Programma Mariene Strategie Deel 1

Besluiten:

Het Programma Mariene Strategie Deel 1 is vastgesteld. De publicatie is ook beschikbaar via Mariene Strategie deel 1, milieutoestand | Noordzeeloket.

Artikel I

Het programma wordt vastgesteld zoals deze in Bijlage is opgenomen.

Artikel II

Programma Mariene Strategie Deel 1 is vastgesteld.

Vastgesteld op 19 december 2025 te Den Haag.

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Vincent Karremans

Bijlage Artikel I

Programma Mariene Strategie Deel 1

Samenvatting

In 2008 is de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) van kracht geworden. De KRM verplicht de lidstaten om voor hun mariene wateren een goede milieutoestand te bereiken en/of te behouden en maatregelen te nemen om de daarvoor gestelde doelen te bereiken. De KRM schrijft voor dat de lidstaten de wijze waarop zij de richtlijn in praktijk brengen, vastleggen in drie samenhangende documenten. Mariene Strategie deel 1 omschrijft de huidige milieutoestand, de (gewenste) goede milieutoestand en de operationele milieudoelen die zijn gesteld om de goede milieutoestand te behalen of te behouden. Hiermee stelt de Mariene Strategie de kaders voor duurzaam gebruik binnen de randvoorwaarden van het ecosysteem, rekening houdend met internationale en Europese regelgeving. Aan de hand van indicatoren wordt bepaald in welke mate de actuele toestand verschilt van de goede toestand. Dit voorliggende document is de tweede actualisatie van deel 1, die de periode 2024 tot 2030 bestrijkt. De delen 2 en 3 van de Mariene Strategie bevatten respectievelijk het monitoringprogramma en het programma van maatregelen. Deze delen worden geactualiseerd in respectievelijk 2026 en 2027.

Regionale afstemming is cruciaal

Omdat de toestand van het mariene milieu losstaat van de landsgrenzen is binnen de richtlijn een belangrijke rol weggelegd voor de regionale zeeconventies. Voor Nederland is dit OSPAR. Voor het actualiseren van de milieutoestand van het Nederlandse deel van de Noordzee is dan ook zoveel mogelijk gebruikgemaakt van in OSPAR-verband gezamenlijk vastgestelde indicatoren en drempelwaarden, en is aangesloten op het OSPAR Quality Status Report van 2023.

Milieutoestand van de Noordzee

Als gevolg van ingezet beleid is er op verschillende vlakken vooruitgang zichtbaar. Zo neemt bijvoorbeeld de hoeveelheid zwerfafval gestaag af, en in mindere mate geldt hetzelfde voor bepaalde verontreinigende stoffen. Ook lijkt beleid rond ballastwater en schelpdiertransport vruchten af te werpen. Voor een deel van de maatregelen is het nog te vroeg om te kunnen bepalen of ze het gewenste effect hebben.

Met sommige soorten gaat het goed, zoals de grijze zeehond, vogelsoorten die in de waterkolom foerageren, en met een aantal vispopulaties. Ook voldoen verontreinigende stoffen in visproducten aan de drempelwaarden. Toch blijkt uit de beoordelingen dat er voor het grootste deel van de beoordeelde soorten en alle habitats geen sprake is van een goede milieutoestand (zie tabel 1). Door intensief gebruik van de Noordzee blijft de druk op het ecosysteem hoog.

Tabel 1: Samenvatting van de huidige toestand van het mariene milieu, per descriptor. Pelagische habitats zijn apart benoemd (hiervoor bestaat geen aparte groep op descriptorniveau).

Descriptor

Huidige milieutoestand (Art. 8)

D1 Biodiversiteit zeevogels

De huidige toestand van vogels die in de waterkolom foerageren in de Internationale Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand. Dit is niet het geval voor vogels van het intergetijdegebied en de groep vogels die hun voedsel van het wateroppervlak en de zeebodem halen. De toestand is onveranderd ten opzichte van de voorgaande beleidsperiode.

D1 Biodiversiteit zeezoogdieren

Voor grijze zeehond en gewone zeehond is de goede milieutoestand bereikt. Voor bruinvis is dit niet het geval, omdat de drempelwaarde van bijvangst is overschreden.

D1 Biodiversiteit vissen

Herstel op zowel de lange als op korte termijn is bereikt voor kwetsbare

soorten zoals de gladde haai, hondshaai, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog en golfrog. Van demersale en pelagische populaties voldoet respectievelijk 29 en 40 procent en voor kustgebonden populaties is dit 8 procent. De goede milieutoestand voor vissen in de Internationale Noordzee is hiermee nog niet bereikt. Deze beoordeling kent nog belangrijke kennislacunes.

D1 Biodiversiteit koppotigen

Beoordeling is nog niet mogelijk.

D1C6 Pelagische habitats

De pelagische habitats (fyto- en zoöplankton) in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand doordat de habitattypen ‘continentaal plat’ en ‘kustzone’ het oordeel ‘niet goed’ opleverden. Van de habitat ‘variabele saliniteit’ is de status onbekend.

D2 Niet-inheemse soorten

Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee is in de afgelopen planperiode niet afgenomen, wat betekent dat de goede milieutoestand nog niet is bereikt. Deze beoordeling is gebaseerd op een Nederlandse analyse, waarbij de OSPAR-methodiek is gebruikt en de dataset uit het QSR (OSPAR, 2023) is aangevuld met recentere data.

D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal- en schelpdieren

Er is een geleidelijke verbetering zichtbaar bij demersale en benthische soorten. Van de 71 commercieel geëxploiteerde bestanden vis en schaal- en schelpdieren zijn 20 bestanden (28 procent) in goede toestand, 19 (27 procent) voldoen niet en van 32 (45 procent) bestanden is onvoldoende informatie beschikbaar voor een beoordeling. Hiermee is de goede milieutoestand niet bereikt (ICES, 2022a)

D4 Voedselwebben

‘Voedselwebben’ in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand. De dichtheid, de verspreiding en de productiviteit van belangrijke groepen die verschillende trofische gilden vertegenwoordigen, zijn onderhevig aan verandering. Deze veranderingen hangen samen met veranderingen in het milieu, waarschijnlijk als gevolg van menselijke activiteiten.

D5 Eutrofiëring

In het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet 49,7 procent van de oppervlakte aan de goede milieutoestand. Dit lage percentage is een vertekend beeld als gevolg van de toegepaste gebiedsindeling bij de OSPAR-beoordeling, waarin een ‘matige’ score van het criterium D5C5 Zuurstofconcentratie nabij de zeebodem in de Oostelijke Noordzee vooral wordt veroorzaakt door de zuurstofarme gebieden in het Duitse en Deense deel van dat gebied. Ongeveer 45,6 procent van de Nederlandse Noordzee ligt in de Oostelijke Noordzee. De overige 4,6 procent van de Nederlandse Noordzee die niet voldoet, betreft de rivierpluimen en Noordelijke Deltakust. Daar zijn chlorofyl-a-concentraties te hoog. Nutriëntenconcentraties worden wel getoetst, maar tellen niet mee in de integrale beoordeling van de milieutoestand (zie D5C1).

D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats

Het verlies aan habitats blijft beneden de drempelwaarde (D6C4). Ondanks het ontbreken van drempelwaarden voor de overige criteria kan worden gesteld dat in het Nederlandse deel van de Noordzee de goede milieutoestand niet is bereikt. Dit oordeel is vooral gebaseerd op de matige tot slechte kwaliteit van de verschillende typen habitats (D6C5). Ondanks een lichte afname van de visserijdruk (D6C2) is de toestand nagenoeg onveranderd ten opzichte van de voorgaande planperiode.

D7 Permanente wijzigingen

hydrografische eigenschappen

In naar schatting 324 km2 in de Nederlandse Noordzee doen zich permanente hydrografische wijzigingen voor; dit is 0,55 procent van de totale oppervlakte (58.807 km2). Deze omvang is vooral toe te schrijven aan gevolgen van de aanleg van nieuwe windparken in de afgelopen planperiode. Het percentage aangetaste habitats is hiermee toegenomen. Verstoring wordt grotendeels veroorzaakt door een afname van de stratificatieperiode in (veel voorkomende) zandige habitats. Hiervan is naar schatting 0,65 procent aangetast. Kanttekening: de indicatoren zijn nog in ontwikkeling. De bovengenoemde omvang is grotendeels bepaald door een nog verder te ontwikkelen model en voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

D8 Verontreinigende stoffen

In de afgelopen planperiode zijn van de meeste stoffen de gehalten gelijk gebleven of iets gedaald. Dit beeld is vergelijkbaar met het beeld in de voorgaande periode. De goede milieutoestand is nog niet bereikt. Vooral de alomtegen-

woordige persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (UPBT-stoffen) overschrijden de milieukwaliteitsnorm (8 van de 19 stoffen). Van de 119 niet-UPBT-stoffen voldoen er 8 niet aan de norm en zijn 3 stoffen niet toetsbaar omdat de concentraties lager zijn dan de rapportagegrens. Hoewel tributyltin in het milieu de grenswaarde nog steeds overschrijdt, is voortplantingsschade (imposex) bij mariene slakken zodanig afgenomen dat wat dit criterium betreft de goede milieutoestand is bereikt. Ernstige acute verontreinigingen met olie hebben zich in de afgelopen planperiode niet voorgedaan.

D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten

De verontreinigingsniveaus in visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren liggen onder de drempelwaarden. De goede milieutoestand is daarmee behouden.

D10 Zwerfafval

De hoeveelheid zwerfafval in het mariene milieu neemt nog steeds af. Desondanks is de goede milieutoestand nog niet bereikt.

D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid

Conform de OSPAR-beoordeling hanteert Nederland geen drempelwaarden voor D11. Desondanks rechtvaardigen de beoordelingsresultaten de conclusie dat de toestand in het Nederlandse deel van de Noordzee met betrekking tot impulsgeluid wél voldoet aan de goede milieutoestand, en met betrekking tot continu geluid niet.

Voortgang Mariene Strategie

Sinds de actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 van 2018 is zowel regionaal als nationaal veel gedaan om zo goed mogelijk te voldoen aan de Europese vereisten (uit Commissiebesluit 2017/848/EU). Er zijn belangrijke vorderingen gemaakt met het verbeteren van het stelsel van indicatoren en drempelwaarden. Zo zijn nieuwe regionale of Europese drempelwaarden vastgesteld voor verlies aan habitats, verontreinigende stoffen in het milieu, strandafval, en plastic deeltjes in magen van stormvogels. Met de vaststelling van drempelwaarden is de goede milieutoestand kwantitatief gemaakt, waardoor ook de beoordeling van de huidige toestand en de resterende beleidsopgaven scherper in beeld zijn gekomen.

Binnen OSPAR zijn nieuwe indicatoren aangenomen en bestaande indicatoren verder ontwikkeld. Vooral de vaststelling van indicatoren voor complexe onderwerpen als voedselwebben en pelagische habitats zijn belangrijke mijlpalen. Evenals de substantiële verbetering van de beoordeling van eutrofiëring en onderwatergeluid. Nederland heeft zich hier actief voor ingezet. In deze Mariene Strategie zijn ook nationale indicatoren opgenomen voor onderwerpen waaraan Nederland specifiek belang hecht, en waarvoor binnen OSPAR (nog) geen regionaal afgestemd product bestaat, zoals voor benthische habitats, zeevogels en gewone zeehonden. Met het oog op de energietransitie heeft Nederland een eerste inschatting gemaakt van hydrografische wijzigingen als gevolg van (onder meer) windparken. Ook effecten van zandwinning zijn nader onder de loep genomen.

SMART geformuleerde operationele milieudoelen

Nederland heeft afgelopen planperiode actief ingezet op alle milieudoelen uit de MS1 uit 2018. In de meeste gevallen is aanhoudende inspanning nodig om de goede milieutoestand te bereiken of te behouden. De geactualiseerde milieudoelen voldoen beter aan de ‘technische’ vereisten, en daarnaast vereist de KRM SMART milieudoelen: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden. Daarom is elk milieudoel zo concreet mogelijk geformuleerd, is er een jaartal waarin het doel te behalen is aan verbonden, en is aangegeven op basis van welke indicator(en) de voortgang wordt bepaald. Tot slot is aangegeven op welke wijze implementatie van het milieudoel plaats gaat vinden. Op basis van voortschrijdend inzicht en nieuwe kennis zijn de milieudoelen ook inhoudelijk gezien aangepast. Ten opzichte van de MS1 uit 2018 is het aantal milieudoelen uitgebreid: van 29 naar 54.

Het toewerken naar de goede milieutoestand is een doorlopend proces. Er gebeurt op dit moment dan ook al veel om de milieudoelen te realiseren. Zo zijn ter uitwerking van het Noordzeeakkoord onderzoek en belangrijke maatregelen rondom de bescherming van gebieden en soorten vastgelegd in het Programma van Maatregelen (Mariene Strategie deel 3, 2022). Nederland hecht ook belang aan het internationaal gezamenlijk stellen van milieudoelen en het nemen van maatregelen. Het Regionale Actieplan voor het terugdringen van Zwerfvuil is een voorbeeld van een gezamenlijk maatregelenpakket. Ook voor Onderwatergeluid is binnen OSPAR een regionaal actieplan vastgesteld. De Mariene Strategie bekrachtigt deze nationale en internationale afspraken en brengt deze de derde implementatiecyclus van de KRM binnen.

1 Inleiding

1.1 De Mariene Strategie in een maatschappelijke context

De Noordzee is een complex en open marien ecosysteem en herbergt een rijk scala aan zeeleven. Het is een ecologisch waardevol en kwetsbaar systeem, waarvan de veerkracht sterk afhankelijk is van het herstel en behoud van soorten en habitats. Daarnaast vinden er belangrijke activiteiten plaats op de Noordzee waarvan de cumulatieve effecten naar verwachting de komende jaren zullen toenemen.

Uit het in 2023 gepubliceerde OSPAR Quality Status Report 1 over de Noordoost Atlantische Oceaan, waarvan het Nederlandse deel van de Noordzee deel uitmaakt blijkt dat er uitdagingen zijn voor de toestand van het ecosysteem. De toestand van het ecosysteem is zorgelijk. Toenemende intensivering van activiteiten die Nederland en de omringende landen op de Noordzee ontplooien en de cumulatieve effecten daarvan gecombineerd met de gevolgen van klimaatverandering maken dat de opgave groot is.

Daarbij zijn er zeker lichtpuntjes te benoemen. Met sommige soorten gaat het goed, zoals de grijze zeehond, vogelsoorten die in de waterkolom foerageren, en met een aantal vispopulaties. Ook voldoen verontreinigende stoffen in visproducten aan de drempelwaarden. Als gevolg van ingezet beleid neemt de hoeveelheid zwerfafval gestaag af, en in mindere mate geldt hetzelfde voor bepaalde verontreinigende stoffen. Ook lijkt beleid rond ballastwater en schelpdiertransport vruchten af te werpen. Toch blijkt uit de beoordelingen dat er voor het grootste deel van de beoordeelde soorten en alle habitats geen sprake is van een goede milieutoestand. Voor een deel van de maatregelen geldt dat het nog te vroeg is om te kunnen bepalen of ze het gewenste effect hebben.

Het kabinet zet in op een zorgvuldige balans met activiteiten op de Noordzee, waaronder voedselwinning zoals visserij, windenergie op zee, mijnbouw, scheepvaart en defensie, met oog voor de natuur, kustverdediging, zandwinning en maritiem erfgoed. Dit maakt dat activiteiten moeten plaatsvinden binnen de wettelijke verplichtingen vanuit Europa en dus de randvoorwaarden die de KRM stelt ten behoeve van een gezond en veerkrachtig ecosysteem. Het kabinet formuleert daarom in deze Mariene Strategie deel 1 milieudoelen:

1. om de goede milieutoestand te bereiken of te behouden;

2. om tegelijkertijd het intensiever gebruik van de Noordzee, zoals ontwikkelingen van nationaal belang op de gebieden van een duurzame visserij, de energietransitie, scheepvaart en de ontwikkeling van kustverdediging, te kunnen accommoderen binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem;

3. om invulling te geven aan de afspraken uit het Noordzeeakkoord, die betrekking hebben op de Mariene Strategie Deel 1 en aan het uitgangspunt van het Programma Noordzee 2022-2027 dat het gaat om een efficiënte en veilige ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee, die past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem.

Het Programma Noordzee 2022-20272 en de daaropvolgende programma’s zijn belangrijke instrumenten om de noodzakelijke integraliteit van het nationale Noordzeebeleid vorm te geven. Omdat het ecosysteem en het gebruik van de Noordzee zich niet aan nationale grenzen houden, hecht Nederland groot belang aan samenwerking binnen OSPAR, EU werkgroepen en de International Council for the Exploration of the Sea (ICES)3. In regionaal verband is het leggen van de ruimtelijke puzzel een belangrijk thema: hoe kan dit zo efficiënt mogelijk binnen de ecologische randvoorwaarden? Daarnaast wordt op basis van het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI)4 ingezet op integrale en internationale samenwerking om de toenemende ruimtelijke en ecologische druk op de Internationale Noordzee binnen aanvaardbare grenzen te houden.

Om duurzaam gebruik van de Noordzee ook op de lange termijn mogelijk te maken, breekt in de implementatie van de KRM nu een fase aan om internationaal de focus te verleggen van het steeds meer meten en weten, naar het samen uitvoeren van maatregelen en terugdringen van drukfactoren. Nederland zal in regionaal en EU-verband onverminderd blijven inzetten op afstemming, kennisontwikkeling, het concreet maken van doelen en drempelwaarden en het nemen van maatregelen. Dit om te komen tot een ecosysteem dat optimaal functioneert en veerkrachtig is, en daarmee de mogelijkheid blijft bieden voor duurzaam menselijk gebruik. Kortom: de ambitie en focus voor de komende implementatiecyclus ligt op de aanpak van drukfactoren en de uitvoering van maatregelen.

1.2 De cyclus van de KRM

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie uit 2008 (KRM)5 verplicht de lidstaten om voor hun mariene wateren een strategie op te stellen voor het bereiken en/of behouden van een goede milieutoestand, om een duurzaam gebruik mogelijk te maken. De Nederlandse Mariene Strategie bestaat uit drie delen. De voorliggende Mariene Strategie Deel 1 beschrijft op basis van de artikelen 8, 9 en 10 van de richtlijn (zie bijlage III) de huidige milieutoestand, de goede milieutoestand, en de milieudoelen met bijbehorende indicatoren voor het Nederlandse deel van de Noordzee. Hiermee stelt de Mariene Strategie de kaders voor een duurzaam gebruik van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van het ecosysteem, rekening houdend met internationale en Europese regelgeving. In 2012 werd de eerste Mariene Strategie deel 1 gepubliceerd. De daaropvolgende Mariene Strategie Deel 2 (2014) en Deel 3 (2015) bevatten respectievelijk het daarmee samenhangende KRM-monitoringprogramma en het KRM-programma van maatregelen.

De richtlijn schrijft in artikel 17 voor dat de lidstaten elke zes jaar deze drie delen van de Mariene Strategie zullen actualiseren: voor Nederland is dat gebeurd in 2018 (Deel 1)6, 2020 (Deel 2)7, en 2022 (Deel 3)8. Met de huidige actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 in start de derde implementatiecyclus van de KRM. Na vaststelling wordt de Mariene Strategie Deel 1 binnen drie maanden aan de Europese Commissie worden gerapporteerd.

1.3 Nationale en internationale kaders

Bij het actualiseren van de Mariene Strategie deel 1 is rekening gehouden met internationale en nationale kaders: afspraken, ontwikkelingen en ambities die relevant zijn voor de milieutoestand van het Nederlandse deel van de Noordzee. Hieronder volgen, geordend van mondiaal naar nationaal, de belangrijkste kaders.

Mondiale kaders

De Mariene Strategie draagt bij aan de internationale doelen en afspraken zoals vastgelegd in het Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD)9, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS, met de bijbehorende Overeenkomst voor de Bescherming van Biodiversiteit op Volle Zee)10, en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties (Sustainable Development Goals, SDG’s) voor 203011. UNCLOS biedt het mondiale wettelijke kader voor hedendaagse beginselen van bescherming van het mariene milieu, waaronder de op het ecosysteem gebaseerde benadering, het voorzorgsprincipe en duurzame ontwikkeling. De CBD heeft tot doel het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen, het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biodiversiteit te waarborgen en een wereldwijd netwerk van beschermde mariene gebieden (Marine Protected Areas; MPA’s) te creëren. De 17 SDG’s van de Verenigde naties (VN) zijn een oproep tot actie voor alle landen – arm en rijk – om welvaart te bevorderen en tegelijkertijd de planeet te beschermen tegen klimaatverandering. De Mariene Strategie draagt specifiek bij aan het bereiken van SDG14 Leven in het water: ‘Behoud en maak duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en maritieme hulpbronnen’, en de subdoelstellingen daaronder. Daarnaast wordt in VN-verband toegewerkt naar een juridisch bindend instrument om mondiaal plastic vervuiling tegen te gaan. Tot slot geldt binnen de International Maritime Organization (IMO) het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen12.

Europese Commissiebesluit 2017/848/EU

In 2017 is het Commissiebesluit 2017/848/EU13 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling vastgesteld. Hierin zijn de in de KRM genoemde elf ‘kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand’ (descriptoren) nader uitgewerkt in criteria (zie bijlage IV). Het besluit bevat ook specifieke vereisten, bijvoorbeeld hoe de criteria moeten worden gebruikt, de schaal voor beoordeling en meeteenheden. De Europese Commissie heeft Nederland bij de art. 12-beoordeling van de Mariene Strategie Deel 1 2018-2024 gewezen op het niet naleven van de technische vereisten van dit Commissiebesluit. Een belangrijke bepaling is dat voor een groot aantal criteria drempelwaarden moeten worden vastgesteld, meestal door middel van samenwerking op Unie-niveau via de Common Implementation Strategy (CIS) van de KRM of op (sub)regionaal niveau (OSPAR). Dit is een groeiproces: de afgelopen planperiode zijn grote stappen gezet, maar verdere inzet op de uitwerking van het Commissiebesluit in zowel OSPAR- als EU-verband is nodig.

Wanneer drempelwaarden eenmaal op een supranationaal niveau zijn vastgesteld mogen de lidstaten niet langer verschillende nationale drempelwaarden gebruiken14. Wanneer lidstaten deze drempelwaarden niet kunnen gebruiken moet dit naar behoren worden gemotiveerd: bijvoorbeeld als drempelwaarden te laat beschikbaar komen in het proces van nationale beoordeling.

Andere Europese richtlijnen en kaders

De KRM integreert verschillende beleidsterreinen, relevante overeenkomsten en wetgevende maatregelen die van invloed zijn op het mariene milieu (Art. 1 lid 4). Europese richtlijnen en verordeningen waar de KRM expliciet op aansluit zijn het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)15, de Kaderrichtlijn Water (KRW)16 , de Vogelrichtlijn (VR)17 , Habitatrichtlijn (HR)18 en de EU-Verordening 2023/915 over verontreinigingen in visserijproducten19. Het eerdergenoemde Commissiebesluit stelt per criterium concreet vast welke normen of vereisten uit deze juridische kaders moeten worden overgenomen voor de KRM.

Daarnaast sluit de KRM aan bij de Richtlijn Maritieme Ruimtelijke Planning (2014/89/EU)20, REACH (de Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen)21, de Richtlijn stedelijk afvalwater (91/271/EEC)22 de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG)23, en de Renewable Energy Directive (2023/2413/EU)24. Andere belangrijke kaders zijn de Europese strategie voor de duurzame blauwe economie (COM/2021/240)25, en de Europese Green Deal26 en de bijbehorende EU-biodiversiteitstrategie voor 203027. Als onderdeel hiervan heeft de Europese Commissie een pledge and review-proces geïnitieerd, waarmee de lidstaten is gevraagd aan te geven wat in 2030 moet zijn bereikt om het pad naar natuurherstel op robuustere wijze in te zetten. Parallel aan de afronding van de Mariene Strategie Deel 1 is de Europese Natuurherstelverordening in werking getreden (ook onderdeel van de Europese Green Deal). Deze Verordening stelt doelen ten aanzien van natuurherstel, onder andere voor soorten en habitats op de zee, en heeft daarmee raakvlakken met de KRM. Medio 2027 wordt op basis van deze verordening een Natuurplan verwacht. Waar relevant kan dit Natuurplan onder de natuurherstelverordening bij de aanstaande actualisatie van het KRM-monitoring-programma (2026) en Programma van Maatregelen (2028) worden betrokken.

Regionale zeeconventie OSPAR

De KRM verplicht de lidstaten tot een regionale aanpak (artikel 5, tweede lid en 6 van de KRM). Omdat de toestand van het mariene milieu losstaat van de landsgrenzen is binnen de richtlijn een belangrijke rol weggelegd voor de regionale zeeconventies. Voor Nederland is dit OSPAR. Voor de beschrijving van de huidige milieutoestand van het Nederlandse deel van de Noordzee is zoveel mogelijk gebruikgemaakt van gezamenlijk vastgestelde indicatoren en drempelwaarden voor de beoordeling van het mariene milieu en is aangesloten op het OSPAR Quality Status Report van 2023. De OSPAR-beoordeling is alleen niet overgenomen wanneer de Nederlandse dataset completer is (bijvoorbeeld bij D2 Niet-inheemse soorten). Daarnaast heeft Nederland pilotindicatoren en voorlopige resultaten niet opgenomen (bijvoorbeeld zeebodemafval). Aanvullende informatie is in sommige gevallen wél opgenomen (bijvoorbeeld bij zeevogels). Nederland is een sterk voorstander van het in regionaal verband afstemmen van milieudoelen en nemen van maatregelen en zal hierop ook de komende implementatiecyclus inzetten. Het Regionale Actieplan van OSPAR rondom zwerfvuil28 is een voorbeeld van een gezamenlijk maatregelenpakket. Ook voor Onderwatergeluid is binnen OSPAR een regionaal actieplan in ontwikkeling.

In 2021 is de OSPAR North-East Atlantic Environment Strategy 203029 vastgesteld. Dit geheel van strategische doelen moet de uitdagingen waarvoor de Noordoost-Atlantische Oceaan gesteld staat: verlies van biodiversiteit, vervuiling en klimaatverandering, het hoofd kunnen bieden. Per strategisch doel zijn operationele doelen met concrete acties opgesteld, welke in de periode tot 2030 worden uitgevoerd. Het implementeren van deze strategie leidt tot een schone, gezonde en biologisch diverse oceaan die duurzaam wordt gebruikt: daarmee sluit de OSPAR-Strategie 2030 goed aan op de KRM.

Greater North Sea Basin Initiative

Nederland is in 2021 een initiatief gestart om integrale samenwerking tussen de Noordzeelanden rondom het duurzame (ruimtelijke) gebruik van de Noordzee te versterken: het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI). Het ruimtebeslag en de (cumulatieve) ecologische druk van alle

OSPAR Quality Status Report

In OSPAR werkt Nederland samen met vijftien landen en de Europese Unie aan het beschermen en herstellen van het mariene milieu van het Noordoostelijke deel van de Atlantische oceaan, waarvan de Noordzee onderdeel is. In september 2023 is het Quality Status Report (QSR) gepubliceerd. Dit omvangrijke rapport, dat eens per tien jaar wordt opgesteld, beschrijft de toestand van het mariene milieu op het Noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

De boodschap van het QSR:

• Het gaat niet goed met het mariene milieu in het Noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

• Er is bezorgdheid over gevaarlijke stoffen, eutrofiëring, onderwatergeluid en de hoeveelheid zwerfvuil die ondanks tekenen van verbetering hoog blijft.

• Zeevogels hebben het nog steeds moeilijk, veel zeezoogdieren blijven in gevaar, diverse vispopulaties bevinden zich niet in een goede toestand, benthische habitats worden beschadigd en de toestand van het voedselweb is zorgwekkend.

• Menselijke activiteiten zijn hier debet aan. Effecten van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en oceaanverzuring zullen verder doorzetten.

voorziene activiteiten neemt niet alleen toe op het Nederlandse deel van de Noordzee, maar ook op de schaal van de gehele Noordzee. Daarom willen de landen binnen dit initiatief gezamenlijk integraler werken om zowel de nationale als internationale ambities voor de Noordzee te behalen, binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem.

Nationale beleidscontext

Het Programma Noordzee 2022-2027 (onderdeel van het Nationaal Waterprogramma 2022-2027) en de Partiële Herziening bevatten het integrale Nederlandse Noordzeebeleid. Het omvat alle doelen en ambities van nationaal belang voor het Nederlandse deel van de Noordzee, en integreert Maritieme Ruimtelijke Planning met de Kaderrichtlijn Marien. De intensivering van het gebruik van de Noordzee geeft voor de komende jaren de opgave de juiste maatschappelijke balans te vinden om te kunnen komen tot een efficiënte en veilige ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee, die past binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem zoals die in de Mariene Strategie zijn uitgewerkt. De ecosysteembenadering en het voorzorgsbeginsel zijn uitgangspunten van het integrale beleid. Met de vaststelling van het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 zijn ook alle drie de delen van de Mariene Strategie uit de tweede cyclus vastgelegd. De huidige actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 stelt de ecologische randvoorwaarden voor de ruimtelijke planning van activiteiten op de Noordzee vast en vormt daarmee het ecologische kader voor het Programma Noordzee 2028-2033.

Noordzeeakkoord

Met het Noordzeeakkoord30, waarin afspraken zijn vastgelegd tot 2030, geven overheid en stakeholders samen invulling aan de drie grote transities op de Noordzee: energie, natuur en voedsel en de samenhang daartussen. Deze samenwerking heeft gezamenlijke afspraken over zaken die belangrijk zijn voor de implementatie van de KRM mogelijk gemaakt, zoals de verduurzaming van de visserijsector, gebiedsbescherming en het ontwikkelen van soortenbeschermingsplannen. Daarnaast is als onderdeel van het Noordzeeakkoord het programma Monitoring Onderzoek Natuurversterking en Soortbescherming (MONS), tot stand gekomen. Dit programma heeft als doel te bepalen of en hoe het veranderende gebruik van de Noordzee past binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. De kennis die hieruit voortkomt kan bijdragen aan het concretiseren van milieudoelen en het nemen van maatregelen (zie box 5.1 in hoofdstuk 5).

Programma Natuurversterking Noordzee

De ambitie van het Programma Natuurversterking Noordzee (NN), is een gezonde, veerkrachtige biodiverse Noordzee met ruimte voor natuurlijke processen en duurzaam gebruik. Het programma wordt opgezet om de natuur van de Noordzee te verbeteren en vormt een aanvulling op de huidige wettelijk verplichte maatregelen ter bescherming van de biodiversiteit en het ecosysteem. Het programma richt zich op praktijkexperimenten (leren door doen), samenwerking met belangrijke actoren en het vroegtijdig nemen van aanvullende natuurherstel- en versterkingsmaatregelen.

Visie Voedsel uit Zee en Grote Wateren

De Visie op Voedsel uit Zee en Grote wateren is gericht op de borging van voedselwinning op de lange termijn. Voedsel uit zee heeft een relatief lage CO2 uitstoot, is eiwitrijk, gezond en voedsel van dichtbij. In de visie is opgenomen dat deze voedselwinning dient plaats te vinden binnen de draagkracht van het ecosysteem. De visie schetst het perspectief tot 2050 met een robuuste visserij- en aquacultuursector, die een regionaal, gezond en duurzaam product levert en die een goede boterham verdient. De in de visie benoemde maatregelen worden verder vormgegeven en er zullen afspraken gemaakt worden met de visserijsector en andere stakeholders over de uitvoering hiervan.

1.4 Uitgangspunten

Uitwerking huidige en goede milieutoestand

De KRM noemt in bijlage I elf kwalitatief beschrijvende elementen (ook wel descriptoren genoemd) op basis waarvan de lidstaten de goede milieutoestand moeten vaststellen. In het Commissiebesluit 2017/848/EU zijn de descriptoren uitgewerkt in primaire en secundaire criteria (zie bijlage IV). De lidstaten moeten deze criteria gebruiken om de goede milieutoestand te omschrijven en te beoordelen in welke mate deze is bereikt. Bij het beschrijven van de goede milieutoestand (artikel 9 van de KRM) gaat het om de te bereiken, te herstellen of te behouden milieutoestand. Met goede milieutoestand is niet het ongerepte mariene ecosysteem uit het verleden bedoeld, maar een ecosysteem dat optimaal functioneert en veerkrachtig is, en daarmee de mogelijkheid biedt voor een duurzaam menselijk gebruik.

De beoordeling van de huidige milieutoestand (artikel 8 van de KRM) is gebaseerd op de voorgeschreven criteria en uitgevoerd met de informatie uit het KRM-monitoringprogramma. De huidige milieutoestand is bepaald aan de hand van indicatoren. Met bijbehorende drempelwaarden is vervolgens getoetst of wordt voldaan aan de goede milieutoestand. Omwille van een internationaal consistente aanpak is zoveel mogelijk gebruikgemaakt van in OSPAR-verband en Europees overeengekomen indicatoren en drempelwaarden. Alleen wanneer deze nog niet voorhanden zijn (of nog onvoldoende zijn uitgewerkt), of wanneer het specifiek voor Nederland belangrijke onderwerpen betreft (zie paragraaf 1.3), is gekozen voor een nationale aan- of invulling.

Uitwerking milieudoelen

Milieudoelen conform artikel 10 van de KRM zijn operationele doelen, bedoeld om de voortgang richting de goede milieutoestand te begeleiden. De milieudoelen zijn gerelateerd aan de belangrijkste drukfactoren en activiteiten die verstoring en risico veroorzaken. Daarnaast richten milieudoelen zich op herstel en versterking van het mariene ecosysteem, en op verduurzaming van het gebruik. De milieudoelen zijn zoveel mogelijk kwantitatief en specifiek gesteld, met vermelding van het jaar waarin het doel volgens een bepaalde streefwaarde (indien mogelijk) zou moeten zijn bereikt. Ook is bij elk milieudoel een indicator vastgesteld, om de voortgang in het behalen van het milieudoel te kunnen monitoren. Dit zijn vaak andere indicatoren dan de indicatoren die worden gebruikt voor de beoordeling van de milieutoestand.

Bij het stellen van de milieudoelen zijn inschattingen gemaakt van de effectiviteit van het bestaande en voorgenomen beleid, uitgaande van de beoordeling van de huidige milieutoestand en rekening houdend met ontwikkelingen tot 2030 en daarna. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om verwachte ontwikkelingen in economische sectoren of effecten van klimaatverandering. Ook is rekening gehouden met de responstijd van het ecosysteem op maatregelen. Als er in de loop van een implementatie- cyclus nieuwe inzichten ontstaan, bijvoorbeeld op basis van EU-projecten, samenwerking binnen OSPAR of onderzoeksresultaten, worden deze tussentijds meegenomen bij vervolgbesluiten rondom de verschillende descriptoren.

Aan de milieudoelen zijn maatregelen gekoppeld. Begin 2022 is het tweede KRM-programma van maatregelen vastgesteld (MS3), onderdeel van het Programma Noordzee 2022-2027. Voor een deel van de maatregelen is het nog te vroeg om te kunnen bepalen of ze het beoogde effect hebben. Eventuele aanvullende maatregelen worden vastgesteld in 2027 bij de actualisatie van de Mariene Strategie deel 3 (het programma van maatregelen, tegelijkertijd met het Programma Noordzee 2028-2033). De maatregelen zijn dus onderdeel van de implementatiecyclus, maar worden in een later stadium vastgesteld.

Uitwerking milieudoelen DAPSIR-raamwerk

De Mariene Strategie maakt gebruik van het zogenoemde DAPSIR-raamwerk (zie figuur 5). Dit raamwerk beschrijft sociaal economische drijfveren (drivers) die zorgen voor menselijke activiteiten (activities) welke druk uitoefenen op het mariene milieu (pressures) en daarmee leiden tot verandering van de milieutoestand (status), met gevolgen voor het ecosysteem en ecosysteemdiensten (impact). Een maatregel (response) als reactie op een verandering in de milieutoestand kan in elk deel van het raamwerk genomen worden. Milieudoelen vallen onder de response van het DAPSIR-raamwerk en zijn bedoeld om een eventueel gat tussen de huidige toestand en de goede milieutoestand te dichten, of om de goede milieutoestand te behouden.

Artikel 12-beoordeling Mariene Strategie Deel 1 (2018)

De Europese Commissie heeft in 2022 de Nederlandse Mariene Strategie deel 1 (2018) beoordeeld (op grond van artikel 12 van de KRM)31, en aanbevelingen gedaan voor het vervolg. De Commissie heeft geen inhoudelijke beoordeling uitgevoerd, maar gekeken op welke punten de Mariene Strategie deel 1 afwijkt van de vereisten uit het Commissiebesluit. Uit deze beoordeling zijn voor Nederland vijftien aanbevelingen voortgekomen. De belangrijkste oorzaak van deze discrepanties ligt in het feit dat het Commissiebesluit in 2017 beschikbaar is gekomen op een moment dat de voorbereidingen voor de Mariene Strategie deel 1 (2018) al vergevorderd waren. De voorliggende Mariene Strategie is wel gestoeld op de vereisten uit het Commissiebesluit (zie paragraaf 1.3).

1.5 Voortgang Mariene Strategie

Sinds de actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 van 2018 is zowel regionaal als nationaal veel inzet gepleegd om zo goed mogelijk te voldoen aan de vereisten uit Commissiebesluit 2017/848/EU. Er zijn belangrijke vorderingen gemaakt met betrekking tot indicatoren en drempelwaarden. Zo zijn nieuwe regionale of Europese drempelwaarden vastgesteld voor verlies aan habitats, verontreinigende stoffen in het milieu, strandafval en plastic deeltjes in magen van stormvogels. Met de vaststelling van drempelwaarden is de ‘goede milieutoestand’ kwantitatief gemaakt, waarmee ook de beoordeling van de huidige toestand en de resterende beleidsopgaven scherper in beeld zijn gekomen.

Binnen OSPAR zijn nieuwe indicatoren aangenomen en bestaande indicatoren verder ontwikkeld. Vooral de ontwikkelingen van indicatoren voor complexe onderwerpen als voedselwebben en pelagische habitats zijn belangrijke mijlpalen. Evenals de substantiële verbetering van de beoordeling van eutrofiëring en onderwatergeluid. Nederland heeft zich hier actief voor ingezet.

In deze Mariene Strategie zijn ook nationale indicatoren opgenomen voor onderwerpen waar Nederland specifiek belang aan hecht, en waarvoor binnen OSPAR (nog) geen regionaal afgestemd product bestaat, zoals voor benthische habitats, zeevogels en gewone zeehonden. Met het oog op de energietransitie heeft Nederland een eerste inschatting gemaakt van hydrografische wijzigingen als gevolg van (onder meer) windparken. Ook effecten van zandwinning zijn nader onder de loep genomen.

Ten opzichte van de voorgaande Mariene Strategie zijn meer criteria uit Commissiebesluit 2017/848/EU uitgewerkt, zoveel mogelijk aan de hand van de (inter)nationaal vastgestelde indicatoren. Waar nog geen kwantitatieve beoordeling mogelijk was, is als het kon een kwalitatieve beoordeling uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de beoordeling van de kwaliteit van het leefgebied van zeevogels en zeezoogdieren. Ook is vooruitgang geboekt met de uitwerking van de milieudoelen. Idealiter zijn milieudoelen SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) en zo mogelijk regionaal afgestemd (zie hoofdstuk 5). Dit blijkt nog niet altijd mogelijk. Toch worden hierin met elke actualisatie van de MS1 (sinds 2012) vorderingen gemaakt. De geactualiseerde milieudoelen zijn concreter geformuleerd; ze beschrijven op die manier expliciet de aanknopingspunten om de goede milieutoestand te bereiken. Ook voldoet Nederland beter aan de ‘technische’ vereisten; zo is aangegeven in welk jaar het betreffende milieudoel (zo mogelijk met streefwaarde) zou moeten zijn bereikt. Op basis van voortschrijdend inzicht en nieuwe kennis zijn de milieudoelen, vergeleken met MS1 uit 2018, van 29 uitgebreid naar 54 en ook inhoudelijk aangepast (zie hoofdstuk 5).

De KRM stelt dat de goede milieutoestand in 2020 bereikt of behouden had moeten zijn. Inmiddels is duidelijk dat deze deadline in geen van de Europese zeeën is behaald. Hiervoor zijn verschillende oorzaken.

• Voor een aantal descriptoren is de verstoring groot en langdurig aanwezig.

• Vanwege kennislacunes is nog niet in alle gevallen bekend wat de GMT is én welke maatregelen opportuun zijn. Mede hierdoor is in de afgelopen twee cycli in internationaal verband relatief veel aandacht besteed aan de opbouw van de implementatie van de KRM – met de focus op het vormgeven van beoordelingen, het voldoen aan rapportageverplichtingen en het definiëren van drempelwaarden – en minder aan het nemen van maatregelen om de goede milieutoestand te realiseren.

• In sommige gevallen neemt het proces waarmee beleidsintensiveringen worden voorbereid significant tijd (zoals visserijmaatregelen die in EU-verband tot stand komen).

• Ook nadat beleidsintensiveringen (inter)nationaal zijn getroffen, duurt het doorgaans lang (meerdere planperioden) voordat effecten van maatregelen zichtbaar worden in ecosysteemherstel of in afname van verontreiniging.

Internationale samenwerking

Het Commissiebesluit bepaalt wat (bijvoorbeeld methodieken, soortenlijsten, drempelwaarden) op welk niveau (Unie, (sub)regionaal, nationaal) moet worden vastgesteld. Het merendeel van deze complexe puzzel wordt uitgewerkt door werkgroepen in OSPAR-verband. Er zijn ook Europese technische werkgroepen voor marien zwerfafval, onderwatergeluid en zeebodemintegriteit waarin experts uit EU-lidstaten samen werken aan diverse vraagstukken. De resultaten van deze werkgroepen worden vastgesteld door respectievelijk de OSPAR-Commissie en de Marine Strategy Coordination Group . Daarnaast werkt ICES voor het GVB adviezen uit, en zorgt tevens voor verbinding van het GVB met de KRM. De werkgroepen stemmen ook onderling af. Nederland neemt actief deel aan deze werkgroepen. De gemaakte vorderingen in deze Mariene Strategie zijn voor een belangrijk deel te danken aan de puzzelstukjes die deze werkgroepen samen weten te leggen.

De implementatie van de KRM is een groeiproces. Vooral bij de complexere onderwerpen, zoals ‘voedselwebben’, of bij onderwerpen waarvoor nog weinig data zijn (inktvissen bijvoorbeeld), zal het langer duren om geheel te kunnen voldoen aan de technische vereisten. Niettemin is het ook met resterende kennislacunes mogelijk – en vanwege het voorzorgbeginsel cruciaal – om milieudoelen te stellen, omdat de belangrijkste knoppen om aan te draaien in veel gevallen wel in beeld zijn.

1.6 Het KRM-toepassingsgebied en afbakening

Geografische afbakening

De Mariene Strategie heeft betrekking op het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit toepassingsgebied beslaat circa 58.000 km2, ongeveer een tiende deel van de gehele Noordzee (zie kaart 1.1). Het betreft het water, de zeebodem en de ondergrond zeewaarts van de basiskustlijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten (artikel 3 van de KRM). De internationale grenzen van het Nederlandse Continentaal Plat (NCP) vormen de buitengrens van het toepassingsgebied. Dit is tevens de grens van de Exclusieve Economische Zone, de EEZ.

Het toepassingsgebied van de KRM overlapt gedeeltelijk met dat van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit is de zone tot 12 zeemijl vanaf de basiskustlijn (de zogenoemde ‘kustwateren’). In dit gebied gelden conform Commissiebesluit 2017 de drempelwaarden zoals vastgesteld onder de KRW wat betreft vervuilende stoffen en eutrofiëring.

Tevens bevinden zich aan de kust en verder op zee beschermde gebieden. Dit zijn zowel Natura 2000-gebieden, aangewezen in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, als KRM-gebieden, aangewezen op grond van KRM-artikel 13.4. De Centrale Oestergronden, het Friese Front en de Borkumse Stenen zijn KRM-gebieden aangewezen voor bodembescherming. Daar komt de Zuidelijke Doggersbank mogelijk bij als onderdeel van de Partiële Herziening. Kaart 5.1 (hoofdstuk 5) laat de diverse begrenzingen zien. De Waddenzee en Oosterschelde liggen aan de landzijde van de basiskustlijn en behoren niet tot het toepassingsgebied van de KRM. In deze gebieden wordt bescherming van het mariene milieu geborgd door andere communautaire wetgeving en internationale afspraken. Net als de Noordzee tot 12 mijl zeewaarts vanuit de basiskustlijn, vallen de Waddenzee en Oosterschelde onder de werking van de KRW. De Waddenzee en Oosterschelde zijn tevens aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de VR en/of HR. Ook is daar regelgeving over visserij (Richtlijn EU/1380/2013), niet-inheemse soorten (Verordening EU/1143/2014), Single Use Plastics (Richtlijn EU/2019/904), ernstige verontreinigingen (Richtlijn 2005/35/EG) en

voedselveiligheid (Verordening EG/1881/2006) van toepassing. Verder vallen beide gebieden onder het OSPAR-Verdrag. Voor de Waddenzee is daarnaast de Trilaterale Waddenzee Overeenkomst, ondertekend door Nederland, Duitsland en Denemarken in 1982, van belang. Beide estuaria hebben hun eigen specifieke kenmerken en wijken daarmee af van de open Noordzee. Het beleid dat gericht is op de Noordzee en vooral de Noordzeekustzone, heeft wel direct of indirect effect op het functioneren van deze gebieden, en vice versa.

Bij het opstellen van de Mariene Strategie is er rekening mee gehouden dat het Nederlandse deel van de Noordzee onderdeel is van de Internationale Noordzee (OSPAR-regio II; zie kaart 1.1) in ruime zin en met inbegrip van het Kattegat en Het Kanaal – binnen het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

Korte karkterisering van het ecosysteem

De Noordzee is een zeer complex en open marien eco-systeem. Het Nederlandse deel van de Noordzee loopt vanaf de kust tot de buitengrens van het Nederlands Continentaal Plat en is relatief ondiep (gemiddeld 35 meter, in noordelijke richting oplopend tot ruim 60 meter). Door de beperkte diepte is er een sterke interactie tussen fysische en chemische processen, het leven in de bodem en het leven in het water. Het water in de noordelijke helft van het Nederlandse deel van de Noordzee staat onder invloed van de stroming uit de Atlantische Oceaan. De stroming in de zuidelijke helft is afkomstig uit Het Kanaal en trekt langs de Waddeneilanden in noordoostelijke richting verder. Typerend voor de Nederlandse kustwateren is de grote invloed van de rivieren Schelde, Maas, Rijn en Eems. Het rivierwater stroomt van zuid naar noord langs de gehele kust (de zogenoemde kustrivier) en bevat veel kleiig zwevend materiaal. Dit stimuleert de bodemdynamiek en natuurlijke vertroebeling. De rivieren brengen ook veel voedingsstoffen naar zee. Dit is essentieel voor de groei van plankton dat de basis vormt van de mariene voedselketen. De Nederlandse kustwateren zijn daardoor van oorsprong zeer productief.

De Noordzeebodem bestaat voornamelijk uit zand en slib. Maar op een aantal plekken biedt de bodem een natuurlijke harde ondergrond, zoals op de Klaverbank en de Borkumse Stenen (zie kaart 5.1, hoofdstuk 5).

De Noordzee is leefgebied en kraamkamer voor zeezoogdieren, vissen, schaaldieren en weekdieren; voor vele soorten vogels is het overwinteringsgebied of een belangrijke schakel in de Noordoost-Atlantische trekroute. Ook trekkende vleermuizen hebben hun routes over de Noordzee.

Bestuurlijke afbakening

Het Nederlandse deel van de Noordzee is vanaf een kilometer vanaf de basiskustlijn niet gemeentelijk en provinciaal ingedeeld. Daar is alleen het Rijk verantwoordelijk. De minister van IenW is coördinerend bewindspersoon voor het integrale Noordzeebeleid en -beheer, en is verantwoordelijk voor waterkwaliteit in brede zin. De minister van IenW deelt de verantwoordelijkheid voor het mariene milieu met de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vanwege diens verantwoordelijkheden voor de beleidsterreinen visserij, voedselzekerheid, natuur en biodiversiteit.

Het Rijk heeft binnen de territoriale zee (tot twaalf mijl vanaf de basiskustlijn) meer bevoegdheden dan in de Exclusieve Economische Zone (EEZ). Maatregelen met betrekking tot de visserij buiten de territoriale zee vallen onder de exclusieve competentie van de Europese Commissie in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Maatregelen met betrekking tot de scheepvaart vallen onder de bevoegdheid van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).

Noch het ecosysteem van de Noordzee, noch de verschillende gebruiksfuncties houden zich aan de nationale begrenzingen die de Noordzee doorkruisen. Geen van de landen kan alle uitdagingen op zijn deel van de Noordzee individueel het hoofd bieden, of heeft daartoe altijd een geheel eigen en volledige bevoegdheid. Om die reden en omdat niet alle Noordzeelanden EU-lid zijn, verplicht de KRM (Art. 5 en 6) de EU-lidstaten tot een regionale aanpak. Voor Nederland gaat dat om samenwerking binnen de Regionale Zeeconventie OSPAR.

Uitzonderingen

Artikel 2 van de KRM geeft het toepassingsgebied van de richtlijn aan. In het tweede lid is een uitzonderingspositie opgenomen voor ‘activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen’, zoals kustverdediging en operaties van oorlogsschepen van de Koninklijke Marine. De genoemde vrijstelling is echter geen volledige vrijstelling: de lidstaten dienen na te streven dat ‘dergelijke activiteiten verricht worden op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn, voor zover dat redelijk en uitvoerbaar is’.

1.7 Totstandkomingsproces

Deze actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 wordt conform Art. 19 van de KRM op nationaal en internationaal niveau afgestemd. Nationaal heeft de ambtelijke afstemming plaatsgevonden in het Interdepartementale Directeuren Overleg Noordzee (IDON). De afstemming met maatschappelijke partijen (stakeholders) heeft allereerst plaats gevonden in twee workshops, waarin stakeholders konden reageren op de concept-beoordeling van de milieutoestand en goede milieutoestand (eerste bijeenkomst in april 2023) en de milieudoelen (tweede bijeenkomst in juni 2023).

Verdere afstemming in aanloop naar het Ontwerp heeft plaatsgevonden op basis van een raadpleging door het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL). Daarbij hebben deelnemers de gelegenheid gekregen om schriftelijk te reageren op concepten van de beoordeling van de milieutoestand, de goede milieutoestand, en de milieudoelen. Ook is op 25 maart 2024 een bijeenkomst georganiseerd die door twee OFL-voorzitters is begeleid. Op basis van de raadpleging is het OFL op 1 mei 2024 tot een advies gekomen, dat op een aantal punten heeft geleid tot het aanscherpen of verduidelijken van de tekst. De minister van IenW en de staatssecretaris van LVVN hebben in een gezamenlijke brief aangegeven op welke wijze met het advies is omgegaan.

Ook is het Noordzeeoverleg bij de totstandkoming van de Mariene Strategie Deel 1 betrokken, omdat het Rijk de Mariene Strategie beschouwt als een kernbeslissing ten aanzien van de Noordzee conform artikel 8.6 van het Noordzeeakkoord. In het Noordzeeoverleg wordt op consensus gericht overleg gevoerd over de uitwerking van de afspraken uit het Noordzeeakkoord. Aan dit overleg nemen, naast de rijksoverheid, vertegenwoordigers deel vanuit de energiesector, visserij, natuurorganisaties, de scheepvaartsector, en zeehavens.

Zienswijzer

Het ontwerp van de Mariene Strategie deel 1 lag van 3 juni tot en met 14 juli 2025 ter inzage. Het Rijk heeft middels een Reactienota op de ontvangen zienswijzen gereageerd. De Reactienota verduidelijkt of de ontvangen zienswijzen tot wijzigingen in de definitieve Mariene Strategie hebben geleid, en op welke manier deze zijn verwerkt. De Nota bevat ook ambtshalve wijzigingen. Dit zijn kleine correcties, redactionele aanpassingen, verhelderingen of actualiseringen.

1.8 Leeswijzer

De Mariene Strategie deel 1 bestaat uit een hoofddocument en bijlagen. De opbouw van het hoofddocument volgt het DAPSIR-raamwerk (zie par. 1.4). Hoofdstuk 2 beschrijft het gebruik (economische sectoren) van de Noordzee (‘Drivers’) en de menselijke activiteiten (‘Activities’). Hoofdstuk 3 gaat over de belangrijkste drukfactoren (‘Pressures’) die hiervan het gevolg zijn. Hoofdstuk 4 beschrijft de milieutoestand van het mariene ecosysteem (‘State’). Op basis hiervan wordt ten slotte in hoofdstuk 5 ingegaan op de milieudoelen en beleidsopgaven (‘Response’). De impact op ecosysteemdiensten (‘Impact on ecosystem services’), zoals het leveren van voedsel, klimaatregulering et cetera, zijn niet apart beschreven in de Mariene Strategie deel 1. Hiervoor wordt verwezen naar het QSR (OSPAR, 2023).

In de bijlagen zijn overzichten en nadere informatie opgenomen. De factsheets (bijlage VIII) vormen het hart van de Mariene Strategie Deel 1, en de basis voor de hoofdstukken 3 tot en met 5. De factsheets bevatten gedetailleerde (technische) informatie over de beoordeling van de huidige milieutoestand, de goede milieutoestand en de milieudoelen. Vanwege de technische aard van de fact-sheets zijn deze voorzien van een eigen leeswijzer, waarin opbouw en uitgangspunten nader zijn toegelicht. De factsheets vormen tevens het uitgangspunt voor de rapportage aan de Europese Commissie.

2 De ontwikkeling van economische activiteiten op de Noordzee

Dit hoofdstuk beschrijft de sociaaleconomische ontwikkeling van sectoren die sterk verbonden zijn met de Noordzee én de wijze waarop ontwikkelingen binnen deze sectoren de aard en omvang van de milieudruk beïnvloeden. Veranderingen in de belasting van het mariene milieu onder invloed van drukfactoren zoals emissies naar water, visserij en nog andere, hangen nauw samen met ontwikkelingen in de sociaaleconomische bedrijvigheid op en langs de Noordzee. Deze activiteiten zijn niet autonoom; ze staan onder directe invloed van ‘drivers’, ofwel sociaal-

economische drijfveren zoals de vraag naar producten, voedsel en energie32. Verschillende economische activiteiten zijn echter ook sterk afhankelijk van een gezond en goed functionerend marien ecosysteem; een afhankelijkheidsrelatie die ook wel wordt getypeerd als ‘diensten van het ecosysteem aan de maatschappij’.

Om het overzicht van deze interacties compleet te maken, geeft dit hoofdstuk ook een beeld van de kosten die zijn gemaakt om aantasting van het mariene milieu door economische activiteiten te voorkomen of te verminderen. Met dit hoofdstuk wordt daarmee invulling gegeven aan Art. 8 lid 1c van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

2.1 Sociaal-economische ontwikkeling van sectoren op de Noordzee

De sociale en economische analyse van het gebruik van de Noordzee is gebaseerd op de Marine Water Accounts approach33. Het Nederlandse deel van de Noordzee wordt intensief gebruikt voor verschillende economische activiteiten. De belangrijkste activiteiten zijn: verschillende vormen van visserij, olie- en gaswinning, scheepvaart, delfstoffenwinning, windenergie op zee, en recreatie. De economische waarde van de Noordzee (uitgedrukt in toegevoegde waarde, productiewaarde en werkgelegenheid) voor de zeegebonden sectoren en activiteiten op land is de afgelopen jaren toegenomen (zie tabel 2.1)34. Het totaal van deze waarde zal naar verwachting in de komende jaren verder toenemen, maar per sector of activiteit zal de ontwikkeling sterk verschillen35.

De toegevoegde waarde (de productiewaarde minus gemaakte kosten) van de activiteiten op het Nederlandse deel van de Noordzee bedroeg in 2021 4,6 miljard euro. Het grootste gedeelte hiervan komt van de sectoren zeescheepvaart en olie- en gaswinning. De overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen heeft een aanzienlijk effect op de economische activiteiten in het Nederlandse deel van de Noordzee: de toegevoegde waarde van de olie- en gassector daalde tussen 2015 en 2021 met 53 procent, terwijl de productie van elektriciteit (in kWh) in Nederlandse windparken op zee in dezelfde periode toenam met meer dan 600 procent.

De toegevoegde waarde van direct aan de Noordzee gerelateerde economische activiteiten op het land was in 2021 23,2 miljard euro. Hieraan dragen de zeehavens als groot economisch belang sterk bij, maar ook het economisch belang van andere activiteiten in de kustzone, zoals toerisme en recreatie, telt mee.

De aan de Noordzee gerelateerde economische activiteiten dragen voor ongeveer 3,6 procent bij aan de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse economie, die in 2021 762,6 miljard euro bedroeg.36

De huidige geopolitieke situatie en de hoge inflatie veroorzaken onzekerheden rondom de verdere ontwikkeling van alle economische activiteiten. Naar verwachting zullen de economieën van Nederland en andere Europese landen op korte termijn stagneren, maar zal de toegevoegde waarde van activiteiten op de Noordzee toenemen tot 6,4 à 7,5 miljard euro in 2035. 37

Voor de periode 2035-2050 wordt een verdere ontwikkeling van productievolumes en toegevoegde waarde voorzien. De snelheid waarmee de productie van windenergie op zee zich ontwikkelt is hierbij een belangrijke factor. Zo zou vertraging in de aanleg van windmolenparken op zee de noodzaak van olie- en gaswinning kunnen verlengen en ook kunnen leiden tot verdere groei van het aantal scheepsbewegingen voor import van waterstof als energiedrager38

Visserij

De visserijsector is kenmerkend voor een op zee georiënteerd land als Nederland. De visserij heeft met name in de kustgebieden een grote culturele en sociaaleconomische betekenis vanwege de werkgelegenheid en de regionale identiteit die verbonden is met de vissers, de visafslag, visverwerking et cetera. Vissers hebben een direct economisch belang bij hun activiteiten op het Nederlands deel van de Noordzee; daarnaast zijn ook verschillende havenactiviteiten direct of indirect afhankelijk van de visserij. De Noordzeevloot bestaat vooral uit kotters, die vissen op commerciële soorten zoals platvissen en garnalen (D3). Daarnaast zijn er vormen van passieve visserij, zoals staandwantvisserij en zijn er enkele vissers die op Ensis (scheermessen) vissen. De totale waarde van de visserij op het Nederlandse deel van de Noordzee is de afgelopen jaren gedaald; de kottervisserij op platvis is na de sanering in 2023 ongeveer met een derde afgenomen, waardoor naar verwachting de druk op het ecosysteem zal verminderen. Niettemin ligt er voor de overblijvende kotters een aanzienlijke opgave om de impact op het ecosysteem verder te verminderen als het gaat om bodemberoering (D6) en bijvangst (D1).

De economische waarde van de visserijsector in het Nederlandse deel van de Noordzee zal in 2035 naar verwachting tussen de 66 en 105 miljoen euro bedragen (tabel 2.1). De vloot van de toekomst zal minder impact hebben op het ecosysteem dan de hedendaagse kotters; een gevolg van het beschikbaar komen van economisch rendabele nieuwe technologieën.

Zeescheepvaart

Het Nederlandse deel van de Noordzee is belangrijk voor de scheepvaart; de vaarroutes behoren tot de drukste ter wereld. Veel schepen die door de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) varen, worden geëxploiteerd door buitenlandse rederijen, wat niet bijdraagt aan de Nederlandse economie. De economische waarde van de buitenlandse scheepvaart is daarom niet meegenomen in tabel 2.1.

De economische waarde van de scheepvaart is naar verwachting in 2030 met 30 tot 40 procent toegenomen. Deze ontwikkeling zal voornamelijk zichtbaar zijn in de groeiende vervoerscapaciteit per schip. Het aantal schepen op zich neemt naar verwachting nauwelijks toe. Ook na 2030 blijft het jaarlijks volume aan door de scheepvaart vervoerde vracht groeien, onder meer als gevolg van het groeiend transport van stoffen en materialen die samenhangen met de energietransitie. Voor de niet op wind en zon gebaseerde productie van waterstof bijvoorbeeld moeten ammonia en andere chemicaliën worden geïmporteerd. Transport van olie en gas zal afnemen39.

Scheepvaart heeft invloed op het mariene milieu, onder meer door operationele effecten zoals de introductie van niet-inheemse soorten (D2), verontreiniging en vervuiling door incidenten waarbij lading wordt verloren (D8 en D10) en onderwatergeluid (D11). De ontwikkeling van de milieudruk hangt samen met veranderingen in het aantal scheepvaartbewegingen, maar ook met de effecten van maatregelen zoals de uitvoering van wetgeving van de International Convention for the Prevention of Pollution from Ships (MARPOL), het internationale Ballastwaterverdrag, striktere regelgeving van lozing van stoffen op zee, en van technologische innovaties, zoals elektrificatie in de scheepvaart, die kan leiden tot minder geluid onder water.

Olie- en gaswinning

Schommelingen in de economische waarde van de olie- en gaswinning zijn sterk gerelateerd aan prijsfluctuaties. De productiewaarde en het aantal banen in deze sector zijn in de periode 2017-2021 gedaald. Naar verwachting neemt de hoeveelheid op de Noordzee te winnen olie en gas de komende jaren verder af; een ontwikkeling die samenhangt met de energietransitie. De mate en snelheid van de afbouw van olie- en gaswinning wordt dan ook sterk bepaald door het tempo van de energietransitie en van de economische groei van andere vormen van energiewinning40. Met die afname zal ook de milieubelasting verminderen die kan

Transitie visserijsector

De mogelijkheden voor visserij op de Noordzee staan onder druk, onder meer door de aanleg van windparken, de sluiting van natuurgebieden, het verbod op pulsvisserij en de Brexit. De visie op voedsel uit zee en grote wateren richt zich op de borging van voedselwinning op de lange termijn. Voedsel uit zee heeft namelijk een relatief lage CO2 uitstoot, is eiwitrijk, gezond en voedsel van dichtbij. Uitgangspunt is dat deze voedselwinning moet plaatsvinden binnen de draagkracht van het ecosysteem. De visie schetst het perspectief voor 2050 met een robuuste visserij en aquacultuursector, die een regionaal, gezond en duurzaam product levert en die een goede boterham verdient. Daarvoor is fysieke ruimte nodig op zee, vernieuwend ondernemerschap en Europese samenwerking. Bij het vernieuwend ondernemerschap hoort o.a. de inzet op innovaties en investeringen om de impact te verminderen en te komen tot minder CO2 uitstoot, minder bodemberoering en minder bijvangst. Er zijn middelen beschikbaar om deze ontwikkelingen te ondersteunen (Visie op voedsel uit zee en grote wateren, maart 2024).

optreden tijdens de gehele levenscyclus van deze activiteiten, van exploratie tot de ontmanteling na afloop van de exploitatieperiode. Milieudruk kan het gevolg zijn van de lozing van afvalwater, olie, chemicaliën, boorgruis (D8), fysieke impact op de zeebodem (D6) door de plaatsing en verwijdering van installaties en pijpleidingen, onderwatergeluid van seismisch onderzoek en boren (D11) en verstorende verlichting van de installaties (D11)41

Offshore windenergie

De economische waarde van de productie van windenergie op zee is tussen 2015 en 2021 toegenomen. Zowel de productiewaarde als de toegevoegde waarde zijn in de periode 2015-2017 verdrievoudigd, ondanks een daling van de elektriciteitsprijzen. Daarna verandert het beeld; de productie (in kWh) en daarmee de productiewaarde van windenergie op zee zijn tussen 2019 en 2021 verder toegenomen maar de toegevoegde waarde daalde, dit als gevolg van de geleidelijke afschaffing van DE++-subsidies.|

Het opgesteld vermogen aan offshore windenergie zal in de komende decennia nog groeien. De Nederlandse toekomstambities (zie onderstaande tekstbox) betekenen een toename van de toegevoegde waarde van de offshore windenergie met 618 tot 1.249 miljoen euro in de periode tot 203542

Met de uitbreiding van de opwekking van windenergie op zee nemen ook de negatieve effecten op het mariene milieu toe:

- groter risico op botsingen met rotorbladen, habitatverlies en extra vliegtijd door omvliegen is schadelijk voor vogelpopulaties (D1);

- het leggen van kabels en leidingen verstoort de zeebodem en habitats (D6);

- toename van onderwatergeluid met gevolgen voor zeezoogdieren (D11);

- het areaal waar hydrografische verstoring optreedt wordt groter (D7);

- mogelijk ‘verbeteren’ de vestigingscondities voor niet-inheemse soorten (D2);

- milieudruk als gevolg van plaatsing en verwijdering van installaties;

- elektromagnetische velden zullen in een groter gebied effecten kunnen hebben op haaien en roggen.

De aanleg van windparken op zee heeft mogelijk ook positieve effecten. Vooral in combinatie met natuurinclusief bouwen biedt de fundering van de windturbines aanhechtmogelijkheden voor planten en dieren (extra hard substraat). De kansen voor deze hotspots van biodiversiteit en een rijker onderwaterleven worden nog vergroot doordat het zeegebied binnen de grenzen van de parken niet mag worden bevist. Tussen de windturbines kan zich zo een gunstige habitat voor onderwaterleven ontwikkelen.

Winning van zand en grind

Jaarlijks wordt uit het Nederlandse deel van de Noordzee rond de 25 miljoen kubieke meter zand gewonnen; suppletiezand voor onderhoud van de kust voor waterveiligheid en ophoogzand voor bouw- en infrastructurele projecten. De winning van grind komt relatief zelden voor. De productie- en toegevoegde waarde van de sector kende een dip in 2017 ten opzichte van 2015, waarna een duidelijke stijgende lijn zichtbaar is43. De toekomstige vraag naar zand en grind hangt onder

De energietransitie

In 2050 ambieert Nederland volledig te zijn overgestapt naar het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie op zee. Het kabinet besloot om ongeveer 21 gigawatt (GW) aan windenergie op zee te ontwikkelen tot en met 2032. Na 2032 richt het zich op verdere uitbreiding tot ongeveer 50 GW geïnstalleerd vermogen op zee in 2040. Er wordt onderzocht of de op zee opgewekte windenergiein de toekomst deels kan worden omgezet in waterstof. Daarnaast worden er zogenaamde ‘energiehubs’ ontwikkeld voor energiegebieden verder uit de kust; dit zijn knooppunten in een energiesysteem waarin verschillende energiebronnen en -dragers met elkaar zijn verbonden.

andere af van de snelheid van de zeespiegelstijging en de economische groei. Naar verwachting zal in de toekomst meer zand uit het Nederlandse deel van de Noordzee worden gewonnen vanwege klimaatverandering en de daarmee samenhangende noodzaak om de kust op zijn plaats te houden. Afhankelijk van het scenario van zeespiegelstijging en de suppletiebehoefte zal er tussen anderhalf en vier keer meer zand gewonnen moeten worden (https://kpzss.nl/tussenbalans/).

Toename van zandwinning kan leiden tot meer negatieve gevolgen voor het mariene ecosysteem waaronder de integriteit van de zeebodem (D6) en de daar gevestigde leefgemeenschappen, de stabiliteit van het kustfundament en de helderheid van het water. De overheid onderzoekt daarom hoe zo goed mogelijk rekening gehouden kan worden met de natuur bij zandwinning, bijvoorbeeld in het Monitoring- en Evaluatieplan Zandwinning Noordzee en het onderzoeksprogramma OR ELSE.44

Overige activiteiten op zee

Aquacultuur, CO2-opslag, waterstofproductie en opwekking van elektriciteit uit zonne-energie zijn nieuwe activiteiten op de Noordzee, die mogelijk in de toekomst aan economisch belang zullen winnen. De wijze waarop ontwikkelingen binnen deze sectoren de aard en omvang van de milieudruk beïnvloeden, is nog niet goed in beeld.

De aquacultuursector (op zee) verkeert nog in de pilotfase. De laatste jaren is de belangstelling voor het uitbreiden van aquacultuur van schelpdieren en zeewier op volle zee toegenomen. Het Rijk heeft als doel om in de periode tot 2030 vijf tot tien grootschalige offshore aquacultuuractiviteiten te ontwikkelen. Voor de commerciële kweek van schelpdieren en zeewier op de Noordzee moeten nog economische en technische drempels worden overwonnen. Eén van de technische uitdagingen is bijvoorbeeld het monitoren van de productie op kweeklocaties op afstand. De kansen voor aquacultuur op zee liggen vooral in de primaire productie van hoogwaardige producten, innovatieve kweeksystemen en productiegebieden nearshore en binnen windparken, en het verbeteren van het kweekrendement van schelpdieren. De milieudruk van zeewier- en schelpdierkweek wordt niet hoog geacht, met het voorbehoud dat veel nog onbekend is, onder meer over de risico’s van nutriëntenonttrekking. Koolstofafvang en -opslag (CCS) is een manier om de CO2-uitstoot in de atmosfeer te verminderen. De techniek is op dit moment nog geen praktijk op het Nederlandse deel van de Noordzee, maar inmiddels zijn wel initiatieven opgestart die moeten leiden tot een mogelijke CO2-opslag van in totaal 24 miljoen ton per jaar in 2035.45. De inzet van waterstof in het productie- en transportsysteem van energie op het Nederlandse deel van de Noordzee ligt nog in de toekomst, maar heeft de potentie om een belangrijke economische activiteit te worden. In 2024 wordt de eerste offshore proefinstallatie voor waterstof (PosHYdon) op de Noordzee gebouwd46. Voor de productie van elektriciteit uit zonne-energie zijn tot nog toe op het Nederlandse deel van de Noordzee (binnen de 12-mijlszone) alleen pilots gestart. Voor deze economische activiteit zouden delen van de Noordzee in de toekomst een veelbelovende locatie kunnen zijn 47

Economische activiteiten op land

De toegevoegde waarde van de Nederlandse havens bedroeg in 2021 20,9 miljard euro. Daarnaast levert het geheel van activiteiten dat in de kustzone is gericht op recreatie en toerisme, zowel van de eigen bevolking als vanuit het buitenland, een beduidende bijdrage aan het economisch belang van de Noordzee.

Tabel 2.1: Economisch belang van de Noordzee (2015-2021; bron: CBS (2023); 2035 berekend op basis van Ecorys (2023).

Sector

Indicator

2015

2017

2019

2021

2035*

Scheepvaart

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

9,5

6.601

1.907

9,2

6.059

1.687

8,7

6.310

1.552

9,2

7.352

2.398

13,5 - 17,7

10.807 - 14.189

3.525 - 4.628

Visserij

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

0,8

153

89

0,7

151

95

0,7

135

81

0,7

142

85

0,5 - 0,8

111 - 174

66 - 105

Olie en

Gaswinning

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

4,0

5.013

3.405

2,9

3.144

2.071

2,9

2.649

1,676

2,2

3.272

1.945

3,0 - 6,0

2.421 - 3.436

1.440 - 2.043

Windenergie

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

0,1

158

88

0,1

547

341

0,1

541

339

0,3

552

67

3,0 - 6,0

5.051 - 10.213

618 - 1.249

Zandwinning

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

0,3

145

52

0,2

122

46

0,2

149

58

0,3

213

82

0,4

256

99

Totaal op zee

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

14,6

12.071

5.542

13,1

10.023

4.241

12,7

9.784

3.706

12,7

11.531

4.578

19,8 - 26,8

16.603 - 27.214

6.364 - 7.508

Zeehavens

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

114.2

12.071

5.542

117,4

69.326

17.076

125,1

76.536

18.244

124,1

83.590

20.927

 

Kustzone

Werk-

gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

158,3

44,1

4.100

2.183

48,3

4.628

2.493

50,0

4.945

2.662

49,9

4.411

2.292

 

Totaal op land

Werk-gelegenheid

Productiewaarde

Toegevoegde waarde

158,3

69.796

18.059

165,7

73.954

19.570

175,1

81.480

20.905

174,0

88.001

23.219

 

Werkgelegenheid x 1000 fte; overig in miljoen euro.

* Deze cijfers zijn gebaseerd op een scenario-analysestudie van Ecorys. In deze studie worden cijfers gepresenteerd voor drie scenario’s die elk uitgaan van een andere implementatiesnelheid van het duurzaamheidsbeleid. Deze studie betrof alleen de activiteiten op zee. Voor meer informatie zie Ecorys 2023.

**Kleine verschillen in de optelling hebben te maken met afrondingen.

2.2 Gemaakte kosten ter vermindering van aantasting van het mariene milieu door economische activiteiten

De kosten van de aantasting van het mariene milieu kunnen op verschillende manieren worden geanalyseerd en in beeld gebracht48. Zo heeft Wageningen Economic Research (WEcR) een analyse gemaakt op basis van ecosysteemgoederen en -diensten én een zogeheten cost based approach 49. De eerstgenoemde analyse is conceptueel, methodisch en empirisch nog niet volwassen genoeg om te worden toegepast. Nederland heeft gekozen voor de cost based approach, een pragmatische methode die een overzicht geeft van de jaarlijkse kosten die worden gemaakt om verdere milieuaantasting tegen te gaan en te voorkomen.

Tabel 2.2 geeft een overzicht van de financiële kosten die in 2022 zijn gemaakt om milieuaantasting tegen te gaan op het Nederlandse deel van de Noordzee te verbeteren, dan wel om milieuschade te voorkomen. De kosten zijn onder andere gebaseerd op het KRM-programma van maatregelen (Mariene Strategie deel 3). Dit programma omvat maatregelen die nodig zijn om de goede milieutoestand en de milieudoelen te kunnen bereiken. Daarnaast zijn ook de kosten meegenomen van maatregelen die weliswaar onderdeel zijn van staand beleid, zoals de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn, maar die tevens bijdragen aan de verbetering van het mariene milieu50.

De categorisering in onderstaande tabel is gebaseerd op gebruik en menselijke activiteiten die op zee plaatsvinden, of die vanaf het land invloed hebben op het mariene milieu. Uit dit overzicht blijkt dat Nederland jaarlijks minimaal tussen de 0,7 en 2,2 miljard euro uitgeeft aan maatregelen om aantasting van het mariene milieu te voorkomen of te verminderen. Van een deel van de kosten is het niet goed mogelijk om de bijdrage is aan het beschermen van het mariene milieu exact te bepalen; daarom is een bandbreedte gepresenteerd. Behalve sectoren die op en langs de Noordzee actief zijn, treffen ook sectoren op het land veel maatregelen die bijdragen aan de bescherming van de Noordzee. Hieronder vallen onder meer maatregelen die de landbouw moet treffen voor de Nitraatrichtlijn en investeringen in de rioolwaterzuivering51.

De ingeschatte kosten in onderstaande tabel 2.2 zijn een ondergrens voor de waarde die de maatschappij hecht aan het tegengaan van verdere aantasting van het mariene milieu. Onderzoek laat zien dat de Nederlandse burgers kennis hebben van de milieuproblemen op de Noordzee en dat een deel van de geënquêteerden ook bereid is om financieel bij te dragen aan het bereiken van de goede milieutoestand. Een deel van de respondenten vindt daarentegen dat degenen die het meest vervuilen ook moeten opdraaien voor de kosten52. Bijlage VII geeft een beknopte samenvatting van dit onderzoek.

Tabel 2.2 Inschatting van de totale huidige minimale jaarlijkse kosten (in 2022) om aantasting van het mariene milieu in het Nederlandse deel van de Noordzee te voorkomen of verminderen53.

Sector

Minimale kosten (in miljoenen euro’s)

Visserij & aquacultuur

36 - 40

Scheepvaart

52

Olie- en gaswinning

207

Zandwinning

**

Windenergie op zee

32 - 86

Havens

**

Activiteiten in de kustzone

24 - 33

Overheid

161 - 365

Landbouw

2 - 11

Stedelijke en industriële activiteiten

193 - 1.098

Overige activiteiten

22 - 123

Totaal

> € 719 - 2,015

** Gegevens over kosten konden niet worden verkregen.

3 Drukfactoren

3.1 Inleiding

De in het voorgaande hoofdstuk beschreven activiteiten oefenen druk uit op het mariene milieu. Dit hoofdstuk beschrijft de huidige toestand van de meest relevante drukfactoren (‘pressures’) in de Noordzee, inclusief descriptoroverstijgende drukfactoren (artikel 8 lid b en bijlage III van de KRM). Van de drukfactoren die onder een descriptor vallen is aangegeven of deze aan de goede milieutoestand voldoen (artikel 9).

3.2 Biologische drukfactoren

Onttrekking van of/sterfte/letsel van in het wild levende soorten door commerciële en recreatievisserij en andere activiteiten

Voor incidentele bijvangst van niet-commerciële soorten (criterium D1C1) wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Soorten).

De visserijsector is een van de belangrijkste gebruikers van het Noordzee-ecosysteem. De Europese Commissie reguleert het beheer ervan (vanaf 3 mijl uit de kust - in de 3-mijlszone reguleren de lidstaten zelf het visserijbeheer), via het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB; EU Verordening Nr. 1380/2013). De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer en de handhaving. Voor commercieel geëxploiteerde soorten gaat de KRM uit van de voorwaarden van het GVB en beschouwt de goede milieutoestand van commercieel geëxploiteerde soorten als bereikt, wanneer de visserijdruk onder het niveau ligt van een ‘maximale duurzame opbrengst’. Dit wordt afgemeten aan een maximale visserijsterfte (criterium D3C1) en minimale paaibiomassa (D3C2).

De beoordeling heeft betrekking op de periode 2015-2020 en op bestanden binnen de Internationale Noordzee. Van de 71 bestanden zijn 20 bestanden (28 procent) in goede toestand, 19 (27 procent) voldoen niet en van 32 (45 procent) bestanden is geen beoordeling mogelijk.

Introductie of verspreiding van niet-inheemse soorten

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten (NIS) zijn organismen die in nieuwe gebieden buiten hun natuurlijke habitat terechtkomen. In de perioden 2003-2008, 2009-2014 en 2015-2020 hebben zich respectievelijk 17, 18 en 24 NIS met een oorsprong van buiten Noordwest-Europa in het Nederlandse deel van de Noordzee gevestigd. Het aantal nieuw geïntroduceerde NIS is in de afgelopen planperiode dus niet afgenomen, maar zelfs verder toegenomen. Er zijn echter verschillende ontwikkelingen zichtbaar in de manier waarop ze worden geïntroduceerd. Voorheen gebeurde dit vooral via vis- en schelpdiertransporten. Dit aantal is gaandeweg afgenomen. De toename is uitsluitend te wijten aan een sterke toename van het aantal introducties via aangroei op scheepshuiden. Hoewel voor dit criterium nog geen drempelwaarde is vastgesteld, kan worden geconcludeerd dat de goede milieutoestand nog niet is bereikt.

Buiten de bovengenoemde drukfactoren benoemt de KRM in Bijlage III nog vier biologische drukfactoren die niet direct onder een descriptor vallen.

Introductie van microbiële ziekteverwekkers – geen bijbehorende descriptor

De Zwemwaterrichtlijn (2006/7/EG) [38] stelt bepalingen vast voor de controle op en de indeling van de zwemwaterkwaliteit, het beheer van de zwemwaterkwaliteit en het verstrekken van informatie over zwemwaterkwaliteit aan het publiek. De introductie van microbiële ziekteverwekkers valt onder de KRM. Dit geldt ook voor de kustwateren. De richtlijn specificeert de maatregelen die de lidstaten moeten nemen, vooral voor zwemwaterlocaties die als ‘slecht’ zijn beoordeeld. Vanuit de KRM is daarom geen aanvullend beleid nodig.

Introductie van genetisch gemodificeerde soorten en translocatie van inheemse soorten – geen bijbehorende descriptor

Voor het verplaatsen van schelpdieren van het ene naar het andere gebied is een vergunning nodig op grond van de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming). Om hierbij sanitaire, veterinaire of ecologische risico’s zoveel mogelijk te beperken, zijn in de beleidslijn inzake verplaatsen van schelpdieren54 trikte voorwaarden gesteld aan die vergunningverlening. Hierdoor wordt het inslepen van invasieve niet-inheemse soorten in Natura 2000-gebieden geminimaliseerd. Vanuit de KRM is daarom geen aanvullend beleid nodig.

Verlies of wijziging van natuurlijke biologische gemeenschappen als gevolg van de teelt van dier- of plantensoorten – geen bijbehorende descriptor

De aquacultuur in Nederland op zee (inclusief maricultuur) is nog beperkt van omvang. Wel zijn er ontwikkelkansen voor zeewier- en mosselkweek op de Noordzee als medegebruiksfunctie binnen windparken. Zie hiervoor hoofdstuk 5.

Verstoring van soorten door menselijke aanwezigheid - geen bijbehorende descriptor

Verstoring van soorten door menselijke activiteiten heeft te maken met de kwaliteit van leefgebieden van soorten. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

3.3 Fysische drukfactoren

Fysiek verlies van de zeebodem

Aanleg van windturbines, platforms en pijpleidingen leidt tot verlies aan natuurlijke zeebodem door afdekking (‘sealed loss’). Ook landaanwinning leidt tot sealed loss, maar afgelopen planperiode zijn er geen initiatieven geweest. Bodemberoerende visserij en grondstoffenwinning kunnen ook leiden tot verlies van habitat (‘unsealed loss’). Dat gebeurt wanneer door intensief gebruik de sedimentsamenstelling substantieel verandert, waardoor het bestaande breed habitattype overgaat in een ander breed habitattype (BHT).

Volgens OSPAR bedraagt het verlies aan zeebodemhabitat (criterium D6C1) in het Nederlandse deel van de Noordzee 201 km2 (van de 58.807 km2), ofwel 0,34 procent, wat vrijwel geheel het gevolg is van bodemberoerende visserij. Een aanvullende, meer gedetailleerde nationale analyse wijst uit dat daar bovenop 82 km2 (0,14 procent) is verloren door overige activiteiten, zoals de aanleg van vaargeulen, die hoofdzakelijk in voorgaande planperioden van de KRM hebben plaatsgevonden. In de laatste planperiode is het verlies nauwelijks toegenomen.

Criterium D6C4 beschouwt het verlies per habitattype. De EU-drempelwaarde gaat uit van een maximaal acceptabel verlies van 2 procent per BHT. Volgens de OSPAR-analyse is in het Nederlandse deel van de Noordzee alleen sprake van oppervlakteverlies aan offshore circalitoraal slibrijk habitat. Dit verlies als gevolg van bodemberoerende visserij bedraagt 1,5 procent. Het habitattype komt voor op en rond Centrale Oestergronden, Friese Front en Klaverbank. Uit een aanvullende nationale analyse blijkt dat de oppervlakte aan verlies door de aanwezigheid van structuren (leidingen, platforms en windmolens) en het verlies door zandwinning (inclusief verdiepte loswallen) en het verdiepen van vaargeulen per breed habitattype beperkt is gebleven tot maximaal 0,56 procent. Het verlies van brede habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2 procent en voldoet voor dit criterium aan de goede milieutoestand. Hierbij past wel de kanttekening dat de zogenaamde ‘overige habitattypen’ (specifieke habitats zoals biogene riffen) nog niet in de analyse zijn meegenomen.

Wijziging van hydrografische omstandigheden

Descriptor D7 gaat over permanente wijzigingen in hydrografische eigenschappen, ofwel over langdurige of permanente veranderingen van waterstanden en getij, stromingscondities, golven, temperatuur, saliniteit, troebelheid, sedimenttransport en bodemligging.

De totale omvang van sinds 2012 permanent hydrografisch gewijzigd gebied is naar schatting 324 km2; dit is 0,55 procent van de totale Nederlandse Noordzee. Deze omvang is vooral het gevolg van de aanleg van nieuwe windparken in de afgelopen planperiode. Modellering wijst namelijk uit dat door de aanleg van het Gemini-windpark (bestaande uit de delen Buitengaats en ZeeEnergie) en van een naburig windpark net over de grens met Duitsland, het aantal dagen van temperatuurstratificatie is afgenomen in een zeegebied van 291 km2. Vooral dit effect weegt mee in de geschatte omvang van het gebied met permanente hydrografische wijzigingen. Kanttekening: de indicatoren zijn nog in ontwikkeling. De bovengenoemde omvang is grotendeels bepaald door een nog verder te ontwikkelen model en voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

Aantasting van de zeebodem door fysieke verstoring of hydrografische wijzigingen

Criterium D6C2 gaat over de omvang van het deel van de zeebodem dat is verstoord. Bodemberoerende visserij is wijdverspreid en met afstand de belangrijkste oorzaak van verstoring: 66 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee heeft te maken met matige tot hoge visserijdruk. Zandwinning is de enige andere menselijke activiteit die noemenswaardige verstoring tot gevolg heeft. Deze is zeer lokaal en beslaat 0,1 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee.

De resultaten van criterium D6C2 zijn als input gebruikt voor D6C3, dat de omvang van de impact van verstoring (aantasting) per habitattype in beeld brengt. OSPAR heeft door middel van modellering per habitattype inschattingen gemaakt van de gevoeligheid van de habitat en van het risico op aantasting door visserijdruk. Een ‘medium’ of hoger risico op de schaal van de indicator is daarbij aangemerkt als maatgevend voor de status ‘aangetast’. Dit uitgangspunt leidt in het rekenmodel tot het resultaat dat 58 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee is aangetast als gevolg van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij. Slechts drie van de in totaal vijftien brede habitattypen (zie figuur 6.10 in de factsheet van D6) zijn minder dan 25 procent aangetast.

Een aanvullende nationale analyse laat zien dat door toedoen van zandwinning in het Nederlandse deel van de Noordzee een gering percentage van de habitattypen ‘offshore circalitoraal zand’, ‘circalitoraal zand’ en ‘circalitoraal slib’ is aangetast (respectievelijk 0,05, 0,30 en 0,27 procent).

De beoordeling is indicatief, omdat er niet is getoetst aan een drempelwaarde en omdat bij de resultaten methodische kanttekeningen zijn te plaatsen. Desalniettemin kan, gezien de resultaten, worden geconcludeerd dat de huidige toestand niet overeenkomt met de goede milieutoestand voor dit criterium.

Ook hydrografische wijzigingen (D7) kunnen leiden tot aantasting en verlies van benthische habitats. Het verlies als gevolg van permanente hydrografische wijzigingen bedraagt in de beoordelingsperiode 2016-2021 circa 60 km2 ofwel 0,1 procent van de Nederlandse Noordzee. Het areaal aangetast gebied is aanmerkelijk groter. Uit de analyse onder criterium D7C1 volgt dat naar schatting 251 km2 van benthische habitats is aangetast als gevolg van afname van de periodieke temperatuurstratificatie (als gevolg van turbulentie in de waterkolom) rond het windpark Gemini en in 40 km2 Nederlands gebied nabij het windpark Veja Mate (net over de grens met Duitsland).

Rond Gemini gaat het om de daar gelegen habitats offshore circalitoraal zand en circalitoraal zand; in het grensgebied met Duitsland betreft het 19 km2 habitat offshore circalitoraal zand en 21 km2 habitat offshore circalitoraal slib. De berekende omvang maakt circa 0,7 procent uit van het totaal aan zandige habitattypen.

De uitkomsten van D7 worden niet getoetst aan een drempelwaarde, maar dienen als input voor criterium D6C5. Wel duiden ze erop dat aantasting van benthische habitats nog beperkt is in verhouding tot de totaal aanwezig oppervlakte van de betreffende brede habitats in het Nederlandse deel van de Noordzee. De resultaten kunnen echter indicatief zijn voor de gevolgen van de aanleg van nieuwe windparken in gebieden waar temperatuurstratificatie één van de habitatkenmerken is, zoals in het noordelijke deel van de Nederlandse Noordzee. Analoog aan D7C1 geldt dat de resultaten indicatief zijn. Nader onderzoek zoals uitgevoerd wordt door onderzoeksprogramma's Wozep en MONS is cruciaal.

3.4 Vervuiling: stoffen, afval, energie

Toevoer van nutriënten en organisch materiaal

De huidige milieutoestand ten aanzien van descriptor D5 Eutrofiëring wordt beoordeeld op basis van een combinatie van criteria: nutriëntenconcentraties (D5C1), chlorofyl-a-concentraties (D5C2) en zuurstoftekort nabij de zeebodem (D5C5). Ongeveer de helft (49,7 procent van de oppervlakte) van het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand. Dit lage percentage wordt vooral bepaald door de ‘matige’ toestand van zuurstof nabij de zeebodem in de Oostelijke Noordzee (45,6 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee). Uit beoordeling op een fijnere schaal blijkt dat de zuurstofarme gebieden relatief klein zijn en in het Duitse en Deense deel van de Oostelijke Noordzee liggen. De toestandsbeoordeling ‘matig’ voor het Nederlandse deel van dit gebied geeft dus een vertekend beeld. In het overige deel dat niet voldoet aan de goede milieutoestand (4,6 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee) zijn eutrofiëringseffecten vooral te vinden in de rivierpluimen en aan de kust. De rivierpluimen beslaan 4,5 procent van het Nederlands zeegebied. De chlorofyl-a-waarden zijn hier zodanig dat de pluimgebieden in matige tot slechte toestand verkeren. De KRW-kustwateren beslaan maar een zeer klein deel van de Nederlandse Noordzee. Hiervan voldoet de Noordelijke Deltakust (0,1 procent van het Nederlandse zeegebied) niet aan de goede toestand (score ‘matig’). De resultaten met betrekking tot nutriënten worden niet meegenomen in de integrale beoordeling omdat niet alle wateren met een hoge nutriëntenconcentratie per definitie eutroof zijn. De beoordeling op zich, gebaseerd op concen-traties in de winter, geeft wel een goed beeld van de toevoer van voedingsstoffen naar het mariene milieu. De toestand met betrekking tot fosfaat is goed, maar die van stikstof voldoet niet in de kustwateren en rivierpluimen, met uitzondering van het waterlichaam Waddenkust (kustwater). In het algemeen nemen nutriëntenconcentraties nog gestaag af.

Toevoer van chemische verontreinigingen

Onder descriptor D8 Verontreinigende stoffen worden verontreinigingen in het mariene milieu beoordeeld (D8C1). Een aantal stoffen voldoen aan de drempelwaarden, maar er zijn nog steeds stoffen die niet voldoen. Dit zijn vooral persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen aangeduid als ‘UPBT-stoffen’, (Ubiquitous, Persistent, Bioaccumulative and Toxic substances). Weliswaar zijn maatregelen getroffen om emissies van deze stoffen te beperken of te beëindigen, maar door hun eigenschappen zijn ze alomtegenwoordig en blijven ze nog lang in het mariene milieu aanwezig. Van de 19 beoordeelde UPBT-stoffen voldoen 8 stoffen (42 procent) niet aan de milieukwaliteitsnorm. Dit zijn organische microverontreinigingen, waaronder PAK’s, PFOS, PBDE’s en PCB’s, en de metalen kwik en tributyltin.

Veruit de meeste niet-UPBT-stoffen voldoen aan de kwaliteitsnorm. Van de 119 stoffen overschrijden er 8 (6,7 procent) de drempelwaarde. Van de meeste stoffen is de concentratie in de afgelopen jaren gelijk gebleven of iets gedaald in vergelijking met de voorgaande planperiode. Dit beeld komt overeen met dat in de voorgaande planperiode. Een exacte vergelijking met voorgaande planperioden is lastig, omdat in elke periode de lijst met getoetste stoffen verandert en ook milieunormen tussentijds kunnen worden aangepast.

Voor toetsing aan het criterium voor schadelijke effecten van verontreinigende stoffen op soorten (D8C2) worden effecten van tributyltin bepaald aan de hand van imposex in mariene slakken. Imposex is een verschijnsel waarbij vrouwelijke zeeslakken, na blootstelling aan tributyltin, mannelijke geslachtsorganen ontwikkelen. Hoewel deze persistente stof de grenswaarde in het milieu (zie D8C1) nog steeds overschrijdt, is de mate van imposex zodanig afgenomen dat voor criterium D8C2 in dit opzicht de goede milieutoestand is bereikt.

De KRM vraagt om de omvang van incidentele ernstige verontreinigingen in te schatten (D8C3). In de periode 2016-2021 is één olieverontreiniging met een volume groter dan 5 m3 gesignaleerd. Deze olie is direct opgeruimd, waardoor potentiële ernstige effecten op het mariene milieu zijn voorkomen.

Verontreinigingen in visserijproducten

Voor descriptor D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten, moet worden uitgegaan van Verordening 1881/2006. De verontreinigingsniveaus in de levensmiddelen visvlees, schaaldieren (garnalen, krab en kreeft) en tweekleppige weekdieren (mosselen) voldoen in ten minste 90 procent van de onderzochte visserijproducten aan de door de EU vastgestelde maximumgehalten. Hiermee is de goede milieutoestand behouden.

Toevoer van zwerfvuil

De KRM onderscheidt twee primaire criteria voor de beoordeling van de verspreiding van afval in het mariene milieu: D10C1 Zwerfafval in het mariene milieu ( > 5mm) en D10C2 Microafval in het mariene milieu ( < 5mm). Het secundaire criterium D10C3 gaat over zwerfafval dat door zeedieren wordt opgenomen.

De beoordeling is gebaseerd op de toestand van zwerfafval op het strand (D10C1) en op afval dat is aangetroffen in magen van noordse stormvogels (D10C3). In de Internationale Noordzee en in het Nederlandse deel hiervan is een significante afname van zowel strandafval als plastics in magen van noordse stormvogels zichtbaar. Desondanks is de goede milieutoestand met betrekking tot zwerfafval nog niet bereikt. Het is nog niet mogelijk om de toestand van microafval (D10C2) of van afval op de zeebodem (D10C1) te beoordelen. Wel geven de beschikbare gegevens geen positief beeld. In de gehele OSPAR-regio komt zwerfafval in grote hoeveelheden voor. Hoewel de samenstelling per regio verschilt, worden zowel op de stranden als op de zeebodem voornamelijk visserijgerelateerd afval en single-use plastics aangetroffen.

Toevoer van antropogeen geluid en andere vormen van energie

In de afgelopen planperiode zijn in OSPAR belangrijke stappen gezet op het gebied van de monitoring en beoordeling van impulsgeluid (criterium D11C1) en continugeluid (criterium D11C2) in zee. Zowel de monitoring als de beoordeling moet nog worden verbeterd. In EU-verband zijn in 2022 drempelwaarden voor continu geluid en impulsgeluid vastgesteld. Nederland neemt deze drempelwaarden nog niet over, maar wil deze eerst regionaal nader uitwerken. Desondanks is er genoeg inzicht in de situatie rondom onderwatergeluid om tot een beoordeling te kunnen komen.

Uit de OSPAR-analyse blijkt dat op de gehele Noordzee seismisch onderzoek de meest dominante bron is van impulsgeluid. In het Nederlandse deel van de Noordzee is tijdens de beoordelingsperiode slechts één seismische survey uitgevoerd; daarnaast is er geheid voor de aanleg van windparken en ging het opruimen van munitie gepaard met explosies. Nederland concludeert op basis van expert judgement dat de huidige toestand voldoet aan de goede milieutoestand. Dit oordeel wordt ondersteund door de berekende risico’s op verstoring van bruinvissen te vergelijken met de voorwaarde voor hei-activiteiten ten behoeve van Wind op Zee. Aan deze laatste voorwaarde, die veel strenger is dan de Europese drempelwaarde, wordt ruimschoots voldaan.

Scheepsgeluid is op de Noordzee de dominante bron van continu geluid. Deze bron veroorzaakt een toename van 20 dB boven het natuurlijke geluidsniveau in het zuidelijke deel van de Noordzee en langs de grote scheepvaartroutes. Het geluidsniveau is het laagst op de Doggersbank.

De indicator moet verder worden ontwikkeld en de beoordelingsresultaten hebben nog een voorlopige status. De beoordelingsresultaten rechtvaardigen de conclusie dat de toestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet voldoet aan de goede milieutoestand.

Descriptor D11 omvat het ruimere begrip ‘toevoer van energie’. Vooralsnog bestaan er alleen criteria voor onderwatergeluid. Bijgevolg is voor andere vormen van energie nog geen goede milieutoestand geformuleerd. Wel verkent Nederland de effecten van elektromagnetische velden rond stroomkabels van windturbines en -parken op het mariene milieu; zie hoofdstuk 5.​

3.5 Toestand van de drukfactoren

Van alle drukfactoren die onder een descriptor vallen staan de beoordelingen, formulering van de goede milieutoestand en gebruikte indicatoren samengevat in Bijlage V. Voor een uitgebreide omschrijving wordt verwezen naar de factsheets in Bijlage VIII. Tabel 3.1 geeft de huidige toestand per kenmerk weer. Deze kenmerken gebruiken landen bij de beoordeling van de milieutoestand. Zie ook de leeswijzer bij de factsheets (Bijlage VIII).

3.6 Descriptor-overstijgende drukfactoren

Klimaatverandering

Klimaatverandering valt niet onder een KRM-descriptor, maar is wel een drukfactor met impact op mariene organismen, ecosystemen en ecosysteemdiensten. Klimaatverandering veroorzaakt onder andere opwarming van de oceanen, verlaagde zuurstofconcentraties, hittegolven op zee en stijging van de zeespiegel. Klimaatverandering veroorzaakt ook wijdverspreide veranderingen in de watercyclus, wat bijvoorbeeld samengaat met veranderingen in intensiteit van stormen en in de dynamiek van zoetwaterinflux vanaf land middels rivieren, en verandert de stratificatie van de oceanen en de oceaancirculatie. Deze veranderingen in de fysieke en chemische omstandigheden van het mariene milieu kunnen lokaal sterk variëren, maar hebben overal gevolgen voor het mariene leven.

De komende decennia is een stijging van zowel de watertemperatuur als de zeespiegel in de Noordzee te verwachten. Directe effecten van de zeespiegelstijging zijn in Nederland vooral te verwachten in de ondiepste zones langs de kust. Platen die nu nog droogvallen, kunnen op termijn bij laag water korter of helemaal niet meer droogvallen. Als gevolg daarvan zullen nest-, foerageer- en rustmogelijkheden voor wadvogels en essentiële rust-, verhaar- en zoogmogelijkheden voor zeehonden verminderen. De tot 2100 verwachte zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust varieert, afhankelijk van het gehanteerde klimaatscenario, van 44 cm tot 124 cm55.

In OSPAR zijn nog geen indicatoren overeengekomen die een regionale beoordeling van de gevolgen van klimaatverandering mogelijk maken. Maar er is een grote hoeveelheid kennis over klimaatverandering in de noordelijke Atlantische Oceaan, die bewijzen levert van bijvoorbeeld verschuivingen in de verspreiding van soorten die verband houden met de opwarming, veranderde trofische interacties, veranderingen in de productiviteit en zeespiegelstijging56. Zo wordt de huidige milieutoestand van alle soortengroepen, habitats en voedselwebben waarschijnlijk nu al in enige mate beïnvloed door klimaatverandering.

Oceaanverzuring

Oceaanverzuring wordt veroorzaakt door de uitstoot van CO2. Een kwart van de uitgestoten CO2 wordt geabsorbeerd geabsorbeerd door de oceaan en verandert de chemische balans van het water, dat zuurder wordt (lagere pH) en waarin sommige bouwstenen voor kalkhoudende structuren minder beschikbaar zijn.

OSPAR (2023) concludeert dat oceaanverzuring een grote bedreiging vormt voor mariene soorten, ecosystemen en ecosysteemdiensten. Naar verwachting zullen veel mariene organismen negatieve gevolgen ondervinden van voortschrijdende verzuring, zeker wanneer deze druk samenvalt met andere drukfactoren. Vooral kalkrijke habitats en kalkvormende organismen, waaronder veel commercieel geëxploiteerde soorten, zijn kwetsbaar(bijvoorbeeld mosselen, oesters en kokkels). In verzuurd zeewater kan het meer energie kosten om een schelp of kalkskelet te vormen, en die energie kan niet meer worden gebruikt voor groei, voortplanting en afweer. Oceaanverzuring is een proces dat zich over tientallen jaren voltrekt. Het vermogen van mariene organismen om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden zal afhangen van de snelheid en de omvang van de milieu-veranderingen, inclusief acclimatisatie en evolutie gedurende meerdere generaties57.

Kustzeeën zoals de Noordzee zijn veel dynamischer dan de open oceaan. Door bijvoorbeeld de invloed van nutriënten die door de rivieren worden aangevoerd varieert de primaire productie (en daarmee de opname van CO2 door algen) sterk. We zien hierdoor zowel binnen een jaar als tussen jaren een grotere amplitude in verzuringsparameters dan in de oceanen. Als gevolg van deze lokale variabiliteit kan het zijn dat in kustzeëen de verzuringstrends wat versterkt of gedempt worden ten opzichte van de trends die op de oceanen worden waargenomen. De verwachting is dat de Noordzee in de toekomst verder blijft verzuren.

Cumulatieve effecten

De opeenstapeling van effecten van diverse drukfactoren wordt ook wel cumulatieve effecten genoemd. De combinatie van alle hierboven beschreven en van externe/buiten het zeemilieu liggende drukfactoren heeft geleid tot de toestand van het mariene milieu zoals in hoofdstuk 4 wordt gepresenteerd. Toekomstige ontwikkelingen zullen hierin verandering brengen, hetzij negatief, hetzij positief (zie ook hoofdstuk 2 en 5). Naar verwachting zullen vooral klimaatverandering en de forse uitbreiding van wind op zee (ter voorkoming van klimaatverandering) tot veranderingen in het mariene milieu leiden.

4 Toestand van het mariene ecosysteem

4.1 Inleiding

De beschreven drukfactoren uit het voorgaande hoofdstuk hebben hun weerslag op het mariene ecosysteem. Dit hoofdstuk beschrijft de huidige toestand (‘state’) van soortgroepen (D1), habitats (D1C6 en D6) en voedselwebben (D4) en concludeert of deze in een goede milieutoestand verkeren. Hiermee wordt invulling gegeven aan respectievelijk Art. 8 lid 1a en Art. 9 en de hierin aangehaalde Bijlage III van de KRM.

4.2 Soorten

Zeevogels

De beoordeling van de huidige toestand van zeevogels is gebaseerd op gegevens over populatieabundatie (criterium D1C2) en broedsucces (D1C3). Er is nog te weinig kennis over de relatieve invloed van de verschillende drukfactoren en over cumulatieve effecten voor vogels. Daarom zijn criteria D1C1 Incidentele bijvangst en D1C5 Kwaliteit leefgebied nog geen onderdeel van de algehele beoordeling.

Voor de beoordeling van de zeevogels zijn de soorten ingedeeld in groepen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen oppervlaktefoerageerders (soorten die voedsel van nabij het wateroppervlak halen), waterkolomfoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdegebied (waadvogels). In de Internationale Noordzee voldoet de groep waterkolomfoerageerders aan de goede milieutoestand. Van de andere drie groepen verkeert aanzienlijk minder dan de vereiste 75 procent van de beoordeelde soorten in ‘goede toestand’ (OSPAR, 2023). Als alle soorten in totaal (dus niet per groep) worden beschouwd verkeren 14 van de 27 broedvogelsoorten (52 procent) niet in goede milieutoestand. Voor niet-broedvogels is dit 17 van de 39 soorten (44 procent). Een aparte analyse van gegevens uit Nederlandse vliegtuigtellingen levert een vergelijkbaar beeld op voor het Nederlandse deel van de Noordzee. Ten opzichte van de voorgaande planperiode is van geen enkele soort de toestand veranderd. Veel soorten verkeren al lange tijd niet in goede toestand en blijven verder achteruitgaan.

Zeezoogdieren

De integrale beoordeling van zeezoogdieren is gebaseerd op informatie over incidentele bijvangst (D1C1), populatieabundantie (D1C2) en verspreiding (D1C4) van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond. Van zeehonden is ook de pupproductie (D1C3) meegenomen.

Over het geheel genomen vertonen grijze zeehond en gewone zeehond in deze planperiode een opgaande trend, waardoor de beoordeling positief is bijgesteld en de goede milieutoestand is bereikt. Voor bruinvis is dit niet het geval vanwege de overschrijding van de drempelwaarde van bijvangst. Alertheid voor de toestand van zeehonden blijft echter geboden, gezien de soms plotselinge populatieontwikkelingen in het verleden, en – bij gewone zeehond – een afvlakking van de opgaande trend in de beoordelingsperiode. Sinds 2021 is zelfs sprake van afname van de populatiegroei.

Vissen

Onder de KRM komen vissen in beeld onder twee descriptoren: D1 Biodiversiteit en D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal-, en schelpdieren. Omdat commercieel beviste soorten in belangrijke mate bijdragen aan de biodiversiteit, is de D3-beoordeling van deze vissen eveneens onderdeel van D1 die de biodiversiteit van vissen als geheel beschouwt. De algehele beoordeling is gebaseerd op de populatieomvang (D1C2). Herstel op zowel de lange als op korte termijn is bereikt voor kwetsbare soorten zoals de gladde haai, hondshaai, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog en golfrog. Ook is er een geleidelijke verbetering zichtbaar bij demersale en benthische commerciële vissoorten. Van veel vispopulaties is onvoldoende informatie beschikbaar om een oordeel te geven, waardoor de beoordeling over de gehele vissengemeenschap onzeker is. Vooral van kustgebonden en pelagische populaties is weinig bekend. Vanwege de opzet van de meetnetten is het meeste bekend over demersale vissen (vissen die op of nabij de bodem leven). Van deze groep, die 86 populaties telt, voldoet 29 procent aan de drempelwaarde, 30 procent voldoet niet en van de rest is onvoldoende bekend. Geen van de soortgroepen voldoet aan de goede milieutoestand, die vereist dat 80 procent van de populaties binnen de groep in goede toestand verkeert.

Koppotigen

De KRM vat onder descriptor D1 Biodiversiteit ook koppotigen, naast zeevogels, zeezoogdieren, vissen en habitats. Onder koppotigen vallen inktvissen en octopussen. Over deze groep is nog weinig bekend. Een beoordeling is daarom nog niet mogelijk. De beschikbare data lijken te wijzen op een toename in de Zuidelijke Noordzee. Aanname is dat dit komt doordat inktvissen naar het noorden migreren door het warmer worden van het zeewater als gevolg van klimaatverandering.

4.3 Habitats

Pelagische habitats

Onder pelagische habitats worden fytoplankton en zoöplankton verstaan. Fytoplankton zijn plantaardige organismen, zoals groene algen en diatomeeën; zoöplankton zijn dierlijke organismen zoals copepoden en larven van bijvoorbeeld vis en benthische dieren. Hoewel er belangrijke kennishiaten resteren, heeft OSPAR twee indicatoren ontwikkeld waardoor voor de eerste keer een beoordeling van de pelagische habitats mogelijk is. De indicatoren beschouwen veranderingen in soortensamenstelling en veranderingen in biomassa en of deze veranderingen gekoppeld zijn aan antropogene drukfactoren.

Planktongemeenschappen zijn zowel in voorgaande perioden als in de planperiode 2015-2019 sterk veranderd. Exploratieve analyse wijst uit dat deze veranderingen onder andere correleren met het opwarmen van de wateren in de Noordzee en met fluctuaties in nutriëntenconcentraties. De waargenomen veranderingen kunnen waarschijnlijk worden gekoppeld aan menselijk handelen. Daarom is geconcludeerd dat pelagische habitats in de Internationale Noordzee over het geheel genomen niet in goede milieutoestand verkeren.

Benthische habitats

Benthische habitats en de bodemdiergemeenschappen die daarmee zijn geassocieerd, hebben een belangrijke rol in het ecosysteem. Fysieke verstoring of hydrografische wijzigingen kunnen leiden tot aantasting of zelfs verlies van benthische habitats. Zie hiervoor hoofdstuk 3. In deze paragraaf komt de uiteindelijke weerslag van de gezamenlijke drukfactoren op de kwaliteit van benthische habitats (criterium D6C5) aan bod, evenals de overkoepelende beoordeling van descriptor D6.

Voor criterium D6C5 is een EU-drempelwaarde vastgesteld die het maximale aandeel van een habitattype in een beoordelingsgebied aangeeft dat substantieel fysiek mag worden verstoord. Omdat onduidelijk is wat precies wordt verstaan onder ‘substantieel fysiek verstoord’, heeft Nederland deze drempelwaarde nog niet overgenomen. Onder criterium D6C5 is aan de hand van drie indicatoren de kwaliteit van de habitattypen bepaald. Doordat de indicatoren verschillende kwaliteitsaspecten tonen, geeft de combinatie een completer beeld van de kwaliteit dan elk van de drie afzonderlijk. De zogenaamde BISI-indicator laat zien dat diverse typische, gevoelige en sleutelsoorten op grote schaal ontbreken of in lagere dichtheden voorkomen dan onder goede kwaliteitsomstandigheden zou zijn te verwachten. Het betreft hier vrijwel alle brede habitattypen. Ook de relatieve soortendiversiteit in de kustgebieden is laag. Ondanks het ontbreken van specifieke gevoelige soorten zijn diverse offshore habitats wel relatief soortenrijk.

Bij de algehele beoordeling van D6 worden alle criteria samen beschouwd (zie hoofdstuk 3 voor criteria D6C1 tot en met D6C4). Ondanks resterende methodische beperkingen is geconcludeerd dat de goede milieutoestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet is bereikt. Dit oordeel is gebaseerd op veldmetingen en specifiek op de BISI-indicator. De resultaten van de andere indicatoren ondersteunen deze conclusie, met name de OSPAR-indicator BH3 die het aangetaste aandeel per habitattype berekent (criterium D6C3; zie hoofdstuk 3). Het verlies van habitats blijft wel beneden de Europese drempelwaarde (D6C4; zie hoofdstuk 3).

4.4 Voedselwebben

Oganismen in en rondom de Noordzee vormen een levensgemeenschap en zijn met elkaar verbonden in een voedselweb. Het voedselweb is een netwerk van trofische relaties en interacties tussen organismen, waarbij energie wordt overgedragen van lagere naar hogere trofische niveaus in de vorm ‘eten en gegeten worden’. Fytoplankton vormt de basis van het mariene voedselweb, gevolgd door zoöplankton. Er is dan ook een belangrijke overlap tussen D4 Voedselwebben en D1C6 pelagische habitats (zie boven).

Descriptor D4 beschouwt de trofische gilden van mariene voedselketens. De toestand van het systeem is geanalyseerd aan de hand van de energieoverdracht binnen het voedselweb. Met de nieuwe en verder doorontwikkelde indicatoren van OSPAR is beoordeling van drie ‘gilden’ mogelijk: primaire producenten (fytoplankton), secondaire producenten (zoöplankton) en demersale vis. De goede milieutoestand voor het mariene voedselweb is bereikt als alle trofische gilden een productiviteit, dichtheid en diversiteit hebben op een niveau dat het functioneren van het voedselweb nu en in de toekomst garandeert. In de Noordzee verkeren drie van de zes gilden niet in een goede toestand. De toestand van de andere drie gilden is onbekend. Over het geheel genomen kan daarmee worden geconcludeerd dat D4 Voedselwebben niet aan de goede milieutoestand voldoet in de Internationale Noordzee.

4.5 Toestand van het mariene ecosysteem

De beoordelingen, formulering van de goede milieutoestand en gebruikte indicatoren staan samengevat in Bijlage V. Voor een uitgebreide omschrijving wordt verwezen naar de factsheets in Bijlage VIII. Tabel 4.1 geeft de huidige toestand per kenmerk weer.

5 Milieudoelen

5.1 Inleiding

Nederland stelt een operationeel toepasbare set milieudoelen vast om de belangrijkste drukfactoren voor het Noordzeemilieu te pareren. De noodzaak daartoe heeft een direct verband met de in het Programma Noordzee 2022-2027 voorziene verandering en/of intensivering van het gebruik van de Noordzee, bijvoorbeeld op het gebied van windenergie, scheepvaart, visserij en kustverdediging. Om duurzaam gebruik van de Noordzee binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem te brengen en te houden, moet de goede milieutoestand worden bereikt. Dat vereist vooral concreet gestelde milieudoelen.

De milieudoelen zijn per descriptor vastgesteld, hoofdstuk 5 vat ze samen. Milieudoelen belichamen de ‘response’ uit de DAPSIR-cyclus en zijn bedoeld om de voortgang te realiseren in het bereiken van een goede toestand van het mariene milieu, of om de goede milieutoestand te behouden. Door middel van deze milieudoelen geeft Nederland invulling aan artikel 10 van de KRM.

5.2 Voortgang milieudoelen

Nederland heeft in de afgelopen planperiode actief ingezet op alle milieudoelen uit de MS1 uit 2018. In de meeste gevallen is aanhoudende inspanning nodig om de goede milieutoestand te bereiken of te behouden.

Bijlage VI geeft een overzicht van de milieudoelen uit de vorige planperiode, inclusief de voortgang en de binding met de geactualiseerde milieudoelen.

- Elf van de 29 milieudoelen uit 2018 zijn in essentie onveranderd van kracht. Voorbeelden hiervan zijn het verder oplossen van knelpunten voor vismigratie, verder verlagen van toevoer van vervuilende stoffen en verder werken aan de terugkeer van biogene riffen.

- Vijf milieudoelen zijn aangepast. Zo is een overkoepelend doel voor niet-inheemse soorten nu uitgesplitst naar vectoren (routes van introductie). Ook is het voorkomen van effecten van impulsief geluid uitgebreid met continu geluid en nader uitgewerkt in een duiding voor de verschillende geluidsbronnen.

- De overige dertien milieudoelen uit 2018 zijn niet meer van toepassing en daarom afgevoerd, voornamelijk op basis van voortschrijdend inzicht in de toepassing van de richtlijn. Deze milieudoelen waren uitsluitend gericht op kennisopbouw, de ontwikkeling van beoordelingssystematieken of monitoring. Ze vielen onder de uitwerking van artikel 8, 9 of 11 van de KRM en waren dus niet passend als milieudoel (art. 10). Het behalen van deze doelen leidt immers op zichzelf niet tot het bereik of behoud van de goede milieutoestand. Wel kunnen ontwikkeling van kennis, beoordelingssystematieken of monitoring nodig zijn als een eerste fase op weg naar een operationeel milieudoel.

5.3 Geactualiseerde milieudoelen per descriptor

De KRM vereist dat de lidstaten de milieudoelen SMART formuleren: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden. Daarom is elk milieudoel zo concreet mogelijk geformuleerd, met inbegrip van de indicator(en) op basis waarvan de voortgang wordt bepaald en een jaartal

Box 5.1 Kennisontwikkeling

Meerdere nationale onderzoekprogramma’s dragen bij aan de kennisontwikkeling die nodig is voor het behalen van de milieudoelen. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn de onderzoeksprogramma’s ‘Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming’ (MONS) en het ‘Wind op Zee Ecologisch Programma’ (Wozep). MONS onderzoekt hoe het ecosysteem op de Noordzee zal reageren op de energie-, voedsel-, en natuurtransitie zoals deze is beschreven in het Noordzeeakkoord. Wozep focust specifiek op de kennisleemten rondom de ecologische effecten van windparken op mariene ecosystemen. Hieronder valt onderzoek naar de effecten van onderwatergeluid, elektromagnetische velden, hydrografische effecten van windparken en onderzoek naar diersoorten die in de windparken voorkomen. Het project Digitalisering Ecologische Monitoring (DEM) geeft een impuls aan de infrastructuur voor de ecologische monitoring op de Noordzee. Ook stimuleert de overheid de fundamentele kennisvergaring over het ecosysteem Noordzee via subsidies van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waarvan een aantal in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda en in het bijzonder de Blauwe Route.

Daarnaast werkt Nederland voor kennisontwikkeling ter ondersteuning van de milieudoelen veel samen met buurlanden, bijvoorbeeld in OSPAR en EU-verband. Zo neemt Nederland deel aan het Sustainable Blue Economy Partnership (SBEP, wat onderdeel is van Horizon Europe). Nederland verkent eventuele intensivering van internationale kennisdeling en samenwerking via verschillende platforms. Dit omvat het uitzetten van kennisvragen bij de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) en deelname aan het kenniscentrum voor een goede milieutoestand van JPI-Oceans.

waarin het doel is te behalen. Tot slot is aangegeven op welke wijze implementatie van het milieudoel in elk geval plaats gaat vinden middels bestaand of voorgenomen beleid. Op deze implementatie zijn op basis van de recent aangenomen Natuurherstelverordening aanvullingen mogelijk bij de actualisatie van het KRM-programma van maatregelen (2028). Eventuele aanvullende maatregelen komen aan bod bij de actualisatie van het KRM-Programma van Maatregelen (2028). Het formuleren van SMART milieudoelen is een groeiproces, zoals blijkt uit een vergelijking van milieudoelen uit de vorige planperiode (MS1 2018) en onderstaande milieudoelen. In een aantal gevallen ontbreekt het nog aan voldoende kennis om een specifiek doel te kunnen stellen. In die gevallen is aangegeven dat in opmaat naar een specifieker milieudoel kennis zal worden ingewonnen. In andere gevallen is het nodig om in het milieudoel een balans aan te brengen tussen acceptabel en realistisch, en tegelijk in zekere mate specifiek. Het KRM-programma van maatregelen (2028) is een belangrijk instrument om de milieudoelen die een algemene richting aangeven specifieker in te vullen. Dit groeiproces zal zich dus stapsgewijs blijven voltrekken in deze én toekomstige cycli van de implementatie van de KRM.

Indien mogelijk zijn de milieudoelen kwantitatief gemaakt met of aan de hand van streefwaarden. Kwantitatieve waarden die op basis van bestaande richtlijnen, wet- en regelgeving of afspraken van toepassing zijn op een milieudoel, zijn zoveel mogelijk overgenomen in de voorliggende KRM-milieudoelen.

Het toewerken naar een goede milieutoestand is een doorlopend proces. Er gebeurt op dit moment dan ook al veel om de milieudoelen te realiseren. Zo zijn ter uitwerking van het Noordzeeakkoord belangrijke maatregelen ter bescherming van gebieden en soorten en voor onderzoek vastgelegd in het Programma Noordzee. Ook internationaal en regionaal gebeurt er veel: in OSPAR-verband zijn bijvoorbeeld ambitieuze doelen gesteld die bijdragen aan het terugdringen van zwerfvuil. De Mariene Strategie bekrachtigt deze afspraken door ze in deze derde implementatiecyclus van de KRM op te nemen. De milieudoelen vormen een opmaat naar het KRM-programma van maatregelen (Mariene Strategie Deel 3, 2028). In de MS3 wordt bepaald op basis van welke maatregelen invulling aan de milieudoelen wordt gegeven.

Milieudoelen per descriptor

Hieronder volgt per descriptor een korte toelichting op de geactualiseerde milieudoelen. Een uitgebreidere toelichting bij de milieudoelen is opgenomen in de factsheets (Bijlage VIII). De inhoud van de geactualiseerde milieudoelen dekt minimaal de lading van de voorgaande milieudoelen.

Overkoepelende doelen (Descriptor 1 en 6)

Nederland heeft vier overkoepelende milieudoelen geformuleerd die bijdragen aan het behalen van de goede milieutoestand van Descriptor 1 Biodiversiteit (zeevogels, zeezoogdieren, vissen) en D6 Integriteit zeebodem en benthische habitats. De milieudoelen sluiten aan bij de verplichtingen volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en afspraken uit het Noordzeeakkoord. Overigens komen de specifieke milieudoelen in veel gevallen ten goede aan meerdere descriptoren.

Tabel 5.1. Overkoepelende milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (van toepassing op D1 Biodiversiteit en D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.1

In 2030 is minimaal 30 procent van de oppervlakte van de Nederlandse mariene wateren beschermd gebied onder het regime van Natura 2000 en/of de KRM1.58

2030

Areaal aan beschermde gebieden N2000 en/of KRM.

Aanwijzen gebieden onder HR of VR (N2000) en/of de KRM, uitvoering gebieds-

afspraken NZA.

1.2

Realiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten in de mariene Natura 2000-gebieden.

Conform tijdpad Natura 2000-beheerplannen.

Aantal gerealiseerde

instandhoudings-

doelstellingen.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet.

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Implementatie van de

Natuurherstel-

verordening door uitvoering Natuurplan

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.3

Stoppen van de landelijke verslechtering van de mariene habitattypen (HR) en soorten (HR en VR).

Doorlopend

Aantal habitattypen

en soorten dat wel/

niet verslechtert.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet.

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.4

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, gewone zeehond en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen.

Fase 2: Minimaliseren van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, zeezoogdieren en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen

Fase 1: 2030

Fase 2: Doorlopend

Vogels en zeezoogdieren: indicator D1C1, vissen: in ontwikkeling

- CIBBRiNA-project: nemen van mitigerende maatregelen om bijvangst te minimaliseren en waar mogelijk te elimineren. Looptijd: Sep. 2023-Sep. 2029.

- MONS-onderzoek staandwantvisserij

(start 2025).

- Bruine Bank halfjaarlijkse staandwantbeperking (1 okt-31 mrt) (verwacht vanaf 2027).

- cf. NZA 4.40: Friese Front no fishery zone (verwacht 2027) en halfjaarlijkse staandwantbeperking (sinds maart 2023) en visserijbeperkingen in kustzone (sinds 2016).

- Er wordt geen nieuwe staandwantvisserij toegestaan in de Natura 2000- en KRM-gebieden (cf. NZA 4.45).

- Haaien- en roggenactieplan 2022-2027.

- Verder inzetten op vergroten van de kans op overleven na terugzet (discarden), en het verbeteren van de vistechnische selectiviteit gericht op doelsoorten.

D1 Biodiversiteit zeevogels

Ondanks genomen maatregelen is de algehele toestand voor zeevogels in de afgelopen planperiode nauwelijks verbeterd. De geactualiseerde milieudoelen voor vogels zijn gericht op het terugdringen van de belangrijkste drukfactoren en het actief herstellen van zeevogelpopulaties.

Met de aanwijzing van aanvullende gebieden wordt het areaal aan Vogelrichtlijngebied uitgebreid. Daarnaast stelt Nederland de komende jaren soortenbeschermingsplannen op om de populatieomvang van diverse zeevogelsoorten te herstellen.

In de komende planperiode krijgen potentieel belangrijke knelpunten extra aandacht; dat zijn de incidentele bijvangst van zeevogels en de voedselbeschikbaarheid. Onderzoek zal uitwijzen of dit voor vogels beduidende drukfactoren zijn, en zal richting geven aan eventuele maatregelen.

De uitrol van windenergie op zee vraagt om een milieudoel om de effecten van nieuwe windparken op zee die de voortgang naar de goede milieutoestand zouden kunnen belemmeren, te beperken. Denk aan habitatverlies, displacement en risico op dodelijke aanvaringen met windturbines. Voor de uitwerking van dit milieudoel worden zowel het KEC (zie Box 5.2) als soortenbeschermingsplannen ingezet. Nederland wil ook drukfactoren van betekenis op het land, zoals verstoring en predatie van broedvogels, beperken.

Tabel 5.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D1 Biodiversiteit zeevogels).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.5

Het verbeteren van de toestand van zeevogels door uitbreiding van de oppervlakte aan speciale beschermingszones op zee onder de Vogelrichtlijn.

Doorlopend

De oppervlakte aan nieuwe Vogelrichtlijngebieden.

Vier beschermde vogelgebieden (Friese Front, Bruine Bank, Noordzeekustzone, Voordelta) reeds aangewezen. Processen voor onderzoek en aanwijzing aanvullende gebieden lopen.

Opstellen en uitvoering N2000-beheerplannen.

1.6

Herstel van de populatieabundantie van vogelsoorten waarvoor de goede milieutoestand niet wordt behaald of behouden, door ten minste een positieve trend per soort te realiseren.

Doorlopend

1: Indicator populatieabundantie per soort (D1C2).

2: Aansluiten op

(evaluaties) soortenbeschermings-

plannen.

Opstellen en uitvoeren

(2024-2030) soortenbeschermings-plannen voor de KEC-soorten + voor de EBS-soorten (div. soorten zeevogels + kustvogels) + voor soorten van de IUCN Red List (NZA 6.9).

1.7

Fase 1: Inzichtelijk maken of voedselbeschikbaarheid beperkend is voor kwetsbare vogelsoorten

Fase 2: waarborgen en indien nodig herstellen van voldoende voedselbeschikbaarheid voor kwetsbare vogelsoorten

Fase 1: 2030

Fase 2: Doorlopend

Nog te ontwikkelen

indicator voor voedselbeschikbaarheid.

Fase 1: Uitkomsten MONS-onderzoek voedselbeschikbaarheid (start 2024).

Instellen no-fishery zone op Friese Front (conform NZA 4.40).

Fase 2: Mogelijk zijn op basis van de uitkomsten na 2030 meer maatregelen nodig om voedselbeschikbaarheid te herstellen.

1.8

Beperken van effecten van nieuwe windparken op zee (habitatverlies, displacement en aanvaringsingsslachtoffers) op zee- en trekvogels.

Doorlopend, aan de hand van de uitrol van routekaarten windenergie op zee.

Nog te ontwikkelen indicator (mede gebaseerd op soortenbeschermings-

plannen, en uitkomsten Wozep).

Gebruikmaken van het KEC en VECI (ecologisch toetsingskader) in de planvorming.

Opnemen van mitigerende maatregelen in kavelbesluiten, waaronder uitvoering van best practices zoals de start/stop-procedure.

Programma Natuurversterking Noordzee (looptijd t/m 2030).

Opstellen en uitvoering (2024-2030) soortenbeschermingsplannen.

Box 5.2 Cumulatieve effecten

Nederland heeft parallel aan de ontwikkeling van windparken op zee het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) opgesteld. Dit Kader wordt regelmatig geactualiseerd met de meest recente kennis en in 2025 is KEC 5.0 van kracht geworden.

Het KEC analyseert en bepaalt de mogelijke cumulatieve effecten van windparken op vogels en vleermuizen (aanvaringen en habitatverlies), zeezoogdieren (onderwatergeluid), het ecosysteem en KRM-indicatoren. Deze laatste twee categorieën zijn vooralsnog kwalitatief. Het KEC is beleidsmatig verankerd in het Programma Noordzee 2022-2027 en is daarmee een verplicht instrument bij locatiekeuzes voor windparken op het Nederlandse deel van de Noordzee. Cumulatieve effecten worden bij het aanwijzen van gebieden voor windenergie in het Programma Noordzee kwalitatief bepaald. Voorafgaand aan de kavelbesluiten voor een specifiek windpark moet dit kwantitatief gebeuren.

Nederland heeft in OSPAR en GNSBI een trekkersrol in de ontwikkeling van methoden voor de analyse van cumulatieve effecten van menselijke activiteiten in de mariene ecosystemen van het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Gezien de verwachte toename van verschillende activiteiten (waaronder windparken op zee) worden in OSPAR-verband richtsnoeren ontwikkeld om duurzame ontwikkeling te bevorderen op een manier die de cumulatieve milieueffecten tot een minimum beperkt.

D1 Biodiversiteit zeezoogdieren

De belangrijkste door mensen veroorzaakte drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bijvangst, verstoring door onderwatergeluid, verontreinigende stoffen en verstoring of verlies van habitat (onder andere door scheepvaart, militaire oefeningen, recreatie en klimaatverandering). Daarnaast zijn beperkte voedselbeschikbaarheid en virusziekten belangrijke drukfactoren. In de afgelopen decennia hebben maatregelen geleid tot afname van concentraties verontreinigende stoffen. Ondanks de geboekte vooruitgang is blijvende inzet nodig; vooral van UPBT-stoffen (alomtegenwoordig, persistent, bioaccumulerend en toxisch) nemen de concentraties maar langzaam af. Maatregelen om onderwatergeluid terug te dringen zijn al van kracht, maar aandacht voor deze drukfactor blijft geboden, gezien de intensivering van activiteiten waarvan de cumulatieve effecten nog niet goed in beeld zijn.

De geactualiseerde milieudoelen voor zeezoogdieren richten zich op het bereiken en behouden van gezonde populaties door middel van soort(en)beschermingsplannen en specifiek op het terugdringen van de drukfactoren onderwatergeluid en bijvangst. Het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) is een effectief instrument om impulsgeluid bij de bouw van windparken te kwantificeren. Het Europese CIBBRiNA-project, dat door Nederland is geïnitieerd, draagt naar verwachting in belangrijke mate bij aan de beperking van incidentele bijvangst van zeezoogdieren en andere kwetsbare soorten. Alle maatregelen voor het bereiken van de milieudoelen voor zeezoogdieren worden vastgelegd in soortenbeschermingsplannen. Door deze tweejaarlijks te evalueren en zo nodig te herzien, worden nieuwe ontwikkelingen continu meegenomen.

De milieudoelen onder descriptoren D8 Verontreinigende Stoffen, D10 Zwerfafval en D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid dragen bij aan D1 Biodiversiteit zeezoogdieren.

Tabel 5.3. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D1 Biodiversiteit zeezoogdieren).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.10

Integrale aanpak ten behoeve van bereik en behoud gezonde populaties zeezoogdieren.

Doorlopend

Aansluiten op evaluaties soortenbeschermings plannen.

Uitvoeren soortenbeschermings-

plannen: Bruinvisbeschermingsplan

(tweejaarlijkse evaluatie) en Seal Management Plan.

1.11

Beperken van de effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren.

Doorlopend

Bruinvisverstoringsdagen (i.r.t. Wind op zee).

Indicator voor overige

activiteiten nog te ontwikkelen.

Geluidslimiet heien, passende beoordeling voor grootschalige bouwprojecten op zee, gebruik ADD’s bij explosievenruiming, beheerplannen EEZ-gebieden + aantal maatregelen nog in onderzoek.

Toepassing van het ecologisch toetsingskader (KEC) in de planvorming en door het ontwikkelen en uitvoeren van mitigerende maatregelen.

Een aantal maatregelen is nog in onderzoek (langzaam varen, stiltegebieden).

D1 Biodiversiteit vissen

De geactualiseerde milieudoelen voor vissen zetten in op voortzetting van het mitigeren van de negatieve effecten van bijvangst, zoals gebeurt in het Haaien- en roggenactieplan en het Europese LIFE CIBBRiNA-project tegen bijvangst. Andere doelen die onder de KRW worden geconcretiseerd, zijn gericht op het opheffen van prioritaire vismigratieknelpunten, herstel van populaties kwetsbare soorten en het natuurinclusief aanleggen van grootschalige windparken, waarmee ook nieuwe habitat voor vissen ontstaat. Bij dit laatstgenoemde doel heeft Nederland een stimulerende rol.

Specifiek voor haaien en roggen is kennis vergaren nog een belangrijke voorwaarde om milieudoelen voor deze groep concreter te kunnen maken.

Tabel 5.4. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D1 Biodiversiteit vissen).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.12

Prioritaire vismigratieknelpunten in Nederlandse (binnen)wateren zijn opgelost.

2027

Aantal kunstwerken vispasseerbaar gemaakt.

KRW-maatregelen.

1.13

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van verspreiding, habitatgebruik en populatieabundantie van haaien en roggen.

Fase 2: Waar nodig herstel van verspreiding, habitatgebruik en populatieabundantie van haaien en roggen.

Fase 1: 2027

Fase 2: Doorlopend,

waarbij wordt

aangesloten op

het actieplan

Aansluiting op de meest recente evaluatie van het Haaien- en roggenactieplan (tweejaarlijks).

Implementatie Haaien- en roggenactieplan 2022-2027, specifiek het vergroten van de kennisbasis rondom habitatgebruik en soortherkenning, met het oog op aanknopingspunten voor eventueel benodigde aanvullende maatregelen.

1.14

Realiseren van populatiegroei, of in ieder geval behoud, van (kwetsbare)commerciële en niet-commerciële vissoorten.

Doorlopend

Indicator D1C2 (op basis van projectmonitoring).

Soortenherstelplannen (voor aal, haaien en roggen, kabeljauw, N2000-soorten).

Programma Natuurversterking Noordzee (looptijd t/m 2030)

Onderzoek naar perspectieven van aanleg van structuren binnen en buiten windparken en natuurinclusief bouwen van windturbines.

Verkennen noodzaak (seizoensspecifieke) bescherming van paaigronden.

D1 Biodiversiteit koppotigen

Voor koppotigen gelden geen specifieke milieudoelen, maar de milieudoelen voor D1 Biodiversiteit vissen, D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren en D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats komen ook aan deze soortengroep ten goede.

D1 Biodiversiteit: D1C6 Pelagische habitats

Het milieudoel voor D4 Voedselwebben, dat betrekking heeft op plankton, is ook van toepassing op criterium D1C6 Pelagische habitats. Verder komen de milieudoelen onder D5 Eutrofiëring ook ten goede aan D1C6.

Box 5.3 Netwerk van beschermde gebieden

De KRM werkt, in aansluiting op het Verdrag inzake Biologische Diversiteit, toe naar een samenhangend en representatief netwerk van beschermde gebieden op zee. In het Nederlandse deel van de Noordzee zijn inmiddels zeven Natura 2000-gebieden onder de VR en HR aangewezen en drie gebieden onder de KRM. Deze gebieden beslaan samen ongeveer 25 procent van de Nederlandse Noordzee. Daar komt de Zuidelijke Doggersbank mogelijk als KRM-gebied bij als onderdeel van de Partiële Herziening van het Programma Noordzee.

Voor de Natura 2000-gebieden worden afspraken over de bescherming en de regulering van activiteiten vastgelegd in beheerplannen. Voor de KRM-gebieden zijn afspraken gemaakt in het NZA, die in het KRM- programma van maatregelen (2022) zijn overgenomen. Zo geldt sinds 2023 een verbod op bodemberoerende visserij in drie natuurgebieden op de Nederlandse Noordzee: Klaverbank (HR), Centrale Oestergronden (KRM), en Friese Front (KRM). Dat gaat om 5 procent van de Nederlandse zeebodem. In het vogelrichtlijngebied Friese Front geldt een halfjaarlijks verbod op kieuw- en warnetvisserij en in de kustzone zijn specifieke gebieden aangewezen waar beroepsmatige visserij (deels) niet is toegestaan. Het netwerk van beschermde gebieden met daarin geldende visserijbeperkingen wordt de komende jaren verder uitgebreid naar in totaal 15 procent bodembescherming in 2030 (zie milieudoel 6.2, waarmee onder de KRM NZA art. 4.38 wordt bekrachtigd).

Op regionaal niveau stelt OSPAR het doel dat in 2030 het netwerk van mariene beschermde gebieden (MPA’s) – inclusief andere effectieve instandhoudingsmaatregelen (OECM’s) – ten minste 30 procent van het OSPAR-gebied bestrijkt. Dit netwerk moet representatief en ecologisch coherent zijn, en effectief worden beheerd om de doelen te bereiken (NEAES, 2030).

Het aandeel van 20 procent beschermde gebieden in de gehele Noordzee is relatief hoog binnen de Noordoost-Atlantische Oceaan. Er is veel vooruitgang geboekt, ook met betrekking tot de representativiteit: het netwerk van gebieden is geografisch goed verspreid en voor 76 procent (31 van de 41) van de gesignaleerde bedreigde soorten of habitats zijn één of meerdere beschermde gebieden aangewezen (OSPAR, 2023). Maar hoewel er grote stappen gezet zijn, is in veel gevallen niet goed in te schatten of en wanneer milieudoelen zijn bereikt. Het kost tijd voordat herstel optreedt, en veranderingen die zich voordoen zijn doorgaans pas na langjarige monitoring te signaleren.

Kaart 5.1. Beschermde gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee, vooruitlopend op de correctie in de Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022-2027. N2000-gebieden met jaar van aanwijzing: Voordelta (2000; VHR), Noordzeekustzone (2009; VHR), Vlakte van de Raan (2010; HR), Doggersbank (2016; HR), Klaverbank (2016; HR), Friese Front (2016; VR), Bruine Bank (2021; VR). KRM-gebieden: Friese Front (2012), Centrale Oestergronden (2012), Zuidelijke Doggersbank (2025) en Borkumse Stenen (2022).

D2 Niet-inheemse soorten

Vanwege het gebrek aan handelingsperspectief voor het verwijderen van niet-inheemse soorten die zich al in het mariene milieu bevinden, is de inzet volledig gericht op preventie van introducties via de belangrijkste routes: scheepshuidaangroei, schelpdiertransport en ballastwater. Al ingezet beleid lijkt zijn vruchten af te werpen: het aantal introducties via de laatste twee genoemde routes is afgenomen. Dit geldt niet voor scheepshuidaangroei; via deze route is juist een toename zichtbaar.

Tijdens de komende planperiode wordt op drie niveaus verder ingezet op het terugdringen van nieuwe introducties van niet-inheemse soorten: nationaal (NL), Europees/regionaal (OSPAR), en internationaal wereldwijd (IMO). Hierbij gaat extra aandacht uit naar de introducties via scheepshuidaangroei. Het bestaande beleid ten aanzien van schelpdiertransport en de uitvoering van de Ballastwater Conventie wordt voortgezet om de hiermee bereikte daling te bestendigen. Ten slotte is het van belang om potentiële nieuwe introductieroutes tijdig te signaleren en hierop te handelen.

Tabel 5.5. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D2 Niet-inheemse soorten).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

2.1

Minimaliseren van introducties niet-inheemse soorten via scheepshuidaangroei en ballastwater (ten minste een daling ten opzichte van de voorgaande planperiode).

Doorlopend

Aantal nieuwe introducties via scheepshuidaangroei en ballastwater.

Continuering beleidsondersteuning bij ontwikkeling van richtlijnen en regelgeving gericht op de risicominimalisatie van deze vector op nationaal (NL), Europees (OSPAR), en mondiaal (IMO) niveau.

Continuering van het Ballastwaterconventie-

beleid.

2.2

Minimaliseren van introducties niet-inheemse soorten via schelpdiertransport, aquacultuur en overige vectoren, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe activiteiten

Doorlopend

Aantal nieuwe introducties via schelpdiertransport, aquacultuur en

overige routes.

Continuering schelpdiertransportbeleid 2023-2033.

Uitvoering mari-/aquacultuurprojecten binnen kaders EU Verordening 1143/2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.

Onderdeel maken van mer en vergunningverlening nieuw type activiteiten op zee.

D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal- en schelpdieren

De beleidsopgave voor D3 sluit geheel aan op de afspraken via het GVB, zoals het door middel van visquota beperken van visserij om duurzame vangst te realiseren. Milieudoelen van D1 Vissen, D4 Voedselwebben en D6 Integriteit van de zeebodem komen ook ten goede aan D3.

D4 Voedselwebben

Vanwege belangrijke kennislacunes rond voedselwebben zijn milieudoelen voor deze descriptor kwalitatief van aard.

De sluiting van gebieden (Friese Front) voor alle visserij biedt de mogelijkheid om meer inzicht te verkrijgen in voedselwebrelaties en mogelijke herstelmaatregelen. Nederland richt zich in samenwerking met OSPAR op het herstel en borgen van de veerkracht van het voedselweb door het samenhangend en representatief netwerk van beschermde gebieden en gebieden aangewezen als OECM (Other Effective area-based Conservation Measure) uit te breiden. Ook zet Nederland met het verminderen van de visserijdruk in op het herstel van de groottestructuur van demersale toppredatoren (vissen die dicht bij de zeebodem leven). Ook bodembescherming (zie milieudoelen D6 Bodemintegriteit) draagt in belangrijke mate bij aan dit doel. Tot slot is een doel gesteld voor het beperken van potentiële negatieve effecten op het voedselweb als gevolg van hydrografische verstoring door de aanleg van windparken op zee; dit milieudoel is gekoppeld met D7 Permanente wijzigingen hydrografische eigenschappen.

Het karakter van D4 als resultante van de overige descriptoren, betekent dat ook de milieudoelen van alle andere descriptoren bijdragen aan het verbeteren van de milieutoestand voor het voedselweb. Zo dragen de milieudoelen van D5 Eutrofiëring in belangrijke mate bij aan de primaire productie, basis van het voedselweb.

Tabel 5.6. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D4 Voedselwebben).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

4.1

Herstel van voedselwebben naar een gezond niveau met een natuurlijke energieoverdracht tussen trofische niveaus.

Doorlopend

Nog te ontwikkelen indicator voor voedselbeschikbaarheid op de verschillende trofische niveaus.

Sluiting Friese Front voor alle

vormen van visserij (2,8%)

(NZA 4.40).

Nader overleg tussen de visserijsector en NGO’s om te bezien of binnen de gebieden die gesloten worden voor bodemberoerende visserij verdere mogelijkheden zijn om te komen tot no fishery zones (NZA 4.39).

Inzicht verkrijgen in de veranderingen in de relaties tussen de trofische niveaus en de effecten daarvan (MONS, 2030).

Indien nodig aanvullende maatregelen nemen op basis van voortschrijdend inzicht (na 2030).

4.2

Toewerken naar een samenhangend en representatief netwerk van beschermde gebieden en gebieden aangewezen als OECM ten einde de veerkracht van het voedselweb te herstellen en borgen, wat verbetering inhoudt ten opzichte van de afgelopen beleidsperiode.

Doorlopend

OSPAR- indicator voor samenhang tussen de beschermde gebieden (verdere ontwikkeling in Ecoherence Project OSPAR).

Aangewezen gebieden voor natuur (beschermde gebieden + OECM).

Toekomstige aan te wijzen gebieden + OECM.

4.3

Herstel van grootteverdeling van predatoren in het trofisch demersale

subapex niveau.

Doorlopend

D4C3 Grootteverdeling binnen gilden gemeten door a) de groottestructuur, b) de maximale gemiddelde lengte, c) het aandeel grote vissen.

Visserijmaatregelen (art. 11) conform NZA (2030).

Zo nodig bijsturen op basis van evaluatie van effecten van verlaagde visserijdruk op subapex predatoren in 2036.

4.4

Fase 1:

Verkennen van de effecten van menselijke activiteiten die stratificatie beïnvloeden op plankton-

gemeenschappen.

Fase 2:

Indien nodig de verstorende effecten van menselijke activiteiten minimaliseren.

Fase 1:

2030

Fase 2:

Nader te bepalen.

Indicator hydrografische eigenschappen (D7);

verder ontwikkelen.

Samenstelling

fytoplankton

Zie ook indicatoren milieudoel 5.3, input en onttrekking nutriënten:

- Concentraties nutriënten (N totaal en P totaal) over het hele jaar.

- Concentraties

chlorofyl-a

- Primaire productie

(gC/m2/j).

In m.e.r en vergunningverlening aandacht voor effecten van mitigeren door locatiekeuze en inrichting van windparken en andere initiatieven die de

stratificatie kunnen beïnvloeden.

Onderzoek via Wozep en OSPAR (2030)

D5 Eutrofiëring

De beleidsopgave met betrekking tot eutrofiëring in het Nederlandse deel van de Noordzee ligt in het verlagen van chlorofyl-a-concentraties in KRW-kustwateren en rivierpluimen. Het chlorofyl-a-gehalte wordt in belangrijke mate bepaald door de toevoer van nutriënten via rivieren. Daarom zijn de milieudoelen primair gericht op het terugdringen van riviervrachten nutriënten, vooral stikstof.

De aanpak van riviervrachten nutriënten is onderdeel van de stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW. Het is onzeker of met het bereiken van de KRW-doelen ook de drempelwaarden op zee worden behaald. OSPAR werkt daarom aan een verder reikend handelingsperspectief en eventuele daaropvolgend te bepalen aanvullende maatregelen. Nederland zal zich in de internationale riviercommissies (Rijn en Maas) inzetten voor vermindering van de toevoer van stikstof vanuit het achterland.

Nieuwe activiteiten op zee mogen de milieutoestand niet negatief beïnvloeden. De verwachte opschaling van aquacultuur op zee is daarom een aandachtspunt. Ten slotte staat in OSPAR-verband de verdere verkenning op het programma van de mogelijkheid om langs natuurlijke weg de belasting van de grote rivieren met nutriënten verder terug te dringen.

Tabel 5.7. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D5 Eutrofiëring).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

5.1

Verminderen toevoer van nutriënten vanuit rivieren naar zee, gericht op het bereik en behoud van de KRW-doelen voor chlorofyl-a-concentraties in de kustwateren, en van OSPAR-doelen voor chlorofyl-a-concentraties in de rivierpluimen.

2027

respectievelijk 2030

Vrachten totaal-N vanuit de rivieren

Concentraties N (winter DIN) en chlorofyl-a in KRW-kustwateren en in de rivierpluimen (OSPAR assessment areas).

Stroomgebiedbeheerplannen 2022/2027

Na implementatie KRW-maatregelen, in OSPAR-verband de resterende opgave en het handelingsperspectief daarvan bepalen voor chlorofyl-a-concentra-

ties in de rivierpluimen; dit dient als input voor de SGBP’s van 2028.

Actieprogramma Nitraatrichtlijn ​<ExtRef soort="URL" ref="https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/11/26/zevende-actieprogramma-nitraatrichtlijn-na-consultatie-aangepast">ref</ExtRef>

Implementatieplan van de

North-East Atlantic Environmental Strategy

2030 (NEAES) van OSPAR.

5.2

Via de internationale riviercommissies inzetten op verminderen van buitenlandse toevoer van nutriënten (stikstof).

Doorlopend

Vracht totaal N bij meetpunten landsgrens.

NL agendeert dit in de internationale riviercommissies.

5.3

Input en onttrekking van nutriënten als gevolg van nieuwe activiteiten op zee, zoals grootschalige aquacultuur, worden beperkt tot een niveau waarbij geen aantoonbaar negatieve effecten op primaire productie optreden.

Doorlopend

Concentraties nutriënten (N totaal en P totaal) over het hele jaar.

Concentraties chlorofyl-a.

Primaire productie (gC/m2/j).

Onderzoeken ten behoeve van m.e.r.’s en vergunningen voor nieuwe activiteiten. Hiertoe wordt mogelijk een beoordelingskader ontwikkeld, bijvoorbeeld in relatie tot locatiekeuze en mate van onttrekking of input van nutriënten.

5.4

Vergroten van de natuurlijke retentie van nutriënten in de stroomgebieden als onderzoek uitwijst dat dit effectief is.

Fase 1, onderzoek: 2030.

Fase 2, implementatie: na 2030.

Vracht van N.

OSPAR inventariseert welke ingrepen kunnen bijdragen aan retentie, bijvoorbeeld door inzet van nature based solutions (2030). Implementatie na evaluatie.

D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats

De milieudoelen zijn voornamelijk gericht op het passief herstel van bodemhabitats en daarom ook op het terugdringen van de belangrijkste drukfactoren. Minimaal 10 procent van de bodem van de Nederlandse Noordzee zal in 2030 volledig zijn gevrijwaard van alle beheersbare menselijke activiteiten. Voor de belangrijkste drukfactor, de bodemberoerende visserij, is dat percentage volgens de afspraak in het Noordzeeakkoord in 2030 ten minste 15 procent.

Per breed habitattype wordt gestreefd naar minder impact van fysieke verstoring.

In gebieden waar bodemberoerende visserij wordt beperkt, is het uiteindelijke doel een kwaliteitsverbetering van de bodemhabitats. Verlies van bodemhabitats door verstorende activiteiten wordt zoveel mogelijk beperkt. Het einddoel, herstel van bodemhabitats, houdt kwaliteitsverbetering in van alle voor Nederland relevante brede habitattypen. Waar het terugdringen van relevante drukfactoren niet vanzelf resulteert in herstel van biogene riffen zullen als extra inspanning herstelmaatregelen worden uitgevoerd om rifvorming te bevorderen.

De milieudoelen voor D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen, die gericht zijn op het terugdringen van verstoring van bodemhabitats, ondersteunen de doelen onder D6.

Tabel 5.8. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) conform NZA (4.38).

6.2

In 2030 is 15 procent van de Nederlandse Noordzee binnen ecologische waardevolle gebieden volledig gevrijwaard van bodemberoering door visserij (waarvan 2,8 procent van de Nederlandse Noordzee voor alle vormen van visserij).

2030

Areaal waar visserijmaatregelen in werking zijn, in combinatie met indicator D6C2.

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) conform NZA (4.38).

6.3

Verlaging van de impact van fysieke verstoring per breed habitattype door visserijactiviteiten, tot ten minste een dalende trend in 2030 ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Doorlopend

Indicator D6C3.

Visserijmaatregelen (art 11 GVB) conform NZA (4.38).

6.4

Kwaliteitsverbetering voor elk van de brede habitattypes waarvan de omvang en/of de kwaliteit van betekenis is in het Nederlandse deel van de Noordzee, waaronder de gebieden waar visserij wordt beperkt.

Doorlopend

BISI-index / Margalef- index.

- Visserijmaatregelen (art 11 GVB) conform NZA (4.38).

- Opstellen afwegingskader andere activiteiten in KRM gebieden (2028)

- Aanvullende maatregelen indien mogelijk en passend via Programma Natuurversterking Noordzee (2030).

6.5

Blijven voldoen aan de EU-drempelwaarde door fysiek verlies van bodemhabitat door infrastructurele projecten, zandwinning en visserij tot een minimum te beperken.

Doorlopend

Indicator D6C4.

Drempelwaarde wordt op dit moment behaald, dus doel is gericht op behoud van GMT.

6.6

Terugkeer en herstel van biogene riffen waaronder platte-oesterbanken, in ecologisch waardevolle gebieden en in windparken.

Doorlopend

Areaal biogene riffen.

Herstelmaatregelen in ecologisch waardevolle gebieden: instellen oesterherstelgebieden Friese Front cf. artikel 4.43 NZA (2025).

Programma Natuurversterking Noordzee (NN) (2030)

Natuurinclusief bouwen van windparken ten behoeve van platte oester (doorlopend).

Visserijmaatregelen (art 11 GVB) cf. artikel 4.35 NZA ten behoeve van herstel zandkokerwormriffen (2030).

D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen

Met de intensivering van activiteiten op de Noordzee zal het areaal aan hydrografische wijzigingen toenemen. Gezien de voorgenomen schaalvergroting van Wind op zee zijn windparken veruit de belangrijkste factor voor D7. De inzet is dan ook voor een belangrijk deel gericht op beperking van aantasting van zeebodemhabitats als gevolg van hydrografische wijzigingen die voortkomen uit de aanleg van windparken.

Hoewel zandwinning in veel mindere mate permanente hydrografische gevolgen heeft, is ook hiervoor een milieudoel opgenomen. Effecten als gevolg van middeldiepe en diepe zandwinning (winputten van 6 meter of meer) moeten beperkt blijven tot tijdelijke verstoring van zeebodemhabitats, of als er sprake is van permanente verstoring (aantasting of verlies) moet dit beperkt blijven tot een nader te bepalen percentage oppervlakte per breed habitattype. Ten slotte wordt ook een doel gesteld om verlies en verstoring van habitats als gevolg van andere, nieuwe activiteiten op zee te beperken.

Tabel 5.9. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

7.1

Aantasting van zeebodemhabitats als gevolg van permanente wijziging van hydrografische eigenschappen door aanleg van windparken beperken tot de directe impactzone rond individuele palen, zodat interactie met andere windparken wordt vermeden.

2030

Indicator D7C1 (in ontwikkeling).

Meewegen van hydrografische effecten in de locatiekeuze bij de planvorming, milieueffectrapportages en vergunningverlening voor initiatieven.

Bevorderen van innovatie in kavelbesluiten en vergunningvereisten.

Hierbij specifiek aandacht voor de regio’s gekarakteriseerd door (seizoensgebonden) stratificatie of zoetwaterinvloed.

7.2

Effecten van permanente wijziging van hydrografische eigenschappen als gevolg van middeldiepe en diepe zandwinning (winputten van 6 meter of meer) beperken tot tijdelijke verstoring van zeebodemhabitats, en permanente verstoring (aantasting of verlies) beperken per breed habitattype (in samenhang met de drempelwaarde voor D6C4).

2030

Indicator D7C2 (in ontwikkeling).

Continuering uitvoering zandwinstrategie.

Onderdeel milieueffectrapportage en vergunningverlening zandwinning (ontgronding).

7.3

Nieuwe activiteiten zoals ‘zon op zee’, aquacultuur, waterstofproductie- en transport, energiehubs en andere gebruiksvormen binnen en buiten windparken, mogen niet leiden tot habitatverlies of permanente hydrografische wijziging, die verder reikt dan een per activiteit nog te definiëren directe impactzone (tenzij ecologische meerwaarde wordt aangetoond).

2030

Indicator D7C1 (in ontwikkeling).

Effecten meenemen in milieueffectrapportage en vergunningverlening en hier eventuele maatregelen aan verbinden.

D8 Verontreinigende stoffen

In de afgelopen decennia is veel vooruitgang geboekt in het terugdringen van verontreinigende stoffen in het mariene milieu. Toch is de goede milieutoestand nog niet behaald. De milieudoelen voor verontreinigende stoffen richten zich daarom op het verder terugdringen van vervuiling vanuit de belangrijkste bronnen: verontreinigende activiteiten op land die via de KRW worden aangepakt, scheepvaart, offshore installaties en nieuwe activiteiten.

Specifiek voor loodgebruik in de sportvisserij is het milieudoel opgenomen om toe te werken naar een uitfasering in 2027. Het opruimen van incidentele verontreinigingen blijft doorlopend aandacht vragen. Het Rijk zet in op het terugdringen van lozing en verspreiding van opkomende stoffen, zoals PFAS.

Tabel 5.10. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D8 Verontreinigende stoffen).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

8.1

Verminderen van toevoer van verontreinigende stoffen via zoet water naar het mariene milieu, zodat wordt voldaan aan de KRW-doelstellingen.

2027

Vrachten van verontreinigende stoffen naar kustwateren.

Indicatoren D8C1.

KRW-maatregelen in de SGBP’s, waar nodig aangevuld met maatregelen in het KRW-impulsprogramma.

8.2

Voorkomen en beperken van incidentele ernstige verontreinigingen door de bij incidenten vrijkomende stoffen zo snel mogelijk op te ruimen.

Doorlopend

D8C3: ruimtelijke omvang van significante ernstige verontreinigingen.

Bestaande inzet incidentbestrijding en Uitvoeringskader Bestrijding Kustverontreiniging Rijkswaterstaat (UBKR).

Bonn Agreement.

8.3

Stoppen van het gebruik van lood in 2027,

door uitfasering in de

zeesportvisserij en het hiertoe stimuleren van het gebruik van alternatieven.

2027

Concentraties lood zoals gerapporteerd onder D8C1.

Screening en Logboek Surveys voor monitoring van het gebruik van alternatieven.

Samenwerkingsovereenkomst Sportvisserij Loodvrij 2025-2029

Traject EU-verbod op het

gebruik van vislood (verwacht 2026/2027).

8.4

Minimaliseren van

verontreiniging door zeescheepvaart.

Doorlopend

Door kustwacht gemelde milieuovertredingen Nederlandse deel van de Noordzee (mogelijke stof, locatie en hoeveelheid).

Schatting jaarlijkse vrachten afkomstig van zeescheepvaart en visserij (coatings en scrubbers).

Bestaande wetgeving o.a.

MARPOL-wetgeving, EU-richtlijnen (o.a. herziening verontreiniging door zeeschepen) en regionale afspraken OSPAR.

Verkenning van maatregelen ter voorkoming van lozing van scrubber waswater.

8.5

Tot een minimum beperken van input van verontreinigende stoffen afkomstig van (nieuwe) activiteiten op zee, zoals windparken, ‘zon op zee’, aquacultuur, CO2-opslag, waterstofelektrolyse en offshore installaties.

Doorlopend

Aansluiten op wettelijke eisen en eisen uit de vergunningen.

Bestaande wetgeving, vergunningprocedures (waaronder inzet van BAT).

Mogelijk wordt een beoordelingskader voor nieuwe activiteiten op zee ontwikkeld, waarin ook toekomstig gebruik van onder andere geneesmiddelen in de aquacultuur wordt meegenomen.

8.6

Terugdringen van schadelijke effecten van stoffen gebruikt voor corrosiebescherming, waaronder zink, o.a. op platforms en in windparken.

Doorlopend

Aansluiten op wettelijke eisen en eisen uit de vergunningen.

Schatting jaarlijkse vrachten zink.

Bestaande wetgeving, m.e.r en vergunningprocedures (waaronder inzet van BAT).

8.7

Het beperken van koperverontreiniging van zeeschepen en indien mogelijk stimuleren van milieuvriendelijke alternatieven van antifoulingmiddelen.

Doorlopend

Koperconcentraties in het milieu (D8C1).

Schatting jaarlijkse vrachten koper.

Bestaande wetgeving op basis van Omgevingswet. Schoonmaken romp en schroef alleen toegestaan met afvang. Afvalwater moet gefilterd worden (opvangen van waswater bij schoonmaken schepen verplicht in Nederland).

In IMO-verband zet Nederland zich in om voor internationale regelgeving omtrent opvangen van waswater bij schoonmaken schepen.

8.8

Terugdringen van lozing en verspreiding van PFAS-houdende stoffen en andere opkomende stoffen waaronder medicijnresten, waardoor de toevoer naar mariene wateren wordt beperkt.

Doorlopend

Concentraties van de betreffende stoffen.

Maatregelen opgenomen in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 en uitvoering van Actieprogramma PFAS in water.

Onderzoek naar effecten van PFAS op mariene milieu

(nationaal 2024/2025;

OSPAR doorlopend).

D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten

Er gelden geen specifieke milieudoelen voor D9. De milieudoelen voor D8 Verontreinigende stoffen dragen bij aan (het behoud van) de goede milieutoestand van D9.

D10 Zwerfafval

De geactualiseerde milieudoelen voor zwerfvuil in zee richten zich op het verder terugdringen van vervuiling afkomstig van rivieren, visserij, scheepvaart en strand-recreatie. Waar mogelijk zijn de milieudoelen kwantitatief gemaakt. Dit betreft vooral de milieudoelen voor stranden: hiervan zijn relatief veel monitoringdata beschikbaar. Omdat Nederland belang hecht aan een internationaal afgestemde aanpak is het OSPAR-doel voor eenmalig gebruikt plastic en maritieme afvalitems een belangrijke basis voor de milieudoelen. Onder dit doel uit de OSPAR NEAES 2030 vallen bijvoorbeeld kleine plastic flessen (0,5 L) en ballonnen. Voor 2030 is dit doel ook specifiek gemaakt voor pluis en visserijgerelateerd afval. Andere typen afval waarvoor een afname ten doel is gesteld, betreffen pellets (microplastics), sigarettenfilters en plastic voor eenmalig gebruik. Om de goede milieutoestand te kunnen bereiken, moet niet alleen op de stranden het afval verminderen, maar ook het drijvende afval en afval dat op de zeebodem terechtkomt.

Tabel 5.11. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D10 Zwerfafval).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Indicator

Implementatie

10.1

De hoeveelheid plastic voorwerpen voor eenmalig gebruik (waaronder kleine plastic flessen en doppen en ballonnen) en van maritiem gerelateerde plastic artikelen op Nederlandse stranden vermindert: in 2025 met ten minste 50% en in 2030 met ten minste 75%, ten opzichte van 2015/2016.

Dit milieudoel sluit aan op het operationele doel uit de OSPAR-strategie (NEAES 2030).

2025/2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022 (waaronder de aanpak van ballonnen), inclusief maatregelen op basis van de SUP-richtlijn.

Indien nodig aanvullende maatregelen op basis van een nieuw RAPML vanaf 2026 en de herziening van de SUP-richtlijn (2026).

10.2

In 2030 is de hoeveelheid pluis en ander visserijgerelateerd afval, in het bijzonder visnetsnijdsels, op stranden met 75% verminderd ten opzichte van 2015/2016.

2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek uitfasering vispluis.

Uitvoeringsagenda voor de visie op voedsel uit zee en grote wateren.

OSPAR RAPML 2022-2030.

Eventuele aanvullende maatregelen op basis van de herziening van de SUP-richtlijn (2026) en nieuw OSPAR RAPML vanaf 2030.

10.3

In 2030 is de hoeveelheid pellets op stranden significant afgenomen ten opzichte van 2023/2024.

2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Hoeveelheid pellets en mesoplastics op stranden.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek maatregelen RAPML t.a.v. pellets en het Beleidsprogramma Microplastics.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- EU-regelgeving voorkomen verlies pellets tijdens productie en transportproces (2024/2025);

- mogelijk specificeren van pellets als gevaarlijke stof via inzet IMO.

10.4

De hoeveelheid drijvend afval vermindert: het aantal noordse stormvogels met te veel plastic in de maag neemt significant af: tot minder dan 38% in 2030.

2030

Indicator D10C3: plastic in stormvogelmagen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek de SUP-richtlijn en RAPML.

IMO-richtlijnen, o.a. MARPOL.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- EU-regelgeving voorkomen verlies pellets tijdens productie en transportproces (2024/2025);

- aangepaste vereisten van transport van pellets over zee via mogelijk toewijzing van pellets als gevaarlijke stof binnen IMO.

10.5

In 2030 is de hoeveelheid zwerfafval in stroomgebieden significant (of substantieel met een nader te bepalen percentage) afgenomen ten opzichte van 2024/2025.

2030

Zwerfafval in stroomgebieden met monitoring van macroafval op rivieroevers.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek stroomgebiedsaanpak.

Bestaand nationaal zwerfafvalbeleid (waaronder de Zwerfafvalophaalregeling)

Indien nodig aanvullende maatregelen op basis van de herziening van de SUP-richtlijn (2026) en nieuw OSPAR RAPML vanaf 2030.

10.6

In 2030 is de hoeveelheid peuken op recreatieve stranden met 70% afgenomen ten opzichte van de periode 2018-2022.

2030

Verkorte OSPAR-metingen op recreatiestranden in strandseizoen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek aanpak Programma Schone Stranden.

Nationaal beleid rondom aanpak sigarettenfilters in het milieu.

10.7

In 2030 is de aanwezigheid van plastic voorwerpen voor eenmalig gebruik op recreatieve stranden met ten minste 75% verminderd ten opzichte van de periode 2018-2022.

2030

Verkorte OSPAR-metingen op recreatiestranden in strandseizoen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek aanpak Programma Schone Stranden en de SUP-richtlijn.

Nationale beleid rondom aanpak rondom zwerfvuil.

10.8

De hoeveelheid afval die vanuit maritieme bronnen op de zeebodem terechtkomt wordt tot een minimum beperkt.

Doorlopend

Indicatoren gericht op samenstelling zwerfafval:

- Indicatoren D10C1 strandafval en zeebodem

- Informatie uit schoonmaakacties (FFL) en Haven Ontvangst Voorzieningen (HOV)

- Eventueel Bodemschaaf-monitoring D6C5.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek Fishing for Litter.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- regionale samenwerking OSPAR en EU TGML;

- inzet binnen IMO voor aanscherping van internationale regelgeving.

10.9

Tot een minimum beperken van paraffinelozingen.

Doorlopend

Jaarlijks aantal meldingen RWS van gewenste assistentie bij opruimen van meer dan 5 m3 paraffine.

Door kustwacht gemelde milieuovertredingen Nederlandse deel van

de Noordzee (locatie).

Hoeveelheden stukjes paraffine (mg) in vogelmagen (D10C3) en op het strand D10C1).

MS3-maatregelen, specifiek

het paraffineconvenant en verbeterde voorwasprocedure voor het wassen van de geloste tanks in IMO-verband.

D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid

Impulsief geluid wordt vooral veroorzaakt door hei-activiteiten (vooral ten behoeve van de aanleg van windparken), seismisch onderzoek voor CCS (Carbon Capture and Storage) en de opsporing van olie en gas, en explosies op zee voor het opruimen van gevonden munitie (UXO). Hoewel de beoordeling van impulsief geluid voor het Nederlandse deel van de Noordzee een goede milieutoestand aangeeft, blijft aandacht voor regulering en toepassing van de nieuwste technieken belangrijk, vooral met het oog op de voorgenomen schaalvergroting van windparken.

Continu onderwatergeluid is vooral afkomstig van de scheepvaart. Regulering van scheepvaart is internationaal voornamelijk toebedeeld aan de IMO (International Maritime Organization). Nederland richt zich op het regionaal verkennen van mogelijkheden voor het bevorderen van stilte en stille gebieden waar dit waardevol is voor kwetsbare soorten. De meest effectieve manier om continugeluid te beperken is het verminderen van de geluidsproductie van schepen. Hiertoe zal innovatie binnen de sector worden gestimuleerd, gebruikmakend van de IMO-richtlijnen over Underwater Radiated Noise (URN) uit 2023.

Tot slot is een milieudoel opgenomen voor elektromagnetische velden (EMV). Nederland wil, vooruitlopend op de uitwerking van een criterium, hiervoor al een doel definiëren. Omdat er nog onvoldoende kennis is over de omvang van EMV en de milieueffecten ervan, is dit doel in eerste instantie vooral gericht op de ontwikkeling van een instrumentarium om de ecologische impact van EMV te beoordelen.

Tabel 5.12. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie (D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid).

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

11.1

Beperken van geluid bij aanlegwerkzaamheden (continu en impulsief), en impulsief geluid als gevolg van seismisch onderzoek en explosievenruiming.

Doorlopend.

Extra mijlpalen:

Fase 1: Regional Action Plan Under Water Noise (RAP UW 2025).

Fase 2: Uitvoering RAP UW Vanaf 2025

Indicator D11C1 impulsgeluid.

Administratieve check op voorwaarden vergunningen en mer.

Continugeluid bij aanlegwerkzaamheden: in ontwikkeling.

Opnemen van eisen in de vergunningsvoorwaarden ten aanzien van de productie van onderwatergeluid.

Aansluiten op ontwikkelingen in OSPAR-verband via het Regional Action Plan Under Water Noise.

Opnemen van eisen in de vergunningsvoorwaarden ten aanzien seismiek, zoals het verplicht toepassen van de best beschikbare technieken (BAT).

Uitvoering conform protocol explosievenruiming Defensie, dat periodiek wordt geëvalueerd.

Verkenning van mogelijkheden voor verder onderzoek naar geluidsarme of alternatieve explosievenruiming.

11.2

Regionaal verkennen van mogelijkheden voor het bevorderen van stilte en stille gebieden waar dit waardevol is voor kwetsbare soorten.

Fase 1: Regional Action Plan Under Water Noise (RAP UW 2025).

Fase 2: uitvoering RAP UW vanaf 2025.

Oppervlakte van het gebied dat aan het (nog regionaal te ontwikkelen) stiltecriterium voldoet.

Nader op te stellen RAP UW (2025).

Maatregelen in de ruimtelijke ordening (mijden gebieden) en aanpassen van vaargedrag (bijvoorbeeld langzamer varen) om geluidsproductie te verminderen.

Implementatie doel 11.4 draagt ook bij aan doel 11.3.

11.3

Het stimuleren van innovatie in de ontwikkeling van geluidsarme technieken in de zeescheepvaart.

2030

Aantal acties ter stimulering en het gebruik van geluidarme technieken.

Op basis van uitkomsten onderzoek:

- SATURN (2021-2025)

Onderzoek naar effecten van schroefdesign op reductie onderwatergeluid (start 2024).

11.4

Fase 1: ontwikkelen van een instrumentarium om de ecologische impact van elektromagnetische velden (EMV) te beoordelen.

Fase 2: Waar mogelijk/nodig beperken van potentiële negatieve effecten van EMV van kabels en leidingen op hiervoor gevoelige soorten (vooral haaien en roggen).

N.t.b.

Nog te ontwikkelen in komende planperiode.

Onderdeel maken van m.e.r en vergunningen op basis van uitkomsten onderzoek TenneT en andere wetenschappelijke onderzoeken

naar dit onderwerp.

Bijlagen

Bijlage I Bronnen

[1] OSPAR (2023). Quality Status Report.

[2] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2022). Programma Noordzee 2022-2027.

[3] Europees Parlement (2008). Kaderrichtlijn Mariene Strategie. (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu).

[4] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2018). Mariene Strategie (deel 1) 2018-2024. Actualisatie van huidige milieutoestand, goede milieutoestand, milieudoelen en indicatoren.

[5] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2020) Mariene Strategie (deel 2). Actualisatie van het KRM-monitoringprogramma 2020-2026.

[6] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (2022) Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee 2022-2027 (deel 3). KRM-programma van maatregelen.

[7] Biodiversiteitsverdrag (2010). Convention on Biological Diversity, CBD

[8] Verenigde Naties (1982) United Nations Convention on the Law of the Sea. Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS, met de bijbehorende Overeenkomst voor de Bescherming van Biodiversiteit op Volle Zee. Inwerkingtreding 1994.

[9] Verenigde Naties (2015). Sustainable Development Goals 2030

[10] International Maritime Organization (1973). Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij. Londen, 02‑11‑1973. (MARPOL Verdrag)

[11] Europese Commissie (2017). Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU.

[12] Europese Commissie (2024). Mededeling van de Commissie betreffende de drempelwaarden die zijn vastgesteld in verband met de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG) en Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie, (C/2024/2078).

[13] Europees Parlement (2013). Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad.

[14] Europees Parlement (2000). Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. (Kaderrichtlijn Water).

[15] Europees Parlement (2009). Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (gecodificeerde versie). (Vogelrichtlijn).

[16] Raad van de Europese Gemeenschappen (1992). Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. (Habitatrichtlijn).

[17] Europese Commissie (2023). Verordening (EU) 2023/915 van 25 april 2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1881/2006.

[18] Europees Parlement (2014) Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning.

[19] Europees Parlement (2006). Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie ( PB L 396 van 30.12.2006).

[20] Raad van de Europese Gemeenschappen (1991). Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.

[21] Europees Parlement (2008). Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.

[22] European Parliament (2023). Directive (EU) 2023/2413 of the European Parliament and of the Council of 18 October 2023 amending Directive (EU) 2018/2001, Regulation (EU) 2018/1999 and Directive 98/70/EC as regards the promotion of energy from renewable sources, and repealing Council Directive (EU) 2015/652.

[23] European Commission (2021). Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions on a new approach for a sustainable blue economy in the EU Transforming the EU’s Blue Economy for a Sustainable Future. COM/2021/240 final.

[24] European Commission (2019). Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions. The European Green Deal. COM/2019/640 final.

[25] Europese Commissie (2020). EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030. De natuur terug in ons leven brengen. COM Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comite en het Comite van de Regio’s. /2020/380 final.

[26] Europese Commissie (2023). EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030. De natuur terug in ons leven brengen. EU-actieplan: Bescherming en herstel van mariene ecosystemen voor duurzame en veerkrachtige visserij. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comite en het Comite van de Regio’s. COM(2023) 102 final.

[27] OSPAR (2022). OSPAR’s Second Regional Action Plan for the Prevention and Management of Marine Litter in the North-East Atlantic (2022 – 2030). OSPAR Agreement 2022-05.

[28] OSPAR (2021). Strategy of the OSPAR Commission for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic 2030. Agreement 2021-01: North-East Atlantic Environment Strategy. OSPAR 21/13/1, Annex 22.

[29] Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (2020). Het akkoord voor de Noordzee. Extra mijlen voor een gezonde Noordzee.

[30] European Commission (2022). Commission Notice on recommendations per Member State and region on the 2018 updated reports for Articles 8, 9 and 10 of the Marine Strategy Framework Directive (2008/56/EC) 2022/C 118/01.

[31] Bekhuis, K. (2021). Exploring the future together; a scenario analysis for the OSPAR region.

[32] European Commission (2018). Economic and social analysis for the initial assessment for the Marine Strategy Framework Directive. DG Environment, Brussels. pp 66 (MSFD Guidance Document 1).

[33] CBS (2023). Economic description of the Dutch North Sea and coast.

[34] Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea.

[35] Mathijsen, J. et al. (2018). De toekomst van de Noordzee. De Noordzee in 2030 en 2050: een scenariostudie. PBL Den Haag.

[36] Strietman, W.J., Reinhard, S., Roos, F.D.M., & Valk, O.M.C. van der (2024). The cost of degradation of the Dutch North Sea environment - Update 2024; A study into the cost of avoiding degradation and the applicability of the Ecosystem Services approach. Wageningen, Wageningen Economic Research.

[37] Schendel, J. (2022). Perceptie van de Nederlandse burger over de milieutoestand van de Noordzee: kwantitatief onderzoek naar de percepties en (niet-)monetaire waardering van de goede milieutoestand van de Noordzee.

[38] Europees Parlement (2006). Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG. (Zwemwaterrichtlijn).

[39] KNMI (2023). Klimaatscenario’s voor Nederland.

Bijlage II Afkortingen

BAT Best available techniques

CBD Convention on Biological Diversity (Biodiversiteitsverdrag)

CCS Carbon Capture and Storage (Koolstofafvang en -opslag)

CIS Common Implementation Strategy

DAPSIR Drivers Activities Pressures Status Impact Response

EC Europese Commissie

EEZ Exclusieve Economische Zone

EMV Elektromagnetische velden

EU Europese Unie

EUNIS European Nature Information System

GMT Goede milieutoestand

GNSBI Greater North Sea Basin Initiative

GVB Gemeenschappelijk Visserijbeleid

HOV Havenontvangstvoorziening

HR Habitatrichtlijn

ICES International Council for the Exploration of the Sea

IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

IMO International Maritime Organization

KEC Kader Ecologie en Cumulatie

KRM Kaderrichtlijn Mariene Strategie

KRW Kaderrichtlijn Water

LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

MARPOL International Convention for the Prevention of Pollution from Ships

MER/m.e.r Milieueffectrapport/milieueffectrapportage (de procedure)

MONS programma Monitoring Onderzoek Natuurversterking en Soortbescherming

MPA Marine Protected Area

MS1, MS2, MS3 Mariene Strategie deel 1, 2 en 3

MSY Maximum Sustainable Yield (maximale duurzame oogst)

N2000 Natura 2000

NEAES North-East Atlantic Environmental Strategy 2030

NCP Nederlands Continentaal Plat

NHV Natuurherstelverordening

NN Programma Natuurversterking Noordzee

NZA Noordzeeakkoord

OECM Other effective area-based conservation measures

OFL Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving

OSPAR Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. (Ook OSPAR-verdrag)

PAK’s Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

PBDE’s Polygebromeerde difenylethers

PCB’s Polychloorbifenylen

PFAS Poly- en perfluoralkylstoffen

PFOS Perfluoroctaansulfonaten

QSR Quality Status Report

RAP Regional Action Plan

SGBP Stroomgebiedbeheerplan

SMART Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden

SUP Single Use Plastics

TBT Tributyltin

UBKR Uitvoeringskader Bestrijding Kustverontreiniging Rijkswaterstaat

UNCLOS Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

VHR Vogel- en Habitatrichtlijn

VN Verenigde Naties

VR Vogelrichtlijn

WEcR Wageningen Economic Research

Wozep Wind op Zee Ecologisch Programma

Bijlage III KRM artikel 8, 9, 10

Artikel 8, 9 en 10 van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (richtlijn 2008/56/EG).

Artikel 8 Beoordeling

1. De lidstaten voeren voor elke mariene regio of subregio een initiële beoordeling van hun mariene wateren uit, rekening houdend met eventueel beschikbare gegevens en die het volgende omvat:

a. een analyse van de essentiële kenmerken en eigenschappen en de huidige milieutoestand van die wateren, die gebaseerd is op de in tabel 1 van bijlage III opgenomen indicatieve lijst van elementen, en betrekking heeft op de fysisch-chemische kenmerken, de habitattypes, de biologische componenten en de hydromorfologie;

b. een analyse van de overheersende belastende en beïnvloedende factoren, met inbegrip van menselijke activiteiten, die inwerken op de milieutoestand van die wateren, die:

i. gebaseerd is op de in tabel 2 van bijlage III opgenomen indicatieve lijst van elementen, en betrekking heeft op de kwalitatieve en kwantitatieve mix van diverse belastende factoren, alsmede op waarneembare trends;

ii. betrekking heeft op de belangrijkste cumulatieve en synergetische effecten, en

iii. rekening houdt met de desbetreffende beoordelingen die krachtens de vigerende communautaire wetgeving zijn uitgevoerd;

c. een economische en sociale analyse van het gebruik van die wateren en de aan de aantasting van het mariene milieu verbonden kosten.

2. Bij de in lid 1 bedoelde analyses wordt rekening gehouden met elementen in verband met de kustwateren, overgangswateren en territoriale wateren die onder de desbetreffende bepalingen van bestaande communautaire wetgeving, met name Richtlijn 2000/60/EG, vallen. Tevens wordt rekening gehouden met andere relevante beoordelingen, die ook als basis kunnen dienen, zoals de beoordelingen die gezamenlijk in het kader van de regionale zeeverdragen zijn uitgevoerd, zodat een allesomvattende beoordeling van de toestand van het mariene milieu wordt verkregen.

3. Bij de voorbereiding van de in lid 1 bedoelde beoordelingen stellen de lidstaten door middel van de ingevolge de artikelen 5 en 6 bedoelde coördinatie alles in het werk om ervoor te zorgen dat:

a. de beoordelingsmethodes consistent zijn over de mariene regio of subregio;

b. rekening wordt gehouden met grensoverschrijdende invloeden en kenmerken.

Artikel 9 Omschrijving van de goede milieutoestand

1. Voor elke betrokken mariene regio of subregio stellen de lidstaten in het licht van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, voor de mariene wateren een reeks kenmerken van een goede milieutoestand vast op basis van de in bijlage I bedoelde kwalitatief beschrijvende elementen. De lidstaten houden rekening met de in tabel 1 van bijlage III genoemde indicatieve lijsten van elementen en in het bijzonder met de fysische en chemische kenmerken, de habitattypes, de biologische kenmerken en de hydromorfologie. De lidstaten houden tevens rekening met de belastende of beinvloedende factoren van menselijke activiteiten in elke mariene regio of subregio, waarbij wordt gekeken naar de indicatieve lijsten die zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage III.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, en de omschrijving overeenkomstig lid 1 van dit artikel, uiterlijk drie maanden na de voltooiing van bedoelde omschrijving.

3. De door de lidstaten te gebruiken criteria en methodologische standaarden, die opgesteld zijn om de niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen middels een aanvulling, worden uiterlijk op 15 juli 2010 vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, op basis van de bijlagen I en III, omwille van de consistentie en om te kunnen vergelijken in welke mate in mariene regio’s en subregio’s de goede milieutoestand wordt bereikt. Voordat de Commissie dergelijke criteria en standaarden voorstelt, raadpleegt zij alle betrokken partijen, inclusief de regionale zeeverdragen.

Artikel 10 Vaststelling van milieudoelen

1. Op basis van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, stellen de lidstaten voor elke mariene regio of subregio een uitvoerige reeks milieudoelen en bijbehorende indicatoren vast voor hun mariene wateren, teneinde de voortgang op weg naar het bereiken van een goede milieutoestand in het mariene milieu te begeleiden, rekening houdend met de in tabel 2 van bijlage III opgenomen lijsten van belastende en beïnvloedende factoren en met de in bijlage IV opgenomen indicatieve kenmerken. Bij het afleiden van die doelen en indicatoren houden de lidstaten rekening met de ononderbroken toepassing van de ter zake dienende bestaande milieudoelen die op nationaal, communautair of internationaal niveau met betrekking tot dezelfde wateren zijn vastgesteld, waarbij zij ervoor zorgen dat deze doelen onderling verenigbaar zijn en dat er voor zover mogelijk ook rekening wordt gehouden met relevante grensoverschrijdende effecten en kenmerken.

2. De lidstaten brengen de milieudoelen uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie.

Bijlage IV KRM descriptoren en criteria

De KRM noemt in bijlage I elf elementen, ook wel descriptoren genoemd, op basis waarvan de lidstaten de goede milieutoestand moeten vaststellen. In Commissiebesluit 2017/848/EU zijn de descriptoren uitgewerkt in zogenoemde primaire en secundaire criteria. In beginsel moeten alle primaire criteria worden toegepast. Alleen in ‘gerechtvaardigde gevallen’ mag hiervan worden afgeweken. De keuze welke secundaire criteria worden meegewogen is aan de lidstaten zelf, behalve waar in het Commissiebesluit anders is bepaald. In dat geval gebeurt dit (sub)regionaal (D5 en D8) of op Unieniveau (D10).

Onderstaande tabel geeft alle descriptoren en bijbehorende criteria weer waar Nederland met deze actualisatie invulling aan geeft. Dat zijn bijna alle primaire criteria. Uitzonderingen zijn D3C3 en het direct hieraan gerelateerde D1C3 vissen. Ook zijn Koppotigen nog niet uitgewerkt, en Incidentele bijvangst nog maar beperkt. Zie de betreffende factsheets in Bijlage VIII voor een nadere toelichting.

Onder descriptor D1 Biodiversiteit worden soorten onderverdeeld in zeevogels, zeezoogdieren, vissen en koppotigen (D1C1 tot en met D1C5). Pelagische habitats vallen onder criterium D1C6. Benthische habitats zijn onderdeel van D6. Bodemdieren worden hier ook onder gevat.

Descriptor/criterium (code en verkorte naam)

Beschrijving (uit: KRM en Commissiebesluit 2017/848/EU)

Primair/secundair criterium

D1 Biodiversiteit (zeevogels,

zeezoogdieren, vissen, koppotigen)

De biologische diversiteit wordt behouden. De kwaliteit en het voorkomen van habitats en de verspreiding en dichtheid van soorten zijn in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden.

 

D1C1 Incidentele bijvangst.

Het sterftecijfer per soort als gevolg van incidentele bijvangst is lager dan het niveau waarop de soort wordt bedreigd, zodat de levensvatbaarheid van de soort op lange termijn is gegarandeerd.

Primair

D1C2 Populatieabundantie.

De populatiedichtheid van de soort wordt niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid van de soort op lange termijn is gegarandeerd.

Primair

D1C3 Demografische kenmerken.

De demografische kenmerken van de populatie (bv. omvang van het lichaam of leeftijdsstructuur, genderratio, vruchtbaarheid en overlevingscijfers) van de soorten duiden op een gezonde populatie die niet wordt geschaad door antropogene belastingen.

Primair voor commercieel geëxploiteerde soorten vis en koppotigen en secundair voor andere soorten.

D1C4 Verspreidingsgebied.

Het verspreidingsgebied en, indien van toepassing, het verspreidingspatroon van de soorten is in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden.

Primair voor de soorten die onder de bijlagen II, IV of V bij Richtlijn 92/43/EEG vallen en secundair voor andere soorten.

D1C5 Kwaliteit leefgebied.

De omvang en toestand van de habitat van de soort zijn geschikt voor de ondersteuning van de verschillende fasen van de levenscyclus van de soort.

Primair voor de soorten die onder de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG vallen en secundair voor andere soorten.

D1C6 Pelagische habitats.

De toestand van het habitattype, met inbegrip van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. de kenmerkende soortensamenstelling ervan en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), wordt geen schade berokkend door antropogene belastingen.

Primair

D2 Niet-inheemse soorten.

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert.

 

D2C1 Introducties niet-inheemse soorten.

Het aantal via menselijke activiteiten nieuw in het wild geïntroduceerde niet-inheemse soorten, per beoordelingsperiode (zes jaar), gemeten vanaf het referentiejaar zoals gerapporteerd voor de initiële beoordeling op grond van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, wordt tot een minimum beperkt en waar mogelijk tot nul teruggebracht.

Primair

D3 Commercieel geëxploiteerde

soorten vis, schaal- en schelpdieren.

Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en

schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een

opbouw qua leeftijd en omvang die kenmerkend is voor een gezond bestand.

 

D3C1 Visserijsterfte commercieel

geëxploiteerde soorten.

De visserijsterfte van de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten is gelijk aan of lager dan een niveau dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren.

Primair

D3C2 Paaibiomassa commercieel

geëxploiteerde soorten.

De paaibiomassa van de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten is hoger dan een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

Primair

D4 Voedselwebben.

Alle elementen van de mariene voedselketens, voor zover deze bekend zijn, komen voor in normale dichtheden en diversiteit en op niveaus die de dichtheid van de soorten op lange termijn en het behoud van hun volledige voortplantingsvermogen garanderen.

 

D4C1 Diversiteit van trofische gilden.

De diversiteit (soortensamenstelling

en hun relatieve dichtheid) van het

trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Primair

D4C2 Evenwicht tussen trofische gilden.

Het evenwicht van de totale dichtheid tussen de trofische gilden wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Primair

D4C3 Grootteverdeling binnen gilden.

De grootteverdeling van de exemplaren in het trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Secundair

D4C4 Productiviteit van trofische gilden.

De productiviteit van het trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Secundair

D5 Eutrofiëring.

Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring is tot een minimum beperkt,

met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit,

aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in

de bodemwateren.

 

D5C1 Nutriënten.

De nutriëntenconcentratie ligt niet op een niveau dat wijst op schadelijke eutrofiëringseffecten.

Primair

D5C2 Chlorofyl-a.

De chlorofyl-a-concentratie ligt niet op een niveau dat wijst op schadelijke effecten van verrijking met nutriënten.

Primair

D5C5 Zuurstof.

De concentratie opgeloste zuurstof wordt, als gevolg van verrijking met nutriënten, niet teruggebracht tot een niveau dat wijst op schadelijke effecten op bentische habitats (en op de daarmee verbonden biota en mobiele soorten) of andere eutrofiëringseffecten.

Primair

D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats.

Integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de

ecosystemen gewaarborgd zijn en dat met name bentische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast.

 

D6C1 Fysiek verlies van de zeebodem.

De ruimtelijke omvang en spreiding van het fysieke verlies (permanente wijziging) van de natuurlijke zeebodem.

Primair

D6C2 Fysieke verstoring van de zeebodem.

De ruimtelijke omvang en spreiding van de fysieke verstoringen van de zeebodem.

Primair

D6C3 Aantasting benthische habitats door fysieke verstoring.

De ruimtelijke omvang van elk habitattype dat schade is berokkend, door wijziging van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. door wijzigingen van de soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), door fysieke verstoringen.

Primair

D6C4 Fysiek verlies van benthische habitats.

De omvang van het verlies van het habitattype, als gevolg van antropogene belastingen, is niet groter dan een vastgesteld deel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoordelen gebied.

Primair

D6C5 Kwaliteit benthische habitats.

De omvang van de schadelijke effecten van antropogene belastingen op de toestand van het habitattype, met inbegrip van wijziging van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. de kenmerkende soortensamenstelling ervan en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), is niet groter dan een vastgesteld deel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoor-

delen gebied.

Primair

D7 Permanente wijziging

hydrografische eigenschappen.

Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade.

 

D7C1 Permanente wijziging

hydrografische omstandigheden.

De ruimtelijke omvang en spreiding van de permanente wijziging van de hydrografische omstandigheden (bv. wijzigingen van de golfslag, de stroming, het zoutgehalte, de temperatuur) van de zeebodem en de waterkolom, met name in verband met het fysieke verlies van de natuurlijke zeebodem.

Secundair

D7C2 Aangetaste benthische

habitats door permanente wijziging

hydrografische omstandigheden.

De ruimtelijke omvang van elk bentisch habitattype dat schade is berokkend (de fysieke en hydrografische kenmerken en de bijbehorende biologische gemeenschappen) door permanente wijziging van de hydrografische omstandigheden.

Secundair

D8 Verontreinigende stoffen.

Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden.

 

D8C1 Verontreinigende stoffen in het mariene milieu.

1. Binnen de kustwateren en de territoriale wateren overschrijden de concentraties van verontreinigende stoffen de volgende drempelwaarden niet voor:

a) verontreinigende stoffen die zijn geselecteerd overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG:

i) verontreinigende stoffen waarvoor een milieukwaliteitsnorm is vastgesteld in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG;

ii) stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen krachtens bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG, in de kustwateren;

b) bijkomende verontreinigende stoffen, indien van toepassing, zoals uit offshore bronnen, die nog niet onder a) zijn genoemd en die verontreinigings-

effecten in de regio of de subregio kunnen veroorzaken.

2. Buiten de territoriale wateren overschrijden de concentraties van verontreinigende stoffen de volgende drempelwaarden niet voor:

a) de onder punt 1 beschouwde verontreinigende stoffen, wanneer deze nog steeds verontreinigingseffecten kunnen veroorzaken;

b) bijkomende verontreinigende stoffen, indien van toepassing, die nog niet in punt 2, onder a) zijn genoemd en die verontreinigingseffecten in de regio of de subregio kunnen veroorzaken.*

Primair

D8C2 Schadelijke effecten van

verontreinigende stoffen.

De gezondheid van de soorten en de toestand van de habitats (zoals de soortensamenstelling en de relatieve dichtheid ervan op plaatsen waar sprake is van chronische verontreiniging) worden niet geschaad door verontreinigende stoffen, met inbegrip van de cumulatieve en synergetische effecten.

Secundair

D8C3 Incidentele ernstige verontreinigingen.

De ruimtelijke omvang en de duur van de significante ernstige verontreinigingen worden tot een minimum beperkt.

Primair

D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten.

Vervuilende stoffen in vis en andere visserijproducten voor menselijke consumptie overschrijden niet de grenzen die door wetgeving van de Unie of andere relevante normen zijn vastgesteld.

 

D9C1 Verontreinigende stoffen in visserijproducten.

Het niveau van verontreinigende stoffen in eetbare weefsels (spieren, lever, hom, vlees of andere zachte stukken, al naargelang van toepassing) van visserijproducten (waaronder vissen, schaaldieren, weekdieren, stekelhuidigen, zeewieren en andere zeeplanten) die in de natuur gevangen of geoogst worden (met uitzondering van vis uit de maricultuur) is niet hoger dan:

a) voor de in Verordening (EG) nr. 1881/2006 opgenomen verontreinigende stoffen, de in die verordening vastgestelde maximumgehalten, die de drempelwaarden voor de toepassing van dit besluit vormen;

b) voor de bijkomende verontreinigende stoffen, die niet in Verordening (EG) nr. 1881/2006 zijn opgenomen, drempelwaarden die de lidstaten vaststellen door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Primair

D10 Zwerfafval.

De eigenschappen van, en de hoeveelheden zwerfvuil op zee veroorzaken geen schade aan het kust- en mariene milieu.

 

D10C1 Zwerfafval in het mariene milieu.

De samenstelling, hoeveelheid en ruimtelijke spreiding van afval aan de kust, in de bovenlaag van de waterkolom en op de zeebodem, liggen op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het kust- en mariene milieu.

Primair

D10C2 Microafval in het mariene milieu.

De samenstelling, hoeveelheid en ruimtelijke spreiding van microafval aan de kustlijn, in de bovenlaag van de waterkolom en in het zeebodemsediment, liggen op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het kust- en mariene milieu.

Primair

D10C3 (Micro)afval in zeedieren.

De hoeveelheid door zeedieren opgenomen afval en microafval ligt op een niveau dat niet schadelijk is voor de gezondheid van de betrokken soorten.

Secundair

D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid.

De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, is op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent.

 

D11C1 Impulsief onderwatergeluid.

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van bronnen van antropogeen impulsief geluid zijn niet hoger dan de niveaus waarop populaties zeedieren schade wordt berokkend.

Primair

D11C2 Continu onderwatergeluid.

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van antropogeen continu laagfrequent geluid zijn niet hoger dan de niveaus waarop populaties zeedieren schade wordt berokkend.

Primair

Bijlage V Overzicht goede milieutoestand, huidige milieutoestand, indicatoren en drempelwaarden

Descriptor/criterium

Goede milieutoestand (Art. 9)

Huidige milieutoestand (Art. 8)

Indicator(en)

en (bron)

Drempelwaarden

D1 Biodiversiteit zeevogels.

Zeevogels worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid van populaties op de lange termijn is gegarandeerd.

De huidige toestand van vogels die in de waterkolom foerageren in de Internationale Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand. Dit is niet het geval voor vogels van het intergetijdegebied en de groep vogels die hun voedsel van het wateroppervlak en de zeebodem halen. De toestand is onveranderd ten opzichte van de voorgaande beleidsperiode.

N.v.t.

N.v.t.

D1C1 Incidentele bijvangst.

Incidentele

bijvangst in het Nederlandse deel van de Noordzee vormt geen bedreiging voor zeevogelpopulaties.

De beoordeling van incidentele bijvangst is indicatief en vanwege gebrek aan data gebaseerd op expert judgement. Gezien hun leefwijze mag worden verwacht dat de meeste oppervlaktefoerageerders en vogels die foerageren in het intergetijdegebied in het Nederlandse deel van de Noordzee geen beduidend risico op bijvangst lopen. Vogels die foerageren in de waterkolom of op de zeebodem lopen potentieel wel risico, maar bij gebrek aan data wordt voor hen het oordeel ‘onbekend’ geveld.

[Pilot: B5 Marine bird bycatch (OSPAR)]

Kwalitatief (expert judgement).

[In ontwikkeling]

D1C2 Populatie-abundantie.

De populatieomvang van zeevogelsoorten duidt op gezonde populaties en voldoet in de Internationale Noordzee aan de drempelwaarden van OSPAR.

De populatieomvang van zeevogelsoorten in de Internationale Noordzee is vergelijkbaar met de voorgaande periode: van geen enkele soort is de toestand veranderd. Van de oppervlaktefoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdegebied voldoet respectievelijk 42 procent, 25 procent en 58 procent aan de drempelwaarde. Vooral van de broedvogels zijn de aantallen laag. Bij vogelsoorten die op zee in de waterkolom foerageren voldoen de meeste (82 procent) aan de drempelwaarde. Het beeld in het Nederlandse deel van de Noordzee is vergelijkbaar met dat van de gehele Noordzee.

B1 abundantie vogels (OSPAR).

Abundantie vogels Nederland (nationaal).

Huidige aantal is ≥70% (of ≥80%) van het aantal in 1991-2000 (OSPAR).

Huidige aantal ≥70% (of ≥80%) van aantal in 1991-2000, of huidige aantal ≥GRP (nationaal).

D1C3 Demografische kenmerken: broedsucces.

Het broedsucces van zeevogels duidt op gezonde populaties in de Internationale Noordzee en voldoet aan de drempelwaarden van OSPAR.

Van de vogels die dieper in de waterkolom foerageren, voldoet bij de meeste soorten (83 procent) het broedsucces aan de drempelwaarde. Onder de oppervlaktefoerageerders is dit 21 procent en bij de vogels van het intergetijdengebied 33 procent. Over het geheel genomen voldoet 39 procent van de beoordeelde soorten aan de drempelwaarde. De toestand op criteriumniveau is onveranderd ten opzichte van de voorgaande beoordelingsperiode.

In de Internationale Noordzee is het broedsucces van zeevogels voor het merendeel van de beoordeelde soorten zó laag dat, als dit niet verbetert, deze soorten op termijn waarschijnlijk een Rode Lijst-status krijgen, mochten ze die nog niet hebben. Vooral vogelsoorten die op zee foerageren op vis in de bovenste waterlagen doen het in dit opzicht niet goed. Hiertoe behoren de meeste in Nederland broedende zeevogels.

B3 Broedsucces zeevogels (OSPAR).

Broedsucces kustbroedvogels (nationaal).

Gemiddeld broedsucces over 6 jaar is voldoende om een populatiedaling van ≥30% over 3 generaties te voorkomen (OSPAR).

Gemiddeld broedsucces is voldoende om een populatiedaling te voorkomen (nationaal).

D1C5 Kwaliteit leefgebied.

De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn geschikt voor zeevogelpopulaties in het Nederlandse deel van de Noordzee.

De kwaliteit van het leefgebied van zeevogels op het Nederlandse deel van de Noordzee is als ‘onbekend’ beoordeeld, omdat er nog geen beoordelingssystematiek voorhanden is en er te weinig kennis is over causale relaties en ecologische randvoorwaarden. Een kwalitatieve beoordeling op basis van expert

judgement is wel mogelijk. De belangrijkste drukfactoren die op

de Noordzee het leefgebied van

zeevogels bedreigen zijn: verstoring door menselijke activiteiten,

verminderde beschikbaarheid van prooivissen onder invloed van vis-

serij en klimaatverandering, directe effecten van klimaatverandering, predatie in broedgebieden, vervuiling en – recent – hoogpathogene vogelgriep. Het is nog onvoldoende duidelijk hoe groot de invloed is van elk van deze factoren afzonderlijk, of en hoe ze interacteren en hoe ze zijn te combineren tot een geïntegreerd oordeel over de kwaliteit van het leefgebied.

Kwalitatief (expert judgement).

N.v.t.

D1 Biodiversiteit zeezoogdieren.

Zeezoogdier-populaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Voor grijze zeehond en gewone zeehond is de goede milieutoestand bereikt. Voor bruinvis is dit niet het geval, omdat de drempelwaarde van bijvangst is overschreden.

N.v.t.

N.v.t.

D1C1 Incidentele bijvangst.

Incidentele bijvangst in de Internationale Noordzee vormt geen bedreiging voor populaties bruinvis en grijze zeehond en blijft onder de drempelwaarden van OSPAR.

De goede milieutoestand is wel behaald voor grijze zeehond, maar niet voor bruinvis.

M6 - Incidentele bijvangst zeezoogdieren (OSPAR).

Bruinvis: 1622/jr, grijze zeehond: 7171/jr (OSPAR).

D1C2 Populatie-abundantie.

De populatieomvang van bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond duidt op gezonde populaties en voldoet aan de drempelwaarden van OSPAR (deelgebieden Internationale Noordzee) en de Habitatrichtlijn (Nederlandse deel van de Noordzee).

De goede milieutoestand met betrekking tot de populatieomvang is behouden voor de drie soorten zeezoogdieren. De bruinvispopulatie lijkt stabiel. Aantallen van beide zeehondensoorten nemen nog steeds toe.

M4 abundantie en verspreiding cetacea (OSPAR).

M3 abundantie en verspreiding zeehonden (OSPAR).

Populatie (HR).

Jaarlijkse afname populatie < 1,6% én geen afname > 30% t.o.v. basisjaar 1994 (OSPAR).

Geen afname in aantallen > 1% per jaar (ca. 6% in laatste 6 jaar) én geen afname > 25% t.o.v. basisjaar 1992 (OSPAR).

Bruinvis: 60.000, grijze zeehond: 1000-5000, gewone zeehond: 2000-5000 (FRP uit HR).

D1C3 Demografische kenmerken: pupproductie.

De pupproductie van grijze zeehond (deelgebieden Internationale Noordzee) en gewone zeehond (Nederlandse deel van de Waddenzee) duidt op gezonde populaties en voldoet voor grijze zeehond aan de drempelwaarde van OSPAR.

De pupproductie van grijze zeehond en gewone zeehond neemt nog steeds toe. Grijze zeehond voldoet voor dit aspect aan de drempelwaarde van OSPAR. Hoewel voor gewone zeehonden geen drempelwaarde is vastgesteld, is het aannemelijk dat ook voor deze soort de goede milieutoestand is bereikt. Daarmee is voor beide soorten de goede milieutoestand behouden.

M5 Pupproductie grijze zeehond (OSPAR).

Pupproductie gewone zeehond (trilaterale Waddenoverleg).

Het geboortecijfer van de grijze zeehond mag niet afnemen met meer dan jaarlijks 1% sinds de laatste beoordeling en 25% sinds 1992 (OSPAR).

Niet beschikbaar.

D1C4 Verspreidingsgebied.

Het verspreidingsgebied van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de drempelwaarde van de Habitatrichtlijn.

Er hebben zich geen belangrijke wijzigingen voorgedaan in de geografische verspreiding van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond. De goede milieutoestand is behouden.

Verspreidings- gebied (HR).

Verspreidings- gebied gewone zeehond (OSPAR).

M3 Verspreidings- gebied grijze zeehond (OSPAR).

Bruinvis: 724, grijze zeehond: 728, gewone

zeehond: 762 (FRR uit HR).

geen

geen

D1C5 Kwaliteit leefgebied.

De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn geschikt voor gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis in het Nederlandse deel van de Noordzee.

De voornaamste drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bekend, maar er is nog weinig kennis over precieze en vooral cumulatieve effecten, causale relaties en ecologische randvoorwaarden. Om die reden is voor gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis D1C5 Kwaliteit leefgebied als ‘onbekend’ beoordeeld.

Kwalitatief (expert judgement).

N.v.t.

D1 Biodiversiteit vissen.

Vispopulaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Herstel op zowel de lange als op korte termijn is bereikt voor kwetsbare soorten zoals de gladde haai, hondshaai, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog en golfrog. Van demersale en pelagische populaties voldoet respectievelijk 29 en 40 procent en voor kustgebonden populaties is dit 8 procent. De goede milieutoestand voor vissen in de Internationale Noordzee is hiermee nog niet bereikt. Deze beoordeling kent nog belangrijke kennislacunes.

N.v.t.

N.v.t.

D1C1 Incidentele bijvangst.

Incidentele bijvangst in de Internationale Noordzee vormt geen bedreiging voor de instandhouding van vispopulaties.

Nog niet mogelijk.

[In ontwikkeling]

[In ontwikkeling]

D1C2 Populatie-abundantie.

De populatieomvang van vissoorten duidt op gezonde populaties en voldoet minimaal aan de doelstellingen van OSPAR (kwetsbare vissoorten) en het GVB (commercieel geëxploiteerde soorten) in de Internationale Noordzee, en de HR in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Van de kustgebonden vispopulaties is naar schatting 8 procent in goede toestand. Van demersale vispopulaties is dit 29 procent en van pelagische vissen 40 procent. Over veel populaties is onvoldoende informatie beschikbaar om een analyse te kunnen uitvoeren.

FC1 kwetsbare vissoorten (OSPAR).

Commercieel geëxploiteerde soorten (GVB).

Populatie (HR).

Geen afname ten opzichte van voorgaande periode.

SSB > MSY Btrigger (GVB), gemiddeld over de planperiode.

FRP (HR).

D1C4 Verspreidingsgebied.

Het verspreidingsgebied van trekvissen in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de drempelwaarde van de Habitatrichtlijn.

Het verspreidingsgebied van de meeste trekvissen is conform de HR-rapportage (2019) als gunstig beoordeeld. Alleen het oordeel voor de rivierprik is matig ongunstig. Over elft en steur zijn te weinig data beschikbaar.

Verspreidings- gebied trekvissen (HR).

FRR (HR).

D1C5 Kwaliteit leefgebied.

De omvang en kwaliteit van het leefgebied in het Nederlandse deel van de Noordzee is geschikt voor trekvissen onder de HR.

De habitats voor houting, zeeprik en rivierprik zijn als ‘gunstig’ beoordeeld. Van fint is de toestand ‘zeer ongunstig’, en van zalm ‘onbekend’. Van elft en steur ontbreken data en is een oordeel niet mogelijk.

Alle oordelen zijn gebaseerd op expert judgement.

Habitat van de soort (HR).

N.v.t.

D1 Biodiversiteit koppotigen.

Populaties van koppotigen worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Beoordeling is nog niet mogelijk.

[In ontwikkeling]

[In ontwikkeling]

D1C6 Pelagische habitats.

Het functioneren en de samenstelling van pelagische habitats (fyto- en zoöplankton) in de Internationale Noordzee worden niet negatief beïnvloed door menselijke activiteiten.

De pelagische habitats (fyto- en zoöplankton) in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand doordat de habitattypen ‘continentaal plat’ en ‘kustzone’ als ‘niet goed’ zijn beoordeeld. Van de habitat ‘variabele saliniteit’ is de status onbekend.

PH1 Veranderingen in planktongemeenschappen (OSPAR).

PH2 Veranderingen in planktonbiomassa

en/of abundantie (OSPAR).

PH3 Veranderingen in biodiversiteit (OSPAR, pilot).

Beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR) (alle indicatoren).

D2 Niet-inheemse soorten.

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-

inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert.

Zie D2C1.

N.v.t.

N.v.t.

D2C1 Introducties niet-inheemse soorten.

Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van menselijke activiteiten is tot een minimum beperkt.

Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee is in de afgelopen planperiode niet afgenomen, wat betekent dat de goede milieutoestand nog niet is bereikt. Deze beoordeling is gebaseerd op een Nederlandse analyse, waarbij de OSPAR-methodiek is gebruikt en de dataset uit het QSR (OSPAR, 2023) is aangevuld met recentere data.

NIS3 Aantal introducties van niet-inheemse soorten (OSPAR).

In ontwikkeling; voorlopig: daling ten opzichte van voorgaande planperiode.

D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal- en schelpdieren.

Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een demografie die kenmerkend is voor een gezond bestand.

Van de 71 commercieel geëxploiteerde bestanden vis en schaal- en schelpdieren zijn 20 bestanden

(28 procent) in goede toestand,

19 (27 procent) voldoen niet en van 32 (45 procent) bestanden is onvoldoende informatie beschikbaar voor een beoordeling. Hiermee is de goede milieutoestand niet bereikt. Wel is een geleidelijke verbetering zichtbaar bij demersale en benthische soorten (ICES, 2022a).

N.v.t.

N.v.t.

D3C1 Visserijsterfte commercieel geëxploiteerde soorten.

De visserijsterfte van elk commercieel geëxploiteerd bestand in de Internationale Noordzee voldoet aan de drempelwaarde gebaseerd op het GVB.

Zie D3.

Visserijsterfte commercieel geëxploiteerde bestanden (GVB).

F≤Fmsy (GVB), gemiddeld over de planperiode.

D3C2 Paaibiomassa commercieel geëxploiteerde soorten.

De paaibiomassa van elk commercieel geëxploiteerd bestand in de Internationale Noordzee voldoet aan de drempelwaarde gebaseerd op het GVB.

Zie D3.

Paaibiomassa commercieel geëxploiteerde bestanden (GVB).

SSB > MSY Btrigger (GVB), gemiddeld over de planperiode.

D4 Voedselwebben.

Alle trofische gilden in het mariene voedselweb, voor zover deze bekend zijn, hebben een productiviteit, dichtheid en diversiteit op een niveau dat het functioneren van het voedselweb garandeert.

‘Voedselwebben’ in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand. De dichtheid, de verspreiding en de productiviteit van belangrijke groepen die verschillende trofische gilden vertegenwoordigen, zijn onderhevig aan verandering. Deze veranderingen hangen samen met veranderingen in het milieu, waarschijnlijk als gevolg van menselijke activiteiten.

N.v.t.

N.v.t.

D4C1 Diversiteit van trofische gilden.

De diversiteit (soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid) binnen de beoordeelde trofische gilden (primaire en secundaire producenten) in de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De samenstelling van fytoplankton en zoöplankton is over een langere periode significant veranderd, en deze veranderingen zijn geasso-

cieerd met veranderingen in het milieu die door menselijk handelen veroorzaakt zijn. Daarom voldoet de diversiteit van deze trofische gilden in de Internationale Noordzee niet aan de goede milieutoestand.

FW5 Veranderingen in fyto- en zoöplankton (OSPAR).

Niet voorzien, beoordeling

door trend-

analyse

gekoppeld aan

drukfactoren (OSPAR).

D4C2 Evenwicht tussen trofische gilden.

Het evenwicht

tussen de totale dichtheden van beoordeelde trofische gilden (fytoplankton, zoöplankton, vis) in de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Het evenwicht tussen de trofische gilden in de Internationale Noordzee voldoet niet aan de goede milieutoestand. Deze uitkomst is de weerslag van veranderingen in het

fyto- en zoöplankton. Het is nog niet mogelijk om de voedselgilden van de vissengemeenschap te toetsen aan de goede milieutoestand, omdat de GMT voor deze gilden nog niet is gedefinieerd.

FW5 Veranderingen in fyto- en zoöplankton (OSPAR).

[FW7 Visbiomassa en abundantie van voedselgilden (OSPAR)].

Niet voorzien, beoordeling

door trend-

analyse

gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

[Geen drempelwaarde, trends (OSPAR)].

D4C3 Grootteverdeling binnen gilden.

De grootteverdeling van exemplaren binnen het beoordeelde trofische gilde (demersale subapex predatoren) van de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De grootteverdeling binnen het beoordeelde gilde in de Internationale Noordzee voldoet niet aan de goede milieutoestand. Deze uitkomst wordt bepaald door het element demersale subapex predatoren, waar drie indicatoren het oordeel ‘niet goed’ opleverden. De tekenen van herstel, die in de voorgaande planperiode werden gesignaleerd, hebben zich niet voortgezet en de toestand is verslechterd.

FC2 Aandeel grote vissen (OSPAR).

FC3 Gemiddelde maximale lengte van vissen (OSPAR).

FW3 Grootte- samenstelling in visgemeenschap (OSPAR).

0,17 (LFI) (OSPAR).

Geen drempelwaarde, trend (OSPAR).

Geen drempelwaarde, trend (OSPAR).

D4C4 Productiviteit van trofische gilden.

De productiviteit van het beoordeelde trofische gilde (primaire producenten) wordt niet negatief beïnvloed door antropogene drukfactoren.

Er is geen officiële beoordeling voor dit criterium, aangezien de indicator zich in een pilotfase bevindt. De eerste resultaten van de pilot indicator lijken uit te wijzen dat de productiviteit van trofische gilden in de Internationale Noordzee niet voldoet aan de goede milieutoestand.

[FW2 Production of phytoplankton (OSPAR)].

[Geen drempelwaarde, trend (OSPAR)].

D5 Eutrofiëring.

Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring en vooral de schadelijke effecten ervan, zijn tot een minimum beperkt.

In het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet 49,7 procent van de oppervlakte aan de goede milieutoestand. Dit lage percentage is een vertekend beeld als gevolg van de toegepaste gebiedsindeling bij de OSPAR-beoordeling, waarin een ‘matige’ score van het criterium D5C5 Zuurstofconcentratie nabij de zeebodem in de Oostelijke Noordzee vooral wordt veroorzaakt door de zuurstofarme gebieden in het Duitse en Deense deel van dat gebied. Ongeveer 45,6 procent van de Nederlandse Noordzee ligt in de Oostelijke Noordzee. De overige 4,6 procent van de Nederlandse Noordzee die niet voldoet, betreft de rivierpluimen en Noordelijke Deltakust. Daar zijn chlorofyl-a-concentraties te hoog. Nutriëntenconcentraties worden wel getoetst, maar tellen niet mee in de integrale beoordeling van de milieutoestand (zie D5C1).

N.v.t.

N.v.t.

D5C1 Nutriënten.

De nutriënten-

concentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

In totaal voldoet 94 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee aan de goede milieutoestand met betrekking tot winter DIN-concentraties. De rivierpluimen Maas en Rijn en Scheldepluim 1 voldoen hier niet aan en van de KRW-wateren voldoet alleen de Waddenkust (kustwater). De goede milieutoestand met betrekking tot winter DIP is in alle gebieden wél bereikt. Ten opzichte van de voorgaande planperiode(n) is over het geheel genomen een lichte verbetering zichtbaar, vooral van winter DIP.

Nutriënten-

concentraties (winter DIN) in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

Nutriënten-concentraties (winter DIN en DIP) voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

DIN 0,46 (33) (KRW)

Rijnpluim: DIN 29,7, DIP 1,15; Maaspluim: DIN 40,7, DIP 1,35; Scheldepluim 1: DIN 25,9, DIP 1,31; Scheldepluim 2: DIN 33,3, DIP 1,02;

Zuidelijke Noordzee: DIN 13,0, DIP 0,70; Oostelijke Noordzee: DIN 7,3, DIP 0,6; Noordelijke Noordzee: DIN 10,3, DIP 0,71 Doggersbank: DIN 7,2, DIP 0,76.

D5C2 Chlorofyl-a.

De chlorofyl-a-concentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

Sinds de vorige planperiode is weinig veranderd in chlorofyl-a-gehalten. Bijna alle OSPAR-gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoen wel aan de goede milieutoestand. Ondanks de dalende trends in nutriëntenconceptraties voldoen de rivierpluimen nog niet. De beoordeling van KRW-kustwateren is in de meeste gevallen ‘goed’, uitgezonderd de Noordelijke Deltakust.

Concentraties chlorofyl-a in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

Concentraties chlorofyl-a voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

90 percentiel: Eems-Dollard Kust: 10,13; Noordelijke Deltakust, Hollandse Kust: 16,88; Zeeuwse Kust, Waddenkust: 15 (KRW)

gemiddelde: Rijnpluim: 6,8; Maaspluim: 8,0; Scheldepluim l: 5,0; Scheldepluim 2: 8,9;

Zuidelijke Noordzee: 3,8; Oostelijke Noordzee: 1,2; Noordelijke Noordzee: 1,1; Doggersbank: 1,3.

D5C5 Zuurstof.

De zuurstofconcentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

In alle gebieden is de goede milieutoestand behaald, met uitzondering van de Oostelijke Noordzee, die ‘matig’ scoort. Uit beoordeling op een fijnere schaal blijkt dat het zuurstofarme deel relatief klein is en in het Duitse en Deense deel van de Noordzee ligt. Dit maakt dat de toestandsbeoordeling van het Nederlandse deel van dit gebied een vertekend beeld geeft. De zuur-

stofomstandigheden zijn vergelijkbaar met die in de voorgaande planperiode.

Zuurstof-verzadiging (groeiseizoen) in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

Zuurstof-concentraties bij de zeebodem (groeiseizoen) voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

> 60 (KRW)

Rijnpluim, Maaspluim, Scheldepluim 1, Scheldepluim 2.

Zuidelijke Noordzee, Oostelijke Noordzee, Noordelijke Noordzee, Doggersbank: 6.

D6 Integriteit van de zeebodem en

benthische habitats.

De integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen zijn gewaarborgd en dat met name benthische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast.

Het verlies aan habitats blijft beneden de drempelwaarde (D6C4). Ondanks het ontbreken van drempelwaarden voor de overige criteria kan worden gesteld dat in het Nederlandse deel van de Noordzee de goede milieutoestand niet is bereikt. Dit oordeel is vooral gebaseerd op de matige tot slechte kwaliteit van de verschillende typen habitats (D6C5). Ondanks een lichte afname van de visserijdruk (D6C2) is de toestand nagenoeg onveranderd ten opzichte van de voorgaande planperiode.

N.v.t.

N.v.t.

D6C1 Fysiek verlies van de zeebodem.

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D6C4 en D7C1).

Het verlies is in de hier beschouwde planperiode nauwelijks toegenomen. In het Nederlandse deel van de Noordzee is 283 km2 (0,48%) habitat verloren gegaan. Dit komt door intensieve visserij en andere activiteiten in voorgaande planperioden.

BH4 Area of habitat loss (OSPAR).

BH4 Area of

habitat loss (gedetailleerde analyse, nationaal).

N.v.t.

N.v.t

D6C2 Fysieke verstoring van de zeebodem.

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D6C3).

Bodemberoerende visserij is wijdverspreid en met afstand de belangrijkste oorzaak van verstoring: 66 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee heeft te maken met matige tot hoge visserijdruk. Toch is over de langere termijn een lichte afname in visserijdruk zichtbaar. Zandwinning is de enige andere menselijke activiteit die noemenswaardige verstoring tot gevolg heeft. Deze is zeer lokaal en beslaat 0,1 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee.

Visserijdruk: BH3 Physical damage to predominant and special habitats (OSPAR).

Zandwinning en overige fysieke verstoring (nationaal).

N.v.t.

N.v.t.

D6C3 Aantasting benthische habitats door fysieke verstoring.

N.v.t. (Dit criterium voor de beoordeling van de ruimtelijke omvang van aangetaste benthische habitattypen door fysieke verstoring dient als input voor D6C5).

Naar schatting is een groot deel (58 procent) van de zeebodem in de Zuidelijke Noordzee ‘medium’ tot ‘zwaar’ aangetast als gevolg van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij. De impact verschilt per habitat, maar de meeste habitattypen (tien van de vijftien) zijn naar schatting voor minimaal 30 procent ‘medium’ aangetast. In de Nederlandse Noordzee is de aantasting door zandwinning beperkt (maximaal 0,3 procent van de zandige habitattypen). Deze beoordeling is kwalitatief, omdat voor de status ‘aangetast’ nog geen grenswaarde is vastgesteld.

BH3 Physical damage to predominant and special habitats (OSPAR).

Registratie suppleties en ondiepe zandwinning (nationaal).

In ontwikkeling (betreft grenswaarde waarboven sprake is van impact).

D6C4 Fysiek verlies van benthische habitats.

Het verlies aan brede habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van menselijke activiteiten is beperkt en voldoet aan de Europese drempelwaarde.

Het oppervlakteverlies per breed habitattype in het Nederlandse deel van de Noordzee is minder dan 2 procent, waardoor de goede milieutoestand behouden blijft. Bodemberoerende visserij heeft alleen bij offshore circalitorale

slibrijke habitats tot verlies geleid, naar schatting 1,5 procent. In de Nederlandse Noordzee gaat het vooral om gebieden op en rond Centrale Oestergronden, Friese Front en ten zuiden van Klaverbank. Het oppervlakteverlies als gevolg van de aanwezigheid van objecten en structuren (leidingen, platforms en windmolens) en als gevolg van zandwinning (inclusief verdiepte loswallen) en vaargeulverdieping is beperkt. In de afgelopen periode is het totale habitatverlies per habitattype overwegend gelijk gebleven aan de voorgaande periode (2010-2015). Ook het aandeel per verstorende activiteit is vrijwel gelijk gebleven. Habitats met biogene riffen zijn vooralsnog buiten beschouwing gelaten omdat de omvang en ligging hiervan nog onvoldoende bekend zijn.

BH4 Area of habitat loss (OSPAR).

BH4 Area of

habitat loss (aanvullende analyse, nationaal).

2% (EU)

2% (EU)

D6C5 Kwaliteit

benthische habitats.

De impact van menselijke activiteiten op de kwaliteit van benthische habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee is beperkt.

De goede milieutoestand is nog niet bereikt. De toestand is nagenoeg onveranderd ten opzichte van de voorgaande planperiode.

BH2b relatieve Margalef-diversiteit (OSPAR).

BISI-index (nationaal).

BEQI-2 (KRW; nationaal).

In ontwikkeling (EU drempelwaarde nog niet inzetbaar).

In ontwikkeling (EU drempelwaarde nog niet inzetbaar).

≥0,6

D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen.

Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade.

In naar schatting 324 km2 in de Nederlandse Noordzee doen zich permanente hydrografische wijzigingen voor, dit is 0,55 procent van de totale oppervlakte (58.807 km2). Deze omvang is vooral toe te schrijven aan gevolgen van de aanleg van nieuwe windparken in de afgelopen planperiode. Het percentage aangetaste habitats is hiermee toegenomen. Verstoring wordt grotendeels veroorzaakt door een afname van de stratificatieperiode in (veel voorkomende) zandige habitats. Hiervan is naar schatting 0,65 procent aangetast. Kanttekening: De indicatoren zijn nog in ontwikkeling. De bovengenoemde omvang is grotendeels bepaald door een nog verder te ontwikkelen model en voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

N.v.t.

N.v.t.

D7C1 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen.

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D7C2).

De ruimtelijke omvang van permanente wijzigingen van hydrografische omstandigheden in het Nederlandse deel van de Noordzee bedraagt in de afgelopen planperiode naar schatting 315 km2. Daarmee komt de totale oppervlakte van verstoorde zeebodem sinds 2012 op 324 km2. Dit is 0,55 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee. De berekende omvang is grotendeels gebaseerd op een nog verder te ontwikkelen model en op voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

Omvang permanente wijzigingen hydrografie (nationaal).

N.v.t.

D7C2 Aangetaste benthische habitats door permanente wijziging hydrografische eigenschappen.

N.v.t. (Dit criterium behelst de omvang van benthische habitats die geschaad zijn door permanente hydrografische wijzigingen. De resultaten en de beoordeling van criterium D7C2 dienen als input voor de beoordeling van criterium D6C5.)

Als gevolg van permanente hydrografische wijzigingen is in totaal naar schatting 374 km2 aan benthische habitats geschaad, wat overeenkomt met 0,63 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de periode 2016-2021 wordt naar schatting 60 km2 aan benthische habitat als verloren beschouwd. Dit habitatverlies is nauwelijks veranderd ten opzichte van de voorgaande perioden. Het aandeel aangetaste habitats (310 km2) is wel sterk toegenomen. Vooral zandige habitats zijn aangetast: naar schatting ongeveer 0,6 procent van de offshore circalitorale en de circalitorale variant en 0,1 procent van het offshore circalitoraal slib. De berekende omvang moet worden gezien als indicatief.

Omvang verlies en aantasting benthische habitats door hydrografische wijzigingen (nationaal).

Er is geen drempelwaarde, maar een grenswaarde waarboven sprake is van ‘schade’. De hier gebruikte grenswaarden zijn voorlopig (nationaal).

D8 Verontreinigende stoffen.

Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden.

In de afgelopen planperiode zijn van de meeste stoffen de gehalten gelijk gebleven of iets gedaald. Dit beeld is vergelijkbaar met het beeld in de voorgaande periode. De goede milieutoestand is nog niet bereikt. Vooral de alomtegenwoordige persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (UPBT-stoffen) overschrijden de milieukwaliteitsnorm (8 van de 19 stoffen). Van de 119 niet-UPBT-stoffen voldoen er 8 niet aan de norm en zijn 3 stoffen niet toetsbaar omdat de concentraties lager zijn dan de rapportagegrens Hoewel tributyltin in het milieu de grenswaarde nog steeds overschrijdt, is voortplantingsschade (imposex) bij mariene slakken zodanig afgenomen dat wat dit criterium betreft de goede milieutoestand is bereikt. Incidentele ernstige verontreinigingen met olie hebben zich in de afgelopen planperiode niet voorgedaan.

N.v.t.

N.v.t.

D8C1 Verontreinigende stoffen in het mariene milieu.

De concentraties van voor het mariene milieu relevante verontreinigende stoffen (UPBT en niet-UPBT) voldoen aan de drempelwaarden die Europees (KRW, Nederlandse deel van de Noordzee) en in regionaal verband (OSPAR, Zuidelijke Noordzee) zijn vastgesteld.

De huidige toestand van verontreinigende stoffen in water, biota en sediment is niet veranderd sinds de voorgaande planperiode: er wordt niet aan de goede milieutoestand voldaan. Van de alomtegenwoordige persistente stoffen (UPBT) voldoen 8 van de 19 stoffen niet aan de milieukwaliteitsnorm. Van de niet-UPBT stoffen geldt dit voor 8 van de 119 stoffen.

Concentraties prioritaire en specifieke verontreinigende stoffen in water (KRW).

Concentraties prioritaire en specifieke verontreinigende stoffen in biota (KRW).

Metalen, PAK’s, PBDE, PCB’s in biota (OSPAR).

Metalen, organotin, PAK’s, PBDE, PCB’s in sediment (OSPAR).

Prioritaire stoffen: EU- drempelwaarden, overige stoffen: nationale drempelwaarden (cf. Richtlijn 2008/105/EG).

Prioritaire stoffen: EU- drempelwaarden, overige stoffen: nationale drempelwaarden (cf. Richtlijn 2008/105/EG).

Assessment-criteria (OSPAR).

Assessment-criteria (OSPAR).

D8C2 Schadelijke effecten van verontreinigende stoffen.

De gezondheid van soorten (mariene slakken) in de Zuidelijke Noordzee wordt niet geschaad door verontreinigende stoffen (tributyltin) en voldoet aan de drempelwaarde van OSPAR.

Schadelijke effecten van TBT op mariene slakken zijn sterk verminderd. Het voortplantingsvermogen van zeeslakken in de Zuidelijke Noordzee is zodanig hersteld dat nu in dit opzicht aan de goede milieutoestand wordt voldaan.

Imposex in mariene slakken (OSPAR).

Vas deferens sequence Tritia

reticulata, Buccinum

undatum < 0,3, Nucella lapillus < 2.

D8C3 Incidentele ernstige verontreinigingen.

Incidentele ernstige verontreinigingen in het Nederlandse deel van de Noordzee zijn tot een minimum beperkt.

In de afgelopen planperiode hebben zich geen incidentele ernstige verontreinigingen met olie voorgedaan.

Registratie incidentele ernstige verontreinigingen (nationaal).

Verontreini-

gingen met olie

en olieachtige

stoffen (Bonn Overeenkomst).

N.v.t.

N.v.t.

D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten.

Vervuilende stoffen in visserijproducten overschrijden niet de grenzen die in EU- wetgeving voor menselijke consumptie zijn vastgesteld.

Zie D9C1.

N.v.t.

N.v.t.

D9C1 Verontreinigende stoffen in visserijproducten.

De concentraties vervuilende stoffen in visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren die in Nederland zijn aangeland, voldoen aan de maximumgehalten die in Verordening (EG) Nr. 1881/2006 zijn vastgelegd.

De verontreinigingsniveaus in visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren liggen onder de drempelwaarden. De goede milieutoestand is daarmee behouden.

Concentraties van dioxines, PCB’s, PAK’s en metalen (cadmium, lood, kwik) in visserijproducten (Verordening 1881/2006/EG).

Maximum-

gehalten aan

verontreini-

gingen in levensmiddelen cf. Verordening 1881/2006/EG.

D10 Zwerfafval.

Zwerfafval op zee veroorzaakt geen schade aan het mariene en kustmilieu.

De hoeveelheid zwerfafval in het mariene milieu neemt nog steeds af. Desondanks is de goede milieutoestand nog niet bereikt.

N.v.t.

N.v.t.

D10C1 Zwerfafval in het mariene milieu.

Het mariene milieu wordt niet geschaad door hoeveelheden zwerfafval en voldoet daartoe aan de Europese drempelwaarde voor strand-

afval in het Nederlandse deel van de Noordzee.

De toestand op criteriumniveau is verbeterd, maar de goede milieutoestand is in het Nederlandse deel van de Noordzee nog niet bereikt.

Zwerfafval op het strand (OSPAR).

[Zwerfafval op de zeebodem (OSPAR)].

20 items/100m strandlengte (EU).

[In ontwikkeling (EU)].

D10C2 Microafval in het mariene milieu.

De hoeveelheid microafval in het zeebodemsediment ligt op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het mariene milieu.

Nog niet mogelijk.

[Microplastics in zeebodemsediment (OSPAR, EU)].

In ontwikkeling (EU).

D10C3 (Micro)afval in zeedieren.

De hoeveelheid door zeedieren opgenomen afval en microafval in de Zuidoostelijke Noordzee is niet schadelijk voor hun gezondheid, en voldoet daartoe aan de drempelwaarde van OSPAR voor noordse stormvogels.

De toestand op criteriumniveau is verder verbeterd, maar de goede milieutoestand is niet bereikt.

Plastic in magen van noordse stormvogels (OSPAR).

Maximaal 10% van de vogels heeft > 0,1g plastic in de maag (OSPAR).

D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid.

De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, ligt op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent.

Conform de OSPAR-beoordeling hanteert Nederland geen drempelwaarden voor D11. Desondanks rechtvaardigen de beoordelingsresultaten de conclusie dat de toestand in het Nederlandse deel van de Noordzee met betrekking tot impulsgeluid wél voldoet aan de goede milieutoestand, en met betrekking tot .continugeluid niet.

N.v.t.

N.v.t.

D11C1 Impulsief onderwatergeluid.

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van impulsgeluid in het Nederlandse deel van de Noordzee zijn niet schadelijk voor bruinvispopulaties.

Ondanks het ontbreken van een drempelwaarde is de inschatting dat het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand met betrekking tot impulsgeluid.

Verspreiding van impulsgeluid in zee (OSPAR).

Risico op verstoring van bruinvis door impulsgeluid in zee (OSPAR).

N.v.t.

In ontwikkeling.

D11C2 Continu onderwatergeluid.

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van antropogeen continu laagfrequent geluid in het Nederlandse deel van de Noordzee berokkenen populaties zeedieren geen schade.

Hoewel resultaten nog voorlopig zijn en OSPAR geen drempelwaarde hanteert, is het zeer waarschijnlijk dat de goede milieutoestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet is bereikt.

Niveau en verspreiding van continugeluid in zee (OSPAR).

In ontwikkeling.

Bijlage VI Voortgang milieudoelen 2018 en link met geactualiseerde milieudoelen

Bijlage VII Betrokkenheid van de Nederlandse burger bij de Noordzee

In mei 2022 heeft het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit, in samenwerking met Rijkswaterstaat, een enquête uitgevoerd om inzicht te krij-gen in onder meer de beleving van de Noordzee en de kennis van de problemen die er spelen (Van Schendel, 2022). Uit de antwoorden van 400 respondenten blijkt dat Nederlanders zeer betrokken zijn bij de Noordzee, hierover kennis hebben en zich zorgen maken om de milieutoestand.

Nederlanders gaan vaak naar de Noordzeekust. Meer dan de helft van de respondenten is er in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête (zomer 2022) naartoe gereisd en eveneens de helft gaf aan van plan te zijn de kust in de volgende twaalf maanden te bezoeken. Respondenten hechten veel belang aan verschillende cul-turele ecosysteemdiensten zoals landschap- en natuurbe-leving, het Noordzeegebied als leefomgeving voor planten en dieren en de positieve invloed die flora en fauna op het landschap hebben. Bijna tweederde van de respondenten geeft aan (zeer) tevreden te zijn met de natuurkwaliteit en meer dan de helft heeft het gevoel dat een bezoek aan het Noordzeegebied stressverminderende invloed heeft. Daartegenover worden ook negatieve prikkels vanuit het kustgebied genoemd: zwerfvuil in zee en op het strand, troebel water en het uitzicht op windmolenparken bijvoorbeeld.

Een meerderheid van de respondenten geeft aan een beetje tot vrij veel van de huidige milieutoestand van de Noordzee te weten. De meesten zijn bekend met het milieuprobleem zwerfvuil op zee. Ook het risico dat wind-molenparken met zich meebrengen voor vogels, en de verstoring van de Noordzeenatuur door visserij is bij de meerderheid bekend.

Veel minder goed zijn de respondenten op de hoogte van álle problemen van het Noordzeemilieu. Zo heeft slechts een beperkt aantal respondenten gehoord over de proble-men met onderwatergeluid. Er lijkt een verband te bestaan tussen de mate van bekendheid met milieuproblemen en het draagvlak voor maatregelen om deze tegen te gaan. Respondenten vinden bijvoorbeeld dat maatregelen vooral moeten worden gericht op zwerfvuil en in veel min-dere mate op het tegengaan van onderwatergeluid.

Gevraagd naar de bereidheid om financieel bij te dragen aan het bereiken van de goede milieutoestand van de Noordzee, blijken respondenten bereid te zijn om gemid-deld tussen de 30 en 40 euro per huishouden per jaar bij te dragen. In Finland en Duitsland ligt dit bedrag hoger, blijkt uit daar uitgevoerd soortgelijk onderzoek. Dit kan te maken hebben met het verschil in focus tussen de Nederlandse en de buitenlandse studies; bijvoorbeeld eutrofiëring (buitenland) versus onderwatergeluid

(Nederland). Eutrofiëring heeft een tastbaarder en directer effect op recreatieactiviteiten, terwijl de effecten van onderwatergeluid relatief abstract blijven.

De belangrijkste redenen die respondenten noemden om financieel te willen bijdragen aan het bereiken van de goede milieutoestand van de Noordzee, is dat ze een gezonde zee willen waarborgen voor toekomstige genera-ties en dat het bestaan van een gezond ecosysteem belangrijk is. Er is echter ook een grote groep die aan de kosten voor dit doel niet wil bijdragen, met als belangrijk motief dat degenen die de Noordzee het meest vervuilen ook voor de kosten moeten opdraaien (het principe ‘de vervuiler betaalt’), en dat de financiering van de overheid moet komen en niet van individuele bijdragen.

Bijlage VIII Leeswijzer factsheets

Uitgangspunten
Goede milieutoestand

Artikel 9 van de KRM vraagt om een omschrijving van de goede milieutoestand (GMT). Deze moet in ieder geval per criterium worden vastgesteld. Optioneel kan daar een omschrijving per descriptor aan worden toegevoegd. Nederland doet beide. Met GMT wordt niet het ongerepte mariene ecosysteem uit het verleden bedoeld, maar een ecosysteem dat optimaal functioneert en veerkrachtig is, en daarmee de mogelijkheid biedt voor duurzaam gebruik.

De GMT-omschrijving van de descriptoren is kwalitatief en is overgenomen uit bijlage I van de KRM. Bij de descriptor D1 (biodiversiteit) is de omschrijving uitgewerkt per eco- systeemcomponent (bijvoorbeeld zeezoogdieren). Deze omschrijvingen zijn verder afgeleid uit Commissiebesluit 2017/848/EU.

De GMT-omschrijving van de criteria is – waar mogelijk – kwantitatief. Deze is afgeleid van de criteriumomschrijving in Commissiebesluit 2017/848/EU. Wat wordt getoetst, is in de omschrijving ruimtelijk afgebakend, bijvoorbeeld: gebied Zuidelijke Noordzee. Als dat relevant is volgt een nadere bepaling, bijvoorbeeld: compartiment zeebodem en/of soort(groep)en bruinvis en grijze zeehond.

Vastgestelde drempelwaarden zijn ook opgenomen in de omschrijvingen van de GMT. Daarmee is aangeduid dát en waarmee kwantitatief wordt getoetst. Is in de GMT-omschrijving geen drempelwaarde opgenomen, dan is de beoordeling kwalitatief of op basis van trends. Dat kan het geval zijn als een drempelwaarde nog in ontwikkeling is, of als volgens het Commissiebesluit 2017/848/EU geen drempelwaarde nodig is. In dit laatste geval gaat het meestal om criteria die dienen als input voor andere crite-ria. Zo levert de beoordeling van D6C2 ‘Omvang verstoring van de zeebodem’ gegevens op voor de beoordeling van D6C3 ‘Omvang aangetaste habitats door fysieke verstoring’.

De factsheets geven voor dit soort situaties een toelichting. De omschrijving van de GMT en de wijze waarop hieraan wordt getoetst, zijn nog steeds in ontwikkeling. Het uitein-delijke doel is een formulering van de GMT en de toetsing die betrekking heeft op het mariene milieu in brede zin. Van sommige criteria wordt alleen nog een beperkt aspect getoetst, wat doorwerkt in de (afgebakende) GMT-omschrijving. Een voorbeeld is D4 Voedselwebben, waar-voor de criteria vooralsnog alleen worden getoetst aan de hand van plankton en vis.

De GMT en de drempelwaarden voor het toetsen, zijn in beginsel op basis van wetenschappelijke kennis vastge-steld. Dikwijls is wegens kennisleemten en schaarste aan historische gegevens maatwerk nodig om tot een zo goed mogelijke inschatting te komen. Verdere kennisontwikke-ling is ook hier een sleutel tot de nodige aanscherping.

Huidige milieutoestand

Ook de beoordeling van de huidige milieutoestand is gebaseerd op de voorgeschreven criteria. Dat gebeurt aan de hand van indicatoren. De bijbehorende drempelwaar-den geven aan of wordt voldaan aan de GMT.

De beoordeling volgt zo goed mogelijk de leidraad die behoort bij artikel 8 (European Commission, 2022). Waar dit niet mogelijk is, meestal omdat de leidraad niet alles dekt, is de gevolgde werkwijze in de betreffende factsheet toegelicht.

Omwille van een internationaal consistente aanpak wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van regionaal en Europees overeengekomen indicatoren en drempelwaar-den. Het OSPAR Quality Status Report (QSR) draagt hier het meest aan bij. Daarnaast zijn, conform de eisen uit het Commissiebesluit 2017/848/EU, drempelwaarden overge-nomen van andere Europese richtlijnen en verordeningen, namelijk Vogelrichtlijn (VR), Habitatrichtlijn (HR), Kaderrichtlijn Water (KRW), Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en Verordening (EG) nr. 1881/2006. In sommige gevallen is de aansluiting niet optimaal. Vooral het faseverschil met de timing van de VR- en

HR-rapportages (2019) leidt tot een wat gedateerde beoordeling. Daarnaast zijn er ook ruimtelijke mis- matches. In de factsheets is in voorkomende gevallen toe-gelicht hoe hiermee is omgegaan.

Betere aansluiting bij de verschillende Europese kaders zal een agendapunt zijn bij de herziening van de KRM die in 2027 wordt verwacht.

De Europese Commissie (EC) verlangt voor de elektroni-sche rapportage (conform de richtlijn) alleen een beoorde-ling op het niveau van ‘element’ (bijvoorbeeld stofnaam, soortnaam) en ‘kenmerk’ (bijvoorbeeld stofgroep, soort-groep). De Mariene Strategie maakt óók de toestand per criterium en descriptor inzichtelijk.

Bij de integrale beoordeling per element en kenmerk wor-den niet altijd álle gepresenteerde indicatoren (en drem-pelwaarden) betrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval als de indicator of de dataset nog niet voldoende is uitgewerkt, zoals indicator ‘FW7 Visbiomassa en abundantie van voedselgilden’ onder D4 Voedselwebben. Ook zijn er nati-onale indicatoren en datasets die wél van goede kwaliteit zijn, maar die niet meetellen in de integrale beoordeling omdat er een – door de KRM vereiste – regionaal afge-stemde beoordeling is. Toch zijn deze aanvullende natio-nale resultaten ter informatie opgenomen, omdat ze wel degelijk relevant zijn voor Nederland en ook extra infor-matie kunnen verschaffen. Zo is onder D1C2 Populatieomvang zeevogels een extra indicator opgeno-men met nationale beoordelingen die voor een belangrijk deel zijn gebaseerd op vliegtuigtellingen. In de OSPAR-beoordeling zijn deze niet meegenomen.

Milieudoelen

Milieudoelen zijn gekoppeld aan resterende beleidsopga-ven (art. 8 versus art. 9) en zijn bedoeld om het gat te dich-ten tussen de huidige en de goede milieutoestand. Bij het opstellen van de milieudoelen wordt uitgegaan van artikel 10 van de KRM en van de beoordeling die de EC heeft gemaakt van de Nederlandse Mariene Strategie deel 1 uit 2018. Ten opzichte van de vorige actualisatie zijn dan ook wijzigingen in de milieudoelen aangebracht. Milieudoelen zijn primair gericht op het terugdringen van drukfactoren en op herstel en versterking van ecosysteem-componenten. Strikt genomen horen kennisontwikkeling en monitoring dus niet onder de noemer milieudoelen thuis, maar kunnen wel als opmaat naar een operationeel milieudoel dienen.

Indien mogelijk zijn de milieudoelen kwantitatief gemaakt aan de hand van streefwaarden. Wanneer op basis van bestaande richtlijnen, wet- en regelgeving of afspraken, kwantitatieve waarden van toepassing zijn op een milieu-doel zijn deze zoveel mogelijk overgenomen in de voorlig-gende KRM milieudoelen. Ook zijn in de milieudoelen relevante internationale afspraken en doelen meegewo-gen. Zo sluiten de milieudoelen voor zwerfafval (D10) aan op de doelstellingen uit de OSPAR North-East Atlantic Environmental Strategy 2030, en is een aantal doelstellingen uit de Europese Biodiversiteitsstrategie opgenomen onder de descriptor Biodiversiteit (D1). Aan de milieudoelen zijn jaartallen gekoppeld. Ook is aangegeven op welke wijze implementatie van het milieudoel in elk geval op basis van vastgesteld of voorgenomen beleid plaats zal vinden. Conform Art. 10 van de KRM is per milieudoel een indicator geformuleerd, waarmee kan worden vastgesteld of en in welke mate het milieudoel is/wordt bereikt of behouden.

Het overgrote deel van de milieudoelen is geformuleerd op nationaal niveau. Gezien de vraag van de KRM om grensoverschrijdend samen te werken, is de verbetering van de internationale afstemming van de milieudoelen een aandachtspunt. Nederland wil hier de komende jaren actief op inzetten.

Ordening en opbouw factsheets

De beschrijving van de descriptoren begint steeds met een factsheet over de descriptor zelf, gevolgd door de fact-sheets over de bijbehorende criteria59. De descriptor D1 Biodiversiteit is ingericht naar ecosysteemcomponent: dus D1 Vogels, D1 Zeezoogdieren, en zo ook voor de compo-nenten vissen, koppotigen en pelagische habitats. Benthische habitats vallen onder D6 Integriteit van de zee-bodem. Descriptorfactsheets overkoepelen de criterium-factsheets, ze vatten de belangrijkste inhoud van de onderliggende criteriumfactsheets samen. Daarnaast beschrijven ze de eventueel nog resterende opgaven en milieudoelen. De factsheets per criterium gaan dieper in op de beoordelingsmethodiek, de details van de resulta-ten en kennishiaten en ontwikkelingen.

Descriptorfactsheets

Een descriptorfactsheet opent met een samenvattende tabel die de GMT omschrijft, de beoordeling van de hui-dige toestand weergeeft en de milieudoelen benoemt (alle dus op descriptorniveau).

Deze factsheets geven ook een totaaloverzicht van de beoordelingen van de milieutoestand van de onderlig-gende criteria van de betreffende descriptor. In de daarbij gepresenteerde tabel zijn de resultaten gerangschikt per kenmerk en element.

Opzet van de tabellen met de resultaten van de beoordelingen: Kleurcodes voor de beoordeling:

- rood: GMT niet behaald;

- groen: GMT behaald;

- geel: onbekend;

- grijs: geen beoordeling uitgevoerd;

- wit: beoordeling niet van toepassing;

- pijltjes: ↑ = verbetering, ↓ = verslechtering ten opzichte van de voorgaande beoordeling

Bovenin de beoordelingskolommen staan de criteria. De bijbehorende indicatoren daaronder zijn eveneens gecodeerd:

- standaardletter: resultaten worden gerapporteerd en dragen bij aan integrale beoordeling;

- cursief: resultaten worden gerapporteerd, maar wegen niet mee in de integrale beoordeling;

- tussen vierkante haakjes […] (niet in voorbeeld hieron-der): resultaten niet gerapporteerd of nog geen resultaten.

De (integrale) beoordeling wordt tekstueel verder toegelicht, onder meer over de belangrijkste resultaten, de duiding en nuancering van de beoordeling en de veran-deringen ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Een inschatting van de resterende beleidsopgave volgt uit een vergelijking van de huidige toestand met de beoogde goede milieutoestand (art. 8 versus art. 9). De verwachte effecten van al ingezet beleid en te voorziene toekomstige veranderingen in activiteiten en drukfactoren op de Noordzee worden hierin zo mogelijk meegenomen. Tot slot beschrijft de descriptorfactsheet de geactualiseerde milieudoelen. De toelichting daarbij noemt onder meer de belangrijkste drukfactoren of activiteiten, de internationale kaders en de eventuele link met andere descriptoren.

Criteriumfactsheets

Deze factsheets beginnen met een samenvattende tabel die de GMT omschrijft en de beoordeling geeft op criteriumniveau. De bijbehorende indicator(en) en specificaties: drempelwaarde, meeteenheid, meetjaren en gebied waarop de beoordeling van toepassing is zijn tevens weergegeven. Daarvan worden alle resultaten gerapporteerd, maar cursief gedrukte indicatoren wegen niet mee in de integrale beoordeling. Tussen vierkante haakjes […] geplaatste indicatoren worden niet gerapporteerd of er zijn nog geen resultaten.

In de laatste kolom duidt de lettercode tussen haakjes op de gekozen aanpak:

- A: regionale methodiek, dataset en beoordeling;

- B: regionale methodiek, voor de beoordeling is een uitsnede gemaakt van Nederlandse data uit de regionale dataset;

- C: als B, maar met toevoeging van nationale data;

- D: nationale methodiek, dataset en beoordeling.

De factsheets bevatten achtereenvolgens een toelichting op de indicator(en) en drempelwaarde(n), de resultaten, een omschrijving van kennishiaten en ontwikkelingen en tot slot de bronnen.

GMT (Art. 9)

De populatieomvang van soortgroepen Y en Z duidt op gezonde populaties en voldoet in de Internationale Noordzee aan de drempelwaarden van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

De populatieomvang van Y en Z in de Internationale Noordzee duidt niet op een goede milieutoestand. De toestand is vergelijkbaar met de voorgaande planperiode.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Indicator U (OSPAR).

> Percentage ten opzichte van het jaar … (OSPAR).

Aantallen per soort.

Internationale Noordzee, 2015-2020 (A).

Indicator V (nationaal).

FRP (HR).

Aantallen per soort.

Nederlandse deel van de Noordzee, 2006-2017 (D).

[Indicator W (OSPAR)].

In ontwikkeling.

 
 
Gebiedsaanduiding

De uitwerking van de Mariene Strategie in nationaal beleid heeft in principe betrekking op het Nederlandse deel van de Noordzee en hetzelfde geldt voor de periodieke rapportage van de actuele milieutoestand in relatie tot de beoogde GMT en de gestelde milieudoelen (zie figuur). De schaal van beoordeling dient echter passend te zijn bij de verschillende biotische en abiotische kenmerken van de regio’s, subregio’s en onderverdelingen daarvan (Commissiebesluit 2017/848/EU). Voor de meeste criteria reikt het voorgeschreven beoordelingsgebied daarom veel verder dan alleen het Nederlandse deel van de Noordzee. In de factsheets is steeds aangegeven op welk gebied de beoordeling betrekking heeft. Vaak wordt uitgegaan van de Internationale Noordzee (OSPAR Regio II) of de Zuidelijke Noordzee (OSPAR Regio IId) (zie figuur). Bij een aantal descriptoren zijn andere deelgebieden gedefinieerd, bijvoorbeeld bij D5 Eutrofiëring. Alle begrenzingen van de in OSPAR uitgevoerde beoordelingen zijn te vinden in ODIMS, het OSPAR Data & Information Management System.

61

D1 Biodiversiteit zeevogels

GMT (Art. 9)

Zeevogels worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid van populaties op de lange

termijn is gegarandeerd.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op uitbreiding van beschermde gebieden, het terugdringen of minimaliseren van bekende drukfactoren (windparken, verstoring en predatie) en het verder inzichtelijk maken en anticiperen op potentiële knelpunten (bijvangst, beperkte voedselbeschikbaarheid).

Beoordeling (Art. 8)

De huidige toestand van vogels die in de waterkolom foerageren in de Internationale Noordzee voldoet aan de goede

milieutoestand. Dit is niet het geval voor vogels van het intergetijdengebied en de groep vogels die hun voedsel van het wateroppervlak en de zeebodem halen. De toestand is onveranderd ten opzichte van de voorgaande beleidsperiode.

Inleiding

Zee- en kustvogels maken deel uit van de biodiversiteit van de Noordzee. Omdat vele tientallen vogelsoorten sterk afhankelijk zijn van wat de Noordzee hen aan leefgebied en voedsel heeft te bieden, zijn hun aantallen en broedsucces belangrijke indicatoren voor de toestand van het mariene milieu. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘echte zeevogels’ die hun voedsel grotendeels verzamelen op volle zee, waar ze buiten het broedseizoen doorgaans continu verblijven, en soorten met een leefgebied dat grotendeels bestaat uit ondiepe kustwateren, estuaria en intergetijdengebieden. Daarnaast zijn er zee- en kustvogels die in Nederland broeden (kustbroedvogels), en soorten die hier alleen tijdens hun trek voorkomen.

Beoordeling

Voor de beoordeling van de huidige toestand gaat Nederland uit van de regionale beoordeling van de Internationale Noordzee (OSPAR regio II, Greater North Sea; OSPAR, 2023). In aanvulling hierop rapporteert Nederland specifiek over zeevogels in het Nederlandse deel van de Noordzee, grotendeels op basis van gegevens van vliegtuigtellingen, die niet in de OSPAR-analyse pasten. Deze informatie is geen onderdeel van de integrale beoordeling, maar geeft wel een aanvullend beeld van de situatie in het Nederlandse deel van de Noordzee. Met hetzelfde doel is aanvullende informatie opgenomen over vogels die in Nederland broeden.

Voor de analyse zijn de zeevogelsoorten ingedeeld in voedselgroepen, ofwel functionele groepen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen oppervlaktefoerageerders (soorten die voedsel van nabij het wateroppervlak halen), waterkolomfoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdengebied (waadvogels). Omdat de toestand van populaties van nature kan variëren, is conform de Art. 8-guidance (EC 2022) het uitgangspunt gehanteerd dat per functionele groep (‘kenmerk’) 75 procent van de soorten (‘elementen’) moet voldoen aan de vastgestelde drempelwaarde. Bij de beoordeling van hun toestand worden broedvogels en niet-broedvogels van één soort als twee aparte elementen gezien. Hieronder wordt de beoordeling toegelicht, eerst per criterium en vervolgens integraal.

D1C1 Incidentele bijvangst

OSPAR heeft een eerste pilot-assessment uitgevoerd, maar dat neemt niet weg dat over incidentele bijvangst van vogels nog maar weinig data beschikbaar zijn. Daarom wordt dit criterium niet meegewogen in de integrale beoordeling. Wel kan op grond van hun levenswijze worden ingeschat welke vogels potentieel risico lopen (zie ook tabel 1.1.1). Oppervlaktefoerageerders en vogels van het intergetijdengebied lopen op de Noordzee weinig tot geen risico op sterfte door bijvangst in een mate die kan leiden tot negatieve effecten op de populaties. In het Nederlandse deel van de Noordzee zal de kans op bijvangst het grootst zijn bij visserij met staande netten. Soorten die duiken naar voedsel in de waterkolom of op de zeebodem lopen potentieel risico, vooral op verdrinking in die staande netten. Over de omvang van deze sterfte en eventuele gevolgen voor de populatie zijn geen gegevens beschikbaar. Het Europese LIFE-project CIBBRiNA (Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlantic Region), gestart in 2023, heeft onder meer tot doel om de monitoring en beoordeling van bijvangst verder uit te werken. Daardoor is een beoordeling van dit criterium naar verwachting wel mogelijk bij een volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030).

D1C2 Populatieabundantie

De populatieabundantie is het belangrijkste criterium waaraan de algehele toestand van vogels wordt getoetst. Voor de beoordeling is gebruikgemaakt van de OSPAR-analyse voor de Internationale Noordzee (zie tabel 1.1.1). Daarnaast is specifieke informatie opgenomen over de vogelaantallen in het Nederlandse deel van de Noordzee. In grote lijnen laten de nationale gegevens hetzelfde beeld zien als de regionale indicatoren. Verschillen zijn vooral toe te schrijven aan de geografische dekking en het feit dat het deels andere soorten betreft.

Met de meeste soorten waterkolomfoerageerders gaat het goed. Op het niveau van de functionele groepen is de status van oppervlaktefoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdengebied ‘niet goed’. De toestand is vergelijkbaar met die in de voorgaande planperiode: van geen enkele soort is de toestand veranderd. Voor het merendeel van de soorten, vooral de broedvogels, betekent dat ‘niet goed’.

D1C3 Demografische kenmerken: broedsucces

Het broedsucces van zeevogels kan veranderingen in de leefomstandigheden weerspiegelen, lang voordat deze zichtbaar worden als veranderingen in de populatie-abundantie. De resultaten van deze beoordeling kunnen dus een vroege waarschuwing zijn voor veranderingen in de populatiestatus. Ze vormen daarmee een aanvulling op de beoordeling van de populatieabundantie (D1C2).

In de Internationale Noordzee is het broedsucces van het merendeel van de beoordeelde soorten zeevogels de laatste jaren zó laag dat deze soorten – als hierin niets zou veranderen – op termijn een Rode Lijst-status zouden krijgen. Zeevogelsoorten die dieper in de waterkolom vissen vangen doen het in dit opzicht wel beter dan soorten die foerageren op vis in de bovenste waterlagen (zie tabel 1.1.1). Dit verschil is ook terug te zien in de populatieontwikkeling (D1C2).

De meeste vogelsoorten die in Nederland in relevante aantallen in het kustgebied broeden en op zee foerageren zijn in de regionale beoordeling vertegenwoordigd. Gegevens uit Nederland over deze soorten vormen een belangrijk deel van de door OSPAR gebruikte dataset, zodat kan worden verondersteld dat de regionale beoordeling op hoofdlijnen representatief is voor de situatie in het Nederlandse deel van de Noordzee. Recente evaluaties van broedsuccesgegevens van kustbroedvogels in het Nederlandse Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta bevestigen dit: het merendeel van de soorten produceert onvoldoende jongen om de populatie op termijn stabiel te houden.

D1C4 Verspreidingsgebied

Criterium D1C4 is buiten beschouwing gelaten omdat de meeste soorten zeevogels wijdverspreid voorkomen in het hele Noordzeegebied. Hun verspreidingsareaal is daardoor geen goede indicator voor (veranderingen in) de milieutoestand. Veranderingen in dichtheden binnen dit areaal komen tot uitdrukking in criterium D1C2.

D1C5 Kwaliteit leefgebied

De voornaamste drukfactoren voor zeevogels zijn globaal bekend. Kwantitatieve informatie ontbreekt echter veelal, bijvoorbeeld over bijvangst, mortaliteit in windparken of als (in)direct gevolg van de aanwezigheid van die parken, de beschikbaarheid van voedsel en het effect van visserij hierop. Zo zou een beperkte beschikbaarheid van kleine prooivissoorten nabij het zeeoppervlak (bijvoorbeeld zandspiering, haring, sprot) kunnen bijdragen aan een beperking van het broedsucces of de jaarlijkse overleving van sommige oppervlaktefoerageerders.

In vergelijking met oppervlaktefoerageerders en bodemfoerageerders hebben waterkolomfoerageerders toegang tot een breder scala aan prooisoorten op verschillende diepten. Dit verklaart wellicht deels het verschil in de beoordeling van deze groepen.

Voor broedende vogels kunnen ook drukfactoren op land een rol spelen, zoals toenemende predatie, het ongeschikt raken van broedlocaties door vegetatiesuccessie of zeespiegelstijging, of door stedelijke of industriële ontwikkeling. Ook kunnen uitbraken van vogelgriep (soms massale) sterfte teweegbrengen onder diverse soorten zeevogels in broedkolonies in de Internationale Noordzee en daarbuiten, en daarmee grote impact hebben op populaties. Omdat vogelgriep zich pas in 2022 voor het eerst op zeer grote schaal onder zeevogels voordeed, zijn de gevolgen hiervan nog niet zichtbaar in de huidige beoordeling. Voor sommige soorten (jan-van-gent, grote jager, grote stern) zal dat waarschijnlijk veranderen.

Er is nog te weinig kennis over de relatieve invloed van de verschillende drukfactoren en over cumulatieve effecten. Daarom is de toestand van criterium D1C5 Kwaliteit leefgebied als ‘onbekend’ beoordeeld, en is dit criterium geen onderdeel van de integrale beoordeling. OSPAR is bezig met de verdere ontwikkeling van een pilot indicator. Ook komt de komende jaren in het kader van Wozep (Wind op zee ecologische programma) en MONS (programma Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming) meer informatie beschikbaar. Naar verwachting is het mogelijk om D1C5 bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) wel te beoordelen.

Integrale beoordeling

De integrale beoordeling per element is gebaseerd op informatie over de populatieabundantie (D1C2) en het broedsucces (D1C3) van zeevogels in de Internationale Noordzee. De overige oordelen worden ter informatie gerapporteerd, maar tellen niet mee in de integrale beoordeling.

Conform de integratieregels uit de Art. 8-Guidance (EC 2022) is criterium D1C2 leidend. In 82 procent van de gevallen komt de beoordeling voor D1C3 overeen met die voor D1C2. Uitzonderingen zijn de kleine mantelmeeuw, grote jager en papegaaiduiker. Van deze soorten is de abundantie als broedvogel nog ‘goed’, terwijl op basis van broedsucces een aanzienlijke toekomstige aantalsafname valt te verwachten. Het omgekeerde (broedsucces toereikend, abundantie niet) is het geval bij de kuifaalscholver.

Van de vier functionele soortgroepen voldoet de groep waterkolomfoerageerders aan de goede milieutoestand. Van oppervlaktefoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdengebied verkeert aanzienlijk minder dan de vereiste 75 procent van de beoordeelde soorten in ‘goede toestand’.

Tabel 1.1.1 (drie pagina’s). Beoordeling van de toestand van zee- en kustvogels in de Internationale Noordzee (op basis van OSPAR-indicatoren B1 en B3). Groen = toestand ‘goed’, rood = ‘niet goed’.

Onder D1C2 en D1C3 is tevens specifieke informatie over het Nederlandse deel van de Noordzee opgenomen. Onder D1C1 is aangegeven of vogels op basis van hun leefwijze risico lopen slachtoffer te worden van bijvangst: ? = loopt risico, ?* = zijn gerapporteerd als slachtoffer in de Internationale Noordzee (Dierschke et al. 2022a), - = niet gerapporteerd als slachtoffer. Zie hoofdtekst voor een toelichting op de beoordeling.

De laatste kolom geeft het geïntegreerde oordeel per functionele groep, met vermelding van het percentage als ‘goed’ beoordeelde elementen (broedvogel + niet-broedvogel) over de door OSPAR beoordeelde soorten (rijen met lichtblauwe achtergrond).

Cursief gezette kopjes geven aan dat de gegevens in de desbetreffende kolommen wel zijn gerapporteerd, maar niet zijn meegewogen in de integrale beoordeling.

Pijlen geven veranderingen in toestand weer ten opzichte van de vorige planperiode: ↑ = verbetering, ↓ = verslechtering. Bij de Nederlandse aanvulling geeft ‘*’ aan dat de beoordeling mede is gebaseerd op recent gedefinieerde ‘Gunstige Referentiepopulaties’; voor de overige soorten was de beoordelingssystematiek analoog aan die van OSPAR.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Ondanks genomen maatregelen is de algehele toestand voor zeevogels in de afgelopen planperiode nauwelijks verbeterd. De goede milieutoestand voor vogels is nog niet behaald: van de vier beoordeelde soortgroepen voldoet alleen de groep die in de waterkolom foerageert. De andere drie groepen: vogels die hun voedsel van het wateroppervlak of de zeebodem halen en waadvogels van intergetijdengebied, voldoen niet. De druk van menselijke activiteiten is hoog. Recent zijn aanvullende maatregelen (zie hieronder) genomen, maar effecten hiervan zullen naar verwachting pas op termijn zichtbaar worden.

Belangrijke drukfactoren voor vogels zijn: habitatverlies en het risico van botsing met windturbinewieken als gevolg van de ontwikkeling van Windenergie op zee, verstoring door scheepvaart, bijvangst door visserij, (wisselende) voedselbeschikbaarheid, en verstoring bij het broeden op land. Vogelgriep is een drukfactor die nog niet in de beoordeling is meegenomen, maar die wel van invloed is.

In 2023 is in het Vogelrichtlijngebied Friese Front een halfjaarlijks verbod op staandwantvisserij ingevoerd. Deze maatregel draagt bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor de zeekoet in dit gebied en komt naar verwachting ook ten goede aan waterkolom- en oppervlaktefoerageerders die in het gebied aanwezig zijn.

In 2021 is de Bruine Bank aangewezen als nieuw Vogelrichtlijngebied op zee. Voor de Bruine Bank wordt gewerkt aan een halfjaarlijks verbod op staandwantvisserij. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de aanwijzing van nieuwe Vogelrichtlijngebieden op zee.

Met de uitwerking van soortbeschermingsplannen voor vogels, waarin maatregelen voor de bescherming van zeevogels worden opgenomen, zullen naar verwachting op termijn significante verbeteringen van de vogelpopulaties worden bereikt.

Concluderend is duidelijk dat nog een opgave resteert om de goede milieutoestand voor vogels te kunnen bereiken. Voor het realiseren van verbetering is het van belang dat wordt ingezet op herstel van populaties en leefgebieden, zowel via gebiedsbescherming als via sectoraal beleid om relevante drukfactoren terug te dringen. Hiertoe zijn de milieudoelen geformuleerd die hieronder worden toegelicht.

Milieudoelen en indicatoren (Art. 10)

De geactualiseerde milieudoelen voor vogels zijn gericht op het terugdringen van de belangrijkste drukfactoren en het actief herstellen van zeevogelpopulaties. Het eerste milieudoel (1.5) gaat over het uitbreiden van de speciale beschermingszones voor vogels vanuit de Vogelrichtlijn. In het Noordzeeakkoord (NZA) is afgesproken om voor zes gebieden op zee te bekijken of deze kwalificeren voor aanwijzing onder de Vogelrichtlijncriteria. Uit een eerste onderzoek bleek dat vier gebieden kwalificeren voor aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (Doggersbank, Klaverbank, Centrale Oestergronden en Hollandse Kust). Van de Borkumse Stenen en Vlakte van de Raan kan pas in 2026 worden bepaald of deze kwalificeren, onder meer omdat van deze gebieden dan voldoende monitoringdata zijn verzameld. In het kader van de actualisatie van de Vogelrichtlijn-gebieden is nieuw onderzoek door Sovon gepubliceerd in april 2024. Hierin staat per soort een overzicht van de belangrijkste kerngebieden waar de vogels voorkomen. Daarbij is met een nieuwe methodiek voor het eerst naar het Nederlandse deel van de Noordzee als geheel gekeken. Het Sovon-rapport bevestigt het belang van het gebied ‘Hollandse kust’. De voorbereiding van de aanwijzing van dit gebied zal dan ook verder worden voortgezet. Bij de voorbereidingen voor het vervolgtraject ten aanzien van het Sovon-rapport worden de criteria voor het selecteren van Vogelrichtlijngebieden herzien. De andere gebieden op zee die een raakvlak hebben met het Sovon-rapport, zoals de Schouwenbank/Middelbank e.o., worden in het grotere geheel van de actualisatie betrokken. Ook blijkt uit het Sovon-rapport dat er sprake is van een vogelkerngebied op de Noordzee, dat raakt aan het Friese Front, de Klaverbank en Centrale Oestergronden. Over dit gebied, dat het grootste deel van de noordelijke Nederlandse Noordzee omvat, is nog weinig bekend over sturende factoren. Aan de hand van een kennisagenda wordt momenteel gewerkt aan meer inzicht in de verspreiding van zeevogels en de invloed van menselijk handelen, opdat op basis hiervan beleidsopties voor de bescherming van zeevogels geformuleerd kunnen worden.

In de komende jaren worden plannen opgesteld, met het doel de populatieabundantie van diverse zeevogelsoorten te herstellen (1.6). Dit doel geeft ook invulling aan de afspraak die in het NZA is gemaakt om voor kwetsbare soorten, waaronder zeevogels, soortbeschermingsplannen op te stellen. De plannen beschrijven drukfactoren en generieke beschermingsmaatregelen, onder meer gericht op broedsucces en voedselbeschikbaarheid, en op beperking van fysieke bedreigingen. De uitvoering van deze plannen zal naar verwachting de populatieabundantie doen stijgen van vogelsoorten waarvoor de GMT nog niet wordt gehaald.

Het derde milieudoel (1.7) richt zich op voedselbeschikbaarheid voor vogels. In het Nederlandse deel van de Noordzee zal 2,8 procent van de oppervlakte vóór 2030 volledig worden gesloten voor visserij. Het betreffende gebied, het Friese Front, heeft een hoge biodiversiteit. Als gevolg van het frontkarakter van de daar aanwezige hydrografische eigenschappen kent het Friese Front een hoge primaire productie en productie van zoöplankton, wat vissen en hogere trofische niveaus zoals zeevogels en zeezoogdieren aantrekt (Didderen et al., 2019). Het Friese Front is ook aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Bij akoestisch onderzoek van het Friese Front zijn hoge dichtheden van scholende vis (jonge haring, volwassen sprot) waargenomen (De Gee et al., 1991). Naast haring en sprot komen in het gebied nog vele andere vissoorten voor, waaronder makreel, wijting, schar en solenette (Didderen et al. 2019). Nederland wil onderzoek doen naar specifieke voedselbronnen voor zeevogels zoals schelpdieren, zandspiering, sprot en haring om inzicht te krijgen in de voedselbeschikbaarheid. De daarmee te verwerven kennis draagt bij aan het nemen van gerichte maatregelen. Het vierde milieudoel (1.8) richt zich op de drukfactor windparken op zee. Het gewicht van deze factor zal de komende jaren toenemen, aangezien op de Noordzee de oppervlakte met windturbines sterk zal worden uitgebreid. De effecten hiervan op vogels zijn habitatverlies en een permanent risico op dodelijke botsingen met rotorbladen van windturbines. In internationaal verband (OSPAR) is een integrale methode in ontwikkeling voor het grensoverschrijdend registreren van de effecten van de ontwikkeling van Windenergie op zee op zee-en trekvogels. Voor het realiseren van het milieudoel om de effecten van windparken op zeevogels te beperken, zullen ook de resultaten uit het nationale Wind op zee ecologisch programma (Wozep) worden ingezet. De procedures om windturbines tijdelijk stil te zetten bij pieken in het passeren van trekvogels, dragen eveneens bij aan dit milieudoel.

Het vijfde milieudoel (1.9) gaat over terugdringing van verstoring en predatie op broedvogels, wat nodig is om het broedsucces van zeevogels te verhogen. Voor het realiseren van dit milieudoel wordt aangesloten op de maatregelen die reeds in de Natura 2000-gebieden langs de kust zijn ingezet. Eventuele aanvullend benodigde maatregelen zullen voortvloeien uit de soortenbeschermingsplannen die voor vogels worden opgesteld.

Voor D1 Biodiversiteit is een aantal algemene milieudoelen geformuleerd die ook ten goede komen aan zeevogels. Deze milieudoelen sluiten aan bij de verplichtingen volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en afspraken uit het Noordzeeakkoord.

Tabel 1.1.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie. Milieudoelen 1.1 tot en met 1.4 zijn overkoepelende milieudoelen; deze gelden ook voor zeezoogdieren, vissen en benthische habitats. Milieudoelen 1.5 tot en met 1.9 gelden specifiek voor zeevogels.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.1

In 2030 is minimaal 30% van de oppervlakte van de Nederlandse mariene wateren beschermd gebied onder het regime van Natura 2000 en/of de KRM62.

2030

Areaal aan beschermde gebieden N2000 en/of KRM.

Aanwijzen gebieden onder HR of VR (N2000) en/of de KRM, uitvoering gebiedsafspraken NZA.

1.2

Realiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten in de mariene Natura 2000-gebieden.

Conform tijdpad Natura

2000-

beheer-

plannen.

Aantal gerealiseerde

instandhou-

dingsdoel-

stellingen.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Implementatie van de Natuurherstelverordening door

uitvoering Natuurplan

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.3

Stoppen van de landelijke verslechtering van de mariene habitattypen (HR) en soorten (HR en VR).

Doorlopend

Aantal habitattypen en soorten dat wel/niet verslechtert.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen:

alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen

dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

- Natuurplan onder de natuurherstelverordening.

1.4

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, gewone zeehond en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen.

Fase 2: Minimaliseren van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, zeezoogdieren en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen

Fase 1:

2030

Fase 2: Doorlopend

Vogels en

zeezoogdieren: indicator D1C1, vissen: in ontwikkeling

- CIBBRiNA-project: nemen van

mitigerende maatregelen om

bijvangst te minimaliseren en waar mogelijk te elimineren. Looptijd: Sep. 2023-Sep. 2029.

- MONS-onderzoek staandwantvisserij (start 2025).

- Bruine Bank halfjaarlijkse staandwantbeperking (1 okt-31 mrt)

(verwacht vanaf 2027).

- cf. NZA 4.40: Friese Front no fishery zone (verwacht 2027) en halfjaarlijkse staandwantbeperking (sinds maart 2023) en visserijbeperkingen in kustzone (sinds 2016).

- Er wordt geen nieuwe staandwantvisserij toegestaan in de Natura 2000- en KRM-gebieden (cf. NZA 4.45).

- Haaien- en roggenactieplan 2022-2027.

- Verder inzetten op vergroten van

de kans op overleven na terugzet (discarden), en het verbeteren van

de vistechnische selectiviteit gericht op doelsoorten.

1.5

Het verbeteren van de toestand van zeevogels door uitbreiding van de oppervlakte aan speciale beschermingszones op zee onder de Vogelrichtlijn.

Doorlopend

De oppervlakte aan nieuwe Vogelrichtlijn- gebieden.

Vier beschermde vogelgebieden (Friese Front, Bruine Bank, Noordzeekustzone, Voordelta) reeds aangewezen. Processen voor onderzoek en aanwijzing aanvullende gebieden lopen.

Opstellen en uitvoering N2000-beheerplannen.

1.6

Herstel van de populatieabundantie van vogelsoorten waarvoor de goede milieutoestand niet wordt behaald of behouden, door ten minste een positieve trend per soort te realiseren.

Doorlopend

1: Indicator populatieabundantie per soort (D1C2).

2: Aansluiten op (evaluaties) soortenbeschermings-

plannen.

Opstellen en uitvoeren (2024-2030) soortenbeschermingsplannen voor de KEC soorten + voor de EBS soorten (div. soorten zeevogels + kustvogels) + voor soorten van de IUCN Red List (NZA 6.9).

1.7

Fase 1: Inzichtelijk maken of voedselbeschikbaarheid beperkend is voor kwetsbare vogelsoorten.

Fase 2: waarborgen en indien nodig herstellen van voldoende voedselbeschikbaarheid voor kwetsbare vogelsoorten.

Fase 1: 2030

Fase 2: Doorlopend

Nog te ontwikkelen indicator voor voedselbeschikbaarheid.

Fase 1: Uitkomsten MONS-onderzoek voedselbeschikbaarheid (start 2024).

Instellen no-fishery zone op Friese Front (conform NZA 4.40).

Fase 2: Mogelijk zijn op basis van de uitkomsten na 2030 meer maatregelen nodig om voedselbeschikbaarheid te herstellen.

1.8

Beperken van effecten van nieuwe windparken op zee (habitatverlies, displacement en aanvaringsslachtoffers) op zee- en trekvogels.

Doorlopend, aan de hand van de uitrol van routekaarten windenergie op zee.

Nog te ontwikkelen indicator (mede gebaseerd op soortenbeschermingsplannen, en uitkomsten Wozep).

Gebruikmaken van het KEC en VECI (ecologisch toetsingskader) in de planvorming.

Opnemen van mitigerende maatregelen in kavelbesluiten, waaronder uitvoering van best practices zoals de start/stop-procedure.

Programma Natuurversterking Noordzee (looptijd t/m 2030)

Opstellen en uitvoering (2024-2030) soortenbeschermingsplannen.

1.9

Terugdringen van verstoring en predatie op broedvogels zodat het broedsucces wordt verbeterd.

Doorlopend

1: Broedsucces van kustbroedvogels (meeuwen, visdief, eider, scholekster, kluut, bontbekplevier, strandplevier en sterns) conform indicator voor D1C3.

2: Aansluiten op evaluaties N2000-beheerplannen.

Bestaande maatregelen in N2000-kustgebieden (terugdringen verstoring: recreatie, strandrijden, t.b.v.

broedsucces en bescherming tegen predatie door vooral vossen).

Opstellen en uitvoeren (2024-2030) soortenbeschermingsplannen (met verkenning mogelijkheden voor broedkolonies

buiten de N2000-gebieden).

D1C1 Incidentele bijvangst

GMT (Art. 9)

Incidentele bijvangst in het Nederlandse deel van de Noordzee vormt geen bedreiging voor zeevogelpopulaties.

Beoordeling (Art. 8)

De beoordeling van incidentele bijvangst is indicatief en vanwege gebrek aan data gebaseerd op expert judgement. Gezien hun leefwijze mag worden verwacht dat de meeste oppervlaktefoerageerders en vogels die foerageren in het intergetijde-

gebied in het Nederlandse deel van de Noordzee geen beduidend risico op bijvangst lopen. Vogels die foerageren in de waterkolom of op de zeebodem lopen potentieel wel risico, maar bij gebrek aan data wordt voor hen het oordeel ‘onbekend’ geveld.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

[pilot: B5 Marine bird

bycatch (OSPAR)].

[In ontwikkeling].

 

[Internationale Noordzee].

Kwalitatief: expert judgement.

 
 

Nederlandse deel van de Noordzee.

Resterende beleidsopgave Toelichting indicator

D1C1 Incidentele bijvangst is een primair criterium voor zeevogels, zeezoogdieren, schildpadden en niet-commercieel geëxploiteerde soorten vissen en inktvissen. Volgens het Commissiebesluit 2017/848/EU moeten soortenlijsten en drempelwaarden regionaal worden uitgewerkt, rekening houdend met bestaande regelgeving (Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor activiteiten in verband met gegevensverzameling en rekening houdend met de lijst van soorten in tabel 1D in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1251 van de Commissie. Verordening (EG) nr. 199/2008 kan worden gebruikt voor de verzameling van relevante gegevens op visserijgebied).

Momenteel is de beoordeling van dit criterium alleen nog voor sommige zeezoogdieren uitgewerkt (zie D1C1 Zeezoogdieren). Voor zeevogels heeft OSPAR een eerste pilotbeoordeling van incidentele bijvangst uitgevoerd voor enkele vogelsoorten en visserijtechnieken, overwegend buiten de Internationale Noordzee (Dierschke et al. 2022a). De beoordelingsaanpak kent drie modules, die afhankelijk van de beschikbaarheid van gegevens zijn te gebruiken.

De standaard beoordelingsmethode (1) is gebaseerd op een Population Viability Analyse. Ze vereist kennis over het aantal bijgevangen vogels per eenheid visserij-inspanning, over de totale visserij-inspanning met het betreffende vistuig en over de in populatiemodellen te gebruiken demografische eigenschappen van de vogelsoort. Als deze gegevens niet allemaal beschikbaar zijn, kan voor soorten die zijn opgenomen in de OSPAR-lijst van bedreigde en/of afnemende soorten en habitats (OSPAR Commission 2008) een aangepaste beoordelingsmethode (2) worden toegepast. Hierin vormt een bijvangstniveau van 1 procent van de totale jaarlijkse sterfte van volwassen vogels de drempelwaarde. Als zelfs deze methode niet is toe te passen, blijft als laatste beoordelingsmethode (3) de mogelijkheid over om de verspreiding van een populatie van een bedreigde en/of afnemende soort te relateren aan een visserijmethode waarvan bekend is dat deze bijvangst van die soort veroorzaakt. Blijkt er een overeenkomst te zijn in ruimte en tijd, dan luidt het oordeel ‘in slechte toestand’.

Resultaten

Voor geen van de relevante vogelsoorten in het Nederlandse deel van de Noordzee zijn momenteel voldoende gegevens voorhanden om beoordelingsmethode 1 toe te passen. Dierschke et al. (2022a) beschrijven hetzelfde voor de Internationale Noordzee. Het ontbreekt vooral aan data over aspecten van de visserij met staande netten die in onze wateren het meeste risico op bijvangsten met zich meebrengt. Wel is bekend dat vogelsoorten die hun voedsel duikend bemachtigen meer risico lopen te worden bijgevangen dan soorten die hun voedsel van of nabij het zeeoppervlak bemachtigen. Ook van sommige soorten uit deze laatste groep is wel eens bijvangst gerapporteerd (zie tabel 1.1.1) maar dat dit leidt tot merkbare negatieve effecten op populaties lijkt niet waarschijnlijk. Voor de overige soorten sluit het ontbreken van data ook de toepassing van beoordelingsmethode 2 uit. Blijft over de derde methode, die is gerelateerd aan de OSPAR-lijst van bedreigde en/of afnemende soorten en habitats. Alleen drieteenmeeuw en Dougalls stern (een dwaalgast in Nederlandse wateren) zijn soorten op die lijst die geregeld in de Internationale Noordzee voorkomen. Beide zijn oppervlaktefoerageerder met een verondersteld laag risico op bijvangst. Volgens Dierschke et al. (2022a) zijn ze niet gerapporteerd als bijvangstslachtoffer in de Internationale Noordzee. In de pilotbeoordeling krijgt Dougalls stern daarom wat betreft dit criterium de ‘goede’ status in de Internationale Noordzee. Drieteenmeeuw is in de pilot niet beoordeeld.

Op basis van deze overwegingen is criterium D1C1, voor vogelsoorten van de functionele groepen oppervlaktefoerageerders en vogels die foerageren in het intergetijdegebied, beoordeeld als ‘goed’ als de soort niet is gerapporteerd als bijvangstslachtoffer in de Noordzee, en als ‘onbekend’ als dat wel het geval is (zie tabel 1.1.1). Voor soorten die door hun leefwijze wel potentieel risico lopen, de waterkolomfoerageerders en bodemfoerageerders, is het oordeel vanwege gebrek aan data ‘onbekend’. Deze oordelen zijn slechts indicatief en worden daarom niet meegewogen in de integrale beoordeling.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De systematiek van de pilotindicator van OSPAR lijkt goed toepasbaar om de milieutoestand voor zeevogels te kunnen beoordelen. Om de systematiek te kunnen toepassen zijn echter data noodzakelijk, zowel over de aantallen bijgevangen vogels per eenheid visserij-inspanning als over de totale jaarlijkse inspanning per visserij. Diverse EU-richtlijnen (VHR, KRM), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en een speciaal actieplan (EC 2023) beogen bescherming te bieden tegen bijvangst van gevoelige soorten dan wel de biologische rijkdommen van de zee in stand te houden. Niettemin ontbreekt het vooralsnog aan een internationaal afgestemde aanpak van de monitoring en de mitigatie van incidentele bijvangst, behalve de door het GVB verplichte registratie van die bijvangsten in het elektronisch logboek. ICES coördineert de nationale monitoringprogramma’s die de EU-landen uitvoeren als onderdeel van de wettelijke verplichtingen van de datacollectieverordening onder het GVB. De monitoring is voornamelijk gericht op het genereren van gegevens over commercieel geëxploiteerde vissoorten (D3); de dekking voor andere soorten is erg gering en er is geen eenduidige aanpak. Het uitwerken van Europese verplichtingen tot concrete maatregelen, zoals gebiedsbeperking, is vaak een zaak van lange adem. Toch worden mitigerende maatregelen zowel nationaal als in internationale context opgepakt. Het Europese LIFE-project CIBBRiNA heeft het initiatief genomen voor een internationaal afgestemde aanpak. Het project heeft tot doel om samen met vissers, wetenschappers, ministeries van Visserij en Milieu en NGO’s uit dertien Europese landen incidentele bijvangst van zeezoogdieren, vogels, schildpadden, haaien en roggen te beperken. Het streven is te komen tot een ecologisch en sociaaleconomische duurzame visserij in de Noordoost-Atlantische Oceaan, de Oostzee en de Middellandse Zee. Afstemming van monitoring en beoordeling is ook onderdeel van dit project. Naar verwachting zijn de resultaten bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 beschikbaar.

D1C2 Populatieabundantie

GMT (Art. 9)

De populatieabundantie van zeevogelsoorten duidt op gezonde populaties en voldoet in de Internationale Noordzee aan de drempelwaarden van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

De populatieabundantie van zeevogelsoorten in de Internationale Noordzee is vergelijkbaar met de voorgaande periode: van geen enkele soort is de toestand veranderd. Van de oppervlaktefoerageerders, bodemfoerageerders en vogels van het intergetijdengebied voldoet respectievelijk 42 procent, 25 procent en 58 procent aan de drempelwaarde. Vooral van de broedvogels zijn de aantallen laag. Bij vogelsoorten die op zee in de waterkolom foerageren voldoen de meeste (82 procent) aan de drempelwaarde. Het beeld in het Nederlandse deel van de Noordzee is vergelijkbaar met dat van de gehele Noordzee.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

B1 abundantie vogels (OSPAR).

Huidige aantal is ≥70% (of ≥80%) van het aantal in 1991-2000 (OSPAR).

Aantal exemplaren of broedparen per soort.

Internationale Noordzee, 2012-2017 (broedvogels)/ 2011-2016

(niet-broedvogels) (A).

Abundantie vogels Nederland (nationaal).

Huidige aantal ≥70% (of ≥80%) van aantal in 1991-2000, of huidige aantal ≥GRP (nationaal).

Aantal exemplaren of broedparen per soort.

Nederlandse wateren,

2014-2020 (D).

Populatieabundantie Internationale Noordzee (OSPAR)
Toelichting OSPAR-indicator

De populatieabundantie van zeevogels (aantallen individuen buiten het broedseizoen of paren in broedkolonies) wordt als indicator gebruikt omdat deze grootheid praktisch meetbaar is en geschikt voor het beoordelen van langetermijnveranderingen in de vogelgemeenschap. Veranderingen in de populatie kunnen wijzen op door mensen veroorzaakte effecten en kunnen aanleiding zijn voor het nemen van beheermaatregelen. Voor de beoordeling van de populatieabundantie van vogels in de Internationale Noordzee wordt de OSPAR-indicator B1 Marine bird abundance gebruikt.

Voor ‘echte’ zeevogelsoorten (zoals alkachtigen, jan-van-gent, drieteenmeeuw en jagers) stoelt de beoordeling voornamelijk op gegevens die op broedplaatsen zijn verzameld. Deze soorten zijn daar gemakkelijker te tellen dan op volle zee, waar ze buiten het broedseizoen verblijven. Voor andere watervogels is de beoordeling vooral gebaseerd op gegevens over aantallen niet-broedende vogels tijdens de trek en/of overwintering in kust- en intergetijdengebieden. Veel van deze soorten zijn moeilijker te tellen tijdens het broedseizoen doordat ze niet in kolonies broeden en hun broedarealen tot ver buiten het OSPAR-zeegebied hebben.

De relatieve aantallen van broed- en niet-broedvogels zijn voor deze indicator afzonderlijk beoordeeld, omdat ze ook bij dezelfde soort vaak betrekking hebben op verschillende populaties (bijvoorbeeld broedvogels in het Noordzeegebied, en niet-broedvogels afkomstig uit een veel groter broedareaal dan de Internationale Noordzee).

De gegevensbasis wordt gevormd door tijdreeksen van jaarlijkse schattingen van de populatieabundantie van de vogelsoorten in OSPAR-regio II, de Internationale Noordzee (Dierschke et al. 2023b). Deze ruimtelijke schaal is gekozen omdat in Nederlandse wateren voorkomende zeevogelsoorten waarvoor de beoordeling is gebaseerd op broedvogeldata, hun broedgebieden hebben in het gehele Noordzeegebied (en in mindere mate daarbuiten, vooral in Regio I Arctische wateren). Buiten het broedseizoen maken deze vogels gebruik van de Nederlandse Noordzee.

Uit de telgegevens is de jaarlijkse relatieve populatieabundantie berekend: het aantal broedparen of individuen uitgedrukt als percentage van een baseline ontleend aan de aantallen in de eerste tien jaar van de meetreeks (1991-2000). Voor de bepaling van de huidige toestand is het gemiddelde over de laatste zes jaar van de tijdreeks gebruikt. Voor niet-broedvogels is dit de periode 2011-2016, voor broedvogels 2012-2017. Deze waarde is afgezet tegen een drempelwaarde die afhangt van de reproductiecapaciteit van de vogelsoort: 80 procent van de baseline voor soorten die per broedpoging één ei leggen, of 70 procent van de baseline voor soorten die meer dan één ei leggen. De reden voor dit verschil in drempelwaarden is dat soorten die maar één ei leggen in het algemeen langzamer zullen herstellen van een aantalsafname dan soorten die meer dan één jong per jaar kunnen grootbrengen. Als de berekende waarde lager is dan de 70 of 80 procent-drempel wordt de soort beschouwd als in ‘slechte’ toestand; is de waarde gelijk aan of hoger dan de drempel dan is de status ‘goed’. Broedvogels en niet-broedvogels krijgen een afzonderlijk oordeel. Zie Dierschke et al. 2022b voor nadere details over de gegevens en analyse.

Resultaten

Tabel 1.1.1 laat de beoordeling van de populatieabundantie per soort zien. Van de niet-broedvogels in de Internationale Noordzee voldoet 61% aan de drempelwaarde, van broedvogels is dit 37%. Ook in de andere OSPAR-regio’s voldoen de meeste soorten die hun voedsel bemachtigen op en in de zeebodem of nabij het wateroppervlak niet aan de drempelwaarde.

Sinds het midden van de jaren negentig is in de Internationale Noordzee het aandeel soorten met een ‘goede’ relatieve populatieabundantie gestaag afgenomen van 100 procent (baseline-periode) naar de huidige percentages. Deze afname verloopt vanaf ongeveer 2010 wel minder snel, vooral bij broedvogels (Dierschke et al. 2022b). Zie factsheet D1C5 voor meer duiding en mogelijke oorzaken van de ontwikkeling van de omvang van zeevogelpopulaties.

Aanvullende analyse zeevogels in Nederlandse wateren
Toelichting indicator nationale analayse

De OSPAR-indicator B1 voor de populatiegrootte van zeevogels in de Internationale Noordzee is voor de meeste soorten ‘echte zeevogels’ gebaseerd op aantallen broedparen geteld in broedkolonies die voor het overgrote deel buiten Nederland liggen. Daarmee weerspiegelt de indicator hoe goed of slecht zeevogelpopulaties het in de Noordzee in algemene zin doen. De specifieke omstandigheden in het Nederlandse deel ervan komen zo minder uit de verf.

Behalve broedvogels monitort Nederland in het eigen deel van de Noordzee de op of boven zee aanwezige vogels door middel van vliegtuigtellingen en zeetrektellingen. Deze gegevens worden tot dusver niet gebruikt in de formele OSPAR-beoordeling, maar ze zijn – samen met gegevens uit het Belgische en Duitse deel van de Noordzee – wel verwerkt in een pilot indicator Marine Bird Abundance – non-breeding offshore birds (Dierschke et al. 2022c).

Omdat deze indicator nog onvoldoende is uitgewerkt heeft Nederland, in aanvulling op de OSPAR-analyse, gegevens over het Nederlandse deel van de Noordzee geanalyseerd. Op basis van de Nederlandse vliegtuigtellingen en de gegevens uit zeetrektellingen vanaf de kust worden in het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) trends berekend (zie website Sovon). In de aanvullende analyse zijn voor de meeste soorten de NEM-trendgegevens op dezelfde manier bewerkt als voor de OSPAR-indicator (baseline 1991-2000, beoordelingswaarde gemiddelde over 2014-2020, drempelwaarde 70/80 procent van baseline). Voor 18 soorten waarvoor in Nederlandse Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn recent ‘gunstige referentiewaarden’ vastgesteld of vernieuwd voor het aspect ‘populatie’ van de staat van instandhouding (Gunstige Referentie Populatie GRP; Sovon 2022). Bij de beoordeling van deze soorten zijn de in Sovon (2022) beschreven criteria voor een gunstige staat van instandhouding toegepast: ‘goed’ als de recente (seizoensgemiddelde) aantallen in Nederland gelijk aan of groter zijn dan de GRP, én de NEM-trend niet meer dan 20/30 procent afname toont ten opzichte van de baseline, én het broedsucces voor zover bekend niet te laag is (zie D1C3).

Resultaten

Tabel 1 toont de beoordeling op basis van de Nederlandse analyse. Gerekend over alle soorten waarvan voldoende nationale gegevens beschikbaar zijn (zowel broed- als niet-broedvogels), is 59 procent van de elementen in ‘goede toestand’; regionaal (Internationale Noordzee) is dit 54 procent. Voor niet-broedvogels is het Nederlandse beeld iets gunstiger dan het regionale (64 versus 58 procent goed), maar voor broedvogels iets ongunstiger (42 versus 48 procent goed). Het resultaat in het Nederlandse deel van de Noordzee is dus in grote lijnen vergelijkbaar met dat van de OSPAR-beoordeling voor de gehele Noordzee. Verschillen tussen de twee beoordelingen bij afzonderlijke soorten zullen vooral voortkomen uit verschillen in de geografische dekking van de onderliggende gegevens (Internationale Noordzee versus Nederlandse wateren). Bij de functionele groepen speelt ook mee dat voor Nederland gegevens beschikbaar zijn van meer en deels andere soorten per groep.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De OSPAR-indicatoren voor abundantie zijn uitontwikkeld en al in meerdere beoordelingsrondes toegepast in vrijwel dezelfde vorm, en ze voldoen. Bij de OSPAR-indicatoren voor de abundantie van broedvogels en niet-broedvogels ligt de nadruk op grotendeels verschillende soorten, namelijk ‘echte zeevogels’ en soorten gebonden aan kustwateren en intergetijdengebieden. Op de schaal van de OSPAR-regio’s is er nog een hiaat wat betreft gegevens over de abundantie van zeevogels op zee buiten het broedseizoen. Dat komt doordat slechts in een beperkt aantal landen, waaronder Nederland, zeevogels op volle zee worden gemonitord. Een complete regionale dekking laat vermoedelijk nog geruime tijd op zich wachten. Als opmaat hiertoe is in het kader van het OSPAR QSR 2023 wel een pilotbeoordeling Marine Bird Abundance – non-breeding offshore birds uitgevoerd. Deze omvat zeven zeevogelsoorten die overwinteren in de Belgische, Nederlandse en Duitse delen van Noordzee (deel van OSPAR-regio IId). Recentelijk (in 2025) heeft OSPAR deze pilotindicator onderdeel gemaakt van de gezamenlijke B1 indicator voor abundantie van zeevogels.

D1C3 Demografische kenmerken broedsucces

GMT (Art. 9)

Het broedsucces van zeevogels duidt op gezonde populaties in de Internationale Noordzee en voldoet aan de drempelwaarden van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

Van de vogels die dieper in de waterkolom foerageren, voldoet bij de meeste soorten (83 procent) het broedsucces aan de drempelwaarde. Onder de oppervlaktefoerageerders is dit 21 procent en bij de vogels van het intergetijdengebied 33 procent. Over het geheel genomen voldoet 39 procent van de beoordeelde soorten aan de drempelwaarde. De toestand op criteriumniveau is onveranderd ten opzichte van de voorgaande beoordelingsperiode.

In de Internationale Noordzee is het broedsucces van zeevogels voor het merendeel van de beoordeelde soorten zó laag dat, als dit niet verbetert, deze soorten op termijn waarschijnlijk een Rode Lijst-status krijgen, mochten ze die nog niet hebben. Vooral vogelsoorten die op zee foerageren op vis in de bovenste waterlagen doen het in dit opzicht niet goed. Hiertoe behoren de meeste in Nederland broedende zeevogels.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

B3 Broedsucces zeevogels (OSPAR).

Gemiddeld broedsucces over 6 jaar is voldoende om een populatiedaling van ≥30% over 3 generaties te voorkomen (OSPAR).

Aantal vliegvlugge jongen geproduceerd per broed-paar/nest per jaar.

Internationale Noordzee, 2014-2019/2015-2020 (A).

Broedsucces kustbroedvogels (nationaal).

Gemiddeld broedsucces voldoende om een populatiedaling te voorkomen (nationaal).

Aantal vliegvlugge jongen geproduceerd per broed-paar/nest per jaar.

Nederlandse deel van de Noordzee: Waddengebied 2005-2019 en Zuidwestelijke Delta 2010-2019 (D).

Toelichting indicatoren
B3 Broedsucces zeevogels (OSPAR)

De OSPAR-indicator B3 Marine Bird Breeding Productivity beschrijft veranderingen in het broedsucces (broedproductiviteit) van zeevogels in de Internationale Noordzee (OSPAR-regio II). De beoordeling is gebaseerd op het aantal jonge vogels per broedpaar of per legsel dat in de periode 2014-2019 jaarlijks uitvloog. De meeste soorten zeevogels zijn langlevende dieren die pas na meerdere jaren voor het eerst tot broeden komen. Hierdoor kunnen veranderingen in de leefomstandigheden tot uiting komen in het broedsucces, lang voordat deze zichtbaar zijn aan veranderingen in de populatieabundantie. De resultaten van deze beoordeling kunnen dus een vroege waarschuwing zijn voor veranderingen in de populatiestatus, en vullen daarmee de beoordeling van de populatieabundantie (D1C2) aan.

De hier gebruikte indicator is toegepast in het meest recente OSPAR Quality Status Report (OSPAR 2023). Hij vervangt de indicator uit voorgaande OSPAR-beoordelingen en de Mariene Strategie deel 1 (2018). Die indicator legde de focus op extreme situaties waarin de reproductie in hele kolonies mislukte, zoals nogal eens voorkomt bij zeevogels die op kliffen broeden. De indicator miste daardoor gevallen waarin er wel degelijk broedsucces was, maar te weinig om de populatie stabiel te houden of te doen groeien. De nieuwe aanpak is beter toegesneden op de in Nederland broedende zeevogelsoorten. Bovendien voorspelt hij welke populatiegroeisnelheid is te verwachten bij het waargenomen broedsucces van een soort, en wat dat op de langere termijn kan betekenen voor de milieutoestand.

Per soort is jaarlijks het gemiddelde broedsucces geschat, aan de hand van gegevens uit een steekproef van verschillende locaties. Uit het gemiddelde broedsucces is met soortspecifieke modellen de te verwachten populatiegroeisnelheid berekend. Dit is een maat voor de jaarlijkse groei van het aantal vogels; een stabiele populatie heeft een groeisnelheid van 1, een toenemende een groeisnelheid > 1 en een afnemende een groeisnelheid < 1. De populatiegroeisnelheid is berekend op basis van het gemiddelde broedsucces over de meest recente zes jaar (afhankelijk van de soort 2015-2020 of 2014-2019).

Om vergelijking met voorgaande perioden mogelijk te maken is dezelfde berekening uitgevoerd voor alle jaren vanaf het begin van de datareeks (1991). Meer details zijn te vinden in Frederiksen et al. (2022 en in press.).

Als drempelwaarde voor een goede milieutoestand is voor elke soort de groeisnelheid bepaald die, bij bestendiging, zou leiden tot een afname van de populatiegrootte van ≥ 30 procent over drie opeenvolgende generaties. Deze waarde komt overeen met het criterium van de International Union for Conservation of Nature and Natural Recources (IUCN) voor opname van soorten op Rode Lijsten in de categorie ‘Kwetsbaar’ (IUCN, 2012). Een hogere groeisnelheid dan deze drempel correspondeert met de IUCN-categorie ‘Minste zorg’. Lagere groeisnelheden dan de drempelwaarde komen overeen met de IUCN-categorie ‘Bedreigd’ als ze leiden tot ≥ 50 procent achteruitgang en met de categorie ‘Ernstig bedreigd’ als ze tot ≥80 procent achteruitgang over drie generaties zouden leiden (figuur 1.1.2).

Figuur 1.1.2. Illustratie van de ontwikkeling van de OSPAR-broedsuccesindicator B3 in de tijd, voor drieteenmeeuw in de Internationale Noordzee. De zwarte lijn geeft de jaarlijkse populatiegroeisnelheid voorspeld op basis van het gemiddelde broedsucces in dat jaar en de vijf voorgaande jaren. Waarden in de groene zone indiceren een ‘goede’ status, overeenkomend met het criterium voor de Rode-Lijstcategorie ‘Minste zorg’ (IUCN). Waarden in de andere zones indiceren een ‘niet goede’ status, corresponderend met criteria voor IUCN-categorieën ‘Kwetsbaar’, ‘Bedreigd’ en ‘Ernstig bedreigd’. De indicatorwaarde voor drieteenmeeuw (zwarte lijn, 2020: 0.961) ligt ruim onder de drempelwaarde voor goede status (0.988) en leidt tot een verwachte afname van de populatiegrootte met 3.9 procent per jaar, of 69 procent over drie generaties (29.5 jaar voor drieteenmeeuw). Daarmee zou de soort in de IUCN-categorie ‘Bedreigd’ terechtkomen. (Uit OSPAR 2023).

komen. (Uit OSPAR 2023).

Om de invloed van verschillen in meetfrequentie te beperken en voldoende representativiteit van de indicator te waarborgen, is deze alleen berekend voor vogelsoorten waarvan gegevens beschikbaar waren van ten minste twee locaties en over ten minste tien jaren. Dit betreft vooral ‘echte’ zee- en kustvogels; over het broedsucces van andere soorten watervogels die ook in het mariene milieu voorkomen (zoals zee-eenden en vogels van intergetijdegebied) zijn minder gegevens beschikbaar.

Over zeevogels in de regio Internationale Noordzee zijn voldoende gegevens beschikbaar om voor 23 vogelsoorten, behorend tot drie functionele groepen, beoordelingen uit te voeren. Dit betrof vooral oppervlaktefoerageerders en waterkolomfoerageerders die in kolonies broeden. Nederland leverde daarnaast bruikbare gegevens aan voor drie soorten vogels van het intergetijdengebied. Over het broedsucces van bodemfoerageerders was onvoldoende informatie beschikbaar voor een beoordeling.

Broedsucces van zee- en kustvogels in Nederland (nationaal)

De belangrijkste Nederlandse regio’s voor broedende zee- en kustvogels zijn het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta. In beide regio’s wordt van verschillende soorten jaarlijks het broedsucces gemonitord. Voor deze gebieden is nagegaan of het gemiddelde broedsucces in de periode 2005-2019 (Deltagebied) of 2010-2019 (Wadden) voldoende hoog was om de populatie op zijn minst stabiel te houden (Koffijberg et al. 2022, Schekkerman et al. 2017, 2021). Ook hiervoor zijn de gegevens over broedsucces gecombineerd met informatie over jaarlijkse sterfte onder volgroeide vogels, met behulp van populatiemodellen.

Resultaten
Broedsucces Internationale Noordzee

Van de 23 beoordeelde soorten zee- en kustvogels bereikt 39 procent een voldoende hoog broedsucces om een significante achteruitgang op lange termijn te voorkomen (tabel 1.1.1). Vijf van de zes soorten waterkolomfoerageerders (83 procent) hebben voldoende broedsucces. Van de 14 soorten oppervlaktefoerageerders zijn dat er drie (21 procent). Onder de drie beoordeelde vogelsoorten van het intergetijdengebied voldoet alleen het broedsucces van de lepelaar aan de drempelwaarde (33 procent).

Van grote stern, dwergstern en zeekoet is het broedsucces zo verbeterd dat het nu de drempelwaarde overstijgt (zie tabel 1.1.1). Sommige soorten vallen sinds 2014 juist in een lagere IUCN-categorie, maar in geen van de gevallen is een omslag van ‘goed’ naar ‘niet goed’ vastgesteld. Verder terugkijkend blijkt dat het aandeel oppervlaktefoerageerders met voldoende broedsucces sinds het begin van de monitoringreeks (1991) zeer laag is (figuur 1.1.3).

Voor meer duiding en mogelijke oorzaken van het achterblijvende broedsucces van zeevogels in de Internationale Noordzee en in Nederland, zie factsheet D1C5.

Broedsucces van zee- en kustvogels in Nederland

In de regionale beoordeling zijn de meeste vogelsoorten die in Nederland in relevante aantallen broeden in het kustgebied en foerageren op zee vertegenwoordigd. Gegevens uit Nederland vormen een belangrijk deel van de gebruikte datasets voor deze soorten (mede doordat gegevens uit Denemarken en Duitsland voor de analyse ontbraken). De veronderstelling dat de regionale beoordeling op hoofdlijnen representatief is voor de Nederlandse situatie is dan ook gerechtvaardigd. Recente broedsuccesgegevens van kustbroedvogels in het Nederlandse Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta staven deze aanname met ook hier een overwegend ongunstig beeld (tabel 1.1.3). Verschillen tussen deze resultaten en de regionale beoordeling (tabel 1.1.1) kunnen voortkomen uit variaties in broedsucces tussen landen (Nederland, België, Verenigd Koninkrijk) of tussen regio’s in Nederland. Maar ook kan sprake zijn van verschillen in drempelwaarden. In beide Nederlandse studies is het broedsucces als onvoldoende beschouwd zodra het naar verwachting leidt tot een afname van de populatie, hoe klein ook; in de OSPAR-indicator gebeurt dit pas bij een verwachte afname die op termijn leidt tot opname op een Rode Lijst.

Figuur 1.1.3. Verloop van het aandeel zeevogelsoorten per jaar in de Internationale Noordzee dat voldoet aan de drempelwaarde (broedsucces leidend tot IUCN-status ‘Minste zorg’), onder 14 soorten oppervlaktefoerageerders (lichtblauwe lijn) en 14 soorten waterkolomfoerageerders (donkerblauwe lijn).

Tabel 1.1.3. Indicaties voor voldoende (groen) of onvoldoende (rood/oranje) broedsucces om de populaties van kustbroedvogels op termijn ten minste stabiel te houden in het Nederlandse Waddengebied (Koffijberg et al. 2022) en in de Zuidwestelijke Delta (Schekkerman et al. 2017, 2021).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De nieuwe indicator voor broedsucces is een flinke stap vooruit ten opzichte van de voorgaande. Hij geeft expliciet inzicht in de te verwachten consequenties van het gemeten broedsucces voor de populatieontwikkeling en is geschikter voor de in Nederland broedende soorten. In de populatiemodellering is nog verfijning mogelijk. Tot nu toe is hierin de overleving constant verondersteld over de gehele gegevensperiode. Nieuw beschikbare kennis over veranderingen in de factor ‘overleving’ zou in principe goed zijn in te passen in de modellering. Dit opent ook mogelijkheden om op termijn verbindingen te leggen met andere indicatoren zoals D1C1 (sterfte door bijvangst) of met sterfte door windenergiewinning. Zo zou een geïntegreerde indicator voor demografie kunnen ontstaan. Binnen OSPAR worden deze mogelijkheden nader verkend.

In de Internationale Noordzee is de gegevensdekking tamelijk goed. Verbeteringen zijn nog mogelijk, onder meer door data uit Duitsland en Denemarken bij de beoordeling te betrekken. Naar verwachting zal dit bij een volgende beoordeling ook het geval zijn. In Nederland is inmiddels gestart met het monitoren van het broedsucces van zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Resultaten hiervan kunnen worden meegenomen in de volgende actualisatie van de Mariene Strategie (2030).

D1C5 kwaliteit leefgebied

GMT (Art. 9)

De kwaliteit van het leefgebied is geschikt voor zeevogelpopulaties in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Beoordeling (Art. 8)

De kwaliteit van het leefgebied van zeevogels op het Nederlandse deel van de Noordzee is als ‘onbekend’ beoordeeld, omdat er nog geen beoordelingssystematiek voorhanden is en er te weinig kennis is over causale relaties en ecologische randvoorwaarden. Een kwalitatieve beoordeling op basis van expert judgement is wel mogelijk. De belangrijkste drukfactoren die op de Noordzee het leefgebied van zeevogels bedreigen zijn: verstoring door menselijke activiteiten, verminderde beschikbaarheid van prooivissen onder invloed van visserij en klimaatverandering, directe effecten van klimaatverandering, predatie in broedgebieden, vervuiling en – recent – hoogpathogene vogelgriep. Het is nog onvoldoende duidelijk hoe groot de invloed is van elk van deze factoren afzonderlijk, of en hoe ze interacteren en hoe ze zijn te combineren tot een geïntegreerd oordeel over de kwaliteit van het leefgebied.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied

Kwalitatief (expert judgement).

n.v.t.

 

Nederlandse deel van de Noordzee.

Toelichting indicatoren

‘Kwaliteit van leefgebied’ is een breed begrip, dat in principe alle omstandigheden en factoren omvat die het functioneren van zeevogelpopulaties beïnvloeden. De gezamenlijke invloed daarvan komt uiteindelijk tot uitdrukking in de criteria D1C2 Populatieabundantie en D1C3 Broedsucces. Feitelijk vormen deze twee daarmee de belangrijkste maten om de kwaliteit van het leefgebied te kunnen duiden.

Afnemende aantallen en een laag broedsucces geven echter op zichzelf niet aan welke aspecten van de milieutoestand niet op orde zijn: de aard, omvang en (cumulatieve) effecten van de aanwezige drukfactoren. Het is dus wel degelijk van belang om de kwaliteit van het leefgebied separaat te beschouwen. Nederland beoordeelt criterium D1C5 Leefgebied zeevogels kwalitatief, op basis van expert judgement. Daarbij worden drukfactoren en ecologische omstandigheden die effect kunnen hebben op zeevogels in beschouwing genomen. Niet alleen geeft deze aanpak duiding aan de signalen uit D1C2 en D1C3, hij kan in principe ook te verwachten drukfactoren identificeren waarvan nu nog geen impact aanwijsbaar is in de aantalsontwikkeling of demografie van de vogelpopulaties. Hoewel voor criterium D1C5 nog geen formele indicatoren of drempelwaarden bestaan, heeft OSPAR een eerste analyse uitgevoerd aan de hand van de pilot indicator B7 Marine Bird Habitat Quality. Deze resultaten zijn ook meegewogen. Ze geven een kwantitatieve inschatting van het verstorende effect op zeevogels van een aantal menselijke activiteiten in het Nederlandse, Belgische en Duitse deel van de Noordzee. Hiertoe zijn resultaten van steekproeftellingen van vogels op volle zee buiten het broedseizoen statistisch gemodelleerd. De pilot indicator beschrijft slechts één uiting van menselijke druk, namelijk het onbenut blijven van leefgebied als gevolg van verstoring. Een drempelwaarde voor de afgeleide verstoringsmaat is nog niet gedefinieerd.

Resultaten

Hieronder worden de belangrijkste drukfactoren/activiteiten en gevolgen hiervan voor zeevogels in het Nederlandse deel van de Noordzee samengevat: directe verstoring van individuen, druk op voedselaanbod, klimaatverandering, scheepvaart, toenemende aanwezigheid van windturbines, predatie op broedplaatsen, vervuiling en vogelgriep.

Directe verstoring door menselijke activiteiten

Het gevolg van verstoring door een of meerdere van de vele menselijke activiteiten op de Noordzee kan zijn dat potentieel leefgebied tijdelijk of permanent niet door vogels wordt benut voor essentiële functies zoals foerageren. Op zee foeragerende zeevogels vluchten vaak voor naderende schepen en van verschillende soorten is bekend dat ze (de omgeving van) windparken op zee vermijden (Dierschke et al. 2016). Soms kunnen activiteiten ook een positieve uitwerking hebben, zoals het broeden van drieteenmeeuwen op offshore platforms.

De hierboven genoemde Pilot Assessment of Marine Bird Habitat Quality van OSPAR beperkt zich nog tot de effecten van bodemberoerende visserij, scheepvaartverkeer en de aanwezigheid van windparken op zee (alleen verstoring). Toch geeft de pilot indicator voor zeven vogelsoorten al waardevol inzicht in de mate van onderbenutting van het leefgebied als gevolg van verstoring, en waar die, gespreid over het zeegebied, voorkomt (figuur 1.1.4). Ook verstoring door andere activiteiten zoals de winning van zand, olie- en gasproductie en toerisme, kan leiden tot (tijdelijk) verlies van leefgebied. Vooral in kustgebieden zoals de Zuidwestelijke Delta en het Waddengebied speelt de groeiende recreatiedruk een rol in achterblijvend broedsucces van kust- en zeevogels, bijvoorbeeld bij plevieren op dijken en stranden (Hoek 2021, 2022).

Figuur 1.1.4. Ruimtelijke verdeling in de Duitse, Nederlandse en Belgische delen van de Noordzee van Dlocal, de maat voor verstoring door menselijke activiteiten in de OSPAR pilot indicator B7, voor zeekoet (boven) en roodkeelduiker (onder). Een hoge Dlocal geeft aan dat op die plek veel minder vogels aanwezig zijn dan in een modelscenario zonder verstoringsbronnen. De verspreiding van beide soorten wordt negatief beïnvloed door scheepvaart en windparken op zee. Duidelijk is de samenhang te zien tussen zones met het grootste verstorend effect en het natuurlijke leefgebied van zeevogels: de roodkeelduiker is veel meer kustgebonden dan de zeekoet. Een optelling van de Dlocal-waarden, gewogen naar de lokale onverstoorde vogeldichtheid, geeft een verstoringsmaat voor het gehele verspreidingsgebied van de soort. Voor zeekoet en roodkeelduiker bedraagt Dglobal respectievelijk 0.10 en 0.41, wat betekent dat volgens de schattingen uit het statistische model in de huidige situatie 10 procent en 41 procent minder individuen in het studiegebied aanwezig zijn dan in een situatie zonder verstoringsbronnen (uit Dierschke & Mercker 2022).

Druk op voedselaanbod

De grootte en de ontwikkeling van vogelpopulaties zijn mede afhankelijk van de omvang van hun prooipopulaties: vissen, inktvissen en plankton in de waterkolom, en ongewervelde dieren in of op de zeebodem. Afname in zowel het broedsucces als de populatiedichtheid van veel zeevogelsoorten zou voor een deel het gevolg kunnen zijn van een tekort aan prooien. In het algemeen gaat het vooral niet goed met vogels die zich voeden met kleine vissen aan het zeeoppervlak. Soorten die prooien dieper in de waterkolom vangen, doen het beter (zie resultaten van D1C2 en D1C3). Dit kan verband houden met de verminderde beschikbaarheid van kleine pelagische vissoorten zoals zandspiering, sprot en haring. Deze prooisoorten zijn belangrijk voor onder andere drieteenmeeuw en sterns. In sommige regio’s concurreert de visserij met zeevogels. Dat is in de Internationale Noordzee bijvoorbeeld het geval met de visserij op zandspiering in de wateren rondom Schotland (Cook et al. 2014). Meeuwen en sterns, die broeden langs de Nederlandse Noordzeekust, lijken wat minder sterk afhankelijk van zandspiering als prooi (Furness & Tasker, 2000), doordat haringachtigen een goed alternatief zijn. In welke mate visserij op pelagische vis beperkend is voor hun broedsucces is nog niet goed duidelijk.

De afname van de visserij met gesleept vistuig zal waarschijnlijk leiden tot (verdere) vermindering van de vangst van demersale vis en minder verstoring van habitats op de zeebodem. Dat kan gunstig zijn voor zeevogels die in de waterkolom en nabij de bodem foerageren. Mocht de afname van bodemvisserij leiden tot een verschuiving naar minder brandstofintensieve vismethoden zoals staande kieuwnetten, dan kan dit leiden tot een verhoogd risico op bijvangst van zeevogels en andere niet commercieel geëxploiteerde diersoorten. De gevolgen van bijvangststerfte van vogels door de visserij op de Noordzee zijn grotendeels nog onbekend (zie factsheet D1C1).

Een bijkomend effect van de inkrimping van de visserijvloot en veranderende vismethoden is een sterke afname van een belangrijke voedselbron voor oppervlaktefoerageerders, namelijk de overboord gezette vis en ongewervelden (discards) die zij in het zog van de schepen buit maken naast hun pelagische prooien. Naar schatting kon de totale hoeveelheid discards in de Noordzee rond 1990 ruim 5 miljoen zeevogels van voedsel voorzien en was dat aantal in 2010 met 39 procent afgenomen (Sherley e.a. 2020). De sinds 2013 in de EU geldende aanlandingsplicht, die voorkomt dat kleinere exemplaren van commercieel beviste soorten overboord worden gezet, zal die teruggang nog hebben doen toenemen. Voldoende beschikbaarheid van natuurlijk voedsel in de vorm van pelagische vis is daarmee des te belangrijker geworden voor de betrokken vogelsoorten.

Klimaatverandering: verschuiving van arealen en effect op broedsucces

Ook klimaatverandering kan een deel van de waargenomen achteruitgang van populaties van prooidieren hebben veroorzaakt. Dat zou kunnen worden afgeleid uit het verband tussen het broedsucces van sommige zeevogels en stijgende zeetemperaturen (Frederiksen et al. 2004, 2006). Het veelomvattende en complexe proces van de klimaatverandering kan ook directe effecten hebben, op gedrag en aanwezigheid van zeevogels. Bij sommige soorten uit zich dat onder meer in veranderingen in hun verspreidingspatroon. Langs de Europese kusten is een noord-oostwaartse verschuiving te zien van het overwinteringsgebied van diverse soorten steltlopers en van eenden van het intergetijdengebied (het zogenaamde short-stopping; MacLean et al. 2008, Pavon-Jordan et al. 2019). Mogelijk speelt dit proces een rol bij veranderingen in de verspreiding van zee-eenden in de kustzones. Of ook de verspreiding van pelagische zeevogels reageert op hogere wintertemperaturen is nog onduidelijk.

Zeespiegelstijging en een toename van stormen in het broedseizoen, beide gevolg van de klimaatverandering, leiden ertoe dat op kwelders en laaggelegen eilanden in het Nederlandse kustgebied vaker legsels wegspoelen of jongen verdrinken. De zo veroorzaakte afname van het reproductiesucces kan gevolgen hebben voor de populaties (Van de Pol et al. 2010). Andere negatieve effecten van klimaatverandering op broedsucces zijn het uitdrogen van broedplaatsen in binnendijkse wetlands en te grote peilfluctuaties in sommige Deltabekkens door pieken in de rivierafvoer na extreme neerslag en tijdens zomerstormen (Schekkerman et al. 2021).

Windparken: sterfte door botsingen en habitatverlies

De noodzaak om klimaatverandering aan te pakken heeft geleid tot onbedoelde extra druk op zeevogels. In de afgelopen jaren is de infrastructuur voor energiewinning uit wind, zon en andere niet-fossiele bronnen vooral in de Internationale Noordzee uitgebreid met windparken op zee. Windparken op zee hebben echter effecten op het mariene milieu. Ze leiden tot verlies van leefgebied en tot het risico op vogelsterfte als gevolg van botsingen met de rotorbladen van windturbines. Niet alle vogelsoorten vermijden in gelijke mate de omgeving van windturbines op zee, en de gerealiseerde parken in de zuidelijke Noordzee hebben al geleid tot een significante beperking van het leefgebied van een soort als de roodkeelduiker (Garthe et al. 2023; zie ook figuur 4).

Deze effecten zullen toenemen naarmate de productie van windenergie op zee wordt uitgebreid. De cumulatieve impact op vogelpopulaties moet nog beter worden onderzocht, maar modelverkenningen wijzen er volgens het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC 4.0) op dat de tot 2030 reikende plannen kunnen leiden tot niet te miskennen effecten op zeevogelpopulaties.

Predatie op broedplaatsen

Van oudsher komen de grootste en meest succesvolle broedkolonies van zeevogels voor op eilanden en andere locaties die vrij zijn van landroofdieren (vooral zoogdieren). In het Nederlandse Noordzeegebied betreft dit vooral de Waddeneilanden, de voormalige eilanden in de Zuidwestelijke Delta en de hooggelegen platen in het intergetijdengebied van deze regio’s. Lange tijd konden onder andere grote aantallen meeuwen en sterns ook succesvol broeden in de duinen van de Hollandse kust en op de vastelandskwelders in het Waddengebied. Sinds deze gebieden zijn gekoloniseerd door vossen en meer recent ook door marters, zijn ze echter grotendeels door deze vogelsoorten verlaten (Spaans 1998, Stienen et al. 2009).

In de Waddenzee is – vooral langs de vastelandskust – predatie van eieren en/of kuikens een belangrijke oorzaak van het mislukken van reproductie van zee- en kustvogels. Waar nestlocaties worden beschermd door elektrische rasters, of water ze minder toegankelijk maakt voor grondpredatoren, zijn legsels meestal succesvoller. Bekende predatoren langs de vastelandskust zijn vos en bruine rat. Op de eilanden wordt vooral predatie door bruine rat en bruine kiekendief gemeld (Koffijberg et al. 2022).

Ook in de Zuidwestelijke Delta neemt predatie toe, vooral door de expansie van vossen en door zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen, die worden verdreven uit steeds verder bebouwde haven- en industrieterreinen (Arts & Janse 2021). Toenemende predatie en afnemend broedsucces hangen ook samen met vegetatiesuccessie op broedplaatsen, vooral in gebieden met weinig natuurlijke dynamiek (binnendijks en in afgesloten zeearmen) en zoet water (Schekkerman et al. 2021). Toch is het lang niet altijd en voor alle soorten duidelijk in welke mate predatie en andere bedreigingen (zoals voedseltekort of verstoring) oorzaak zijn van druk op het broedsucces.

Vervuiling

Chronische vervuiling met door scheepvaart geloosde stookolie was in de tweede helft van de vorige eeuw een belangrijke oorzaak van zeevogelsterfte. Deze drukfactor is in de laatste decennia met wet- en regelgeving, beheermaatregelen en handhaving grotendeels weggenomen. In de afgelopen 25 jaar is de vervuiling teruggelopen tot niveaus die vermoedelijk nauwelijks effect sorteren op de omvang van zeevogelpopulaties (Camphuysen 2022). Ook in de afgelopen planperiode hebben zich geen significant ernstige incidenten met olie voorgedaan (zie factsheet D8C3).

Andere vormen van vervuiling zijn nog wel altijd manifest; vooral zwerfvuil en plastics blijven een bron van zorg. Deze kunnen verhoogde sterfte onder zeevogels veroorzaken door ingestie of verstrikking van volgroeide vogels of van kuikens op nesten waarin zwerfvuil is verwerkt. Zo slikt de noordse stormvogel – een oppervlaktefoerageerder –aanzienlijke hoeveelheden plastic afval in (zie factsheet D10C3). In hoeverre dit verschijnsel bij deze soort en/of andere soorten gevolgen heeft op populatieniveau, is niet bekend (Wang et al. 2021).

Chemische verontreiniging is in de Noordzee inclusief kustzones nog steeds een probleem, maar ook hiervan is het effect op vogelpopulaties veelal onduidelijk. In de internationale Waddenzee worden van een aantal stoffen de gehaltes gemonitord in eieren van visdieven en scholeksters. In de jaren negentig is een duidelijke afname van de stoffenconcentraties gemeten, maar sindsdien is verdere verbetering niet duidelijk aanwijsbaar. Dit beeld komt overeen met de bevindingen onder descriptor D8 Verontreinigingen (zie betreffende factsheet). De door OSPAR gedefinieerde ecologische kwaliteitsdoelstellingen (EcoQO’s) voor kustvogeleieren uit het Noordzeegebied worden bij beide vogelsoorten en voor de meeste stoffen in de meeste bemonsterde gebieden en in de meeste jaren nog niet gehaald (Mattig 2017).

Sterfte door vogelgriep

De recente introductie van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) onder zeevogels vond plaats na de meetjaren voor de in deze actualisatie gebruikte abundantie-indicator en is hierin dus nog niet verwerkt. Bij een volgende actualisatie zullen de gevolgen voor sommige soorten vrijwel zeker zichtbaar worden. Deze extra drukfactor zou het bereiken van de goede milieutoestand kunnen belemmeren.

In de broedseizoenen van 2021 en vooral 2022 hebben zich voor het eerst grote uitbraken van HPAI voorgedaan op broedplaatsen van diverse soorten zeevogels rondom de Noordzee en de Britse eilanden. Bij deze uitbraken stierven niet alleen zeer veel nestjongen, maar soms ook veel volwassen broedvogels. De tot dusver sterkst getroffen soorten zijn grote jager, jan-van-gent en grote stern; de van deze soorten gevonden aantallen volwassen slachtoffers in en rond broedkolonies belopen meerdere tientallen procenten van de broedpopulaties (Pierce-Higgins et al. 2023). Van diverse andere soorten zijn ook slachtoffers gemeld, maar in kleinere aantallen. De langetermijnimpact is nog niet goed in te schatten. Omdat de meeste soorten zeevogels lang leven en pas na meerdere jaren tot broeden komen en dan slechts weinig jongen per jaar grootbrengen, kan het tientallen jaren duren voordat de populaties een klap als die in 2022 te boven komen. Bovendien is het waarschijnlijk dat HPAI-uitbraken zich in de komende jaren opnieuw zullen voordoen, ook bij andere soorten (zoals in 2023 is gebleken bij drieteenmeeuw en kokmeeuw). Het is nog onduidelijk of en hoe snel zich immuniteit zal opbouwen in de populaties.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Ook in verband met de voorgenomen uitbreiding van windparken op zee is het essentieel meer grip te krijgen op sleutelfactoren voor het leefgebied van zeevogels. Nederland werkt hieraan, onder meer vanuit het onderzoeksprogramma MONS en in Wozep en het KEC. MONS zal meer aandacht besteden aan de monitoring van pelagische vis, één van de belangrijkste voedselbronnen van veel visetende zee- en kustvogels. Daarnaast komt er meer aandacht voor populatiemodellering en voedselwebmodellering. In Wozep blijft het verdere onderzoek naar de gevolgen van aanvaringsrisico’s en verstoring door windparken een belangrijk aandachtspunt.

Bronnen

Arts, F.A., & Janse, W.M. (2021). Meeuwenvisie Zuidwestelijke Delta. Rapport 2021-07. Deltamilieu Projecten, Vlissingen.

Cook, A.S.C.P., Dadam, D., Mitchell, I., Ross-Smith, V.H., & Robinson, R.A. (2014). Indicators of seabird reproductive performance demonstrate the impact of commercial fisheries on seabird populations in the North Sea. Ecological Indicators 38: 1-11.

Dierschke, V., Furness, R.W., & Garthe, S. (2016). Seabirds and offshore wind farms in European waters: avoidance and attraction. Biological Conservation 202: 59–68.

Dierschke, V., Christensen-Dalsgaard, S., & Koschinski, S. (2022). Pilot Assessment of marine bird bycatch. In: OSPAR 2023, ​The 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic.​OSPAR Commission, London.

Dierschke, V., Marra, S., Parsons, M., French, G., & Fusi, M. (2022). Marine Bird Abundance. In: OSPAR, 2023, ​T​he 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic.​OSPAR Commission, London.

Dierschke, V., Markones, N., & Mercker, M. (2023). Pilot Assessment of Marine Bird Abundance – Non-breeding offshore birds.In: ​OSPAR 2023, The 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic. ​​OSPAR Commission, London.

Dierschke, V., & Mercker, M. (2022). Pilot assessment of marine bird habitat quality. In: OSPAR 2023, ​The 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic.​OSPAR Commission, London.

Europese Commissie (2023) ​EU-actieplan: Bescherming en herstel van mariene ecosystemen voor duurzame en veerkrachtige visserij. Brussel​​, ​21.2.2023, COM(2023) 102 final.

European Commission (2022). ​MSFD CIS Guidance Document No. 19. Article 8 MSFD, May 2022.

Fijn, R.C., Bemmelen, R.S.A. van., Arts, F.A., Beuker, D., Bravo, Rebolledo, E.L., Engels, B.W.R., Hoekstein, M., Jong J.W. de., Jonkvorst, R-J., Lilipaly, S., Sluijter, M., Straalen, K.D. van., & Wolf, P.A. (2020). Verspreiding, abundantie en trends van zeevogels en zeezoogdieren op het Nederlands Continentaal Plat in 2019-2020. RWS-Centrale Informatievoorziening BM 20.22. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-324. Bureau Waardenburg, Culemborg.

Fijn, R.C., Bemmelen, R.S.A. van., & Jong, J.W. de. (2021). Voldoen huidige Habitatrichtlijn- en/of KRM gebieden ook aan de criteria voor aanwijzing onder de Vogelrichtlijn? Verkennend onderzoek voor de Vlakte van de Raan, Hollandse Kust, Borkumse Stenen, Klaverbank, Doggersbank en Centrale Oestergronden. Rapport 21-245. Bureau Waardenburg, Culemborg

Frederiksen, M., Harris, M.P., Rothery, P., Wanless, S., & Wilson, L.J. (2004). The role of industrial fisheries and oceanographic change in the decline of North Sea black-legged kittiwakes. Journal of Applied Ecology 41: 1129-1139.

Frederiksen, M., Edwards, M., Halliday, N. C., Richardson, A. J., & Wanless, S. (2006). From plankton to top predators: Bottom-up control of a marine food web across four trophic levels. Journal of Animal Ecology 75: 1259–1268.

Frederiksen, M., Dierschke, V., French, G., Fusi, M., Marra, S., & Parsons, M. (2022). Marine Bird Breeding Productivity. In: OSPAR 2023, The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London.

Frederiksen, M., Anker-Nilssen T., Dierschke, V., Marra, S., Mitchell, I., Parsons, M., & Schekkerman, H. (2023). Model-based assessment of marine bird population status using monitoring of breeding productivity and abundance. Ibis.

Furness, R.W., & Tasker, M.L. (2000). Seabird-fishery interactions: quantifying the sensitivity of seabirds to reductions in sandeel abundance, and identification of key areas for sensitive seabirds in the North Sea. Marine Ecology Progress Series 202: 253–264.

Garthe, S., Markones, N., Mercker, M., Müller, S., Peschko, V., Schwemmer, H., & Schwemmer, P. (2023). Large‑scale effects of offshore wind farms on seabirds of high conservation concern. Scientific Reports 13: 4779.

Hoek, S. (2021). The effects of recreation on the breeding behavior of plovers nesting on Dutch sea dikes. Doctoraalverslag, Wageningen Universiteit, Wageningen.

Hoek, S. (2022). Gedragsonderzoek naar overleving van bontbekplevierkuikens op stranden 2022. Rapport 2022-13, Deltamilieu Projecten, Vlissingen.

ICES (2016). Report of the OSPAR/HELCOM/ICES Working Group on Marine Birds (JWGBIRD), 10-14 October 2016, Thetford, UK. ICES CM 2016/ACOM:29.

IUCN (2012). IUCN Red List categories and criteria: version 3.1. Second edition. IUCN, Gland/ Cambridge.

Koffijberg, K., Boer, P. de., Geelhoed, S.C.V., Nienhuis, J., Schekkerman, H., Oosterbeek, K., & Postma, J. (2021). Broedsucces van kustbroedvogels in de Waddenzee in 2019. WOt-technical report 209, Sovon-rapport 2021/40, Wageningen Marine Research-rapport C064/21, Wageningen.

MacLean, I. M. D., Austin, G. E., Blew, J., Crowe, O., Deceuninck, B., Delany, S., Devos, K., Günther, K., Laursen, K., Rehfisch, M. M., Roomen, M. van., & Wahl, J. (2008). Climate change causes rapid changes in the distribution and site abundance of birds in winter. Global Change Biology 14: 2489–2500.

Mattig, F.R. (2017). ​Contaminants in bird eggs. In: Kloepper, S. et al. 2017, Wadden Sea Quality Status Report. Common Wadden Sea Secretariat, Wilhelmshaven.

Mercker, M., Borkenhagen, K., Garthe, S., Markones, N., Schwemmer, H., & Wahl, J. (2021). An integrated framework to estimate

seabird population numbers and trends. Journal of Wildlife Management 85: 751-771.

Mercker, M., Camphuysen, K., Dierschke, V., Garthe, S. Kreutle, A., Markones, N., & Vanermen, N. (2021). An indicator for assessing the status of marine-bird habitats affected by multiple human activities: a novel statistical approach. Ecological Indicators 130: 1-14.

OSPAR Commission (2008). OSPAR​​List of Threatened and/or Declining Species and Habitats (OSPAR Agreement 2008-06). OSPAR Commission, London.

Pavón-Jordán, D., Clausen, P., Dagys, M., Devos, K., Encarnaçao V., Fox, A.D., Frost, T., Gaudard, C., Hornman, M., Keller, V., Langendoen, T., Ławicki, L., Lehikoinen, A., Lewis, L.J., Lorentsen, S.-H., Luigujoe, L., Meissner, W., Molina, B., Musil, P., Musilova, Z., Nilsson, L., Paquet, J.-Y., Ridzon, J., Stipniece, A., Teufelbauer, N., Wahl, J., & Zenatello, M. (2019). Habitat- and species-mediated short- and long-term distributional changes in waterbird abundance linked to variation in European winter weather. Biodiversity Research 25: 225-239.

Pearce-Higgins, Atkinson, P.W., Baker, H.J.W., Balmer, D.E., Burton, N.H.K., Clewley, G.D., Frost, T.M., Harris, S.J., Humphreys, E.M., Johnston, D.T., O’Hanlon, N.J., &Pollock, C. (2023). Highly pathogenic avian influenza in wild birds in the United Kingdom in 2022: impacts, planning for future outbreaks, and conservation and research priorities. BTO Research Report 752, Thetford.

Pol, M. van de., Brouwer, L., Eising, C. M., Ens, B.J., Exo, K-M., Heg, D., Koffijberg, K., Krol, J., Lok T., Maier, M., & Oosterbeek, K. (2010). Do changes in the frequency, magnitude and timing of extreme climatic events threaten the population viability of coastal birds? Journal of Applied Ecology, 47: 720-730.

Potiek, A., Gyimesi, A., Leemans, J.J., & Middelveld, R.P. (2022). Cumulative impact assessment of collisions with existing and planned offshore wind turbines in the southern North Sea. Analysis of additional mortality using collision rate modelling and impact assessment based on population modelling for the KEC 4.0. Report 21-205, Bureau Waardenburg, Culemborg.

Rijks, J.M., Ballmann, M.Z., Beerens, N., Brenninkmeijer, A., Courtens, W., Engelsma, M., Fouchier, R.A.M., Gröne, A., Jong, J.W. de., Jong, M.C.M. de., Kelder, L., Kik, M.J.L., Kleyheeg, E., Kühn, S., Kuiken, T., Leopold, M.F., Lilipaly S.J., Schenk, F., Slaterus, R., Veld, R. in ’t., & Vreman, S. (2022). HPAI H5N1 in Sandwich Terns, The Netherlands 2022. Emerging Infectuous Diseases 28: 2538-2542.

Schekkerman, H., Arts, F.A., Jeugd, H. van der., Roomen, M van., & Stienen, E.W.M. (2017). Naar een demografische analyse van

populaties van karakteristieke vogels in het Deltagebied. Sovon-rapport 2017/58, CAPS-rapport 2017/01. Sovon Vogelonderzoek Nederland/ Vogeltrekstation/ DeltaProjectManagement/ Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Nijmegen.

Schekkerman, H., Arts, F., Buijs, R.-J., Courtens, W., Daele, T. van., Ens, B.J., Fijn, R., Jeugd, H. van der., Kleunen, A. van., Roodbergen, M., Stienen, E., & Vries, L. de. (2021). Geïntegreerde populatieanalyse van vijf soorten kustbroedvogels in het Zuidwestelijk Deltagebied. Sovon-rapport 2021/03, CAPS-rapport 2021/01. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Soudijn, F.H., Donk, S. van., Hin, V., Leopold, M.F., & Wal, J.T. van der. (2022). Cumulative population-level effects of habitat loss on

seabirds. Kader Ecologie en Cumulatie 4.0. Wageningen Marine Research report C007/22, Wageningen. Sovon 2022. Bouwstenen voor het Strategisch Plan Natura 2000: factsheets van vogelsoorten die betrokken zijn bij de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Sovon-rapport 2022/92. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Spaans, A.L. (1998). The Herring Gull Larus argentatus as a breeding bird in The Netherlands during the 20th century. Sula 12: 185-198.

Stienen, E.W.M, Brenninkmeijer, A. & Winden, J. van der. (2009). De achteruitgang van de Visdief in de Nederlandse Waddenzee. Exodus of langzame teloorgang? Limosa 82: 171-186.

Vogel R., Zoetebier D., Winden E. van., Sierdsema H., Foppen R. & Bremer L. van den. (2024). Geactualiseerd landelijk overzicht van vogelsoorten met concentraties van (inter)nationaal belang. Sovon-rapport 2024/13. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Wang, L., Hao, Z., Li, D., Li, S., Nabi, G., Yin, L., & Wang, Y. (2021). Birds and plastic pollution: recent advances. Avian Research 12: 59.

D1 Biodiversiteit zeezoogdieren

GMT (Art. 9)

Zeezoogdierpopulaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op het beperken van effecten van onderwatergeluid, het inzichtelijker maken van potentiële

knelpunten (bijvangst) en op de verdere implementatie van de soortbeschermingsplannen voor bruinvis en zeehonden.

Beoordeling (Art. 8)

Voor grijze zeehond en gewone zeehond is de goede milieutoestand bereikt. Voor bruinvis is dit niet het geval, omdat de drempelwaarde van bijvangst is overschreden.

Inleiding

Zeezoogdieren hebben een belangrijke plaats in de biodiversiteit van de Noordzee. De abundantie en verspreiding van deze toppredatoren zijn belangrijke indicatoren voor de toestand van het milieu. Ze geven bijvoorbeeld aan of en in welke mate het voedselweb nog intact is. De meest voorkomende zeezoogdieren in de Nederlandse Noordzee zijn bruinvis, gewone en grijze zeehond.

Beoordeling

De integrale beoordeling van zeezoogdieren (zie tabel 1.2.1) is gebaseerd op informatie over de incidentele bijvangst (D1C1), populatieabundantie (D1C2) en verspreiding (D1C4) van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond. Van zeehonden is ook de pupproductie (D1C3) beschouwd. De beoordeling is voornamelijk samengesteld uit de regionale OSPAR-beoordeling (OSPAR, 2023) en de nationale beoordeling voor de Habitatrichtlijn (HR, 2019).

De incidentele bijvangst van grijze zeehond voldoet aan de drempelwaarde; bij de bruinvis is dit niet het geval. De incidentele bijvangst van gewone zeehonden kon niet worden getoetst. Verder voldoen alle overige getoetste criteria aan de goede milieutoestand, met uitzondering van het leefgebied; dit criterium scoort ‘onbekend’.

Over het geheel genomen vertonen grijze zeehond en gewone zeehond in deze planperiode een opgaande trend, waardoor de beoordeling positief is bijgesteld en de goede milieutoestand is bereikt. Voor bruinvis is dit niet het geval vanwege de overschrijding van de drempelwaarde van bijvangst. Alertheid voor de toestand van zeehonden blijft echter geboden, gezien de soms plotselinge populatieontwikkelingen in het verleden, en – bij gewone zeehond – een afvlakking van de opgaande trend in de beoordelingsperiode, sinds 2021 zelfs overgaand in afname van de populatiegroei (Galathius et al., 2023).

De voornaamste drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bekend. Zo is er relatief veel kennis over bijvangst van bruinvis en grijze zeehond, en wat betreft bruinvis ook over effecten van impulsgeluid en ophoping van PCB’s. Over de precieze effecten en vooral de cumulatieve effecten van de drukfactoren is nog weinig kennis vergaard. Ook is het (nog) niet mogelijk om de eisen aan het leefgebied van zeezoogdieren te kwantificeren. Om die reden is het criterium D1C5 Kwaliteit leefgebied voor alle drie de soorten als ‘onbekend’ beoordeeld, en daarom geen onderdeel van de integrale beoordeling. Nederland werkt er hard aan om de effecten van verschillende drukfactoren beter en ook in cumulatief verband te kunnen beoordelen, zodat bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 wél een algehele beoordeling van D1C5 mogelijk is. Hetzelfde geldt voor incidentele bijvangst van gewone zeehond (D1C1); vooralsnog is beoordeling hiervan niet mogelijk.

Zowel de populatieabundantie als de pupproductie voldoen aan de goede milieutoestand. Maar bij de gewone zeehond groeit de pupproductie duidelijk veel sterker dan de populatie zelf. Sinds 2016 is de jaarlijkse pupproductie in de Nederlandse Waddenzee met 7 procent toegenomen. In de gehele Internationale Waddenzee was dat 8 procent. Daartegenover staat een jaarlijkse populatiegroei met 1 procent.

Dit verschil kan geen gevolg zijn van emigratie van de dieren, want de populatieabundantie neemt ook buiten Nederland niet sterk toe (ICES 2021, Unger et al. 2022). De vraag is nu hoe het komt dat hoge pupproductie niet wordt weerspiegeld in de aantallen getelde gewone zeehonden. Onduidelijk is of de lagere dan verwachte aantallen het gevolg zijn van sterfte, of van verandering van gedrag, bijvoorbeeld minder of korter verblijf op ligplaatsen waardoor de kans om te worden geteld kleiner is. Mogelijke andere hypotheses gaan uit van competitie met de grijze zeehond, of van het bereiken van de grens aan de draagkracht van het systeem. Bij grijze zeehond is wél een relatie zichtbaar tussen ontwikkelingen in pupproductie en populatieabundantie.

Tabel 1.2.1. Beoordeling van de huidige toestand van zeezoogdieren per soort en soortgroep. Tevens zijn de afzonderlijke resultaten per indicator weergegeven. Zie voor een toelichting op de indicatoren de betreffende criteriumfactsheets. Groen = goede milieutoestand behouden/bereikt, rood = goede milieutoestand niet behouden/bereikt, grijs = niet geanalyseerd, geel = milieutoestand onbekend. De beoordeling van D1C5 is niet meegenomen in de integrale beoordeling van de soort(groep). Bij de integrale beoordeling is uitgegaan van ‘one out all out’ (conform European Commission, 2022).

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Op basis van de beoordeling kan worden geconcludeerd dat voor grijze en gewone zeehond de goede milieutoestand is behaald, en dat deze voor de bruinvis binnen handbereik lijkt. Het verminderen van de bijvangst van bruinvissen is nog een resterende opgave. Vanwege kennisleemten is nog geen beoordeling mogelijk van de bijvangst van gewone zeehonden. Om dezelfde reden kan ook het leefgebied van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond niet op kwaliteit worden beoordeeld.

Het huidige beleid richt zich op de doorwerking van internationale afspraken rond bescherming van zeezoogdieren onder verdragen zoals OSPAR, de International Whaling Commission (IWC) en ASCOBANS en op het opstellen van soortbeschermingsplannen om de voor zeezoogdieren relevante drukfactoren aan te pakken. Voor zeezoogdieren zijn twee soortbeschermingsplannen ontwikkeld: het Bruinvisbeschermingsplan (bruinvis) en het Seal Management Plan (grijze zeehond en gewone zeehond).

De belangrijkste menselijke drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bijvangst (zie D1C1), verstoring door onderwatergeluid en de in het milieu gebrachte contaminanten. Daarnaast zijn beperkte voedselbeschikbaarheid, verstoring en habitatverlies (onder andere door scheepvaart, militaire oefeningen, recreatie en klimaatverandering) en virussen belangrijke drukfactoren.

In de afgelopen planperioden zijn diverse maatregelen genomen om impulsief onderwatergeluid terug te dringen. Ondanks de geboekte vooruitgang blijft dit een aandachtspunt, onder andere in verband met de verwachte windparkontwikkeling op de Internationale Noordzee. Ook scheepvaart, explosievenruiming en seismisch onderzoek veroorzaken onderwatergeluid. Vooral de cumulatieve effecten hiervan zijn nog niet goed in beeld. Voor het minimaliseren van de impact van al deze activiteiten worden al wel maatregelen voorbereid of getroffen.

In de afgelopen decennia is met effectieve maatregelen de toevoer en aanwezigheid van verontreinigende stoffen flink teruggebracht. Dat neemt niet weg dat vooral de concentraties van UPBT-stoffen (alomtegenwoordig, persistent, bioaccumulerend en toxisch) maar langzaam afnemen (zie D8).

Milieudoelen en indicatoren

De geactualiseerde milieudoelen voor zeezoogdieren richten zich op een integrale aanpak ten behoeve van het bereik en behoud van de goede milieutoestand voor de populaties en leefgebieden van de verschillende soorten (1.10) en specifiek op het terugdringen van onderwatergeluid (1.11). Ook de milieudoelen onder descriptoren D3, D8 en D10 en D11 kunnen een positieve bijdrage leveren aan zeezoogdieren.

Alle maatregelen voor het bereiken van de milieudoelen voor zeezoogdieren worden vastgelegd in de soortbeschermingsplannen. Door deze tweejaarlijks te evalueren en zo nodig te herzien, worden nieuwe ontwikkelingen continu meegenomen. De algemene milieudoelen geformuleerd voor D1 Biodiversiteit komen ook ten goede aan zeezoogdieren (1.1 tot en met 1.4). Zij sluiten aan bij de verplichtingen volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en afspraken uit het Noordzeeakkoord.

Tabel 1.2.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie. Milieudoelen 1.1 tot en met 1.4 zijn overkoepelende milieudoelen; deze gelden ook voor zeevogels, vissen en benthische habitats. Milieudoelen 1.10 en 1.11 gelden specifiek voor zeezoogdieren.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.1

In 2030 is minimaal 30% van de oppervlakte van de Nederlandse mariene wateren beschermd gebied onder het regime van Natura 2000 en/of de KRM63.

2030

Areaal aan beschermde gebieden N2000 en/of KRM.

Aanwijzen gebieden onder HR of VR (N2000) en/of de KRM, uitvoering gebiedsafspraken NZA.

1.2

Realiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten in de mariene Natura 2000-gebieden.

Conform tijdpad Natura 2000

beheer-

plannen.

Aantal gerealiseerde

instandhoud-

ingsdoelstel-

lingen.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet.

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Implementatie van de Natuurherstelverordening door uitvoering Natuurplan

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.3

Stoppen van de landelijke verslechtering van de mariene habitattypen (HR) en soorten (HR en VR).

Doorlopend

Aantal habitattypen en

soorten dat wel/niet verslechtert.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

- Natuurplan onder de natuurherstelverordening.

1.4

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, gewone zeehond en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen.

Fase 2: Minimaliseren van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, zeezoogdieren en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen

Fase 1:

2030

Fase 2: Doorlopend

Vogels en

zeezoogdieren: indicator D1C1, vissen: in ontwikkeling

- CIBBRiNA-project: nemen van mitigerende maatregelen om bijvangst te minimaliseren en waar mogelijk te elimineren. Looptijd: Sep. 2023-Sep. 2029.

- MONS-onderzoek staandwantvisserij (start 2025).

- Bruine Bank halfjaarlijkse staandwantbeperking (1 okt-31 mrt) (verwacht vanaf 2027).

- cf. NZA 4.40: Friese Front no fishery zone (verwacht 2027) en halfjaarlijkse staandwantbeperking (sinds maart 2023) en visserijbeperkingen in kustzone (sinds 2016).

- Er wordt geen nieuwe staandwantvisserij toegestaan in de Natura 2000- en KRM-gebieden (cf. NZA 4.45).

- Haaien- en roggenactieplan 2022-2027.

- Verder inzetten op vergroten van de kans op overleven na terugzet (discarden), en het verbeteren van de vistechnische selectiviteit

gericht op doelsoorten.

1.10

Integrale aanpak ten behoeve van bereik en behoud gezonde populaties zeezoogdieren.

Doorlopend

Aansluiten op evaluaties soortbeschermingsplannen.

Uitvoeren soortenbeschermingsplannen: Bruinvisbeschermingsplan (tweejaarlijkse evaluatie) en Seal Management Plan.

1.11

Beperken van de effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren.

Doorlopend

Bruinvisver- storingsdagen (i.r.t. Wind op zee).

Indicator voor overige activiteiten nog te ontwikkelen.

Geluidslimiet heien, passende beoordeling voor grootschalige bouwprojecten op zee, gebruik ADD’s bij explosievenruiming, beheerplannen EEZ-gebieden + aantal maatregelen nog in onderzoek.

Toepassing van het ecologisch toetsingskader (KEC) in de planvorming en door het ontwikkelen en uitvoeren van mitigerende maatregelen.

Een aantal maatregelen is nog in onderzoek (langzaam varen, stiltegebieden).

D1C1 Incidentele bijvangst

GMT (Art. 9)

Incidentele bijvangst in de Internationale Noordzee vormt geen bedreiging voor populaties bruinvis en grijze zeehond en blijft onder de drempelwaarden van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

De goede milieutoestand is wel behaald voor grijze zeehond, maar niet voor bruinvis.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

M6 - Incidentele bijvangst zeezoogdieren (OSPAR).

Bruinvis: 1622/jr,

grijze zeehond: 7171/jr

(OSPAR).

Aantal exemplaren per soort.

Internationale Noordzee, 2020 (A).

D1C2 Populatieabundantie

GMT (Art. 9)

De populatieabundantie van bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond duidt op gezonde populaties en voldoet aan de drempelwaarden van OSPAR (deelgebieden Internationale Noordzee) en de Habitatrichtlijn (Nederlandse deel van de Noordzee).

Beoordeling (Art. 8)

De goede milieutoestand met betrekking tot de populatieabundantie is behouden voor de drie soorten zeezoogdieren. De bruinvispopulatie lijkt stabiel. Aantallen van beide zeehondensoorten nemen nog steeds toe.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

M4 abundantie en verspreiding cetacea (OSPAR).

Jaarlijkse afname populatie < 1,6% én geen afname > 30% t.o.v. basisjaar 1994 (OSPAR).

Aantal exemplaren per soort.

Internationale Noordzee,

1994-2016 (A).

M3 abundantie en verspreiding zeehonden (OSPAR).

Geen afname in aantallen

> 1% per jaar (ca. 6% in laatste 6 jaar) én geen afname

> 25% t.o.v. basisjaar 1992.

Aantal exemplaren per soort.

Voor grijze zeehond: Waddenzee, Delta en deel van Frankrijk;

Voor gewone zeehond: Waddenzee, Nederlandse Delta en Belgische kust

2008-2019 (A).

Populatie (HR) bruinvis.

60.000 (FRP uit HR).

Aantal exemplaren per soort.

Nederlandse deel van de Noordzee, 2006-2017 (D).

Populatie (HR) gewone zeehond.

2000-5000 (FRP uit HR).

(In de praktijk geldt een streefwaarde van 4200-5500 exemplaren, vanwege de doelen die in het Aanwijzingsbesluit).

Aantal exemplaren per soort.

Nederlandse deel van de Waddenzee, 2006-2017 (D).

Populatie (HR) grijze zeehond.

1000-5000 (FRP uit HR).

(In de praktijk geldt een ondergrens van 1800 exemplaren, vanwege de doelen (1800-2000 exemplaren) die in het Aanwijzingsbesluit Waddenzee staan; de aantallen in de Nederlandse Delta zijn relatief klein).

Aantal exemplaren per soort.

Nederlandse deel van de Waddenzee, 2006-2017 (D).

Bruinvis
Toelichting OSPAR-indicator: M4 abundantie en verspreiding cetacea

De populatieabundantie van bruinvis in de Internationale Noordzee is beoordeeld met de OSPAR-indicator ‘M4 abundantie en verspreiding cetacea’ (Geelhoed et al., 2022). Hiervoor zijn gegevens gebruikt uit vliegtuig- en scheepstellingen. De regionale SCANS-surveys (Small Cetacean Abundance in the North Sea), uitgevoerd in de zomers van 1994, 2005 en 2016, vormen de belangrijkste gegevensbron. Daarnaast is gebruikgemaakt van kleinschaliger (meestal nationale, waaronder Nederlandse) tellingen volgens dezelfde of een vergelijkbare methode (onder andere Geelhoed & Scheidat 2013).

OSPAR heeft de regio verdeeld in ecologisch relevante eenheden. Voor Nederland is dat de Internationale Noordzee.

Bij gebrek aan historische data is de drempelwaarde voor indicator M4 gerelateerd aan een ‘baseline’. Uitgangspunt is dat populaties kleine walvisachtigen over een periode die drie generaties omvat maximaal 30 procent mogen afnemen. Voor bruinvissen komt dit neer op een afname van maximaal 1,6 procent per jaar. Daarnaast mag de populatie maximaal met 30 procent afnemen ten opzichte van het basisjaar 1994, toen de eerste SCANS-survey resulteerde in de eerste populatieschatting in de Internationale Noordzee.

Voor meer details over deze indicator, zie de CEMP Guideline (OSPAR, 2022).

Tabel 1.2.3. Overzicht en resultaten van de internationaal uitgevoerde bruinvistellingen (SCANS) in de Internationale Noordzee.

Survey

Telling

Telperiode

Schatting aantallen

Variatiecoëfficiënt (%)

SCANS

Schip

zomer 1994

289 200

14%

SCANS-II

vliegtuig en schip

zomer 2005

355 400

22%

SCANS-III

vliegtuig en schip

zomer 2016

345 400

18%

Toelichting indicator Habitatlijn

De KRM vereist dat de beoordeling van D1C2 aansluit op de HR-beoordeling van de populatie, met als drempelwaarde de ‘Favourable Reference Population’ (FRP). De meest recente Habitatrichtlijnbeoordeling is van 2019. Met het oog op de komende HR-rapportage (2025) is de FRP voor bruinvis intussen herzien en vastgesteld op 60.000 exemplaren in het Nederlandse deel van de Noordzee (Kuiters et al., in prep.). Deze actualisering van de Mariene Strategie gaat uit van de meest recente drempelwaarde, die overigens geen inhoudelijke consequenties heeft voor de HR-beoordeling uit 2019. Bij de rapportage voor de Habitatrichtlijn is behalve van de bovengenoemde SCANS-surveys gebruikgemaakt van data uit de periode 2009 tot en met 2017 van de nationale bruinvistellingen, die sinds 2008 jaarlijks worden uitgevoerd om een nationale aantalsschatting te kunnen maken (zie ook Mariene Strategie deel 2, 2020). Deze schatting is alleen gebaseerd op de zomertellingen omdat de populatieschatting van de Internationale Noordzee ook op zomertellingen is gebaseerd. Zie voor nadere informatie over de beoordeling van de populatieabundantie van bruinvis de Habitatrichtlijnrapportage (2019).

Het belangrijkste verschil tussen beide indicatoren is het schaalniveau: de OSPAR-indicator gaat uit van de Internationale Noordzee, de rapportage voor de Habitatrichtlijn van een nationale populatie. Beide indicatoren werken met een absolute drempelwaarde of basisjaar, maar voor de HR-beoordeling mag er geen neerwaartse trend zijn, terwijl de OSPAR-indicator een drempel legt voor een maximale jaarlijkse percentuele afname van de populatiegrootte. De beschouwde perioden zijn min of meer vergelijkbaar, omdat de gebruikte meest recente SCANS-telling is uitgevoerd in 2016. Anderzijds zijn bij de HR-beoordeling ook nationale tellingen gebruikt en bij die van OSPAR niet.

Resultaten

Het aantal bruinvissen in de Noordzee lijkt licht toe te nemen. De verschillen in de tellingen (zie tabel 1.2.3), zijn echter niet significant. Niettemin is het aannemelijk dat de populatie sinds 1994 niet is afgenomen, waarmee voor criterium D1C2 betreffende bruinvis de goede milieutoestand is behouden. Tussen 1994 en 2005 is het zwaartepunt van de verspreiding verschoven naar het zuidelijk deel van de Noordzee, waardoor in Nederlandse wateren het aantal bruinvissen toenam. Zowel met vliegtuigtellingen (MWTL) als tijdens zeetrektellingen vanaf land is deze toename ook gedocumenteerd (CBS, 2020).

In het Nederlandse deel van de Noordzee leven naar schatting, op basis van zomertellingen, 41.300 tot 76.800 bruinvissen. De aanwezigheid van de bruinvis varieert over het jaar; in de Nederlandse Noordzee komen de hoogste aantallen voor in het vroege voorjaar en lagere aantallen in de zomer (Soldaat en Poot, 2020).

Grijze zeehond en gewone zeehond
Toelichting OSPAR-indicator M3 abundantie en verspreiding zeehonden

De populatieabundantie van beide zeehondensoorten in de (sub)regio is beoordeeld met de OSPAR-indicator M3 Abundance and distribution of seals (Banga et al., 2022). Net als bij de bruinvis gaat deze indicator uit van een baseline voor het bepalen van de drempelwaarde. De aantallen zeehonden mogen jaarlijks maximaal 1 procent afnemen (wat ongeveer neerkomt op maximaal 6 procent in de laatste zes jaar). Daarnaast mag een populatie niet meer dan 25 procent afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1992. Voor een schatting van de populatieontwikkeling gedurende de meest recente zesjarige rapportageronde, is de trend in 2014 vergeleken met die van 2019.

In de OSPAR-regio komt de gewone zeehond voor in meerdere (deel)populaties. De regio is daarom - en om monitoringtechnische redenen - voor de populatiebeoordeling gesplitst in deelgebieden (Carroll et al., 2020). Het Nederlandse deel van de Noordzee strekt zich uit over twee deelgebieden: ‘Waddenzee’ en ‘Belgische kust en Nederlandse Delta’.

Grijze zeehonden migreren over grote afstanden en worden daarom binnen de OSPAR-regio’s I, II en III als één populatie beschouwd. Het is echter datatechnisch niet mogelijk om een beoordeling op dit schaalniveau uit te voeren. De populatiebeoordeling gaat daarom uit van het deelgebied ‘Waddenzee, Nederlandse Delta en Noord-Frankrijk’.

Gewone zeehonden en grijze zeehonden worden jaarlijks geteld in vrijwel hun gehele verspreidingsgebied. Dat gebeurt in de perioden waarin ze jongen hebben en in de ruiperioden. De tellingen in de Internationale Waddenzee en het Deltagebied vallen binnen dezelfde perioden, zodat het grensoverschrijdend karakter van de dieren geen invloed heeft op de beoordelingsresultaten.

Zie voor meer details over deze indicator OSPAR (2016).

Toelichting indicator Habitatrichtlijn

Evenals bij bruinvis verlangt de KRM dat de beoordeling van D1C2 voor gewone zeehond aansluit op de HR-beoordeling van de populatie, met als drempelwaarde de Favourable Reference Population (FRP). De meest recente Habitatrichtlijnbeoordeling dateert van 2019; de volgende is voorzien in 2025. Met het oog op de komende HR-rapportage is de FRP recentelijk herzien. De actuele drempelwaarden zijn voor grijze zeehond 1000-5000 en voor gewone zeehond 2000-5000 exemplaren (Kuiters et al., in prep.).

De twee getallen voor elke zeehondensoort geven geen marge aan, maar zijn twee verschillende drempelwaarden die de FRP voor zeehonden hanteert: het minimumaantal in het ‘slechtste’ jaar en het minimumaantal in het ‘beste’ jaar uit de meetperiode. Voor die meest uiteenlopende teljaren gelden bij de beoordeling de hoogste geregistreerde aantallen in die jaren. De recente herziening van de drempelwaarden heeft overigens geen inhoudelijke consequenties voor de HR-beoordeling uit 2019.

Het schaalniveau van de beoordeling van OSPAR is Internationaal, die van de HR-rapportage nationaal. Voor de HR-rapportage is gebruikgemaakt van nationale tellingen tussen 2006 en 2017 in de Waddenzee en Zeeuwse delta. De twee beoordelingen verschillen dus van elkaar. Zie voor nadere informatie de Habitatrichtlijnrapportage (2019).

Resultaten

In de Internationale Waddenzee neemt het aantal grijze zeehonden nog steeds toe; in de periode 2014-2019 met 66 procent. En in het gebied ‘Nederlandse Delta en Noord-Frankrijk’ bedroeg de toename in de periode 2009-2019 zelfs 213 procent (zie figuur 1.2.1). Ook de gewone zeehond neemt in aantal toe; in de periode 2014-2019 met 5 procent in het gebied ‘Waddenzee’ en met 135 procent in het gebied ‘Nederlandse Delta en Belgische kust‘ (zie figuur 1.2.3). Over een langere periode bekeken (2003 tot heden) bedraagt de populatiegroei in de Delta 1430 procent en in de Waddenzee, vanaf 1980 gerekend, 298 procent. Dat laatste is een verdrievoudiging, ondanks twee grote uitbraken van het PDV-virus, zie figuur 1.2.2. Sinds 2012 lijkt de Waddenzeepopulatie zich echter te stabiliseren (Galatius et al., 2021) en recentere tellingen (na de beoordelingsperiode), duiden op een afname sinds 2021 (Galathius et al., 2023).

De Waddenzeepopulatie is met ongeveer 40.000 dieren de grootste populatie gewone zeehonden in de Internationale Noordzee. Ruim 25 procent hiervan wordt in Nederland geteld. In het gehele gebied van de Noordzee, Keltische Zee en in het Noordpoolgebied zijn sinds 1992 de populaties van grijze zeehonden en gewone zeehonden toegenomen (beschouwd over zowel korte als lange beoordelingsperiode). Alleen in sommige deelgebieden langs de kust van het Verenigd Koninkrijk is de gewone zeehond zodanig afgenomen dat niet aan de drempelwaarden is voldaan (OSPAR, 2023). Op basis hiervan heeft OSPAR volgens het one-out-all-out principe geconcludeerd dat voor zeehonden de Internationale Noordzee niet aan de goede milieutoestand voldoet.

Figuur 1.2.1. Aantalsontwikkeling (met 80% betrouwbaarheidsinterval (BI)) van grijze zeehond tijdens de ruiperiode (voorjaar) in de Waddenzee, Nederlandse delta en Noord-Frankrijk. Kortetermijnverandering (2014-2019): 66% (BI: 51, 83). Langetermijnverandering (2008-2019): 213% (BI: 161, 275) (OSPAR, 2023).

Figuur 1.2.2. Aantalsontwikkeling van gewone zeehond, geteld in de ruiperiode (zomer), in de Nederlandse Delta en Belgische kust en in de Waddenzee. Lijn = gemiddelde, arcering = 80% betrouwbaarheidsinterval. NB: de waarden op de x-as en y-as verschillen aanzienlijk tussen beide figuren. Bron: OSPAR (2023).

Voor de HR-rapportage uit 2019 is uitgegaan van tellingen in de periode 2012-2017. In deze periode zijn minimaal 2700 en maximaal 5500 grijze zeehonden geteld. Dit resultaat voldoet aan de gestelde drempelwaarde (FRP is 1000-5000 exemplaren) en duidt op populatiegroei ten opzichte van de voorgaande planperiode. Deze groei is waarschijnlijk deels het gevolg van immigratie (Cremer et al. 2017). In deze periode zijn minimaal 7000 en maximaal 9000 gewone zeehonden geteld. Beide aantallen voldoen aan de FRP-waarde van 2000-5000 dieren.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De KRM eist dat de beoordeling van criterium D1C2 regionaal is afgestemd én aansluit op de rapportage voor de Habitatrichtlijn. Deze eisen zijn niet met elkaar te combineren omdat de beoordelingssystematiek van de HR een nationale aangelegenheid is. Bovendien sluit de timing van de HR-rapportage niet goed aan op die van de KRM. De formele HR-beoordeling die voor de KRM moet worden gebruikt, is daardoor al bij voorbaat gedateerd. Een betere aansluiting van de verschillende beoordelingssystematieken zou in OSPAR-verband kunnen worden gerealiseerd; de betere aansluiting van de rapportagecycli vraagt om een oplossing op Europees niveau. Helemaal goed zou het zijn als de planning van de SCANS-tellingen van cetacea beter aansluit op de OSPAR Quality Status Reports, en daarmee op de KRM. De resultaten van de SCANS-telling van 2022 zullen meer inzicht bieden in de huidige toestand van de bruinvis. Overigens is de OSPAR-beoordeling van zeehonden wel met recentere data uitgevoerd, en komen nationale tellingen tot en met 2021 ook overeen met de huidige beoordeling (Galatius et al. 2021, Schop et al. 2022). In 2022 is overigens een lager aantal zeehonden geteld, het is dan ook van belang om ontwikkelingen te blijven volgen.

De KRM vraagt om vaste drempelwaarden. Door gebrek aan historische data is dit nog niet goed mogelijk. Het referentiejaar is gebaseerd op de beschikbaarheid van voldoende data voor analyse, maar destijds was al sprake van een verstoorde toestand. Er is dus behoefte aan een beter onderbouwde referentietoestand. Meer historisch inzicht in het voorkomen van bruinvissen en zeehonden is daarom wenselijk. Een reconstructie, zoals is gedaan voor zeehonden in het Deltagebied (De Vooys et al., 2012), zou tot dat inzicht en een betere referentiesituatie kunnen leiden, en daarmee tot verdere aanscherping van de drempelwaarde. Idealiter worden daarbij de regionale (OSPAR)- en nationale (HR)-drempelwaarde op elkaar afgestemd.

D1C3 Demografische kenmerken: pupproductie

GMT (Art. 9)

De pupproductie van grijze zeehond (deelgebieden Internationale Noordzee) en gewone zeehond (Nederlandse deel van de Waddenzee) duidt op gezonde populaties en voldoet voor grijze zeehond aan de drempelwaarde van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

De pupproductie van grijze zeehond en gewone zeehond neemt nog steeds toe. Grijze zeehond voldoet voor dit aspect aan de drempelwaarde van OSPAR. Hoewel voor gewone zeehonden geen drempelwaarde is vastgesteld, is het aannemelijk dat ook voor deze soort de goede milieutoestand is bereikt. Daarmee is voor beide soorten de goede milieutoestand behouden.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

M5 Pupproductie grijze zeehond (OSPAR).

Het geboortecijfer van de grijze zeehond mag niet afnemen met meer dan jaarlijks 1% sinds de laatste beoordeling en 25% sinds 1992 (OSPAR).

Verandering (%) aantal geboren zeehonden.

‘Belgische kust en Nederlandse Delta’ (2003-2020) en Waddenzee (2008-2020) (A).

Pupproductie gewone zeehond (trilaterale Waddenoverleg).

Niet beschikbaar.

Verandering (%) aantal geboren zeehonden.

Nederlandse deel van de Waddenzee, 2016-2021 (D).

Pupproductie grijze zeehond (M5 OSPAR)
Toelichting indicator

De pupproductie van grijze zeehonden wordt beoordeeld met de OSPAR-indicator M5 Pup production of grey seals (Banga et al., 2022). De drempelwaarde voor de goede milieutoestand gaat uit van een maximale afname van het aantal pups van 1 procent per jaar, wat ongeveer neerkomt op maximaal 6 procent over de laatste zes jaar. Daarnaast mag de pupproductie niet met meer dan 25 procent afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1992. Het aantal pups wordt vastgesteld door middel van (vliegtuig)tellingen tijdens de zoogperiode in de winter.

Analoog aan de OSPAR-indicator M3 Populatieabundantie zeezoogdieren wordt uitgegaan van de deelgebieden Waddenzee en ‘Belgische kust en Nederlandse Delta’.

Resultaten

Zowel over een korte als een langere periode bezien neemt de pupproductie van grijze zeehonden toe in de twee deelgebieden die deels tot het Nederlandse zeegebied behoren: Waddenzee en ‘Nederlandse delta en Belgische kust’. Deze toename is ook zichtbaar in de grotere regio (Internationale Noordzee en delen van de Keltische Zee).

In de Waddenzee was de toename tussen 2014 en 2020 (korte periode) 119 procent en tussen 2003 en 2020 (langere periode) 461 procent. Ook in de Delta is een toename geconstateerd, maar het aantal pups is laag, met een maximum van 13 in 2020. Dit geringe aantal werkt door in hoge cijfers bij de berekening van de procentuele verandering.

Waarschijnlijk wordt de toenemende pupproductie in de deelgebieden aan de oostkant van de Noordzee, waaronder de Waddenzee, gevoed door immigratie en vestiging van dieren uit de grote kolonies in het noorden van het Verenigd Koninkrijk.

Pupproductie gewone zeehond (nationaal)
Toelichting indicator

Pups van de gewone zeehond worden op het Europese vasteland tijdens de zomer geteld op de platen en banken in de kustzone. Maar voor de pupproductie van de gewone zeehond bestaat geen OSPAR-indicator, dus ook geen drempelwaarde. Nederland gaat daarom uit van de telresultaten die in trilateraal Waddenzeeverband zijn gerapporteerd voor de gebieden ‘Nederland’, ‘Nedersaksen en Hamburg’, ‘Sleeswijk-Holstein’ en ‘Denemarken’. De Zeeuwse delta blijft daarmee buiten beschouwing, maar dit geeft slechts een kleine onderschatting, want meer dan 99 procent van de Nederlandse zeehondenpups wordt geboren in de Waddenzee. Ook in trilateraal verband zijn geen drempelwaarden vastgesteld.

Resultaten

De pupproductie in de Nederlandse Waddenzee vertoont sinds 2016 een jaarlijkse groei van 7 procent. Dat is iets minder dan de gemiddelde toename in de hele Internationale Waddenzee. In Sleeswijk-Holstein, waar bijna de helft van alle pups wordt geboren, is de jaarlijkse groei 11 procent (zie tabel 1.2.5, Unger et al., 2022).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De monitoring en beoordeling van de pupproductie is voor beide zeehondensoorten goed ontwikkeld en internationaal afgestemd. Inmiddels is zowel nationaal als internationaal een robuuste dataset opgebouwd. De ingewonnen data uit de verschillende deelgebieden zijn voor de grijze zeehond niet zonder meer te integreren. Dit heeft vooral te maken met de asynchroon lopende rui- en voorplantingscycli van zeehonden in het Verenigd Koninkrijk en op het Europese vasteland, en in verband daarmee ook de verschillende momenten van het tellen.

Op het Europese vasteland worden niet alleen de pups van de grijze zeehond, maar ook die van de gewone zeehond geteld. Nederland is voorstander van de ontwikkeling van een indicator voor pupproductie van de gewone zeehond, zowel in trilateraal Waddenzeeverband als in OSPAR.

D1C4 Verspreidingsgebied

GMT (Art. 9)

Het verspreidingsgebied van gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de drempelwaarde van de Habitatrichtlijn.

Beoordeling (Art. 8)

Er hebben zich geen belangrijke wijzigingen voorgedaan in de geografische verspreiding van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond. De goede milieutoestand is behouden.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Verspreidingsgebied (HR) bruinvis.

724 FRR (HR)

10x10 km-hokken

Nederlandse deel van de Noordzee, 2006-2017 (D).

Verspreidingsgebied (HR) gewone zeehond.

762 FRR (HR)

10x10 km

10x10 km-hokken

Nederlandse deel van de Noordzee, 2006-2017.

Verspreidingsgebied (HR) grijze zeehond.

728 FRR (HR)

10x10 km-hokken

Nederlandse deel van de Noordzee, 2006-2017.

M3 Verspreidingsgebied gewone zeehond (OSPAR).

Geen

15x15 km-hokken

Internationale Waddenzee, 2006-2017.

M3 Verspreidingsgebied grijze zeehond (OSPAR).

Geen

15x15 km-hokken

Internationale Waddenzee, 2006-2017.

Toelichting indicator Habitatrichtlijn

Volgens Commissiebesluit 2017/848/EU moeten de drempelwaarden onder criterium D1C4 subregionaal worden vastgesteld en aansluiten bij de ‘gunstige referentiewaarden voor het verspreidingsgebied’ onder de Habitatrichtlijn. OSPAR heeft indicatoren voor verspreiding van zeezoogdieren ontwikkeld, maar nog geen drempelwaarden vastgesteld. Voor de beoordeling van dit criterium gaat Nederland daarom uit van de HR-rapportage en de (nationaal vastgestelde) gunstige referentiewaarden voor het verspreidingsgebied onder de Habitatrichtlijn.De HR-beoordeling van de verspreiding van zeezoogdieren gaat uit van een grid van 10x10 km (de zo genoemde ‘hokken’). Het aantal hokken waarbinnen zeezoogdieren worden waargenomen telt. De beoordeling kent verder geen andere kwantitatieve beoordelingsmethode.

Het verspreidingsgebied van bruinvis, grijze zeehond en gewone zeehond beslaat het Nederlands Continentaal Plat, de kustzone en de Waddenzee. De drempelwaarden Favourable Reference Range (FRR) zijn vastgesteld op ten minste 724 hokken voor bruinvis, 728 voor grijze zeehond en 762 voor gewone zeehond (Kuiters et al., in prep.).

Toelichting indicator OSPAR

Ecologisch gezien is het relevanter om de verspreiding van zeezoogdieren op subregionale schaal te beschouwen in plaats van op nationaal niveau. Daarom is het ruimtelijk verspreidingsbeeld van zeezoogdieren gebaseerd op OSPAR-resultaten. De verspreiding van bruinvissen wordt beoordeeld met de OSPAR-indicator M4 Abundance and distribution of marine mammals (Geelhoed et al., 2022). De verspreiding van bruinvissen is gemodelleerd met behulp van zogenoemde density surface models gebaseerd op de beschikbare surveydata. Veranderingen in de verspreiding zijn echter niet gekwantificeerd en voor deze indicator zijn geen drempelwaarden bepaald (zie voor details over deze indicator de CEMP Guideline (OSPAR, 2022).

Voor zeehonden gaat de OSPAR-indicator uit van landtellingen tijdens de verharings- en pup-periodes. De verspreiding op zee wordt hiermee niet inzichtelijk. Grootschalige veranderingen in de verspreiding op zee zouden met de landtellingen echter wel detecteerbaar moeten zijn. De OSPAR-indicator M3 Seal abundance and distribution (Banga et al., 2022) geeft informatie over de verspreiding op land. Hij geeft – gemeten tussen twee periodes – veranderingen aan in het wel of niet aanwezig zijn van de soort in ‘hokken’ van 15x15 km. Daarnaast heeft de indicator een index om te bepalen of dezelfde hokken in beide periodes zijn bezet of dat zich daarin verschuivingen hebben voorgedaan. De OSPAR-indicator is voor Nederland alleen van toepassing op de Internationale Waddenzee. In het gebied van de Delta is hij niet bruikbaar vanwege de beperkte omvang van het onderzoeksgebied ten opzichte van de 15x15 km-hokken. Voor deze indicator zijn geen drempelwaarden bepaald. Zie voor details over deze indicator de CEMP Guideline (OSPAR, 2021).

Resultaten

Volgens de HR-rapportage (2019) is de geografische verspreiding van bruinvissen niet veranderd; bruinvissen komen over de gehele Nederlandse Noordzee voor. Daarmee wordt voldaan aan de drempelwaarde (FRR). Op grotere schaal is wel te zien dat het zwaartepunt van de verspreiding (aantallen per gebiedseenheid) in de jaren negentig naar het zuidelijk deel van de Noordzee is geschoven (zie ook Factsheet D1C2).

De verspreiding van zeehonden is volgens de HR-beoordeling (2019) niet veranderd. Beide soorten komen verspreid over de gehele Noordzee, Waddenzee en Zeeuwse delta voor en voldoen daarmee aan de vastgestelde drempelwaarden (FRR). Ook op grotere schaal laat de OSPAR-indicator nauwelijks verandering zien in de verspreiding van grijze en gewone zeehonden in de Internationale Waddenzee. Dit geldt zowel voor een korte periode (2014-2019) als voor een lange periode (1999-2019). Tussen beide perioden is een overlap in verspreiding van ruim 90 procent vastgesteld.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Een kwantitatieve methode om de geografische verspreiding van bruinvis op regionale schaal te beoordelen ontbreekt. Mogelijk kan de OSPAR-pilotindicator B-7 Marine Bird Habitat Quality als voorbeeld dienen voor een dergelijke indicator. De waarde van de te ontwikkelen indicator is echter afhankelijk van de inwinningsfrequentie en de kwaliteit van de verspreidingsgegevens van bruinvissen en van habitatkenmerken, waaronder menselijke activiteiten. LVVN en het ecologisch onderzoeksprogramma Wozep voeren in de komende jaren een pilot uit om na te gaan of en hoe het mogelijk is om bruinvissen te zenderen. Het doel is meer inzicht te krijgen in het individuele gebruik van het Nederlandse deel van de Noordzee en de zee daarbuiten. Mogelijk biedt het onderzoek ook kennis over het bestaan van subpopulaties.

Kwantitatieve gegevens over de verspreiding van zeehonden zijn grotendeels beperkt tot ligplaatsen op land. Een kwantitatieve methode om verspreiding op zee te beoordelen ontbreekt doordat monitoringgegevens van zeehonden op zee schaars zijn. Met modellering van data van gezenderde zeehonden is een nauwkeuriger beeld van de verspreiding te geven (Aarts et al., 2016).

Zeehonden zijn tijdens vliegtuigtellingen moeilijk zichtbaar en nauwelijks tot op soort te determineren. Om deze monitoringtechnische reden zouden verbeteringsinspanverbeteringsinspanningen zich vooral moeten richten op de verdere ontwikkeling van de beoordeling van de verspreiding op ligplaatsen op regionale schaal. Aan de hand van tellingen op ligplaatsen kunnen grote veranderingen op zee worden gesignaleerd. De verschillen in verspreiding op ligplaatsen zijn echter klein, zodat ze slechts een zwakke afgeleide zijn van veranderingen op zee.

D1C5 Kwaliteit leefgebied

GMT (Art. 9)

De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn geschikt voor gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Beoordeling (Art. 8)

De voornaamste drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bekend, maar er is nog weinig kennis over precieze en vooral cumulatieve effecten, causale relaties en ecologische randvoorwaarden. Om die reden is voor gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis D1C5 Kwaliteit leefgebied als ‘onbekend’ beoordeeld.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Kwalitatief (expert judgement)

n.v.t.

 

Nederlandse deel van de Noordzee

Toelichting indicator

De KRM verlangt dat de beoordeling van D1C5 aansluit op de beoordeling van ‘habitat van de soort’ in de rapportage voor de Habitatrichtlijn. Ook wordt gevraagd om bij de beoordeling rekening te houden met schadelijke effecten van belastingen die in een aantal relevante criteria aan de orde zijn of daarin al zijn beoordeeld. Dat zijn de criteria D1C1, D2C3, D3C1, D8C2, D8C4 en D10C4, D9C1, D10C3, D11C1 en D11C2 (zie betreffende factsheets). Het is echter (nog) niet goed mogelijk om harde causale verbanden met drukfactoren vast te stellen en evenmin om de milieutoestand kwantitatief te beoordelen. De beoordeling van deze indicator D1C5 is daarom gebaseerd op expert judgement, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van de HR-rapportage (2019) en het QSR (OSPAR, 2023). De kwaliteit van het leefgebied is ingeschat op basis van beschikbare kennis over de omvang en het effect van drukfactoren die de verspreiding, de populatie en het leefgebied van zeezoogdieren negatief beïnvloeden.

Resultaten

De belangrijkste drukfactoren die de verspreiding, de populatie en het leefgebied van zeezoogdieren negatief kunnen beïnvloeden zijn bijvangst, onderwatergeluid, beperkte voedselbeschikbaarheid, verstoring, chemische vervuiling, habitatverlies en virussen. Klimaatverandering is een belangrijke overkoepelende drukfactor. De volgende alinea’s lichten de (potentiële) impact van deze factoren toe. Andere drukfactoren worden als minder belangrijk gezien; plastics bijvoorbeeld, die blijken voor te komen in 8 tot 15 procent (afhankelijk van de analysemethode) van onderzochte bruinviskadavers. De gevonden hoeveelheden bedroegen maximaal enkele microgrammen per kadaver (Van Franeker et al., 2018).

Bijvangst

Voor bijvangst wordt verwezen naar D1C1.

Onderwatergeluid

Onderwatergeluid kan verschillende effecten hebben op zeezoogdieren: gehoorbeschadiging, vermijdingsgedrag (verstoring) en maskering. Van maskering is sprake als een geluid dat belangrijk is voor communicatie en oriëntatie zo sterk wordt overheerst door een ander geluid, dat het niet meer wordt waargenomen. Verstoring door onderwatergeluid wordt geacht een grotere impact te hebben op de populaties dan gehoorbeschadiging en maskering. Deze aanname is onder meer toegepast bij de ontwikkeling van het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC 1.0 t/m KEC 4.0, cf Heinis & de Jong, 2015). Verstoring hindert dieren bij het voedsel zoeken, waardoor hun conditie kan verslechteren (Kastelein et al., 2019). Met de grootschalige uitrol van Wind op zee leidt onderwatergeluid tijdens de bouw van windparken tot (tijdelijke) verstoring waardoor de habitatkwaliteit achteruitgaat. Daarnaast worden bij de voorbereiding voor aanleg van windparken en het slaan van zandwinputten regelmatig UXO’s (blindgangers uit de Tweede Wereldoorlog) gevonden, die vervolgens moeten worden opgeruimd. Zie factsheet D11.

Voedselbeschikbaarheid

De conditie van bruinvissen en zeehonden kan verslechteren als er minder voedsel beschikbaar is. Visserij kan het prooiaanbod op de Noordzee negatief beïnvloeden, met als ultiem gevolg prooi-uitputting. Maar ook verandering in de habitat als gevolg van de aanleg van windmolenparken kan effect hebben op het voedselaanbod. Er is nog maar weinig bekend over de voedselbeschikbaarheid voor zeezoogdieren. Hetzelfde geldt voor de effecten van windparken, vooral op langere termijn (zie ook ‘Kennishiaten en ontwikkelingen’).De conditie van bruinvissen en zeehonden kan verslechteren als er minder voedsel beschikbaar is. Visserij kan het prooiaanbod op de Noordzee negatief beïnvloeden, met als ultiem gevolg prooi-uitputting. Maar ook verandering in de habitat als gevolg van de aanleg van windmolenparken kan effect hebben op het voedselaanbod. Er is nog maar weinig bekend over de voedselbeschikbaarheid voor zeezoogdieren. Hetzelfde geldt voor de effecten van windparken, vooral op langere termijn (zie ook ‘Kennishiaten en ontwikkelingen’).

Verstoring boven water

Zeehonden kunnen behalve aan onderwatergeluid ook worden blootgesteld aan geluid vanaf land, bijvoorbeeld van militaire oefeningen in de omgeving van hun ligplaatsen. Andere bronnen van verstoring zijn scheepvaart en recreatie.

Leefruimte

Op land zijn waarschijnlijk nog wel genoeg zandbanken beschikbaar om eventuele populatiegroei in de toekomst te kunnen opvangen. Maar verstoring en een tekort aan gesloten gebieden zijn een drukfactor (Cremer et al. 2017). In de toekomst kan habitatverlies optreden door de zeespiegelstijging en andere gevolgen van klimaatverandering, zoals extra hoge waterstanden tijdens een hevige storm. Zandbanken kunnen dan overstromen en dieren kunnen ervan afspoelen. In hoeverre klimaatverandering de stormfrequentie zal veranderen is niet in te schatten.

Chemische vervuiling

Chemische vervuiling is een voortdurende drukfactor; contaminanten kunnen de gezondheid en het voortplantingssucces van zeezoogdieren negatief beïnvloeden. Weliswaar zijn PCB’s al sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw verboden, maar nog steeds worden ze in bruinvissen in hoge gehalten gevonden (Pinzone et al. 2022). Vooral jonge dieren die PCB’s via moedermelk binnenkrijgen en volwassen mannetjes hebben hoge concentraties PCB’s (van den Heuvel-Greve et al. 2021). Van contaminanten in zeehonden ontbreekt een actueel beeld, maar aangetoond is dat gewone zeehonden in de tweede helft van de twintigste eeuw hoge concentraties PCB’s hadden, waardoor hun voortplantingssucces laag was (Reijnders, 1986). Monitoring van contaminanten beperkt zich bij bruinvissen tot PCB’s, maar een eerste analyse van weefselmonsters laat zien dat ook ‘opkomende’ contaminanten als PFAS in hoge concentraties in bruinvissen voorkomen (zie ook ‘Kennishiaten en ontwikkelingen’).

Virussen

Virussen vormen een belangrijke extra drukfactor voor zeehonden. In het verleden zijn gewone zeehonden getroffen door het PDV (Phocid Distemper Virus) en een influenzavirus (Härkönen et al. 2006; Krog et al. 2015). Dergelijke virussen kunnen massale sterfte tot gevolg hebben. Grijze zeehonden waren wel drager van dit influenzavirus, maar stierven er niet aan. Bij een nieuwe virusvariant zou echter wel sterfte kunnen optreden. Zeehonden kunnen ook worden besmet door een vogelgriepvirus, zoals in de Verenigde Staten is vastgesteld (Adlhoch et al., 2022). In Nederland en omringende landen is sinds 2022 een zeer besmettelijke en voor vogels dodelijke variant van het vogelgriepvirus aanwezig.

De kwaliteit van het leefgebied van zeezoogdieren is moeilijk te kwantificeren. Directe en indirecte effecten van elke drukfactor kunnen door andere drukfactoren of milieuomstandigheden worden versterkt of verzwakt.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De voornaamste drukfactoren voor zeezoogdieren zijn bekend. Toch is er nog weinig gedetailleerde kennis over precieze effecten en nog minder over de cumulatie van meerdere en verschillende drukfactoren. Daarnaast kan klimaatverandering als belangrijke overkoepelende drukfactor effect hebben op verschillende niveaus in het ecosysteem. Ook is het (nog) niet mogelijk om de eisen van zeezoogdieren aan hun leefgebied te kwantificeren.

Causale verbanden tussen meerdere en/of uiteenlopende drukfactoren en de effecten hiervan op populaties zeezoogdieren zijn zeer moeilijk vast te stellen. Voor het opbouwen van basiskennis lopen diverse monitoring- en onderzoeksprogramma’s. Een ervan onderzoekt jaarlijks 50 bruinvissen op doodsoorzaak. Dat aantal is ongeveer 10 procent van de gestrande bruinvissen. De basiskennis die dit oplevert, heeft betrekking op doodsoorzaken, ziektes en andere populatiegerelateerde parameters zoals voortplanting, leeftijdsopbouw en leeftijdgebonden sterfte. Voor zeehonden bestaat (nog) geen postmortaal onderzoeksprogramma, maar er loopt al wel een verkenning om dit op te starten.

Vooralsnog ontbreekt het nog aan voldoende actuele basiskennis om vooral bij de twee zeehondensoorten en in mindere mate bij bruinvissen soortspecifieke ontwikkelingen tijdig te signaleren, te begrijpen en te kunnen sturen of mitigeren. Daarnaast is de kennis over de dieren in hun mariene leefomgeving grotendeels beperkt tot de ruimtelijke verspreiding. Vooral informatie over het habitatgebruik ontbreekt, met name in relatie tot het voedselaanbod. Zenderonderzoek kan deze kennisleemte (deels) opvullen. Zeehonden worden al sinds het eind van de twintigste eeuw van zenders voorzien. In 2023 is in het kader van het Bruinvisbeschermingsplan (2020) en Wozep een pilot gestart met het zenderen van bruinvissen. Bestaand onderzoek aan vissen richt zich voornamelijk op commerciële soorten en commercieel interessante leeftijdsklassen (grootte) en minder op niet-commerciële soorten en leeftijdsklassen waar zeezoogdieren op foerageren. Recent zijn het NIOZ, Naturalis en Wageningen Marine Research een onderzoek gestart naar zandspiering, een belangrijke prooisoort voor zeezoogdieren. Tot nu toe wordt het dieet van bruinvissen geanalyseerd aan de hand van de maaginhoud van gestrande dieren. Er zijn ook meer geavanceerde technieken beschikbaar om het dieet te bepalen. Momenteel wordt onderzocht of het met behulp van deze technieken mogelijk is ‘dieet’ te gebruiken als indicator voor het voedselaanbod op de Noordzee. Nader onderzoek naar voedselaanbod als basis voor hogere trofische niveaus zoals zeezoogdieren, is voorzien in het MONS-programma.

Pathologisch onderzoek aan zeehonden en onderzoek naar de belasting van zeehonden door contaminanten zoals PCB’s, wordt niet structureel uitgevoerd. Daardoor ontbreekt het voor zeehonden aan kennis over doodsoorzaken en diverse populatieparameters. Uit het promotieonderzoek van Reijnders (1986) zijn gegevens over PCB-belasting van gewone zeehonden bekend, waardoor voor die drukfactor nu een vergelijking met een halve eeuw geleden mogelijk is. Binnen OSPAR is recent de indicator Trends and Status of persistent chemicals in marine mammals (Pinzone et al., 2022) aangenomen. Deze indicator gaat onder meer over PCB-gehalten in bruinvissen. Het is van belang om naast het monitoren van bekende contaminanten ook kennis te vergaren over opkomende contaminanten. Zo worden in Nederland sinds een aantal jaar PFAS in bruinvissen geanalyseerd en is Wageningen Marine Research recent een onderzoek gestart naar PFAS in bruinvissen en zeehonden uit de Westerschelde. Onderzoek naar effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren richt zich voornamelijk op verstoring door impulsgeluid. In het kader van Wozep loopt bijvoorbeeld onderzoek naar de effecten van het heien van de fundering voor windmolens. Verstorende invloeden van operationele windparken, vooral op langere termijn en op grotere schaal, zijn minder goed onderzocht dan effecten tijdens de bouwfase. Binnen Wozep wordt ook hieraan aandacht besteed. Ook de effecten van impulsief geluid dat wordt opgewekt bij seismische surveys, zijn nauwelijks onderzocht. In potentie zouden deze effecten zich tot tientallen kilometers rond de geluidsbron kunnen voordoen (De Haan et al. 2015), maar op populatieniveau zijn ze (nog) niet doorgerekend. Om op dit niveau de cumulatie van effecten van impulsief geluid (bij de bouw van windmolens) te kunnen kwantificeren, wordt gebruikgemaakt van modellen. Accurate en actuele kennis over populatieparameters is cruciaal om de betrouwbaarheid van de modelberekeningen te verbeteren.

Veel kennis ontbreekt nog over de ecologische en fysische gevolgen van klimaatverandering. De meest merkbare gevolgen zijn opwarming en verzuring van zeewater, versnelde stijging van de zeespiegel en veranderingen in zeestromingen en windpatronen. Deze veranderingen kunnen ingrijpen op verschillende niveaus in het systeem van de Noordzee en de Waddenzee. Wozep gaat in de komende jaren het functioneren van de primaire productie, als basis van het ecosysteem van de Noordzee, beter in beeld brengen. Dat gebeurt aan de hand van onderzoek naar de abiotische randvoorwaarden. De hiermee verworven kennis maakt het mogelijk om, ook bij veranderende omstandigheden in de Noordzee, populaties zeezoogdieren te koppelen aan hun prooisoorten. Zo ontstaat een dieper inzicht in de te verwachten toekomstige ontwikkeling van de populaties zeezoogdieren.

Tot slot zijn er kennishiaten met betrekking tot bijvangst en de ontwikkelingen op dat gebied. Zie hiervoor D1C1.

Bronnen

Aarts, G., Cremer, J., Kirkwood, R., Wal, J.T. van der., Matthiopoulos, J., & Brasseur, S. (2016). Spatial distribution and habitat preference of harbour seals (Phoca vitulina) in the Dutch North Sea. Wageningen Marine Research report.

Adlhoch, C., Fusaro, A., Gonzales, J. L., Kuiken, T., Marangon, S., Niqueux, E., Staubach, C., Terregino, C., Muñoz Guajardo, I., Chuzhakina K., & Baldinelli, F. (2022). Avian influenza overview June–September 2022. EFSA Journal, 20(10), e07597.

Banga, R., Russell, D.J.F., Carter, M.I.D., Chaudry, F., Gilles, A., Abel, C., Ahola, M., Authier, M., Bjørge, A., Brasseur, S., Carlsson, A., Carlstrom, J., Christensen, AH., Dinis, A., Engene, N., Galatius, A., Geelhoed, S., Granquist, S., Haelters, J., Jess, A., Morris, C., Murphy, S., Ó Cadhla, O., Persson, S., Pierce, G., Poncet, S., Rosing-Asvid, A., Saavedra, C., Taylor, N., Teixeira, A., Neer, A. van., Vasconcelos, R., and Vincent, C. (2022). ​Seal Abundance and Distribution. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic.​​ OSPAR Commission, London.

Banga, R., Russell, D.J.F., Carter, M.I.D., Chaudry, F., & Gilles, A. (2022). ​Grey Seal Pup Production. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic​OSPAR Commission, London.

Brasseur, S.M.J.M., Aarts, G., Gerrodette, T., Meesters, E.H.W.G., Polanen Petel, T.D., & Reijnders, P.J.H. (2014). ​Rapid recovery of Dutch gray seal colonies fueled by immigration.​​Marine Mammal Science 31:405-426.

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). ​Bruinvis in de Noordzee, 1991 - 2019​​ (indicator 1250, versie 08 , 22 november 2020 ). ​www.clo.nl.Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

CBS, PBL, RIVM, WUR (2022). ​Gewone en grijze zeehond in Waddenzee en Deltagebied, 1960 - 2022(indicator 1231, versie 19 , 14 oktober 2022 ). ​​www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Cremer, J.S.M., Brasseur, S.M.J.M., Meijboom, A., Schop, J., & Verdaat, J.P. (2017). ​Monitoring van gewone en grijze zeehonden in de Nederlandse Waddenzee​, 2002-2017. (WOT-technical report; No. 104), (Wageningen Marine Research rapport; No. C095/17). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu.

European Commission (2022). MSFD CIS Guidance Document No. 19, Article 8 MSFD, May 2022.

Franeker, J. A. van., Bravo Rebolledo, E. L., Hesse, E., IJsseldijk, L. L., Kühn, S., Leopold, M., & Mielke, L. (2018). ​Plastic ingestion by harbour porpoises Phocoena phocoena in the Netherlands: Establishing a standardised method. Ambio, 47(4), 387-397.

Galatius, A., Abel, C., Brackmann, J., Brasseur, S.M.J.M., Jeβ, A., Meise, K., Meyer, J., Schop, J., Siebert, U., Teilmann, J. & Thøstesen C.B. (2021). Abundance of Harbour Seals in the Wadden Sea in 2021. CWSS, Wilhelmshaven, Germany.

Galatius, A., Brasseur, S., Hamm, T., Jeß, A., Meise, K., Meyer, J., Schop, J., Siebert, U., Stejskal, O., Teilmann, J. & Thøstesen, C. (2023). Survey results of harbour seals in the Wadden Sea in 2023. The population continues to decline. Common Wadden Sea Secretariat, Wilhelmshaven, Germany.

Geelhoed, S., Authier, M., Pigeault, R., & Gilles, A. (2022). Abundance and Distribution of Cetaceans. In: OSPAR, 2023: ​The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic​​. OSPAR Commission, London.

Geelhoed, S.C.V., & Scheidat, M. (2013). Monitoring harbour porpoise abundance and distribution in Dutch waters. (Report / IMARES Wageningen UR; No. C162/13). IMARES.

Geelhoed, S.C.V. & Scheidat, M. (2018). Abundance of harbour porpoises (Phocoena phocoena) on the Dutch Continental Shelf, aerial surveys 2012-2017. Lutra 61: 127-136.

Geelhoed, S.C.V., Scheidat, M., Bemmelen, R.S.A. van., & Aarts, G. (2013). Abundance of harbour popoises (Phocoena phocoena) on the Dutch Continental Shelf, aerial surveys in July 2010-March 2011. Lutra 56: 45-57.

Haan, D. de., Benda-Beckermann, S. von., Geelhoed, S. C. V., & Lagerveld, S. (2015). ​Potential effects of seismic surveys on Harbour porpoises. (Report / IMARES; No. C126/15). IMARES.

Hammond, P.S., Paradinas, I., & Smout, S.C. (2019). Development of a Removals Limit Algorithm (RLA) to set limits to anthropogenic

mortality of small cetaceans to meet specified conservation objectives, with an example implementation for bycatch of harbour porpoise in the North Sea. JNCC Report No. 628, JNCC, Peterborough, ISSN 0963-8091.

Hammond, P.S., Lacey, C., Gilles, A., Viquerat, S., Boerjesson, P., Herr, H., Macleod, K., Ridoux, V., Santos, M., Scheidat, M., Teilmann, J., Vingada, J., & Øien, N. (2021). Estimates of cetacean abundance in European Atlantic waters in summer 2016 from the

SCANS-III aerial and shipboard surveys. SCANS III final report. 41 pages.

Härkönen, T., Dietz, R., Reijnders, P., Teilmann, J., Harding, K., Hall, A., & Brasseur, S. et al. (2006). ​The 1988 and 2002 Phocine Distemper Virus Epidemics in European Harbour Seals​​. Diseases of Aquatic Organisms 68 (2): 115–30.

Heinis, F., De Jong, C.A.F. & Rijkswaterstaat. (2015). Cumulative effects of impulsive underwater sound on marine mammals.

TNO Underwater Sound Working Group,2015. R10335-A.

Heuvel-Greve, M.J. van den., IJsseldijk, L., Kwadijk, C., & Kotterman, M., (2017). Contaminants in harbour porpoises beached along the Dutch coast; a first overview of contaminants in all age classes. Wageningen Marine Research report C069/17.

Heuvel-Greve, M.J. van den., Brink, A.M. van den., Kotterman, M.J.J., Kwadijk, C.J.A.F., Geelhoed, S.C.V., Murphy, S., Broek, J. van den., Heesterbeek, H., Gröne, A., & IJsseldijk, L.L., (2021). ​Polluted porpoises: Generational transfer of organic contaminants in harbour porpoises from the southern North Sea. ​Science of the Total Environment, 796, [148936].

ICES (2021). ​Workshop on estimation of Mortality of Marine Mammals due to Bycatch (WKMOMA). ​ICES Scientific Reports. 3:106. 95 pp.

ICES 2021). ​Working Group on Marine Mammal Ecology (WGMME)​​. ICES Scientific Reports. 3:19. 155 pp.

Kastelein, R.A., Helder-Hoek, L., Jennings, N., Kester, R., & Huisman, R. (2019). Reduction in Body Mass and Blubber Thickness of Harbor Porpoises (Phocoena phocoena) Due to Near-Fasting for 24 Hours in Four Seasons. Aquatic Mammals 45: 37-47. 10.1578/AM.45.1.2019.37.

Krog, J.S, Hansen, M.S., Holm, E., Hjulsager, C.K., Chriél, M., Pedersen, K., Andresen, L.O., Abildstrøm, M., Jensen, T.H. & Larsen, L.E. (2015). ​Influenza A(H10N7) Virus in Dead Harbor Seals, Denmark.​ Emerging Infectious Diseases 21 (4): 684–87.

Kuiters, L., Bijlsma, R.J. & Janssen, J.A.M. (in prep.). Geactualiseerde gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en

verspreiding van soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn. WOT-rapport.

Lynch, M., & Lande, R. (1998). The critical effective size for a genetically secure population. Animal Conservation 1: 70-72.

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2020. Updated Conservation Plan for the Harbour Porpoise

Phocoena phocoena in the Netherlands: maintaining a Favourable Conservation Status.

Olsen, M.T., Andersen, L.W., Dietz, R., Teilmann, J., Härkönen, T. & Siegismund, H.R. (2014). Integrating genetic data and population viability analyses for the identification of harbour seal (Phoca vitulina) populations and management units. Molecular Ecology 23: 815-831. OSPAR (2022). CEMP guideline for common indicator ‘Abundance and distribution of marine mammals’ (M4).

OSPAR (2016). CEMP Guideline. Common indicator: seal abundance and distribution (M3).

OSPAR (2022). ​CEMP Guideline. Common indicator: Abundance and distribution at the relevant spatio-temporal scale of cetacean species regularly present (M4)​.​ version March 2022.

OSPAR (2022). CEMP Guideline. QSR23 Common Indicator Assessment: M6 Marine Mammal By-catch (harbour porpoise; common

dolphin; grey seal) Region II, III and IV. QSR23 Candidate Indicator Assessment: M6 Marine Mammal By-catch (harbour porpoise; grey seal) OSPAR Region I. OSPAR Agreement 2022-03.

OSPAR (2023). ​Quality Status report.

Ottburg, F.G.W.A., Swaay C.A.M. van. (2014) ​Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu. Report WOt-rapport 124.

Pinzone, M., Parmentier, K., Siebert, U., Gilles, A., Authier, M., Brownlow, A., Caurant, F., Das, K., Galatius, A., Geelhoed, S., Hernández Sánchez, M.T., Mendez-Fernandez, P., Murphy, S., Persson, S., Roos, A., Heuvel Greve, M. van den., & Vinas, L. (2022). ​Pilot Assessment of Status and Trends of persistent chemicals in marine mammals. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic. OSPAR Commission, London.

Reijnders, P.J.H. (1986). Reproductive failure in common seals feeding on fish from polluted coastal waters. Nature 324 (6096): 456-457.

Ries, E.H.L., Hiby, R., & Reijnders, P.J.H. (1998). Maximum likelihood population size estimation of harbour seals in the Dutch Wadden Sea based on a mark-recapture experiment. Journal of Applied Ecology 35:332-338

Scheidat, M., Couperus, B., & Siemensma, M. (2018). ​Electronic monitoring of incidental bycatch of harbour porpoise (Phocoena phocoena) in the Dutch bottom set gillnet fishery (September 2013 to March 2017). (Wageningen Marine Research report; No. C102/18). Wageningen Marine Research.

Schop, J., Abel, C., Brasseur, S., Galatius, A., Jess, A., Meise, K., Meyer, J., Stejskal, O., Neer, A. van., Siebert, U., Teilmann, J., & Thøstesen C.B. (2022). Grey Seal Numbers in the Wadden Sea and on Helgoland in 2021-2022. CWSS, Wilhelmshaven, Germany.

Soldaat, L., & Poot, M. (2020). Analyse bruinvisgegevens en evaluatie monitoring Noordzee - Kwaliteitsborging IHM 2019. CBS, paper 95. DOI: 10.13140/RG.2.2.11193.80481

Taylor, N., Authier, M., Banga, R., Genu, M., Gilles, A. (2022). ​Marine Mammal By-catch. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London.

Unger, B., Baltzer, J., Brackmann, J., Brasseur, S., Brügmann, M., Diederichs, B., Galatius, A., Geelhoed, S.C.V., Huus Petersen, H., IJsseldijk, L.L., Jensen, T. K., Jess, A., Nachtsheim, D., Philipp, C., Scheidat, M., Schop, J., Siebert, U., Teilmann, J., Thøstesen, C.B., Neer, A. van., (2022) Marine mammals. In: Wadden Sea Quality Status Report. Eds.: Kloepper S. et al., Common Wadden Sea Secretariat, Wilhelmshaven, Germany. Last updated: 06.09.2022. Downloaded 20.12.2022.

Vooys, C.G.N., Brasseur, S.M.J.M., Meer, J. van der., & Reijnders, P.J.H. (2012). Analyses of four centuries of bounty hunting on seals in Zeeland, SW-Netherlands. Lutra, 55(1), 55-65.

IJsseldijk, L.L., Kik, M.J.L., Schalkwijk, L. van., & Gröne, A., (2020). Postmortaal onderzoek van bruinvissen (Phocoena phocoena) uit Nederlandse wateren, 2019. Statutory Research Tasks Unit for Nature & the Environment (WOT Natuur & Milieu), WOt-technical report 184, DOI: 10.18174/523708.

D1 Biodiversiteit vissen

GMT (Art. 9)

Vispopulaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Beoordeling (Art. 8)

Herstel op zowel de lange als op korte termijn is bereikt voor kwetsbare soorten zoals de gladde haai, hondshaai, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog en golfrog. Van demersale en pelagische populaties voldoet respectievelijk 29 en 40 procent en voor kustgebonden populaties is dit 8 procent. De goede milieutoestand voor vissen in de Internationale Noordzee is hiermee nog niet bereikt. Deze beoordeling kent nog belangrijke kennislacunes.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op herstel van kwetsbare soorten. Hiertoe worden onder meer knelpunten voor vismigratie weggenomen en potentiële knelpunten inzichtelijk gemaakt (bijvangst). Meer kennis over haaien en roggen is een belangrijke voorwaarde om milieudoelen voor deze groep concreter te maken/verder uit te werken.

Inleiding

De Noordzee herbergt meer dan tweehonderd verschillende vissoorten en zij vormen een belangrijke voedselbron voor zowel zeezoogdieren als zeevogels. Vissen ondervinden verschillende drukfactoren, waaronder klimaatverandering en effecten van visserij. Onder de KRM komen vissen in beeld onder twee descriptoren: D1 Biodiversiteit en D3 Commercieel geëxploiteerde soorten. Er bestaat internationale regelgeving om vispopulaties te beheren en te beschermen. Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB; Verordening (EU) Nr. 1380/2013) heeft betrekking op de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en het beheer van de visserij en de vloten die dergelijke rijkdommen exploiteren. Populaties van gevoelige vissoorten maken deel uit van deze rijkdommen en zijn daarmee ook onderdeel van het beheer van het GVB. Onder de Habitatrichtlijn worden specifieke soorten en habitats beschermd. Hiertoe behoren ook enkele gevoelige vissoorten.

Beoordeling

Van de kustgebonden vissoorten voldoet 1 van de 13 populaties (8 procent) aan de drempelwaarde (zie tabel 1a). Van de demersale vissoorten zijn 25 van de 86 populaties als gunstig beoordeeld, waardoor hiervan 29 procent voldoet (tabel 1b). Van de pelagische vissoorten voldoen 8 van de 20 populaties, ofwel 40 procent (tabel 1c). Geen van de soortgroepen voldoet aan de goede milieutoestand, die vereist dat 80 procent van de populaties binnen de groep in goede toestand verkeert. Van veel vispopulaties is onvoldoende informatie beschikbaar om een oordeel te geven, waardoor de beoordeling over de gehele vissengemeenschap onzeker is.

Tabel 1.3.1. Beoordeling kustgebonden , demersale en pelagische vissen. Groen = voldoet, rood = voldoet niet, grijs = geen beoordeling mogelijk, wit = niet van toepassing. Beoordeling per soort of bestand en per groep (‘kenmerk’). Per criterium is/zijn de bijbehorende indicator(en) weergegeven. FC1 = OSPAR-indicator ‘FC1 Recovery of sensitive fish species’, CFP-D3 = gemiddelde visserijsterfte en paaibiomassa van commercieel geëxploiteerde bestanden voor de periode 2015-2020. Hiervoor is gebruikgemaakt van de bestand-beoordelingen die jaarlijks door ICES zijn uitgevoerd en door OSPAR zijn gebruikt voor de thematische OSPAR-beoordeling. De HR-beoordelingen zijn geen onderdeel van de algehele beoordeling, gebaseerd op de drempelwaarde voor de Favourable Reference population (FRP), Favourable Reference Range (FRV) en Habitat for the Species (H). Zalm, houting en elft vallen onder de HR, maar ontbreken op de regionaal overeengekomen soortenlijst.

Toelichting beoordeling

Commercieel beviste soorten dragen in belangrijke mate bij aan de biodiversiteit. Daarom is de D3-beoordeling van deze vissen eveneens onderdeel van D1 die de biodiversiteit van vissen als geheel beschouwt. Dat vraagt om een paar kunstgrepen. Descriptor D1 gaat namelijk uit van soorten en heeft daarmee een andere benadering dan D3 die uitgaat van bestanden. Per soort zijn er vaak verschillende populaties te onderscheiden, met een ander verspreidingsgebied en bijvoorbeeld een net andere periode van voortplanting. In deze factsheet wordt voor vissoorten en visbestanden samen de aanduiding ‘vispopulaties’ gebruikt.

Anders dan bij D3 verdeelt de KRM bij D1 vissen onder in drie soortgroepen: kustgebonden, demersaal en pelagisch. Per soortgroep zijn regionaal (door OSPAR) soortenlijsten overeengekomen (zie tabel 1.3.1). Per groep moet onder D1 minimaal 80 procent van de soorten voldoen aan de drempelwaarde. Omwille van de coherentie gaat Nederland voor de algehele beoordeling van de Internationale Noordzee uit van de regionale beoordeling (OSPAR 2023). Van de beschikbare indicatoren zijn de FC1-indicator van OSPAR en de D3-indicator, gebaseerd op het jaarlijkse ICES-advies voor criterium D1C2 Populatieabundantie vissen, het meest ontwikkeld. Om die reden zijn alleen deze resultaten meegenomen in de integrale beoordeling. Een nadeel van de gebruikte methodiek is dat de D3-resultaten relatief zwaar wegen in het eindoordeel, doordat een bestand even zwaar weegt als een soort.

Volgens Commissiebesluit 2017/848/EU moeten ook de trekvissoorten die onder de Habitatrichtlijn vallen bij D1 worden betrokken. Deze soorten zijn deels meegenomen onder de OSPAR-beoordeling. De (nationale) resultaten uit de Habitatrichtlijnrapportage (2019) zijn vanwege een lage databeschikbaarheid indicatief, maar worden ter informatie opgenomen en gerapporteerd onder criteria D1C2 Populatieabundantie, D1C4 Verspreidingsgebied en D1C5 Kwaliteit leefgebied.

Voor criterium D1C1 Incidentele bijvangst is nog geen indicator beschikbaar, hieraan wordt gewerkt (zie betreffende factsheet). Ook voor D1C3 Demografische kenmerken ontbreekt een indicator. Dit criterium is alleen primair voor commercieel geëxploiteerde soorten en is voor deze soorten gelijk aan criterium D3C3 (zie factsheet D3).

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

De goede milieutoestand voor vissen is nog niet bereikt. Dit is voornamelijk het gevolg van zowel directe als indirecte sterfte. Indirect is sterfte als gevolg van drukfactoren zoals habitatverlies, verstoring of vervuiling; van directe sterfte in een populatie is sprake als gevangen vissen worden aangeland, of onder stress worden teruggezet, waarna ze alsnog dood gaan.

Het beleid zet in op het mitigeren van de negatieve effecten van bijvangst, zoals gebeurt in het Haaien- en roggenactieplan en het Europese LIFE CIBBRiNA-project tegen bijvangst. Nederland stimuleert dat grootschalige windparken natuurinclusief worden aangelegd, waarmee ook nieuwe habitat voor vissen ontstaat. Ook worden Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden met hoge biodiversiteit deels afgesloten voor verstorend gebruik zoals (bodemberoerende) visserij, zodat vispopulaties in deze gebieden zich kunnen herstellen.

Barrières en andere knelpunten in vismigratieroutes zijn een belangrijke drukfactor voor migrerende vissoorten die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Zo belemmeren niet-passeerbare kunstwerken de populatiegroei. Ook sluizen en gemalen in Nederlandse binnenwateren veroorzaken vissterfte, waardoor ze een belangrijke drukfactor vormen voor migrerende vissen. Onder de KRW zijn in totaal 2664 prioritaire knelpunten in kaart gebracht. Vanaf 2009 is gewerkt aan het vispasseerbaar maken van deze knelpunten. In de eerste tranche (2009-2015) is de opgave voortvarend aangepakt met het wegwerken van 42 procent van de knelpunten. Daarna werd het lastiger en kostbaarder om de aanvankelijke planning te volgen. Op dit moment zijn er nog ongeveer 1110 resterende vismigratie- knelpunten waarvan volgens planning 606 vóór 2027 moeten worden weggenomen. Na 2027 resteren dan nog 504 knelpunten. Naast het wegnemen van vismigratie-knelpunten zijn er ook doelen voor actieve herintroducties van verscheidene HR-soorten, zoals de Europese steur.

De ontwikkelingen in de energie- en visserijtransitie zijn in volle gang en hebben effecten op de toestand van vissoorten in de Noordzee. Toenemende activiteiten kunnen een negatief effect hebben op de vispopulaties. De aanleg van grote windparken biedt echter ook kansen. Het is nog onduidelijk of en hoe toename van genoemde activiteiten vissoorten en hun populaties gaat beïnvloeden. Ook klimaatverandering is een belangrijke sturende factor, waarvan de effecten op vispopulaties nog onzeker zijn.

In de KRM kennisagenda, die onderdeel zal zijn van de Mariene Strategie deel 3 (2028), zal hier aandacht aan worden besteed. Het beheer van de commercieel beviste soorten sluit aan op het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Het GVB streeft naar duurzame visserij door toepassing van maximaal duurzame opbrengst (Fmsy) en het behoud van een gezonde paaibiomassa.

Concluderend kan worden gesteld dat de komende jaren nog een beleidsopgave resteert om de goede milieutoestand voor vissen te kunnen bereiken. Hiertoe zijn onderstaande milieudoelen geformuleerd.

Milieudoelen en indicatoren

Milieudoel 1.12 richt zich op migrerende vissoorten, waaronder de soorten die in de Habitatrichtlijn zijn opgenomen. Het vispasseerbaar maken van kunstwerken vergroot de overlevingskans en het voortplantingssucces van migrerende soorten.

Milieudoel 1.13 is, als onderdeel van het Programma van Maatregelen 2022-2027, specifiek gericht op de uitvoering van afspraken uit het Haaien- en roggenactieplan. Eén van de doelen is de ontwikkeling van een nationale systematiek voor de beoordeling van de toestand van haaien en roggen in de Noordzee, waaraan beide milieudoelen kunnen worden getoetst. De inzet is deze indicatoren vervolgens via OSPAR/ICES als regionale indicator te gebruiken bij de Mariene Strategie 2030.

Milieudoel 1.14 wil door middel van kwaliteitsverbetering van het leefgebied binnen en buiten windparken de overlevingskans en het voortplantingssucces vergroten en daarmee populatiegroei realiseren van een beduidende verscheidenheid aan vissoorten.

De algemene milieudoelen geformuleerd voor D1 Biodiversiteit (1.1 tot en met 1.4) komen ook ten goede aan vissen. Zij sluiten aan bij de verplichtingen die volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de afspraken uit het Noordzeeakkoord.

Tabel 1.3.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie. Milieudoelen 1.1 tot en met 1.4 zijn overkoepelend; deze gelden ook voor zeevogels, zeezoogdieren en benthische habitats. Milieudoelen 1.12 tot en met 1.14 gelden specifiek voor vissen.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.1

In 2030 is minimaal 30% van de oppervlakte van de Nederlandse mariene wateren beschermd gebied onder het regime van Natura 2000 en/of de KRM64.

2030

Areaal aan beschermde gebieden N2000 en/of KRM.

Aanwijzen gebieden onder HR of VR (N2000) en/of de KRM, uitvoering gebiedsafspraken NZA.

1.2

Realiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten in de mariene Natura 2000-gebieden.

Conform tijdpad Natura 2000

beheerplannen.

Aantal gerealiseerde

instandhou-

dingsdoel-

stellingen.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Implementatie van de Natuurherstelverordening door uitvoering Natuurplan

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.3

Stoppen van de landelijke verslechtering van de mariene habitattypen (HR) en soorten (HR en VR).

Doorlopend

Aantal habitattypen en soorten dat wel/niet verslechtert.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

- Natuurplan onder de natuurherstelverordening.

1.4

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, gewone zeehond en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen.

Fase 2: Minimaliseren van bijvangst van kwetsbare vogelsoorten, zeezoogdieren en niet-commerciële vissoorten zoals haaien en roggen

Fase 1:

2030

Fase 2: Doorlopend

Vogels en zeezoogdieren: indicator D1C1, vissen: in ontwikkeling

- CIBBRiNA-project: nemen van mitigerende maatregelen om bijvangst te minimaliseren en waar mogelijk te elimineren. Looptijd: Sep. 2023-Sep. 2029.

- MONS-onderzoek staandwantvisserij

(start 2025).

- Bruine Bank halfjaarlijkse staandwantbeperking (1 okt-31 mrt) (verwacht vanaf 2027).

- cf. NZA 4.40: Friese Front no fishery zone (verwacht 2027) en halfjaarlijkse staandwantbeperking (sinds maart 2023) en visserijbeperkingen in kustzone (sinds 2016).

- Er wordt geen nieuwe staandwantvisserij toegestaan in de Natura 2000- en KRM-gebieden (cf. NZA 4.45).

- Haaien- en roggenactieplan 2022-2027.

- Verder inzetten op vergroten van de kans op overleven na terugzet (discarden), en het verbeteren van de vistechnische selectiviteit gericht op doelsoorten.

1.12

Prioritaire vismigratieknelpunten in Nederlandse (binnen)wateren zijn opgelost.

2027

Aantal kunstwerken vispasseerbaar gemaakt.

KRW-maatregelen.

1.13

Fase 1: Inzichtelijk krijgen van verspreiding, habitatgebruik en populatieabundantie van haaien en roggen.

Fase 2: Waar nodig herstel van verspreiding, habitatgebruik en populatieabundantie van haaien en roggen.

Fase 1: 2027

Fase 2: Doorlopend, waarbij wordt aangesloten op het actieplan

Aansluiting op de meest recente evaluatie van het

Haaien-

en roggen-

actieplan (tweejaarlijks).

Implementatie Haaien- en roggen-

actieplan 2022-2027, specifiek het vergroten van de kennisbasis rondom habitatgebruik en soortherkenning, met het oog op aanknopingspunten voor eventueel benodigde aanvullende maatregelen.

1.14

Realiseren van populatiegroei, of in ieder geval behoud, van (kwetsbare) commerciële en niet-commerciële vissoorten.

Doorlopend

Indicator D1C2 (op basis van projectmonitoring).

Soortenherstelplannen (voor aal, haaien en roggen, kabeljauw, N2000-soorten).

Programma Natuurversterking Noordzee (looptijd t/m 2030)

Onderzoek naar perspectieven van aanleg van structuren binnen en buiten windparken en natuurinclusief bouwen van windturbines.

Verkennen noodzaak (seizoensspecifieke) bescherming van paaigronden.

D1C1 Incidentele bijvangst

GMT (Art. 9)

Incidentele bijvangst in de Internationale Noordzee vormt geen bedreiging voor de instandhouding van vispopulaties.

Beoordeling (Art. 8)

Nog niet mogelijk

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

[In ontwikkeling]

[In ontwikkeling]

 
 

D1C1 Incidentele bijvangst is een primair criterium voor zeevogels, zeezoogdieren, schildpadden en niet-commercieel geëxploiteerde vissoorten en koppotigen (inktvissen en octopussen). Het betreft soorten waarvan de levensvatbaarheid op populatieniveau wordt bedreigd als gevolg van bijvangst. Volgens het Commissiebesluit 2017/848/EU moeten soortenlijsten en drempelwaarden regionaal worden uitgewerkt, rekening houdend met bestaande regelgeving (Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor activiteiten in verband met gegevensverzameling en rekening houdend met de lijst van soorten in tabel 1D in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1251 van de Commissie. Verordening (EG) nr. 199/2008 kan worden gebruikt voor de verzameling van relevante gegevens op visserijgebied). Vooralsnog zijn er geen indicatoren beschikbaar voor dit criterium.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Momenteel is de beoordeling van incidentele bijvangst (D1C1) alleen voor sommige zeezoogdieren uitgewerkt. Diverse EU-richtlijnen (VHR, KRM) en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) beogen gevoelige soorten te beschermen, maar vooralsnog bestaat er geen internationaal afgestemde aanpak voor de beoordeling van incidentele bijvangst. De EU-lidstaten dragen weliswaar bij aan monitoringprogramma’s die internationaal via ICES worden gecoördineerd, maar deze zijn voornamelijk gericht op het genereren van gegevens over commercieel geëxploiteerde soorten (D3). De dekking van overige soorten, die onder D1 worden beschouwd, is doorgaans erg laag. Mitigerende maatregelen worden zowel nationaal als in een internationale context opgepakt, maar het instellen van beperkende maatregelen vraagt om afstemming en kost veel tijd. Het Europese LIFE CIBBRiNA-project neemt het initiatief voor een internationaal afgestemde aanpak en heeft tot doel om met vissers, wetenschappers, ministeries van Visserij en Milieu en NGO’s uit dertien Europese landen incidentele bijvangst van zeezoogdieren, vogels, schildpadden, haaien en roggen te beperken. Een tweede doel is stappen te zetten in de richting van een ecologisch en sociaaleconomisch duurzame visserij in de Noordoost-Atlantische Oceaan, de Oostzee en de Middellandse Zee en daarbij ook de monitoring en beoordeling beter af te stemmen. Naar verwachting zijn de resultaten van dit project bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 beschikbaar.

D1C2 Populatieabundantie

GMT (Art. 9)

De populatieabundantie van vissoorten duidt op gezonde populaties en voldoet minimaal aan de doelstellingen van OSPAR (kwetsbare vissoorten) en het GVB (commercieel geëxploiteerde soorten) in de Internationale Noordzee, en de HR in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Beoordeling (Art. 8)

Van de kustgebonden vispopulaties is naar schatting 8 procent in goede toestand. Van demersale vispopulaties is dit 29 procent en van pelagische vissen 40 procent. Over veel populaties is onvoldoende informatie beschikbaar om een analyse te kunnen uitvoeren.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

FC1 kwetsbare vissoorten (OSPAR).

Geen afname ten opzichte van voorgaande periode.

Aanwezigheid

Internationale Noordzee, 2015-2020 (A).

Commercieel geëxploiteerde soorten (GVB).

SSB > MSY Btrigger (GVB) Gemiddeld over de planperiode.

Paaibiomassa (B/Bmsy)

Internationale Noordzee, 2015-2020 (A).

Populatie (HR)

FRP (HR)

Aantal

Nederlandse wateren,

HR-beoordeling 2019 (D).

OSPAR: Kwetsbare vissoorten
Toelichting indicator

Kwetsbare vissoorten zijn over het algemeen laat volwassen, bereiken in veel gevallen aanzienlijke afmetingen en hebben meestal een lage reproductiesnelheid. Deze eigenschappen maken kwetsbare soorten extra gevoelig voor verstoringen. De populaties van veel kwetsbare soorten zijn onder andere daardoor in de afgelopen eeuw zeer sterk afgenomen. Onder meer trekvissen, haaien en roggen behoren tot deze categorie.

De OSPAR-indicator FC1 Recovery of sensitive fish species is gebaseerd op veranderingen in aanwezigheid van kwetsbare vissoorten. De beoordeling gaat uit van veranderingen in de mate waarin kwetsbare soorten worden aangetroffen in de gestandaardiseerde visserijmonitoring. Voor een korte- én een langetermijnanalyse zijn de gemiddelde scores over de laatste zes jaren (in de meeste gevallen 2015-2020) vergeleken met de zes voorgaande jaren (korte termijn), en met álle jaren uit de meetreeks (lange termijn).

Per soort en gebied is geanalyseerd of sprake is van een significante toename van de aantallen binnen de diverse soorten, of dat de aantallen ten minste niet afnemen. Voor de toetsing aan de goede milieutoestand is het uitgangspunt dat soorten zowel op korte als lange termijn een toename laten zien. In de Internationale Noordzee lopen acht monitoringprogramma’s voor vissen. Per programma verschillen het jaar van aanvang, het gebruikte vistuig, de bemonsteringsperiode in het jaar en het bestreken gebied. Per monitoringprogramma is een tijdserie gemaakt van iedere soort die voldoende representatief wordt bemonsterd, wat het geval is als ze in tenminste vijf monsters voorkomen.

Zie voor meer informatie over deze indicator Lynam et al. (2022).

Resultaten

In de overkoepelende tabel 1.3.1 zijn de resultaten per bestand en soort afzonderlijk weergegeven in kolom FC1. Figuur 1.3.1 geeft weer hoe de beoordeling voor de drie soortgroepen uitpakt.

Vanwege de opzet van de meetnetten is het meeste bekend over demersale vissen. Van deze groep, die 26 soorten telt, voldoet 46 procent aan de drempelwaarde (een toename op zowel korte als lange termijn). Over de kwetsbare soorten in de groep kustgebonden vissen is minder bekend en over de pelagische soorten veel minder (zie ook ‘Kennishiaten en ontwikkelingen’).

Populaties die toenemen

Herstel op zowel de lange als op korte termijn is bereikt voor: kongeraal, blauwkeeltje, grijze zeeduivel en zeeduivel, gladde haaien, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog, golfrog en hondshaai. Soorten die voldoen aan de primaire langetermijndoelstelling, maar op de korte termijn gelijk blijven zijn: rode poon, grootoogrog en gaffelkabeljauw. Herstel op de lange termijn maar geen duidelijke verandering op de korte termijn is vastgesteld voor sprot.

Soorten met aanwijzingen voor recent herstel

Tekenen van recent herstel zijn gevonden voor: fint, heilbot, zeeforel, kathaai, roodbaars en kleine roodbaars. Deze soorten voldoen echter niet aan het primaire beoordelingsdoel; er is geen bewijs voor herstel op lange termijn.

De toestand van de trekvissen fint, rivierprik en zeeprik zijn als ontoereikend beoordeeld.

Van de getoetste haaien- en roggenpopulaties voldoen onder andere grootoogrog, gladde haai, blonde rog, stekelrog, gevlekte rog en hondshaai aan de goede toestand op basis van de OSPAR FC1-indicator. Van sterrog, pijlstaartrog, ruwe haai, zandrog, kaardrog, kleinoogrog en kathaai is de toestand als onvoldoende beoordeeld.

Populaties die achteruitgaan

De soorten sterrog, snotolf en pollak nemen aanzienlijk in aantallen af en hebben de beoordelingsdrempels voor de lange of korte termijn niet bereikt. Minder duidelijk is het resultaat op de lange termijn voor griet; in sommige onderzoeken is sprake van toename, in andere van afname. Op de korte termijn blijkt de soort over het algemeen af te nemen. Andere soorten die niet aan de beoordelingsdrempel op de lange termijn voldoen, zijn zandrog (met onbekende verandering op korte termijn), fint (met tekenen van herstel op korte termijn) en paling (die zich op de korte termijn op een laag niveau heeft gestabiliseerd).

GVB: Commercieel geëxploiteerde vissoorten
Toelichting indicator

Commercieel geëxploiteerde vissoorten zijn gevat onder descriptor D3, maar zijn – conform Commissiebesluit 2017/848/EU – eveneens deel van de biodiversiteit (D1). Nederland gaat daarbij uit van de D3-oordelen per visbestand, uit de thematische beoordeling van OSPAR. Deze zijn onder andere gebaseerd op de jaarlijkse ICES-analyses (jaren 2015-2020) ten behoeve van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. In de thematische OSPAR-beoordeling, die Nederland vanwege regionale coherentie als basis gebruikt voor de KRM-beoordeling, is gebruikgemaakt van het geïntegreerde oordeel (D3C1 en D3C2) per soort. Dit wijkt af van het Commissiebesluit, dat alleen uitgaat van de paaibiomassa (D3C2).

Descriptor D1 Biodiversiteit: vissen maakt – in tegenstelling tot D3 Commerciële vissoorten – onderscheid in de soortgroepen (‘kenmerken’): kustgebonden soorten, demersale soorten en pelagische soorten. Deze indeling volgt de thematische OSPAR-beoordeling.

Resultaten

In de overkoepelende tabel 1.3.1 zijn de oordelen per visbestand weergegeven; figuur 1.3.2 vat de resultaten samen per soortgroep.

Analoog aan de resultaten van kwetsbare vissoorten (zie boven) zijn tussen de soortgroepen grote verschillen zichtbaar. Demersale soorten geven een goed beeld, maar kustgebonden en pelagische soorten veel minder. Van de commerciële bestanden voldoen 20 van de totaal 82. Van de andere bestanden voldoen 20 niet, terwijl van 42 bestanden onvoldoende data beschikbaar zijn om een analyse te kunnen uitvoeren. Voor meer informatie over commercieel geëxploiteerde soorten, zie factsheet D3.

Habitatrichtlijn (HR): Populatie
Toelichting indicator

Volgens Commissiebesluit 848/2017/EU moeten drempelwaarden voor soorten die onder de HR vallen in overeenstemming zijn met de gunstige referentiewaarden voor de populatiegrootte (FRP: Favourable Reference Population). Voor Nederland gaat dit om zeven trekvissoorten met een periodiek leefgebied in het mariene milieu. Hierbij past de kanttekening dat de habitatkwaliteit in het zoete leefgebied van deze soorten waarschijnlijk meer bepalend is voor het herstel van de populaties dan de milieutoestand in hun mariene leefgebied. De HR-beoordeling (rapportage 2019) van deze soorten is voor de volledigheid weergegeven (zie ook de overkoepelende factsheet D1 Vissen).

Resultaten

De meest recente HR-rapportage is van 2019. Van de meeste soorten was destijds een gunstige referentiewaarde (FRP) beschikbaar; deze is nadien weer aangepast (zie tabel 1.3.3). In de praktijk blijkt dat de beschikbare data niet toereikend zijn om te kunnen toetsen aan de FRP. Daarom zijn alle oordelen toegekend op basis van expert judgement.

De toestand gerelateerd aan de populatieabundantie van de onderzochte trekvissen is beoordeeld als matig ongunstig of zeer ongunstig. Dit komt overeen met de OSPAR-beoordeling van fint, rivierprik en zeeprik met de FC1-indicator (zie boven). De elft, Europese steur en houting zijn in de 20e eeuw praktisch uitgestorven in Nederland. Van deze soorten zijn dan ook weinig tot geen data en geen FRP beschikbaar. Voor de herintroductie van deze soorten lopen verschillende programma’s, waardoor ze soms worden aangetroffen. De houting heeft ondertussen een populatie die zichzelf in stand houdt, maar hiervoor is nog geen FRP opgesteld.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Van veel soorten en bestanden zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om een volledige beoordeling te kunnen uitvoeren. Dit blijft een moeilijk oplosbaar punt, omdat de hiertoe benodigde monitoringinspanning waarschijnlijk een disproportionele inspanning vraagt. De monitoringprogramma’s steunen op een gezamenlijke inzet van de landen rondom de Noordzee. Verbeteringen en intensiveringen binnen deze programma’s worden continue doorgevoerd. De inzet van ICES, bijvoorbeeld door met benchmarks bestandschattingen per soort te evalueren, leidt tot aanscherping van bestandschattingen.

Datasets breiden zich uit en de kennis van de verschillende visbestanden neemt toe. Een volledige dekking van alle visbestanden is echter naar verwachting met de huidige methodieken niet haalbaar. Vooral over pelagische vissen is weinig bekend. Om deze reden en ook in verband met de belangrijke rol in het voedselweb van de pelagische vissoorten én rekening houdend met mogelijke gevolgen van de ingrijpende actuele ontwikkelingen op de Noordzee, werkt het MONS-programma in de komende jaren aan een beter beeld van deze groep en hun rol in het ecosysteem.

Haaien en roggen zijn onderdeel van de huidige indicatoren (OSPAR en GVB). Met het vaststellen van het Haaien - en roggenactieplan streeft Nederland echter naar een nationale indicator die bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) internationaal kan worden toegepast. De beoordeling van de HR-soorten behoeft verbetering. De timing van de HR-rapportage is ongelukkig, de beoordeling is niet internationaal afgestemd en het aantal vissoorten onder de HR is beperkt en lijkt voor de KRM minder relevant. Afstemming hierover zou in Europees verband plaats moeten vinden. Tot slot zal als onderdeel van de KRM kennisagenda in de Mariene Strategie deel 3 (2028) de invloed van klimaatverandering op vispopulaties worden meegenomen.

D1C4 Verspreidingsgebied

GMT (Art. 9)

Het verspreidingsgebied van trekvissen in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de drempelwaarde van de Habitatrichtlijn.

Beoordeling (Art. 8)

Het verspreidingsgebied van de meeste trekvissen is conform de HR-rapportage (2019) als gunstig beoordeeld. Alleen het oordeel voor de rivierprik is matig ongunstig. Over elft en steur zijn te weinig data beschikbaar.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Verspreidingsgebied

trekvissen (HR).

FRR (HR)

km-hokken

Nederlandse wateren, HR-rapportage 2019 (D).

Toelichting indicator

Volgens Commissiebesluit 848/2017/EU moeten drempelwaarden voor soorten die onder de HR vallen in overeenstemming zijn met de gunstige referentiewaarden voor het verspreidingsgebied (FRR: Favourable Reference Range). Er is een beperkt aantal vissoorten dat onder de HR valt en op zee voorkomt; dit zijn trekvissen. Hoewel het aannemelijk is dat de milieutoestand in de Noordzee maar beperkt meespeelt in de beoordelingen uit de HR-rapportage (2019), zijn deze voor de volledigheid weergegeven (zie ook de overkoepelende factsheet D1 Vissen).

Resultaten

De meest recente HR-rapportage dateert van 2019. Sindsdien is de gunstige referentiewaarde van het verspreidingsgebied (FRR) aangepast. Tabel 1.3.4 geeft beide FRR-waarden weer. In de praktijk blijkt dat de beschikbare data niet toereikend zijn om deze drempelwaarde goed te kunnen toepassen. Daarom zijn alle oordelen toegekend op basis van expert judgement. De milieutoestand in relatie tot het verspreidingsgebied is voor bijna alle trekvissen als gunstig beoordeeld. Alleen van de rivierprik is het oordeel over het verspreidingsgebied matig ongunstig (tabel 1.3.4). Dit heeft te maken met barrières in hun habitat land-inwaarts. De situatie in de Noordzee staat daar los van.

De elft, Europese steur en houting zijn in de 20e eeuw praktisch uitgestorven in Nederland. Van deze soorten bestaan dan ook weinig tot geen data. Soms worden individuen van deze soorten toch aangetroffen, wat is toe te schrijven aan herintroductieprogramma’s. De houting heeft na herintroductie weer een toenemende populatie in Nederland. Sinds 2022 heeft deze soort ook een FRR.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De kennishiaten benoemd onder criterium D1C2 zijn ook van toepassing op dit criterium. Nederland zet zich in om bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) ook voor dit criterium een aparte indicator te hebben voor haaien en roggen.

D1C5 Kwaliteit leefgebied

GMT (Art. 9)

De omvang en kwaliteit van het leefgebied in het Nederlandse deel van de Noordzee is geschikt voor trekvissen onder de HR.

Beoordeling (Art. 8)

De habitats voor houting, zeeprik en rivierprik zijn als ‘gunstig’ beoordeeld. Van fint is de toestand ‘zeer ongunstig’, en van zalm ‘onbekend’. Van elft en steur ontbreken data en is een oordeel niet mogelijk. Alle oordelen zijn gebaseerd op expert judgement.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Habitat van de soort (HR).

n.v.t.

n.v.t.

Nederlandse wateren, HR-rapportage 2019 (D).

Toelichting indicator

Volgens Commissiebesluit 848/2017/EU is criterium D1C5 primair voor HR-soorten, en komt het criterium overeen met ‘habitat van de soort’ onder de HR. Een beperkt aantal vissoorten die onder de HR vallen, komt ook op zee voor. Dit zijn trekvissen die slechts een deel van hun levens-cyclus in de Noordzee vertoeven. Van trekvissen is relatief weinig bekend, en wát we weten heeft vooral betrekking op exemplaren die in rivieren worden aangetroffen. Alle oordelen zijn op basis van expert judgement toegekend. Hoewel het aannemelijk is dat de Noordzee niet bepalend is voor beperkingen voor trekvissen, is hier voor de volledigheid de formele beoordeling uit de HR-rapportage (2019) opgenomen.

Resultaten

Tabel 1.3.5 geeft de HR-beoordeling van 2019 weer van de habitat van alle HR-vissoorten. De beoordeling en toelichting hebben vrijwel alleen betrekking op de situatie landinwaarts. De habitats voor houting, zeeprik en rivierprik zijn als ‘gunstig’ bestempeld. Voor fint is de toestand ‘zeer ongunstig’, en van zalm ‘onbekend’. Over elft en steur is geen oordeel mogelijk omdat geen data beschikbaar zijn.

Bronnen

ICES ​Stock assessment graphs

Lynam, C.P., Bluemel, J. & Probst, N. (2022). ​Recovery of Sensitive Fish Species. In: OSPAR, 2023:

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2019) ​Habitatrichtlijnrapportage 2019

OSPAR (2023). ​Thematic assessment fish.

OSPAR (2022). ​ICG-EMO report on model comparison for historical scenarios as basis to derive new threshold values. OSPAR Publication Number: 895/2022. 67 pp.

D1 Biodiversiteit koppotigen

GMT (Art. 9)

Populaties van koppotigen worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

[In ontwikkeling]

 
 
 

Beoordeling (Art. 8)

Beoordeling is nog niet mogelijk.

Milieudoelen (Art. 10)

Voor koppotigen gelden geen specifieke milieudoelen, maar de milieudoelen voor D1 Biodiversiteit Vissen, D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren en D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats komen ook ten goede aan koppotigen.

Inleiding

De KRM vat onder descriptor D1 Biodiversiteit – naast zeevogels, zeezoogdieren, vissen en habitats – ook koppotigen. Onder koppotigen vallen inktvissen en octopussen. Over koppotigen is veel minder bekend dan over de andere genoemde soorten en over habitats. Van zes inktvissoorten weten we dat ze in het Nederlandse deel van de Noordzee foerageren en/of paaien (De Bruyne en Van Leeuwen 2013): zeekat (Sepia officinalis), dwerginktvis (Sepiola atlantica), dwergpijlinktvis (Alloteuthis subulata), gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris), noordse pijlinktvis (Loligo forbesii) en grote pijlinktvis (Todarodes sagittatus). De octopussoorten gewone achtarm (Octopus vulgaris) en kleine achtarm (Eledone cirrhosa) zijn in de Nederlandse Noordzee uiterst zeldzaam of komen niet meer voor.

Inktvissen kunnen impact ondervinden van menselijke activiteiten zoals gerichte bevissing. In de Noordoost-Atlantische wateren is in de periode 1992-2020 vooral op zeekat en octopus gevist. De vangsten bedroegen respectievelijk 40 en 31 procent van de totale hoeveelheid aangelande koppotigen in dit gebied. De vangsten van zeekat in de Noordzee zijn relatief klein ten opzichte van vangsten in Het Kanaal. In 2020 was de verhouding 397 ton versus 6856 ton. Het is aannemelijk dat in de Noordzee nagenoeg geen octopussen worden gevangen. Visserij op deze dieren vindt vooral plaats in Portugese wateren (ICES, 2023).

De beschikbare data lijken te wijzen op een neerwaartse trend van de inktvispopulaties in de Noordoost-Atlantische Oceaan terwijl in het Oostelijk Kanaal en de Zuidelijke Noordzee een toename wordt gesignaleerd. De aanname is dat deze toename te maken heeft met het warmer worden van het zeewater als gevolg van klimaatverandering, waardoor inktvissen naar het noorden migreren Waarschijnlijk zal daardoor in onze regio de vangst toenemen.

Van zeekatten is bekend dat ze paaien in de Zeeuwse Delta. Mogelijk ondervindt deze soort hier hinder van de visserij op kreeften in het vangstseizoen van eind maart tot 15 juli (De Bruyne en Van Leeuwen, 2013). Inktvissen zouden voordeel kunnen hebben van de steenbestortingen rond windturbinepalen in de Noordzee, maar of en in hoeverre dit het geval is, blijft vooralsnog onduidelijk.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Het is niet bekend of inktvis- en of octopuspopulaties in goede of slechte toestand verkeren en het is onduidelijk in hoeverre visserij of andere activiteiten invloed hebben op deze toestand. Hiervoor is meer inzicht benodigd in leefgebied en verspreiding van de soorten. Dit geldt ook voor andere vissoorten waarover onvoldoende data beschikbaar zijn.

De KRM kent drie primaire criteria voor inktvissen: D1C1 Incidentele bijvangst, D1C2 Populatieomvang en D1C3 Demografische kenmerken. Het is nog niet mogelijk om aan de hand van deze criteria de huidige toestand van inktvissen te beoordelen. Wel heeft Nederland als eerste stap door middel van een data-analyse onderzocht hoe invulling kan worden geven aan het primaire criterium D1C2 Populatieomvang inktvissen (IJntema, 2023). De beschikbare gegevens van de North Sea International Bottom Trawl Survey (NS-IBTS) zijn geanalyseerd, waarbij de mogelijkheden voor een beoordelingssystematiek (indicator) zijn nagegaan. Vanwege de beperkte kwaliteit van de data blijkt een indicator op basis van vangsten per uur (Catch Per Unit of Effort, CPUE) niet betrouwbaar en een beoordeling op soortniveau evenmin. Dat komt doordat inktvissen nog te kort worden geregistreerd. In samenhang daarmee is er te weinig ervaring met het determineren. Een en ander leidt tot een onbekende omvang van de foutmarge op soortniveau. De effecten van deze leemten zijn te minimaliseren door uit te gaan van clustering van soorten tot hogere orde taxa (groepen organismen). Vervolgens kan het percentage worden vastgesteld van vistrekken waarin ten minste één individu van het betreffende taxon is gevonden. Deze systematiek blijkt goed werkbaar en biedt zicht op een potentiële indicator, die – bij voorkeur regionaal – zou kunnen worden toegepast zodra meer betrouwbare data zijn verzameld. De verwachting is dat bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) een betrouwbaarder beeld van ontwikkelingen van inktvispopulaties kan worden geschetst.

Toetsing aan de criteria D1C1 Incidentele bijvangst en D1C3 Demografische kenmerken vraagt behalve om een gedegen dataset ook om nadere regionale afstemming van de interpretatie van deze criteria. Zowel bijvangst als demografische kenmerken (bijvoorbeeld grootteverdeling) lijken voor inktvissen minder toepasbaar, omdat de meeste soorten maximaal twee jaar oud worden (Bobowski et al., 2023). Voor criterium D1C3 is grootteverdeling bovendien lastig meetbaar, gezien de grote plasticiteit van de dieren en de variatie in het tijdstip waarop eieren uitkomen. Bij criterium D1C1 is nog een vraag hoe om te gaan met de term ‘incidentele’ bijvangst, omdat op een aantal inktvissoorten gericht wordt gevist (wat overigens ook geldt voor vissen).

Bronnen

Bobowski, B. T., Power, A. M., Pierce, G. J., Moreno, A., Iriondo, A., Valeiras, J., Sokolova, I. M. & Oesterwind, D. (2023). Cephalopods, a gap in the European Marine Strategy Framework Directive and their future integration. Marine Biology, 170(3), 26.

ICES (2023). Working Group on Cephalopod Fisheries and Life History (WGCEPH. ​Outputs from 2022 meeting). ICES Scientific Reports. Report.

IJntema (2023). Verkennende analyse populatieomvang inktvis soorten. Briefrapportage WMR.

Bruyne, R. de & Leeuwen, S. van (2013). Schelpdieren van het Nederlandse Noordzeegebied, Ecologische atlas van de mariene weekdieren (Mollusca).

D1C6 Pelagische habitats

GMT (Art. 9)

Het functioneren en de samenstelling van pelagische habitats (fyto- en zoöplankton) in de Internationale Noordzee worden niet negatief beïnvloed door menselijke activiteiten.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

PH1 Veranderingen in planktongemeenschappen (OSPAR).

Beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

Individuen/volume.

Internationale Noordzee, 1960-2019 (A).

PH2 Veranderingen in planktonbiomassa en/of abundantie (OSPAR).

Beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

μg/L en individuen/volume.

Internationale Noordzee, 2015-2019 (A).

PH3 Veranderingen in biodiversiteit (OSPAR, pilot).

Beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

Divers, meerdere diversiteitsindices.

Internationale Noordzee, 2015-2019 (A).

Beoordeling (Art. 8)

De pelagische habitats (fyto- en zoöplankton) in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand doordat de habitattypen ‘continentaal plat’ en ‘kustzone’ als ‘niet goed’ zijn beoordeeld. Van de habitat ‘variabele saliniteit’ is de status onbekend.

Milieudoelen (Art. 10)

Het milieudoel voor D4 Voedselwebben, dat betrekking heeft op plankton, is ook van toepassing op criterium D1C6 Pelagische habitats. Verder komen de milieudoelen onder D5 Eutrofiëring ook ten goede aan D1C6.

Inleiding

Pelagische habitats vinden we in de waterkolom waar drijvende en zwevende organismen (plankton) leven. Dit plankton vormt de basis van het voedselweb. Het zorgt voor het overgrote deel van de primaire productie in het mariene milieu. Onder pelagische habitats verstaan we fytoplankton (plantaardige organismen, zoals groene algen en diatomeeën) en zoöplankton (dierlijke organismen zoals copepoden en larven van bijvoorbeeld vis en benthische dieren). Grotere organismen zoals pelagische vis vallen er niet onder. In vergelijking met meer complexe organismen heeft plankton weinig mechanismen om zich te beschermen tegen fysisch-chemische en hydrografische veranderingen in het milieu. Ook is het niet mobiel genoeg om ongunstige condities te ontwijken. Plankton groeit doorgaans snel en heeft korte generatietijden. Om deze redenen kan plankton bij uitstek functioneren als indicator voor veranderingen in het milieu, vooral veranderingen in het mariene klimaat en in de beschikbaarheid van nutriënten.

Door middel van fotosynthese voorziet fytoplankton in de energie waarop het voedselweb is gebaseerd. Daarnaast is het essentieel voor het overbrengen van deze primaire productie naar hogere trofische niveaus. Fytoplankton wordt begraasd door zoöplankton (en filtrerende bodemdieren) waarmee energie beschikbaar komt voor organismen die niet op een dieet van algen kunnen leven (secundaire consumenten). Veranderingen in de planktongemeenschap kunnen dus gevolgen hebben voor alle andere organismen in het ecosysteem, in het bijzonder in de waterkolom. Er is dan ook een sterke link met descriptor D4 Voedselwebben, die deels met dezelfde indicator (PH1/FW5) wordt beoordeeld. Een stabiele basis van het voedselweb is niet alleen van levensbelang voor een gezonde natuur, maar ook voor de ecosysteemdiensten waar mensen graag gebruik van maken en willen blijven maken.

Beoordeling

Tabel 1.4.1 geeft de integrale beoordeling weer en ook de beoordeling per habitat en per indicator. Over het geheel genomen voldoen de pelagische habitats van de Internationale Noordzee niet aan de goede milieutoestand. Dit komt – kort samengevat – door de waargenomen sterke veranderingen in de planktongemeenschappen, zowel in voorgaande perioden als in de planperiode 2015-2019, die waarschijnlijk kunnen worden gekoppeld aan menselijk handelen. Dit geldt voornamelijk voor het opwarmen van de wateren in de Noordzee en voor fluctuaties in nutriëntenconcentraties.

Noordzeewater warmt sneller op dan de diepere delen van de Atlantische Oceaan. De waarschijnlijke rol van menselijke invloed op nutriëntenconcentraties is het sterkst waar rivieren nutriënten van land aanvoeren en actief beleid is gericht op het terugdringen van die aanvoer.

De veranderingen die in deze beoordeling zijn waargenomen, zijn in lijn met de uitkomsten van de voorgaande beoordelingsperiode. Toen was de beoordelingsmethodiek nog niet zo ver ontwikkeld dat er ook een oordeel aan kon worden gekoppeld. Dat is nu wel het geval. Een nadere duiding van de beoordelingswijze en de beoordeling per habitat is opgenomen onder ‘Toelichting beoordeling’ en ‘Resultaten per habitat en integraal oordeel’.

Toelichting indicatoren

Voor het beoordelen van pelagische habitats gaat Nederland uit van de OSPAR-beoordeling van de toestand van de Internationale Noordzee (OSPAR, 2023). OSPAR maakt gebruik van drie indicatoren: PH1 Changes in plankton communities (veranderingen in planktongemeenschappen), PH2 Changes in plankton biomass and/or abundance (veranderingen in planktonbiomassa en/of -abundantie), en PH3 Changes in biodiversity indices (veranderingen in biodiversiteit).

PH1 en PH2 zijn common indicators in de Internationale Noordzee (OSPAR-regio II). PH3 is een candidate indicator in onze regio. Dat houdt in dat de OSPAR-commissie de indicator nog niet heeft aangenomen, maar dat er al wel pilots mee worden gedraaid. Alle drie de indicatoren zijn in de afgelopen jaren doorontwikkeld ten opzichte van het OSPAR 2017 Intermediate Assessment. PH1 doet ook dienst als voedselwebindicator (FW5; zie factsheets D4C1 en D4C2).

Zie voor nadere details over de indicatoren en hun beoordeling het Quality Status Report (OSPAR, 2023) en de CEMP-guidelines (OSPAR, 2018, 2019a, 2019b). Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting.

PH1: Veranderingen in planktongemeenschappen

De OSPAR-indicator PH1: ‘Veranderingen in planktongemeenschappen’ beoordeelt veranderingen in zogenaamde functionele groepen (life forms). Dit zijn groepen van organismen die dezelfde functie of rol vervullen in het pelagische systeem. De impact van veranderingen in het milieu komt beter naar voren in veranderingen op het niveau van functionele groepen dan in veranderingen op het niveau van soorten. Het belangrijker worden van één soort ten koste van een andere soort die min of meer dezelfde niche inneemt, is immers vaak het resultaat van onderlinge biologische dynamiek en niet van veranderende omstandigheden. Daarnaast is het identificeren van plankton op soortniveau erg ingewikkeld en levert het gebruik van een hoger taxonomisch niveau betrouwbaardere (en dus beter vergelijkbare) datasets op. De functionele groepen die zijn beschouwd in deze beoordeling staan in figuur 1.4.1. De abundantie van de functionele groepen is bepaald per beoordelingseenheid (zie hieronder).

Figuur 1.4.1. Functionele groepen plankton die worden beschouwd voor de beoordeling van pelagische-habitatsindicator PH1. Afbeeldingen van plankton in de figuur zijn afkomstig van the Integration and Application Network, University of Maryland Center for Environmental Science, ian.umces.edu/symbols/.

PH2: Veranderingen in planktonbiomassa en/of -abundantie

De OSPAR-indicator PH2: ‘Veranderingen in planktonbiomassa en/of -abundantie’ beoordeelt de totale hoeveelheid fytoplanktonbiomassa en de abundantie van zoöplankton. Omdat zoöplankton voor het overgrote deel bestaat uit talrijke soorten copepoden én ook de databeschikbaarheid van deze soortengroep groot is, zijn voor de beoordeling van de abundantie van zoöplankton alleen tellingen van copepoden gebruikt. De data zijn gebundeld en toegewezen aan één van de geografische beoordelingseenheden.

PH3: Veranderingen in biodiversiteit

De OSPAR-indicator PH3: ‘Veranderingen in biodiversiteit’ is een zogenaamde kandidaat-indicator in de regio van de Noordzee, wat inhoudt dat de beoordeling aan de hand van deze indicator een pilotbeoordeling is. Doorgaans kennen pilotbeoordelingen iets minder data en geografische dekking. De indicator beschouwt zowel biologische diversiteit in zoöplankton en fytoplankton binnen één monster en op één monsterlocatie, als de snelheid waarmee de soortensamenstelling verandert. Voor biodiversiteit zijn vele indices ontwikkeld, waarvan soortenrijkdom, simpelweg de som van het aantal soorten, de eenvoudigste is. Andere indices houden ook rekening met andere factoren, zoals dominantie van bepaalde soorten.

Voor deze indicator zijn de maandelijkse waarden van een selectie aan diversiteitsindices berekend. Voor zoöplankton en fytoplankton is dat apart gedaan, en ook voor elk type data, bijvoorbeeld data ingewonnen met flowcytometrie versus data vergaard met sleepnetten.

De diversiteit van elk monster is vergeleken met de referentieperiode (alle beschikbare data van vóór deze beleidsperiode, dus 2014 en ouder). De afwijking van de referentieperiode wordt aangegeven met een Ecological Quality Ratio (EQR) tussen 0 en 1, waarbij waarden dichtbij 0 duiden op een grote afwijking en dicht bij 1 nagenoeg gelijk zijn aan de referentie.

Toelichting beoordeling

Voor de beoordeling van de milieutoestand van de pelagische habitats is de Noordzee op dezelfde wijze geografisch ingedeeld als is gedaan bij descriptor 5 Eutrofiëring (zie factsheet D5). Elke geografische eenheid is toegekend aan één van de vier voor de KRM relevante pelagische habitats (‘kenmerken’): variabele saliniteit, kustzone, continentaal plat of oceanisch (zie figuur 1.4.2). Voor OSPAR-regio II, de Internationale Noordzee, is de habitat ‘oceanisch’ niet beoordeeld omdat deze maar een zeer klein deel van de regio betreft.

Een verandering of trend in een pelagische habitat is in de beoordeling als uitkomst voor die habitat opgenomen als hij in de helft (of meer) van de geografische eenheden in dezelfde richting is waargenomen. De huidige toestand is voor PH2 en PH3 beoordeeld op basis van de periode 2015-2019 en voor PH1 op basis van langetermijntrends. De belangrijkste databron is de zogenoemde Continuous Plankton Recorder (CPR, VK), een instrument dat al sinds 1960 in een geografisch zeer groot gebied met koopvaarkoopvaardijschepen meelift om continu plankton uit het water te filteren en –voorzien van ruimte- en tijdindicatie – als monster op te slaan. Daarnaast zijn data gebruikt van vaste monsterlocaties in de monitoringprogramma’s van diverse landen, waaronder Nederland. Voor de PH2-indicator is gebruikgemaakt van satellietwaarnemingen en in situ-metingen van chlorofyl-a.

Naast de hierboven beschreven beoordeling is ook statistisch geanalyseerd of er veranderingen zijn geweest in fysisch-chemische en hydrografische omstandigheden, die de veranderingen in het plankton waarschijnlijk hebben gestuurd. Ook is bekeken of de veranderingen of trends hoogstwaarschijnlijk direct of indirect zijn veroorzaakt door menselijk handelen.

Voor elk beoordelingsgebied is naast de drie indicatorbeoordelingen ook een geïntegreerd oordeel opgeleverd, met als basis de integratiemethode zoals beschreven in de CEMP Guidelines (OSPAR, 2023). In elke OSPAR-regio (waaronder de Internationale Noordzee) is voor elk van de drie habitattypen bepaald of de status goed, niet goed of onbekend is op basis van de twee common indicators (kandidaat-indicator PH3 telt op de Internationale Noordzee niet mee). Daarbij geldt: one out, all out, ofwel: het geïntegreerd oordeel ‘goed’ wordt alleen afgegeven als zowel PH1 als PH2 goed scoren. Dezelfde regels zijn vervolgens toegepast op de uitkomst van de drie habitattypen om zo een geïntegreerd regionaal oordeel te kunnen vellen.

Resultaten per indicator

PH1: Veranderingen in planktongemeenschappen

Statistische analyses van de periode 2015-2019 suggereren weliswaar veranderingen binnen functionele groepen, maar de natuurlijke variatie en andere bronnen van zogenaamde ‘ruis’ in de data zijn te groot om in zo’n korte tijdserie effectief trends te detecteren. De beoordeling van de Internationale Noordzee is daarom gebaseerd op langere tijdseries (de langste is van 1960 tot 2019). Uit deze analyse komt naar voren dat gedurende de laatste decennia nagenoeg alle functionele groepen in de meeste beoordelingseenheden significante veranderingen laten zien (figuur 1.4.3).

Figuur 1.4.3. Langetermijnontwikkelingen van de acht functionele groepen per geografische eenheid. Rivierpluimen zijn aangegeven met driehoekjes, vaste meetstations met rondjes. De kleur geeft de grootte van de toename ( > 0; oranje) of afname ( < 0; paars) aan. Arcering in een vlak of een punt in het symbool geeft significante trends aan. Witte eenheden bevatten te weinig data voor een analyse.

De relatie tussen de langetermijntrends en veranderingen in het milieu is in een vervolgstap geanalyseerd. Uit deze analyse komt niet altijd een direct causaal verband naar voren, maar wel een indicatie van de meest waarschijnlijke verklarende factor achter de waargenomen veranderingen. Figuur 1.4.4 laat zien dat behalve veranderingen in nutriëntenbeschikbaarheid vooral klimaatgerelateerde factoren zoals temperatuur, wind, neerslag en zuurtegraad (pH) sturend lijken te zijn voor veranderingen in de abundantie van de onderzochte functionele groepen. Hierbij past de kanttekening dat veranderingen in de abundantie van fytoplankton omgekeerd de pH kunnen beïnvloeden, immers: meer of minder CO2-opname uit het water werkt door in de chemische beschikbaarheid van CO2 als bron van oceaanverzuring).

Voor het continentaal plat is het oordeel ‘niet goed’ afgegeven, omdat er duidelijke veranderingen op de lange termijn zijn vastgesteld en deze waarschijnlijk verband houden met (de gevolgen van) menselijke activiteiten (hoofdzakelijk klimaatverandering). Voor de kustzone en de gebieden met variabele saliniteit is de status ‘onbekend’ vastgesteld. Ook hier zijn duidelijke indicaties van door mensen geïnduceerde veranderingen in functionele groepen, maar er zijn niet genoeg data en er is onvoldoende ruimtelijke dekking voor een ander oordeel.

Figuur 1.4.4. De meest waarschijnlijke sturende factoren voor de trends in abundanties die zijn waargenomen voor de acht functionele groepen. Rivierpluimen zijn aangegeven met driehoekjes, vaste meetstations met cirkeltjes. Arcering in een vlak, of een punt in het symbool geeft een statistisch significante correlatie tussen de modeloutput en een test-dataset met observaties weer, waarmee de betrouwbaarheid van deze output hoger is. Vaste meetstations en rivierpluimen zijn alleen weergegeven wanneer in de betreffende functionele groep sprake was van een trend.

Figuur 1.4.5. Trends van fytoplankton en zoöplankton in de geografische eenheden. Grijze vlakken vertegenwoordigen een neerwaartse trend in fytoplanktonbiomassa én zoöplanktonabundantie, lichtbruine vlakken een opwaartse trend in fytoplanktonbiomassa én zoö-planktonabundantie. De vlakken met beide kleuren gearceerd duiden op een toename in de ene en een afname in de andere functionele groep. De trends zijn bepaald over de beleidsperiode 2015-2019, en vergeleken met data uit de voorafgaande perioden. Voor zoöplankton is dat 1960-2014 en voor fytoplankton de periode 1992-2014 of 1997-2014, afhankelijk van de onderliggende dataset.

PH2: Veranderingen in planktonbiomassa en/of -abundantie

Recent (2015-2019) zijn veranderingen gesignaleerd in de hoeveelheid plankton ten opzichte van de langetermijndata. In de Oostelijke Noordzee en de Duitse Bocht is een neerwaartse trend waargenomen in zowel fytoplanktonbiomassa als zoöplanktonabundantie. Waarnemingen in de Elbepluim en bij enkele stations in het Kattegat laten juist een opwaartse trend zien van fyto- en zoöplankton (figuur 1.4.5). De rest van de Internationale Noordzee vertoont een gemengd patroon, waarin fytoplankton stijgt en zoöplankton daalt, of vice versa.

Statistische analyse wijst uit dat in alle drie de beoordeelde habitattypen de nutriënten (fosfor, stikstof en de ratio tussen die twee), waarschijnlijk de sturende factor zijn voor de fytoplanktonbiomassa. Zoöplanktonabundantie lijkt sterk samen te hangen met de diepte van de spronglaag (die waterlagen van verschillende temperaturen scheidt).

Gezien de databeschikbaarheid en ruimtelijke dekking, én de zekerheid waarmee de mogelijke oorzaken van de trends zijn geïdentificeerd, is het oordeel voor deze indicator uitgekomen op ‘niet goed’ voor de habitats continentaal plat en kustzone en ‘onbekend’ voor de habitat variabele saliniteit.

PH3: Veranderingen in biodiversiteit

Deze eerste analyse met de pilotindicator PH3 laat uiteenlopende veranderingen zien (figuur 1.4.6). De meeste gesignaleerde trends zijn niet significant, wat sterk samenhangt met de korte beoordelingsperiode (2015-2019), ruis in de data en de beperkte databeschikbaarheid. Het oordeel voor het continentaal plat is daarom ‘onbekend’. Omdat de gebruikte modellen een relatie vinden tussen gesignaleerde trends en menselijk handelen (nutriënten, klimaat), zijn de habitats kustzone en variabele saliniteit aangemerkt als ‘niet goed’. Deze resultaten zijn echter zeer indicatief.

Figuur 1.4.6. Jaarlijkse EQR-waarden van fytoplankton (links) en zoöplankton (rechts) van 2015-2019. Hiermee worden de veranderingen in biodiversiteit over de tijd weergegeven. Lage waarden geven een groot verschil met de referentieperiode aan (data van 2014 en ouder), hogere waarden geven een klein verschil met de referentieperiode aan. Witte vlakken bevatten niet genoeg data voor een beoordeling. Significante verschillen zijn aangegeven met een gearceerd vlak of met een punt in het symbool voor vaste meetstations.

Resultaten per habitat en integraal oordeel

Omdat de indicator PH3 Veranderingen in biodiversiteit nog een kandidaatstatus heeft, is deze niet meegenomen in het integrale oordeel.

Variabele-saliniteithabitat (oordeel: onbekend)

In deze habitat is op de lange termijn een toename van dinoflagellaten en vislarven waargenomen, terwijl het holoplankton en de grote en kleine copepoden een afname lieten zien. Zeker van zoöplankton zijn beperkte data beschikbaar, dus de zeggingskracht van deze uitkomst is relatief laag. Er is geen duidelijke link gevonden tussen deze trends en menselijk handelen. In de habitat is een afname te zien van de biomassa van fytoplankton (mogelijk veroorzaakt door een afname van opgelost anorganisch fosfaat) én een afname van zoöplanktonabundantie (meest waarschijnlijk gerelateerd aan toename van de temperatuur van het oppervlaktewater). Ook dat laatste is gebaseerd op een lage geografische dekking van de data, waardoor de betrouwbaarheid van de waarneming relatief laag is. Mogelijk, maar dit is niet getest, heeft de neerwaartse trend in fytoplankton zijn weerslag op de afname van zoöplanktonabundantie.

Kustzone (oordeel: niet goed)

Gevonden toenames van meroplankton en vislarven hangen (met relatief lage zekerheid) mogelijk samen met respectievelijk oplopende zeewatertemperaturen en toenemende saliniteit. Ook in deze habitat nam de fytoplanktonbiomassa af gedurende 2015-2019, meest waarschijnlijk hangt dit samen met een toenemende ratio tussen beschikbaar stikstof en fosfor (N:P-ratio). Toename van zoöplanktonabundantie in de kustzone heeft mogelijk een relatie met het ondieper worden van de waterlaag boven de spronglaag. De contrasterende trends tussen fytoplankton en zoöplankton suggereren dat er geen sprake is van een bottom-up control van zoöplankton door fytoplanktonproductiviteit (alhoewel deze indicator daar niet specifiek op toetst). Als de fytoplanktonbiomassa blijft dalen, en daarmee de fytoplanktonproductiviteit, kan dit veranderen.

Continentaal plat (oordeel: niet goed)

Over een langere periode zijn diatomeeën, meroplankton en vislarven toegenomen en namen dinoflagellaten, holoplankton en kleine copepoden af. De trends voor meroplankton en holoplankton gingen samen op met stijgende zeewatertemperaturen. Een erg waarschijnlijke oorzaak van de toename van vislarven is de abundantie van de visouderpopulaties (waarschijnlijk zijn er meer eitjes gelegd), maar daar test deze indicator niet op. Evenals in de kustzone lijkt afname van fytoplanktonproductiviteit in de periode 2015-2019 samen te hangen met een toenemende N:P-ratio. De afname van zoöplankton-abundantie is mogelijk gerelateerd aan de diepte van de gemengde waterlaag (boven de spronglaag). Ook hier moet worden aangetekend dat zoöplanktonabundantie gedreven kan zijn door de afname van fytoplanktonbiomassa (maar ook dit is niet getest).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De variabelen die voor pelagische habitats worden onderzocht, lenen zich niet goed voor het opstellen van een drempelwaarde. De systemen zijn zo complex en dynamisch dat een ‘juiste’ basisconditie zich slecht laat definiëren, temeer doordat er weinig tot geen data beschikbaar zijn uit periodes waarin menselijke activiteiten géén invloed hadden op pelagische habitats. Met voldoende onderzoek naar de draagkracht van het ecosysteem, inclusief doelgerichte monitoring, zou voor primaire productie mogelijk wel een minimum kunnen worden vastgesteld.

Ondanks het gebrek aan drempelwaarden zijn deze indicatoren toch nuttig om inzicht te krijgen in de veranderingen in het mariene ecosysteem en kunnen ze helpen om trends op hogere trofische niveaus te verklaren.

Een dieper inzicht in het functioneren en de toestand van pelagische habitats zou gebaat kunnen zijn met het bestuderen van de trends op fijnere schalen van ruimte en tijd. Hiervoor zijn meer monitoringdata nodig. Zo is er een gebrek aan data over de habitats kustzone en variabele saliniteit, vooral wat betreft zoöplankton. In Nederland wordt zoöplankton niet gemonitord. Voor fytoplankton gebeurt dat slechts beperkt structureel. Het MONS-programma, uitvloeisel van het Noordzeeakkoord, gaat onderzoek doen naar draagkracht van het ecosysteem en er gaan pilots lopen met monitoring van primaire productie en zoöplankton. Resultaten hiervan kunnen leiden tot aanpassingen in het structurele monitoringprogramma, wat dan zou worden opgenomen in de Mariene Strategie deel 2.

Ook moet blijvend worden gewerkt aan de kwaliteit, vergelijkbaarheid en uitwisseling van de datasets die in de verschillende Noordzeelanden worden gegenereerd. Voor de vergelijkbaarheid van datasets is het van belang dat methodes voor bemonstering en analyse internationaal zijn afgestemd, bij voorkeur binnen OSPAR. Het is ook noodzakelijk om methodiek (bijvoorbeeld flowcytometrie, microscopie) te blijven ontwikkelen en de vaardigheden van de analisten blijvend op elkaar af te stemmen.

Binnen OSPAR is een aantal kennishiaten geïdentificeerd, waaraan in projectverband kan worden gewerkt. Zo kunnen modellen die drukfactoren koppelen aan trends worden verfijnd door ze geschikt te maken voor het invoeren van een zeker tijdsverloop tussen het optreden (of de meting) van druk en het observeren van de merkbare gevolgen ervan. Het introduceren van die vertraging (lag) in de modellen kan beter inzicht geven in de relatie tussen druk en respons.

Meer proceskennis is nodig over de functionele groepen waartoe de diverse soorten plankton behoren en over de dynamiek tussen deze groepen. Het MONS-programma gaat hieraan aandacht besteden, zowel door de inzet van PhD-onderzoekers voor het genereren van proceskennis als door de integratie van deze kennis in voedselwebmodellen. Daarnaast is vooral de gebrekkige kennis over de taxonomie en de rol van de allerkleinste planktonsoorten (pico- en nanoplankton) in het voedselweb limiterend voor het vermogen het systeem goed te begrijpen en verbanden tussen druk en staat te analyseren. Ook het koppelen van dynamiek in de hogere trofische lagen (zoals vis) aan de dynamiek in de pelagische habitats (zoals wordt gedaan bij D4 Voedselwebben), kan meer inzicht geven in de gewenste samenstelling van de pelagische gemeenschap. Voorts kan het ontwikkelen van conceptuele (kwalitatieve) modellen van effectketens tot beter begrip leiden van de effecten van een veranderend milieu op plankton en daarmee samenhangend, op de beoordeling aan de hand van indicatoren.

De beoordeling van D1C6 is onlosmakelijk verbonden met die van D5 Eutrofiëring. Met het afstemmen van de geografische eenheden en het gebruik van satellietdata is een belangrijke stap gezet om vergelijking mogelijk te maken. In de toekomst zou ook de analyse en beoordeling van nutriëntenconcentraties en -trends beter moeten worden afgestemd. Vanwege de ruimtelijke en tijdsschalen die zijn gebruikt, is dat nog niet gelukt.

D2 Niet-inheemse soorten

GMT (Art. 9)

Descriptor D2: Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert.

Criterium D2C1: Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van menselijke activiteiten is tot een minimum beperkt.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

NIS3 Aantal introducties van niet-inheemse soorten (OSPAR).

In ontwikkeling; voorlopig: daling ten opzichte van voorgaande planperiode.

Aantal soorten.

Nederlandse deel van de Noordzee, 2015-2020 (C).

Beoordeling (Art. 8)

Het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee is in de afgelopen planperiode niet afgenomen, wat betekent dat de goede milieutoestand nog niet is bereikt. Deze beoordeling is gebaseerd op een Nederlandse analyse, waarbij de OSPAR-methodiek is gebruikt en de dataset uit het QSR (OSPAR, 2023) is aangevuld met recentere data.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op het minimaliseren van introducties van niet-inheemse soorten middels preventieve aanpak, waarbij vooral de route via scheepshuidaangroei aandacht verdient.

Inleiding

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten (NIS) zijn organismen die in nieuwe gebieden buiten hun natuurlijke habitat terechtkomen. Ze worden bijvoorbeeld verplaatst via het ballastwater van schepen, door biofouling (de aangroei van organismen op scheepsrompen) of door transport van mariene organismen ten behoeve van aquacultuur.

NIS – waaronder vooral de invasieve soorten – kunnen door concurrentie en/of kruising met inheemse soorten veranderingen teweegbrengen in de van nature aanwezige populaties en soortensamenstelling. Het aanpassingsvermogen van soorten aan veranderingen in het milieu kan bijvoorbeeld verminderen, voedselwebben en biogeochemische cycli kunnen verstoord raken en de waterkwaliteit kan worden beïnvloed. Deze druk op het mariene milieu vormt een bedreiging voor het mariene ecosysteem en kan tevens economische en gezondheidseffecten hebben. De mogelijkheden om, zonder significante nevenschade aan het ecosysteem, de verspreiding van NIS in het mariene milieu te beheersen, zijn zeer beperkt. Daarom ligt de prioriteit bij preventie van de introductie van NIS.

NIS kunnen zowel planten (inclusief algen) als dieren zijn. Bij dierlijke NIS worden ook macrofauna (met het oog zichtbare ongewervelden) en gewervelden in aanmerking genomen. Eencelligen (plankton), endoparasieten en virussen worden niet meegerekend (Virussen kunnen uit uitheems zijn en potentieel een risico vormen voor inheemse soorten, maar vaak is niet goed vast te stellen of ze wel of niet uitheems zijn. Overigens is wel zeker dat het in de Nederlandse wateren gedetecteerde Japanse oesterherpesvirus uitheems is. Maar het virus lijkt geen risico te vormen voor inheemse soorten omdat het zeer gastheer- specifiek is: alleen Japanse oesters hebben er last van). Soorten van Noordwest-Europa, die hun leefgebied op natuurlijke wijze uitbreiden, blijven buiten beschouwing (klimaatschuivers). Niet-inheemse soorten die zich na primaire introductie op natuurlijke of antropogene wijze over naburige gebieden verspreiden (secundaire verspreiding), vallen wel binnen de definitie van NIS.

Commissiebesluit 2017/848/EU benoemt drie criteria onder descriptor D2 Niet-inheemse soorten: D2C1 Nieuw geïntroduceerde NIS, D2C2 Dichtheid en verspreiding gevestigde (invasieve) NIS, en D2C3 Negatieve effecten (invasieve) NIS. Nederland volgt, conform de eisen van het Commissiebesluit, zoveel mogelijk de aanpak en systematiek van OSPAR voor deze descriptor. OSPAR geeft vooralsnog alleen invulling aan criterium D2C1, gericht op beperking van het aantal introducties van NIS. Het belangrijkste argument hiervoor is dat het voorkomen van NIS-introducties de meest effectieve vorm is van beheer. Het beoordelen van nieuwe introducties heeft dus logischerwijs een hogere prioriteit dan het beoordelen van hun verdere ontwikkeling en effecten.

Behalve de KRM is in het Europese beleid ook de Verordening 1143/2014/EU gericht op de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Deze verordening heeft grotendeels betrekking op terrestrische gebieden en zoete wateren, maar er staan twee soorten op de lijst die in het mariene milieu kunnen voorkomen: Chinese wolhandkrab en Amerikaanse zeebaars.

Beoordeling

De beoordeling van criterium D2C1 berust op vergelijking van het aantal introducties van NIS tussen opeenvolgende planperioden. De benodigde gegevens zijn afkomstig van een Nederlandse analyse, waarin de OSPAR-methodiek is gebruikt en de dataset uit het QSR (OSPAR, 2023) is aangevuld met data over waarnemingen van NIS in Nederland tot en met 2020, voor zover deze in december 2022 bekend waren (Gittenberger & Rensing, 2022). In de perioden 2003-2008, 2009-2014 en 2015-2020 hebben zich respectievelijk 17, 18 en 24 NIS met een oorsprong van buiten Noordwest-Europa in het Nederlandse deel van de Noordzee gevestigd. Het aantal nieuw geïntroduceerde NIS is in de afgelopen planperiode dus niet afgenomen, maar zelfs verder toegenomen. Hoewel voor dit criterium nog geen drempelwaarde is vastgesteld, kan worden geconcludeerd dat de goede milieutoestand nog niet is bereikt.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgaven

De toename van het aantal nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten in het Nederlandse deel van de Noordzee brengt een reëel impactrisico op het ecosysteem met zich mee en vraagt om aanhoudende beleidsinspanning om dichter bij de GMT te komen.

De bestaande aanpak richt zich op het minimaliseren van nieuwe introducties van niet-inheemse soorten via schelpdiertransporten, ballastwater en scheepshuidaangroei (bestaand milieudoel MS1 2018). Introducties via schelpdiertransport zijn in de afgelopen twee planperiodes (van 2003 tot 2014) flink afgenomen. Dat kan worden gezien als resultaat van het schelpdiertransportbeleid dat in Nederland is ingevoerd, een combinatie van risicobeoordelingen en een control- en managementplan.

Ook het aantal nieuwe introducties via ballastwater is in de afgelopen planperiode afgenomen. Mogelijk is dit een effect van de installatie van ballastwaterschoonmaaksystemen op schepen, een maatregel die sinds 2017 van kracht is en die voortkomt uit het Internationale Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen International Convention for the Control and Management of Ships’ Ballast Water and Sediments (BWM), 2004) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).

Het aantal nieuwe introducties via scheepshuidaangroei is flink toegenomen, waarschijnlijk als gevolg van de groei van de wereldomvattende scheepvaart. Hier ligt voor de komende jaren dan ook de grootste opgave. Naar verwachting zal de internationale scheepvaartsector nog verder groeien, met als gevolg potentieel extra kans op introductie van nieuwe niet-inheemse soorten via zowel scheepshuidaangroei als ballastwater. Daarnaast wordt als bijdrage aan de eiwittransitie een toename verwacht van mari- en aquacultuur op de Noordzee. Ook die ontwikkeling brengt een potentieel groter risico van introductie van nieuwe niet-inheemse soorten met zich mee.

De toename van hard substraat in de zee, die samenhangt met de aanleg van windparken, gaat gepaard met het risico dat niet-inheemse soorten die op de oorspronkelijke kale bodem geen houvast vinden, zich wél kunnen hechten op het geïntroduceerde substraat.

Milieudoelen en indicatoren

De geactualiseerde milieudoelen richten zich op de belangrijkste bekende routes voor introducties van nieuwe niet-inheemse soorten: scheepshuidaangroei en ballastwater (2.1) en schelpdiertransport en aquacultuur (2.2).

Vanwege het gebrek aan handelingsperspectief voor het verwijderen van niet-inheemse soorten die zich al in het mariene milieu van de Noordzee bevinden, wordt volledig ingezet op preventie van nieuwe introducties van niet-inheemse soorten. Dat gebeurt in de komende planperiode op drie niveaus: nationaal (NL), Europees/regionaal (OSPAR), en internationaal wereldwijd (IMO). Extra aandacht gaat hierbij uit naar de introducties via scheepshuidaangroei, vanwege de toename van introducties via deze route in de afgelopen planperiode.

Om de al bereikte daling van introducties via schelpdiertransport en ballastwater te bestendigen, moeten het hiertoe gevoerde beleid en de uitvoering van de Ballastwater Conventie worden voortgezet. Ten slotte is het van belang om potentiële nieuwe introductieroutes tijdig te signaleren en hierop te handelen. Het tweede milieudoel (2.2) richt zich daarom ook op het minimaliseren van introducties via potentiële nieuwe routes (met uitzondering van natuurlijke verspreiding). De milieudoelen zijn in overeenstemming met internationale afspraken en regelgeving (IMO en EU).

Tabel 2.1. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

2.1

Minimaliseren van introducties niet-inheemse soorten via scheepshuidaangroei en ballastwater (ten minste een daling ten opzichte van de voorgaande planperiode).

Doorlopend

Aantal nieuwe introducties via scheepshuidaangroei en ballastwater.

Continuering beleidsondersteuning bij ontwikkeling van richtlijnen en regelgeving gericht op de risicominimalisatie van deze vector op nationaal (NL), Europees (OSPAR), en mondiaal (IMO) niveau.

Continuering van het Ballastwaterconventiebeleid.

2.2

Minimaliseren van introducties niet-inheemse soorten via schelpdiertransport, aquacultuur en overige vectoren, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe activiteiten.

Doorlopend

Aantal nieuwe introducties via schelpdiertransport, aquacultuur en overige vectoren.

Continuering schelpdiertransportbeleid 2023-2033.

Uitvoering aquacultuur projecten binnen kaders EU Verordening 1143/2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.

Onderdeel maken van mer en vergunningverlening nieuw type activiteiten op zee.

Toelichting indicator

De OSPAR-indicator NIS3 New introductions kwantificeert het aantal nieuwe introducties van NIS per periode, per regio en per land. Aangezien er nog geen kwantitatieve drempelwaarde voor de NIS-indicator is overeengekomen, wordt uitgegaan van een goede of verbeterende toestand als het aantal nieuwe introducties afneemt ten opzichte van de voorgaande planperiode. Voor nadere details over deze indicator, zie de CEMP guidelines (OSPAR, 2018).

OSPAR heeft in zijn analyse data verwerkt uit de periode 2003 tot en met 2020. Daarbij past de kanttekening dat ten tijde van die analyse (augustus 2021) een deel van de data uit de laatste jaren niet beschikbaar was. Dit komt doordat waarnemingen van NIS pas bekend worden nadat ze zijn gepubliceerd, wat soms gepaard gaat met een vertraging van enkele jaren. Om die reden heeft Nederland voor de rapportage over het Nederlandse deel van de Noordzee in december 2022 een vergelijkbare aanvullende analyse gedaan over de jaren 2003 tot en met 2020. Daarbij zijn niet alleen waarnemingen uit de Noordzee betrokken, maar ook vondsten uit de Waddenzee en de Zeeuwse Delta. Dit omdat het aannemelijk is dat een soort die daar voorkomt ook in de Noordzee is gevestigd of zich zal vestigen. Conform het OSPAR/JRC-advies zijn alle aangetroffen NIS meegenomen (Tsiamis et al., 2021), met uitzondering van soorten waarvan bekend is dat ze alleen in brakwater kunnen voorkomen (zoutgehalte < 20 ppt; Gittenberger & Rensing, 2022).

De nu gevolgde methodiek wijkt af van die in de voorgaande beoordeling (Mariene Strategie deel 1, 2018). Destijds heeft Nederland een nationale analyse uitgevoerd waarin uitsluitend NIS-waarnemingen uit de Nederlandse Noordzee zijn meegenomen. NIS-waarnemingen in aanliggende wateren zoals Zeeuwse delta en Waddenzee telden niet mee in de beoordeling. Daarnaast wijkt het resultaat af doordat, als gevolg van vertraagde publicatie (september 2017), gegevens over de introductie van de Amerikaanse strandschelp niet op tijd voor de analyse beschikbaar waren. Uiteindelijk liet de analyse van 2018 een daling zien, wat tot de conclusie leidde dat de GMT was behaald.

Resultaten

Met de huidige systematiek en met de huidige (completere) dataset houdt de conclusie ‘GMT gehaald’ over de voorgaande planperiode geen stand, omdat geen daling zichtbaar is. Gebaseerd op de aanvullende analyse met de in december 2022 beschikbare data (Gittenberger & Rensing, 2022) kan worden geconcludeerd dat het aantal nieuwe niet-inheemse soorten in Nederland in de laatste periode (2015-2020) juist gestegen is ten opzichte van de voorgaande periode, namelijk van 18 naar 24 introducties (zie figuur 2.1). Hoewel er nog geen drempelwaarde voor het aantal introducties van NIS is vastgesteld, mag op basis van deze aanvullende analyse worden aangenomen dat er geen sprake lijkt te zijn van een afname in aantal introducties, en dat de goede milieutoestand nog niet bereikt is.

De kanttekening die in de bovenstaande toelichting is gemaakt bij de OSPAR-analyse over de periode 2003-2020 geldt niet alleen voor de Nederlandse Noordzee. Vergelijking van de opeenvolgende planperioden –zoals in de KRM-analyse van 2018 uitgevoerd – lijkt bij de meeste landen en in de gehele Noordzee te wijzen op een afname in het aantal introducties. Op grond van de nadere analyse voor de Nederlandse Noordzee is de vraag gerechtvaardigd of in de periode 2003-2020 het aantal NIS wellicht in de hele Internationale Noordzee gestaag is toegenomen.

Geen van de aangetroffen nieuwe soorten staan op de lijst van Verordening 1143/2014/EU betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. De Chinese wolhandkrab komt al geruime tijd in ons land voor en de Amerikaanse zeebaars heeft zich, voor zover bekend, nog niet gevestigd in de EU.

De meeste NIS-soorten blijken zich niet te verspreiden buiten de OSPAR-regio waarin ze voorkomen. Zo komen in OSPAR-regio II (Internationale Noordzee) 87 NIS voor die niet in de aangrenzende OSPAR-regio’s III en IV voorkomen. Slechts 14 NIS zijn in alle drie de regio’s aangetroffen. Binnen OSPAR-regio’s III en IV komen, net als in regio II, ook grote aantallen NIS voor die in de andere twee regio’s niet voorkomen.

Het merendeel van de NIS behoort tot de kreeftachtigen, zeewieren (macroalgen) of wormen, maar NIS worden aangetroffen in de meeste taxonomische groepen (figuur 2.2). Deze taxonomische diversiteit vertegenwoordigt een hoge verscheidenheid aan eigenschappen, habitatvereisten, trofische niveaus en functies. Dat wijst erop dat NIS in een groot aantal habitats en omgevingscondities terechtkomen. Overigens hebben lang niet alle NIS een significant negatieve impact op het mariene milieu, bijvoorbeeld op instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden.

De vectoren waarmee nieuwe NIS worden geïntroduceerd zijn niet altijd makkelijk vast te stellen; vaak gebeurt dit op basis van deskundigenoordeel. De meest waarschijnlijke vectoren waarmee soorten in de perioden 2003-2008, 2009-2014 en 2015-2020 in één of meerdere OSPAR-landen zijn geïntroduceerd betreffen aangroei op scheepshuiden (hull fouling), ballastwater en vis- en schelpdiertransporten (bron: OSPAR-analyse). Ook secundaire, natuurlijke verspreiding van soorten die oorspronkelijk elders in Europa door antropogene vectoren primair zijn ingevoerd, speelt een rol van betekenis.

De aanvullende Nederlandse analyse op basis van beschikbare data in december 2022 wijst uit dat in de periode 2003-2020 waarschijnlijk in totaal 58 NIS met een oorsprong buiten Noordwest-Europa zich in het Nederlandse deel van de Noordzee hebben gevestigd (Gittenberger & Rensing, 2022). De gesignaleerde toename van het aantal geïntroduceerde NIS in de periode 2015-2020 (figuur 2) is niet zichtbaar bij alle vectoren in figuur 2.3. Dat hangt samen met een sterk verschil in de ontwikkelingen per vector tussen de planperioden. Zo zijn in de afgelopen twee perioden (sinds 2009) geen NIS meer ‘opzettelijk uitgezet’ en lijkt er een sterke afname te zijn in de introductie van NIS via vis/schelpdiertransporten. Deze afname is mogelijk gedeeltelijk te verklaren door het schelpdiertransportenbeleid dat in de periode 2009-2014 in Nederland is ingevoerd. De toename van het aantal introducties van NIS via ballastwater in de periode 2009-2014 lijkt in de periode 2015-2020 te zijn gestopt.

Waarschijnlijk is dit ten minste deels te danken aan de Ballastwaterconventie en daaraan gekoppelde ballastwaterschoonmaaksystemen die sinds 2017 op schepen worden geïnstalleerd. Een sterke toename van het aantal NIS-introducties in de Nederlandse wateren kan alleen worden vastgesteld voor de vector scheepshuidaangroei. Mogelijk speelt de toename van de scheepvaart langs de West-Europese kusten hier een rol. Ook kan het zijn dat het minder koude water in de winter invloed heeft op de overlevingskansen van uitheemse organismen. Deze mogelijke verklaringen zijn echter zeer speculatief en niet in detail onderzocht.

Het grote aandeel van hull fouling als introductievector van NIS wordt wereldwijd erkend. Momenteel nemen onder andere IMO (International Maritime Organization) en OSPAR meerdere initiatieven om probleemspecifieke richtlijnen en mogelijk beleid verder te ontwikkelen. Nederland ondersteunt deze ontwikkelingen actief.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De uitkomsten van de beoordeling van D2C1 zijn sterk afhankelijk van de intensiteit van de monitoring en van de keuze uit welke bronnen gegevens worden betrokken voor de KRM-analyse. Nederland kiest voor een aanpak van herhaalde beoordeling op basis van best beschikbare kennis, waarin alle beschikbare waarnemingen van niet-inheemse mariene soorten samen worden beschouwd. Dus ook uit andere bronnen dan de reguliere monitoring voor de KRM. Zo wordt ook gebruikgemaakt van resultaten uit langjarige soorteninventarisaties die specifiek zijn gericht op de detectie van mariene uitheemse soorten in gebieden met een hoge kans op (primaire) introductie. Recent is een onderzoek gestart naar NIS op navigatieboeien op zee. En in verband met de uitbreiding van de windparken op zee zal ook in het kader van het MONS-programma de mogelijke impact op de verspreiding van NIS worden gevolgd. Naar verwachting geeft dit onderzoek in de loop van de tijd inzicht in het zogenaamde stepping-stone-effect.

Tussen de datum van introductie van NIS, de datum van eerste waarneming en de publicatie over de introductie verstrijken herhaaldelijk één tot meerdere jaren. Dit maakt de OSPAR-analyse van de meest recente planperiode en de hieraan gekoppelde afname van introducties minder compleet (reden waarom een aanvullende Nederlandse analyse is uitgevoerd). Zowel op Europees niveau als in OSPAR wordt naar meer structurele oplossingen gezocht.

Hoewel de indicator robuust is en ook wordt gebruikt door andere Regionale Zeeconventies, is nog geen kwantitatieve drempelwaarde vastgesteld voor het aantal introducties van NIS. De meeste OSPAR-landen, waaronder Nederland, gaan vooralsnog uit van een daling als indicatie voor een goede milieutoestand. De komende jaren wordt in OSPAR- verband en in het D2-expertnetwerk van het Joint Research Centre (JRC) van de EU verder gewerkt aan de ontwikkeling van een drempelwaarde. Naar verwachting is deze voor de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) beschikbaar.

Bronnen

Gittenberger, A. & Rensing, M., (2022). Non-indigenous species in the coastal waters of the Netherlands: update 2020. Issued by Office for Risk Assessment and Research, Netherlands Food and Consumer Product Safety Authority. GiMaRIS 2022_16: 40 pp.

Gittenberger, A., Rensing, M., Faasse, M., Walraven, L. van, Smolder, S., Keeler Perez, H. & Gittenberger, E., (2023). ​Non-Indigenous Species Dynamics in Time ad Space within the Coastal Waters of the Netherlands. MDPI Marine Diversity. Trends in Marine Non-Indigenous Species in Europe by 2020, and Predictions through Modelling and Horizon Scanning for 2050. Diversity, 15, 719.

Joint Research Centre (2021). ​Marine Strategy Framework Directive- Descriptor 2, Non-Indigenous Species, Delivering solid recommendations for setting threshold values for non-indigenous species pressure on European seas. EUR 30640 EN, Publications Office of the European Union, Luxembourg. ISBN 978‑92‑76-32257-3, JRC124136.

D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal- en schelpdieren

GMT (Art. 9)

Descriptor 3: Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een demografie die kenmerkend is voor een gezond bestand.

Criterium D3C1: De visserijsterfte van elk commercieel geëxploiteerd bestand in de Internationale Noordzee voldoet aan de drempelwaarde gebaseerd op het GVB.

Criterium D3C2: De paaibiomassa van elk commercieel geëxploiteerd bestand in de Internationale Noordzee voldoet aan de drempelwaarde gebaseerd op het GVB.

Beoordeling (Art. 8)

Van de 71 commercieel geëxploiteerde bestanden vis en schaal- en schelpdieren zijn 20 bestanden (28 procent) in goede toestand, 19 (27 procent) voldoen niet en van 32 (45 procent) bestanden is onvoldoende informatie beschikbaar voor een beoordeling. Hiermee is de goede milieutoestand niet bereikt. Wel is een geleidelijke verbetering zichtbaar bij demersale en benthische soorten (ICES, 2022a).

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

D3C1: Visserijsterfte commercieel geëxploiteerde bestanden (GVB).

F≤Fmsy (GVB), gemiddeld over de planperiode.

F (visserijsterfte)

Internationale Noordzee, 2015-2020 (A).

D3C2: Paaibiomassa commercieel geëxploiteerde bestanden (GVB).

SSB > MSY Btrigger (GVB), gemiddeld over de planperiode.

SSB (ton)

Internationale Noordzee, 2015-2020 (A).

Milieudoelen (Art. 10)

De beleidsopgave voor D3 sluit geheel aan op de afspraken via het GVB (jaarlijkse vaststelling TAC- en quota) en op de milieudoelen van D1 Vissen. De milieudoelen van D4 Voedselwebben en D6 Integriteit van de zeebodem komen ook ten goede aan D3.

Inleiding

Visserij is een belangrijke actor in het Noordzee-ecosysteem. De EC reguleert het beheer ervan (vanaf 3 mijl uit de kust. In de 3 mijlszone reguleren de lidstaten zelf het visserijbeheer), via het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB; EU Verordening Nr. 1380/2013). De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer en de handhaving. Het toepassingsgebied van het GVB omvat de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en het beheer van de visserij op die rijkdommen. Het doel van dit beheer is de exploitatie van alle visbestanden op een ecologische, sociaal en economisch duurzame en evenwichtige wijze. De KRM gaat uit van de voorwaarden van het GVB en beschouwt de goede milieutoestand van commercieel geëxploiteerde soorten als bereikt wanneer de visserijdruk onder het niveau ligt van een ‘maximale duurzame opbrengst’. Dit wordt afgemeten aan een maximale visserijsterfte (criterium D3C1) en minimale paaibiomassa (D3C2).

Beoordeling

Commercieel geëxploiteerde vissen en schaal- en schelpdieren worden beoordeeld op grond van twee indicatoren: visserijsterfte (D3C1) en paaibiomassa (D3C2). Vaak zijn van een soort verschillende populaties te onderscheiden, die als afzonderlijke bestanden worden beheerd. Voor de meeste bestanden is de goede milieutoestand bereikt als beide indicatoren aan de drempelwaarde voldoen.

Voor de beoordeling van descriptor 3 zijn 71 commercieel geëxploiteerde bestanden vissen, schaal- en schelpdieren geanalyseerd (ICES, 2022a). De beoordeling heeft betrekking op de periode 2015-2020 en op bestanden binnen de Internationale Noordzee. Van deze 71 bestanden zijn 20 bestanden (28 procent) in goede toestand, 19 (27 procent) voldoen niet en van 32 (45 procent) bestanden is geen beoordeling mogelijk (zie tabel 3.1). Het GVB streeft ernaar dat ‘de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd, dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren’ (Art. 2 Verordening (EU) Nr. 1380/2013). Omdat een beduidend deel van de bestanden nog niet voldoet en van een groot deel de toestand niet bekend is, mag worden aangenomen dat de goede milieutoestand niet is bereikt.

Vergelijking met de voorgaande planperiode is niet goed mogelijk omdat de soortenlijsten verschillen.

Over het algemeen is bij benthische en demersale vissen een verbetering te zien (een afnemende trend in visserijsterfte) vanaf 2000. Van pelagische soorten en schaaldieren zijn geen duidelijke trends waarneembaar in de periode 2015 – 2020 (ICES, 2022a). Data uit 2021 en later worden opnieuw beoordeeld om de trends te actualiseren in de MS1 van 2030 (ICES stock assessment graphs).

Tabel 3.1. D3-beoordeling. Per bestand is weergegeven of de gemiddelde visserijsterfte en paaibiomassa voldoen. Als basis zijn hiervoor de ICES-bestandsbeoordelingen per jaar gebruikt. Groen = voldoet, rood = voldoet niet en grijs geeft aan dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om een oordeel te geven.

Toelichting indicatoren

Criterium D3C1 is gebaseerd op de visserijsterfte (F) die onder de drempelwaarde voor een duurzame exploitatie (FMSY) moet liggen, of daaraan gelijk moet zijn. D3C2 is gebaseerd op de paaibiomassa (spawning stock biomass, SSB) die groter moet zijn dan de drempelwaarde (MSY Btrigger).

ICES maakt jaarlijks in het kader van het GVB een inschatting van bestanden van commercieel geëxploiteerde vis-, schaal- en schelpdiersoorten. Van bestanden waarover voldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt per bestand de visserijsterfte (F) en paaibiomassa (SSB) per bestand vastgesteld. Voor de KRM moeten de belangrijkste commercieel geëxploiteerde bestanden in de beoordeling worden meegenomen. Op verzoek van de EU heeft ICES daarom advies uitgebracht over commercieel geëxploiteerde vis-, schaal- en schelpdierbestanden, toegespitst op de KRM (ICES, 2022b). Voor de Internationale Noordzee gaat het om 71 visbestanden.

Voor criterium D3C1 heeft ICES van alle relevante visbestanden waarover voldoende data beschikbaar zijn de gemiddelde visserijsterfte berekend en een drempelwaarde voor de FMSY vastgesteld. Deze informatie is in de KRM-beoordeling verwerkt voor de periode 2015-2020.

Voor criterium D3C2 is de gemiddelde paaibiomassa over de periode 2015-2020 berekend en getoetst aan de drempelwaarde voor MSY Btrigger, die de ondergrens van een duurzame paaibiomassa aangeeft (EU, 2022).

De bestanden van kortlevende soorten fluctueert sterk tussen opeenvolgende jaren, soms zelfs zonder dat ze worden bevist. Voor deze soorten wordt daarom uitgegaan van een benadering op basis van een minimumbestandsgrootte (Bescapement). De grootte van het bestand moet zodanig zijn dat de toekomstige rekrutering niet wordt belemmerd (EU, 2022).

Per bestand is nagegaan of de gemiddelde visserijsterfte en paaibiomassa voldoen aan de drempelwaarden (tabel 3.1). Een soort kan uit meerdere populaties bestaan die als afzonderlijke bestanden worden beheerd. Daardoor kan de soort ook meerdere beoordelingen hebben. Zo zijn in de beoordeling drie haringbestanden meegenomen. Uit de bestandcode is veelal af te leiden waar de soort voorkomt. Voorbeeld: her.27.20-24 komt voor in FAO-gebied 27 (Noord-Atlantische Oceaan) in de deelgebieden 20-24 (onder andere Skagerrak & Kattegat), terwijl her.27.3a47d voorkomt in 3a Skagerrak en Kattegat; 4 Noordzee; 7d Oostelijk kanaal. De leefgebieden van deze bestanden overlappen elkaar.

Kabeljauwbestand cod.27.7e-k heeft een leefgebied van 7e Westelijk kanaal tot 7k zuidwestelijk van Ierland-West. Het merendeel van dit leefgebied ligt dus buiten de Internationale Noordzee. Scharbestand dab.27.3a4 valt volledig binnen de Internationale Noordzee. Deze nuance geeft aan dat leefomstandigheden buiten de Internationale Noordzee van invloed kunnen zijn op de toestand van soorten die zijn opgenomen in de beoordeling van descriptor D3.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Gegevens over visbestanden worden al decennialang ingewonnen en gebruikt als basis voor het beheer van commerciële visbestanden. ICES coördineert, ontwikkelt en verbetert de methodieken voor de monitoring en

beoordeling van de ingewonnen gegevens. De gebruikte gegevens en beoordelingsmethodieken hebben daardoor een hoge mate van betrouwbaarheid. Van een aanzienlijk aantal visbestanden zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar voor een volledige beoordeling. Dit blijft een moeilijk oplosbaar punt, omdat de benodigde monitoringinspanning voor het kunnen beoordelen van álle soorten disproportioneel is. volledige monitoring van de toestand van alle visbestanden is waarschijnlijk niet haalbaar met de huidige methodieken. Het GVB heeft als doel om alle bestanden duurzaam te beheren. Uitgaande van het voorzorgbeginsel (Art. 2 Verordening (EU) Nr. 1380/2013) zou in theorie dan ook van alle bestanden kennis beschikbaar moeten zijn. Voorlopig lijkt dit niet haalbaar. Toch groeit de kennis over visbestanden, zoals over enkele haaien- en roggensoorten. Naar verwachting zullen langzaam maar zeker steeds meer bestanden kunnen worden beoordeeld.

Naast visserijsterfte (D3C1) en paaibiomassa (D3C2) benoemt het Commissiebesluit 2017/848/EU als primair criterium D3C3 Populatieopbouw van commercieel geëxploiteerde bestanden. In de KRM-handreiking (EU, 2022) worden voor het uitwerken van beoordelingen onder D3C3 indicatoren voor lengte, leeftijdsverdeling en volwassenheid aangehaald, maar specificaties ontbreken nog. Dit criterium is nog niet uitgewerkt vanwege onduidelijkheden tussen doelstellingen van MSY en de voor D3C3 relevante soortspecifieke leeftijd- en grootteverdeling. In februari 2024 heeft ICES, in opdracht van de Europese Commissie, acht mogelijke indicatoren geïdentificeerd die kunnen worden gebruikt om veranderingen in populatiestructuur aan te kunnen duiden wanneer wordt gevist op Fmsy-niveau (ICES, 2024). Deze indicatoren zijn echter nog niet operationeel door gebrek aan regionale afspraken over welke (combinatie van) geïdentificeerde indicatoren moeten worden toegepast voor de invulling van D3C3. Dit komt vooral door de verschillen in karakteristieke populatieeigenschappen, zoals bijvoorbeeld het verschil tussen kort- en langlevende soorten. Naar verwachting is het mogelijk om een beoordeling voor criterium D3C3 op te nemen in de volgende MS1 in 2030.

D4 Voedselwebben

GMT (Art. 9)

Alle trofische gilden in het mariene voedselweb, voor zover deze bekend zijn, hebben een productiviteit, dichtheid en diversiteit op een niveau dat het functioneren van het voedselweb garandeert.

Beoordeling (Art. 8)

‘Voedselwebben’ in de Internationale Noordzee voldoen niet aan de goede milieutoestand. De dichtheid, de verspreiding en de productiviteit van belangrijke groepen die verschillende trofische gilden vertegenwoordigen, zijn onderhevig aan verandering. Deze veranderingen hangen samen met veranderingen in het milieu, waarschijnlijk als gevolg van menselijke activiteiten.

Milieudoelen (Art. 10)

Vanwege belangrijke kennislacunes rond voedselwebben zijn milieudoelen kwalitatief van aard. Het karakter van D4 als resultante van de overige descriptoren, betekent dat ook de milieudoelen van alle andere descriptoren bijdragen aan het verbeteren van de milieutoestand voor het voedselweb.

Inleiding

Alle organismen in en rondom de Noordzee vormen een levensgemeenschap en zijn met elkaar verbonden in een voedselweb. Het voedselweb is een netwerk van trofische relaties en interacties tussen organismen, waarbij energie wordt overgedragen van lagere naar hogere trofische niveaus in de vorm ‘het eten en gegeten worden’. Een trofisch niveau is de hiërarchische positie (qua voeding) van een organisme in een voedselweb of in een voedselketen. Het eerste trofische niveau, de basis van het mariene voedselweb, wordt gevormd door fytoplankton. Dit is een bron van energie en bouwstoffen voor andere organismen die op hun beurt worden gegeten door (veelal grotere) organismen. Zo ontstaat een voedselketen, bestaande uit verschillende trofische niveaus.

De elementen van een voedselweb bestaan uit trofische gilden (of functionele groepen) van één of meerdere soorten met een vergelijkbare rol en/of voedingspatroon (‘elementen’ in tabel 4.1). Root (1967) definieerde een gilde als een groep soorten die dezelfde klasse van milieuhulpbronnen op vergelijkbare wijze exploiteert. Het totaal van de gilden omvat potentieel alle levende organismen van het voedselweb en de hulpbronnen bevatten ook de niet-levende organische componenten (bijvoorbeeld detritus).

De soortensamenstelling van voedselketens varieert per habitat en regio, maar het principe van energieoverdracht vanaf de primaire productie vanuit zonlicht via opeenvolgende trofische niveaus tot aan de top van de keten, is overal hetzelfde.

De interacties tussen soorten in een voedselweb zijn complex en veranderen voortdurend (bijvoorbeeld door seizoensinvloeden), waardoor het moeilijk is één toestand te typeren als ‘goede’ toestand. Echter, veranderingen in de relatieve dichtheid van soorten in een ecosysteem veranderen de interacties in verschillende delen van een voedselweb, en kunnen een negatief effect hebben op de dynamiek binnen en het functioneren van het voedselweb.

Descriptor D4 beschouwt de functionele aspecten en trofische gilden van mariene voedselketens. De toestand van het systeem wordt geanalyseerd aan de hand van (1) de energieoverdracht binnen het voedselweb en (2) de structuur van het voedselweb.

Beoordeling

Met zes voedselwebindicatoren van OSPAR is inzichtelijk gemaakt dat de dichtheid, verspreiding en productiviteit van verschillende trofische gilden onderhevig zijn aan verandering.

De beoordeling van D4 Voedselwebben staat in tabel 4.1. De KRM vraagt een oordeel per ‘element’, ofwel per trofisch gilde. Met de nieuwe en verder doorontwikkelde indicatoren van OSPAR (zie beneden) is beoordeling van drie elementen mogelijk: primaire producenten, secondaire producenten en demersale vis. De status van alle drie de elementen in de Internationale Noordzee is beoordeeld als ‘niet goed’. Daarmee is ook het oordeel voor de status van het voedselweb in het Nederlandse deel van de Noordzee ‘niet goed’. Voor de andere elementen zijn voor de Internationale Noordzee geen indicatoren beschikbaar.

De belangrijkste resultaten van het OSPAR Quality Status Report (2023) zijn per indicator samengevat in figuur 4.1. Alleen de indicator Aandeel grote vissen (FC2) heeft een drempelwaarde en deze is niet behaald. Wanneer de indicatoren geen vastgestelde drempelwaarde hebben, is de beoordeling van de toestand gebaseerd op het oordeel van deskundigen. In de Internationale Noordzee zijn de belangrijkste resultaten dat visgemeenschappen onder druk staan en dat de primaire productie een neerwaartse trend laat zien.

Toelichting beoordeling

Voor het beoordelen van de toestand van voedselwebben gaat Nederland uit van de OSPAR-beoordeling (OSPAR, 2023). Deze wordt gedaan op een ecologisch relevante schaal, de Internationale Noordzee. Voor het oordeel over het Nederlandse deel van de Noordzee, waar volgens de OSPAR-methodiek uitsluitend het kenmerk ‘kustzone’ voorkomt, is dit oordeel overgenomen.

Drie van de zes daarvoor gebruikte indicatoren zijn zogenaamde common indicators: ‘FC2 Proportion of large fish’, ‘FW3 Size composition in fish communities’, en ‘FW5/PH1 Changes in phyto- and zooplankton’. Deze zijn binnen OSPAR aangenomen en in de afgelopen jaren doorontwikkeld ten opzichte van het OSPAR 2017 Intermediate Assessment. De indicatoren ‘FC3 Mean maximum length of fish’, ‘FW2 Primary productivity’ en ‘FW7 Fish biomass and abundance of dietary functional groups’ zijn zogenaamde candidate indicators. Deze verkeren nog in de pilotfase en zijn binnen OSPAR nog niet aangenomen. Nederland baseert de integrale beoordeling van D4 op de drie common indicatoren en op pilot indicator FC3, omdat deze geografisch dekkend en voldoende ontwikkeld is. FW5 is gebruikt voor de beoordeling van de criteria D4C1 Diversiteit in trofische gilden en D4C2 Evenwicht tussen trofische gilden. Hij doet ook dienst als pelagische indicator (PH1; zie factsheet D1C6 Pelagische habitats). Meer details over de indicatoren en OSPAR-beoordeling staan in het OSPAR Quality Status Report ( 2023) en de CEMP-guidelines (OSPAR, 2018 & 2022).

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Ten opzichte van de andere descriptoren heeft D4 Voedselwebben een integrerend karakter. Hoewel de huidige beoordeling beperkt is tot plankton en vis, valt het voedselweb in bredere zin onder D4. Het bereiken van de goede milieutoestand in de andere descriptoren is een voorwaarde voor het bereiken van een goede milieutoestand voor voedselwebben. Biodiversiteit en habitats moeten beide aan de goede milieutoestand voldoen en drukfactoren moeten voldoende zijn teruggedrongen. De milieudoelen en beleidsopgaven die gelden voor de andere descriptoren, komen dus ook ten goede aan descriptor 4. Descriptor D4 heeft daarmee de potentie het succes van beleid en maatregelen voor andere descriptoren in een meer geïntegreerd, holistisch perspectief te plaatsen. Systeembegrip, cumulatie van effecten, draagkracht en ecosysteemdenken zijn daarbij van essentieel belang, evenals de invloed van klimaatverandering op het voedselweb. Verder onderzoek hiernaar en ontwikkeling van monitoring en beoordeling krijgen zowel internationaal (via OSPAR) als nationaal (via MONS) aandacht. In MONS zijn bijvoorbeeld drie onderzoeken geprogrammeerd naar de effecten van verzuring en opwarming op de basis van het voedselweb.

Naar verwachting zal de druk op het mariene ecosysteem toenemen door de samenloop van intensiever gebruik en effecten van klimaatverandering. Het verzuren van het zeewater maakt bijvoorbeeld dat sommige kalkvormende organismen meer energie nodig hebben om kalkstructuren aan te maken. Tegelijkertijd veroorzaakt de opwarming van het water voor een noordwaartse verplaatsing van soorten. Veranderingen van soortencomposities werken door in het voedselweb. De verwachting is dan ook dat de resterende beleidsopgave voor D4 in de komende planperiode eerder groter wordt dan kleiner.

Milieudoelen en indicatoren

Vanwege belangrijke kennislacunes rond voedselwebben zijn milieudoelen voor deze descriptor kwalitatief van aard. De milieudoelen zetten in op het herstellen van de beoordeelde trofische niveaus en integriteit. Naar verwachting zal een verlaging van de visserijdruk ten goede komen aan het voedselweb. De eerste drie milieudoelen van D4 zijn hierop gericht. Daarmee dragen de voedselweb-milieudoelen bij aan het uitvoeren van de EU-Biodiversiteitsstrategie waarin de Europese Commissie stelt dat lidstaten zich moeten inspannen voor bescherming van tenminste 30 procent van het land en 30 procent van de zeeën in de EU in 2030 (EC 2020a en b).

Milieudoel 4.1 is gericht op het gehele voedselweb en heeft deels overlap met de milieudoelen gericht op voedselbeschikbaarheid voor vogels en zeezoogdieren. De sluiting van gebieden voor alle vormen van visserij biedt de mogelijkheid om meer inzicht te verkrijgen in de integriteit in voedselweb-relaties en in mogelijke herstelmaatregelen. Voor 2030 zal een deel van het Friese Front (2,8 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee) volledig voor visserij worden gesloten. Dit gebied herbergt een hoge biodiversiteit en is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Hoewel het Friese Front niet representatief is voor het gehele voedselweb van de Noordzee, kan het monitoren van de veranderingen tot bruikbare inzichten leiden voor voedselwebherstel op andere plekken en voor mogelijke maatregelen daartoe.

Er is brede consensus over het belang voor het mariene milieu van een samenhangend netwerk van beschermde gebieden (Art. 13 KRM, QSR (OSPAR, 2023), EBS (SWD, 2022). Milieudoel 4.2 richt zich dan ook op het toewerken naar zo’n netwerk. Een aandachtspunt hierbij is de inzet van other effective area-based conservation measures (OECMs). Dit zijn gebieden die niet zijn aangewezen als beschermd gebied, maar die door de manier waarop zij worden beheerd ook effectief bijdragen aan de bescherming van de biodiversiteit (voorbeeld: een windpark waar visserijbeperkende maatregelen gelden).

Ook milieudoel 4.3 zet in op herstel door de visserijdruk te verlagen, maar dan specifiek gericht op de groottestructuur van demersale toppredatoren (vissen die dicht bij de zeebodem leven).

Milieudoel 4.4 richt zich op het vermijden van potentiële schadelijke effecten op het voedselweb als gevolg van hydrografische verstoring door de aanleg van windparken op zee (zie ook factsheet D7). Verstoring van de stratificatie heeft potentieel effect op de planktongemeenschap, doordat menging optreedt van waterlagen die in een niet-verstoorde toestand zijn gescheiden. Hierdoor veranderen de hoeveelheid licht en de concentraties zuurstof en nutriënten, met waarschijnlijke gevolgen voor de primaire productiviteit en de samenstelling van de planktongemeenschap. Er is nog weinig bekend over hoe deze potentiële veranderingen in de basis van het voedselweb doorwerken op de andere niveaus van het voedselweb. Onderzoek hiernaar is onderdeel van het MONS-programma, waarvan de resultaten kunnen bijdragen aan het milieudoel om potentieel negatieve effecten van windparken te minimaliseren.

Doordat D4 de resultante is van de overige descriptoren, dragen ook de milieudoelen van alle andere descriptoren bij aan het verbeteren van de milieutoestand voor het voedselweb. Dat geldt bijvoorbeeld in belangrijke mate voor de milieudoelen van D5 Eutrofiëring.

Tabel 4.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

4.1

Herstel van voedselwebben naar een gezond niveau met een natuurlijke energieoverdracht tussen trofische niveaus.

Doorlopend

Nog te ontwikkelen indicator voor voedselbeschikbaarheid op de verschillende trofische niveaus.

Sluiting Friese Front voor alle vormen van visserij (2,8%) (NZA 4.40).

Nader overleg tussen de visserijsector en NGO’s om te bezien of binnen de gebieden die gesloten worden voor bodemberoerende visserij verdere mogelijkheden zijn om te komen tot no fishery zones (NZA 4.39).

Inzicht verkrijgen in de veranderingen in de relaties tussen de trofische niveaus en de effecten daarvan (MONS, 2030).

Indien nodig aanvullende maatregelen nemen op basis van voortschrijdend inzicht (na 2030).

4.2

Toewerken naar een samenhangend en representatief netwerk van beschermde gebieden en gebieden aangewezen als OECM ten einde de veerkracht van het voedselweb te herstellen en borgen, wat verbetering inhoudt ten opzichte van de afgelopen beleidsperiode.

Doorlopend

OSPAR-indicator voor samenhang tussen de beschermde gebieden (verdere ontwikkeling in Ecoherence Project OSPAR).

Aangewezen gebieden voor natuur (beschermde gebieden + OECM).

Toekomstige aan te wijzen gebieden + OECM.

4.3

Herstel van grootteverdeling van predatoren in het trofisch demersale subapex niveau.

Doorlopend

D4C3 Grootte-verdeling binnen gilden gemeten door a) de groottestructuur, b) de gemiddelde maximale lengte, c) het aandeel grote vissen.

Visserijmaatregelen (art 11) conform NZA (2030).

Zonodig bijsturen op basis van evaluatie van effecten van verlaagde visserijdruk op subapex predatoren in 2036.

4.4

Fase 1:

Verkennen van de effecten van menselijke activiteiten die stratificatie beïnvloeden op planktongemeen-schappen.

Fase 2:

Indien nodig de verstorende effecten van menselijke activiteiten minimaliseren.

Fase 1:

2030

Fase 2:

nader te bepalen

Indicator Hydrografische eigenschappen (D7); verder ontwikkelen.

Samenstelling plankton

Zie ook indicatoren milieudoel 5.3, input en onttrekking nutriënten:

- Concentraties nutriënten (N totaal en P totaal) over het hele jaar.

- Concentraties

chlorofyl-a

- Primaire productie (gC/m2/j).

In m.e.r en vergunningverlening aandacht voor effecten van mitigeren door locatiekeuze en inrichting van windparken en andere initiatieven die de stratificatie kunnen beïnvloeden.

Onderzoek via Wozep en OSPAR (2030).

D4C1 Diversiteit van trofische gilden

GMT (Art. 9)

De diversiteit (soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid) binnen de beoordeelde trofische gilden (primaire en secundaire producenten) in de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Beoordeling (Art. 8)

De samenstelling van fytoplankton en zoöplankton is over een langere periode significant veranderd, en deze veranderingen zijn geassocieerd met veranderingen in het milieu die door menselijk handelen veroorzaakt zijn. Daarom voldoet de diversiteit van deze trofische gilden in de Internationale Noordzee niet aan de goede milieutoestand.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

FW5 Veranderingen in fyto- en zoöplankton (OSPAR).

Niet voorzien, beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

Individuen/volume.

Internationale Noordzee, 1960-2019 (A).

FW5 Veranderingen in planktongemeenschappen (OSPAR)
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator ‘PH1/FW5: Veranderingen in planktongemeenschappen’ wordt behalve voor criterium D4C1 Diversiteit van trofische gilden ook gebruikt voor de criteria D4C2 Evenwicht tussen trofische gilden en D1C6 Pelagische habitats (zie hiervoor de betreffende factsheets). Deze indicator beoordeelt veranderingen in zogenaamde functionele groepen of life forms. Dit zijn groepen van organismen die in het pelagische systeem dezelfde functie of rol vervullen. Veranderingen op het niveau van functionele groepen zeggen méér over de impact van veranderingen in het milieu dan veranderingen op het niveau van soorten. Dat komt doordat het belangrijker worden van één soort ten koste van een andere soort binnen min of meer dezelfde niche vaak een gevolg is van onderlinge biologische dynamiek en niet van veranderende omstandigheden. Daar komt bij dat het identificeren van plankton op soortniveau erg ingewikkeld is. Het gebruik van een hoger taxonomisch niveau levert betrouwbaardere (en dus beter vergelijkbare) datasets op. De functionele groepen die zijn beschouwd in deze beoordeling staan in figuur 4.2.

De abundantie van de functionele groepen in de Internationale Noordzee is bepaald per beoordelingseenheid (zie beneden). Vervolgens is per eenheid vastgesteld of een opwaartse of neerwaartse trend is te detecteren. Omdat één beleidsperiode te kort is om statistisch significante trends te signaleren, is voor het uiteindelijke oordeel aanvullend ook gekeken naar de langetermijntrends (de langste van 1960 tot 2019). Daarnaast is statistisch geanalyseerd of er veranderingen in fysisch-chemische en hydrografische omstandigheden zijn geweest die de veranderingen in het plankton waarschijnlijk hebben aangestuurd.

Resultaten

Uit de statistische analyse komt naar voren dat in de meeste beoordelingseenheden bijna alle functionele groepen over de laatste decennia significante veranderingen laten zien (figuur 4.3). De diversiteit (relatieve dichtheid van soortgroepen) binnen het primaire-producentengilde lijkt te veranderen, gezien de afname van de dichtheid binnen de dinoflagellaten en de toename van de dichtheid in de soortgroep diatomeeën.

De zes groepen secundaire producenten ontwikkelen zich uiteenlopend, wat aangeeft dat de samenstelling gedurende de beschouwde periode is veranderd. De veranderingen zijn voor zowel de primaire als de secundaire producenten geassocieerd met mensenlijk handelen (nutriënten en klimaat).

Kennishiaten en ontwikkelingen

In OSPAR-verband zijn stappen gezet voor de ontwikkeling van indicatoren die criterium D4C1 kunnen voeden. Gestart is met het fyto- en zoöplankton, die als primaire producenten het begin van het voedselweb vormen. De kennislacunes, genoemd onder criterium D1C6 Pelagische habitats, zijn dan ook hier van toepassing. Vooral de behoefte aan meer inzicht in de rol van zoöplankton in het voedselweb is groot, en daarom ook het belang van monitoring om meer data over dit gilde in te winnen. Kansen hiervoor liggen nadrukkelijk in de uitvoering van het MONS-programma onder het Noordzeeakkoord. In verband met de energietransitie onderzoekt Wozep door middel van modellering de invloed van windparken op primaire en secundaire productie.

De diversiteit van andere gilden is eveneens relevant. Informatie uit de visserijmonitoring, waarmee een aantal van de onderstaande indicatoren wordt gevoed, is mogelijk ook van belang voor het analyseren van diversiteit en dichtheid van (demersale) vis. Ook andere data, ingewonnen voor descriptor D1 Biologische diversiteit, kunnen van betekenis zijn voor criterium D4C1. Zo zit er ontwikkelingsperspectief in het toepassen van informatie uit meerdere gilden onder descriptor D1 voor het voeden van de beoordeling van D4C1 Diversiteit van trofische gilden. Denk aan abundanties en verspreiding van zeevogels en zeezoogdieren en aan diversiteit en biomassa in de benthische gemeenschap.

D4C2 Evenwicht tussen trofische gilden

GMT (Art. 9)

Het evenwicht tussen de totale dichtheden van beoordeelde trofische gilden (fytoplankton, zoöplankton, vis) in de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Beoordeling (Art. 8)

Het evenwicht tussen de trofische gilden in de Internationale Noordzee voldoet niet aan de goede milieutoestand. Deze uitkomst is de weerslag van veranderingen in het fyto- en zoöplankton. Het is nog niet mogelijk om de voedselgilden van de vissengemeenschap te toetsen aan de goede milieutoestand, omdat de GMT voor deze gilden nog niet is gedefinieerd.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

FW5 Veranderingen in fyto- en zoöplankton (OSPAR).

Niet voorzien, beoordeling door trendanalyse gekoppeld aan drukfactoren (OSPAR).

Individuen/volume.

Internationale Noordzee, 1960-2019 (A).

[FW7 Visbiomassa en abundantie van voedselgilden (OSPAR)].

[Geen drempelwaarde, trends (OSPAR)].

Biomassa (kg per km2) van gilden en soortenrijkdom binnen gilden.

Internationale Noordzee, 1997-2020 (A).

FW5 Veranderingen in fytoplankton- en zoöplanktongemeenschappen (OSPAR)

De methodiek en resultaten van deze indicator zijn uiteengezet onder criterium D4C1.

Daar is geconcludeerd dat de diversiteit (relatieve dichtheid) binnen de gilden primaire producenten en secundaire producenten onder invloed van menselijk handelen aan sterke veranderingen onderhevig is. Zeer waarschijnlijk is onder dezelfde invloed ook de relatieve dichtheid tussen deze gilden veranderd.

FW7 Visbiomassa en abundantie van voedselgilden (OSPAR)
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator FW7 beoordeelt de structuur en functie van het voedselweb in de Internationale Noordzee door veranderingen in voedselgilden binnen de visgemeenschap te analyseren. Voorbeelden van voedselgilden zijn planktivoren (vissen die zich voeden met zoöplankton), benthivoren (vissen die voedsel zoeken op de zeebodem) en piscivoren (vissen die andere vissen eten). Vissen en kraakbeenvissen worden met behulp van een clusteranalyse van hun dieet (maaginhoud) ingedeeld in voedselgilden. Deze voedselgilden komen daardoor niet volledig overeen met de trofische gilden zoals door ICES gedefinieerd voor de KRM.

De indicator FW7 geeft inzicht in veranderingen in dominante trofische relaties tussen gilden. Wanneer bijvoorbeeld de biomassa van consumenten lager in het voedselweb (zoals planktivoren) is afgenomen, terwijl die hogerop in het voedselweb (bijvoorbeeld piscivoren) is toegenomen, wijst dit op een dergelijke verandering. Deze veranderingen kunnen gevolgen hebben voor de opname van nutriënten en de efficiëntie van de nutriëntenoverdracht in het hele voedselweb.

Voor deze indicator bestaat geen drempelwaarde. De gebruikte dataset, ontleend aan de analyse van meer dan 1.250.000 vismagen uit de Noordzee, de Keltische zee en de Golf van Biskaje in de periode 1997 tot en met 2020, bevat meer dan 23.000 unieke prooidier-roofdierinteracties. Op basis van het percentage biomassa van de functionele prooigroepen zijn de vier voedselgilden als volgt benoemd: planktivoren, benthivoren, pisco-crustivoren (vissen die voornamelijk op schaaldieren en vis jagen) en piscivoren. Deze vier gilden zijn gebruikt om de energieoverdracht in het systeem te analyseren.

Resultaten

De veranderingen in de verdeling van biomassa en soorten binnen de geanalyseerde voedselgilden wijzen op veranderingen in de voedselwebstructuur. Uit de analyse blijkt dat niet alleen de biomassa van visgemeenschappen, maar ook hun diversiteit in verschillende richtingen verandert; en ook dat de tijdsschaal waarop die veranderingen plaatsvinden varieert.

Figuur 4.4 toont biomassa en veranderingen hierin, figuur 4.5 de soortenrijkdom en veranderingen hierin van de vier gilden in de Internationale Noordzee (en andere delen van de OSPAR-regio). Veranderingen hebben betrekking op de periode 1997-2020.

De kaarten geven voor de Zuidelijke Noordzee het volgende beeld.

De biomassa van planktivoren vertoont gemiddelde waarden. Hun soortenrijkdom ligt iets onder gemiddeld. De biomassa van planktivoren is over de beoordelingsperiode niet veranderd, terwijl de soortenrijkdom gemiddeld is toegenomen.

De biomassa van benthivoren is gelijkmatig over de regio verdeeld, maar de soortenrijkdom is in de noordwestelijke Noordzee en het Kattegat groter dan elders. Over de hele beoordelingsperiode gemeten is in de Zuidelijke Noordzee de biomassa toegenomen, terwijl de soortenrijkdom voor dit gilde relatief stabiel bleek te zijn.

De biomassa van pisco-crustivoren is in de Noordzee laag, maar nam gedurende de beoordelingsperiode gemiddeld wel toe. In het noorden en het westen van het beoordeelde gebied namen ook de piscivoren toe in biomassa. Vooral bij de pisco-crustivoren en piscivoren varieerden de biomassa en diversiteit ruimtelijk gezien. Bij beide groepen is de biodiversiteit in het zuidelijke deel van Noordzee (zeer) laag.

Op basis van deze indicator is de status van het voedselweb, in termen van diversiteit, dichtheid en evenwicht tussen voedselgilden, onzeker.

De indicator laat zien dat de onderlinge verhouding tussen planktivoren, benthivoren, crusto-piscivoren en piscivoren aan verandering onderhevig is. Het is onbekend of en in hoeverre milieufactoren (antropogeen of natuurlijk) deze veranderingen hebben beïnvloed. De mogelijke relatie was geen onderdeel van deze analyse. Op basis van deze indicator is dan ook geen conclusie mogelijk over het voldoen aan de goede milieutoestand.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Dankzij de internationale samenwerking binnen OSPAR is criterium D4C2 nu zó ver ontwikkeld dat het voor het eerst kan worden toegepast. De algehele conceptuele doorontwikkeling van descriptor 4 Voedselwebben in Europees verband – waaronder door ICES – heeft hieraan bijgedragen. Toch heeft de pilot indicator FW7 nog een ontwikkelstatus, onder meer vanwege de nog ontbrekende link met antropogene druk. Ook is het wenselijk dat het netwerk van indicatoren wordt uitgebreid met andere gildenparen om ook het evenwicht van voedselgilden binnen de visgemeenschap te kunnen beoordelen. Denk daarbij aan de combinaties zoöplankton en planktivore vis, of pelagische planktivore of sub-apexpredatore vis en toppredatoren onder zeevogels en zeezoogdieren. Onderzoek is nodig naar de mogelijkheden om te kunnen voldoen aan de vereisten voor een dergelijke uitbreiding, zoals een betrouwbare dataset, een langere tijdreeks en overige beoordelingstechnische voorzieningen.

Nieuw in de ontwikkeling van OSPAR-indicatoren is de pilot indicator FW9 Ecological network analysis (ENA). Deze indicator is bedoeld om het systeem van het voedselweb holistisch te bekijken aan de hand van koolstofstromen. De eerste resultaten met deze indicator (buiten het Nederlandse deel van de Noordzee) laten zien dat veranderingen in trofische gilden sterk samenhangen met veranderingen in biomassa aan de basis van het voedselweb door de tijd (QSR, 2023). Dit wordt bottom-up control genoemd. Verder onderzoek is nodig om beter te kunnen begrijpen wat de mechanismen zijn in deze samenhang. Het verder ontwikkelen van indicatoren zoals FW9, die de verhoudingen tussen de verschillende trofische niveaus in de Zuidelijke Noordzee inzichtelijk maakt, zal de analyse van dit criterium verbreden door toevoeging van meer trofische niveaus, en daarmee completer maken. Dan zou de indicator bijvoorbeeld ook kunnen worden ingezet om verschillen te detecteren tussen voedselwebben in gebieden met bodemberoerende visserij en voedselwebben in gesloten gebieden. Een aanwijzing daarvoor is dat in het Kattengat in gesloten gebied de ratio tussen detritivorie en herbivorie is toegenomen. Dat kan wijzen op een systeem dat afhankelijker is van primaire productie en minder afhankelijk van detritus. Deze verhouding was niet zichtbaar in de gebieden met bodemberoerende visserij. De verdere ontwikkeling van ENA is van belang omdat daarmee bij de beoordeling van het voedselweb ook elementen aan bod komen als benthische gemeenschappen en toppredatoren, in plaats van alleen de basis van het voedselweb (primaire producenten en secundaire producenten), zoals nu gebeurt. De ‘winst’ zit onder meer in de belangrijke functie die apex predatoren hebben als top-down controlers in het systeem. Ook zijn toppredatoren een belangrijke indicator van de kwaliteit van het voedselweb.

Deze indicator heeft potentieel dus veel te bieden voor criterium FW9, maar er is nog een lange weg te gaan om hem tot een betrouwbaar niveau te ontwikkelen. Het is wenselijk om dat meer gebiedsdekkend te doen, zodat onder meer Nederland bij de ontwikkeling wordt betrokken. Naar verwachting is de indicator bij een volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) inzetbaar voor Nederland.

D4C3 Grootteverdeling binnen gilden

GMT (Art. 9)

De grootteverdeling van exemplaren binnen het beoordeelde trofische gilde (demersale subapex predatoren) van de Internationale Noordzee wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

Beoordeling (Art. 8)

De grootteverdeling binnen het beoordeelde gilde in de Internationale Noordzee voldoet niet aan de goede milieutoestand. Deze uitkomst wordt bepaald door het element demersale subapex predatoren, waar drie indicatoren het oordeel ‘niet goed’ opleverden. De tekenen van herstel, die in de voorgaande planperiode werden gesignaleerd, hebben zich niet voortgezet en de toestand is verslechterd.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

FC2 Aandeel grote vissen (OSPAR).

0,17 (LFI) (OSPAR)

Large fish index (percentage).

Internationale Noordzee, 2016-2020 (A).

FC3 Gemiddelde maximale lengte van vissen (OSPAR).

Geen drempelwaarde, trend (OSPAR).

Mean maximum lenght (cm).

Internationale Noordzee, 2016-2020 (A).

FW3 Groottesamenstelling in visgemeenschap (OSPAR).

Geen drempelwaarde, trend (OSPAR).

Typical length (cm).

Internationale Noordzee, 1996-2020 (A).

FC2 Aandeel van grote vissen
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator FC2 Aandeel van grote vissen beschrijft de veranderingen in dat aandeel aan de hand van de Large Fish Index (LFI) die is ontwikkeld voor de Noordzee (Greenstreet et al., 2011, 2012). De index is samengesteld uit inschattingen van de structuur van de visgemeenschap op basis van lengtedata afkomstig van trawl-bemonsteringen. Deze meetprogramma’s voorzien jaarlijks in representatieve monsters volgens de richtlijnen in de CEMP (OSPAR, 2018). Het aandeel grote individuen in de monsters geeft de groottestructuur van de demersale visgemeenschap weer, en is daarmee een indicator voor het functioneren van een deel van het voedselweb. Omdat visserij grootte-selectief is (met een grotere druk op grote individuen), mag worden aangenomen dat visserijdruk een verschuiving in de groottestructuur veroorzaakt naar steeds kleinere vis.

Voor de Internationale Noordzee zijn vijf datasets relevant, afkomstig van surveys in verschillende seizoenen (eerste of derde kwartaal). Bij de bemonstering zijn diverse typen vistuig gebruikt (boomkor of ottertrawl). Deels zijn de surveys uitgevoerd in internationaal samenwerkingsverband, soms in nationale bemonsteringsprogramma’s van Duitsland, België en Nederland.

Alleen voor de surveys Greater North Sea International Otter Trawl in het eerste en derde kwartaal is een LFI-drempelwaarde gehanteerd, die is gebaseerd op de referentieperiode 1983-1985 (Greenstreet et al., 2011). Daarbij is aangenomen dat de visserijdruk in de referentieperiode nog een duurzaam niveau had. De referentiewaarde voor ‘grote vis’ is > 50 cm en de drempelwaarde voor indicator FC2 is 0,17, wat betekent dat 17 procent van de bemonsterde vis groter moet zijn dan 50 cm. De beoordelingsperiode voor deze indicator is 2016-2020.

Resultaten

Het aandeel grote vis in de Internationale Noordzee schommelde in de beoordelingsperiode (2016-2020) tussen 6 en 16 procent (zwarte en rode lijn in figuur 4.6), en bleef daarmee onder de drempelwaarde (0,17 ofwel 17 procent). De nationale bemonsteringsprogramma’s laten vergelijkbare patronen zien. Het langstlopende onderzoek (zwart in figuur 4.6), vertoont een langetermijndaling vanaf het begin van de jaren tachtig met een aanzienlijke verschuiving naar een periode van lage waarden in de jaren negentig. Deze daling op lange termijn gaat vooraf aan het begin van de overige bemonsteringsprogramma’s. Beide internationale onderzoeken laten vanaf begin 2000 een kort herstel zien richting de drempelwaarde, gevolgd door een daling in de meer recente periode. Dit betekent dat de gesignaleerde trend van herstel in de voorgaande planperiode is gekeerd. Omdat deze indicator gevoelig is voor visserijdruk, wat een antropogene drukfactor is, is de conclusie dat de GMT niet is bereikt.

FC3 Gemiddelde maximale lengte van vissen
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator FC3 Gemiddelde maximale lengte van vissen meet de veranderingen in de soortensamenstelling binnen visgemeenschappen. Hiervoor geldt de maximale lengte van de bemonsterde vissoorten als maat om onderscheid te maken tussen snelgroeiende soorten en langlevende (langzamer groeiende) soorten. Langlevende individuen zijn kwetsbaar voor extra mortaliteit, omdat deze soorten zich laat voortplanten en derhalve in hun levenscyclus langer worden blootgesteld aan visserijdruk. Hierdoor zullen bij hoge visserijdruk de langlevende soorten naar verwachting als eerste in aantal achteruitgaan.

Afname van de gemiddelde maximale lengte wijst op een afname van het aandeel langlevende, meest kwetsbare grote vis-en kraakbeenvissoorten. Het zou echter ook kunnen duiden op een toename van de snelgroeiende soorten. In beide gevallen is sprake van invloed op het functioneren van het voedselweb. Afhankelijk van de omvang en de duur van de druk kan een lokale of regionale afname van grote vissoorten leiden tot een verandering in het voedselweb. Doordat de vismeetnetten vooral zijn gericht op demersale vissen (soorten die dicht op de bodem leven), heeft de beoordeling ook vooral betrekking op deze vissen. Voor indicator FC3 is (nog) geen drempelwaarde vastgesteld. Voor de toetsing van de huidige toestand (2016-2020) aan de goede milieutoestand wordt uitgegaan van een vergelijking met de data ten opzichte van 1983-1985 als referentieperiode.

Resultaten

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is een geleidelijke, relatieve afname van langlevende (potentieel grootgroeiende) soorten zichtbaar tegenover een relatieve toename van snelgroeiende vissoorten (figuur 4.7). Over de laatste twintig jaar zijn weliswaar wisselende ontwikkelingen te zien, maar de maximale lengte lijkt zich overal te hebben gestabiliseerd op lage waarden. Volgens data uit het langstlopende internationale onderzoek (GNSIntOT1 in figuur 4.7) bedraagt de huidige gemiddelde maximumlengte van demersale vissen 78 cm (beoordelingsperiode 2016-2020), terwijl dat in de referentieperiode (1983-1985) gemiddeld 87 cm was (Greenstreet et al., 2011). De belangrijkste factoren die vermoedelijk aan deze afname ten grondslag liggen, zijn de visserij (Spence et al 2021) en klimaatverandering. De uitkomst van deze indicator geeft daarom, ook zonder hem aan een drempelwaarde te kunnen toetsen, reden om aan te nemen dat een goede milieutoestand niet is bereikt.

FW3 Groottesamenstelling in visgemeenschappen
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator Groottesamenstelling in visgemeenschappen gebruikt voor het beoordelen van de groottestructuur van visgemeenschappen de ‘Typical length (TyL)’. Deze geeft van de bemonsterde vis de gemiddelde lengte weer. De typische lengte van vis (in centimeters) is een indicator van visserijdruk. Visserij heeft invloed op de leeftijdsstructuur van vispopulaties, waardoor het aantal grote individuen afneemt. Modelstudies wijzen uit dat een afname van grote (predator)vissen leidt tot minder predatie op kleine vissen, waardoor het aandeel kleine vis groter wordt en daarmee de typische lengte nog verder afneemt. Wanneer wordt gevist op de zogenaamde ‘maximum sustainable yield’ (msy) zal de gemiddelde typische lengte van de vissen naar verwachting herstellen (Spence et al., 2021).

Analoog aan de andere vis-indicatoren heeft de beoordeling vooral betrekking op dicht bij de zeebodem levende (demersale) vis. Er is (nog) geen drempelwaarde vastgesteld; voor de toetsing van de huidige toestand (2016-2020) wordt uitgegaan van de huidige waarden ten opzichte van de oudste surveydata (1983-1985). Zie voor meer informatie en de gebruikte methode de CEMP guideline (OSPAR, 2018).

Resultaten

In de Internationale Noordzee blijkt uit het langstlopende onderzoek (GNSIntOT1 in figuur 4.8 ) een geleidelijke daling van de typical length tot het minimumniveau in de late jaren negentig. Die ontwikkeling voltrok zich vóór de aanvang van de overige bemonsteringsprogramma’s. Vanaf ongeveer 2000 leek langzaam herstel op te treden, maar deze trend is in latere jaren weer gekeerd. De huidige typische lengte (beoordelingsperiode 2016-2020) in het langstlopende onderzoek (GNSINtOT1) is circa 27 cm, terwijl dit in de referentieperiode (1983-1985) circa 31 cm was. Aangezien deze indicator een weergave is van de visserijdruk op de visgemeenschap wijzen deze resultaten op het schaden van de groottestructuur. Daarom is, ook zonder toetsing aan een drempelwaarde, geen beweging zichtbaar richting GMT.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De beoordeling van criterium D4C3 is sinds de voorgaande beleidsperiode, waarin alleen de indicator FW3 kon worden gebruikt, uitgebreid met twee indicatoren (FC2 en FC3). De drie beoordeelde indicatoren geven gezamenlijk een redelijk beeld van de grootteverdeling, maar beperken zich tot demersale (subapex predatoren) vis. Een beter en vollediger beeld zal ontstaan als ook andere visgilden bij de beoordeling worden betrokken. Daarnaast zouden volgens Commissiebesluit 848/2017/EU aan de vissengemeenschap ten minste twee andere gilden moeten worden toegevoegd. In het MONS-programma worden voedselwebrelaties onderzocht. Mogelijk kunnen resultaten hiervan worden gebruikt om de indicatoren voor de beoordeling van dit criterium verder uit te werken.

Binnen de programma’s MONS en Wozep staan verscheidende onderzoeken op de agenda naar de rol van demersale en pelagische vis in het voedselweb. Nieuw te ontwikkelen ecosysteemmodellen moeten helpen het inzicht te verdiepen. Zo ontbreekt kennis over de verspreiding van pelagische vis en de relatie met hun predatoren: zeezoogdieren en vogels. Ook vragen over de effecten van de grote transities (energie transitie, voedseltransitie en natuurtransitie) die zich op de Noordzee voltrekken, worden in het onderzoek meegenomen.

D4C4 Productiviteit van trofische gilden

GMT (Art. 9)

De productiviteit van het beoordeelde trofische gilde (primaire producenten) wordt niet negatief beïnvloed door antropogene drukfactoren.

Beoordeling (Art. 8)

Er is geen officiële beoordeling voor dit criterium, aangezien de indicator zich in een pilotfase bevindt. De eerste resultaten van de pilot indicator lijken uit te wijzen dat de productiviteit van trofische gilden in de Internationale Noordzee niet voldoet aan de goede milieutoestand.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

[FW2 Production of phytoplankton (OSPAR)].

[Geen drempelwaarde, trend (OSPAR)].

Primaire productie (gram koolstof per jaar per m2).

Internationale Noordzee,

2015-2016 (in situ), 2015-2019 (satelliet) (A).

FW2 Primaire productiviteit
Toelichting indicator

De nieuwe OSPAR-indicator FW2 bevindt zich nog in de pilotfase. Hij richt zich op ontwikkelingen in de primaire productie van fytoplankton en gebruikt daarvoor gegevens van vaste meetstations uit de periode 2015-2016 en satellietgegevens uit de periode 2015-2019. Ter vergelijking is een trendanalyse uitgevoerd over de langere periode 1997-2014. Met behulp van modellen is tevens gezocht naar verklarende verbanden tussen de verandering in primaire productie (significante afname/toename of geen verandering) en (externe) drijvende factoren zoals bijvoorbeeld klimaatverandering.

Resultaten

Sinds de jaren negentig is de primaire productie significant gedaald in de hele Internationale Noordzee, met uitzondering van de Doggersbank (figuur 4.9). Deze daling komt overeen met bevindingen in de literatuur (bijvoorbeeld Capuzzo et al., 2017). De resultaten wijzen op variatie in ruimte en tijd van primaire productie. Per locatie kunnen uiteenlopende milieuvariabelen met de dalende primaire productie in verband worden gebracht, maar in de meeste gevallen lijken klimaat en nutriënten een hoofdrol te spelen. De daling van de productiviteit van de primaire producenten hangt dan ook waarschijnlijk samen met door mensen veroorzaakte druk. Het is nog niet mogelijk om aan de hand deze pilot indicator de huidige toestand te beoordelen, maar de resultaten van deze pilot geven geen indicatie dat de goede milieutoestand is bereikt.

Kennishiaten en ontwikkelingen

In de afgelopen planperiode zijn in internationaal verband belangrijke stappen gezet om een beoordeling van criterium D4C4 mogelijk te maken. De indicator is echter nog in de ontwikkelfase. Voor FW2 zouden meer veldgegevens een belangrijke aanvulling zijn op de satellietdata. In-situ metingen ten behoeve van FW2 zullen onderdeel zijn van het programma Monitoring Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) onder het Noordzee-akkoord. Ook de verwerking en interpretatie van de satellietdata vragen om verdere verbetering; dit wordt opgepakt in OSPAR-verband.

Aangezien de beoordeling van D4C4 en de descriptoren D5 Eutrofiëring en D1C6 Pelagische habitats onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, is het belangrijk om de samenwerking op het gebied van data, beoordelingsschalen (ruimte en tijd) en drempelwaarden uit te breiden. Verder zou ook de productiviteit van andere trofische gilden bij de beoordeling van dit criterium kunnen worden betrokken, bijvoorbeeld het analyseren van rekrutering van jonge vis en groeisnelheden van vissen, maar ook de indicator Broedsucces van zeevogels. Daarnaast ontbreekt ook voor dit criterium de beoordeling van de benthische productiviteit.

Bronnen

Capuzzo, E., Lynam, C. P., Barry, J., Stephens, D., Forster, R. M., Greenwood, N., McQuatters-Gollop, A., Silva, T., Leeuwen, S.M. van., & Engelhard, G. H. (2018). A decline in primary production in the North Sea over 25 years, associated with reductions in zooplankton abundance and fish stock recruitment. Global change biology, 24(1), e352-e364.

Convention on Biological Diversity [CBD] (2018). ​Decision CBD/COP/DEC/14/8 of 30 November 2018 adopted by the Conference of the Parties to the Convention on Biological Diversity.

European Commission [EC] (2020) a.EU Biodiversity Strategy for 2030: bringing nature back into our lives Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the regions.

European Commission [EC] (2020) b. EU Biodiversity Strategy for 2030: ​bringing nature back into our lives. Annex to the communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the regions.

European Commission [EC] (2022). ​Criteria and guidance for protected areas designations. Commission staff working document of 28 January 2022. SWD(2022) 23 final.

Greenstreet, S.P.R., Rogers, S.I., Rice, J.C., Piet, G.J., Guirey, E.J., Fraser, H.M., & Fryer, R.J. (2012). A reassessment of trends in the North Sea Large Fish Indicator and a re-evaluation of earlier conclusions. ICES Journal of Marine Science, 69, 343-345.

OSPAR (2018). CEMP Guideline: Combined guideline for the common indicators FC1, FC2, FC3 and FW3 for fish and food webs (Agreement 2018-05).

OSPAR (2018). CEMP Guideline: Common indicator – PH1/FW5 Plankton lifeforms (Agreement 2018/07).

OSPAR (2023). OSPAR Quality Status Report (2023).

Root, R. B. (1967). The niche exploitation pattern of the blue-gray gnatcatcher. Ecological monographs, 37(4), 317-350.

Spence, M.A., Griffiths, C.A., Waggitt, J.J., Bannister, H.J., Thorpe, R.B., Rossberg, A.G., & Lynam, C.P. (2021). ​Sustainable fishing can lead to improvements in marine ecosystem status: an ensemble-model forecast of the North Sea ecosystem. Marine Ecology Progress Series 680:207-221.

SWD(2022) 23. Commission Staff Working Document: Criteria and guidance for protected areas designations.

Thompson, M.S.A., Couce, E., Webb, T.J., Grace, M., Cooper, K.M., & Schratzberger, M., (2021). ​What’s hot and what’s not: Making sense of biodiversity ‘hotspots.’ Glob. Chang. Biol. 27, 521–535.

Thompson, M.S.A., Pontalier, H., Spence, M.A., Pinnegar, J.K., Greenstreet, S.P.R., Moriarty, M., Hélaouët, P., & Lynam, C.P. (2020). ​A feeding guild indicator to assess environmental change impacts on marine ecosystem structure and functioning. J. Appl. Ecol. 57, 1769–1781

D5 Eutrofiëring

GMT (Art. 9)

Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring en vooral de schadelijke effecten ervan, zijn tot een minimum beperkt.

Beoordeling (Art. 8)

In het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet 49,7 procent van de oppervlakte aan de goede milieutoestand. Dit lage percentage is een vertekend beeld als gevolg van de toegepaste gebiedsindeling bij de OSPAR-beoordeling, waarin een ‘matige’ score van het criterium D5C5 Zuurstofconcentratie nabij de zeebodem in de Oostelijke Noordzee vooral wordt veroorzaakt door de zuurstofarme gebieden in het Duitse en Deense deel van dat gebied. Ongeveer 45,6 procent van de Nederlandse Noordzee ligt in de Oostelijke Noordzee. De overige 4,6 procent van de Nederlandse Noordzee die niet voldoet, betreft de rivierpluimen en Noordelijke Deltakust. Daar zijn chlorofyl-a-concentraties te hoog. Nutriëntenconcentraties worden wel getoetst, maar tellen niet mee in de integrale beoordeling van de milieutoestand (zie D5C1).

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op het verder terugdringen van de toevoer van nutriënten naar zee, en op de invloed van nieuwe activiteiten op zee (zoals aquacultuur).

Inleiding

Voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor belanden in zee vanuit de atmosfeer, via afvoer van rivieren (waaronder ook uit- en afgespoelde stoffen vanaf land), of door directe lozingen op zee. De grootschalige toevoer van voedingsstoffen naar zee wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten, zoals landbouw en verbrandingsprocessen (wegverkeer, scheepvaart, energiecentrales).

De huidige milieutoestand voor het aspect eutrofiëring wordt beoordeeld op basis van een combinatie van de criteria: nutriëntenconcentraties (D5C1), chlorofyl-a-concentraties (D5C2) en zuurstoftekort nabij de zeebodem (D5C5). Daarbij wordt voor de kustwateren uitgegaan van de beoordeling onder de Kaderrichtlijn Water (KRW) en van OSPAR voor het overige Nederlandse deel van de Noordzee.

De toevoer van anorganische voedingsstoffen verhoogt de nutriëntenconcentraties in het mariene milieu. De mate waarin dit gebeurt, wordt gemonitord door de concentraties opgeloste stikstof en fosfor te meten. Dat gebeurt in de winter, omdat fytoplankton dan weinig biologische activiteit vertoont en weinig voedingsstoffen opneemt.

Niet alle wateren met een hoge nutriëntenconcentratie krijgen per definitie het stempel ‘eutroof’. Specifieke eigenschappen, zoals stroming, stratificatie, saliniteit, troebelheid van het water, maar ook wijziging van temperaturen en weerpatronen (bijvoorbeeld zonuren in het voorjaar), kunnen invloed hebben op de mate waarin hoge nutriëntenconcentraties resulteren in toename van de fytoplanktonbiomassa en aanverwante effecten.

De omvang van de fytoplanktonbiomassa (en veranderingen daarin) wordt gemeten aan de hand van het groene pigment chlorofyl-a. Overmatige bloei van fytoplankton kan leiden tot ongewenste veranderingen in de relaties tussen organismen in het mariene ecosysteem (voedselweb) en tot vermindering van de algehele waterkwaliteit. Afbraak bijvoorbeeld van opgehoopt organisch materiaal dat fytoplankton- en zeewiergemeenschappen produceren tijdens het groeiseizoen, veroorzaakt zuurstofgebrek nabij de zeebodem, wat vervolgens kan leiden tot gedragsverandering en sterfte onder vooral bodemdieren en ook vissen.

In veel gevallen is het vaststellen van causale verbanden tussen bronnen van nutriëntenverrijking en verstoring van het ecosysteem gecompliceerd. Vooral in gebieden waar de waterkolom tegen het eind van de zomer is gestratificeerd, zoals de Centrale Oestergronden in de Oostelijke Noordzee, kan seizoensgebonden zuurstofgebrek nabij de bodem van nature voorkomen. Door menselijk handelen veroorzaakte overmatige hoeveelheden algenbiomassa kunnen dit effect echter versterken. Aanvoer van nutriënten en organisch materiaal vanuit ander zeegebied speelt hier ook een rol.

Beoordeling

Ongeveer de helft (49,7 procent van de oppervlakte) van het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand. Dat de milieutoestand in het deel dat niet voldoet onder de maat is, komt vooral door de matige waarden van het zuurstofgehalte nabij de zeebodem in de Oostelijke Noordzee. Dit gebied maakt 45,6 procent uit van het Nederlandse deel van de Noordzee (figuur 5.1 en tabel 5.1).

Uit de onderliggende OSPAR-beoordeling blijkt op een fijnere schaal (60x60 km gridcellen) dat de zuurstofarme gebieden relatief klein zijn en in het Duitse en Deense deel van de Oostelijke Noordzee liggen. De toestandsbeoordeling ‘matig’ voor het Nederlandse deel van dit gebied geeft dus een vertekend beeld.

In het Nederlandse deel van de Noordzee zijn eutrofiëringseffecten vooral te vinden in de rivierpluimen en aan de kust. De rivierpluimen beslaan 4,5 procent van het Nederlands zeegebied. De chlorofyl-a-waarden zijn hier zodanig dat de pluimgebieden in matige tot slechte toestand verkeren. De KRW-kustwateren zijn maar een zeer klein deel van de Nederlandse Noordzee. Hiervan voldoet de Noordelijke Deltakust (0,1 procent van het gebied) niet aan de goede toestand (score ‘matig’).

De resultaten met betrekking tot nutriënten worden niet meegenomen in de integrale beoordeling omdat niet alle wateren met een hoge nutriëntenconcentratie per definitie eutroof zijn. De beoordeling op zich, gebaseerd op concentraties in de winter, geeft wel een goed beeld van de toevoer van voedingsstoffen naar het mariene milieu. De toestand met betrekking tot fosfaat is goed, maar die voor stikstof voldoet niet in de kustwateren en rivierpluimen, met uitzondering van het waterlichaam Waddenkust (kustwater). In het algemeen nemen nutriëntenconcentraties gestaag af, maar desondanks is er ten opzichte van de vorige planperiode weinig veranderd (tabel 5.1).

Toelichting beoordelingssystematiek

OSPAR heeft de beoordelingssystematiek voor eutrofiëring sterk verbeterd. De beoordeling is uitgevoerd met de COMPEAT-tool, gebruikmakend van geharmoniseerde en samenhangende drempelwaarden die zijn vastgelegd in de herziene Common Procedure (OSPAR 2022b). De drempelwaarden voor nutriëntenconcentraties en chlorofyl-a zijn gebaseerd op een geaccepteerde verhoging met 50 procent ten opzichte van (gemodelleerde) concentraties in zee rond 1900, toen kunstmest nog niet (grootschalig) in de landbouw werd gebruikt. Het vaststellen van deze historische concentraties is nu binnen OSPAR geharmoniseerd (OSPAR 2022). De geaccepteerde verhoging met 50 procent is niet gewijzigd en wordt al toegepast vanaf de eerste beoordeling van eutrofiëring in de jaren negentig. De gebiedsindeling is wél veranderd: het OSPAR-gebied is ingedeeld op basis van ecologisch relevante eenheden, die aan de landzijde worden begrensd door de KRW-kustwateren (zie figuur 5.2). Omdat de eenheden naadloos op elkaar aansluiten, zijn de resultaten van KRW en OSPAR, conform de KRM-eisen, met elkaar te vergelijken en te integreren.

De drempelwaarden voor nutriënten en chlorofyl zijn gebiedspecifiek, ze zijn dus afgestemd op de natuurlijke ruimtelijke variatie in de productiviteit van gebieden (bijvoorbeeld productiever nabij riviermondingen).

Om ontwikkelingen in de tijd zichtbaar te maken, zijn de beoordelingen over de drie voorgaande perioden (COMP1: 1990-2000; COMP2: 2001-2006; COMP3: 2006-2014) opnieuw uitgevoerd, maar nu met de nieuwe drempelwaarden en beoordelingsgebieden voor nutriëntenconcentraties en chlorofyl. Ook de voorgaande beoordelingen van zuurstof nabij de bodem zijn opnieuw uitgevoerd aan de hand van de nieuwe beoordelingsgebieden. De drempelwaarde voor zuurstof bleef daarbij onveranderd; deze is met een grens van 6 mg/l opgeloste zuurstof gebaseerd op het voorkómen van risico’s voor bodemdieren.

De uitkomsten van de beoordelingen zijn uitgedrukt als EQRS (gestandaardiseerde Ecological Quality Ratio) voor elk beoordelingsgebied. De EQRS is een getal tussen 0 en 1, dat in vijf klassen (EQRS-waarden) is opgedeeld. EQRS-waarden tussen 0,0-0,2 zijn ‘slecht’, tussen 0,2-0,4 ‘ontoereikend’, tussen 0,6-0,8 ‘goed’ en waarden tussen 0,8-1,0 hebben de status ‘zeer goed’), wat vergelijkbaar is met de KRW. Als de EQRS minimaal 0,6 is, spreken we van een goede toestand, daaronder is de toestand niet goed.

OSPAR hanteert in de presentatie van de resultaten vier categorieën van de beoordelingsgebieden: rivierpluimen, coastal waters (gebieden nabij de kust, die verder van de kust liggen dan de rivierpluimen en de KRW-kustwateren), continentaal plat en oceaan. De rivierpluimen van Schelde, Maas en Rijn vallen geheel binnen het Nederlandse deel van de Noordzee. De coastal waters (Zuidelijke Noordzee) en de continentaal-platgebieden (Oostelijke Noordzee, Doggersbank en Noordelijke Noordzee) worden gedeeld met buurlanden (Frankrijk, België, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Noorwegen). Binnen de Nederlandse Noordzee ligt geen oceaangebied.

In de KRW-kustwaterlichamen is de beoordeling van de afzonderlijke fysisch-chemische elementen (winter DIN, zuurstof) en het biologisch kwaliteitselement fytoplankton (chlorofyl-a) overgenomen van de KRW (zie de factsheets D5C1, D5C2 en D5C5). De beoordeling van de elementen voorbij 1 zeemijl uit de kust is overgenomen uit het QSR 2023 van OSPAR.

De integrale beoordeling per beoordelingsgebied is in alle gevallen (dus ook de kustwaterlichamen) uitgevoerd met de OSPAR-systematiek, dit om vergelijking tussen alle gebieden mogelijk te maken. Volgens deze systematiek wordt de beoordeling per gebied bepaald door de directe (chlorofyl-a) en indirecte (zuurstof)effecten. Daarbij geldt het principe one-out-all-out. De resultaten van de nutriëntenconcentraties tellen niet mee in de algehele beoordeling.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Sinds de jaren negentig zijn nutriëntenvrachten van land richting de Noordzee afgenomen. De riviervrachten stikstof zijn verminderd met 50 procent en die van fosfor zelfs met 75 procent. Beide zijn het resultaat van reductiemaatregelen, vooral in de landbouw, en van verbeteringen in de zuivering van communaal afvalwater (OSPAR, 2022a). Tot in de eerste jaren van deze eeuw daalden de nutriëntenvrachten snel; in de laatste twee decennia zijn de concentraties in beperktere mate afgenomen. Dit geldt voor alle grote rivieren, Rijn (figuur 5.3), Maas en Schelde. Verschillen in de bijdragen van de drie rivieren aan het totaal van de vrachten naar de Noordzee hangen samen met de uiteenlopende oppervlakten van de stroomgebieden, inwoneraantallen, type landgebruik, en de volumes rivierafvoer (debieten).

Meer dan de helft van de stikstof die via de rivieren en uitwateringssluizen in zee belandt, is via ondergrondse afvoer, drainage, grondwater en uit- en afspoeling afkomstig van het achterland. De landbouw draagt hier sterk aan bij. Bijna een kwart komt van gezuiverd communaal afvalwater. Dan zijn er nog directe lozingen op het oppervlaktewater.

Ruim een derde deel van de totale stikstofbelasting van de Internationale Noordzee is het gevolg van atmosferische depositie (droge en natte depositie vanuit de lucht). Vooral dit deel draagt bij aan de nutriëntenlast doordat stikstof via deze route goed opneembaar is door algen. Hier is een dalende trend zichtbaar voor geoxydeerd stikstof (NOx), dat voornamelijk afkomstig is van de transportsector. De dalende trend van gereduceerd stikstof (NH3), voornamelijk afkomstig van de landbouw, is sinds het begin van de 21e eeuw afgevlakt (OSPAR 2022a).

De belangrijkste bronnen voor de belasting met fosfor zijn gezuiverd communaal afvalwater, ondergrondse afvoer, drainage en grondwater, regenwateruitlaten, overstorten uit gemengde rioolstelsels en de niet op rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) aangesloten rioolstelsels.

Om de goede milieutoestand voor het Nederlandse deel van de Noordzee te behalen, is het vooral van belang dat in KRW-kustwateren en rivierpluimen de chlorofyl-a-concentraties aan de OSPAR drempelwaarden voldoen. Uitvoering van de (voorziene) KRW-maatregelen zal naar verwachting leiden tot lagere riviervrachten nutriënten. Aangezien een groot deel daarvan afkomstig is van bovenstroomse landen is samenwerking in de internationale riviercommissies essentieel. De reactie van het fytoplankton (chlorofyl-a) op deze maatregelen wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder gevolgen van de klimaatverandering, zoals hogere temperatuur en meer zonuren in het voorjaar.

Dit maakt dat het – ondanks de beschikbaarheid van data en trendanalyses – moeilijk is om uitspraken te doen over het bereiken van de goede milieutoestand. Om meer inzicht te krijgen in de correlatie tussen nutriëntenreducties en de gewenste veranderingen, worden modelstudies ingezet waarin ook het weer en de klimaatverandering zijn meegenomen. Ook effecten van de veranderde verhouding tussen stikstof- en fosforconcentraties op de algenbiomassa, de planktonsamenstelling en de primaire productie zijn onderwerpen van onderzoek. Hier ligt een relatie met de beoordeling van pelagische habitats (D1) en voedselwebben (D4).

Milieudoelen en indicatoren

De milieudoelen zijn primair gericht op het terugdringen van riviervrachten nutriënten, vooral stikstof. Dit levert naar verwachting de grootste bijdrage aan het behalen van de drempelwaarden voor chlorofyl-a in de kustwateren, en aan het behalen van de OSPAR doelen voor chlorofyl-a concentraties in rivierpluimen (milieudoel 5.1). Maatregelen hiertoe worden onder de KRW genomen in de stroomgebiedbeheerplannen. Het is onzeker of met het bereiken van de KRW-doelen ook de drempelwaarden op zee worden behaald. Dit komt door onzekerheid in de resterende opgave: hoeveel reductie in riviervrachten is nodig? Maar ook de ongewisse effecten van nog te nemen KRW-maatregelen spelen een rol (Deltares, 2022). Om grip te krijgen op het grote deel van de riviervrachten stikstof dat afkomstig is uit het buitenland, zal Nederland zich in de internationale riviercommissies (Rijn en Maas) inzetten voor vermindering van deze toevoer (milieudoel 5.2).

Nieuwe activiteiten op zee mogen de milieutoestand niet negatief beïnvloeden (milieudoel 5.3). De verwachte opschaling van aquacultuur op zee is daarom een aandachtspunt, omdat deze kan leiden tot grootschalige onttrekking van nutriënten.

Ten slotte gaat OSPAR de mogelijkheid verkennen om langs natuurlijke weg de belasting van de zee met nutriënten, aangevoerd door rivieren, verder terug te dringen (milieudoel 5.4).

Tabel 5.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

5.1

Verminderen toevoer van nutriënten vanuit rivieren naar zee, gericht op het bereik en behoud van de KRW-doelen voor chlorofyl-a-concentraties in de kustwateren, en van OSPAR doelen voor chlorofyl-a-concentraties in de rivierpluimen.

2027

respectievelijk 2030

Vrachten totaal-N vanuit de rivieren

Concentraties N (winter DIN) en chlorofyl-a in KRW-kustwateren en in de rivierpluimen (OSPAR assessment areas).

Stroomgebiedbeheerplannen 2022/2027.

Na implementatie KRW-maatregelen, in OSPAR-verband de resterende opgave en het handelingsperspectief daarvan bepalen voor chlorofyl-a-concentraties in de rivierpluimen; dit dient als input voor de SGBP’s van 2028.

​<ExtRef soort="URL" ref="https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/11/26/zevende-actieprogramma-nitraatrichtlijn-na-consultatie-aangepast">Actieprogramma Nitraatrichtlijn</ExtRef>

Implementatieplan van de North-East Atlantic Environmental Strategy 2030 (NEAES) van OSPAR.

5.2

Via de internationale riviercommissies inzetten op verminderen van buitenlandse toevoer van nutriënten (stikstof).

Doorlopend

Vracht totaal N bij meetpunten landsgrens.

NL agendeert dit in de internationale riviercommissies.

5.3

Input en onttrekking van nutriënten als gevolg van nieuwe activiteiten op zee, zoals grootschalige aquacultuur, worden beperkt tot een niveau waarbij geen aantoonbaar negatieve effecten op primaire productie optreden.

Doorlopend

Concentraties nutriënten (N totaal en P totaal) over het hele jaar.

Concentraties chlorofyl-a.

Primaire productie (gC/m2/j).

Onderzoeken ten behoeve van m.e.r.’s en vergunningen voor nieuwe activiteiten. Hiertoe wordt mogelijk een beoordelingskader ontwikkeld, bijvoorbeeld in relatie tot locatiekeuze en mate van onttrekking of input van nutriënten.

5.4

Vergroten van de natuurlijke retentie van nutriënten in de stroomgebieden, als onderzoek uitwijst dat dit effectief is.

Fase 1, onderzoek: 2030.

Fase 2, implementatie: na 2030.

Vracht van N.

OSPAR inventariseert welke ingrepen kunnen bijdragen aan retentie, bijvoorbeeld door inzet van nature based

solutions (2030). Implementatie na evaluatie.

D5C1 Nutriënten

GMT (Art. 9)

De nutriëntenconcentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

Beoordeling (Art. 8)

In totaal voldoet 94 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee aan de goede milieutoestand met betrekking tot winter DIN-concentraties. De rivierpluimen Maas en Rijn en Scheldepluim 1 voldoen hier niet aan en van de KRW-wateren voldoet alleen de Waddenkust (kustwater). De goede milieutoestand met betrekking tot winter DIP is in alle gebieden wél bereikt. Ten opzichte van de voorgaande planperiode(n) is over het geheel genomen een lichte verbetering zichtbaar, vooral van winter DIP.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Nutriëntenconcentraties (winter DIN) in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

DIN 0,46 (33) (KRW)

mg/l (μmol/l)

KRW-kustwaterlichamen voorbij de basiskustlijn, 2018-2020 (B).

Nutriëntenconcentraties (winter DIN en DIP) voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

Rijnpluim: DIN 29,7, DIP 1,15;

Maaspluim: DIN 40,7, DIP 1,35; Scheldepluim 1: DIN 25,9, DIP 1,31; Scheldepluim 2: DIN 33,3, DIP 1,02; Zuidelijke Noordzee: DIN 13,0, DIP 0,70; Oostelijke Noordzee: DIN 7,3, DIP 0,6;

Noordelijke Noordzee: DIN 10,3, DIP 0,71 Doggersbank: DIN 7,2, DIP 0,76; (OSPAR).

μmol/l

Regionale beoordelingsgebieden waarin Nederland een aandeel heeft, 2015-2020 (A).

Kaderrichtlijn Water
Toelichting indicator

Onder de KRW zijn voor kustwateren temperatuur, zuurstof en nutriënten de zogenoemde algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen. Deze zijn ondersteunend aan de biologische kwaliteitselementen. De algemene fysische chemie is niet op orde als één of meer van de genoemde kwaliteitselementen niet voldoet aan de norm voor de klasse ‘goed’. Hoewel dezelfde klassen worden aangehouden als bij de biologische kwaliteitselementen (zie D5C2 Chlorofyl-a), wordt onder de KRW bij de fysisch-chemische kwaliteitselementen geen ecologische kwaliteitsratio (EKR) berekend (wat onder OSPAR wél het geval is met een EQRS-score).

De kustwaterlichamen voorbij de basiskustlijn behoren tot waterlichaam type ‘K1: kustwater, open en polyhalien’. Voor nutriënten geldt hier een ‘winter DIN’-grenswaarde van 0,46 mg N/l (33 μmol N/l) voor de klasse ‘goed’. Winter DIN is het seizoensgemiddelde van december tot en met februari. Winter DIP wordt niet meegenomen onder de KRW. Zie Van der Molen et al. (2018) en Rijkswaterstaat (2020) voor een nadere toelichting op de beoordelingssystematiek.

Resultaten

Van de vijf Nederlandse KRW-kustwateren voldoet de Waddenkust aan de goede milieutoestand voor nutriëntenconcentraties (winter DIN). De Hollandse kust scoort ‘ontoereikend’ en de overige waterlichamen ‘matig’. De situatie verbetert sinds 2009 gestaag, wat bij de Waddenkust en Noordelijke Deltakust zichtbaar is aan ‘promotie’ naar een hogere klasse.

OSPAR
Toelichting indicator

Voor de beoordeling van de huidige toestand zijn de gemiddelde nutriëntenconcentraties genomen, gemeten in de winterperioden van 2015 tot en met 2020. De winterperiode is hier gedefinieerd als de maanden december, januari en februari. De nutriënten zijn gemeten in de laag tussen wateroppervlak en een diepte van 10 meter.

Voor de trendanalyses is uitgegaan van de gemiddelde winterconcentraties in de periode 1990 tot en met 2020. De trend is voor elk beoordelingsgebied door middel van een Mann-Kendall-toets over deze hele periode berekend. Daarbij worden de richting (dalend of stijgend) en de helling van de lijn (Sen’s slope) weergegeven. Zie voor details OSPAR (2022).

Resultaten

In het grootste deel van de OSPAR-regio is de milieutoestand met betrekking tot de winter DIN-concentraties goed. Van de 64 beoordelingsgebieden scoren er 12 matig of ontoereikend. Dit zijn rivierpluimen of gebieden relatief dicht bij de kust (coastal waters), voornamelijk in de Internationale Noordzee. Drie van de niet-goed scorende beoordelingsgebieden liggen in het Nederlandse deel van de Noordzee: Rijnpluim, Maaspluim en Scheldepluim 1. In totaal voldoet daarmee 2545 km2 niet aan de drempelwaarde voor winter DIN; dit is 4,4 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee (exclusief de KRW-waterlichamen).

De Scheldepluim 2 kan door een gebrek aan meetgegevens niet worden beoordeeld. De andere gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee, te weten de Zuidelijke Noordzee, de Oostelijke Noordzee, de Doggersbank en de Noordelijke Noordzee, zijn geclassificeerd als goed of zeer goed (figuur 5.4 links) en tabel 5.4.

De beoordeling van de Waddenkust (KRW) is incoherent met de beoordeling van de Rijnpluim. Dit heeft onder meer te maken met verschillen in de afleiding van de drempelwaarden.

Overal in het Nederlandse deel van de Noordzee en vrijwel overal in de OSPAR-regio (98,5 procent van het gebied) voldoen de winter DIP-concentraties aan de goede milieutoestand; classificatie ‘zeer goed’ (figuur 5.4 rechts en tabel 5.4).

Over de gehele periode 1990-2020 zijn de concentraties van zowel winter DIN als winter DIP globaal gedaald, maar tussen de beoordelingsgebieden zijn verschillen. Tabel 5.4 laat de oordelen in de opeenvolgende perioden sinds 1990 zien. In figuur 5.5 zijn voor de rivierpluimen de gemiddelde concentraties per jaar en de trends weergegeven.

In de gebieden die (deels) in de Nederlandse Noordzee liggen, zijn voor DIN significante dalingen (p < 0,05) waargenomen in de Rijnpluim, Maaspluim en Scheldepluim 1. De verbetering is het duidelijkst in de Maaspluim; hier is de goede milieutoestand bijna bereikt (figuur 5.5, tabel 5.4). De verbetering in de Rijnpluim is vooral te danken aan de daling van DIN-concentraties in de periode 1990-2000, daarna is de daling afgevlakt (figuur 5.5); de toestand is nog steeds ontoereikend. Ook in de Scheldepluim 1 is ondanks een significante verbetering de toestand nog ontoereikend (figuur 5.5). In de Zuidelijke Noordzee daalden de winter DIN-concentraties significant, hierdoor voldoet dit gebied inmiddels aan de goede milieutoestand. In de Noordelijke Noordzee en Doggersbank is de toestand al ‘zeer goed’ sinds 1990 en dit is niet veranderd (tabel 5.4).

De winter DIP-concentraties in de rivierpluimen van Rijn, Maas en Schelde voldoen al langere tijd aan de drempelwaarde en blijven significant dalen (figuur 5.5). Wel is in sommige gebieden een tussentijdse verslechtering waargenomen, onder andere in de periode 2006-2014 in de Zuidelijke Noordzee en tussen 2004 en 2013 in de Oostelijke Noordzee (tabel 5.4).

Figuur 5.5. Trends in winter DIN- en DIP-concentraties in de rivierpluimen. Onderbroken rode lijn = drempelwaarde voor het betreffende gebied. Oranje punten = in-situwaarnemingen; getrokken oranje lijn = significant dalende trend (Sen’s slope). Sen’s slope voor stikstof was overal -1 procent per jaar, die voor fosfor -2 procent per jaar (met uitzondering van Scheldepluim 1: -1 procent per jaar).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De beoordeling van eutrofiëring in de OSPAR-regio is sterk verbeterd met het instellen van gezamenlijke grensoverschrijdende beoordelingsgebieden, gemeenschappelijke drempelwaarden en het gebruik van de COMPEAT-tool. Deze aanpassingen hebben geleid tot veel meer coherentie in de beoordeling door de afzonderlijke Noordzeelanden. Deze ontwikkeling heeft het delen van kennis en ervaring gestimuleerd, maar er zijn ook kennisleemten aan het licht gekomen, die als resterende onderzoeksvragen worden opgenomen in de OSPAR-kennisagenda. Daarnaast zal ook nóg meer afstemming van de dataselectie (bijvoorbeeld definiëring ‘winterperiode’) en van monitoringmethodieken (bijvoorbeeld modellen, ferryboxen) bijdragen aan verdergaande verbetering.

Voor het kunnen inschatten of en wanneer de goede milieutoestand kan worden bereikt, is een beter begrip nodig van de implicaties van gegevensvariabiliteit in trendbeoordelingen. Deze variabiliteit is een belangrijk aspect in het kader van de benodigde nutriëntenreducties en de noodzakelijke maatregelen om deze te realiseren. Bovendien neemt de variabiliteit naar verwachting met de klimaatverandering toe. In dit verband is het ook nodig om te onderzoeken hoe afwijkende rivierafvoeren, in droge of juist zeer natte perioden, in de beoordeling moeten worden meegenomen.

Belangrijke kennisvragen zijn nog hoe trends in waargenomen concentraties beter zijn te verbinden met veranderingen in de vrachten van nutriënten naar zee en – in het verlengde hiervan – welke reducties van nutriëntenvrachten, en dus van emissies uit bronnen, nog nodig zijn om de drempelwaarden te behalen.

Voorts wordt het steeds belangrijker om de relaties tussen nutriëntenconcentraties en de ecologische kwaliteit van de zee (vooral de samenstelling van fytoplankton en primaire productie) beter te begrijpen. Bij deze vraag speelt ook de invloed van de verhouding tussen N en P een rol. De kernvraag is of de huidige drempelwaarde (concentraties uit de periode rond 1900, waarin nog geen eutrofiëring van de zee optrad, plus een acceptabele verhoging van 50 procent) inderdaad leidt tot een goede biodiversiteit, althans voor de lagere trofische niveaus. Het Horizon Europe-project NAPSEA zal dit onderzoeken voor de Waddenzee en een aantal Nederlandse en Duitse rivierpluimen en kustwateren. In vervolg op het Interreg-project Deutschland-Nederland Wasserqualität-Waterkwaliteit komt hier ook de samenhang tussen de KRW- en de OSPAR-beoordeling aan bod.

D5C2 Chlorofyl-a

GMT (Art. 9)

De chlorofyl-a-concentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

Beoordeling (Art. 8)

Sinds de vorige planperiode is weinig veranderd in chlorofyl-a-gehalten. Bijna alle OSPAR-gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee voldoen aan de goede milieutoestand. Ondanks de dalende trends in nutriëntenconceptraties voldoen de rivierpluimen nog niet. De beoordeling van KRW-kustwateren is in de meeste gevallen ‘goed’, uitgezonderd de Noordelijke Deltakust.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)*

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Concentraties chlorofyl-a in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

90 percentiel: Eems-Dollard Kust: 10,13; Noordelijke Deltakust, Hollandse Kust: 16,88; Zeeuwse Kust, Waddenkust: 15 (KRW).

μg/l

KRW-kustwaterlichamen buiten de basiskustlijn, 2018-2020 (B).

Concentraties chlorofyl-a voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

Gemiddelde: Rijnpluim: 6,8;

Maaspluim: 8,0; Scheldepluim l: 5,0; Scheldepluim 2: 8,9; Zuidelijke Noordzee: 3,8; Oostelijke Noordzee: 1,2; Noordelijke Noordzee: 1,1; Doggersbank: 1,3

(OSPAR).

μg/l

Regionale beoordelingsgebieden waarin Nederland een aandeel heeft, 2015-2020 (A).

*de KRW- en OSPAR-drempelwaarden kunnen met elkaar worden vergeleken door de KRW-waarden te halveren, conform de vuistregel 90 percentiel = 2 gemiddelde.

Kaderrichtlijn Water
Toelichting indicator

De KRW-beoordeling van fytoplankton in de kustwateren heeft als basis de 90-percentiel van de zomerwaarden van chlorofyl-a (in-situmetingen van maart tot en met september). Hieruit wordt een ecologische kwaliteitsratio (EKR) berekend. De grenswaarde tussen goed en matig verschilt per waterlichaam. Nederland is overigens nog in overleg met de EU om deze waarden aan te passen. Zie Van der Molen et al. (2018) en Rijkswaterstaat (2020) voor een nadere toelichting op de beoordelingssystematiek.

Resultaten

Vier van de vijf kustwaterlichamen scoren ‘goed’ met betrekking tot chlorofyl-a-concentraties. In de kustwateren Zeeuwse kust en Waddenkust betekent dit een verbetering ten opzichte van voorgaande periode. In het gebied Noordelijke Deltakust, dat matig scoort, is de situatie juist een klasse achteruitgegaan (tabel 5.5).

OSPAR
Toelichting indicator

Chlorofyl-a wordt gemeten als een proxy voor de biomassa van fytoplankton (algen). OSPAR heeft de monitoring en beoordelingssystematiek voor chlorofyl-a sterk verbeterd. Voor het eerst is de beoordeling niet alleen gebaseerd op in-situgegevens, maar ook op gevalideerde multimissie multi-algoritmesatellietwaarnemingen (Van der Zande et al., 2019 en Lavingne et al., 2021). Daarbij is het satellietsignaal vertaald naar de concentratie chlorofyl-a met een algoritme dat past bij de actuele optische condities van het water (helder, troebel of hoge concentratie van humuszuren) binnen één satellietbeeldpixel (1x1 km). De satellietgegevens beslaan de periode 1998-2020.

Het groeiseizoensgemiddelde (1 maart tot en met 30 september) is samengesteld uit het gemiddelde van de in-situwaarnemingen en het gemiddelde van de satellietwaarnemingen op een 50/50 basis. Voorwaarde is dan wel dat er voldoende in-situwaarnemingen zijn. Als dit niet zo is, wordt het aandeel satellietdata in de gecombineerde chlorofyl-a concentratie hoger (OSPAR, 2022).

De beoordeling is uitgevoerd met de nieuwe COMPEAT-tool, waarbij gebruik wordt gemaakt van geharmoniseerde en samenhangende drempelwaarden en ecologisch relevante beoordelingsgebieden (OSPAR, 2022). Deze tool verwerkt alle waarnemingen in jaarlijkse groeiseizoensgemiddelden per beoordelingsgebied. De in-situdata en de satellietdata worden daarbij apart én tezamen beoordeeld.

De beoordeling beslaat de periode 2015 tot en met 2020. Aanvullend is de beoordeling over de drie voorgaande perioden (COMP1: 1990-2000; COMP2: 2001-2006; COMP3: 2006-2014) opnieuw uitgevoerd met toepassing van de nieuwe drempelwaarden en beoordelingsgebieden. Dit biedt de mogelijkheid om ontwikkelingen in de tijd te zien. De uitkomsten zijn uitgedrukt als EQRS (gestandaardiseerde Ecological Quality Ratio) voor elk beoordelingsgebied. Er zijn vijf klassen: EQRS-waarden tussen 0,0-0,2 zijn ‘slecht’, tussen 0,2-0,4 ‘ontoereikend’, tussen 0,6-0,8 ‘goed’ en waarden tussen 0,8-1,0 hebben de status ‘zeer goed’.

Voor de trendanalyses is uitgegaan van groeiseizoensgemiddelden van 1990 tot en met 2020 (in-situdata) en van 1998 tot en met 2020 (satellietdata). Omdat de dekking in tijd en ruimte verschilt, zijn deze trendanalyses niet gecombineerd.

Zie voor nadere details over de methoden de herziening van de Common Procedure (OSPAR, 2022).

Nederland heeft voor de beoordeling van de huidige toestand de OSPAR-beoordeling van de gebiedseenheden die in het Nederlandse deel van de Noordzee liggen overgenomen (zie ook overkoepelende factsheet D5).

Resultaten

In het grootste deel van de OSPAR-regio is de goede milieutoestand met betrekking tot chlorofyl-a bereikt. Van de 64 beoordelingsgebieden scoren er 11 matig of ontoereikend. Dit zijn COMP4 coastal waters en vooral rivierpluimen, die allemaal langs de continentale kust van de Internationale Noordzee liggen, van de Kanaalkust in Noord-Frankrijk tot en met het Kattegat in Denemarken. Vier van deze beoordelingsgebieden liggen in het Nederlandse deel van de Noordzee: Rijnpluim, Maaspluim en Scheldepluimen 1 en 2. Geen van deze rivierpluimen heeft de goede milieutoestand bereikt en de status van Scheldepluim 1 is zelfs als slecht beoordeeld (figuur 5.6). De Zuidelijke Noordzee, de Oostelijke Noordzee, de Doggersbank en de Noordelijke Noordzee (categorie continentaal plat) zijn daarentegen geclassificeerd als goed of hoger. Bij elkaar genomen is in 2640 km2 (ofwel 4,6 procent) van het Nederlandse deel van de Noordzee (exclusief de KRW-kustwateren) de goede milieutoestand niet bereikt.

Figuur 5.6. OSPAR-beoordeling van chlorofyl-a in het Nederlandse deel van de Noordzee. Tevens is de KRW-beoordeling van de kustwateren weergegeven. De beoordelingsgebieden van OSPAR en de KRW-waterlichamen sluiten naadloos op elkaar aan (zie fig. 5.2 voor de OSPAR-locatiecodes en tabel 5.3 voor codes van de KRW-waterlichamen). Kleurcodes cf. OSPAR-beoordeling (niet die van KRW): donkergroen = zeer goed, lichtgroen = goed, roze = matig, oranje = ontoereikend, rood = slecht.

In vergelijking met de voorgaande perioden is de toestand van de offshore gebieden Zuidelijke Noordzee, Oostelijke Noordzee, Noordelijke Noordzee en Doggersbank verbeterd (tabel 5.5). In de rivierpluimen is dit niet het geval. De belangrijkste verbetering deed zich vooral rond 2000 voor. Significante trends zijn niet waargenomen, uitgezonderd de in-situdata van de Zuidelijke Noordzee, waar een daling te is zien met een Sen’s Slope van -2 procent per jaar (figuur 5.7). Hier is sinds de periode 2006-2014 de goede milieutoestand bereikt. In de overige offshore gebieden was dit al het geval sinds de periode 2001-2006.

Over het algemeen zijn de waarden van de in-situdata iets hoger dan van de satellietdata, wat vooral zichtbaar is bij de Zuidelijke Noordzee (figuur 5.7). Dit verschil kan waarschijnlijk grotendeels worden toegeschreven aan ruimtelijke verschillen: de satellietwaarnemingen zijn gebiedsdekkend, terwijl de in-situmeetlocaties in de Zuidelijke Noordzee relatief dichter bij de kust liggen, waardoor de waarden vaak hoger uitvallen. Voor Scheldepluim 1 is geen meetverschil omdat dit een klein gebied is. Doordat tot 1998 alleen in-situdata beschikbaar waren, is de gesignaleerde verbetering deels aan deze methodische onvolkomenheid toe te schrijven. Niettemin mag worden aangenomen dat de toestand ook feitelijk is verbeterd, ook gezien de beduidende afname van nutriënten-vrachten in de periode 1990-2000 (zie figuur 5.3).

Kennishiaten en ontwikkelingen

Eerder gesignaleerde kennislacunes die verwezen naar analysemethoden en de ruimtelijke schaal van beoordelingsgebieden, zijn verholpen door het definiëren van nieuwe, ecologisch relevante beoordelingsgebieden en door het gebruik van satellietgegevens bij de beoordeling.

De aanpak om in-situ- en satellietgegevens te combineren behoeft nadere uitwerking, gezien de verschillen in bemonsteringsstrategieën (representativiteit in ruimte en tijd) tussen landen. Verder zouden coherentie in bemonsteringsstrategieën en analytische procedures de betrouwbaarheid vergroten van de beoordeling in beoordelingsgebieden die door meerdere landen worden gedeeld. Dat geldt vooral in gebieden die optisch complex zijn en waar satellietobservatie minder betrouwbaar is. Deze nadere afstemming is onderdeel van het OSPAR-werkprogramma, waaraan Nederlands onderzoek zal bijdragen.

Het groeiseizoen is in deze beoordeling gesteld op 1 maart tot en met 30 september en zo zijn ook de drempelwaarden opgesteld. Er zijn echter verschillen tussen beoordelingsgebieden. Door klimaatverandering verschuiven bovendien de groeiseizoenen. Effecten hiervan zouden verder moeten worden onderzocht en waar mogelijk meegenomen in gebiedsspecifieke definities van het groeiseizoen voor de beoordeling van chlorofyl-a. Satellietobservaties kunnen hierin een belangrijke rol spelen.

Aan de optimalisatie van satellietdata wordt doorlopend gewerkt en ook de toepassing van deze data, bijvoorbeeld voor het valideren van modeluitkomsten, zal naar verwachting toenemen.

In het Interreg-project Deutschland-Nederland Wasserqualität-Waterkwaliteit komt de samenhang tussen de KRW- en de OSPAR-beoordeling aan bod. De grenswaarden van chlorofyl-a in de kustwaterlichamen uit het Intercalibratiebesluit (EU, 2018) staan nog ter discussie. In het bovengenoemde Interreg-project onderzoeken Nederland en Duitsland gezamenlijk geharmoniseerde waarden voor beoordeling.

D5C5 Zuurstof

GMT (Art. 9)

De zuurstofconcentraties voldoen aan de drempelwaarden van de Kaderrichtlijn Water (Nederlandse kustwaterlichamen) en OSPAR (beoordelingsgebieden Internationale Noordzee), zodat er geen schadelijke effecten van eutrofiëring optreden.

Beoordeling (Art. 8)

In alle gebieden is de goede milieutoestand behaald, met uitzondering van de Oostelijke Noordzee, die ‘matig’ scoort. Uit beoordeling op een fijnere schaal blijkt dat het zuurstofarme deel relatief klein is en in het Duitse en Deense deel van de Noordzee ligt. Dit maakt dat de toestandsbeoordeling van het Nederlandse deel van dit gebied een vertekend beeld geeft. De zuurstofomstandigheden zijn vergelijkbaar met die in de voorgaande planperiode.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Zuurstofverzadiging (groeiseizoen) in de Nederlandse kustwaterlichamen (KRW).

> 60 (KRW)

%

KRW-kustwaterlichamen buiten de basiskustlijn, 2018-2020 (B).

Zuurstofconcentraties bij de zeebodem (groeiseizoen) voorbij 1 zeemijl (OSPAR).

Rijnpluim, Maaspluim, Scheldepluim 1, Scheldepluim 2, Zuidelijke Noordzee, Oostelijke Noordzee, Noordelijke Noordzee, Doggersbank: 6 (OSPAR).

mg/l

Regionale beoordelingsgebieden waarin Nederland een aandeel heeft, 2015-2020 (A).

KRW
Toelichting indicator

Onder de KRW zijn temperatuur, zuurstof en nutriënten de zogenoemde algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen voor kustwateren. Deze zijn ondersteunend aan de biologische kwaliteitselementen. De algemene fysische chemie is niet op orde als één of meer van de genoemde kwaliteitselementen niet voldoet aan de norm voor de klasse ‘goed’. Hoewel dezelfde klassen worden aangehouden als bij de biologische kwaliteitselementen (zie D5C2 Chlorofyl-a), wordt bij de fysisch-chemische kwaliteitselementen geen ecologische kwaliteitsratio (EKR) berekend.

De kustwaterlichamen voorbij de basiskustlijn behoren tot waterlichaam type ‘K1: kustwater, open en polyhalien’. De grenswaarde voor de klasse ‘goed’ is hier 60 procent verzadigd zuurstof, gemeten als seizoensgemiddelde (april tot en met september). Zie Van der Molen et al. (2018) en Rijkswaterstaat (2020) voor een nadere toelichting op de beoordelingssystematiek.

Resultaten

In de kustwateren worden geen te lage zuurstofgehalten gevonden. Sinds de eerste beoordeling in 2009 scoren de vijf kustwaterlichamen ‘zeer goed’ (tabel 5.7).

OSPAR
Toelichting indicator

Anders dan bij de KRW (die betrekking heeft op de kustzone), gaat de OSPAR-indicator over opgeloste zuurstofconcentraties in de diepste waterlaag tussen de waterbodem en 10 meter daarboven. De huidige toestand is beoordeeld op basis van de meetjaren van 2015 tot en met 2020, in de zomer en nazomer (juli tot en met oktober). In die periode kunnen stratificatie en de daarmee gepaard gaande gebrekkige verversing leiden tot zuurstoftekorten door het rotten van opgehoopt organisch materiaal. Een drempelwaarde van 6 mg opgeloste zuurstof/l wordt aangehouden als minimale waarde die nodig is om risico’s voor bodemorganismen te voorkomen. Het gemiddelde van de 5e percentiel zuurstofconcentraties over de meetperiode is berekend als een EQRS voor elk beoordelingsgebied. Er zijn vijf klassen (EQRS-waarden), die een ‘slechte’, ‘ontoereikende’, ‘matige’, ‘goede’ en ‘zeer goede’ status vertegenwoordigen. Deze EQRS-waarden zijn samengevat in kaarten voor elk beoordelingsgebied. De beoordelingsgebieden zijn dezelfde als bij de andere eutrofiërings-indicatoren (zie overkoepelende factsheet D5). Zie voor details de herziening van de Common Procedure (OSPAR, 2022).

Voor de Nederlandse beoordeling van de huidige toestand is de OSPAR-beoordeling overgenomen van de gebiedseenheden waarin het Nederlandse deel van de Noordzee ligt (zie ook factsheet D5C1 Nutriënten).

Resultaten

In het grootste deel van de OSPAR-regio is de milieutoestand met betrekking tot de zuurstofcondities goed of zeer goed.

De Oostelijke Noordzee, een van de zeven deelgebieden die niet aan de drempelwaarde voldoen, ligt deels in het Nederlandse deel van de Noordzee. De klasse ‘matig’ (EQRS: 0,57) van dit gebied geldt daarmee ook voor de Nederlandse Noordzee (zie tabel 5.8 en figuur 5.8).

OSPAR heeft ook een analyse op een fijnere schaal (grid van 60 x 60 km) uitgevoerd om zuurstofproblemen op meer lokaal niveau te identificeren (figuur 5.8). Hieruit blijkt dat slechts één gridcel in de Oostelijke Noordzee de drempelwaarde overschrijdt. Volgens de OSPAR-systematiek op basis van deelgebieden bepaalt deze cel de beoordeling van het gehele OSPAR-beoordelingsgebied Oostelijke Noordzee (ongeveer 8000 km2) en dus ook van het Nederlandse deel daarvan.

De bewuste gridcel is gelegen in het Deense en Duitse deel van de Oostelijke Noordzee. In dit gebied kan in de zomer stratificatie optreden, met een relatief klein volume water onder de spronglaag. Ontbinding van opgehoopt afgestorven organisch materiaal en bacteriële afbraak kunnen in die geïsoleerde waterlaag tot zuurstofarme condities leiden. Dit proces doet zich van nature voor, maar toename van de algenbiomassa als gevolg van eutrofiëring versterkt het effect.

Voor de Nederlandse Oestergronden, die ten zuidwesten van de bovengenoemde gridcel ook in de Oostelijke Noordzee liggen, is berekend dat de zuurstofarme periode van nature iets korter en minder hevig is dan in de huidige situatie (Prins et al., 2022). Deze zuurstofproblemen zijn echter niet waargenomen in deze beoordelingsperiode.

Verder blijken, hoewel de toestand nog steeds ‘goed’ is, zuurstofcondities in de Maaspluim en Scheldepluim 1 te verslechteren (zie figuur 5.9). Het is niet duidelijk waardoor dit komt.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De met elkaar vervlochten fysische en biologische processen nabij de zeebodem zijn zeer complex. Stroming, stratificatie en zuurstofconcentraties interacteren met zuurstofverbruikend bodemleven. Over de effecten van veranderingen, zoals tijdelijk lagere zuurstofconcentraties, op dit bodemleven bestaat nog maar beperkte kennis. Dat geldt nog sterker voor gestapelde en/of indirecte invloeden, zoals de effecten van klimaatverandering op de fysische en biologische processen.

Het modelleerwerk in OSPAR-verband gaat in op deze kennisleemtes, want lage zuurstofconcentraties zijn het meest ingrijpende effect van eutrofiëring, en stratificatie wordt mogelijk beïnvloed door klimaatverandering en door de grootschalige aanleg van windenergieparken. Dit laatste aspect is opgepakt in het MONS-programma.

Van veel beoordelingsgebieden, ook die van Nederland, zijn goede data (juiste bemonsteringsdiepte, juiste periode, saliniteitsgegevens) beperkt beschikbaar. De betrouwbaarheid van de beoordeling van zuurstofomstandigheden is hierdoor gering, wat vooral een gemis is bij de beoordeling van (deel)gebieden met lage zuurstofconcentraties zoals de Oostelijke Noordzee.

Verbetering van deze situatie is goed mogelijk. Om te beginnen zou het opnemen van bestaande onderzoeksdata in de ICES-database beter moeten worden georganiseerd. Dit punt is onderdeel van de onderzoeksagenda van OSPAR.

Ook het monitoringtechnische knelpunt dat zuurstoftekorten lokaal optreden en vaak van korte duur zijn, waardoor de kans groot is dat ze met veldmetingen worden gemist, is te verhelpen. Inzet van automatische monitoringstechnieken (gliders, meetstations nabij de zeebodem) zou aanvullende data kunnen opleveren. In diverse programma’s wordt al geprobeerd om innovatieve technieken beschikbaar te maken voor beoordelingen (EU-project JERICO, MONS, digital twins). Verder zou modellering kunnen helpen bij het identificeren van hotspots, gebruikmakend van gegevens die hiertoe al beschikbaar zijn.

Ten slotte zouden de Noordzeelanden nauwkeuriger afspraken moeten maken over de optimale diepte om opgelost zuurstof te meten. Nederland zit met 3 meter boven de bodem relatief dicht op de zeebodem. Met de huidige OSPAR-methodiek (tot 10 meter boven de bodem) worden lage zuurstofgehalten (zeer) dicht bij de bodem mogelijk niet opgemerkt. Ook zou de exacte diepte van de metingen moeten worden geregistreerd; nu gebeurt dat vaak nog niet. Deze punten zijn eveneens onderdeel van de onderzoeksagenda van OSPAR.

Bronnen

Blauw, A., Wolshaar, K. van de., & Meuwese, H. (2006). Transboundary nutrient transports in the North Sea. RIKZ report,1-74.

Bristow, L.A., Jickells, T.D., Weston, K., Marca-Bell, A., Parker, R., & Andrews J.E. (2013). Tracing estuarine organic matter sources into the southern North Sea using C and N isotopic signatures. Biogeochemistry 113, 9-22.

Burson, A., Stomp, M., Akil, L., Brussard, C.P.D., & Huisman, J. (2016). Unbalanced reduction of nutrients has created an offshore gradient from phosphorus to nitrogen limitation in the North Sea. Limn. Oceanogr. 2016, doi 10: 1002, Ino 10257, 20pp.

Deltares (2022). OSPAR ​COMP4 thresholds for nutrients and chlorophyll: Consequences for the Netherlands.

ECJ (2009). European Court of Justice Judgment of the Court (Third Chamber) of 10 December 2009. European Commission v United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland. Failure of a Member State to fulfil obligations – Environment – Directive 91/271/EEC – Urban waste water treatment - Article 3(1) and (2), Article 5(1) to (3) and (5) and Annexes I and II – Initial failure to identify sensitive areas – Concept of ‘eutrophication’ – Criteria – Burden of proof – Relevant date when considering the evidence – Implementation of collection obligations – Implementation of more stringent treatment of discharges into sensitive areas. Case C-390/07 European Court Reports 2009 I-00214.

Lavigne, H., Zande, D. van der., Ruddick, K., Cardoso Dos Santos, J., Gohin, F., Brotas, V., & Kratzer S. (2021). Quality-control tests for OC4, OC5 and NIR-red satellite chlorophyll-a algorithms applied to coastal waters Remote Sensing of Environment, Vol. 255 p. 112237.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2022). KRW factsheets rijkswateren, behorende bij Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027.

Molen, D. van der., Pot, R., Evers, C.H.M., Herpen, F.C.J. van., Nieuwerburgh, L.L.J. van. (2018). Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027. STOWA rapport nr. 49.

OSPAR (2010). Agreement 2010-3. The North-East Atlantic Environment Strategy. Strategy of the OSPAR Commission for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic 2010–2020.

OSPAR (2013). Agreement 2013-8. Common Procedure for the Identification of the Eutrophication Status of the OSPAR Maritime Area. Supersedes Agreements 1997-11, 2002-20 and 2005-3.

OSPAR (2022). Revision of the Common Procedure for the Identification of the Eutrophication Status of the OSPAR Maritime Area. In prep.

OSPAR (2022). QSR 2023 common indicator assessment: Winter Nutrient Concentrations in OSPAR Regions II, III and IV. In prep.

OSPAR (2022). ​OSPAR’s Quality Status Report 2023: Atmospheric Deposition of Nitrogen to the OSPAR Maritime Area in the period 1995-2019. Publication number 896/2022, 94 pp.

OSPAR (2022). ICG-EMO report on model comparison for historical scenarios as basis to derive new threshold values. OSPAR Publication Number: 895/2022. 67 pp. www.ospar.org/documents?v=48846

Otto, L., Zimmerman, J.T.F., Furnes, G.K., Mork, M., Saetre, R., & Becker, G. (1990). Review of the physical oceanography of the North Sea. Netherlands Journal of Sea Research, 26, 161–238.

Prins, T.C., Linden, A. van der., Schneider, L.K., Troost, T.A., Roovaart, J.C. van den., Meijers, E.M., & Blauw, A.N. (2022). OSPAR COMP4 thresholds for nutrients and chlorophyll; consequences for the Netherlands. Deltares rapport nr. 11208067-003-ZWS-0001, 67 pp.

Rijkswaterstaat (2020). Protocol monitoring en toestandsbeoordeling oppervlaktewaterlichamen KRW.

RIVM (2020). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016-2019) en trend (1992-2019). De Nitraatrapportage 2020 met de resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma’s.

Weston, K., Jickells, T.D., Fernand, L., & Parker, E.R. (2004). Nitrogen cycling in the southern North Sea: consequences for total nitrogen transport. Est.Coast.Shelf Sc.59, 559-573.

Zande, D. van der., Lavigne, H., Blauw, A., Prins, T., Desmit, X., Eleveld, M., Gohin, F., Pardo, S., Tilstone, G., & Cardoso Dos Santos, J. (2019). ​Coherence in Assessment Framework of Chlorophyll A and Nutrients as Part of the EU Project ‘Joint Monitoring Programme of the Eutrophication of the North Sea With Satellite Data’ (Ref: DG ENV/MSFD Second Cycle/2016). Activity 2 Report (2019) (106 pp)

D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats

GMT (Art. 9)

De integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen zijn gewaarborgd en dat met name benthische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast.

Beoordeling (Art. 8)

Het verlies aan habitats blijft beneden de drempelwaarde (D6C4). Ondanks het ontbreken van drempelwaarden voor de overige criteria kan worden gesteld dat in het Nederlandse deel van de Noordzee de goede milieutoestand niet is bereikt. Dit oordeel is vooral gebaseerd op de matige tot slechte kwaliteit van de verschillende typen habitats (D6C5). Ondanks een lichte afname van de visserijdruk (D6C2) is de toestand nagenoeg onveranderd ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op vermindering van bodemberoering, waardoor verlies van benthische habitats beperkt wordt en de kwaliteit verbetert. Actief herstel is nodig voor terugkeer van biogene riffen, specifiek de platte oester.

Inleiding

De milieutoestand van de zeebodem wordt bepaald door een grote variëteit aan – deels veranderlijke – fysische en chemische omstandigheden, waaronder bodemsamenstelling, stromingspatronen, diepteligging, lichtklimaat, zuurstofcondities en aanvoer van voedingsstoffen. Het totaal van deze condities zorgt voor een diversiteit aan uiteenlopende habitats, elk met hun specifieke bodemdiergemeenschappen van typische en karakteristieke soorten. De benthische habitats en de bodemdiergemeenschappen die daarmee zijn geassocieerd, hebben een belangrijke rol in het ecosysteem. Bodemdieren vormen een belangrijke schakel in het mariene voedselweb. Ze filteren organisch materiaal uit de waterkolom, vangen zoöplankton, brengen zuurstof in de bodem (aeratie) en ruimen dood organisch materiaal op. Op hun beurt zijn bodemdieren een belangrijke voedselbron voor hogere soorten, zoals vissen en vogels.

Bodemdiergemeenschappen herbergen structuurvormers die meebouwen aan eigen habitats en daarmee ook aan het leefgebied van onder meer diverse vissoorten. Verstoring van de zeebodem kan leiden tot verandering van de omstandigheden en/of habitats, met als mogelijk gevolg een verschuiving binnen de bodemdiergemeenschappen en de hogere soorten die daarvan afhankelijk zijn. Doorgaans is zo’n proces gunstig voor pioniersgemeenschappen en gaat het ten koste van gevoelige soorten. Een habitat verliest dan aan diversiteit en vervult mogelijk niet meer alle ecologische functies. De ecologische kwaliteit van de habitat vermindert.

Verstoring, of zelfs verlies van een habitattype, kan het gevolg zijn van uiteenlopende activiteiten, waaronder fysieke bodemverstoring door bodemberoerende visserij en zandwinning, en het aanleggen of bouwen van objecten en structuren op de zeebodem.

Onder descriptor D6 wordt aan de hand van vijf criteria de toestand van de zeebodem en van benthische habitats beoordeeld. Criterium D6C1 gaat over het verlies van oppervlakte aan zeebodem; D6C2 over de omvang van de oppervlakte verstoorde zeebodem. De impact van verstorende fysieke bodemberoering op afzonderlijke habitats (‘brede habitattypen’: BHT), wordt beschouwd onder criterium D6C3. Criterium D6C4 gaat over het verlies aan oppervlakte per BHT. Onder criterium D6C5 ten slotte komt de kwaliteit van de zeebodemhabitats in beeld, op basis van de benthosgemeenschappen per BHT, als resultante van de diverse verstoringen en oppervlakteverliezen.

Beoordeling

In de afgelopen planperiode zijn indicatoren voor D6 verder aangescherpt en recent (2023) zijn de eerste Europese drempelwaarden vastgesteld. Deze bepalen dat per breed habitattype niet meer dan 2 procent aan oppervlakte mag zijn verloren (D6C4), en dat de milieukwaliteit niet negatief mag zijn beïnvloed in meer dan 25 procent van de oppervlakte (D6C5). Er is echter nog geen onderliggende grenswaarde (drempelwaarde kwaliteitstoestand) vastgesteld die aangeeft wanneer sprake is van negatieve effecten. Bovendien is nog niet duidelijk hoe, aan de hand van de beschikbare indicatoren voor D6C5, de oppervlakte aan ‘geschade habitats’ is te bepalen. Het is op dit moment dan ook niet goed mogelijk om de drempelwaarde van 25 procent toe te passen. Om deze redenen neemt Nederland de EU-drempelwaarde van 25 procent niet over in deze actualisatie van de Mariene Strategie. Wanneer de drempelwaarde voldoende is uitgewerkt, wordt deze bij een eerstvolgende gelegenheid op basis van nationale besluitvormingsprocessen al dan niet overgenomen.

Nederland heeft echter ook zonder precieze drempelwaarden een beoordeling kunnen uitvoeren voor het Nederlandse deel van de Noordzee. Daarbij is gebruikgemaakt van de beoordeling van de Zuidelijke Noordzee door OSPAR, en van aanvullende nationale analyses voor het Nederlandse deel. De resultaten en de totstandkoming van de beoordeling zijn in onderstaande paragrafen beknopt toegelicht en uitvoeriger beschreven in de factsheets per criterium.

Criteria D6C1 en D6C2

De criteria D6C1 en D6C2 beschouwen respectievelijk het verlies aan oppervlakte zeebodem en de omvang van het deel van de zeebodem dat fysiek is verstoord.

Volgens de OSPAR-analyse is 66 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee fysiek verstoord. OSPAR noemt de bodemberoerende visserij de belangrijkste oorzaak van de verstoring (D6C2). Dit aandeel wordt ook representatief geacht voor de Nederlandse situatie. Toch is een lichte afname van de visserijdruk zichtbaar. Fysieke verstoring door zandwinning is zeer lokaal en beslaat in totaal circa 0,1 procent van de zeebodem in het Nederlandse deel van de Noordzee.

In sommige gevallen leidt verstoring tot verlies (D6C1). Volgens OSPAR bedraagt het verlies aan zeebodemoppervlakte in de Zuidelijke Noordzee 1693 km2 ofwel 0,82 procent, wat vrijwel helemaal een gevolg is van bodemberoerende visserij. Voor het Nederlandse deel van de Noordzee komt het bodemverlies uit op 201 km2, ofwel 0,34 procent van de Nederlandse zeebodem. Een aanvullende, meer gedetailleerde nationale analyse wijst uit dat daar bovenop in het Nederlandse deel van de Noordzee 82 km2 (0,14 procent) van de zeebodem is verloren door overige activiteiten, zoals de aanleg van vaargeulen, die hoofdzakelijk in voorgaande planperioden hebben plaatsgevonden. In de laatste planperiode is het verlies door deze overige activiteiten nauwelijks toegenomen.

Criterium D6C3

De resultaten van criterium D6C2 zijn als input gebruikt voor D6C3, dat de omvang van de impact van verstoring per habitattype in beeld brengt. OSPAR heeft door middel van modellering met de zogenaamde BH3-indicator per habitattype inschattingen gedaan van de gevoeligheid van de habitat en van het risico op aantasting door visserijdruk. Een ‘medium’ of hoger risico op de schaal van de indicator is daarbij aangemerkt als maatgevend voor de status ‘aangetast’.

Dit uitgangspunt leidt in het rekenmodel tot het resultaat dat 58 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee is aangetast als gevolg van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij. Drie van de in totaal vijftien brede habitattypen zijn minder dan 25 procent aangetast. Tabel 6.1 geeft per habitattype weer welk deel een ‘medium’ of ‘hoog’ risico heeft op impact door visserijdruk. De kleuren in de tabel zijn indicatief, omdat er nog geen drempelwaarde is die aangeeft wanneer sprake is van aantasting en omdat bij de resultaten methodische kanttekeningen zijn te plaatsen (zie factsheet D6C3).

Een aanvullende nationale analyse laat zien dat in het Nederlandse deel van de Noordzee een gering percentage van de habitattypen ‘offshore circalitoraal zand’, ‘circalitoraal zand’ en ‘circalitoraal slib’ is aangetast door toedoen van zandwinning (respectievelijk 0,05, 0,30 en 0,27 procent).

Criterium D6C4

D6C4 Verlies van habitattype is onder descriptor D6 het enige criterium met een drempelwaarde. Deze gaat uit van een maximaal acceptabel verlies van 2 procent per breed habitattype. Volgens de OSPAR-analyse is in het Nederlandse deel van de Noordzee alleen sprake van oppervlakteverlies aan offshore circalitoraal slibrijk habitat. Dit verlies als gevolg van bodemberoerende visserij bedraagt 1,5 procent. Het habitattype komt voor op en rond Centrale Oestergronden, Friese Front en de Klaverbank. Opvallend is dat de OSPAR-analyse op schaal van de gehele Zuidelijke Noordzee een groter verlies laat zien, namelijk overschrijding van de drempelwaarde bij vijf van de vijftien habitattypen (zie tabel 6.1). Daarbij vallen vooral de drie habitattypen met hard substraat (inclusief biogeen rif) op; hiervan is 52 tot 72 procent verloren gegaan, ver boven de drempelwaarde van 2 procent. Deze habitattypen met hard (geogeen) substraat komen in de Nederlandse Noordzee niet voor.

Nederland heeft in aanvulling op het door OSPAR aangegeven visserijgerelateerd verlies een meer gedetailleerde analyse uitgevoerd van de mogelijke impact van overige activiteiten in het eigen deel van de Noordzee. Hieruit blijkt dat het oppervlak aan verlies per breed habitattype door de aanwezigheid van structuren (leidingen, platforms en windmolens) en het verlies door zandwinning (inclusief verdiepte loswallen) en het verdiepen van vaargeulen beperkt is gebleven tot waarden tussen nihil en 0,56 procent.

Het verlies van habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2 procent. Hierbij past wel de kanttekening dat specifieke habitats zoals biogene riffen nog niet in de analyse zijn meegenomen. Naar verwachting werkt zowel de Europese Commissie (expert subgroep TG Seabed) als OSPAR hier de komende tijd aan. Belangrijke voorliggende vraagstukken zijn het te kiezen referentiejaar en hoe om te gaan met kennishiaten omtrent de (voormalige) omvang en ligging van deze specifieke habitats.

Criterium D6C5

Onder criterium D6C5 is aan de hand van drie indicatoren de kwaliteit van de habitattypen bepaald. Doordat de indicatoren verschillende kwaliteitsaspecten tonen, geeft de combinatie een completer beeld van de kwaliteit dan elk van de drie afzonderlijk. Het gebruik van een combinatie van indicatoren voor de beoordeling van D6C5 is ook vanuit de wetenschap aanbevolen (ICES, 2022; Raicevich & Korpinen, 2022).

OSPAR gebruikt de Margalef-index voor het beoordelen van de relatieve soortendiversiteit. In principe reageert deze index op elk type verstoring, maar hij blijkt beter te correleren met organische belasting dan met fysieke verstoring (Met organische belasting worden secundaire effecten van verhoogde nutriënteninput en onbalans bedoeld. Benthische soorten ondervinden effecten op het voedselaanbod via veranderingen in beschikbaarheid en diversiteit van fytoplankton en zoöplankton en detritusaanbod).

De KRM vraagt zo mogelijk ook het oordeel van de KRW mee te wegen in de beoordeling van de kustwateren. Nederland gebruikt hiervoor de BEQI-2-indicator. Deze gaat uit van soortenrijkdom, soortendiversiteit en de aanwezigheid van soorten die gevoelig zijn voor organische belasting en verontreinigingen. Deze indicator correleert dan ook vooral met de genoemde drukfactoren.

Verder heeft Nederland specifiek voor de KRM (en de Habitatrichtlijn) de BISI-indicator ontwikkeld. De indicator beschouwt een combinatie van typische soorten, soorten gevoelig voor verschillende typen verstoringen en soorten van belang voor het ecologisch functioneren. Door deze combinatie geeft de BISI naast een beeld van de kwaliteit ook inzicht in de relatieve bijdrage van drukfactoren.

Alle drie de indicatoren gaan uit van een schaal van 0 tot 1 (van zeer slechte kwaliteit tot zeer goede kwaliteit van de habitat), maar ze zijn – naast eerdergenoemde verschillen – onderling niet vergelijkbaar omdat ze nog niet zijn geijkt en uiteenlopende schalen (lineair of exponentieel) gebruiken. Alleen voor de BEQI-2 indicator is een drempelwaarde benoemd, namelijk 0,6. De in tabel 1 gebruikte kleuren van de andere twee indicatoren zijn daarom indicatief.

De BISI-waarden voor alle brede habitattypen zijn relatief laag tot zeer laag (maximaal 0,21; tabel 6.1). Ook de relatieve soortendiversiteit in de kustgebieden is laag. Ondanks het ontbreken van specifieke gevoelige soorten (onder andere volgens de BISI) zijn diverse offshore habitats wel relatief soortenrijk (Margalef). De BEQI-2 resultaten zijn van toepassing op de smalle kuststrook. Deze indicator wijst – in tegenstelling tot de andere twee indicatoren – een goede toestand uit. Zoals hierboven aangegeven kunnen deze verschillen worden verklaard doordat de indicatoren verschillende drukfactoren indiceren, op verschillende geografische schaal worden toegepast en uitgaan van verschillende referenties.

Tabel 6.1. Beoordeling van de benthische brede habitattypen per criterium en indicator. Alleen voor D6C4 is een drempelwaarde van toepassing. Voor de overige criteria zijn de gebruikte kleuren indicatief; zie hoofdtekst voor toelichting. Onder D6C4 zijn in kolom ‘BH4 meer detail’ het verlies in de Nederlandse Noordzee door bodemberoerende visserij (volgens de OSPAR-analyse) en het verlies door overige activiteiten (volgens de nationale analyse) bij elkaar opgeteld. Onder criterium D6C4 en D6C5 zijn verscheidene indicatoren gebruikt. Ze verschillen in wat ze berekenen en in de schaal van het gebied waarvoor ze zijn toegepast (Z NZ = Zuidelijke Noordzee; NL NZ = Nederlandse deel van de Noordzee). BH3, BH4 en ‘Margalef diversiteit’ (BH2b) zijn OSPAR-indicatoren, BISI is een Nederlandse indicator, BEQI-2 is een Nederlandse indicator voor de KRW (onder OSPAR gevat onder BH2a). NB: Ook al loopt de schaal van 0 naar 1, de waarden tussen de indicatoren zijn niet vergelijkbaar (zie hoofdtekst). Natuurlijk hard substraat niet aanwezig in NL (biogeen rif maakt als kwaliteitselement wel onderdeel uit van de andere brede habitattypen); *In zeer beperkte mate aanwezig in Nederlandse Noordzee zodat resultaat ‘grof sediment’ is overgenomen; ***Ontbreekt in Nederlandse Noordzee (score in grijs vanwege lage data-beschikbaarheid).

Integrale beoordeling

De integrale beoordeling is van toepassing op het Nederlandse deel van de Noordzee. Het verlies van habitats blijft beneden de drempelwaarde (D6C4) (voor de beoordeling van D6C4 wordt uitgegaan van de OSPAR-analyse met betrekking tot bodemberoerende visserij in het Nederlandse deel van de Noordzee, en van de gedetailleerde nationale analyse voor alle overige activiteiten). Ondanks het ontbreken van drempelwaarden voor de overige criteria en ondanks resterende methodische beperkingen kan worden gesteld dat de goede milieutoestand niet is bereikt. Dit oordeel is vooral gebaseerd op veldmetingen (conform de aanbevelingen uit de Art. 8 guidance; European Commission, 2022, die aangeven dat bij de beoordeling veldmetingen prevaleren boven modelleringsresultaten. Als er onvoldoende velddata zijn kunnen modellen uitkomst bieden) en specifiek de BISI-indicator (D6C5). Deze indicator laat zien dat diverse typische, gevoelige en sleutelsoorten op grote schaal ontbreken of in lagere dichtheden voorkomen dan onder goede kwaliteitsomstandigheden zou zijn te verwachten. Het betreft hier vrijwel alle brede habitattypen. De resultaten van de andere indicatoren ondersteunen deze conclusie, met name BH3 die het aangetaste aandeel per habitattype berekent.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

De belangrijkste drukfactor voor zeebodemintegriteit is de bodemberoerende visserij. Offshore worden vanaf 2023 stappen gezet om de visserijdruk te verlagen. In de kustzone is de fysieke verstoring iets afgenomen en zijn kleine gebiedsdelen gesloten voor bodemberoerende visserij. Toch is de visserijdruk in de kustzone nog altijd hoger dan offshore (ICES, 2021). Belangrijke maatregelen, zoals het weren van bodemberoerende visserij, beperkten zich tot en met 2022 tot 0,3 procent van de Nederlandse Noordzee. Deze beperkte inzet van de maatregel is nu zichtbaar in het niet behalen van een goede kwaliteitstoestand van de benthische habitats.

Vanaf 2023 is een stapsgewijze uitbreiding van het gesloten gebied voor bodemberoerende visserij ingegaan van 5 procent naar 15 procent in 2030. Deze maatregel, vastgelegd in het Noordzeeakkoord, zal naar verwachting op termijn tot significante kwaliteitsverbetering van habitattypen leiden.

procent naar 15 procent in 2030. Deze maatregel, vastgelegd in het Noordzeeakkoord, zal naar verwachting op termijn tot significante kwaliteitsverbetering van habitattypen leiden.

Andere belangrijke voorgenomen maatregelen zijn:

• natuurherstelmaatregelen (oa in het kader van Programma Natuurversteking Noordzee);

• natuurinclusief bouwen in windmolenparken;

• sanering van de kottervloot;

• innovaties in visserijtechnieken gericht op beperking van bodemberoering en bijvangst (Kottervisie5 en als vervolg daarop de visie Voedsel uit zee en grote wateren6);

• aanpassing van de zandwinningsstrategie door diepe winning te minimaliseren en zoveel mogelijk bestaande gebieden te (her)gebruiken.

Het pakket aan maatregelen leidt naar verwachting tot het tegengaan van habitatverlies en vermindering van verstoring, en ook tot het herstel van biogene riffen. Toch blijft het onzeker of de al geplande maatregelen voldoende zijn om de goede milieutoestand van de aangetaste habitattypen te bereiken. Daarom kan gaandeweg de transities bijstelling nodig zijn.

Milieudoelen en indicatoren

De milieudoelen zijn voornamelijk gericht op het passief herstel van bodemhabitats en daarom ook op het terugdringen van de belangrijkste drukfactoren. Minimaal 10 procent van de bodem van de Nederlandse Noordzee zal in 2030 volledig zijn gevrijwaard van alle vormen van te beïnvloeden menselijke verstoring (6.1). Voor de bodemberoerende visserij is dat percentage volgens de afspraak in het Noordzeeakkoord in 2030 tenminste 15 procent (6.2).

Per breed habitattype wordt gestreefd naar minder impact van fysieke verstoring (6.3).

Het milieudoel ‘herstel van bodemhabitats’ betekent een kwaliteitsverbetering van alle voor Nederland relevante brede habitattypen in 2036. In gebieden waar bodemberoerende visserij wordt beperkt, is dit doorlopend een punt van aandacht (6.4).

Verlies van bodemhabitats door verstorende activiteiten wordt zoveel mogelijk beperkt (6.5).

Waar het terugdringen van relevante drukfactoren niet vanzelf resulteert in herstel van biogene riffen zullen als extra inspanning herstelmaatregelen worden uitgevoerd om rifvorming te bevorderen (6.6).

De bovenstaande milieudoelen zijn specifiek gericht op D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats. Ook de algemene milieudoelen voor D1 Biodiversiteit dragen hieraan bij (1.1, 1.2 en 1.3). Deze milieudoelen sluiten aan bij de verplichtingen volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en afspraken uit het Noordzeeakkoord. Tot slot ondersteunen ook de milieudoelen voor D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen (7.1, 7.2, 7.3), gericht op het terugdringen van verstoring van bodemhabitats de doelen onder D6.

Tabel 6.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie. Milieudoelen 1.1 tot en met 1.4 zijn overkoepelende milieudoelen; deze gelden ook voor zeevogels, zeezoogdieren en vissen. Milieudoelen 6.1 tot en met 6.6 gelden specifiek voor de zeebodem en benthische habitats.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

1.1

In 2030 is minimaal 30% van de oppervlakte van de Nederlandse mariene wateren beschermd gebied onder het regime van Natura 2000 en/of de KRM65.

2030

Areaal aan beschermde gebieden N2000 en/of KRM.

Aanwijzen gebieden onder HR of VR (N2000) en/of de KRM, uitvoering gebiedsafspraken NZA (4.38).

1.2

Realiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten in de mariene Natura 2000-gebieden.

Conform tijdpad Natura

2000-beheer-

plannen.

Aantal gerealiseerde

instandhou-

dingsdoelstel-

lingen.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet.

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

1.3

Stoppen van de landelijke verslechtering van de mariene habitattypen (HR) en soorten (HR en VR).

Doorlopend

Aantal habitattypen en soorten dat wel/niet verslechtert.

- Implementatie op basis van regels over Natura 2000-gebieden in de Omgevingswet

- Internationale maatregelen: alle in de MS1 genoemde (bestaande of voorgenomen) maatregelen dragen bij.

- Eventueel aanvullende maatregelen op basis van de evaluatie van de beheerplannen of soortenbeschermingsplannen.

- Natuurplan onder de natuurherstelverordening.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

6.1

Minimaal 10 procent van de gehele zeebodem in het Nederlandse deel van de Noordzee is gevrijwaard van alle beheersbare menselijke activiteiten die effecten hebben op de zeebodem.

2030

Indicator D6C1, D6C2 en D7C1.

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) conform Noordzeeakkoord (NZA 4.38).

Opstellen afwegingskader andere activiteiten.

6.2

In 2030 is 15% van de Nederlandse Noordzee binnen ecologisch waardevolle gebieden volledig gevrijwaard van bodemberoering door visserij (waarvan 2,8 procent van de Nederlandse Noordzee voor alle vormen van visserij).

2030

Areaal waar visserijmaatregelen in werking zijn, in combinatie met indicator D6C2.

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) conform NZA (4.38).

6.3

Verlaging van de impact van fysieke verstoring per breed habitattype door visserijactiviteiten, tot ten minste een dalende trend in 2030 ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Doorlopend

Indicator D6C3.

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) conform NZA (4.38).

6.4

Kwaliteitsverbetering voor elk van de brede habitattypes waarvan de omvang en/of de kwaliteit van betekenis is in het Nederlandse deel van de Noordzee, waaronder de gebieden waar visserij wordt beperkt.

Doorlopend

BISI-index / Margalef- index.

- Visserijmaatregelen (art 11 GVB) conform NZA (4.38).

- Opstellen afwegingskader andere activiteiten in KRM gebieden (2028)

- Aanvullende maatregelen indien mogelijk en passend via Programma Natuurversterking Noordzee (2030).

6.5

Blijven voldoen aan de EU-drempelwaarde door fysiek verlies van bodemhabitat door infrastructurele projecten, zandwinning en visserij tot een minimum te beperken.

Doorlopend

Indicator D6C4.

Drempelwaarde wordt op dit moment behaald, dus doel is gericht op behoud van GMT.

6.6

Terugkeer en herstel van biogene riffen, waaronder platte-oesterbanken in ecologisch waardevolle gebieden en in windparken.

Doorlopend

Areaal biogene riffen.

Herstelmaatregelen in ecologisch waardevolle gebieden: instellen oesterherstelgebieden Friese Front cf. artikel 4.43 NZA (2025).

Programma Natuurversterking Noordzee (NN) (2030).

Natuurinclusief bouwen van windparken ten behoeve van platte oester (doorlopend).

Visserijmaatregelen (art. 11 GVB) cf. artikel 4.35 NZA ten behoeve van

herstel zandkokerwormriffen (2030).

D6C1 Fysiek verlies van de zeebodem

GMT (Art. 9)

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D6C4 en D7C1).

Beoordeling (Art. 8)

Het verlies is in de hier beschouwde planperiode nauwelijks toegenomen. In het Nederlandse deel van de Noordzee is 283 km2 (0,48%) habitat verloren gegaan. Dit komt door intensieve visserij en andere activiteiten in voorgaande planperioden.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

BH4 Area of habitat loss (OSPAR).

n.v.t.

Oppervlakte (km2 of %).

Zuidelijke Noordzee,

2016-2021 (A).

BH4 Area of habitat loss (gedetailleerde analyse, nationaal).

n.v.t.

Oppervlakte (km2 of %).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (C).

Toelichting indicator

Criterium D6C1 gaat over het verlies van de natuurlijke zeebodem door fysieke bodemverstoring.

OSPAR heeft de Zuidelijke Noordzee beoordeeld met de pilot-indicator BH4 Area of habitat loss (Schmitt et al., 2023). Omdat dit een proefbeoordeling was, waarin een deel van de informatie nog ontbrak, heeft Nederland – gebruikmakend van dezelfde methodiek – een aanvullende analyse uitgevoerd voor het eigen deel van de Noordzee.

BH4 Area of habitat loss (OSPAR)

Aanleg van windturbines, platforms en pijpleidingen leidt tot verlies aan natuurlijke zeebodem. De BH4-indicator gaat per object of structuur uit van een standaard oppervlakte zeebodem die door afdekking verloren gaat, het zogenoemde sealed loss (zie Schmitt et al., 2023). Bodemberoerende visserij en grondstoffenwinning kunnen ook leiden tot verlies van habitat. Dat gebeurt wanneer intensief gebruik de sedimentsamenstelling substantieel verandert, waardoor het bestaande habitattype overgaat in een ander breed habitattype (BHT). Deze vorm van habitatverlies is bekend onder de naam unsealed loss. Het risico op deze vorm van verlies is ingeschaald op basis van de gevoeligheid van een substraattype en de hydrodynamiek (stroming en golfwerking) aan de zeebodem (cf. EUSeaMap, 2021). Vervolgens wordt het risico op verlies gecombineerd met de verstoringsintensiteit (in SAR-klasse Swept Area Ratio: het gemiddeld aantal keer verstoord per jaar). Het risico op verlies kent een schaal met vier niveaus: ‘geen risico’, ’laag risico’, ‘medium risico’ en ‘hoog risico’. Deze kwalificaties worden uitgewerkt per gridcel voor visserij (ICES c-squares), of per winvak voor grondstoffenwinning (OSPAR, 2022; Schmitt et al., 2023). Gridcellen en winvakken met een medium of hoog risico worden beschouwd als habitatverlies.

Voor de OSPAR-analyse is uitgegaan van het volume gewonnen grondstoffen in vergunde gebieden in 2019 (als verondersteld representatief jaar) en van de gemiddelde visserijdruk per jaar over de periode 2015-2020. De BH4-indicator maakt geen onderscheid tussen zandwinning en verdiepte loswallen. Vaargeulen worden niet meegerekend.

Aanvullende analyse Nederlandse deel van de Noordzee

De aanvullende nationale analyse heeft alleen betrekking op het Nederlandse deel van de Noordzee en is uitgevoerd volgens de systematiek van de BH4-indicator van OSPAR. In de analyse zijn Nederlandse data uit 2020-2021 verwerkt die niet meer konden worden opgenomen in de OSPAR-analyse. Ook is het detailniveau groter. Zo is voor verstoring door zandwinning een meer gedetailleerde inschatting mogelijk omdat de wingegevens per jaar en per winvak beschikbaar zijn. Daarbij is ook rekening gehouden met de winmethodiek, de diepte van de winning en het type sediment. Verdiepte loswallen zijn op dezelfde manier beoordeeld als zandwinning. In tegenstelling tot bij de OSPAR-analyse is ook verlies van habitat door het verdiepen van vaargeulen meegerekend. Gedetailleerde informatie over de methodiek voor de berekening van habitatverlies wordt gegeven in Wijnhoven (2023c).

Resultaten
Zuidelijke Noordzee (OSPAR)

In de Zuidelijke Noordzee scoorde volgens de systematiek van de pilot-indicator 0,8 procent van het areaal een ‘medium risico’ op habitatverlies (unsealed loss) als gevolg van verstoring door de bodemberoerende visserij. Een ‘hoog risico’ op habitatverlies wordt in de gehele Noordzee alleen in enkele, verspreid liggende kleine gebiedjes met biogeen habitat aangetroffen, tezamen 0,02 procent van de oppervlakte (zie ook factsheet D6C4). Zodoende is in totaal afgerond 0,8 procent van het areaal aan habitat verloren gegaan; in de voorgaande planperiode was dit 0,7 procent. De bodemberoerende visserij is volgens de OSPAR-analyse de belangrijkste activiteit die leidt tot habitatverlies (figuur 6.1).

Unsealed loss als gevolg van grondstoffenwinning is in de OSPAR-analyse vanwege gebrek aan gegevens slechts summier uitgewerkt (zie ook de aanvullende Nederlandse analyse).

Verlies door afdekking (sealed loss) bedraagt totaal 40 km2; dit is 0,019 procent van de zeebodem (figuur 6.1).

Nederlandse deel van de Noordzee

De OSPAR-analyse van de Zuidelijke Noordzee wijst de intensieve bodemberoerende visserij aan als belangrijkste drukfactor die leidt tot verlies van habitats. De aanvullende nationale analyse heeft dit resultaat niet herberekend, maar wel een uitsnede gemaakt voor het eigen zeegebied. Uitgaande van de OSPAR-analyse ligt 201 km2 (0,34 procent) aan gebied met medium (tot hoog) risico op habitatverlies in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Van de andere bodemverstorende activiteiten op het Nederlandse deel van de Noordzee draagt het onderhoud van de Euro-Maasgeul en de IJgeul het meeste bij aan habitatverlies (figuur 6.2). De omvang van deze activiteit is echter beperkt, namelijk 0,066 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee, en neemt ook niet toe.

Volgens de aanvullende analyse leidt zandwinning tot 0,018 procent aan habitatverlies op het totaal aan Nederlandse zeebodem (zie figuur 6.2). Wanneer zandwinning voornamelijk ondiep blijft, zal het habitatverlies in de komende jaren naar verwachting slechts zeer beperkt toenemen, ondanks een grotere zandbehoefte voor kustverdediging.

Verlies door afdekking (sealed loss) is in de Nederlandse Noordzee zeer beperkt (figuur 6.2). De verwachting is dat dit zo blijft, ook bij een sterke toename van het aantal offshore windmolens.

In totaal bedraagt het verlies aan zeebodem in het Nederlandse deel van de Noordzee 283 km2 ofwel 0,48 procent.

Figuur 6.1. a) Berekend habitatverlies in km2 in de Zuidelijke Noordzee over de periode 2015-2020 op basis van de OSPAR QSR2023 BH4 ‘pilot assessment’ (Schmitt et al., 2022) met aanduiding van het percentage ten opzichte van de totale oppervlakte aan zeebodem;

Figuur 6.1. b) Risicokartering voor de Noordzeeregio voor verlies door bodemberoerende visserij over de periode 2015-2016, overgenomen uit Schmitt et al. (2023).

Habitatverlies kan ook worden veroorzaakt door landwinning of door afsluiting van zeearmen. Wanneer dit gebeurt in het belang van de nationale veiligheid (zoals het geval is geweest bij Deltawerken, Afsluitdijk en overige kustverdediging), blijven de betreffende activiteiten buiten beschouwing in de beoordeling (conform KRM, artikel 2). De Tweede Maasvlakte valt hier niet onder. Momenteel is voor descriptor D6 nog geen referentiejaar vastgesteld. De Tweede Maasvlakte is aangelegd vóór 2012, het jaar van de Initiële beoordeling voor de KRM. De oppervlakte bedraagt 24,6 km2, oftewel 0,042 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit aandeel is niet meegenomen in de berekening van de totale omvang van het verlies.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De methodiek om habitatverlies vast te stellen is sinds de voorgaande beoordeling (2018) verder uitgewerkt en regionaal afgestemd. Het berekende habitatverlies is nu groter, voornamelijk doordat nu ook unsealed loss is meegeteld. Ook werden voorheen bijvoorbeeld kabels en leidingen niet meegenomen vanwege de inschatting dat deze nauwelijks tot habitatverlies leiden. In de beoordeling over de nu beschouwde planperiode tellen kabels en leidingen wel mee.

Ondanks deze ontwikkelingen is de BH4-indicator nog in de pilotfase en is er ruimte voor aanpassingen. Zo kunnen ook de ervaringen met de aanvullende Nederlandse analyse bijdragen aan de verdere ontwikkeling van deze indicator. Verder is verbetering van de beoordeling te verwachten doordat de dataset steeds verder wordt aangevuld met specifieke(re) informatie over locaties van uiteenlopende activiteiten en hun impact op habitats en over het (voormalige) voorkomen van specifieke habitats.

Een belangrijk aandachtspunt is vooralsnog de keuze van het referentiejaar. De Mariene Strategie deel 1 (2018) gaat uit van het jaar van de Initiële beoordeling voor de KRM: 2012. Op Europees niveau wordt in de Technical Group Seabed (technische werkgroep voor de KRM-implementatie) onderzocht of en zo ja hoeveel, verder zou moeten worden teruggeblikt om een betere referentie te krijgen (Raicevich & Korpinen, 2022).

De meeste activiteiten worden voldoende geregistreerd en gerapporteerd. Wel is er beperkt zicht op de verwijdering en/of het buiten gebruik stellen van platforms en leidingen (en in de toekomst wellicht ook windturbines), hoewel deze waarschijnlijk niet tot grote verschillen in de resultaten zullen leiden. Niet alleen activiteiten, maar ook habitatkenmerken zijn meebepalend voor de uitkomsten (zie ook factsheet D6C4). Gevoelige habitats, zoals vooral biogene riffen, gaan eerder verloren. Het is dan ook van belang om de ligging en omvang hiervan beter in kaart te brengen. In Nederland spant het MONS-programma zich hiervoor de komende jaren in (MONS, 2023).

D6C2 Fysieke verstoring van de zeebodem

GMT (Art. 9)

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D6C3).

Beoordeling (Art. 8)

Bodemberoerende visserij is wijdverspreid en met afstand de belangrijkste oorzaak van verstoring: 66 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee heeft te maken met matige tot hoge visserijdruk. Toch is over de langere termijn een lichte afname in visserijdruk zichtbaar. Zandwinning is de enige andere menselijke activiteit die noemenswaardige verstoring tot gevolg heeft. Deze is zeer lokaal en beslaat 0,1 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Visserijdruk: BH3 Physical damage to predominant and special habitats (OSPAR).

n.v.t.

Oppervlakte (km2 of %).

Zuidelijke Noordzee, 2016-2020 (A).

Zandwinning en overige fysieke verstoring (nationaal).

n.v.t.

Oppervlakte (km2 of %).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Visserijdruk in de Zuidelijke Noordzee
Toelichting BH3-indicator

De fysieke verstoring van de zeebodem wordt in kaart gebracht met de BH3-indicator van OSPAR. OSPAR heeft hiermee separaat de visserijdruk en de grondstoffenwinning beoordeeld. Omdat Nederlandse zandwinningsdata niet in de OSPAR-beoordeling zijn meegenomen, heeft Nederland dit onderdeel apart voor het Nederlandse deel van de Noordzee berekend.

De mate van beroering van de zeebodem door de visserij wordt afgeleid uit gegevens die onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) door het EU-Vessel monitoring system (VMS) worden verzameld van schepen langer dan 12 meter. ICES heeft een standaardprotocol ontwikkeld voor het omzetten van de VMS- en logboekgegevens in kaarten die de ruimtelijke omvang en spreiding van de visserijdruk weergeven. Voor de huidige beoordeling zijn gegevens gebruikt uit de periode 2016 tot en met 2020 (QSR2023; Matear et al., 2023). OSPAR vergelijkt de resultaten hiervan ook met de resultaten over een langere periode (2009-2020).

De OSPAR-beoordeling van de verstoring van de zeebodem strekt zich uit over de hele Zuidelijke Noordzee; het Nederlandse deel wordt niet afzonderlijk beschouwd. De mate van fysieke verstoring (visserijdruk) wordt uitgedrukt in een frequentie (per jaar), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verstoring aan het bodemoppervlak en verstoring vanaf 2 cm diep in het sediment. De frequentiegegevens worden vervolgens gecombineerd met informatie over de gevoeligheid van de verschillende typen zeebodem (habitats) om te kunnen berekenen wat de veronderstelde impact is per breed habitattype (BHT). Daarbij wordt uitgegaan van de oppervlakte habitat, dat minstens ‘medium’ risico op impact loopt, minus de oppervlakte habitat waar verlies optreedt (want dat valt onder D6C1). Voor nadere informatie over de BH3-indicator wordt verwezen naar de CEMP Guidelines (OSPAR, 2023).

Resultaten BH3-indicator

De fysieke verstoring van de zeebodem door bodemberoerende visserij is ruimtelijk zeer ongelijk verdeeld (figuur 6.3). Grote delen van de Zuidelijke Noordzee, worden vaker dan 0,66 keer per jaar fysiek verstoord (‘medium tot hoge visserijdruk’). Vooral de verstoring tot meer dan 2 cm in de zeebodem (diepe verstoring) is veel groter in de Zuidelijke Noordzee dan elders in de Noordzee.

Bij elkaar genomen ondergaat 66 procent van de Zuidelijke Noordzee medium tot zeer hoge fysieke verstoring door bodemberoerende visserij (2016-2020). Vergelijking met gegevens over een langere periode (2009-2020) geeft aan dat vooral de hoge en zeer hoge verstoring (zowel oppervlakkig als diep) licht is afgenomen (zie tabel 6.3).

Deze bevindingen zijn in lijn met de eerder gesignaleerde afname in visserijdruk in de gehele Noordzee over de periode van rond de eeuwwisseling tot 2015 (Couce et al., 2020). Een onzekere factor is de verstoring in kustgebieden door visserij met kleine boten. Zonder vaartuigvolgsysteem (VMS; op basis van satellietherkenning) blijven deze buiten beeld. In specifieke kustgebieden van de Zuidelijke Noordzee gaat het om aanzienlijke aantallen. In de Nederlandse wateren zijn dergelijke schepen echter nauwelijks in gebruik zodat de effecten ervan te verwaarlozen zijn.

In de Zuidelijke Noordzee verschilt de mate van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij per habitat. Vooral het fijnere sediment (zand en slib) dat ongeveer driekwart van de Zuidelijke Noordzee bestrijkt, kent de hoogste visserijdruk (zie figuur 6.4).

Zandwinning en overige verstoring Nederlandse deel van de Noordzee
Toelichting indicator

Naast bodemberoering door visserij, is zandwinning (en in beperkte mate schelpenwinning) een potentiële bron van fysieke verstoring. Het volume gewonnen zand wordt jaarlijks per zandwingebied gerapporteerd. Gecombineerd met bekende gegevens over de oppervlakte van de zandwingebieden kan per wingebied worden berekend hoe vaak de bodem er per jaar wordt beroerd (het drukniveau). Verdere berekening van het verstoringsniveau is, uitgaande van de BH3- en BH4-indicatoren van OSPAR, vergelijkbaar met de beoordeling van impact van de bodemberoerende visserij (Matear et al., 2023; Schmitt et al., 2023). Of zandwinning ook werkelijk leidt tot verstoring is afhankelijk van het drukniveau en van de gevoeligheid van de habitat, zie Wijnhoven (2023c) voor nadere details.

In de berekening van fysieke verstoring door zandwinning worden verdiepte loswallen (waar ook slib wordt gestort) meegenomen. Schelpwingebieden en suppleties zijn vooralsnog buiten beschouwing gelaten omdat informatie ontbreekt over volumes en exacte locaties. Relativerend mag worden aangenomen dat deze in zeer beperkte mate bijdragen aan de totale bodemverstoring. Het verwijderen van niet meer in gebruik zijnde structuren zoals pijpleidingen en platforms betekent in principe dat waar geen hard substraat achterblijft voorheen verloren gegaan habitat gedeeltelijk kan herstellen. Ook dit gaat om verwaarloosbare oppervlaktes ( < 0,001 procent) van de zeebodem; zie Wijnhoven, 2023c). Zeebodemoppervlak dat onder invloed van zandwinning verloren gaat (habitatverlies), wordt onder D6C2 niet meegenomen, maar valt onder D6C1.

Resultaten

Zandwinning is de enige activiteit die naast de bodemberoerende visserij leidt tot noemenswaardige fysieke habitatverstoring in de Nederlandse Noordzee. Figuur 6.5 toont de ligging van de gebieden waar dit in de periode 2016-2021 is gebeurd. Hierbij zijn ook winningen meegenomen van vóór 2016, waarvan de verstoring tot in de genoemde periode heeft voortgeduurd.

In totaal is in de periode 2016-2021 66 km2 verstoord, wat overeenkomt met 0,11 procent van de Nederlandse zeebodem. Ter vergelijking: in de periode 2010-2015 was dit 68 km2 (0,12 procent). De tot habitatverstoring leidende zandwinning is dus ongeveer gelijk gebleven (vergelijkbaar met het habitatverlies, zie factsheet D6C1).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De gegeven mate van verstoring (per jaar) is afhankelijk van de gekozen resolutie van de gridcellen waarmee de ruimtelijke verspreidingskaarten worden gemaakt. Voor de verstoring door bodemberoerende visserij is de aanname dat iedere gridcel van 0.05° × 0.05° homogeen wordt bevist, wat kan leiden tot een overschatting van de verstoorde oppervlakte en een onderschatting van de mate van verstoring.

Verstoring door schepen kleiner dan 12 meter wordt niet meegenomen omdat deze vooralsnog geen VMS-systeem aan boord hebben (met de herziening van de Controleverordening (valt onder het GVB) zullen ook kleinere vissersvaartuigen in de nabije toekomst verplicht worden om VMS aan boord te hebben). De additionele visserijdruk van kleine schepen kan substantieel zijn in specifieke kustgebieden van de Zuidelijke Noordzee, maar zal in de Nederlandse wateren verwaarloosbaar zijn, omdat dergelijke schepen hier nauwelijks in gebruik zijn.

De Nederlandse zandwinningsdata zijn onbedoeld niet meegenomen in de OSPAR-analyse. Bij een volgende actualisatie zullen ze wel deel uitmaken van de OSPAR-beoordeling. Schelpwingebieden en vooroeversuppleties zijn vooralsnog buiten beschouwing gelaten omdat exacte informatie ontbreekt. De bijdrage van deze activiteiten aan bodemberoerende verstoring zal evenwel beperkt zijn.

D6C3 Aantasting benthische habitats door fysieke verstoring

GMT (Art. 9)

N.v.t. (Dit criterium voor de beoordeling van de ruimtelijke omvang van aangetaste benthische habitattypen door fysieke verstoring dient als input voor D6C5).

Beoordeling (Art. 8)

Naar schatting is een groot deel (58 procent) van de zeebodem in de Zuidelijke Noordzee ‘medium’ tot ‘zwaar’ aangetast als gevolg van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij. De impact verschilt per habitat, maar de meeste habitattypen (tien van de vijftien) zijn naar schatting voor minimaal 30 procent ‘medium’ aangetast.

In de Nederlandse Noordzee is de aantasting door zandwinning beperkt (maximaal 0,3 procent van de zandige habitattypen). Deze beoordeling is kwalitatief, omdat voor de status ‘aangetast’ nog geen grenswaarde is vastgesteld.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

BH3 Physical damage to predominant and special habitats (OSPAR).

In ontwikkeling (betreft grenswaarde waarboven sprake is van impact).

Oppervlakte

(km2 of %).

Zuidelijke Noordzee,

2016-2020 (A).

Registratie ondiepe zandwinning (nationaal).

In ontwikkeling (betreft grenswaarde waarboven sprake is van impact).

Oppervlakte (km2 of %).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Aantasting door visserijdruk in de Zuidelijke Noordzee
Toelichting indicator

De BH3-indicator van OSPAR voor het in kaart brengen van de fysieke verstoring van de zeebodem (zie factsheet D6C2), wordt ook gebruikt om per afzonderlijke habitat de aantasting ten gevolge van fysieke verstoring te bepalen.

Veruit de belangrijkste oorzaak van fysieke verstoring is de bodemberoerende visserij. De indicator combineert de mate van aantasting van habitats (ontleend aan visserijdruk, zie D6C2), met de gevoeligheid van specifieke habitats, volgens een zo gedetailleerd mogelijke habitatkartering. Gevoeligheid is in de OSPAR BH3-beoordeling (Matear et al., 2023) gedefinieerd als de resultante van de combinatie van veerkracht en resistentie. Gegevens over veerkracht en resistentie van specifieke (gedetailleerde) habitats en hun benthische gemeenschappen, zijn gebaseerd op het MarESA-project (Tyler-Walters, 2008). De uitkomst is gemodelleerd en is een inschatting van de impact met onderscheid in de impactklassen ‘laag’, ‘medium’ en ‘hoog’. Er is nog geen drempelwaarde vastgesteld waarboven schade wordt verondersteld. Vooralsnog wordt uitgegaan van aantasting als de veronderstelde impact medium tot hoog is. Er wordt uitgegaan van de gemiddelde visserijdruk per gridcel per habitat met specifieke gevoeligheid in de Zuidelijke Noordzee, over de periode 2016-2020. Zie voor details OSPAR (2023).

Resultaten

In totaal is in de Zuidelijke Noordzee naar schatting 58 procent van de zeebodem aangetast. Volgens de gehanteerde klassenindeling valt 13 procent in de klasse ‘hoog’, 45 procent in ‘matig’ en 31 procent in ‘laag’ (figuur 6.7). Dit resultaat is een verwerking van het onderscheid in negen verstoringscategorieën (figuur 6.6). De impact verschilt per habitat, maar de meeste habitattypen (tien van de vijftien) zijn minimaal voor 70 procent aangetast (tabel 6.1). Vooral het offshore circalittorale slib van de Zuidelijke Noordzee scoort met de BH3-indicator een hoge mate van aantasting onder de huidige visserijdruk (figuur 6.7). Dit is niet alleen het resultaat van de visserijdruk en de hoge gevoeligheid van het habitattype, maar ook van een mogelijk methodische vertekening. Standaard wordt gewerkt met gemiddelde visserijdruk per ICES c-square (standaard grid van 0,05 x 0,05 graden, ongeveer 15 km2 in de Nederlandse Noordzee; ICES, 2019). Deze vaste maat van gebiedseenheden geldt zowel voor de kustwateren, waar de visserij een nagenoeg homogeen patroon heeft en de druk hoog is, als offshore waar de visserij een meer heterogeen patroon heeft. Het rekenmodel van de BH3-indicator kan daardoor leiden tot relatieve overschatting van de impact offshore en tot onderschatting van de visserijdruk in kustwater. De kans op relatief ongestoorde delen is offshore dus groter dan langs de kust. Een voorbeeld daarvan is te zien in de berekende ‘hoge’ aantasting door bodemberoerende visserij rond de Centrale Oestergronden en het Friese Front, en juist de relatief lage aantasting net voorbij de kuststrook (figuur 6.6). Dit heeft deels te maken met de gevoeligheid van de habitat circalitoraal slib rond de Centrale Oestergronden en het relatief ongevoelige circalitoraal zand voorbij de kuststrook, maar ook over- en onderschatting kunnen een rol spelen. Deze aanname wordt ondersteund door een nadere analyse van de OSPAR-visserijdrukdataset, die uitwijst dat de visserijdruk nabij de kust nog steeds veel hoger is dan offshore. Zo wordt de Noordzeekustzone acht keer per jaar bevist en de Centrale Oestergronden twee keer, terwijl het niveau waarboven ‘sterke verstoring’ wordt verondersteld, bevissing meer dan eens per jaar is (Wijnhoven, 2023b). Overigens kan dit beeld bij een volgende actualisatie van de MS1 verbeteren, gezien de voortgaande krimp van de Nederlandse visserijvloot.

Een andere methodische onvolkomenheid geldt vooral voor de kustzone van het Verenigd Koninkrijk. Gebied dat daar is aangemerkt als ‘niet beïnvloed’ (figuur 6.6) kan wel degelijk zijn aangetast omdat de visserij daar hoofdzakelijk gebruikmaakt van schepen met een lengte van minder dan 12 meter. Deze schepen zijn (nog) niet aangehaakt bij het VMS-registratiesysteem, waardoor geen gegevens beschikbaar zijn. Deze leemte kan doorwerken in de beoordeling van sommige habitattypen in de Zuidelijke Noordzee, mogelijk als onderschatting van de verstoring van offshore circalitoraal- en circalitoraal grof sediment (figuur 6.7 en zie habitatkaart figuur 6.10).

Aantasting door zandwinning in het Nederlandse deel van de Noordzee
Toelichting indicator

Analoog aan bovengenoemde werkwijze is per habitattype de aantasting bepaald door de fysieke verstoring door zandwinning (vastgesteld onder D6C2) te combineren met de gevoeligheid van het betreffende habitattype. Voor details, zie Wijnhoven (2023c).

Resultaten

Volgens berekening zijn in het Nederlands deel van de Noordzee drie habitattypen beperkt door zandwinning aangetast. Voor circalitoraal zand gaat het om 53,6 km2 (0,30 procent) en voor offshore circalitoraal zand 11,0 km2 (0,05 procent). Van de habitat circalitoraal slib is een oppervlakte van 1,4 km2 (0,27 procent) aangetast. Ten opzichte van de periode 2010-2015 is de omvang van aantasting nauwelijks veranderd.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Sinds de voorgaande beoordeling uit 2018 is de BH3-indicator verder uitgewerkt. De gevoeligheid van habitats is beter onderbouwd op basis van uitgebreide datasets; gedetailleerde habitatgegevens kunnen nu worden gebruikt en zijn toepasbaar op uiteenlopende soorten fysieke verstoring, zoals door zandwinning. De beoordeling kan nog verder worden verbeterd met preciezere gegevens over de ligging van habitattypen en van visserijdruk. Een besluit hierover moet echter internationaal worden genomen omdat dit de beoordelingsresultaten zal beïnvloeden.

De drempelwaarden voor aantasting worden uitgewerkt in de Europese werkgroep TG Seabed en in OSPAR. Vaststelling hiervan is nodig om – conform de eisen uit Commissiebesluit 2017/848/EU – de omvang van ‘aangetaste habitats’ als input te kunnen gebruiken voor criterium D6C5. Het is nog niet duidelijk welke vorm die input moet krijgen. Ook dit is een vraagstuk voor TG Seabed en de volgende update van de Art. 8 Guidance, waarvoor een tijdpad tot en met 2025 is voorzien (TG-Seabed, 2023).

D6C4 Fysiek verlies van benthische habitats

GMT (Art. 9)

Het verlies aan brede habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van menselijke activiteiten is beperkt en voldoet aan de Europese drempelwaarde.

Beoordeling (Art. 8)

Het oppervlakteverlies per breed habitattype in het Nederlandse deel van de Noordzee is minder dan 2 procent, waardoor de goede milieutoestand behouden blijft. Bodemberoerende visserij heeft alleen bij offshore circalitorale slibrijke habitats tot verlies geleid, naar schatting 1,5 procent. In de Nederlandse Noordzee gaat het vooral om gebieden op en rond Centrale Oestergronden, Friese Front en ten zuiden van Klaverbank. Het oppervlakteverlies als gevolg van de aanwezigheid van objecten en structuren (leidingen, platforms en windmolens) en als gevolg van zandwinning (inclusief verdiepte loswallen) en vaargeulverdieping is beperkt. In de afgelopen periode is het totale habitatverlies per habitattype overwegend gelijk gebleven aan de voorgaande periode (2010-2015). Ook het aandeel per verstorende activiteit is vrijwel gelijk gebleven. Habitats met biogene riffen zijn vooralsnog buiten beschouwing gelaten omdat de omvang en ligging hiervan nog onvoldoende bekend zijn.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

BH4 Area of habitat loss (OSPAR).

2% (EU)

Oppervlakte (%).

Zuidelijke Noordzee, 2016-2021 (A).

BH4 Area of habitat loss

(aanvullende analyse, nationaal).

2% (EU)

Oppervlakte (%).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (C).

Toelichting indicator

Voor de beoordeling van criterium D6C4 wordt gebruikgemaakt van de pilot-indicator BH4 Area of habitat loss van OSPAR (zie factsheet D6C1). Het onder D6C1 vastgestelde areaal aan verlies van zeebodem is onder D6C4 toebedeeld aan brede habitattypen, op basis van EUSeaMap (Vasquez et al., 2021, Vasquez & Connor, 2022).

Evenals onder D6C1 is een aanvullende nationale analyse uitgevoerd voor het Nederlandse deel van de Noordzee.

Resultaten
Zuidelijke Noordzee

In de Zuidelijke Noordzee treft het zeebodemverlies in de categorie sealed loss (in totaal 40 km2) als gevolg van aanleg van pijpleidingen, olie- en gasplatforms en windturbines, vooral de habitat offshore biogene riffen (0,25% verlies; zie figuur 6.8).

De BH4-indicator gaat bij activiteiten die kunnen leiden tot unsealed loss uit van verlies bij een medium (of hoog) risico. Hiervan uitgaande is vooral het verlies aan biogene riffen aanzienlijk. Naar schatting bestaat 0,5 procent van de bodem in de Zuidelijke Noordzee uit biogeen rif. Het kent verschillende varianten. Van het totaal aan circalitoraal biogeen rif is 52 procent verloren. Van de offshore circalitorale variant is dit 72 procent. Hetzelfde verlies is berekend voor infralitoraal biogeen rif (figuur 6.8).

Van de overige habitats overschrijden in de Zuidelijke Noordzee alleen de verliezen van het offshore circalitorale slib (2,9 procent) en het circalitorale slib (2,7 procent) de drempelwaarde.

Nederlandse deel van de Noordzee

Volgens de OSPAR-analyse wordt in het Nederlandse deel van de Noordzee als gevolg van intensieve visserij 201 km2 ofwel 1,5 procent van de habitat offshore circalitoraal slib als verloren beschouwd (figuur 6.1B). Behalve dit verlies is, volgens de aanvullende Nederlandse analyse, de grootste oppervlakte aan habitats verloren gegaan door verdieping (inclusief draai- en ankergebied) van de Euro-Maasgeul en de IJgeul. Deze geulen liggen in offshore circalitoraal- en circalitoraal zandige habitat, waarvan het verlies respectievelijk 34,9 en 18,0 km2 bedraagt. Doordat deze habitats veruit het grootste bodemareaal vormen in de Nederlandse Noordzee (respectievelijk 22930 en 17844 km2 op een totaal van 58807 km2), is het verlies relatief beperkt (respectievelijk 0,15 en 0,10 procent van de betreffende het habitattypen, zie figuur 6.9).

Opvallend is het relatief grote verlies aan circalitoraal slib (3,0 km2 , ofwel 0,56 procent: zie figuur 6.9), vooral als gevolg van zandwinning. Dit habitattype komt zeer beperkt voor. Het gaat hier waarschijnlijk vooral om verdiepte loswallen waar in eerste instantie zand is gewonnen, waarna slib is gedumpt. In de habitatkartering zijn die gebieden nu als slibrijk habitat aangemerkt. In feite gaat het om zandig habitat uit het verleden. Mogelijk is de huidige habitatkartering (EUSeaMap, 2021) ook nog niet overal accuraat. Diepe of intensieve zandwinning leidt vooral tot verlies van zandige habitats, maar aangezien deze in grote arealen voorkomen is daar het verlies relatief klein.

Ook het verlies als gevolg van structuren als platforms en leidingen is relatief beperkt, en verlies als gevolg van de bouw van windturbines is verwaarloosbaar (figuur 6.9).

Zelfs bij een substantiële toename van het aantal windparken blijft het totale oppervlak dat daardoor de komende jaren in de Nederlandse Noordzee aan breed habitattype (BHT) verloren gaat, zeer beperkt.

In de afgelopen planperiode is het verlies per BHT als gevolg van sealed loss vrijwel gelijk gebleven aan de voorgaande periode (2010-2015) en ook het aandeel per verstorende activiteit bleef vrijwel onveranderd.

Zie voor een kaart van tot verlies leidende structuren en activiteiten en de ligging van brede habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee, factsheet D7C2 of Wijnhoven (2023c).

Habitatverlies als gevolg van de aanleg van de Tweede Maasvlakte is buiten beschouwing gelaten omdat Nederland vooralsnog 2012 aanhoudt als referentiejaar (zie ook factsheet D6C1). Dit gebied van 24,6 km2 bestond waarschijnlijk voornamelijk uit circalitoraal zand, wat overeenkomt met maximaal 0,14 procent van het totale areaal van dit BHT. Mogelijk gaat het ook om een deel infralitoraal zand, maar ook in dat geval zou het verlies ruim onder de drempelwaarde van 2 procent per BHT blijven (Wijnhoven, 2023c).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De onder factsheet D6C1 benoemde kennishiaten en ontwikkelingen zijn ook van toepassing op D6C4. Voor D6C4 is recentelijk een drempelwaarde vastgesteld van 2 procent voor brede habitattypen (EU MSFD CIS, 2023).

Binnen de Europese werkgroep TG Seabed voor de Zuidelijke Noordzee wordt de komende jaren gewerkt aan het specificeren van de zogenaamde ‘overige habitattypen’ (OHT), waarvoor ook specifieke drempelwaarden zullen komen. Verschillende biogene riffen zullen dan ook als specifiek habitattype worden aangemerkt. TG-Seabed werkt hierin samen met OSPAR, die al een lijst met bedreigde en achteruitgaande habitats en soorten onder handen heeft (Bos & Tamis, 2020).

D6C5 Kwaliteit benthische habitats

GMT (Art. 9)

De impact van menselijke activiteiten op de kwaliteit van benthische habitattypen in het Nederlandse deel van de Noordzee is beperkt.

Beoordeling (Art. 8)

De goede milieutoestand is nog niet bereikt. De toestand is nagenoeg onveranderd ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

BH2b relatieve Margalef-diversiteit (OSPAR).

In ontwikkeling.

EKR

Zuidelijke Noordzee, 2016-2020 (A).

BISI-index (nationaal).

In ontwikkeling.

EKR

Nederlandse deel van de Noordzee, 2018-2021 (D).

BEQI-2 (KRW; nationaal)

≥0,6

EKR

Nederlandse kustwaterlichamen, 2012-2018 (D).

BH2b Relatieve Margalef-diversiteit (OSPAR)
Toelichting indicator

Met de BH2b-indicator van OSPAR wordt de Margalef-index gebruikt als proxy voor de kwaliteitstoestand. De index voor biologische diversiteit wordt berekend op het niveau van Brede Habitattypen (BHT) volgens de habitatkartering van de EUSeaMap (2021) (zie kartering in figuur 6.10). De door de index berekende waarden voor diversiteit zijn relatief omdat de feitelijk gemeten waarden worden gedeeld door een habitatspecifieke referentiewaarde. Ook zijn aparte referentiewaarden vastgesteld en beoordelingen uitgevoerd voor verschillende typen bemonsteringsmethodieken. Nederland gaat uit van de OSPAR-beoordeling (met deze indicator) van de Zuidelijke Noordzee, op basis van bemonsteringen met boxcorer en bodemhapper. Door wijzigingen in de beoordelingssystematiek bleek het niet mogelijk om een vergelijking te maken met de voorgaande beoordeling (Mariene Strategie deel 1, 2018). Daarom zijn naast de huidige periode (2016-2020) ook de voorgaande perioden (2009-2015 en 1998-2008) volgens de nu gangbare methodiek berekend. Deze methodiek is gedetailleerd beschreven in de CEMP Guidelines (Wijnhoven et al., 2022a). De toepassing hiervan en de beoordeling voor de Internationale Noordzee zijn beschreven in Wijnhoven et al., 2023.

Resultaten

In de Nederlandse Noordzee zijn de monsterlocaties breed verspreid (figuur 6.11). Zo is een duidelijk ruimtelijk patroon zichtbaar, met offshore een hogere relatieve diversiteit dan in de kustzone. Die resultaten geven aan dat de diversiteit offshore de waarden van de veronderstelde referentiesituatie van de betreffende habitats benadert. Bij de kust is de diversiteit veel lager dan de referentiesituatie van de habitat, die van nature al laag is.

De Margalef-index correleert sterker met organische verontreinigingen dan met bodemberoering (ICES, 2022), maar bij beduidende fysieke verstoring zal ook de Margalef-index laag scoren. In de Nederlandse kustzone is dat ook het geval. De visserijdrukkartering per jaar (ICES, 2021), zoals ook gebruikt voor de OSPAR BH3-beoordeling (zie D6C3), laat enige afname in visserijdruk zien in delen van de kustzone zoals de Voordelta (Wijnhoven, 2023b), maar de resulterende druk blijft in de volledige kustzone ver boven het niveau waar substantiële impact van de verstoring wordt verondersteld, zodat geen kwaliteitsverbetering zichtbaar is.

Tabel 6.4 toont de relatieve diversiteit per BHT. Er is nog geen drempelwaarde beschikbaar; de gebruikte kleuren zijn daarom indicatief. De habitats slibrijk en gemengd sediment in de Zuidelijke Noordzee zijn relatief van goede kwaliteit (met uitzondering van het infralitorale slib), terwijl de habitats zandig en grof sediment in minder goede conditie zijn wanneer de relatieve diversiteit als kwaliteitsindicator wordt gebruikt. Deze resultaten reflecteren het hierboven gesignaleerde patroon, waarbij de relatieve diversiteit bij de kust laag is en richting offshore toeneemt. Dit is in lijn met de visserijdruk die een vergelijkbaar patroon vertoont in de Nederlandse Noordzee (Wijnhoven, 2023b).

Alleen in de habitat offshore circalitoraal zand, die bijna een derde van de totale zeebodem van de Zuidelijke Noordzee betreft, is de relatieve soortendiversiteit tussen 2009-2015 en 2016-2020 significant toegenomen. De toestand van de overige habitattypen is niet veranderd ten opzichte van de voorgaande perioden.

BISI-index
Toelichting indicator

De Benthische-indicatorsoortenindex (BISI) vergelijkt de aanwezigheid van indicatorsoorten met de veronderstelde aanwezigheid in de referentiesituatie. De referentiewaarde wordt vastgesteld per habitat of gebied, waardoor de BISI-score relatief is. De geselecteerde indicatorsoorten zijn gezamenlijk indicatief voor de kwaliteitstoestand. Daarbij is iedere soort ook indicatief voor een specifieke storing en/of afwezigheid van bepaalde ecologische randvoorwaarden. Zo kunnen veranderingen in de BISI inzicht geven in mogelijke oorzaken van veranderingen in de habitat. Voor nadere details over deze indicator, zie Wijnhoven (2023a).

De BISI-index geeft een score tussen 0 en 1, waarbij 1 de referentietoestand is. Een BISI-score van 0,2 betekent ofwel dat 35 procent van de indicatorsoorten afwezig is of dat dichtheden 80 procent lager zijn dan de referentie (of een combinatie van beide mogelijkheden, maar dan met lagere percentages). Bij een score van 0,1 is dit respectievelijk 50 procent van de indicatorsoorten of 90 procent lagere dichtheden (Wijnhoven, 2023a).

De BISI-indicator en het onderliggende monitoringprogramma zijn toegespitst op het Nederlandse deel van de Noordzee, met speciale aandacht voor de Natura 2000-gebieden en KRM-gebieden Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan, Voordelta, Doggersbank, Klaverbank, Friese Front, Centrale Oestergronden en Bruine Bank. Sommige habitats worden door hun beperkte aanwezigheid in het Nederlandse deel van de Noordzee minder intensief bemonsterd, zodat hun kwaliteitstoestand wordt afgelezen aan de toestand van de omliggende habitat en/of het gebied (zie tabel 3). De milieutoestand is bepaald op basis van data afkomstig van bemonstering met boxcorer/Hamon-happer of bodemschaaf/video in 2018/2019 en 2021. Trendanalyses zijn uitgevoerd vanaf 1995 (boxcorer) en 2004 (bodemschaaf), waarbij alleen meetlocaties zijn meegenomen die sindsdien consequent zijn bemonsterd (Wijnhoven, 2023b).

Resultaten

De BISI-score van de afzonderlijke brede habitattypen varieert van 0,07 tot 0,21 (zie tabel 6.5). Ook zonder vastgestelde drempelwaarde is het aannemelijk dat deze scores (zeer) laag zijn, en dus dat de huidige kwaliteit van de habitattypen matig tot slecht is.

De zandige en slibbige habitats offshore zijn in iets betere toestand dan de overige habitats. Dit is ook zichtbaar in de beschermde gebieden. De kwaliteit van de offshore gelegen HR- en KRM-gebieden (Doggersbank, Centrale Oestergronden, Friese Front en Bruine Bank) is iets beter dan de HR-gebieden in de kustzone (Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan, Voordelta); zie tabel 6.6 en voor meer details Wijnhoven (2023b).

Trendanalyse wijst echter uit dat de toestand van de zandige habitat offshore gestaag verslechtert (tabel 6.5, figuur 6.12). De Doggersbank, die voor een deel uit dit BHT bestaat, vertoont een vergelijkbare ontwikkeling, hoewel daar vanaf de periode 2006-2012 de achteruitgang tot stilstand lijkt te zijn gekomen. Het offshore circalitorale slib laat een trendbreuk in de kwaliteitsontwikkeling zien, met een toename in de kwaliteit vanaf 1995, een omslag rond 2006-2008 en vervolgens een achteruitgang in kwaliteit. Eenzelfde patroon is zichtbaar op het Friese Front en de Centrale Oestergronden (beiden grotendeels bestaande uit dit BHT) (Wijnhoven 2023b).

Tegenover bovengenoemde verslechtering staat een gestage verbetering van de habitats zandig en grof sediment aan de kust (tabel 6.5; figuur 6.12). Toch is langs de kust de visserijdruk nog steeds twee tot acht keer hoger (Wijnhoven, 2023b) dan het niveau waarop sterke verstoring wordt verondersteld (Matear et al., 2023), en is de kwaliteit nog steeds slecht te noemen. Dat effecten van het sluiten van gebieden voor bodemberoerende visserij nog niet duidelijk zichtbaar zijn, is verklaarbaar: de tijd sinds de sluiting en ook de ruimtelijke schaal daarvan was in 2021 (laatste jaar van de beoordelingsperiode) nog beperkt.

Tabel 6.5. Kwaliteitstoestand en ontwikkeling op basis van BISI-score. BISI-score is de gemiddelde waarde voor de periode 2016-2021 op basis van gecombineerde meettechnieken en met gebruik van alle beschikbare observaties van het KRM meetnet. Trendanalyse van meetlocaties die gedurende de gehele periode 1995-2021 (boxcores) of periode 2004-2021 (bodemschaaf) zijn bemonsterd. Offshore circalitoraal sediment wordt met bodemhapper en video gemonitord sinds 2015; het aantal meetjaren is nog te beperkt voor een trendanalyse.

Breed habitattype (BHT)

Ook representatief voor BHT

BISI-score

Trends obv boxcores

Trends obv bodemschaaf

Bijzonderheden

Offshore circalitoraal grof sediment.

Offshore circalitoraal gemengd sediment.

0,07

Trendanalyse nog niet mogelijk.

Gemengd sediment beperkt aanwezig.

Offshore circalitoraal zand.

 

0.21

1995-2021 ↘

nvt

 

Offshore circalitoraal slib.

 

0.16

1995-2008 ↗

2006-2021 ↘

nvt

Significante trendbreuk.

Circalitoraal grof sediment.

Circalitoraal gemengd sediment; infralitoraal grof sediment.

0.07

1995-2021 ↔

2004-2021 ↗

Gemengd sediment beperkt aanwezig; met infralitoraal gecombineerd.

Circalitoraal zand.

Infralitoraal zand.

0.09

1996-2021 ↗

2004-2021 ↗

Met infralitoraal gecombineerd.

Circalitoraal slib.

Infralitoraal slib.

0.08

nvt

2004-2013 ↔

2014-2021 ↔

Significante trendbreuk met piek 2014.

Tabel 6.6. Kwaliteitstoestand van de beschermde gebieden in het Nederlandse deel van de Noordzee voor de periode 2016-2021, gebaseerd op de BISI-score.

Gebied

Belangrijkste brede habitattypen

BISI-score

Noordzeekustzone.

Voornamelijk circalitoraal zand (inclusief infralitoraal zand).

0.06

Voordelta.

Voornamelijk circalitoraal zand (inclusief infralitoraal zand).

0.09

Vlakte van de Raan.

Voornamelijk circalitoraal zand en circalitoraal slib (inclusief infralitoraal zand).

0.09

Doggersbank.

Voornamelijk circalitoraal zand en offshore circalitoraal zand (inclusief circalitoraal gemengd sediment).

0.14

Klaverbank.

Voornamelijk offshore circalitoraal grof sediment en enig ofshore circalitoraal zand (inclusief offshore circalitoraal gemengd sediment) en offshore circalitoraal slib.

0.10

Friese Front.

Voornamelijk offshore circalitoraal slib en enig circalitoraal zand.

0.14

Centrale Oestergronden.

Voornamelijk offshore circalitoraal slib.

0.12

Bruine Bank.

Voornamelijk offshore circalitoraal zand.

0.16

BEQI-2 (KRW)
Toelichting indicator

Voor de KRW worden de kustwaterlichamen – deze reiken tot 1 zeemijl uit de kust – beoordeeld met de BEQI-2 indicator. Deze indicator is samengesteld uit drie indexen: Soortenrijkdom, Shannon (diversiteit)index en AMBI-index (‘AZTI Marine Biotic Index’, gericht op soorten gevoelig voor nutriënten en verontreinigingen). Het eindresultaat van de berekeningen is een Ecologische Kwaliteitsratio (EKR)-score op de schaal van 0-1. Een score van > 0,8 is zeer goed, 0,6-0,8 is ‘goed’, 0,4-0,6 is ‘matig’, 0,4-0,2 is ‘ontoereikend’ en < 0,2 is ‘slecht’ (Van Loon et al., 2015; Van der Molen et al., 2018). De KRW-maatlat beschouwt het jaar 1992 als referentie (wat dus verschilt met de andere twee indicatoren).

Resultaten

De KRW-beoordeling in 2021 van alle kustwaterlichamen is ‘goed’, wat voor vier van de vijf waterlichamen een verbetering aangeeft (tabel 6.7). De vijf kustwateren vormen gezamenlijk de kuststrook tot 1 zeemijl uit de kust en beslaan dus slechts een zeer klein gedeelte (2,4 procent) van het Nederlandse deel van de Noordzee. Vertaald naar de brede habitattypen gaat het hier voornamelijk om circalitoraal zand en in mindere mate infralitoraal zand.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Sinds de voorgaande beoordeling zijn de gebruikte indicatoren verder verbeterd. De (Nederlandse) BISI-indicator heeft als belangrijke meerwaarde dat deze inzicht geeft in specifieke verstoringen en/of afwezigheid van bepaalde ecologische randvoorwaarden. Veranderingen in de BISI kunnen zo inzicht geven in mogelijke oorzaken van veranderingen in habitats. Mogelijk wordt deze indicator in de toekomst ook toegepast op het niveau van de Zuidelijke Noordzee; hierop wordt al voorgesorteerd door een inbedding in de OSPAR-beoordelingssystematiek.

Volgens Commissiebesluit 2017/848/EU moeten bij de beoordeling diverse andere criteria in aanmerking worden genomen (“voor D6C5 worden de beoordelingen van de schadelijke effecten van belastingen, onder meer in het kader van de criteria D2C3, D3C1, D3C2, D3C3, D5C4, D5C5, D5C6, D5C7, D5C8, D6C3, D7C2, D8C2 en D8C4, in aanmerking genomen”). Het uiteindelijke doel is een schatting per habitat van de omvang van het deel dat als gevolg van menselijke activiteiten is geschaad én de indicatie of daarbij de drempelwaarde van de goede milieutoestand is overschreden. Vooral de (kwantitatieve) input van criteria D6C3, D6C4 en D7C2 zou daarom bij de beoordeling van D6C5 moeten worden meegenomen. Vooralsnog is dit niet mogelijk omdat voor die criteria nog geen drempelwaarden zijn vastgesteld. Bovendien is er nog een methodisch knelpunt: de monitoring en beoordeling zijn niet toegerust voor het vergaren van informatie over het aandeel van specifieke drukfactoren per (deel)gebied, maar op een kwaliteitsbeoordeling per habitattype of beheereenheid als geheel. De BISI geeft weliswaar inzicht in mogelijke dominante drukfactoren, maar een directe koppeling van effecten van (afzonderlijke of gezamenlijke) drukfactoren aan de kwaliteitstoestand is nog niet goed mogelijk. Dit komt niet alleen vanwege onzekerheden over de aanwezigheid/spreiding en intensiteit van drukfactoren, maar ook doordat substantiële gebieden in goede kwaliteitstoestand nog ontbreken, wat validatie bemoeilijkt. Hoe met deze vraagstukken om te gaan is stof voor de agenda’s van OSPAR en TG Seabed. Ook de verdere aanscherping van het referentiebeeld blijft een belangrijk aandachtspunt. Met uitzondering van de KRW-indicator zijn voor D6C5 nog geen drempelwaarden beschikbaar. Deze zullen de komende periode verder worden uitgewerkt in de Europese werkgroep TG Seabed. Daarbij worden de al beschikbare indicatoren ook geijkt, zodat resultaten beter zijn te vergelijken. Vooralsnog lijkt de BISI-indicator relatief streng en de KRW-beoordeling relatief soepel. Naar verwachting zijn de drempelwaarden bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) beschikbaar.

Met het oog op de transities die zich op de Noordzee voltrekken, zal moeten worden geëvalueerd of de beoordeling, en vooral de ruimtelijke dekking ervan, bij de volgende actualisatie nog voldoende representatief zal zijn voor de benthische habitattypen. Deze analyse zal worden gedaan voor Mariene Strategie deel 2 (2026).

Bronnen

Bos, O.G., & Tamis, J.E. (2020). ​Evaluatie van OSPAR aanbevelingen voor bedreigde en / of achteruitgaande soorten en habitats in Nederland. Wageningen Marine Research rapport C006/20NL.

Couce, E., Schratzberger, M., & Engelhard, G.H. (2020). ​Reconstructing three decades of total international trawling effort in the North Sea. Earth System Science Data 12, 373-386.

European Commission (2022). ​MSFD CIS Guidance Document No. 19, Article 8 MSFD. May 2022 (GD19 MSFD guidance Article 8 Assessment).

EU MSFD CIS (2023). ​Seabed D6C4 & D6C5 threshold values endorsed. Marine Strategy Framework Directive (MSFD) Common Implementation Strategy, Setting of EU Threshold Values for extent of loss and adverse effects on seabed habitats. Recommendations from the Technical Group on Seabed Habitats and Sea-floor Integrity (TG Seabed). Threshold values endorsed by Marine Directors meeting.

ICES (2019). ​Technical Guidelines - Spatial distribution of fishing effort and physical disturbance of benthic habitats by mobile bottom trawl fishing gear using VMS.ICES Technical Guidelines. Report.

ICES (2021). ​OSPAR request on the production of spatial data layers of fishing intensity/pressure. ICES Advice: Special Requests, Report.

ICES (2022). ​Workshop to evaluate proposed assessment methods and how to set thresholds for assessing adverse effects on seabed habitats (WKBENTH3). ICES Scientific Reports. 4:93. 102 pp. KRW (2021). Factsheets KRW - Stroomgebiedbeheerplan 2022-2027. V5, 2022‑06‑27.

Matear, L., Baigent, H.N., Curtis, E.J., Duncombe-Smith, S.W., Kreutle, A., Marra, S., Smith, A.P., Schmitt, P., Vina-Herbon, C., & Woodcock, K.A. (2023). ​Extent of Physical Disturbance to Benthic Habitats (BH3): Fisheries. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic.OSPAR Commission, London. OSPAR Benthic Habitats Expert Group, Intersessional Correspondence Group on the Coordination of Biodiversity Assessment and Monitoring, OSPAR Biodiversity Committee.

MONS (2023). ​MONS Jaarplan 2023. Een uitgave van het Noordzeeoverleg.

OSPAR (2022). ​Draft OSPAR CEMP Guideline. Pilot indicator: BH4 Area of Habitat Loss. Draft CEMP as used for the pilot BH4 assessment, published as part of the OSPAR 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic..

OSPAR (2023). ​Revised OSPAR CEMP Guideline. Common Indicator: BH3 Extent of Physical Disturbance to Benthic Habitats. Revision of OSPAR Agreement 2017-09, adopted during BDC2 (December 2022).

Raicevich, S., et al. (2022). ​Guidance for the assessment of sea-floor integrity under the MSFD v2.

Schmitt, P., Kreutle, A., Matear, L. & Vina-Herbon, C. (2023). Area of habitat loss (BH4) – Pilot Assessment. In: OSPAR, 2023: ​T​he 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic.OSPAR Commission, London. OSPAR Benthic Habitats Expert Group, Intersessional Correspondence Group on the Coordination of Biodiversity Assessment and Monitoring, OSPAR Biodiversity Committee.

TG-Seabed (2022). ​Threshold values for the assessment of good environmental status under D6C4 and D6C5 – Recommendations from the Technical Group on Seabed Habitats and Sea-floor Integrity (TG Seabed). Prepared on 12‑12‑2022 and submitted to MSCG for adoption in 2023.

TG-Seabed (2023). ​Proposal for a roadmap to establish consistent, coherent and comparable quantitative threshold values associated to indicators used to detect adverse effects on seabed habitat quality (D6C5 Quality). Revised version June 2023 .

Tyler-Walters, H., Avack, E.A.S. d’., Perry, F., Stamp, T., & Tillin, H.M. (2018). ​Marine Evidence based Sensitivity Assessment (MarESA) – A Guide. Plymouth: Marine Biological Association.

Van der Molen, D.T., Evers, C.H.M., Herpen, F.C.J. van., Nieuwerburgh, L.L.J. van., & Pot, R. (2018). Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water 2021-2027. STOWA rapport 49 (derde druk).

Van Loon, W.M.G.M., Boon, A.R., Duineveld, G.C.A., Gittenberger, A., Lavaleye, M., Walvoort, D.J.J., & Verschoor, A.J. (2015). ​Application of the Benthic Ecosystem Quality Index 2 to benthos in Dutch transitional and coastal waters.

Vasquez, M., & Connor, D. (2022). ​Extent (km2) and percentage coverage of each Marine Strategy Framework Directive (MSFD) broad habitat type per country (and per subregion if several for a country). TG-Seabed dataproduct 25‑2‑2022.

Vasquez, M., Agnes, S., Allen, H., Annunziatellis, A., Askew, N., Bekkby, T., Castle, L., Doncheva, V., Drakopoulou, V., Duncan, G., Gonçalves, J., Grath, F. Mc., Hamdani, Z. Al., Inghilesi, R., Laamanen, L., Lillis, H., Loukaidi, V., Manca, E., Martin, S., Mo, G., Monteiro, P., Muresan, M., , Nikilova, C., O’Keeffe, E., Pesch, R., Pinder, J., Populus, J., Ridgeway, A., Sakellariou, D., Teaca, A., Tempera, F., Todorova, V., Tunesi, L. & Virtanen, E. (2021). ​A European broad-scale seabed habitat map. EUSeaMap 2021, Technical Report.

Wijnhoven, S. (2022). ​Benodigde meetinspanningen voor evaluatie effectiviteit gebiedssluiting ten behoeve van verbetering kwaliteit benthische habitats. MONS-project ID49 (Monitoringplan benthische habitats gesloten gebieden – product 1 van 2). Ecoauthor Report Series 2022 -01, Heinkenszand, the Netherlands.

Wijnhoven, S., Schilder, J., & Walvoort, D.W.W. (2022). ​ANNEX 3 to Guidelines for Coordinated Environmental Monitoring Programme (CEMP) BH2. OSPAR – Common Biodiversity Indicators - Condition of benthic habitat communities (BH2‐B): Margalef diversity in region II (Greater North Sea). Revision of CEMP version 1 (Van Loon, 2018) as adopted by BDC in 2018.

Wijnhoven, S., Schilder, J., & Walvoort, D. (2023). ​Condition of Benthic Habitat Communities: Margalef diversity in region II (Greater North Sea) In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London.

Wijnhoven (2023a). Protocol Benthic Indicator Species Index (BISI): Protocol BISI for generic application (BISI v3). Version v170424. Ecoauthor Report Series 2023 – 01, Heinkenszand, the Netherlands.

Wijnhoven, S. (2023b). ​Beoordeling kwaliteitstoestand Nederlandse deel Noordzee op basis van de Benthische Indicator Soorten Index (BISI). Toestand en ontwikkelingen van benthische habitats en HR-/KRM-gebieden gedurende 2016-2021 in vergelijking tot voorgaande jaren.Ecoauthor Report Series 2023 – 02, Heinkenszand, the Netherlands.

Wijnhoven, S. (2023c). ​Berekening van verlies en verstoring van benthisch habitat onder invloed van activiteiten en structuren. Achtergrondrapport ten behoeve van Mariene Strategie deel 1 met betrekking tot KRM beoordelingen D6 (fysieke verstoring benthische habitats) en D7 (hydrografische verstoringen). Ecoauthor Report Series 2023 – 05, Heinkenszand, the Netherlands.

D7 Permanente wijzigingen hydrografische eigenschappen

GMT (Art. 9)

Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade.

Beoordeling (Art. 8)

In naar schatting 324 km2 in de Nederlandse Noordzee doen zich permanente hydrografische wijzigingen voor, dit is 0,55 procent van de totale oppervlakte (58.807 km2). Deze omvang is vooral toe te schrijven aan gevolgen van de aanleg van nieuwe windparken in de afgelopen planperiode. Het percentage aangetaste habitats is hiermee toegenomen. Verstoring wordt grotendeels veroorzaakt door een afname van de stratificatieperiode in (veel voorkomende) zandige habitats. Hiervan is naar schatting 0,65 procent aangetast.

Kanttekening: De indicatoren zijn nog in ontwikkeling. De bovengenoemde omvang is grotendeels bepaald door een nog

verder te ontwikkelen model en voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op het beperken van effecten van permanente hydrografische wijzigingen als gevolg van

windparken, zandwinning en andere eventuele nieuwe activiteiten.

Inleiding

Descriptor 7 gaat over permanente wijzigingen in hydrografische omstandigheden, ofwel over langdurige of permanente veranderingen van waterstanden en getij, stromingscondities, golven, temperatuur, saliniteit, troebelheid, sedimenttransport en bodemligging. Menselijke activiteiten kunnen deze veranderingen teweegbrengen en ze worden als permanent beschouwd wanneer ze (naar verwachting) twee verslagcycli (12 jaar) of langer aanhouden (‘activiteiten’ zijn in de terminologie van deze factsheet niet alleen de menselijke activiteiten op zich, maar ook de objecten die als gevolg daarvan in zee komen te liggen; dus zowel het aanleggen en bouwen als de platforms, windparken, kabels, leidingen, en diepe putten op zich die potentieel hydrografische veranderingen tot gevolg kunnen hebben). Zo worden offshore platforms en windparken als permanente verstoringen beschouwd, aangezien deze langer dan 12 jaar blijven staan en hun omgeving beïnvloeden. Deze benadering is identiek aan de bepaling in Commissiebesluit 2017/848/EU over de permanente status van fysiek verlies aan zeebodem (D6 Integriteit van de zeebodem).

De toename van activiteiten op de Noordzee, waaronder vooral de grootschalige aanleg van windparken voor de energietransitie, gaat gepaard met de uitbreiding van areaal waarop permanente wijzigingen van hydrografische omstandigheden optreden. Meer indirect komen menselijke invloeden op het mariene milieu tot uiting in de gevolgen van de klimaatverandering. Zo zal een verdere (versnelde) zeespiegelstijging op de langere termijn leiden tot een groeiende vraag naar zandwinning ten behoeve van zandsuppletie voor de Nederlandse kust (de KRM maakt een uitzondering voor activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen. De hierdoor veroorzaakte permanente wijzigingen, met verlies van habitat als gevolg, kunnen in de beoordeling eventueel buiten beschouwing worden gelaten (Art 2). Nederland neemt in deze beoordeling zandwinning wel mee, omdat een deel (iets minder dan de helft) commerciële doelen dient).

Beoordeling

Criterium D7C1 Permanente wijziging hydrografische omstandigheden

De totale omvang van sinds 2012 permanent hydrografisch gewijzigd gebied is naar schatting 324 km2; dit is 0,55 procent van de totale Nederlandse Noordzee (58.807 km2). Deze omvang is vooral het gevolg van de aanleg van nieuwe windparken in de afgelopen planperiode. Modellering wijst namelijk uit dat door de aanleg van het Gemini-windpark (bestaande uit de delen Buitengaats en ZeeEnergie) en van een naburig windpark net over de grens met Duitsland, het aantal dagen van temperatuur-stratificatie is afgenomen in een zeegebied van 291 km2. Vooral dit effect weegt mee in de geschatte omvang van het gebied met permanente hydrografische wijzigingen.

Criterium D7C2 Aangetaste benthische habitats door permanente wijziging hydrografische omstandigheden

Hydrografische wijzigingen kunnen leiden tot aantasting, maar ook tot verlies van benthische habitats. Het verlies als gevolg van permanente hydrografische wijzigingen bedraagt in de beoordelingsperiode 2016-2021 zo’n 60 km2 ofwel 0,1 procent van de Nederlandse Noordzee (tabel 7.1).

Het areaal aangetast gebied is aanmerkelijk groter. Uit de analyse onder criterium D7C1 volgt dat naar schatting 251 km2 van benthische habitats is aangetast als gevolg van afname van de periodieke temperatuurstratificatie (als gevolg van turbulentie in de waterkolom) rond het windpark Gemini en in 40 km2 Nederlands gebied nabij het windpark Veja Mate (net over de grens met Duitsland). Rond Gemini gaat het om de daar gelegen habitats offshore circalitoraal zand en circalitoraal zand; in het grensgebied met Duitsland betreft het 19 km2 habitat offshore circalitoraal zand en 21 km2 habitat offshore circalitoraal slib. De berekende omvang maakt circa 0,7 procent uit van het totaal aan zandige habitattypen (zie tabel 7.1).

De aantasting van benthische habitats is beperkt in verhouding tot de totaal aanwezig oppervlakte van de betreffende brede habitats in het Nederlandse deel van de Noordzee. De beoordelingsresultaten kunnen echter indicatief zijn voor de gevolgen van de aanleg van nieuwe windparken in gebieden waar temperatuurstratificatie één van de habitatkenmerken is, zoals in het noordelijke deel van de Nederlandse Noordzee (Van Leeuwen, et al., 2015). In gebieden waar stratificatie heerst, zal de impact naar verwachting kleiner zijn naarmate het temperatuurverschil tussen zeeoppervlak en bodem groter is (Zijl & Laan, 2022). Nader onderzoek naar de effecten is echter cruciaal. Dit is onderdeel van de onderzoeksprogramma’s van Wozep en MONS.

Toelichting beoordeling

Op criterium D7C1 is volgens Commissiebesluit 2017/848/EU geen drempelwaarde van toepassing. Bij criterium D7C2 behoort wel een drempelwaarde, maar deze behelst een waarde waarboven effecten op habitats zijn te verwachten (en geen ‘waardeoordeel’). In beide gevallen wordt dus niet getoetst aan een goede milieutoestand. De ‘beoordeling’ houdt daarom alleen een berekening in, die uiteindelijk input is voor descriptor D6.

Descriptor D7 vraagt om een internationale uitwerking van definities en indicatoren. Het ligt voor de hand dat deze zo goed mogelijk samengaat met de uitwerking van D6 Bodemintegriteit en benthische habitats, want beide descriptoren zijn sterk met elkaar verbonden. Tot nu toe is internationaal veel inzet geweest op D6 (zie betreffende factsheet), maar nog niet op D7. In afwachting hiervan heeft Nederland een eerste nationale beoordeling uitgevoerd. Deze heeft een voorlopige status, alleen al omdat de berekende waarde voor D7C1 grotendeels wordt bepaald door een nog verder te ontwikkelen model én door voorlopige grenswaarden. Zo is aangenomen dat 0,5 graad temperatuurverschil tussen zeeoppervlak en zeebodem nodig is om te spreken van stratificatie in de waterkolom, en dat afname van de duur van de stratificatieperiode met minimaal 20 procent van het aantal dagen een negatief effect zal hebben op de bodemdiergemeenschappen. Dit zijn arbitraire grenzen. Verder onderzoek is nodig voor het verifiëren van deze aannames en voor onderbouwing van de grenswaarden. Ook de gebruikte beoordelingsmethodiek voor D7C2 is nog in ontwikkeling. De resultaten zijn daarom indicatief.

Naar verwachting wordt de komende jaren internationaal gewerkt aan de verdere uitwerking van D7. De door Nederland gebruikte indicator zou hieraan kunnen bijdragen. Eén van de aandachtspunten is het referentiejaar. In de actuele beoordeling is, conform Mariene Strategie deel 1 (2018), het jaar van de initiële beoordeling (2012) als referentiejaar gekozen. Onomkeerbare werken van nationaal belang en werken die vóór 2012 zijn aangelegd, worden niet beschouwd als wijziging. Dit betreft de Deltawerken en de Maasvlakten 1 en 2.

De beoordelingsresultaten van D7C2 zijn input voor descriptor D6 die verder terugkijkt in de tijd. Daarom is bij de berekening van D7C2 ook de periode vóór 2012 meegenomen en is onder D7C1 de omvang van permanente hydrografische wijzigingen als gevolg van menselijke activiteiten zowel vóór als na 2012 weergegeven.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Met de intensivering van activiteiten op de Noordzee zal het areaal toenemen waar hydrografische eigenschappen wijzigen. Gezien de voorgenomen schaalvergroting van Wind op zee, zijn windparken veruit de belangrijkste factor voor D7. In 2021 bedroeg het maximaal te installeren vermogen op het Nederlandse deel van de Noordzee 2,5 GW, wat volgens de routekaart voor 2031 zal toenemen tot 21 GW en volgens routekaart 2040 tot ongeveer 50 GW.

Tot aan 2030 worden de windparken voor het grootste deel aangelegd in het deel van de Noordzee waar geen stratificatie voorkomt; een uitzondering vormt windpark Doordewind. In het zoekgebied voor de na 2030 aan te leggen windparken – actueel in het kader van de Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022-2027 – liggen locaties waarvan delen te maken hebben met tijdelijke temperatuurstratificatie. Eventuele effecten hiervan op onder meer hydrografische eigenschappen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de ecologie binnen en buiten de windparken, worden onderzocht in de onderzoeksprogramma’s van Wozep en MONS.

Ook zandwinning en zandsuppletie vormen een belangrijke drukfactor die permanente hydrografische wijzigingen kan veroorzaken en in verband met de stijgende zeespiegel is ook hier toename van de activiteiten te verwachten, zij het op wat langere termijn. Tot aan 2032 zal het jaarlijks volume te winnen zand naar verwachting gelijk blijven (11 miljoen m3 suppletiezand en 15 miljoen m3 ophoogzand). Vanwege de beperkte ruimte op de Noordzee zal in de vergunde zandwingebieden het zand op steeds grotere diepte moeten worden gewonnen. Binnen het Monitoring en Evaluatie Programma (MEP) worden de effecten van diepe winputten bestudeerd. Daarnaast werkt (in NWO-kader) het interdisciplinair onderzoek OR ELSE aan duurzame methodes voor zandwinning.

Milieudoelen en indicatoren

De milieudoelen voor descriptor 7 zijn gericht op het beperken van permanente wijzigingen in hydrografische eigenschappen, waarmee zowel verlies als aantasting van bodemhabitats wordt voorkomen. Daarom hebben de milieudoelen onder D7 een verbinding met D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats. Als gevolg van forse kennislacunes over de impact van de genoemde drukfactoren op de hydrografie is het daarom nog niet mogelijk om een betrouwbare indicator en precieze streefwaarde voor de milieudoelen te definiëren. Vooralsnog zijn de milieudoelen daarom gericht op het beperken van de effecten buiten een windpark én van de synergetische (versterkende) effecten van windparken onderling.

Het eerste milieudoel voor D7 richt zich specifiek op permanente wijzigingen in hydrografie, die gepaard gaan met de aanleg van windparken op zee (7.1). Doel is de aantasting van zeebodemhabitats zoveel mogelijk te beperken tot de individuele windturbines, waarmee oppervlakteverlies binnen de gestelde drempelwaarde blijft, zoals opgenomen onder D6. Ook de potentiële verstoring van planktongemeenschappen door aanleg van windparken is een aandachtspunt; hiertoe is een milieudoel opgenomen onder D4 Voedselwebben.

Het tweede milieudoel richt zich op het beperken van schade aan het ecosysteem als gevolg van zandwinning (7.2). Zand voor suppletie wordt deels gewonnen omwille van de nationale veiligheid en valt daarmee onder art. 2 van de KRM. Desondanks is dit milieudoel opgesteld om zowel verlies als aantasting van bodemhabitats te voorkomen. De precieze effecten van diepe putten zijn nog onduidelijk. Dit milieudoel moet daarom ook meer aandacht genereren voor de kennisontwikkeling op dit gebied, zodat verlies van zeebodemhabitats kan worden voorkomen als de volumes zandwinning toenemen en gepaard gaan met diepere zandwinputten of grotere oppervlakten gewijzigde zeebodem per breed habitattype.

Ten slotte is een milieudoel opgenomen om verlies en verstoring van habitats als gevolg van andere nieuwe activiteiten op zee te beperken (7.3). Door intensivering van activiteiten (onder andere verschillende vormen van medegebruik van windparken) zullen hydrografische eigenschappen over een grotere oppervlakte kunnen wijzigen. Deze effecten kunnen tijdelijk of permanent van aard zijn. Het beperken van de effecten tot de directe omgeving van de activiteit kan voorkomen dat een grote oppervlakte van de zeebodemhabitats significante wijzigingen ondergaat.

Tabel 7.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

7.1

Aantasting van zeebodemhabitats als gevolg van permanente wijziging van hydrografische eigenschappen door aanleg van windparken beperken tot de directe impactzone rond individuele palen, zodat interactie met andere windparken wordt vermeden.

2030

Indicator D7C1 (in ontwikkeling).

Meewegen van hydrografische effecten in de locatiekeuze bij de planvorming, milieueffectrapportages en vergunningverlening voor initiatieven.

Bevorderen van innovatie in kavelbesluiten en vergunningvereisten.

Hierbij specifiek aandacht voor de regio’s gekarakteriseerd door (seizoensgebonden) stratificatie of zoetwaterinvloed.

7.2

Effecten van permanente wijziging van hydrografische eigenschappen als gevolg van middeldiepe en diepe zandwinning (winputten van 6 meter of meer) beperken tot tijdelijke verstoring van zeebodemhabitats, en permanente verstoring (aantasting of verlies) beperken per breed habitattype (in samenhang met de drempelwaarde voor criterium D6C4).

2030

Indicator D7C2 (in ontwikkeling).

Continuering uitvoering zandwinstrategie.

Onderdeel milieueffectrapportage en vergunningverlening zandwinning (ontgronding).

7.3

Nieuwe activiteiten zoals ‘zon op zee’, aquacultuur, waterstofproductie en -transport, energiehubs en andere gebruiksvormen binnen en buiten windparken, mogen niet leiden tot habitatverlies of permanente hydrografische wijziging die verder reikt dan een per activiteit nog te definiëren directe impactzone (tenzij ecologische meerwaarde wordt aangetoond).

2030

Indicator D7C1 (in ontwikkeling).

Effecten meenemen in milieueffectrapportage en vergunningverlening en hier eventuele maatregelen aan verbinden.

D7C1 Permanente wijziging hydrografische omstandigheden

GMT (Art. 9)

N.v.t. (dit criterium dient als input voor D7C2).

Beoordeling (Art. 8)

De ruimtelijke omvang van permanente wijzigingen van hydrografische omstandigheden in het Nederlandse deel van de Noordzee bedraagt in de afgelopen planperiode naar schatting 315 km2. Daarmee komt de totale oppervlakte van verstoorde zeebodem sinds 2012 op 324 km2. Dit is 0,55 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee. De berekende omvang is grotendeels gebaseerd op een nog verder te ontwikkelen model en op voorlopige grenswaarden. De resultaten zijn daarom indicatief.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Omvang permanente wijzigingen hydrografie (nationaal).

n.v.t.

km2

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Toelichting indicator

Anders dan bij de andere descriptoren, is voor D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen nog geen internationale indicator vastgesteld. In afwachting hiervan heeft Nederland een nationale indicator ontwikkeld (Van Dijk, 2023; Wijnhoven, 2023). De indicator beschrijft de ruimtelijke omvang van permanente wijzigingen van hydrografische omstandigheden als gevolg van menselijke activiteiten. Activiteiten, structuren en objecten die in de Nederlandse mariene wateren potentieel tot permanente hydrografische wijzigingen leiden, zijn (middel)diepe zandwinning, verbreding/verdieping vaargeulen, de aanleg en het creëren en gebruik van verdiepte loswallen, grote pijpleidingen, platforms en windturbines. Effecten van andere activiteiten, zoals suppleties, ondiepe winning, kabels en kleine pijpleidingen worden als tijdelijk beschouwd (Van Dijk, 2023; Wijnhoven, 2023).

Van de activiteiten die potentieel tot permanente wijzigingen leiden (zie Figuur 7.1), is de omvang in km2 bepaald en opgeteld.

Bij platforms en grote pijpleidingen is de indicator gebaseerd op de OSPAR-indicator ‘BH4 Area of habitat loss’ (OSPAR, 2022a). Voor de berekening van de omvang van de wijzigingen als gevolg van de overige activiteiten zijn gegevens gebruikt die van die activiteiten zijn geregistreerd. (Nederlandse Olie- en Gasportaal, 2022; Rijkswaterstaat, 2022a,b,c; Deltares & Rijkswaterstaat, 2022; OSPAR, 2022b; EMODnet, 2022). De effecten van windparken zijn per turbine afzonderlijk berekend op basis van een Belgische methodiek (Legrand, et al., 2018). Ook is gekeken naar de mogelijke gevolgen van schaalvergroting in de aanleg van windparken. Mogelijk kunnen versterkende effecten (synergie) optreden door interactie tussen meerdere turbinepalen en tussen meerdere windparken. Hiertoe is de analyse van Van Duren et al. (2021) aangevuld door Zijl en Laan (2022), waarbij modelberekeningen zijn uitgevoerd op basis van (geplande) windparken tot en met 2024. Voor de verdere berekening van effecten op temperatuurwijzigingen is aangenomen dat 0,5 graad temperatuurverschil tussen zeeoppervlak en zeebodem nodig is voor het optreden van stratificatie, en dat afname van de stratificatieperiode met minimaal 20 procent van de tijd een verstorend effect zal hebben op de bodemdiergemeenschappen. Dit zijn echter arbitraire grenzen. Zie voor een gedetailleerde omschrijving van de methodiek (Wijnhoven, 2023).

Resultaten

Tussen 2016 en 2021 zijn verschillende grote ingrepen uitgevoerd die permanente wijzigingen van hydrografische eigenschappen kunnen veroorzaken. Continu is zand gewonnen voor het behouden van de basiskustlijn en voor commercieel gebruik (onder andere ophoogzand). De verdiepte loswallen die voor 2016 zijn aangelegd, worden nu jaarlijks opgevuld met 12-17 miljoen m3 gebaggerd materiaal. Tussen 2016-2021 zijn nieuwe windparken bijgebouwd en in gebruik genomen (Gemini, Borssele, Hollandse Kust zuid I en II) en tot 2024 zullen er nog enkele worden opgeleverd (Hollandse Kust zuid III en IV en Hollandse Kust noord). Ook zijn enkele transformatorplatforms (OHVS) voor de windparken gebouwd.

Sommige activiteiten zullen resulteren in afname van hydrografisch gewijzigd gebied. Zo zijn er méér (grote) pijpleidingen van de zeebodem weggehaald dan er nieuwe zijn aangelegd, waardoor de oppervlakte van door pijpleidingen permanent gewijzigde zeebodem netto afneemt.

Tot slot zijn er activiteiten die geen tot weinig invloed hebben op de resultaten van de beoordeling van D7C1. De gebaggerde vaargeulen naar de havens zijn tussen 2016 en 2021 niet verder verdiept of verbreed. Het aantal platforms voor olie- en gaswinning is in die periode minimaal gewijzigd. Er is 300 km aan kabels ingegraven en daar zou na de gebruikte beoordelingsperiode tussen 2021 en 2024 nog 1000 km bijkomen, maar dat geeft alleen een tijdelijke verstoring. Figuur 7.1 geeft een overzicht van de activiteiten in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Tabel 7.3 toont de totale omvang (km2) van permanente wijzigingen van hydrografische eigenschappen op de bodem van het Nederlandse deel van de Noordzee, gebaseerd op Van Dijk (2023). De toename van de totale omvang aan permanente verstoring met 315 km2 is voornamelijk toe te schrijven aan de bouw van offshore windparken en in veel mindere mate aan zandwinning. Opvallend is de omvang van deze toename ten opzichte van het totaal van alle voorgaande jaren (127 km2 tot en met 2015).

De belangrijkste factor in de berekening van de omvang van permanente hydrografische wijzigingen is een afname van de duur van de jaarlijkse stratificatieperiode. Temperatuurstratificatie (Figuur 7.1) is seizoensafhankelijk en beperkt zich tot een klein deel van de Nederlandse Noordzee, vooral in enkele diepere delen aan de oostkant van het NCP. Het jaargemiddelde temperatuurverschil tussen zeeoppervlak en waterbodem verschilt daar minimaal 0,5 graad.

Het (voorlopige) model dat de effecten van windparken doorrekent wijst uit dat de temperatuurstratificatieperiode in en rond windpark Gemini afneemt van 79 dagen naar 42 dagen (Zijl & Laan, 2022).

Er is nog geen drempelwaarde vastgesteld waarboven we spreken van een significante verandering in de stratificatieduur. Als voorlopige grens is ervan uitgegaan dat een reductie van 20 procent in het jaargemiddelde temperatuurverschil tussen zeeoppervlak en zeebodem kan leiden tot substantiële verandering in de stratificatieduur. Uitgaande van deze aanname is naar schatting 251 km2 rond park Gemini permanent hydrografisch gewijzigd. Daar komt 40 km2 met dezelfde status bij als gevolg van de aanleg in 2017 van het Veja Mate-windmolenpark, net over de grens met het Duitse deel van de Noordzee ten noorden van windmolenpark Gemini.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Internationaal is D7 Hydrografische eigenschappen nog weinig uitgewerkt. In tegenstelling tot voor alle andere descriptoren zijn hiervoor in Commissiebesluit 2017/848/EU geen primaire criteria vastgesteld. Inmiddels is onder OSPAR een expertgroep actief op dit onderwerp.

Tot nu toe is de omvang van permanente wijzigingen van hydrografische eigenschappen beperkt, en is de milieutoestand in dit opzicht geborgd met de bestaande regelgeving (m.e.r.-procedures). Maar de voorgenomen aanleg van grote windparken – zowel nationaal als internationaal – maakt het belangrijk om beter zicht te krijgen op de consequenties hiervan voor hydrografische eigenschappen en de doorwerking daarvan in het mariene milieu. Dat geldt zowel voor de benthische als de pelagische zone. Nederland neemt de kennisontwikkeling op dit gebied dan ook mee in het Wind op zee ecologische programma (Wozep) en in het programma Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS), dat voortvloeit uit het Noordzeeakkoord. Daarnaast zet Nederland zich actief in voor het verbeteren van de internationale afstemming in OSPAR over de beoordeling van D7. Ook in omringende landen blijkt behoefte te bestaan aan die afstemming en aan de verdere ontwikkeling van beoordelingsmethodieken. Naar verwachting kunnen resultaten van deze inspanningen bij de eerstvolgende actualisatie van Mariene Strategie deel 1 (2030) worden meegenomen.

Het ontbreekt nog aan kennis en inzicht, vooral op het gebied van hydrografische veranderingen, maar ook als het gaat om grenswaarden waarboven veranderingen significante (negatieve) effecten hebben op benthische habitats. Zo vraagt de nu gekozen grens van 20 procent afname in stratificatie om nadere onderbouwing en zo nodig bijstelling. De voorgenomen schaalvergroting van activiteiten op zee in het kader van de energietransitie maakt kennisontwikkeling over dit aspect cruciaal. De doorontwikkeling en validering van de modellen die voor Wozep zijn opgezet – en die nu ook voor de KRM-beoordeling zijn gebruikt – kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren, evenals onderzoeksresultaten van Wozep en MONS naar onder andere het effect van hydrografische veranderingen op de hogere trofische niveaus binnen de voedselketen.

Ook zandwinning uit diepere lagen van de zeebodem heeft potentieel wijziging van hydrografische eigenschappen tot gevolg. Naar verwachting neemt de jaarlijkse omvang van zandwinning op de langere termijn (na deze planperiode) toe door een groeiende vraag naar suppletiezand voor de kustverdediging. Uitgaande van de huidige inzichten wordt aangenomen dat zandwinning tot 2 meter diep geen gevolgen heeft van permanente aard. Diepere winning vereist nader onderzoek naar de effecten; dit wordt momenteel uitgevoerd in het Monitoring en Evaluatie Programma (MEP) Zand uit Zee. Sinds 2022 loopt ook het onderzoek OR ELSE (Operational Recommendations for Ecosystem-based Large-scale Sand Extraction) naar de effecten van zandwinning op natuur. De uitkomsten van deze onderzoeken en m.e.r.-studies verdiepen de inzichten in de effecten van zandwinning, wat kan leiden tot wijzigingen in beleid (onder andere de zandwinstrategie), maar ook tot aanscherping van de Mariene Strategie.

Volgens Commissiebesluit 2017/848/EU gaat criterium D7C1 over permanente wijziging van hydrografische omstandigheden van de zeebodem en de waterkolom. De gebruikte indicator richt zich op dit moment op de zeebodem, omdat het criterium dient als input voor criteria D7C2 en D6C5, die gaan over effecten op de bodemgemeenschappen. Het is aannemelijk dat effecten op de waterkolom breder zijn en dat, als ook deze worden beschouwd, de hier weergegeven omvang een onderschatting zal blijken te zijn. Naar verwachting zal het MONS- en/of Wozep-programma ook meer inzicht geven in de effecten van windparken op pelagische habitats. Vooralsnog wordt aangenomen dat het in de huidige situatie gaat om een beperkte omvang.

D7C2 Aangetaste benthische habitats door permanente wijziging hydrografische omstandigheden

GMT (Art. 9)

N.v.t. (Dit criterium behelst de omvang van benthische habitats die geschaad zijn door permanente hydrografische omstandigheden. De resultaten en de beoordeling van criterium D7C2 dienen als input voor de beoordeling van criterium D6C5).

Beoordeling (Art. 8)

Als gevolg van permanente hydrografische wijzigingen is in totaal naar schatting 374 km2 aan benthische habitats geschaad, wat overeenkomt met 0,63 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee. Voor de periode 2016-2021 wordt naar schatting 60 km2 aan benthische habitat als verloren beschouwd. Dit habitatverlies is nauwelijks veranderd ten opzichte van de voorgaande perioden. Het aandeel aangetaste habitats (310 km2) is wel sterk toegenomen. Vooral zandige habitats zijn aangetast: naar schatting ongeveer 0,6 procent van de offshore circalitorale en de circalitorale variant en 0,1 procent van het offshore circalitoraal slib. De berekende omvang moet worden gezien als indicatief.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Omvang verlies en aantasting benthische habitats door hydrografische wijzigingen (nationaal).

Er is geen drempelwaarde, maar een grenswaarde waarboven sprake is van ‘schade’. De hier gebruikte grenswaarden zijn voorlopig (nationaal).

km2

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Toelichting indicator

Om per breed habitattype (BHT) de omvang van schade vast te kunnen stellen is het onder D7C1 vastgestelde areaal van permanente hydrografische wijzigingen over de habitatkaart gelegd (figuur 7.2). Het kan gaan om:

- verlies van habitat:

o door permanente of langdurige ( > 12 jaar) afdekking (‘sealed loss’). Bijvoorbeeld door grote verandering in substraatsamenstelling.

o door permanente of langdurige ( > 12 jaar) verandering naar een ander habitattype (‘unsealed loss’)

- aantasting van habitat:

o permanent: een activiteit of constructie leidt tot een achteruitgang in kwaliteit, voor ten minste 12 jaar. Bijvoorbeeld door afname van stratificatie of vertroebeling van de waterkolom.

o tijdelijk: een activiteit of constructie leidt tot achteruitgang in kwaliteit, maar is binnen 12 jaar weer hersteld. De benthische gemeenschappen binnen het habitattype kunnen daarbij eventueel veranderd zijn, maar zijn van vergelijkbare kwaliteit. Bijvoorbeeld door verandering in bodemschuifspanning onder invloed van stroming en/of golfslag.

In de praktijk zijn de effecten van hydrografische veranderingen moeilijk van elkaar te scheiden; zo gaat opheffing van stratificatie veelal samen met een toename in stroming, golfwerking en/of vertroebeling van de waterkolom.

Voor de berekening van de impact is onderscheid gemaakt tussen de habitats, omdat de gevoeligheid en hersteltijd per habitattype verschillen. Hierbij is uitgegaan van de OSPAR-indicatoren ‘BH3 Physical damage to predominant and special habitats’ (Matear et al., 2022) en ‘BH4 Area of habitat loss’ (Schmitt et al., 2022); zie ook factsheets D6C3 en D6C4. De analyse voor zandwinning, verdieping van vaargeulen, verdiepte loswallen en afzonderlijke windturbines is gebaseerd op deze OSPAR-indicatoren.

Voor grote pijpleidingen en platforms is uitgegaan van de onder D7C1 vastgestelde omvang van permanente hydrografische wijzigingen.

Onder D7C1 is vastgesteld dat permanente wijzigingen van hydrografische eigenschappen vooral zijn gelegen in de reductie van temperatuurstratificatie. Effecten op benthische gemeenschappen worden alleen daar verwacht waar ten minste gedurende een bepaalde periode van het jaar sprake is van stratificatie; dat is het geval in en nabij het windpark Gemini. Analoog aan D7C1 gaan we hier uit van een permanente aantasting van de benthische habitats bij 20 procent reductie in de jaargemiddelde stratificatie op basis van het temperatuurverschil tussen oppervlak en bodem.

NB: Onder D7C1 is aangegeven wat er per jaar aan permanente wijzigingen is bijgekomen. Onder D7C2 is per jaar berekend wat het effect is van alle permanente wijzigingen bij elkaar. Net als onder descriptor D6 wordt daarbij verder teruggekeken dan 2012. Zie voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek Wijnhoven (2023).

Resultaten

Volgend uit de analyse onder criterium D7C1, zijn benthische habitats vooral aangetast rond het windpark Gemini waar volgens modelberekeningen de temperatuurstratificatie afneemt van 79 dagen naar 42 dagen. Dit kan ter plekke potentieel leiden tot verrijking van de bodem en toevoer van zuurstof, in een gebied dat van nature voedselarm en zuurstofarm is. Inschatting is dat 251 km2 van de hier gelegen habitats (offshore circalitoraal zand en circalitoraal zand) is aangetast. Vanwege de aanleg van het windpark Veja Mate, net over de grens met Duitsland in hetzelfde jaar, komt daar nog 40 km2 bij (19 km2 offshore circalitoraal zand en 21 km2 offshore circalitoraal slib) (tabel 7.4). De berekende omvang maakt circa 0,7 procent uit van de zandige habitattypen, en circa 0,5 procent van de Nederlandse Noordzee (zie ook tabel 7.1).

De verwachting, en tevens aanname in deze beoordeling, is dat deze veranderingen kleiner zijn in gebieden met stratificatie waar het temperatuurverschil tussen oppervlak en bodem groter is (Zijl en Laan, 2022).

Tabel 7.4. Berekende omvang aantasting per BHT (km2 en %) onder invloed van afname temperatuurstratificatie met ten minste 20% in gebieden met temporele (zomer)stratificatie), voor de perioden 2010-2015 en 2016-2021 (gemiddeld per jaar).

Windmolenpark

(Land; jaar van aanleg)

BHT

Permanent aangetast na aanleg (km2)

2010-2015 (km2)

2016-2021 (km2)

% totaal BHT

Gemini* (NL; 2016/2017).

Circalitoraal zand.

120,1

0

120,1

0,67

Offshore circalitoraal zand.

130,7

0

130,7

0,57

 

Veja Mate (DE; 2017).

Offshore circalitoraal zand.

19,0

0

15,8

0,07

Offshore circalitoraal slib.

21,3

0

17,8

0,13

 

* Windmolenpark ten noorden van de Wadden, bestaande uit twee delen Buitengaats en ZeeEnergie

Het habitatverlies als gevolg van zandwinning is beperkt en sinds de voorgaande planperiode niet toegenomen. Het aangetaste areaal wisselt per habitattype, maar ook hiervan is de omvang beperkt. In totaal is de afgelopen planperiode sprake van 10,5 km2 aan verloren habitat, en 13,7 km2 aan aangetast habitat. Zie Wijnhoven (2023) voor meer resultaten.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Met deze beoordeling is criterium D7C2 voor het eerst uitgewerkt. Er resteren nog belangrijke kennislacunes, die in onder D7C1 zijn benoemd. Door de indicatieve resultaten van D7C1 als input te gebruiken voor de voorspelling van effecten op benthische habitats (waar ook onzekerheden over bestaan) is ook de uitkomst van D7C2 zeer indicatief. Het is cruciaal om beter inzicht te verkrijgen in de mate en omvang van eventuele effecten, vooral met het oog op de voorgenomen schaalvergroting van windparken.

Bronnen

Berkel, J. van., Burchard, H., Asbjørn, C., Mortensen, L.O., Petersen, O.S., & Thomsen, F., (2020). The effect of offshore wind farms on hydrodynamics and implications for fishes. Oceanography, 33(4), pp. 108-117.

Daewel, U., Akhtar, N., Christianson, N. & Schrum, C. (2022). Offshore wind farms are projected to impact primary production and bottom water deoxygenation in the North Sea. Communications Earth & Environment, 3(292).

Dalfsen, J. van., & Essink, K., (1997). Risk analysis of coastal nourishment techniques in the Netherlands. Den Haag: RIKZ.

De Jong, M., (2016). The ecological effects of deep sand extraction on the Dutch continental shelf. Wageningen: PhD Thesis, Wageningen University.

Deltares & Rijkswaterstaat, (2022). Coastviewer-static. Online Available at: ​https://www.openearth.nl/coastviewer-static/

Desprez, M., Stolk, A. & Cooper, K., (2022). Marine Aggregate Extraction and the Marine Strategy Framework Directive: A Review of Existing Research, Denemarken: ICES Cooperative Research Report.

Dijk, T. van., Boon, A., Lange, G. de., & Forzoni, A. (2017). Sedimentologie, sonderingen en ecologische ontwikkelingen van de Verdiepte Loswallen. Delft: Deltares.

Dijk, W. van., (2023). Overzicht activiteiten en berekening hydrografische verstoring. Achtergrondrapport ten behoeve van Mariene Strategie deel 1 met betrekking tot D7 (hydrografische verstoringen). sl:RWS rapport.

Duin, C. van., Vrij Peerdeman, M., Jaspers, H. & Buchoic, A., (2017). Winning ophoogzand Noordzee 2018 t/m 2027, De Bilt: Sweco.

Duin, C. van, Vrij Peerdeman, M., Jaspers, H., & Buchoic, A., (2017). Winning suppletiezand Noordzee 2018 t/m 207, De Bilt: Sweco.

Duren, L.A. van., Zijl, F., Kessel, T. van., Zelst, V.T.M. van., Vilmin, M., Meer, J. van der., Aarts, G.M., Molen, J. van der., Soetaert, K., & Minns, A.W. (2021). Ecosystem effects of large upscaling of offshore wind on the North Sea - Synthesis report, Delft: Deltares.

EMODnet, (2022). EMODnet Human Activities. Available at: ​https://www.emodnet-humanactivities.eu/

Hoogewoning, S. & Boers, M., (2001). Fysische effecten van zeezandwinning. Den Haag: Rijksinstituut voor Kust en Zee/ RIKZ.

Informatiehuis Marien, (2022). Open Data Viewer - Informatiehuis Marien. Available at: ​https://www.informatiehuismarien.nl/open-data-viewer/?opendatafolder=Gebruik&opendatalayer=Zandwingebieden%20vergund

Klein, M., (1999). Large-scale sandpits - hydrodynamic and morphological modelling of large-scale sandpits. Delft: WL | Delft Hydraulics.

Knoester, D., Stolk, A. & Wensveen, M., (2014). Evaluatie Praktijkproef VLW 1998−2014. sl: HbR & RWS.

Leeuwen, S. van., Tett, P., Mills, D. & Molen, J. van der., (2015). Stratified and nonstrafied areas in the North Sea: Long-term variability and biological and policy implications. Journal of Geophyscial Research - Oceans, 120(7), pp. 4595-5283.

Legrand, S., Vallée, P. de la., Fettweis, M. & Eynde, D. van den, (2018). Permanente en significante wijzigingen van de hydrografische eigenschappen. In: Actualisatie van de initiële beoordeling voor de Belgische mariene wateren. sl: sn, p. 243.

Matear, L., Vina-Herbon, C., Woodcock, K.A., Duncombe-Smith, S.W., Smith, A.P., Schmitt, P., Kreutle, A., Marra, S., Curtis, E.J., & Baigent, H.N., (2022). Extent of Physical Disturbance to Benthic Habitats (BH3): Fisheries. In: OSPAR, (2023): The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London. OSPAR Benthic Habitats Expert Group, Intersessional Correspondence Group on the Coordination of Biodiversity Assessment and Monitoring, OSPAR Biodiversity Committee.

Nederlandse Olie- en Gasportaal, (2022). Bestanden interactieve kaart | NLOG. [Online] Available at: ​https://www.nlog.nl/bestanden-interactieve-kaart

OSPAR (2022). Draft OSPAR CEMP Guideline. Pilot indicator: BH4 Area of Habitat Loss. ​Draft CEMP as used for the pilot BH4assessment, published as part of the OSPAR 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic (Draft OSPAR CEMP BH4).

OSPAR, (2022). ODIMS - submission OSPAR Offshore Renewable Energy Developments 2021. Available at: ​https://odims.ospar.org/en/submissions/ospar_offshore_renewables_2021_07/

OSPAR, (2023). Revised OSPAR CEMP Guideline. Common Indicator: BH3 Extent of Physical Disturbance to Benthic Habitats.

SL: OSPAR Agreement 2017-09.

Rijkswaterstaat, 2022a. Basiskustlijn | Data overheid. Available at: ​https://data.overheid.nl/dataset/17748-basiskustlijn

Rijkswaterstaat, (2022). Uitvoeringsprogramma Kustlijnzorg - Helpdesk water. Available at: ​https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/kust/uitvoeringsprogramma-kustlijnzorg/

Rijkswaterstaat, (2022). Zandwinstrategie op zee. Available at:​https://maps.rijkswaterstaat.nl/gwproj55/index.html?viewer=ZD_Zandwinstrategie.Webviewer

Schmitt, P., Kreutle, A., Vina-Herbon, C., & Matear, L. (2022). Area of habitat loss (BH4) – Pilot Assessment. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London. OSPAR Benthic Habitats Expert Group, Intersessional Correspondence Group on the Coordination of Biodiversity Assessment and Monitoring, OSPAR Biodiversity Committee.

Spek, A. van der., Kruif, A. de., Spanhoff, R. (2007). Richtlijnen Onderwatersuppleties. Den Haag: Rijkswaterstaat.

Svasek, (1998). Waterbeweging in wingebieden t.b.v. product K2000*Zw, sl: Svasek.

TG-Seabed (2022). Threshold values for the assessment of good environmental status under D6C4 and D6C5 – Recommendations from the Technical Group on Seabed Habitats and Sea-floor Integrity (TG Seabed), Prepared on 12‑12‑2022 and submitted to MSCG for adoption in 2023. (​MSCG 31_2022-05 Seabed Threshold Values Proposal).

Tyler-Walters, H., Tillin, H.M., Avack, E.A.S. d’., Perry, F., & Stamp, T. (2018). Marine Evidence based Sensitivity Assessment (MarESA) – A Guide. Plymouth: Marine Biological Association.

Vasquez, M., Allen, H., Manca, E., Castle, L., Lillis, H., Agnes, S., Al Hamdani, Z., Annunziatellis, A., Askew, N., Bekkby, T., Bentes, L., Doncheva, V., Drakopoulou, V., Duncan, G., Gonçalves, J., Inghilesi, R., Laamanen, L., Loukaidi, V., Martin, S., McGrath, F., Mo, G., Monteiro, P., Muresan, M., Nikilova, C., O’Keeffe, E., Pesch, R., Pinder, J., Populus, J., Ridgeway, A., Sakellariou, D., Teaca, A., Tempera, F., Todorova, V., Tunesi, L. & Virtanen, E. (2021). EUSeaMap 2021, A European broad-scale seabed habitat map, Technical Report.

WGEXT, I., (2022). WGEXT. Available at: ​https://www.ices.dk/community/groups/pages/wgext.aspx

Wijnhoven, S. (2023). Berekening van verlies en verstoring van benthisch habitat onder invloed van activiteiten en structuren. Achtergrondrapport ten behoeve van Mariene Strategie deel 1 met betrekking tot KRM beoordelingen D6 (fysieke verstoring benthische habitats) en D7 (hydrografische verstoringen). Ecoauthor Report Series 2023 – 05, Heinkenszand, the Netherlands.

Zijl, F. & Laan, S., (2022). Model results of effects of Offshore Wind Farms for KRM - OWF 2024, Delft: Deltares.

D8 Verontreinigende stoffen

GMT (Art. 9)

Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden.

Beoordeling (Art. 8)

In de afgelopen planperiode zijn van de meeste stoffen de gehalten gelijk gebleven of iets gedaald. Dit beeld is vergelijkbaar met het beeld in de voorgaande periode. De goede milieutoestand is nog niet bereikt. Vooral de alomtegenwoordige persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (UPBT-stoffen) overschrijden de milieukwaliteitsnorm (8 van de 19 stoffen). Van de 119 niet-UPBT-stoffen voldoen er 8 niet aan de norm en zijn 3 stoffen niet toetsbaar omdat de concentraties lager zijn dan de rapportagegrens. Hoewel tributyltin in het milieu de grenswaarde nog steeds overschrijdt, is voortplantingsschade (imposex) bij mariene slakken zodanig afgenomen dat wat dit criterium betreft de goede milieutoestand is bereikt. Ernstige acute verontreinigingen met olie hebben zich in de afgelopen planperiode niet voorgedaan.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen richten zich vooral op het verder terugdringen van vervuiling vanuit de belangrijkste bronnen: bronnen op land (via de KRW), scheepvaart, offshore-installaties en nieuwe activiteiten.

Inleiding

Onder descriptor D8 worden verontreinigingen in het mariene milieu beoordeeld. Dankzij een breed pakket aan maatregelen zijn in voorgaande decennia van veel verontreinigende stoffen de concentraties al flink teruggebracht. Er zijn echter nog steeds stoffen die niet voldoen aan de milieukwaliteitsnorm. Dit zijn vooral persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen, zoals PAK’s, TBT en kwik. Ze worden aangeduid als ‘UPBT-stoffen’, (Ubiquitous, Persistent, Bioaccumulative and Toxic substances). Weliswaar zijn maatregelen getroffen om emissies van deze stoffen te beperken of te beëindigen, maar door hun eigenschappen zijn ze alomtegenwoordig en blijven ze nog lang in het mariene milieu aanwezig.

Descriptor D8 wordt beoordeeld aan de hand van verscheidene criteria. Onder D8C1 worden concentraties van 19 UPBT-stoffen en 119 niet-UPBT-stoffen beoordeeld in water, sediment of organismen (biota). Ook omvat deze descriptor effecten van verontreinigingen (D8C2) en incidentele ernstige verontreinigingen (D8C3). Hebben zich in de afgelopen planperiode dergelijke incidenten voorgedaan, dan vraagt de KRM om aan de hand van criterium D8C4 een inschatting te maken van de impact hiervan op soorten en habitats.

Beoordeling

D8C1 Verontreinigende stoffen in het mariene milieu

De KRM vraagt om de toestand van verontreinigingen in het milieu te beoordelen door geselecteerde stoffen en normen in de kustwaterlichamen te toetsen aan wat onder de Kaderrichtlijn Water is vastgesteld. Deze stoffen zijn verder op zee (buitenterritoriaal) ook relevant, als ze daar nog steeds verontreinigingseffecten kunnen veroorzaken. Daarnaast wil de KRM dat regionaal wordt overeengekomen of en welke stoffen aanvullend relevant zijn, en welke drempelwaarden hierbij horen. Dit gebeurt in OSPAR. Deze beoordeling heeft betrekking op de Zuidelijke Noordzee.

Van de 19 UPBT-stoffen voldoen 11 stoffen (58 procent) aan de milieukwaliteitsnorm (tabel 8.1). 8 stoffen (42 procent) voldoen niet. Dit zijn organische microverontreinigingen, waaronder PAK’s, PFOS, PBDE’s en PCB’s, en de metalen kwik en tributyltin.

Veruit de meeste niet-UPBT-stoffen voldoen aan de kwaliteitsnorm. Van de 119 stoffen overschrijden er 8 (6,7 procent) de drempelwaarde (tabel 8.1). De 3 stoffen azinfos-ethyl, azinfos-methyl en mevinfos (niet in de tabel) zijn niet toetsbaar, omdat de concentraties in het milieu lager ( < ) zijn dan de zogenoemde rapportagegrens (RG). Dat is de laagste getalswaarde die nog kwantitatief betrouwbaar in een laboratorium kan worden vastgesteld.

Van de meeste stoffen is de concentratie in de afgelopen jaren gelijk gebleven of iets gedaald in vergelijking met de voorgaande planperiode. Dit beeld komt overeen met dat in de voorgaande planperiode. Een exacte vergelijking met voorgaande planperioden is lastig, omdat in elke periode de lijst met getoetste stoffen verandert en ook milieunormen tussentijds kunnen worden aangepast.

D8C2 Schadelijke effecten van verontreinigende stoffen

Voor toetsing aan het criterium D8C2 worden effecten van tributyltin bepaald aan de hand van imposex in mariene slakken. Imposex is een verschijnsel waarbij vrouwelijke zeeslakken, na blootstelling aan tributyltin, mannelijke geslachtsorganen ontwikkelen. Hoewel deze persistente stof de grenswaarde in het milieu (zie D8C1) nog steeds overschrijdt, is de mate van imposex zodanig afgenomen dat voor criterium D8C2 de goede milieutoestand is bereikt (tabel 8.1).

D8C3 Incidentele ernstige verontreinigingen

Incidentele verontreinigingen kunnen ernstige gevolgen hebben voor het mariene milieu. De KRM vraagt om de omvang van significant ernstige verontreinigingen als gevolg van dergelijke calamiteiten in te schatten (D8C3). In de periode 2016-2021 is één olieverontreiniging met een volume groter dan 5 m3 gesignaleerd. Deze olie is direct opgeruimd, waardoor potentiële ernstige effecten op het mariene milieu zijn voorkomen. Concluderend is over de afgelopen planperiode geen sprake geweest van significante ernstige verontreinigingen met olie.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

In de afgelopen decennia is veel vooruitgang geboekt in het terugdringen van vervuilende stoffen in het mariene milieu. Toch is er onder D8 nog een resterende opgave voor zowel de UPBT-stoffen als de niet-UPBT stoffen. Omdat de lijst van te beoordelen stoffen en daarvoor geldende normen wordt bijgesteld op basis van wetgeving en/of nieuwe inzichten, is het mogelijk dat in de toekomst aanvullende opgaven ontstaan voor opkomende stoffen, zoals PFAS.

Voor de stoffen in KRW-waterlichamen zijn en worden maatregelen getroffen via de implementatie van de KRW. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen (2022-2027). Ze richten zich op landbronnen zoals industrie, landbouw en rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Milieudoelen en indicatoren

De kennis over offshore drukfactoren die vervuiling van water veroorzaken neemt gestaag toe. Tot die factoren behoren de scheepvaart, visserij en de offshore industrie. Om de uitstoot van vervuilende stoffen uit deze bronnen te beperken is al regelgeving opgenomen in de bestaande m.e.r.- en vergunningprocedures, dit in lijn met internationale verdragen zoals OSPAR, de IMO en het London Protocol. Voor het toepassen (verspreiden) van baggerspecie bestaan wettelijke normen. Voor PFAS wordt gewerkt aan aanvullende normering. Monitoring en tijdige signalering van nieuwe knelpunten blijven echter van belang, mede vanwege de toenemende activiteit op zee voor onder meer de bouw van windparken en CO2-opslag. Ook wordt een verkenning uitgevoerd naar de effecten van lozing van scrubberwater.

Milieudoelen voor D8 richten zich op het verder terugdringen van vervuiling vanuit de belangrijkste bronnen. Dat zijn landbronnen die via de KRW worden aangepakt (8.1), scheepvaart (8.4) en offshore installaties en nieuwe activiteiten (8.5, 8.6). Specifiek voor loodgebruik in de sportvisserij is het milieudoel ‘toewerken naar uitfasering in 2027’ (8.3) opgenomen. Dit doel sluit aan bij de samenwerkingsovereenkomst Sportvisserij Loodvrij en een mogelijk verbod op EU-niveau.

Een aantal milieudoelen zijn al langer van kracht maar blijven doorlopend aandacht vragen; dit betreft het opruimen van acute verontreinigingen (8.2) en het volgen van de toepassing van koper als vervanger van TBT in antifouling (8.7). Voor opkomende stoffen zoals PFAS is ook een milieudoel opgenomen (8.8).

Tabel 8.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

8.1

Verminderen van toevoer van verontreinigende stoffen via zoet water naar het mariene milieu, zodat wordt voldaan aan de KRW-doelstellingen.

2027

Vrachten van verontreinigende stoffen naar kustwateren.

KRW-maatregelen in de SGBP’s, waar nodig aangevuld met maatregelen in het KRW-impulsprogramma.

8.2

Voorkomen en beperken van incidentele ernstige verontreinigingen door de bij incidenten vrijkomende stoffen zo snel mogelijk op te ruimen.

Doorlopend.

D8C3: ruimtelijke omvang van incidentele ernstige verontreinigingen

Bestaande inzet incidentbestrijding en Uitvoeringskader Bestrijding Kustverontreiniging Rijkswaterstaat (UBKR).

Bonn Agreement.

8.3

 

2027

Concentraties lood zoals gerapporteerd onder D8C1.

Screening en Logboek Surveys voor monitoring van het gebruik van alternatieven.

Samenwerkingsovereenkomst Sportvisserij Loodvrij 2025-2029.

Traject EU-verbod op het gebruik van vislood (verwacht 2026/2027).

8.4

Minimaliseren van verontreiniging door zeescheepvaart.

Doorlopend.

Door kustwacht gemelde milieuovertredingen Nederlandse deel van de Noordzee (mogelijke stof, locatie en hoeveelheid).

Schatting jaarlijkse vrachten afkomstig van zeescheepvaart en visserij (coatings en scrubbers).

Bestaande wetgeving o.a.

MARPOL-wetgeving , EU-richtlijnen (o.a. herziening verontreiniging door zeeschepen) en regionale afspraken OSPAR.

Verkenning van maatregelen ter voorkoming van lozing van scrubber waswater.

88.5

Tot een minimum beperken van input van verontreinigende stoffen afkomstig van (nieuwe) activiteiten op zee, zoals windparken, zon op zee, aquacultuur, CO2-opslag, waterstofelektrolyse en offshore installaties.

Doorlopend.

Aansluiten op wettelijke eisen en eisen uit de vergunningen.

Bestaande wetgeving, vergunning

procedures (waaronder inzet van BAT).

Mogelijk wordt een beoordelingskader voor nieuwe activiteiten op zee ontwikkeld, waarin ook toekomstig gebruik van onder andere geneesmiddelen in de aquacultuur wordt meegenomen.

8.6

Terugdringen van schadelijke effecten van stoffen gebruikt voor corrosiebescherming, waaronder zink, o.a. op platforms en in windparken.

Doorlopend.

Aansluiten op wettelijke eisen en eisen uit de vergunningen.

Schatting jaarlijkse vrachten zink.

Bestaande wetgeving, m.e.r. en

vergunningprocedures (waaronder inzet van BAT).

8.7

Het beperken van koperverontreiniging vanaf zeeschepen en indien mogelijk stimuleren van milieuvriendelijke alternatieve antifouling middelen.

Doorlopend.

Koper-concentraties

in het milieu (D8C1)

Schatting jaarlijkse vrachten koper

Bestaande wetgeving op basis van Omgevingswet. Schoonmaken romp en schroef alleen toegestaan met afvang. Afvalwater moet gefilterd worden (opvangen van waswater bij schoonmaken schepen verplicht in Nederland).

In IMO-verband zet Nederland zich in om voor internationale regelgeving omtrent opvangen van waswater bij schoonmaken schepen.

8.8

Terugdringen van lozing en verspreiding van PFAS-houdende stoffen en andere opkomende stoffen waaronder medicijnresten, waardoor de toevoer naar mariene wateren wordt beperkt.

Doorlopend.

Concentraties van de betreffende stoffen.

Maatregelen opgenomen in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 en uitvoering van Actieprogramma PFAS in water.

Onderzoek naar effecten van PFAS op mariene milieu. (nationaal 2024/2025; OSPAR doorlopend).

D8C1 Verontreinigende stoffen in het mariene milieu

GMT (Art. 9)

De concentraties van voor het mariene milieu relevante verontreinigende stoffen (UPBT en niet-UPBT) voldoen aan de drempelwaarden die Europees (KRW, Nederlandse deel van de Noordzee) en in regionaal verband (OSPAR, Zuidelijke Noordzee) zijn vastgesteld.

Beoordeling (Art. 8)

De huidige toestand van verontreinigende stoffen in water, biota en sediment is niet veranderd sinds de voorgaande planperiode: er wordt niet aan de goede milieutoestand voldaan. Van de alomtegenwoordige persistente stoffen (UPBT) voldoen 8 van de 19 stoffen niet aan de milieukwaliteitsnorm. Van de niet-UPBT stoffen geldt dit voor 8 van de 119 stoffen.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Concentraties prioritaire en specifieke verontreinigende stoffen in water (KRW).

Prioritaire stoffen: EU- drempelwaarden, overige stoffen: nationale drempelwaarden (cf. Richtlijn 2008/105/EG).

μg/l

Nederlandse deel van de Noordzee, 2018-2020 (A/D).

Concentraties prioritaire en specifieke verontreinigende stoffen in biota (KRW).

Prioritaire stoffen: EU- drempelwaarden,

overige stoffen: nationale drempelwaarden (cf. Richtlijn 2008/105/EG).

μg/kg

Nederlandse deel van de Noordzee, 2018-2020 (A/D).

Metalen, PAK’s, PBDE, PCB’s in biota (OSPAR).

Assessmentcriteria (OSPAR).

μg/kg

Zuidelijke Noordzee, 2015-2020 (A).

Metalen, organotin, PAK’s, PBDE, PCB’s in sediment (OSPAR).

Assessmentcriteria (OSPAR).

μg/kg

Zuidelijke Noordzee, 2015-2020 (A).

Voor de beoordeling van verontreinigende stoffen in het milieu gaat de KRM uit van de stoffen die onder de KRW zijn geselecteerd, en van bijkomende stoffen die regionaal in OSPAR-verband zijn benoemd.

KRW: stoffen in water en biota
Toelichting indicator

De beoordeling onder de KRW van verontreinigingen in de kustwateren en territoriale wateren omvat Europees genormeerde stoffen (‘prioritaire stoffen’) en nationaal genormeerde stoffen (‘specifieke verontreinigende stoffen’).

De prioritaire stoffen worden gemeten in de zone tot 12 zeemijl uit de kust. Sommige prioritaire stoffen vallen onder de noemer ‘UPBT-stoffen’: dit zijn persistente, bioaccumulerende, toxische stoffen die alomtegenwoordig zijn. Ook de KRM maakt onderscheid tussen ‘UPBT-stoffen’ en ‘niet UPBT-stoffen’.

Behalve de Europees vastgestelde prioritaire stoffen selecteren landen afzonderlijk specifieke verontreinigende stoffen voor de zone tot 1 zeemijl uit de kust. De meeste van deze (niet-UPBT) stoffen worden gemeten in water. Andere stoffen, zoals organische microverontreinigingen en het zware metaal kwik worden in organismen (biota) gemeten.

Stoffen en milieukwaliteitseisen zijn overgenomen uit de Richtlijn prioritaire stoffen (2008/105/EC), inclusief de wijzigingen uit 2013 (2013/39/EU) en uit het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009. Het Protocol monitoring en toestandsbeoordeling KRW geeft nadere toelichting op de beoordelingsmethodiek. De KRW-beoordeling is gebaseerd op de meetjaren 2018 tot en met 2020.

Voor de KRM zijn de volgende KRW-waterlichamen relevant:

Zeeuwse kust (kustwater), Noordelijke Deltakust (kustwater), Hollandse kust (kustwater), Waddenkust (kustwater) en Eems-Dollard (kustwater), alle gelegen in de zone tot 1 mijl uit de kust. De waterlichamen Schelde, Maas, Rijn en Eems zijn gelegen in de zone van 1 mijl tot 12 mijl vanuit de kust. Zie het Protocol monitoring en toestandsbeoordeling oppervlaktewaterlichamen KRW voor een nadere toelichting.

Van verontreinigende stoffen die binnen de KRW-waterlichamen niet aan de normen voldoen, wordt aangenomen dat ze ook verder op zee schadelijke effecten kunnen hebben. Daarom worden van deze stoffen ook meetgegevens van buiten de 12-mijlszone in de beoordeling meegenomen, mits deze beschikbaar zijn.

Resultaten

Voor een toelichting op de resultaten van de KRW-beoordeling op hoofdlijnen wordt verwezen naar de overkoepelende factsheet van D8. Hierin staat ook een overzichtstabel met alle stoffen die niet aan de milieunorm voldoen (tabel 8.1).

OSPAR: stoffen in biota en sediment
Toelichting indicator

Bij de KRM-beoordeling van verontreinigende stoffen in het milieu tellen behalve de KRW-stoffen ook de stoffen en normen mee die in regionaal OSPAR-verband zijn overeengekomen.

De selectie van stoffen en de milieukwaliteitseisen voor de beoordeling zijn overgenomen uit het gecoördineerde monitoringprogramma van OSPAR (CEMP OSPAR, 2016). Sinds de laatste beoordeling (Intermediate Assessment OSPAR, 2017) is het aantal genormeerde en beoordeelde stoffen uitgebreid. Ze worden gemeten in sediment en/of biota. De stoffen en de bijbehorende beoordelingscriteria staan op het dataportaal van OSPAR voor het mariene milieu (DOME; beoordelingscriteria biota; beoordelingscriteria sediment). Het gaat om:

  • 6 metalen: cadmium, kwik, lood, chroom, koper en zink in biota en sediment

  • 7 PCB-congeneren: 28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 in biota en sediment

  • 11 PAK’s: anthraceen, benz[a]anthraceen, benzo[ghi]peryleen, benzo[a]pyreen, chryseen, fluorantheen, ideno[1,2,3-cd]pyreen, pyreen, phenanthreen, naftaleen, 1-hydroxypyrene in biota en of sediment

  • TBT: tributyltin in sediment

  • 9 gebromeerde vlamvertragers: polybrominated diphenylethers (PBDEs) BDE 28, BDE 47, BDE 66, BDE 99, BDE 100, BDE 153, BDE 154, BDE 183, BDE 209 in biota en of sediment.

OSPAR beoordeelt de huidige toestand over het algemeen op basis van de laatste zes meetjaren, in deze actualisering de periode 2015-2020.

OSPAR heeft van de beoordeelde stoffen ook de trends geanalyseerd op basis van álle beschikbare meetjaren, waarbij de meest recente metingen tussen 2015 en 2020 liggen.

De OSPAR-beoordeling strekt zich uit over een ruimer gebied dan de KRW-begrenzing, namelijk de hele Zuidelijke Noordzee, die ook de Waddenzee en Zeeuwse delta omvat. Zie voor een nadere toelichting op de beoordelingsmethodiek de beoordelingsmethode voor biota en beoordelingsmethode voor sediment.

Resultaten

Van de 34 stoffen voldoen er 6 niet aan de milieunorm: kwik, PCB 118, tributyltin, lood, chroom en zink (zie ook tabel 8.1 in de overkoepelende factsheet van D8). Met uitzondering van lood, chroom en zink zijn dit UPBT-stoffen. Van de meeste stoffen is de concentratie in de afgelopen jaren gelijk gebleven of gedaald.

De trendanalyse laat zien dat in de Zuidelijke Noordzee PAK-, PBDE- en PCB-concentraties in sediment en biota gelijk blijven of significant licht afnemen. De meest toxische PCB-congeneer (PCB 118) in biota overschrijdt als enige nog de milieunorm (zie figuur 8.1).

Concentraties tributyltin (TBT) in de bodem van de Zuidelijke Noordzee nemen af, maar zijn nog steeds circa 3,5 keer hoger dan de milieunorm. Op basis van de huidige trend met een daling van ongeveer 10 procent per jaar, wordt verwacht dat de TBT-niveaus in de zeebodem nog minimaal tien jaar boven de milieunorm zullen uitkomen.

Metalen worden regulier in biota gemonitord; toch heeft OSPAR vooralsnog alleen voor kwik een norm in dit compartiment vastgesteld. De concentratie kwik in biota blijkt in alle OSPAR-regio’s boven de norm te liggen. In sediment overschrijden kwik, chroom, zink, en lood de milieunorm, cadmium voldoet wel aan de norm (figuur 8.2). Gezien deze normoverschrijdingen kunnen negatieve effecten op mariene soorten niet worden uitgesloten.

Metaalconcentraties in sediment nemen sinds 2010 met ongeveer 3 procent per jaar significant licht af (figuur 8.2). In biota is juist een significante lichte toename te zien met ongeveer 2 procent per jaar, uitgezonderd lood en chroom, waarvan de concentraties vergelijkbaar zijn gebleven.

OSPAR heeft in samenwerking met ICES een tool ontwikkeld, waarmee beoordelingen van alle verontreinigende stoffen in water, sediment en biota inzichtelijk zijn gemaakt: de OSPAR Hazardous Substances Assessment Tool (https://dome.ices.dk/ohat/), zie ook figuur 8.3 in factsheet D8C2.

Kennishiaten en ontwikkelingen

In de afgelopen jaren heeft OSPAR het pakket stoffen dat is genormeerd en moet worden gemonitord aanzienlijk uitgebreid. Naast de vastgestelde ‘verplichte’ stoffen hanteert OSPAR een uitgebreide lijst van stoffen die veel landen, waaronder Nederland, aanvullend monitoren. Deze stoffen staan op de zogenoemde pre-CEMP-lijst. PFOS bijvoorbeeld wordt niet alleen voor de KRW getoetst, maar staat ook op deze lijst.

Ook het aantal voor de KRW te toetsen prioritaire stoffen is uitgebreid, naar aanleiding van de herziening van de Richtlijn Prioritaire Stoffen 2013/39/EU. Voor een aantal stoffen zijn de milieunormen strenger geworden. Het aantal specifieke verontreinigende stoffen is juist sterk afgenomen. In alle gevallen gaat het om stoffen waarvan de waargenomen concentraties (ver) onder de norm bleken te liggen.

De doorgaande ontwikkeling van de analysetechnieken maakt het mogelijk om stoffen en hun concentraties steeds beter te detecteren en meten, en daarmee vast te stellen of ze de gestelde normen overschrijden.

De monitoring van verontreinigende stoffen is hoofdzakelijk gericht op stoffen waarvan bekend is dat ze invloed kunnen hebben op het mariene milieu. Toch is het aantal gemonitorde stoffen beperkt ten opzichte van het geheel aan vreemde stoffen die in het milieu voorkomen. Om een goed beeld te krijgen van de nu nog onbekende stoffen die in het mariene milieu aanwezig zijn, is OSPAR het project CONNECT gestart, dat zich richt op non-target screening. Non-target screening is een geavanceerde methodiek die een integrale analyse mogelijk maakt en zicht biedt op de aanwezigheid van probleemstoffen, waaronder eventuele opkomende stoffen (opkomende stoffen zijn stoffen die in het (water)milieu terecht kunnen komen, maar nog niet zijn genormeerd en waarvan ook nog niet precies bekend is of en in hoeverre ze schadelijk voor de gezondheid of leefomgeving zijn). De Werkgroep Aanpak Opkomende Stoffen heeft ook een project opgezet dat zich richt op de ontwikkeling van non-target-screening.

In de komende jaren neemt het aantal windturbines op zee sterk toe. Er lopen verschillende studies naar verontreinigende stoffen die daardoor potentieel kunnen vrijkomen met impact op het mariene milieu. Eerste resultaten wijzen uit dat de uitstoot van zink, indium, lood en cadmium uit opofferingsmetalen bij windturbines geen schadelijke effecten hebben voor mens en milieu. Het gebruik van epoxycoatings kan mogelijk wel schadelijk zijn. Daarnaast is nog onduidelijk hoeveel plasticdeeltjes door slijtage van turbinebladen in de omgeving terechtkomen (RIVM, 2022). Voorafgaand aan de aanleg van windparken en kabels, en vóór de uitvoering van een zandwinning wordt de zeebodem gescand op de aanwezigheid van zogenaamde UXO’s (blindgangers WO2). Deze worden dan opgeruimd en tot ontploffing gebracht. De verwachting is dat de hoeveelheid op te ruimen UXO’s in de komende jaren zal stijgen. Het is nog onduidelijk in welke mate schadelijke stoffen die hierbij vrijkomen effecten kunnen hebben op het mariene milieu.

Het is niet bekend waardoor metaalconcentraties in sediment een trend vertonen die tegengesteld is aan de metaalconcentraties in biota. Mogelijk zijn de fysische omstandigheden veranderd, waardoor uit het sediment vrijgekomen metalen worden opgenomen door biota, maar ook kunnen onderzoektechnische factoren een rol spelen, zoals het trofische niveau, of de grootte en conditie van de geanalyseerde schelpdieren en vissen (OSPAR, 2023).

Voor de beoordeling van verontreinigingen in biota worden vooralsnog stoffen gemeten in vissen en schaal- en schelpdieren. OSPAR heeft ook een pilot-assessment uitgevoerd van PCB-concentraties in zeezoogdieren. Zeezoogdieren bevatten als toppredator en door hun relatief langere leven en hoge vetgehalte vaak hoge concentraties toxische stoffen, vooral PCB’s. De grote variabiliteit aan gegevens remt echter de verdere ontwikkeling van een indicator voor zeezoogdieren. Structureren en harmoniseren van de gegevensverzameling over verontreinigende stoffen is de belangrijkste stap om te komen tot een volwaardige indicator (OSPAR, 2022).

D8C2 Schadelijke effecten van verontreinigende stoffen

GMT (Art. 9)

De gezondheid van soorten (mariene slakken) in de Zuidelijke Noordzee wordt niet geschaad door verontreinigende stoffen (tributyltin) en voldoet aan de drempelwaarde van OSPAR.

Beoordeling (Art. 8)

Schadelijke effecten van TBT op mariene slakken zijn sterk verminderd. Het voortplantingsvermogen van zeeslakken in de Zuidelijke Noordzee is zodanig hersteld dat nu in dit opzicht aan de goede milieutoestand wordt voldaan.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Imposex in mariene slakken (OSPAR).

Vas deferens sequence Tritia reticulata, Buccinum undatum < 0,3, Nucella

lapillus < 2.

Stadium.

Zuidelijke Noordzee,

2015-2020 (A).

Toelichting indicator

De OSPAR-indicator ‘Imposex in mariene slakken’ wordt gebruikt om het effect van de verontreinigende stof tributyltin (TBT) op de gezondheid van mariene slakken in de Zuidelijke Noordzee te beoordelen. Na blootstelling aan tributyltin ontwikkelen sommige vrouwelijke zeeslakken mannelijke geslachtsorganen. Dit verschijnsel heet imposex. Zie voor een nadere toelichting op de indicator, de beoordelingsmethode voor imposex. Voor de bepaling van de huidige toestand zijn data uit 2015-2020 gebruikt, voor de trendanalyse was dit 1993-2020.

Resultaten

Het wereldwijd uitbannen van TBT sinds 2003 heeft een duidelijk positief effect gehad, gezien de sterke en significante afname van imposex sinds 2010 in alle regio’s en subregio’s van OSPAR (zie figuur 8.3). Het voortplantingsvermogen van zeeslakken in de Zuidelijke Noordzee is zodanig hersteld dat nu in dit opzicht aan de goede milieutoestand wordt voldaan. Deze conclusie wordt ondersteund door onder meer de terugkeer van de inheemse purperslak in de Zeeuwse delta (CBS, 2022).

OSPAR heeft in samenwerking met ICES een tool ontwikkeld, waarmee beoordelingen van alle verontreinigende stoffen in water, sediment en biota inzichtelijk zijn gemaakt: de OSPAR Hazardous Substances Assessment Tool (​https://dome.ices.dk/ohat/). Figuur 8.3 toont een uitsnede met de beoordelingen en trends van imposex per meetlocatie in de OSPAR-regio. Deze laat onder meer zien dat op alle Nederlandse meetlocaties aan de milieunorm wordt voldaan, en de Zeeuwse locaties zelfs onder achtergrondniveau scoren. Vergelijking tussen locaties is overigens niet helemaal mogelijk omdat de geanalyseerde soorten – en daarmee de gevoeligheid voor TBT – kunnen verschillen. Zo zijn in Nederland de gevlochten fuikhoren langs de Hollandse kust en purperslak langs de Zeeuwse kust geanalyseerd.

Ook in de gehele Internationale Noordzee is een duidelijke verbetering zichtbaar, hoewel de toestand bij 23 procent van de stations nog niet voldoet aan de milieunorm (zie figuur 8.4).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De OSPAR-indicator ‘Imposex in mariene slakken’ is al geruime tijd in gebruik om effecten van TBT te kunnen volgen. Aanvankelijk zijn in de kustwateren van de gehele OSPAR-regio overduidelijk verschijnselen van imposex gevonden. Na de uitbanning van TBT zijn die effecten op de huidige meetlocaties niet of veel minder aantoonbaar, wat de vraag oproept of de huidige intensieve monitoring nog noodzakelijk is. Dit is een onderwerp voor evaluatie, omdat TBT in sediment nog steeds de milieunorm overschrijdt (zie D8C1), en de stof naar verwachting nog geruime tijd vanuit het sediment zal worden nageleverd. Ook zijn er nog hotspots, vooral nabij havens en op vaarroutes. De evaluatie van de monitoring zal onderdeel worden van de Mariene Strategie deel 2 (2026).

Onder het secundaire criterium D8C2 zijn in principe alle soorten en habitats gevat die als gevolg van verontreinigende stoffen gevaar lopen. Het zou daarom wenselijk zijn om ook over indicatoren te beschikken die inzicht geven in effecten van andere stoffen dan alleen TBT op een breed spectrum van soorten en habitats. Sommige landen zetten onder dit criterium dan ook indicatoren in zoals bio-assays en visziekten (Tornero et al. 2021). Ook wordt in diverse soorten de ophoping van verontreinigende stoffen (bioaccumulatie) gevolgd. Zo heeft OSPAR een pilot-beoordeling van PCB’s in bruinvissen uitgevoerd (Pinzone et al. 2022). Toch kunnen deze indicatoren meestal geen direct verband aantonen tussen verontreinigingen en de effecten ervan, zoals de imposex-indicator wel doet. Totdat ook andere geschikte indicatoren beschikbaar komen, zet Nederland zich vooral in om de ontwikkelingen van stoffen in het milieu te blijven monitoren en maatregelen te treffen om verontreinigingen in het milieu te voorkomen.

D8C3 Incidentele ernstige verontreinigingen

GMT (Art. 9)

Incidentele ernstige verontreinigingen in het Nederlandse deel van de Noordzee zijn tot een minimum beperkt.

Beoordeling (Art. 8)

In de afgelopen planperiode hebben zich geen incidentele ernstige verontreinigingen met olie voorgedaan.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Registratie incidentele ernstige verontreinigingen (nationaal).

n.v.t.

m3

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Verontreinigingen met olie en olieachtige stoffen (Bonn Overeenkomst).

n.v.t.

m3

Nederlandse deel van de Noordzee, 2016-2021 (D).

Toelichting indicator

Onder criterium D8C3 vraagt de KRM een schatting te doen van de totale ruimtelijke omvang, spreiding en duur van eventuele significant ernstige verontreinigingen. Om aan die vraag te kunnen voldoen is om te beginnen overeenstemming nodig over wat ‘significant ernstig’ is. Nederland heeft in de Bonn Overeenkomst van 2001 samen met andere Noordzeelanden weliswaar afspraken gemaakt over de opsporing en opruiming van verontreinigingen met olie en olieachtige verbindingen (https://www.bonnagreement.org/), maar tot nu toe zijn internationaal nog geen grenswaarden vastgesteld waarmee verontreinigingen als ‘significant ernstig’ kunnen worden bestempeld. Nederland classificeert voor de beoordeling van de huidige toestand incidenten met een geschat volume > 5 m3 als potentieel significante verontreiniging. Deze grenswaarde komt overeen met het niveau waarboven bestrijdingsmaatregelen worden getroffen. Op basis van specifieke informatie zoals stofeigenschappen, locatie en ondernomen maatregelen is vervolgens bepaald of een incident daadwerkelijk als significant ernstig moet worden beschouwd.

De Nederlandse Kustwacht voert jaarlijks circa 1.250 uur monitoringvluchten uit met een speciaal vliegtuig dat is uitgerust met surfaceradar voor het in kaart brengen van het scheepvaartverkeer en met remote-sensingapparatuur voor het opsporen van verontreinigingen van het wateroppervlak.

Omwille van het zo goed en efficiënt mogelijk opsporen, identificeren en opruimen van verontreinigingen werkt de Kustwacht met zijn vliegprogramma nauw samen met CleanSeaNet-service (CSN) van de European Maritime Safety Agency (EMSA). Deze organisatie scant sinds 2007 met een satellietwaarnemingsnetwerk het zeeoppervlak op verontreinigingen en alarmeert landen als een potentiële verontreiniging is gedetecteerd.

Resultaten

In de jaren 2016-2021 heeft Rijkswaterstaat in totaal 1.126 meldingen geregistreerd. Dit betreft voor het merendeel verontreinigingen van minder dan 1 m3. De meldingen van verontreinigingen met een geschat volume groter dan 1 m3 zijn opgenomen in tabel 8.3.

In de registratie worden verontreinigingvolumes kleiner dan 1 m3 aangeduid met categorie 1 of 2, een geschatte omvang tussen de 1 en 10 m3 als categorie 3, en tussen de 10 en 100 m3 als categorie 4. Incidenten met een volume > 100 m3 (categorie 5) hebben zich niet voorgedaan.

Tabel 8.3. Waargenomen olievlekken > 1 m3 in het Nederlandse deel van de Noordzee in de periode 2016-2021 (bron: Rijkswaterstaat).

Datum

Schatting volume (m3)

Categorie

05‑04‑2016

4.1

3

13‑03‑2017

1.2

3

06‑01‑2018

1.8

3

14‑03‑2018

2.2

3

15‑06‑2018

4.4

3

28‑03‑2019

18.1

4

02‑05‑2019

1.9

3

In de periode 2016-2021 heeft zich één incident voorgedaan met een volume > 5 m3 (de grenswaarde die Nederland hanteert voor het begrip ‘significant ernstig’). Het betrof eind maart 2019 een melding van EMSA aan de Nederlandse Kustwacht dat een satelliet ongeveer 17 zeemijl uit de kust een olievlek had waargenomen (CleanSeaNet alert report). De Kustwacht heeft met een verificatievlucht de melding bevestigd, waarna in vijf dagen tijd de verontreiniging door een oliebestrijdingsvaartuig is opgeruimd. Tijdens deze activiteit zijn geen besmeurde vogels of andere getroffen organismen waargenomen. Evenmin zijn na het incident met olie besmeurde vogels op de stranden aangespoeld. Aangenomen mag worden dat de lozing uiteindelijk geen significant effect op het mariene milieu heeft gehad. Ondanks uitgebreid onderzoek naar de herkomst van de olie is de oorzaak van het incident niet achterhaald.

Het aantal incidenten met olieverontreiniging als gevolg neemt al jaren af en ze komen nu bijna niet meer voor. Deze conclusie wordt ondersteund door het gegeven dat er vrijwel geen met olie besmeurde vogels meer op stranden aanspoelen (Camphuysen, 2022).

Voor meer informatie over incidenten in de Internationale Noordzee wordt verwezen naar de uitgebreide rapportages van de Bonn Overeenkomst (2021), waar ook Nederland jaarlijks aan rapporteert.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Nederland zet in op regionale samenwerking voor incidentenbestrijding via de Bonn Overeenkomst en op nationaal, regionaal en internationaal verband (via IMO) voor het behoud en waar nodig verbeteren van scheepvaartveiligheid. In de Bonn Overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over het opsporen, rapporteren en bestrijden van verontreinigingen met olie en olieachtige verbindingen. Een drempelwaarde waarboven gesproken wordt van ‘significant’ ernstige verontreinigingen ontbreekt echter nog. Onder meer het EMSA, het Expert Network on Contaminants, Joint Research Centre en de Regionale Zeeconventies werken samen aan de besluitvorming hierover. Naar verwachting zijn bij de volgende actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 (2030) afspraken vastgelegd. De genoemde organisaties en instellingen buigen zich de komende tijd ook over de vraag of en hoe incidenten met andere chemische verontreinigingen dan olie zijn te monitoren en bestrijden.

In relatie met de uitrol van windenergie op zee is RWS in 2020 gestart met het monitorings- en onderzoeksprogramma ‘Scheepvaartveiligheid in relatie tot windenergie op zee’ (MOSWOZ). Binnen dit programma worden verschillende thema’s onderzocht, waaronder noodsleephulp nabij windparken door de inzet van Emergency Rescue and Towing Vessels (ERTV’s). Het programma leidt ook tot inzet van nieuwe maatregelen. Zo wordt bij de Kustwacht extra personeel ingezet om schepen nabij windparken te monitoren. Het programma draagt bij aan een veiligere zeescheepvaart en het daarmee voorkomen van incidenten. Daarnaast is het Uitvoeringskader Bestrijding Kustverontreiniging Rijkswaterstaat (UBKR) uitgebreid naar aanleiding van de MSC ramp in 2019. De uitbreiding betreft assistentie bij het opruimen van macro en micro (plastic) vervuiling veroorzaakt door incidenten op zee. Gemeenten kunnen een beroep doen op Rijkswaterstaat wanneer de verontreiniging meer dan 10 m3 bedraagt.

Bronnen

Bonn Agreement (2021) Annual Report on Aerial Surveillance. jaarrapporten

Camphuysen C.J. (2022). Beached bird surveys in The Netherlands, autumn 2021 and winter 2021/22. NIOZ Report, RWS

Centrale Informatievoorziening BM 22.18. Royal Netherlands Institute for Sea Research, Texel.

CBS (2022). Purperslak verder toegenomen in Zeeuwse wateren. ​https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/08/purperslak-verder-toegenomen-in-zeeuwse-wateren

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2022). Stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027. Bijlage Nationaal Water programma 2022-2027.

OSPAR (2022). OSPAR Hazardous Substances Assessment Tool (OHAT) ​https://dome.ices.dk/ohat/

OSPAR (2023). Quality Status Report 2023.

Pinzone, M., Authier, M., Brownlow, A., Caurant, F., Das, K., Deaville, R., Galatius, A., Geelhoed, S., Gilles, A., Heuvel–Greve, M. van den., Hernández Sánchez, M.T., Mendez‐Fernandez, P., Murphy, S., Parmentier, K., Persson, S., Roos, A., Siebert, U., Vinas, L., & Williams, R. 2022. Pilot Assessment of Status and Trends of Persistent Chemicals in Marine Mammals. ​https://oap.ospar.org/en/ospar-assessments/quality-status-reports/qsr-2023/indicator-assessments/pcb-marine-mammals-pilot

RIVM (2022). Beoordeling mogelijke risico’s van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee. RIVM-briefrapport 2022-0241.

Tornero, V., Boschetti, S., & Hanke, G., Marine Strategy Framework Directive, Review and analysis of Member States’ 2018 reports - Descriptor 8: Contaminants in the environment - Descriptor 9: Contaminants in seafood. EUR 30659 EN, Publications Office of the European Union, Luxembourg, 2021, ISBN 978‑92‑76-34085-0, doi:10.2760/621757, JRC124588.

D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten

GMT (Art. 9)

Descriptor D9: Verontreinigende stoffen in visserijproducten overschrijden niet de grenzen die in EU- wetgeving voor menselijke consumptie zijn vastgesteld.

Criterium D9C1: Concentraties verontreinigende stoffen in visserijproducten (visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren) die in Nederland zijn aangeland, voldoen aan de maximumgehalten die in Verordening (EG) Nr. 1881/2006 zijn vastgelegd.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Concentraties van dioxines, PCB’s, PAK’s en metalen (cadmium, lood, kwik) in visserijproducten.

(Verordening 1881/2006/EG).

Maximumgehalten aan verontreinigingen in levensmiddelen cf. Verordening 1881/2006/EG.

Concentraties van stoffen in weefsels van soorten, cf. Bijlage bij Verordening 1881/2006/EG.

FAO-gebied 27,

2016-2021 (A).

Beoordeling (Art. 8)

De verontreinigingsniveaus in visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren liggen onder de drempelwaarden. De goede milieutoestand is daarmee behouden.

Milieudoelen (Art. 10)

Voor D9 gelden geen specifieke milieudoelen. Milieudoelen voor D8 Verontreinigende stoffen dragen ook bij aan (het behoud van) de goede milieutoestand van D9.

Inleiding

De KRM is een paraplu voor Europese regelgeving met betrekking tot het mariene milieu. Voor descriptor D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten, moet worden voldaan aan de drempelwaarden uit Verordening 1881/2006. De KRM-terminologie spreekt weliswaar over de ‘(goede) milieutoestand’, maar de verordening en de bijbehorende monitoring zijn hier niet op gericht. Verordening 1881/2006 bepaalt dat visserijproducten die niet aan de norm voldoen uit de handel moeten worden gehaald. De monitoring van verontreinigende stoffen in vis en visserijproducten is vooral bedoeld om potentiële overschrijdingen te kunnen signaleren. Dit is anders dan bij D8, waarvan de monitoring en beoordeling wél op de milieutoestand zijn gericht.

Beoordeling

De verontreinigingsniveaus in de levensmiddelen visvlees, schaaldieren (garnalen, krab en kreeft) en tweekleppige weekdieren (mosselen) voldoen in tenminste 90 procent van de onderzochte visserijproducten aan de door de EU vastgestelde maximumgehalten. Hiermee is de goede milieutoestand behouden (zie tabel 9.1).

In vier visserijproducten is een overschrijding van de Europees vastgestelde maximumgehalten gesignaleerd. Eén van die producten is zeebaars. In twee monsters overschreed de hoeveelheid kwik het maximumgehalte voor consumptie. In een monster van krab is ook te veel kwik vastgesteld en in een monster van garnalen was de loodconcentratie te hoog. Verder voldeden alle onderzochte visserijproducten aan de Europees vastgestelde maximumgehalten.

Toelichting indicator

Voor D9 worden concentraties verontreinigende stoffen in visserijproducten getoetst aan de maximumgehalten die hiervoor vanuit voedselveiligheidsoogpunt zijn vastgelegd in Verordening (EG) Nr. 1881/200660. Bij de beoordeling is uitgegaan van de meetjaren 2016 tot en met 2021, met als toets de normering van 1 juli 2022. Daarbij zijn alleen stoffen meegenomen waarvoor maximumgehalten gelden. Verder zijn alleen in het wild gevangen visserijproducten uit de zoute wateren beschouwd; kweekvis en producten uit de zoete wateren tellen voor KRM-doeleinden niet mee.

Elk jaar zijn de gehalten van contaminanten onderzocht in een variërend aantal (15 tot 18) monsters visserijproducten. Elk monster is genomen uit een verzameling per soort vis, schaal- of schelpdieren, deels vanuit de zone dicht bij de kust, deels uit het pelagische gedeelte van de Noordzee. Voor de KRM is vastgelegd dat de te beoordelen visserijproducten afkomstig moeten zijn uit FAO-gebied 27 (zie figuur 9.1). De vangstlocaties van de door Wageningen Food Safety Research (WFSR) onderzochte visserijproducten (zie figuur 9.2) liggen binnen dit gebied.

Visserijproducten worden onderzocht op een groot scala aan verontreinigingen. Alleen voor kwik, lood, cadmium, som dioxines, som van dioxines en dioxineachtige PCB’s, som PCB’s, som PAK’s en voor benzo(a)pyreen zijn maximumgehalten vastgesteld. Tabel 9.2 geeft weer welke maximumgehalten in Verordening 1881/2006/EG zijn vastgelegd voor de onder levensmiddelen vallende specifieke visserijproducten.

Om de beschikbare data uit de monitoring voor voedselveiligheidsdoeleinden zo goed mogelijk bruikbaar te maken voor de KRM, telt voor D9 de beoordeling op het niveau van productcategorieën, dus visvlees, schaaldieren en tweekleppige weekdieren. Per verontreinigende stof en soort is nagegaan of de gemeten gehalten voldoen aan de drempelwaarde. Bij de uiteindelijke beoordeling geldt per stof het aantal overschrijdingen van die drempelwaarde in de gehele productcategorie. Tenminste 90 procent van de monsters binnen een productcategorie moet per stof voldoen aan de door de EU vastgestelde maximumgehalten. Vervolgens moeten álle onderzochte stoffen binnen de drie productcategorieën boven de 90-procentgrens scoren om voor D9 aan de goede milieutoestand te voldoen.

Tabel 9.2. Maximumgehalten voor levensmiddelen conform Verordening 1881/2006/EG, geldend d.d. 1 juli.

Contaminant

Levensmiddel

Maximumgehalten (mg/kg versgewicht)

Cadmium

Visvlees (spierweefsel).

0.05, 0.10, 0.15 of 0.25 (afhankelijk van het soort vis).

 

Tweekleppige weekdieren.

1

 

Tweekleppige weekdieren.

0.5

Lood

Visvlees (spierweefsel).

0.30

 

Tweekleppige weekdieren.

1.5

 

Schaaldieren (witvlees).0.30

0.5

Kwik

Visvlees (spierweefsel).

0.3, 0.5 of 1.0 (afhankelijk van het soort vis).

 

Tweekleppige weekdieren.

0.5

 

Schaaldieren (witvlees).

0.5

Som van dioxines (WHOPCDD/F-TEQ).

Visvlees (spierweefsel) en andere visserijproducten.

3.5 pg/g vers gewicht.

Som van dioxines en dioxineachtige PCBS (WHO-PCDD/F-PCB-TEQ).

Visvlees (spierweefsel) en andere visserijproducten.

6.5 pg/g vers gewicht.

PCB’s: Som van PCB28, PCB52, PCB101, PCB138, PCB153, en PCB180 (ICES – 6).

Visvlees (spierweefsel) en andere visserijproducten.

75 ng/g vers gewicht.

Benzo(a)pyreen

Tweekleppige weekdieren.

5 μg/kg vers gewicht.

4PAH: Som van benzo(a)pyreen, benzo(a)anthraceen, benzo(b)fluorantheen en chryseen.

Tweekleppige weekdieren.

30 μg/kg vers gewicht.

Resultaten

In de periode 2016-2021 zijn 94 visserijproducten onderzocht en getoetst. Tabel 9.3 geeft weer in welke visserijproducten een overschrijding van de maximumgehalten is vastgesteld. In twee monsters van zeebaars en in één monster van krab was het kwikgehalte te hoog.

In garnalen is in één monster te veel lood aangetroffen. Verder voldeden alle 90 producten aan de maximumgehalten.

Soorten

Productgroep

Aantal monsters (2016-2021)

Overschrijding maximumgehalten

Bot

Visvlees

3

Geen

Haring

Visvlees

6

Geen

Heek

Visvlees

5

Geen

Kabeljauw

Visvlees

1

Geen

Makreel

Visvlees

4

Geen

Schar

Visvlees

13

Geen

Schelvis

Visvlees

6

Geen

Schol

Visvlees

16

Geen

Tarbot

Visvlees

1

Geen

Tong

Visvlees

9

Geen

Wijting

Visvlees

5

Geen

Zeebaars

Visvlees

4

kwik (2)

Garnaal

Schaaldieren

9

Lood (1)

Krab

Schaaldieren

6

Kwik (1)

Kreeft

Schaaldieren

1

Geen

Mosselen

Tweekleppige-weekdieren

5

Geen

Op basis van deze gegevens is voor de productgroepen visvlees, schaaldieren (garnalen, krab en kreeft) en tweekleppige weekdieren (mosselen) het percentage visserijproducten dat voldoet per stof berekend. Voor alle getoetste stoffen ligt dit percentage boven de drempelwaarde van 90 procent.

De KRM vraagt om uiteindelijk voor D9 het aandeel stoffen dat voldoet weer te geven. Voor elke stof voldoet tenminste 90 procent van de monsters per productgroep. Hiermee is de goede milieutoestand voor D9 behouden.

Kennishiaten en ontwikkelingen

Nederland meet – aanvullend op de stoffen waarvoor in juli 2022 maximumgehalten zijn vastgesteld – een groot aantal andere verontreinigende stoffen, waaronder gebromeerde vlamvertragers zoals polybroom difenylethers (PBDE’s) en hexabroomcyclododecanen (HBCDD’s), perfluoralkylstoffen (PFAS) en organochloorpesticiden (OCP’s).

PBDE’s en HBCDD’s zijn stoffen die ook door de European Food Safety Authority zijn gesignaleerd. Voor PFAS zijn inmiddels normen vastgesteld. Omdat deze nog niet van toepassing waren voor de in deze factsheet beoordeelde periode, wordt PFAS pas vanaf de volgende assessmentperiode meegenomen in de beoordeling van D9.

Nederland hanteert voor D9 het uitgangspunt dat voor het behalen en behouden van de goede milieutoestand ten minste 90 procent van de visserijproducten per productcategorie voldoet aan de gestelde normen voor de gehalten aan verontreinigende stoffen. Ofwel, dat in minimaal 90 procent van de monsters behorende tot een productcategorie, de gemeten waarde van elke stof onder het vastgestelde maximum ligt.

Over dit percentage zijn nog geen internationale afspraken gemaakt en de EU-landen gaan dan ook verschillend om met de beoordeling van D9.

Nederland is voorstander van een Europees geaccepteerd niveau voor het aantal overschrijdingen, overeenkomstig de aanbevelingen in de leidraad voor het uitvoeren van KRM-beoordelingen (European Commission, 2022).

Bronnen

European Commission (2022). MSFD CIS Guidance Document No. 19, Article 8 MSFD, May 2022.

Tornero, V., Boschetti, S., & Hanke, G. (2021). ​Marine Strategy Framework Directive, Review and analysis of Member States’ 2018 reports: Descriptor 8 Contaminants in the environment, Descriptor 9 Contaminants in seafood, EUR 30659 EN, JRC124588. Publications Office of the European Union, Luxembourg.

D10 Zwerfafval

GMT (Art. 9)

Zwerfafval op zee veroorzaakt geen schade aan het mariene en kustmilieu.

Beoordeling (Art. 8)

De hoeveelheid zwerfafval in het mariene milieu neemt nog steeds af. Desondanks is de goede milieutoestand nog niet bereikt.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn gericht op het fors terugdringen van zwerfafval afkomstig van bronnen van zee en land. Een belangrijke basis voor de milieudoelen zijn de regionale doelen voor marien zwerfafval die zijn opgenomen in de OSPAR North-East Atlantic Environment Strategy 2020- 2030 (NEAES) voor het bereiken van schone zeeën.

Inleiding

Nederland en de andere OSPAR-landen hebben zich tot doel gesteld de hoeveelheid zwerfafval in de OSPAR-zeeregio sterk terug te dringen tot het niveau waar het geen schade toebrengt aan het milieu langs de kust en in zee.

De KRM onderscheidt twee primaire criteria voor de beoordeling van de verspreiding van afval in het mariene milieu: D10C1 Afval ( > 5mm) en D10C2 Microafval in sediment ( < 5mm). Een derde criterium D10C3 gaat over zwerfafval dat door dieren wordt opgenomen.

De uitwerking van deze criteria loopt uiteen: de monitoring (en kennis) van afval op de zeebodem (D10C1) en van microplastics in het gehele mariene milieu (D10C2) kent nog grote beperkingen, of moet zelfs nog op gang komen. Over de hoeveelheid zwerfafval op stranden, dat valt onder D10C1 en over ingeslikt zwerfafval in de magen van noordse stormvogel (D10C3), is echter al veel kennis vergaard. Zo geeft de samenstelling van afval dat op stranden wordt gemonitord een goed inzicht in de bronnen, de omvang van het probleem en van de mate waarin het afval een bedreiging vormt voor het mariene milieu. Trends in de hoeveelheid afval en de samenstelling ervan geven een indicatie van het effect van genomen maatregelen en eventuele aanvullende maatregelen die nodig zijn.

Beoordeling

Deze beoordeling is gebaseerd op de toestand van zwerfafval op het strand (D10C1) en op afval dat is aangetroffen in magen van noordse stormvogels (D10C3) (zie tabel 10.1). In de Internationale Noordzee en in het Nederlandse deel hiervan is een significante afname van zowel strandafval als plastics in magen van noordse stormvogels zichtbaar. Desondanks is de goede milieutoestand met betrekking tot zwerfafval nog niet binnen handbereik. Het is nog niet mogelijk om de toestand van microafval (D10C2) en van afval op de zeebodem (D10C1) te toetsen. De beschikbare gegevens bieden geen positief beeld. In de gehele OSPAR-regio komt zwerfafval in grote hoeveelheden voor. Hoewel de samenstelling per regio verschilt, worden zowel op de stranden als op de zeebodem voornamelijk visserijgerelateerd afval en wegwerpplastics aangetroffen.

Tabel 10.1. Beoordeling van D10, gebaseerd op de toestand van zwerfafval op het strand (D10C1) en op afval dat is aangetroffen in magen van noordse stormvogels (D10C3). Rood = voldoet niet, grijs = nog geen beoordeling, n.v.t. = niet van toepassing. ↑ = verbetering ten opzichte van de voorgaande planperiode.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

In de Internationale Noordzee en het Nederlandse deel hiervan is een significante afname zichtbaar van zowel strandafval als van plastics in magen van noordse stormvogels. Desondanks is de goede milieutoestand met betrekking tot zwerfafval nog niet bereikt.

Bronnen en plaatsen van herkomst van plastic zwerfvuil in zee zijn divers en diffuus. Een internationale aanpak is noodzakelijk, want de verspreiding van plastic zwerfvuil in zeeën en oceanen blijft niet beperkt tot nationale grenzen. Nederland werkt daarom in OSPAR-verband actief samen met andere landen in het Noordoost-Atlantische regio. Ook in andere internationale gremia, de International Maritime Organization (IMO), het UNEP Global Partnership on Marine Litter (GPML) en in UNEA-kader, wordt aan dit probleem gewerkt.

Milieudoelen en indicatoren

De geactualiseerde milieudoelen voor zwerfvuil in zee richten zich op het verder terugdringen van vervuiling afkomstig van bronnen van zee en land. Waar mogelijk zijn de milieudoelen kwantitatief gemaakt. Dit betreft vooral de milieudoelen voor stranden: hiervan zijn relatief veel monitoringdata voorhanden.

Een belangrijke basis voor de milieudoelen zijn de regionale doelen voor marien zwerfvuil die zijn opgenomen in de OSPAR North-East Atlantic Environment Strategy 2020- 2030 (NEAES) voor het bereiken van schone zeeën. Dit betekent een reductie van eenmalig gebruikt plastic en maritiem afval met ten minste 50 procent in 2025 en 75 procent in 2030 ten opzichte van 2015-2016 (milieudoel 10.1). Hier vallen bijvoorbeeld kleine plastic flessen (0,5 L) en ballonnen onder. Voor 2030 is dit doel ook specifiek gemaakt voor visserijgerelateerd afval, zoals pluis (10.2). Voor pellets (microplastics) is een significante afname ten doel gesteld (10.3). Niet alleen de hoeveelheid afval op de stranden moet verminderen, maar ook het drijvende afval (10.4) en afval op de zeebodem (10.8).

Milieudoelen 10.5 tot en met 10.9 zijn brongericht. De toevoer van afval vanuit de rivieren moet worden teruggebracht (10.5). Milieudoelen 10.6 en 10.7 richten zich op terugdringing van recreatief afval op stranden, specifiek op peuken en plastic voor eenmalig gebruik. Tot slot dient ook de toevoer van afval vanaf zee tot een minimum te worden beperkt (10.8), waarbij een specifiek milieudoel geldt voor lozing van paraffine (10.9).

Tabel 10.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

10.1

De hoeveelheid plastic voorwerpen voor eenmalig gebruik (waaronder kleine plastic flessen en doppen en ballonnen) en van maritiem gerelateerde plastic artikelen op Nederlandse stranden vermindert: in 2025 met ten minste 50% en in 2030 met ten minste 75%, ten opzichte van 2015/2016.

Dit milieudoel sluit aan op het operationele doel uit de OSPAR-strategie (NEAES 2030).

2025/2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022 (waaronder de aanpak van ballonnen), inclusief maatregelen op basis van de SUP-richtlijn.

Indien nodig aanvullende maatregelen op basis van een nieuw RAPML vanaf 2026 en de herziening van de SUP-richtlijn (2026).

10.2

In 2030 is de hoeveelheid pluis en ander visserijgerelateerd afval, in het bijzonder visnetsnijdsels, op stranden met 75% verminderd ten opzichte van 2015/2016.

2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek uitfasering vispluis.

Uitvoeringsagenda voor de visie op voedsel uit zee en grote wateren.

OSPAR RAPML 2022-2030.

Eventuele nodig aanvullende maatregelen op basis van de herziening van de SUP-richtlijn (2026) en nieuw OSPAR RAPML vanaf 2030.

10.3

In 2030 is de hoeveelheid pellets op stranden significant afgenomen ten opzichte van 2023/2024.

2030

Indicator D10C1 Strandafval.

Hoeveelheid pellets en mesoplastics op stranden.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek maatregelen RAPML t.a.v. pellets en het Beleidsprogramma Microplastics.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- EU-regelgeving voorkomen verlies pellets tijdens productie en transportproces (2024/2025);

- mogelijk specificeren van pellets als gevaarlijke stof via inzet IMO.

10.4

De hoeveelheid drijvend afval vermindert: het aantal noordse stormvogels met te veel plastic in de maag neemt significant af; tot minder dan 38% in 2030.

2030

Indicator D10C3: plastic in stormvogelmagen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek de SUP-richtlijn en RAPML.

IMO richtlijnen, o.a. MARPOL.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- EU-regelgeving voorkomen verlies pellets tijdens productie en transportproces (2024/2025);

- aangepaste vereisten van transport van pellets over zee via mogelijk toewijzing van pellets als gevaarlijke stof binnen IMO.

10.5

In 2030 is de hoeveelheid zwerfafval in stroomgebieden significant (of substantieel met een nader te bepalen percentage) afgenomen ten opzichte van 2024/2025.

2030

Zwerfafval in stroomgebieden met monitoring van macroafval op rivieroevers.

Bestaand maatregelenpakket uit MS3 2022, specifiek stroomgebiedsaanpak.

Bestaand nationaal zwerfafvalbeleid (waaronder de Zwerfafval Ophaal Regeling).

Indien nodig aanvullende maatregelen op basis, van de herziening van de SUP-richtlijn (2026) en nieuw OSPAR RAPML vanaf 2030.

10.6

In 2030 is de hoeveelheid peuken op stranden met 70% afgenomen ten opzichte van de periode 2018-2022.

2030

Verkorte OSPAR-metingen op recreatiestranden in strandseizoen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek aanpak Programma Schone Stranden.

Nationaal beleid rondom aanpak sigarettenfilters

in het milieu.

10.7

In 2030 is de aanwezigheid van plastic voorwerpen voor eenmalig gebruik op recreatieve stranden met ten minste 75% verminderd ten opzichte van de periode 2018-2022.

2030

Verkorte OSPAR-metingen op recreatiestranden in strandseizoen.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek aanpak Programma Schone Stranden en de SUP-richtlijn.

Nationale beleid rondom aanpak rondom zwerfvuil.

10.8

De hoeveelheid afval die vanuit maritieme bronnen op de zeebodem terechtkomt wordt tot een minimum beperkt.

Doorlopend

Indicatoren gericht op samenstelling zwerfafval:

- indicatoren D10C1 strandafval en zeebodem;

- informatie uit schoonmaakacties (FFL) en Haven Ontvangst Voorzieningen (HOV);

- eventueel bodemschaafmonitoring D6C5.

Maatregelen uit MS3 2022-2027, specifiek Fishing for Litter.

Eventueel aanvullende maatregelen:

- regionale samenwerking OSPAR en EU TGML;

- inzet binnen IMO voor aanscherping van internationale regelgeving.

10.9

Tot een minimum beperken van paraffinelozingen.

Doorlopend

Jaarlijks aantal meldingen RWS van gewenste assistentie bij opruimen van meer dan 5 m3 paraffine.

Door kustwacht gemelde milieuovertredingen Nederlandse deel van de Noordzee (locatie).

Hoeveelheden stukjes paraffine (mg) in vogelmagen (D10C3) en op het strand D10C1).

MS3-maatregelen, specifiek het paraffineconvenant en verbeterde voorwasprocedure voor het wassen van de geloste tanks in IMO-verband.

D10C1 Zwerfafval in het mariene milieu

GMT (Art. 9)

Het mariene milieu wordt niet geschaad door hoeveelheden zwerfafval en voldoet daartoe aan de Europese drempelwaarde voor strandafval in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Beoordeling (Art. 8)

De toestand op criteriumniveau is verbeterd, maar de goede milieutoestand is in het Nederlandse deel van de Noordzee nog niet bereikt.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Zwerfafval op het strand (OSPAR).

20 stuks afval/100m strandlengte (EU).

Aantal zwerfvuil-items (macroafval en identificeerbaar mesoafval) per 100m strandlengte.Nederlandse deel van de Noordzee, 2018-2020 (B).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2018-2020 (B).

[Zwerfafval op de zeebodem (OSPAR)].

[In ontwikkeling (EU)].

Percentage vistreks met zeebodemafval.

Internationale Noordzee, 2012-2019 (A).

Zwerfafval op het strand (OSPAR)
Toelichting indicator

De indicator D10C1 Zwerfafval op het strand wordt gebruikt in het gehele OSPAR-gebied. De indicator zegt iets over de hoeveelheid en samenstelling van strandafval. Het gaat daarbij vooral om afval dat op het strand aanspoelt en niet om wat op het strand wordt achtergelaten. Daarom richt de monitoring zich op niet-toeristische stranden. Op elke vaste meetlocatie verzamelen onderzoekers afval over een strandlengte van 100 meter. Ze tellen de gevonden items en delen die in volgens een standaardlijst van afvalcategorieën. Zie OSPAR (2021) voor meer informatie over deze indicator.

In de Internationale Noordzee zijn op 33 stranden vaste monitoringlocaties. Vier daarvan liggen op Nederlandse stranden: Veere, Noordwijk, Bergen en Terschelling. Deze vier stranden zijn gelijkmatig verdeeld over de Nederlandse Noordzeekustlijn. Sinds 2001 wordt elk strand vier keer per jaar gemonitord.

Ook bij de beoordeling van de huidige toestand en de trendanalyse werkt Nederland volgens de OSPAR-methode. Daarbij worden alleen de vier vaste strandlocaties beschouwd. De actuele toestand is beoordeeld op basis van de meetjaren 2018 tot en met 2020 en met de mediaan als maat voor het gemiddelde. Ook de trendanalyse is mediaan-gebaseerd (Theil-Sen-methode) en beslaat de jaren 2015 tot en met 2020. Op Europees niveau is als drempelwaarde 20 stuks zwerfafval per 100 meter strandlengte vastgesteld. De samenstelling van het afval speelt bij het toetsen aan de drempelwaarde geen rol, maar wordt wel gemonitord en gerapporteerd. Inzicht in de samenstelling en hoeveelheden per afvalcategorie is immers relevant voor het kunnen traceren van bronnen en om gericht maatregelen te kunnen nemen.

Resultaten

Op stranden in de gehele OSPAR-regio wordt zwerfafval in grote hoeveelheden aangetroffen. Ongeveer 93 procent daarvan is plastic. Door de heersende zeestromingen, de ligging van de kustlijnen en de variatie in land- en zeebronnen is het afval niet gelijkmatig over de kusten verdeeld. In de Internationale Noordzee liggen de grootste hoeveelheden op stranden aan het Skagerrak (zie figuur 10.1). Dit afval is grotendeels afkomstig uit het hele (internationale) Noordzeegebied. De samenstelling van het afval verschilt per regio, maar overal vormen single-use plastics (SUP) en visserijgerelateerd afval (FISH, bijvoorbeeld vispluis) het grootste bestanddeel.

Figuur 10.1. Hoeveelheden afval op stranden in de OSPAR-regio (mediane waarden van het totaal aantal gevonden stuks afval per 100 meter strand in de periode 2018 tot en met 2020; OSPAR, 2023).

In de Internationale Noordzee is in de periode 2015-2020 een gestage, maar significante afname zichtbaar van 9 stuks afval per 100 meter per jaar. In het Nederlandse deel van de Noordzee bedraagt die daling 17 stuks afval per 100 meter per jaar (tabel 10.3). Voor de fractie SUP bedraagt de daling 4 stuks afval per 100 meter, zowel in de Internationale als de Nederlandse Noordzee; voor de fractie FISH is de afname respectievelijk 2 en 7 stuks afval per 100 meter. De afname van de hoeveelheid strandafval, die over de voorgaande beleidsperiode (2010-2015) was vastgesteld, zet dus door. Toch is de drempelwaarde van 20 stuks per 100 meter verre van bereikt: in de periode 2018-2020 zijn gemiddeld 129 stuks afval per 100 meter op de Nederlandse stranden aangetroffen (mediane waarden). Op het niveau van de Internationale Noordzee zijn dit zelfs 205 stuks afval per 100 meter.

Tabel 10.3. Samenstelling van het zwerfafval op Nederlandse stranden (NL) en stranden van de Internationale Noordzee (GNS: Greater North Sea) in de periode 2018-2020. Van de meest voorkomende stukken afval en van het totale aantal zijn ook de trends weergegeven, deze zijn alle significant. De trendanalyses beslaan de periode 2015-2020.

Zwerfafvalcategorie

NL

Toestand (Mediaan/100m

NL

Trend

(aantal/jaar)

GNS

Toestand

(Mediaan/100m)

GNS

Trend

(aantal/jaar)

Meest gevonden en overig

Totaal

129

-17.0

205

-9

Plastic

113

-17.8

161

-8

Rubber

4

 

3

 

Hout

3

 

3

 

Glas/keramiek

2

 

2

 

Metaal

1

 

2

 

Papier

1

 

1

 

Textiel

0

 

1

 

Single Use Plastics (SUP)

29

-3.9

37

-4

FISH (Visserijgerelateerd)

66

-7.4

40

-2

Overig

37

-6.0

79

 

Figuur 10.2. Trendplot voor alle Nederlandse strandsurveys gecombineerd (exclusief mesoplasticfragmenten) voor de periode 2015-2020. De dalende trend is statistisch significant (p < 0,05).

Een vergelijkbaar beeld is zichtbaar bij afzonderlijke afvalitems: zeven van de tien meest voorkomende soorten afval op Nederlandse stranden nemen significant af (zie tabel 10.4). Alleen het aantal kleine visnetten (stukken van visnetten en snijdsels) is toegenomen. Plastic draad wordt verreweg het meest gevonden. Grotendeels is dit vispluis (plastic materiaal dat visnetten beschermt tegen slijtage).

Tabel 10.4. Toestand (meetperiode 2018-2020) top 10-afvalitems en trend (2015-2020) aan de Nederlandse kust. Significante trends (p < 0.05, grotendeels afnemend) zijn vet gedrukt.

Ranking

Zwerfafval items [OSPAR-100-ID]

Mediaan

/ 100 m

Trend

(aantal/jaar)

1

Plastic: touwtjes/draadjes (voornamelijk vispluis)

53

-7.9

2

Plastic: groot 2.5 < > 50cm.

11

-0.7

3

Plastic: snoep-, snack- en chipsverpakkingen

6

-0.2

4

Plastic: netsnijdsels/kleine stukken visnet

6

0.7

5

Plastic: doppen

5

-0.9

6

Plastic: kluwen draadjes

4

-0.9

7

Plastic: purschuim

3

-0.8

8

Rubber: ballonnen

3

-0.8

9

Plastic: industriële verpakkingen

2

-1.3

10

Plastic: kleine zakken

2

-0.4

Zwerfafval op de zeebodem (OSPAR)
Toelichting indicator

De indicator ‘zwerfafval op de zeebodem’ wordt gebruikt in het gehele OSPAR-gebied. De indicator geeft informatie over de aanwezigheid en samenstelling van afval op de zeebodem. Voor het inwinnen van data wordt meegelift met de International Bottom Trawl Survey (IBTS), een door ICES gecoördineerde vissurvey met een hoge dekkingsgraad. Na elke trek met het Grand Ouverture Verticale (GOV) vistuig worden gevonden items geteld en in categorieën ingedeeld. Het gewicht van de items speelt geen rol. De indicator gaat uit van de aan- of afwezigheid van afval in een vistrek, en berekent de vangkans (uitgedrukt in een percentage).

Voor meer informatie over de indicator, zie Barry et al. 2022).

Resultaten

In het afval is voornamelijk plastic draad (vooral vispluis) en andere plastics aangetroffen. Overige typen afval zijn textiel, bewerkt hout en blikjes. De analyse wijst uit dat in de Internationale Noordzee het aandeel vistreks waarin afval wordt aangetroffen van 2012 tot en met 2019 licht is toegenomen. In 2019 is de berekende kans dat in een vistrek afval wordt aangetroffen 75 procent (figuur 10.3). Vanwege de beperkingen van de gebruikte methodologie en resulterende data kunnen aan de resultaten echter geen harde conclusies worden verbonden; ze geven slechts een indicatief beeld (zie ook ‘Kennishiaten en ontwikkelingen’). Zo blijkt uit een recente Nederlandse analyse van bodemschaafgegevens dat de werkelijk op de zeebodem voorkomende hoeveelheden afval veel groter zijn dan met het GOV-visnet worden gevangen (Roos et al., 2023).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De monitoring en beoordeling van strandafval is Europees gestandaardiseerd, waardoor een goed beeld bestaat van de hoeveelheden en samenstelling van afval en de ontwikkelingen in tijd en ruimte. Toch zijn er nog verbeteringen en aanvullingen mogelijk. In OSPAR-verband wordt gewerkt aan de implementatie van de Europese Joint Litter List. In EU-verband is recent een nieuwe standaard monitoringmethode ontwikkeld voor pellets en mesoplastic fragmenten (0,5-2,5 cm) op het strand (TGML, 2023). Nederland heeft hier actief aan meegewerkt (zie ook Wenneker et al., 2021).

De monitoring en beoordeling van zeebodemafval is veel minder ver ontwikkeld. Aan de IBTS-vissurvey kleven nadelen doordat deze niet primair is opgezet voor de monitoring van afval. Naar schatting vangt het tuig maximaal 5 procent van het zeebodemafval (O’Donoghue en Van Hal, 2018). Een recente data-analyse van afval, verzameld met een bodemschaaf, komt zelfs op een nog lagere vangst-efficiency (Roos et al. 2023). Het vangstpercentage is bovendien niet overal gelijk, doordat – ondanks het geharmoniseerde ICES-protocol en internationale samenwerking – de telmethoden van Noordzeelanden nog van elkaar kunnen verschillen. Nederland zoekt actief mee naar oplossingen voor de gesignaleerde knelpunten. Zo is in 2020 gestart met jaarlijkse metingen met de boomkor (Volwater en Van Hal, 2021/2022).

In Europees verband wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een drempelwaarde voor zeebodemafval. Vanwege voornoemde knelpunten zal Nederland de onderbouwing hiervoor kritisch volgen.

Voor de beoordeling van D10C1 Zwerfafval in het mariene milieu is minimaal monitoring op het strand nodig; monitoring van drijvend afval en afval op de zeebodem is optioneel (commissiebesluit 848/2017/EU stelt onder criterium D10C1: “…afval wordt gemonitord aan de kust en kan daarnaast worden gemonitord in de bovenlaag van de waterkolom en op de zeebodem”). De monitoring en beoordeling van strandafval is goed uitgewerkt. Gezien de huidige beperkingen aan de monitoring en beoordeling van afval op de zeebodem zijn deze uitkomsten slechts indicatief. OSPAR monitort drijvend afval niet direct. De monitoring van plastic in noordse stormvogels (zie D10C3) is wel indicatief voor drijvend afval (vooral mesoplastic in de vorm van fragmenten en pellets). Deze indicator meet afvalfragmenten die naar verwachting zijn gerelateerd aan de hoeveelheden drijvend macro-afval (Vighi et al., 2022). De indicator geeft echter geen beeld van de oppervlakte waarover drijvend afval voorkomt.

D10C2 Microafval in het mariene milieu

GMT (Art. 9)

De hoeveelheid microafval in het zeebodemsediment ligt op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het mariene milieu.

Beoordeling (Art. 8)

Nog niet mogelijk.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

[Microafval in zeebodemsediment (OSPAR, EU)].

In ontwikkeling (EU).

Hoeveelheid microafval (plastic en rubber) in aantal deeltjes

( > 100 μm) per kg droog sediment.

n.v.t.

Kennishiaten en ontwikkelingen

De aanwezigheid van microplastics in het mariene milieu wordt gezien als een belangrijk probleem vanwege een potentiële impact waarvan de aard en omvang nog niet kunnen worden aangetoond. Het is daarom nog niet mogelijk om de hoeveelheid microplastics in het mariene milieu te beoordelen. Op Europees niveau is de laatste jaren dan ook veel gedaan om betrouwbare bemonsterings- en analysemethodieken te ontwikkelen die de aanwezigheid van microplastics in kaart brengen.

Criterium D10C2 richt zich op de hoeveelheid en de ruimtelijke spreiding van deeltjes kleiner dan 5 mm, onderverdeeld in plastics en overige deeltjes afval (rubber). Commissiebesluit 848/2017/EU schrijft voor dat voor de beoordeling minimaal de bovenlaag van de waterkolom en de zeebodem worden gemonitord. OSPAR, waaronder Nederland, geeft prioriteit aan het monitoren van microplastic deeltjes in marien sediment, omdat de zeebodem een sink is voor microplastics in de waterkolom. De monitoring zou gericht moeten zijn op het aantal deeltjes (per eenheid sediment), de afmetingen en de vorm van de deeltjes en op de polymeertypen van kunststofdeeltjes.

Naar verwachting levert deze aanpak meer stabiele monitoringdata op dan monitoring van drijvende microplastics.

Ondanks tal van complicaties rond de analyse van microplastics zijn inmiddels belangrijke stappen gezet. In 2023 zijn de geüpdatete EU TGML guidelines gepubliceerd (Galgani et al., 2023). De OSPAR CEMP guidelines en de OSPAR common indicator voor microafval in marien sediment zijn in 2024 aangenomen. Na een voorbereidingsperiode van enkele jaren (Bauerlein et al., 2023) is Nederland recent gestart met de monitoring van microplastics in sediment. De methodiek is in 2023 ontwikkeld en in lijn gebracht met de TGML guidelines (Galgani et al., 2023) en OSPAR CEMP guidelines (2023) (Bakir en Van Loon, 2024). Vanaf 2025 komen gevalideerde monitoringdata voor microplastic deeltjes in de Noordzee kustzone en offshore beschikbaar. Van micro-plastics (1-5mm) op het strand zijn al langer data beschikbaar: sinds 2021 worden deze meegenomen in het meetnet voor strandafval (Wenneker et al., 2023; Van Loon et al., 2023).

D10C3 (Micro)afval in zeedieren

GMT (Art. 9)

De hoeveelheid door zeedieren opgenomen afval en microafval in de Zuidoostelijke Noordzee is niet schadelijk voor hun gezondheid, en voldoet daartoe aan de drempelwaarde van OSPAR voor noordse stormvogels.

Beoordeling (Art. 8)

De toestand op criteriumniveau is verder verbeterd, maar de goede milieutoestand is niet bereikt.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)Meeteenheid

Toelichting indicator

Noordse stormvogels zijn ‘echte’ zeevogels. Zij foerageren uitsluitend op het zeewateroppervlak en staan erom bekend dat ze daarbij ook regelmatig afval inslikken. De OSPAR-indicator richt zich op deze ingeslikte hoeveelheden en geeft daarmee een indicatie van de hoeveelheid drijvend afval en de potentiële negatieve gezondheidseffecten voor deze vogels.

Van aangespoelde noordse stormvogels wordt de maaginhoud geanalyseerd, waarbij het totale gewicht en de samenstelling van het afval ( > 1mm) worden bepaald. De toegepaste methodiek is internationaal gestandaardiseerd en doordat de monitoring al jaren loopt, zijn veel data beschikbaar. Zie de OSPAR CEMP Guidelines (2015) voor verdere methodologische details.

De goede milieutoestand is bereikt als maximaal 10 procent van de vogels meer dan 0,1 gram plastic in de maag heeft. Deze drempelwaarde is door OSPAR in 2020 vastgesteld en is gebaseerd op Van Franeker et al. (2021).

Voor de beoordeling van de huidige toestand is uitgegaan van de meetjaren 2014 tot en met 2018. De trendanalyse is uitgevoerd met data van 2009 tot en met 2018.

Resultaten

De hoeveelheid plastics in noordse stormvogels neemt al jaren significant af. In de periode 2014-2018 is de drempelwaarde van maximaal 10 procent echter nog nergens in de Internationale Noordzee bereikt; 51 procent van de 393 onderzochte vogels had meer dan 0,1 gram plastic in de maag. In de Zuidoostelijke Noordzee (Nederland, België en Duitsland) was dit 50 procent (figuur 10.5). Gemiddeld zijn 21 stukjes (0,26 gram) per vogel aangetroffen. Van alle geanalyseerde vogels had 92 procent plastic in de maag.

Op de Noordzee was al eerder een duidelijk ruimtelijk verschil te zien in de opname van plastic door stormvogels. Van zuid naar noord bleek de hoeveelheid plastic in vogelmagen af te nemen (OSPAR 2017). Dit ruimtelijk verschil is er nog steeds. Wat betreft vogels met meer dan 0,1 gram plastic in de maag scoort Het Kanaal 68 procent, het Skagerrakgebied 49 procent en de Schotse eilanden ook 49 procent, maar de percentages lopen niet meer significant uiteen.

In de Zuidoostelijke Noordzee – als ook in de gehele Internationale Noordzee – is een statistisch significante (p < 0,05) afname zichtbaar. Deze afname over de periode 2009-2018 is te herleiden naar vermindering van plastic consumentenafval en niet zozeer van industrieel plastic (pellets). Dit is een ander beeld dan dat van eind vorige eeuw, toen Nederlands onderzoek juist een significante afname van industriële plastics en een toename van consumentenplastics in noordse stormvogels uitwees (OSPAR, 2021).

Niettemin maken kleine stukjes plastic, afkomstig van consumentenafval (mesoplastic fragmenten), nog steeds het grootste deel uit van in noordse stormvogels aangetroffen plastics; per vogel gemiddeld 0,22 gram consumentenplastic tegenover 0,05 gram industriële plastic pellets. Die laatste hoeveelheid is de helft van wat in de jaren tachtig van de vorige eeuw aan de Nederlandse kust in stormvogels werd gevonden.

Nederland heeft met recentere data aanvullende analyses uitgevoerd. Van de op de Nederlandse stranden aangespoelde noordse stormvogels heeft 39 procent meer dan 0,1 gram plastics in de maag. Dit duidt op voortzetting van de neerwaartse trend in de periode 2016 tot en met 2020. In de meest recente trendanalyse van de periode 2013-2022 blijkt echter dat plastics in noordse stormvogels niet meer significant afnemen en de laatste twee jaar een stijging laten zien.

Gezien de hoeveelheid plastic die nog steeds in het grootste deel van de noordse-stormvogelpopulatie wordt aangetroffen, is het niet onaannemelijk dat dit effect heeft op de conditie en gezondheid van de populatie. De Noordzee-stormvogelpopulaties zijn in de afgelopen decennia sterk in aantal afgenomen (zie ook factsheet D1C2 Populatieomvang zeevogels). Hoewel er geen bewijs is voor de oorzaken van de achteruitgang, wordt de inname van plastic zwerfvuil beschouwd als een potentiële bedreiging voor de populatie (Van Franeker et al., 2021).

Kennishiaten en ontwikkelingen

De OSPAR-indicator is primair opgezet om inzicht te krijgen in het zwerfafval dat aan de oppervlakte drijft. Voor de KRM wordt de indicator gebruikt om zicht te krijgen op mogelijke schadelijke effecten van zwerfafval op mariene organismen. Feitelijk geeft de monitoring van plastic in stormvogels geen directe informatie over schadelijke effecten. Hij kwantificeert echter wel de ruimtelijke patronen en trends in de hoeveelheden plastic in stormvogelmagen als een indirecte maat voor schade. Het vaststellen van causale relaties tussen ingeslikt zwerfafval en feitelijke effecten op zeedieren is complex.

Criterium D10C3 gaat niet alleen over noordse stormvogels, maar over een breed spectrum van zeedieren. De ontwikkeling van indicatoren voor andere mariene soorten zou wenselijk zijn om de volledige omvang van het probleem in een bredere context te begrijpen. Maar ook dan blijft het lastig om causale verbanden aan te tonen.

In de zuidelijke OSPAR-regio is, afgeleid van de methodiek voor de noordse stormvogel, een indicator ontwikkeld voor de zeeschildpad. Ook wordt overwogen om de Scopoli’s pijlstormvogel als tweede zeevogelindicator voor ingeslikte plastics te benoemen.

Bronnen

Bakir, A., & Loon, W. van. (2024). ​Development of a monitoring and data analysis method for microplastic particles in Dutch marine sediments. Report BM 24.06.

Barry, J., Gago, J., Galgani, F., Garcia, S., Gerigny, O., Hal, R. van., Kammann, U., Loon, W.M.G.M. van., Lopes, C., Norén, K., Pham, C. K., Rindorf, A., Russell, J. Sousa, R., & Witte, B. de. (2022). ​Composition and Spatial Distribution of Litter on the Seafloor. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the North-East Atlantic. OSPAR Commission, London. Available at:

Bäuerlein, P.S., Erich, M.W., Koelmans, A.A., Loon, W.M. van., & Mintenig, S.M. (2023). ​A monitoring and data analysis method for microplastics in marine sediments. Marine EnvironmentalResearch, 183, 105804.

Boonstra, M., & Hougee, M. (2021). OSPAR Beach Litter Monitoring in the Netherlands. Update 2020. North Sea Foundation, Utrecht.

Franeker, J.A. van., Bravo Rebolledo, E.L., Hesse, E., IJsseldijk, L.L., Kühn, S., Leopold, M., & Mielke, L. (2018). ​Plastic ingestion by harbour porpoises Phocoena phocoena in the Netherlands: Establishing a standardised method. Ambio, 47(4), 387-397.

Franeker, J.A. van., Anker-Nilssen, T., Edwards, E.W., Gallien, F., Guse, N., Kühn, S., & Loon, W.M. van. (2021). ​New tools to evaluate plastic ingestion by northern fulmars applied to North Sea monitoring data 2002–2018. Marine Pollution Bulletin, 166, 112246.

Franeker, J.A. van. (2015). ​Coordinated Environmental Monitoring Programme. (CEMP) Guidelines for Monitoring and Assessment of plastic particles in stomachs of fulmars in the North Sea area.

Galgani et al., (2023). ​Guidance on the monitoring of marine litter in European seas.

Kühn, S., Bittner, O., & Franeker, J.A. van., & Meijboom, A., (2021). ​Fulmar litter threshold value monitoring in the Netherlands: update 2020 (No. C068/21). Wageningen Marine Research.

Kühn, S., Franeker, J.A. van., & Loon, W. van. (2022). ​Plastic Particles in Fulmar Stomachs in the North Sea. In: OSPAR, 2023: The 2023 Quality Status Report for the Northeast Atlantic. OSPAR Commission, London. Available at:

Loon, W. van., Barry, J., Blidberg, E., Eriksson, J., Fleet, D., Galgani, F., Gräwe, D., Hanke, G., Press, M., Schulz, M., Strand, J., Werner, S., Vlachogianni, T., & Walvoort, D. (2020) ​A European Threshold Value and Assessment Method for Macro Litter on Coastlines. EUR 30347 EN, Publications Office of the European Union, Luxembourg, 2020, ISBN 978‑92‑76-21444-1, doi:10.2760/54369, JRC121707.

Loon, W.M.G.M. van. (2023). Functionele en technische eisen voor monitoring van microplastics in Nederlands marien sediment, versie 3. Rijkswaterstaat.

Loon, W.M.G.M. van., Wenneker, B. (2024). ​Methods for monitoring of pellets and mesoplastic fragments on Dutch beaches.Report BM 23.40.

O’Donoghue, A. & Hal, R. van. (2018) ​Seafloor Litter Monitoring: International Bottom Trawl Survey 2018. Wageningen University Research Report C052/18.

OSPAR MPEG, (2024). Guidelines for the monitoring of microlitter (including microplastics) in seafloor sediments for the OSPAR Maritime Area.

Roos, M., Loon, W.M.G.M. van., & Cuperus, J. (2023). Seafloor litter in benthic dredge samples 2021-2022: a pilot study. Report, Rijkswaterstaat, Ministry of Infrastructure and Water Management, Lelystad.

Volwater, J., & van Hal, R. (2021). ​Monitoring of seafloor litter on the Dutch continental shelf: International Bottom Trawl Survey 2021, Dutch Beam Trawl Survey 2020 (No. C065/21). Wageningen Marine Research.

Walvoort, D., Loon, W.M.G.M. van., Schulz, M., & André, S. (2021). ​Modelling and forecasting of beach litter assessment values.Report, WENR.

Wenneker, B., Loon, W.M.G.M. van. (2023). ​Monitoring of pellets and mesoplastic fragments on Dutch beaches in 2022. Summary Report. Report BM 23.39.

D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid

(Art. 9)

De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, ligt op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent.

Beoordeling (Art. 8)

Conform de OSPAR-beoordeling hanteert Nederland geen drempelwaarden voor D11. Desondanks rechtvaardigen de beoordelingsresultaten de conclusie dat de toestand in het Nederlandse deel van de Noordzee met betrekking tot impulsgeluid wél voldoet aan de goede milieutoestand, en met betrekking tot continugeluid niet.

Milieudoelen (Art. 10)

Milieudoelen zijn erop gericht effecten van impulsgeluid door heien, explosievenruiming en seismisch onderzoek te beperken. Met betrekking tot continugeluid richten de milieudoelen zich op beperking in ruimtelijke zin, en op geluidsbeperking van schepen. Tevens wordt de mogelijke impact van elektromagnetische velden nader onderzocht en zo nodig beperkt.

Inleiding

Geluid is overal aanwezig in de onderwaterwereld. Voor veel zeedieren en zeker zeezoogdieren en vissen zijn de gehoorzintuigen erg belangrijk. Dieren gebruiken geluid om te navigeren, voedsel te vinden, te communiceren met potentiële partners en als waarschuwing tegen verschillende bedreigingen. Door mensen veroorzaakt geluid kan zeedieren verstoren; de mate waarin hangt af van hun akoestische gevoeligheid en van de aard en intensiteit van het geluid. Uit waarnemingen is bijvoorbeeld gebleken dat impulsieve geluidsbronnen kleine walvisachtigen (bijvoorbeeld de bruinvis) tijdelijk kunnen verjagen, en dat ze bij sommige vissoorten (bijvoorbeeld de Europese zeebaars) kunnen leiden tot verhoogde fysiologische stress. Bij larven van ongewervelde dieren kunnen dit soort geluidsbronnen ontwikkelingsstoornissen veroorzaken. In bepaalde situaties zijn ook ernstiger effecten mogelijk, zoals permanente gehoorbeschadiging of explosieletsel. Toch is er nog weinig bekend over hoe effecten van geluid op individuen moeten worden vertaald naar een populatie of op ecosysteemschaal. Directe letale effecten zijn niet waarschijnlijk of zeer lokaal, terwijl het indirecte effect van verstoring door onderwatergeluid op populatieontwikkeling moeilijk is te onderzoeken. Ook effecten van continugeluid zijn zeer moeilijk op populatieniveau te kwantificeren.

De toevoer van antropogeen geluid in het mariene milieu werd wijdverbreid met de komst van de gemotoriseerde scheepvaart en kent nu een breed scala aan bronnen. Antropogene geluidsbronnen worden gecategoriseerd als impulsief of continu. Impulsgeluid is bijvoorbeeld het geluid van explosies, seismisch onderzoek en heien. Scheepvaart is de belangrijkste bron van continugeluid. De OSPAR-regio’s II (Noordzee en Het Kanaal) en IV (Golf van Biskaje en de Iberische kust) worden doorkruist door belangrijke scheepvaartroutes, zoals de route die van de Straat van Gibraltar naar Rotterdam en Hamburg voert.

Onderwatergeluid kan – afhankelijk van zijn eigenschappen – over grote afstanden reiken en is typisch een transnationaal fenomeen. De OSPAR-landen, waaronder Nederland, streven ernaar de introductie van energie, inclusief onderwatergeluid, te beperken tot een niveau dat het mariene milieu niet schaadt.

Descriptor D11 omvat het ruimere begrip ‘toevoer van energie’. Vooralsnog bestaan er alleen criteria voor onderwatergeluid. Aan andere vormen van energie-introductie zijn nog geen criteria toegekend. Bijgevolg is hiervoor nog geen goede milieutoestand geformuleerd. Wel vinden al metingen plaats als onderdeel van vergunningverlening en/of (onderzoeks)projecten. Zo onderzoeken Wozep en TenneT de effecten op het mariene milieu van elektromagnetische velden veroorzaakt door stroomkabels naar windturbines en -parken.

Beoordeling

In de afgelopen planperiode zijn in OSPAR belangrijke stappen gezet op het gebied van de monitoring en beoordeling van impulsgeluid (criterium D11C1) en continugeluid (criterium D11C2) in zee. OSPAR heeft de twee al bestaande indicatoren voor impulsgeluid verder uitgewerkt; voor continugeluid is een nieuwe indicator ontwikkeld. Nu kan voor het eerst de toestand met betrekking tot beide criteria kwantitatief worden bepaald. De resultaten van de beoordeling moeten nog wel worden gezien in de context van de huidige inzichten. Zowel de monitoring als de beoordeling moeten nog worden verbeterd en ook verdere ontwikkeling van de drempelwaarden is noodzakelijk. In EU-verband zijn in 2022 drempelwaarden voor continugeluid en impulsgeluid vastgesteld. Nederland vindt de Europese drempelwaarden nog onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd, en neemt deze daarom niet over. De EU-drempelwaarde voor impulsgeluid is volgens Nederland bovendien niet strikt genoeg om de bescherming van de bruinvispopulatie voldoende te kunnen garanderen. Ondanks deze beperkingen is er genoeg inzicht in de situatie rondom onderwatergeluid om tot een beoordeling te kunnen komen.

Voor de bepaling van de huidige toestand gebruikt Nederland de OSPAR-indicatoren en de analyse van de Internationale Noordzee in het QSR (OSPAR, 2023), met als beoordelingsgebied een uitsnede van het Nederlandse deel van de Noordzee.

Uit de OSPAR-analyse blijkt dat op de Noordzee seismisch onderzoek de meest dominante bron is van impulsgeluid. Veel van de activiteiten die dit geluid voortbrengen, zijn gesitueerd in de zeegebieden van het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. In de jaren waarin geluid is gemeten, was de blootstelling van bruinvissen aan impulsgeluid het grootst van augustus tot en met oktober.

In het Nederlandse deel van de Noordzee is tijdens de beoordelingsperiode slechts één seismische survey uitgevoerd; daarnaast is er geheid voor de aanleg van windparken en ging het opruimen van munitie gepaard met explosies. Nederland hanteert voor de beoordeling van impulsgeluid in de Nederlandse Noordzee geen drempelwaarde, maar concludeert op basis van expert judgement dat de huidige toestand voldoet aan de goede milieutoestand. Dit oordeel wordt ondersteund door de berekende risico’s op verstoring van bruinvissen te vergelijken met de voorwaarde voor hei-activiteiten ten behoeve van Wind op Zee. Aan deze laatste voorwaarde, die veel strenger is dan de Europese drempelwaarde, wordt ruimschoots voldaan.

Scheepsgeluid is op de Noordzee de dominante bron van continugeluid. Deze bron veroorzaakt een toename van 20 dB boven het natuurlijke geluidsniveau in het zuidelijke deel van de Noordzee en langs de grote scheepvaartroutes. Het geluidsniveau is het laagst op de Doggersbank. Over het algemeen varieert het geluidsniveau weinig door het jaar heen.

De indicator moet verder worden ontwikkeld en de beoordelingsresultaten hebben nog een voorlopige status. Nederland hanteert voor continu onderwatergeluid ook nog geen drempelwaarde. Toch rechtvaardigen de beoordelingsresultaten de conclusie dat de toestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet voldoet aan de ‘goede milieutoestand’.

Milieudoelen

Resterende beleidsopgave

Impulsief geluid wordt vooral veroorzaakt door hei-activiteiten (met name ten behoeve van de aanleg van windparken), seismisch onderzoek voor CCS (Carbon Capture and Storage) en de opsporing van olie en gas, en explosies op zee voor het opruimen van gevonden munitie (UXO’s, Unexploded ordnances oftewel blindgangers uit WO2). Hoewel de beoordeling van impulsief geluid voor het Nederlandse deel van de Noordzee constateert dat de goede milieutoestand is gehaald, blijft het nodig hier aandacht aan te besteden. Het Rijk heeft grote ambities voor de aanleg van nieuwe windparken. De hei-activiteiten op zee zullen daardoor toenemen en naar verwachting moet hiervoor ook oude munitie worden geruimd. Daarnaast is de geringe activiteit voor seismisch onderzoek in de afgelopen beoordelingsperiode mogelijk niet representatief voor de komende planperiode. Blijvende aandacht voor de regulering en de toepassing van de nieuwste technieken is daarom belangrijk.

Voor continugeluid wordt de goede milieutoestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet bereikt. Deze vorm van onderwatergeluid is vooral afkomstig van de scheepvaart. Regulering van scheepvaart is internationaal vooral toebedeeld aan de IMO (International Maritime Organization). De mogelijkheden van nationale overheden om maatregelen te treffen zijn beperkt. Daarom is het een belangrijke stap dat de milieuwerkgroep van de IMO (MEPC) in juli 2023 nieuwe (vrijwillige) richtlijnen voor het veroorzaken van onderwatergeluid door schepen (URN, underwater radiated noise) heeft goedgekeurd. Nederland levert een actieve bijdrage aan de ‘experience building phase’, waarin de IMO de nieuwste kennis en ervaringen rond het verminderen van onderwatergeluid verzamelt.

De scheepvaartsector kan een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van continu onderwatergeluid door de URN-richtlijnen in praktijk te brengen en/of dat te stimuleren. Een ander perspectief op verbetering ligt in de kansen om via de ruimtelijke ordening op zee (MSP, Marine Spatial Planning) de negatieve effecten van continu onderwatergeluid te beperken. Het internationale DEMASK-project, geleid door Rijkswaterstaat, verkent in afstemming met stakeholders de mogelijke beleidsopties voor het terugdringen van continu onderwatergeluid in de Noordzee. Elektromagnetische velden (EMV) vallen ook onder descriptor D11. EMV worden veroorzaakt door stroomkabels op en in de zeebodem. Met de uitrol van wind op zee zal deze vorm van energietoevoer in het mariene milieu dan ook toenemen. Sommige zeedieren, met name haaien en roggen, zijn gevoelig voor elektromagnetische prikkels. Er bestaan nog grote kennislacunes rond effecten van EMV. Op dit moment loopt aan de universiteit van Wageningen het NWO-onderzoeksproject ElasmoPower dat de effecten van EMV op haaien en roggen bestudeert. De inbedding van EMV in de KRM onder descriptor 11 lijkt gepast, ook gezien de schaalvergroting van windparken (Hermans & Schilt 2022). Er is vooralsnog geen criterium voor EMV gedefinieerd, maar mogelijk gebeurt dit na de herziening van de KRM.

Milieudoelen en indicatoren

Het eerste milieudoel (11.1) richt zich op het beperken van impuls- en continugeluid van de drie belangrijkste bronnen: aanlegprojecten (impulsief en continu geluid), en impulsief geluid als gevolg van seismisch onderzoek en explosievenruiming. Op dit moment zijn de aan impulsief geluid gestelde eisen bij aanlegprojecten zo streng, dat deze alleen met de best beschikbare technieken kunnen worden gehaald. Zo wordt gebruikgemaakt van een combinatie van bellenschermen en andere geluiddempende afscherming. De ontwikkeling van geluidarme funderingstechnieken (vibropiling) is in volle gang. De omgevingswetvergunning voor seismisch onderzoek stelt op dit moment geen specifieke eisen voor onderwatergeluid.

Wel doet de industrie onderzoek naar het beperken van de effecten van impulsgeluid op bruinvissen. Hierbij wordt de installatie die geluidsgolven in het water uitstoot (airgun array) zó afgesteld dat hoge frequenties (waar de bruinvis gevoelig voor is) worden onderdrukt.

Voor explosievenruiming richt het milieudoel zich op de toepassing van een protocol om milieueffecten te beperken. De uitvoering van het protocol stelt het belang van veiligheid voor mensen altijd boven andere belangen. Het protocol verplicht de toepassing van een Acoustic Deterrent Device (ADD) om vissen en zeezoogdieren te verjagen uit het gebied waar een explosief tot ontploffing wordt gebracht. Het ministerie van Defensie is een onderzoek gestart naar alternatieve geluidarme methodes voor de ruiming van explosieven. De resultaten hiervan kunnen in de protocollen voor explosievenruiming worden verwerkt.

Een bellenscherm als mitigerende maatregel is voor de Nederlandse situatie praktisch niet uitvoerbaar.

Milieudoel 11.2 gaat specifiek over continugeluid. Geluidsarme gebieden kunnen in belangrijke mate bijdragen aan de kwaliteit van het leefgebied van kwetsbare soorten. Het begrip geluidsarm moet nog wel worden uitgewerkt om concreet te kunnen worden toegepast.

De meest effectieve manier om continugeluid te beperken is de vermindering van geluidsproductie door schepen. Hiertoe zal innovatie binnen de sector worden gestimuleerd (11.3). Dit kan zich richten op de nieuwbouw van schepen en op aangepast gebruik van bestaande schepen, zoals langzamer varen of beter onderhoud. De richtlijnen van de IMO over Underwater Radiated Noise (URN) uit 2023 geven hier handvatten voor.

Tot slot is een milieudoel opgenomen voor elektromagnetische velden (11.4). Nederland wil, vooruitlopend op de uitwerking van een criterium, hiervoor al een doel definiëren. Op dit moment is er nog onvoldoende kennis over de omvang en de milieueffecten van EMV. Voor het kunnen beoordelen van de ecologische impact van EM-velden moet een instrumentarium worden ontwikkeld.

Tabel 11.2. Milieudoelen (met streefwaarden), het hieraan gekoppelde jaartal, bijbehorende indicatoren en implementatie.

 

Milieudoel (met streefwaarden)

Jaartal

Indicator

Implementatie

11.1

Beperken van geluid bij aanlegwerkzaamheden (continu en impulsief), en impulsief geluid als gevolg van seismisch onderzoek en explosievenruiming.

Doorlopend.

Extra mijlpalen:

Fase 1: Regional Action Plan Under Water Noise (RAP UW 2025).

Fase 2: Uitvoering RAP UW Vanaf 2025

Indicator D11C1 impulsgeluid

Administratieve check op voorwaarden vergunningen en mer

Continugeluid bij aanlegwerkzaamheden: in ontwikkeling.

Opnemen van eisen in de vergunningsvoorwaarden ten aanzien van de productie van onderwatergeluid.

Aansluiten op ontwikkelingen in OSPAR-verband via het Regional Action Plan Under Water Noise.

Opnemen van eisen in de vergunningsvoorwaarden ten aanzien seismiek, zoals het verplicht toepassen van de best beschikbare technieken (BAT).

Uitvoering conform protocol explosievenruiming Defensie, dat periodiek wordt geëvalueerd.

Verkenning van mogelijkheden voor verder onderzoek naar geluidsarme of alternatieve explosievenruiming.

11.2

Regionaal verkennen van mogelijkheden voor het bevorderen van stilte en stille gebieden waar dit waardevol is voor kwetsbare soorten.

Fase 1: Regional Action Plan Under Water Noise (RAP UW 2025).

Fase 2: Uitvoering RAP UW vanaf 2025.

Oppervlakte van het gebied dat aan het (nog regionaal te ontwikkelen) stiltecriterium voldoet.

Nader op te stellen RAP UW (2025).

Maatregelen in de ruimtelijke ordening (mijden gebieden) en aanpassen van vaargedrag (bijvoorbeeld langzamer varen) om geluidsproductie te verminderen.

Implementatie doel 11.4 draagt ook bij aan doel 11.3.

11.3

Het stimuleren van innovatie in de ontwikkeling van geluidsarme technieken in de zeescheepvaart.

2030

Aantal acties ter stimulering en het gebruik van geluidsarme technieken.

Op basis van uitkomsten onderzoek:

- SATURN (2021-2025)

- Onderzoek naar effecten van schroefdesign op reductie onderwatergeluid (start 2024).

11.4

Fase 1: ontwikkelen van een instrumentarium om de ecologische impact van elektromagnetische velden (EMV) te beoordelen.

Fase 2: Waar mogelijk/nodig beperken van potentiële negatieve effecten van EMV van kabels en leidingen op hiervoor gevoelige soorten (vooral haaien en roggen).

N.t.b.

Nog te ontwikkelen in komende planperiode.

Onderdeel maken van m.e.r. en

vergunningen op basis van uitkomsten onderzoek TenneT en andere wetenschappelijke onderzoeken naar dit onderwerp.

D11C1 Impulsief onderwatergeluid

GMT (Art. 9)

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van impulsief onderwatergeluid in het Nederlandse deel van de Noordzee zijn niet schadelijk voor bruinvispopulaties.

Beoordeling (Art. 8)

Ondanks het ontbreken van een drempelwaarde is de inschatting dat het Nederlandse deel van de Noordzee voldoet aan de goede milieutoestand met betrekking tot impulsgeluid.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

n.v.t.

In ontwikkeling.

Internationale Noordzee, 2015-2019 (A).

Verspreiding van impulsgeluid in zee (OSPAR).

In ontwikkeling.

Aantal*dag

(bruinvisver-

storingsdagen).

Nederlandse deel van de Noordzee, 2015-2019 (D).

Verspreiding impulsgeluid in zee (OSPAR)
Toelichting indicator

De OSPAR-indicator brengt de hoeveelheid en de verspreiding van impulsgeluidsbronnen over het OSPAR-zeegebied in kaart. De beoordeling is gebaseerd op gerapporteerde gegevens uit de periode 2015-2019. België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk verstrekten gegevens over vijf categorieën van geluidsbronnen: 1) seismische airgun surveys, 2) heien, 3) explosies, 4) sonar en akoestische afschrikmiddelen en 5) generiek. Onder ‘generiek’ vallen bronnen zoals seismisch onderzoek zonder airguns (over het algemeen sub-bottom profilers, deze zijn lichter dan airguns), en niet nader gedefinieerde bronnen. De verdeling van de impulsgeluidsbronnen in ruimte en tijd wordt vertaald in zogenoemde pulsblokdagen. Dit is het aantal dagen in een kalenderjaar dat binnen een bepaald gebied impulsgeluidsactiviteit heeft plaatsgevonden. De OSPAR-zeeregio is hiertoe opgedeeld in zogenaamde statistische ICES-subdeelrechthoeken die in de Nederlandse Noordzee een oppervlakte hebben van ongeveer 400 km2.

De resultaten van deze indicator zijn input voor de indicator ‘verstoring van bruinvis door impulsgeluid’ (zie onder).

Resultaten

Figuur 11.1 laat de verdeling van het totaal aantal pulsblokdagen in 2015-2019 zien, op basis van de in het OSPAR Impulsieve Geluidsregister beschikbare gegevens. Gezien het al genoemde ontbreken van gegevens is dit een onderschatting van het werkelijke aantal pulsblokdagen.

In alle jaren was de seismische airgun de voornaamste bron van impulsgeluid in de OSPAR-regio (figuur 11.2). Dit type seismisch onderzoek wordt voornamelijk uitgevoerd in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Langs de kust van Nederland, België en Frankrijk wordt impulsgeluid vooral veroorzaakt door hei-activiteiten en explosies (zie figuur 11.2b voor 2019) en in veel mindere mate door seismisch onderzoek en militaire sonar. Er is weinig onderzoek verricht naar de effecten en effectafstanden van explosies. In de OSPAR-beoordeling is voor explosies een effectafstand van 20 kilometer gekozen; voor seismische airguns is dat 12 kilometer. De drukfactor voor impulsgeluid is op grond hiervan voor de Nederlandse wateren relatief beperkt.

Figuur 11.1. Totaal aantal gerapporteerde pulsblokdagen per jaar per ICES-deelrechthoek, in de periode 2015-2019.

Verstoring van bruinvis door impulsgeluid (OSPAR)
Toelichting indicator

Deze indicator bepaalt de geschatte blootstelling van de bruinvis aan antropogeen impulsgeluid. Deze soort is hiervoor bijzonder gevoelig. De mate van blootstelling over de periode 2015-2019 is geschat op basis van de ruimtelijke verspreiding van pulsblokdagen (zie boven) en de voortplanting van geluid in water in combinatie met verspreidingsgegevens van bruinvissen in de OSPAR-zeeregio. Verspreidingsgegevens zijn ontleend aan maandelijkse of seizoenskaarten van geschatte populatieverdelingen (Gilles, 2016). Voor elke ICES-gridcel wordt het aantal verstoringsdagen in die cel vermenigvuldigd met het aantal bruinvissen dat in de betreffende cel is te verwachten. De som van de resultaten in álle gridcellen geeft het aantal bruinvisverstoringsdagen.

Voor sommige hei-activiteiten in Duitse, Deense, Nederlandse en Belgische wateren zijn geluidsreducerende maatregelen gerapporteerd, zoals het toepassen van een bellenscherm. Deze geluidsreductie is in de beoordeling meegenomen.

Resultaten

Uit de jaarlijkse risicokaarten van het OSPAR-gebied blijkt dat het risico van blootstelling in 2015 veel groter was dan in de jaren daarna (figuur 11.3). Dit was te wijten aan een grootschalig seismisch onderzoeksprogramma dat in deze periode werd uitgevoerd door de Oil & Gas Authority van het Verenigd Koninkrijk (Merchant et al., 2020).

Analyse wees uit dat de blootstelling gedurende het jaar het grootst was in de periode augustus-oktober, en dan vooral in de EEZ van het Verenigd Koninkrijk. Seismische activiteiten in de EEZ van Noorwegen waren bij de vaststelling van de OSPAR-beoordeling nog niet gerapporteerd.

Op grond van de OSPAR-beoordeling (zie figuur 11.3) kan het totaal aantal bruinvisverstoringsdagen in het Nederlandse deel van de Noordzee op iets meer dan 1 miljoen worden geschat (zie tabel 11.3). Nederland heeft deze resultaten vergeleken met de voorwaarde in het Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) dat de populatie van de bruinvis op de lange termijn maximaal met 5 procent mag afnemen als gevolg van hei-activiteiten op zee (Heinis et al., 2021). Hierbij is gebruikgemaakt van het iPCoD-model dat een relatie legt tussen het aantal bruinvisverstoringsdagen en de populatieafnamen. Uit de KEC-berekeningen blijkt dat voor heigeluid tot 2030 een populatie-afname van 5 procent zou neerkomen op 2 miljoen bruinvisverstoringsdagen. De vergelijking is overigens globaal. Het is niet mogelijk om haar een-op-een te maken. Zo geldt de KEC-voorwaarde alleen voor heien en voor de ‘lange termijn’, terwijl de KRM terugblikt op afgelopen planperiode en ook andere geluidsbronnen meetelt. Uit de vergelijking blijkt dat het aantal bruinvisverstoringsdagen in het Nederlandse deel van de Noordzee ruim onder de grens ligt die het KEC hanteert voor alleen de impact van heien op zee (2 miljoen bruinvisverstoringsdagen).

Tabel 11.3. Het berekende aantal bruinvisverstoringsdagen voor het Nederlandse deel van de Noordzee per jaar.

Jaar

Aantal bruinvis-

verstoringsdagen

2015

259.063

2016

297.495

2017

207.342

2018

146.328

2019

101.648

Totaal

1.011.876

Kennishiaten en ontwikkelingen

In de afgelopen planperiode zijn stappen gezet op het gebied van monitoring en beoordeling van impulsgeluid in zee. De huidige beoordelingsmethodiek en de resultaten ervan moeten worden gezien als een vervolgstap op de voorgaande beoordeling in een nog voortgaand ontwikkelproces.

Een belangrijke beperkende factor is dat een beduidend deel van de activiteiten die impulsgeluid veroorzaken niet zijn opgenomen in het Impulsief Geluidsregister. Dat zijn bijvoorbeeld activiteiten zonder vergunning, zoals het gebruik van akoestische afschrikmiddelen in viskwekerijen, bepaalde geofysische onderzoeken en operaties met geclassificeerde militaire sonar. Het aantal berekende pulsblokdagen is daardoor een onderschatting. Daarbij verschilt de rapportage per land, wat het ruimtelijke beeld sterk beïnvloedt. Zo heeft Noorwegen alleen de data van 2019 gerapporteerd. Nederland heeft overigens wel alle relevante activiteiten in deze jaren gerapporteerd.

Ook de methodologie vraagt een verbeterslag. Het register maakt gebruik van een classificatie van de bronintensiteiten (Dekeling et al., 2014), omdat de precieze bronsterkte als bedrijfsvertrouwelijke informatie kan worden beschouwd. De EU-Technical Group on Underwater Noise (TG Noise) werkt aan een update van de monitoringhandleiding. Aanpassingen zullen vooral zijn gericht op de definities van de categorieën van de bronintensiteiten en ook op het classificeren van de bronintensiteit (zonder en met mitigatie). Completere rapportage maakt het mogelijk om ook cumulatieve effecten te beoordelen.

De beoordeling van het risico op impact van impulsgeluid op bruinvissen zou in belangrijke mate kunnen verbeteren door meer kennis op te doen over die effecten, bijvoorbeeld over de dosis-responscurves voor elke bron-receptorcombinatie. Dit soort onderzoek is echter lastig uit te voeren, doordat individuele bruinvissen moeilijk zijn te observeren op de Noordzee.

Ook is meer inzicht wenselijk in de toepasbaarheid van deze indicator voor andere soorten zeezoogdieren, vissen of ongewervelde dieren. Het is nog onbekend of met de berekende risico’s (op basis van de gevoeligheid van bruinvissen voor impulsgeluid) ook het risico voor andere mariene soorten wordt gedekt.

Binnen het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) worden de effecten van heigeluid op beschermde diersoorten (vooral de bruinvis) verder onderzocht en ook de effecten van eventuele mitigerende maatregelen, zoals alternatieve funderingstechnieken die de industrie ontwikkelt.

Het APELAFICO-project (NWO-project onder leiding van de Universiteit Leiden) onderzoekt de effecten van heigeluid op vissoorten en in het kader van het MONS-programma is onderzoek voorzien naar de effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren en vis. Ook de effecten van cumulatie van verschillende bronnen van impulsgeluid worden daarbij meegenomen.

In november 2022 is een Europese drempelwaarde voor impulsgeluid aangenomen. Nederland vindt deze drempelwaarde echter onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd en niet ambitieus genoeg, en neemt hem daarom niet over. Voor de toetsing aan de goede milieutoestand is verdere ontwikkeling van een drempelwaarde dan ook noodzakelijk. OSPAR test de drempelwaarden van de KRM voor het OSPAR-gebied en zal daar in het kader van het Regionale Actieplan Onderwatergeluid een onderbouwde mening over formuleren. Wanneer de drempelwaarde voldoende is uitgewerkt, wordt deze bij een eerstvolgende gelegenheid op basis van nationale besluitvormingsprocessen al dan niet overgenomen.

D11C2 Continu onderwatergeluid

GMT (Art. 9)

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van antropogeen continu laagfrequent onderwatergeluid in het Nederlandse deel van de Noordzee berokkenen populaties zeedieren geen schade.

Beoordeling (Art. 8)

Hoewel resultaten nog voorlopig zijn en OSPAR geen drempelwaarde hanteert, is het zeer waarschijnlijk dat de goede milieutoestand in het Nederlandse deel van de Noordzee niet is bereikt.

Indicator (bron)

Drempelwaarde (bron)

Meeteenheid

Beoordeling: gebied, periode (aanpak)

Niveau en verspreiding van continugeluid in zee (OSPAR).

In ontwikkeling.

km2*dag

Internationale Noordzee, 2019 (A).

Toelichting indicator

De beoordeling, uitgevoerd door het project JOMOPANS (Joint Monitoring Programme of Ambient Noise North Sea), is gebaseerd op gegevens uit 2019. In JOMOPANS zijn geluidkaarten gemaakt voor een groot aantal frequentiebanden. Deze beoordeling toont de kaarten van de 125 Hz decidecade band die de voornaamste niveaus omvat van scheepsgeluid onder water. Dit is tevens de band waarop de hoogste onderwatergeluidniveaus zijn gemeten. Er is geen rekening gehouden met de frequentie-afhankelijke gevoeligheid voor geluid van verschillende mariene soorten.

Onderwatergeluid varieert sterk in tijd en ruimte. Met numerieke modellering is een groot aantal kaarten gemaakt om deze variabiliteit te dekken. Vervolgens is deze informatie gemiddeld tot een kaart met mediaanwaarden. Tevens is een dominantiekaart gemaakt om de variatie in tijd beter zichtbaar te maken.

De modelleringsresultaten zijn gevalideerd met de metingen van het JOMOPANS-project (Putland et al., 2021). De grootste verschillen – leidend tot een onderschatting van het werkelijke geluidsniveau – traden op in gebieden met een relatief laag niveau van het scheepvaartgeluid. Hier hebben andere bronnen een relatief grotere invloed op het totale geluidsniveau. Grote verschillen kunnen worden toegeschreven aan: 1) schepen zonder actieve AIS-transponders, 2) seismische onderzoeken, 3) operationeel geluid windpark, bouwgeluid en dienstvaartuigen, en 4) generator-/platformgeluid.

Resultaten

In de Noordzee (OSPAR-gebied II behalve Het Kanaal) is een natuurlijk achtergrondgeluidsniveau van ongeveer 90 dB@1μPa2 mediane geluidsdrukniveau (SPL, Sound Pressure Level) gevonden. In het zuidelijke deel van de Noordzee en langs belangrijke scheepvaartroutes is een aanzienlijke stijging boven het achtergrondniveau gevonden van 20 tot 30 dB, terwijl in het centrale deel van de Noordzee de mediane SPL minder dan 10 dB steeg. Figuur 11.4 toont de mediane totale SPL. Figuur 11.5 geeft het verschil tussen de SPL en het achtergrondgeluid weer, het zogenaamde Excess niveau. Behalve met de hoogte van de gemiddelde geluidsniveaus wordt in de beoordeling ook rekening gehouden met de tijdsduur waarop bepaalde geluidsniveaus optreden. Over het algemeen varieerde het geluidsniveau in de Noordzee weinig in de loop van het jaar, dit door het permanente karakter van de scheepvaart.

Om de verstoring door continugeluid boven het achtergrondgeluid te kunnen beschrijven is in JOMOPANS de Dominantiekaart ontwikkeld. ‘Dominantie’ is het percentage van de tijd waarvoor het Excess-niveau boven een bepaalde waarde komt. Die waarde wordt LOBE genoemd. LOBE staat voor het ‘Level of Onset of Biological Adverse Effects’ en is het geluidsniveau waarop dieren ander gedrag beginnen te vertonen (bijvoorbeeld vermijding). In de gebieden waar een grote toename van het geluidsdrukniveau werd gevonden, vond deze toename plaats over een lange periode, met een vrijwel permanent hoog geluidsniveau in het zuidelijke deel van de Noordzee (figuur 11.6).

Kennishiaten en ontwikkelingen

Er is nog onvoldoende kennis over de effecten van continu onderwatergeluid. In november 2022 is een Europese drempelwaarde vastgesteld voor continu onderwatergeluid. Een aantal OSPAR-landen (waaronder Nederland) vindt deze drempelwaarde nog onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Als onderdeel van het Regionale Actieplan Onderwatergeluid wil OSPAR tot een weloverwogen conclusie komen over de goede invulling van deze drempelwaarde en de onderbouwing hiervan. Wanneer de drempelwaarde voldoende is uitgewerkt, wordt deze bij een eerstvolgende gelegenheid op basis van nationale besluitvormingsprocessen al dan niet overgenomen.

Toetsing aan de ‘goede milieutoestand’ is nu dus nog niet mogelijk. Zo is het nog onduidelijk of en in hoeverre continu onderwatergeluid een negatieve invloed heeft op populaties. In tegenstelling tot impulsgeluid maakt continue geluidsbelasting een gebied niet (tijdelijk) volledig ongeschikt als habitat voor diersoorten.

Onbekendheid met de effecten van continugeluid op populaties zeedieren is momenteel de belangrijkste kennislacune. Soorten verschillen in gevoeligheid voor verschillende delen van het frequentiespectrum. Hiermee moet rekening worden gehouden, maar dat kan pas als op termijn geschikte indicatorsoorten en bijbehorende frequentiebanden zijn geselecteerd. Er wordt een toepasbare methodiek ontwikkeld om de ruimtelijke verdeling van continu onderwatergeluid op het Nederlandse deel van de Noordzee vast te stellen, wat mogelijkheden schept om deze waar nodig niet te laten toenemen. Op dit moment ontbreekt het echter nog aan fundamentele kennis om dit te kunnen doen. Dergelijke kennis is ook essentieel voor een goede wetenschappelijke onderbouwing van een drempelwaarde voor continu onderwatergeluid.

De kaarten voor continu onderwatergeluid laten grote ruimtelijke variaties zien. Het ligt niet voor de hand om de Noordzee als één beoordelingsgebied te beschouwen voor deze drukfactor. Er zijn echter nog geen criteria om subregio’s te definiëren.

De belangrijkste projecten voor kennisvergaring rond continugeluid in de Noordzee zijn het internationale Horizon2020-project SATURN, waaraan ook TNO, Marin en de Universiteit Leiden deelnemen en het voorgenomen project DEMASK. Het SATURN-project onderzoekt de bronnen van scheepgeluid (machinegeluid en schroefcavitatie) en de effecten hiervan op het mariene milieu. Het DEMASK-project zal een risicobenadering uitwerken voor het toetsen van verschillende beleidsscenario’s. Hierin worden ook ruimtelijke variaties en verschillende mariene soorten meegenomen.

Het Wind op zee ecologische programma (Wozep) onderzoekt de effecten van onderwatergeluid van operationele windparken. Ook in het kader van het MONS-programma is onderzoek voorzien naar de effecten van onderwatergeluid op zeezoogdieren en vis.

Bronnen

Dekeling, R., Tasker, M., Graaf, S. van der., Ainslie, M., Andersson, M., André, M., Borsani, J., Brensing, K., Castellote, M., Cronin, D., Dalen, J., Folegot, T., Leaper, R., Pajala, J., Redman, P., Robinson, S., Sigray, P., Sutton, G., Thomsen, F., Werner, S., Wittekind, D., & Young, J. (2014). Monitoring Guidance for Underwater Noise in European Seas- Part II: Monitoring Guidance Specifications, Dekeling, R., Tasker, M., Ferreira, M. and Zampoukas, N. (Eds), EUR 26555, Publications Office of the European Union, Luxembourg, , ISBN 978‑92‑79-36339-9, doi:10.2788/27158, JRC88045.

Fischer, J.G., Kühnel, D., Basan, F. (2021). JOMOPANS measurement guidelines. Report of the EU INTERREG Joint Monitoring Programme for Ambient Noise North Sea (JOMOPANS).

Gilles, A., Aarts, G., Becker, E.A., Beest, F.M. van., Bemmelen, R. van., Forney, K.A., Geelhoed, S.C.V., Haelters, J., Nabe-Nielsen, J., Scheidat, M., Siebert, U., Sveegaard, S., & Viquerat, S. (2016). ​Seasonal habitat-based density models for a marine top predator, the harbor porpoise, in a dynamic environment. Ecosphere 7, e01367.

Harwood, J., King, S., Schick, R., Donovan, C., & Booth, C. (2013). A protocol for implementing the interim population consequences of disturbance (PCOD) approach: quantifying and assessing the effects of UK offshore renewable energy developments on marine mammal

populations. Report SMRUL-TCE-2013-014. Scottish Marine and Freshwater Science 5(2)

Heinis, F., Jong, C.A.F. de., & Benda Beckmann, A.M. von., (2022). Framework for Assessing Ecological and Cumulative Effects 2021. (KEC 4.0) – marine mammals, TNO-report TNO 2021 R12503-UK, januari 2022

Hermans, A., & Schilt, B. (2022). Electromagnetic fields and the Marine Strategy Framework Directive Descriptor 11 – Energy. Report Witteveen+Bos 129373.

Kinneging, N.A., & Tougaard, J. (2021). Assessment North Sea. Report of the EU INTERREG Joint Monitoring Programme for Ambient Noise North Sea. JOMOPANS.

MacGillivray, A., & Jong, C. de. (2021) A Reference Spectrum Model for Estimating Source 2 Levels of Marine Shipping based on Automated 3 Identification System data. Journal of Marine Science and Engineering, (February 2021).

Merchant, N.D., Andersson, M.H., Box, T., Courtois, F. le., Cronin, D., Holdsworth, N., Kinneging, N., Mendes, S., Merck, T., Mouat, J., Norro, A.M.J., Ollivier, B., Pinto, C., Stamp, P., & Tougaard, J., (2020). ​Impulsive noise pollution in the Northeast Atlantic: Reported activity during 2015–2017. Mar. Pollut. Bull. 152, 110951.

Merchant, N.D., Faulkner, R.C., & Martinez, R. (2018). Marine Noise Budgets in Practice. Conservation Letters May/June 2018.

Oostveen, M. van., Barbé, D., & Kwakkel, J. (2020). Proposal assessment framework, OSPAR candidate indicator ambient

underwater sound, Royal Haskoning DHV-report, ref. BH2849WATRP2011251151, November 2020 (Final 5.0).

OSPAR, (2019) Common Indicator Assessment – Impulsive Noise.

Putland, R.L., Farcas, A., & Merchant, N.D. (2021). Uncertainty assessment between measurements and model predictions for 2019 data. Final report. Report of the EU INTERREG Joint Monitoring Programme for Ambient Noise North Sea (Jomopans).

Snoek, R. (2015). Ambient noise monitoringstrategy and joint monitoring programme for the North Sea - Part I: Monitoring strategy ambient noise. Arcadis report 078324541:A-Final, March 2015.

Alle Jomopans-rapporten staan op de Jomopans website: ​https://northsearegion.eu/jomopans

  • 1

    OSPAR (2023). Quality Status Report Terug naar link van noot.

  • 2

    Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2022). Programma Noordzee 2022-2027 Terug naar link van noot.

  • 3

    https://www.ices.dk/ Terug naar link van noot.

  • 4

    https://maritime-spatial-planning.ec.europa.eu/news/establishment-greater-north-sea-basin-initiative-gnsbi Terug naar link van noot.

  • 5

    Europees Parlement (2008). Kaderrichtlijn Mariene Strategie. (Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu). Terug naar link van noot.

  • 6

    Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2018). Mariene Strategie (deel 1) 2018-2024. Actualisatie van huidige milieutoestand, goede milieutoestand, milieudoelen en indicatoren. Terug naar link van noot.

  • 7

    Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2020) Mariene Strategie (deel 2). Actualisatie van het KRM-monitoringprogramma 2020-2026. Terug naar link van noot.

  • 8

    Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (2022) Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee 2022-2027 (deel 3). KRM-programma van maatregelen. Terug naar link van noot.

  • 9

    Biodiversiteitsverdrag (2010). Convention on Biological Diversity, CBD Terug naar link van noot.

  • 10

    Verenigde Naties (1982) United Nations Convention on the Law of the Sea. Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS, met de bijbehorende Overeenkomst voor de Bescherming van Biodiversiteit op Volle Zee. Inwerkingtreding 1994. Terug naar link van noot.

  • 11

    Verenigde Naties (2015). Sustainable Development Goals 2030 Terug naar link van noot.

  • 12

    International Maritime Organization (1973). Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij. Londen, 02‑11‑1973. (MARPOL Verdrag) Terug naar link van noot.

  • 13

    Europese Commissie (2017). Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU. Terug naar link van noot.

  • 14

    Europese Commissie (2024). Mededeling van de Commissie betreffende de drempelwaarden die zijn vastgesteld in verband met de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (Richtlijn 2008/56/EG) en Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie, (C/2024/2078). Terug naar link van noot.

  • 15

    Europees Parlement (2013). Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad. Terug naar link van noot.

  • 16

    Europees Parlement (2000). Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. (Kaderrichtlijn Water). Terug naar link van noot.

  • 17

    Europees Parlement (2009). Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (gecodificeerde versie). (Vogelrichtlijn). Terug naar link van noot.

  • 18

    Raad van de Europese Gemeenschappen (1992). Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. (Habitatrichtlijn). Terug naar link van noot.

  • 19

    Europese Commissie (2023). Verordening (EU) 2023/915 van 25 april 2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1881/2006. Terug naar link van noot.

  • 20

    Europees Parlement (2014) Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning. Terug naar link van noot.

  • 21

    Europees Parlement (2006). Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie ( PB L 396 van 30.12.2006). Terug naar link van noot.

  • 22

    Raad van de Europese Gemeenschappen (1991). Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. Terug naar link van noot.

  • 23

    Europees Parlement (2008). Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen. Terug naar link van noot.

  • 24

    European Parliament (2023). Directive (EU) 2023/2413 of the European Parliament and of the Council of 18 October 2023 amending Directive (EU) 2018/2001, Regulation (EU) 2018/1999 and Directive 98/70/EC as regards the promotion of energy from renewable sources, and repealing Council Directive (EU) 2015/652. Terug naar link van noot.

  • 25

    European Commission (2021). Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions on a new approach for a sustainable blue economy in the EU Transforming the EU’s Blue Economy for a Sustainable Future. COM/2021/240 final. Terug naar link van noot.

  • 26

    European Commission (2019). Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions. The European Green Deal. COM/2019/640 final. Terug naar link van noot.

  • 27

    Europese Commissie (2020). EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030. De natuur terug in ons leven brengen. COM Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comite en het Comite van de Regio’s. /2020/380 final. Terug naar link van noot.

  • 28

    OSPAR (2022). OSPAR’s Second Regional Action Plan for the Prevention and Management of Marine Litter in the North-East Atlantic (2022 – 2030). OSPAR Agreement 2022-05. Terug naar link van noot.

  • 29

    OSPAR (2021). Strategy of the OSPAR Commission for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic 2030. Agreement 2021-01: North-East Atlantic Environment Strategy. OSPAR 21/13/1, Annex 22. Terug naar link van noot.

  • 30

    Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (2020). Het akkoord voor de Noordzee. Extra mijlen voor een gezonde Noordzee. Terug naar link van noot.

  • 31

    European Commission (2022). Commission Notice on recommendations per Member State and region on the 2018 updated reports for Articles 8, 9 and 10 of the Marine Strategy Framework Directive (2008/56/EC) 2022/C 118/01. Terug naar link van noot.

  • 32

    Bekhuis, K. (2021). Exploring the future together; a scenario analysis for the OSPAR region. Ministerie van IenW | Ministerie van LVVN | Mariene Strategie (deel 1) Terug naar link van noot.

  • 33

    European Commission (2018). Economic and social analysis for the initial assessment for the Marine Strategy Framework Directive. DG Environment, Brussels. pp 66 (MSFD Guidance Document 1). Terug naar link van noot.

  • 34

    CBS (2023). Economic description of the Dutch North Sea and coast. Terug naar link van noot.

  • 35

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 36

    CBS (2023). Economic description of the Dutch North Sea and coast. Terug naar link van noot.

  • 37

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 38

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 39

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 40

    Mathijsen, J. et al. (2018). De toekomst van de Noordzee. De Noordzee in 2030 en 2050: een scenariostudie. PBL Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 41

    OSPAR (2023). Quality Status Report Terug naar link van noot.

  • 42

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 43

    CBS (2023). Economic description of the Dutch North Sea and coast. Terug naar link van noot.

  • 44

    OR ELSE | Interdisciplinair Onderzoek Duurzame Zandwinning Terug naar link van noot.

  • 45

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 46

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 47

    Ecorys (2023). Scenario study for the Dutch part of the North Sea. Terug naar link van noot.

  • 48

    European Commission (2018). Economic and social analysis for the initial assessment for the Marine Strategy Framework Directive. DG Environment, Brussels. pp 66 (MSFD Guidance Document 1). Terug naar link van noot.

  • 49

    Strietman, W.J., Reinhard, S., Roos, F.D.M., & Valk, O.M.C. van der (2024). The cost of degradation of the Dutch North Sea environment - Update 2024; A study into the cost of avoiding degradation and the applicability of the Ecosystem Services approach. Wageningen, Wageningen Economic Research. Terug naar link van noot.

  • 50

    Strietman, W.J., Reinhard, S., Roos, F.D.M., & Valk, O.M.C. van der (2024). The cost of degradation of the Dutch North Sea environment - Update 2024; A study into the cost of avoiding degradation and the applicability of the Ecosystem Services approach. Wageningen, Wageningen Economic Research. Terug naar link van noot.

  • 51

    Strietman, W.J., Reinhard, S., Roos, F.D.M., & Valk, O.M.C. van der (2024). The cost of degradation of the Dutch North Sea environment - Update 2024; A study into the cost of avoiding degradation and the applicability of the Ecosystem Services approach. Wageningen, Wageningen Economic Research. Terug naar link van noot.

  • 52

    Schendel, J. (2022). Perceptie van de Nederlandse burger over de milieutoestand van de Noordzee: kwantitatief onderzoek naar de percepties en (niet-)monetaire waardering van de goede milieutoestand van de Noordzee. Terug naar link van noot.

  • 53

    Strietman, W.J., Reinhard, S., Roos, F.D.M., & Valk, O.M.C. van der (2024). The cost of degradation of the Dutch North Sea environment - Update 2024; A study into the cost of avoiding degradation and the applicability of the Ecosystem Services approach. Wageningen, Wageningen Economic Research. Terug naar link van noot.

  • 54

    wetten.nl - Regeling - Beleidsregel vergunningverlening schelpdierverplaatsingen - BWBR0031671 Terug naar link van noot.

  • 55

    KNMI (2023). Klimaatscenario’s voor Nederland. Terug naar link van noot.

  • 56

    OSPAR (2023). Quality Status Report. Terug naar link van noot.

  • 57

    OSPAR (2023). Quality Status Report. Terug naar link van noot.

  • 58

    Bij de berekening van dit percentage worden tevens de Waddenzee, Eems Dollard, Oosterschelde en Westerschelde meegenomen. Terug naar link van noot.

  • 59

    Uitzonderingen zijn D2 Niet-inheemse soorten en D9 Verontreinigingen in visserijproducten, die tot een enkele factsheet zijn teruggebracht omdat hiervoor slechts één criterium is uitgewerkt of van toepassing is. Ook van D1 Inktvissen is slechts één factsheet, omdat hiervan te weinig gegevens voorhanden zijn om een beoordeling te kunnen uitvoeren.. Terug naar link van noot.

  • 61

    European Commission, 2022. MSFD CIS Guidance Document No. 19. Article 8 MSFD, May 2022 Terug naar link van noot.

  • 62

    Bij de berekening van dit percentage worden tevens de Waddenzee, Eems Dollard, Oosterschelde en Westerschelde meegenomen. Terug naar link van noot.

  • 63

    Bij de berekening van dit percentage worden tevens de Waddenzee, Eems Dollard, Oosterschelde en Westerschelde meegenomen. Terug naar link van noot.

  • 64

    Bij de berekening van dit percentage worden tevens de Waddenzee, Eems Dollard, Oosterschelde en Westerschelde meegenomen. Terug naar link van noot.

  • 65

    Bij de berekening van dit percentage worden tevens de Waddenzee, Eems Dollard, Oosterschelde en Westerschelde meegenomen. Terug naar link van noot.

  • 60

    Sinds 25 april 2023 is Verordening (EU) 2023/915 van kracht. Voor de beoordeling van D9 is Verordening 1881/2006 gebruikt omdat deze van kracht was tijdens de beoordelingsperiode 2016-2021. Terug naar link van noot.

Naar boven