Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen)

Nader Rapport

’s-Gravenhage, 29 juni 2026

WJZ / 106342478

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 19 februari 2026, nr. 2026000447, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 22 april 2026, nr. No. W18.26.00049/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 19 februari 2026, no.2026000447, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

De vice-president van de Raad van State,

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Zij adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn inhoudelijk niet gewijzigd. Er zijn enkel aanpassingen gedaan in verband met de overgang van de beleidsverantwoordelijkheid voor het onderwerp circulaire economie van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – openbaar vervoer en milieu naar de Minister van Klimaat en Groene Groei. De aanwijzing van het centraal conctactpunt is aangepast, omdat sinds de interdepartementale herschikking de formele verantwoordelijkheid voor winning, verwerking én recycling van kritieke grondstoffen bij de Minister van Klimaat en Groene Groei ligt. Dit heeft geleid tot aanpassing van artikel 6 van het wetsvoorstel en de bijbehorende teksten uit de memorie van toelichting. Daarnaast is een omissie hersteld in de nationale strafbaarstelling van de verplichtingen uit de verordening kritieke grondstoffen.

Ik moge U, mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert.

Advies Raad van State

No. W18.26.00049/IV

’s-Gravenhage, 22 aril 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 19 februari 2026, no.2026000447, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State Wet tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

verordening kritieke grondstoffen:

Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020.

Artikel 2 Rol Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO

De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, genoemd in artikel 3 van de TNO-wet, draagt zorg voor de uitvoering van de artikelen 19, 20, tweede en derde lid, 21, tweede en derde lid, en 24, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen.

Artikel 3 Aanwijzing toezichthouder

Met het toezicht op de naleving van de artikelen 8, eerste, derde en vijfde lid, 11, zevende lid, 21, tweede lid, en 24, tweede en vierde lid, van de verordening kritieke grondstoffen zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken aangewezen ambtenaren.

Artikel 4 Sanctionering

Onze Minister van Economische Zaken is ter handhaving van de bepalingen, genoemd in artikel 3, bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom.

Artikel 5 Wijziging Mijnbouwwet

In artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat lid door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. strategische projecten inzake kritieke grondstoffen als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 met betrekking tot de winning van delfstoffen.

Artikel 6 Wijziging Omgevingswet

De Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Na paragraaf 2.6.4 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 2.6.5 Bijzondere taken kritieke grondstoffen
Artikel 2.48 (centraal contactpunt)
  • 1. Onze Minister van Klimaat en Groene Groei is het centraal contactpunt, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen voor projecten met betrekking tot de winning van kritieke grondstoffen.

  • 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is het centraal contactpunt, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen voor projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen.

B

Aan bijlage I, onder B, wordt in de alfabetische volgorde een onderdeel ingevoegd, luidende:

verordening kritieke grondstoffen:

Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020.

Artikel 7 Wijziging Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1, eerste lid, wordt in de alfabetische volgorde een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

EU-verordening kritieke grondstoffen:

Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020;.

B

Na titel 9.4 wordt een titel ingevoegd, luidende:

Titel 9.4a EU-verordening kritieke grondstoffen en EU-verordening markttoezicht
Artikel 9.4a.1

Voor de toepassing van artikel 9.4a.4 wordt, voor zover dat voor de toepassing van de EU-verordening markttoezicht noodzakelijk is, verstaan onder:

in de handel brengen:

in de handel brengen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 61, van de EU-verordening kritieke grondstoffen.

Artikel 9.4a.2
  • 1. Het is verboden om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de artikelen 28, eerste of derde tot en met zevende lid, 29, eerste of vijfde lid, 31, zesde, zevende, tiende of elfde lid, of 33, eerste lid, van de EU-verordening kritieke grondstoffen, in voorkomende gevallen in combinatie met de toepasselijke voorschriften, opgenomen in:

    • a. een gedelegeerde handeling die is vastgesteld op grond van artikel 29, tweede lid, 31, eerste, derde of achtste lid, of 34, van die verordening, of

    • b. een uitvoeringshandeling die is vastgesteld op grond van artikel 28, tweede lid, of 31, tiende lid, van die verordening.

  • 2. Het is verboden om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met artikel 29, derde lid, van die verordening in combinatie met de toepasselijke voorschriften uit de op dit artikel van de verordening gebaseerde gedelegeerde handeling.

  • 3. Ter concretisering van het in het eerste of tweede lid gestelde verbod kunnen de voorschriften van een gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling waarop het verbod in elk geval betrekking heeft, bij ministeriële regeling worden aangewezen of omschreven.

Artikel 9.4a.3
  • 1. Het is een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de EU-verordening markttoezicht, die betrokken is of betrokken is geweest bij het in de handel brengen van een product waarvoor vereisten zijn vastgesteld in de artikelen 28, 29 of 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen, verboden om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de artikelen 4, eerste, derde en vierde lid, en 7, eerste lid, van de EU-verordening markttoezicht.

  • 2. Het is een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van de EU-verordening markttoezicht die betrokken is of betrokken is geweest bij het op de markt aanbieden of in de handel brengen van een product waarvoor vereisten zijn vastgesteld in de artikelen 28, 29 of 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen, verboden om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met artikel 7, tweede lid, van de EU-verordening markttoezicht.

  • 3. Het is een gemachtigde als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de EU-verordening markttoezicht, die betrokken is of betrokken is geweest bij het op de markt aanbieden of in de handel brengen van een product waarvoor vereisten zijn vastgesteld in de artikelen 28, 29 of 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen, verboden om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met artikel 5, tweede lid, tweede volzin, van de EU-verordening markttoezicht.

Artikel 9.4a.4

Degene die op een handelsbeurs, tentoonstelling, demonstratie of soortgelijk evenement een product toont dat niet voldoet aan de verordening kritieke grondstoffen, neemt bij het tonen van dat product de voorwaarde, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de EU-verordening kritieke grondstoffen, in acht.

Artikel 9.4a.5
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de EU-verordening kritieke grondstoffen en op die verordening gebaseerde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.

  • 2. De regels kunnen bij ministeriële regeling worden gesteld als deze uitvoeringstechnische, administratieve of meet- en rekenvoorschriften inhouden.

C

Aan artikel 18.1a, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. de artikelen 28, 29, 31 en 33 van de EU-verordening kritieke grondstoffen.

D

Aan artikel 18.2b, eerste lid, wordt, onder de vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. de artikelen 28, 29, 31 en 33 van de EU-verordening kritieke grondstoffen.

E

Artikel 18.20, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘de titels 9.3, 9.3a en 9.4’ vervangen door: ‘de titels 9.3, 9.3a, 9.4 en 9.4a’.

2. Onder vervanging van ‘of’ aan het slot van onderdeel d door een komma en verlettering van onderdeel e tot onderdeel f wordt na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • e. de artikelen 28, 29 en 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen, of.

Artikel 8 Wijziging Wet op de economische delicten

Artikel 1a, van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1° wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer na ‘9.3a.3, eerste lid,’ ingevoegd ‘9.4a.2, tweede lid’.

2. In onderdeel 3° wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer na ‘de artikelen’ ingevoegd ‘9.4a.2, eerste lid, 9.4a.4’

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet verordening kritieke grondstoffen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Economische Zaken,

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – openbaar vervoer en milieu,

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

MEMORIE VAN TOELICHTING

I ALGEMEEN

HOOFDSTUK 1 DOEL EN AANLEIDING

Dit wetsvoorstel strekt tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (hierna ook: verordening kritieke grondstoffen, verordening of CRMA). De verordening kritieke grondstoffen is op 23 mei 2024 in werking getreden (conform artikel 49 van die verordening, op de twintigste dag na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie).

Doel van de verordening kritieke grondstoffen is het verbeteren van de werking van de interne markt door een kader vast te stellen waarmee de toegang van de Europese Unie tot een veilige, veerkrachtige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen wordt gewaarborgd, onder meer door het bevorderen van efficiëntie en circulariteit in de hele waardeketen. Om dit doel te verwezenlijken worden in de verordening maatregelen vastgesteld met als doel om: a) het risico op verstoringen van de voorziening met betrekking tot kritieke grondstoffen die de concurrentie waarschijnlijk zullen verstoren en de interne markt waarschijnlijk zullen fragmenteren, te beperken; b) het vermogen van de Europese Unie te vergroten om het voorzieningsrisico met betrekking tot kritieke grondstoffen te monitoren en te beperken; c) het vrije verkeer te waarborgen van in de Europese Unie in de handel gebrachte kritieke grondstoffen en producten die kritieke grondstoffen bevatten, en tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming en duurzaamheid te bieden, onder meer door de circulariteit van die grondstoffen en producten te verbeteren.

Dit wetsvoorstel is nodig omdat de verordening kritieke grondstoffen vereist dat lidstaten een of meer centrale contactpunten oprichten of een of meer autoriteiten aanwijzen als centraal contactpunt. In het wetsvoorstel worden de Nederlandse autoriteiten aangewezen. Naast deze aanwijzingen voorziet het wetsvoorstel in een sanctieregime. Het wetsvoorstel bevat verder geen aanvullende nationale maatregelen. Notificatie van het wetsvoorstel op grond van richtlijn 2006/123/EG1 of richtlijn 2015/1535/EU2 is dus niet vereist.

In hoofdstuk 2 van het algemeen deel van deze toelichting zal de verordening kritieke grondstoffen worden toegelicht, waarna in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de inhoud van dit wetsvoorstel. In hoofdstuk 4 wordt de verhouding met ander recht uiteengezet, waarna in hoofdstuk 5 wordt stilgestaan bij regeldrukgevolgen (van de verordening). In hoofdstuk 6 worden de uitkomsten van de uitvoerings- en handhavingstoetsen behandeld en het gevolg dat daaraan is gegeven. Tot slot bevat deze memorie van toelichting een artikelsgewijze toelichting en een transponeringstabel met betrekking tot de verordening kritieke grondstoffen.

Deze memorie van toelichting wordt mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – openbaar vervoer en milieu –, uitgebracht.

HOOFDSTUK 2 DE VERORDENING KRITIEKE GRONDSTOFFEN
§ 2.1 Aanleiding

Op 16 maart 2023 heeft de Europese Commissie een mededeling uitgebracht aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s met als titel ‘Een betrouwbare en duurzame aanvoer van kritieke grondstoffen ter ondersteuning van de dubbele transitie’3.

In de mededeling haalt de Europese Commissie een prognoseverslag aan waarin de toekomstige behoeften van de Europese Unie aan kritieke grondstoffen en de mogelijke toekomstige knelpunten in de toeleveringsketen voor belangrijke strategische technologieën en sectoren zijn beoordeeld. Het prognoseverslag voorziet een ongekende toename van de vraag naar de belangrijkste materialen die nodig zijn voor een succesvolle groene en digitale transitie. Zo zal voor onshore- en offshorewindturbines de vraag naar zeldzame aardmetalen tegen 2030 en 2050 naar verwachting met een factor 4,5 respectievelijk 5,5 toenemen, terwijl de accu’s die onze elektrische voertuigen aandrijven de vraag naar lithium tegen 2030 naar verwachting met een factor 11 en tegen 2050 met een factor 17 zullen doen toenemen. Uit het verslag blijkt ook dat de Europese Unie sterk afhankelijk is van een zeer beperkt aantal leveranciers van kritieke grondstoffen voor alle strategische technologieën in verschillende stadia van hun toeleveringsketens en voor sommige technologieën in de hele waardeketen.

Terwijl de vraag naar kritieke grondstoffen nooit groter is geweest en in de komende tien jaar kan vertienvoudigen, is bij het aanbod ervan sprake van toenemende geopolitieke, ecologische en sociale risico’s en uitdagingen. De afhankelijkheid van enkele leveranciers kan leiden tot een verstoring van de hele toeleveringsketen, met name omdat uitvoerbeperkingen en andere handelsbeperkende maatregelen steeds vaker worden gebruikt in een context van toenemende wereldwijde concurrentie. Leveranciers kunnen dergelijke afhankelijkheden in hun voordeel uitbuiten en als wapen gebruiken.

Om deze uitdagingen te ondervangen, bracht de Europese Commissie tegelijkertijd met de mededeling een voorstel uit voor een verordening over de toegang tot kritieke grondstoffen en de aanvoer daarvan4. Op 13 november 2023 is er een politiek akkoord bereikt over het voorstel. De verordening is op 12 december 2023 aangenomen door het Europees Parlement en op 18 maart 2024 door de Europese Raad.

§ 2.2 Inhoud verordening
2.2.1 Strategische en kritieke grondstoffen

Om ervoor te zorgen dat de maatregelen van de verordening kritieke grondstoffen zijn gericht op de meest relevante grondstoffen, bevat de verordening twee lijsten: een lijst van strategische grondstoffen en een lijst van kritieke grondstoffen. De lijst van strategische grondstoffen bevat grondstoffen die van groot strategisch belang zijn voor de werking van de interne markt, rekening houdend met het gebruik ervan in strategische technologieën die de groene en digitale transities ondersteunen of die noodzakelijk zijn in defensie- en ruimtevaarttoepassingen (afdeling 1 van bijlage I bij de verordening kritieke grondstoffen). De lijst van kritieke grondstoffen bevat alle strategische grondstoffen plus andere grondstoffen die cruciaal zijn voor de economie van de Unie in het algemeen en waarvoor een groot risico bestaat van verstoring van de voorziening die de mededinging kan verstoren of de interne markt kan fragmenteren (afdeling 1 van bijlage II bij de verordening kritieke grondstoffen).

Om ervoor te zorgen dat de lijsten van strategische en kritieke grondstoffen voldoende actueel blijven, worden deze uiterlijk op 24 mei 2027 en daarna ten minste om de drie jaar geëvalueerd en zo nodig bijgewerkt. Dit laatste gebeurt middels gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie. De lijst van strategische grondstoffen wordt eveneens geëvalueerd wanneer daar door de Europese raad voor kritieke grondstoffen om wordt verzocht (artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, tweede en derde lid, van de verordening kritieke grondstoffen).

2.2.2 Versterking van de grondstoffenwaardeketen van de Unie
Benchmarks

Op grond van artikel 5 van de verordening kritieke grondstoffen moeten de Europese Commissie en de lidstaten de capaciteit in de verschillende stadia van de strategische grondstoffenwaardeketen versterken om bij te dragen aan het bereiken van de volgende benchmarks met betrekking tot de capaciteit van de Europese Unie (in uiterlijk 2030):

  • a) met de winningscapaciteit van de Europese Unie kunnen de grondstoffen worden gewonnen die nodig zijn om in ten minste 10% van het jaarlijkse verbruik van strategische grondstoffen van de Europese Unie te voorzien;

  • b) met de verwerkingscapaciteit van de Europese Unie kan ten minste 40% van het jaarlijkse verbruik van strategische grondstoffen in de Europese Unie worden geproduceerd;

  • c) met de recyclingcapaciteit van de Europese Unie kan ten minste 25% van het jaarlijkse verbruik van strategische grondstoffen in de Europese Unie worden geproduceerd en kunnen van elke strategische grondstof steeds aanzienlijkere hoeveelheden worden gerecycled uit afval.

Artikel 5 van de verordening verlangt eveneens dat inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat de Europese Unie tegen 2030 in geen enkel stadium van de verwerking afhankelijk is van één derde land voor meer dan 65% van haar voorziening van een onverwerkte strategische grondstof.

Strategische projecten

Op grond van artikel 6 van de verordening kritieke grondstoffen kunnen projecten door de Europese Commissie worden erkend als strategische projecten als deze de winning, verwerking of recycling van strategische grondstoffen dan wel de productie en opschaling van materialen die strategische grondstoffen in strategische technologieën kunnen vervangen, willen starten of uitbreiden. Om te worden erkend moeten projecten een betekenisvolle bijdrage leveren aan de Unievoorzieningszekerheid van strategische grondstoffen. De projecten moeten ook technisch haalbaar zijn, ze moeten op ecologisch en maatschappelijk verantwoorde wijze worden uitgevoerd, en ze moeten ook buiten de desbetreffende lidstaten voordelen opleveren, waaronder overloopeffecten verderop in de waardeketen. Voor projecten in derde landen die opkomende markten of ontwikkelingslanden zijn, geldt bovendien dat zij wederzijds voordeel moeten opleveren voor de Unie en voor het desbetreffende derde land en van toegevoegde waarde moeten zijn voor dat land.

De onvoorspelbaarheid, complexiteit en de soms buitensporig lange duur van nationale vergunningsprocedures ondermijnen momenteel echter de investeringszekerheid die nodig is voor de doeltreffende ontplooiing van projecten voor strategische grondstoffen. Voor de doeltreffende uitvoering van projecten voor strategische grondstoffen is het van belang dat lidstaten gestroomlijnde en voorspelbare vergunningsprocedures op strategische projecten toepassen. Artikel 10 van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt daarom dat strategische projecten op nationaal niveau een prioritaire status moeten krijgen om voor een snelle administratieve afhandeling van de vergunningsprocedures te zorgen en ervoor te zorgen dat alle daarmee verband houdende gerechtelijke procedures en geschillenbeslechtingsprocedures met spoed, en voor zover het nationale recht daarin voorziet met gebruik van spoedprocedures, worden afgehandeld. Vergunningsprocedures voor een strategisch project mogen in ieder geval niet langer duren dan de in artikel 11 van de verordening kritieke grondstoffen opgenomen termijnen.

De verordening kritieke grondstoffen tracht de vergunningsprocedures ook eenvoudiger, efficiënter en transparanter te maken door te bepalen dat projectontwikkelaars van projecten voor kritieke grondstoffen (let op: het gaat hier niet enkel om projecten voor strategische grondstoffen) terecht moeten kunnen bij een centraal contactpunt dat verantwoordelijk is voor het faciliteren en coördineren van de gehele vergunningsprocedure. Daartoe moeten de lidstaten een of meer contactpunten oprichten of aanwijzen waarbij ervoor moet worden gezorgd dat projectontwikkelaars slechts met één centraal contactpunt in contact hoeven te treden (artikel 9 van de verordening kritieke grondstoffen).

De verordening kritieke grondstoffen tracht de uitvoering van strategische projecten eveneens te bevorderen door de toegang tot financiering voor strategische projecten te vereenvoudigen. Op markten voor strategische grondstoffen is vaak sprake van instabiele prijzen, lange aanlooptijden en een hoge mate van concentratie en ondoorzichtigheid. Voor financiering van de sector is daarnaast een hoge mate van specialistische kennis nodig, die bij financiële instellingen vaak ontbreekt. In hoofdstuk 3, afdeling 4, van de verordening kritieke grondstoffen wordt daarom bepaald dat de Europese Commissie en lidstaten bijstand moeten bieden wat betreft de toegang tot financiële en administratieve ondersteuning. De Europese Commissie moet bijvoorbeeld, in voorkomend geval in samenwerking met de lidstaten, activiteiten uitvoeren om particuliere investeringen in strategische projecten te versnellen en aan te trekken (artikel 15 van de verordening kritieke grondstoffen). Ook moet zij projectontwikkelaars in staat stellen om bij een speciale subgroep van de raad kritieke grondstoffen advies in te kunnen winnen over hoe de financiering van projecten kan worden voltooid (artikel 16 van de verordening kritieke grondstoffen) en ervoor zorgdragen dat een systeem wordt opgezet om de sluiting van afnameovereenkomsten in verband met strategische projecten te faciliteren, in overeenstemming met de mededingingsregels (artikel 17 van de verordening kritieke grondstoffen).

Exploratieprogramma’s

Een gebrek aan actuele geologische informatie over kritieke grondstoffen in de Unie kan de ontwikkeling van winningsprojecten ondermijnen, waardoor de inspanningen om het voorzieningsrisico te verminderen en de werking van de interne markt te beschermen, worden afgezwakt. Artikel 19 van de verordening kritieke grondstoffen verlangt daarom van lidstaten dat zij nationale exploratieprogramma’s voor de algemene exploratie van kritieke grondstoffen en de belangrijkste mineralen waarmee zij samen worden gewonnen, opstellen. Deze programma’s moeten maatregelen omvatten zoals geografische inkaartbrenging, geochemische campagnes, geowetenschappelijke onderzoeken en de herverwerking van bestaande geowetenschappelijke gegevensverzamelingen. Het nationaal exploratieprogramma is in Nederland door het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) opgesteld.5 Het NMO is ondergebracht bij de Geologische Dienst Nederland (GDN), onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO).

2.2.3 Monitoring en beperking van risico’s
Monitoring en stresstests

Vanwege de mondiale dimensie en de complexiteit van toeleveringsketens van kritieke grondstoffen, verlangt artikel 20 van de verordening kritieke grondstoffen dat de Europese Commissie een specifiek monitoringdashboard ontwikkelt om de voorzieningsrisico’s van kritieke grondstoffen te beoordelen en ervoor te zorgen dat de verzamelde informatie beschikbaar is voor overheidsinstanties en particulieren, waardoor de synergiën tussen de lidstaten worden vergroot. Om ervoor te zorgen dat de waardeketens van de Europese Unie voldoende voorbereid zijn op mogelijke verstoringen van de voorziening die de mededinging kunnen verstoren en de interne markt kunnen fragmenteren, moeten stresstests worden uitgevoerd om te beoordelen hoe kwetsbaar de toeleveringsketens van strategische grondstoffen zijn en in hoeverre zij blootstaan aan voorzieningsrisico’s. De nationale autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 36, achtste lid, onderdeel e, van de verordening kritieke grondstoffen bedoelde permanente subgroep ondersteunen de Europese Commissie bij de monitoring en het uitvoeren van stresstests. Deze ondersteuning bestaat voor een belangrijk deel uit het aanleveren van relevante informatie. Vanuit Nederland zal dit worden verzorgd door het NMO.

Informatieverplichtingen voor monitoring

Artikel 21 van de verordening kritieke grondstoffen verlangt van lidstaten dat zij belangrijke marktdeelnemers in de gehele kritiekegrondstoffenwaardeketen identificeren en hun activiteiten monitoren. De informatie die hiermee wordt gewonnen dient vervolgens te worden gedeeld met de nationale bureaus voor de statistiek en Eurostat. In Nederland zal het NMO hiervoor zorgdragen.

Strategische voorraden

Strategische voorraden zijn een belangrijk instrument om de gevolgen van verstoringen van de voorziening, met name van kritieke grondstoffen, te beperken. Desondanks bestaat er geen verplichting voor lidstaten en ondernemingen om strategische voorraden op te bouwen voordat de voorziening wordt verstoord. Wel verplicht artikel 22 van de verordening kritieke grondstoffen lidstaten om informatie te verstrekken over hun eventuele strategische voorraden. Die informatie moet in ieder geval betrekking hebben op de omvang van de beschikbare strategische voorraden per strategische grondstof, op geaggregeerd niveau, de vooruitzichten voor de omvang van de strategische voorraden, en de regels en procedures die voor die strategische voorraden gelden. Artikel 23 van de verordening kritieke grondstoffen verplicht de Europese Commissie vervolgens om op basis van de verkregen informatie een voorlopige benchmark vast te stellen voor wat als een veilige omvang van de strategische voorraden van de Europese Unie moet worden beschouwd, daarbij rekening houdend met het totale jaarlijkse verbruik van de desbetreffende strategische grondstoffen in de Europese Unie. De Europese Commissie kan, rekening houdend met de zienswijze van de raad kritieke grondstoffen, de lidstaten niet-bindende adviezen verstrekken over de wijze waarop de convergentie kan worden vergroot en hen aanmoedigen om strategische voorraden aan te leggen en te vergroten.

Risicoparaatheid van ondernemingen

Artikel 24 van de verordening kritieke grondstoffen verlangt van grote ondernemingen in de Europese Unie die met strategische grondstoffen strategische technologieën vervaardigen dat zij een risicobeoordeling uitvoeren van hun toeleveringsketens om ervoor te zorgen dat zij voldoende voorbereid zijn op verstoringen van de voorziening. Dit moet ervoor zorgen dat zij rekening houden met de voorzieningsrisico’s van strategische grondstoffen en indien nodig geschikte mitigatiestrategieën ontwikkelen om beter voorbereid te zijn op verstoringen van de voorziening. Namens Nederland brengt het NMO periodiek de grote ondernemingen in kaart die binnen de reikwijdte van dit artikel vallen.

Gezamenlijke aankoop

Veel markten voor strategische grondstoffen zijn niet volledig transparant en zijn geconcentreerd aan de aanbodzijde, hetgeen de onderhandelingspositie van verkopers versterkt en de prijzen voor kopers opdrijft. Om de prijzen voor de in de Europese Unie gevestigde ondernemingen te helpen verlagen, verlangt artikel 25 van de verordening kritieke grondstoffen dat de Europese Commissie een systeem opzet waarmee de vraag van geïnteresseerde afnemers kan worden gebundeld. Om onevenredige gevolgen voor de mededinging op de interne markt te voorkomen moet de Europese Commissie, in overleg met de raad kritieke grondstoffen, een beoordeling uitvoeren van het effect van het systeem op de markt voor elke strategische grondstof die aan het systeem wordt toegevoegd.

2.2.4 Duurzaamheid
Nationaal beleid voor circulariteit

De verordening kritieke grondstoffen verplicht lidstaten om uiterlijk per mei 2027 maatregelen voor de circulariteit van kritieke grondstoffen op te nemen in nationale programma’s. Deze maatregelen, beschreven in artikel 26 van de verordening, omvatten onder andere het verminderen van het verbruik van kritieke grondstoffen, het voorkomen van afval, en het bevorderen van hergebruik en recycling. Tevens moeten de beschikbaarheid en kwaliteit van recyclebare materialen worden verbeterd. Lidstaten worden ook verplicht op verschillende wijze kennis en innovatie te bevorderen, door onder andere de ontwikkeling van recyclingtechnologieën en circulair ontwerp en de opleiding van beroepsbevolking die over vaardigheden beschikt om circulariteit van kritieke grondstoffen te bevorderen. Alle maatregelen moeten worden vastgelegd in nationale programma’s en over de voortgang moet worden gerapporteerd aan de Europese Commissie.

In Nederland worden deze verplichtingen opgevangen en uitgevoerd binnen de kaders van de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS), het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) en het Circulair Materialenplan (CMP).

Het kabinet versterkt de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen via de NGS. In de NGS staan vijf handelingsperspectieven centraal: 1) circulariteit en innovatie, 2) Europese mijnbouw en raffinage, 3) verduurzaming internationale ketens, 4) diversificatie, en 5) kennisopbouw en monitoring. Binnen het handelingsperspectief 'circulariteit en innovatie' wordt ingezet op een weerbare en circulaire industrie.

Bij het NPCE ligt de focus op het bevorderen van de circulaire transitie, waarbij specifieke aandacht wordt besteed aan producten die veel kritieke grondstoffen bevatten. Het NPCE bevat aankondigingen van circulaire maatregelen van de Rijksoverheid om de transitie naar een circulaire economie te realiseren. Het NPCE geeft het maatregelenpakket over de volle breedte weer met onder andere: het stimuleren van afvalpreventie door levensduurverlening en hergebruik van producten, hoogwaardige recycling; het verminderen van het gebruik en substitueren van primaire kritieke grondstoffen met financiële stimulansen, zoals innovatiesubsidies, maatschappelijk verantwoord inkopen (bijvoorbeeld het bevorderen van gerecycled materiaal in producten zoals ICT en zonnepanelen); en aanbestedingseisen (zoals bij windparken). Binnen het NPCE is ruimte voor initiatieven, zoals Versnellingshuis Nederland Circulair en Circonnect, die ondernemers ondersteunen bij de transitie naar een circulaire economie en bij circulair ontwerp. Ook is in het NPCE opgenomen dat de Rijksoverheid het opdoen van circulaire vaardigheden op het gebied van circulair ontwerp en reparatie stimuleert in het (beroeps)onderwijs. Gezien de reikwijdte en aard van het NPCE is dit programma geschikt om te benutten voor de uitvoering van artikel 26, eerste lid tot en met zesde lid. Hiermee wordt het beleid op kritieke grondstoffen geïntegreerd in het bestaande circulaire economie beleid. Om uitvoering te geven aan artikel 26 van de verordening wordt leveringszekerheid opgenomen als indicator in het doelen-dashboard van het NPCE, zodat de voortgang op de genomen maatregelen gemonitord kan worden. Het NPCE wordt elke twee jaar herzien, wat aansluit bij de vijfjarige evaluatietermijn van de verordening, zodat Nederland tijdig kan rapporteren over de voortgang van de genomen maatregelen en de effectiviteit van de circulaire aanpak.

Het CMP biedt een uniform beleidskader voor het gebruik van grondstoffen, afvalbeheer en het bevorderen van de circulaire economie, en wordt elke zes jaar herzien, wat overeenkomt met de evaluatietermijn van de verordening. Het CMP omvat onder andere de nationale implementatie van afvalbeheerplannen en afvalpreventieprogramma’s uit richtlijn 2008/98/EG.6 Daarnaast bevat het CMP ook een beoordelingskader voor bevoegde gezagen voor vergunningverlening. Ter uitvoering van artikel 26 van de verordening zal vanaf 2026 elk afvalplan een paragraaf bevatten over de aanwezigheid van kritieke materialen en de mogelijkheden voor het terugwinnen van deze materialen. Het opnemen van de maatregelen in het CMP is in lijn met artikel 26, tweede lid, van de verordening.

Terugwinning uit winningsafval

De verordening kritieke grondstoffen besteedt bijzondere aandacht aan de terugwinning van kritieke grondstoffen uit winningsafval. Artikel 27 van de verordening legt verplichtingen op aan exploitanten van winningsafvalinstallaties (eerste tot en met derde lid) en aan lidstaten. Exploitanten moeten economische evaluatiestudies uitvoeren om de haalbaarheid van terugwinning van kritieke grondstoffen te onderzoeken. In Nederland zijn er momenteel geen exploitanten die onder de genoemde verplichting vallen. De verplichting uit de verordening is niet gericht op toekomstige situaties, maar heeft een eenmalig karakter. Doordat in Nederland op dit moment geen exploitanten zijn die onder de verplichtingen van artikel 27 vallen, voorziet dit wetsvoorstel voor deze verplichting dan ook niet in het stellen van nadere uitvoeringsregels of de aanwijzing van een toezichthouder.

Artikel 27 regelt daarnaast ook verplichtingen ten aanzien van de lidstaten. Lidstaten moeten een databank opzetten met gegevens over gesloten winningsafvalinstallaties. In Nederland wordt dit opgepakt via de landelijke mijnbouwdatabase, waarin informatie over mijnbouwactiviteiten en vergunningen is opgenomen. Daarnaast moeten er aanvullende evaluaties en onderzoeken worden uitgevoerd door de lidstaat naar de mogelijkheden tot terugwinning van kritieke grondstoffen.

Er is een algemene consensus dat er kritieke grondstoffen gewonnen kunnen worden uit verbrandingsproducten van winningsafval.7 Op basis van eerdere onderzoeken en de nationale context kan worden geconcludeerd dat de mogelijkheden tot terugwinning in Nederland echter zeer beperkt zijn. De geringe in Nederland voorkomende mijnbouw bestaat uit zout-, aardgas-, aardoliewinning en geothermie. Bij deze vormen van mijnbouw komt weinig tot geen winningsafval vrij. Het water dat uit de diepe ondergrond omhoog wordt gepompt voor geothermie kan kritieke grondstoffen bevatten. Er is onderzocht of het in Nederland economisch rendabel is om lithium uit dit water te halen8. De concentratie van lithium in het water uit de onderzochte geothermiebronnen is vooralsnog te laag om winning economisch haalbaar te maken. Wat betreft steenkoolwinning, werd in de 19e en 20e eeuw steenkool in Nederland gewonnen. Afval uit steenkoolmijnen, zijnde het opgepompte mijnwater, mijnsteen of mijnslik, werd destijds in een rivier geloosd (o.a. de Maas), er werd een heuvel (steenberg of steenkoolterrils), of een vijver (slikvijver) van gemaakt. Winningsafval dat in rivieren is geloosd is niet meer terug te herleiden tot één locatie. Steenbergen bestaan voornamelijk uit mijnsteen en onverbrande steenkool. Daarom wordt niet verwacht dat hierin economisch winbare concentraties kritieke grondstoffen zitten. De inhoud van slikvijvers bestaat uit een combinatie van verbrandings-as en steen, waardoor de mogelijke concentraties van kritieke grondstoffen lager zullen liggen dan bij zuivere verbrandings-as. Daarom wordt niet verwacht dat hierin economische winbare concentraties kritieke grondstoffen zitten. Veel slikvijvers zijn deels opgeruimd, gesaneerd of anders ingepast in het landschap, waardoor er geen sprake meer is van een winningsafvalinstallatie. Er kan geconcludeerd worden dat er geen extra inspanningen verricht hoeven te worden om te voldoen aan artikel 27 van de verordening kritieke grondstoffen.

Recycling van permanente magneten

Permanente magneten worden in de verordening kritieke grondstoffen aangemerkt als prioritaire producten, met als doel de circulariteit van de kritieke grondstoffen van deze producten te vergroten. Artikel 28 van de verordening verplicht producenten om permanente magneten te voorzien van een etiket met informatie over gewicht, locatie, chemische samenstelling, coatings, kleefmiddelen en additieven. Daarnaast wordt vereist dat deze magneten een gegevensdrager bevatten met een unieke productidentificatiecode. Uiterlijk op 31 december 2031 moet de Europese Commissie normen vaststellen voor een minimaal aandeel gerecycled materiaal in permanente magneten, zoals vastgelegd in artikel 29 van de verordening. De circulariteitseisen voor permanente magneten in voertuigen werken ook door in de typegoedkeuringen voor de voertuigen uit bijlage II van de verordeningen EU/168/2013 en EU/2018/858.9 Artikelen 40 en 41 van de verordening kritieke grondstoffen regelen deze doorwerking in de Europese typegoedkeuringen.

Erkende certificeringsregelingen

De verordening kritieke grondstoffen stelt in artikel 30 eisen aan certificeringsregelingen die de duurzaamheid van kritieke grondstoffen beoordelen. Dergelijke regelingen, ontwikkeld door overheden, bedrijfsverenigingen of andere belanghebbenden, kunnen door de Europese Commissie worden erkend als zij voldoen aan specifieke criteria. Deze criteria, beschreven in bijlage IV van de verordening, hebben betrekking op transparantie, openheid, multi-stakeholder governance en onafhankelijke audits. Na erkenning door de Europese Commissie kunnen de certificeringsregelingen door marktdeelnemers worden gebruikt als bewijs voor duurzame praktijken. De Europese Commissie controleert de naleving van de criteria en onderhoudt een openbaar register van erkende regelingen.

Milieuvoetafdrukverklaring

Artikel 31 van de verordening kritieke grondstoffen verplicht producenten en handelaren van kritieke grondstoffen om een milieuvoetafdrukverklaring op te stellen. Deze verklaring heeft tot doel de transparantie te vergroten en moet informatie bevatten over emissies, watergebruik, landgebruik en vervuiling. De Europese Commissie zal gedelegeerde handelingen vaststellen voor de berekening en verificatie van deze milieuvoetafdrukken. Ook wordt gewerkt met een maximale milieudrempel om de impact van kritieke grondstoffen op het milieu binnen aanvaardbare grenzen te houden. De milieuvoetafdrukverklaring wordt periodiek vernieuwd, aangezien de impact op het milieu kan variëren in tijd en plaats. Om te voorkomen dat aandacht enkel wordt gericht op één impactgebied, worden aanvullende milieudimensies meegenomen in de verklaring. Hiermee biedt de verordening kritieke grondstoffen een kader om de duurzaamheid van kritieke grondstoffen structureel te verbeteren en beter te integreren in de interne markt.

Vrij verkeer, conformiteit en markttoezicht & harmonisatiewetgeving

In de artikelen 32 tot en met 34 van de verordening kritieke grondstoffen worden de onderwerpen vrij verkeer, conformiteit, markttoezicht en harmonisatiewetgeving geregeld. Artikel 32 stelt regels over vrij verkeer van producten met permanente magneten of kritieke grondstoffen die aan de verordening voldoen en voorwaarden over het tentoonstellen van producten met permanente magneten die niet aan de verordening voldoen. In artikel 33 wordt een conformiteitsbeoordelingsprocedure voorgeschreven voor producten met permanente magneten. Om uniforme uitvoering te bewerkstelligen, regelt artikel 34 een bevoegdheid voor de Europese Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen over de uitwerking van een aantal verplichtingen uit artikelen 28, 29, 31 en 33 van de verordening.

2.2.5 Governance

Om de uitvoering van taken in verband met de ontwikkeling en financiering van strategische projecten, exploratieprogramma’s, monitoringcapaciteiten of strategische voorraden te ondersteunen en de Europese Commissie passend te adviseren, bepaalt artikel 35 van de verordening kritieke grondstoffen dat een Europese raad voor kritieke grondstoffen wordt opgericht. Deze raad bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en de Europese Commissie, en moet voorzien in de deelname van andere partijen als waarnemers, met name het Europees Parlement. Om de nodige deskundigheid voor de uitvoering van bepaalde taken te ontwikkelen, moet de raad voor kritieke grondstoffen permanente subgroepen voor financiering, draagvlak onder de bevolking, exploratie, monitoring en strategische voorraden, alsmede voor circulariteit, hulpbronnenefficiëntie en vervanging oprichten, die als netwerk moeten fungeren door de relevante nationale autoriteiten bijeen te brengen en indien nodig het bedrijfsleven, de academische wereld, het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden te raadplegen.

Deelname aan de raad voor kritieke grondstoffen is voorbehouden aan de high-level representative (HLR) of een van de vaste vervangers. Deze vertegenwoordiger of diens vervanger dient tevens aanwezig te zijn bij de werkzaamheden van de subgroepen. Daarnaast kan een vaste nationale expert aan de subgroepen deelnemen. Zo is bijvoorbeeld de nationale expert binnen de subgroep monitoring een expert van het NMO.

2.2.6 Slotbepalingen

Het uitblijven van voortgang richting de doelstellingen en de capaciteits- en diversificatiebenchmarks die in de verordening kritieke grondstoffen zijn vastgelegd, zou er op kunnen wijzen dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het is daarom van belang dat de Europese Commissie toezicht houdt op de voortgang richting de doelstellingen en benchmarks. De verplichtingen die in dit verband gelden voor de Europese Commissie zijn neergelegd in artikel 44 van de verordening kritieke grondstoffen. Artikel 44 van de verordening kritieke grondstoffen verplicht de Europese Commissie onder andere om: a) uiterlijk op 24 november 2025 een verslag in te dienen met indicatieve prognoses van het jaarlijkse verbruik van elke kritieke grondstof in 2030, 2040 en 2050, evenals indicatieve benchmarks voor de winning en verwerking per strategische grondstof, en b) uiterlijk op 24 mei 2027 en daarna ten minste om de drie jaar een verslag uit te brengen over de voortgang van de Europese Unie richting de verwezenlijking van de benchmarks en de matiging van de verwachte toename van het verbruik van kritieke grondstoffen in de Europese Unie.

Artikel 48 van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt bovendien dat de Europese Commissie uiterlijk op 24 mei 2029 de verordening kritieke grondstoffen in het licht van de nagestreefde doelstellingen evalueert en hierover verslag uitbrengt aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

HOOFDSTUK 3 INHOUD WETSVOORSTEL
§ 3.1 Inleiding

Een EU-verordening werkt rechtstreeks door in de rechtsorde van de lidstaten en lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om alle maatregelen te nemen die nodig zijn voor de volledige verwezenlijking van een verordening. Gelet op het rechtstreekse karakter maakt een verordening automatisch deel uit van de nationale rechtsorde en is het verboden om bepalingen ervan in het nationale recht over te nemen (het zogenaamde overschrijfverbod). Wel kan het voor de operationalisering van een verordening nodig zijn om bepalingen met betrekking tot procedures, handhaving, rechtsbescherming en aanwijzing van uitvoeringsorganen op te nemen in nationale regelgeving. Daarin voorziet dit wetsvoorstel.

§ 3.2 Centraal contactpunt

Om de vergunningsprocedure eenvoudiger, efficiënter en transparanter te maken, moeten projectontwikkelaars van projecten inzake kritieke grondstoffen terecht kunnen bij een centraal contactpunt dat verantwoordelijk is voor het faciliteren en coördineren van de gehele vergunningsprocedure. Daartoe moeten de lidstaten een of meer contactpunten oprichten of aanwijzen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat projectontwikkelaars slechts met één centraal contactpunt in contact hoeven te treden. Om ervoor te zorgen dat centrale contactpunten hun taken doeltreffend uitvoeren, moeten de lidstaten hen van voldoende personeel en middelen voorzien (artikel 9 van de verordening kritieke grondstoffen).

In dit wetsvoorstel wordt de Minister van Klimaat en Groene Groei aangewezen als het centrale contactpunt voor projecten met betrekking tot de winning van kritieke grondstoffen. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen als het centrale contactpunt voor projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen. De aanwijzing wordt geregeld in de Omgevingswet, omdat de belangrijkste vergunningen voor projecten inzake kritieke grondstoffen in de Omgevingswet worden geregeld. Belangrijk om op te merken is dat er geen sprake is van verschuiving van het bevoegd gezag. De verschillende bevoegde gezagen blijven bevoegd gezag.

De daadwerkelijke uitvoering van het centraal contactpunt zal door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gebeuren. RVO zal een faciliterende en coördinerende rol vervullen bij vergunningverlening voor projecten inzake kritieke grondstoffen. RVO vult deze rol in door projectontwikkelaars te informeren en begeleiden bij de vergunningprocedure. Via een website wordt informatie over o.a. termijnen, procedure, planning en aanvraag van de vergunning beschikbaar gesteld. Via diezelfde website kunnen projectontwikkelaars in contact komen met RVO en kan per project inzake kritieke grondstoffen een contactpersoon worden aangewezen, die de projectontwikkelaar de gehele vergunningprocedure begeleidt.

In geval van strategische projecten wordt ook toegezien op de naleving van de artikelen 11 en 12 van de verordening kritieke grondstoffen. RVO heeft zicht op strategische projecten doordat deze door de Europese Commissie aan Nederland worden gemeld. Artikel 11 bevat de maximale termijnen voor de vergunningsprocedure voor strategische projecten. Voor strategische projecten met betrekking tot de winning van kritieke grondstoffen geldt een maximale termijn van 27 maanden, met een mogelijkheid tot verlenging (maximaal zes maanden). Voor strategische projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen geldt een maximale termijn van 15 maanden, met een mogelijkheid tot verlenging (drie maanden). Deze maximale termijnen zullen in principe niet worden overschreden, wanneer de termijnen uit de Omgevingswet worden gevolgd.10 Daarvoor is het wel van belang dat alle aanvragen tijdig worden ingediend. In het verlengde van de regels over vergunningverlening uit artikel 11 bevat artikel 12 regels over de milieubeoordelingen die in dit kader overlegd moeten worden. Als centraal contactpunt krijgt RVO de taak om de relevante, op basis van Europese regelgeving verplichte, milieueffectbeoordelingen die benodigd zijn voor de vergunningverlening te coördineren. Uit artikel 12 volgen ook procedurele vereisten en termijnen voor de uitvoering van milieubeoordelingen, welke rechtstreeks van toepassing zijn.11 RVO zal hierin zowel richting bevoegd gezag als projectontwikkelaar een coördinerende rol vervullen. Met deze invulling wordt gekozen voor de gecoördineerde procedure zoals omschreven in artikel 12, tweede lid, tweede alinea.

§ 3.3 Hoogst mogelijke nationale status strategische projecten

Artikel 10, vierde lid, van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat strategische projecten, indien het nationale recht in een dergelijke status voorziet, de hoogst mogelijke nationale status dienen te verkrijgen. In verband hiermee wordt in artikel 5 van dit wetsvoorstel voorgesteld om artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet te wijzigen. Artikel 141a, eerste lid, benoemt projecten die van nationaal belang worden geacht en waarbij de minister de bevoegdheid heeft om een projectbesluit vast te stellen. In artikel 5 wordt voorgesteld om strategische projecten inzake kritieke grondstoffen met betrekking tot de winning van delfstoffen aan artikel 141a, eerste lid, toe te voegen.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet bepaalt wanneer de minister in ieder geval bevoegd is een projectbesluit vast te stellen. Artikel 5.44 van de Omgevingswet biedt ruimte om ook in andere gevallen een projectbesluit vast te stellen. Daarbij moeten dan wel de grenzen van artikel 2.3 van de Omgevingswet in acht worden genomen.

Artikel 5.44 van de Omgevingswet kan zo nodig ook uitkomst bieden voor projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen. Er bestaat hiervoor namelijk geen met artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet vergelijkbaar artikel waaraan projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen kunnen worden toegevoegd. Bij projecten met betrekking tot de verwerking of recycling van kritieke grondstoffen zal het in principe ook niet gaan om complexe projecten waarbij de projectprocedure past, waardoor het wettelijk inregelen naar het voorbeeld van de Mijnbouwwet voor dit type projecten niet passend is. Per geval kan gekeken worden of het bestaande artikel 5.44 van de Omgevingswet een mogelijkheid is voor verwerking en recycling projecten, maar in de regel zal dit niet passend zijn en ook geen versnellend effect opleveren ten opzichte van de reguliere vergunningprocedure.

§ 3.4 Rol Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO

Artikel 2 van het wetsvoorstel bepaalt dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) zorgdraagt voor de uitvoering van de artikelen 19, 20, tweede en derde lid, 21, tweede en derde lid, en 24, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen. TNO heeft hiervoor het eerdergenoemde Nederlands Materialen Observatorium (NMO) opgericht. Het NMO is verantwoordelijk voor:

  • het opstellen van een nationaal exploratieprogramma en het informeren hierover (artikel 19);

  • het ondersteunen van de Europese Commissie bij het monitoren van de voorzieningsrisico’s met betrekking tot kritieke grondstoffen en het uitvoeren van stresstests (artikel 20, tweede en derde lid);

  • het identificeren en monitoren van activiteiten van belangrijke marktdeelnemers in de gehele kritiekegrondstoffenwaardeketen en het delen van de gewonnen informatie met de nationale bureaus voor de Statistiek en Eurostat (artikel 21, tweede en derde lid);

  • het in kaart brengen van grote ondernemingen (artikel 24, eerste lid).

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat TNO een onderzoeksinstelling zonder openbaar gezag is en blijft. Informatieverzoeken in het kader van artikel 21, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen worden door de Minister van Economische Zaken ingediend.

§ 3.5 Toezicht en handhaving

In deze paragraaf wordt ingegaan op het toezicht op de naleving van de in de verordening opgenomen verplichtingen en de sanctionering bij niet-naleving van deze verplichtingen. Artikel 47 van de verordening bepaalt namelijk dat lidstaten voorschriften vaststellen betreffende de sancties die aan inbreuken op deze verordening worden verbonden, en dat zij alle nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

3.5.1 In de verordening opgenomen verplichtingen

Zoals ook al naar voren gekomen in hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de verordening kritieke grondstoffen diverse verplichtingen. De verordening bevat verplichtingen op onder meer het gebied van risicoparaatheid, rapportage over projecten en (informatie over) duurzaamheidseisen. Onderstaand zijn deze verplichtingen overzichtelijk opgesomd.

3.5.1.1 Verplichtingen op het gebied van risicoparaatheid en rapportage over projecten

Artikel 8 van de verordening kritieke grondstoffen bevat rapportageverplichtingen voor strategische projecten. Het eerste lid bepaalt dat de projectontwikkelaar van een strategisch project elke twee jaar, gerekend vanaf de datum van erkenning van het project, een verslag in moet dienen. In dit verslag gaat de projectontwikkelaar in op: a) de voortgang bij de uitvoering van het strategisch project, b) de redenen voor eventuele vertragingen en een plan om die vertragingen in te halen, en c) de voortgang bij de financiering van het strategische project. Mochten er tussentijds echter veranderingen optreden aan het project die er mogelijk toe leiden dat een project niet langer als strategisch kan worden aangemerkt, is het niet de bedoeling dat deze veranderingen pas in het verslag aan de orde worden gesteld. De Europese Commissie wenst in een dergelijk geval eerder te worden geïnformeerd. Ditzelfde geldt wanneer er sprake is van langdurige veranderingen in de zeggenschap over de ondernemingen die bij het strategische project zijn betrokken (derde lid). Artikel 8 acht het ook van belang dat de plaatselijke bevolking wordt geïnformeerd. Het vijfde lid vraagt de projectontwikkelaar om op de website van de onderneming of een specifieke website voor het strategische project informatie te plaatsen die relevant is voor de plaatselijke bevolking. In ieder geval dienen de effecten en voordelen van het strategisch project voor het milieu, de maatschappij en de economie aan de orde te komen.

Artikel 11, zevende lid, van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat de projectontwikkelaar van een strategisch project op de hiervoor bedoelde website ook een gedetailleerd tijdschema voor de vergunningsprocedure dient te plaatsen. Dit schema wordt opgesteld in nauwe samenwerking met het betrokken centraal contactpunt en andere betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 21, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen heeft betrekking op belangrijke marktdeelnemers. Onder belangrijke marktdeelnemers verstaat de verordening: ‘ondernemingen in de toeleveringsketen van kritieke grondstoffen van de Unie en downstreamondernemingen die kritieke grondstoffen gebruiken, wier betrouwbare werking van essentieel belang is voor de levering van kritieke grondstoffen’. Ingevolge artikel 21, tweede lid, mogen belangrijke marktdeelnemers weigeren bepaalde gegevens te verstrekken aan lidstaten. Dit is echter alleen toegestaan wanneer het delen van gegevens zou leiden tot de openbaarmaking van handels- en of bedrijfsgeheimen. Gegevens hoeven ook niet te worden verstrekt in geval deze niet al beschikbaar zijn. In geval belangrijke marktdeelnemers gegevensverstrekking weigeren, dienen zij daar een reden toe te verstrekken aan de verzoekende lidstaat.

Artikel 24 van de verordening kritieke grondstoffen richt zich op grote ondernemingen. Onder grote onderneming wordt door de verordening verstaan: ‘een onderneming met gemiddeld meer dan 500 werknemers en een wereldwijde netto-omzet van meer van 150 miljoen EUR in het recentste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn opgesteld’. Een dergelijke onderneming dient ten minste om de drie jaar en voor zover de informatie voor hem beschikbaar is, een risicobeoordeling uit te voeren van zijn toeleveringsketen van strategische grondstoffen. Daarbij wordt onder meer in kaart gebracht waar strategische grondstoffen die worden gebruikt worden gewonnen, verwerkt of gerecycled, een analyse gemaakt van de factoren die gevolgen kunnen hebben voor de voorziening van strategische grondstoffen en een beoordeling gemaakt van kwetsbaarheden voor verstoringen van de voorziening (artikel 24, tweede lid). Mochten kwetsbaarheden voor verstoringen van de voorziening aan het licht komen, verlangt de verordening dat grote ondernemingen zich inspannen om die kwetsbaarheden te beperken, door onder meer de mogelijkheid te beoordelen om hun toeleveringsketen van grondstoffen te diversifiëren of de strategische grondstoffen te vervangen (artikel 24, vierde lid).

3.5.1.2 Verplichtingen inzake duurzaamheid

In de artikelen 28 en 29 van de verordening kritieke grondstoffen worden verplichtingen gesteld over recyclebaarheid en toepassing van recyclaat in permanente magneten. In deze artikelen worden verplichtingen opgelegd aan natuurlijke of rechtspersonen die apparaten voor beeldvorming door middel van magnetische resonantie (MRI-apparaten), windenergiegeneratoren, industriële robots, motorvoertuigen, lichte vervoermiddelen, koelgeneratoren, warmtepompen, elektrische motoren (ook als elektrische motoren in andere producten zijn geïntegreerd), automatische wasmachines, droogtrommels, magnetronovens, stofzuigers of vaatwassers in de handel brengen. Met ingang van 24 mei 2029 wordt dit uitgebreid naar motorvoertuigen, en lichte vervoermiddelen van categorie L waarvoor typegoedkeuring is verleend (artikel 28, tiende lid, van de verordening kritieke grondstoffen). Voor de natuurlijke of rechtspersonen die deze producten in de handel brengen, gelden op basis van artikel 28 verplichtingen over de recyclebaarheid van permanente magneten. Op de producten met permanente magneten moet een onuitwisbaar etiket worden aangebracht (eerste lid). Twee jaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling van de Europese Commissie over het etiket (uiterlijk 24 november 2028) moet op of in de producten een gegevensdrager aanwezig zijn. Artikel 28, derde tot en met zevende lid, bevatten de verplichtingen met de eisen waaraan de gegevensdrager moet voldoen.

Artikel 29 van de verordening kritieke grondstoffen bevat verplichtingen over het aandeel recyclaat in permanente magneten. Op basis van het eerste lid moet voor producten met in totaal meer dan 0,2 kg permanente magneten het teruggewonnen aandeel neodymium, dysprosium, praseodymium, terbium, boor, samarium, nikkel en kobalt dat is toegepast in permanente magneten openbaar worden gemaakt. Daarnaast moet de informatie ook beschikbaar zijn voor klanten die de producten kopen (vijfde lid). Uit de gedelegeerde handelingen die de Europese Commissie op basis van artikel 29, tweede en derde lid, vaststelt, volgen de exacte verplichtingen over het minimum aandeel recyclaat dat moet worden toegepast en de berekening en verificatie hiervan.

Artikel 31, zesde lid, van de verordening kritieke grondstoffen verplicht natuurlijke of rechtspersonen die kritieke grondstoffen in de handel brengen een milieuvoetafdrukverklaring beschikbaar te stellen. De verordening regelt daarnaast welke informatie de milieuvoetafdrukverklaring moet bevatten (zevende lid), verplicht openbaarmaking op een website (tiende lid) en vereist toegang tot de milieuvoetafdrukverklaring voor klanten (elfde lid).

Uit artikel 32, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen volgt dat lidstaten niet mogen belemmeren dat op handelsbeurzen, tentoonstellingen of bij demonstraties of soortgelijke evenementen producten worden getoond die niet aan de verordening voldoen. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat op een zichtbaar bord is vermeld dat die producten niet aan de verordening kritieke grondstoffen voldoen en de producten niet op de markt mogen worden gebracht zolang niet wordt voldaan aan de verordening.

Artikel 33, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen verplicht de natuurlijke of rechtspersonen uit artikel 28 en 29 van de verordening om de toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedure te volgen, waarmee wordt aangetoond dat aan de verplichtingen uit de verordening wordt voldaan. Als aan de vereisten wordt voldaan moet een EU-conformiteitsverklaring worden opgesteld en de CE-markering worden aangebracht. Voor de producten die onder artikel 28 van de verordening kritieke grondstoffen vallen wordt de conformiteitsbeoordeling uitgevoerd volgens een van de in bijlage IV bij Richtlijn 2009/125/EG beschreven procedure.12 Als de producten ook onder artikel 29 van de verordening vallen, moet de procedure voor berekening en verificatie uit artikel 29, tweede lid, van de verordening worden gevolgd. De procedurele vereisten van de conformiteitsbeoordeling volgen uit artikel 33, tweede lid, van de verordening.

3.5.2 Toezicht en handhaving op de in de verordening opgenomen verplichtingen
3.5.2.1 Toezicht en handhaving op de verplichtingen op het gebied van risicoparaatheid en rapportage over projecten

Artikel 3 van het wetsvoorstel bepaalt dat de Minister van Economische Zaken ambtenaren zal aanwijzen die worden belast met het toezicht op de naleving van de in paragraaf 3.5.1.1 besproken verplichtingen op het gebied van risicoparaatheid en rapportage over projecten (artikelen 8, eerste, derde en vijfde lid, 11, zevende lid, 21, tweede lid en 24, tweede en vierde lid, van de verordening kritieke grondstoffen). Dit zullen de ambtenaren van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid van de directie Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaarsadvisering van het Ministerie van Economische Zaken worden.13 Dit is een voor de hand liggende keuze, gezien de aansluiting met hun huidige focus op economische veiligheid en geopolitiek. Tegelijkertijd zorgt het voor een duidelijke splitsing tussen het grondstoffenbeleid (ondergebracht bij de verantwoordelijke beleidsdirectie binnen het Directoraat-Generaal Bedrijfsleven en Innovatie) en het toezicht. Bij de uitoefening van het toezicht kunnen de ambtenaren van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid gebruik maken van de toezichthoudende bevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook: Awb) (artikelen 5:15 tot en met 5:20), maar zij zullen ook sterk afhankelijk zijn van signalen die ze ontvangen. Tekortkomingen in de naleving van de verplichtingen uit de artikelen 8, eerste, derde en vijfde lid, en 11, zevende lid, zullen bijvoorbeeld veelal pas aan het licht komen na signalen van het centraal contactpunt of andere bevoegde autoriteiten. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de ambtenaren van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid geen toezicht uitoefenen op het centraal contactpunt of andere bevoegde autoriteiten.

Om ervoor te zorgen dat bij een geconstateerde inbreuk kan worden gesanctioneerd, wordt in artikel 4 van het wetsvoorstel voorgesteld om de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid toe te kennen tot oplegging van een last onder dwangsom. De last onder dwangsom wordt het meest passend geacht, omdat hiermee kan worden bewerkstelligd dat alsnog aan verplichtingen wordt voldaan. Voor het bepalen van de hoogte van de dwangsom is geen wettelijke standaard vastgelegd. Van belang is dat de hoogte van de dwangsom evenredig is en voldoende afschrikkend voor zowel de overtreder (speciale preventie) als andere potentiële overtreders (generale preventie). Deze doelstelling is ook neergelegd in artikel 5:32b, derde lid, van de Awb. Met de bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom dient terughoudend te worden omgegaan. Zij mag slechts worden ingezet wanneer er sprake is van een onmiskenbare inbreuk. Een last onder dwangsom voor niet naleving van de verplichting uit artikel 24, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen kan bijvoorbeeld slechts worden opgelegd wanneer een grote onderneming in zijn geheel weigert een risicobeoordeling uit te voeren.

3.5.2.2 Toezicht en handhaving op verplichtingen inzake duurzaamheid
Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Voor de verplichtingen uit de artikelen 28, 29, 31, 32 tweede lid, en 33 van de verordening inzake duurzaamheid wordt aangesloten bij het regime van het toezicht en de bestuursrechtelijke handhaving dat geregeld is in de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), de Omgevingswet en de Awb.

Op grond van het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving worden de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna ook: ILT) belast met het toezicht op de naleving van de in artikel 18.1a, eerste lid, van de Wm genoemde regelgeving. Het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving zal net als artikel 18.1a, eerste lid van de Wm worden aangepast, zodat de ILT de aangewezen toezichthouder is voor de artikelen over duurzaamheid uit de verordening kritieke grondstoffen. In artikel 18.1a, eerste lid, van de Wm wordt bepaald dat onder andere artikel 18.6 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot toezicht. De ILT beschikt hierdoor bij uitoefening van het toezicht over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:20 van de Awb.

De bestuursrechtelijke handhaving is belegd bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 18.2b van de Wm. Dit wetsvoorstel voorziet in de benodigde aanpassing van artikel 18.2b van de Wm. Op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023 is de ILT aangewezen om in mandaat uitvoering te geven aan de bestuursrechtelijke handhavingstaak van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Uit artikel 18.1a van de Wm in samenhang met artikel 18.4 van de Omgevingswet volgt dat de minister in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Uit artikel 5:32 van de Awb volgt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen tevens bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen.

Met dit wetsvoorstel (artikel 7) worden de relevante bepalingen in de Wm aangepast om toezicht en bestuursrechtelijke handhaving voor de verplichtingen inzake duurzaamheid te regelen. In de artikelsgewijze toelichting wordt dit nader toegelicht.

Strafrechtelijke handhaving

Uit artikel 47 van de verordening volgt dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Om hierin te kunnen voorzien wordt naast bestuursrechtelijke handhaving voor de verplichtingen inzake duurzaamheid ook strafrechtelijke handhaving mogelijk gemaakt. Strafrechtelijke handhaving wordt mogelijk voor overtreding van bepaalde artikelleden uit de artikelen 28, 29, 31 en 33 van de verordening kritieke grondstoffen. Dit past binnen het regime van de Wet op de economische delicten (hierna ook: WED), waarbij milieudelicten strafbaar worden gesteld als economische delicten.

Bij milieudelicten kan onomkeerbare schade aan het milieu optreden. Hierdoor is een afschrikkende sanctie noodzakelijk gezien het niet mogelijk is om te herstellen. De artikelen uit de verordening kritieke grondstoffen bevatten informatieverplichtingen en ontwerpeisen van producten met permanente mageneten. In geval van overtreding is de schade niet in alle gevallen meer te herstellen of kan dit grote gevolgen hebben voor het milieu. Voor deze artikelen wordt daarom zowel strafrechtelijke handhaving als bestuursrechtelijke handhaving mogelijk gemaakt, zodat de handhaver het strafrecht kan toepassen (enkel) in gevallen waar het bestuursrecht niet in evenredige, doeltreffende en afschrikkende handhaving kan voorzien. Het strafrecht blijft immers een ultimum remedium.

Met het oog op het legaliteitsbeginsel worden eisen gesteld aan de duidelijkheid van strafbaarstelling van overtredingen onder de WED.14 Hiertoe worden in de Wm in een verbodsbepaling verwijzingen naar de relevante artikelen uit de verordening kritieke grondstoffen opgenomen om de strafbaarstelling van overtreding van verplichtingen op grond van die artikelen als economisch delict te expliciteren. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7, onderdeel B, wordt de strafbaarstelling nader toegelicht. Bij de artikelsgewijze toelichting over de wijziging van de WED wordt daarnaast de plaatsing in verschillende strafcategorieën onderbouwd.

Markttoezichtverordening15

In artikel 43 van de verordening kritieke grondstoffen worden de artikelen 28, 29 en 31 van die verordening toegevoegd aan bijlage I bij de markttoezichtverordening. Dat betekent volgens artikel 2 markttoezichtverordening dat de verordening markttoezicht van toepassing is op producten die onder de artikelen 28, 29 en 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen. Dit houdt in dat de markttoezichtautoriteit, uitgerust met de bevoegdheden die hem volgens artikel 14 markttoezichtverordening door de lidstaten moeten worden toegekend, de conformiteit van de producten controleert en de nodige maatregelen neemt als de producten niet aan de vereisten in het kader van de verordening kritieke grondstoffen voldoen. In Nederland is artikel 14 markttoezichtverordening uitgevoerd via de regelgeving die voorziet in bestuursrechtelijke handhaving. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt voor de producten die onder de artikelen 28, 29 en 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen, in artikel 18.2b, tweede lid, onderdeel f, Wm aangewezen als bevoegd gezag voor de bestuursrechtelijke handhaving. Daarmee heeft Nederland uitvoering gegeven dat de markttoezichtautoriteit m.b.t. producten die onder de artikelen 28, 29 en 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen (onder de noemer van bestuursrechtelijke handhaving) markttoezicht kan uitoefenen dat voldoet aan de vereisten van art. 14 markttoezichtverordening.

Daarnaast bevatten de artikelen 4, 5 en 7 markttoezichtverordening ook verplichtingen m.b.t. producten die onder de artikelen 28, 29 en 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen. In artikel 9.4a.3 is een verbod opgenomen op overtreding van genoemde bepalingen van de verordening markttoezicht. Dat verbod valt onder artikel 18.2b, eerste lid, onder a, Wm. Dat betekent dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag is voor de bestuursrechtelijke handhaving en (onder de noemer van bestuursrechtelijke handhaving) markttoezicht kan uitoefenen.

In de praktijk is de ILT namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met de bestuursrechtelijke handhaving belast. Ambtenaren van de ILT zullen worden aangewezen als toezichthouder, door een daartoe strekkende wijziging van artikel 9 van het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving.

Europese typegoedkeuring voertuigen

Zoals omschreven in paragraaf 2.2.4 werken de circulariteitseisen voor permanente magneten ook door in de Europese typegoedkeuringen uit bijlage II van verordeningen EU/168/2013 en EU/2018/858.16 In Nederland is de Dienst Wegverkeer (hierna ook: RDW) belast met Europese typegoedkeuringen op grond van artikel 4b van de Wegenverkeerwet 1994. De circulariteitseisen voor permanente magneten worden meegenomen in de beoordeling door de RDW naar aanleiding van de wijzigingen uit artikel 40 en 41 van de verordening kritieke grondstoffen. Doordat dit slechts een beperkte toevoeging in het verlengde van reeds bestaande verplichtingen betreft, is de verwachte impact voor de RDW zeer beperkt. De RDW heeft enkel een rol met betrekking tot artikel 40 en 41.

HOOFDSTUK 4 VERHOUDING TOT ANDER RECHT
§ 4.1 Nederlands recht
4.1.1 Wet open overheid

Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet open overheid (hierna ook: Woo) kan eenieder verzoeken om publieke informatie die is neergelegd in documenten die bij een bestuursorgaan berusten. Een document is een schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens, bijvoorbeeld brieven, e-mails, foto’s, video’s, sms- en Whatsapp-berichten. Het stuk moet opgemaakt of ontvangen zijn door het bestuursorgaan en verband houden met de publieke taak (beleid en bedrijfsvoering) van het bestuursorgaan. Documenten die in het kader van de verordening kritieke grondstoffen worden opgemaakt of ontvangen kunnen voorwerp zijn van een verzoek om informatie. Artikel 46, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat de lidstaten en de Europese Commissie de bescherming dienen te waarborgen van de bij de toepassing van de verordening verzamelde vertrouwelijke informatie. Tegelijkertijd wordt in diezelfde bepaling aangegeven dat dit moet geschieden in overeenstemming met het Unierecht en het toepasselijke nationale recht. Het gevolg hiervan is dat weliswaar de vertrouwelijkheid in acht moet worden genomen, maar dat de Woo in principe wel van toepassing is nu de verordening zelf niets bepaald over de openbaarmaking van informatie. Van openbaarmaking kan slechts worden afgeweken indien daarvoor een grond aanwezig is als bedoeld in artikel 5.1 of 5.2 van de Woo. Ook wanneer informatie in Nederland wordt gerubriceerd overeenkomstig het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie 2025(VIRBI 2025), kan de verstrekking van informatie gevraagd op grond van de Woo niet zonder meer worden geweigerd. Bij een verzoek tot openbaarmaking zal de rubricering opnieuw worden beoordeeld en slechts in stand blijven indien de belangen onder de weigeringsgronden van de Woo vallen.

4.1.2 Wet bescherming staatsgeheimen en Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst bijzondere informatie 2025

Het wetsvoorstel laat de Wet bescherming staatsgeheimen en het VIRBI 2025 onverlet. Het al dan niet rubriceren of derubriceren van informatie die bij de Rijksdienst (alle organisatieonderdelen waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid geldt) ligt in het kader van de uitvoering van de verordening kritieke grondstoffen, zal plaatsvinden in overeenstemming met het VIRBI 2025. Daarbij geldt wel dat voor zover de verordening en de toepasselijke Europese kaders inzake de omgang van gerubriceerde informatie afwijkende regels en procedures kennen, deze voorrang hebben op het VIRBI 2025 (zie artikel 2, derde lid, artikel 5, tweede lid, onderdeel a, en artikel 7, tweede lid, van het VIRBI 2025).

§ 4.2 Europees recht
4.2.1 Verordening (EG) nr. 1049/2001

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PbEG 2001, L 145) (hierna ook: Eurowob) is van toepassing op alle bij een instelling berustende documenten, dat wil zeggen alle documenten die door de instelling zijn opgesteld of ontvangen en zich in haar bezit bevinden (zie artikel 2, derde lid, Eurowob). Dit betekent dat niet alleen documenten die zijn opgesteld door de instellingen onder de reikwijdte van de Eurowob vallen, maar ook alle documenten die door de instellingen zijn ontvangen.17 Door wie een document is opgesteld of met welk doel, is voor de werkingssfeer van de Eurowob niet van belang.18 De op grond van de verordening kritieke grondstoffen door de lidstaten toegezonden informatie ligt (tevens) bij de Europese Commissie. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Eurowob vallen deze documenten – die zich in het bezit van de Europese Commissie bevinden – onder de reikwijdte van de Eurowob. Op grond van de Eurowob kan het openbaar maken van gevraagde informatie worden geweigerd op de gronden die de Eurowob kent. Tevens bepaalt artikel 4, vijfde lid, van de Eurowob dat indien een instelling om openbaarmaking van documenten afkomstig van een lidstaat wordt gevraagd, de lidstaat de instelling kan verzoeken dit document niet zonder zijn voorafgaande toestemming openbaar te maken. De lidstaat dient dan geconsulteerd te worden, maar het besluit blijft aan de instelling voorbehouden. Deze voorwaarde gaat dan ook niet zover dat dit een vetorecht geeft aan de lidstaat om de instelling te dwingen niet te openbaren. De lidstaat moet motiveren waarom in een concreet geval openbaarmaking moet worden geweigerd, gebaseerd op de weigeringsgronden van de Eurowob.19 In artikel 9 van de Eurowob is bepaald dat gerubriceerde documenten aan een bijzondere behandeling worden onderworpen. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt echter dat wanneer een document gerubriceerd is, ook dan een van de weigeringsgronden van de Eurowob van toepassing moet zijn om de openbaarmaking te weigeren.20 Ook indien sprake is van gerubriceerde documenten moet een van de weigeringsgronden dus van toepassing zijn om openbaarmaking te mogen weigeren.

4.2.2 Europese kaders inzake behandeling van gerubriceerde informatie

Artikel 46, tweede lid, van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat de lidstaten en de Europese Commissie de bescherming waarborgen van de bij de toepassing van de verordening verzamelde vertrouwelijke informatie overeenkomstig het Unierecht en het toepasselijke nationale recht. Voor zover het gaat om gerubriceerde informatie is in artikel 46, derde lid, van de verordening kritieke grondstoffen expliciet bepaald dat de lidstaten en de Europese Commissie ervoor zorg zullen dragen dat op grond van de verordening verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie geen lagere rubriceringsgraad krijgt of gederubriceerd wordt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller. De rubricering en behandeling van gerubriceerde informatie door de Europese Commissie zal plaatsvinden in overeenstemming met het Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie en het Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie. De gegevensuitwisseling van gerubriceerde informatie tussen de lidstaten overeenkomstig de verordening geschiedt in overeenstemming met de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie.21

§ 4.3 Internationaal recht
Verdrag van Aarhus en Verdrag van Espoo

Artikel 14, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat de verordening kritieke grondstoffen de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Trb. 1998, 289)(hierna ook: verdrag van Aarhus) en het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Trb. 1991, 104) (hierna ook: Espoo-verdrag) en het daarbij behorende protocol inzake de strategische milieueffectbeoordeling (hierna ook: SEA-protocol) onverlet laat. Nederland heeft voor de naleving van het verdrag van Aarhus de EU-regelgeving geïmplementeerd die dient ter uitvoering van dit verdrag.22 Dit is gebeurd in onder andere de Awb, de Wm en de Woo. De bepalingen uit deze wetten blijven gelden. Het Espoo-verdrag en het bijhorende SEA-protocol zijn uitgevoerd in de Omgevingswet, de Awb en het Omgevingsbesluit.23 Ook deze bepalingen blijven hun geldigheid behouden.

HOOFDSTUK 5 GEVOLGEN
§ 5.1 Inleiding

Het wetsvoorstel heeft geen directe financiële gevolgen voor het bedrijfsleven. Dit in tegenstelling tot de verordening kritieke grondstoffen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uit de verordening kritieke grondstoffen voortvloeiende regeldruk. Dit enkel ter informering van het bedrijfsleven. De uit de verordening kritieke grondstoffen voortvloeiende regeldruk is immers een gegeven.

De verordening kritieke grondstoffen richt zich op het deel van het bedrijfsleven dat zich focust op de winning, verwerking, recycling en/of substitutie van kritieke of strategische grondstoffen. Hierbij gaat het om zowel het MKB als grote ondernemingen. Daarnaast focust de verordening kritieke grondstoffen op grote ondernemingen die strategische grondstoffen gebruiken voor de productie van batterijen voor energieopslag en elektrische mobiliteit, uitrusting met betrekking tot de productie en het gebruik van waterstof, uitrusting met betrekking tot de opwekking van hernieuwbare energie, luchtvaartuigen, tractiemotoren, warmtepompen, uitrusting met betrekking tot de overdracht en opslag van gegevens, mobiele elektronische apparaten, uitrusting met betrekking tot additieve productie en uitrusting met betrekking tot robotica, drones, raketwerpers, satellieten of geavanceerde chips. Deze specifieke focus zorgt ervoor dat de reikwijdte van de verordening kritieke grondstoffen is afgebakend. Als gevolg van deze afgebakende reikwijdte zijn onderstaande inschattingen van de regeldrukeffecten realistisch. De regeldrukkosten zijn in kaart gebracht voor die onderdelen van de verordening kritieke grondstoffen die betrekking hebben op het bedrijfsleven. Voor het inschatten van de kosten van verschillende beroepsgroepen is de verdeling in beroepsgroepen en uurtarieven zoals beschreven in het handboek Meting Regeldrukkosten gehanteerd.24

§ 5.2 Regeldruk voor het bedrijfsleven

Artikel 7 van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat projectontwikkelaars bij de Europese Commissie een aanvraag kunnen indienen om een project inzake grondstoffen als strategisch project te erkennen. Projectontwikkelaars zullen een inspanning moeten leveren om deze aanvraag voor te bereiden. De Europese Commissie verwacht bij een aanvraag onder andere: voldoende relevante documenten en bewijsmaterialen, een classificatie van het project volgens de kaderclassificatie voor hulpbronnen van de Verenigde Naties, een tijdschema voor de uitvoering van het project, een plan om draagvlak onder lokale bevolking te creëren, een ondernemingsplan en tot slot een plan ter verbetering van de milieusituatie van projecten die gevolgen hebben voor inheemse volkeren. Dit laatste geldt alleen voor projecten in derde landen. Het kost tijd om deze informatie bij elkaar te verzamelen en op de juiste manier in te vullen via de aanmeldingswebsite van de Europese Commissie. Afhankelijk van de grootte van het bedrijf (start up/scale up of grote onderneming) wordt ingeschat dat dit ongeveer 40 tot 250 uur kost. Deze informatie is verkregen door een uitvraag bij bedrijven. Dit werk kan worden gedaan door een combinatie van hoogopgeleide medewerkers, leidinggevenden en managers. Voor één bedrijf resulteert dit in regeldrukkosten met een bandbreedte tussen ongeveer 2000 en 20.000 euro. Er is geen limiet aan het aantal strategische projecten dat er kan zijn. Gebaseerd op het aantal aanmeldingen in 2024 is de verwachting is dat er tussen de 0 en 5 strategische projecten per jaar kunnen zijn.

De erkenning van een project als strategisch project gaat gepaard met bepaalde rapportage- en informatieverplichtingen (artikel 8 van de verordening kritieke grondstoffen). Een projectontwikkelaar dient vanaf het moment van erkenning van een project als strategisch project elke twee jaar een verslag in bij de Europese Commissie over de voortgang van de uitvoering van het strategische project, met name wat betreft de vergunningsprocedure, en de voortgang van de financiering van het strategische project. De inschatting is dat dit ongeveer 80 uur kost. Deze schatting is gebaseerd op tijdinvesteringen voor andere EU-verplichtingen, zoals non-financial reporting, die meestal tussen de 60 en 100 uur in beslag nemen. Dit werk kan gedaan worden door een combinatie van administratief personeel en hoogopgeleide medewerkers. Dit resulteert in regeldrukkosten van ongeveer 3.000 à 4.500 euro per erkend strategisch project per twee jaar. Tegelijkertijd brengt de erkenning van een project als strategisch project de verplichting met zich mee dat een website moet worden opgezet met informatie die relevant is voor de plaatselijke bevolking. De inschatting is dat dit ongeveer 40 tot 160 uur kost. Dit resulteert in eenmalige regeldrukkosten van ongeveer 1.500 à 8.500 euro per erkend strategisch project.

Op grond van artikel 24 van de verordening kritieke grondstoffen dienen lidstaten uiterlijk op 24 mei 2025 en binnen twaalf maanden na elke bijwerking van de lijst van strategische grondstoffen grote ondernemingen in kaart te brengen die op hun grondgebied actief zijn en strategische grondstoffen gebruiken. De geïdentificeerde grote ondernemingen dienen ten minste om de drie jaar een risicobeoordeling van hun toeleveringsketen uit te voeren. Als onderdeel van die risicobeoordeling, brengen dergelijke grote ondernemingen de oorsprong van hun strategische grondstoffen in kaart, analyseren ze de factoren die van invloed zouden kunnen zijn op hun voorziening, en beoordelen ze hun kwetsbaarheden voor verstoringen. Als kwetsbaarheden worden ontdekt, leveren die ondernemingen inspanningen om kwetsbaarheden te beperken. Risicobeoordelingen vereisen een systematische aanpak, waaronder het verzamelen van gegevens over toeleveringsketens, het analyseren van risico’s en het opstellen van een rapport met aanbevelingen. Voor ondernemingen met eenvoudige ketens en een beperkt aantal strategische grondstoffen zullen de kosten relatief laag zijn, terwijl ondernemingen met complexe, internationale ketens substantieel meer tijd en middelen nodig hebben. Daarbij komt dat de inzet van externe consultants noodzakelijk kan zijn wanneer onvoldoende interne expertise beschikbaar is. Op basis van ervaring met vergelijkbare verplichtingen op het gebied van due diligence, onder meer in het kader van internationale grondstoffenregelgeving, wordt voor dergelijke risicobeoordelingen bij ondernemingen met complexe ketens een tijdsbesteding van ongeveer 200 tot 400 uur ingeschat. Dit betreft onder meer de verzameling en analyse van gegevens, interne afstemming, beoordeling van risico’s en het opstellen van een rapportage. Bij enkel interne inzet waarbij wordt uitgegaan van een uurtarief van 77 euro leidt dit tot kosten die kunnen oplopen tot ongeveer € 15.000 à € 30.000 per beoordeling. Hoewel er geen volledige gegevens beschikbaar zijn over de aard en structuur van de supply chains van het Nederlandse bedrijfsleven wordt op basis van een best effort inschatting uitgegaan van ongeveer 10 grote ondernemingen in Nederland die onder deze verplichting vallen. Met een gemiddelde kostenschatting va € 15.000 tot € 30.000 per onderneming komt de totale kostenraming voor de uitvoering van de risicobeoordelingen in Nederland daarmee uit op ongeveer € 150.000 tot € 300.000 per drie jaar. Deze raming dient als indicatief te worden beschouwd en is onderhevig aan onzekerheden, onder meer vanwege verschillen in ketenstructuur, het missen van bedrijfsspecifieke kennis, sectorspecifieke omstandigheden en de mate waarin ondernemingen beschikken over interne risicobeoordelingscapaciteit. Een deel van de grote ondernemingen zal dit soort risicobeoordelingen al uitvoeren omdat het in hun eigen belang is. Voor deze ‘voorlopers’ is er geen sprake van extra regeldruk.

Artikel 28 van de verordening kritieke grondstoffen richt zich op de recyclebaarheid van permanente magneten en gaat gepaard met lichte regeldruk. Op grond van het artikel ontstaat de verplichting voor natuurlijke personen en rechtspersonen om op een bepaalde producten die zij in de handel brengen, een etiket aan te brengen. Het gaat om de volgende producten: apparaten gebruikt voor beeldvorming via magnetische resonantie (MRI-apparaten), windenergiegeneratoren, industriële robots, motorvoertuigen, lichte vervoermiddelen, koelgeneratoren, warmtepompen, elektrische motoren (ook als elektrische motoren in andere producten zijn geïntegreerd), automatische wasmachines, droogtrommels, magnetronovens, stofzuigers of vaatwassers. Op het etiket moet worden aangegeven of het product permanente magneten bevat en zo ja, of deze magneten tot een van de volgende soorten behoren: neodymium-ijzer-boor, samarium-kobalt, aluminium-nikkel-kobalt of ferriet. Aangezien van deze uitputtende lijst aan producten doorgaans al bekend is of er permanente magneten in aanwezig zijn – anders mogen zij niet op de markt worden gebracht – wordt de inspanning voor de etikettering beperkt geacht. Indien een product standaard al een etiket bevat, is de additionele regeldruk in feite nihil. De Europese Commissie zal het format van het etiket vaststellen, waardoor er geen ontwerpkosten zijn. Het aanbrengen van het etiket kan worden meegenomen in het verpakkingsproces. Op basis van het Handboek Regeldrukkosten wordt geschat dat het aanbrengen van een etiket gemiddeld 3 minuten kost. Bij een uurtarief va € 40 (MBO-niveau, all-in; dit is inclusief werkgeverslasten en overhead) komt dit neer op circa € 2,00 per product. Bij 50 producten bedragen de etiketteringskosten daarmee ongeveer € 100 per bedrijf. Dit betreft uitsluitend de fysieke handeling van het aanbrengen van het etiket. Deze kosten kunnen verder worden beperkt indien de etikettering geautomatiseerd of geïntegreerd wordt in bestaande processen. Op basis van bureau-onderzoek en KvK- en sectordata wordt ingeschat dat het om ongeveer tussen de 300 en 850 bedrijven gaat die deze producten in de handel brengen in Nederland. De uiteindelijke regeldruk is afhankelijk van het aantal betrokken producten per bedrijf en de mate waarin etikettering handmatig of geautomatiseerd verloopt, wat kan leiden tot grote verschillen in de uiteindelijke kosten per bedrijf.

Twee jaar nadat de Europese Commissie heeft vastgesteld hoe de etiketten vormgegeven zullen worden, moeten de natuurlijke personen en rechtspersonen die de eerdergenoemde producten op de markt brengen, waarborgen dat het product een gegevensdrager, ofwel streepjescode, bevat. Het voldoen aan de gestelde vereisten, zal meer tijd en kosten vragen van het bedrijfsleven. Hoewel een streepjescode gratis gemaakt kan worden, moet er wel toegang worden geboden tot bepaalde informatie. Het verzamelen en samenvoegen van deze informatie zal naar verwachting 2 uur per product kosten. Dit werk kan gedaan worden door een administratief medewerker. Het is moeilijk in te schatten hoeveel producten een bedrijf op de markt brengt. Dit kan er één zijn of tientallen. Dit resulteert in regeldrukkosten uiteenlopend van ongeveer 100 euro voor één product tot ongeveer 4.000 euro voor 50 producten. Naargelang er meer producten op de markt worden gebracht, zullen de regeldrukkosten stijgen.

De natuurlijke personen en rechtspersonen als bedoeld in artikel 28, eerste lid,25 moeten per de in het eerste lid van artikel 29 genoemde datum (24 mei 2027), informatie openbaar maken op een vrij toegankelijke website over het gehalte aan gerecycled materiaal in permanente magneten. Hiervoor zullen de natuurlijke personen en rechtspersonen zich moeten vergewissen van deze informatie bij hun leveranciers. Er wordt ingeschat dat dit ongeveer 2 uur kost. Het ontwikkelen van een pagina met informatie over gerecycled materiaal vraagt tijd voor het verzamelen van data, het schrijven van teksten, en het publiceren op een bestaande of nieuwe website. Er wordt ingeschat dat dit ongeveer 40 tot 160 uur voor de initiële opzet duurt en ongeveer 5 uur per update. Periodieke updates zijn relatief eenvoudig, aangezien de basisstructuur van de website al aanwezig is. Dit werk kan uitgevoerd worden door een administratief medewerker. Dit resulteert in regeldrukkosten met een bandbreedte van ongeveer tussen de 1.600 en 6.300 euro. Afhankelijk van daadwerkelijk bestede aantal uren zou het meer of minder kunnen zijn. Daarnaast verbiedt de verordening het niet om deze informatie op een reeds bestaande site te plaatsen, wat de kosten flink kan drukken.

Artikel 31 van de verordening kritieke grondstoffen geeft de Europese Commissie de mogelijkheid om regels op te stellen voor de berekening en verificatie van de milieuvoetafdruk van een specifieke kritieke grondstof als blijkt dat, na verschillende relevante milieueffectcategorieën in aanmerking te hebben genomen, de Commissie concludeert dat een kritieke grondstof een significante milieuvoetafdruk heeft en dat de verplichting om de milieuvoetafdruk van die kritieke grondstof te verklaren daarom noodzakelijk en evenredig is om bij te dragen aan de klimaat- en milieudoelstellingen van de Europese Unie door de voorziening van kritieke grondstoffen met een kleinere milieuvoetafdruk te faciliteren. Indien voor een specifieke kritieke grondstof milieuvoetafdrukverklaring-regels worden opgesteld moeten natuurlijke of rechtspersonen die kritieke grondstoffen, met inbegrip van verwerkte en gerecycled grondstoffen, in de handel brengen waarvoor de Commissie regels voor de berekening en verificatie heeft vastgesteld, een milieuvoetafdrukverklaring beschikbaar stellen. Het opstellen van een milieuvoetafdrukverklaring gaat gepaard met regeldruk. Het is niet te kwantificeren met hoeveel regeldruk dit mogelijk gepaard gaat, omdat de regels voor de berekening en verificatie van de milieuvoetafdrukverklaring nog niet bestaan.

HOOFDSTUK 6 UITVOERING

Het wetsvoorstel is op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid getoetst door de afdeling Toezicht Economische Veiligheid, en door de ILT tevens op fraudebestendigheid. Hieronder worden ingegaan op de uitkomsten van deze toetsen en op de verwerking daarvan in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting. Daarnaast is het wetsvoorstel en de memorie van toelichting afgestemd met de RDW en het Openbaar Ministerie. Gezien de beperkte impact op de uitvoering is in overleg met deze organisaties afgezien van een officiële uitvoeringstoets.

§ 6.1 Uitvoerbaarheids-, handhaafbaarheids- en fraudebestendigheidstoetsen
6.1.1 Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets TEV

Bij brief (23 juli 2025) heeft de afdeling Toezicht Economische Veiligheid aangegeven het wetsvoorstel uitvoerbaar te achten, maar vraagtekens te hebben bij de handhaafbaarheid. De door de verordening van ondernemingen verlangde informatie dient bijvoorbeeld bij anderen (onder andere de Europese Commissie en het centraal contactpunt) te worden aangeleverd. Dat heeft gevolgen voor de handhaving door de ambtenaren van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid. Zij zullen sterk afhankelijk zijn van deze anderen. Dat wordt in de memorie van toelichting nu ook benoemd. Tegelijkertijd merkte de afdeling Toezicht Economische Veiligheid in haar brief op dat de artikelen 8, 11, 21 en 24 van de verordening kritieke grondstoffen ook deels tot autoriteiten zijn gericht. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat het niet de bedoeling is dat de afdeling Toezicht Economische Veiligheid toezicht houdt op deze autoriteiten. Tot slot is aan de memorie van toelichting toegevoegd dat slechts in uitzonderlijke gevallen tot sanctionering kan worden overgegaan. Dit wordt veroorzaakt door de aard van de bepalingen.

6.1.2 Handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets ILT

De ILT heeft in de brief van 30 september 2025 de resultaten van de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid-toets gedeeld. De ILT geeft aan dat het toezicht op de verordening kritieke grondstoffen voor een groot gedeelte als een nieuw aspect kan worden toegevoegd binnen het regulier producttoezicht. Het toezicht op basis van de verordening kritieke grondstoffen kan, voor zover het toezicht op de producten al bij de ILT belegd is, worden gecombineerd met het regulier toezicht op deze producten. De productgroepen MRI-apparaten, windturbines, industriële robots en een deel van de lichte vervoersmiddelen zijn niet belegd bij de ILT. De ILT geeft aan op deze productgroepen slechts reactief te kunnen handhaven op basis van signalering door de specialistische toezichthouders. Hierover zal de ILT toezichtafspraken maken met andere toezichthouders.

De ILT beoordeelt de artikelen als handhaafbaar en fraudebestendig. Bij de uitvoerbaarheid maakt de ILT een voorbehoud, omdat op een aantal punten de verplichtingen nog nader moeten worden ingevuld door gedelegeerde en uitvoeringshandelingen van de Europese Commissie (artikelen 28 en 29). De verplichtingen op artikel 28 (Recyclebaarheid van permanente magneten) en 29 (Gehalte aan gerecycled materiaal in permanente magneten) (respectievelijk) zullen uiterlijk 24 november 2026 en 24 mei 2027 vast worden gesteld. Tot die tijd zal de ILT reactief toezicht uitoefenen. Nadat de openstaande wetgevingshandelingen zijn vastgesteld, zal met de ILT in gesprek worden gegaan om de benodigde capaciteit en middelen voor toezicht en handhaving opnieuw te beoordelen. Hoewel de ILT de artikelen handhaafbaar en fraudebestendig acht, zijn er wel een aantal risico’s gesignaleerd. Wat betreft de fraudebestendigheid wordt gewezen op het risico dat ILT geen inzicht en invloed heeft op de betrouwbaarheid van certificaten en conformiteitsdocumenten. Het systeem van zelfcertificering en conformiteit is vastgelegd in de verordening. In overleg met ILT en andere betrokken partijen zal worden verkend welke mogelijkheden er zijn om dit risico op zorgvuldige wijze te mitigeren.

In de HUF-toets merkt de ILT op dat het voor toezicht en handhaving noodzakelijk is dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen als markttoezichtautoriteit in de zin van de markttoezichtverordening. Zoals in paragraaf 3.5.2 is toegelicht is zijn de vereisten die in artikel 14 markttoezichtverordening aan het markttoezicht en de bevoegdheden van de markttoezichtautoriteit zijn gesteld, in Nederland uitvoering gegeven via de regeling van de bestuursrechtelijke handhaving, waarvoor in het geval van producten die onder de artikelen 28, 29 of 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen, in artikel 18.2b, eerste lid, onderdeel f, Wet milieubeheer de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is aangewezen als bevoegd gezag. De ILT treedt hierbij op namens de minister. Dit betekent dat de bevoegdheid van de ILT om toezicht te houden en te handhaven op zodanige wijze is geregeld dat is voldaan aan de vereisten die de markttoezichtverordening daaraan stelt. In geval van non-conformiteit van producten die onder de artikelen 28, 29 of 31 van de verordening kritieke grondstoffen vallen, kan de ILT optreden zonder dat aanvullende regelgeving in dit wetsvoorstel nodig is.

Tot slot zijn nog een aantal opmerkingen van de ILT van technisch juridische aard over de definities en reikwijdte overgenomen, die hebben geleid tot aanpassing van het artikel tot wijziging van de Wm en van de memorie van toelichting.

§ 6.2 Financiële gevolgen
6.2.1 Financiële gevolgen TEV

In de eerder genoemde brief heeft de afdeling Toezicht Economische Veiligheid aangegeven het wetsvoorstel uitvoerbaar te achten binnen hun bestaande bezetting. Er is geen noodzaak voor extra fte’s, aldus de afdeling Toezicht Economische Veiligheid.

6.2.2 Financiële gevolgen ILT

De uitvoering van het toezicht en de handhaving op de etiketteringsverplichtingen voor permanente magneten brengt voor de ILT aanvullende werkzaamheden met zich mee. Het betreft controles op de aanwezigheid van een etiket waarin de locatie, het gewicht en de samenstelling van de zeldzame aardmetalen (neodymium-ijzer-boor, samarium-kobalt, aluminium-nikkel-kobalt of ferriet) in de magneet zijn vermeld. Daarnaast zal de ILT in de toekomst toezien op de naleving van door de Europese Commissie vast te stellen verplichtingen inzake het minimumgehalte gerecyclede content in permanente magneten en de verklaring omtrent de milieuvoetafdruk van kritieke grondstoffen.

In de door de ILT uitgebrachte brief is aangegeven dat een deel van deze taken kan worden geïntegreerd in de reeds bestaande handhavingsactiviteiten. Hiervoor zijn derhalve vooralsnog geen extra fte’s benodigd. Voor het specifieke toezicht op permanente magneten acht de ILT de inzet van twee fte noodzakelijk, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse kostenraming van circa € 228.000 tot € 255.000. Deze inzet ziet op deskundigheidsopbouw, juridische ondersteuning en reactief toezicht naar aanleiding van signalen van andere toezichthouders en lidstaten.

Afhankelijk van de nadere uitvoeringshandelingen van de Europese Commissie met betrekking tot de milieuvoetafdrukverklaring en het minimumaandeel gerecyclede content in permanente magneten, kan dit bedrag in overleg met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat nog worden aangepast.

6.2.3 Financiële gevolgen RVO

Zoals eerder vermeld wordt de uitvoering van het centraal contactpunt belegd bij RVO. RVO richt hiervoor een centraal contactpunt in voor de Net Zero Industry Act (NZIA) en de verordening kritieke grondstoffen. De NZIA kent een vergelijkbaar centraal contactpunt met grotendeels dezelfde taken als beschreven in paragraaf 3.2 van deze toelichting. Omwille van doelmatigheid is gekozen voor één gecombineerd centraal contactpunt voor beide verordeningen. In de kosteninschatting voor 2026 is uitgegaan van zes initiatieven (drie strategische projecten met kritieke grondstoffen en drie strategische projecten met nettonul-technologieën). Voor deze werkzaamheden is in 2026 een totale inzet van 5.808 uur voorzien. Op basis van de voor 2026 vastgestelde RVO-tarieven bedragen de uitvoeringskosten voor beide verordeningen gezamenlijk € 795.797, waarvan € 715.010 aan loonkosten en € 80.787 aan Directe Uitvoeringsgebonden Kosten (DUK)-kosten. Deze kosteninschatting heeft uitsluitend betrekking op 2026. Voor latere jaren kan de inzet worden bijgesteld op basis van opgedane ervaringen.

II ARTIKELEN

Artikel 2

Artikel 2 van het wetsvoorstel bepaalt dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) zorgdraagt voor de uitvoering van de artikelen 19, 20, tweede en derde lid, 21, tweede en derde lid, en 24, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen. Zie voor de uitgebreide toelichting paragraaf 3.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikelen 3 en 4

Zoals besproken in paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze toelichting bevat de verordening kritieke grondstoffen verplichtingen voor projectontwikkelaars (artikelen 8, eerste, derde en vijfde lid, en 11, zevende lid), belangrijke marktdeelnemers (artikel 21, tweede lid) en grote ondernemingen (artikel 24, tweede en vierde lid). Op grond van het voorgestelde artikel 3 wijst de Minister van Economische Zaken de ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op deze verplichtingen. Dit zullen de ambtenaren zijn van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid.

Tegen door de ambtenaren van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid geconstateerde overtredingen kan handhavend worden opgetreden door de Minister van Economische Zaken. Het voorgestelde artikel 4 geeft de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom bij overtreding van een van de in het voorgestelde artikel 3 genoemde bepalingen. Zie voor de uitgebreide toelichting paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 5 Wijziging Mijnbouwwet

Artikel 10 van de verordening kritieke grondstoffen bepaalt dat strategische projecten op nationaal niveau een prioritaire status moeten krijgen om voor een snelle administratieve afhandeling te zorgen en ervoor te zorgen dat alle daarmee verband houdende gerechtelijke procedures en geschillenbeslechtingsprocedures met spoed worden behandeld. In dat verband wordt voorgesteld om artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet te wijzigen. Artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet merkt een viertal projecten aan als werken met een nationaal belang waarvoor een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet wordt vastgesteld. Voorgesteld wordt om strategische projecten inzake kritieke grondstoffen met betrekking tot de winning van delfstoffen eveneens aan te merken als werken van nationaal belang waarvoor een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 wordt vastgesteld. Zie voor de uitgebreide toelichting paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 6 Wijziging Omgevingswet

Artikel 9, eerste lid, van de verordening kritieke grondstoffen verplicht lidstaten één of meer contactpunten op te richten of aan te wijzen. In dat verband wordt voorgesteld om in de Omgevingswet een bepaling op te nemen waarin de Ministers van Klimaat en Groene Groei en Infrastructuur en Waterstraat als centraal contactpunt worden aangewezen. De belangrijkste vergunningen voor projecten inzake kritieke grondstoffen worden namelijk in de Omgevingswet geregeld. Voorts wordt met een wijziging van de Omgevingswet aangesloten bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen). Ook in dit wetsvoorstel is ervoor gekozen om de aanwijzing van een contactpunt in de Omgevingswet op te nemen.26 Zie voor de uitgebreide toelichting paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 7 Wijziging Wet milieubeheer

De uitvoering van hoofdstuk 5 van de verordening kritieke grondstoffen met de artikelen inzake duurzaamheid en circulariteit worden uitgevoerd in de Wet milieubeheer. De verplichtingen uit dit hoofdstuk passen binnen het kader van milieubescherming dat de Wet milieubeheer beoogd te bieden. Voor de uitvoering van de verordening kritieke grondstoffen wordt voorgesteld een nieuwe titel 9.4a toe te voegen in de Wm. Hieronder worden de voorgestelde aanpassingen van de Wm per onderdeel toegelicht.

A

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wm wordt het begrip ‘EU-verordening kritieke grondstoffen’ met bijbehorende omschrijving ingevoegd, zodat in de Wm en de daarop berustende bepalingen niet telkens de naam van de verordening voluit hoeft te worden uitgeschreven. Dit komt de leesbaarheid ten goede.

B

In hoofdstuk 9 van de Wm over stoffen en produkten wordt een nieuwe titel 9.4a ingevoegd waarin de uitvoering van de verordening kritieke grondstoffen wordt geregeld.

Artikel 9.4a.1

In het voorgestelde artikel 9.4a.1 is één begrip gedefinieerd dat in artikel 9.4a3 gebruikt wordt voor de uitvoering van de markttoezichtverordening. Het gaat om de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’. Dit Europeesrechtelijke begrip wordt in beide verordeningen hetzelfde gedefinieerd. Er is gekozen om te verwijzen naar de definitie van ‘in de handel brengen’ uit de verordening kritieke grondstoffen, omdat voor toepassing van de marktoezichtverordening wordt gekeken naar de specifiekere regelgeving.27

Voor de andere relevante begrippen is in artikel 9.4a.3 zelf verwezen naar de definities uit de markttoezichtverordening. Voor de aanvullende uitvoering van de samenwerkingsverplichting van artikel 7 van de markttoezichtverordening zijn de begrippen ‘marktdeelnemer’ en ‘aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij’ relevant en voor de aanvullende uitvoering van de verplichtingen uit de artikelen 4 en 5 van de markttoezichtverordening zijn ook de begrippen ‘fulfilmentdienstverlener’ en ‘gemachtigde’ relevant. Omdat die begrippen maar één keer gebruikt worden, is bij die begrippen in de artikelleden zelf naar de definitie in de markttoezichtverordening verwezen.

Artikel 9.4a.2

Artikel 9.4a.2 bevat een voorgesteld verbod om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met voorschriften van de verordening kritieke grondstoffen of een daarop gebaseerde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling. Dit artikel voorziet daarmee in een nationale verbodsbepaling voor overtreding van de in de verordening opgenomen rechtstreeks werkende verplichtingen. In paragrafen 2.2.4 (inhoud verordening) en 3.5.1.2 (verplichtingen inzake duurzaamheid) van het algemeen deel van de toelichting is gespecificeerd wat deze artikelen regelen en jegens wie deze verplichting geldt.

Deze bepaling is noodzakelijk voor het operationaliseren van de handhaving (zie paragraaf 3.6.2 algemeen deel van de memorie van toelichting). Artikel 9.4a.2 is bedoeld als nationale verbodsbepaling waarmee de handhaafbare bepalingen van de EU-regelgeving worden geëxpliciteerd en op basis waarvan de strafbaarstelling in de WED kan worden geregeld. De voorgestelde verbodsbepaling artikel 9.4a.3 wordt opgenomen in de WED (zie artikel 9 van het wetsvoorstel), waarmee overtreding van dit artikel strafbaar wordt gesteld als economisch delict.

Artikel 9.4a.3

Dit artikel strekt tot uitvoering van de markttoezichtverordening. De markttoezichtverordening is van toepassing op de producten waarvoor de artikelen 28, 29 en 31 van de verordening kritieke grondstoffen vereisten bevatten, waardoor aanvullende verplichtingen uit de markttoezichtverordening gelden. Dit volgt uit artikel 43 van de verordening kritieke grondstoffen. Hierdoor gelden ook de aanvullende verplichtingen (bijvoorbeeld de samenwerkingsverplichting) en bevoegdheden (voor de toezichthouder) van de markttoezichtverordening.

Het voorgestelde artikel 9.4a.3 voorziet in de strafbaarstelling van overtreding van de verplichtingen uit artikelen 4, 5 en 7 van de markttoezichtverordening in relatie tot artikel 28, 29 of 31 van de verordening kritieke grondstoffen. De markttoezichtverordening beoogt het toezicht op en de handhaving van de normconformiteit van een groot deel van de producten, waarvoor Europese productregelgeving geldt, te versterken en legt marktdeelnemers (zoals fabrikanten, importeurs, distributeurs) en aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij aanvullende verplichtingen op (zie memorie van toelichting bij de uitvoeringswet).28 Zo ook voor producten waarvoor vereisten zijn vastgesteld in de artikelen 28, 29 of 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen.

Artikel 9.4a.4

Dit voorgestelde artikel is noodzakelijk voor de uitvoering en handhaving van artikel 32, tweede lid van de verordening kritieke grondstoffen. Die bepaling is gericht tot de lidstaten en houdt in dat zij niet mogen verhinderen dat op handelsbeurzen, tentoonstellingen, demonstraties en vergelijkbare evenementen producten worden getoond die niet voldoen aan de verordening. Voorwaarde voor het mogen tonen van een dergelijk product is dat duidelijk op een zichtbaar bord is vermeld dat het getoonde product niet aan de verordening voldoet en het product niet op de markt wordt aangeboden voordat het in overeenstemming is gebracht met de verordening. Die voorwaarde is echter niet opgenomen in een bepaling die is gericht tot degene die het product op de beurs tentoonstelt. Zonder dergelijke bepaling kunnen onduidelijke situaties ontstaan voor bezoekers van de beurs, die in het product zijn geïnteresseerd en wellicht een order zouden willen plaatsen om het product aan te kopen, doordat zij niet in de gaten hebben dat het een product betreft dat niet aan de vereisten van de verordening kritieke grondstoffen voldoet en dat zij niet op de gemeenschappelijke markt mogen verhandelen of gebruiken. In de praktijk willen producenten dergelijke producten soms toch op beurzen in de EU tentoonstellen om te laten zien welke producten zij aan het ontwikkelen zijn of elders op de wereldmarkt aanbieden. Het is daarom nuttig om de verordening op dit punt aan te vullen met een bepaling die voor toezichthouders een duidelijke grondslag biedt om in te grijpen wanneer zich op een beurs een situatie voordoet waarin een product dat niet aan de eisen van de verordening voldoet wordt tentoongesteld zonder dat dit voor de bezoekers van de beurs duidelijk is gemaakt. De bestuursrechtelijke handhaving van titel 9.4a, en dus deze bepaling, is geregeld in artikel 18.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wm, de strafrechtelijke handhaving loopt via artikel 1a, onderdeel 2°, van de WED.

Artikel 9.4a.5

Het voorgestelde artikel 9.4a.5 biedt de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling de nodige regels vast te stellen ter uitvoering van de verordening kritieke grondstoffen of de daarop gebaseerde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen. De voornaamste reden voor het opnemen van deze grondslag is om de mogelijkheid te creëren om regels te stellen nodig zijn voor de uitvoering van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die de Europese Commissie nog moet vaststellen ten aanzien van de artikelen 26, 28, 29 en 31. Daarnaast volgt uit artikel 26 ook de verplichting om allerlei nationale maatregelen op te nemen in nationale programma’s. Met deze delegatiebepaling kan ook worden voorzien in de daadwerkelijke uitvoering daarvan. Bij het stellen van regels op grond van de delegatiebepaling wordt rekening gehouden met het niveau van regulering conform de Aanwijzingen voor de regelgeving.

C

Dit onderdeel voorziet erin dat toezicht en bestuursrechtelijke handhaving van bepalingen in de verordening kritieke grondstoffen rechtstreeks mogelijk wordt. In paragraaf 3.6.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt toezicht en bestuursrechtelijke handhaving voor de maatregelen inzake duurzaamheid toegelicht. Dit wordt mogelijk gemaakt door (artikelen 28, 29, 31 en 33 van) deze verordening toe te voegen als onderdeel f van de opsomming van EU-verordeningen in artikel 18,1a, eerste lid, Wm. Artikel 18.1a, eerste lid, van de Wm verklaart een aantal bepalingen uit de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing, waarmee de in die artikelen opgenomen toezichts- en handhavingsbevoegdheden ook in dit kader van toepassing worden.

D

In artikel 18.2b, eerste lid, van de Wm is bepaald dat de bestuursrechtelijke handhaving van onder andere de daarin opgesomde EU-verordeningen is opgedragen aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. In paragraaf 3.6.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is de bestuursrechtelijke handhaving voor de maatregelen inzake duurzaamheid toegelicht. Aan de opsommingen van EU-verordeningen in het eerste lid wordt de verordening kritieke grondstoffen toegevoegd om hier uitvoering aan te geven.

E

In de artikelen 18.20 tot en met 18.22 van de Wm zijn de markttoezichtbevoegdheden opgenomen, die voor de uitvoering van de markttoezichtverordening aan de (markt-)toezichthouder toegekend. Om ervoor te zorgen dat de (markt-)toezichthouder deze bevoegdheden ook heeft voor de producten waarvoor vereisten zijn vastgesteld in de artikelen 28, 29 of 31 van de EU-verordening kritieke grondstoffen, is artikel 18.20 van de Wm aangepast.

Artikel 8 Wijziging Wet op de economische delicten

Met deze bepaling wordt de WED gewijzigd. Overtredingen van milieuregelgeving (milieudelicten) worden strafbaar gesteld door de desbetreffende wettelijke bepalingen te vermelden in artikel 1a WED.29 Uit artikel 2 van de WED volgt dat economische delicten uit artikel 1a, onderdelen 1° en 2°, misdrijven zijn, wanneer zij opzettelijk zijn begaan. Wanneer het delict geen misdrijf is, betreft het een overtreding. Het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen heeft gevolgen voor de hoogte van de straf, die volgt uit artikel 6 van de WED.

Naast het onderscheid tussen overtredingen en misdrijven kent de WED binnen artikel 1a ook verschillende zwaartecategorieën van sancties, al naar gelang van de ernst van het strafbare feit. In artikel 1a, onder 1°, worden opgenomen delicten die een directe aantasting opleveren van het milieu, dan wel daarvoor een ernstige en rechtstreekse bedreiging vormen. In de regel worden onder 1° niet opgenomen de minder ernstige milieudelicten, die voornamelijk betrekking hebben op het niet nakomen van administratieve verplichtingen.30

Overtreding van artikel 29, derde lid, van de kritieke grondstoffen verordening en de daarop gebaseerde gedelegeerde handeling, levert een directe aantasting op van het milieu, waardoor deze is geplaatst in de zwaarste strafcategorie in artikel 1a onder 1° van de WED. Deze verplichting betreft het toepassen van een minimum aandeel recyclaat van kritieke materialen in permanente magneten. Met uitvoering van deze verplicht is een zekere milieu-impact beoogd voor toepassingen met kritieke grondstoffen. Niet-nakoming levert daarom direct negatief effect op voor het milieu.

Uit artikel 6 van de WED volgen voor economische delicten uit artikel 1a, onder 1° de volgende strafmaxima:

  • Wanneer sprake is van een misdrijf: met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;

  • Wanneer sprake is van een overtreding: met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.

Voor alle andere verplichtingen uit de verordening kritieke grondstoffen is gekozen om deze onder te brengen in de lichtere strafcategorie in artikel 1a, onder 3° van de WED. Hiervoor is gekozen, omdat overtreding van de betreffende bepaling uit de verordening niet een directe aantasting opleveren van het milieu, maar voornamelijk zien op het nakomen van administratieve verplichtingen. Dit is conform aanwijzing 5.47 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De verplichtingen uit artikel 28, 29, 31 en 33 van de verordening kritieke grondstoffen waarvoor strafrechtelijke vervolging mogelijk is onder de WED omvatten informatieverplichtingen en rapportageverplichtingen en zijn daarmee van administratieve aard.

Uit artikel 6 van de WED volgt voor overtreding van voorschriften, zoals bedoeld in artikel 1a, onder 3° een strafmaxima van ten hoogste zes maanden hechtenis, taakstraf op een geldboete van de vierde categorie.

Eventueel kunnen ook nog bijkomende straffen worden opgelegd op grond van artikel 7 WED.

III TRANSPONERINGSTABEL

Bepaling CRMA

Behoeft betreffende bepaling uitvoering in regelgeving (+toelichting)

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 (Onderwerp en doelstellingen)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 2 (Definities)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Hoofdstuk 2 Strategische en kritiek grondstoffen

Artikel 3 (Lijst van strategische grondstoffen), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 3 (Lijst van strategische grondstoffen), tweede en derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 4 (Lijst van kritieke grondstoffen), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 4 (Lijst van kritieke grondstoffen), tweede en derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Hoofdstuk 3 Vergunningsprocedure

Afdeling 1 Benchmarks

Artikel 5 (Benchmarks), eerste en tweede lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; de Europese Commissie en lidstaten versterken de grondstoffenwaardeketen van strategische grondstoffen en leveren inspanningen om de technologische vooruitgang en hulp-bronnenefficiëntie te stimuleren door middel van CRMA maatregelen

Geen

 

Artikel 5 (Benchmarks), derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Afdeling 2 Strategische projecten

Artikel 6 (Criteria voor de erkenning van strategische projecten), eerste en tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 6 (Criteria voor de erkenning van strategische projecten), derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 7 (Aanvraag en erkenning), eerste, zesde (eerste alinea), achtste (eerste alinea), twaalfde en dertiende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 7 (Aanvraag en erkenning), tweede tot en met vijfde, zesde (tweede alinea), zevende, achtste (tweede alinea) en negende tot en met elfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 8 (Rapportage- en informatieverplichtingen voor strategische projecten), eerste (eerste alinea), derde en vijfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 8 (Rapportage- en informatieverplichtingen voor strategische projecten), eerste (tweede alinea), tweede en vierde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Afdeling 3 Vergunningprocedure

Artikel 9 (Centraal contactpunt), eerste lid

Artikel 6 van het wetsvoorstel

Oprichten/aanwijzen één of meer centrale contactpunten

Zie par. 3.2 van de memorie van toelichting

Artikel 9 (Centraal contactpunt), tweede lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten zorgen voor een eenvoudige, toegankelijke website waarop alle contactpunten, met inbegrip van hun adres en elektronische communicatiemiddelen, duidelijk zijn vermeld en ingedeeld per relevant administratief niveau en per stadium van de kritiekegrondstoffenwaardeketen

Geen

 

Artikel 9 (Centraal contactpunt), derde tot en met zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 9 (Centraal contactpunt), zevende lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten zorgen ervoor dat rekening wordt gehouden met alle gefundeerde studies die voor een bepaald project inzake kritieke grondstoffen zijn uitgevoerd, en alle vergunningen of toestemmingen die voor dat project zijn verleend, en dat er geen duplicaten van studies, vergunningen of toestemmingen vereist zijn, tenzij dat uit hoofde van het Unierecht of nationaal recht vereist is

Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (zorgvuldigheidsbeginsel)

Geen

 

Artikel 9 (Centraal contactpunt), achtste lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten zorgen ervoor dat de aanvragers gemakkelijk toegang hebben tot informatie over en procedures voor geschillenbeslechting met betrekking tot de vergunningsprocedure voor projecten inzake kritieke grondstoffen

Zie in dit verband ook artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht

Geen

 

Artikel 9 (Centraal contactpunt), negende lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten zorgen ervoor dat de centrale contactpunten beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel en voldoende financiële, technische en technologische middelen

Geen

 

Artikel 10 (Prioritaire status van strategische projecten), eerste en tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 10 (Prioritaire status van strategische projecten), derde lid

Artikel 5 van het wetsvoorstel

Wordt voor het overige vormgegeven door feitelijk handelen; projectontwikkelaars en alle betrokken autoriteiten zorgen ervoor dat vergunningsprocedures met betrekking tot strategische projecten zo snel mogelijk overeenkomstig het Unierecht en nationaal recht worden afgehandeld

Geen

 

Artikel 10 (Prioritaire status van strategische projecten), vierde lid

Artikel 5 van het wetsvoorstel

Geen

 

Artikel 10 (Prioritaire status van strategische projecten), vijfde lid

Reeds uitgevoerd in artikel 16.87 van de Omgevingswet

Geen

 

Artikel 11 (Duur van de vergunningsprocedure), eerste, tweede en vierde (eerste alinea) lid

Reeds uitgevoerd in de artikelen:

16.62 j° 16.64 van de Omgevingswet (reguliere voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning)

16.65 j° 16.66 van de Omgevingswet j° 3.18 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning)

Geen

 

Artikel 11 (Duur van de vergunningsprocedure), derde, vierde (tweede alinea) en vijfde tot en met tiende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 12 (Milieubeoordelingen en milieuvergunningen), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 12 (Milieubeoordelingen en milieuvergunningen), tweede lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; het centraal contactpunt zal een coördinerende rol vervullen richting bevoegde gezagen en aanvragers ten aanzien van de milieueffectbeoordelingen die nodig zijn voor de vergunningverlening.

Keuze tussen een gecoördineerde of gezamenlijke procedure.

Zie par. 3.2 van de memorie van toelichting

Artikel 12 (Milieubeoordelingen en milieuvergunningen), derde lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; het bevoegde gezag verstrekt de gemotiveerde conclusie, hetgeen ook binnen de termijnen van de reguliere nationale procedure past. Het centraal contactpunt vervult de rol als aanspreekpunt en proces coördinator.

Zie in dit verband ook artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht

Geen

 

Artikel 12 (Milieubeoordelingen en milieuvergunningen), vierde tot en met zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 13 (Planning), eerste lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; de nationale, regionale en lokale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van plannen overwegen daar in voorkomend geval bepalingen voor de ontwikkeling van projecten inzake kritieke grondstoffen in op te nemen

Geen

 

Artikel 13 (Planning), tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 14 (Toepasbaarheid van VN/ECE-verdragen), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 14 (Toepasbaarheid van VN/ECE-verdragen), tweede lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; alle besluiten die op grond van deze afdeling worden vastgesteld worden openbaar gemaakt op een gemakkelijk te begrijpen manier, en alle besluiten die betrekking hebben op één project zijn op dezelfde website beschikbaar

Geen

 

Afdeling 4 Randvoorwaarden

Artikel 15 (Versnelling van de uitvoering van strategische projecten), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich (primair) tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 15 (Versnelling van de uitvoering van strategische projecten), tweede lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; de lidstaat waarvan het grondgebied valt onder een strategisch project treft maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering ervan te vergemakkelijken

Geen

 

Artikel 16 (Coördinatie van de financiering), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 16 (Coördinatie van de financiering), tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 17 (Facilitering van afnameovereenkomsten)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 18 (Online toegankelijkheid van administratieve informatie), eerste lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten verstrekken informatie op website

Geen

 

Artikel 18 (Online toegankelijkheid van administratieve informatie), tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Afdeling 5 Exploratie

Artikel 19 (Nationale exploratieprogramma’s), eerste tot en met vijfde en zesde (eerste alinea) lid

Artikel 2 van het wetsvoorstel

Geen

 

Artikel 19 (Nationale exploratieprogramma’s), zesde (tweede alinea) lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 19 (Nationale exploratieprogramma’s), zevende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Hoofdstuk 4 Monitoring en beheersing van risico’s

Artikel 20 (Monitoring en stresstests), eerste, derde, vierde en vijfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 20 (Monitoring en stresstests), tweede en derde lid

Artikel 2 van het wetsvoorstel

Geen

 

Artikel 21 (Informatieverplichtingen voor monitoring), eerste lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten verstrekken informatie aan de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 21 (Informatieverplichtingen voor monitoring), tweede (eerste alinea) en derde lid

Artikel 2 van het wetsvoorstel

Geen

Zie par. 3.4 van de memorie van toelichting

Artikel 21 (Informatieverplichtingen voor monitoring), tweede (tweede alinea) lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 22 (Verslaglegging inzake strategische voorraden)

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten verstrekken informatie aan de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 23 (Coördinatie van strategische voorraden), eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 23 (Coördinatie van strategische voorraden), vijfde lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten verstrekken informatie aan de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 23 (Coördinatie van strategische voorraden), achtste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 24 (Risicoparaatheid van ondernemingen), eerste lid

Artikel 2 van het wetsvoorstel

Geen

 

Artikel 24 (Risicoparaatheid van ondernemingen), tweede tot en met vijfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 24 (Risicoparaatheid van ondernemingen), zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt

Lidstaten kunnen eisen dat ondernemingen informatie aan hun raad van bestuur voorleggen

Besloten is niet van ondernemingen te eisen dat zij informatie aan hun raad van bestuur voorleggen

Artikel 25 (Gezamenlijke aankoop), eerste tot en met derde, zevende en achtste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 25 (Gezamenlijke aankoop), vierde tot en met zesde, negende en tiende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Hoofdstuk 5 Duurzaamheid

Afdeling 1 Circulariteit

Artikel 26 (Nationale maatregelen inzake circulariteit), eerste tot en met zesde lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten moeten nationale programma’s implementeren en de Europese Commissie informeren

Geen

Zie par. 2.2.4 van de memorie van toelichting

Artikel 26 (Nationale maatregelen inzake circulariteit), zevende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 27 (Terugwinning van kritieke grondstoffen uit winningsafval), eerste tot en met derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 27 (Terugwinning van kritieke grondstoffen uit winningsafval), vierde tot en met achtste lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten moeten een database oprichten (vierde, zesde en achtste, tweede en derde volzin, lid), maatregelen nemen (vijfde lid), activiteiten uitvoeren (zevende en achtste, eerste volzin, lid).

Keuze maatregelen (vijfde lid) en activiteiten (zevende lid)

Zie par. 2.2.4 van de memorie van toelichting

Artikel 28 (Recyclebaarheid van permanente magneten), eerste en derde tot en met elfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is deels wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 28 (Recyclebaarheid van permanente magneten), tweede en twaalfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Op grond van artikel 47 van de CRMA is deels wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 29 (Gehalte aan gerecyclede materiaal in permanente magneten), eerste en vierde tot en met zevende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 29 (Gehalte aan gerecyclede materiaal in permanente magneten), tweede en derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Afdeling 2 Certificering en milieuvoetafdruk

Artikel 30 (Erkende regelingen), eerste (eerste, tweede en vierde alinea), derde en vijfde (eerste zin) lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 30 (Erkende regelingen), eerste (derde alinea), tweede, vierde, vijfde (tweede zin), zesde tot en met negende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 31 (Milieuvoetafdrukverklaring), eerste tot en met vijfde, achtste, negende lid en tiende lid (tweede zin)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 31 (Milieuvoetafdrukverklaring), zesde, zevende, tiende (eerste zin) en elfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Afdeling 3 Vrij verkeer, conformiteit en markttoezicht

Artikel 32 (Vrij verkeer), eerste lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 32 (Vrij verkeer), tweede lid

Artikel 7 wetsvoorstel (onderdeel B)

Geen

 

Artikel 33 (Conformiteit en markttoezicht)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Artikel 34 (Tenuitvoerlegging en aanpassing aan de harmonisatiewetgeving van de Unie)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Op grond van artikel 47 van de CRMA is wel sanctionering vereist, zie verderop in deze tabel

Geen

 

Hoofdstuk 6 Governance

Artikel 35 (Europese raad voor kritieke grondstoffen)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 36 (Samenstelling en werking van de raad kritieke grondstoffen), eerste, tweede (tweede alinea), derde tot en met vijfde en zevende tot en met tiende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 36 (Samenstelling en werking van de raad kritieke grondstoffen), tweede (eerste alinea) lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten wijzen vertegenwoordigers en plaatsvervangers aan

Aanwijzen vertegenwoordiger(s) en plaatsvervanger(s)

 

Artikel 36 (Samenstelling en werking van de raad kritieke grondstoffen), zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 37 (Internationale samenwerking en strategische partnerschappen), eerste en tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 37 (Internationale samenwerking en strategische partnerschappen), derde lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten informeren de Europese Commissie en kunnen de Europese Commissie ondersteunen

Geen

 

Artikel 37 (Internationale samenwerking en strategische partnerschappen), vierde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Hoofdstuk 7 Gedelegeerde bevoegdheden en comitéprocedure

Artikel 38 (Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie), eerste tot en met derde en zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 38 (Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie), tweede (tweede zin), vierde en vijfde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 39 (Comitéprocedure)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Hoofdstuk 8 (Wijzigingen)

Artikel 40 (Wijziging van Verordening (EU) nr. 168/2013)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

Zie par. 3.5.2.2 van de memorie van toelichting

Artikel 41 (Wijziging van Verordening (EU) 2018/858)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

Zie par. 3.5.2.2 van de memorie van toelichting

Artikel 42 (Wijziging van Verordening (EU) 2018/1724) (Vo oprichting digitale toegangspoort informatie etc.) EZK en I&W

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 43 (Wijziging van Verordening (EU) 2019/1020)

Artikel 7 (onderdeel E) van het wetsvoorstel

Geen

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 44 (Monitoring van de vooruitgang)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 45 (Rapportage door de lidstaten), eerste (eerste zin) lid

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten dienen een verslag in bij de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 45 (Rapportage door de lidstaten), eerste (tweede zin) en derde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 45 (Rapportage door de lidstaten), tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 46 (Behandeling van vertrouwelijke informatie), eerste tot en met vijfde en zevende lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Artikel 46 (Behandeling van vertrouwelijke informatie), tweede, derde, vijfde en zesde lid

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 47 (Sancties), eerste en tweede zin

Artikelen 3, 4, 7 en 8 van het wetsvoorstel

Aanwijzen toezichthouders en vaststellen sancties

Zie par. 3.5 en 3.6 van de memorie van toelichting

Artikel 47 (Sancties), derde zin

Wordt vormgegeven door feitelijk handelen; lidstaten verstrekken informatie aan de Europese Commissie

   

Artikel 48 (Evaluatie)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

Artikel 49 (Inwerkingtreding)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Bijlages

Bijlage I (Strategische grondstoffen)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Bijlage II (Kritieke grondstoffen)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Bijlage III (Beoordeling van de erkenningscriteria voor strategische projecten)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Bijlage IV (Criteria voor certificeringsregelingen)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing

Geen

 

Bijlage V (Milieuvoetafdruk)

Behoeft naar zijn aard geen uitvoering; rechtstreeks van toepassing en richt zich tot de Europese Commissie

Geen

 

De Minister van Economische Zaken,


X Noot
1

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).

X Noot
2

Richtlijn (EU) 2016/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).

X Noot
3

COM (2023) 165.

X Noot
4

COM(2023) 160.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 32 852, nr. 374.

X Noot
6

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L312)

X Noot
7

Bennet Sam Thomas, Piet Dimitriadis, Chandan Kundu, Sai Sree Varsha Vuppaladadiyam, R.K. Singh Raman, Sankar Bhattacharya, Extraction and separation of rare earth elements from coal and coal fly ash: A review on fundamental understanding and on-going engineering advancements, Journal of Environmental Chemical Engineering, Volume 12, Issue 3, 2024, 112769, ISSN 2213-3437

X Noot
9

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L60) en Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151).

X Noot
10

Zie de transponeringstabel.

X Noot
11

Zie de transponeringstabel.

X Noot
12

Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PbEU 2009, L 285).

X Noot
13

De afdeling Toezicht Economische Veiligheid staat ook bekend als het Bureau Toetsing Investeringen.

X Noot
14

Zie aanwijzing 5.47, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving

X Noot
15

Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169).

X Noot
16

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L60) en Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151).

X Noot
17

Arrest HvJEU van 18 december 2007, C-64/05 P, Zweden/Commissie.

X Noot
18

Arrest HvJEU van 18 juli 2017, C-213/15 P, Commissie/Breyer.

X Noot
19

Arrest HvJEU van 21 juni 2012, C-135/11P, IFAW/Commissie, overwegingen 57–60.

X Noot
20

Arrest HvJEU van 28 november 2013, C-576/12 P, Jurasˇinovic´/Raad, overweging 46.

X Noot
21

Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (Trb. 2011, 148).

X Noot
22

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26), Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEG 2003, L 41) en Richtlijn 2003/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU2003, L156).

X Noot
23

Zie voor transponeringstabel omzetting Verdrag van Espoo en SEA-Protocol de nota van toelichting bij het omgevingsbesluit (Stb.2018, nr. 290).

X Noot
24

De beroepsgroepen bestaan uit: leidinggevenden en managers (uurtarief van € 77,–), hoogopgeleide medewerkers (uurtarief van € 54,–), administratief personeel (uurtarief van € 39,–), technici en ander middelbaar opgeleid personeel (uurtarief van € 33,–), laaggeschoold en ongeschoold personeel (uurtarief van € 23,–)

X Noot
25

Het gaat om elke natuurlijke of rechtspersoon die apparaten voor beeldvorming door middel van magnetische resonantie (MRI-apparaten), windenergiegeneratoren, industriële robots, motorvoertuigen, lichte vervoermiddelen, koelgeneratoren, warmtepompen, elektrische motoren (ook als elektrische motoren in andere producten zijn geïntegreerd), automatische wasmachines, droogtrommels, magnetronovens, stofzuigers of vaatwassers in de handel brengt.

X Noot
26

Kamerstukken II, 2025/26, 36 872, nr. 2 (Getracht is de aanwijzingen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, rekening houdend met het feit dat het ene wetsvoorstel de implementatie van een richtlijn betreft, terwijl het andere wetsvoorstel de uitvoering van een verordening betreft).

X Noot
27

Artikel 2, eerste lid, Markttoezichtverordening.

X Noot
28

Kamerstukken II 2021/22, 36 093, nr. 3, p. 7–9.

X Noot
29

Aanwijzing 5.47, Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
30

Dit volgt uit aanwijzing 5.47 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.


X Noot
1

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).

X Noot
2

Richtlijn (EU) 2016/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).

X Noot
3

COM (2023) 165.

X Noot
4

COM(2023) 160.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 32 852, nr. 374.

X Noot
6

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L312)

X Noot
7

Bennet Sam Thomas, Piet Dimitriadis, Chandan Kundu, Sai Sree Varsha Vuppaladadiyam, R.K. Singh Raman, Sankar Bhattacharya, Extraction and separation of rare earth elements from coal and coal fly ash: A review on fundamental understanding and on-going engineering advancements, Journal of Environmental Chemical Engineering, Volume 12, Issue 3, 2024, 112769, ISSN 2213-3437

X Noot
9

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L60) en Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151).

X Noot
10

Zie de transponeringstabel.

X Noot
11

Zie de transponeringstabel.

X Noot
12

Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PbEU 2009, L 285).

X Noot
13

De afdeling Toezicht Economische Veiligheid staat ook bekend als het Bureau Toetsing Investeringen.

X Noot
14

Zie aanwijzing 5.47, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving

X Noot
15

Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169).

X Noot
16

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L60) en Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L151).

X Noot
17

Arrest HvJEU van 18 december 2007, C-64/05 P, Zweden/Commissie.

X Noot
18

Arrest HvJEU van 18 juli 2017, C-213/15 P, Commissie/Breyer.

X Noot
19

Arrest HvJEU van 21 juni 2012, C-135/11P, IFAW/Commissie, overwegingen 57–60.

X Noot
20

Arrest HvJEU van 28 november 2013, C-576/12 P, Jurasˇinovic´/Raad, overweging 46.

X Noot
21

Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (Trb. 2011, 148).

X Noot
22

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26), Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEG 2003, L 41) en Richtlijn 2003/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU2003, L156).

X Noot
23

Zie voor transponeringstabel omzetting Verdrag van Espoo en SEA-Protocol de nota van toelichting bij het omgevingsbesluit (Stb.2018, nr. 290).

X Noot
24

De beroepsgroepen bestaan uit: leidinggevenden en managers (uurtarief van € 77,–), hoogopgeleide medewerkers (uurtarief van € 54,–), administratief personeel (uurtarief van € 39,–), technici en ander middelbaar opgeleid personeel (uurtarief van € 33,–), laaggeschoold en ongeschoold personeel (uurtarief van € 23,–)

X Noot
25

Het gaat om elke natuurlijke of rechtspersoon die apparaten voor beeldvorming door middel van magnetische resonantie (MRI-apparaten), windenergiegeneratoren, industriële robots, motorvoertuigen, lichte vervoermiddelen, koelgeneratoren, warmtepompen, elektrische motoren (ook als elektrische motoren in andere producten zijn geïntegreerd), automatische wasmachines, droogtrommels, magnetronovens, stofzuigers of vaatwassers in de handel brengt.

X Noot
26

Kamerstukken II, 2025/26, 36 872, nr. 2 (Getracht is de aanwijzingen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, rekening houdend met het feit dat het ene wetsvoorstel de implementatie van een richtlijn betreft, terwijl het andere wetsvoorstel de uitvoering van een verordening betreft).

X Noot
27

Artikel 2, eerste lid, Markttoezichtverordening.

X Noot
28

Kamerstukken II 2021/22, 36 093, nr. 3, p. 7–9.

X Noot
29

Aanwijzing 5.47, Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
30

Dit volgt uit aanwijzing 5.47 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Naar boven