetaling volgend uit een herziening met terugwerkende kracht, die ziet op dezelfde feiten en omstandigheden als waarvoor de vergoeding zou worden of is toegekend. Daarom is in deze regeling geregeld dat een betrokkene geen recht heeft op de vergoeding op grond van deze regeling als hij een nabetaling heeft ontvangen of op enig later moment ontvangt voor dezelfde situatie als die ten grondslag ligt aan de toekenning van de vergoeding. Er zijn gevallen mogelijk waarbij een dergelijke nabetaling is gedaan, maar uit de controle in het kader van deze regeling blijkt dat er een fout is gemaakt bij die eerdere correctie, waardoor de betrokkene alsnog een te lage uitkering heeft ontvangen. Dat zou dan moeten blijken uit de toepassing van de rekenformule, waarbij de nieuwe uitkering wordt vergeleken met de oude (gecorrigeerde) uitkering. In dat geval heeft de betrokkene recht op een vergoeding voor het verschil tussen de oude (foutief) gecorrigeerde uitkering en de nieuwe uitkering. Voor deze gevallen is een uitzondering geregeld op de uitsluitingsgrond.
Terugvordering en kwijtschelding
Mocht een betrokkene na het ontvangen van de vergoeding op grond van de regeling een nabetaling volgend uit een herziening met terugwerkende kracht ontvangen voor (deels) dezelfde situatie als waarvoor de vergoeding is toegekend, vordert UWV de reeds verstrekte vergoeding terug op grond van artikel 7, onderdeel b en artikel 8 van deze regeling. UWV vordert de verstrekte vergoeding ook terug als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend. Voor de invordering van de terugvordering zijn artikel 4:94 en artikel 4:94a van de Awb van toepassing.
De bepalingen in artikel 8 van deze regeling leiden ertoe dat een herziening van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht na vaststelling van de vergoeding niet altijd leidt tot terugvordering van de vergoeding. Zo wordt de vergoeding niet teruggevorderd als UWV de WIA-uitkering van de betrokkene met terugwerkende kracht herziet, omdat de betrokkene in verband met een herbeoordeling met terugwerkende kracht van een WGA- naar een IVA-uitkering gaat. De hoogte van de WIA-uitkering wordt in deze situatie met terugwerkende kracht vastgesteld en de herberekening moet daarbij plaatsvinden op het juiste, verhoogde dagloon. De wijziging van de hoogte van de uitkering volgt in dit geval niet uit (deels) dezelfde situatie als waarvoor de vergoeding is toegekend en de vergoeding is evenmin ten onrechte of tot een te hoog bedrag toegekend. Het bedrag Nieuw wordt namelijk bepaald door wat de betrokkene zou hebben genoten als de onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering, bedoeld in artikel 2, niet had plaatsgevonden. Dat bedrag is door de herziening van de WIA-uitkering in dit geval niet gewijzigd. UWV heeft daarom geen rechtsgrond om het besluit waarmee de vergoeding is toegekend te herzien en de vergoeding terug te vorderen. Ook wordt de vergoeding niet teruggevorderd als uit een handhavingsonderzoek blijkt dat de betrokkene geen recht had op de uitkering. De WIA-uitkering wordt in dit geval wel met terugwerkende kracht herzien en teruggevorderd, maar er is geen grond om de vergoeding terug te vorderen. Ook in deze situatie is het bedrag Nieuw namelijk niet veranderd. De herziening van de WIA-uitkering houdt immers geen verband met de omstandigheden als genoemd in artikel 2.
UWV zal deze regeling in mandaat van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitvoeren. UWV is namens de minister als inhoudingsplichtige de eindheffing verschuldigd. UWV kent de vergoeding ambtshalve toe. Voordat de vergoeding wordt toegekend, wordt de betrokkene geïnformeerd over het voornemen om een vergoeding toe te kennen en in de gelegenheid gesteld om aan te geven niet in aanmerking te willen komen voor de vergoeding. Dit is geregeld in artikel 5 van deze regeling. De wijze waarop de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om de vergoeding te weigeren, kan nader worden ingevuld met beleidsregels. Dat geeft UWV de ruimte om een passende werkwijze vorm te geven. De werkwijze kan er op hoofdlijnen als volgt uitzien. De betrokkene wordt eerst telefonisch en vervolgens per brief geïnformeerd. Indien de betrokkene tijdens het telefoongesprek aangeeft de vergoeding te willen ontvangen, stuurt UWV een brief ter bevestiging en gaat het vervolgens tot uitbetaling over. Indien de betrokkene om bedenktijd vraagt, biedt UWV de betrokkene per brief een redelijke termijn van drie weken om de vergoeding af te wijzen.
Het is niet nodig om expliciet akkoord te gaan met de toekenning van de vergoeding. Zonder reactie van de betrokkene of bij een instemmende reactie, kent UWV na verloop van de gestelde termijn de vergoeding toe. Tenzij de betrokkene te kennen geeft de vergoeding niet te willen ontvangen, stort UWV de vergoeding binnen zes weken na dagtekening van de beschikking op het bij UWV bekende bankrekeningnummer.
Als de betrokkene binnen de gestelde termijn aangeeft niet in aanmerking te willen komen voor de vergoeding, wordt het recht op de vergoeding niet toegekend. UWV informeert in dat geval bij de betrokkene of die in aanmerking wil komen voor een reguliere nabetaling en wijst daarbij op de keteneffecten die daardoor kunnen ontstaan.
Rekenformule
Het bedrag aan vergoeding wordt berekend met een rekenformule. De vergoeding zal door toepassing van de rekenformule het bedrag dat de betrokkene ontvangen zou hebben als het WIA-dagloon in het verleden juist was vastgesteld, zo dicht mogelijk benaderen. De rekenformule luidt:
(Nieuw – Oud + V) x 0,65 + R
Waarin:
• Nieuw: het totaalbedrag aan WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de betrokkene zou hebben genoten gedurende de periode waarover de vergoeding wordt berekend, als de onjuiste vaststelling van het dagloon (als bedoeld in deze regeling) niet had plaatsgevonden.
• Oud: het totaalbedrag aan WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de betrokkene heeft genoten gedurende de periode waarover de vergoeding wordt berekend.
• V: (Nieuw – Oud) x 0,08. Dit bedrag betreft een vergoeding voor de vakantiebijslag ter hoogte van 8%.
• 0,65: vermenigvuldigingsfactor ter benadering van het bedrag aan WIA-uitkering dat de betrokkene feitelijk te weinig heeft ontvangen, omdat de ingevolge deze regeling vast te stellen vergoeding niet onderworpen is aan heffing van inkomstenbelasting en premiesvolksverzekeringen. De factor is vastgesteld op 1 – 0,35, waarbij 0,35 het gecombineerde belasting- en premietarief eerste schijf benadert.
• R: (Nieuw – Oud + V) x 0,125. Dit bedrag betreft een vergoeding voor rente. De vermenigvuldigingsfactor is vastgesteld op 12,5%, waarbij 12,5% een benadering is van de gemiddelde cumulatieve wettelijke rente over de periode van de (herstel)acties.
Nieuw en Oud
De hoogte van een WIA-uitkering wordt door diverse factoren beïnvloed. Met deze factoren wordt bij de berekening van Oud en Nieuw rekening gehouden. De belangrijkste factoren zijn:
• Of de loongerelateerde uitkering gedurende de looptijd van de WIA-uitkering is beëindigd;
• Of de betrokkene inkomsten heeft of heeft gehad (in loondienst of als zelfstandige);
• Of een overgang van een uitkering naar een andere uitkering heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld van een loonaanvullingsuitkering 1 naar een loonaanvullingsuitkering 229;
• Of de WIA-uitkering tussentijds beëindigd is geweest, bijvoorbeeld wegens detentie;
• Of de betrokkene een ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ status heeft30;
• Of de WIA-uitkering over één of meerdere periodes geschorst is geweest31;
• Of aan de betrokkene een maatregel op de WIA-uitkering is opgelegd;
• Of de betrokkene een vervolguitkering heeft ontvangen;
• Of zich wijzigingen voorgedaan hebben in het arbeidsongeschiktheidspercentage en/of het uitkeringspercentage.
Bij de herstelactie dagloonfouten kan er sprake zijn van fouten die geleid hebben tot een te hoog dagloon en van fouten die geleid hebben tot een te laag dagloon. Betrokkenen komen in beginsel enkel in aanmerking voor een vergoeding op grond van deze regeling als er sprake is van een fout die geresulteerd heeft in een te laag dagloon. Uitzondering is de situatie dat bij een betrokkene zowel een dagloonverhogende fout als een dagloonverlagende fout geconstateerd wordt. Indien er sprake is van samenloop van een fout die leidt tot een hoger dagloon en een fout die leidt tot een lager dagloon, heeft de betrokkene recht op een vergoeding op grond van deze regeling, mits de herziening van het dagloon naar de toekomst toe positief is. Dit wordt geïllustreerd met onderstaand voorbeeld.
Bij het controleren van de WIA-uitkering van Oscar constateert UWV dat er sprake is van een indexatiefout. Ook is er sprake van een dagloonfout die leidt tot een verlaging van het dagloon. Door de indexatiefout wordt het dagloon van Oscar € 10 hoger. Door de dagloonfout wordt het dagloon van Oscar € 8 lager. UWV verhoogt het dagloon van Oscar naar de toekomst toe middels een beschikking tot herziening met € 2 en kent aan Oscar een vergoeding toe voor de gelden die hij in het verleden door de foutieve vaststelling van het dagloon niet heeft ontvangen. Bij de berekening van Nieuw wordt uitgegaan van een dagloonverhoging van € 2.
Vergoeding voor vakantiebijslag
Indien een betrokkene een nabetaling ontvangt conform het regulier proces van UWV, is de vakantiebijslag onderdeel van deze nabetaling. De vakantiebijslag is namelijk onderdeel van het recht op WIA-uitkering. In het kader van deze regeling zou de vakantiebijslag daarom onderdeel moeten zijn van de factoren Nieuw en Oud in de rekenformule. UWV berekent de vergoedingen op grond van deze regeling echter niet op reguliere wijze. Voor de uitvoering van deze regeling is het systeemtechnisch niet mogelijk om bij de vaststelling van de hoogte van de factoren Nieuw en Oud automatisch de vakantiebijslag mee te nemen. Daar is een aparte berekening voor nodig. Daarom is de vakantiebijslag in de rekenformule uitgezonderd van Nieuw en Oud en vervolgens apart opgenomen en aangeduid met de factor V. Gekozen is voor een percentage van 8%. Dit percentage is gelijk aan de jaarlijkse vakantiebijslag.
Vergoeding voor rente
Als een uitkering met terugwerkende kracht is herzien en daaruit een nabetaling is ontstaan, ontvangen betrokkenen normaliter wettelijke rente. In deze regeling is echter geen sprake van een nabetaling en daarom ook niet van wettelijke rente. De WIA-uitkeringen worden immers zonder terugwerkende kracht herzien. De uitkering in het verleden blijft ongewijzigd en er ontstaat geen betalingsplicht naar het verleden toe. Betrokkenen ontvangen als tegemoetkoming wel een vergoeding voor rente. Daartoe is aan de rekenformule de factor R toegevoegd. Gekozen is voor een percentage van 12,5%. Dit percentage is een benadering van de gemiddelde cumulatieve wettelijke rente over de periode van de (herstel)acties. De vergoeding voor rente is niet gelijk aan het bedrag dat betrokkenen aan wettelijke rente hadden gekregen als UWV een nabetaling had gedaan. Wettelijke rente wordt namelijk cumulatief berekend over de periode waarin sprake is van een verschuldigde betaling. Dat past niet bij de aard van een vergoedingsregeling. Het is voor UWV bovendien niet uitvoerbaar om te berekenen hoeveel wettelijke rente een betrokkene had ontvangen als die in plaats van een vergoeding een nabetaling had gekregen. Daarom is gekozen voor een vast percentage dat de cumulatieve rente gemiddeld benadert. Het doel is om aan betrokkenen op een uitvoerbare wijze een eenmalige vergoeding voor rente te verstrekken.
Maximale terugkijktermijn
Met inachtneming van bovenstaande punten ontvangen betrokkenen van wie het WIA-dagloon te laag is vastgesteld, een vergoeding voor een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf peildatum 1 januari 2025. Betrokkenen bij wie een indexatiefout gemaakt is en van wie de uitkering op of na 1 januari 2020 is beëindigd, ontvangen een vergoeding voor een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf de datum waarop de uitkering is beëindigd. Betrokkenen in de actie loonloze tijdvakken ontvangen een vergoeding voor de periode vanaf de van toepassing zijnde uitspraak. In paragraaf 2.4. Afbakening wordt hier nader op ingegaan, waarbij ook enkele voorbeelden gegeven worden ter illustratie.
Bij de berekening van de vergoeding wordt een maximale terugkijktermijn van vijf jaar gehanteerd. Deze termijn is in lijn met het beleid van UWV omtrent nabetalingen. Dit beleid geldt zowel voor de situatie dat een betrokkene een aanvraag indient als voor de situatie dat UWV uit eigen beweging constateert dat een vaststaand besluit een fout bevat. In deze regeling wordt een peildatum gehanteerd. De maximale terugkijktermijn wordt toegepast vanaf deze peildatum. Wanneer UWV in het regulier proces uit eigen beweging constateert dat een vaststaand besluit een fout bevat, wordt de terugwerkende kracht van vijf jaar berekend vanaf de datum van vaststelling van de fout door UWV.32 Bij de herstelacties dagloonfouten en indexatiefouten is de datum van vaststelling van de fout niet eenduidig vast te stellen. Vanuit het oogpunt van eenduidigheid en eenvoud wordt voor beide herstelacties 1 januari 2025 als peildatum gehanteerd.
Het proces voor de berekening van de vergoeding is schematisch weergegeven in Figuur 3.

Figuur 3: Berekening vergoeding
Rekenvoorbeelden
Rekenvoorbeeld dagloonfout
Yara ontvangt sinds 2 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een dagloon van € 168,97. Haar maandloon is € 3.675,10. Zij is 58% arbeidsongeschikt. De loongerelateerde WGA-uitkering eindigt per 2 september 2024. Yara heeft geen ander werk gevonden en verdient niet de helft van haar restverdiencapaciteit. Met ingang van 2 september 2024 ontvangt zij daarom een vervolguitkering ter hoogte van 42% van het minimumloon, te weten € 896,11 per maand.
Op 30 april 2026 stuurt UWV een beschikking tot herziening waarmee het dagloon vanaf 1 mei 2026 wordt verhoogd naar € 183,23, omdat UWV een fout gemaakt heeft bij de berekening van het dagloon. Het maandloon had moeten worden vastgesteld op € 3.985,15. Yara ontvangt nog steeds een vervolguitkering en de wijziging heeft daarom geen effect op de hoogte van de uitkering op 1 mei 2026.
Daarna volgt een besluit over de hoogte van de vergoeding. Yara heeft recht op een vergoeding over de periode van 2 mei 2023 t/m 30 april 2026. De hoogte van de vergoeding wordt als volgt berekend:
• Over de periode van 2 mei 2023 tot 2 juli 2023 heeft Yara een uitkering ontvangen op basis van 75% van haar maandloon. In totaal heeft zij over deze periode € 5.104,30 (exclusief vakantiebijslag) ontvangen (Oud). Zij had moeten ontvangen: € 5.534,94 (exclusief vakantiebijslag) (Nieuw).
• Over de periode van 2 juli 2023 tot 2 september 2024 heeft Yara een uitkering ontvangen op basis van 70% van haar maandloon. In totaal heeft zij over deze periode € 33.348,14 (exclusief vakantiebijslag) ontvangen (Oud). Zij had moeten ontvangen: € 36.161,58 (exclusief vakantiebijslag) (Nieuw).
• De hoogte van de uitkering over de periode van 2 september 2024 t/m 30 april 2026 is gebaseerd op het minimumloon. Zij heeft in totaal € 7.168,88 ontvangen over deze periode. De fout in de berekening van het dagloon heeft geen effect op de hoogte van de uitkering in deze periode.
Met deze gegevens wordt de vergoeding als volgt vastgesteld:
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Yara in het verleden zou hebben genoten als het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld (exclusief vakantiebijslag), is € 41.696,52.
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Yara in het verleden daadwerkelijk heeft genoten (exclusief vakantiebijslag), is € 38.452,44.
• Het verschil tussen Nieuw en Oud (exclusief vakantiebijslag) is € 3.244,08.
• De vergoeding voor vakantiebijslag is € 3.244,08 x 0,08 = € 259,53.
• De vergoeding voor rente is (€ 3.244,08 + € 259,53) x 0,125 = € 437,95.
• Invulling van deze cijfers in de rekenformule leidt tot: (€ 41.696,52 – € 38.452,44 + € 259,53) x 0,65 + € 437,95. De vergoeding wordt € 2.715,30. Over dit bedrag is de eindheffing verschuldigd.
Rekenvoorbeeld indexatiefout
Eva ontvangt sinds 1 januari 2010 een WIA-uitkering. Haar uitkering is met ingang van 3 juli 2023 beëindigd. UWV stuurt Eva op 13 augustus 2026 een beschikking tot herziening waarin staat dat er een indexatiefout is gemaakt bij de toekenning van haar uitkering en dat het dagloon hoger had moeten zijn. Het recht op uitkering is inmiddels beëindigd en blijft ongewijzigd. Als gevolg van de indexatiefout heeft Eva in het verleden te weinig uitkering ontvangen. Omdat haar uitkering is beëindigd per 3 juli 2023, heeft zij recht op een vergoeding over een periode van maximaal 5 jaar voorafgaande aan de datum waarop de uitkering is beëindigd. Zij heeft daarom recht op een vergoeding over de periode 3 juli 2018 tot 3 juli 2023. In deze periode heeft zij € 157.920 ontvangen. Als de indexatiefout niet was gemaakt had zij € 162.120 ontvangen.
Met deze gegevens wordt de vergoeding als volgt vastgesteld:
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Eva in het verleden zou hebben genoten als het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld (exclusief vakantiebijslag), is € 162.120.
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Eva in het verleden daadwerkelijk heeft genoten (exclusief vakantiebijslag), is € 157.920.
• Het verschil tussen Nieuw en Oud (exclusief vakantiebijslag) is € 4.200.
• De vergoeding voor vakantiebijslag is € 4.200 x 0,08 = € 336.
• De vergoeding voor rente is (€ 4.200 + € 336) x 0,125 = € 567.
• Invulling van deze cijfers in de rekenformule leidt tot: (€ 162.120 – € 157.920 + € 336) x 0,65 + € 567. De vergoeding wordt € 3.515,40. Over dit bedrag is de eindheffing verschuldigd.
Rekenvoorbeeld loonloze tijdvakken
Lukas ontvangt sinds 21 november 2017 een IVA-uitkering. Zijn dagloon is berekend op basis van het genoten loon in de referteperiode van 1 november 2014 t/m 31 oktober 2015. Van 1 januari 2015 t/m 31 maart 2015 was Lukas werkloos, maar hij had geen recht op een WW-uitkering. Deze loonloze tijdvakken zijn betrokken in de dagloonberekening.
Op 18 juni 2026 stuurt UWV een beschikking tot herziening waarin de IVA-uitkering met ingang van 19 juni 2026 wordt verhoogd. Het recht op uitkering over het verleden blijft ongewijzigd. Er is geen sprake van een loonloos tijdvak als gevolg van de toepassing van artikel 33, eerste lid, WW, dus Lukas heeft recht op een vergoeding over de periode 30 juli 2024 t/m 18 juni 2026.
Met deze gegevens wordt de vergoeding als volgt vastgesteld:
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Lukas in het verleden zou hebben genoten als het WIA-dagloon direct juist was vastgesteld (exclusief vakantiebijslag), is € 22.070,81.
• Het totaalbedrag aan WIA-uitkering dat Lukas in het verleden daadwerkelijk heeft genoten (exclusief vakantiebijslag), is € 16.149,38.
• Het verschil tussen Nieuw en Oud (exclusief vakantiebijslag) is € 5.921,43.
• De vergoeding voor vakantiebijslag is € 5.921,43 x 0,08 = € 473,71.
• De vergoeding voor rente is (€ 5.921,43 + € 473,71) x 0,125 = € 799,39.
• Invulling van deze cijfers in de rekenformule leidt tot: (€ 22.070,81 – € 16.149,38 + € 473,71) x 0,65 + € 799,39. De vergoeding wordt € 4.956,23. Over dit bedrag is de eindheffing verschuldigd.
Rekenvoorbeeld samenloop dagloonfout, indexatiefout en loonloze tijdvakken
Otis ontvangt sinds 14 september 2020 een IVA-uitkering op basis van een dagloon van € 83,10. Zijn dagloon is berekend op basis van het genoten loon in de referteperiode van 1 september 2017 t/m 31 augustus 2018. In de referteperiode is sprake van een loonloos tijdvak dat niet is ontstaan als gevolg van toepassing van artikel 33, eerste lid, WW. Verder is er een indexatiefout en een fout in de dagloonberekening gemaakt.
Op 30 juni 2026 stuurt UWV de beschikking tot herziening. De hoogte van de IVA-uitkering wordt met ingang van 1 juli 2026 aangepast. Ook wordt kenbaar gemaakt dat als er geen indexatiefout en geen berekeningsfout waren gemaakt, het dagloon met ingang van 14 september 2020 zou zijn vastgesteld op € 87,00 en dat het dagloon als gevolg van de uitspraak van de CRvB met ingang van 30 juli 2024 zou zijn vastgesteld op € 110,57.
Bij Otis zijn een dagloonfout en een indexatiefout gemaakt en hij heeft daarom recht op een vergoeding over de periode van 1 januari 2020 t/m 30 juni 2026. Over de periode 30 juli 2024 t/m 30 juni 2026 heeft Otis recht op een hogere vergoeding, omdat bij de vaststelling van zijn uitkering ook een loonloos tijdvak is meegenomen. Dit loonloze tijdvak is niet het gevolg van een WW-uitkering in de referteperiode.
Met deze gegevens wordt de vergoeding als volgt vastgesteld:
• Het totaalbedrag aan IVA-uitkering dat Otis over de periode 1 januari 2020 t/m 29 juli 2024 zou hebben genoten als het dagloon direct juist was vastgesteld en ook correct was geïndexeerd (exclusief vakantiebijslag), is € 72.159,04.
• Het totaalbedrag aan IVA-uitkering dat Otis over de periode 30 juli 2024 t/m 30 juni 2026 zou hebben genoten als het dagloon met ingang van 30 juli 2024 was verhoogd (exclusief vakantiebijslag), is € 38.556,83.
• Het totaalbedrag aan IVA-uitkering dat Otis daadwerkelijk heeft genoten over de periode 1 januari 2020 tot 1 juli 2026 (exclusief vakantiebijslag), is € 97.902,48.
• Het verschil tussen Nieuw en Oud (exclusief vakantiebijslag) is € 12.813,39.
• De vergoeding voor vakantiebijslag is € 12.813,39 x 0,08 = € 1.025,07.
• De vergoeding voor rente is (12.813,39 + € 1.025,07) x 0,125 = € 1.729,81.
• Invulling van deze cijfers in de rekenformule leidt tot: ((€ 72.159,04 + € 38.556,83) – € 97.902,48 + 1.025,07) x 0,65 + € 1.729,81. De vergoeding wordt € 10.724,81. Over dit bedrag is de eindheffing verschuldigd.
Werkwijze bij inkomsten naast de WIA-uitkering
Betrokkenen die naast hun WIA-uitkering inkomsten genieten, ontvangen een voorlopige uitkering. Zolang de betrokkene een voorlopige uitkering krijgt en het recht op uitkering niet definitief vastgesteld kan worden, kan het recht op vergoeding niet vastgesteld worden. In de rekenformule worden Nieuw en Oud immers bepaald door de hoogte van de uitkering die de betrokkene heeft of zou hebben ontvangen als de fout niet zou zijn gemaakt.
Aangezien de definitieve vaststelling van de WIA-uitkering nog ontbreekt, is voor betrokkenen die naast hun uitkering inkomsten genieten een aparte werkwijze van toepassing. Bij deze betrokkenen worden het dagloon en de uitkering herzien ná verwerking van de inkomsten die op dat moment bekend zijn. De herziening vindt plaats op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de laatste maand waarvan de inkomsten gekort zijn op de uitkering. Deze werkwijze zorgt voor een duidelijke afbakening tussen de periode met vaststaande inkomsten, waarover de vergoeding wordt verstrekt, en de periode met nog onzekere inkomsten, die op een later moment op reguliere wijze definitief worden vastgesteld en worden gekort op de verhoogde WIA-uitkering. De vergoeding aan betrokkenen met inkomsten uit zelfstandige arbeid wordt in meerdere delen (op voorschotbasis) betaald, omdat hun inkomsten pas 1 tot 3 jaar na het jaar waarin de inkomsten zijn genoten, definitief bekend zijn. Onderstaande voorbeelden illustreren deze situaties.
Monique ontvangt sinds 1 september 2022 een WIA-uitkering. Op 1 juli 2023 gaat Monique naast haar WIA-uitkering in loondienst. Zij heeft wisselende inkomsten en ontvangt daarom een voorlopige WIA-uitkering, die iedere drie maanden definitief wordt vastgesteld. Op 1 december 2026 constateert UWV dat Monique sinds 1 september 2022 een te lage WIA-uitkering heeft gekregen wegens een indexatiefout. Doordat de inkomsten van Monique driemaandelijks op haar WIA-uitkering worden gekort, is de WIA-uitkering t/m 30 september 2026 definitief vastgesteld. UWV herziet de WIA-uitkering van Monique daarom vanaf 1 oktober 2026 voor de toekomst en verstrekt een vergoeding voor de periode van 1 september 2022 t/m 30 september 2026. De inkomsten van oktober en november worden op reguliere wijze gekort op de verhoogde WIA-uitkering.
Leo ontvangt sinds 1 maart 2023 een WIA-uitkering. Op 1 november 2023 gaat Leo naast zijn WIA-uitkering werken als zelfstandige. Leo ontvangt daarom een voorlopige WIA-uitkering. Leo vraagt altijd uitstel van de inkomstenbelasting aan, waardoor zijn aanslag inkomstenbelasting pas twee jaar na het belastingjaar waarin de inkomsten zijn genoten, definitief is. De WIA-uitkering van Leo wordt dan ook twee jaar na het jaar waarin hij inkomsten heeft genoten, definitief vastgesteld. Op 1 augustus 2027 concludeert UWV dat Leo sinds 1 maart 2023 een te lage WIA-uitkering heeft ontvangen door een dagloonfout. UWV herziet de WIA-uitkering van Leo daarom vanaf 1 september 2027 voor de toekomst. UWV verstrekt aan Leo een vergoeding op voorschotbasis voor de periode 1 maart 2023 t/m 31 december 2024. Op 1 september 2028 kent UWV aan Leo een vergoeding op voorschotbasis toe voor de periode 1 januari 2025 t/m 31 december 2025. Op 1 september 2029 kent UWV aan Leo een vergoeding op voorschotbasis toe voor de periode 1 januari 2026 t/m 31 december 2026. Op 1 september 2030 stelt UWV de vergoeding van Leo definitief vast. UWV verstrekt dan ook het laatste deel van de vergoeding, voor de periode 1 januari 2027 t/m 31 augustus 2027. De inkomsten die Leo in 2027 heeft genoten over de periode t/m 31 augustus 2027, worden gekort op de WIA-uitkering die gebaseerd is op het oude dagloon. Over de periode vanaf 1 september 2027 worden de inkomsten gekort op de WIA-uitkering die gebaseerd is op het nieuwe dagloon.
In artikel 2 van deze regeling is geregeld welke personen recht hebben op de eenmalige vergoeding. Een algemeen criterium in de afbakening is gelegen in de term persoon. Daaronder wordt verstaan een in leven zijnde persoon. Als een persoon is overleden, kan er geen recht meer ontstaan op een vergoeding. Een ander criterium dat voor alle doelgroepen geldt, is dat door UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend. Dat kan een ambtshalve vaststelling zijn of een vaststelling naar aanleiding van een verzoek tot herziening dat is ingediend voor 1 september 2028. Vervolgens valt de algemene afbakening uiteen in verschillende afbakeningen voor de (herstel)acties dagloonfouten, indexatiefouten en loonloze tijdvakken, omdat zij op verschillende periodes zien en andere oorzaken hebben.
Dagloonfouten
Een betrokkene in de herstelactie dagloonfouten komt voor een vergoeding op grond van deze regeling in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
• Betrokkene ontvangt een WIA-uitkering of heeft een WIA-uitkering ontvangen met een ingangsdatum in de periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024;
• In een beschikking tot herziening is vastgesteld dat de WIA-uitkering van de betrokkene niet correct is berekend als gevolg van:
○ Een onjuiste toepassing van de (reken)regels zoals opgenomen in hoofdstuk 3, 3a en 4 van het Dagloonbesluit en/of;
○ Een onjuiste toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de Wet SUWI.
• Betrokkene is of wordt niet (volledig) gecompenseerd door middel van een nabetaling voor dezelfde situatie als die ten grondslag ligt aan de toekenning van de vergoeding.
Betrokkenen die aan bovenstaande voorwaarden voldoen, ontvangen een vergoeding voor een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf peildatum 1 januari 2025. Aangezien enkel betrokkenen die een WIA-uitkering ontvangen (hebben) met een ingangsdatum op of na 1 januari 2020 in aanmerking komen voor een vergoeding op grond van deze regeling, betekent dit in de praktijk dat betrokkenen altijd een vergoeding ontvangen voor de periode vanaf de datum waarop het WIA-recht is ontstaan t/m de dag voorafgaand aan de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft of de dag voorafgaand aan de beëindigingsdatum van de uitkering.
Ter illustratie worden twee voorbeelden gegeven. Anna ontvangt sinds 1 januari 2020 een WIA-uitkering. Met ingang van 1 juli 2026 wordt het dagloon van Anna opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 1 januari 2020 (de ingangsdatum van de uitkering, die valt binnen de maximale terugkijktermijn van vijf jaar vanaf peildatum 1 januari 2025) t/m 30 juni 2026 (de dag voorafgaand aan de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). Anna ontvangt hiermee een vergoeding voor 6,5 jaar.
Bart ontvangt sinds 1 juli 2022 een WIA-uitkering. Zijn uitkering is op 1 januari 2025 beëindigd. Op 1 oktober 2027 wordt de vergoeding van Bart berekend. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 1 juli 2022 (de ingangsdatum van de uitkering) tot 1 januari 2025 (de beëindigingsdatum van de uitkering). Bart ontvangt hiermee een vergoeding voor 2,5 jaar.
Periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024
Ten aanzien van de herstelactie dagloonfouten ziet deze regeling enkel op betrokkenen die een WIA-uitkering ontvangen of hebben ontvangen met een ingangsdatum in de periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024. In 2020 heeft UWV het aantal kwaliteitscontroles afgeschaald wegens de coronapandemie.33 De vermindering van het aantal controles heeft geleid tot een substantieel hoger aantal foutieve dagloonvaststellingen in de periode 2020 t/m 2024 dan in de jaren voor 2020, omdat fouten niet in een eerder stadium hersteld zijn. Het foutpercentage lag voor 2020 op een lager niveau en fouten werden opgespoord en hersteld.34 In 2025 heeft UWV structurele controles heringevoerd, waardoor het foutpercentage is gedaald tot een lager niveau dan voor 2020. Zie ook paragraaf 1.1. Aanleiding.
Hiermee is niet gezegd dat alle incidentele fouten voor 2020 zijn opgemerkt. Het opsporen van alle mogelijke fouten en het toekennen van een vergoeding conform deze regeling, zou echter betekenen dat de reguliere dienstverlening van UWV vastloopt. Met het oog hierop en op het substantieel lagere foutpercentage in de jaren voor 2020, is de keuze gemaakt om alleen betrokkenen die een uitkering toegekend hebben gekregen met een ingangsdatum in de periode 1 januari 2020 t/m 31 december 2024 voor deze regeling in aanmerking te laten komen.
Te lage dagloonvaststelling door onjuiste toepassing hoofdstuk 3, 3a en 4 van het Dagloonbesluit en/of door onjuiste toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de Wet SUWI
In de periode 2020 t/m 2024 zijn substantieel meer fouten gemaakt bij de berekening van het dagloon dan in de jaren voor 2020. Aan de te lage dagloonvaststellingen liggen twee soorten fouten ten grondslag. In een deel van de gevallen heeft UWV de (reken)regels zoals opgenomen in het Dagloonbesluit onjuist toegepast. In een ander deel van de gevallen heeft UWV artikel 33a, tweede lid, van de Wet SUWI onjuist toegepast. Het betreft hier onjuiste toepassing van de beleidsregels35 van UWV over het gebruik van de gegevens in de Polisadministratie bij de vaststelling van het WIA-dagloon. In de genoemde periode is verschillend omgegaan met de werkinstructies bij die beleidsregels en dat heeft mogelijk geleid tot te lage vaststellingen van daglonen. Voorbeelden van fouten in deze categorie zijn het onjuist interpreteren van gegevens in de Polisadministratie en het nalaten om onderzoek te doen als daar concrete aanleiding voor was.
UWV heeft geanalyseerd welke fouten bij de berekening van het dagloon of de omgang met de gegevens in de Polisadministratie gemaakt kunnen worden. Op basis van deze analyse heeft UWV specifieke risico’s geïdentificeerd. Voorbeelden van deze specifieke risico’s zijn dat de betrokkene in de periode waarover UWV het dagloon heeft berekend, een periode ziek was of onbetaald verlof had of dat de betrokkene in de periode waarover UWV het dagloon heeft berekend, wel vakantiegeld heeft opgebouwd, maar de werkgever dit niet in deze periode heeft uitbetaald.36 In het kader van uitvoerbaarheid gaat UWV enkel uitkeringen waar één of meerdere van deze risico’s aan de orde zijn, ambtshalve onderzoeken en indien nodig per toekomende tijd herzien. Een betrokkene van wie de uitkering niet ambtshalve onderzocht wordt, maar die vermoedt dat er wel een fout is gemaakt bij de dagloonvaststelling, kan een herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb indienen. Als hij aan de voorwaarden voldoet, handelt UWV op dezelfde manier als bij een betrokkene van wie de uitkering ambtshalve onderzocht wordt. Dit is in paragraaf 2.2. Vormgeving regeling reeds toegelicht.
Indexatiefouten
Een betrokkene in de herstelactie indexatiefouten komt voor een vergoeding op grond van deze regeling in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
• Betrokkene ontvangt een WIA-uitkering die is toegekend in de periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022 of betrokkene heeft een WIA-uitkering ontvangen die is toegekend in de periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022 en op of na 1 januari 2020 is beëindigd;
• In een beschikking tot herziening is vastgesteld dat de WIA-uitkering te laag is vastgesteld wegens een indexatiefout bij de berekening van het dagloon;
• Betrokkene is of wordt niet (volledig) gecompenseerd door middel van een nabetaling voor dezelfde situatie als die ten grondslag ligt aan de toekenning van de vergoeding.
Betrokkenen die aan bovenstaande voorwaarden voldoen, ontvangen een vergoeding voor een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf peildatum 1 januari 2025. Deze peildatum is in lijn met de peildatum voor de herstelactie dagloonfouten. Betrokkenen bij wie een indexatiefout gemaakt is en van wie de uitkering op of na 1 januari 2020 is beëindigd, ontvangen een vergoeding voor een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf de datum waarop de uitkering is beëindigd. Betrokkenen van wie de uitkering vóór 1 januari 2020 beëindigd is, komen niet in aanmerking voor een vergoeding op grond van deze regeling. Dossiers die meer dan vijf jaar geleden beëindigd zijn, kunnen niet worden gecontroleerd. UWV heeft deze dossiers in beginsel verwijderd wegens de geldende bewaartermijn. Zie ook paragraaf 1.1. Aanleiding.
Er worden een aantal voorbeelden gegeven ter verduidelijking. Charlie ontvangt sinds 1 januari 2010 een WIA-uitkering. Met ingang van 1 september 2026 wordt het dagloon van Charlie opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV kent een vergoeding toe voor de periode 1 januari 2020 (maximaal vijf jaar terug vanaf peildatum 1 januari 2025) t/m 31 augustus 2026 (de dag voorafgaand aan de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). Charlie ontvangt hiermee een vergoeding voor 6 jaar en 8 maanden.
Dirk ontvangt sinds 1 januari 2021 een WIA-uitkering. Met ingang van 1 augustus 2026 wordt het dagloon van Dirk opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV kent een vergoeding toe voor de periode 1 januari 2021 (de ingangsdatum van de uitkering, die valt binnen de maximale terugkijktermijn van vijf jaar vanaf peildatum 1 januari 2025) t/m 31 juli 2026 (de dag voorafgaand aan de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). Dirk ontvangt hiermee een vergoeding voor 5 jaar en 7 maanden.
Emily ontvangt sinds 1 januari 2011 een WIA-uitkering. Haar uitkering is op 1 maart 2021 beëindigd. Op 1 april 2026 wordt de vergoeding van Emily berekend. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 1 maart 2016 (maximaal vijf jaar terug vanaf de beëindigingsdatum van de uitkering) tot 1 maart 2021 (de beëindigingsdatum van de uitkering). Emily ontvangt hiermee een vergoeding voor exact vijf jaar.
Tot slot ontvangt Fenna sinds 1 juli 2018 een WIA-uitkering. Haar uitkering is op 1 september 2022 beëindigd. Op 1 december 2027 wordt de vergoeding van Fenna berekend. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 1 juli 2018 (de ingangsdatum van de uitkering, die valt binnen de maximale terugkijktermijn van vijf jaar vanaf de beëindigingsdatum van de uitkering) tot 1 september 2022 (de beëindigingsdatum van de uitkering). Fenna ontvangt hiermee een vergoeding voor 4 jaar en 2 maanden.
Periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022
Ten aanzien van de herstelactie indexatiefouten komen betrokkenen voor een vergoeding op grond van deze regeling in aanmerking als zij een WIA-uitkering toegekend hebben gekregen in de periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022. De daglonen van de werknemersverzekeringen die UWV uitvoert, worden elk jaar in januari en juli geïndexeerd.37 Sinds de invoering van de WIA in 2006 heeft UWV in sommige gevallen het doorvoeren van de indexering niet (goed) toegepast bij de vaststelling van nieuwe WIA-uitkeringen.38 UWV heeft dit uitgezocht, nadat het had ontdekt dat de indexatie in 2023 niet goed gegaan was. Hieruit bleek dat in de periode 2006 t/m 2023 indexatiefouten zijn gemaakt. De indexatiefouten in 2023 zijn echter reeds hersteld, evenals de indexatiefouten bij een aantal indexatiemomenten tussen 2006 en 2013. Zie Tabel 1 in paragraaf 1.1. Aanleiding. UWV heeft voor de reeds herstelde fouten gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot nabetalen. Aangezien deze regeling uitsluit dat een betrokkene een nabetaling en een vergoeding ontvangt, is de periodeafbakening voor indexatiefouten 1 juli 2006 t/m 31 december 2022. Betrokkenen waarbij in de periode 2006 t/m 2013 indexatiefouten gemaakt zijn, maar van wie de uitkeringen reeds hersteld zijn, komen daarbij niet in aanmerking voor een vergoeding op grond van deze regeling. Zij voldoen immers niet aan de derde voorwaarde zoals hierboven geformuleerd.
Loonloze tijdvakken
Een betrokkene in de actie loonloze tijdvakken komt voor een vergoeding op grond van deze regeling in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
• De WIA-uitkering van de betrokkene is toegekend in de periode 1 juli 2015 t/m 30 april 2026 en was lopend op 29 november 2023 en/of op 30 juli 2024;
• De WIA-uitkering van de betrokkene wordt in een beschikking tot herziening per toekomende tijd bijgesteld op basis van:
○ De uitspraak van de CRvB van 29 november 2023, omdat het loonloos tijdvak of één van de loonloze tijdvakken het gevolg is van de toekenning van een WW-uitkering in de WIA-referteperiode;
○ De uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024, omdat het loonloos tijdvak of de loonloze tijdvakken in de WIA-referteperiode een andere oorzaak hebben.
• Betrokkene is of wordt niet (volledig) gecompenseerd door middel van een nabetaling voor dezelfde situatie als die ten grondslag ligt aan de toekenning van de vergoeding.
Betrokkenen in de actie loonloze tijdvakken ontvangen een vergoeding voor de periode tussen de van toepassing zijnde uitspraak (ofwel de uitspraak van 29 november 2023, ofwel de uitspraak van 30 juli 2024) en de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Of de periode loopt vanaf 29 november 2023 of 30 juli 2024, is afhankelijk van de oorzaak van het loonloze tijdvak. Betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben als gevolg van de toekenning van een WW-uitkering in de WIA-referteperiode, ontvangen een vergoeding voor de periode van 29 november 2023 t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben als gevolg van een andere oorzaak, ontvangen een vergoeding voor de periode van 30 juli 2024 t/m de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Om de complexiteit niet verder te vergroten, worden de uitkeringen van betrokkenen die te maken hebben met loonloze tijdvakken om beide redenen, opgehoogd per 29 november 2023 (de ruimste periode).39
Ter illustratie van de verschillende mogelijke situaties worden een aantal voorbeelden gegeven. George ontvangt sinds 1 september 2017 een WIA-uitkering. Bij de vaststelling van zijn WIA-dagloon is een loonloos tijdvak door toekenning van een WW-uitkering meegenomen. Met ingang van 1 november 2027 wordt het dagloon van George opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 29 november 2023 (de datum van de uitspraak die betrekking heeft op de situatie van George) t/m 31 oktober 2027 (de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). George ontvangt hiermee een vergoeding voor ongeveer 3 jaar en 11 maanden.
Hassan ontvangt sinds 1 maart 2018 een WIA-uitkering. Bij de vaststelling van zijn WIA-dagloon is een loonloos tijdvak meegenomen dat is ontstaan doordat hij tijdelijk geen werk had en er ook geen recht op een WW-uitkering bestond. Met ingang van 1 oktober 2026 wordt het dagloon van Hassan opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 30 juli 2024 (de datum van de uitspraak die betrekking heeft op de situatie van Hassan) t/m 30 september 2026 (de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). Hassan ontvangt hiermee een vergoeding voor ongeveer 2 jaar en 2 maanden.
Tot slot ontvangt Inge sinds 1 juli 2019 een WIA-uitkering. Bij de vaststelling van haar WIA-dagloon zijn een loonloos tijdvak door toekenning van een WW-uitkering én een loonloos tijdvak door een loonstop meegenomen. Haar uitkering is op 1 oktober 2025 beëindigd. Op 1 november 2026 wordt de vergoeding van Inge berekend. UWV kent een vergoeding toe voor de periode van 29 november 2023 (er is sprake van loonloze tijdvakken om beide redenen, daarom wordt een vergoeding toegekend voor de periode vanaf de eerste uitspraak) tot 1 oktober 2025 (de beëindigingsdatum van de uitkering). Inge ontvangt hiermee een vergoeding voor ongeveer 1 jaar en 10 maanden.
Periode 1 juli 2015 t/m 30 april 2026
De actie loonloze tijdvakken ziet op betrokkenen van wie het WIA-dagloon ten onrechte berekend is met inachtneming van loonloze tijdvakken. Er is sprake van een loonloos tijdvak als de betrokkene in een kalendermaand geen loon heeft ontvangen. In het Dagloonbesluit is voor de Werkloosheidswet (hierna: WW) specifiek geregeld dat dagloondagen van loonloze tijdvakken voor de berekening van het WW-dagloon niet meetellen.40 Voor de berekening van het WIA-dagloon hebben loonloze tijdvakken die in de referteperiode vallen wel een dagloonverlagend effect. Voor de berekening van het WIA-dagloon wordt het totaal ontvangen loon tijdens de referteperiode gedeeld door het totaal aantal dagloondagen (261), ondanks dat door de loonloze tijdvakken minder loon is genoten in deze periode.41
De afwijkende behandeling van loonloze tijdvakken in de WIA ten opzichte van de WW is ontstaan met de wijziging van het Dagloonbesluit op 1 juli 2015. Die behandeling moet worden gelijkgetrokken. Binnen de actie loonloze tijdvakken worden daarom uitkeringen aangepast van betrokkenen die een WIA-uitkering toegekend hebben gekregen op of na 1 juli 2015 en die tot na de uitspraken van de CRvB hebben voortgeduurd of nog voortduren. Met ingang van 5 augustus 2025 heeft UWV zijn werkprocessen zo aangepast dat loonloze tijdvakken bij de berekening van het WIA-dagloon buiten beschouwing gelaten worden, zoals dat ook gebeurt in de WW. Vanaf dat moment worden de gevolgen van de uitspraken van de CRvB dus toegepast bij nieuwe dagloonberekeningen.
Tussen het moment van de dagloonberekening en de vaststelling van het recht op de WIA-uitkering (met daarin de dagloonvaststelling) ligt een periode die per persoon verschillend kan zijn. De periode hangt af van verschillende factoren, zoals de werkvoorraad van UWV en het moment van de aanvraag van de betrokkene. De datum waarop het dagloon is berekend, is niet objectief vast te stellen. Dit is geen bruikbaar criterium voor de afbakening van een doelgroep. De datum waarop het recht op uitkering is ontstaan, is wel objectief vast te stellen en is daarom een bepalend element in de afbakening. Het is niet mogelijk om inzichtelijk te krijgen wanneer de laatste WIA-uitkeringen waarin de gevolgen van de uitspraken van de CRvB niet zijn toegepast, zijn ontstaan. De oude berekeningswijze met loonloze tijdvakken is toegepast tot en met 4 augustus 2025 en de meeste uitkeringen worden vastgesteld binnen een halfjaar nadat het dagloon is berekend. Om te voorkomen dat onbedoeld personen met WIA-uitkeringen bij wie de gevolgen van de uitspraken van de CRvB nog niet zijn toegepast, buiten de afbakening van deze regeling vallen, is een iets ruimere periodeafbakening gekozen dan een halfjaar na 4 augustus 2025. Daarom is gekozen voor de datum 30 april 2026. Personen met een WIA-uitkering die is ontstaan na 30 april 2026 behoren niet tot de doelgroep, omdat in deze gevallen ervan uit kan worden gegaan dat de nieuwe berekeningswijze is toegepast. Het is mogelijk dat er in de periode tussen 5 augustus 2025 en 30 april 2026 ook WIA-uitkeringen zijn ontstaan waarbij de nieuwe berekeningswijze zonder loonloze tijdvakken wel is toegepast. Vanwege de overige criteria in artikel 2, onderdelen c en d, zal in dat geval geen sprake zijn van een recht op vergoeding. Er is dan immers geen dagloonverlagend effect als bedoeld in deze regeling.
Samenloop
De doelgroepen van de (herstel)acties dagloonfouten, indexatiefouten en loonloze tijdvakken overlappen. Hierdoor zal bij bepaalde betrokkenen sprake zijn van daglooncorrecties op basis van twee of zelfs alle (herstel)acties. Indien een betrokkene in de actie loonloze tijdvakken en de herstelactie dagloonfouten en/of de herstelactie indexatiefouten valt, krijgt hij een vergoeding over verschillende periodes. Met onderstaand voorbeeld wordt geïllustreerd hoe UWV handelt in het geval een betrokkene in alle herstelacties valt.
James ontvangt sinds 1 juli 2021 een WIA-uitkering. Bij de vaststelling van zijn WIA-dagloon is een loonloos tijdvak door toekenning van een WW-uitkering meegenomen en zijn een dagloonfout en een indexatiefout gemaakt. Met ingang van 1 november 2026 wordt het dagloon van James opnieuw vastgesteld in een beschikking tot herziening. UWV berekent de vergoeding met gebruikmaking van twee verschillende daglonen. Eerst worden de dagloonfout en de indexatiefout hersteld. Voor deze fouten kent UWV een vergoeding toe voor de periode van 1 juli 2021 (de ingangsdatum van de uitkering, die valt binnen de maximale terugkijktermijn van vijf jaar vanaf peildatum 1 januari 2025) t/m 31 oktober 2026 (de dag voorafgaand aan de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). Vervolgens hoogt UWV het dagloon verder op door het dagloon te berekenen zonder inachtneming van het loonloze tijdvak. UWV verhoogt daarna de vergoeding voor de periode van 29 november 2023 (de datum van de uitspraak die betrekking heeft op de situatie van James) t/m 31 oktober 2026 (de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft). James ontvangt hiermee een vergoeding voor 5 jaar en 4 maanden en een hogere vergoeding voor ongeveer 3 jaar.
Betrokkenen
Deze regeling zorgt ervoor dat betrokkenen een vergoeding ontvangen waarover zij zelf geen loonheffing of inkomstenbelasting verschuldigd zijn. De loonheffing wordt via een eindheffing namens de minister afgedragen door UWV. De vergoeding wordt hierdoor geen onderdeel van het verzamelinkomen van de betrokkene. De betaling heeft op die manier geen effect op de aanslag inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke regelingen. Dit betekent voor betrokkenen en voor veel ketenpartners een forse vermindering van de impact die een nabetaling zou hebben.
De vergoeding wordt wel onderdeel van het vermogen, waardoor zij effect kan hebben op vermogensafhankelijke regelingen vanaf het moment dat de betaling op de rekening is ontvangen en op de peildatum nog steeds onderdeel is van het box 3 vermogen. In Tabel 1 zijn de regelingen van het CAK, de SVB (enkel de AIO), gemeenten en Dienst Toeslagen (behalve de kinderopvangtoeslag) niet alleen inkomensafhankelijk, maar ook vermogensafhankelijk. Toekenning van de vergoeding kan hierdoor resulteren in keteneffecten voor betrokkenen binnen deze regelingen. Dit is afhankelijk van de vermogenspositie van de betrokkene en van het peilmoment en de vermogensgrenzen in de specifieke regelingen.
Voor de AIO en de regelingen die uitgevoerd worden door gemeenten worden deze keteneffecten voorkomen door de regeling toe te voegen aan de opgesomde uitzonderingen in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Voor de regelingen die Dienst Toeslagen uitvoert, zal het ontvangen van een vergoeding van enkele duizenden euro’s in veruit de meeste gevallen niet leiden tot een overschrijding van een vermogensgrens. Dit geldt ook voor eventuele extra vermogensinkomensbijtelling van de eigenbijdrageregelingen die door het CAK worden uitgevoerd. Voor deze regelingen worden daarom geen vermogensuitzonderingen gemaakt. De uitvoeringslast voor betrokkenen en ketenpartners weegt niet op tegen de voordelen van een vermogensuitzondering. Hiermee wordt bovendien aangesloten op de bestaande afwegingskaders rond vermogenstoetsuitzonderingen.42
Werkgevers
Werkgevers hebben twee opties voor de financiering van WGA-uitkeringen:
• Publieke verzekering bij UWV: werkgevers betalen een gedifferentieerde Werkhervattingskas-premie (hierna: Whk-premie). UWV betaalt de WGA-uitkeringen uit deze premiegelden;
• Eigenrisicodrager (hierna: ERD): werkgevers zijn zelf financieel verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen en betalen geen Whk-premie voor het WGA-gedeelte. Zij kunnen UWV wel vragen om de uitkeringen uit te betalen, waarna UWV deze kosten verhaalt op de werkgever.
Als het dagloon te laag is vastgesteld, ontstaat er voor de betrokkene recht op een vergoeding op grond van deze regeling. Deze vergoeding is geen WGA-uitkering en kan daarom niet worden verhaald op de werkgever. Dit geldt voor zowel publiek verzekerde werkgevers als eigenrisicodragers. Hierdoor kan het zijn dat werkgevers in het verleden te weinig aan premies of uitkeringen hebben betaald. Dit financiële voordeel voor werkgevers wordt geaccepteerd.
De regeling voorziet uitsluitend in situaties waarin het dagloon te laag is vastgesteld. Naast deze regeling zijn er echter ook situaties waarin het dagloon te hoog is vastgesteld. De verwachting is dat dit slechts sporadisch het geval zal zijn, omdat in de meeste gevallen het dagloon niet te hoog maar te laag is vastgesteld. Zoals eerder aangegeven zal UWV de uitkering in die gevallen niet herzien. Er wordt dus ook geen terugvordering ingesteld (zie ook paragraaf 1.1. Aanleiding). Voor werkgevers betekent dit dat de premies of uitkeringen die zij hebben betaald niet bijgesteld worden. Ook wordt expliciet gekozen om werkgevers geen vergoeding toe te kennen op grond van deze regeling.
UWV
Voor UWV betekent het toekennen van een vergoeding dat een risico ontstaat op dubbele tegemoetkoming van betrokkenen bij nieuwe aanpassingen van het dagloon, omdat de vergoeding niet in de reguliere uitkeringssystemen van UWV wordt opgenomen. Doordat de vergoeding eindheffingsloon vormt, wordt deze niet als individueel looninkomen in de aangifte loonheffingen verwerkt en komt de vergoeding ook niet in de Polisadministratie. UWV moet systeemaanpassingen doen om te voorkomen dat betrokkenen bij nieuwe aanpassingen van het dagloon in de periode waarvoor de vergoeding is toegekend, voor dezelfde situatie tweemaal tegemoetgekomen worden, enerzijds door middel van een vergoeding op grond van deze regeling en anderzijds middels een nabetaling.
Er kan ook sprake zijn van (gedeeltelijk) dubbele tegemoetkoming als de uitkering van een betrokkene om een andere reden dan een te lage dagloonvaststelling met terugwerkende kracht herzien wordt over (deels) dezelfde periode als waarvoor de vergoeding is toegekend. Dit is bijvoorbeeld het geval als de betrokkene in verband met een herbeoordeling met terugwerkende kracht van een WGA- naar een IVA-uitkering gaat. Het dagloon wordt in deze situaties alsnog met terugwerkende kracht aangepast. Dit leidt tot een nabetaling met keteneffecten, die tot overcompensatie van de betrokkene leidt. De vergoeding wordt in deze situatie namelijk niet herzien en teruggevorderd. Dit is het gevolg van de keuze om buiten de WIA om een vergoeding te verstrekken in plaats van de uitkering met terugwerkende kracht te herzien en een nabetaling te verstrekken. Zie ook paragraaf 2.2. Vormgeving regeling. Gelet op de voordelen van deze regeling, wordt geaccepteerd dat deze overcompensatie kan plaatsvinden.
Pensioenuitvoerders en betrokkenen met een pensioenregeling
Betrokkenen kunnen naast hun WIA-uitkering van de overheid recht hebben op een aanvullende voorziening bij arbeidsongeschiktheid vanuit een pensioenregeling. Zij kunnen een arbeidsongeschiktheidspensioen van een pensioenuitvoerder ontvangen, of blijven ouderdomspensioen opbouwen zonder daarvoor premie te betalen (de premievrije pensioensopbouw, hierna PVO). Dit kan zowel via een pensioenuitvoerder als via een verzekeraar lopen.
Pensioenuitvoerders
Er zijn pensioenuitvoerders die op basis van hun pensioenreglement voor het juridisch correct vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspensioen en de PVO afhankelijk zijn van het door UWV aangeleverde WIA-dagloon, en in bepaalde gevallen specifiek het WIA-dagloon zoals vastgesteld op de eerste WIA-dag.43
Gelet op de gekozen herstelwijze in verband met deze regeling, waarbij UWV het WIA-dagloon niet met terugwerkende kracht aanpast, maar alleen voor de toekomst, heeft dit tot gevolg dat de betreffende pensioenuitvoerders op basis van het pensioenreglement geen wijzigingen kunnen doorvoeren met terugwerkende kracht. Deze pensioenuitvoerders gaan namelijk uit van het WIA-dagloon zoals dat door UWV is vastgesteld. Als daarnaast het pensioenreglement voorschrijft dat het arbeidsongeschiktheidspensioen of de PVO louter is gebaseerd op het door UWV vastgestelde dagloon op de eerste WIA-dag, kunnen pensioenuitvoerders in beginsel ook niet naar de toekomst toe wijzigen. Het dagloon op de eerste WIA-dag wordt immers niet door UWV herzien, het WIA-dagloon wordt enkel voor de toekomst aangepast. Pensioenuitvoerders hebben in bovenstaande situaties dus niet de beschikking over de juiste gegevens om het pensioenreglement op reguliere wijze uit te kunnen voeren.
UWV zal naast de reguliere gegevenslevering via SUAG een additionele gegevensuitlevering verzorgen waarin duidelijk wordt van welke betrokkene het WIA-dagloon is gecorrigeerd vanuit deze herstelactie en wat het nieuwe WIA-dagloon vanaf heden dan is. Dit helpt pensioenuitvoerders echter niet aan de gegevens over het verleden die nodig zijn om de arbeidsongeschiktheidspensioenen en/of PVO te kunnen corrigeren over het verleden en naar de toekomst toe. De Pensioenfederatie heeft om die rede altijd gepleit voor herstel met terugwerkende kracht. UWV heeft echter aangegeven geen gegevens over het verleden, waaronder het WIA-dagloon per eerste WIA dag, te kunnen verstrekken. UWV en de pensioensector hebben afgesproken contact te zullen houden en ervaringen te delen om te bezien wat er verbeterd kan worden in de onderlinge gegevensdeling.
Omdat dit probleem niet alleen speelt bij deze hersteloperatie, maar ook geldt in andere situaties waarbij UWV het WIA-dagloon niet met terugwerkende kracht aanpast (bijvoorbeeld in het geval van gerechtelijke uitspraak) is met de pensioensector is afgesproken om samen met UWV de komende tijd te onderzoeken of dit probleem structureel opgelost kan worden en de onderlinge gegevensuitwisseling te optimaliseren waarmee deze situaties in de toekomst worden voorkomen.
De vergoeding is in het merendeel van de gevallen aantrekkelijker dan de nabetaling die de betrokkene in het reguliere proces zou hebben ontvangen. De rekenformule in deze regeling leidt voor het merendeel van de betrokkenen namelijk tot overcompensatie. Dat betekent dat zij meer ontvangen dan alleen het bedrag aan gemiste WIA-uitkering. Daarnaast voorkomt de regeling dat er negatieve keteneffecten ontstaan in inkomensafhankelijke regelingen. Zie in dit kader paragraaf 2.2. Vormgeving regeling en de rekenformule in paragraaf 2.3. Technische uitwerking. Daarom zal de regeling ook voor veel betrokkenen met een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen en/of een PVO een gunstig alternatief zijn voor de reguliere nabetaling, waarbij wel negatieve keteneffecten zouden ontstaan.
Zoals toegelicht in paragraaf 2.3. Technische uitwerking wordt een betrokkene altijd in de gelegenheid gesteld om af te zien van de vergoeding op grond van deze regeling. Het staat de betrokkene vrij om hierin een afweging te maken op basis van zijn individuele situatie. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van een onafhankelijk financieel adviseur die wordt aangeboden door UWV. Als de betrokkene afziet van de vergoeding, kan hij UWV verzoeken om een reguliere herziening met terugwerkende kracht, met bijbehorende keteneffecten. Deze herziening werkt vervolgens ook door in een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen en/of een PVO, waaruit ook bijbehorende keteneffecten kunnen ontstaan. De onafhankelijk financieel adviseur aangeboden door UWV helpt bij het inzichtelijk maken wat de financiële gevolgen zijn van het accepteren van de vergoeding of het kiezen voor een reguliere herziening.
Verzekeraars
Verzekeraars kunnen aanvullende WIA-verzekeringen aanbieden. Voor aanvullende WIA-verzekeringen, is in grote lijnen hetzelfde van toepassing als voor arbeidsongeschiktheidspensioenen bij pensioenuitvoerders. Dit kan per verzekeraar verschillen en is afhankelijk van de voorwaarden die gelden voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Als in de voorwaarden van de verzekering is bepaald dat de uitkering wordt gebaseerd op het WIA-dagloon, dan voert de betreffende verzekeraar alleen wijzigingen door per dezelfde datum als dat UWV het WIA-dagloon aanpast. Betrokkenen met een dergelijke aanvullende uitkering die een vergoeding op grond van deze regeling ontvangen, zullen daarom voor hun aanvullende WIA-verzekering geen narekening met terugwerkende kracht ontvangen. Ook voor deze betrokkenen geldt dat de vergoeding in het merendeel van de gevallen aantrekkelijker uitvalt dan de nabetaling die de betrokkene in een regulier proces zou hebben ontvangen, vanwege de hierboven beschreven keteneffecten.
Bij iedere regeling die opgesteld wordt, wordt een inschatting gemaakt van de relevante misbruik- en ondermijningsrisico’s. Hierdoor kunnen beheersmaatregelen getroffen worden. In het kader van deze regeling is één specifiek risico geïdentificeerd ten aanzien van herzieningsverzoeken. Betrokkenen van wie UWV de uitkering niet ambtshalve onderzoekt, maar die vermoeden dat hun WIA-uitkering te laag is vastgesteld, kunnen een herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb indienen. Als dat verzoek is ingediend binnen de voor deze regeling geldende periode en UWV naar aanleiding van het verzoek oordeelt dat het WIA-dagloon te laag is vastgesteld, worden het dagloon en de daaruit volgende uitkering voor de toekomst opnieuw vastgesteld en wordt voor het verleden een vergoeding toegekend. Hierdoor ontstaat een risico dat veel betrokkenen bij UWV een herzieningsverzoek indienen. Dit kan voor UWV veel onnodig werk opleveren. Dit risico wordt gemitigeerd, doordat betrokkenen moeten onderbouwen waarom zij denken dat hun WIA-uitkering te laag is vastgesteld. Zie ook paragraaf 2.2. Vormgeving regeling. Hiermee worden betrokkenen ontmoedigd om zonder aanleiding een herzieningsverzoek in te dienen. Als de betrokkene geen onderbouwing aanlevert, mag UWV het herzieningsverzoek bovendien afwijzen.
De conceptregeling heeft tussen 15 december 2025 en 16 januari 2026 opengestaan voor internetconsultatie.44 De internetconsultatie heeft 44 reacties opgeleverd, zowel van burgers als van professionals. De professionele partijen die gereageerd hebben zijn: de Landelijke Cliëntenraad, de Pensioenfederatie, het Verbond van Verzekeraars en FNV, CNV en VCP45.
Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt dat volledige, begrijpelijke en tijdige communicatie over de regeling belangrijk is. De reacties van burgers tonen aan dat veel van hen niet begrijpen wat met de regeling beoogd wordt en welke gevolgen dit heeft voor degenen die een vergoeding zullen ontvangen. Ook professionals wijzen op het belang van communicatie. Zo geeft de Landelijke Cliëntenraad aan dat de voor de regeling van toepassing zijnde keuzemogelijkheden, termijnen en gevolgen hiervan helder en begrijpelijk aan betrokkenen gecommuniceerd moeten worden. Het Verbond van Verzekeraars benadrukt het belang van heldere communicatie over de mogelijkheden om een herzieningsverzoek conform artikel 4:6 Awb in te dienen en hoe dit verzoek zich verhoudt tot het recht op de vergoeding. Het Verbond van Verzekeraars acht het daarbij essentieel dat UWV duidelijk maakt dat sprake is van een ruimhartige compensatie in vergelijking met een reguliere nabetaling. Dit laat zien dat duidelijke communicatie cruciaal is om de uitvoering van de regeling soepel te laten verlopen. In de periode tot inwerkingtreding van deze regeling worden daarom door UWV in samenspraak met SZW en de ketenpartners diverse communicatiemiddelen ten aanzien van de regeling opgesteld, waaronder brieven voor betrokkenen en een nieuwe webpagina op UWV.nl.
De resterende reacties op de internetconsultatie worden hieronder geclusterd in vijf onderwerpen weergegeven: specifieke doelgroepen, vermogen, herzieningen per toekomende datum, herzieningsverzoeken en vergelijkbare situaties in de toekomst. Tot slot wordt ingegaan op de drie belangrijkste punten in de reactie van de Pensioenfederatie. Deze punten hangen deels met elkaar samen en worden daarom gezamenlijk weergegeven.
Specifieke doelgroepen
In diverse reacties op de internetconsultatie wordt aandacht gevraagd voor de gevolgen van de regeling voor bepaalde doelgroepen. De Landelijke Cliëntenraad geeft bijvoorbeeld aan dat de definitieve inkomsten van zelfstandigen soms pas meerdere jaren na het betreffende inkomensjaar vaststaan. Hierdoor bestaat het risico dat bij de vaststelling van de vergoeding wordt uitgegaan van een te laag dagloon, waardoor ook de vergoeding te laag kan uitvallen. In zijn uitvoeringstoets beschrijft UWV welke werkwijze in de uitvoering gehanteerd zal worden om dit risico te voorkomen. Zie paragraaf 3.2. Uitvoeringstoetsen. De werkwijze van UWV voor deze en vergelijkbare gevallen is vanuit het oogpunt van volledigheid en duidelijkheid ook toegevoegd aan paragraaf 2.3. Technische uitwerking.
Het Verbond van Verzekeraars wijst op de effecten van de regeling voor WGA-gerechtigden met een vervolguitkering die een aanvullende verzekering bij een private verzekeraar (hebben) ontvangen. Een vervolguitkering is niet gebaseerd op het dagloon, maar op het minimumloon. De regeling sluit daarom uit dat betrokkenen over perioden met een vervolguitkering een vergoeding krijgen toegekend. Zie paragraaf 2.3. Technische uitwerking. Verzekeraars vullen vervolguitkeringen bij bepaalde arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan tot het bedrag van de voorafgaande WIA-uitkering. Als de voorafgaande WIA-uitkering te laag was vastgesteld door een onjuiste dagloonvaststelling, heeft de betrokkene te weinig aanvulling op zijn vervolguitkering vanuit de verzekeraar ontvangen. Doordat UWV het dagloon niet met terugwerkende kracht corrigeert, ontbreekt voor verzekeraars de grondslag om aanvullingen over het verleden te herzien. Betrokkenen krijgen dan geen nabetaling van de aanvulling op hun vervolguitkering. In paragraaf 2.2. Vormgeving regeling is toegelicht dat het niet mogelijk is om te garanderen dat voor iedere betrokkene het bedrag aan vergoeding minstens gelijk is aan de gemiste WIA-uitkering. Breder geldt dat een betrokkene in bepaalde omstandigheden een hoger bedrag aan nabetaling had kunnen ontvangen dan diegene aan vergoeding krijgt. Doordat de meeste betrokkenen naar verwachting een hoger bedrag aan vergoeding zullen ontvangen dan zij in het regulier proces aan nabetaling hadden gekregen, zullen de meeste individuele omstandigheden echter verdisconteerd zijn in de vergoeding.
Verder schrijft de Pensioenfederatie dat onduidelijk is of een vergoeding kan worden toegekend aan erfgenamen van een inmiddels overleden betrokkene. De vergoeding op grond van deze regeling kan niet worden toegekend aan erfgenamen van een overleden betrokkene. Deze erfgenamen vallen niet in de kring van rechthebbenden.
Vermogen
De Landelijke Cliëntenraad geeft aan dat een vergoeding toegekend op grond van de regeling in individuele gevallen tot keteneffecten kan leiden bij vermogensafhankelijke regelingen, zoals gemeentelijke minimaregelingen. Het is noodzakelijk dat gemeenten binnen hun bestaande beoordelingsruimte maatwerk toepassen om te voorkomen dat betrokkenen onevenredig geraakt worden door deze eventuele tijdelijke vermogenseffecten. Zoals in paragraaf 2.5. Effecten toegelicht, wordt de regeling toegevoegd aan de opgesomde uitzonderingen in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ om keteneffecten voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ te voorkomen. Gemeenten worden aangemoedigd hierin aanleiding te zien om hun bestaande beleidsruimte ter voorkoming van keteneffecten bij vermogensafhankelijke gemeentelijke minimaregelingen optimaal te benutten.
Herzieningen per toekomende datum
In haar reactie op de internetconsultatie geeft de Pensioenfederatie aan dat in de regeling geen aandacht besteed wordt aan de mogelijk negatieve impact van de aanpassing van het WIA-dagloon naar de toekomst toe. Deze correcties door UWV kunnen leiden tot een opeenstapeling van ongunstige effecten voor het inkomen en de toeslagen van betrokkenen. Een verhoging van de WIA-uitkering naar de toekomst toe kan er inderdaad toe leiden dat andere inkomensafhankelijke regelingen per toekomende datum naar beneden worden bijgesteld. Dit is een beoogd doel van het stelsel van inkomensondersteuning. Als een betrokkene meer WIA-uitkering ontvangt, heeft hij immers minder andere inkomensondersteuning nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Het door de Pensioenfederatie beschreven effect volgt bovendien niet uit de toekenning van de vergoeding op grond van de regeling, maar uit de herziening van de uitkering op grond van de WIA. In de regeling wordt om deze redenen geen aandacht aan deze effecten besteed.
Herzieningsverzoeken
Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt dat er vragen zijn over de periode van 1 juli 2026 t/m 1 juli 2027 waarin aan betrokkenen de mogelijkheid wordt geboden om voor een vergoeding in aanmerking te komen door een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 Awb in te dienen. FNV, CNV en VCP zijn van mening dat een hardheidsclausule hier op zijn plaats zou zijn, omdat het om een kwetsbare groep gaat die per definitie arbeidsongeschikt is en daardoor wellicht de focus elders heeft. Betrokkenen waarvan het niet redelijk is om te verwachten dat zij zich in de strikte en korte periode van één jaar melden, zouden een beroep moeten kunnen doen op deze hardheidsclausule. Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie is besloten om de indieningsperiode te verlengen tot 1 september 2028. Vanuit het oogpunt van eenvoud voor de uitvoering bij UWV wordt deze optie wenselijker geacht dan een hardheidsclausule. Als een hardheidsclausule voor de indieningstermijn geïntroduceerd zou worden, zou UWV per betrokkene die hier een beroep op doet, moeten beoordelen of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Een passendere oplossing is dan om de termijn langer te maken. Daarnaast is op basis van de uitvoeringstoets van UWV besloten om voor de indieningsperiode geen begindatum te hanteren.
Vergelijkbare situaties in de toekomst
FNV, CNV en VCP doen de oproep om de regeling voor toekomstige, andere type fouten en voor andere uitkeringen (opnieuw) open te stellen. Zoals in paragraaf 1.2. Nut en noodzaak van de regeling beschreven, wordt gewerkt aan een structurele oplossing voor keteneffecten door nabetalingen.46 Na realisatie van deze structurele oplossing zullen regelingen zoals onderhavige regeling in de meeste gevallen niet meer nodig zijn. Indien UWV aan de betrokkenen in de (herstel)acties waar deze regeling op ziet, nabetalingen had verstrekt, was de uitvoering bij UWV en de ketenpartners bovendien onder druk komen te staan. Dit is een uitzonderlijke omstandigheid die specifiek geldt voor deze (herstel)acties. Ook dit is toegelicht in paragraaf 1.2. Nut en noodzaak van de regeling. Deze (herstel)acties betreffen hierdoor een uitzonderlijke situatie, die een afwijking van het regulier proces rechtvaardigt. Dit zal voor de meeste andere (herstel)acties niet het geval zijn. Deze regeling wordt daarom niet opengesteld voor andere type fouten en/of voor andere uitkeringen.
Reactie van de Pensioenfederatie
De Pensioenfederatie geeft aan dat betrokkenen met een WIA-uitkering een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen kunnen ontvangen. Zij blijven vaak ook pensioen opbouwen zonder daarvoor premie te hoeven betalen. Veel pensioenfondsen zijn voor het juridisch correct vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspensioen en de PVO afhankelijk van de aanlevering van het juiste WIA-dagloon door UWV. De Pensioenfederatie verzoekt daarom het herstel van de WIA-uitkeringen met terugwerkende kracht door te voeren. Alleen zo krijgen arbeidsongeschikte deelnemers het bedrag aan pensioenregelingen waar zij recht op hebben. Pensioenfondsen hebben geen bevoegdheid om zelfstandig het correcte WIA-dagloon vast te stellen. Als UWV het dagloon niet met terugwerkende kracht aanpast, kunnen pensioenfondsen het arbeidsongeschiktheidspensioen en de PVO daarom niet met terugwerkende kracht aanpassen.
Zoals in paragraaf 1.2. Nut en noodzaak van de regeling toegelicht, zijn na bekendwording van de fouten bij de vaststellingen van WIA-daglonen diverse scenario’s uitgewerkt om keteneffecten, die zouden ontstaan als de te weinig verstrekte gelden zouden worden nabetaald, te voorkomen. Twee scenario’s zijn als haalbaar beoordeeld: het compensatiescenario en het dienstverleningsscenario. De Pensioenfederatie heeft haar voorkeur uitgesproken voor het dienstverleningsscenario. De voordelen van het compensatiescenario zijn echter zwaarder gewogen dan de voordelen van het dienstverleningsscenario. Van belang bij deze afweging was dat het compensatiescenario de uitvoeringslast voor UWV en de meeste ketenpartners substantieel vermindert en dat dit scenario het burgerperspectief het best in acht neemt. Het feit dat pensioenfondsen, als gevolg van de keuze voor het compensatiescenario, het arbeidsongeschiktheidspensioen en de PVO van betrokkenen niet met terugwerkende kracht kunnen aanpassen, wordt als een neveneffect geaccepteerd.
In haar reactie op de internetconsultatie geeft de Pensioenfederatie verder aan dat nabetalingen van pensioenfondsen naar aanleiding van de foutieve dagloonvaststellingen door UWV meetellen in het verzamelinkomen, waardoor keteneffecten kunnen optreden. Om keteneffecten te voorkomen, is ervoor gekozen om het dagloon enkel voor de toekomst aan te passen en voor het verleden een vergoeding toe te kennen. Pensioenfondsen hebben daardoor geen juridische basis om aanpassingen met terugwerkende kracht door te voeren en nabetalingen te verstrekken. Zoals de Pensioenfederatie in haar reactie terecht aangeeft, zijn pensioenfondsen die voor het juridisch correct vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspensioen en de PVO afhankelijk zijn van de aanlevering van het juiste dagloon door UWV, juridisch niet bevoegd om eigenstandig aanpassingen met terugwerkende kracht door te voeren in de PVO of het arbeidsongeschiktheidspensioen. Verder is in paragraaf 2.5. Effecten verder ingegaan op de gevolgen van het met terugwerkende kracht aanpassen van het WIA-dagloon voor arbeidsongeschiktheidspensioenen.
Tot slot adviseert de Pensioenfederatie om een gezamenlijke stuurgroep op te richten die verantwoordelijk wordt voor een centraal gecoördineerde aanpak en afgestemde uitvoering van de hersteloperatie door UWV. De Pensioenfederatie is de enige ketenpartner die behoefte heeft aan een stuurgroep. De andere ketenpartners zijn tevreden met de huidige manier van afstemming. Dit advies van de Pensioenfederatie wordt daarom niet opgevolgd. Wel is aan de Pensioenfederatie toegezegd om haar nauw bij het vervolg te betrekken.
Belastingdienst, Dienst Toeslagen en UWV zijn gevraagd om op de regeling een uitvoeringstoets uit te voeren. In februari 2026 hebben deze organisaties hun uitvoeringstoetsen uitgebracht. Voor, tijdens en na de uitvoeringstoetsen zijn Belastingdienst, Dienst Toeslagen en UWV intensief betrokken bij het proces voor het opstellen van de regeling. De punten uit de uitvoeringstoetsen zijn in overleg verwerkt. De belangrijkste punten zijn opgenomen in de reactiebrieven die aan de organisaties zijn toegezonden en zijn hieronder uiteengezet.
Uitvoeringstoets Belastingdienst/Dienst Toeslagen47
Belastingdienst en Dienst Toeslagen schrijven dat de regeling uitvoerbaar is. Wel geven zij aan dat het belang van communicatie groot is. Aan betrokkenen dient toegelicht te worden wat de regeling voor hen betekent, dat de vergoeding niet meetelt voor hun inkomen voor de inkomstenbelasting en/of voor toeslagen en dat zij de vergoeding niet aan Belastingdienst en/of Dienst Toeslagen hoeven te melden. Ook moeten betrokkenen erop gewezen worden dat zij de wijziging van de WIA-uitkering naar de toekomst toe aan Dienst Toeslagen door moeten geven. Belastingdienst en Dienst Toeslagen geven aan input te zullen leveren voor de communicatie over de regeling door UWV en webpagina’s over de regeling op te gaan zetten met specifieke informatie waar UWV in zijn communicatie naar kan verwijzen. Zoals in paragraaf 3.1. Internetconsultatie aangegeven, wordt ingezien dat communicatie voor een goede uitvoering van de regeling essentieel is. In de periode tot inwerkingtreding van de regeling stelt UWV daarom in samenspraak met SZW en de ketenpartners, waaronder Belastingdienst en Dienst Toeslagen, diverse communicatiemiddelen op.
Uitvoeringstoets UWV
UWV oordeelt dat de regeling uitvoerbaar is, mits rekening gehouden wordt met een aantal opmerkingen. De opmerkingen en suggesties van UWV kunnen onderverdeeld worden in vier categorieën: specifieke doelgroepen, periodeafbakening, handhaving en verwerkingsovereenkomst.
Specifieke doelgroepen
UWV gaat in zijn uitvoeringstoets in op vier specifieke doelgroepen. Allereerst geeft UWV aan dat alle zogenoemde zelfmelders48 brieven hebben gehad waarin wordt aangegeven dat de berekening van het dagloon en de WIA-uitkering opnieuw worden bekeken en dat, als het bedrag van de uitkering te laag blijkt te zijn, de uitkering wordt gecorrigeerd en dat een nabetaling kan volgen. Het is volgens UWV moeilijk uitlegbaar dat zelfmelders die buiten de afbakening van de regeling vallen, geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding op grond van de regeling. UWV verzoekt daarom de eenmalige vergoeding voor alle zelfmelders mogelijk te maken. Aan dit verzoek wordt geen gehoor gegeven. Het zijn van een zelfmelder is geen objectief criterium. Zelfmelders die buiten de afbakening van de regeling vallen, verschillen in de basis niet van andere mensen die buiten deze afbakening vallen. Het uitbreiden van de regeling om zelfmelders te includeren, zou hierdoor resulteren in ongelijke behandeling tussen mensen die zichzelf bij UWV gemeld hebben en mensen die dat niet gedaan hebben. De verwachtingen die UWV bij de groep zelfmelders heeft gewekt, kan UWV waarmaken: toegezegd is immers dat de uitkering, als deze te laag blijkt te zijn, gecorrigeerd zal worden en dat vervolgens een nabetaling kan worden verstrekt. Die bevoegdheid heeft UWV op grond van de WIA. Bovendien is het mogelijk dat een deel van de zelfmelders binnen de doelgroep van de regeling valt. Dat is het geval als de oorzaak van de te lage dagloonvaststelling gelegen is in één van de situaties genoemd in artikel 2 van deze regeling en binnen de daarin afgebakende periode heeft plaatsgevonden.
Daarnaast besteedt UWV aandacht aan de gevolgen van de regeling voor betrokkenen die hun WIA-uitkering als voorschot ontvangen, omdat zij inkomsten ontvangen. Het recht op een eenmalige vergoeding kan niet worden vastgesteld zolang de uitkering op voorschotbasis wordt betaald. Volgens de definities van Nieuw en Oud wordt de hoogte van deze twee bedragen bepaald door de uitkering die de betrokkene heeft of zou moeten hebben ontvangen. UWV stelt voor om bij betrokkenen die naast hun uitkering inkomsten hebben, het dagloon en de uitkering te herzien ná verwerking van de inkomsten die op dat moment bekend zijn. De herziening vindt plaats op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de laatste maand waarvan de inkomsten zijn gekort. Deze werkwijze zorgt voor een duidelijke afbakening tussen de periode met vaststaande inkomsten waarover de vergoeding wordt verstrekt en de periode met nog onzekere inkomsten die op een later moment op reguliere wijze definitief worden vastgesteld en gekort op de verhoogde WIA-uitkering. De vergoeding aan betrokkenen met inkomsten uit zelfstandige arbeid wordt in meerdere delen betaald, omdat hun inkomsten pas 1 tot 3 jaar na het jaar waarin de inkomsten zijn genoten, definitief bekend zijn. Met de door UWV voorgestelde werkwijze wordt gegarandeerd dat betrokkenen die naast hun uitkering inkomsten uit zelfstandige arbeid hebben, het juiste bedrag aan vergoeding krijgen. Daarom wordt met de voorgestelde werkwijze ingestemd. Vanuit het oogpunt van volledigheid en duidelijkheid is een uiteenzetting van de werkwijze toegevoegd aan paragraaf 2.3. Technische uitwerking.
Tenslotte schrijft UWV dat een herziening van een WIA-uitkering na vaststelling van de vergoeding middels het regulier proces zal plaatsvinden. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als een betrokkene in verband met een herbeoordeling met terugwerkende kracht van een WGA- naar een IVA-uitkering gaat. Het dagloon wordt in deze situaties alsnog met terugwerkende kracht vastgelegd, omdat de herberekening moet plaatsvinden op het juiste, verhoogde dagloon. Dit leidt tot een nabetaling met keteneffecten, die tot overcompensatie van de betrokkene leidt. De betrokkene heeft eerder immers over (deels) dezelfde periode een vergoeding ontvangen. Deze vergoeding wordt niet opnieuw berekend. De beschreven situatie is een gevolg van de keuze om aan betrokkenen in de (herstel)acties dagloonfouten, indexatiefouten en loonloze tijdvakken een vergoeding op grond van deze regeling toe te kennen in plaats van een nabetaling conform het regulier proces van UWV. Zoals in paragraaf 1.2. Nut en noodzaak van de regeling beschreven, zijn de voor- en nadelen van het compensatiescenario afgewogen tegen de voor- en nadelen van het dienstverleningsscenario. Op basis van deze afweging is het compensatiescenario gekozen. Dat het compensatiescenario voor bepaalde betrokkenen na toekenning van de vergoeding tot overcompensatie kan leiden, wordt geaccepteerd. Zie hierover ook paragraaf 2.5. Effecten.
Periodeafbakening
UWV meldt dat in de afbakening van de doelgroep loonloze tijdvakken is opgenomen dat de WIA-uitkering in de periode van 1 juli 2015 t/m 31 december 2024 moet zijn toegekend. De dagloonberekeningen waren vanaf 1 januari 2025 echter nog niet in lijn met de uitspraken van de CRvB. Betrokkenen die met ingang van 1 januari 2025 een te lage uitkering toegekend hebben gekregen als gevolg van loonloze tijdvakken, vallen buiten de doelgroep. UWV heeft laten weten dat de daglonen van WIA-uitkeringen sinds 5 augustus 2025 berekend worden conform de uitspraken van de CRvB en dat tussen het moment waarop het dagloon wordt berekend en de vaststelling van het recht op de WIA-uitkering een periode ligt die per persoon verschillend kan zijn. De periodeafbakening voor de doelgroep loonloze tijdvakken is daarom aangepast naar de periode van 1 juli 2015 t/m 30 april 2026. Voor een nadere toelichting op deze afbakening wordt verwezen naar paragraaf 2.4. Afbakening.
Handhaving
In het kader van handhaving heeft UWV opmerkingen over de informatieverplichting in artikel 8 en de hardheidsclausule in artikel 11 van deze regeling (oude nummering). Ten aanzien van de informatieverplichting merkt UWV op dat de betrokkene uitsluitend gegevens hoeft te verstrekken die nodig zijn voor de uitbetaling van de vergoeding, zoals een bankrekeningnummer. De betrokkene hoeft geen gegevens aan te leveren voor de vaststelling van het recht op of de hoogte van de vergoeding. Artikel 8 zou hierop aangepast kunnen worden en onderdeel b van artikel 9 zou verwijderd kunnen worden. Deze suggestie is overgenomen.
Ten aanzien van de hardheidsclausule schrijft UWV dat het de voorkeur heeft dat deze aansluit bij de hardheidsclausule in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMTI). De hardheidsclausule in de Wet BMTI geeft UWV meer mogelijkheden dan de bepaling in artikel 11 van de regeling (oude nummering). Voor de hardheidsclausule in artikel 9 van deze regeling is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid.49 Zoals in de memorie van toelichting uiteengezet, wordt met dit wetsvoorstel de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, waarmee de hardheidsclausule ‘dringende redenen’ verbreed is, gecodificeerd.50 Het gaat hierbij om een toets op evenredigheid. Hoewel deze regeling voor een eenmalige vergoeding niet valt onder het socialezekerheidsstelsel, is een soortgelijke hardheidsclausule hier passend. Het gaat immers om verstrekking van financiële middelen die eventueel ook teruggevorderd kunnen worden. De hardheidsclausule geeft UWV voldoende mogelijkheden om passend te handhaven en waar nodig af te zien van herziening, intrekking of terugvordering. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 9.
Naar aanleiding van de opmerking van UWV is gekeken hoe de handhavingsbevoegdheden in deze regeling nog meer in lijn gebracht kunnen worden met het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid. In artikel 8 van de regeling is vervolgens een uitzondering op de terugvorderingsplicht opgenomen voor gevallen waarin de onverschuldigde betaling is ontstaan door een fout van het bestuursorgaan. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8, tweede lid.
Verwerkingsovereenkomst
UWV geeft aan dat de Minister van SZW verwerkingsverantwoordelijke is en UWV verwerker, waardoor op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor de uitvoering van de regeling een verwerkingsovereenkomst gesloten moet worden. Deze overeenkomst dient zich te beperken tot de nieuwe gegevensverwerkingen in het kader van de regeling. De conclusie van UWV dat een verwerkingsovereenkomst noodzakelijk is, wordt onderschreven. De overeenkomst zal voor inwerkingtreding van deze regeling in samenspraak met UWV opgesteld worden.
Doel van deze regeling is aan betrokkenen in de (herstel)acties dagloonfouten en indexatiefouten en loonloze tijdvakken een passende financiële vergoeding te verstrekken, waarbij keteneffecten voor deze betrokkenen zoveel mogelijk worden voorkomen. Hieraan zijn financiële gevolgen verbonden voor de rijksbegroting, burgers en bedrijven. Onderstaand worden deze gevolgen in kaart gebracht.
In de Voorjaarsnota’s 2023 t/m 2026 zijn middelen gereserveerd voor het toekennen van een vergoeding in de (herstel)acties voor het ontbrekende bedrag aan WIA-uitkering dat een betrokkene in het verleden niet heeft ontvangen. In Tabel 3 zijn de verwachte kosten per (herstel)actie weergegeven voor de vergoedingen inclusief de vergoeding voor rente en de vergoeding voor vakantiebijslag.
|
Tabel 3: Geraamde kosten per (herstel)actie |
|
|---|---|
|
Dagloonfouten |
€ 45 miljoen |
|
Indexatiefouten |
€ 6 miljoen |
|
Loonloze tijdvakken |
€ 458 miljoen |
|
Uitvoeringskosten corrigeerorganisatie |
€ 61 miljoen |
Met deze regeling worden negatieve keteneffecten tegengegaan. Dit betekent dat er geen verrekening met de Toeslagenwet zal plaatsvinden. Het niet verrekenen van de Toeslagenwet leidt tot extra kosten. Hiervoor is in de voorjaarsbesluitvorming 2026 geld gereserveerd. Voor de herstelactie dagloonfouten ca. € 6,7 miljoen, voor de herstelactie indexatiefouten ca. € 0,4 miljoen en voor de actie loonloze tijdvakken ca. € 13,3 miljoen.
Daarnaast is in 2026 besloten om de periodeafbakening van de actie loonloze tijdvakken te verlengen naar dagloonberekeningen t/m 4 augustus 2025.51 Sinds de uitspraak van de CRvB geldt dat UWV de loonloze tijdvakken op een andere manier moet verwerken in de dagloonberekening. UWV had een periode nodig voor het implementeren van deze nieuwe werkwijze. Op 5 augustus 2025 heeft UWV een wijziging in de uitvoering doorgevoerd, waardoor deze fouten sindsdien in principe niet meer voorkomen. Zoals in paragraaf 2.4. Afbakening toegelicht, zit er echter tijd tussen het moment van de dagloonberekening en de vaststelling van het recht op uitkering. Daarom is vastgelegd dat betrokkenen die een WIA-uitkering toegekend hebben gekregen tussen 1 juli 2015 en 30 april 2026 in aanmerking komen voor een vergoeding op grond van deze regeling. Voor het uitbreiden van de periodeafbakening van de actie loonloze tijdvakken is € 2,9 miljoen gereserveerd in de voorjaarsbesluitvorming 2026.
Voor betrokkenen verschilt het bedrag van de vergoeding per geval, afhankelijk van het bedrag aan gemiste WIA-uitkering. Dit blijkt ook uit de rekenformule. Zie daarvoor paragraaf 2.3. Technische uitwerking.
Deze regeling wordt gefinancierd via een Rijksbijdrage aan UWV. In zijn boekhouding zal UWV de Rijksbijdrage en de uitgaven aan deze regeling (het netto te betalen bedrag en de eindheffing) plaatsen bij het Arbeidsongeschiktheidsfonds (hierna: Aof). De betalingen krijgen een oormerk, zodat ze van reguliere betalingen uit het Aof te onderscheiden zijn. De bekostigingssystematiek bestaat uit de volgende onderdelen: de maandelijkse bevoorschotting en de afrekening. SZW informeert UWV schriftelijk over de bevoorschotting. De afrekening zal zoals gebruikelijk bij Rijksgefinancierde regelingen plaatsvinden op basis van de daadwerkelijke lasten zoals verantwoord in de jaarrekening van UWV. Omdat alle uitgaven worden vergoed door de Rijksbijdrage wordt het Aof per saldo niet belast.
Met deze regeling wordt beoogd om een passende eenmalige financiële vergoeding toe te kennen aan betrokkenen van wie het WIA-dagloon en de daaruit volgende WIA-uitkering te laag zijn vastgesteld. Door het eenmalige karakter heeft de vergoeding geen gevolgen voor de structurele regeldruk.
Deze regeling heeft wel gevolgen voor de incidentele regeldruk. Voor betrokkenen leidt toekenning van een vergoeding op grond van deze regeling incidenteel tot een afname van de regeldruk. Indien de betrokkene een nabetaling had ontvangen conform het regulier proces van UWV, had de kans bestaan dat de betrokkene eventuele inkomensafhankelijke regelingen geheel of gedeeltelijk had moeten terugbetalen. Voor de gevolgschade van deze keteneffecten had de betrokkene bij UWV een schadevergoeding kunnen vragen. Hiertoe had de betrokkene administratie moeten bijhouden en bij UWV moeten aanleveren.
Om de afname van de incidentele regeldruk inzichtelijk te maken, wordt het Standaard Kosten Model gehanteerd. Hiermee wordt vanuit het perspectief van de burger die in aanraking komt met de regelgeving nagegaan welke stappen of handelingen de burger moet verrichten om de verplichtingen na te kunnen leven en hoeveel tijd en welke uitgaven daarmee gepaard gaan. In het hiernavolgende worden de kosten per handeling (P) en het aantal handelingen per jaar (Q) berekend om zodoende tot een regeldruk van P x Q te komen.
Berekening P
Om de P te berekenen wordt gekeken naar het aantal uur dat een betrokkene vermoedelijk nodig heeft voor een handeling, vermenigvuldigt met de kosteninvestering per uur. Voor het bijhouden van administratie wordt uitgegaan van een gemiddelde investering van 8 uur. Het betreft voornamelijk het bijhouden van stukken, het opbergen van deze stukken en het indienen van deze stukken bij UWV.
Op basis van CBS-statistieken wordt ervan uitgegaan dat een bedrag van € 17 per uur realistisch is om de kosteninvestering hiervan weer te geven. Documenten kunnen bij UWV digitaal aangeleverd worden, dus naast een tijdsinvestering zijn er geen bijkomende kosten gemoeid met het vragen van een schadevergoeding voor de gevolgschade van opgetreden keteneffecten. P is daarom 8 x € 17 = € 136 voor de administratieve verplichtingen.
Berekening Q
UWV zal aan maximaal 130.600 betrokkenen een vergoeding op grond van deze regeling toekennen. In de praktijk zullen minder betrokkenen dan dit maximale aantal een vergoeding ontvangen. Allereerst zal UWV niet in alle dossiers die het controleert een dagloonfout aantreffen. Daarnaast zullen er betrokkenen zijn die in twee of alle (herstel)acties vallen en daarom in het maximumaantal van 130.600 dubbel geteld zijn.
Ingeschat wordt dat 80% van het maximaal aantal betrokkenen daadwerkelijk een vergoeding zal ontvangen. Dit komt doordat UWV aan de betrokkenen in de actie loonloze tijdvakken (76.000) en de herstelactie indexatiefouten (3.600) vrijwel zeker een vergoeding zal toekennen. Enkel in de herstelactie dagloonfouten weet UWV pas bij het onderzoeken van een dossier of een dagloonfout gemaakt is. Voor het berekenen van de regeldruk wordt ervan uitgegaan dat UWV in de helft van de gevallen een fout zal aantreffen (25.500). Opgeteld betreft dit afgerond 80% van 130.600.
Totale effecten regeldruk
De regeldrukbesparing voor de administratieve verplichtingen komt uit op € 136 x 105.100 = € 14.293.600. Hierbij moet opgemerkt worden dat deze besparing niet zal leiden tot een afname van de financiële lasten voor UWV of de ketenpartners. Betrokkenen ondervinden de kostenbesparing, omdat zij voor de toegekende vergoeding geen administratie hoeven bij te houden. Indien zij een nabetaling hadden ontvangen, hadden zij deze administratieve lasten wel gehad.
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Voor de uitvoering van deze regeling zijn gegevens nodig die reeds bekend zijn bij UWV. Gebruik van deze bestaande gegevens voorkomt dat betrokkenen opnieuw dezelfde informatie moeten aanleveren om in aanmerking te komen voor een vergoeding op grond van deze regeling. De verstrekking van de gegevens is gebaseerd op artikel 54 van de Wet SUWI. Het gaat om een verstrekking van de gegevens aan de Minister van SZW voor zijn wettelijke taak in het kader van de Kaderwet SZW-subsidies.
UWV is uitvoerder van deze regeling. UWV is genoemd in het eerste lid van artikel 54 van de Wet SUWI. De wettelijke grondslag voor de ontvangst van de gegevens ligt besloten in de taak van algemeen belang die de Minister van SZW uitvoert. Daarmee is voldaan aan artikel 6, eerste lid, sub e, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Deze regeling zal onderdeel worden van de reguliere verantwoording van UWV aan de Minister van SZW. De voortgang van de uitvoering van deze regeling wordt, naast de reguliere verantwoording, opgenomen in de periodieke Kamerbrieven over de herstelactie WIA. Hiermee blijft de Tweede Kamer op de hoogte van de uitvoering en de resultaten.
Ter waarborging van de voortgang vindt maandelijks een monitoringsoverleg plaats tussen UWV en SZW. Dit structurele overleg zorgt voor tijdige afstemming tussen UWV en de Minister van SZW, waardoor de regeling doeltreffend kan worden uitgevoerd.
Deze regeling treedt met ingang van 1 september 2026 in werking. Vanaf de inwerkingtreding van de regeling start UWV met het ambtshalve toekennen van de vergoedingen op grond van deze regeling.
In dit artikel worden enkele begrippen gedefinieerd. De begrippen die nadere uitleg behoeven worden hieronder toegelicht.
Het begrip beschikking tot herziening is relevant voor de berekening van de vergoeding. De ingangsdatum van de beschikking tot herziening is namelijk een van de bepalende elementen voor de maximale periode waarover de hoogte van een vergoeding wordt berekend, zoals geregeld in artikel 4, tweede en derde lid, van deze regeling. Het gaat om de beschikking waarin wordt vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering niet correct is berekend als bedoeld in artikel 2. De ingangsdatum van die beschikking is de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Een herziening met terugwerkende kracht blijft achterwege. Dat betekent dat het recht op uitkering naar het verleden toe ongewijzigd blijft. De beschikking kan ambtshalve zijn gegeven of naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb (verzoek tot herziening).
Het begrip dagloon is relevant voor de afbakening van de doelgroep in artikel 2 van deze regeling. Hierbij wordt in de begripsbepaling verwezen naar artikel 13 van de WIA.
Het begrip loon is relevant voor de definiëring van een ander begrip in deze regeling, namelijk loonloos tijdvak. Hierbij wordt gebruik gemaakt van bestaande begrippen uit het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Voor loon wordt verwezen naar artikel 14 en voor loonloos tijdvak wordt verwezen naar artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit. Een loonloos tijdvak is een kalendermaand in de referteperiode voor de dagloonvaststelling van de WIA-uitkering waarin geen loon is genoten. Het gaat daarbij om andere redenen dan vanwege verlof of werkstaking.
In artikel 2 is geregeld welke personen recht hebben op een eenmalige vergoeding. De aanhef van het artikel bevat een aantal algemene criteria die voor alle doelgroepen gelijk zijn. Een algemeen criterium in de afbakening is gelegen in de term persoon. Daaronder wordt verstaan een in leven zijnde persoon. Als een persoon is overleden, kan dus geen recht meer ontstaan op een vergoeding. Een ander algemeen criterium is dat door UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering niet correct is berekend. Met de vaststelling wordt gedoeld op een besluit van UWV waarin een herziening van het dagloon plaatsvindt (beschikking tot herziening). Die beschikking kan UWV ambtshalve geven of naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (een verzoek tot herziening). De periode waarin een dergelijk verzoek tot herziening van de hoogte van de WIA-uitkering in relatie tot deze regeling kan worden ingediend, is in de aanhef van artikel 2 afgebakend. Als een verzoek tot herziening is ingediend voor 1 september 2028, dan beoordeelt UWV eerst of de hoogte van de WIA-uitkering correct is berekend. Als dit leidt tot een herziening van de hoogte van de WIA-uitkering, beoordeelt UWV vervolgens namens de minister of die persoon recht heeft op een vergoeding op grond van artikel 2 van deze regeling.
De niet correcte vaststelling van de WIA-uitkering kan verschillende oorzaken hebben. Dat is gespecificeerd in de onderdelen a tot en met d. Daarin komen de verschillende (herstel)acties tot uitdrukking. Voor een toelichting op de beleidsinhoudelijke keuzes die tot deze afbakening hebben geleid, wordt verwezen naar paragrafen 1.1. Aanleiding en 2.4. Afbakening van het algemeen deel van deze toelichting.
Dit onderdeel ziet op de herstelactie dagloonfouten. Die herstelactie bevat twee categorieën dagloonfouten, die hier nader worden toegelicht.
Er is sprake van een dagloonfout als het dagloon van de WIA-uitkering te laag of te hoog is vastgesteld door een onjuiste toepassing van hoofdstuk 3, 3a of 4 van het Dagloonbesluit. Hoofdstuk 3 van het Dagloonbesluit bevat (reken)regels over de vaststelling van het dagloon voor de WIA-uitkering. Als die regels onjuist zijn toegepast, is sprake van een dagloonfout in de zin van deze regeling. Het gaat hier dus om de wijze waarop het dagloon is berekend en de (reken)regels die daarbij gelden. De hoofdstukken 3a en 4 van het Dagloonbesluit zijn ook genoemd, omdat die hoofdstukken overgangsbepalingen bevatten die ook van toepassing kunnen zijn bij de vaststelling van het dagloon van de WIA-uitkering.
Er is ook sprake van een dagloonfout als het dagloon van de WIA-uitkering te laag of te hoog is vastgesteld door een onjuiste toepassing van artikel 33a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Daarmee wordt gedoeld op de beleidsregels van het UWV over het gebruik van gegevens uit de Polisadministratie bij de vaststelling van uitkeringen. Als dat beleid op een onjuiste manier is toegepast, is sprake van een dagloonfout in de zin van deze regeling.
Onderdeel a bevat verder een afbakening in tijd. Het gaat om WIA-uitkeringen die zijn ontstaan in de periode van 1 januari 2020 t/m 31 december 2024. De datum waarop het recht op uitkering is ontstaan, is hierbij bepalend.
Dit onderdeel ziet op de herstelactie indexatiefouten. Er is sprake van een indexatiefout als het dagloon van de WIA-uitkering te laag is vastgesteld door een onjuiste indexering van het dagloon (artikel 14 van de WIA). Ook hierbij geldt een afbakening in tijd, waarbij de datum waarop het recht op de uitkering is ontstaan bepalend is. Het gaat om WIA-uitkeringen die zijn ontstaan in de periode van 1 juli 2006 t/m 31 december 2022.
Deze onderdelen zien op de afbakening van de doelgroep loonloze tijdvakken. Hierbij gaat het om personen die te maken hebben gehad met een dagloonverlagend effect door een loonloos tijdvak in de situaties genoemd in de rechterlijke uitspraken, zoals toegelicht in paragraaf 1.1. Aanleiding van het algemeen deel van deze toelichting.52 Dit dagloonverlagend effect werkt door in de hoogte van de WIA-uitkering. Er zijn verschillende elementen opgenomen om tot de afbakening van de doelgroep te komen.
Ten eerste is er een afbakening in tijd. Dit betreft voor beide situaties de periode waarin de loonloze tijdvakken zoals beschreven in de uitspraken zich voor kunnen doen. Het gaat daarbij om loonloze tijdvakken in de referteperiode die ten grondslag ligt aan de berekening van de hoogte van een WIA-uitkering. Het gaat daarbij om uitkeringen die zijn ontstaan in de periode van 1 juli 2015 t/m 30 april 2026. Ook hier is de datum waarop het recht op uitkering is ontstaan bepalend. Voor een inhoudelijke toelichting op de gekozen afbakening wordt verwezen naar paragraaf 2.4. Afbakening van het algemeen deel van deze toelichting.
Ten tweede moet het verlagend effect op de hoogte van de WIA-uitkering zijn opgetreden na de datum van de betreffende uitspraak, afhankelijk van de wijze waarop een dagloonverlagend effect is ontstaan. In onderdeel c wordt dit geregeld door het dagloonverlagend effect door toepassing van artikel 33, eerste lid, van de Werkloosheidswet op of na 29 november 2023 op te nemen in de afbakening van de doelgroep. Op of na 29 november 2023 is gekozen omdat dit de datum van de betreffende uitspraak is. Als het verlagend effect op de hoogte van de WIA-uitkering alleen plaatsvond voor 29 november 2023, dan valt die persoon niet onder de doelgroep van deze regeling. Deze persoon zou bij een herzieningsverzoek buiten deze regeling om namelijk geen recht hebben op een herziening met nabetaling.
In onderdeel d wordt dit geregeld door het dagloonverlagend effect door één of meerdere loonloze tijdvakken om andere redenen dan bedoeld in onderdeel c op of na 30 juli 2024 op te nemen in de afbakening van de doelgroep. Op of na 30 juli 2024 is gekozen omdat dit de datum van de betreffende uitspraak is. Als het verlagend effect op de hoogte van de WIA-uitkering alleen plaatsvond voor 30 juli 2024, dan valt die persoon niet onder de doelgroep van deze regeling. Deze persoon zou bij een herzieningsverzoek buiten deze regeling om namelijk geen recht hebben op een herziening met nabetaling.
In artikel 3 zijn uitsluitingsgronden voor deze regeling opgenomen.
De eerste uitsluitingsgrond ziet op personen voor wie sprake is van een dagloonfout als bedoeld in artikel 2, onderdeel a. Het is mogelijk dat de WIA-uitkering vanwege een dagloonfout te hoog is vastgesteld. De dagloonfout heeft dan een dagloonverhogend effect gehad. Als er geen sprake is van samenloop met een dagloonverlagende dagloonfout in de berekening van de WIA-uitkering of samenloop met een indexatiefout of loonloze tijdvak(ken), dan heeft de betrokkene in totaal een te hoog bedrag aan WIA-uitkering ontvangen. In dat geval is er geen reden tot toekenning van een recht op vergoeding. Daarom is voor deze gevallen een uitsluitingsgrond opgenomen.
De tweede uitsluitingsgrond ziet op personen voor wie sprake is van een indexatiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b. Als de WIA-uitkering van de betreffende persoon is beëindigd voor 1 januari 2020, dan heeft die persoon geen recht op een vergoeding op grond van deze regeling. Deze uitsluitingsgrond is nodig omdat de indexatiefouten ver in het verleden kunnen liggen (vanaf 1 juli 2006). Dit wordt nader toegelicht in de paragrafen 1.1. Aanleiding en 2.4. Afbakening van het algemeen deel van deze toelichting.
De derde uitsluitingsgrond is bedoeld om uit te sluiten dat personen dubbel gecompenseerd worden, enerzijds via een vergoeding op grond van deze regeling en anderzijds via een reguliere herziening met terugwerkende kracht op grond van de WIA. Deze vergoedingsregeling is namelijk bedoeld als alternatief voor de reguliere nabetaling. Het is mogelijk dat er na de toekenning van de vergoeding alsnog een herziening van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een verzoek tot herziening of een bezwaar- of beroepsprocedure over de hoogte van de WIA-uitkering.53 Als dit heeft geleid tot een herziening met terugwerkende kracht, dan is die persoon uitgesloten van het recht op een vergoeding op grond van deze regeling. Het ontvangen van een nabetaling is daarbij geen vereiste, omdat het in bijzondere gevallen ook kan gaan om bijvoorbeeld een verlaging van een terugvordering. Het is wel een vereiste dat de reden voor de herziening met terugwerkende kracht dezelfde is als voor de vergoeding. Het moet dus gaan om een van de in artikel 2 genoemde situaties. Als de uitkering om een andere reden met terugwerkende kracht wordt herzien, is de uitsluitingsgrond niet van toepassing. Het is dus enkel bedoeld om dubbele compensatie voor dezelfde gebeurtenis te voorkomen.
Als de uitsluitingsgrond van toepassing is, zal de betrokkene de vergoeding moeten terugbetalen (zie hierover de artikelen 7 en 8). De correctie van de hoogte van de WIA-uitkering heeft dan namelijk alsnog op de reguliere wijze plaatsgevonden waardoor de vergoeding dubbelop zou zijn. Andersom kan de situatie zich ook voordoen. Sommige personen die binnen de doelgroep van deze regeling vallen hebben voorafgaand aan deze vergoedingsregeling om verschillende redenen al een reguliere nabetaling ontvangen van UWV. Die personen zijn in beginsel uitgesloten van deze vergoedingsregeling. Het vierde lid regelt hierop een uitzondering.
Het is mogelijk dat er in een eerdere reguliere herziening van de WIA-uitkering alsnog een te laag dagloon is vastgesteld wegens dezelfde redenen die genoemd zijn in artikel 2. In dat geval is er bij de herziening dus eenzelfde soort fout gemaakt in de dagloonberekening of indexatie van de uitkering, of is er per abuis toch nog een loonloos tijdvak meegenomen in de dagloonvaststelling. Het UWV kan een dergelijke fout corrigeren met een nieuwe herziening. De uitsluitingsgrond uit het derde lid is dan niet van toepassing. Dubbele compensatie wordt in dat geval voorkomen via de formule voor de berekening van de hoogte van de vergoeding. Hierbij wordt namelijk een vergelijking gemaakt met de hoogte van de uitkering als de te lage vaststelling van het dagloon niet had plaatsgevonden en de hoogte van de uitkering die betrokkene daadwerkelijk heeft genoten in de betreffende periode. Dat is dus inclusief de ontvangen nabetalingen. Op die manier ontvangt een betrokkene alleen nog een vergoeding voor het verschil tussen de reeds ontvangen uitkeringsgelden (inclusief nabetalingen) en de gemiste uitkeringsgelden.
In artikel 4 is de hoogte van de vergoeding geregeld.
Het eerste lid bevat een formule. Bij de berekening van de hoogte van de vergoeding wordt een vergelijking gemaakt tussen de opnieuw berekende uitkering die betrokkene zou hebben genoten en de oude uitkering die betrokkene daadwerkelijk heeft genoten. In de formule is dit aangeduid met de termen Nieuw en Oud. Daarbij staat Nieuw voor het totaalbedrag van de uitkering dat betrokkene zou hebben genoten gedurende de maximale vergoedingsperiode (tweede of derde lid) als de onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering (als bedoeld in artikel 2) niet had plaatsgevonden (met uitzondering van vakantiebijslag).
De berekening die hiervoor plaatsvindt is een soortgelijke berekening die het UWV zou hebben uitgevoerd bij een reguliere herziening met terugwerkende kracht. Het UWV maakt hierbij gebruik van het bestaande berekeningssysteem. Gedurende de looptijd van een WIA-uitkering kunnen er fluctuaties plaatsvinden in de hoogte van de uitkering, zoals een wisselend ao-percentage of een periode met een vervolguitkering (die is in beginsel niet dagloongerelateerd). Het berekeningssysteem houdt hier automatisch rekening mee. Met andere woorden, voor de berekening worden de reguliere regels over de hoogte van de WIA-uitkering toegepast met het bestaande berekeningssysteem van het UWV. Een uitzondering hierop is de vakantiebijslag, omdat dat systeemtechnisch niet uitvoerbaar is voor deze regeling. Daarom is de vakantiebijslag in de formule uitgezonderd van Nieuw en Oud en vervolgens apart opgenomen en aangeduid met de letter V. De vergoeding voor vakantiebijslag bedraagt 8% over de uitkomst van Nieuw – Oud. Zie voor een nadere toelichting hierover paragraaf 2.3. Technische uitwerking van het algemeen deel van deze toelichting.
Het onderdeel Oud in de formule staat voor het totaalbedrag van de uitkering dat betrokkene daadwerkelijk heeft genoten gedurende de maximale vergoedingsperiode (tweede of derde lid). Ook hierbij maakt het UWV gebruik van het bestaande berekeningssysteem dat rekening houdt met alle fluctuaties in de hoogte van de uitkering die gedurende de relevante periode hebben plaatsgevonden. Ook hier met uitzondering van de vakantiebijslag. De vergoeding voor vakantiebijslag wordt apart berekend en is in de formule aangeduid met de letter V.
Zodra het nieuwe en het oude bedrag zijn berekend, wordt het oude bedrag van het nieuwe bedrag afgetrokken om het totaalbedrag van gemiste uitkeringsgelden vast te stellen. Vervolgens wordt die uitkomst vermenigvuldigd met de factor 0,65. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3. Technische uitwerking van het algemeen deel van deze toelichting.
Vervolgens wordt er nog een bedrag bij opgeteld voor vergoeding van rente. Dit is in de formule aangeduid met de letter R. Dit bedrag bedraagt 12,5% over de uitkomst van Nieuw – Oud + V. Ook dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3. Technische uitwerking van het algemeen deel van deze toelichting.
De looptijd van een WIA-uitkering kan langer zijn dan de periode waarover de hoogte van de vergoeding wordt berekend. De maximale vergoedingsperiode kan voor ieder van de in artikel 2 genoemde gevallen anders zijn, afhankelijk van de omstandigheden. Daarover zijn bepalingen opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 4, die hieronder nader worden toegelicht.
Het tweede lid is van toepassing op nog lopende uitkeringen. Daarmee wordt bedoeld dat de betreffende persoon ten tijde van de vaststelling van het recht op de vergoeding nog steeds recht heeft op diezelfde WIA-uitkering waarbij een onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering heeft plaatsgevonden (als bedoeld in artikel 2). Het derde lid is van toepassing op reeds beëindigde uitkeringen. Daarmee wordt bedoeld dat het recht op de WIA-uitkering van de betreffende persoon ten tijde van de vaststelling van het recht op de vergoeding is beëindigd. In dat geval geldt een afwijkende vergoedingsperiode. Door de afbakening in tijd in artikel 2 in combinatie met de vergoedingsperiode in artikel 4, tweede of derde lid, kan de periode waarover een vergoeding wordt verstrekt maximaal teruglopen t/m het jaar 2015.
Het eerste onderdeel van het tweede lid is van toepassing op personen met een nog lopende uitkering in de doelgroepen dagloonfouten en indexatiefouten. Het gaat dus om personen die vallen binnen de doelgroepen die zijn afgebakend in artikel 2, onderdelen a en b. Als de betrokkene ten tijde van de vaststelling van de vergoeding nog steeds recht heeft op diezelfde WIA-uitkering waarin een dagloonfout of indexatiefout is gemaakt, dan heeft de vergoeding maximaal betrekking op de periode van 1 januari 2020 t/m de datum waarop de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. De beschikking tot herziening heeft rechtsgevolg vanaf de eerste dag van de maand waarin de wijziging van het dagloon van de WIA-uitkering van kracht wordt. De ingangsdatum van de herziene uitkering is vermeld in de beschikking tot herziening. Een definitie van het begrip beschikking tot herziening is te vinden in de begripsbepalingen (artikel 1) en de bijbehorende artikelsgewijze toelichting.
Onderdeel b is van toepassing op personen die vallen binnen de doelgroep loonloze tijdvakken, bedoeld in artikel 2, onderdeel c. Voor die personen is de periode waarover de vergoeding wordt berekend de periode van 29 november 2023 (datum rechterlijke uitspraak) t/m de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft. Voor een toelichting op dat laatste wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4, tweede lid, onderdeel a.
Onderdeel b is van toepassing op personen die vallen binnen de doelgroep loonloze tijdvakken, bedoeld in artikel 2, onderdeel d. Voor die personen is de periode waarover de vergoeding wordt berekend de periode van 30 juli 2024 (datum rechterlijke uitspraak) t/m de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft.
In het derde lid, onderdeel a, is een afwijkende vergoedingsperiode geregeld voor personen die vallen in de doelgroepen dagloonfouten en loonloze tijdvakken (artikel 2, onderdelen a, c of d). Als het recht op de WIA-uitkering is beëindigd ten tijde van de vaststelling van het recht op de vergoeding, geldt voor deze personen een maximale vergoedingsperiode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd. Dit heeft verder geen invloed op de wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt berekend. Dat is namelijk geregeld in het eerste lid. Voor loonloze tijdvakken geldt bijvoorbeeld dat het effect daarvan meetelt in de vergoeding vanaf het moment van de van toepassing zijnde uitspraak van de CRvB, zoals volgt uit het eerste lid in samenhang met artikel 2. De periode waarover de vergoeding wordt berekend kan wel ruimer zijn vanwege samenloop met een dagloonfout en/of indexatiefout. Dit wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij het vierde lid.
In het derde lid, onderdeel b, is een afwijkende vergoedingsperiode geregeld voor personen die vallen binnen de doelgroep indexatiefouten (artikel 2, onderdeel b). Ook hier geldt een maximale vergoedingsperiode van vijf jaar als het recht op de WIA-uitkering is beëindigd ten tijde van de vaststelling van het recht op de vergoeding. Daarnaast geldt voor deze doelgroep een aanvullend criterium, namelijk dat de uitkering is beëindigd op of na 1 januari 2020. Dit criterium is opgenomen omdat indexatiefouten ver in het verleden kunnen liggen en de vergoedingsperiode daarom maximering behoeft. Deze maximering is bedoeld om de vergoedingsperiode voor beëindigde uitkeringen zoveel mogelijk gelijk te trekken. Ook heeft het te maken met de bewaartermijn van dossiers. Een nadere toelichting hierover is te vinden in de paragrafen 1.1. Aanleiding en 2.4. Afbakening van deze toelichting.
Als de uitkering voor 2020 is beëindigd, is er geen vergoeding mogelijk op grond van deze regeling. Als het recht op de WIA-uitkering wel op of na 1 januari 2020 is beëindigd, geldt voor deze personen een maximale vergoedingsperiode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd.
Om een indexatiefout te herstellen is wel de gehele looptijd van de uitkering relevant, omdat de gemiste indexatie steeds doorwerkt in een volgende indexatie. Het is voor de berekening dus nodig om terug te gaan naar het moment waarop het recht op uitkering is ontstaan. Zoals opgenomen in artikel 2, onderdeel b, zijn de indexatiefouten gemaakt in de periode van 1 juli 2006 t/m 31 december 2022. Die gehele periode is relevant voor de correctie van de indexatiefout in de beschikking tot herziening. Vervolgens geldt voor de berekening van de vergoeding op grond van deze regeling een maximale periode waarover de hoogte van de vergoeding wordt berekend. Dat is geregeld in het tweede en derde lid van artikel 4.
Het vierde lid gaat over samenloopsituaties. Het is mogelijk dat een persoon in verschillende doelgroepen van artikel 2 valt. Er is dan sprake van een combinatie van een dagloonfout en/of indexatiefout en/of loonloze tijdvak(ken). Het vierde lid regelt welke vergoedingsperiode in dat geval van toepassing is. Als meerdere onderdelen van artikel 2 voor een persoon van toepassing zijn, geldt de ruimste vergoedingsperiode die voor de betreffende persoon op grond van artikel 4, tweede of derde lid, van toepassing is. Het doel van het vierde lid is om aan te wijzen welk onderdeel uit het tweede of derde lid van toepassing is, als meerdere onderdelen tegelijk van toepassing zijn. Het regelt verder niets over hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend, want dat is geregeld in het eerste lid. Een bepalend element voor de berekening van de vergoeding is de periode waarin sprake is van een onjuiste berekening van de WIA-uitkering als bedoeld in deze regeling. Een dagloonverlagend effect door een loonloos tijdvak telt bijvoorbeeld pas mee in de berekening van de vergoeding vanaf de datum van de van toepassing zijnde uitspraak van de CRvB (zoals geregeld in het eerste, tweede en derde lid). De bepaling in het vierde lid verandert daar niets aan. Ook niet als er vanwege samenloop een ruimere vergoedingsperiode geldt, vanwege bijvoorbeeld een indexatiefout of dagloonfout. Dit wordt hieronder toegelicht met een voorbeeld.
Een voorbeeld van een samenloopsituatie: er is sprake van een verlagend effect op de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in artikel 2, onderdeel c (loonloos tijdvak). Over de periode voorafgaand aan 29 november 2023 is er voor wat betreft loonloos tijdvak geen recht op vergoeding, omdat er toen nog geen sprake was van een verlagend effect op de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in deze regeling. Als er in deze situatie sprake is van samenloop met bijvoorbeeld een indexatiefout, dan geldt de ruimste van toepassing zijnde vergoedingsperiode. Het effect van de indexatiefout telt dan over de gehele vergoedingsperiode mee in de berekening van de vergoeding. Het verlagend effect van een loonloos tijdvak heeft pas invloed op de hoogte van de vergoeding op of na 29 november 2023. Ongeacht dat er in deze situatie een langere vergoedingsperiode geldt. Deze systematiek sluit aan bij een samenloopsituatie in een reguliere nabetaling. Voor een rekenvoorbeeld van een samenloopsituatie wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Technische uitwerking van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 5 is geregeld op welke wijze de toekenning plaatsvindt. Om te kunnen voldoen aan de vereisten uit artikel 2 (het recht op vergoeding) is een beschikking tot herziening van het dagloon nodig van het UWV. Zoals eerder toegelicht kan die beschikking door het UWV ambtshalve worden gegeven, of naar aanleiding van een verzoek tot herziening. Vervolgens zal het UWV namens de minister ambtshalve een vergoeding toekennen op grond van deze regeling. Dat betekent dat het voor betrokkenen niet nodig is om een aanvraag in te dienen voor de vergoeding. De beschikkingen tot herzieningen in relatie tot deze regeling worden zoveel mogelijk ambtshalve door het UWV gegeven. Daarnaast hebben betrokkenen op grond van artikel 4:6 van de Awb de mogelijkheid om een verzoek tot herziening in te dienen. Als die verzoeken zijn ingediend binnen de in artikel 2 opgenomen termijn, en de betrokkene behoort tot een van de in artikel 2 van deze regeling opgenomen doelgroepen, wordt een vergoeding toegekend op grond van deze regeling in plaats van een nabetaling op grond van de WIA. De bevoegdheid om een WIA-uitkering te herzien ligt bij het UWV en de bevoegdheid om een vergoeding toe te kennen op grond van deze regeling ligt bij de minister. Daarom is eerst de beschikking tot herziening van de WIA-uitkering nodig, zodat vervolgens UWV namens de minister naar aanleiding daarvan ambtshalve een vergoeding kan toekennen.
Artikel 5 bevat nog een voorwaarde om over te kunnen gaan tot toekenning van de vergoeding. Voordat toekenning plaatsvindt, wordt een betrokkene geïnformeerd over het voornemen om een vergoeding toe te kennen. Op die manier krijgt een betrokkene de gelegenheid om af te zien van toekenning van de vergoeding, bijvoorbeeld omdat die een reguliere nabetaling met terugwerkende kracht wenst te ontvangen. De bepaling in artikel 5 geeft ruimte om de wijze waarop een betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld nader in te vullen met beleidsregels. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3. Technische uitwerking van het algemeen deel van deze toelichting.
Als de betrokkene binnen de gestelde termijn heeft aangegeven niet in aanmerking te willen komen voor de vergoeding, wordt het recht op de vergoeding niet toegekend. Het UWV informeert dan bij betrokkene of die in dat geval in aanmerking wil komen voor een reguliere nabetaling en wijst daarbij op de keteneffecten die daardoor kunnen ontstaan.
In artikel 6 is de betalingstermijn geregeld. UWV betaalt de vergoeding namens de minister binnen 6 weken uit aan de persoon die recht heeft op de vergoeding. De termijn van 6 weken loopt vanaf de datum van dagtekening van de beschikking waarmee de vergoeding is toegekend.
Artikel 7 geeft een aantal gronden voor herziening of intrekking van een beschikking op grond van deze regeling. Als sprake is van één van die gronden, gaat UWV namens de minister over op herziening of intrekking van de beschikking.
Onderdeel a is van toepassing als bij controle van de toegekende vergoeding blijkt dat de vergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend.
Onderdeel b is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene tweemaal gecompenseerd wordt voor gemiste uitkeringsgelden, enerzijds via een vergoeding op grond van deze regeling en anderzijds via een reguliere nabetaling naar aanleiding van bijvoorbeeld een verzoek tot herziening van het dagloon. In plaats van een nabetaling kan het daarbij ook gaan om een verlaging van een (oude) terugvordering. Het gaat hierbij om gevallen waarin na de toekenning van de vergoeding een herziening van de hoogte van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt, vanwege een te lage vaststelling van het dagloon. De oorzaak van die te lage vaststelling van het dagloon moet gelegen zijn in één van de gronden genoemd in artikel 2 van deze regeling. In dat geval wordt de toegekende vergoeding op grond van deze regeling ingetrokken.
In artikel 8 is een terugvorderingsplicht en een uitzondering daarop geregeld.
Het eerste lid schrijft voor dat de eenmalige vergoeding wordt teruggevorderd als die wegens een herziening of intrekking (artikel 7) ten onrechte is toegekend. Het kan hierbij ook gaan om gedeeltelijke terugvordering. Verder gelden hierbij de artikelen 4:94 en 4:94a van de Awb. Dat betekent dat de minister bevoegd is om bij de invordering van de terugvordering uitstel van betaling te verlenen en om de geldschuld die voortkomt uit de terugvordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden als de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen. De minister kan dus overgaan tot kwijtschelding als invordering in het specifieke geval onevenredig uitpakt.
In het tweede lid is een uitzondering geregeld op de terugvorderingsplicht uit het eerste lid. Hierbij is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid.54 Hoewel deze regeling voor een eenmalige vergoeding niet valt onder het socialezekerheidsstelsel, is een soortgelijke terugvorderingsplicht met daarop een uitzondering hier passend. De uitzondering in het tweede lid draait het uitgangspunt bij terugvordering om voor gevallen waarin sprake is van een fout van het bestuursorgaan (in dit geval UWV namens de minister), tenzij voor de betrokkene redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan vergoeding is betaald. Wanneer daarvan sprake is, kan verder worden ingekaderd met beleidsregels. Daarbij kan gedacht worden aan factoren als de informatievoorziening door UWV, de complexiteit van het geval en de hoogte van het verschil tussen de verstrekte vergoeding en de vergoeding die betrokkene had moeten ontvangen.55
In artikel 9 is een hardheidsclausule opgenomen die ruimte geeft om af te zien van de in artikel 9 voorgeschreven herziening, intrekking of terugvordering. Het gaat hierbij om een toets op evenredigheid. Ook hierbij is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid.56
Dat wetsvoorstel bevat onder meer codificatie van jurisprudentie over het evenredigheidsbeginsel in de sociale zekerheid. Hoewel deze regeling voor een eenmalige vergoeding niet valt onder het socialezekerheidsstelsel, is een soortgelijke hardheidsclausule hier passend. Het gaat immers om verstrekking van financiële middelen die eventueel ook teruggevorderd kunnen worden.
Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het genomen besluit onevenredig is gelet op de individuele situatie van de betrokkene. UWV maakt vervolgens een volledige belangenafweging tussen de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen. Daarbij worden alle relevante omstandigheden meegewogen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de oorzaak van de onverschuldigde betaling en de gevolgen van materiële of immateriële aard die het besluit heeft voor de betrokkene. Het is aan de betrokkene om deze gevolgen aannemelijk te maken. Denk daarbij aan bijvoorbeeld onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen voor de betrokkene, buiten hetgeen in het normale rechtsverkeer te verwachten valt van een handhavingsbeslissing.57
Deze regeling is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies. Die wet heeft betrekking op verstrekkingen van financiële middelen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 10 van deze regeling voorziet in mandaatverlening aan de voorzitter van de raad van bestuur van UWV. Die vervolgens ondermandaat verleent aan functionarissen die werkzaam zijn bij UWV (tweede lid). UWV zal deze regeling namens de minister uitvoeren. Die uitvoering betreft alle taken die aan de minister zijn opgedragen. Dat betreft onder meer het gehele proces van ambtshalve toekenningen en eventuele bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures. Tegen een rechterlijke uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Het mandaat ziet ook op de afhandeling van de eindheffing over toegekende vergoedingen bij de Belastingdienst. Dat betekent dat UWV namens de minister de feitelijke betaling zal verrichten aan de Belastingdienst.
Artikel 10 voorziet ook in een volmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen. Zoals toegelicht in paragraaf 1.4 Verhouding tot wettelijk kader gaat dat bijvoorbeeld om het in behandeling nemen van beslagleggingen.
Artikel 11 regelt de verantwoordelijkheden voor gegevensverwerking in het kader van deze regeling. De Minister van SZW is verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.
Deze regeling wordt in mandaat uitgevoerd door de voorzitter van de raad van bestuur van UWV. Die is daarom in het tweede lid aangewezen als verwerker als bedoeld in artikel 28 van de AVG, voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de aan hem gemandateerde taken.
In het derde lid is een extra waarborg opgenomen, namelijk dat de persoonsgegevens die worden verwerkt ter uitvoering van deze regeling niet verder worden verwerkt voor andere doeleinden dan de uitvoering van deze regeling.
Het UWV voert deze regeling uit in mandaat. Voor de uitvoering ontvangt UWV een rijksbijdrage, die zowel ziet op de eenmalige vergoedingen (waaronder de eindheffing) als op de uitvoeringskosten. Deze bepaling bevat een formalisering van de financieringsprocedure en bijbehorende verantwoording.
De uitbetaling van de eenmalige vergoeding door UWV concentreert zich rond een tweetal momenten: op grond van deze regeling en naar aanleiding van gegrond bezwaar en beroep. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling en sluit voor de bevoorschotting aan bij de reguliere financieringsmomenten van UWV, rekening houdend met voornoemde uitbetalingen.
Hoewel de uitvoering van deze regeling los staat van andere taken die UWV als zelfstandig bestuursorgaan uitvoert, is voor de verantwoording wel zoveel mogelijk aangesloten bij de reguliere werkwijzen. Om die reden zal UWV een inhoudelijk en financieel verslag uitbrengen middels het reguliere jaarverslag dat is voorzien van een accountantsverklaring. Bij het jaarverslag rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten met betrekking tot het betreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar. Hoewel UWV in de jaarrekening 2025 lasten opneemt voor de regeling zullen die nog niet bij de jaarrekening 2025 worden afgerekend, omdat de regeling in 2026 ingaat en bevoorschotting in 2025 niet heeft kunnen plaatsvinden. Er is afgezien van een verplichte tussentijdse rapportage over de uitgegeven middelen vanwege de korte duur waarin deze regeling van kracht is.
Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet bestaat de mogelijkheid om, bij ministeriële regeling, materiële of immateriële schadevergoedingen en landelijke regelingen bestemd voor specifieke doelgroepen aan te wijzen die niet tot de middelen worden gerekend waarover een belanghebbende redelijkerwijs beschikt of kan beschikken. Daarin voorziet artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Met dit artikel wordt de eenmalige vergoeding op grond van deze regeling toegevoegd aan artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
De te ontvangen eenmalige vergoeding op grond van deze regeling kan gevolgen hebben voor het recht op een uitkering die de burger ontvangt op grond van de Participatiewet. Binnen de Participatiewet geldt een beperkte vermogensvrijlating. Door de eenmalige vergoeding kan een burger relatief snel de vermogensnorm binnen de Participatiewet overschrijden. Overschrijding van de norm leidt in beginsel tot beëindiging of verlaging van de uitkering op grond van de Participatiewet. De regering vindt deze doorwerking onwenselijk.
Door in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ op te nemen dat de eenmalige vergoeding niet tot de middelen behoort, wordt deze onwenselijk geachte doorwerking voorkomen. Daarmee heeft deze eenmalige vergoeding geen invloed op de bijstandsuitkering.
In artikel 16 is een citeertitel voor deze regeling opgenomen.
Het eerste lid regelt de inwerkingtreding van deze tijdelijke regeling. De regeling treedt in werking op 1 september 2026. Daarmee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten zoals voorgeschreven in de Aanwijzingen voor de regelgeving. In dit geval is een uitzondering gerechtvaardigd, omdat dit in het belang is van de mensen voor wie deze regeling bedoeld is. De datum van 1 september 2026 is de vroegst mogelijke datum waarop de regeling uitvoerbaar is. Wachten tot het eerstvolgende verandermoment voor regelgeving zou nadelig zijn voor de mensen die het betreft.
Het tweede lid regelt de vervaldatum van deze regeling. De regeling is tijdelijk van aard en vervalt daarom op 1 september 2031. Het tweede lid regelt ook dat deze regeling van toepassing blijft op beschikkingen die verstrekt zijn op grond van deze regeling. Dit is relevant voor de afhandeling van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures die mogelijk nog lopen nadat de regeling is komen te vervallen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
O.a. Algemeen Dagblad (2024, 21 juni), Beoordeling arbeidsongeschiktheid UWV onder de maat: ‘Dit gaat echt alle perken te buiten’. Beoordeling arbeidsongeschiktheid UWV onder de maat: ‘Dit gaat echt alle perken te buiten’ | Crisis bij UWV | AD.nl
UWV (2024). Evaluatie sociaal-medische centra 2024. evaluatie-sociaal-medische-centra-2024.pdf
De SMC-evaluaties van 2023 en 2024 betreffen enkel steekproeven van de SMC-proeftuinen. Dit zijn geen brede kwaliteitscontroles op de vaststelling van WIA-daglonen en daaruit volgende WIA-uitkeringen. De SMC-evaluaties van 2023 en 2024 geven daarom geen representatief beeld van de kwaliteit van WIA-dagloonvaststellingen in deze jaren.
Ten aanzien van toepassing van deze regeling kan, voor zover relevant, voor UWV ook ‘eigenrisicodrager’ gelezen worden. UWV betaalt immers de vergoeding ook voor deze partij.
Bij een loonaanvullingsuitkering 1 wordt de volledige restverdiencapaciteit benut, bij een loonaanvullingsuitkering 2 wordt tussen de 50% en 100% van de restcapaciteit benut. Voor deze uitkeringen worden verschillende berekeningen gehanteerd.
De vergoeding kan pas worden vastgesteld als het recht op uitkering definitief is vastgesteld. Indien een betrokkene een ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ status heeft, kan het recht op uitkering niet definitief worden vastgesteld. De betrokkene komt dan niet in aanmerking voor een vergoeding.
De vergoeding kan pas worden vastgesteld als het recht op uitkering definitief is vastgesteld. De vergoeding kan daarom enkel worden toegekend, als een schorsing is opgevolgd door een besluit over de hoogte van de uitkering over de periode waarover geschorst is. Dit besluit is bepalend voor de factor Oud in de rekenformule. Indien geen besluit genomen is over de hoogte van de uitkering over de periode waarover geschorst is, kan aan de betrokkene geen vergoeding worden toegekend.
Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing. wetten.nl – regeling – Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing – BWBR0051496
Ook voor de vaststelling van een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (hierna: WAZO) wordt een dagloon berekend. Het WAZO-dagloon wordt gebaseerd op het loon bij de laatste werkgever. Hierdoor is er bij WAZO-uitkeringen geen sprake van loonloze tijdvakken.
Zie hiertoe ook: Afwegingskader vermogenstoetsuitzonderingen | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
Afhankelijk van het pensioenfonds kunnen betrokkenen in het verleden recht gehad hebben op een hoger arbeidsongeschiktheidspensioen en/of PVO of een lager arbeidsongeschiktheidspensioen en/of PVO.
De oplossingsrichting voor keteneffecten door nabetalingen wordt gerealiseerd als onderdeel van een brede modernisering van het vorderingenbeleid. Zie hierover Kamerstukken II, 2025/26, 17 050, nr. 612.
De zelfmelders betreft een groep van circa 3.000 personen die zich naar aanleiding van de berichtgeving in de media in het najaar van 2024 bij UWV heeft gemeld in verband met zorgen over het dagloon.
Volgens vaste jurisprudentie is de dagloonberekening geen zelfstandig deelbesluit. Daarom kan de dagloonberekening bij iedere beschikking over de hoogte van de WIA-uitkering worden betwist.
O.a. Algemeen Dagblad (2024, 21 juni), Beoordeling arbeidsongeschiktheid UWV onder de maat: ‘Dit gaat echt alle perken te buiten’. Beoordeling arbeidsongeschiktheid UWV onder de maat: ‘Dit gaat echt alle perken te buiten’ | Crisis bij UWV | AD.nl
UWV (2024). Evaluatie sociaal-medische centra 2024. evaluatie-sociaal-medische-centra-2024.pdf
De SMC-evaluaties van 2023 en 2024 betreffen enkel steekproeven van de SMC-proeftuinen. Dit zijn geen brede kwaliteitscontroles op de vaststelling van WIA-daglonen en daaruit volgende WIA-uitkeringen. De SMC-evaluaties van 2023 en 2024 geven daarom geen representatief beeld van de kwaliteit van WIA-dagloonvaststellingen in deze jaren.
Ten aanzien van toepassing van deze regeling kan, voor zover relevant, voor UWV ook ‘eigenrisicodrager’ gelezen worden. UWV betaalt immers de vergoeding ook voor deze partij.
Bij een loonaanvullingsuitkering 1 wordt de volledige restverdiencapaciteit benut, bij een loonaanvullingsuitkering 2 wordt tussen de 50% en 100% van de restcapaciteit benut. Voor deze uitkeringen worden verschillende berekeningen gehanteerd.
De vergoeding kan pas worden vastgesteld als het recht op uitkering definitief is vastgesteld. Indien een betrokkene een ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ status heeft, kan het recht op uitkering niet definitief worden vastgesteld. De betrokkene komt dan niet in aanmerking voor een vergoeding.
De vergoeding kan pas worden vastgesteld als het recht op uitkering definitief is vastgesteld. De vergoeding kan daarom enkel worden toegekend, als een schorsing is opgevolgd door een besluit over de hoogte van de uitkering over de periode waarover geschorst is. Dit besluit is bepalend voor de factor Oud in de rekenformule. Indien geen besluit genomen is over de hoogte van de uitkering over de periode waarover geschorst is, kan aan de betrokkene geen vergoeding worden toegekend.
Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing. wetten.nl – regeling – Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing – BWBR0051496
Ook voor de vaststelling van een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (hierna: WAZO) wordt een dagloon berekend. Het WAZO-dagloon wordt gebaseerd op het loon bij de laatste werkgever. Hierdoor is er bij WAZO-uitkeringen geen sprake van loonloze tijdvakken.
Zie hiertoe ook: Afwegingskader vermogenstoetsuitzonderingen | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
Afhankelijk van het pensioenfonds kunnen betrokkenen in het verleden recht gehad hebben op een hoger arbeidsongeschiktheidspensioen en/of PVO of een lager arbeidsongeschiktheidspensioen en/of PVO.
De oplossingsrichting voor keteneffecten door nabetalingen wordt gerealiseerd als onderdeel van een brede modernisering van het vorderingenbeleid. Zie hierover Kamerstukken II, 2025/26, 17 050, nr. 612.
De zelfmelders betreft een groep van circa 3.000 personen die zich naar aanleiding van de berichtgeving in de media in het najaar van 2024 bij UWV heeft gemeld in verband met zorgen over het dagloon.
Volgens vaste jurisprudentie is de dagloonberekening geen zelfstandig deelbesluit. Daarom kan de dagloonberekening bij iedere beschikking over de hoogte van de WIA-uitkering worden betwist.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-25865.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.